VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (2-4/14)

.

In de kleuterklas en de 1e klas van de vrijeschool worden sprookjes verteld. Die werden en worden op allerlei manieren verklaard, uitgelegd.
Ook door de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie, het antroposofische mensbeeld, is er een bepaalde taal te lezen tussen de regels van het sprookje.
De beeldentaal.
Om het sprookje te vertellen, is het niet nodig dat je die beeldinhoud kent, maar het kan wel helpen je een stemming mee te geven in wát je nu eigenlijk vertelt. Het gaat om een gevoelsmatige verbinding, niet om een intellectueel uit elkaar rafelen.
Overbodig te zeggen dat ‘de uitleg’ nooit voor de kinderen bedoeld is!

Friedel Lenz heeft met die achtergronden verschillende sprookjes van Grimm gelezen en haar opvattingen zijn weergegeven in haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘.

De woorden van Friedel Lenz worden hier niet letterlijk vertaald weergegeven, meer de strekking daarvan, die ik met eigen gezichtspunten heb aangevuld.
.

Friedel Lenz, Die Bildsprache der Märchen
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES
.

DE GANZENHOEDSTER

Er leefde eens een oude koningin wier gemaal reeds lang geleden gestorven was.

Het sprookje begint met een thema dat vaker voorkomt: een vrouw blijft op aarde alleen achter. Het ‘samen’ op aarde bestaat niet meer, alleen de herinnering leeft. Daarin kan nog de ontmoeting plaatsvinden. Deze is echter van geestelijke aard, ‘van een hogere wereld’ en gescheiden van de ziel van de vrouw.

Zo kun je ook vandaag naar de menselijke ziel kijken. Voor zover we ‘weet’ hebben van een geestelijke wereld, ervaren we eveneens dat we er geen toegang toe krijgen. Slechts met wat gedachten die ons letterlijk iets ‘voor’spiegelen, kunnen we een bepaalde, afgezwakte verbinding leggen.

Dit sprookje duidt daarop. Het wijst op het ‘zilveren’ tijdperk. De maan weerspiegelt in een zilveren licht, het gouden licht van de zon, die op dat ogenblik niet zichtbaar is. 
Had de vroegere mens een nog veel directere verbinding met de geestelijke wereld – in het ‘gouden’ tijdperk – wij moeten het doen met de weerspiegeling. 
Rudolf Steiner zegt over dit gespiegelde denken veel, o.a. in ‘Algemene menskunde‘.

Met andere woorden kunnen we ook zeggen dat de geestelijke wereld zich teruggetrokken heeft. Dat deze verloren is gegaan. Verduisterd voor onze blik.

In de Egyptische mythologie wordt dit verbeeld door de mythe van Osiris. 
‘Osiris, het schouwende oog, de zon in de mens en in de mensheid is gestorven.’ Isis, zijn zuster en gemalin, is alleen achtergebleven en haar priesters noemen zich: ‘zonen van de weduwe’.

In de Germaanse mythologie wordt gesproken over de ‘godenschemering’ als de goden op de dag Ragnarok voor de mensen verdwijnen. 
Baldur die in Breidablik woont – ‘in het grote schouwen’ is dood en Nana treurt als zijn weduwe.

En zij had een mooie dochter. Deze groeide op en werd bestemd voor een koningszoon die in een ver land woonde. Toen de tijd gekomen was, dat zij in het huwelijk zouden treden en het kind op reis moest naar het onbekende land, pakte de oude koningin veel kostbaar huisraad en edelsmeedwerk voor haar in: goud en zilver, bekers en sieraden, kortom alles wat maar tot een koninklijke bruidsschat behoort, want zij had haar kind van harte lief.

