VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (9)

.

MICHAËL

Aarde en mensheid

Bij engelen denken we in de eerste plaats aan hogere wezens, die in hogere werelden verblij­ven. Engelen zijn in de hemel. De hemel is ver weg en een hemel op aarde is een uitzon­dering voor korte tijd, of een toekomstbeeld. Wat stellen we ons eigenlijk voor als we over de engel Michaël spreken? We vieren zijn feest in de herfst en dus heeft hij misschien iets met de herfst te maken? We zien dat in be­paalde eeuwen hele reeksen Michaëlkerken en – kapellen worden gesticht. Bijzonder zijn daarbij de vele Michaëlkapellen, die altijd in een westelijk deel van de kerk op een balkon zijn gebouwd. Toeval? Of hebben bepaalde historische tijdperken meer met Michaël te maken dan andere? Heeft Michaël iets te ma­ken met het westen? En voor alles denken we aan het bekende beeld van Michaël in de strijd met de draak. Wat is die draak en wie is de prinses die bevrijd moet worden door de ridder Joris, die in dienst van Michaël strijdt? Allemaal vragen die niet gemakkelijk te beantwoorden zijn. Maar we kunnen be­ginnen naar een antwoord toe te werken, om inzicht te krijgen in het wezen van Michaël, de aartsengel. Voor menigeen, die nog wel een algemeen goddelijk wezen kan beleven, begint hier een moeilijkheid: er is dus niet slechts één God; bij hem zijn nog andere wezens, die een goddelijk karakter hebben. Bovendien heerst onder die wezens onder­scheid in rang en status. Beginnen we – om een begrip van engelen te krijgen – bij het enige waar een modern mens beginnen kan, bij ons zelf. We zien vaak dat in de levensloop dingen gebeuren die be­langrijke gevolgen voor het verdere leven hebben en waarvan het ‘waarom’ eerst dui­delijk wordt op latere leeftijd. Deze gebeur­tenissen zijn vaak niet bewust gewild, maar passen toch in een lijn of ritme van de ge­hele biografie. Het kan bijvoorbeeld zo zijn, dat een vader voor zijn zoon een studie of beroepsopleiding wenst, die eigenlijk hele­maal niet bij hem past, maar die later vrucht­baar of noodzakelijk blijkt te zijn voor zijn wordingsgang. Zo besliste een eenvoudig spoorwegbeambte, dat zijn zoon meer moest worden bij het spoor dan hij zelf bereikt had. Hij maakte het mogelijk dat de zoon voor in­genieur werd opgeleid. Zo ging de jongen eerst naar een middelbare school met wiskunde-opleiding en daarna naar de Techni­sche Hogeschool. Daar ontmoette deze jon­geman – zijn naam was Rudolf Steiner – pro­fessor Schröer, die zijn belangstelling voor Goethe wekte. Hoe zou de antroposofie van­daag in de wereld hebben gestaan, wanneer Rudolf Steiner geen natuurwetenschappelij­ke vorming zou hebben gehad?

Een andere jongeman wordt door aanleg en de aandrang van een muziekleraar naar het beroepsmatige uitoefenen van muziek gedreven. Op de och­tend van de dag, waarop hij voorspelen zal op het conservatorium, valt hij op school uit de ringen en krijgt een hersenschudding, die hem verhindert muziek te maken voor een langere tijd. Zijn latere beroepsleven toont duidelijk aan dat hij geen musicus had moe­ten worden.

Zo kan vrijwel iedereen in zijn leven draden vinden, bijvoorbeeld ook in de ontmoetingen met mensen, die duidelijk doorlopen in de biografie, maar waarvan hij niet kan zeggen, dat hij deze ontmoetingen heeft gewild. Het kan bijvoorbeeld zo zijn, dat iemand zó lang zijn hoofd stoot op bepaalde punten tot hij zijn les heeft geleerd en dan houdt dit soort tegenslagen op. ‘Het is alsof de duvel er mee speelt’. Ja, waarschijnlijk speelt er iemand mee, maar is het de duvel of misschien een genadige geest, die ons helpen wil ons leven op de juiste wijze te vormen?  *

