In de Gesamt Ausgabe van het werk van Rudolf Steiner is onder 298 opgenomen:
RUDOLF STEINER IN DER WALDORFSCHULE
Dit ‘Rudolf Steiner in de vrijeschool’ is in het Nederlands vertaald met de titel:
Beste ouders, lieve kinderen
In de Nederlandse uitgave is een keus gemaakt, zodat GA 298 niet in z’n geheel is vertaald. Ook heeft de uitgever een vertaling toegevoegd van een voordracht die in de Duitse uitgave niet is afgedrukt.
De inhoud van de Duitse uitgave met daaraan toegevoegd de vertalingen van de Nederlandse uitgave:
7. Sept.1919Ansprachevon Kommerzienrat Emil Molt zur Eröffnung der Freien Waldorfschule (blz. 18) Niet vertaald in de uitgave, wel op deze blog.
7. Sept. 1919AnspracheRudolf Steiners bei der Eröffnung der Freien Waldorfschule (blz. 22) Deze toespraak is niet in de vertaling opgenomen. Die is vertaald te vinden in: ‘In het midden de mens‘, blz. 48
21. Dez. 1919Ansprachebei der Weihnachtsfeier (blz. 35) Vertaald/39
10. Juni 1920Ansprachebei einer Monatsfeier (blz. 40) Vertaald/45
11. Juni 1920Vortrag, gehalten am Elternabend: «Die Schulgewohnheiten der niedergehenden Zeit und die Schulpraxis des kommenden Tages» (blz. 44) Op deze blog vertaald
24. Juli 1920Ansprachebei der Feier zum Abschluß des ersten Schuljahres (blz. 57) Vertaald/49
23. Nov. 1920Ansprachebei einer Monatsfeier (blz. 65) Vertaald/58
13. Januar 1921 Ansprachemit Aussprache am Elternabend (blz. 68) Vertaald ‘Het wezen van de Waldorfschool/9
11. Juni 1921Ansprachebei der Feier zum Abschluß des zweiten Schuljahres (blz. 87) Vertaald/61
17. Juni 1921Ansprachemit Aussprache an der ersten Mitgliederversammlung des Vereins «Freie Waldorfschule» (blz. 93) Op deze blogvertaald
18. Juni 1921 Ansprachebei der Feier zum Beginn des dritten Schuljahres (blz. 102) Vertaald/68
16. Dez. 1921Ansprachebei der Grundsteinlegung für das neue Haus der Waldorfschule (blz. 115) Op deze blogvertaald
9. Mai 1922Ansprachemit Aussprache am Elternabend (blz. 122) Op deze blogvertaald
20. Juni 1922Ansprachebei der Feier zum Beginn des vierten Schuljahres (blz. 146) Vertaald/82
20. Juni 1922Ansprachemit Aussprache an der zweiten Mitgliederversammlung des Vereins «Freie Waldorfschule» (blz. 152) Op deze blogvertaald
1. März 1923Ansprachebei einer Monatsfeier nach dem Brande des Goetheanum (blz. 164) Vertaald/89
24. April 1923Ansprachebei der Feier zum Beginn des fünften Schuljahres (blz. 168) Vertaald/94
3. Mai 1923Ansprachebei einer Monatsfeier (blz. 171) Vertaald/98
25. Mai 1923 Ansprachean der dritten ordentlichen Mitgliederversammlung des Vereins «Freie Waldorf schule» (blz. 174) Op deze blogvertaald
22. Juni 1923Anspracheam Elternabend: «Fragen von Schule und Haus» (blz. 187) Op deze blog vertaald
27. März 1924Ansprachebei einer Monatsfeier (blz. 198) Vertaald/101
30. April 1924Ansprachebei der Feier zu Beginn des sechsten Schuljahres (blz. 202) Vertaald/106
1. Juni 1924Vortrag, gehalten an der vierten Mitgliederversammlung des Vereins «Freie Waldorfschule»: «Der Verkehr des Lehrers mit dem Elternhause im Geiste der Waldorfschul-Pädagogik» (blz. 206) Op deze blog vertaald
Extra in de vertaling:
Vraagstukken in de Waldorfschool – Berlijn, 24 januari 1907 GA 55/133 Vertaald/31 Eerder op deze blogvertaald
Steiners afscheidsbrief aan de leerlingen, 15 maart 1925 Blz. 111
Er zijn heel veel kinderboeken. Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.
Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.
De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.
In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.
.
HET HOOFDPIJNMYSTERIE
Tjeerd woont buiten het dorp – z’n vader heeft een kwekerij. Zijn vriendje Arjen woont wel in het dorp, in een nieuwbouwwijk. Arjen is veel ziek: hoofdpijn. Hij is niet de enige. In de wijk zijn veel meer zieken en de dokter weet geen raad. Net als Tjeerd een opstel moet schrijven, vertelt Kees, de knecht op de kwekerij, een wonderlijk verhaal, dat volgens hem echt gebeurde. Tjeerds meester die bevriend is met een journalist, begint een vermoeden te krijgen door het opstel van Tjeerd. Dat leidt uiteindelijk tot de oplossing van het mysterie. We hebben te maken met een roman van deze tijd waarin corruptie, egoïsme e.d. op grote schaal ellende veroorzaken. Je zal maar op vervuilde grond wonen. Gelukkig worden de schuldigen gevonden, maar daar lijkt het bij te blijven.
Henk Barnard
Ill. Reintje Venema
Uitg. Wolters Noordhoff in de serie ‘De vroege ,lijsters’
In [1-2], [1-2-2] en [1-2-3] werd al gewezen op de grote ontwikkelingswaarde van de interactie tussen (groot)ouders, oudere kinderen en het heel jonge kind. Taalklanken [zie hier] werken vormend in op de ontwikkeling van de hersenen, die ook ‘groeien’ door aandacht; de woordenschat neemt verbazingwekkend toe.
Alle redenen om met het kind te zingen, te spreken (niet in baby-taal) en te bewegen. Zonder andere hulpmiddelen dan de menselijke zang- en spreekstem, de menselijke beweging direct nagebootst van de oudere zelf, dus niet van een ‘scherm’ of andere media die de plaats innemen van het directe contact.
Onderstaande spelletjes zijn al jaren oud, maar ‘doen’ het nog steeds.
Draai het wieletje nog eens om
Als ’t kindje in de kinderstoel zit en de ouder er tegenover, kunnen alle bewegingen worden voorgedaan. Natuurlijk doet het kind het niet meteen na, maar als je de handjes en/of armpjes vasthoudt en leidt, komt er een ogenblik dat het kind het zelf doet. De armen, in de ellebogen wat gebogen, draaien om elkaar heen. Als je dat van je af doet, zoals bij het oprollen van een bolletje touw o.i.d. zal het kind dat hoogstwaarschijnlijk spiegelen en de beweging naar zich toe maken. Dus, als je wil dat het kind de beweging ook van zich af leert maken, moet jij ze hoogstwaarschijnlijk naar je toe maken. Dit geldt voor heel veel bewegingen.
Draai het wieletje nog eens om, klap eens in je handjes
Je kan hier viermaal in je handen klappen, op de maat van de volgende regel van het versje. Dan de handen op heupen:
Zet je handjes in de zij!
dan de handen, met de palmen naar onder, op elkaar boven op het hoofd:
Op je hoofdje allebei!
Daarna zittend heen en weer bewegen, met de handen nog op het hoofd:
Uyldert vraagt zich af of deze spelletjes nog een verbinding hebben met een ver verleden, naast natuurlijk de bewegingen die bij ‘een wieltje’ horen: dat draait. Dan hebben we te maken met nabootsingen van bijv. een spinnenwiel. Zij herkent echter ook bewegingen die in de oudheid of in oosterse landen gemaakt werden/worden bij godsdienstige plechtigheden en dansen. Ook ziet zij er een voortleven in van rituelen die oefeningen waren voor het scholen van de geest: die bewegingen moesten de krachten van lichaam naar geest beter laten doorstromen.
Uyldert: ‘het draaien van het wieletje is z’n beweging, die tot onmiddellijk doel heeft, de krachtstromen die uit de armen langs de vingertoppen afvloeien, positief en negatief, om elkaar heen te winden, zodat zij door inductie elkaar opvoeren; zo bereikt de levenskracht een hoger potentiaal in het zenuwstelsel en van daaruit in de ziel. Erbij zingen zou dit zeer bevorderen. Klappen zou, door het telkens aanraken van de handen en weer loslaten, de opgewekte stroom onderbreken wat de geestdrift zou verhogen, maar zich ook weer kan ontladen. Zij ziet ditzelfde terug in het applaus: ontlading om niet te exploderen! Een versterking van een stroomveldje aan iedere kant van het lichaam ontstaat door de handen op de heupen te plaatsen. (Instinctief maken we zo’n handen-in-de-zij-gebaar nog wel, als we tegenover iemand komen te staan en we a.h.w. te kennen willen geven ‘kom maar op!’) Zo zou de denkhouding bij de ‘denker’ van Rodin voortkomen uit het instinctieve gebaar dat we maken om de overmaat van stroom die door het denken is opgewekt, af te voeren: elleboog op de knie, kin op de bijbehorende hand
Het schommelen ’als de schuitjes’ ziet Uyldert als het met elkaar in evenwicht brengen van de twee stromen die door de gangliën gaan, waardoor de kringloop van kracht door het lichaam bevorderd wordt en ev. stuwingen opgeheven.
Zij ziet dit schommelen terug in wat volwassenen doen die bijv. aan lange tafels gezeten op bepaalde ‘schlagerachtige’ muziek inhaken en meedeinen.
Dit is bijv. nog volop in deze tijd te zien tijdens carnavalszittingen.
0-0-0
Hop Marjanneke
Hop, Marjanneke, stroop in ’t kanneke, laat de poppetjes dansen! Eertijds was de Prins in ’t land, en nu die kale Fransen!
Dit versje is uit de Franse tijd: Marianne is de Franse maagd, die hier ’de poppen aan ’t dansen’ bracht: de bezetting door de Fransen. De kale Fransen waren de in lompen gehulde soldaten: de ’sans culottes’! Weer een versje voor op schoot met de hop-glopbewegingen.
Ook weer een liedje voor op schoot, waarbij de bewegingen worden gemaakt.
In Den Haag daar woont een graaf, en zijn zoon heet Jantje; als je vraagt: waar woont je Pa? dan wijst hij met zijn handje! Met zijn vingertjes en zijn duim, op zijn hoed draagt hij een pluim, aan zijn arm een mandje dag mijn lieve Jantje!
Het kind zit op een knie. Goed vasthouden. En de bewegingen spreken voor zich.
Uyldert ziet in het hoppen, zoals men dat bij het werkelijke paardrijden óók doet, iets buitengewoon gezonds voor de klieren, die er door worden aangezet: een krachtstroom gaat door het lichaam omhoog. Mensen die bij hun hoofdwerk uitgeput raken, maken soms zelf instinctief een samentrekkende beweging met de anus om de energie omhoog te stuwen. Bij het paard-rijden wórdt dat gedaan. De dagelijkse rijtoer in de vroegte vóór het ontbijt is wérkelijk een middel om jeugdig te blijven!
0-0-0
Paardje, paardje, rij naar stee
Een hop-versje op de knie, met een hoge hop op het laatste woord!
Paardje, paardje rij naar stee, breng voor ’t kindje koekjes mee! Koekjes met vier hoekjes, aan alle kanten even smal! Raad eens, wie die hebben zal? ’t Kindje krijgt die koekjes al, als het stout is, niemendal!
0-0-0
Schuitje varen, theetje drinken
De allerkleinsten kunnen op iemands knie zitten. Goed ondersteunen en vasthouden. Heen en weer bewegen. Op het eind kan het kind even worden opgetild en ‘landt’ weer op schoot of knie.
Het kan ook door wat grotere kinderen met elkaar gespeeld worden. Ze zitten tegenover elkaar, benen wijd, armen vooruit en elkaars handen stevig vast. Beurtelings voor- en achterover buigen. Aan het eind loslaten. Het omvallen is de pret!
Schuitje varen, theetje drinken, varen wij naar de Overtoom, drinken er zoete melk met room, zoete melk met brokken – kindertjes mogen niet jokken!
Bij de Overtoom was een uitspanning, waar men naar toe kon varen over de grachten. Zoete melk met room was toen een traktatie! Of de brokken speculaas-brokken waren, als nu – maar dan reeds in de zomer verkrijgbaar, dan wel dat het versje oorspronkelijk misschien zure melk-met-brokken noemde, dat weten wij niet,aldus Mellie Uyldert.
Een oudere tekst had nog: ’kindje mag wel jokken’. Jokken betekende toen ‘plezier maken*’. Toen die betekenis verloren, ging werd jokken ‘onwaarheid spreken’.
Het is ook de tijd van de trekschuit*, kennelijk dus óók een nabootsing van het schommelen in de trekschuit.
Uyldert: Bij hoeveel oude volken zien wij niet die schommelbeweging maken tijdens het zingen of intoneren van lange gebeden, hetzij in zittende of in staande houding? – De oudheid wist waaróm -latere volken déden, maar wisten niet meer de reden waarom. Heden ten dage keert het doorzicht in het bewustzijn terug!
Hierwordt het liedje gezongen met een bootje in de hand. (Ik zou geen melluk zingen, maar gewoon melk)
Het kindje zit op de knie van de oudere, eerst rustig op en neer bij de eerste regel:
Ziet, zo rijden de heren! met hun bonte kleren!
maar bij de volgende regels gaat het steeds wat sneller en hoger:
Ziet, zo rijden de vrouwen, met haar wijde mouwen!
en hotsebotsen bij de laatste regels:
Ziet, zo rijdt de akkerman met zijn paardje achteran!
Mellie Uyldert zeg erbij:
Wie vindt dat deze tekst uit de 17e eeuw (de vrouwen droegen toen wijde bouwen, maar de verbastering in mouwen hebben wij maar zo gelaten, omdat een klein kind die veranderingen in de mode nog niet zo goed volgen kan!) voor de moderne tijd niet meer geschikt is, omdat ze het standsverschil zo accentueert, kan ook genoegen nemen met de volgende, eveneens gangbare, tekst:
’t Paardje stapt, ’t paardje stapt —
(rustige beweging)
’t Paardje draaft, ’t paardje draaft!
(vlugger!)
’t Paardje galoppeert! galoppeert! galoppeert!
(nog vlugger en wilder!)
Hierbij zou men dan natuurlijk kunnen opmerken, dat voor de meeste moderne kinderen een paard al een onbekend dier is, en zijn verschillende stijlen van lopen nog méér!
Zijn die oude rijmpjes niet juist geschikt om het kind ook aan het verleden te schakelen, waar het toch zelf een hele ziele-erfenis uit mee brengt?
Verklaring
Uyldert: De tekst spreekt voor zichzelf. Is het zo erg – of is het niet juist góed – als het kind zich een ideaal vormt van een heer in bonte kleren, die zijn paard (zinnebeeld van het lichaam) zo goed beheerst?
Het hoppen, zoals men dat bij het werkelijke paardrijden óók doet, is buitengewoon gezond voor de klieren, die er door worden aangezet, en voor het opwaarts stijgen van de krachtstroom door het lichaam. Mensen die bij hun hoofdwerk uitgeput raken, maken soms zelf instinctief een samentrekkende beweging met de anus om de energie omhoog te stuwen. Bij het paardrijden wórdt dat gedaan. De dagelijkse rijtoer in de vroegte vóór het ontbijt is wérkelijk een middel om jeugdig te blijven!
