VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (19)

.

VAN LIJDENSTIJD NAAR PASEN

Werk als oefenweg

We fietsen achter elkaar, want het fietspad is maar smal. In een wijde boog rijden we achter de bushalte langs. Ongeduldig ronkend en brommend staat daar een bus te wachten tot alle reizigers ziJn ingestapt. ‘Kijk mam!, roept ineens mijn zoon. ‘Daar sta ik nou later ook te wachten met zo’n grote bus.’ Hij keert zijn glunde­rend gezicht naar me toe. ‘En dan mag jij ook wel eens bij mij instappen!’ Dat is een heerlijk vooruitzicht. Jongens van acht hebben zo hun eigen idee van de toekomst. Niet alleen buschauf­feurs of tramconducteurs blijken be­nijdenswaardige mensen – ook plaatsen waar met machines wordt gewerkt, hebben een eigenaardige aantrekkings­kracht. De wasserij is zo’n plaats waar ze graag komen.

Terwijl ik sta af te rekenen bij de toon­bank, zijn de kinderen de werkruimte ingelopen. Daar staat een reusachtige strijk- en vouwmachine opgesteld. De kinderen blijven geboeid staan kijken naar enkele witte servetten, die door grote warme rollen glad gewalst wor­den, en daarna op lopende banden statig verder zeilen. Onderweg worden de witte lappen via ingewikkelde klepjes tweemaal gevou­wen. Het geeft telkens een venijnig, ty­pisch machinaal klik-klakgeluid. Ten­slotte belanden ze op een tafel aan het andere einde waar ijverige dames het wasgoed uitzoeken en op stapels leg­gen. Het is zo fascinerend wat daar ge­beurt, dat het mijn zoon de uitspraak ontlokt: ‘Ik ga later in de wasserij wer­ken.’
Hij kent niet of nauwelijks de achtergrond van wat hij daar ziet ge­beuren. Wat is het dan dat hem daarin aanspreekt? Is het iets dat wij door ons te veel weten er niet meer in her­kennen? Het is mij wel duidelijk, dat een kind met andere ogen kijkt naar al die verschillende mogelijkheden van bezig-zijn in de wereld. Het herkent er iets in dat van hogere orde is, juist om­dat het niet meer ‘weet’ dan het ziet.

De werkende mens.
In deze technische tijden zien de kin­deren nauwelijks meer hoe de gewoon­ste dingen om hen heen tot stand ko­men. Oude ambachten worden uitgeoe­fend in verborgen hoeken van de sa­menleving. Soms worden ze op mark­ten of straatfeesten tentoongesteld, als museumstukken, weggehaald uit de ei­gen omgeving. Dat doet wat onwerke­lijk aan. Zodra de kinderen zelf in een werkplaats binnengaan, is de ervaring diep en blijvend. De smid die de paar­den beslaat, de pottenbakker met om zich heen werkstukken in allerlei sta­dia, de timmerman waar het harsig ruikt naar vers hout, en de bakker waar de werkplaats vol ligt met brood­jes in wording.

Als er in de buurt een huis wordt ge­bouwd, is dat een unieke plaats om ve­le ambachten tegelijk ‘in werking’ te zien. De kinderen zien hoe de metse­laar zijn specie mengt en het schiet­lood hanteert. Ze vergeten nooit meer het typische heldere klink-klankgeluid als de troffel op de baksteen slaat. Ze zien de muren groeien, en ze leven mee als de zware steunbalken voor het dak op hun plaats worden gelegd. Ook de dakbedekker wordt bewonderd, die handig en vlug de dakpannen in elkaar haakt.

In een werkplaats als de wasserij is het de ingenieuze machine die de kinderen boeit. Maar wat is dat anders dan be­wondering voor degene, die zo’n ma­chine kan bedenken en maken? Niet de zichtbare mensen die ermee werken, krijgen de aandacht. Deze geldt indirect de onzichtbare ‘maker’.
Bij de buschauffeur gaat de bewondering uit naar degene die zo’n kolos van een wa­gen schijnbaar moeiteloos door nauwe straten stuurt. Het is of er in het kind de vreugdevolle zekerheid leeft, dat zo iets te leren is. En zo ga je dan langza­merhand vermoeden, dat ieder kind een onbewust weten in zich draagt waarom hij hier op aarde is gekomen. Wat ziet hij namelijk om zich heen, dat hem zo intens boeit? Dat is de werkende mens.

Jan Luiken
Enige eeuwen geleden was er een Hol­lander die de toenmalige ambachten tot onderwerp maakte van zijn ets­kunst. In 1694 verscheen een bericht in de Amsterdamse Saturdaagsche Cou­rant:
‘Tot Amsterdam bij Jan Luyken, plaatsnyder, word uitgegeven een Boek, genaemt het Menselyk Bedryf, bestaende uyt 100 kopere plaetjes van ambachten, konsten, hanteeringen en bedryven, met versen toegepast op het Gemoet.’

Het is of de schrijver/etser ieder am­bacht even omhoog tilt als een kristal tegen het licht, zodat het aardse werk ‘door-licht’ wordt. Bij ieder ambacht beschrijft Jan Luiken een beeld van de ontwikkelingsmogelijkheden van de ziel, waardoor dat speciale beroep in­eens een dimensie erbij krijgt. Een en­kel voorbeeld.

De Kaarsemaaker
Verliest het minst,
Om groote winst

pasen 23

Terwyl het vuur de Kaars verteerd,
Soo word het huis met-licht vereerd;
Dat was het doelwit in het maaken:
o Aardse mens van vlees en bloed,
God wil het Licht
uit uw Gemoed,
Door’s lichaams sterven en versaaken.

Het aardse lichaam werd ‘het minste’ geacht in vergelijking met de ziel en de geest van de mens. Over het temmen en bedwingen van dat lichaam met al zijn hartstochten en driften spreekt het lied van de zadelmaker.

De Saalemaaker
Uw eigen dier,
vereist bestier 

passen 21

 t Geweldich, trots en weelich Paard,
Word nochtans van den Man bereeden,
Beloomd, besaadeld en Bedaard:
Soo most de Geest, door hooge reeden,
Zijn wilde dier, van
vlees en bloed,
Betemmen, om een Eeuwich goed.

De strengheid van de calvinistische le­vensopvatting, doortrokken van zonde­last en schuldbesef, dempt alle levens­blijheid. Het is of de calvinistische mens in de lijdenstijd blijft steken en nooit aan de verlossing toekomt, nooit de vreugde van Pasen kent.
Jan Luiken noemt wel ergens het ‘Nieuw Jerusalem’ als stralend eind­punt van een lange weg.
In de Openba­ring van Johannes staat een prachtige beschrijving van deze gouden stad, ge­noemd naar het aardse Jeruzalem:
‘En hij leidde mij in het geestgebied op een berg, groot en hoog, en toonde mij de heilige stad Jeruzalem…’ (Openb. 21).
De twaalf poorten en de twaalf fundamenten worden beschre­ven. Het is een merkwaardige stad, want het bouwwerk heeft de vorm van een kubus: ‘haar lengte en haar breed­te en haar hoogte zijn gelijk.’
Vanouds hoort het vierkant bij de aarde. Ook het beeld van een stad is een menselij­ke aangelegenheid.
De evangelist Jo­hannes ziet in zijn geweldig visioen dat er door mensenhanden gebouwd wordt in hemelse streken. Hoe kunnen we ons dat voorstellen?

Het werk als oefenweg
Als we ons verdiepen in de sprookjes, kunnen we ontdekken dat de verschil­lende beroepen die daarin voorkomen, een heel bepaalde functie vervullen in het verhaal.
De jager, de visser, de houthakker, de kleermaker, de schoen­maker – ze hebben allen hun geheel ei­gen karakter. Niet wat de houthakker persoonlijk is, maar wat hij doet is be­palend. Dat geeft vorm en richting aan het verhaal. Omgekeerd kan je ook zeg­gen: vele sprookjes geven het beeld van een wordingsproces, van een weg van lijden, van schuld en boete, en van een uiteindelijke verlossing. Maar er zijn oneindig veel mogelijkheden om die weg te beschrijven. Die weg is van­uit de schoenmaker gezien anders dan vanuit de houthakker, en weer anders vanuit de soldaat. Het is of ze verschil­lende facetten zijn van hetzelfde kris­tal. Elk vlak vangt het licht op een an­dere wijze. Er is geen werk zonder strijd en geen strijd zonder leed. Maar zonder leed ook geen verlossing, zon­der lijdenstijd geen Pasen. In het ty­pisch oud-Hollandse beroep van de turf­steker kunnen we dat herkennen.

De Veender
’t Is ongezien
Doch ’t kan geschien

pasen 22

Van onder ’t water word geheeven,
Een Stof, om Vu
ur en Vlam te geeven,
Tot nul en teegenweer der Kouw:
Soo most de Mens Materi vissen,
Van onder’s leevens kommernissen,
Tot Vreugd, die Eeuwig gloorien souw.

Ieder werk kun je zien als een ontwik­kelingsweg, en daarbij doet het er min­der toe wat je doet. Belangrijk is hoe je het doet, wat je ervan maakt en wat je er zelf aan doormaakt. En daardoor komt ‘ongezien’ iets vrij, dat een steen­tje bijdraagt voor de bouw van de gou­den stad.
De verrukkelijke tuin van het paradijs was een geschenk van de goden. Maar toen Adam ‘stevig op zijn voeten’ mocht gaan staan, kwamen zijn han­den vrij om te werken. Na de zondeval werd dat vermogen tot opdracht: ‘In het zweet uws aanschijns zult ge uw brood eten’. De aarde wacht op verlos­sing. Er wordt op ons gerekend.

Marieke Anschütz,  ‘Jonas’16, 4 april 1980

 

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

3e klas: heemkunde

 

129-124

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (18)

.

PASEN LOOPT NAAR DE MAAN

Door eeuwenlang geharrewar met kalenders bleef de paasdatum zweven

Terwijl Kerstmis al eeu­wenlang een vaste plaats heeft op de kalender, stelt Pa­sen ons elk jaar weer voor een verrassing. In totaal zijn er 35 data waarop Pasen kan vallen, en dit jaar* vindt Pasen op een van de vroegst moge­lijke dagen plaats.
Het ontbreken van een vaste datum voor het paasfeest heeft in de loop der tijden voor de no­dige hoofdbrekens en conflicten gezorgd. Maar eerst iets over het ontstaan van onze huidige kalender.

De basis hiervoor is gelegd door Julius Caesar, in de eerste eeuw voor Christus. Voordat Caesar zijn Juliaanse kalender invoerde, was de Romeinse ka­lender een behoorlijk rom­meltje. Het jaar telde 355 dagen, die waren verdeeld over twaalf maanden. Om in overeenstem­ming te blijven met de seizoenen werd elke twee jaar een extra maand van 22 of 23 dagen inge­voegd.

Omdat het aldus gevormde jaar nog steeds niet synchroon liep met het zonnejaar (de tijd waarin de aarde een volledige baan rond de zon beschrijft), ging deze kalender steeds meer uit de pas lopen met de jaarge­tijden.
Speciale functionarissen, de pontifices, hadden tot taak deze afwijkingen te corrigeren. Maar dit gebeurde met zoveel willekeur, dat er op den duur voor niemand meer een touw aan vast te knopen was.

Een verblijf in Egypte bracht Caesar op het juiste spoor. Hij raakte hier niet alleen onder be­koring van Cleopatra, maar ook van het kalendersysteem van de Egyptenaren, die een zuivere zonnekalender hanteerden. Cleo­patra schonk hij een kind en het kalendersysteem nam hij mee naar Rome.

Het jaar kreeg 365 dagen, ver­deeld over de twaalf maanden, op een wijze die we nu nog steeds kennen. Ook bepaalde Caesar dat eens per vier jaar een schrikkeldag moest worden ingevoerd om te corrigeren voor het feit dat een volledig zonne­jaar eigenlijk een kwart dag lan­ger duurt dan 365 dagen.
Er gingen enige decennia overheen voor het nieuwe kalen­dersysteem goed doorgedrongen was, maar omstreeks het begin van onze jaartelling waren de meeste plooien gladgestreken.

Joods feest
Terug naar de paasdatum nu. Pasen is van oorsprong het feest waarmee de Joden de uittocht uit Egypte herdenken. Hun paas­feest (Pesach) duurt een week en begint van oudsher op de veer­tiende van de maand nisan, de lentemaand.
Voor de Joden heeft Pesach dus een vaste plaats op de kalen­der. Maar vanuit onze kalender bekeken valt de veertiende nisan elk jaar op een andere datum. Dit komt doordat de Joden een maankalender hanteren; voor het begin van hun maanden gaan ze uit van de stand van de maan.

Met de komst van het chris­tendom kreeg het paasfeest een nieuwe inhoud. Voor de christe­nen werd het de gedachtenis aan de dood en verrijzenis van Jezus Christus. Al snel ontstond er me­ningsverschil over de vraag wanneer dit christelijke Pasen gevierd moest worden.

Voor de Joodse christenen was de keus niet zo moeilijk. Zij hielden veelal de veertiende ni­san aan, de dag van Jezus’ kruis­dood. De niet-Joodse christenen voelden er echter weinig voor om de datum van hun belang­rijkste feestdag te laten bepalen door de Joodse tijdrekening. Maar wanneer dan?

Nicea
Na een lange periode van he­vige conflicten over deze kwes­tie werd uiteindelijk in 325 na Chr. op het concilie van Nicea de strijdbijl begraven. De kerkva­ders besloten dat Pasen zou val­len op de eerste zondag na de eerste volle maan in de lente. Meestal betekent dit de eerste zondag na het joodse paasfeest; dit jaar* vindt het joodse paas­feest echter in april plaats.

Ook onze paasdatum is dus afhankelijk van de maanstand en dit veroorzaakt de grilligheid van de paasdatum. Op zijn vroegst valt Pasen op 22 maart, wat in 1919 voor het laatst is voorgekomen en pas in 2285 weer zal gebeuren. De uiterste datum is 25 april; dit was in 1943 het geval.

Maar nog waren alle proble­men niet opgelost. Dat zat hem in een subtiel foutje van de Ju­liaanse kalender. Volgens deze kalender duurt een jaar 365 en een kwart dag. Maar in werke­lijkheid is dit elf minuten korter. Dit had tot gevolg dat na verloop van tijd de Juliaanse kalender achterliep bij het ‘echte’ jaar. Elke vier eeuwen leverde een achterstand van drie dagen op.

Afwijking
Een dergelijke afwijking had natuurlijk ook consequenties voor de paasdatum. Doordat het begin van de lente op de Ju­liaanse kalender te laat kwam, zou Pasen op het verkeerde mo­ment kunnen vallen. Vele kerk­geleerden hebben hun tanden in dit probleem gezet, maar pas in de zestiende eeuw werd een op­lossing gevonden, die de reli­gieuze gevoeligheden voldoende tegemoetkwam.

Op last van paus Gregorius XIII werden in 1582 tien dagen weggestreept om zodoende de opgelopen achterstand in één keer goed te maken. Na 4 okto­ber 1582 volgde onmiddellijk 15 oktober. Door deze ingreep viel 21 maart 1583 weer op de juiste plek, waarmee ook het paasfeest weer op de goede datum terecht kwam.
Bovendien besloot Gregorius om per vier eeuwen drie schrikkeldagen af te schaffen. In de Gregoriaanse kalender zijn de eeuwjaren alleen schrikkeljaar als ze deelbaar zijn door vier­honderd, bijvoorbeeld 1600 of 2000. De andere eeuwjaren (1800, 1900,2100) zijn gewone jaren.
De geringe populariteit van het pausendom stond een vlotte invoering van deze hervormin­gen echter in de weg. Of zoals Kepler het uitdrukte: men was het liever oneens met de zon dan eens met de paus.

Oktoberrevolutie
In Nederland was pas in 1701 de Gregoriaanse kalender volle­dig ingevoerd. Rusland en Griekenland gingen pas in het begin van deze eeuw overstag. Om deze reden viel de oktoberrevo­lutie van 1917 volgens onze ka­lender op 7 november, terwijl het volgens de Juliaanse 25 okto­ber was.

De orthodoxe christenen in Rusland hanteren nog steeds de Juliaanse kalender. Zij vieren om deze reden Pasen dertien da­gen later dan de christenen in het westen.

Gezien het geharrewar rond de jaarlijkse paasdatum, is re­gelmatig geopperd om het voor­beeld van Kerstmis te volgen en ook voor Pasen een vaste datum af te spreken. Deze eeuw is dit punt meerdere malen aan de orde geweest, samen met de mo­gelijkheid om tot een nieuwe ka­lender te komen. Want ook tegen de Gregoriaanse kalender zijn nogal wat bezwaren in te bren­gen, met name economische.

De stap naar een andere ka­lender is tot nu toe steeds gestuit op verzet vanuit Rome die geen inbreuk willen op de zeven­daagse week. De aanvankelijk weerstand tegen een vaste paas­datum is in de loop van deze eeuw echter weggeëbd. Op het concilie van 1963 verklaarde de paus hiertegen geen bezwaar te hebben.
Omdat de kalenderhervor­ming in het slop is geraakt, is ook aan het paasfront weinig be­weging meer geweest. Voorlopig blijft Pasen dus naar de maan lopen.

pasen 20

De twintig vierkantjes bevatten de paasdagen voor de jaren 1175-1176. Onderin staan twee regels uit de kalender, met het begin van de maanden januari en februari. De paasdata zijn aangegeven door vertikale strepen, de feestdagen door een of twee dwarsstreepjes. Onder 1 jauari staat de letter a. De Romeinse cijfers duiden op zogeheten ‘gulden getallen’. De kalender stamt uit de Hortus deliciarum van Herrad van Landsberg.

.

Paul van Laare, ‘De Gelderlander’van 25 maart  *1989

.

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

128-123

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – JAARFEESTEN – Palmpasen (8)

.

PALMPASEN IN DE BETUWE

Met haantje op stok zingend langs de deur

De palmpaas eeuwenoud kindervermaak

TIEL – Palmzondag. In volle luister lacht het lentezonnetje de aarde toe. Er waait een zwoele wind, die het ontluikende groen aan de bomen zachtjes doet trillen. Onderwijl heerst er in de kerk een zekere vreugde. Het is namelijk de dag waarop de glo­rieuze intocht van Christus in Jeruzalem wordt herdacht. Gezeten op een ezel werd Christus destijds door een met palmen wuivende menigte feeste­lijk ingehaald. En dat kort voor zijn gevangenneming en kruisi­ging.

Het wordt die zondag opval­lend druk op straat. Her en der verschijnen kinderen met vrolijk versierde stokken in hun handen. Aan de stokken hangen appels, krentenbroodjes, vijgen en ge­kleurde eieren. Tussen dit spul prijken vlaggetjes en palmtakjes. En boven op de stok pronkt een fiere zwaan of haan van brood­deeg. Soms zitten er zowaar nog enige piepkleine zwaantjes op de rug van de vogel. De glinsterende krentenoogjes van het gevogelte blikken de kleine dragers onverpoosd aan. De feestelijk getooide stokken zijn alom bekend als palmpasens. Daags tevoren zijn vaders en moeders in de weer geweest met het optuigen van de stokken voor hun kroost. De bakker heeft zich uit de naad gewerkt om de grote vraag naar broodversieringen te kunnen bijbenen. Groot was de verrassing voor de kinderen toen ze op palmzondag ’s ochtends een fraai uitgedoste palmpaas voor hun bed aantroffen. Eenmaal op straat stapt het kroost zo trots als een pauw naar een oom of tante. Om daar ver­volgens een fooitje of wat lekkers te ontvangen. Na al die visites verenigen de kinderen zich. Twee aan twee lopen ze door het dorp. Krampachtig houden ze de palm­paas voor zich uit. Onderwijl klinkt voortdurend uit de kindermonden:

Palm, palmpasen,
Eikoerei!
Over een zondag dan krijgen wij een ei,
een ei is geen ei,
twee ei is een half ei,
drie ei is een paasei!

Al zingende trekt de jeugd naar het huis van de burgemeester of dat van de do­minee, waar zij wordt getracteerd op koekjes. Het hoogtepunt van de dag vindt echter bij thuis­komst plaats, als eindelijk de lek­kernijen uit de palmpaas soldaat kunnen worden gemaakt.