Een zeer bijzonder karakter hebben in dit opzicht de gebeurtenissen rondom geboorte en dood. Wanneer men leert erop te letten welke mensen er in het leven van een wor­dende moeder komen gedurende de tijd van verwachting en leert zien hoe dat samen­hangt met het latere leven van het kind dat geboren wordt, kan men vaak zien dat er achter de schermen een duidelijke ‘leiding’ is. Dit gaat vaak nog enkele jaren door in het leven van het kind. Hoeveel ouders hebben beslissende stappen gedaan onder invloed van mensen en gebeurtenissen die in hun le­ven kwamen door hun kinderen? Wanneer we naar de andere pool zien, komt het vaak voor dat een mens kort voor het sterven nog iets beleven moet dat belangrijk is voor zijn verdere ontwikkeling. Een vrouw wordt kunstmatig met zuurstof in het leven
gehou­den. Waarom eigenlijk? Ze was welvarend en had de gewoonte veel geld te geven voor lief­dadige doeleinden. Op zichzelf iets goeds, maar bij haar was het de basis voor haar zelf­bewustzijn. De echtgenoot ging failliet; het geven van geld was niet meer mogelijk. In de laatste twee jaren van haar leven, terwijl ze kunstmatig met zuurstof in het leven werd gehouden, leerde ze op een andere wijze ge­ven en ze leerde te ontvangen, afhankelijk te moeten zijn, dank-je-wel te moeten zeggen. Was daarvoor dat faillissement nodig? Dat is teveel gezegd, maar het was het middel er­toe. – Een ander had een leven lang alles nauwkeurig geregeld en zelf beslist. Het ster­ven kwam en op het moment dat iedereen het verwachtte en ook hijzelf er voor klaar was (‘zo, nu wil ik heengaan’) gebeurde het niet en het leven hield nog enige tijd stand.

Deze mens leerde dat men niet alles kan re­gelen en beslissen.

Deze dingen bewijzen niets, maar de mens die ervoor wakker is kan de vleugelslag voe­len van een wezen dat men als het hogere zelf kan beleven. Men kan dat ook de engel noemen, omdat het niet identiek is met wat we in ons wakker bewustzijn als onszelf be­leven, alhoewel het er wel mee verwant is. Nog een enkel ander gebied kan hier worden aangeduid. Vaak kunnen we in slapeloze nachten iets beleven, dat een oordeel lijkt te zijn over gedachten en daden van onszelf, die we in het morele dagbewustzijn anders be­oordelen. Wanneer we dat oordeel niet uit de weg gaan, maar er van aangezicht tot aan­gezicht tegenover willen staan, slapen we in en na een korte slaap worden we verfrist weer wakker, alsof we een hele nacht gesla­pen hebben. Zo kun je de aanraking van een engel beleven.

Het Oude Testament vertelt het verhaal van Jakob, die op het punt staat zijn broer, die hem wel iets te verwijten heeft, na eenen­twintig jaren opnieuw te ontmoeten. Hij blijft die nacht aan de grens alleen, gescheiden van gezin en bezit. Hij droomt dat een engel met hem strijdt. Als hij ontwaakt is hij een ander geworden en draagt vanaf dat moment een andere naam. Dat wil zeggen dat hij iets meer diegene is geworden, die hij worden moest.

Zo kun je beleven dat het lot van een mens geleid wordt door een hoger wezen, ook al kunnen tegelijkertijd de meeste van deze be­levenissen ‘verklaard’ worden binnen de zintuigelijk waarneembare wereld. Het één sluit het andere niet uit.

Ook groepen van mensen kennen gemeen­schappelijke ervaringen, die de biografie van zo’n groep bepalen, zelfs in wisselende sa­menstelling. De redactie van Jonas is bijvoor­beeld zo’n groep. Wie tien jaar lang de ont­wikkeling van Jonas mocht volgen, ziet dui­delijk de lijn die de redactie zelf aangeeft in haar ‘Concreet’ van het eerste nummer van de elfde jaargang. Het ‘opstaan van de ware Jonas’ is ‘geen eenvoudige klus’. Nee, dat is het werkelijk niet.
De oudtestamentische Jonas beleefde het dan ook niet als een klus, maar als een werk van hogere machten. Wan­neer de redactie van een klus spreekt, drukt ze daarmee uit dat de leiding, die de oude Jonas beleefde, in onze tijd steeds meer be­geleiding wordt van wat we zelf doen. Veel van wat de redactie als ‘per definitie willend orgaan’ tot stand heeft gebracht is bewust gewild en gekund. Maar hoeveel is er achter de schermen gebeurd bijvoorbeeld in de vorm van mensen die ‘toevallig’ de redactie kwamen versterken (of misschien ook wel eens uit de koers brachten)?
Groepen, volken en staten zijn altijd uit mensen samengesteld. In een kleine groep kan men waarnemen hoe de levensloop van een enkeling de biografie van een groep sterk kan bepalen, maar hoe de groep toch ook zijn eigen lot heeft. Dat wordt met name duidelijk wanneer de enkelingen niet steeds dezelfden zijn. In grotere samenhangen lijkt vaak het lot van de groep, van het volk meer bepalend te zijn voor het lot van de enkeling. Maar wanneer men de biografie van een aan­tal enkelingen ziet, kan men vaak zien hoe de wisselwerking is.
Voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog werd in Europa het lot van Joodse mensen bepaald door factoren uit het geheel van de Europese situatie, maar het paste bij alle overeenkomstigheid toch individueel in het leven van iedere Joodse mens anders.
Hetzelfde kan men zeggen van de groepen en mensen die in Duitse of in
Ja­panse kampen gezeten hebben. In de biogra­fie van Janus Korczak, die een stralende en zingende kinderschaar naar de gaskamers voerde, liggen heel andere elementen dan in het afgevoerd worden van vele anderen. Een oude Joodse vrouw, die steeds onrustig was, werd rustig op de ochtend dat ze werd opge­haald. Had ze haar bestemming bereikt?
En toch is er tegelijk het lot van de tijd waar­in men leeft, en het volk waarvan men deel uitmaakt. Grote raadsels doen zich daar aan ons voor. Het Duitse volk werd in twee we­reldoorlogen verslagen. Het staat er economisch beter voor dan de overwinnaars! Het is goed zoiets eens onbevooroordeeld te overdenken. Dan kan men zich tevens afvra­gen of dit volk van Goethe en Schiller (en van de antroposofie) niet nog een heel ande­re taak heeft, die het als geheel helemaal niet ziet. In het niet zien van zijn werkelijke taak zou de economie wel eens een belemmeren­de factor kunnen zijn. Toch zijn in Duits­land de meeste mensen te vinden die Rudolf Steiner hebben onderkend. Hier staan we voor het karakter van een volk, waarvan vele individuen een sterke drang ontwikkelen geestelijke realiteiten te zien, en die ook te willen laten doorwerken in het maatschappe­lijke leven. Maar tevens ontwikkelen zich in dit volk het sterkst de krachten, die alle heil van uiterlijke maatregelen verwachten. Be­ginnen we hier iets te vermoeden van Michaël en de draak?