De dochter die uit de moeder is geboren, is de nieuwe ziel die uit de oude is voortgekomen. Ze wordt als ‘mooi’ omschreven en bestemd om in de toekomst deel uit te maken van een ‘koninklijke verbinding’, een koningszoon – in de sprookjestaal: een geestelijke verbinding.
Opmerkelijk is dat het huwelijk ‘elders’ plaatsvindt. Ook dat gebeurt in de sprookjes vaker.
Dat duidt altijd op iets nieuws. 
In de oude tijden, in oude leefverbanden, was het niet gebruikelijk om buiten de stam, de groep, de leefgemeenschap te trouwen. 
Ook nu vinden we dit nog. Het is nog niet zolang geleden dat het niet gebruikelijk was ‘buiten je dorp’ te trouwen of met iemand die een ander geloof beleed. De ‘nieuwe Nederlanders’ trouwen lang niet altijd met ‘oude Nederlanders’, maar houden het huwelijk binnen hun eigen groep. ‘Uithuwelijken’ zal nog wel even als een niet-historisch te beschouwen woord in onze taalschat aanwezig blijven….

In de Trojaanse oorlog is de roof van Helena meer dan een vrouwenroof; want het gevolg is dat Troje valt – de stad van de zieners, het centrum van de helderziende priesterwijsheid. De verstandscultuur van de Grieken overwint – in het teken van het paard!

We zien in de verandering van de mensheid een sterker worden van de individualiteit. De mensen worden ‘persoon(lijkheid), gaan niet meer onder in de familie of stam waartoe ze behoren, zelfs het behoren tot een ‘volk’ wordt door steeds grotere groepen niet meer zo sterk gevoeld. De familie-oudste, het stamhoofd, deze woorden boeten steeds meer aan inhoud in. De mensen beslissen zelf: ‘dat maak Ik (zelf) wel uit!’

Goethe omschreef dit zo:

‘Höchstes Glück der Erdenkinder sei nur die Persönlichkeit’ –

‘in zijn persoonlijkheid vinde de mens zijn hoogste geluk’ –
(Goethe, Westsötlicher Divan,)

Het Ik moet worden gevonden en wanneer dit in het beeld van de koningszoon verschijnt, is dit het Ik dat zichzelf beheerst, dat vol in de geest leeft. 
De weg daarheen moet worden afgelegd. 
De mensheid, maar ook de individuele mens heeft daar een lange tijd voor nodig.

Ook gaf zij haar een kamenier mee, die mee moest rijden en de bruid aan de bruidegom moest overdragen

Het begin van de Ik-ontwikkeling is in een sprookje ‘naar de bruidegom gaan’. De ziel moet een ontwikkeling doormaken waarbij deze enerzijds zich richt op de geest – het hogere – gericht op het liefhebbende, onegoïstische , het eeuwige;  anderzijds moet deze ook met de aarde verbonden blijven, als ‘lagere ziel’ die de hogere helpend moet dienen – de kamenier.

Dat gaat niet zomaar. Vaak volgt er een crisis en daarover zwijgt het sprookje niet. 
Het aardse, maar noodzakelijke lagere bewustzijn kan egoïstisch worden, trots en op de voorgrond treden.

Die twee kanten van de ziel heeft Goethe ook beschreven:

Zwei Seelen wohnen, ach! In meiner brust,
Die eine will sich von der andern trennen;
Die eine hält, in derber Liebeslust,
Sich an die Welt mit Klammernden Organen;
Die andre hebt gewaltsam sich vom Dust
Zu den Gefilden hoher Ahnen.’
(Faust I, 1112-1117)

Twee zielen, ach! wonen in mijne borst,
De ene wil zich van de and’re scheiden;
De ene, in der zinnen doornenhof,
Tracht ’s werelds heil hartstochtlijk te benaad’ren;
De ander heft onstuimig zich uit ’t stof
Tot de gewesten van zijn vaad’ren.

en elk kreeg een paard voor de reis, maar het paard voor de koningsdochter heette Falada en kon spreken.

Steiner geeft in zijn beschouwingen over de ziel o.a. verschillende gradaties van zielenleven – die ook wel weer in twee grotere verschillen zijn onder te brengen: ze horen of meer bij het fysiek-etherische of meer bij het gemoed/verstand.
In oudere tijden was het verstand nog geen zelfstandige kracht in de mens, dit was veeleer aan het lichaam gebonden.
De Ik-ontwikkeling van de mens en dus ook van de mensheid hangt met de ontwikkeling van het denken samen.
Wanneer deze ontwikkeling rond 2000 voor Chr, begint – Lenz wijst hier op Hammurabi in Chaldea – doet ook het paard zijn intrede. Ergens vanuit de hooglanden k0mend, werd het voor een wilde ezel gehouden; maar men zag ook al snel zijn intelligentie en aanpassingsvermogen. Het wilde paard werd getemd – de Bijbel noemt hier een van de zonen van Kaïn. Dat een mens een dier zo kon beheersen – er meer mee kon dan het draagdier laten zijn, het zijn wil kon opleggen dat het bestuurbaar was en ‘ergens’ naartoe geleid kon worden, was een grote cultuurdaad. 