Dit alles was in de vorige eeuw grofweg het beeld van de palm-paasrondgangen in veel dorpen en stadjes. Populair was het kin­dervermaak ook in de Betuwe, ja zowel bij katholieken als bij pro­testanten. Al legden de laatsten bij het palmpaasgebruik wel te­rughoudendheid aan de dag. De palmpaas mag dan een ver­trouwde verschijning zijn, om­trent zijn oorsprong is nog veel onzeker. Als we de volkskundige Van de Graft mogen geloven, is de palmpaas uit christelijke en niet-christelijke elementen sa­mengesteld. Het begon allemaal met de palmprocessies. Al in de Middeleeuwen was het op veel plaatsen gebruikelijk om de in­tocht van Christus in Jeruzalem na te bootsen. Dikwijls werd dan in een processie een houten ezel, waarop een meestal uit hout ge­sneden Christusfiguur zat, mee­gevoerd. Tijdens die processie werden ook gewijde palmtakken gedragen. Geen echte palmtak­ken die waren er immers niet hier te lande maar takken van de buksboom. Gaandeweg nu werden die ‘palmtakken’ met een keur van lekkernijen behangen. Het ver­sierde palmgroen had daardoor veel weg van de meibomen die rond 1 mei overal werden ge­plant. Deze bomen of takken wer­den in bosrijke gebieden gekapt en met veel bombarie stad of dorp in gebracht. Dikwijls wer­den in de bomen eetwaren en groene kransen gehangen, waaraan vergulde eieren bungelden. Bovenop de bomen waren vaak ook nog vogels bevestigd. De op­geschikte meibomen werden van huis tot huis gedragen. Voor een fooitje konden de bewoners reke­nen op de beschuttende kracht van het meigroen. Eigenlijk ging achter de mei­bomen een diepe betekenis schuil. Het frisse groen, de eieren, de vo­gels en de vruchten vormden na­melijk symbolen van vruchtbaar­heid, ontkiemend leven en de len­te. Mettertijd moeten die mei­boomspullen zijn verhuisd naar de palmtak op palmzondag die bijgevolg werd omgetoverd tot een verkapt meiboompje. Als onderdeel van de palmpaas kregen de mei-attributen echter een zuiver christelijke betekenis. Ze gingen niet zozeer ontwakend leven als wel de opstanding van Christus symboliseren. Zo ook versmolt de onheilwerende kracht van het meigroen in het volksgeloof met de goddelijke be­scherming die de gewijde palm­takken bood. De oude palmprocessies raak­ten na de Reformatie in onbruik. Maar wat bleef waren de  paasoptochten die gaandeweg verwerden tot een kindervermaak. Pas in de vorige eeuw begon deze kinderpret uit te doven. En rond de eeuwwisseling was het palmpaasgebruik op tal van plaatsen al als een nachtkaars uitgegaan. Zo bakte de bakker van Doornenburg destijds tegen palmzondag nog wel broodvogels. Maar de broodhaantjes werden niet meer op een stok gestoken,  maar gewoon als feestbrood gepeuzeld. Ongetwijfeld was modernisme van de vorige eeuw debet aan deze teloorgang. Gelukkig werd er rond 1906 hier en daar nog met de versierde stokken rondgegaan. De volkskundige Van de Graft ontdekte dat daarbij grote verschillen in de uitdossing voorkwamen. Aan de palmpaasjes in Bemmel bijvoorbeeld trok de broodhaan de meeste aandacht. Terwijl in Huissen, Tiel en Culemborg een krans van brood het markantste onderdeel van de stok vormde. Het zal met die palmpasens net zo zijn geweest als met andere tradities: door hun geïso­leerde ligging ontwikkelden veel streken eigen kenmerken. Van de Graft beweerde dat de broodkrans in Huissen horizon­taal aan de stok werd geregen. Deze bevindingen stroken met uitlatingen van oude Huissenaren over de palmpaasuitdossingen van begin deze eeuw. Meermalen onthulden ze dat de broodkrans plat op een viertal uitlopers van een gespleten stok op de tanden werd gestoken. Zo’n stok was dik­wijls een sterke, blank geschilde tak van wilgenhout, geleverd door een plaatselijke mandenmaker. Met zorg werd op elk van de vier tanden die door de brood­krans heen staken een haantje ge­zet. En op het staartje van iedere vogel werd een palmtakje ge­plant. Verder werd de palmpaas nog getooid met een sinaasappel en met slingers met suikereitjes. Iemand wist overigens nog te vertellen dat het kroost met de palmpaasjes zingend de deuren afliep. In de meegenomen busjes werden de fooien gestopt, nu eens een stuiver, dan weer een cent of een halfje. Lang niet overal waren de palmpasens indertijd rijk ver­sierd. In Andelst bleken, naar ver­luidt, sommige kinderen slechts met een broodhaantje op de stok rond te gaan. De ongeschilde, povertjes ogende stok was van een wilg afgezaagd. Op de staart en de kop van het haantje prijkte een gewijd palmtakje. Het sobere uiterlijk van de palmpaas was in de Betuwe veelal een gevolg van gebrek aan geld. Vooral kinder­rijke arbeidersgezinnen konden het snoepgoed en de vruchten niet bekostigen. Vaak was de armoe zo groot dat zelfs een sobere palmpaas uit den boze was. Hoewel het palmpaasgebruik begin deze eeuw een kwijnend be­staan leidde, kon het voor totale ondergang worden behoed. Oude­ren namen later op palmzondag het voortouw. Her en der werden door hen voor de jeugd palmpaasoptochten opgezet. Let wel zon­der gebedel en gezang. Maar wel met fanfares en prijzen voor de mooist versierde stokken. Aldus ging het palmpaasvermaak na de Tweede Wereldoorlog weer fu­rore maken. Zo liepen op palmzondag 1956 in Elst, Huissen, Haalderen en Tiel honderden kinderen in een lange stoet door hun woonplaats. Met het jaar werd het voor de ju­ryleden moeilijker de fraaiste stokken aan te wijzen. De feeste­lijke rondgangen werden toen trouwens op touw gezet door ka­tholieken. Maar met folklore gaat het dikwijls op en af. Stilaan begon de belangstelling voor de palmpaas weer af te nemen. Sinds de jaren tachtig is de animo voor het oude vermaak echter weer flink aan het toenemen. In verschillende plaatsen worden (weer) optoch­ten gehouden. Initiatiefnemers zijn ditmaal peuterleidsters, buurt-, wijk- en dorpsverenigin­gen en zelfs een Oranjecomité. Zo kunnen vandaag kinderen in Tiel haantjes pik maken en deelne­men aan een optocht door de bin­nenstad. Ook in Opheusden houdt de buurtvereniging Opheusden-Zuid een optocht.

pasen 19 in april 1951 trekken honderden kinderen met palmpasenstokken door Tiel. Hier een beeld van de stoet in de Tweede Achterstraat

Ferdinand van Hemmes. ‘De Gelderlander’, 23 maart 1991

 

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

127-122

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (17)

.

HET MYSTERIE VAN PASEN

Fit zijn, dat is de lijfspreuk van miljoe­nen. Wij moeten en willen gezond zijn. Als je maar vitaal blijft! Professor J.H. van den Berg zegt in zijn Metabletica over deze vitaliteit:
‘Wel rijst de (vervelende) vraag, wat het doel is van het nagejaagde vitale le­ven. Kon ook dat gezegd worden, dan was de inspanning bekroond. Doch op deze vraag ontbreekt het antwoord, zelfs principieel, omdat de gezochte vitaliteit doel in zichzelf is. Wie vitaal is, gezond, krachtig en levenslustig, heeft alles bereikt. Hij kan niet verder. Hij mag nog creatief zijn, nodig is dat niet. Het is eigenlijk overbodig en daardoor ook storend. Zo ziet het lichaam er ook uit: het is gebruind om bruin te zijn, vitaal om vitaal te zijn. Er reikt niets boven uit’.
Toch is er wel een onverwacht antwoord op deze vraag: het mysterie van Pasen.
Van den Berg spreekt uitsluitend over de lichamelijke vitaliteit, maar het doel daarvan is de geestelijke vita­liteit.
Steeds meer komt er – óók bij miljoenen -de vraag op: is er niet méér te doen in die weinige jaren tussen geboorte en dood? Waarom zijn wij eigenlijk op deze wereld? Is er geen vitaliteit, geen levenskracht, die ver­der reikt dan dit aardse leven?
Wij zien de zon ondergaan, maar wij weten dat zij weer op zal komen. Wij zien de planten verwelken, maar weten dat er nieuwe planten zullen gaan groeien. Wij zien het winter worden met sneeuw en ijs, maar weten dat eens de dooi weer zal invallen en dat het eens weer lente wordt. Is die vitaliteit dan niets anders dan een sterven en geboren worden, een inslapen en wakker worden,…totdat er geen wakker worden meer bij is?De keren dat je dit in verschillende bewoordingen hebt gehoord, gelezen of gedacht, heb je niet geteld. Maar de vraag is misschien ook nog nooit werkelijk helemaal tot je doorgedrongen: is er iets waaraan geen einde komt? De consequenties van deze vraag heb je misschien nog nooit volledig be­seft. Hoe komt dat? Je hebt de grens bereikt van je hersendenken. Het eindeloze kan de mens met z’n eindige hersenapparaat niet be­reiken. Dan slaat het dicht. Dan wordt alles zwart: niets! Dan komt er op mijn calculator een e. De e van error, vergissing. Of is het de e van eindeloos? Als de mens alleen maar zijn hersens had om na te denken en tot zichzelf te komen, dan was een eindeloos mens, in de hemel of waar dan ook, een ver­gissing. Een eindeloze vergissing is onmoge­lijk. De mens is niet eindeloos en hij is ook geen vergissing.De wijsgeer Kant bewees van tien stellingen zowel de stelling als haar tegendeel. Bijvoor­beeld: ruimte is eindig, én: de ruimte is on­eindig. Daaruit trok hij de conclusie, dat ons denken geen werkelijkheidskarakter heeft.
Maar zó is het niet, zegt Rudolf Steiner. Hij wijst erop, dat in al die tien stellingen het be­grip ‘oneindig’ voorkomt en dat is nu juist de grens van ons denken, voorzover het aan de hersenen gebonden is. Ook de wiskunde bereikt haar grens in het oneindige. Bijvoorbeeld: twee evenwijdige lijnen snijden elkaar in het oneindige. Zijn zij daar dan niet meer evenwijdig? Of: er is een oneindige reeks gewone getallen denkbaar: 1,2,3,4,5,6,7, enzovoort, maar ook een on­eindige reeks even getallen: 2,4,6,8,10,1 2,14 enzovoort. Nu zijn er toch twee maal zoveel gewone getallen als er even getallen zijn, nietwaar? Maar een oneindige reeks kan toch niet twee maal groter zijn dan een andere? Oneindig is oneindig. Minder dan oneindig is niet oneindig en meer dan oneindig is een contradictie in zich. Eindeloos is niet te den­ken. Hier zijn wij aan de grens van het hersengebied.
Een mens is ook geen vergissing. Hoe kan een vader tegen z’n kind zeggen, dat het een vergissing, een ongelukje was? Iets wat ik helaas meerdere malen heb mee­gemaakt. Omdat de vader alleen maar denkt aan de stoffelijke, lichamelijke, en dus eindi­ge bevruchting en geen besef heeft van de conceptie (in het Nederlands ‘ontvangenis’) van een eeuwig wezen.
Tegenwoordig zijn de mensen van mening, dat hun gedachten door hun hersens worden voortgebracht. Dat is bijna net zo vernuftig als te menen dat het water, als ik een glas wa­ter drink, uit m’n tong komt en niet van bui­tenaf. Onze hersens brengen evenmin gedach­ten voort als mijn calculator op eigen initia­tief gaat rekenen. Net zo min als een compu­ter zonder input, zonder software, iets kan presteren.Ons orgaan is alleen maar een vat, waarin wij met ons ik gedachten gieten, die wij vanuit de wereld om ons heen hebben geschept. Levende en vitale gedachten zijn als werken­de krachten in de gehele wereld aanwezig, onzichtbaar en ontelbaar. En de mens schept ze uit die onzichtbare wereld en giet ze in zijn eigen ziel. Maar doordat ons zielevat in de tegenwoordige tijd een apparaat is ge­worden, dat vrijwel uitsluitend werkt met zintuiglijke en vergankelijke voorstellingen, verschralen de gedachten erin en worden ze dood, abstract.Deze vergissing, dat onze hersens gedachten kunnen scheppen, kan ons echter slechts ge­durende ons leven op aarde overkomen. Voordat wij op aarde ontvangen worden, we­ten wij dat een levende gedachtenwereld al­les vervult om ons heen, zoals in ons aardeleven de lucht ons omhult en doordringt. Het abstracte denken van heden ten dage is een dode rest van wat wij vóór onze ont­vangenis aan vitale gedachtenkrachten om ons heen en in ons hadden. Zo is de eeuwigheid voor de aardemens tot eindeloosheid gewor­den. De eeuwigheid der onzichtbare wereld, die vol concrete beweging, vol wording en ontwikkeling is, stierf in de abstractie van een eindeloze herhaling.
De zon komt hier op, de zon gaat hier onder. Wat beleven wij nog van dat onnoemelijke wonder dat, geestelijk gezien, het zonnewezen de hele aarde doordringt, omhult en le­ven doet? Zouden wij nog in een toestand zijn, waarin, zoals bij vele mensen vóór 1500, zulk een belevenis in haar volle hevigheid over ons zou kunnen komen, dan zouden wij ons volkomen gedreven voelen door onzicht­bare krachten, maar wij zouden het ons nooit geheel bewust kunnen worden. Dat de mens vrij kon worden om zichzelf te zijn en zelf te gaan denken, dankt hij aan het feit dat hij uit vrije wil gedachten kan opnemen en als dode gedachten in zijn denken kan gie­ten. Wij danken ons vrije bewustzijn juist aan het doodsproces van ons denken. Het abstrac­te denken brengt ons echter niet over de drempel van de onzichtbare wereld. Het denken brengt ons slechts aan de grens van het land dat wij met een abstract woord ‘on­eindig’ noemen.Wij hebben voor het land, dat buiten het bereik van het zintuiglijk denken ligt, een heel ander begrip nodig. Wij noemen het ‘eeuwig’.
Christelijk gesproken heet het: in God. Het is daar, waar alle tellen ophoudt, daar, waar de tijd in zijn opeenvolging van het een na het ander er niet meer is. In God is geen begin en geen einde. Daar begint de opstanding uit de vergankelijkheid, daar overwint het werkelijke leven het niets van de dood, daar zegeviert het hemelse licht over de aardse duisternis, daar begint het feest van Pasen.
Het is ons bewustzijn, dat ons kan binnenleiden in dat eeuwige land. Want het vrije bewustzijn van de mens wordt veroorzaakt door het eeuwige in de mens: het ik dat geschapen is naar Gods beeld en gelijkenis en dus goddelijk is. Vóór zijn conceptie ziet de mens nog vanuit de wijde kosmos de goddelijkheid van de geestelijke zon, naar de mate van het bewust­zijn, dat zijn ik heeft kunnen ontwikkelen. Nadat hij in de fysieke wereld is ontvangen en op aarde geboren werd, wordt de zon voor hem steeds meer tot een samenballing van atoomexplosies, een warmtebron, die slechts het fysieke leven in stand houdt. Het vóórgeboortelijke wordt vergeten. Het eeuw­ige godswezen is voor zijn aan het lichaam gebonden verstand meer en meer onbereik­baar geworden. Vreugde en leed, geluk en ongeluk, tijdelijke gebeurtenissen, talloze vergankelijke dingen begeleiden de mens op zijn weg naar een uiteindelijke dood. Het denken zoekt naar het oneindige, maar kan het niet bereiken. Dat geldt in meerdere of mindere mate voor ieder mens op aarde. Vol angst verzet ons hart zich ertegen, maar toch kan ons starre verstand ons niets anders voor­spellen dan een onontkoombare ondergang, een definitieve afsluiting, het einde van ons bestaan: de dood.

Hoe kan ons bewustzijn nog levende gedachten scheppen uit de geestelijke wereld om ons heen? Scheppende gedachten, die ons ik bewust kunnen doen voortbe­staan voorbij de poort van de dood. Hoe kan ons goddelijke, eeuwige wezen hier op deze eindige aarde zijn oorsprong weer terugvin­den? Ons bewustzijn komt met abstracte ge­dachten niet verder dan de drempel. Daar­mee kunnen wij God nooit bereiken. Wel zegt ons de stem van ons hart, wanneer wij ernaar willen luisteren, dat wij voor een be­ter leven zijn geboren. Maar is dat geen mooie wensdroom, geen illusie? Door de verstarring van zijn denken, door de chaos in zijn voelen en door de zwakte van zijn willen zal het de mens nooit gelukken om uit zichzelf te komen in het rijk van zijn Vader, die in de hemel, in de buitenzintuig­lijke wereld is. Hoe kan iemand zichzelf aan z’n haren uit het moeras trekken?
Toch is het voor de mensenziel, in zoverre zij behoort tot de wereld van het vóóraardse le­ven, noodzakelijk dat zij gaat inzien dat zij eigenlijk niet kan sterven. Haar gevoel komt ertegen in opstand en zij wil het niet…

Voor de mens is de eeuwigheid der gees­telijke wereld onbereikbaar geworden. Hij ziet zijn onvergankelijke, goddelijke we­zen verloren gaan. Hij kan God niet meer te­rugvinden. Daarom vindt de geweldige ge­beurtenis aller gebeurtenissen plaats, de om­mekeer in de mensheidsontwikkeling op aar­de: het mysterie van Golgotha. Dat vieren wij op Pasen: de opstanding van Christus, de overwinning van Christus op de dood. Een God wordt mens. Een God daalt af in een menselijk lichaam.
Als wij willen, dan kunnen wij dat enorme moment van geluk en vrede inzien. Wij herdenken het van Kerst­mis tot Driekoningen. Het geheim van de goede wil.

Dan begeleidt de mens geworden God, Chris­tus, ons verder vanaf onze eigen conceptie, zodra wij ons in Hem herboren weten, door ons hele aardeleven. Hij geleidt ons als God én mens, door zijn leven op aarde, dat tevens een herscheppend kosmisch leven is, steeds verder op onze weg naar de dood. Terwijl ons contact met ons vooraardse bestaan door ons stervend denken steeds onmogelijker wordt, leidt Christus ons, vrijwillig, van on­schuldig kind-zijn naar bewuste volwassen­heid. Het is de weg, die vele sprookjes be­schrijven. Het is de unieke biografie van ie­der mens. Ons toevertrouwen aan een mens, hoe geestelijk ver gevorderd hij ook mag zijn, zou ons doen afdwalen van die weg. Christus schonk zich aan de mensheid en daarmee schonk Hij haar een begrip voor dat wat in haar eigen bewustzijn niet meer leven kon. Want evenals ieder mens ging Christus door de dood. Maar als God kon Hij de ziele-dood overwinnen, omdat een God niet ster­ven kan. En als God zal Hij aan iedereen, die Zijn leven brengende kracht in zich kan voe­len, het vermogen geven om met levende ziel door de poort van de dood te gaan en steeds bewuster het land van het eeuwige leven te betreden.
Dat is het mysterie van Pasen. Dank zij Christus’ offerdaad op Golgotha kan de mens eeuwig vitaal, dat wil zeggen ‘le­venskrachtig’, zijn en geestelijk steeds levens­krachtiger worden.

Slechts in het licht van die gebeurtenis krijgt alle strijd, ellende en leed hier op aarde zin. Om steeds krachtiger te kunnen worden in het geestelijk leven, daartoe ko­men wij steeds weer op deze aarde. Zo zal ook ons denken weer levend en schep­pend kunnen worden door de kracht van de Geest die Hij ons zendt.
Dat is het feest van Pinksteren, het feest van de Heilige Schepper-Geest.

De antroposofie heeft evenals het christelijk geloof, dat zij niet wil verdringen, maar ver­diepen en versterken, haar hoogtepunt in de vitaliteit van de lentezon, die opkomt in de vroege morgen van Pasen.