0-0-0
Torentje, torentje bussekruit
Bij dit spelletje worden de overbekende bewegingen gemaakt van ‘Olke-bolke’ . De oudere, die met het kind speelt, maakt een vuist (de duim over de vingers heen) en zet deze op de tafel: Torentje! – Nu moet het kind zijn vuistje daar bovenop zetten, om zo de toren op te bouwen: Torentje! – Nu de andere vuist van de oudere daar weer bovenop: Busse – dan de tweede vuist van het kind: kruit! Zo blijft de toren staan.
Wat hangt er uit? Een gouden fluit: van de bovenste vuist een wijsvinger naar buiten steken.
Een gouden fluit met knopen!
Maar ’t torentje is gebroken!: de vuisten los, laat ze op tafel vallen, de toren rolt dus uit elkaar:
In 1654 ontplofte de kruittoren van Delft, wellicht heeft dat met het ontstaan van het liedje te maken.
Juf Margozingt het voor (maar maakt geen bewegingen) (En bussekruit is met T)
Zij heeft nogveel meergezongen en bij haar hele repertoire staan veel liedjes die, passend bij dit artikel, kunnen worden gedaan.
Stille Nacht is het meest vertaalde en gezongen kerstlied ter wereld. In Salzburgerland, Oostenrijk, klonk het voor het eerst in een kleine dorpskerk op kerstavond 1818.
Joseph Mohr is de schrijver en hij schreef het gedicht, de tekst van het latere lied, in 1816. Mohr leefde in een Europa dat na de Napoleontische oorlogen in puin lag. Armoede en hongersnood heersten. Mohr, 24 jaar, hulppriester, zette zich in voor broederschap en verbondenheid. Hij wilde de mensen moed inspreken.
We gaan terug naar april 1815, kort voor de slag bij Waterloo. Op het eiland Sumbawa, toen nog Nederlands-Indië, was een vulkaan uitgebarsten, de zwaarste tot dan toe ooit gemeten. Daarom kende Europa in 1816 geen zomer. De asregen die de Tambora uitspuwde, verspreidde zich over grote delen van de aarde. Drie jaar lang werd het weer erdoor beïnvloed. Het bleef donker en koud, het regende voortdurend.
Het waren sombere tijden: Mislukte oogsten, verwarring en onzekerheid.
Mohr woonde toen nog in Mariapfarr. Daar schreef hij die zes eenvoudige coupletten. Er wordt wel gedacht dat het als een wiegenlied voor de pasgeboren Jezus was bedoeld. Toch is er niet zoveel bekend over het verdere ontstaan van het lied. Maar het veroverde wel de wereld.
Nadat Joseph Mohr (1792-1848) in 1818 in Oberndorf hulppriester werd, vond hij dat hij de regels wel op muziek kon laten zetten. Hij vroeg het aan onderwijzer, koster en organist Franz Gruber (1787-1863), die 4 kilometer verder in Arnsdorf woonde.
De school staat er nog, mét de werkkamer en het bureau waaraan Gruber werkte en waaraan hij die muziek schreef die onsterfelijk werd.
Op 24 december 1818 zou het voor het eerst ten gehore worden gebracht.
Het verhaal doet de ronde dat Joseph Mohr kort voor die dag ontdekte dat het orgel van de Sankt Nikola Kirche in Oberndorf niet goed werkte. Een muis had een van de balgen aangevreten. (Dat verhaal wordt nu weer naar het rijk van de verzinsels verbannen). In ieder geval: Mohr vroeg Gruber de partituur te herschrijven voor gitaar. Hij liet reparateur Karl Mauracher uit Fügen in Tirol (60 kilometer verderop) komen, maar die kreeg de schade niet op tijd hersteld. Bij de kerststal hoorde hij het lied van Mohr en Gruber en was diep onder de indruk. Gitaarspel in een kerk. dat had nog nooit iemand meegemaakt. (Er wordt aan getwijfeld of hij er echt was, die dag, het kan ook bij een andere uitvoering zijn geweest, in 1819, bijv.)
Mohr zong de eerste stem, Gruber bas, beiden speelden gitaar.
Aanvankelijk was het lied alleen bedoeld voor na de mis op kerstavond. Vaststaat dat de kerkgangers direct onder de indruk waren.
Wel is waar is dat Karl Mauracher de partituur meenam naar Fügen in het Tiroler Zillertal en zo kwam het ook bij de boerenfamilie Rainer. De vier broers en een zus reisden rond om op lokale podia lollige Tiroler liedjes ten gehore te brengen. In 1822 traden ze op voor de Russische tsaar Alexander I en de Oostenrijkse keizer Franz I die in Tirol op doorreis waren. De groep wilde natuurlijk de Tiroler liederen zingen, maar ze sloten af met het ingetogen Stille nacht. En dát vonden de vorsten nu juist zo mooi en ontroerend.
De Rainergroep reisde na 1824 steeds vaker naar het buitenland: Duitsland, Zweden, Engeland, en vanaf 1838 zelfs naar de Verenigde Staten. Viel hun optreden rond de Kerst, dan besloten ze hun optreden met Stille nacht. Dat werd overal zeer op prijs gesteld.
Er was nog een zanggroep uit Tirol reisde en die reisde zelfs naar Rusland en zo werd ook daar het lied bekend. Het gevolg van dit alles was trouwens dat de wereld tot ver in de 20ste eeuw Stille nacht voor een Tiroler gezang hield. Joseph Mohr en Franz Gruber bleven anoniem.
Er zijn verschillende Stille Nacht Musea, ook een in wintersportoord Wagrain, de plaats waar Joseph Mohr na zijn Oberndorf-periode een school stichtte en waar hij ook begraven ligt. Aan het eind van zijn leven was hem bekend dat zijn lied elders in de wereld werd uitgevoerd, maar wat het toen al teweegbracht kon hij niet weten.
Op een wand is de eerste regel te zien in de driehonderd talen en dialecten waarin de tekst is vertaald. In twee eeuwen groeide de betekenis van dit lied. Sinds 2011 is het Unesco Werelderfgoed. In 1914 zongen Britse, Duitse en Franse soldaten bij een spontane wapenstilstand op kerstavond vanuit hun loopgraven samen Stille nacht. Het blijkt meer dan muziek, meer dan een kerstlied. Het is een wereldwijd symbool van verbroedering en vrede.
Er zijn heel veel kinderboeken. Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.
Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.
De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.
In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.
.
Petra Weeda, Weleda Puur kind, nr. 13 lente 2004
DIEREN OM ONS HEEN
In de eerste drie jaar van zijn leven floreert een kind het beste in een wereld die klein, overzichtelijk, goed en mooi is. Vanuit die veilige, vertrouwde thuishaven doet hij vanaf het moment dat hij kan lopen niets liever dan op onderzoek uitgaan. Een goed prentenboek voor de allerkleinsten ondersteunt in beeld (en weinig woorden) die ontdekkingstocht. Het laat het kind zonder al te veel omhaal de dagelijkse dingen zien zoals ze zijn. Bijvoorbeeld zoals Marjan van Zeyl in haar onlangs verschenen kartonboekje Dieren om ons heen. Op het eerste gezicht een boekje zoals er al veel zijn, met lieve, natuurgetrouw getekende dieren als een hond, poes, varken, paard enzovoort. Maar Van Zeyl heeft het voor elkaar gekregen in haar tekeningen een subtiele dynamiek te leggen die je weinig aantreft. Als je goed kijkt, is het net alsof het lammetje echt tegen zijn moeders vacht aan staat te schurken, alsof het konijn heel even zijn oren spitst voor een geluid. En de hond loopt zo geconcentreerd achter zijn neus aan dat je haast mee gaat snuffelen. Kortom, een prentenboekje dat ongemerkt en onnadrukkelijk meer zintuigen dan alleen de ogen aanspreekt.
De gezonde instincten van oudere generaties zorgden eenvoudig voor allerlei liedjes, bewegingen, spelletjes om het taalgevoel te stimuleren. Niet zozeer vanuit een ‘weten’ dat dit goed is, maar eerder nog door het simpelweg omgaan met het kind en wellicht ook door het ontbreken van veel prikkels die nu aan het kind gegeven kunnen worden door wat er in de wereld aan bijv. geluid- en beelddragers, speelgoed (dat vaak eerder speel-slecht’ genoemd zou moeten worden enz.
De eenvoudige spelletjes die vroeger ‘voor moeder en kind’ opgetekend zijn, zijn uiteraard ook voor vader en kind van belang.
Mellie Uyldert had hiervoor nog een sterk intuïtief gevoel. Zij zegt bijv,:
Wat de spelletjes van ouders of grootouders met het kind op schoot voor dat kind wel betekenen, wordt veel te weinig beseft! Pas in de laatste tijd is men tot de conclusie gekomen, dat kinderen in de zeer hygiënische kinderhuizen, met moderne afgewogen diëten en pedagogisch speelgoed, minder goed gedijen dan kinderen in armoedige woninkjes, die bij hun ouders zijn en die, weliswaar lang niet altijd pedagogisch bejegend, de nestwarmte krijgen, die de instinctieve ouderliefde nu eenmaal geven kan en de geschoolde opvoedingsambtenaar niet!
Tot die nestwarmte behoren de intieme kwartiertjes tussen moeder en kind, na het bad, bij het voeden, voor het naar bed gaan, als een grapje gemaakt, een liedje gezongen, een bewegingsspelletje gedaan wordt. Waarom kraaien de kleintjes van pret bij het paardje rijden op vaders knie, het schuitje schommelen op moeders schoot? – Omdat het kind daardoor deel neemt aan menselijk contact, omdat het voelt dat het erbij hoort, en iets samen met anderen doet, zoals later, als het meespeelt in een orkest of in een toneelstuk, of meewerkt in een bedrijf. Omdat het zich voelt opgenomen in die grote elektromagnetische stroom, die door alle levende schepselen vaart, van de een op de ander overspringend bij elke aanraking, en daardoor tekorten aanvult en overschotten afneemt, voortdurend stimulerend en kalmerend in het ritme dat het eigen ritme is van onze adem, ons hart, onze gevoelens!
Onderhand leert het kind zijn lichaam beheersen, zijn bewegingen richten, het leert zijn eigen rijkje verkennen om het te leren besturen. De tijd, die we spelend aan onze kinderen besteden, is niet weg – integendeel: wij leggen daarmee de grondslag van een evenwichtige samenleving en mensengeluk!
Zie nu bijv. in dit artikel ‘Algemene menskunde’ [11-5-1] vanaf hier
en [11-4]
Daar noemde ik het liedje Ozewiezewoze’: Soortgelijke liedjes:
Ozewiezewoze en meer
Ala, mala, mink, monk Dit liedje is pentatonisch, d.w.z. het maakt gebruik van 5 tonen zonder de c en de f. Dat geeft een wat dromerig-zweverige stemming.
Dit is een keuze voor het doel bovenbeschreven. De liedjes staan alle op ‘Vrijeschoolliederen, bij deleeftijd 4 – 6.
Wanneer het kind wat ouder is en kan zitten, zijn er nog veel liedjes waarop allerlei bewegingen kunnen worden gemaakt. Ook dat is zeer stimulerend voor bepaalde hersengebieden, dat nu veel meer aangetoond kan worden dan vroeger. Maar het is net of vroegere generaties dit ‘gewoon’ wisten en zo zijn er uit het verleden vele (vinger)spelletjes, liedjes blijven bestaan.
Naast deweerspreukenzijn er ook allerlei verschijnselen in de natuur die op een bepaald soort weer duiden. Als kind herinner ik me nog dat er soms ineens talloze kleine insecten om je heen begonnen te dwarrelen. Die noemden we op ons eiland ‘meeziken’. Het zijn dondervliegjes. Eerst was het broeierig, vaak gevolgd door onweer. We hadden ook een paar wilde plantjes in de tuin – het bleek guichelheil te zijn – met van die mooie rode bloemetjes – en wanneer die ’s ochtends niet opengingen, was het de hele dag regenachtig, vochtig weer.
Hieronder een hele lijst met ‘verschijnselen’. Ook weer iets om met je klas te verifiëren.
Zie jevoorspel
Betrokken, zeer somber weer onweer of sneeuw
Bewolking, die ’s avonds oplost bij windstoten en grote vochtigheid mist
Bladeren, die bij windstilte opdwarrelen regen
Bruin-rode gesluierde maan mooi en warm weer
Bruinvissen onder de kust kou en zware storm
Bijen in zwermen mooi en warm weer
Dode takken, die afvallen regen
Donderslagen in de namiddag stortbuien, daarna kans op zware regen Dondervliegjes in groten getale mooi, warm weer
Ezel, die balkt regen en wind
Ganzen, die onrustig worden regen en wind
Geiten, die hard mekkeren regen, waarschijnlijk kou
Groene specht, die zeer actief is regen
Haan, die ’s avonds kraait regen, misschien wind
Haan, die tijdens regen kraait beter weer
Heldere hemel kalm weer als de barometer op mooi weer staat
Hond, die zonder reden jankt regen en wind
Horizon met lila gloed mooi en warm weer
Kat, die opgewonden aan de meubels krabt regen en wind
Keldermotten in groten getale regen
Kerkuilen, die hard roepen regen en wind
Kerkuilen, die rustig „oehoe” roepen warm en mooi weer
Kikkers in groten getale regen
Kippen, die met de vleugels slaan of zich in het stof wentelen regen, misschien onweer
Klaver met gesloten blaadjes regen of stortbuien
Kring om zon of maan regen of wind
Leeuwerik, die hoog vliegt mooi weer
Lindeblaadjes, die omgekruld zijn onweer
Lijsters, die ’s avonds zingen mooi en warm weer
Maan, bruin-rood en dof mooi en warm weer
Maan, die scherp tegen de hemel afsteekt vorst in de winter
Maan in nevelen gehuld regen en wind
Meeuwen, die zich op de oevers terugtrekken winderig en erg koud
Merel, die zijn hoogste lied zingt regen en wind
Mieren in zwermen regen
Mist, die zeer vochtig is of mist met wind regen
Mist op winteravonden soms weer dat aanhoudt
Mist op zomeravonden warm en mooi weer
Mollen, die ’s zomers druk graven zacht en regenachtig weer
Mollen, gravend als het vriest dooi en regen
Muggen, die in grote groepen dansen in de avond volgende dag mooi weer
Mussen, die druk tjilpen regen en wind
Muren, die vochtig zijn regen
Muurbloemen met wijd geopende bloemen mooi weer
Onweer in de morgen regen en wind
Oostenwind ’s zomers zeer warm en droog ’s winters zeer koud, sneeuw bij lage barometer
Paarden, die achteruit slaan vochtige kou
Padden in groten getale regen
Populier met omgekrulde blaadjes onweer
Raven, die hard krassen wind, misschien regen
Regenboog, die zeer bleek is mooier weer
Regenboog ’s avonds flinke opklaringen voor volgende dag
Regenboog vroeg in de morgen zeer vochtig weer
Regenbuien, die ons verrassen opklaringen, rukwinden
Regen uit een hemel, die allang grijs was verscheidene dagen onbestemd
Roodborstje, dat op hoge takken zingt mooi weer
Roodborstje, dat op lage takken zingt stortbuien, afkoeling
Schapen, die dicht bij de stal blaten regen of wind
Schapen, die op hoogten weiden mooi weer
Schapenwolken, die erg groot en dik zijn stortbuien
Slakken, die uit hun huisjes zijn gekomen regen
Slakken in groten getale regen
Spinnenweb met zeer lange draden mooi warm weer, beetje wind
Stapelwolken in het westen regen, hagel
Sterren, die in groten getale schitteren vorst in de winter
Stieren, die nerveus en ongeduldig zijn koud en vochtig
Stro, dat bij windstilte door de lucht dwarrelt regen
Thermometer, die overdag daalt ’s winters droog;
Thermometer, die stijgt ’s zomers mooi ’s winters vochtig en zeer zacht
Varkens, die stro naar hun stal brengen storm
Vee dat beschutting zoekt regen en wind
Vee dat zich in het veld verspreidt mooi, warm weer
Veldslakken in groten getale regen
Vleermuizen in groten getale mooi, zacht weer
Vliegen, die erg bedrijvig zijn en op het gezicht gaan zitten onweer, regen
Vogels, die te stil zijn ’s zomers onweer; ’s winters vorst
Wazige maan regen en wind
Wespen, die onrustig zijn onweer
Wespen in groten getale warm
Westenwind regenachtig met opklaringen
Wolken, die na zonsopgang verdwijnen mooi, waarschijnlijk warm
Wolken, die ’s avonds roze zijn (alleen aan de horizon) aanhoudend mooi weer
Wolken, die ’s avonds verdwijnen fris, volgende dag veel regen
Wolken, die zich naar elkaar bewegen fris weer, regen
Wolken hoog in de lucht, aar niet aan de horizon zonnige perioden
Wolken, klein, wit en los van elkaar mooi en warm
Zee, die hol is bij windstilte zware storm
Zon, die gesluierd en rood is droog weer
Zon, die in de winter gesluierd is betrokken en koud
Zon, die in de zomer gesluierd is mooi en warm
Zon, die midden op de dag omgeven is door donkere wolken flinke stortbuien
Zon, die ondergaat met rode wolken aan de horizon voortdurend mooi,
Weerspreuken zijn er tot op de dag van vandaag nog steeds. Sommige zijn betrouwbaarder dan andere gebleken.