Maar ook voor het innerlijk geldt zoiets. De mens leerde het vrijer wordende verstand te beteugelen, in dienst te stellen van het Ik, dit te leiden en naar doelen te voeren. En zo werd het paard ook een symbool voor het instinctieve verstand.
Dit verstand spleet met het doorzetten van de Ik-ontwikkeling.

Plato laat in zijn ‘Phaidros’ Socrates zeggen: 

In het begin van deze mythe verdeelde ik de ziel in drie delen: twee paarden en een wagenmenner. Laten wij dat beeld nu vasthouden. Van de paarden, zo zeiden wij, is het ene goed, het andere niet. Maar wij zeiden niet waaruit het goede van het ene en het kwade van het andere bestaat. Dat moeten wij nu doen. Welnu, het paard dat aan de rechterkant loopt, is recht van gestalte, goed gebouwd, heft zijn hoofd fier op, heeft een gewelfde neus, is wit en heeft zwarte ogen. Het weet wat eerbied is en kent ook matigheid en ingetogenheid. De waarheid is hem lief. Het heeft geen zweep nodig maar laat zich alleen leiden door aansporing en gezond verstand. Het andere paard is krom gegroeid, zwaar, slecht gebouwd, zijn nek is kort en dik, het heeft een stompe neus en grauwe bloeddoorlopen ogen, het is donker van kleur en neigt tot overmoed en
losbandigheid. Het is borstelig om de oren en doof, en gehoorzaamt nauwelijks aan zweep en sporen. (Phaidros 253d)

Zo kan je ook de twee paarden in het sprookje zien. Wie Falada zou willen schilderen, moet dat met wit doen. In de Openbaringen van Johannes is bij de opening van het eerste zegel een wit paard betrokken; de berijder is een koning, in het sprookje de koningsdochter.
In de begintijd van de intelligentie is het instinctieve verstand nog op het bovenzinnelijke gericht, daarom de witte kleur. De kracht van de inspiratie is al aanwezig, daarmee kan het spreken. Daartegenover moet het paard van de kamenier donker worden geschilderd, zelfs zwart, zoals bij Plato; want de wilskrachten van de andere verstandskracht richt zich op het aardse duister, op de stof.

Toen het nu tijd was om afscheid te nemen, ging de oude moeder naar haar slaapkamer, nam een mesje en sneed daarmee in haar vinger, zodat het bloedde; daarop hield zij er een wit lapje onder en liet er drie druppels bloed op vallen, gaf het aan haar dochter en sprak: ‘Liefkind, bewaar dit goed, je zult het onderweg nodig hebben.’

Hier hebben we nog te maken met de magie van het bloed. Die werkt drievoudig: in het gevoel als devote overgave, in het denken als helderziend weten, in de wil als handelen vanuit het stambewustzijn. Die macht en kracht zit in haar. De beeldspraak van het sprookje noemt dit gedachteweesfel: linnen. Daarvan wordt de ziel die zich van de verbanden los aan het maken is, een stukje meegegeven: het witte lapje met de bloeddruppels.

Zo namen zij bedroefd afscheid van elkaar; het lapje borg de koningsdochter op haar hart, zij besteeg haar paard en trok weg naar haar bruidegom. Toen zij een uur gereden hadden, kreeg zij een brandende dorst en sprak tot haar kamenier: ‘Stijg af en schep water uit de beek met de beker die je voor mij hebt meegenomen; ik wil graag wat drinken.’ ‘Als u dorst hebt,’ sprak de kamenier, ‘kom dan zelf maar van uw paard af, ga maar bij het water liggen en drink; ik heb geen zin om uw dienstmaagd te zijn.’ Toen steeg de koningsdochter af, omdat zij zo’n dorst had, bukte zich over het water van de beek en dronk en zij mocht niet uit haar gouden beker drinken.