In elk geval kan ons het volgende duidelijk worden. Zoals er grote verschillen zijn in de biografieën van enkelingen, juist daar waar het gaat om wat men niet zelf bewust gewild heeft, maar waar toch een lijn in zit, zo zijn er eveneens grote verschillen in de biografieën van groepen, volken en opeenvolgende tijd­perken. Je kunt bijvoorbeeld zien dat het vanaf de vijftiende tot de negentiende eeuw van groot belang wordt van wie men afstamt. Het erfelijke koningschap komt op. In de middeleeuwen en in de antieke oudheid speelt dat eigenlijk geen rol. Ook de nationaliteit is in het middeleeuwse Europa niet be­langrijk. Het ‘Heilige Roomse Rijk der Duit­se natie’ was in de eerste plaats Romeins. De keizers werden gekozen. Na de middeleeu­wen valt de nadruk op de nationaliteit. In onze tijd treden heel andere krachten op. Na de blunder van Wilson in 1918 – 1919 om Europa te ordenen naar nationaliteiten, gaat de ontwikkeling gewoon een andere weg. Er ontstaan wereldbeschouwelijke- en belangenblokken, die met de nationaliteit niet veel te maken hebben. Hier werken vooral economische theorieën en maatstaven. Europa wordt geordend naar de maatstaven van uiterlijke bestaansbehoeften en intellectueel uitgedach­te ideologieën die behoren tot de wereld van de draak, die het tere zielenleven van de maagd helemaal verslinden wil. Wat zich
spi­ritueel in de zielen wil ontwikkelen wordt voortdurend bedreigd door de gepantserde machten van economische en politieke noodzakelijkheid.

Maar ook andere krachten worden in onze tijd duidelijk. Uit onbevredigdheid en angst wanneer men vaak alleen de draak nog maar in de verte waarneemt, komt de behoefte naar een spiritueel leven. Dat dit in hoofd­zaak gezocht wordt in stromingen die uit het verleden komen en opgepoetst worden aan­geboden aan zielen die eigenlijk wat anders zoeken, is weer een manoeuvre van de draak die volgens het beeld van de Openbaring van Johannes twee zijden heeft: de verleidende, naar grootheid, glans en macht strevende Diabolos-Lucifer en de verhardende Satan-Ahriman, die op alles een stempel wil druk­ken vóór het mag functioneren. Naast deze behoefte aan het spirituele leven, komt de behoefte mensen te leren kennen. Niet langer is belangrijk wat iemand zegt, maar wie het is die iets zegt. Wie ben jij als mens, zonder je beroep, je afstamming, zon­der je titels? Dit vormt een wonderlijke te­genstelling met de bewondering voor de vele mooie titels van mensen als Bhagwan. Al zulk soort mooie namen zijn eigenlijk titels. Deze zelfde behoefte om als mens de andere mens te ontmoeten, leidt ook tot de vele en verre reizen. Ook hier steekt de draak de kop op in de protserigheid van het steeds verder en steeds duurder, in de verharding van het alleen maar zintuiglijke waarnemen, of in het helemaal niet meer waarnemen door de veel­heid en onbegrijpelijkheid van de indrukken. Maar de impuls zelf is een uiting van een nieuwe tijdgeest: het komt niet meer aan op de natie, maar op de mensheid als geheel en op de enkeling.