Je moet er met de kinderen zeker aandacht aan besteden en het is interessant om er een of twee door het jaar heen op hun waarheidsgehalte te beproeven.
Had u verwacht dat er zoveel waarheid school in die oude weerspreuken? Drs. J. F. den Tonkelaar van het KNMI in De Bilt vertelt u hieronder wat er waar is van deze stukjes volksweerkunde..
Drs. J.F. den Tonkelaar*, Spiegel, jrg. onbekend
Morgenrood, water in de sloot
Een oeroude wijsheid die meestal opgaat. Of beter: vroeger opging. Vóór het tijdperk van de industriële revolutie, voor het tijdperk van olie, benzine, gas, fabrieken en huizen met rokende schoorstenen, vóór het tijdperk van de luchtverontreiniging, werd een in ochtendrood badende hemel veroorzaakt door een hoog gehalte aan waterdamp in de atmosfeer. In de loop van de dag leidt dit, o.m. ten gevolge van de toenemende onstabiliteit in de atmosfeer, tot regenbuien.
Tegenwoordig is de ochtendhemel herhaaldelijk rood gekleurd ten gevolge van in de lucht zwevende rook- en roetdeeltjes, stof en afval van uitlaatgassen en verbrandingen. Dit rood is een ander soort rood dan wanneer de verstrooiing van het licht door een hoog gehalte aan waterdamp en door wolkendruppeltjes plaats vindt.
Het industriële ochtendgloren heeft een tint die meer naar het paars neigt, de kleur van de dood …
Dit violetachtige ochtendrood is het sterkst tijdens een luchtdrukverdeling waarbij men in de nabijheid van de kern van een hogedrukgebied vertoeft. Dan kan bij ons, bij zuidoostelijke wind, het door het RUHR-gebied geproduceerde uitbraaksel in de onderste luchtlaag van 1 ã 1½ km dikte blijven hangen. De invloed op de violetkleuring is dan zeer groot. Maar ’t wordt toch een dag met mooi weer.
Dus: morgenrood, water in de sloot — ochtendviolet, zon op de pet.
Wind in de nacht, water in de gracht
Een algemene weerregel is het, dat het ’s nachts minder sterk waait dan overdag. Komt er in de loop van de nacht meer wind dan er de voorgaande avond of dag was, dan wijst dit op de nadering van een depressie. De kans op regen wordt dan wel erg groot.
Regen met St.-Margriet geeft zes weken boerenverdriet
of, zo luidt de oude spreuk ook wel:
Regent ’t op Sint-Margriet, dan krijgen we zes weken lang een natte tied (tijd), maar regent het dan niet, dan regent het in zes weken niet.
Uit een onderzoek, verricht over de jaren 1904 t/m 1947 bleek dat na een droge St.-Margriet (20 juli) de kans op een reeks droge dagen ongeveer zeven keer zo groot is als na een natte St.-Margriet. De kans op een reeks natte dagen is na een natte St.-Margriet ongeveer 4 keer zo groot als na een droge dag op 20 juli. In de periode van 6 weken na St.-Margriet (tot 1 sept. dus), kwamen er na een droge St.-Margriet-dag geen weken voor die geheel nat waren, dus verregenden; evenmin kwamen er na een natte St.-Margriet-dag weken voor waarin het in het geheel niet regende, hetgeen zich wel voordeed na een droge St.-Margriet!
Het laat zich aanzien dat met de regel bedoeld wordt te zeggen: ’n Onbestendig weertype met afwisselend regen, wind en opklaringen rond St.-Margriet heeft ’n grote kans de gehele verdere zomer voort te duren. Heeft het weer rond St.- Margriet ’n droog en meer standvastig karakter dan is de kans groot dat ook de rest van de zomer een fraai beeld te zien zal geven.
Die uitlating: „zes weken boerenverdriet”, wijst daarop.
Daarmee wordt immers gezegd dat de oogstperiode zo regenachtig is dat ’t gemaaide koren maar met grote moeite droog kan worden binnengehaald.
In vele gevallen gaat de St.-Margrietregel dus op.
Avondrood, mooi weer in de boot
Bedoeld wordt een zonsondergang vrijwel zonder wolken, waarbij de hemel nabij de horizon lichtrood gekleurd is. Dit rood wordt veroorzaakt door stof dat in de loop van de dag door de stabiele opbouw van de atmosfeer in de onderste 1 à 2 km is blijven hangen. Dit duidt op de aanwezigheid van een hogedrukgebied.
Is de avondhemel donkerrood gekleurd (bv. in ’t voorjaar bij noordwesten wind, wanneer de lucht vrij van stof is) dan gaat de regel vaak niet op. Wordt het eerder genoemde avondrood gevolgd door ’n grauwe ochtendschemer, dan is de kans op een stralende zon aan een blauwe hemel groot. Die „grauwe ochtendschemer” is een benaming die nog dateert uit het tijdperk van vóór de industrie. Tegenwoordig is die ochtendschemer meer violet!
Hoe losser de wind, hoe vaster het weer
(lopende winden, vast weer)
Zwakke winden uit uiteenlopende richtingen treden doorgaans op in de nabijheid van de kern van ’n hogedrukgebied, dat meestal een „vast” weertype met zich meebrengt. De uitdrukking komt in hoofdzaak in kuststreken voor. Men bedoelt ermee te zeggen: ’s nachts landwind, in de middag een (ruimende) zeewind.
Vrijdagweer – zondagweer
Bij een wisselend weertype t.g.v. grote depressieactiviteit wordt de ene depressie vaak met een dag tussenruimte door een ander opgevolgd. Tussenin passeert dan een gebied met relatief hogere luchtdruk. Hoewel dit natuurlijk onafhankelijk is van het tijdstip van de week, was in vroeger tijden de mens bijzonder geïnteresseerd in het weer dat hij op z’n vrije zondag zou hebben (toen werd er zaterdags nog de gehele dag gewerkt). Het zondagweer vertoonde dan meer overeenkomst met het van vrijdag dan met het weer van zaterdag. Wij zitten nu eenmaal in een streek die meer door depressies wordt bezocht dan door standvastige hogedrukgebieden. De uitdrukking wil zeggen: Als je wilt weten hoe het weer op zondag is, heb je er meer aan af te gaan op het weer van vrijdag dan op het weer van zaterdag!
Pankraas, Servaas en Bonifaas geven vorst en ijs helaas
Rond de 12e, 13e en 14e mei, de dagen die de namen van bovengenoemde (ijs) heiligen dragen, vertoont het weer in West-Europa vaak een beeld dat gekenmerkt wordt door noordenwind die koude lucht uit de poolstreken rechtstreeks naar ons land voert. De nachten zijn dan helder en lang genoeg om de afkoeling zo ver te laten doorgaan dat het kwik onder nul zakt.
Deze koudeperiode, de IJSHEILIGEN genaamd, treedt vrijwel ieder jaar op in de periode tussen 8 en 20 mei. Hij is dus niet strikt aan de 12e, 13e en 14e mei gebonden, maar toont voor deze dagen wel zijn grootste voorkeur.
Is oktober warm en fijn, ’t zal een scherpe winter zijn
Dit gezegde gaat voor ons land niet op. Vermoedelijk stamt de spreuk uit landen als Frankrijk, Midden-Duitsland, Zwitserland e.d. Daar gaat hij vaker op. Een oktoberweertype met een meer dan normale depressieactiviteit bij IJsland, maar daarnaast een bestendige hogedrukgordel boven Midden- en Zuidwest-Europa wordt volgens Engelse onderzoekingen veelal gevolgd door een strenge winter in West-, Midden- en Zuidwest-Europa.
Een dergelijke luchtdrukverdeling in oktober, brengt voor eerder genoemde landen een weerbeeld mee met fraai zonnig en warm weer overdag. De nachten kunnen dan wel koud zijn. De regenval is onder normaal. Vandaar de uitspraak: warm en fijn!
Ring om de zon, water in de ton
De ring om de zon duidt op het binnendringen van vochtige lucht op een hoogte van 6 tot 12 km. De ijskristallen die daar het gevolg van zijn veroorzaken een lichteffect dat zich als een kring om de zon of maan voordoet. Meestal gaat dit weersverschijnsel vooraf aan een naderbij komende depressie. Het lichteffect wordt een „halo” genoemd. Afgezien van de maanden april en mei, volgt er in de rest van het jaar altijd een ander weertype op, met regen!
Vorst met afgaande maan, houdt meestal aan
Van de vele spreuken die een verband leggen tussen de maan en het weer komt in onze streken maar bitter weinig uit. Hoewel de laatste jaren uit onderzoekingen is gebleken dat het weer in bepaalde streken van de aarde (de gordel tussen de subtropen en de evenaar bv.) een zekere koppeling met de maanfasen vertoont (het optreden van tropische cyclonen bv.) is voor West-Europa in dit opzicht nog niets aanwijsbaars te vinden. Deze spreuk komt ook in een andere vorm voor: „Vorst met wassende maan houdt meestal aan”. Dit is juist tegenovergesteld.
„Liggende maan (enkele dagen na nieuwe maan) zal met regen en wind vergaan.” Deze laatste spreuk kan door de oude zeilvaarders meegebracht zijn en betrekking hebben op de subtropen. Over de oorsprong is mij* niets bekend.
Een van de meest menselijke vermogens is het kunnen spreken. Spreken kunnen we alleen leren door nabootsing. Omdat in vroegere sociale verhoudingen de moeder thuis voor het opgroeiende kind zorgde, heeft zich in de taal het begrip ‘moedertaal’ (het Engels heeft ‘de moeder tong!) gevestigd.
Rudolf Steiner gaf al in het begin van de vorige aan hoe belangrijk klanken zijn voor de vorming van bepaalde gebieden in de hersenen. Het huidig hersenonderzoek geeft hem daarin gelijk. (Al wordt dat niet zo luid verkondigd, simpelweg omdat men het werk van Steiner te weinig kent).
Zie voor verdere onderbouwing nu: Algemene menskunde voordracht 11 [11-3] Daarna [11-4] De inhoud van deze artikelen legt de basis voor wat al jaren met kinderen wordt gedaan vanuit een instinctief gezond gevoel van de ouders/opvoeders:
Ze zingen liedjes, bijv. als het kind gaat slapen.
Slaapliedjes
Wanneer je slaapliedjes googelt, krijg je nu in eerste instantie videoclipjes met begeleidende muziek. Maar begeleiding en beeld is volkomen overbodig. Wat er tussen jou en het kindje moet gebeuren, moet een op een plaatsvinden. Ik denk dat het niet verstandig is om dat wat er tussen jullie moet gebeuren, a.h.w. ‘uit te besteden’, de indruk wekkend dat het belangrijkste tussen jullie, zich buiten jullie bevindt. Om het liedje als ouder zelf te leren om het te kunnen zingen, is een filmpje reuze handig, ook voor eventuele gebaren. Maar voor de interactie ouder-kind is het volkomen overbodig.
’s Avonds als het donker is
Dit liedje is wat moeilijker, dus eventueel voor als het kind wat ouder is en al een prentenboek met je bekijkt. Dan hoort dit liedje bij kabouter Tummetot
Zie bijv. ook: Koesteren door liedjes zingen Amalia Baraesover: zingen schept een band; eigen liedjes, bestaande en pentatonische; taalontwikkeling; radio of cd?
.
Als onderdeel van de aardrijkskunde komen in klas 6 ook ‘klimatologische verhoudingen’ aan bod. Dat is een ruim begrip. Onlosmakelijk verbonden met ‘klimaat’ is uiteraard ‘het weer’. Indit artikelwordt een voorbeeld gegeven van een keuze van aanpak.
Het op een groot vel papier noteren wanneer iedere dag de zon op- en ondergaat – en/of de maan – kan na een poosje ook aanleiding zijn e.e.a. met (staaf)grafieken aan te geven.
Belangrijk lijkt mij ook ‘de hemel’ waar ter nemen. Wat gebeurt er aan de lucht. Wolkenvormen in je opnemen, maar ook de kleurschakeringen. Die dan later schilderen geeft een prachtige instap naar het schilderen met grijs, via wit en zwart/blauw.
Voor de leerkracht hier wat ‘wolkeninformatie’ die ook voor de leerlingen interessant kan zijn.
‘Zo maar’ een stukje dat bij een wolkenplaat geschreven werd. Uiteraard moet je haast wel allerlei ‘weerspreekwoorden – weerspreuken introduceren en verklaren voor zover dat gaat. .
Eeuwenlang heeft de mens geloofd dat hij door het bestuderen van de wolken en het waarnemen van het uitspansel in staat zou zijn het weer voor enige tijd vooruit te voorspellen. Onze voorouders waren voor hun bestaan in sterke mate van het weer afhankelijk. Al heel lang geleden leerden zij welke de belangrijkste tekenen aan de hemel waren.
Hoewel wij heden ten dage misschien wat minder afhankelijk van het weer zijn, speelt het weer bij ons doen en laten nog wel steeds een belangrijke rol. Daarvoor kunnen wij bijna onbeperkt weersverwachtingen krijgen via de radio, de televisie, de krant en de telefoon. Nimmer werden wij gedwongen onze eigen geest in dit opzicht te scherpen. De directe betrokkenheid bij de wolken die zo onverbrekelijk met het weer zijn verbonden, is langzaam weggeëbd.
Mist en laaghangende bewolking bestaat uit zeer kleine waterdruppeltjes. Een mistgebied is in werkelijkheid niets anders dan een wolk, die op het aardoppervlak rust. De afzonderlijke waterdruppeltjes zijn te klein om met het blote oog te kunnen worden gezien.
0-0-0
Wanneer de wind de mistdruppeltjes evenwel langs een spinneweb voert, zal het web sommige van die kleine druppeltjes invangen. In de zon schitteren ze als kleine pareltjes. Waarom ontstaan er eigenlijk wolken?Waterdampgehalte van de lucht = grammen water per kilogram lucht. Lucht kan onzichtbare waterdamp bevatten. Hoe warmer de lucht des te meer waterdamp erin kan zijn opgenomen. Het waterdampgehalte van de lucht kan worden uitgedrukt in het aantal grammen water per kilogram lucht; dat is bijna 1 m3 lucht.