.

Henk Sweers , ‘Jonas’ 16 29 maart 1985

 

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

 

126-121

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – lichaamsoriëntatie

.

LICHAAMSORIËNTATIE

 

MENSKUNDIGE ACHTERGRONDEN

 

ONTWIKKELING BABY-SCHOOLKIND
De ontwikkeling van een baby naar een schoolkind omvat vele aspecten. Opvallend is wel dat alles in het teken van groei lijkt te staan.
Het kind verdubbelt in 7! à 8 jaar drie maal zijn lichaamsgewicht.
Met die groei gaat ook in de meeste gevallen een steeds grotere behoefte aan beweging gepaard. Als we beide onder één noemer willen brengen, past daar vooral het woord: leven.
DOEN!

Steeds meer en vaker wil het kind “het zelluf” doen.
Het wil klimmen en klauteren en …..wordt steeds behendiger
.
En daar duikt het woord “hand” weer op.

Het kind wordt steeds handiger, ook in de voeten. Die ontwikkeling zet eigenlijk al in als het kind zijn hoofd begint op te tillen.
Déze ontwikkling lijkt vooral een weg te gaan van boven naar beneden.

In Steiners optiek “IS” de mens zijn lichaam niet; hij “HEEFT” een lichaam.

De baby
Wie naar het allerkleinste kind kijkt en de beentjes met de voetjes een totaal eigen bewegingsleven ziet leiden, kan tot de gedachte komen dat het lijkt of die voetjes en beentjes er nog helemaal niet bij horen; er zit nog geen enkele beheersing in.

Langzaam maar zeker echter, wordt het kind zijn ledematen meester; het raakt “thuis” in zijn lichaam, het incarneert.

Die uitdrukking “thuis in het lichaam” is in deze tijd zo vreemd niet meer, nu we weten dat er mensen zijn die zich ongelukkig in/met hun lichaam voelen.

De kleuter
Het proces van “in het lichaam groeien” voltrekt zich voor een groot deel in de kleutertijd, maar ook daarna gaat dit door; ook in de puberteit moet het uit verhouding gegroeide lichaam opnieuw in harmonie komen met degene die het bewoont.

De vrijeschoolpedagogie wil kinderen daar waar het kan, helpen bij het proces van thuisraken op de wereld; ook in het eigen lichaam.

Kleuterklas
De kleuterklas is daartoe ingericht en is een zichtbaar geworden plaats waar het kind de mogelijkheid wordt geboden om het proces van aardser en aardser worden dat het als natuurlijk vermogen heeft meegekregen toen het op aarde kwam, te oefenen: IN HET SPELEN!

Spel is de opvoeder van het lichaam
Want juist het spel is de eigenlijke “opvoeder” van het lichaam. En als je ziet met wat een graagte en met hoeveel overgave een kind speelt, ben je geneigd te zeggen: het spel is de “voeder”, het “voedsel” voor het jonge kind.

1e klas
Ook in de eerste klas wordt de behendigheid met het lichaam geoefend; eveneens in spel, maar met nog een bijzonder soort oefening: de lichaamsoriëntatie, ook wel lichaamsgeografie genoemd.

Bij de lichaamsoriëntatie moet het kind direct uit het begrip handelen:
“pak met je rechterhand je linker schouder;
wijs met je linker wijsvinger je linkerknie aan.” Enz, enz.
“Beschrijf een cirkel met je rechterhand om je linkerhand; beschrijf 2 cirkels, met de ene hand naar de ene kant en met de andere hand naar de andere kant.” Enz.

Waarbij het tempo steeds verder wordt opgevoerd.

En passant leert het kind veel lichaamsdelen kennen: wreef, scheen, dij enz.

4e klas
Ook in de 4e klas gebruikte ik deze oefening om het kind te leren zich te oriënteren o.a. in de windrichtingen:

In de aardrijkskundeperiode hadden we een levensgroot “kompas” gemaakt van touw, boven ons hoofd, van muur tot muur. Aan de 8 touwen hingen kaarten met de namen: noordoost, zuidwest, noord enz.
Door eerst vast te stellen waar ’s morgens de zon te zien was, bepaalden we het oosten.
De kinderen wisten op den duur waar het noorden enz. was.

“Ga met je linkerschouder naar het zuidwesten staan; met je rug naar het noord-noordoosten”. Enz.

voor meer: aardrijkskunde klas 4

Tijdens de rekenperiode breuken kon het ook:
de kinderen staan in een cirkel of vierkant. In het midden daarvan ligt een doek, o.i.d. De opdracht aan een kind: “loop zo (vanaf je plaats op de cirkelrand naar het middelpunt) dat je aan je linkerhand 5/8 hebt.” Enz.

6e klas
Zelfs in klas 6 waren er nog mogelijkheden:
Tijdens de meetkundeperiode, ook staand in cirkel of vierkant: “loop zo, dat je aan je rechterhand een stompe hoek hebt”. Enz.

vormtekenen
Voordat deze vormtekeningen op papier komen, is de vorm door de leerkracht “in de lucht” aan de kinderen voorgedaan. Zij hebben in het begin dus geen concrete vorm voor zich, want het “spoor door de lucht” blijft niet. De kinderen moeten dus heel intensief waarnemen. Het wordt nog een paar maal voorgedaan; wie niet zeker is, mag even meedoen met de leerkracht, maar moet het dan toch weer zonder voorbeeld stellen. Uiteindelijk is het beeld verinnerlijkt: het is een voorstelling geworden.
Deze voorstelling wordt nu op papier getekend-grote vellen; sommige kinderen die motorisch meer hulp nodig hebben, maken de tekening bijv. met een nat sponsje op het bord; of als het weer het toelaat: in de zandbak kun je ook goed tekenen.
Maar uiteindelijk moet de tekening “van grof naar fijn” ook in een schriftje terecht (kunnen) komen.

Hier staat beschreven hoe sommige hersenonderzoekers al dit soort oefeningen zien.

In de bovenbeschreven oefeningen gaat het om:
het harmoniseren van “de bovenmens” (het geest/zielewezen) met de “benedenmens” (lichamelijk wezen).

Dit alles is maar een kleine greep uit het arsenaal dat de vrijeschoolleerkracht ten dienste staat om ‘boven met onder’ te verbinden.

.

Bewegen     pittenzakjes   handschaduwbeelden    hinkelen

Spel: alle artikelen

Zintuigen: alle artikelen

Heb je ook voorbeelden die hier bijpassen, mail ze naar
pieterhawitvliet(voeg toe)gmail(punt)com

 

125-120

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (16)

.

DICHTER BIJ PASEN

‘Ik ben het afgelopen jaar voor het eerst een beetje bewust met de jaarfeesten bezig. Ik heb ze altijd gevierd, maar nu probeer ik er anders mee om te gaan. Waar ik mee in de knoop kom is dit. Ik heb gehoord dat oude natuurfeesten, feesten uit de voorchristelijke tijd, samenvallen met de christelijke feesten. Hoe voeg je dat nou bij elkaar?

Bij het paasfeest is dat heel duidelijk: er is de dood en de opstanding van Christus en er is het lentefeest. Ik vind het ontzettend moei­lijk die twee gegevens samen te voegen. Hoe kun je je er een beeld van vormen? Zo, dat ik meer beleef aan de paashaas en de eieren, dan vroeger, toen ik er ook plezier aan gehad heb. Alleen het weten dat een haas zich op­offert en het ei een beeld is voor een nieuwe levenskiem, is toch niet het specifieke van het paasfeest?

De lente, de haas en de eieren die waren er ook al voor het gebeuren op Golgotha. Daarna is het voor de mensen anders gewor­den.’

‘Wat jij zegt is voor mij in het paasfeest toch al erg belangrijk.

Met jonge kinderen begin je met beschilder­de eieren, de paashaas en de uitlopende na­tuur, meer het lentefeest dus, terwijl ik nu met grotere kinderen en ook voor mezelf, het christelijk element erbij zoek.’

‘Als de kinderen groter worden is het lente­feest ze ook niet meer genoeg, dat voel ik best. Ze doen nog wel mee, maar meer voor elkaar en ook omdat het zo gezellig is om te doen. We hebben vorig jaar voor het eerst, de jongste was toen acht, niet meer in het ge­heim de eieren beschilderd en verstopt. Met z’n allen hebben we eieren beschilderd en de volgende morgen mocht iedereen, de jongste het eerst, een ei kiezen. Niet iedereen kreeg z’n eigen ei, maar je koos het ei dat je mooi vond. Dat had iets heel nieuws. Maar hoe je nu voor jezelf beelden vindt die er inhoud aan kunnen geven?’

‘Ik word zelf erg geholpen door de mensenwijdingsdienst van de Christengemeenschap. Een deel van de teksten past in de tijd van het jaar. Ik merk dat ik aan wat daar gespro­ken wordt veel heb.’

‘Hoe lang voor Pasen begint dat?’

‘Vier weken, ’t Is eigenlijk net zo’n voorbe­reiding als met de advent, dan bereid je je ook vier weken op kerstfeest voor.’

‘Maar dat is toch feitelijk wat vasten voor pasen is? Vanaf carnaval, vanaf Aswoensdag, veertig dagen.’

‘Als ik van jullie hoor dat jullie het christe­lijke element zoeken in het lentefeest, dan ligt het bij mij omgekeerd. Ik heb meer het christelijke feest in mijn jeugd mee gekregen: met Aswoensdag een kruisje halen en het vastentrommeltje daarna. Wat jullie vertellen over het lentefeest, eieren verstoppen en be­schilderen, dat ken ik van vroeger niet.’

Goede Vrijdag

‘Heb je nu houvast aan de dingen die je van­uit de katholieke traditie meegekregen hebt?’

‘Nou carnaval werd bij ons in Amsterdam niet gevierd, als kind ging je in zoiets als de vas­ten gewoon mee. Je deed de snoepjes en de koekjes gewoon in het trommeltje. Dat werd gedaan, er werd niet over gesproken.’

‘Wat wel een enorme indruk op me maakte, was de paaswake, de mis in de nacht van za­terdag op zondag. Terwijl de kerk helemaal donker was, stak iedereen bij de priester te beginnen, één voor één zijn kaars aan, tot er een zee van licht was. Ook het bidden op Goede Vrijdag, ’s midddags op de tijd van de kruisiging, heeft toen indruk op me gemaakt. Ik merkte later toen we naar de Matthäuspassion gingen, dat die stemming weer op­nieuw naar boven kwam. Hoewel vooral het vasten en de kruisiging, als kind indruk op me hebben gemaakt, meer dan de opstanding.’

‘Dat is toch wel gek eigenlijk, dat je de dood en de kruisiging meer mee beleeft dan de opstanding.’

‘Ik geloof dat je daar – bij de kruisiging — ook niet zou moeten blijven staan. Hoe kom je zover dat je ook tot de opstanding komt?’

‘Als je iets van het opstandingsproces zou willen beleven, moet je niet bij de dood blij­ven staan. Het is niet het lijden op zich dat belangrijk is, maar door het offer van het lij­den is de opstanding mogelijk gemaakt. Dan kun je het christuswezen ontmoeten, door de opstanding juist.’

‘Ik vind het moeilijk te bevatten wat dat is.’

‘Misschien ben ik lui en stel ik niet zulke hoge eisen aan mezelf, maar ik heb het ge­voel dat je dat ook niet kunt eisen, als je net over zulke dingen begint na te denken. En na één avond praten kun je ook niet weten hoe het moet, maar misschien kun je kijken, wat je moet doen om een weg te vinden. Wat zijn ervaringen waar je het opstandingsproces wel aan beleeft?’

Stille Zaterdag
‘Vorig jaar hoorde ik dat iemand vertelde over stille zaterdag, die merkwaardige dag tussen Goede Vrijdag en paaszondag. Als je erop gaat letten, is dat een hele spannende en afwachtende dag.’

‘Ja, heb je dan zo’n dag in de gaten of vul je hem gewoon met boodschappen doen?’ ‘Maar soms moet je op zo’n dag wel allerlei klussen doen!’

‘Dan zou je toch een moment er bij stil kunnen staan, dat zo’n dag anders is, ergens door opvalt.’

‘Jawel, maar al die drukte, al dat gehol om alles klaar te krijgen, leidt soms zo af!’

‘Maar dan wordt toch juist erg aan je bewustzijn geappelleerd, zo’n moment van rust en bezinning juist in de gaten te hebben. Wat je vertelde over het naar de kerk gaan op Goede Vrijdag om te bidden, dat werd vroeger gedaan, en nu doe je dat misschien niet meer, maar is het juist nu niet aan de orde dat je zélf momenten in de paastijd kiest waar op je bewust probeert ermee bezig te zijn?’

‘Ik moest laatst aan een mogelijkheid om paasfeest te beleven, denken, toen ik iemand hoorde vertellen, dat het heel opvallend is dat planten in het voorjaar tegen de zwaartekracht in gaan. In de herfst gaat de plant met de zwaartekracht mee. ’t Lijkt zo doodgewoon dat alle bloemen weer te voorschijn komen, tot je je realiseert wat er eigenlijk gebeurt, dan is het de moeite waard daar extra op te letten.’

“t Gekke is, dat je het al jaren gezien hebt en het ook best weet, maar pas als je het zo hoort, kun je er een opstandingsproces in herkennen.’

‘Je bedoelt dat je door het waarnemen van planten, dat mee zou kunnen beleven?’

‘Er zijn in de natuur natuurlijk meer dingen om op te letten. Je zat net zo omhoog te wijzen en daardoor dacht ik aan de zon en de maan. Je kunt in het voorjaar zien dat de zon steeds hoger aan de hemel komt en steeds warmer wordt. Als je naar de maan kijkt, tot hij helemaal vol is en de zondag daarna is het Pasen.’

‘De lucht is ook zo nieuw in de lente. Dat proef je gewoon, je ademt het in. Dat vind ik zo indrukwekkend, zelfs in de stad merk je dat.’

‘De planten, de lucht, de zon en de maan, als je op de processen daarvan let, zou dat je dan dichter bij het paasfeest brengen?’

‘Dan ben je wel alleen gevoelsmatig bezig!’

‘Nee, het gaat om het waarnemen, als je dat intensief doet, kun je het geluk hebben iets te zien wat er allang is, maar wat je daarvoor nog niet zo kende. Het spreekt dan anders tot je. Opeens ga je echt zien, dat planten die net uit de grond komen, inderdaad tegen de zwaartekracht in groeien. Als je dat regelma­tig oefent, zie je dingen die je nooit opvielen, en vandaaruit ga je er iets aan beleven. Dan zit je natuurlijk in het gevoel. Misschien kun je dat niet onder woorden brengen, maar blijft het een innerlijk beleven, waardoor je iets dichter bij het paasfeest komt. Wij heb­ben eens een zomer een tijdlang elke avond opgeschreven, wat er voor licht was ge­weest. Dan geef je je indrukken in woorden weer; daardoor heb ik geleerd anders naar de lucht en het licht te kijken. Maar als jullie nu zeggen: vertel eens iets over licht en lucht, dan zou ik dat niet kunnen. Tegen de tijd dat ik daar woorden voor heb, zijn m’n kin­deren al het huis uit!
Ik vraag me dus af of die dingen geen proces zijn. Ik kom nu niet direct zover, maar ik ben er mee bezig en daaraan heb ik ook deze Pasen wat. Begrijp je?’

‘En dat is voor jou voldoende, om wat verder te komen in dat proces, wat je een stukje dichter bij het paasfeest brengt?’

‘Daar ben ik best tevreden mee, als ik er van­uit mijn gevoel een verhouding toe krijg, iets proef aan de lucht, aan alles wat uitloopt. Ik krijg daardoor iets geschonken, waarmee ik het paasfeest beleef.
Als je me vraagt, wat is er dan precies ge­beurt, dan kan ik je er niets over zeggen. Al zou ik het wel willen, het lukt niet. Ook niet als ik deze lente heel intensief bijv. het uitlo­pen van planten waar zou nemen. Ik geloof niet dat ik aan jullie dan iets interessants zou kunnen vertellen. Alleen zo van: eerst is het heel klein, dan wat groter en wat kleur erbij en dan zeggen jullie: ach, ach, worden de knoppen groter? Ja leuk, dat wisten we al­lang!’

‘Nee, ’t gaat om jouw beleven, wat jij eraan hebt.’

‘Maar wat ik me dan afvraag is dit: temidden van het lentegebeuren, afhankelijk van de stand van de zon en de maan is het Pasen. Pasen is nog iets meer dan alleen de natuur in de lente, al neem je daar ook het opstan­dingsproces in waar. Ik heb behoefte eraan tot het christelijke een verhouding te zoe­ken.’

‘Gaat het er niet om iets te horen of te zien, waardoor je weet dat je paasfeest kunt vie­ren? Je moet er wel naar zoeken…’

‘Dat ligt voor ieder anders, je leest een voor­dracht over Pasen van Rudolf Steiner, je luis­tert naar de Matthäuspassion, je beleeft iets aan de natuur…’

‘Of je gaat naar de mensenwijdingsdienst…’

‘Ja, dat is het. Ik heb naast het waarnemen van de natuur, de zon en de maan, ook behoefte er innerlijk mee bezig te zijn.’

‘Misschien is de traditie een goede leermees­ter. Vroeger werden die feesten vanzelfspre­kend gevierd, nu moet je er als volwassenen zelf iets mee doen. Als je aan zo iets als stille zaterdag ruimte wil geven, kun je er met je planning rekening mee houden. Je kunt op zo’n dag iets lezen of aan de kinderen een verhaal vertellen; in Russische sprookjes komt vaak een opstandingsproces voor, dat zijn prachtige verhalen.’

‘Heb jij je kinderen het verhaal van de kruisi­ging en de opstanding weleens verteld?’

‘Ik heb vorig jaar voor het eerst over de op­standing voorgelezen uit de Bijbel. Ik had het een paar dagen voorbereid door het zelf te lezen. Ik moet zeggen dat ik het indrukwek­kend vond, ze waren heel stil, terwijl we ’s morgens aan de paastafel zaten. Voor jon­gere kinderen geef je in paasverhalen eigen­lijk beelden voor de opstanding, de overwin­ning op de dood, en daar kun je bij aankno­pen als ze oud genoeg zijn om het verhaal uit het evangelie te horen. Als je het niet aan je kinderen voorleest kun je het voor je zelf doen.’

‘Wat die traditie betreft, als je daaruit ge­groeid bent of als je het niet gekend hebt, dan moet je nu je eigen vorm vinden.’ Ik weet wat ik ga doen! Wat ik ontzettend moeilijk vind, ik ga vasten! De koekjes bij de koffie en de thee, je raakt met de kinderen thuis in zo’n vaste traditie: één koekje bij de thee, één koekje bij de koffie. Dat éne koek­je daar zit ik zo ongelooflijk aan vast! Dat éne stomme koekje ga ik nog eens weglaten, kijken of het tot Pasen lukt! De kinderen mogen mee doen, maar ik doe het vooral voor me zelf. ’t Is ook tegen de zwaarte in gaan.’

“t Kan misschien een hulp zijn, de verbin­ding te zoeken tussen de diverse jaarfeesten, hoe je van het Michaelfeest in de herfst, via het kerstfeest naar het paasfeest gaat. En te merken dat niet alleen de planten tegen de zwaartekracht in groeien, maar dat je zelf ook tegen de voorjaarsmoeheid en de neiging om helemaal naar buiten te trekken in, moet proberen een beetje wakker te blijven.’

‘Ja, je hebt zo’n zin om alles los te laten, naar buiten te gaan, vakantieplannen te mak­en, in de tuin te werken, dan is het niet zo simpel om echt aandacht te hebben voor het paasfeest.’

“t Is net een weegschaaltje: je moet het evenwicht tussen beide vinden, innerlijk wak­ker blijven en ook naar buiten trekken!’

‘Als ik probeer te begrijpen- hoe summier ook- wat het gebeuren op Golgotha voor de mensheid, dus ook voor mij, betekent, dan vind ik iets heel essentieels van het paasfeest. Dan beschilder ik dezelfde eieren en zet dezelfde narcissen neer, maar toch is het paas­feest anders.’