Nog een ander kenmerk van onze tijd is de waarde die gehecht wordt aan het eigen oor­deel, de inspraak in de dingen waarin men in­geschakeld is. De voorafgaande eeuwen leef­den uit de autoriteit, eerst die van de kerk, daarna die van de bijbel en weer later die van de wetenschap. Al deze autoriteiten vallen weg, de enkeling wordt op zichzelf teruggestoten. Is hij sterk genoeg om alleen te kun­nen staan of zoekt hij nieuwe autoriteiten in Poona of Dornach? Tot het veertiende jaar heeft een kind autoriteit nodig om later zelf­standig te kunnen zijn. De ene gestalte van de draak heeft bewerkt dat men kinderen au­toriteitsloos ging opvoeden, zodat ze later te zwak waren en autoriteit zochten waar ze zelf moeten oordelen. Daarmee heeft de tweede gestalte van de draak ze in de tang. Maar ook weer hier: de vorming van een zelf­standig Ik, dat zijn eigen autoriteit is, is de ware drang van onze tijdgeest. Een laatste punt: in de middeleeuwen werd de aarde zo gebruikt, dat er een
vanzelfspre­kend evenwicht was. In dezelfde tijd waarin het nationalisme hoogtij gaat vieren, begint steeds sterker de uitbuiting van de aarde. Steeds sterker wordt nu de roep om bescher­ming van het milieu. Ook dat is een kant van de eigen verantwoordelijkheid van de enke­ling. Deze verantwoordelijkheid kan alleen worden uitgeoefend in gemeenschap met an­deren. Deze gemeenschappen zijn enerzijds regionaal, anderzijds naar alle kanten toe grensoverschrijdend. Alleen mensheidsbewustzijn kan hier helpen. Maar niet alleen dat: de enkeling moet bereid zijn offers te brengen. De draak van de techniek maakt ons duidelijk dat zoiets niet eenvoudig is. Valse bescheidenheid zegt: wat ik doe is zo weinig in het geheel, dat het geen rol speelt. Vals ontzag voor de draak zegt: we kunnen de klok niet terugdraaien. En beide hebben nog gelijk ook. Mogelijk is echter individuele inspanning voor gezamenlijk werk; het zien van de eigen bescheiden plaats in het ge­heel en het innemen en vullen ervan. Dit alles is herfststemming: de bloei is voor­bij, een slechte zomer gaf ons vele rotte cul­tuurvruchten. Menselijke krachten zijn nodig. De mens is het enige wezen dat uit slechte vruchten nog een toekomst kan vormen door inventiviteit, geloof in innerlijke kracht en innerlijk licht. Het westen is de richting van de ondergang, van de zon, van de verharding in taal en techniek. Het is ook de richting van het zelfbewustzijn van eigen kunnen. Om dit eigen kunnen in de juiste wijze te ge­bruiken voor de geestelijke groei van de mensheid, hebben we inzicht nodig in ontwikkeling van aarde en mensheid, en goe­de wil om in vrijheid dit inzicht in daden om te zetten.

Dat is onze ware tijdgeest. Die kan men Michaël noemen. Van de dertiende tot de vijftiende eeuw beleefde men hem in beelden, sagen en legenden.

In onze tijd wil hij in ons denken en willen worden opgenomen.

(Jacobus Knijpenga, Jonas, nr.2, 19-09-1980)

.

* wanneer je op zulke verschijnselen let, zul je ze vaak genoeg aantreffen in wat mensen uit hun leven vertellen.
Zo oud-huisarts Hans Moolenburgh: (91)
December 1944 omsingelden de Duitsers Haarlem en pakten tijdens die zogeheten Sinterklaasrazzia honderden jongens en mannen op. Terwijl de Duitsers bij ons op de voordeur bonsden, ontsnapte ik samen met een vriend via de achterdeur. We renden op blote voeten het besneeuwde Naaldenveld in. Ik nam toen ineens een gekke slingerweg. Ik had het idee dat ik werd geleid, alsof ik niet zelf rende. Door die slingerweg ontweken we exact de Duitse wachtposten, bleek later. Een wonder. Ik heb daarna altijd het gevoel gehad dat ik leefde in geleende tijd. Ik moest wat van mijn leven maken. Ik was niet voor niets gespaard.”

“Op 31 augustus 1981 hoorde ik midden in de nacht een stem, die me vertelde: ‘Jij gaat vanaf nu iedere patiënt in je praktijk vragen of die ooit een engel heeft gezien.’ Ik vond het een vreemd voorstel, maar vertrouwde die stem en vroeg de eerstvolgende patiënt die ochtend of zij ooit een engel had gezien. ‘Zeker dokter, gisteren op tv’. Dat was natuurlijk niet wat ik bedoelde. Nadat ik die vraag aan vierhonderd patiënten had gesteld, had ik genoeg stof voor mijn boek ‘Engelen als beschermers en als helpers der mensheid’. Dat boek en ook het vervolg ‘Een engel op je pad’ werden onverwacht internationale bestsellers. Die boeken hebben mij zo veel gebracht. Niet alleen kennis over engelen, maar ook bijzonder veel contacten en correspondentie met mensen van over de hele wereld. Ik ben daardoor zelfs mijn haat tegen Duitsers kwijtgeraakt, omdat ik in die tijd Duitsers ontmoette die mij vertelden hoezeer zij zelf geleden hadden tijdens de oorlog.”
(Trouw, Tijd 27-08-2106)

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

255-240

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (8)

.

