Tagarchief: haardracht geschiedenis

VRIJESCHOOL- Menskunde en pedagogie (24-1)

.

Niet ieder artikel heeft, hoewel het over het kennen van de mens gaat, een relatie tot de pedagogie.
Dat is met onderstaand artikel het geval.
.

Paul Paede, arts, WeledaBerichten nr.151, september 1990

.

OVER HET HOOFDHAAR EN DE BAARD VAN DE MENS
.

.Niets aan zijn lichaam heeft de mens altijd zo goed verzorgd als zijn haar. De Assyriërs en de Perzen krulden en zalfden het, de Egyptenaren maakten er pruiken van. Volkeren, die volgens een strenge ritus leefden, zoals de Joden en de Spartanen, brachten dit in een korte haardracht tot uiting.
Bij Romeinse jongens werd het als zij volwassen waren afgeschoren en aan de goden geofferd. Daarna droegen zij het lang. Ook de Grieken en de Germanen deden dat.

Geschiedenis van de haardracht

In de 4e eeuw kwam bij de christelijke monniken de tonsuur in zwang. Deze werd tegelijk met de priesterwijding aangebracht en betekende de acceptatie van het kloosterlijk gezag en een verlies van vrijheid.
Een soortgelijke ontwikkeling vertoont de haardracht van de vrouwen: terwijl de meisjes hun haar lang en gevlochten mochten dragen, moesten getrouwde vrouwen het afknippen of onder een kapje verbergen. Dat symboliseerde een beperking van de persoonlijke ontplooiing. Als een fraaie compensatie waren in vroeger tijden al kunstig met gouddraad doortrokken haarnetten en haarspelden van edelmetaal in zwang. Volgens Germaans recht werd bestraft wie een vrouw aan de haren trok of haar hoofdbedekking afrukte.
In de bloeitijd van de Middeleeuwen droegen de edelen hun haar tot op de schouders en de horigen hadden kort haar.
Statig werden de coiffures in het tijdperk van de Barok en het Rococo en ook de tegenwoordige [artikel is uit 1990] punks hebben er heel wat voor over om hun ietwat eigenaardige persoonlijkheid in een soort van hanenkam uit te drukken. Hoewel de haardracht in de loop van duizenden jaren dikwijls veranderde, had deze toch altijd één ding gemeen: er is een menselijke waardigheid en een stuk persoonlijkheid in belichaamd. Op grond van hun grote betekenis worden de haren bij conflicten geattaqueerd of gebruikt om de tegenstander te vellen. Men kan iemand “in de haren vliegen”. Je “haren uit het hoofd trekken” is een uiting van grote ellende, “haarkloverij” staat voor een naar het absurde leidende manier van denken.

Het hoofdhaar in het sprookje

Wij worden over het verband van de mens met zijn haren iets gewaar door de sprookjes. Daarin wordt over haar gesproken dat fijn is als gesponnen goud. In het sprookje, ”De duivel met de 3 gouden haren” trekt de duivelsmoer haar man achtereenvolgens drie kostbare haren uit en telkens geeft hij haar toornig zijn weten prijs omtrent een onheil dat de mens belaagt. Die kennis verschaft de held van het sprookje groot aanzien en rijkdom.
In “Raponsje” laat het meisje, dat in de toren woont, haar vlecht tot op de grond zakken als de toverkol weg is. In het beeld van dat in een torenkamer haar weelderige hoofdhaar verzorgend meisje kunnen wij het vermogen van ons hoofd zien dat ons in staat stelt ons met de omgeving geestelijk te verbinden. Als de toverkol de koningszoon bij Raponsje ontdekt knipt ze haar meisjestooi af. Die was een van haar moeder geërfd, niet zelf verworven bezit. (Vergelijk het offeren van de haarlok door de Romeinse jongelingen).
De koningszoon in het sprookjeIJzeren Hansverbergt zijn haar, zelfs voor de koning, onder een hoed omdat het door het goud uit de oude bron is bedekt. Hij wil zich in de strijd om de drie gouden appels een wijsheid veroveren die naar de toekomst is gericht.
In deGanzenhoedsterkomt de koningsdochter ten gevolge van haar moederbinding in moeilijkheden. En steeds, als Falada haar daaraan heeft herinnerd, maakt zij op de weide haar prachtige gouden haar los om het te kammen en weer te vlechten. Dit leidt ertoe, dat Koertje haar lot aan de koning vertelt.
Als de haren zoiets als de aangeboren of door de opvoeding veroorzaakte rijkdom aan gedachten voorstellen, dan is het kammen een belangrijke stap om ze te ordenen en ten slotte de eigen identiteit te vinden. Sneeuwwitjes stiefmoeder wil met een giftige kam het tegendeel bewerkstelligen.
Nog meer vernemen wij over dit beeld in het sprookje “De Waternimf in de vijver“. Zij heeft de jager naar haar rijk ontvoerd. Na een moeilijke speurtocht krijgt de vrouw van de jager een gouden kam met de raad, zich aan de vijver bij volle maan te kammen tot de waternimf opduikt. Daarop verheft de man voor het eerst zijn hoofd boven het wateroppervlak. Hij wordt ten slotte helemaal bevrijd als zijn vrouw in de derde nacht op een gouden spinnewiel een spoel vlas spint én die aan de nimf geeft. In dit sprookje zien wij een relatie van de haren met een gesponnen draad; wij zien dit in de uitdrukking, dat er door een betoog “een rode draad” loopt. Natuurlijk is het actief spinnen van een draad meer waard dan het orde scheppen in de reeds voorhanden haren. De overgang van het kammen naar het zelfstandig spinnen is in de levensloop een markant verschijnsel. Raponsje verliest haar vlecht als ze twaalf jaar is geworden, Doornroosje en het meisje in “Het klosje, de schietspoel en de naald” beginnen als ze veertien jaar zijn te spinnen, waarmee wel het zelfstandige denken kan zijn bedoeld.