‘Met Kerstmis zetten we de boom neer, halen het stalletje tevoorschijn en vieren we de geboorte van het Christuskind. De drie koningen kwamen nog na nieuwjaar, de laatste kaarsen brandden, het stalletje en de boom werden opgeruimd.
En nu is het lente, het volgende jaarfeest, in aantocht: Pasen!

Hoe vier je dat? Is het een lentefeest en hou je het bij de paashaas en de eieren? Of vier je een christelijk feest. We stelden die vraag aan onszelf en aan el­kaar en kwamen al pratend wat dichter bij het paasfeest. Het gesprek dat we voerden staat — wat ingekort — op deze bladzijde.

Fiona van Mansvelt, Maria Ploeger, Willemijn Otte, Jenny Crum

in ‘het kind op weg’ in ‘Jonas’ van 8 april 1977

 

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

124-119

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rekenen (2)

.

MAGISCHE KWADRATEN

Een stimulans voor het rekenen in klas 3*

Hoe krijg ik het voor elkaar om het hoofdrekenen dat snel vervelend kan worden, in de 3e klas zo vorm te geven, dat het spannend is en leuk om zo oefenend te rekenen?

Een mogelijkheid biedt ons het construeren van een magisch vierkant

Hier volgen een paar voorbeelden hoe je deze vierkanten zelf kan maken.

Voor de 3e klas komen de kwadraten met 9 velden in aanmerking.

Wij noemden ze ‘tovervierkanten’.

rekenen 1

1.Je kiest een willekeurig middengetal, stel 5
De som van de cijfers is altijd 3 x het middengetal, hier: 15
(wanneer je deze doet moeten de kinderen wel weten dat het om de getallen 1 t/m 9 gaat.)

2.De diagonaal van linksboven naar rechtsonder is opgebouwd uit de
cijfers -1 en +1 van het middengetal, hier 4 en 6

3.De middenvertikaal is opgebouwd uit de cijfers -2 en + 2 van het
middengetal, hier dus 3 en 7

4.De diagonaal van rechtsboven naar linksonder is opgebouwd uit de cijfers
(let op: + 3 en – 3 van het middengetal, hier 8 en 2)

5.De linker vertikaal mist in het midden 15 – (4 + 2) = 9

6.De rechter vertikaal mist in het midden 15 – (8 + 6) = 1

rekenen 2

Gekozen als middengetal: 7

rekenen 3

Een getal bij het middengetal optellen:
Als we van het oerkwadraat uitgaan, kunnen we bij het middengetal een getal optellen, bv. 4. Het middengetal wordt dan 9; de som 3 x 9 = 27

De diagonaal  linksboven/rechtsonder heeft als regel: – 1 en + 1 van het middengetal. Dat geeft de getallen 8 en 10; zoals je ziet, de 4 en de 6 van het oervierkant zijn ook 4 groter geworden, net als het middengetal.

De rest van het vierkant kun je met de bovengenoemde werkwijze vinden.

rekenen 4

Het middengetal vermenigvuldigen:
We gaan weer uit van het oerkwadraat met middengetal 5. Dit vermenigvuldigen we met 3 = 15.
De som van de rijen, kolommen en diagonalen moet dan 3 x 15 zijn = 45

De diagonaal  linksboven/rechtsonder heeft de getallen -1 en +1 van het middengetal; dit is echter met 3 vermenigvuldigd. Nu worden ook de -1 en +1 met 3 vermenigvuldigd, -3 en +3. De getallen zijn dan 12 en 18.

Dat geldt natuurlijk ook voor de middenvertikaal: -2 en + 2 worden – 6 en + 6 =9 en 21

De getallen van de diagonaal rechtsboven/linksbeneden worden van + 3 en -3 nu + 9 en – 9, dus 24 en 6 .

De ontbrekende getallen kunnen nu worden gevonden. De som moet 45 zijn.

rekenen 5

Het kan nog moeilijker gemaakt worden door zowel op te tellen als te vermenigvuldigen:

We gaan weer uit van het oerkwadraat met middengetal 5. Hierbij tellen we 3 op, = 8 en vermenigvuldigen nu met 4 = 32.

De som bedraagt nu 3 x 32 = 96.

De diagonaal linksboven/ rechtsonder heeft in het oerkwadraat het getal 4. Dit wordt nu + 3 =7 x 4 = 28  en 6 + 3 = 9 x 4 = 36.

In het oerkwadraat is de middenvertikaal 3 en 7, nu: 3 +3 =6 x4 = 24 en 7 +3 = 10 x 4 = 40

En zo verder.

rekenen 6

Je kunt bv. ook nog vermenigvuldigen en aftrekken 

bv. x 6   – 5

uitgaande van het oerkwadraat met middengetal 5:   5 x 6 = 30 – 5 = 25
De som is dus 3 x 75
De diagonaal linksboven rechtsonder heeft de getallen 4 en 6; deze worden nu: 4 x6 = 24 -5 = 19; 6 x 6 = 36 -5 = 31

Enzovoort.

Nog moeilijker wordt het wanneer je een kwadraat geeft met maar 2 getallen:

.             4            .

.             6            .

.              .            .

Het centrale getal is hier 6; de som moet dus 3 x 6 zijn.
De  diagonaal linksboven rechtsonder heeft de getallen – 1 en + 1, dus 5 en 7;
de middenvertikaal: -2 en + 2, dus 4 en 8; de rest is hetzelfde te vinden, maar je ziet dat er nu wel het getal 10 in moet komen.
(de kinderen moet dit wel worden gezegd)

Er kan nog meer:

Stel: je geeft deze opgave:

4       .       .               4     .     .          4     .     .          4      .      .

7      .               9     7     .         9     7     5         9     7     5

8     .        .               8     .     .          8     .     .            8     .     10      enz

De som moet 3 x 7 zijn: 21
De 1e vertikale kolom: 4 + 8 = 12, ontbreekt de 9.
Middelste rij 9 + 7 = 16, ontbreekt de 5
Diagonaal linksboven/rechtsonder: ontbreekt de 10
Onderste rij: ontbreekt de 3
Laatste vertikale ontbreekt de 6
Middelste vertikaal ontbreekt de 3
Opgelost!

Je kunt gevonden vierkanten ook d.m.v. draaien tot nieuwe opgaven maken.

Uitgaande van het oervierkant:
I.p.v. de diagonaal linksboven/rechtsonder te berekenen met – 1 en + 1, kun je ook doen alsof deze diagonaal de rechtsboven/linksonder diagonaal is, dus + 3; -3
Enzovoort

8     3     4

1     5     9

6     7     2

Je kunt ook de bovenrij met de benedenrij wisselen. En uiteraard de linkerkolom met de rechter.

Als je deze opgave krijgt:

14      .      .

.       13     .

16     .       .

weet je al  de som : 3 x 13 = 39
Toch weet je niet meteen hoe de ‘oer’volgorde is. Er kunnen hier rijen en/of kolommen verwisseld zijn.
Duidelijk is dat de diagonaal linksboven/rechtsonder het patroon + 1;  – 1 vertoont, dan ook naar rechtsonder -1 = 12

Als de diagonaal rechtsboven/linksonder ook de “oer’volgorde is, moet rechtsboven -3 genomen worden (immers t.o. de linksboven -, staat de rechtsboven +; in deze opgave dus omgekeerd)
Rechtsboven zou dus een 10 moeten staan en linksbeneden 16. Die staat er. Dan klopt het: middenkolom links wordt dan 9 en rechts 17. Overal is de som 39

Stel dat de 10 nog extra gegeven was op linksonder; dan komt de 16 rechtsboven en dan wisselen ook de andere getallen. Nu is echter de ‘oervolgorde’van -2 en +2 verwisseld van middenvertikaal naar middenhorizontaal.

bron: Thor Keller in Erziehungskunst jrg. 56, nr 8, 1992

kanttekening:
Wanneer je ermee begint, lijkt het mij belangrijk dat de kinderen op groot ruitjespapier het “hok” met potlood en liniaal duidelijk aangeven.
Wat later kunnen ze gewoon puntjes zetten, wel mooi gelijk verdeeld onder- en naast elkaar; tenslotte heb je niet eens lijntjespapier meer nodig….., dan.
Je kunt hiermee ook goed variëren; het ene kind kan in het begin al veel meer dan het andere en opdrachten kunnen heel individueel worden gegeven. Laat de vlotte rekenaars vooral ook zelf vierkanten bedenken!
Wanneer je individueel controleert, leer je ook weer veel over waar de kinderen qua rekenbewerkingen staan en kun je van daaruit weer extra oefeningen doen.
*Alle varianten gaan uiteraard nog niet in de 3e klas; dus vanaf 4 is er ook nog van alles mogelijk. Bv. in klas 5, want met de decimale breuken gaat het ook.

Bv. middengetal 5,5; som = 16,5; diagonaal linksboven/rechtsonder:
4,5  en 6,5;  rechtsboven/linksonder: 8,5 en 2, 5; middenvertikaal: 3,5 en 7,5, dus middenhorizontaal=9,5 en 1,5 (het valt meteen op dat bij de getallen van het oervierkant simpelweg 0,5 is opgeteld!)

De opgaven met maar 1 cijfer dwingen tot een logisch doorgevoerde strategie.

Gegeven:

.          .          9

.         .           .

.        .           .

Je moet nu een keus maken. Waarvan kan deze 9 het gevolg zijn:
mogelijkheid 1:
de bekende strategie: het middengetal + 3. Dan is het middengetal 6. De som is dan 18  en het getal linksbeneden 3.

.          .         9

.        6          .

3        .         .

diagonaal linksboven/rechtsbeneden: 5, 6, 7. Nu heb je hem eigenlijk al.

Mogelijkheid 2: de 9 is het resultaat van – 3. Centrale getal dan 12. Som 36
De diagonaal linksboven/rechtsbeneden is dan + 1  en  – 1 = 13 en 11. Je hebt hem dan weer.
Je kunt als opdracht ook zeggen: de 9 is het resultaat van -2. Ga je gang.
Centrale getal is dan 11, het andere diagonale getal 13.
De som = 3 x 11= 33
In het oervierkant stond links van de – 2 en + 2,  de -1 en +1, dat kan ik hier ook doen. Dat wordt dan de middelste vertikaal: -1 en + 1 =  10 en 12.
Nu kan ik vanuit de som alles vinden.

Het verdient aanbeveling om in je voorbereiding goed in je op te nemen hoe de strategiëen gaan.

Kinderen vinden het ook geweldig wanneer ze jou een opdracht mogen geven; ze moeten alles dan goed begrepen hebben; want als ze tegen jou zeggen: rechtsonder staat bv. 40, dan moet jij het kunnen maken en zij moeten het antwoord al klaar hebben. Komt het resultaat niet overeen, dan kan één van de twee een fout hebben gemaakt of een andere strategie gekozen. De 40 kan het resultaat zijn van zowel +1 en -1; van + 3 en – 3 en van + 2 en -2.

Succes!

 

Rekenen 3e klas: alle artikelen

3e klas: alle artikelen

Rekenen: alle artikelen

 

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas

 

123-118

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (8)

.

Paashaas/vingerhaaspopje

1.stofdoek 20-30 cm, opengeslagen, smalle kant boven,
bovenste punten samenbinden: oren
2.krantenpapier, wol, watten in oren stoppen, tevens vulling voor kop,
onder de vulling afbinden tot hals,
3.van een krant die u gevouwen heeft tot een reep van 12 cm hoog en
40 cm lang, rolt u om uw hand een toetervorm,
4.de rechte onderkant van de stofdoek vouwt u om dit lijf, de punten
van de rechte hoek, van buiten naar binnen draaien, naar voren trekken
en vast naaien: achterpoten
5.de voorpoten maakt u door een plukje van de stofdoek onder de kop
samen te binden met een draadje, omwikkelen met bruine wol,
achterkant dichtnaaien, oorschelpen naar voren duwen en vasthouden,
6.de staart maakt u op dezelfde manier aan de achterkant,
7.snuitje: stof bij elkaar trekken met bruine wollen draad, ca 1/3 hoogte
vanaf de nek- en snorharen

pasen 17

pasen 18

bron onbekend

.

Paashaas/vingerhaaspopje

Materiaal:
wollen stof of badstof,
voor de binnenkant van de oren een bijpassende afstekende stof,
kralen voor de ogen,
een stukje vilt voor de mond,
draadjes touw voor de snor­haren,
schapenwol of watten voor vulling.

Knippen: middenkopdeel 1 maal,
zijkopdeel 2 maal,
lichaamsdeel 2 maal,
oren 2 maal en 2 maal van afstekende stof.

Oren in elkaar zetten en invouwen en aan de zijkopdelen vast zetten,
het middenkopdeel tussen de zijkopdelen bevestigen,
de streepjes op de romp en het middenkopdeel precies op elkaar vast zetten. Voor de vingerhaas het patroon vergroten en bij het vullen van de kop ruimte laten voor de vinger.

pasen 6

bron onbekend

.

Paashaas/vingerhaaspopje

Kokertje breien of haken
Eén kant dichtmaken, tegen deze dichte kant opvullen, met strikje afbinden: kopje.
Oortjes van vilt
Oogjes en snorhaartjes
Aan de onderkant een staartje.

Bron: ‘Jonas’ 6 april 1979

Paashaasje

Haasje of kuikentje van pompoentjes.
Wagentje: walnotendopje.
Wieltjes: plakje kurk, vastgeplakt.
Eitjes: van gekleurde bijenwas.
Het haasje trekt het wagentje m.b.v. een wollen draadje, vastgeplakt op de walnotendop.

pasen 13

.

Paashaasje, kuiken, lam van pompoen 

De zon schijnt niet iedere dag, ook moet de regen er zijn om alles weer te laten groeien en bloeien. Een binnenwerkje, dat veel plezier geeft bij klein en groot is van twee pompoenen een kuiken, lammetje of ook wel een mooie paashaas te maken.
We knippen twee kartonnetjes rond uit met een gat in het midden; nemen een lange wollen draad en trekken deze steeds regelmatig door het middengat heen.
als het middengat helemaal dicht zit, knippen we de draden aan de buitenkant door tussen de twee kartonnetjes in.
We binden nu een draad tussen de twee kartonnetjes, trekken het goed aan en maken een knoop.
Nu schuiven we de kartonnetjes eraf en de wollen draden vormen zich tot een bal.

pasen 27

Een grote bal en een kleine tezamenbinden en je hebt al een kuikentje, lammetje of haas.
De oortjes en ’t snaveltje maak je van vilt.

Veel plezier!

Thea Goedhart, nadere bron onbekend

.

Paastuintje

Een heel gezellig werkje in deze tijd van het jaar, als het weer het nog niet toe­laat, de kinderen zo erg lang buiten te laten spelen, is het maken van een paastuintje.

Men heeft er voor nodig:

1.een stukje karton (misschien de deksel van een schoenendoos)
2.lichte lentekleuren crêpepapier (voor zoveel knutselpartijtjes goed te gebruiken dat de aanschaf geen weggegooid geld is)
3.wat pijpenwissers
4.tubelijm (Collal, Velpon)
5.stijfsel of gluton
6.wat stevig papier (bv. tekenpapier of dun karton)
7.tijd voor de kinderen en plezier om iets met hen te maken.

Men begint met op het karton de plaats aan te geven waar een bloesemboompje  komt, en een nestje op de grond en eventueel een vijvertje.

Waar het boompje komt, wordt met een priem een gaatje geprikt; daar doorheen steekt men 3 of meer pijpenwissers, waarvan men het onderstuk ca. 2 cm ombuigt en in 3 of meer richtingen met Collal tegen de onderkant van het karton vastplakt door middel van een stukje tekenpapier. (tek. A)

Nu blijven de pijpewissers dus rechtop staan.

We knippen een “vijvertje” van teken­papier en een wat groter stukje blauw crêpe­papier, dat om het eerste stukje heen ge­plakt wordt,  zó,  dat de gluton alleen op de rand aan de onderkant komt (crêpepapier verkleurt zo erg door vocht!)
Dit vijvertje plakken we op de aangegeven plaats op het kartonnen ondergrondje en daarna kunnen we de rest daarvan met kleine (losse) propjes van lichtgroen helemaal volplakken behalve op de plaats waar het nestje komt.

Dat nestje maken we weer van een rondachtig stukje tekenpapier (voor de gewenste grootte maken we even een probeerseltje) volgens het schetsje. (tek. B)

De stippellijn geeft de bodem van het nestje aan, de stralen zijn knippen,  de kruisjes de plaats waar de tubelijm komt.    o wordt op x geplakt.
Met wasknijpers vastgezet, geeft men het tijd om te drogen.

In de tussentijd nemen we een onaangebroken pakje lichtgroen crêpepapier. We knippen er langs de korte kant wat reepjes van af, van een paar mm breedte. “Uitgeslagen” een verrassend werkje voor een kleuter,  wordt het een sliert van een paar meter (de lengte van de rol crêpepapier) en een paar van die slierten in elkaar gekreukeld geeft een zachte vulling voor het nestje (ook bij het spelen met blokken, of met huisjes-boompjes­-beestjes is dit als “gras” heel inspirerend.) Maar voordat we er het nestje mee vullen, omplakken we dit met een stukje donkergroen crêpepapier, d.w.z. we plakken het gewoon in, met alleen op de bodem van binnen wat lijm.
Tenslotte plakken we het met Collal op de aangegeven plaats.

Als nu het “tuintje met gras,  en daartussen gekleurde propjes als bloemen, is volgegroeid – ik vergat nog te zeggen dat die crêpe­papieren stukjes altijd gescheurd moeten worden en niet geknipt – moeten we zien dat we ons boompje ook spoedig in bloei krijgen!

Daartoe plakken we de pijpenwissers rondom vol met stukjes van ca. 2 cm in ’t vierkant, waarvan we het  onderstukje helemaal rondom het stengeltje plakken, de losse rest is het bloesempje.

Nu ziet het tuintje er al echt lenteachtig uit.

Als we zo ver zijn, kunnen we met de “bevolking” beginnen. Kuikentjes, lammetjes, paashaasjes zouden we van pompoentjes kunnen maken. Maar met crêpepapier komen we ook een heel eind. Als we tenminste van het idee afkomen dat, wat we maken ‘net echt’ moet zijn.

We bewijzen onze kleuter de grootste dienst als bv. het geknutselde “haasje” slechts bij benadering op een haasje lijkt, want de fantasiekracht, die hij nu gaat opbrengen om het vormloze ding als een “echt haasje” te beleven, is belangrijk voor zijn hele verdere leven.

Als U als moeder van een langwerpig propje wit crêpepapier een stukje stevig afbindt, en aan dat afgebonden propje een stukje geel plakt aan de voorkant dat U tot een puntje draait, zult U zeker niet het trotse gevoel hebben dat U een eend gecreëerd hebt, maar Uw kleine kleuter zal er dagenlang mee rondsjouwen en het aan iedereen laten zien! “mijn eendje!”

Beginnen we dus met moed aan een haasje bijvoorbeeld!
De grondvorm voor zowel popjes als dieren is een langwerpig stuk crêpepapier (bijv. 25-16 cm) voor een figuurtje van ca.7 cm hoog.
De maat moet men natuurlijk aanpassen aan de proporties van het tuintje.
Men maakt van toiletpapier of watten een propje of bolletje van ca. 1  1/2 cm,  in het geval van het haasje een beetje eivormig. (tek. C)
Dit wordt in  t midden van het papier afgebonden: het kopje. De twee punten opzij bovenaan, in elkaar gedraaid, geven de voorpootjes, een dik propje
tussen de rest van het papier (de voorkant van het papier wordt naar achteren,  en de achterkant naar voren vastgeplakt) wordt het buikje. En dan hoeft men alleen nog maar het geheel op een stukje karton te plakken (met Collal) opdat het niet omvalt, achteraan een propje voor staartje, 2 puntige snippers als oren (in de breedterichting van het papier geknipt, anders blijven ze niet recht staan), oogjes met de ballpoint, en, klaar is….. haas.
Als het een lammetje moet worden, bindt men, behalve om het halsje, ook een draadje om het achterlijfje, nadat men een propje als buikje heeft toegevoegd. De rest wordt verdeeld in twee achterpootjes, waarvan wel de loshangende snippers moeten worden vastgeplakt.