LOSMAKINGSPROCES

‘Zal ik er maar twee kilo van maken?’, vraagt de groenteboer, peren afwegend, waar je drie pond van hebt gevraagd. Nou, dat hangt ervan af: voor hoeveel personen koop je, zijn ze erg duur, erg rijp – je kunt zelf nog allerlei factoren verzinnen die je ‘ja’ of ‘nee’ zullen bepalen. Geen mens zal slapeloze nachten hebben over de uiteindelijke beslissing: wordt deze ‘ja’ dan bestaat bijvoorbeeld de kans dat je een te rijpe peer moet weg gooien, je beurs gauwer leeg wordt dan je dacht, of dat je een peer moet delen met een ander als je besluit ‘nee’ wordt en alle denkbare varia­ties op dit geval.

We zijn als moeder toch steeds bezig met het afwegen van voor- en nadelen gedurende de opvoeding van onze kinderen. ‘Zou je je trui niet meenemen? Vanavond zal het koud worden’, vraag je aan je twaalfja­rige zoon of dochter die een hele dag gaat fietsen, “t Is om te stikken, je denkt toch niet dat ik dat ding de hele dag ga meesle­pen?’, zal het antwoord wel luiden. Blijkt je kind de volgende dag kou te hebben gevat, dan was je raad zinvol geweest; voelt het zich lekker fit dan onderschatte je zijn eigen warmte.

‘Kunnen we haar zo maar laten gaan? We kennen die jongen nauwelijks’, verzucht je tegen je man als je zeventienjarige dochter te kennen heeft gegeven een paar dagen met een vriend op stap te gaan.
‘Zou de baby het niet te warm of te koud hebben’, vraagt de bezorgde grootmoeder zich af, die een kleinkind te logeren heeft.
Wat wegen we allemaal af en hoelang moeten en willen we ons eigen oordeel als doorslag­gevend zien? Hoe zijn we in die weegschaal-rol gegroeid?

Het wegen begint al bij de zwangerschap: de aanstaande moeder wordt op haar gewicht gecontroleerd: bij te veel of te weinig zwaar­te moet haar dieet tijdelijk gewijzigd worden. Na de geboorte van het kind wordt het ge­wicht dadelijk genoteerd en de uitslag bepaalt meteen het voorlopige leefpatroon van
moe­der en kind. De schrale vijfponder zal zeven voedingen nodig hebben, ja, ook maar ’s nachts een voeding; terwijl de zeven-en-een-half-ponder best aan z’n trekken komt met zes voedingen. Wat kun je je als moeder ver­slagen voelen als de wekelijkse weegceremo­nie aangeeft: een paar gram afgevallen of je uiterst voldaan voelen als een half pond zwaarte aan ’t gewicht blijkt toegevoegd te zijn! Lengtegroei speelt bij mijn weten geen rol. Die periode van wegen gaat al snel voorbij – heel andere kwaliteiten moeten af­gewogen worden.

Door de loop van de jaren heen – van liever­lee – moet je het gewicht van je eigen beslis­singen in de gaten houden, namelijk het over­wicht van jezelf bij zoveel kleine beslissingen tegenover de gewichtige argumenten van je kind. Hoe ga je zelf om met al die soorten gewichten? Verbindt zich met dat woord ook het begrip ‘binding’ en ‘invloed’ ja zelfs ‘pressie’ en hoort er dan bij dat je moet leren die begrippen steeds wat losser, ruimer en lichter te maken en hoe voelt dat dan voor je zelf?

Misschien is de grootste uitdaging van het moeder-zijn wel de noodzaak om te leren de situatie steeds te her-waarderen. Wat eerst goed en nodig is voor een kind is later slecht en overbodig, ook omgekeerd. Nog een paar voorbeelden. Een kind van an­derhalf jaar wil zelf eten: ’t wordt natuurlijk een hele toestand. De maaltijd eindigt met een volgemorst kind, kinderstoel en vloer. Je zult tot een compromis moeten komen: ’t kind kan wel al zelf stukjes brood of vrucht eten – verder moet je ’t handje toch wat bijsturen. Wil een kind van drie jaar plotseling niet meer zelf eten dan grijp je misschien te gauw in en voert het. Kijk je niet uit, dan voer je zo’n kind nog op z’n vijfde jaar, als de bedtijd nadert en ’t bordje nog halfvol is. Je voelt je handen jeuken, als je peuter zich zelf tracht aan te kleden: hoeveel sneller en handiger kun je het zelf even aankleden. In hoeveel gevallen moet je jezelf niet toeroe­pen: geduld, handen thuis, afblijven, mond houden, wil je het zelfstandig worden van je kind de volle kans geven. In de lange periode van baby tot volwassene blijft de vraag gelden: helpende hand bieden of zelf laten tobben, maar ook van geven of nemen, winnen of onderspit delven. Dat een vierjarig kind onmogelijk alleen de rijweg kan oversteken, is voor iedereen dui­delijk. Maar alleen een hoge trap of ladder opklauteren? Daar sta je dan met kloppend moederhart, terwijl je oogappel halsbreken­de toeren uithaalt. Heb je genoeg vertrouwen in de klimkunst van je kind, sta je dicht ge­noeg in de buurt om hem bij misstap op te vangen? Kan je meegenieten van de overwinningsblik in z’n ogen als de expeditie is ge­slaagd of kun je het niet aanzien en begeleid je hem van sport naar sport? Een stukje ver­antwoordelijkheid overdragen – een beetje loslaten – dat is toch best moeilijk. Heel helder komt in mijn herinnering boven het eerste blokje-om lopen van het kind, helemaal alleen: denk er aan, op de stoep blijven hoor! ’t Lijkt een eeuwigheid voor je je kleuter weer ziet aan komen stappen. ‘Wat een agitatie om niets’, denk je later, over dit tafereel, als je je tienerkind vraagt of het heus z’n pas en het adres van de familie, die het in het buitenland gaat bezoeken, wel bij zich heeft.