Anatomie van het haar

Anatomisch onderscheidt men aan het haar de schacht die uit de huid komt en de haarwortel die schuin in de huid steekt. Deze laatste is aan het eind verdikt en wordt van onderaf door een bindweefselachtige haarpapil gevoed. Bij elke haar hoort een talgklier en een fijn spiertje voor de oprichting. Door de kracht hiervan kunnen dunne haren een beetje overeind komen (“iemands haren staan overeind”). Ook het “kippenvel” wordt door de haarspiertjes veroorzaakt. De totale beharing heeft dus nog een relatie met gevoelsuitingen, zoals bijvoorbeeld angst en schrik.

Hoofdhaar en hersenfuncties

Waarom is de haargroei van de mens, in tegenstelling tot de dieren, voornamelijk op diens hoofd geconcentreerd en wel in een mate zoals dat bij geen enkel dier voorkomt? Een voordeel voor het fysieke bestaan, zoals het Darwinisme dat veronderstelt, is niet aantoonbaar. En nog iets merkwaardigs ontdekken wij: terwijl in de haarpapil de haarschacht zich voortdurend vernieuwt, is hij aan de buitenkant van de huid verhoornd en praktisch afgestorven. Deze tegenstelling van leven en afgestorven zijn vinden wij vergelijkbaar terug op een hoger plan nl. in het denken: het wordt voortdurend geproduceerd en zinkt, als het abstract wordt, in het levenloze omlaag, het voelen en het willen daarentegen behouden hun vitaliteit.
Rudolf Steiner wijst erop, dat de oerwijsheid van de mensen heel anders geaard was dan het huidige weten. Zij was nog ten nauwste verbonden met de groeikracht. In de loop van de ontwikkeling werd zij steeds meer in het hoofd geconcentreerd en verstild. Als wij onze door de sprookjes opgewekte voorstelling van een verband tussen het haar en het denken verder willen nagaan, dan beantwoordt deze beschouwing van Rudolf Steiner ook de vraag naar de bijzondere positie van het menselijke haar. Op grond daarvan zou men zich het hoofdhaar o.a. als een tegenbeeld van het in het hoofd opgehoopte weten kunnen voorstellen, allicht zonder enige onderlinge afhankelijkheid van elkaar. Dat hersenfunctie en groei van het hoofdhaar helemaal niet zover van elkaar afstaan wordt zichtbaar door twee gruwelijke rituele handelingen van primitieve volken die ten doel hadden zich meester te maken van de geestelijke potentie van de vijand: Oost-Aziatische kannibalen verorberden de hersenen van de overwonnen vijand, de Indianen plantten diens scalp als trofee op de speer of de tent.

Geschiedenis van de baardtooi

Net als het hoofdhaar varieert ook de baarddracht vanaf de oudste tijden. Bij de volkeren van het vroege Voor-Azië was de volle baard in zwang. De Egyptische farao’s droegen een kunstbaard. Pas in de Romeinse tijd kwam de geschoren kin in de mode. De rode baard van keizer Frederik I werd tot een soort symbool in de geschiedenis van het Heilige Roomse Rijk (Frederik Barbarossa). In de Renaissance onderging de baard allerlei veranderingen. Een mooi voorbeeld is de Mozes van Michelangelo. Een bijzonder de mannelijkheid benadrukkend attribuut is later de snor geworden. Beroemd is de snor van de laatste Duitse keizer en die van de surrealistische schilder Salvador Dali.