Het beste plakt men de vier pootjes ook weer op een kartonnetje. Met het draadje van het achterlijfje bindt men er nog een staartje aan, twee snippers als oortjes, een roze snipper als snoetje en uw kleuter zal dolgelukkig zijn met zijn ‘lammetje,’. Natuurlijk is het niet voor de eeuwigheid gemaakt, maar wie wenst dat!

Nu U het principe weet, kunt U misschien nog allerlei dieren zelf verzinnen.

Wat denkt U bijv. van een vogeltje dat op het nestje zit en met zijn vleugeltjes  (ze zijn van tekenpapier geknipt en versierd met kleurpotloden) de paaseitjes bedekt die U, als iedereen gezwoegd heeft en alles klaar is, als verrassing in het nestje verstopt hebt? Of eendjes voor het vijvertje?  Er zijn nog zoveel mogelijkheden en, hoe primitiever, hoe beter!

Als we een popje willen maken (men hoeft natuurlijk niet alles in een tuintje te verwerken: men kan een keuze maken) laten we zeggen een kaboutertje, is het begin zoals bij het haasje. Nadat we de armpjes hebben gemaakt, wordt om het middel een katoenen draad gebonden en van de rest daar­onder twee beentjes gedraaid. Kleding: een langwerpig stukje crêpepapier, schouder­breedte, lengte is 2x van hals tot boven de knieprecies in het midden knipt men een kruisje en dat trekt men over het kopje, waarna men een gekleurde katoenen draad om het middel bindt als ceintuur: een prachtig hesje! (tek. D)

De muts is weer rechthoekig, de breedte: ruim de hoofdomtrek. Als het om het hoofdje vastgeplakt zit, moet de rest een behoorlijk eindje daarbovenuit steken, zodat men het tot een punt in elkaar kan draaien.
Schoentjes: 2 vierkante stukjes, die om de onderste punt van de beentjes worden vast­gebonden.
De afgebonden stukjes, omgevouwen, zijn de voetjes, die weer stevig op een kartonnetje gelijmd worden, iets van elkaar af.

Bij zo’n kabouter hoort natuurlijk ook een kabouterhuisje. Voor een huisje van 5 cm hoog (zonder het dak) neemt men een stukje van 16 cm lang en 9 cm hoog. Stevig tekenpapier is daarvoor geschikt, men kan het door de kinderen mooi laten kleuren met waskrijt.
De inknippingen onderaan zijn om het huisje op een kar­tonnetje te plakken (daarna lipjes camoufleren met propjes groen gras). Bovenaan,  ook naar buiten gevouwen dienen ze om het dak erop te bevestigen.
(tek. E stippellijn vouwen; ononderbroken lijn knippen)

Als alles gevouwen en geknipt is, plakken we de beide zijkanten 1 cm over elkaar heen, zodat het huisje rond wordt.
Terwijl het, weer met wasknijpers vastgezet, droogt, maken we het dak, een schijf van 12 cm middellijn, waarvan we één straal inknippen en dan over de oppervlakte van een kwart cirkel over elkaar heen plakken (x komt op x)

Nadat het huisje op een stukje karton geplakt is, doen we lijm op de bovenste inknipsels (na het horizontaal vouwen op de bovenkant) en zetten het dak erop. Ook dat klemmen we weer met was­knijpers vast. Boven de deur knippen we een stukje uit het dak (a) zodat die beter open en dichtgaat. Een splitpennetje is een mooie deurknop. (tek. F)

Andere dakvorm:
4x  inknippen, gelijke tekens op elkaar plakken.
Voor zo’n klein huisje kan men natuurlijk ook kaboutertjes maken van boetseerklei of ge­kleurde bijenwas. (tek .G)

Als men daarentegen het huisje wat groter wil maken, kan men het beste fotokarton gebruiken, dat in verschillende mooie kleuren verkrijg­baar is. Dat is heel stevig.

En nu tot slot nog iets over het hoe’..
Kleine kinderen hebben een ongelofelijke nabootsingsdrang en tegelijkertijd willen ze daarbij vrijgelaten worden, hoe paradox dat ook moge klinken.

Dit wetende, gaat U, als het uurtje voor de kinderen is aangebroken, zonder iets uit te leggen, heel rustig alles klaar leggen wat U nodig hebt, zodat U niet meer hoeft weg te lopen als U eenmaal aan de gang bent. U neuriet er zelfs een beetje bij, want U hebt ook wel pret in dit avontuur!

U bent nauwelijks begonnen,  of de kinderen staan al om U heen en ze zijn zo brandend nieuwsgierig dat ze onder Uw armen doorkruipen om maar niets te missen. Ze gissen naar wat het worden moet en U kunt zelf wel aan hen aflezen op welk moment U dat gaat vertellen. Zeker zal het niet lang duren of ze willen “meehelpen” of “ook zoiets maken” en ge­lukkig zijn er in dit knutselwerkje een
aan­tal dingen die zelfs de hele kleintjes kun­nen doen.

Natuurlijk is van het ogenblik af dat ze zelf aan de gang gaan, Uw belangrijkste taak om het wat te laten worden zonder al te veel in te grijpen, vooral niet als de kinderen zelf er niet om vragen. Bij de kleintjes zal waarschijnlijk iets totaal anders ontstaan dan een lentetuintjemisschien zelfs iets volkomen onherkenbaars. En waarom ook niet, ze blaken van trots over hun prestatie! Het voornaamste is, dat ze in een ontspannen sfeer iets mogen doen dat hen diep bevredigt. Dat is als het ware proviand voor hun tocht door het leven.

U zelf kunt nog ongelofelijk veel bijdragen tot die sfeer als U het zingen erbij
inscha­kelt, neen, niet uit volle borst,  maar “zacht-gezellig”.

Als U  h e u s niet zingen kunt, is neuriën net zo “stemmingmakend”, vooral als het “zo maar wat” isDit kan iedereen. (proberen bij de afwas, t is een kwestie van wennen.)

Als U wel kunt zingen, probeert U dan eens het volgende liedje, ’t is heel toepasselijk bij het werkje dat we aan t doen zijn.

Blauw viooltje

En ’t wordt nog aardiger als we een beetje met de woorden gaan spelen en bv. “blauw viooltje” vervangen door: roze tulpje,  of hyacintje, groen groen grasje, bloesemboompje, of kleine paashaas, wollig lammetje, donzig kuikentje, sneeuwwit eendje, enz.  enz.  Mogelijkheden te over. Kinderen zijn heel vindingrijk. En als we nu voor “Pasen” “Lente” zingen, kan dit liedje ons door het hele voorjaarsseizoen begeleiden.

pasen 7

 M.T.P, vrijeschool Den Haag

Paasfiguren van papiermaché

Voor het maken van paasfiguren van papiermaché hebben we nodig:
een stapeltje oude kranten,
een emmer of wasketel,
heet water,
behangerslijm of Glutofix (blijft langer goed),
lege kartonnen houders van wc-rollen,
een paar pijpenragers.

Begin met de kranten te versnipperen. Giet er daarna het hete water over. Laat de massa een paar uur weken en stamp er zo af en toe in met een gootsteenontstopper of aardap­pelstamper. Het papier zal langzaam uiteen­vallen. Het proces is te versnellen door het geheel te koken. Daarna met de handen het overtollige water zo veel mogelijk uit de grijze pulp knijpen. Maak nu de Glutofix aan tot een stevige brij en kneed dit door de grij­ze massa. Doe er zoveel Glutofix bij tot het papiermaché goed kneedbaar en vormbaar is geworden. Kneed eventueel een paar drup­pels chloor erdoor tegen bederf en bewaar het geheel in plastic.
Snij of knip het kartonnen rolletje af op maat van een eierdopje en boetseer er het haasje omheen. Druk het papiermaché glad aan anders valt tijdens het drogen het werk­stuk uit elkaar. In de oren eventueel een stukje pijperager als versteviging. Na het dro­gen met plakkaatverf of waterverf beschilde­ren. Als conserverende laag lak gebruiken.

Jonas 17, 13 april 1984

.

Bloempotten beschilderen

met plakkaatverf:
*effen ondergrond
*schildering maken
*goed laten drogen
*lakken
*aarde erin, sterrenkers zaaien
*(later: berkentak, met uitgeblazen beschilderde eieren


eierenkrans

uitgeblazen eieren doorsteken met soepel ijzerdraad

pasen 8

nestjes

vlechten van dikke wol, vlas, sisal.
Ook van walnoten, met vogeltjes erin
vogeltje: 2 kralen op elkaar, vleugels van crêpepapier, snaveltje van bijenwas

haaseierdopje

deze haas 2x uitknippen van dun karton; kop en staart aan elkaar plakken, zo ontstaat een eierdopje voor de paastafel

pasen 9

Paaseierdop

Laat ieder kind een strookje karton versieren, lijm of niet de einden aan elkaar,
’s ochtends vindt ieder kind een mooi gekleurd ei in zijn eigen dop.

Bron: ‘Jonas’  datum onbekend.

.

Paasmobile

Van een uitgeblazen of gekookt ei maak je in een wip een kuiken door er een snavel, oogjes, vleugels en een paar pootjes aan te plakken. Vijf kuikens van uitgeblazen eieren maken samen een leuke paasmobile. Je kunt de eieren wit laten, maar knalgele kuikens vallen nog meer op: een dag van te voren schilderen en de volgende dag de kuikens met veertjes of papier versieren.

Ei op stok

Zaai een week voor Pasen met de kinderen voor ieder in een schaaltje of bloempotje wat graszaad of sterrenkers. Geef de potjes een warm, licht plaatsje, niet in de felle zon en laat ieder zijn eigen zaaisel water geven.
Al gauw kunnen we zien hoe het zaad ontkiemt en gaat groeien. Als verrassing komt op paasmorgen in elk potje een ei op een stokje te staan.
Daarvoor zijn nodig:
=eieren uitgeblazen en beschilderd
=ronde stokjes, bijv. uit de winkel voor tuinartikelen
=lint, 1 cm breed

De stokjes (plm. 25 cm) kunnen blank blijven of in allerlei kleuren geschilderd worden. Maak de gaatjes in het ei zo groot dat het ei op het stokje geschoven kan worden. Strik het lint onder het ei en zet het met tubelijm vast.
Om de punt van het stokje dat uit het ei steekt, komt ook een strikje.
Steek nu het stokje in het potje met sterrenkers en zet het op paasmorgen naast ieders bord.

Paasboom

Geraamte maken van latjes. Met takjes buxus (of liguster) en lint kan het hout bekleed worden. De boom staat in een pot aarde, waarin sterrenkers of bieslook is gezaaid.
Bo­venop kan de broodhaan staan. De boom wordt gesierd met beschilderde eieren.
Zet een stuk oases stevig vast in een bakje. Plaats in de oases een plantenstokje. Aan het stokje komt aan linten een eierkrans te hangen. Krans maken van pitriet of geplasti­ficeerd elektriciteitsdraad. Tussen de be­schilderde eieren een kraal rijgen. Oases vol prikken met voorjaarsbloemen.

In een plat mandje, bijvoorbeeld een kaas­mandje, met 3 houten stokjes een driehoek vormen. Boven op deze stokjes komt de fa­milie broodhaan te staan. In het mandje kunnen rondom een voorjaarsboeket, de eie­ren liggen.

(bron onbekend)

.

Lentefee

Op onze paastafel komt ook een lentefee te staan, die uit haar toverstokje alle bloemetjes wakker maakt.
We hebben nodig: papier (bijv. rose, paars, lila, geel, lichtgroen), een closetrol, een uitgeblazen ei, pijpenrager of chenilledraad, gele wol, restjes papier en lijm.
Het ei op de closetrol lijmen (bv. met bisonkit). Met allerlei kleuren crêpepa­pier het popje aankleden. De lentefee krijgt een mantel van een stukje crêpe­papier dat aan de bovenkant omgeslagen en ingerimpeld wordt. Een gaatje prikken in de closetrol om de armen van chenilledraad of de pijpenrager door te halen (evt. met papier omplakken). Van wol maken we de haren en met kleur­potlood of viltstift tekenen we op het ei een gezichtje. Nu nog een punthoed, beplakt met bloemetjes of een bloemenkransje in haar haar, een toverstokje in de hand en een mooiere lentefee kun je je niet wensen! .

‘Het kind op weg’ in ‘Jonas’5 april 1974

.

Eierschaal met bloemetjes

3/4 eierschaal met voorjaarsbloempjes

‘Jonas’ 13 april 19??

.

Haasje van aardappel

Kleine haasjes van aardappels op elkaar prikken met een lucifer; oren van bruin papier, snorharen van raffia of stro.

‘Jonas’ 13 april 19??

.

Paasweitje

Een paasweitje: diep bord met aarde of mos vol met voorjaarsbloemen

‘Jonas’ 13 april 19??

.

Paashaantje

Als de broodhaantjes zijn opgegeten!
Haantje tekenen,
2 x knippen uit karton,
op elkaar plakken,
behalve waar hij op de stok gaat.
De kinderen kunnen ze mooi kleuren met waskrijt

Bron: ‘Jonas’  datum onbekend

.

Voor het raam

Hang eieren aan een draad voor het raam,
zet bakjes zaad (gierst, koren, sterrenkers) op de vensterbank
zet er kuikentjes bij
katjestakken ertussen

Bron: ‘Jonas’  datum onbekend

.

Beweegbare paaskaart

Op een stuk karton maak je een tekening waar je een venster in knipt. (aangegeven met een dikkere lijn)
knip uit een stuk karton een cirkel en teken daar een zon plus paashaas op;
de cirkel komt achter de tekening en wordt vast gemaakt met een splitpen
inkleuren met waskrijt, verf of potlood.

pasen 14

bron onbekend

.

‘Kiek-kiek’

Een ei uit een karton knippen en doorknippen.
Punten vastzetten met splitpen.
Kuikentje knippen en vastplakken aan onderkant.

pasen 15

Kuikentje van karton knippen met lipje
Kuikentje kan weg duiken in zijn eigen ei en weer tevoorschijn komen.
De randen vastplakken, de onderkant natuurlijk niet helemaal.

pasen 16

bron onbekend

 

Wortel- en bloemenkindjes

Tussen de wortels van de bomen,
liggen kind’ren stil te dromen.
Moeder Aarde houdt de wacht,
in de donk’re winternacht.

Uit: De gouden poort – Beatrijs Gradenwitz. tekst: J. Jurriaanse.
Nr.41 (uitgave 1973-1975)

Voor velen is de lente een heerlijk verrassend jaargetijde. Vooral voor kinderen, voor wie alles wat ze mee­maken nog niet zo vanzelfsprekend is. Bruine, doodlijkende takken krijgen bladeren en bloesems en uit de bruini­ge aarde komen de prachtigste bloe­men en kleuren.

In veel kleuterklassen van de vrijeschool verschijnen in deze tijd Moeder Aarde en haar wortelkindertjes. Naar­mate er in de natuur meer bloemen gaan bloeien, komen er meer bloemenkindertjes bij. Ze worden leuk neerge­zet op een tafel tussen boomstronken, takken en stenen.
Als het Pasen is, staan er heel wat kleurige bloemen te bloeien. Het hangt erg af van het ka­rakter van de samensteller van de lente-paastafel hoe het zal worden. Bij de één lijkt moeder Aarde op een len­tefee, bij de ander is ze heel bruin in aardekleuren met een bloemenschortje om.

Mijn patroon voor wortel- en bloemenkindertjes is:

Een rondje van 15 lossen haken. Dan verder gaan met vasten en in de vol­gende vijf toeren er 10 steken bij ma­ken, (katoen, en haaknaald nr. 3, ste­vig haken). Met deze 25 steken nog 5 à 8 toeren haken. Het rokje is nu klaar. Nu het mutsje: Eén rondje lossen van 3 steken, dan met vasten verder haken en in de volgende 3 toeren ongeveer 15  steken erbij maken. Aan deze 18 steken nog 4 à 5 toeren haken. Wat het nu voor bloem gaat worden, hangt werkelijk af van wat de maker wil. Moet het echt op een krokus of een narcis of op een klein hoefblad lijken, dan kun je met behulp van vilt en met gehaakte schulprandjes prach­tige bloemenkindertjes maken. Moeder Aarde haak ik ook met haaknaald nr. 3, maar dan met een dubbele draad bruine wol; begin met 16  steken en meerder in de eerste 4 toeren 20 steken, zo haak ik verder tot ik 16 toeren heb. De onderste rand van de rok haak ik dan met heel dik, stevig garen zodat ze goed blijft staan. Voor de armen haak ik een rondje van 10 lossen, daarop 12 toeren tot ik een kokertje heb. De handen zijn witte, met wol gevulde knuistjes. De hoofd­jes van moeder Aarde en de bloemen­kindertjes maken we op dezelfde ma­nier als de poppen, zoals die in het boekje ‘Speelgoed‘ van Freya Jaffke beschreven staan  (of gewoon een stukje katoen met een dot wol vullen, mooi rond vormen, en dat als hoofdje gebruiken).

Zo tegen Pasen, vertel ik de kinderen een verhaal dat met Pasen te maken heeft. In elk geval moeten we over ‘de haas’ vertellen. Dat heel bijzondere, zachte wollige dier, dat niet in gevan­genschap kan leven. Friedel Lenz schrijft er zo over: ‘Hij leeft vreed­zaam en is niemand tot last. Alleen in doodsnood schreeuwt hij en dan nog niet zo luid. Een vaste woonplaats heeft hij niet. Elke dag maakt hij zijn leger ergens anders, het hele veld is zijn thuis. De haas heeft goede ogen en lange oren. Zijn ogen zijn niet scherp, maar hij voorvoelt gevaar. De haas schijnt met open ogen te kunnen slapen. Hij heeft veel vijanden: roof­vogels jagers, honden. Als de haas zijn hazenbroeder achtervolgd ziet, springt hij te voorschijn om de aandacht van zijn broeder in nood af te leiden, zo­dat deze laatste kan vluchten. Maar door zijn makker te redden, loopt hij zelf grote kans om te sterven. Het is begrijpelijk dat de haas door deze eigenschappen in de loop der tijden tot paassymbool geworden is. Voor kleine kinderen kunnen we misschien zelf wel een mooi verhaal be­denken en deze eigenschappen van de haas erin verwerken. Voor kinderen vanaf zes jaar staat er een mooi ver­haal in Zonnegeheimen deel II van D. Udo de Haes: ‘De Paashaas’. Tot slot nog een oud Duits roepversje:

‘Paashaas, Paashaas, loop niet aan ons huis voorbij maar breng ons een mooi bont ei!’

Boeken voor deze tijd:
Etwas von den Wurzelkindern door Sibylle von Olfers. Verlag J.F. Scnreiber, Esslingen. Gebonden f 15,80; ingenaaid f 6,90.
Mit Kindern Feste feiern door Friedel Lenz. Ver­lag Novalis, Schaffhausen ca. f 10,-.
In den Wurzelstübchen door Ida Bohatta. Verlag Josef Muller, München ca. f 4,-.
*   Fritz Osterhas und Sohn door Ida Bohatta. Verlag Josef Muller, München ca. f 4,-.
Zonnegeheimen, Lente, deel II door D. Udo de Haes. Uitg. Patljnlaan 200 Zeist, ca. f 10,-.
De Gouden Poort. Beatrijs Gradenwitz-van Bemmelen. Uitg. Vrij Geestesleven, f 15,-.
*    Florinoor’s  poppenspel  (Pasen).  Hermien IJzerman.
*    Florinoor’s Lenteboek. Hermien IJzerman f 4,50.
Legenden van de kerstnacht en de paasmorgen. Hermien IJzerman.

Op volksverhalen staat een ander verhaal over de paashaas

Godelieve van Gemen, Jonas 16, 6 april 1979

.

Bloemenkinderen

De afgelopen doe-avond hebben we bloembollenkindjes gemaakt met behulp van houten kegeltjes en vilt.

pasen 28

Echte beschrijvingen hoeven we niet te geven, omdat het een ieder zal lukken een bollenkindje te maken door te kijken naar de bloemen die uit de bollen tevoorschijn komen in deze tijd van het prille begin van de lente.