Onderweg krijgt de koningsdochter al snel dorst. Het is het verlangen dat Boeddha de dorst naar het leven noemt, dorst naar beleving, naar nieuwe ervaringen, naar verkwikking en laving van de ziel. Door deze begeerte kan het lagere van de ziel overheersen: de kamenier wordt hoogmoedig en weigert te gehoorzamen. De gouden beker uit de bruidsschat van de moeder, de wijsheidsgave die de ziel begrijpen kan (water scheppen) wordt aan de koningsdochter geweigerd. 

Toen sprak zij: ‘Ach, God,’ en de drie bloeddruppels antwoordden: ‘Als dat uw moeder weten zou, van smart haar harte breken zou.’ Maar de koningsbruid was deemoedig, zei niets en besteeg weer haar paard, So reden zij ettelijke mijlen verder, maar het was een warme dag, de zon stak en weldra luid zij weer dorst. Daar zij nu aan stromend water kwamen, zei zij nog eens tegen haar kamenier: ‘Stijg af en geef mij uit mijn gouden beker te drinken,’ want zij was de boze woorden al lang weer vergeten. De kamenier sprak echter nog hoogmoediger: ‘Als u wilt drinken, dan drinkt u maar, ik heb geen zin om uw dienstmaagd te zijn.’ Toen steeg de koningsdochter af om haar hevige dorst te lessen, knielde bij het stromende water, schreide en sprak: ‘Ach, God’ en de bloeddruppels antwoordden wederom: ‘Als dat uw moeder weten zou, van smart haar harte breken zou.’ En terwijl zij zo dronk en zich diep voorover boog, viel het lapje met de drie bloeddruppels uit haar keurslijfje en werd door de stroom meegevoerd zonder dat zij het in haar benauwenis merkte. De kamenier echter had toegekeken en was blij dat zij de bruid in haar macht kreeg: want nu deze de bloeddruppels verloren had, was zij zwak en machteloos geworden.

De dag werd warmer en de dorst brandender. Die wilde gelest worden en hoe verder de moeder van haar verwijderd is, hoe zwakker de magische kracht van het bloed wordt. Uiteindelijk stroomt het weg in de stroom van het voorbijgaande leven: familie-erfelijkheid en volkse traditie gelden vanaf nu niet meer.

Toen zij nu haar paard, dat Falada heette, weer wilde bestijgen, zei de kamenier: ‘Op Falada hoor ik te zitten en jij op mijn beest’ en dat moest zij zich laten welgevallen. Toen beval de kamenier haar met bitse woorden haar koninklijke kleren uit te trekken en haar eenvoudige aan te doen en ten slotte moest zij onder de open hemel zweren dat zij er aan het koninklijk hof geen mens iets van zou zeggen; en als zij deze eed niet afgelegd had, zou zij meteen gedood zijn. Maar Falada zag alles en lette goed op.
De kamenier besteeg nu Falada en de echte bruid ging op het slechte paard zitten en zo trokken zij verder tot zij eindelijk het koninklijk slot bereikten. Daar was grote vreugde over hun aankomst en de koningszoon snelde hen tegemoet, tilde de kamenier van het paard en dacht dat zij zijn gemalin was: zij werd de trap opgeleid, maar de echte koningsdochter moest beneden blijven staan.

Nu overheerst het lagere ook het geïnspireerde verstand: de kamenier bestijgt Falada. Ze pakt de koningsdochter de koninklijke kleren af en geeft haar daarvoor slechtere in de plaats: de uitstraling van het zielenkleed wordt zwakker. Uiteindelijk lukt het de valse vrouw de koningszoon te misleiden – zij neemt hem voor zichzelf, d.w.z. ze krijgt wel iets van Ik-kracht, maar op een egoïstische manier. De hogere ziel wordt letterlijk afgezet, onttroond.