0-0-0
Voor elke temperatuur is er een maximale hoeveelheid waterdamp, die de lucht kan bevatten. In dit diagram verbindt de lijn al deze maximumwaarden. Bij 20 °C, op een zomerdag bijvoorbeeld, kan de lucht maximaal 15 gram water per kilogram lucht bevatten, voordat de lucht ‘verzadigd’ raakt.
0-0-0
Bij 10 °C is het maximale waterdampgehalte nog slechts de helft van dat bij 20 °C.
0-0-0
Bij-10 °C bedraagt het maximale waterdampgehalte nog slechts 1,5 gram, dit is ééntiende deel van het bedrag bij 20 °C. In de zomer is het op 3 km hoogte dikwijls -10 °C. Als lucht die met waterdamp is verzadigd, verder wordt afgekoeld, vindt er condensatie plaats.
0-0-0
De zeer hete lucht bijvoorbeeld die ontsnapt uit de tuit van een ketel kokend water is zwaar beladen met waterdamp, afkomstig van het kokend water. Door contact en menging met de koudere lucht in het vertrek, koelt de ontsnapte lucht snel af. De waterdamp condenseert in een ontelbaar aantal druppeltjes; ze worden zichtbaar als stoom.
0-0-0
In de badkamer neemt de lucht vocht en warmte op, afkomstig van het badwater of de hete douche. Deze warme lucht stijgt en vermengt zich met de andere lucht.
0-0-0
Uiteindelijk ontmoet deze warme en vochtige lucht koude oppervlakken, zoals de spiegel of het raam, waarop de lucht snel afkoelt. Een deel van de geabsorbeerde (= opgenomen) waterdamp wordt op die oppervlakken als ‘condenswater’ afgezet. Dit kan zo’n omvang aannemen dat er na korte tijd talloze sporen van omlaag glijdende druppels ontstaan.
0-0-0
Als in een windstille heldere nacht de naar verhouding warme lucht in contact komt met het koudere gras, condenseert het vocht op dezelfde wijze als is uiteengezet hierboven. De waterdamp wordt afgezet als kleine glinsterende dauwdruppels. De temperatuur waarbij condensatie van waterdamp in de lucht optreedt, wordt de ‘dauwpuntstemperatuur’ genoemd.
0-0-0
Warme lucht stijgt. Hoewel wij dit niet duidelijk kunnen waarnemen, is het beste bewijs ervan de donkere streep, veroorzaakt door stofdeeltjes die door de verwarmde lucht langs de radiator omhoog werden gevoerd. Ze werden op de muur en het schilderwerk van de vensterbank afgezet.
0-0-0
(1) lucht van 20 °C, nog niet voor de helft verzadigd met waterdamp, begint te stijgen en koelt af met ongeveer 1 °C per 100 m. (2) op 1000 m hoogte is de temperatuur nog slechts 10 °C. De lucht stijgt verder, maar is al wel bijna verzadigd met waterdamp. (3) op ongeveer 1200 m hoogte, bij een temperatuur van 8 °C, raakt de lucht verzadigd met waterdamp. De wolkenvorming begint, omdat bij verdere stijging van de lucht waterdamp condenseert. (4) bij nog verdere stijging wordt vrijwel alle waterdamp in wolkendruppeltjes omgezet. De temperatuurdaling bedraagt nu ca. 0,6 °C per 100 m. Pas in de top van de wolk bevriest een groot aantal druppeltjes, omdat daar de temperatuur een heel eind onder nul komt.
0-0-0
Dit diagram laat het verloop van de luchttemperatuur op verschillende hoogten zien op een warme augustusdag. De aan het aardoppervlak verhitte lucht koelt bij stijging af tot dezelfde of iets lagere waarden dan de omgevingstemperatuur op die hoogte; omdat de lucht dan zwaarder is, wordt de stijging afgeremd en zelfs geheel stopgezet. De afkoeling is in dit geval te klein om wolkenvorming toe te laten.
0-0-0
Aan hetzelfde diagram als hiervoor is het verloop van de luchttemperatuur met de hoogte op een koude, buiige augustusdag toegevoegd. Dit is de zwarte lijn. De aan het aardoppervlak verwarmde lucht koelt bij stijging af, maar blijft warmer dan de omgevingslucht. Door zijn geringere gewicht blijft de stijging nu voortgaan, zelfs tot op grote hoogte. Er vormen zich wolken die uitgroeien tot buien. Sommige daarvan geven zelfs onweer.
0-0-0
In de gehele wereld worden Latijnse namen gebruikt om de wolkengeslachten te benoemen. Die namen worden bepaald door de vorm van de wolken en de hoogte waarop ze voorkomen. De naamgeving berust op drie basistypen. Cirrus voor de ijle vederwolken. Cirrus betekent ‘toefje’ of ‘haarlok’. Deze wolken komen in de allerhoogste niveaus voor. Cumulus voor de wolken met een hoofdzakelijk verticale opbouw. Cumulus betekent ‘hoop’, ‘stapel’. Hun onderkant bevindt zich meestal in de onderste niveaus. Stratus voor de wolken, die zich als een horizontaal uitgestrekte laag voordoen. Stratus betekent: ‘laag’, ‘deken’. Middelbare bewolking komt voor in de laag tussen ruwweg 2000 en 5500 m. Hun naam wordt voorafgegaan door het Latijnse woord Alto, dat ‘hoog’, ‘opgetild’ betekent.
0-0-0
Uit de basiswoorden zijn combinaties samengesteld die een betere omschrijving geven op grond van de vorm, hoogte en eigenschappen van de wolken. Toevoeging van het woord Nimbus (of Nimbo) betekent dat het uit de desbetreffende wolk regent. Stratocumulus staat voor een grijze of witachtige wolkenlaag, waarin donkere en lichte delen met enige verticale ontwikkeling elkaar afwisselen. Cumulonimbus is de naam voor de stapelwolk, waaruit een regen-, sneeuw- of hagelbui valt.
0-0-0
1] De Cumulus- of stapelwolk bestaat geheel uit waterdruppeltjes en heeft duidelijke contrastverschillen. Zijn randen vertonen een scherpe omlijning. Zolang hij deze eigenschappen behoudt, regent het er niet uit.
0-0-0
2] Altostratus vertoont zich als een grijs- of blauwachtig getinte wolkenlaag met een vezelige, draderige of sluierachtige structuur. Soms zijn er geringe licht-en-donker-schakeringen. Door een dunne Altostratus is de zon of maan nog zichtbaar als een lichte vlek, als door matglas gezien, Altostratus translucidus.
0-0-0
3] Dit is een Cirrus van een draderige soort. Cirruswolken bestaan geheel uit ijskristalletjes. Er komen geen schaduwpartijen in voor. Heel dikwijls komt Cirrus aan de voorzijde van een slecht-weer-gebied voor.
0-0-0
0-0-0
5] Maar de kleine ‘poederdonsjes’ worden dikwijls groter en groter en groeien uit tot middelmatige stapelwolken. Let op de vlakke onderzijde van de wolken. Omdat de stijgende warme lucht overal in dezelfde mate afkoelt, bevindt het ‘condensatieniveau’ (de hoogte waarop zich de wolkenbasis vormt) zich in een groot gebied op dezelfde hoogte boven het aardoppervlak: Cumulus mediocris.
0-0-0
6] Dit is een nog grotere Cumulus. Weliswaar nog met een vlakke onderkant, maar sommige opbollende exemplaren reiken al tot grote hoogte. Deze Cumulus congestus bezit nog steeds scherpe randen en duidelijke contrastverschillen.
0-0-0
7] Het is raadzaam om bij Cumulus congestus aandacht te blijven schenken aan het uiterlijk van de top. Zodra deze een vezelachtige structuur begint te krijgen en de omtrekken rafelig en wazig beginnen te worden, vindt de inzet van de neerslagvorming plaats.
0-0-0
8] Linksboven in het beeld van deze zeer grote Cumulus gaat het opbollende uiterlijk verloren. De randen worden vezelig en de contrastverschillen vervagen. De waterdruppeltjes gaan bevriezen. De wolk bereikt het Cumulonimbus-stadium, hetgeen betekent dat er weldra uit de onderkant een bui gaat vallen.
0-0-0
9] Een Cumulonimbus die tot zeer grote hoogte reikt, heeft dikwijls een aambeeldvormige top, die uit ijskristallen bestaat. Het uiterlijk is egaal, draderig, vezelig, en ook de randen zien er vaak zo uit. De tegenstellingen tussen licht en donker zijn verdwenen. Cumulonimbus incus is zijn naam, soms veroorzaakt hij onweer.
0-0-0
10] Stratusis de wolk die meestal als een laaghangende vormloze egaalgrijze sluier, met een tamelijk gelijkvormige onderkant, boven het landschap hangt. Heel dikwijls ontstaat deze bewolking uit optrekkende mist.
0-0-0
11] Op een winderige dag wil de Stratuslaag na zonsopgang en omstreeks zonsondergang nog wel eens breken en oplossen. Daarbij doen zich nogal eens roze tinten voor. Stratusbewolking bestaat geheel uit waterdruppeltjes.
0-0-0
12] Als er in een wolkenlaag rollen of grote ballen ontstaan, die zowel los van elkaar voorkomen als met elkaar versmolten kunnen zijn, met afwisselend donkere en lichtere delen, dan hebben wij met Stratocumulus te maken, die vrijwel altijd uit waterdruppeltjes bestaat. Meestal zien wij deze bewolking in de vorm van een bank of in delen die samen een dikke laag vormen, overal even hoog boven het aardoppervlak.
0-0-0
13] Bij lage zonnestand worden de afgeronde elementen van Stratocumulus duidelijk belicht.
0-0-0
14] Altocumulus–wolken zijn meestal gemakkelijk te herkennen, vooral omdat de ‘schapewolkjes’, die wij op deze foto zien, daartoe behoren. Karakteristiek zijn dan ook de min of meer afgeplatte ballen, rollen en stroken, die in banken of in één wolkenlaag voorkomen, in het algemeen mét schaduwpartijen. Omdat ze hier op middelbare hoogte voorkomen, begint de naam met ‘Alto’.
0-0-0
15] De wolkenelementen van de Altocumulus zijn duidelijk van elkaar gescheiden en hebben merendeels gerafelde randen. Bovendien bezitten ze enige verticale ontwikkeling. Hier komen ze in twéé lagen voor. De ondergaande zon schijnt niet meer op de laagste laag die op 3 km hoogte zweeft, maar nog wel op de hogere banken die tussen de 4\ en 5 km hoogte zitten: Altocumulus duplicatus.
0-0-0
16] Deze Altocumulus-vorm lijkt meer op de kleine plukken of vlokken watten van de kleine Cumulus die op geringere hoogte voorkomt. Ze heten officieel Altocumulus floccus wegens het vlok-achtige karakter van de afzonderlijke elementen en zijn heel dikwijls een voorbode van onweer.
0-0-0
17] Uit de toppen van de Altocumulus floccus vallen soms ‘buien’ van heel kleine sneeuwkristallens, zoals in dit beeld. Dikwijls neemt de windsnelheid met de hoogte toe. De uitsneeuwende kristalletjes blijven dan achter bij de hogere, snel voorttrekkende wolkentop. De vezelige slierten wijzen in de richting waar de wind vandaan komt.
0-0-0
18] Dit is de Altocumulus castellanus. Zo genoemd wegens de vorm van de uitstekende torentjes die boven de vlakke onderkant van de wolk oprijzen en er uitzien als de kantelen op de bastions van vroegere kastelen. Ook deze wolkenvorm is een vrijwel zekere voorbode van onweer. Soms komt dit al na enkele uren. Als ze in de zomer zichtbaar zijn in de ochtend, dan onweert het dikwijls al in de namiddag.
0-0-0
19] Deze lange ellipsvormige, op lenzen of amandelen lijkende wolkenbanken hebben fraai ‘gepolijste’ scherpe omtrekken. Hun kern is donkerder dan het randgedeelte. Deze Altocumulus lenticularis komt juist voor op het hoogtepunt van een weersverbetering of aan het einde van een mooi weerperiode. Na hun verschijning volgt er een weersverslechtering. Bovendien zijn ze dikwijls zichtbaar aan de lijzijde van bergen.
0-0-0
20] Hier beginnen de grotere, afgeronde elementen van Altocumulus-wolken te versmelten tot een structuurloze sluierachtige wolkenlaag van het geslacht Altostratus.
0-0-0
21] Dit is dunne Altostratus waardoorheen nog een waterig zonnetje zichtbaar is. Gewoonlijk wordt de bewolking daarna dikker en dikker. Dit wijst op het naderbij komen van een neerslaggebied. Zodra er uit de bewolking neerslag begint te vallen, verandert de naam in Nimbostratus.
0-0-0
22] Deze windveren bestaan uit fijne dunne witte vezels of draden van kleine ijskristalletjes. Ze hebben hier een kommavorm, die aan de bovenkant eindigt in een haak of toefje. Deze Cirrus uncinus komt dikwijls uit westelijke richting opzetten en neemt snel toe. Meestal hangen ze samen met de nadering van neerslag en wind die bij een depressie horen.
0-0-0
23] In tegenstelling met de horizontale ligging hierboven bezitten deze Cirrus-wolkenstroken een duidelijke verticale ontwikkeling. Ze verplaatsen zich maar langzaam of in het geheel niet en zijn dikwijls in hogedrukgebieden te zien. Het weer blijft fraai en verandert nauwelijks.
0-0-0
24] Soms vertoont de Cirrus nogal warrige vormen, zoals hier. Evenals bij de vorige afbeeldingen hebben wij dan te maken met een hogedrukgebied, waarin tot op grote hoogte weinig of geen wind voorkomt. Een bestendig weerbeeld.
0-0-0
25] De doorschijnende, dikwijls geheel egale, melkachtige sluier die alle blauw van de hemel verdoezelt en de lucht ‘blikkerig’ maakt, bestaat geheel uit ijskristalletjes die soms de vorm van een prisma hebben. In deze Cirrostratus-bewolking wordt het licht van de zonnestralen dan gebroken. Er ontstaan soms heel fraaie, kleurige lichtverschijnselen, zoals kringen om de zon of maan; deze heten halo’s.
0-0-0
26] Niet altijd bedekt de Cirrostratus de gehele hemel. Hier bijvoorbeeld eindigt hij met een scherpe rand. Aan de andere kant blijft de hemel strakblauw. Veel lager drijven kleine Cumulus humiliswolken. Meestal hangt zo’n Cirrostratus-bank samen met een zich op grote afstand bevindend slecht-weer-gebied.
0-0-0
27] Dit ribbelpatroon van golfvormige wolkenbanken zonder schaduwpartijen bestaat uit ijskristallen. Wij hebben hier te maken met Cirrocumulus; dit zijn de allerhoogste schapenwolkjes. Als de ribbels snel langs het uitspansel voorttrekken en bovendien opkomen uit de hoek tussen zuid-zuidwest en noordwest, dan geldt de volgende weerregel: ‘schaapjes aan de hemelbaan duiden wind en regen aan’.
0-0-0
28] Cirrus-wolken in een hogedrukgebied; rustige, vaak met verticale vormen. Daartussendoor zijn verschillende condensatiestrepen zichtbaar bestaande uit ijskristallen, veroorzaakt door vliegtuigen. Bij dit soort Cirrus-luchten handhaven de condensatiesporen zich niet alleen erg lang, maar dikwijls groeien ze verder uit tot lange, brede velden van Cirrus-wolken die een groot deel van de hemel versluieren.