Hyacint:
houten kegeltje aankleden met roze of lila vilt, onder het mutsje wat schapenwol als haar vastplakken.

pasen 29

Narcis:
stralend geel vilt gebruiken; voor het hoedje twee tinten geel.
Maak gebruik van de vaak al aanwezige gekartelde rand van het lapje vilt.

pasen 30

pasen 31

 

 

 

 

 

 

 

Krokus:
paars, geel of wit vilt; maak blaadjes voor het lijfje iets langer dan het kegeltje, zodat het hout niet meer zichbaar is.

pasen 32Sneeuwklokje:
wit en groen vilt, wit zijn de blaadjes van het mutsje en de spikkeltjes op het groene lijfje.

Zo maakten we nog tulpenkindjes en ook de frêle Franse narcis werd uitgebeeld.
Aldoende merkten we dat het een heel leuk werkje is en elk bollenkindje wordt weer anders, je krijgt telkens nieuwe ideeën.

pasen 33

Al gauw staan ze naast elkaar te pronken en maken ze het plekje voor Koning Winter op de seizoenentafel zichtbaar kleiner en kleiner: het teken voor Moeder Aarde de poort te ontsluiten en de Wortelkindertjes al wat groeit en bloeit naar boven te laten brengen, vanuit de warmer wordende aarde.

pasen 34

Bloemenkindertjes maken is een en al uitbundigheid. Niet gehinderd door beperkingen wat betreft verschijningsvorm, kan iedereen de fantasie de vrije loop laten.

pasen 35

Je kunt uitgaan van de basisvorm van het houten kegeltje of zelf een lijfje maken van vilt. Met een dichte onderkant en opvullen met rijst of droog zand, zodat ze goed kunnen staan. Gebruik voor de steeltjes van de bloemen pijpenragers omwikkeld met stof of met een hoesje van vilt.

Bron onbekend

.

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

122-117

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (15)

.

Hulpjes bij het schilderen

Een breinaald met onder een kurk. Daarop het ei.
Een satéprikker kan natuurlijk ook en de kurk kan ook door iets anders vervangen waarop/in de breinaald/prikker blijft staan.

Eieren beschilderen

Eieren verven voor Pasen is een oude tradi­tie. Vroeger gebruikte men natuurlijke kleurbronnen van fruit, groente of bloesem (uien, peen, rode bieten, brandnetels, malva enzovoort). Later kwamen poeders in de handel, ongiftige kleurstoffen. De eieren worden erin gekookt en staan te pronken op de paastafel. Soms worden ze liefdevol be­schilderd of beplakt. Iedereen vindt het jammer, al dat moois kapot te moeten ma­ken, om de inhoud op te kunnen eten.

Dit is zeker een van de redenen, waarom men eieren leegblaast en zich op de hulzen creatief gaat uitleven. Ieder jaar opnieuw zijn vele moeders van plan, om vroegtijdig met dat leegblazen te beginnen, zodat ze omstreeks Pasen tientallen keurig nette hol­le-bolle eitjes hebben liggen om met zijn al­len gezellig te gaan beschilderen. Maar hoe gaat dat? Even gauw spiegeleieren of pannenkoeken bakken. Geen tijd voor die blaastoestanden, want dat duurt even. Vol­gende keer dan maar… En drie dagen voor Pasen wordt wat verf uit de drogisterij ge­haald en het is het oude liedje!

Ga dus meteen beginnen!
Als je net een cake wilt bakken, neem de moeite, blaas de eieren leeg. Voor degenen, die misschien een beetje onwennig tegenover deze ademoefening staan, een kleine uitleg:
Prik aan de top en precies er tegenover een gaatje in het ei (stopnaald, satéstokje). Houdt het ei licht maar stevig in de holte van je hand. Het gaat niet stuk en het loopt ook niet vanzelf leeg! De gaten voorzichtig wat groter maken, en dan maar blazen. Bij kleine eitjes duurt het meestal wat langer dan bij grotere. Maar de inhoud komt beslist d’r uit!

Blijvende paasversiering

De hulzen schoonspoelen met koud water, en daarna een poos deponeren in warm zout water. Voor het drogen de eieren (ook later bij het schilderen) op bijvoorbeeld schroefdoppen van limonadeflessen zetten. Ze moe­ten werkelijk kurkdroog zijn, alvorens je be­gint met het artistieke werkje! Ik gebruik de verfdoos uit mijn schooltijd en werk nauwkeurig met penseeltjes — voor ie­dere kleur een ander. Zo droog mogelijk werken.

Voor het schrijven van dit stukje nam ik een proef met viltstiften. Gaat prima. Kinderen doen dat liever. Het resultaat is minder sub­tiel.

Voor de verdere — conserverende — bewer­king is het enorm belangrijk, dat de schilde­rijtjes enkele dagen rusten alvorens de be­schermende laag erop te brengen. Je kunt met vernis werken, met kleurloze nagellak of — dat vind ik het gemakkelijkst — met vetvrije haarlak. Ook daarmee lukt het pas na acht à tien dagen zonder uitlopen. Het drogen van de verf is mede afhankelijk van de tijd, die het ei leeg is geweest.

Knoop een houten kraal vast aan een lint of draad, trek deze door het ei, en hang het he­le clubje op een veilige plaats (tochtig!) aan wasknijpers op. Besproeien met haarlak op een afstand van 15 centimeter, anders be­schadigt de straal de verf! Ik hang ze op aan kale takken, maak er een boompje van en heb nog een krans van ‘henneneitjes’ liggen, die vijftien jaar geleden zijn beschilderd (toen zaten wij nog in Ham­burg!) en alle verhuizingen hebben doorstaan Ze worden ieder jaar verpakt in een karton­nen doos in watten. Het is een schat — wer­kelijk iets kostbaars! De kinderen, die ze be­schilderd hebben, zijn nu al grote mensen. Het is daarom leuk, als ieder kind zijn naam heel klein erop zet en het jaartal.

Ik heb enkele suggesties getekend (hier niet afgebeeld)— beestjes, bloemen, ornamenten. Ieder kind kan het terrein kiezen, waarop het meent het beste resultaat te bereiken. In deze keuze spiegelt zich al vroeg het karakter van onze oogap­pels! Het is een boeiend schouwspel, als er een groep met elkaar zit te werken. Als moeders meteen afspreken, vanaf vandaag al­le eitjes leeg te blazen (mits er geen sneeuw geklopt moet worden!), kunnen de kinderen spoedig aan de slag gaan. Wie ook een krans (voor onder de lamp of aan het plafond) wil maken, adviseer ik: Rijg steeds niet meer dan vijf eitjes aan een touw, en knoop deze dan aan elkaar. Op deze manier ontstaat een mooie boogkrans.

Katja Lobbe, ‘Jonas”, 12 maart 1976

.

Eiertak(ken)

Blaas een ei uit door er aan twee kanten een gaatje in te prikken, dan voorzichtig blazen boven een kopje.
Hang het ei op door in het gaatje een halve lucifer aan een draadje te laten zakken. Hang de uitgeblazen eieren op aan een uitlopende tak of aan een hoepel die omwikkeld wordt met groen crêpepapier.

Bron: ‘Jonas’ 5 april 1974

.

Paaseieren versieren

U zult het wel allemaal met mij eens kunnen zijn, wanneer ik zeg: Pasen en eieren horen bij elkaar.
Ik wilde wel, dat u het ook  met mij eens bent, dat bij Pasen geverfde eieren – en niet gewone witte – horen, waardoor u zoveel de nadruk legt op het eten van de eieren, wat toch niet de hoofdzaak van het paasfeest is….

Denkt u ook niet, dat speciaal onze kinderen het veel meer een “paasfeest” zullen kunnen vinden als de eieren mooi ge­kleurd en beschilderd zijn?

Er zijn nog grote gebieden in Midden-Europa, waar een paasei alleen maar een beschilderd ei kan zijn;  waar in elk gezin op Witte Donderdag een schaal met eieren op tafel komt, en waar iedereen, die maar enigszins een penseel kan hanteren, de paaseieren beschildert.

In Rusland werd op paasmorgen je ei door de Pope gezegend en het werd dan zuinig bewaard, want, nietwaar, een paasei is géén gewoon ei; in Czecho-Slowakia versiert men elk drie ei­eren en biedt deze als paasgeschenk aan.

Ongetwijfeld denkt u, dat het heel moeilijk is, om eieren kun­stig te beschilderen – enhet kan inderdaad tot kunstwerk worden -. Maar we moeten eens eenvoudig beginnen,  en als we dan de techniek beter beheersen en de verschillende mate­rialen ons geen poets meer kunnen bakken, dan kunnen we kunstiger patronen of voorstellingen gaan tekenen.

De meest gebruikte manier, die ook voor niet – ervaren moeders (èn vaders! èn kinderen!) tot leuke resultaten leidt, is de z.g. batiktechniek.
U tekent daarvoor met een dun houtje of lucifer, die U in au-bain-Marie verwarmde bijenwas doopt, of met een penseel en vloeibare Arabische gom, patroon­tjes of motieven op de eieren. Begint u vooral zo simpel mo­gelijk; er zijn in de natuur en in de volkskunst motieven te over te vinden, als u zelf geen ontwerpersgaven heb. (Ik noem bv. een zonnetje, bloem, plant of blad, een haasje, lammetje of engel, het zonnerad of de levensboom, ja zelfs nóg eenvoudiger: kruisjes, lijntjes en stippeltjes!) U moet met de was vooral snel werken, en steeds opnieuw in­dopen, want de was stolt bijna onder uw handen; het is in het begin niet makkelijk om een egale,  ononderbroken lijn te maken, en toch moet de lijn niet dun of beverig zijn, anders kruipt later de kleurstof eronder. Na het tekenen van de motieven gaan de eieren n.l. in een verfbadje..
Zult u niet te veel motieven op een ei zetten? Het moet rustig en fijntjes worden en niet te bont, zoals tegenwoordig vaak alle versieringen zijn!

Het is werkelijk al heel leuk, als u het ei door lengte- of breedtelijnen in een paar grote vlakken verdeelt, die U dan vult met bv. een paar stipjes, of een schuin kruisje, of een sterretje. Let U er ook op, vóórdat u begint, dat handen en eieren goed droog en schoon zijn, anders pakt de verf soms niet!

Als u nu een aantal eieren met de was beschilderd hebt, gaan ze in een verfbad. U kunt hiervoor speciale eierverf kopen, in kleine envelopjes met nogal sprekende vormen.’ Wat ook heel leuk is: de kleurbadjes maken volgens de oeroude methode van planten- en vruchtensappen, waarvan bv. het kooknat van spi­nazie, rode kool of biet, en het sap van vlierbessen of rode bessen goed bruikbaar zijn. Dat koffie bruin verft, weet u na­tuurlijk al; verder geeft lindebloesemaftreksel rosig-,  en sterke camillenthee zacht-geel.

Ik moet u wel waarschuwen, dat de plantensappen veel zachtere kleuren geven dan de (chemische) eierverf, die u in de winkel koopt, en velen onder u zullen dat maar “flauwe” kleuren vinden. U moet zelf beslissen wat u wilt doen. Vindt U, dat een paasei een sterke kleur mag hebben, dan kan ik beter de eierverf aanraden, anders bevredigt het resultaat U toch niet. Neemt U de verf niet warm, anders smelt de was er weer af en is al Uw werk voor niets geweest! Daardoor moeten de eieren wel lang in de verf blijven liggen, wel meerdere uren!

Voor degenen, die nog huiverig staan tegenover de gesmolten  wastekeningen is er de omgekeerde manier, n.l. eerst de eieren in het verfbad en als ze droog zijn, er met andere, afstekende kleuren de motieven op aanbrengen. Dat gaat heel aardig met plakkaatverf, en er is ook een synthetische verf op basis van aceton in de handel, die het voordeel heeft, dat ze direct droogt. Past u bij het drogen van de eieren na het verven wel op, dat de “onderkant” niet “smet”, anders krijgt u daar een witte plek. Een goed hulpmiddel daarvoor is een touwtje of draadje katoen er kruiselings omheen te binden en het ei op te hangen.

Als u de wasfiguren er na het verfbad afkrabt, steken de lij­nen of motieven goed af tegen de geverfde ondergrond. Als u in tweekleurentechniek werkt, kunt u de gom ook laten zitten. Vindt u het zo al heel wat, dan bent u klaar; de moedigen on­der ons gaan nu nog de witte lijnen en motieven in een andere, afstekende kleur (of misschien zelfs wel meerdere kleuren?) verven. Als de gewaste plekken niet heel goed gereinigd zijn, zullen ze niet makkelijk andere verf aannemen,  daarom ried ik u die synthetische verf aan, die tenminste “pakt”Om te be­ginnen is het tweekleurenwerk heus heel fijntjes en mooi, en het is toch beter een geslaagd ei in twee kleuren, dan een mislukt met meerdere kleuren!!!

Als de eieren heel goed droog zijn, kunnen we ze wat met een wollen lap poetsen,  waardoor ze gaan glanzen; in vroeger tij­den gebruikte men daarvoor een stukje spekzwoerd en tegen­woordig wel vaseline.

U kunt nu begrijpen, dat de beroemde, Russische paaseieren heel wat werk vragen,  want de motieven worden daar wel in zes kleuren uitgevoerd, waarvoor nodig is, dat telkens was opge­bracht, de eieren in een verfbad gaan, en dan weer nieuwe mo­tieven geschilderd worden, soms hele taferelen of voorstellin­gen, die ons aan de ikonen doen denken.

Maar als ons mandje met zelfversierde eieren dan op paasmorgen op tafel staat – en de kinderen, die ons gezwoeg en gezucht niet hebben meegemaakt, zien ze voor het eerst, zul­len ze het heus prachtig vinden! En voor onze kinderen willen we het paasfeest toch een blij en kleurig feest maken?

Wie weet, kunt u het dan achteraf toch wel met mij eens zijn, dat bij Pasen beschilderde eieren horen!?

P.Rijs-Bruyn, schoolblad Haagse vrijeschool, jaar onbekend

.

Eieren verven en versieren

eieren hard koken: als je ze een half uur kookt, kunnen ze nauwelijks meer  bederven

verven met natuurlijke kleurstoffen:
geel:                   uien (grof gesneden), even koken, saffraan
bruin:                thee, koffie, uienschillen, eikenschors
rood:                  uienschillen + azijn, bietjes (grof gesneden) meekrap
groen:                spinazie, klimopbladeren, wortels en blaadjes brandnetel
zwart/grijs:      elzenschors, elzenkatjes

Al dit materiaal koken in water en zeven. Hoeveelheid per liter heel verschillend, zelf uitproberen. Scheutje azijn verhoogt intensiteit van kleur. In warme vloeistof de eieren leggen; wil je zachte tinten: kort; wil je krachtige kleuren ca 1 uur. Eieren afdrogen en opwrijven met wollen lapje waarop druppeltje olie.

versieren:
geverfde eieren kun je versieren met goed geknede, gekleurde bijenwas of versierwas. Heel geschikt voor kleintjes.

technieken van versieren vóór het verven:
Jonge, groene blaadjes plukken (topje varen of fluitekruid, bv.) even laten verwelken en met tipje olie voorzichtig op ei plakken. Stukje nylonkous er stevig omheen binden. Verven. Kous losknippen. Motief van blaadjes is dan uitgespaard. Beeldig effect. Grassen en fijne bloempjes doen het ook goed.

Doe bijenwas en stearine (gewone witte kaars) half om half in vuurvast kommetje en verwarm dit op waxinelichtje of spirituslichtje. Het mag niet gaan koken!
Prik spijkertje met kleine kop in oud potlood of houtje (handvat) en doop dit in vloeibare was. Tip snel op het ei, voor ieder motiefje even indopen. ’t Gaat ook met fijn penseeltje. Verven niet warm en onder 40′, anders smelt de was. Afdrogen en voorzichtig was wegwrijven met warm doekje, niet krabben.

bron onbekend

.

Paaseieren kleuren met bloemblaadjes

Benodigdheden: eieren, uienschillen, jonge blaadjes en bloempjes, koffiedik, wit katoenen lapjes, garen.

Enkele dagen voor Pasen gaan de kinderen buiten allerlei kleine blaadjes en bloempjes zoeken: speenkruid, madelieven, hondsdraf, krokussen, blaadjes van fluitenkruid, van vroege heesters en wat er nog meer aan jong groeisel is te vinden.
Op een vierkant oud wit lapje wordt een laagje uienschillen ge­legd. Daarop komt een laagje bloem-en-blad, liefst van verschillen­de soorten. Het ongekookte ei wordt dan midden op dat bloemenlaagje gelegd en het lapje met schillen en groen wordt voorzichtig om het ei dichtgevouwen en met een stevige witte draad omwonden zodat alles goed op zijn plaats blijft zitten.

Die ingepakte eieren worden nu 15 à 20 minuten gekookt in water waarin flink wat koffiedik gedaan is.

Na het koken worden de eieren voorzichtig uitgepakt en tot ver­bazing van oud en jong zijn de eieren dan prachtig geverfd – men zou het beter “gebatikt” kunnen noemen – in geel (van de uien­schillen), bruin (van het koffiedik) en wit (waar de blaadjes hebben gezeten), zelfs met hier en daar een blauw, lila, of roze kleurtje van een bloempje dat af gaf.

Men moet eerst eens een proef-ei gemaakt hebben om te begrijpen dat het de kunst is zoveel mogelijk de eierschaal met fijn getekende blaadjes af te dekken – ook weer niet teveel, niet over elkaar heen, maar zo, dat een fijn varenachtig blaadje of een straalbloempje van de madelieven gaaf afgedrukt wordt.

Met een stukje spek of een vet lapje worden de gekookte eieren nog even opgewreven. Het worden natuurlijk erg hard gekookte eieren.

Paaseieren verven

Je kunt prachtige eieren krijgen door er allerlei planten- of bloemblaadjes omheen te leggen, dit geheel vervolgens in een lapje te wikkelen en 20 minuten koken in water of koffie.

Als planten kun je o.a. gebruiken: viooltjes, spinazie, krokussen, grasjes, uienschillen, enz.
Als je de nog warme eieren nawrijft met spekzwoerd, krijgen ze een prachtige glans.
Je kunt ook de eieren voor het verfbad met vloeibare bijen­was beschilderen. De eieren worden daarna koud geverfd en de met was beschilderde plekken nemen dan geen verf aan. Later wordt de was er voorzichtig afgekrabd. De restjes was worden er afgehaald door de eieren even in warme doeken te wikkelen.
Ook kunnen we op gekleurde eieren met een gewone stalen pen, die we in een oplossing zoutzuur (1/2 zoutzuur- -1/2 water) hebben gedoopt. Ook dit is een oude volkskunst.

bron onbekend

.

Verrassingseieren van chocola

Verse eieren leeg maken: geef een zacht tikje op de stompe kant, prik een behoorlijk groot gaatje en laat het ei (na zacht schudden) leeglopen. Uitspoelen en laten drogen.
Vullen met een mengsel van gesmolten chocola (au bain-marie) stukjes marsepein, koekkruimels, stukjes noot, oranjesnippers, evt. zuidvruchten, sucade.
Bij het vullen af en toe schudden, zodat het ei goed vol is. In de koelkast hard laten worden.

bron onbekend

.

Feest van de chocola

Pasen is het feest van de banketbakkers, van de chocolade-eieren, hazen en wat dies meer zij.
Het Studiecentrum Snacks en Zoetwaren (SSZ) rekent voor dat we per hoofd van de bevolking, per jaar, in totaal zo’n vier kilo choco­lade wegwerken. Hoeveel paaseitjes daar exact tus­sen zitten, is niet bekend. Ze vallen met de chocola­deletters en kerstkransjes onder de ‘seizoensartikelen’. Daarvan peuzelen we per saldo vier ons op. Dat is toch mooi zeventig mil­joen euro. Oftewel één-achtste van de totale berg repen, candy-bars, chocolaatjes en bonbons.
Een willekeurige Leonidaszaak meldt in de twee weken voor Pasen normaal zeker een verdub­beling van de omzet te kunnen boeken. Het loopt overigens wat minder hard dan vorig jaar* – de recessie eist overal zijn tol.