Waar klamp je je als moeder aan vast als je je kind niet meer aan de hand, soms niet meer in de hand kunt houden?

Een sprong terug nu naar het eerste begin – het weten, dat je een kind verwacht. In mijn herinnering was dat een beseffen dat iets heel groots over je kwam, iets dat jouzelf van de kaart veegde. Dan, bij ’t zien van je pas geboren kind de vraag; wie ben je toch, hoe leer ik je kennen? Die indrukken verva­gen later – toch zou je ze steeds in je herinne­ring terug moeten roepen. Dat je de begeleid­ster mag en moet zijn, dat de band moeder­-kind geleidelijk aan anders moet worden, dat ‘wie ben je toch’ zichzelf kenbaar gaat ma­ken en dat je dat wezen moet respecteren in de verschillende vormen waarin het zich openbaart – dat is, in één zin geperst, wellicht de essentie van de moedertaak. Meende ik iets te vermoeden van een groot wezen dat naar mij toekwam, in de hier bo­ven beschreven situatie, kan ik dan ook zeg­gen: ik werd iets gewaar van het engelwezen van het kind; zijn beschermengel? Voor mij­zelf luidt het antwoord: ja. Kan ik mij dan tot dat engelwezen richten en het vragen, te waken over het lot van mijn kind, wélke leef­tijd het ook heeft, wáár op de wereld het ook mag zijn? Natuurlijk zijn daarmee niet alle twijfels, angsten, het verlangen naar be­richt verdwenen – maar soms lukt het om de telefoon te laten liggen en niet te informeren of hij, zij al aan is gekomen op de plaats van bestemming. ’t Is net als bij biljartspelen: je probeert de bal te raken via de band van de biljarttafel – naar gelang je dit spel beheerst, zal je contact lukken. De gedachtesprong naar het beeld van de aartsengel Michaël, die de draak overwint, of Michaël die de weegschaal draagt lijkt me nu niet meer zo groot. Op oude iconen valt op, dat Michaëls zwaard veelal lang, dun en heel spits toelopend wordt afgebeeld, het raakt het monster kennelijk op z’n zwakke plek. Geen bloederige taferelen krijgen we te zien met afgehouwen drakenlijfstukken. Geen woest rondmaaien met het zwaard, maar het feilloos richten van de zwaardpunt op de vitale plek van de vijand. Wordt hiermee aangeduid dat het gevecht Michaël-Draak zich in ons denken afspeelt, dat onze wakkerheid de plek herkent, waar de draak geraakt moet worden en dat ons ge­richte denken de overwinning in zich draagt? Michaël met de weegschaal, een andere ma­nier om uitdrukking te geven aan de grens tussen goed en kwaad. Deze beelden kunnen ons een hulp zijn bij het zoeken van een weg, die je als moeder met je kind schoorvoetend gaat.

(Wendela van Mansvelt, Jonas, 19-09-1980)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

 

254-239

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (7)

.

In de kring van de jaarfeesten is het Michaëlfeest een heel bijzondere gebeurtenis. Het wordt gevierd op 29 sep­tember en niemand weet eigenlijk hoe het gevierd zou moeten worden.

Dat zou sommigen onzinnig lijken. Anderen weer zullen ge­boeid zijn door de uitdaging. Een feest vieren, waarbij men eigenlijk totaal niet kan rekenen op een traditionele inhoud!
Het kerstfeest, Pasen, Sint – Jan zijn sterk bepaald door de traditie, gebonden als zij zijn aan gebeurtenissen die zich op aarde hebben afgespeeld en waarvan de dragers menselijke wezens waren. Het Jezuskind en Johannes de Doper waren menselijke wezens. En dat geldt tot op zekere hoogte voor de Christus op Golgotha ook.