De oude koning keek juist uit het raam, en zag haar op het slotplein staan wachten en hij zag ook hoe fijn gebouwd zij was, en hoe teer en hoe mooi: hij ging meteen naar het koninklijk vertrek en vroeg de bruid naar het meisje dat zij bij zich had, en dat daar beneden op het voorplein stond en wie dat eigenlijk was? – ‘Die heb ik onderweg meegenomen als gezelschap; geef die meid wat te doen, zodat zij niet loopt te luieren.’

Vóór het vrij wordende Ik in de mens zichtbaar werd, heerste het oude Zelf – de oude koning. Het oude zelf is niet meer de heerser in het innerlijk, maar het is wakker en attent en volgt de gebeurtenissen.

Maar de oude koning had geen werk voor haar en wist niets anders te zeggen dan: ‘Ik heb nog zo’n jongetje, dat de ganzen hoedt, die kan zij wel helpen.’ De jongen heette Koertje en hem moest de echte bruid nu helpen.
Weldra echter zei de valse bruid tot de jonge koning: ‘Liefste gemaal, ik vraag u vriendelijk mij een genoegen te willen doen.’ Hij antwoordde: ‘Dat wil ik graag.’ – ‘Wel, laat dan de vilder komen en laat dat paard waarop ik hier naar toe ben gereden het hoofd afhakken, omdat het mij onderweg veel last bezorgd heeft.’ Maar in werkelijkheid was zij bang dat het paard zou vertellen, hoe zij met de koningsdochter was omgesprongen. Nu was het zover gekomen dat de trouwe Falada moest sterven; toen kwam het ook de echte koningsdochter ter ore en zij beloofde de vilder in het geheim dat zij hem een geldstuk zou geven, als hij haar een kleine dienst wilde bewijzen. In de stad was een grote donkere poort, waar zij ’s avonds en ’s morgens met de ganzen door moest; zou hij in die donkere poort Falada’s hoofd op willen hangen, zodat zij hem dan dagelijks een paar maal kon zien? De vildersknecht beloofde dit te zullen doen, sloeg het hoofd af en spijkerde het vast onder de donkere poort.
Als zij ’s morgens vroeg met Koertje de ganzen door de poort naar buiten dreef, sprak zij in het voorbijgaan:

‘Ach Falada, hoe hangt ge daar.’

waarop het hoofd antwoordde:

‘Ach koningsbruid, hoe gaat ge daar,
Als dat uw moeder weten zou,
Van smart haar harte breken zou.’

En dan trok zij stil verder de stad uit en zij dreven de ganzen naar het veld.

De jonkvrouw wordt ganzenhoedster, zij is degene die zich wilskrachtig ‘boven de dorst verheft’. 
De eerste wilsdaad is: gehoorzaam zwijgen en het lot ondergaan. 
Ganzen zijn moeilijk te hoeden: ze lopen voortdurend overal heen, er is steeds chaos. Ze zijn het levende beeld voor verdeeldheid. ‘Hoed je zintuigen’ is een van de belangrijkste kernwoorden in de tijd van ridders en troubadours. Dit sprookje zegt: ‘Word ganzenhoedster’ – houd je zinnen bijeen – verzorg de eenheid, concentratie. Daar hoort ook de zelfbezinning, de zelfbeschouwing bij, vooral ’s morgens en ’s avonds. 
Wanneer we ’s morgens wakker worden is het alsof we door een donkere poort zijn gekomen, de heldere dag in, waarin we alle zintuigen gebruiken, ons aan alle indrukken overgeven. ’s Avonds keren we weer terug, terug in ons zelf, be-zinnen we ons waar het de ziel om gaat, dat deze eens inspiratie kreeg waar ze niets mee kan doen, maar die de herinnering op kan roepen aan het koninklijke dat verloren ging. 
Vele sprookjes gaan over het terugvinden van dit koninklijke.

Dit sprookje ging tot nog toe over de ontwikkeling van het verstand als een weg en deze weg is noodzakelijkerwijs met de ontwikkeling van het denken verbonden. 

Op de weide aangekomen, ging zij zitten en maakte haar haar los, dat van louter goud was. Koertje zag met bewondering, hoe het glansde en wilde er een paar haren uittrekken. Toen sprak zij:

‘Waaie, waaie windje
Pak Koertje z’n hoedje
Jaag hem er achteraan,
Tot ik het kammen, vlechten
En kappen heb gedaan.’