0-0-0
29] Cirrostratusstrekt zich soms langs de hemel uit in lange smalle banden. Deze trekken gewoonlijk voort langs de lijn, waarin de banden liggen. Dit is een zeer opvallend voorbeeld van dit wolkengeslacht.
0-0-0
30] Deze typische langgerekte Cirrostratus-wolkenbanden hangen samen met een straalstroom. Deze naam wordt gegeven aan ‘luchtrivieren’ van ongeveer 500 km breed en 6 km dik. In een smalle, nauwelijks een ½ tot 1 km dikke kern van circa 50 tot 100 km breedte, worden soms windsnelheden tot 400 km per uur gemeten. Ze komen voor in het overgangsgebied tussen warme en koude luchtmassa’s. De banden lopen evenwijdig, maar door de perspectivische vertekening lijken ze aan de horizon samen te komen.
0-0-0
31] Midden in het beeld zichtbaar als een dunne draad, hangt onder de wolk een uitstulping als een trechter of een koker; dit zijn miniatuur-tornado’s. In Nederland meestal bij onweersbuien, tijdens windhozen, en dan vaak op de grens van de warme en droge lucht aan de zijkant van de moederwolk met de vochtige koelere lucht eronder. Ze draaien en wervelen rond, meetrekkend met de buienwolk waar ze onder hangen. Deze miniatuur-tornado’s komen hooguit een paar maal per jaar voor. Ze kunnen echter bomen uit de grond rukken en gebouwen doen barsten.
0-0-0
32] Cumulus–wolken zijn soms in een lange baan gerangschikt. Ter weerszijden komt veel minder bewolking voor als gevolg van dalende luchtbewegingen. De bewolking trekt voort in de richting van de baan; wij spreken hier van wolkenstraten.
0-0-0
Dit zijn lichtende nachtwolken, die op het noordelijk halfrond zichtbaar zijn in de maanden mei, juni en juli tussen een uur na zonsondergang en een uur vóór zonsopkomst. Ze gloeien zilverachtig of blauwachtig wit tegen de donkere nachtelijke hemel, in de richting van de zon. Metingen wijzen uit dat ze worden gevormd tussen 70 en 85 km hoogte. Vermoedelijk bestaan ze uit stofdeeltjes, waaromheen een dun laagje ijs is gevormd. Met ons weer hebben ze niets uitstaande.
0-0-0
33] Delen van Cirrocumulus- of Altocumulus-banken zijn af en toe roze, groen, violet of bruinrood gekleurd als gevolg van breking van het zonlicht. Dit verschijnsel heet irisatie (iris = regenboog); het doet zich voor in de omgeving waar de zon door de wolken schijnt.
0-0-0
34] Tot de halo-verschijnselen die zich dikwijls voordoen bij de aanwezigheid van Cirrostratus, behoren behalve de kringen óm de zon of maan ook lichtvlekken bóven de zon zoals een heldere plek in de kleine kring, en heldere gekleurde vlekken – rood aan de zonzijde – links en/of rechts van de zon, eveneens in de kleine kring, op dezelfde hoogte als de zon boven de horizon staat. Dit zijn bijzonnen, hier zichtbaar rechts in het beeld.
0-0-0
‘Morgenrood … water in de sloot; avondrood … mooi weer in de boot’, dit is een van de oudste weerrijmpjes. En dikwijls is een rode ochtendhemel, zoals hier afgebeeld, (dus niet het vroege gloren boven de kim aan een onbewolkt uitspansel!) de voorbode van nat weer. Wees wijs, en neem bij deze ochtendlucht een regenjas mee! Studie van de wolken zal menig ander teken aan de hemel openbaren dat een goede leidraad zal blijken te zijn voor het op handen zijnde weer.
OVER DE EERSTE DIER- EN PLANTKUNDE IN DE PEDAGOGIE VAN RUDOLF STEINER
deel 1
DIERVORM – MENSENGEEST
Waarom de eerste dierkunde in het 9e à 10e levensjaar?
Blz. 18
De methoden van de vrijeschoolpedagogie worden vaak verkeerd begrepen en wel zo bijv. dat ze uitgelegd worden als iets van een vernieuwingsschool die over een soort patentmethode beschikt die de kinderen sneller, ja bijna spelenderwijs laat leren wat anders wellicht met veel moeite moet worden onthouden. Dan spreekt men onbegrepen van methoden die op het kind zijn toegesneden. Wie in staat is de kern van de pedagogie van Rudolf Steiner maar enigszins te overzien, twijfelt geen ogenblik aan die foutieve opvatting. Methoden die slechts een uiterlijk leerresultaat tot doel hebben, kunnen niet dienstbaar zijn aan de gezonde ontwikkeling van het kind. Wanneer het leren op de vrijescholen werkelijk makkelijker en vanzelfsprekender lijkt te gaan, dan vindt dat zijn basis in het adequaat omgaan met het kind: dat zijn zielenkrachten worden aangesproken die in zijn ziel vanuit de diepte naar bovenkomen en tevreden gesteld willen worden en dat er anderzijds niets overhoop wordt gehaald van wat nog in rust moet blijven omdat we dit dan voor later onvruchtbaar maken. Het mensbeeld van Rudolf Steiner is wat dit betreft in staat voor iedere leeftijdsfase nauwkeurige aanwijzingen te geven. Pas wanneer daarmee rekening wordt gehouden, mag je in de ware zin van het woord van kindgericht spreken. Het leerplan van Rudolf Steiner is zo ontstaan dat aan de ontwikkeling van het kind wordt afgelezen hoe leerstof en vooral methoden door de jaren heen moeten veranderen. Dit leerplan is een kind van de koningin van alle wetenschappen: de menskunde.
Het leven van het kind bestaat puur uit niet te vervangen ogenblikken. De kansen die de leerkracht krijgt bijv. na het doorlopen van het 9e levensjaar wanneer het onderwijs in dier- en menskunde begint, komen later nooit meer terug. Wat verzuimd werd, kan later met de beste wil van de wereld niet meer ingehaald worden. Dat het zo moeilijk is dit te begrijpen komt omdat alleen maar de intellectuele kant van het probleem wordt gezien, niet echter hoe de stof en het kind bij elkaar horen, zoals eigenlijk al het methodische meestal alleen vanuit de leerstofkant wordt beoordeeld.
Blz. 19
Rudolf Steiner is zeer uitvoerig op deze vragen ingegaan en we kunnen er niet omheen om zijn uiteenzetting waarom het gaat hier in het kort aan te halen. De basisgedachten komen uit de 14e voordracht van ‘Opvoedkunst’ [1]
Hoe je vóór het negende jaar met de kinderen over de natuur moet spreken, is al geprobeerd weer te geven meteen aan het begin van dit geschrift. Voor het eigenlijke biologieonderwijs voor zover het hier gaat om de levende natuurrijken, komt het middendeel van de basisschool in aanmerking, de klassen 4 en 5. Om zwaar wegende redenen moet daarmee in ieder geval niet eerder worden begonnen. In de middenjaren van de basisschool leeft in het kind nog een rest van een gevoel van instinctieve verwantschap met dier en plant. De mens voelt zich, maar niet met de helderheid van het oordelende bewustzijn, dan eens kat, dan eens wolf, dan weer leeuw of adelaar, zoals Rudolf Steiner dat zei. Maar dit gevoel is, als we het voor het onderwijs willen gebruiken, alleen maar aanwezig vlak na het negende jaar. Daarvóór is het weliswaar nog sterker – al vanaf het vierde, vijfde – maar dan treedt het nog niet in contact met het eerste opkomende oordeelsvermogen van het kind. Voor de volwassene is het zeker geen makkelijke opdracht om zich in de zielenconstellatie van een kind dat net de drempel van het negende jaar is overgegaan, te verplaatsen. Zoals al in het deel over de eerste plantkundelessen naar voren is gebracht, wordt het zich instinctief verwant voelen met het plantenrijk wat later rijp dan voor de verwantschap met het dierenrijk. Dan zoekt het kind vanuit een natuurlijk gevoel in de plant afbeeldingen van zieleneigenschappen die voor hem veel interessanter zijn dan de uiterlijke analogieën waarop het gewoonlijk wordt getrakteerd. Maar het zich verwant voelen met het plantenrijk staat al weer op een hoger niveau. Dat betekent: een hogere graad van rijpheid, vandaar dat Rudolf Steiner in zijn leerplan de eerste dierkunde voor de eerste plantkunde zet.
Maar in ieder geval is alleen de rijpheid van het zich verwant voelen, nog niet voldoende om een biologieonderwijs te geven dat rekening houdt met de vragen van die leeftijdsfase. Daarom sprak Rudolf Steiner over een ‘mooi evenwicht in de middelste fase van het negende tot het elfde jaar tussen het instinct en het oordeelsvermogen.’ [2] Het ene is aan het verdwijnen, het andere begint te ontstaan.
Blz. 20
Het oordeelsvermogen van 9 – 11-jarige kinderen is nog niet hetzelfde zoals dat later na de puberteit op basis van het zelfstandige denken zich ontwikkelt. Het is nog altijd actief in het gevoelsgebied. Hoe het ook zij, we willen de kinderen in ieder geval in een voorfase van het oordelen brengen. Door het instinctieve kunnen wij met onze dierkunde aanknopen bij het oereigen innerlijke beleven van de kinderen. Wanneer we dat goed doen, hebben we totaal niets kunstmatigs nodig om de gewenste gevoelsstemming op te roepen. Anders ligt het bij het oordelen. Hierbij is het onze opdracht het instinctieve van de kinderen te gebruiken om het op een hoger niveau te tillen overeenkomstig de leeftijd. De ene blikrichting is op het verleden, de andere op de toekomst gericht. Dat is de innerlijke toestand waarin we ons eerste biologieonderwijs geven. Het is inderdaad eenmalig. Min of meer zal het op deze leeftijd nog steeds om gevoelsoordelen gaan. De leerkracht legt het kunstzinnig aan door de hele opbouw van zijn lessen en de kinderen nemen het in zich op. Het zou niet goed zijn, omdat dat niet bij de leeftijd past, nu al van de kinderen te verwachten dat zij ‘er vanzelf wel op komen’. Juist wanneer het kind wil leren bewust te oordelen – en dat wil het dus – wil het geleid worden door personen die het als vanzelfsprekend ziet als boven hem staand. Zin voor waarheid laat zich niet ontwikkelen door oordelen te eisen, wanneer het kind nog helemaal niet door zijn constitutie die tot in het lichamelijke reikt, oordelen kan, maar alleen als men hem gelegenheid biedt oordelen als modellen in zijn voelende ziel op te nemen en na te vormen. Je kan iets niet tot ontwikkeling gaan brengen waarvan je van te voren aanneemt dat het al aanwezig is. Begrip van deze fijnzinnige, subtiele metamorfoseschakeringen van het eerste kiemen van een oordeelsvermogen in de sfeer van het gevoel tot aan de rijpheid van het zelfstandige begripsmatige denken, is noodzakelijk als we de juiste toon willen aanslaan waarop we met de negen-, tienjarige kinderen, ook bij dierkunde, willen spreken. . [1] GA 294/voordracht 14 Vertaald/184
Die Erneuerung der pädagogisch-didaktischen Kunst durch Geisteswissenschaft
De vernieuwing van de pedagogisch-didactische kunst door geesteswetenschap
Blz. 212
Voordracht 13, Bazel 10 mei 1920
Das kindliche Spiel
Das Geometrische wird von demjenigen, der selbst gewisse Erfahrungen mit der Geometrie gemacht hat, wirklich so empfunden werden können, daß es allmählich aus dem Ruhenden ins Lebendige hereingeholt werden sollte. Eigentlich reden wir doch von etwas sehr allgemeinem, wenn wir sagen: Die Winkelsumme eines Dreiecks ist 180 Grad. Das ist bei jedem Dreieck der Fall, nicht wahr. Können wir uns aber jedes Dreieck vorstellen? Wir werden nicht immer aus der heutigen Bildung heraus anstreben, unseren Kindern einen beweglichen Begriff des Dreiecks beizubringen; es wäre aber gut, wenn wir unsern Kindern einen beweglichen Begriff des Dreiecks beibrächten, nicht einen toten Begriff, nicht bloß ein Dreieck, das ja dann immer ein spezielles, individuelles Dreieck ist, hinzeichnen lassen, sondern ihnen sagen: Hier habe ich eine Linie. Ich bringe das dann so weit, daß ich auf irgendeine Weise – ich kann Ihnen natürlich nicht alle Einzelheiten in diesem kurzen Vortragskurse entwickeln – dem Kinde den Winkel von 180 Grad in drei Teile teile. Ich kann auf unendlich viele Weisen diesen Winkel in drei Teile teilen. Ich kann dann jedesmal, wenn ich diesen Winkel in drei Teile geteilt habe, zum Dreieck dadurch übergehen, daß ich dem Kinde zeige, wie der Winkel, der hier ist, hier auftritt; so werde ich, indem ich die Sache auf dieses übertrage, ein solches Dreieck bekommen. Indem ich übergehe von den drei fächerförmig nebeneinanderliegenden Winkeln, kann ich unzählige Dreiecke, die sich da bewegen, vorstellen, und diese unzähligen Dreiecke haben selbstverständlich die Eigenschaft, daß ihre Winkelsumme 180 Grad ist, denn sie entstehen ja aus der Teilung der 180 Grade der Winkelsumme. So ist es gut, in dem Kinde die Vorstellung des Dreiecks hervorzurufen, das eigentlich
Het spel van het kind
Meetkunde zal door degene die er zelf bepaalde ervaringen mee heeft opgedaan, werkelijk zo kunnen worden ervaren, dat het stap voor stap vanuit de rust tot leven moet worden gebracht. Eigenlijk hebben we het toch over iets zeer algemeens, als we zeggen: de som van de hoeken van een driehoek is 180º. Dat is bij iedere driehoek het geval, niet waar. Kunnen wij ons echter iedere driehoek voorstellen?
Wij zullen niet steeds vanuit onze huidige opleiding ernaar streven, onze kinderen een beweeglijk begrip van de driehoek bij te brengen; maar het zou goed zijn als we dat wél deden, geen dood begrip, niet alleen maar een driehoek, dat dan altijd een speciale, individuele driehoek is, laten tekenen, maar hun zeggen: ‘Hier heb ik een lijn.’ Ik ga dan zo ver, dat ik op de een of andere manier – ik kan natuurlijk in deze korte voordrachtscursus niet alle details met u nagaan – voor het kind de hoek van 180º in drie delen verdeel. Dat kan ik op eindeloos veel manieren doen. Ik kan dan iedere keer, als ik deze hoek in drie delen heb verdeeld, naar de driehoek gaan door het kind te laten zien, hoe de hoek die hier zit, ook hier zit; dan zal ik, als ik dat hier naartoe overbreng, zo’n driehoek krijgen. Wanneer ik van de drie waaiervormige naast elkaar liggende hoeken uitga, kan ik me ontelbaar vele driehoeken die zich daar bewegen, voorstellen en deze hebben vanzelfsprekend de eigenschap dat de som van hun drie hoeken 180º is, want ze ontstaan door de deling van de 180º van de hoeksommen. Zo is het goed in het kind de voorstelling van de driehoek op te roepen, wat eigenlijk
Blz. 213
in innerer Beweglichkeit ist, so daß man gar nicht die Vorstellung bekommt eines ruhenden Dreiecks, sondern die Vorstellung eines bewegten Dreiecks, das ebensogut ein spitzwinkliges wie ein stumpfwinkliges, wie ein rechtwinkliges sein kann, weil ich gar nicht die Vorstellung des ruhenden Dreiecks fasse, sondern die Vorstellung des bewegten Dreiecks. Denken Sie sich, wie durchsichtig die ganze Dreieckslehre würde, wenn ich von einem solchen innerlich bewegten Begriffe ausgehen würde, um das Dreieckmäßige zu entwickeln.
in een innerlijke beweging is, zodat je helemaal niet de voorstelling krijgt van een driehoek in rust, maar de voorstelling van een beweeglijke driehoek, die net zo goed een scherpe, of een stomphoekige, of een rechthoekige kan zijn, omdat ik niet de voorstelling van een rustende driehoek neem, maar van de bewegende. Bedenk eens hoe doorzichtig heel de leer van de driehoeken zou worden, wanneer ik uitga van een dergelijk innerlijk bewegend begrip om alles over de driehoek te ontwikkelen.