Goed, drie feesten vóór menselijke wezens en dóór menselijke wezens, kunnen we globaalweg zeggen. In de cirkelgang van het jaar staan Kerstmis en het Sint  – Jansfeest (resp. 25 december en 24 juni) diametraal tegen­over elkaar. Pasen valt in het voorjaar, het is een bewege­lijker feest, afhankelijk als de datum is van de stand van zon en maan. Maar steeds in maart of april. De samenhang van deze feesten met de seizoenen is eveneens duidelijk: winter, lente, zomer.

Het herfstfeest, zo voelt men wel, ontbreekt; er is geen mens die ons dat heeft voorgeleefd. En Michaël dan? Nu, al spreekt men van Sint – Michaël, dat is helemaal geen mens, dus ook geen “heilige”. Michaël is een hoger wezen, een engelwezen.

Sommigen hebben daar moeite mee, anderen juist weer niet en weer anderen hebben vanuit de traditie in het geheel geen moeite.

Voor velen is het duidelijk dat, indien de mens het hoogste (= het meest gecompliceerde) wezen op aarde zou moeten voor­stellen, men in het algemeen zeer veel te kort komt in de menselijke rol en in het menselijke wezen.

Logischer is het eigenlijk, dat de grens van de natuurrijken (mineraal, plantaardig, dierlijk en menselijk) naar boven toe niet door het oog wordt bepaald, maar door het wezen.

En zo is Michaël de aartsengel als patroon van het herfst­feest goed denkbaar.

De herfst is de tijd van de vruchten, van het gerijpte werk van mens en natuur. De zon vertrekt naar de landen ten zuiden van de evenaar; dat mag dan astronomisch niet gezegd worden, maar voor gewone mensen op aarde ziet het er hier zó uit. Er is een kentering van het weer. De oogst moet binnengehaald en heel veel zichtbaars in de natuur sterft af. De mens als landbouwer staat machteloos tegenover het weer. Een paar grillige hagelbuien kunnen een jaar van hard werken teniet doen. Enzovoort: te mooi droog weer is ook niet goed, te nat, vochtig weer helemaal niet.

Goede oogst betekent: vermijden van het “te”. Het evenwicht is eigenlijk een wonder, want het treedt veel vaker op dan de kansrekening zou toestaan!

Géén wonder is het, dat de oude volken, veelal landbouwers en ook de boeren tot op de huidige dag de goede oogst toe­schreven aan de hulp en invloed van een geestelijk wezen. Dat geestelijke wezen – de naam doet er wel wat toe, maar niet alles – wordt vanaf de vroege middeleeuwen in Europa “Michaël” genoemd. En de Israëlieten, oorspronkelijk ook landbouwers, kenden dit wezen heel goed als “aangezicht van God”.
Michaël staat dichter bij de mens dan “God”, Michaël heeft het karakter van een bemiddelaar. Hij beschermt de oogst. Maar ook heeft hij toezicht op een geheel ander soort oogst, een innerlijke oogst. Deze oogst bestaat uit de daden die een mens in de loop van zijn leven volbracht heeft. De Michaëlstijd komt bij het zwaaien van de weegschaal. Michaël houdt de schaal en weegt de daden der mensen. Het is duidelijk, dat het afwegen van goede en kwade daden een nauw­keurig iets is, waarvan ’s mensen verblijf na de dood de gevolgen zal ondervinden.*

Michaël is ook vanouds de hemelse strijder tegen het Kwade. Want, vergis u niet, ook het Kwade heeft zijn oorsprong in de Hemel! Zie de Openbaring van Johannes.

Voor de kinderen is de strijd tegen het kwade die door Michaël geleverd wordt een boeiende zaak. Met speerstoot of zwaardhouw wordt de boze Draak geveld.

Voor de volwassene ziet het er heel wat gecompliceerder uit. Men kan vlug uitvinden, dat Michaël weliswaar de hemelse dreven heeft bevrijd van de Draak, maar het kan ook duidelijk zijn, dat de Draak op aarde is geworpen, dat zijn eerste slachtoffer het echtpaar Adam en Eva was en dat de Draak zich heel gemakkelijk verschuilt en zich thuis voelt in de menselijke ziel.

Het eerste wat de drakenkracht doet, is de ziel infecteren met onwaarachtigheid. We kennen deze leugenkrachten in de huidige tijd heel goed: van de nuchtere, verkeerd interpre­teerbare statistiek tot de mening, dat de verkrachter in actie kwam, omdat de vrouw “het ernaar gemaakt had” en zo voort en zo voort.

Een Michaëlsfeest en het zich bewust maken van Michaëlkrachten in de samenleving als gigantische noodzaak is be­paald geen luxe.

Men leze vooral het sprookje van Plato in dit nummer**, waar Sokrates zijn gesprekspartner vangt op zijn eigen woorden. Iets is waar, omdat het waar is; niet omdat Klaas, Piet of Poesje het gezegd heeft.