En toen stak er zo’n harde wind op, dat Koertje zijn hoedje heel ver wegwoei en hij het moest nalopen. Toen hij terug kwam, was zij klaar met kammen en kappen en kon hij geen haar meer te pakken krijgen. Toen was Koertje boos en sprak niet met haar; en zo hoedden zij de ganzen tot de avond viel en toen gingen zij naar huis.

Toen zij de volgende morgen weer door de donkere poort gingen, sprak het meisje:

‘Ach Falada, hoe hangt ge daar.’

en Falada antwoordde:

‘Ach koningsbruid, hoe gaat ge daar.
Als dat uw moeder weten zou,
Van smart haar harte breken zou.’

En buiten ging zij weer op de wei zitten en begon haar haren te kammen en Koertje kwam aanhollen en probeerde ze te grijpen, maar zij sprak snel:

Waaie, waaie windje
Pak Koertje z’n hoedje
Jaag hem er achteraan,
Tot ik met kammen, vlechten
En kappen heb gedaan.’

Toen woei de wind en blies het hoedje van zijn hoofd, ver weg, zodat Koertje er achteraan moest; en toen hij terug kwam, was zij allang klaar met haar haar en hij kon niet één haartje te pakken krijgen; en zo hoedden zij de ganzen tot het avond werd.

Haren groeien, hebben een bepaalde kleur en structuur en zeggen daarmee wel iet over de drager ervan. Wanneer er in sprookjes over ‘haar’ en ‘kammen’ wordt gesproken, gaat het altijd over een ‘innerlijk’ hoofd’ – dat is het hoofd dat we niet mogen verliezen! Het denken moet verzorgd w0rden. Er kan wijsheid zijn – gouden haren – de koningsdochter heeft het meegekregen, maar het moet wel verzorgd worden. Als erfelijkheid werkt het niet, er moet mee gedacht worden. Dat betekent het ‘kammen’. De naïeve wil, het tevreden zijn met zichzelf, moet onder controle blijven, hoewel deze op een traditionele manier de zintuigen hoedt, maar ook door zijn naïviteit zich snel schrander en bezonnen vindt en er trots op is dat hij alles in ‘het koppetje’ heeft.
Het jongetje heet – in de vertaling – Koertje. Het Duits heeft ‘Kürdchen’; de gebroeders Grimm voegden ‘Konrädchen’ – ‘Koenraadje’ toe, met als grondwoord ‘Kuonrad’, ‘Konrad’, iemand die ‘koene’ raad geeft. Het is de wat bekrompen wil die graag snel wil ‘schitteren’ – met een paar gouden haren – waarmee hij een  storende invloed heeft op de concentratie. 

In oudere tijden bestond er een magie van het woord waarover de sagen nog spreken. De mens kon het weer bezweren: de wind gehoorzaamde. 
Marco Polo ervoer zoiets aan het hof van Kubilai Khan in de 13e eeuw, waar priesters wind en regen beheersten. 
Koningen beschikten ook vaak over magische kracht. Dat alles ging in de stroom van de ontwikkeling verloren.

In dit sprookje gebeurt het als een innerlijk iets – het Bijbelwoord zegt: ‘De geest waait waarheen hij wil.’
Denkend kan de ziel de geest gebieden te waaien waarheen zij het wil en de waanwijsheid verdrijven.
In rust worden de gedachten op drieërlei wijze tot eenheid geordend: vlechten gaat met drie strengen, denken, voelen, willen zijn actief.
Het Duits heeft ‘geflochten’, (gevlochten), ‘geschnatzt’, ‘Schnatz’ is een oud woord voor ‘Schmuck’ (versiering, opsmuk), een haarkroontje op het hoofd,  ‘aufgesatzt’ – wat je verworven hebt, onthouden.