Vanwaar chocola?
Vanwaar die chocolade-eitjes met Pasen? Dat is een een-tweetje tus­sen de paassymboliek en de chocolade-industrie. Chocola was lange tijd een luxe, iets voor de aristocra­tie en de rijke bourgeoisie. Het drinken van chocolade – de vaste vorm moest nog bedacht worden -gaf status. Het persen van chocolade tot een harde massa lukte rond 1828. Begin 19e eeuw is begonnen met de productie van chocoladepaaseieren. “Deze, aanvankelijk zeer harde en korrelige eieren, wer­den in eerste instantie vooral in Frankrijk en Duitsland vervaardigd”, schrijft Gert-Jan Maaskant op de site van SSZ. “Deftige mensen wilden eieren snoepen. Het was een echte luxe. Na 1900 konden er ook holle figuren van hazen en kippen gemaakt wor­den. De producten werden goedko­per en dus toegankelijk voor het gewone volk”, voegt Ineke Strouken van het Nederlands Centrum voor Volkscultuur eraan toe. “Mensen gaven elkaar eieren en deden er een chocolade-eitje bij. Frappant is dat het eten van chocolade in die tijd gestimuleerd werd door de arbeidsbeweging. Het voorzag in de behoef­te aan veel calorieën.”

Heidens
“Het ei en de paashaas hebben hun betekenis gekregen in een ver hei­dens verleden”, stelt Maaskant. “Het ei gold eeuwenlang als symbool van de vruchtbaarheid, weder­geboorte en zelfs als symbool van alle begin. De Germaanse gewoon­te om eieren te offeren aan hun lentegodin Eostre is hiermee ook te begrijpen. Het christendom heeft het ei een plaats kunnen geven. Het werd symbool voor de weder­opstanding.”

Maar daar gelooft Ineke Strouken geen sikkepit van. “Daar is geen enkel bewijs voor. Het ei is een heel oud christelijk symbool. Het wordt al in 325 genoemd in een liturgie. Het ei staat voor het graf waar Christus uit opstaat.” “Na maanden van schaarste, met als dieptepunt de vastenperiode, werd met de paasmaaltijd de komst van vers voedsel gevierd. Eieren gol­den als bijzonder voedzaam en dus geschikt om de verzwakte mens na de winter aan te laten sterken”, zegt Strouken. “Als ultiem
vrucht­baarheidssymbool werden eieren bovendien geverfd of verpakt in mooie papiertjes cadeau gedaan om de medemens een goed sei­zoen te wensen.”
Zo ontstond ooit de traditie om elkaar eieren te geven.Van daar­uit verschenen de beschilderde (kippen- en eenden-) eieren. Eivormig speelgoed kwam in de handel.

Toppunt van luxe: Carl Fabergé bezette eieren met juwelen. Oma’s en opa’s die eitjes in de tuin verstoppen, een kleurrijk lichtsnoer, het zijn varianten op een stokoud thema.

Maarten van Rakt in Brabants Dagblad 10 april 2004

.

Bijzondere eieren uit Perzië

In het eerste begin was er Ahoera-Mazda, de Grote Geest uit wie alle licht voort­kwam. Het licht kwam uit de Grote Geest en uit dit licht kwamen Ormoezd en Ahra-Manyu. Twee broers, maar Ahra-Manyu (Ahriman) hield niet van Ormoezd en be­streed hem waar en wanneer hij maar kon en bedierf de goede werken van Ormoezd. Daar­om veroordeelde de Grote Geest Ahriman en werd hij voor drieduizend jaar naar de diep­ste duisternis verbannen. In de duisternis nam de haat van Ahriman jegens zijn broer alleen maar in hevigheid toe. Tenslotte bestond hij alleen nog maar uit leugen, boosheid en duisternis. Toen de drieduizend jaar verstreken waren, schiep Ahriman een groot aantal boze gees­ten en stuurde hen ten strijde tegen de goede geesten die Ormoezd dienden. Toen maakte Ormoezd, de Heilige Geest, een ei en vulde dat met goede geesten. Ahriman, de Verwoes­tende Geest, zag het en maakte eveneens een ei maar vulde het zijne met de boze geesten van leugen en boosheid. En het geschiedde dat de eieren braken en de inhoud zich ver­spreidde over de aarde. Naar alle uithoeken van de aarde gingen de boze en de goede geesten en zetten hun strijd voort.
Zo is goed en kwaad onder de mensen gekomen.
(Perzische legende)

Net als veel andere vóór-christelijke cultuurvolken vierden de oude Perzen, die ons deze legende hebben nagelaten, aan het begin van de lente een voorjaarsfeest. En net als overal was dat het feest van het nieuwe leven dat triomfeert over dood en duisternis.
Naast het ‘nieuwe vuur’, speelden eieren de hoofdrol bij deze feesten. De koude witte steen die het geheim van het leven in zich draagt, dat moet een goddelijk teken, een godsgeschenk zijn. Geen mens kan dat zelf nemen. Bij het opstandingsfeest schenkt men de ander middels het ei hoop op (levens)-kracht, vruchtbaarheid op aarde en in de geest, onkwetsbaarheid voor ziekte en betovering, kortom de zegen der Goden.
Vaak was het ei het eerste, geheiligde voedsel na de kortere of langere vastentijd die van oudsher aan dit feest vooraf ging. Zelden in ‘natuurlijke’ staat, maar gekleurd, gezegend, van spreuken voorzien of…als doosje.

Doosjes van eieren kennen we in onze tijd uit Rusland en andere Oost-Europese landen waar de paasviering nog steeds het religieuze feest bij uitstek is.
In het westen is dat Kerstmis. Hier geden­ken wij het begin van de lijdensweg om onzer wille, daar viert men de glorieuze overwinning van het licht op de duisternis en begroet men elkaar op paasmorgen met:
‘Hij is waarlijk opgestaan’.
Men schenkt el­kaar eieren, het wit gepleisterde graf waaruit het leven met Christus is opgestaan.
De oude Perzen vierden hun opstandingsfeest met dezelfde blijheid, maar zij waren een nuchter volk. Had niet ook Ahriman een ei gescha­pen? Dus schonken zij sommigen van hun vrienden doosjes in de vorm van eieren ge­vuld met plagerijtjes.

Het is eigenlijk helemaal niet moeilijk om van een ei een doosje te maken. Het vraagt van ons dat wat elk jong leven vraagt, behoed­zaamheid.

Een ganzenei is wel het grootste ei waar men vrij eenvoudig, bij poelier of goede markt­koopman, aan kan komen. Een ganzenei geeft ook een zeer spectaculair resultaat. (Met kippeneieren gaat het natuurlijk ook. Neem dan alleen wel echte scharreleieren. Ik heb met een legbatterij-ei meegemaakt dat hij bij het uitblazen gewoon plofte.)
Zo wie zo is dit een knutsel waarbij de tem­peramenten zich al snel verraden, eerst bij het uitblazen en later bij het doorzagen. Er zijn mensen die kunnen volstaan met twee kleine blaasgaatjes, zelf heb ik meer midden­maat gaatjes nodig, voor mensen als ik de volgende hint: een ganzenei kan heel wat hebben.

Blaas het ei uit en spoel het schoon.Teken een lijn op de schaal waar u hem wilt doorza­gen, zo recht mogelijk en plak een stuk plak­band langs deze lijn. Eventueel meerdere lagen over elkaar om de rand wat dikker te maken. Dit plakbandrandje geleid de ijzer­zaag over de gladde schaal. Neem een fijn ijzerzaagje en begin zachtjes langs het randje te zagen steeds rondom, niet drukken! Ei­genlijk is het meer doorslijpen dan zagen. Bij zagen ontstaan er onherroepelijk schilfers terwijl de snede helemaal gaaf kan zijn. Een zacht kussentje onder het ei maakt het ge­makkelijker. Wanneer de schaal is doorgesle­pen is het beter om het vliesje dat taaier is met een scherp mesje door te snijden. Nu hebben we eigenlijk al een doosje maar het is zo erg breekbaar. Verstevigen van de binnenkant gaat het beste met een laagje Darwiklei, een spierwitte kleisoort die goed aan het ei hecht en niet gebakken hoeft te worden. Hiermee maken we ook een voetje voor de schaal en een knopje voor de deksel. Laat het een dag drogen en beschilder het met hobbyverf.

Nicole Karrèr,  ‘Jonas”29 maart 1985

.

Wat doen we met de eieren?

Wat doen we met al die koude geverfde eieren ?

Eierragout                                  b.v. met 4 à 5 eieren.
Uitje fruiten, mosterd,(flinke theelepel) knoflook (naar believen), 1 laurierblad, 1 bouillontablet oplossen (bv. kerrie bouillon van Hügli of uienbouillon) met 3/4 I melk, nootmuskaat, beetje kerrie.

binden:   met een drupje citroen, paar korrels suiker en zout en met wat peterselie afmakenDe fijngesneden eieren er door roeren.

geven: bv. met geroosterd brood.

Kerrieragout
ui fruiten, fijn gesneden appel erbij, flinke hand rozijnen, kerriepoeder erbij, een bouillonblok en water toevoegen. Binden en op smaak maken met snufje zout/suiker en citroen. Eieren in plakjes erdoor heen roeren..

geven: met rijst en sla of als rauwkost

Kruidenboter met ei;
3/4 pakje roomboter – zout, peper, knoflook, peterselie, wat
druppels citroensap – bieslook (als er is) en of dillekruid-
fijn gewreven eieren erdoor (evt. een dopje sherry toevoegen]
Heerlijk op warm stokbrood!
Lege eierdoppen kunnen prachtig in onze lente- en paastuintjes gebruikt worden.
Zet er kleine bloempjes in: speenkruid en klein hoefblad of zaai er (in een piepklein beetje aarde) sterrenkers in. Lekker op een beschuitje met een beetje citroensap.

bron onbekend

.

.

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

121-116

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner als didacticus (alle artikelen)

.

Rudolf Steiner als didacticus (1)
Hoe leg je het begrip “lang geleden” uit

Rudolf Steiner als didacticus (2)
De abstractie van een rekenopgave

[2-1] Onzinnige sommen
De onwerkelijkheid van sommige rekenopgaven; die zou een kind niet moeten maken,

Rudolf Steiner als didacticus (3)
Het ‘gevaar’ van reciteren: dreun en onbegrip

Rudolf Steiner: alle artikelen

120-115

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner als pedagoog (alle artikelen)

.

Rudolf Steiner als pedagoog (1)
Hoe om te gaan met de driftbuien van een cholericus

Rudolf Steiner als pedagoog (2)
Wat kan er gebeuren als 2 kinderen met eenzelfde temperament naast elkaar zitten

Rudolf Steiner als pedagoog ( 3)
Een aanwijzing voor het melancholische temperament

Rudolf Steiner als pedagoog (4)
Hoe bij een (cholerisch) kind een verhaal werkte

Rudolf Steiner als pedagoog (5)
Schoonschrijven?

Rudolf Steiner als pedagoog (6)
Hoe beelden uit de vertelstof tot in het latere leven kunnen doorwerken

Rudolf Steiner als pedagoog (7)
Antroposofische menskundige inzichten omgewerkt tot pedagogisch handelen

Rudolf Steiner als pedagoog (8)
Hoe een verhaalbeeld eerbied kan wekken

Rudolf Steiner als pedagoog (9)
Pieter HA Witvliet: over het ‘imponderabele’, een ervaring.

Steiner over het imponderabele
Jesse Mulder: zijn  ‘Antroposofie doen’ gaat ook over de vrijeschool. N.a.v. zijn artikel geef ik hier de vindplaatsen in de pedagogische voordrachten weer, waar Steiner over het imponderabele spreekt.
Het gaat in alle gevallen om een voorbeeld: de cocon met de vlinder als beeld voor de onsterfelijke ziel.|
GA 34; GA 294; GA 296; GA 297; GA 297A; GA 298; GA 300A; GA 301; GA 302A;  GA 303;  GA 304;  GA 304A;  GA 305;  GA 306;  GA 310

Rudolf Steiner: alle artikelen

119-115

.

VRIJESCHOOL – Rekenen – 1e klas (5)

.
1e klas: rekenen: alle artikelen;  1e klas: alle artikelen

OEFENEN MET DE 4 REKENBEWERKINGEN

Voor kinderen is het goed wanneer ze in de les op iets gewezen worden wat ze pas later, in hogere klassen zullen leren of dat ze iets leren wat in een andere vorm steeds terugkomt.
Een kleine oefening die in ieder leerjaar gebruikt kan worden:

Ieder kind kan van een zelfgekozen getal uitgaan; de 4 rekenbewerkingen worden gebruikt – je komt tot een gelijkluidende uitkomst. Je kunt de oefening gebruiken voor hele getallen (mondeling of schriftelijk), voor breuken en tiendelige breuken, bij negatieve getallen en bij algebra en zelfs bij machten, wortelgetallen en logaritmen.

De oefening is als volgt opgebouwd:

     5                                                  9

5  x  5  =                                       9   x  9  =  81
+ 5  =                                          81  +  9  =  90
:  5  =                                          90  :   9  =  10
–  5 =                                          10  –  9  =     1

Het verrassende is de uitkomst: altijd 1

87       x  87  =   7569
7569   + 87   =  7656
7656   :  87  =        88
88       – 87   =          1

Kinderen van de 3 klas hebben op deze manier een mooie controle over wat ze kunnen met schriftelijk rekenen.

In de 4e klas bv.

rekenen

5e klas, decimaalbreuken:

0,4   x  0, 4 = 0,16
0,16 + 0,4  = 0, 56
0,56 : 0,4   = 1,4
1,4   – 0,4   = 1

1,02       x  1,02 =  -1,0404
1,0404 + 1,02 =  2,0604
2,0604 : 1,02  =  2,02
2,02      – 1,02  = 1

De 7e-klasser kan alle regels ook met negatieve getallen toepassen:

(- 3 )   x  (- 3) =    + 9
+ 9      + (- 3)  =   + 6
+ 6      :  ( -3 ) =    – 2
– 2       – (- 3) =    + 1

Ook met algebra kan het:

rekenen 2

Bron: Georg Hofmann, Erziehungskunst 29e jaargang nr. 5, 1965

Een kleine kanttekening:
De allereerste keer dat je dit in een klas mondeling doet, is de verrassing bij het noemen van de uitkomsten groot. De kinderen wisten van elkaar niet welk getal ze gekozen hadden en toch is de uitkomst bij iedereen 1!!!.

Maar als ze het eenmaal weten, is de lol eraf en de mondelinge opgave zinloos: je hoeft niet te rekenen, alleen bij de vraag naar de uitkomst zeg je ‘1’.

Een interessant menskundig verschijnsel wanneer je naar de kwaliteit van het denken kijkt. Dit weten laat zich vrijwel meteen van zijn ‘dode’ kant zien, terwijl het doen (de wil) van een leuk spel ‘nooit’ verveelt; ook al weet je hoe het gaat.

Wanneer de kinderen dit schriftelijk doen – ze hebben hun eigen getal gekozen – moeten ze wel laten zien hoe ze en of ze echt bij 1 uitkomen.

 

1e klas – rekenen: alle artikelen

1e klas: alle artikelen

Rekenen: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 1e klas

 

118-115

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (14)

.

PASEN EN DE MAAN

De bijbel laat er weinig twijfel over bestaan.
In de week na het joodse Passahfeest vindt de kruisiging en de opstanding van Jezus Christus plaats.
Het joodse Passahfeest dat Ín oorsprong een lentefeest was, viel samen met de volle maan in de lentemaand Nissan.
De joodse kalender was geregeld volgens de maan.
Om toch de overeenkomst met het zonnejaar te behouden werd om de drie jaar een schakelmaand ingevoerd.
Het maanjaar telt namelijk maar 355 dagen. Het zonnejaar 365 dagen. Het Joodse volk maakt gebruik van een maanjaar, dat echter zoveel mogelijk in overeenstemming werd gebracht met het zonnejaar. In de landen waar de mohammedaanse godsdienst wordt beoefend is de zuivere maankalender ingevoerd. Dat betekent dat in landen zoals Iran, Irak, Arabië het begin van het jaar onafhankelijk zal zijn van de zonnestand. Met een maankalender is het onmogelijk om seizoenen te onder­scheiden volgens kalenderdagen.

In sommige vroeg-christelijke gemeenschappen werd het christelijke
paasfeest gezamelijk met het joodse Passah gevierd.
Op het concilie van Nicea werd vastgesteld dat het paasfeest op de
zondag na de eerste volle maan  in de lente moest worden gevierd.
Vanaf 325 is altijd aan deze regel vastgehouden.

Om de paasdatum vast te kunnen stellen, werd gebruik gemaakt van de Griekse kennis over de bewegingen van dit hemellichaam. In 1582 werd door paus Gregorius voor het laatst een hervorming van de kalender doorgevoerd.

De kerk gebruikt voor het vaststellen van het paasfeest de tabellen van 1582.

Dat heeft tot gevolg dat de kerkelijke maan niet altijd met de werkelijke maan in overeenstemming is.

Zo was het in 1974 op 6 april volle maan. Volgens de kerk was het echter op 7 april volle maan. 7 april was een zondag en viel het paasfeest dus één week daarna op 14 april.
In het jaar 1981 zal de werkelijke paasviering weer verschillen met het kerkelijke paasfeest.
In dit jaar, 1976, zal het volle maan zijn op 14 april om 14.49uur. Het paasfeest wordt dan gevierd op zondag en maandag 18 en 19 april.

 J.Oele, nadere gegevens onbekend

 

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

117-114

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (13)

.

PASEN

1977 in ons gezin*.

We staan als ouders of verzorgers weer voor de opdracht er iets goeds van te maken.
In de kringloop van de jaarfeesten die zo wonderwel aansluiten bij de grote ritmen van de natuur van onze aarde is het paasfeest weer aan de beurt.

Weer kruipen we uit de beslotenheid van de donkere winter te voorschijn, zien met blijdschap de zon steeds hoger klimmen. We merken dat we niet meer in het donker opstaan en dat de vaders (of moeders) thuiskomen van hun werk als de zon de aarde nog beschijnt! Als het kind onze blijdschap over de ontwakende natuur voelt, en wij die vreugde bewust hanteren, werken we aan een gezonde genezende basis van de jonge mens. Daaruit kan voor het latere leven vertrouwen groeien in ons aardeleven, en zelfvertrouwen voor onze daden.

Als de avonden lichter worden is het een belevenis, om de rommel in de keuken even te laten staan en met het hele gezin een avondwandeling te maken in de buurt of nabij het park. Een lichte gekleurde lucht, soms laag beschenen wolken, eerste groentjes in de tuinen, groene puntjes aan de bomen en een verrukkelijk vogelgefluit. Ook onze neuzen vangen kruidige geuren op. Nu komen we in de goede stemming om Palmpasen en Pasen voor te bereiden en er iets levends en goeds van te maken.

Dat bewust voorbereiden (denk aan adventtijd) hebben wij moderne mensen erg nodig.
Wij hebben n.l. te maken met vijanden: een soort tegenmachten die ons belagen en het ons heel moeilijk maken.
Overladen programmas, innerlijke onrust, onzekerheid, haast, ongezonde leefsituaties of gewoonten, en zo voort…

Hoe chaotisch wij ons ook gedragen, wij hebben steeds met ritmen te maken. Hartslag – adem­haling (in en uit), waken – slapen, dag en nacht, eb en vloed…Het steeds terugkerende lente-zomer-herfst- en winterbeleven biedt ons een ritmisch houvast voor ons gezin.

In vroeger tijden was het jaarritme en het vieren van feesten een heilig gebeuren. Nog leven de mensen die naar de kerk gaan met de cyclus van het kerkelijk jaar. De boer had zijn hou­vast aan de zaaitijden die hij op zijn beurt van zijn vader en grootvader ‘wist’. Dat weten duidt op een samenhang die wij allang losgelaten hebben.
Wij ouders van nu in onze nieuwe zelfstandige?’ situatie, wij moeten zelf onze weg zoeken, iedere moeder of vader op zijn eigen manier, met zijn eigen talenten. De een is muzikaal, de ander knutselt graag. Nog een ander bakt voortreffelijke taarten en koek. En nog een ander verstaat de kunst om zomaar gewoon blij te zijn.