Baard en taal

De baard komt weliswaar bij enkele hogere zoogdieren voor, maar duidelijk heeft alleen de mens hem. Onder invloed van het manlijk geslachtshormoon ontspruit hij in de puberteit aan de boven- en onderkaak en het voorste gedeelte van de hals waar te-zelfder tijd de lengte van het strottenhoofd ongeveer wordt verdubbeld en de stemhoogte ongeveer een octaaf zakt.
De stem verschaft aan het dier en de mens de mogelijkheid om zielsstemmingen te uiten. De mens kan die daarenboven door middel van zijn spraakorganen tot taal omvormen, waardoor hij zich als een geestelijk wezen manifesteert. Op de plaats, waar binnenin de stem ontstaat en de spraak wordt gearticuleerd, ontspruit aan de daarbij behorende buitenkant de baard. Zonder iets over hormonen te weten bezat men in de Middeleeuwen kennelijk een gevoel voor dit verband van baard en taal. Want om de waarachtigheid van een bewering te staven, zwoer men bij zijn baard. De Moslim beroept zich ook nu nog op ”de baard van de profeet”. En wat zou Michelangelo’s Mozes zijn zonder zijn baard. Beide, stem en baardgroei zijn gedurende het hele leven afhankelijk van het seksuele hormoon. Zoals men kan zien bij bejaarden die met hormonen zijn behandeld.

Hoofdhaar en baard

Hoofdhaar en baard hebben een verschillende oorsprong en verschillen in leeftijd; zij kunnen echter samen een manlijk gezicht omlijsten. Wat onderscheidt de regionen waarin zij groeien en wat is het verbindende van beiden?
Het hoofdhaar omhult en beschermt het hoofd, terwijl de baard eerder agressief naar buiten komt of omlaag hangt. Wij kunnen hierin de tegenstelling van manlijke en vrouwelijke krachten zien. Nu nog treft ons de Bijbelse scène, waarin Magdalena de voeten van Jezus met haar haren droogt, als een tedere uitdrukking van de vrouwelijke ziel. Zou men zich iets dergelijks kunnen voorstellen met een golvende baard? En de baard van de keizer in de Kyffhauserberg die zo lang om de poot van de tafel golft tot de raven het aanbreken van een nieuw tijdperk verkondigen: is die niet het teken van machtige heerschappij? Tegenwoordig is het hoofdhaar voornamelijk het sieraad van de vrouw dat haar ook fysiologisch tot op hoge leeftijd tooit. Omgekeerd kan bij de man het kale hoofd worden gecompenseerd door een krachtige baardgroei, wat op een goed functioneren van de geslachtshormonen wijst.

De weg van de macrokosmos naar de aarde

Wie zich met deze verschijnselen meditatief wil bezighouden kan bij een aanwijzing van Rudolf Steiner aanknopen: men bekijkt het fijn gewelfde schedeldak en ziet dit als een afbeelding van het hemelgewelf, een geschenk van de macrokosmos; daarna richt men zijn aandacht op het tegenbeeld daarvan: een bot van de ledematen met zijn dragende en mechanische functie als een uitdrukking van aardse wetmatigheden. In de kaakbeenderen is het sferische hoofd op weg naar voor het aardse leven geschikte vormen en functies zoals uit de tanden en kaakgewrichten blijkt. De ontwikkeling van de beharing wijst op het verloop in de tijd: op het hoofdhaar volgt met de puberteit (aarde-rijpheid) de zogenaamde secundaire beharing van het lichaam, die typerend bij de oorsprong van de ledematen en bij de man bovendien aan de kaken verschijnt. Deze afdaling naar de aarde wordt ook hoorbaar als de stem van de veertienjarige jongen uit een kinderlijke hoogte in een diepe bas verandert en weerklinkt tussen de pas ontloken baard.

Het meisje vertoont de rijping minder in een stemverandering dan wel in de opbouw van de voortplantingsorganen. Maar toch zijn beide geslachten niet zover van elkaar verwijderd als het lichamelijke verschil zou doen vermoeden.

De vrouw wordt de omhulling voor de belichaming van een mensenziel. Op die manier geeft zij haar bijdrage aan het voortbestaan van de soort. Maar is niet ook de taal een afdalen van het zich onder de bescherming van het schedeldak vrij bewegende denken in de door het strottenhoofd en de kaakorganen opgewekte fysieke en in beweging gebrachte luchtvormen? Het woord, dat hier wordt geboren, is de drager van de totale cultuur van een volk. Voortplanting en taalschepping, biologische en culturele evolutie staan tot in de hormoon-processen met elkaar in verband en scheppen de mensheidsgeschiedenis. Een, hoewel bescheiden, beeld voor het manlijke aandeel hierin is de baard. Het hoofdhaar blijft levenslang voor beide geslachten een symbool van hun “macrokosmische” oorsprong.

.

Nog een artikel over ‘haar

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Rudolf SteinerAlgemene menskundealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2665

 

 

 

 

 

 

 

 

.

.