Maar toen zij ’s avonds thuisgekomen waren, ging Koertje naar de oude koning en zei: ‘Met dat meisje wil ik niet langer de ganzen hoeden.’ – ‘Waarom niet?’ vroeg de oude koning. – ‘Ach, zij plaagt mij de hele dag.’ Toen beval de oude koning hem te vertellen wat er dan tussen hen beiden voorviel. Toen zei Koertje: ‘Als wij ’s morgens met de troep ganzen door de donkere poort gaan, dan hangt daar de kop van zo’n peerd aan de muur en daar zegt zij tegen:

‘Ach Falada, hoe hangt ge daar.’

en dan antwoordt dat hoofd:

‘Ach koningsbruid, hoe gaat ge daar,
Als dat uw moeder weten zou,
Van smart haar harte breken zou.’

En zo vertelde Koertje verder wat er op de ganzenweide gebeurde en hoe hij daar in de wind achter zijn hoedje moest aanhollen.
De oude koning beval hem de volgende dag weer de ganzen naar buiten te drijven en zodra het ochtend was, ging hij zelf achter de donkere poort staan en hoorde daar hoe zij met het hoofd van Falada sprak. Daarop ging hij haar ook achterna naar buiten en verborg zich achter een struik op de wei. Daar zag hij weldra met eigen ogen hoe de ganzenhoedster en de ganzenjongen de troep de wei opdreven en hoe zij na een poosje ging zitten en haar haren, die stralend glansden, los vlocht. Meteen sprak zij weer:

‘Waaie, waaie windje
Pak Koertje z’n hoedje
Jaag hem er achteraan,
Tot ik met kammen, vlechten
En kappen heb gedaan.’

Daar kwam een windstoot die Koertje zijn hoedje meenam, zodat hij ver moest hollen en het meisje kamde en vlocht haar lokken stilletjes verder. En dat alles zag de oude koning. Daarop ging hij onopgemerkt terug

Wanneer de ziel (de koningsdochter) zo aan zichzelf werkt, wordt dat voor de gewone wil (Koertje) tot een ondraaglijke toestand. Hij heeft tot op heden ‘de ganzen gehoed’, nu moet de koning maar beslissen: hij wil het niet langer.
De oude koning – het oude Zelf – blijft wakker nu de koningszoon zich heeft laten inpalmen door de valse bruid. De oude koning neemt waar wat er gebeurt en begrijpt het.

en toen ’s avonds de ganzenhoedster thuis kwam, nam hij haar terzijde en vroeg waarom ze dit alles zo deed? – ‘Dat mag ik u niet zeggen en ik mag ook aan niemand mijn leed klagen, want dat heb ik onder de open hemel gezworen, omdat ik anders om het leven gebracht zou zijn.’ Hij trachtte haar over te halen en liet haar niet met rust, maar hij kon niets uit haar krijgen. Toen sprak hij: ‘Als je mij niets wilt zeggen, klaag dan die ijzeren kachel daar je leed,’ en hij ging weg. Toen kroop zij in de ijzeren kachel, begon te jammeren en te schreien, stortte haar hart uit en sprak: ‘Daar zit ik nu, door de hele wereld verlaten, hoewel ik toch een koningsdochter ben. Een valse kamenier heeft mij met geweld gedwongen mijn koninklijke gewaden af te leggen en heeft mijn plaats bij mijn bruidegom ingenomen en ik moet als ganzenhoedster nederige diensten verrichten. Als dat mijn moeder weten zou, van smart haar harte breken zou.’ De oude koning stond echter bij de opening van de kachelpijp te luisteren en hoorde wat zij sprak. Toen kwam hij weer binnen en beval haar uit de kachel te komen. Toen werden haar koninklijke kleren aangetrokken en het was een wonder zo mooi als zij was.

De kachel, de oven speelt ook nu nog in dromen een belangrijke rol, net zoals in de sprookjes. Mensen die een hartaanval hebben gehad, vertellen er soms over. Het hart is toch de bron van warmte in het huis van het lichaam zoals de kachel in het woonhuis. En ook op een hoger niveau hebben we het over de warmte van de liefde, ook over een bekoelde liefde, het gedoofde vuur van de liefde. 
Het ijzer heeft ook een relatie tot de warmte in ons, d.m.v. het warme bloed dat direct in verbinding staat met ons Ik. En het bloed speelt weer zo’n belangrijke rol bij het hart! 
In het hart moet de koninklijke ziel weten wie ze werkelijk is. Dat verlangt de koning van haar te weten. Alleen wie zichzelf weet te vinden, wordt persoonlijkheid. Nu wordt de weg vrijgemaakt voor het koningszoon-Ik. Dit moet zich allemaal in het hart afspelen, want de verstandsontwikkeling – de weg te paard – en de ontwikkeling van het denken –  de gouden haren verzorgen – kunnen in eenzijdigheid ontaarden. Hier moet het hart als kennisorgaan helpen. 
De jonkvrouw wordt met koninklijke waardigheid gekleed en haar wordt recht gedaan.