Een vader komt vol zorgen en problemen thuis. Een hele dag binnen in een rokerige ruimte met velerlei mensen en velerlei meningen. Een kleuter rent naar hem toe. Pap, ik ken een liedje voor je en ik heb al gele bloemetjes gezien en vertel je nu een bloemenverhaalje en ….’ Als Pappie dan bekomen is van deze stortvloed en automatisch naar zijn krant wil grijpen, klinkt daar in de kleuterhoek een stemmetje:

‘Krokusbolletje,
kom ereens uit je holletje,
met je bloempjes paars en geel
op een dunne steel’.

En dan volgt heel beslist een opdracht: Mam, en zo moet jij een kerokusvrouwtje maken, weet je wel met een paars hoedje.’

Ja, de jaarfeesten blijken steeds weer opnieuw steunpilaren te zijn voor gezin en school. Hoe meer je naar het kind luistert, hoe meer je oefent, hoe fijner het wordt!
Is het niet een soort cultus, een gevoel te ontwikkelen over de samenhang tussen, en het weer verbinden van mens en natuur. En tenslotte heeft Christus zich met deze aarde, deze natuur en deze mens verbonden. Dan is Pasen in de toekomst niet alleen een opstanding, een ontwaken van de natuur om ons heen, maar een opstanding van Christus, van het geestdeel van de mens.

Religie = Religia = weer verbinden.

Met de kleintjes hebben wij het niet over dood en opstanding als uitgangspunt. Met hen gaan we in de eerste plaats de natuur om ons heen bekijken. Wij vragen ons met hen af welk wonder dat zaadje in dat potje liet groeien.

Wij kunnen met onze kleuters een paastuintje maken van aarde, mos of een graspolletje. We steken er takjes in, maken vlindertjes van zijdevloei. Een leeg eierschaaltje kan als vaasje dienen, gevuld met wat voorjaarsbloemetjes. Een wollig kuikentje steken we op een kaal takje en verstopt in een schaaltje van zilverpapier een suikereitje. Een ieder vult aan naar zijn ver­mogen!

Eieren zoeken in tuin, park of kamer doet de paashaas eer aan. Wat een handig vlug dier is dat. We vinden aansluitend aan beschreven stemmingen in een liedjesboek ‘Een mandje vol amandelenpassende liedjes. Hoe zaait de boer zijn korentje’.
Ook De Gouden Poort‘, liedjes voor kleuters van Beatrijs Gradenwitz is een steun voor het gezin. We kunnen ook best eens een liedje zelf verzinnen met het kind. Dat valt altijd in goede aarde, als we er maar zelf in geloven.

Zo wordt de voorbereiding voor en het vieren van Palmpasen en Pasen voor de kleintjes een  bron van vreugde en levensblijheid. Voor de groteren betekent dit een gezamenlijk beleven, een stukje creativiteit en inzet.

Voor allen een gelegenheid om weer een jaarfeest te ‘beoefenen” en zo vanuit het gezin een bolwerk te vormen en te zoeken naar het geestelijk element van ons mensenbestaan. Zulke gezinnen zijn nodig voor een sterke school en voor een nieuwe spirituele wereld.

* Erica Mathijsen. Nadere gegevens ontbreken.

.

PASEN IN HET GEZIN

Hoe kunnen wij dit nu in de praktijk verwezenlijken?

We zijn er niet, door weer, net als ieder jaar, eitjes te verven en te verstoppen, paashazen te boetseren, mandjes te vlechten, palmpaasstokken te maken, hoe plezierig het ook is, samen met de kinderen daaraan te werken.
Het is veel zinvoller, voor iedere week van de lijdenstijd, voor iedere dag van de Heilige Week, iets uit te kiezen, een verhaal, een gedicht, een gerecht, een baksel, wat juist zinvol is voor die week, voor die dag.
De grote kinderen vertellen we het paasevangelie, de kleinere „begrijpen” de beelden van sprookjes en sagen, van symbolen als het zonnerad, het kruis, het ei en de paashaas beter.

Voor het hele gezin kunnen we een paastuin maken, door wat snelgroeiende planten te zaaien in een bak met aarde. Voor de kleintjes komen daar met Pasen kleine eendjes en kuikentjes tussen te staan, en lammetjes van schapenwol. Met alle kinderen kunnen we brood kneden, de jongere kinderen maken daar haasjes en mannetjes van, de oudere vormen ingewikkelde vlechtbroden. Samen zingen we liederen en misschien maakt een van de groteren wel een speciale spreuk voor de paasmaaltijden. We kunnen de hoepel van de adventskrans gebruiken voor een lentering, met berkentwijgen versierd en met 12 kaarsen, voor iedere apostel één.

Wanneer de Heilige Week dan begint, op palmzondag (15 april*), houden we met de in de week ervoor gemaakte palmpaasstokken een palmpaasoptocht, ter herdenking van Christus’ intocht in Jeruzalem. Misschien lezen we de kinderen het verhaal uit het Evangelie voor of een gedicht, dat ons getroffen heeft, zoals het gedicht op deze bladzijde, dat uit Duitsland stamt:

De Heilige Week

Toen Jezus van zijn Moeder wegging
en de Grote Heilige Week aanving,
toen had Maria veel hartepijn
en zij vroeg haar Zoon bedroefd

Ach Zoon, jij liefste Jezu mijn
wat zul je op de Heilige Zondag zijn?
Op Zondag zal ik een Koning zijn
dan zal men mij met kleren en palmen bestrooien.”

Ach Zoon, jij liefste Jezu mijn,
wat zul je op de Heilige Maandag zijn?
op Maandag ben ik een zwerveling
die nergens een onderdak vinden kan”

Ach Zoon, jij liefste Jezu mijn
wat zul je op de Heilige Donderdag zijn?
“Op Donderdag ben ik in de etenszaal
het Offerlam bij het Avondmaal”

Ach, Zoon, jij liefste Jezu mijn
wat zul je op de Heilige Vrijdag zijn?
“Ach Moeder, ach liefste Moeder mijn,
kon je de Vrijdag maar verborgen zijn! ”

Ach, Zoon, jij liefste Jezu mijn
wat zul je op de Heilige Zaterdag zijn?
,,Op Zaterdag ben ik een Tarwekorrel,
die in de aarde opnieuw wordt geboren”

“Op Zondag, verheug je, o Moeder mijn,
dan stap ik over des Graves steen
en draag een kruis al in mijn hand
dan straalt Glorie over alle land.”

In de oude gebruiken vinden we wellicht aanknopingspunten, iedere dag van de Heilige Week een eigen, zinvolle vorm te geven. Hier enige suggesties:
De Donderdag wordt ook wel Groene Donderdag genoemd. Het is de dag van de Voetwassing. Misschien kunnen we dat in ons bewustzijn hebben, kan dat de sfeer van die dag bepalen. Vroeger klonken ook de ratels waarmee men de Dood probeerde te verjagen. Men kookte een soep van negen voorjaarskruiden en het zaad, op deze dag gezaaid, gold als bijzonder vruchtbaar.
Goede Vrijdag is de dag van het Kruis. In een vlechtbrood, in een weefwerk, in kruissteken kunnen ook kleine kinderen daarvan iets beleven. Misschien kunnen we ook een kruisbrood bakken, zoals men vroeger wel deed. Men hing deze broden op in huis, legde ze op de velden en voedde er mens en dier mee.
In de huiskamer staan kersentakken. Eerst leken zij dood en we vroegen ons af, of er ooit bloemetjes te voorschijn zouden komen. Maar de knoppen worden toch steeds dikker en groener en opeens is op een morgen één knop opengebarsten en ontvouwt zich de eerste kersenbloesem. Voor de kinderen is het een belevenis, een klein wonder. Ook de op de kale takken bloeiende Hamamelis, de sneeuwklokjes en de narcissen zijn voor hen echte gebeurtenissen; intens leven zij mee, met het opengaan van de bloemen en een kind van vier kan dan vragen stellen als: ,,Waarom bengelen die sneeuwklokjes toch zo heen en weer? ” Zelf vindt hij het antwoord en zachtjes hoor je hem tot zichzelf zeggen: ,,0 ja, natuurlijk, dat doen ze om de aarde wakker te bengelen.” De kinderen hebben gezien, hoe uit de dode bruine aarde het leven weer omhoog is geschoten, naar het zonlicht toe. Het lijkt hun, alsof de zon met haar stralen de aarde heeft versierd ter ere van een feest. Is het een paasfeest, waarvoor de natuur zich met bloesem tooit?

Sinds heel lang wordt het paasfeest als lentefeest gevierd. Men kent al voorjaars­spelen uit de tijd der Hethieten, 2000 jaar voor Christus. Ook uit Babylonië, Egypte, India, China en het oude Amerika zijn overleveringen van gevechten, waarin Leven en Dood met elkaar in het strijdperk treden. In de oude Duitse volksspelen, die zelfs nu nog op de vierde vastenzondag, de zondag Laetare, worden gehouden, vinden we de strijd tussen zomer en winter, en optochten, die herinneren aan onze Sint- Maartensoptocht. In ons land vinden we weinig echte paasgebruiken. In het oosten van het land worden nog paasvuren ontstoken, maar in het westen herinneren alleen de chocoladefiguren bij de banketbakker, de mooi opgemaakte mandjes en de paasbroden nog aan het paasfeest. Zelfs een palmpaasoptocht wordt lang niet overal gehouden.
Als we in ons gezin zinvol een paas­feest willen vieren, zullen we ons eerst af moeten vragen, wat Pasen voor ons, anders, betekent.

We moeten op zoek gaan naar de achtergrond van al de oude paas­gebruiken, die we overal in boekjes kunnen vinden; naar het waarom van paashaas en eieren. Beleven wij nog iets bij de woorden: Pasen is opstanding, Pasen is triomf van het leven over de dood? Het paasfeest vormt het sluitstuk van de paastijd, de Lijdenstijd. Dit jaar* is die begonnen op 24 maart. Palmzondag is de vierde Lijdenszondag, en als de paasklokken beieren op paaszondag vieren wij de opstanding van Christus, de triomf van het Leven over het sterven.
Gelaten herleven, dat althans te proberen, vergt veel denkwerk en vindingrijkheid, maar onze moeite wordt beloond, want juist door veel zwoegen wordt het paasfeest een echt Opstandingsfeest.
Stille Zaterdag is een dag, waarbij alles de adem inhoudt, in afwachting van Pasen. Op deze dag kunnen we het paasbrood bakken, de eieren verven, en hout verzamelen voor een paasvuur(tje).
Vroeger trok men ook paaskaarsen van de eerste witte was van de bijen; die werden door de priester ,,versierd” met een kruis, met het jaartal, met een alfa- en omegateken en 5 wierookkorrels met bloedrode wasnagels. Zij werden dan aangestoken met het paasvuur.
Op paasmorgen mogen de kinderen vroeg hun bed uitkomen. Zij stormen de tuin in om de eieren te zoeken, die de paashaas daar ’s nachts verborgen heeft.
In triomf worden ze naar binnen gedragen en op de paastafel gelegd, waar al een mandje klaarstaat. Op tafel kunnen we een door allen samen versierd kleed van papier leggen, of bijv. een paarse loper met daaroverheen een gele, waarin allerlei motieven zijn uit­geknipt. In het midden staat het paastuintje, nu ook nog met bloemen versierd, ernaast staan het aangesneden paasbrood, eierdopjes, gemaakt van papier of klei, een boterlammtje en de broodjes zijn tot hazen en kuikens geworden, misschien zijn er zelfs wel door moeder gebakken eiermannetjes.

Op deze dag kunnen we met elkaar zingen of musiceren en er is vast wel een sprookje, dat juist „gemaakt” schijnt voor Pasen. Vroeger ging men buiten paaswater halen, om zich daarmee te wassen en daardoor schoonheid en kracht te verkrijgen. De kinderen mochten met een roede ieder het bed uitjagen. Deze roede was ook weer versierd, net als de palmpaasstok, en gesneden van een wilg of berk. Men ging vroeg naar de kerk waar de priester de paasbroden en de eieren zegende.
Voor ieder was er een rood ei, rood als beeld voor het bloed van Christus.
Op paasmaandag maken we een wandeling, we kijken hoe feestelijk alles er nu buiten uitziet.
Het is de dag van de Emmaüsgangers en het besef daarvan kan onze wandeling tot iets heel bijzonders maken.
Dan is het paasfeest voorbij, maar door alles heen, wat we samen hebben gemaakt en gedaan, door het vlechtwerk en het kruis, door de eieren en de hazen is iets tot ons doorgedrongen, van wat werkelijk met Pasha, in het Duits Ostern = Zonsopgang te maken heeft.
Zo kan Pasen het grote feest worden, dat het zou moeten zijn, het feest van de Opstanding.
Misschien wensen we elkaar dan ook op een gegeven moment niet meer gewoon „Vrolijk Pasen,” maar zeggen we, zoals de Russen: “Christus is opgestaan”, waarop de ander antwoordt: “Ja, hij is waarlijk opgestaan.”

rubriek ‘het kind op weg’ in ‘Jonas” 13 april (jaar onbekend)

.

KINDEREN HELPEN MEE!

Pasen is een feest dat echt geschikt is om samen met kinderen voor te bereiden. Als kinderen mee mogen helpen aan de voorbereiding van een feest, staan ze er anders tegenover, voelen ze zich er meer mee verbonden. Bovendien genieten ze van de voorbe­reiding minstens zo veel, als van het feest zelf. Juist met Pasen is er voor groot en klein van alles te bedenken om zelf te maken.
Het samen plannen maken, eieren verven, de tafel versieren of iets bakken, brengt een feestelijke stemming in huis, dat zijn hoog­tepunt vindt in het zoeken naar de, door de paashaas verstopte eieren! Er zijn een paar dingen die we bij zo’n gezamenlijke voorbereiding in het oog houden om alles vlot te laten verlopen.

Probeer niet te veel te willen maken, want kinderen ervaren het dan gauw als “moeten” en verliezen hun plezier erin. Liever wat minder versierd en ge­bakken dan een doodvermoeide moeder en mopperige kinderen. Overleg ook tijdig met de kinderen wanneer wat gedaan zal worden, zodat ieder in eigen tempo zijn bijdrage kan leveren. Vaak ontstaan er pas tijdens het werk allerlei plannen en ook bij iets wat mislukt, is het fijn nog een middag beschik­baar te hebben om het nog eens te proberen. Naar aanleiding van de plannen moet er natuurlijk allerlei materiaal in huis zijn zoals: verf, penselen, allerlei pa­pier, gum, lint etc. Verder hebben we een heleboel geduld nodig, want er vallen vast verfpotjes om en lijm, papier en vingertjes kleven vaak op de verkeerde ma­nier aan elkaar. Hou ook in het oog dat het bij jonge kinderen vooral om het doen gaat en niet om het resultaat. Hoewel ze ook reuze trots zijn als hun ei, vol klod­ders verf, aan een tak komt te hangen. Een uitgeblazen ei schilder je gemakke­lijker als je het op een stokje steekt waarop halverwege een kraal gelijmd is, die het ei tegenhoudt. Het ei op het stokje (dat ergens in geprikt wordt) laten dro­gen en later ophangen.

Tot slot twee boekjes waarin van alles over paasversieringen te vinden is:
Serie Vaardige Handen, uitg. Gebr. Zomer en Keunings;
Paasversieringen door Hans Fasold (nr. 21)
Eieren Kleuren (nr. 18).

eieren verven         Pasen (15)

‘Het kind op weg’ in ‘Jonas’ 5 april 1974

.

PAASMENU

Saffraanrijst of
nieuwe aardappeltjes in de schil
kropsla met radijs, geschikt rond een bord waarop 8 dagen van te voren gezaaide sterrenkers

hardgekookte eieren met gesmolten boter en kappertjes

toe: zonnepudding

‘Jonas’ 6 april 1979

.

ZONNEPUDDING

Benodigdheden:
200 gr- suiker
12 blaadjes gelatine
12 sinaasappels
2citroenen
1/4 liter slagroom
3 eieren
een beetje olie

125 gr. suiker ,
7 geweekte blaadjes gela­tine oplossen in een weinig water op het vuur.
Sap van 6 sinaasappels en 1 citroen er­bij gieten als de massa koud, maar nog vloei­baar is.
De 1/4 liter slagroom stijfkloppen en het mengsel langzaam erbij gieten.
Drie stijfgeslagen eiwitten luchtig erdoor scheppen.
Als de puddingmassa niet meer uitzakt in een ronde vorm doen die wat ingeolied is.
In de ijskast minstens 5 uur laten opstijven.

75 gr. suiker,
5 geweekte blaadjes gela­tine in 1 dl. water oplossen,
sap van 6 sinaasappels en 1 citroen erbij doen als de massa koud maar nog vloeibaar is.
De halve sinaasappels van binnen schoonmaken door met een scherp lepeltje het witte velletje met vruchtvlees eraan eruit te halen.
De bak­jes vullen met de gelei als die begint stijf te worden.
Minstens vijf uur laten opstijven.

Pudding keren (als hij niet wil, de vorm heel even in flink warm water houden) en de hal­ve gevulde sinaasappels doorsnijden, eventu­eel nog eens doorsnijden en als stralen om de pudding heenleggen.

Prachtig om te zien, heerlijk om te eten en ondanks bovenstaande niet ingewikkeld om te maken.

“Jonas” 6 april 1979

 

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

 

116-113

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner als pedagoog (5)

.

SCHOONSCHRIJVEN

Op de lagere school – zo heette toen de basisschool – had ik een schriftje, de helft van een gewoon schrift, groen met wit etiket, waarop onder mijn naam het woord ‘schoonschrijven’ prijkte.

Op gezette tijden schreef ik een voorgedrukt woord netjes in een rijtje naar beneden een aantal keren na.

Toen ik later een vrijeschoolklas had, vond ik het heel belangrijk dat de kinderen mooi zouden schrijven.
Waarschijnlijk door de in mij opgeslagen ervaring uit de eigen kindertijd oefende ik met mijn klas het ‘schoonschrijven’ in een heus ‘schoonschrijfschrift’.

Bij het bestuderen van ‘Opvoedkunst’ [1] kwam ik hetvolgende tegen:

Wir werden, indem wir das Schreiben aus dem malenden Zeichnen herausholen, doch gar nicht nötig haben, bei dem Kinde extra zu pflegen das Häß­lichschreiben und das Schönschreiben. Wir werden uns bemühen, zwischen dem Häßlichschreiben und dem Schönschreiben keinen Un­terschied zu machen und allen Schreibunterricht so zu gestalten – und das werden wir trotz des äußeren Lehrplanes können -, daß das Kind immer schön schreibt, so schön, als es notwendig ist, daß es niemals den Unterschied macht zwischen Schönschreiben und Häßlichschreiben.

 ‘(  ) het schoonschrijven. Als we het schrijven afleiden uit het schilderend tekenen, dan is het voor ons toch helemaal niet nodig om dan ook nog te doen aan lelijkschrijven en schoonschrijven. We zullen ons best doen om geen verschil te maken tussen lelijkschrijven en schoonschrijven en het schrijfonderwijs zo vorm geven ( )  dat het kind altijd ‘schoon’ schrijft, zo mooi als nodig is en dat het nooit een onderscheid maakt tussen schoonschrijven en lelijkschrijven.’
GA 294/178
vertaald/148

Voor mij was dit gezichtspunt van Steiner net weer iets verdergaand dan mijn eigen opvatting die ik eigenlijk zonder nadenken uit mijn jeugd had meegenomen.

Deze realiteit beviel mij beter: als er geen lelijkschrijven moet zijn, dan hoeft er ook geen schoonschrijven te zijn.

Toch vond ik het nodig om het handschrift van de kinderen zo te oefenen dat het schrijven er mooi uitzag.
Daartoe deed zich zo maar een gelegenheid voor bij het instuderen van een toneelstuk. Ik gebruikte de tekst om een ‘toneelschrift’ te maken.

Eerst grote letters, wie het goed beheerste, mocht kleiner gaan schrijven.

Deze werkwijze verhoogde het mooi schrijven aanzienlijk!

 

schoonschrijven 1
schoonschrijven 2schoonschrijven 3

 

 

Toneelstuk: Hoe Thor zijn hamer terughaalde – uit de Edda

Rudolf Steiner als pedagoog

Rudolf Steiner: alle artikelen

115-112

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.