Over eenschilderoefeningmet meetkundige figuren voor bepaalde kinderen. Joep Eikenboom zegt over deze oefening: ‘een buitengewoon sterke oefening voor het vasthouden van een innerlijk visueel beeld, en dan vervolgens proberen – door goed op te letten – die voorstelling op papier te krijgen. Wakker maken in de zintuigen op een kunstzinnige manier. Eigenlijk zo’n simpele aanwijzing van R.Steiner, tegelijk geniaal.’
‘Een schilderoefening bruikbaar voor alle kinderen vanaf klas 6, niet alleen voor speciale gevallen.’
.
OVER DE EERSTE DIER- EN PLANTKUNDE IN DE PEDAGOGIE VAN RUDOLF STEINER
deel 1
DIERVORM – MENSENGEEST
Vóór het 9e jaar wordt er met het kind alleen over de natuur gesproken in verhalende vorm
Blz. 15
Bij herhaling en op een niet verkeerd te begrijpen manier, heeft Rudolf Steiner erover gesproken op welk tijdstip op school het onderwijs over de natuur zou moeten beginnen. Dat mag zoals Rudolf Steiner in de 7e voordracht van ‘Opvoedkunst’ aangeeft, absoluut niet gebeuren vóór de kinderen ‘Rubicon van het negende jaar’ zijn overgegaan, want daarvóór zou de kinderziel nog niet rijp zijn om zich zo beschouwend tegenover de natuur op te stellen als dit voor het onderwijs over de natuur nodig is. Als dit belangrijke inzicht over het hoofd wordt gezien, zouden we niet alleen geen onderwijs creëren met een echt, d.w.z. duurzaam resultaat, we zouden het kind daarmee zelfs schaden. Het kind is voor het negende levensjaar nog niet in staat om zich zelf, losgemaakt van de natuur en helemaal al niet van de wereld, te beleven.
De leerkracht moet de grondstemming van de ziel van het kind dat zijn negende tot elfde jaar doorloopt, goed begrijpen om door pedagogische kunst de zogenaamde zakelijke interesse te wekken. Alleen stap voor stap en behoedzaam kan deze overgang worden voltrokken.
Natuurlijk moet er ook vóór het negende jaar met kinderen over dieren en planten worden gesproken, maar zo totaal anders dan later. Daarover zegt Rudolf Steiner in de 7e voordracht van de ‘Opvoedkunst’:
‘Voor die tijdwordenthema’suit de biologie in verhalendevormaan de kinderenverteld, op de manierwaaropikgisteren in de werkbespreking over de relaties van de dierenwerelden de plantenwereld tot de menshebgesproken. Voor die tijdbrengen we biologie in eenmeervertellende, beschrijvendevorm.’ [1]
De werkbespreking die Rudolf Steiner hier noemt, werd op 27 augustus 1919 ’s middags gehouden [4]. Daarin geeft hij twee uitgebreide onderwijsvoorbeelden. Het gaat hier om een leestekst (‘De herdershond‘) en over het voorbereiden van het bekende gedicht van Hoffmann von Fallersleben over hetviooltje. Hoe daar door Rudolf Steiner over de honden die iets nuttigs doen en over het schoothondje dat als een luilak dan eens op een kussen, dan weer op schoot bij het baasje ligt, uitgebreid werd gesproken, laat heel duidelijk de bedoeling zien om menselijk-ethische begrippen in de natuur een plaats te geven. Ook de beminnelijk ondeugende karakteristiek van het viooltje: ‘Ja, ja, ja, ja, ja, ik ben er, maar je moet me wel zoeken!’ – is totaal anders dan een schets van plantkunde. We moeten het viooltje met een kind vergelijken dat zich weliswaar verstopt, maar toch heel graag ontdekt wil worden.
De schrijver heeft in het blad ‘Erziehungskunst’, nr. 5/6 van de jaargang 1953 ‘Biologie vanuit het kind gezien’, een poging gedaan het wezen van een dergelijk beschrijvend vertellen van natuuronderwerpen vóór het negende jaar met een paar voorbeelden te verduidelijken. I.p.v. uitvoerige herhalingen wijs ik hier op deze verwijzing. Heel waardevol en verhelderend is echter in dit verband een opmerking van Rudolf Steiner in een voordracht van 21 oktober 1917:
Sie so, wie sie nun ist als äußere naturwissenschaftliche Kultur, für die Erziehung zu verwenden, wird in der nächsten Zeit von ganz besonderem Nachteil sein. Kindern beizubringen, was die Menschen vom Naturleben und an Naturgesetzen und an Gesetzen der abstrakten Naturwissenschaft wissen müssen, das wird eine Absurdität in der nächsten Zeit werden. Dagegen wird wichtig werden – ich kann überall nur Beispiele anführen -, daß eine Art liebevoller Betrachtung gegeben wird über das Leben der Tiere, über besondere Lebensverhältnisse der Tiere,zum Beispiel recht bildlich zu schildern, wie sich die Ameisen benehmen in ihrem Zusammenhang, wie diese Ameisen zusammenleben und so weiter. Sie wissen ja, in solchen Werken wie in Brehms «Tierleben» sind Ansätze zu diesen Dingen vorhanden, aber sie werden nicht ausgebaut. Sie müssen immer mehr und mehr ausgebaut werden, diese symbolisierten Erzählungen von Geschichten, die sich im Tierleben abspielen. Recht sinniges Erzählen von einzelnen individuellen Geschichten, das wird Platz greifen müssen, und das werden wir den Kindern beibringen müssen. Statt jener schauderhaften Art, wie elementare Zoologie an die Kinder verzapft wird,,werden wir ihnen erzählen müssen von besonderen Taten des Löwen, des Fuchses, der Ameise, des Sonnenkäferchens und so weiter. Ob die Dinge geschehen oder nicht, das ist im einzelnen ganz gleichgültig; daß sie sinnig sind, darauf kommt es an. Und was man heute den Kindern eintrichtert, was ja ein Extrakt ist aus der Naturwissenschaft, das soll erst in späteren Jahren kommen, wenn die Kinder sich erbaut haben an solchen Erzählungen, die von dem Individuellen im Tierleben handeln.
Om de uiterlijke natuurwetenschappelijke cultuur zoals die nu is, toe te passen, zal in de nabije toekomst bijzonder nadelig zijn. Om kinderen bij te brengen wat de mensen uit het leven van de natuur en aan natuurwetten en wetmatigheden van de abstracte natuurwetenschap moeten weten, zal in de nabije toekomst als een absurditeit worden beschouwd. Daar tegenover zal het belangrijk worden – ik kan overal alleen maar voorbeelden geven – dat er een vorm van liefdevol beschouwen gegeven wordt van het leven van de dieren, over de bijzondere leefomstandigheden van de dieren; bijv. goed beeldend schetsen hoe de mieren zich gedragen in hun samenleving, hoe ze samen leven enz. U weet dat in zulk werk als ‘Brehms dierenleven’ aanknopingspunten voor deze dingen aanwezig zijn, maar ze worden niet uitgewerkt. Die gesymboliseerde vertellingen van gebeurtenissen die zich in het dierenleven afspelen, moeten steeds verder uitgewerkt worden. Wat er moet gebeuren is, dat op zich staande individuele verhalen echt zinvol verteld worden. Die moeten we de kinderen bijbrengen. In plaats van die verschrikkelijke manier van elementaire dierkunde waarmee we de kinderen hoorndol maken, moeten wij hen vertellen van de bijzondere gedragingen van de leeuw, de vos, van de mier, van het lieveheersbeestje enz.
Of de dingen nu gebeuren of niet, is in het enkele geval om het even; dat ze zinvol zijn: daar komt het op aan. En wat men vandaag de dag de kinderen door de strot duwt, wat een aftreksel is uit de natuurwetenschap. moet pas op latere leeftijd komen, wanneer de kinderen door die vertellingen die over het bijzondere in het dierenleven gaan, zich opbouwend ontwikkeld hebben. GA 177/202 Niet vertaald
Dat werd twee jaar voor de oprichting van de vrijeschool uitgesproken. We herkennen de gezichtspunten er al in, die dan later door
Blz. 17
Rudolf Steiner in het leerplan van de vrijeschool tot in detail werden uitgewerkt.
Het boven aangehaalde voorbeeld van de ‘herdershond’ is een van de zinvolle vertellingen waarom het gaat. Maar het zou een ernstige fout zijn om met deze manier van naar de natuur kijken, ook na het 9e jaar verder te gaan, want nu wil het kind heel anders aangesproken worden.
Het wil de wereld verklaard krijgen, zodat hij die met een meevoelende ziel kan begrijpen. Nieuwe, tot dan toe gebonden zielenkrachten zijn vrijgekomen en willen tevreden gesteld worden. Alleen wie deze veranderde toestand kan doorgronden en er ook op in kan gaan, zal werkelijk een antwoord kunnen geven op wat het kind nodig heeft.
stijgt uit Nederland de geur op van speculaas, pepernoten, chocolademelk en mandarijntjes. Die kruidige, zoete geur roept meteen levendige herinneringen op aan de warmte van het Sinterklaasfeest, aan het mysterie van schoentje zetten en de opwinding van pakjesavond. Aan het begin van de adventstijd is Sinterklaas een feest voor kleine en grote kinderen, dat veel mensen nog steeds recht uit het hart kunnen vieren. Net als elk land kennen ook wij in Nederland tradities waar we niet meer bij stilstaan. Soms zien we pas door de ogen van een vreemdeling het ongewone ervan. Wat is er gewoner – vinden wij – dan dat een jarig kind een traktatie meebrengt voor zijn klasgenootjes? Maar de Duitser Herbert Hahn, die enige tijd op een Nederlandse vrijeschool werkte, moest hier erg aan wennen: een jarige die ‘geschenkjes uitdeelt’ (trakteert)! En daarvoor worden dan vanzelfsprekend alle lessen onderbroken, ook al geeft dat onrust! Vanuit die ervaring stond hij er dan weer niet van te kijken dat het Sinterklaasfeest hét grote feest van Nederland is. Oók een verjaardag waarbij de jarige geschenken uitdeelt. En óók een feest dat een stukje onrust brengt in een tijd die eigenlijk om stilte vraagt. Want 5 december valt meestal in de eerste, soms in de tweede week van de adventsperiode, de stille tijd die aan Kerstmis voorafgaat. Hoe valt dat te rijmen?
Schenkende heiligen
In de adventstijd verwachten we de geboorte van het kerstkind dat zichzelf weggaf aan de mensen. In die tijd lijkt zich overal een schenkende kracht te openbaren. Sint-Nicolaas is namelijk in de zes weken voor Kerstmis niet de enige die geschenken brengt. De rij van schenkende heiligen wordt geopend door Sint-Maarten (11 november) die zijn halve mantel weggeeft. De heilige Elisabeth (19 november) en de Zweedse Sint-Lucia (13 december) schenken brood aan de armen. In veel landen komt het kerstkind zelf met geschenken en in Zuid-Europa en Rusland laten de drie koningen op weg naar het kerstkind een geschenk achter in de sok van alle kinderen. Sint-Nicolaas voegt zich moeiteloos in deze rij schenkende heiligen. In Nederland blijft zijn feest echter niet beperkt tot één dag, maar neemt het de hele periode van half november tot pakjesavond in beslag.
Onrust tijdens advent
Bovendien komt Sint-Nicolaas niet alleen. Hij wordt vergezeld door een luidruchtig, kleurrijk en vrolijk volkje van helpende Pieten. In het rumoer van de Pieten hoor je het loeien van de novemberwind: als buiten de herfststormen de aarde schoonvegen, halen de Pieten de bezem door ons innerlijk. Het is hun taak om ons bewust te maken van onze tekortkomingen. Naast het licht van Sint-Nicolaas was Zwarte Piet aanvankelijk een duistere, angstaanjagende schaduwfiguur, maar in die gedaante verdween hij al gauw. Dat hij zo kleurig en beweeglijk werd, heeft volgens mij alles te maken met het feit dat wij in de loop van de tijd geleerd hebben om zelf de bezem te hanteren. Wij zijn steeds beter in staat naar onszelf te kijken, en al durven we onze schaduw misschien nog niet recht in de ogen te zien, we doen wel steeds vaker een dappere poging. Misschien dat daardoor het kostuum van Piet al decennialang alle kleuren van de regenboog vertoont. En tegenwoordig staan de laatste resten van zijn zwarte uiterlijk – zijn handen en gezicht – ook op het punt van kleur te veranderen. Piet is een louterende kracht die alles wat in ons schaduwachtig is, transparant wil maken voor het licht. Ook Sint-Nicolaas zelf moedigt dit element van loutering aan: op pakjesavond mogen anderen ons op onze tekortkomingen wijzen. Met mildheid en humor, dat wel. Maar het effect is toch dat we onszelf even zien door de ogen van een ander.
Het kind in de mens
De stilte van de adventsperiode is vol verwachting. We verwachten de geboorte van het goddelijk kind. Een zuivere, hemelse kracht daalt in de gedaante van een kind naar de mensen af om op de schoongeveegde aarde én in de gelouterde mensenziel zijn plek te vinden. Sint-Nicolaas is de beschermer van het kind in de mens, daarom valt zijn feest in de advent. Dit ‘kind in de mens’ is geen wezentje dat volgens de voorstellingen van een volwassene opgevoed moet worden. Met dit kind worden alle mogelijkheden bedoeld die we uit een geestelijke wereld hebben meegebracht om op aarde onszelf te kunnen worden. In de vroege middeleeuwen, voordat het huidige sinterklaasfeest bestond, werd Sint-Nicolaas al afgebeeld op doopvonten. Als een engel bracht hij het kind uit de hemel naar de aarde en zorgde hij ervoor dat het door de doop toch met de hemel verbonden bleef. Ook legenden laten zien dat Sint-Nicolaas het kind in de mens beschermt. Zo wekte Sint-Nicolaas drie studenten tot leven die het argeloze slachtoffer waren geworden van een herbergier die hen vermoordde en inpekelde. En drie zusjes aan wie hij elk een beurs met gouden munten schonk, hoefden zich niet te prostitueren. Met hulp van Sint- Nicolaas hoefden deze drie ‘zusjes’ – net als de ‘studenten’ een beeld voor drie jonge zielenkrachten – hun zuiverheid en onschuld niet te verliezen. De geschenken van Sint-Nicolaas zijn bedoeld voor het kind in ons. Ze zijn bedoeld om ons te helpen ons lot te aanvaarden, met alle mogelijkheden en beperkingen. Daarom legt Sint-Nicolaas zijn geschenken in onze schoenen. Schoenen staan immers voor ons persoonlijk levenslot. Als we zeggen: Ik zou niet graag in jouw schoenen staan, dan bedoelen we dat we het lot van die ander niet willen overnemen. Dat kan natuurlijk ook niet, maar Sinterklaas laat zien dat je een ander wel kunt bijstaan.