De oude koning riep zijn zoon bij zich en onthulde dat hij de valse bruid had, die maar een kamenier was, maar dat de echte hier stond en dat was de gewezen ganzenhoedster. De jonge koning was zielsgelukkig toen hij haar schoonheid en deugd zag en er werd een grote maaltijd aangericht, waarvoor alle hovelingen en goede vrienden werden uitgenodigd. Aan het hoofd van de tafel zat de bruidegom met de koningsdochter aan zijn ene en de kamenier aan zijn andere zijde, maar de kamenier was verblind en herkende de andere niet meer in haar stralende tooi. Toen zij nu gegeten en gedronken hadden en welgemoed waren, gaf de oude koning de kamenier een raadsel op: wat heeft iemand verdiend die haar heer zo en zo bedrogen heeft, en hij vertelde daarop het hele verhaal en vroeg: ‘Welk vonnis heeft zo iemand verdiend?’ Daarop sprak de valse bruid: ‘Zo iemand verdient niet beter dan spiernaakt uitgekleed en in een vat gestopt te worden, dat van binnen met scherpe spijkers is beslagen: en dan moeten er twee witte paarden voor gespannen worden, die haar door de straten moeten slepen tot zij dood is.’ –

Tussen de ware en de valse bruid staat de bruidegom nu als een wezenlijk beeld voor ons. Nu moet er beslist worden. 
Het principe van de vrijheid geldt ook voor de hoogmoedige, zelfzuchtige kracht (de kamenier) en zij is geroepen de waarheid te spreken. Maar ze is niet meer in staat het goede in zijn glans en glorie te herkennen en spreekt zelf het oordeel uit.
‘Spiernaakt’ betekent: alle omhulling en uitstraling van de ziel verliezen; ‘in een vat met spijkers gestopt worden’ betekent: heel klein worden en alles lijden wat als pijn de ander is aangedaan.
Er moeten twee witte paarden komen om ‘haar door de straten te trekken’. Falada is in zekere zin opnieuw verschenen en het paard van de kamenier – de tot dan toe op de donkere aardse stoffelijkheid gerichte verstandskracht – is gemetamorfoseerd en krijgt het licht voor de spirituele kracht. Deze dubbele nieuwe spirituele kracht doodt alle laagheid en egoïsme. De ziel is nu door een denkende geest vervuld, het Ik geheel bezield en nu kan de koninklijke bruiloft worden gevierd.

‘Dat ben jij,’ sprak de oude koning, ‘je hebt je eigen oordeel geveld en zo zal het met je gaan.’ En toen dit vonnis voltrokken was, trad de jonge koning in het huwelijk met zijn echte bruid en beiden regeerden hun rijk in vrede en gelukzaligheid.

Bij boerderijen in Neder-Saksen zie je soms aan de gevel twee balken met uitgesneden witte paardenhoofden. De grote liefde van onze voorouders voor paarden als reden daarvoor op te voeren, is niet genoeg. 
Het huis van het lichaam was nauw verbonden met het huis waarin men woonde, getuige de uitdrukkingen waarin huis en lichaam synoniem zijn, Het voorhoofd komt overeen met de voorgevel. Daar moet het spirituele verstand de boventoon voeren, lager en hoger verstand overeenkomen en zich kruisen. Beide zijn nodig om goed ‘behuisd’ te kunnen zijn en met innerlijke waarachtigheid te leven en te werken. 

Afbeeldingsresultaat voor de ganzenhoedster

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 1e klas – sprookjes

.

2366

/

./

./

./

Wat op deze blog staat

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.