De Claesmannen
Elk kind weet dat Sint-Nicolaas geen gewoon mens is, maar een mysterie. Als volwassene kun je Sinterklaas beleven als een geheimzinnige kracht die zich via mensen kan manifesteren. Die kracht helpt ons niet alleen om kritisch naar onszelf te kijken, het kind in ons te beschermen, en ons leven te leven – die kracht doet meer. Toen de burgers in de late middeleeuwen zich in gilden verenigden, koos elk gilde een afgezant. De afgezanten van alle gilden vormden een stadsraad die opkwam voor de belangen van de burgers tegenover die van de adel. Als patroonheilige koos deze stadsraad niemand minder dan Sint-Nicolaas. Daarom werden de leden van de raad ook wel ‘Claesmannen’ genoemd. Als schutspatroon van de mensen die opkwamen voor de rechten en vrijheid van de individuele mens staat Sint-Nicolaas aan de wieg van een samenleving waarin voor iedereen een plek is en mensen niet alleen aan hun eigen belangen denken. Ook onze tijd zou weleens Claesmannen- en vrouwen nodig kunnen hebben die het iedereen mogelijk maken zijn eigen plek in de samenleving te vinden. Met hulp van Sint-Nicolaas kun je jezelf door de ogen van de ander in een nieuw licht zien, wat een heel verhelderend geschenk kan zijn. En wil je in de geest van Sint-Nicolaas anderen iets schenken, dan vraagt dat liefdevolle aandacht. Alleen dan kun je je zo in iemand anders verplaatsen dat je begrijpt wat hij nodig heeft. De Claeskracht die zich op de ander oriënteert, beperkt zich niet tot de sinterklaastijd of de adventstijd. Die werkt in ieder mens die zich op welk moment dan ook wil inzetten voor mensen en hun mogelijkheden.
Tekst: Tineke Croese Dit artikel is verschenen in Antroposofie Magazin december 2016
.
.
Daniël Udo de Haes heeft ooit een verhaal geschreven om het Sinterklaasfeest en het kerstfeest met elkaar te verbinden. Hierin het beeld van Maria die kinderen onder haar warme mantel meeneemt naar de aarde en die de mensenkinderen die terug willen keren naar de geestelijke wereld, onder haar kleed mee terugneemt:
Sinterklaas en de sterrenkinderen
“Eens reed Sint-Nicolaas over de wolken van Spanje naar Holland. Daarboven in de hemel ontmoette hij Maria, die het Kerstkind in haar armen droeg. Zij vertelde aan Sint-Nicolaas dat zij het Kind juist weer voor een poosje naar de aarde wilde brengen. Daar mocht het dan weer met de kinderen spelen.
Toen kwamen dadelijk van alle kanten de sterren naderbij en vroegen of ze mee mochten gaan. Dat mag, zei Maria, als de Maan jullie de weg wil wijzen want jullie passen niet allemaal onder mijn warme mantel. Dat hoorde Sint-Nicolaas en hij reed op zijn paard snel naar de maan: Goedenavond Maan! Goedenavond Sint-Nicolaas, zei de Maan. Maan, wil je de sterrenkinderen die met Maria mee naar de aarde willen de weg wijzen? Natuurlijk, zei de Maan, als de Zon dan overdag wil helpen… Sint-Nicolaas reed naar de Zon. Zon, wilt u Maria helpen om de sterrenkinderen de weg naar de aarde te wijzen, de Maan helpt in de nacht, kunt u overdag helpen?. Wat willen de sterrenkinderen op de aarde doen Sint-Nicolaas? De sterrenkinderen willen spelen met het Kerstkind en de aardekinderen. Ik help graag mee, zei de Zon. Toen kwam de Zon naast Maria staan en de Maan aan de andere kant. Maria nam vele sterrenkinderen onder haar mantel en de sterrenkinderen zagen de glans van het Kerstkind dat Maria op haar arm droeg. De Zon liet zijn stralen lichten op het pad dat Maria ging…
Sint-Nicolaas reed ondertussen op zijn paard met rasse schreden vooruit over de wolken en kwam als eerste op de aarde aan. Daar aangekomen vertelde hij aan een ieder die het maar wilde horen dat het Kerstkind weldra op aarde zou komen. Sint-Nicolaas gaf de kinderen speelgoed zodat zij straks met het Kerstkind konden spelen. Toen Maria met het Kind op aarde aankwam, sprongen vele sterrenkinderen van haar schoot en waren mensenkinderen geworden. Ze speelden samen. Na een poosje keerde Maria terug naar de Hemel en vele mensenkinderen mochten met haar mee om daar dicht bij de Zon, Maan en Sterren te zijn…”
Op de dag van zijn verjaardag, komt Sinterklaas, op zijn paard, samen met een paar Pieten in het stadspark op een afgesproken plek. Sint blijft op zijn paard, rustig op afstand, paard kan geaaid worden, Pieten delen lekkers uit, kinderen zingen voor hem, eerst komen de kleuters en als zij alweer onderweg terug zijn komen afzonderlijk klassen 1,2,3 en 4 even na elkaar naar deze bijzondere ontmoeting. Later op de dag komt Sinterklaas naar school, niet in de klassen, maar op het plein met zijn paard, de Pieten gaan de klassen rond om in iedere klas cadeautjes te brengen..
ook een mooie kaart….. wat een beelden… blauwe hemelse rode aardse ezeltje die lasten draagt voor de mens Sinterklaas op de grens van binnen-buiten geven en ontvangen het kinderlijke goede de goede Sint het roodborstje: duidt op lente na een sombere winter de kat: eigengereid en solitair bestaan, tolereert anderen als het daar zin in heeft.
Het heerlijk avondje is gekomen… Juul van der Stok
De discussie over wel of niet Sint en Piet in levende lijve in huis ontvangen zal altijd blijven. Mijn ervaring is, dat hun verschijning op afstand, bij de intocht of kort op school, genoeg is. Het beleven van Piet, waarvan het kind ‘s avond net de veer van de muts langs de dakrand zag bewegen, of het stille luisteren in bed naar de paardenvoetjes over het dak, werkt sterker dan de banket etende goedheiligman in vaders stoel. Sint Nicolaas leeft voort in de wolkenwereld boven de daken, nog altijd. Voorlopig zien we om ons heen vooral veel Zwarte Pieten en zijn er maar enkele onder ons, die de moed hebben zich te verkleden als Sint-Nicolaas, om éven de échte te zijn. Laten we het gesprek meer en meer voeren vanuit de gedachte van Sinterklaas als beeld van ons hoger Ik, dat ‘neerdaalt’ om ieder jaar weer zichtbaar en beleefbaar te worden. Bij ons thuis stond de grote wasmand op de slaapkamer van mijn ouders en daar mochten wij als grote kinderen onze eigen pakjes in doen. Bij het binnengaan van die kamer, het zien van al die pakjes, was voor mij de spanning gebroken. Ik zocht naar mijn naam op de pakjes en had daar de verdere avond last van. ’Pakjesavond’, dat was het niet voor mij. Later wilde ik dat voor mijn kinderen anders doen. • Hoe kan je de spanning tot het einde toe vasthouden? • Hoe kun je kinderen helpen, dat oogjes niet gaan tellen en de hebzucht niet zoekt naar de eigen naam op de pakjes? • Hoe kan ook aandacht voor de anderen opgebracht worden?
Ik zocht naar (spel)vormen, waarin deze vragen beantwoord werden. Hier enkele voorbeelden: Er staat een grote stoomboot voor de deur. Binnengeloodst vaart hij rond in de kring en mag iedereen om beurten iets uit het ruim pakken en uitdelen. “Piet brengt dit jaar alleen voor jullie samen één dobbelsteen”! Het aantal gegooide ogen – of zelf gekozen symbolen, bijvoorbeeld kleuren, Sinterklaas, Zwarte Piet, de schimmel, enzovoort) – verwees naar in de kartonnen dobbelsteen verstopte opdrachten, zoals: zoek op zolder, zing een lied, presenteer iets lekkers.
Er zit een grote Piet op de stoep met in zijn hand een roe, waarin appeltjes van oranje en noten hangen, voorzien van namen en opdrachten. In het begeleidende schrijven zegt Piet blij te zijn binnengelaten te worden, omdat er nog heel wat appeltjes te schillen zijn en noten te kraken. Er wordt een grote rol papier door het raam naar binnen gestoken. Uitgerold op tafel zien we een (ganzenbordachtige) weg door de vier seizoenen getekend. In de twaalf maanden zijn de belangrijke gebeurtenissen van het afgelopen jaar gemarkeerd. Mensenfiguurtjes op damstenen moeten zich volgens het begeleidende dichtwerk door het jaar heen bewegen om een en ander nog eens in de herinnering op te roepen alvorens het nieuwe jaar tegemoet te gaan. Een zeiltocht rond het IJsselmeer, waarin veel doorstaan en geleerd werd, was aanleiding voor een vaarspel. Nieuwe slaapzakken vormden het woelige water en de kustlijnen. Met kleine notendopbootjes voeren we opnieuw van haven tot haven, waardoor die heerlijke vakantie herleefde en ieders hoogte- en dieptepunten passend gehonoreerd werden. We maakten ook de weg door het jaar zichtbaar in surpriseachtige vormen om individuele ontwikkelingen te kunnen memoreren en stimuleren.
• Winter: ijsbaan met schaatsers, sleetjes, skiërs, koning Winter, sneeuwpoppen. • Voorjaar: bloeiende natuur, Paashaas, schoonmaak, tuinwerkzaamheden. • Zomer: vakantielandschap, reizigers, zwemmers, zeilers. • Herfst: oogsten, weegschaal, vliegeren, schoolgang, nieuwe lessen. Deze uitbeeldingen stonden vaak een heel jaar op de kinderkamers. Na een muzikaal actief jaar vonden we voor de deur ons huisorkest, ieder met zijn eigen instrument, musicerend in de kring. Op ieders lessenaar een muziekboekje, waaruit ieder om beurten een bladzijde mocht omslaan om zijn ‘eigen lied’ ten gehore te brengen, ‘een toontje lager’ te zingen, ‘meer op de ander af te stemmen’, gewoon minder vals te spelen, of juist de succesnummers nog eens te laten horen. Op een lange zeezeiltocht naar het hoge noorden leerden de jongste twee vissen. Op de grond maakten we van blauw gekreukeld cellofaanpapier een waterpartij omsloten door keien. Op een basalten pier twee vissers met hengels voorzien van een magneetje. Tussen de golven glinsterde het zeebanket in alle bekende soorten, voorzien van een opdracht en met een ijzertje tussen de kaken. Bedreven vissend moest bij laag- en hoogtij, met wind mee en tegen, ‘een en ander nog eens boven water komen’. Zo staat in de verschillende spelvormen het op weg zijn centraal, verdwijnen de discussies over verlanglijstjes en komen kinderen weer tot de verwachtingsvolle vraag: ,,Hoe zal het vanavond gaan?” Naast de individuele weg werd ook de gezamenlijke weg zichtbaar, wat een welkome verdieping betekende van het Sinterklaasfeest. Het leverde intieme momenten op, waarnaar je het verdere jaar soms erg kunt verlangen. We zaten op zo’n avond rond iets moois, terwijl we ook actief bezig waren door in en rond het huis naar een pakje te moeten zoeken, wat voor jonge kinderen heel spannend was. Toen de kinderen zelf mee gingen doen, verstopten ze zelf in huis hun cadeautjes en gaven voor het grote plan naam en plaats door aan degene, die de contacten met Piet onderhield. En wat genieten we nu bij onze kleinkinderen, die vol spanning het moment afwachten, waarop ‘het’ gaat beginnen. Veel succes!
Sinterklaastijd in de kleuterklas
Een heerlijke tijd, na advent meestal, de verkleedkleren tevoorschijn halen, inclusief gouden boek, en goudkleurige staf…..cadeautjes inpakken, mooie tekeningen voor Sinterklaas maken, Sinterklaas spelen compleet met boot en lichten uit, alle kinderen slapen, cadeautjes brengen, pepernoten bakken… en zingen zingen en zingen….. Rode wangen, slecht slapen , volledige overgave in het spel aan het jaarlijkse sinterklaasfeest. Wensenlijstje maken, pepernotenbakken, in stilte luisteren naar een verhaal of oplettend kijken naar een prentenboek….
Vijf Pieten
Een handgebarenspelletje
Sinterklaas kwam over zee, En zijn Pieten nam hij mee, Het zijn er vast meer dan tien Maar deze vijf zijn hier te zien. (5 vingers) De dikste draagt de zware zak, De tweede loopt op zijn gemak De derde, kijk hem toch eens springen Piet vier gaat zo een liedje zingen. De kleinste staat te bibberen, ‘Brrrr, wat koud in Nederland,’ roept Pietje vijf, ‘Brrrr, ik denk echt niet dat ik blijf’. Dan geeft Sint Piet warme chocola (wijsvinger reikt naar pink) En kijk, hij danst alweer van tralalala. (pink) Rita Veenman
Banketbakkersspelletje Uit de DoeHoek van Diny Kiers:
Meedoen
Een rustgevend spel is het banketbakkersspel. Doordat de jongere kinderen ook een taak hebben, voelen ze zich betrokken bij het hele gebeuren op pakjesavond. Ze vinden het fijn om op deze manier mee te doen. Het ruikt lekker en het rollen is een kalmerende bezigheid vooral als je het versje erbij zingt of zegt. Bovendien schenken de kinderen, net als Sint en Piet, ook iets aan anderen, waardoor het accent minder sterk op het krijgen van de eigen cadeautjes komt te liggen. In een brief van Piet wordt alles duidelijk uitgelegd. De Bakpiet zou het fijn vinden als er iets lekkers uitgedeeld kan worden deze avond. Maar tja, hij heeft het ook zo vreselijk druk. Hij denkt dat …(Thomas) hem goed kan helpen door voor alle mensen in de huiskamer een mooie marsepeinen bonbon te maken. Mmmm, dat wordt smullen!
Nu alleen nog een beetje versiering er zachtjes bovenop drukken…en het is klaar om weg te geven.
Nog leuker is het als je er een compleet mini banketbakkerspakket van maakt. Een bakkerskistje Nodig • Theekist of bijvoorbeeld een tekendoos • Lapjes dunne katoen van ongeveer 20 bij 15 centimeter • Koord of lint • Voor de uiteinden hiervan eventueel dikke kralen • Klein lepeltje, mesje en vorkje • Houten lepeltje, garde • Kleurige theedoek • 175 cm keperband
Beschilder het kistje met bijvoorbeeld aquarelverf. Maar blank is ook mooi. • Plak er een mooi etiket van stevig papier op, met de naam van het kind (Zie tekening), • Je zou eventueel het bovenstaande etiket kunnen uitprinten en gebruiken. • Het is ook mooi om de doos te versieren met restjes stof. • Je hebt in een ommezien een drietal zakjes genaaid met een tunneltje erin en een koordje of lint erdoor waar een beetje van de lekkere versiering in gaat. • In plaats hiervan zijn een aantal kleine mini jampotjes of andere kleine, goed sluitende, doosjes ook geschikt. • Doe er wat minikeukenspullen bij en een klein geknipt werkdoekje. Dan ziet het er echt aantrekkelijk uit.
Tip Wat keukenspeelspulletjes, zo bij elkaar geraapt, mooi verzorgd in een kistje of koffertje met eigen naam erop heeft iets magisch voor kinderen. Heel geschikt ook, om op een verjaardag cadeau te geven.
Naaien
Het banketbakkersschort
• Dit is zo gemaakt van een theedoek. • Knip het borststuk zoals op de tekening is aangegeven. • Werk de gebogen lijnen af met een zoompje, een bandje, of eenvoudig met een zigzagsteek. • Neem tussen 40 en 50 cm voor de strikbanden. • Naai er een zoompje in en stik ze aan het schort. • De zak kan uit een zijstuk geknipt worden. • Deze kun je met een zigzagsteek of met een bandje op de schort naaien. Een heerlijk Sinterklaasavondje! Diny
Schoencadeautjes
1. Minischatkisje 2. Bijenwas 3. Gouden/Zilveren/ regenboogpotlood 4. Punnikklosje 5. IJzeren rietje 6. Pepernoten/Koekjesmix om zelf te bakken 7. Geode om zelf te barsten 8. Knikkers 9. Mooie pen 10. Bijzonder papier 11. Stickertjes 12. Kralensetje 13. Peperkoekhuisje 14. Edelsteen 15. Tolletje 16. Jojo 17. Gummetje 18. Puntenslijper 19. Iets lekkers (chocolaatje, pepernoten, mandarijntje, etc.) 20. Mini potloodjes 21. Pixi boekje 22. Plantenzaadjes 23. Sterrenstickertjes voor in de hemel boven de jaartafel of gewoon op het raam 24. Brief van de Sint 25. Kaarsje (om te versieren) 26. Haarspeldje of mooi elastiekje 27. Tips met dingen die je voor een ander kan doen, zoals een boodschapje doen, een lied zingen, koekjes bakken, eten langs brengen, de stoep vegen, een verhaal voorlezen, samen een spelletje spelen, enz. 28. Leuke doe-dingen voor de familie (zie hieronder de advent-ideetjes) 29. Een rol inpakpapier en plakband, uren speelplezier gegarandeerd 30. Een waardebon voor een immaterieel cadeau (kijk hier voor een lijstje met tips) 31. Een (antroposofische) adventskalender 32. Sokken
Je kan ook elke keer dat het kind de schoen mag zetten een onderdeel van een groter cadeau in de schoen stoppen.
Denk aan:
1. Onderdelen van Grimms poppetjes 2. Ostheimer speelgoed 3. Knutselopdracht met materiaal en stappenplan 4. Stukjes van een knikker– of treinbaan 5. Krijtjes van Stockmar 6. Kleurtjes klei of bijenwas 7. Etui met elke keer iets voor erin
Bovenstaand en onderstaand artikel komen van evrydaymommyday.com
Een magisch Sinterklaasfeest
Wie kent dat gevoel van dat je door de straat loopt en je het idee hebt dat je net een veer en een kleurige pet de hoek om zag flitsen? Of wie sloop er vroeger, net als ik in de nacht zijn bed uit om door de gordijnen te gluren of je misschien Sinterklaas op het dak zou zien? Voor mij als kind was Sinterklaas gehuld in magische nevelen. Zoals de Duitse Nikolaus onzichtbaar blijft, maar altijd een spoor van fairy dust achter zich laat, zo betoverend en ontastbaar was de Sint ook voor mij in mijn kindertijd.
Sinterklaas, een leugen?
In ons gezin is Sinterklaas, net als Sint-Maarten of Maria en Jozef, een verhaal. Het verhaal van een man die anderen wil helpen. Hij deelt zijn rijkdommen met hen die het nodig hebben, want kunnen geven maakt blij. Wij blijven weg van grote Sinterklaasevents, kruipen niet bij Sint op schoot, kijken niet het Sinterklaasjournaal met stressige cliffhangers en praten niet over wat Piet zal doen als je niet braaf bent geweest. We kijken Sinterklaasboeken, zingen Sinterklaasliedjes, bakken pepernoten zodat ons huis geurt van de speculaaskruiden, knutselen Sinterknutsels en geven vragen over de Sint gewoon terug…. „Wat denk jij?“ Als standaard cadeau krijgen de kinderen iets voor de verkleedklerenkist, want ook zij kunnen Sint, Piet, ridder of dokter zijn. Ik vertel geen leugens maar laat mijn kinderen in de magie geloven omdat ze erin willen geloven. Net als dat er dwergjes mogen rondlopen in het bos en hun geliefde pop ook daadwerkelijk getroost moet worden als ze gevallen is. Voor kleine kinderen bestaat er nog een dromerige wereld die ergens tussen de werkelijkheid en de fantasie zweeft. Leer kinderen niet te geloven in de Sint, maar verklaar ze ook niet intellectueel de wereld uit angst om te liegen. Op een dag wordt elk kind wakker en komen de vragen. En opeens komt het besef hoe het zit en is het tijd een ingewijde te worden in de raadselen rondom de Sint. (Lees onderaan mijn verhaaltip).
Sinterklaas anno 2019
Opvallend van tegenwoordig vind ik hoe reëel en tastbaar de Sint voor kinderen is geworden. Sint komt via het Sinterklaasjournaal tot op de poriën scherp de huiskamer binnen. Sint is niet in vraagtekens gehuld, maar we leven vol emotie mee met alle ervaringen en tegenslagen op zijn tocht naar Nederland. In Nederland gekomen staat een stuiterende kinderzee te wachten op de Sint. Luid schallen de liedjes door de boxen om tegen de spreekkoren van de voor- en tegenstanders van Zwarte Piet op te komen. Politie en ME teams begeleiden de Sint terwijl mijn kinderen zich afvragen waarom iedereen Zwarte Piet roept, terwijl ik hen juist net heb geleerd over de roetveegpiet. En: „Waarom, mama is er zoveel politie? Waarom schreeuwen die mensen zo, het lijkt wel of ze boos zijn?“
Sinterklaasgekte
Na de intocht van de Sint begint de tijd van opwinding pas echt. Dagelijks mogen de schoenen gezet worden, elk weekend vinden er Sinterklaasevenementen plaats, elk kind kan wel een paar keer Sint en Piet live ontmoeten (“Hé mam! Die baard is heel anders dan die van Sint op TV!”), de grote speelgoedwinkels kunnen hun Dagobert Duck geluk niet op en op 5 december komen de grootste zakken vol met cadeaus de huizen binnen om opengescheurd te worden op zoek naar de iPhone die bovenaan het verlanglijstje stond. Vier weken lang slaan de kinderhartjes in razend tempo, draaien wij ouders op hoge toeren om aan de verwachtingen van de Sint te kunnen voldoen en zijn we allemaal weer blij als de rust op 6 december is weergekeerd…voor even… Wat was ook alweer het idee van het Sinterklaasfeest? Sinterklaas is heilig verklaard omdat hij mensen in nood hielp. Wij gedenken Sinterklaas door te delen en door het zo moedig te zijn onszelf in de spiegel te durven bekijken. Lees mijn Sinterklaasblog over de achtergronden van Sint en Piet. Naar mijn bescheiden mening gaan we met de huidige ietwat consumentistische, more is more trend een beetje voorbij aan het idee van dankbaarheid, verwonderende vreugde en geheimzinnigheid.
Pietendiscussie
Weet je dat we het eigenlijk zo met elkaar eens zijn! We willen een fijn feest voor ieder kind. Als dat je vertrekpunt is, dan houd je niet vast aan dat wat was, maar dan zoek je samen naar iets wat iedereen blij maakt; dát is delen en dát is jezelf in de spiegel durven kijken. Het is een feit: sinds het leven van de Heilige Nicolaas in de 13e eeuw, is het feest talloze keren aan de veranderende tijd en het samenstromen van culturele invloeden onderhevig geweest. Waarom dan nu zo krampachtig vasthouden aan iets, wat voor kinderen niet van het geringste belang is? Kunnen we afspreken de discussie over die goede Piet niet meer voor de ogen van kinderen te voeren? Ik ben vol vertrouwen; er zal wat tijd overheen gaan, maar het uiterlijk van Piet gaat veranderen! Bij ons in ieder geval op de jaartafel mooie roetveegpieten in alle huidskleuren die onze aarde rijk is. Mee eens? Less is more Ik kies voor de magische, kleine, warme familiaire versie van het Sinterklaasfeest. Wij bekijken de Sint alleen bij de intocht. We zingen, we lezen, we bakken en delen uit aan onze dierbaren. Schoentjes zetten is een feest en kan prima 1x per week. En als je niet gewend bent dat altijd alle wensen in vervulling gaan, dan zie je zelfs nog de grote dankbaarheid in de ogen van die kleine snoetjes als ze een een heerlijk mandarijntje en een handje vol pepernoten vinden. Geniet van een Sinterklaasavond waarbij de harten kloppen van verwachting, geniet van de warmte bij de open haard en de gezelligheid, lach, zing, smikkel en deel. En ben dankbaar voor alle materiële en immateriële geschenken, want dankbaarheid is de herinnering van het hart. Een heerlijke Sinterklaastijd gewenst! Wie was eigenlijk Sinterklaas, hoe zit het met die Pietjes? Inspiratie nodig welke liedjes je nieuw kan leren en welke boeken mooi zijn voor deze tijd? Lees het in mijn Sinterklaasblog. Wil je meer lezen over hoe je een jaartafel kan maken, Youtube: Ik zing Sinterklaas liedjes zodat je bij interesse mee kan zingen en ze zo nieuwe liedjes kan leren. Succes! Bij Waldorf Inspiration vind je inspiratie voor de jaartafel. Kijk op Facebook, Instagram of Pinterest.
Een adventssprookje
Daniël Udo de Haes
Een klein meisje zette eens haar schoentje onder de schoorsteen, want over een paar dagen zou het Sinterklaasavond zijn. Ze wist niet wat ze wel verlangen zou om er in te krijgen en daar dacht ze zelfs helemaal niet aan. Ze dacht alleen aan Sint-Nicolaas zelf, van wie haar ouders haar zoveel hadden verteld en van wie al haar dromen en gedachten vervuld waren. Ze dacht niet anders dan aan de oude bisschop, die op zijn schimmel daarboven over de daken reed en die door de schoorsteen in de huizen kwam, om zijn gaven aan de kinderen te brengen. Die wereld van de daken was voor het meisje al halverwege de hemel, en uit die hoge wereld zou Sint-Nicolaas komen. Maar ook aan het paard moest worden gedacht en de moeder van het meisje had haar een flink stuk brood gegeven om in haar schoentje te leggen, zodat de schimmel iets om te eten zou vinden. Daarna haalde het meisje zelf nog een bakje met water dat ze ernaast zette, zodat het paard ook drinken kon als het dorst had. Toen dit alles klaar was, zong ze met haar vader en moeder een paar mooie Sint-Nicolaasliedjes bij de schoorsteen, en vol van haar heerlijke verwachtingen werd zij naar bed gebracht. Nu droomde zij nog veel meer van Sint Nicolaas, dan zij de hele dag al had gedaan. Zij droomde dat de heilige door de schoorsteen in de kamer kwam en toen hij zag, hoe goed het meisje voor zijn paard had gezorgd, legde hij een hart van suiker in haar schoentje. Toen ging hij met zijn schimmel weer omhoog. Maar het meisje droomde verder. Ze droomde zo mooi, dat al dromende haar eigen hart openging. Het ging even wijd open als zij haar schoentje had opengezet. En zie, daar ging haar droom uit haar hart omhoog. Hij ging mee met Sint-Nicolaas op zijn schimmel over de daken en… toen naar de hemel. Heel, heel hoog ging het in de hemel. En daar, hoog boven de wolken, tussen de zon en de maan, daar zagen zij een jonge vrouw in een blauwe mantel, die langzaam liep over de sterren en die een heel jong kindje in de armen droeg. Dat was Moeder Maria, die het kerstkindje droeg, waarmee ze in de naderende kersttijd weer op aarde wilde komen. En toen Maria Sint-Nicolaas aan zag komen, met de droom van het meisje bij zich op zijn schimmel, keek zij omlaag, en daar zag zij het meisje zelf in haar bedje liggen slapen. En toen Maria zag hoe wijd het hart van het meisje naar de hemel openstond, nam zij iets van het morgenrood uit het hart van haar kindje en vroeg Sint-Nicolaas dit te willen leggen in het hart van het meisje daar beneden. Sint-Nicolaas nam deze hartengave van het kerstkind dankbaar voor het meisje aan en keerde toen met haar droom terug naar de aarde. De volgende morgen, toen Sint-Nicolaas alweer in Spanje was en de droom in het meisje was teruggekeerd, ontwaakte zij. Vol spanning ging zij naar beneden. Hoe zou het bij de schoorsteen zijn? Zie, het kommetje was leeggedronken en het brood in haar schoentje was verdwenen. In plaats daarvan lag er een hart van suiker in. Het was dus echt waar, dat Sint-Nicolaas gekomen was… Maar daar was nog iets wonderlijks, dat het meisje eerst nog niet had gezien. Het hart van suiker glansde… Het lichtte met een glans, die het meisje nog nooit eerder aan suikergoed had gezien. Het hart verspreidde een licht van rode rozen, zoals men dat soms kan zien als de zon opgaat. Het meisje riep haar vader en moeder en toonde vol blijdschap het lichtende geschenk. Haar ouders vonden het hart prachtig, maar de glans konden zij niet zien. Het meisje verzekerde hun, dat het hart werkelijk glansde, maar zij wist niet, dat deze glans het morgenrood was dat in haar eigen hart lag en dat Sint Nicolaas daar voor Maria uit het hart van het Christuskind in had mogen leggen. Sinds die nacht gebeurde het vaak dat het meisje iets om zich heen zag glanzen als het morgenrood, en dat andere mensen die glans niet konden zien.
Graag vertel ik jullie over een oude traditie die voor mij erg waardevol is, het is de traditie van het wichtelmannetje.
Wie is het wichtelmannetje? Het wichtelmannetje, ook wel tomte genoemd, is een wezen uit de oorspronkelijke Scandinavische folklore. We kunnen het wichtelmannetje zien als een soort kleine huisgeest, een kabouter die je nauwelijks ziet of hoort. Het wichtelmannetje wordt vaak afgebeeld als een klein mannetje met een muts en een hele lange grijze baard.
Goede huisgeest
Het wichtelmannetje is een goedaardige huisgeest, die staat voor naastenliefde, warmte en gezelligheid. Het is in de Scandinavische landen traditie om op Sint -Maartensdag (11 november) lootjes te trekken, zoals wij dat wel doen met Sint-Nicolaas. Op elk lootje staat een naam van een van de gezinsleden. Voor degene die jij hebt getrokken ga je de komende tijd stiekem wichtelen, alsof je zelf een klein wichtelmannetje bent.
Wat is wichtelen?
Wichtelen bestaat uit verschillende dingen. Met name kunnen we denken aan het opknappen van kleine klusjes in en om het huis, zoals een paar boodschappen, het bed opmaken of afhalen of de was ophangen en de planten water geven. Ook is wichtelen het geven van kleine attenties, kleine cadeautjes, verstopt onder iemands kussen of in een schoen of sok. Zelfgemaakte cadeautjes zijn natuurlijk helemaal leuk, maar dat hoeft niet. Wichtelen kan ook heel goed in de klas op school. Pas met kerstmis vertel je voor wie jij het wichtelmannetje was.
Grappige traditie
Deze traditie is heel leuk om te doen, het brengt mensen dichter bij elkaar en het verrassingselement is ontzettend grappig en zal geheid voor blije gezichten en een goed humeur zorgen. Iets wat we wel kunnen gebruiken in de donkere tijd tussen Sint-Maarten en Kerst. Zonder lootjes kan het ook. Er is ook nog een andere manier om te wichtelen, zonder lootjes. Hiervoor gebruik je een zelfgemaakt wichtelmannetje, gemaakt van vilt en kastanjes bijvoorbeeld. Dit wichtelmannetje kun je achterlaten op de plek waar je gewichteld hebt, zoals op een stapel pas gevouwen wasgoed. Degene die het wichtelmannetje vindt, mag dan wichtelen voor iemand anders, en laat daar het wichtelmannetje weer achter, en zo ga je door. Deze manier is wat anoniemer en verrassender dan de andere.