Wie daarop gaat letten, wordt een goede bondgenoot van Michaël. Vroeger hielpen de goden de mensen. Nu zijn de mensen zo ver in bewustzijn en inzicht, dat zij de goden moeten helpen. De volgende zet kan dan weer aan de goden zijn. Zo komt de wereld toch verder. Daarom: vier een Michaëlsfeest!

(P.C. Veltman, nadere gegevens ontbreken)
.

•   Een viertal weken na Sint-Michaël is het de Dodenherdenking Allerheiligen (1 nov.) en Allerzielen (2 nov.)
** van de schoolkrant waarin dit stukje stond
.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

 

253-238

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (6)

.

VIEREN WIJ WERKELIJK EEN MICHAEËLSFEEST?

‘Mens, ken u zelve’, zo klinkt het woord in elk mens, die zijn zielenontwikkeling daadwerkelijk ter hand neemt. Wie zich bewust wordt van zijn zielenroerselen, weet dat het hier niet gaat om een egocen­trisch kennen. Niet is bedoeld de kennis van hoe we door de medemen­sen in uiterlijke zin gezien wor­den. Uit onzekerheid zoeken we soms op gespannen wijze naar ken­nis omtrent onszelf: “Zal die an­der mij wel krachtig vinden, kom ik wel over als een gelovig devoot mens, vindt men mij wel origineel, kortom ben ik een persoonlijkheid?” Deze weg langs de buitenkant is kil en vals. Zo leren wij alleen ons, niet -zelf kennen. Deze kennis helpt ons niet op de weg naar waarachtigheid. Het gaat niet om de hoog vibrerende zintuig-denk-kennis. Hier is het hartekennen bedoeld. Alleen met het hart kan men werkelijk leren kennen.

Een voelend beleven van het jaarverloop door het vieren van de jaarfeesten is een weg door vele jaren heen die voert tot ons eigen mensenzelf. De mensenziel werkt, leeft, ademt in ritmen die we in het jaarverloop in de natuur, de aardeziel zien weerspiegeld. Wie een antroposofische weg wil gaan, of proberen te gaan, kan grote steun vinden bij de zielenkalender, een verzameling weekspreuken die de aardeziel met de mensenziel verbindt. Men kan zich over de hulp daarvan, volgens mijn ervaring, pas na een jaar of drie enigszins uitspreken. Wellicht pas na zeven jaar echt. Een paar keer proberen heeft geen enkele vaste gewaarwording tot gevolg.
Wie herkent niet het zielengebaar van de zomer? Iedereen gaat er (op) uit! We doen in sterke mate wat menigeen ook na de werkweek op vrijdag en zaterdag (en zondag ….) doet: alles loslaten, ontspannen, afleiding zoeken, uitslapen. De mensenziel is uitgeademd, zoals de aardeziel. In de natuur herken­nen we deze staat van uit zijn, in de bloei van bomen, bloemen, insecten, enzovoorts: alles leeft in een overgave aan het zonlicht.
De natuurmens doet eraan mee; ook wij geven ons graag over aan zon en warmte, aan geur en kleur, aan wijde vlakten, aan zang en spel. De weg van het mensenhart is geen weg daartegenin. Motto  van de spreuk is: “Verlies jezelf
om juist jezelf te vinden”.
Daarin schuilt gevaar. We verliezen onszelf in de zomerse rijkdom van kleuren, geuren, klanken, beweging, gesprekken, verliefdheden: alles een
op
gaan in de zintuigindrukken. Dit alles voert naar enerzijds een sterkere verbinding met de zintuigwereld, de aardse materie, in al z’n pracht. Anderzijds is er de mogelijkheid om in deze min of meer dromende toestand (is de zomer niet een roes?) zich te verbinden met de wereldgeest die zich door de aardse stof heen kenbaar maakt.
Het beeld van de zonne
bloem was, voor ons leraren, de ingang in het nieuwe schooljaar. In die machtige bloem, die zich zo hevig overgeeft aan de zon, wordt sterk zichtbaar dat in het hart een nieuw stadium volgt op die overgave. Er worden kiemen, zaden gevormd die leven de toekomst indragen. In het mensenhart wordt ervaren dat er een appèl gedaan wordt aan onze eigen wil: we zullen weer vorm moeten brengen in ons leven. We zullen de vruchten van de vakantie beleven in een nieuw begin van het arbeidsjaar. Een jaar dat met nieuw elan, boordevol beloften begonnen kan worden. Het enthousiasme dat we nodig hebben om er weer tegenaan te gaan, moet echter gewonnen worden. In de natuur heerst ook moeheid; de herfst begint voor velen van ons met bloedarmoede.
Het wereldwoord, dat in de natuur tot ons gesproken heeft, wil in ons naklinken; wie heeft rond Michaël niet dikwijls keelpijn?
Zo werkelijk is dit appèl.
Wie na de zomer blijft hangen in de uiterlijke wereld, zal balen van de herfst. Zal opzien tegen het jaar. Zal verharden in de vormen die hij schept. Zal zich voornemen dit jaar een strak schema te hanteren. Zal tegen zichzelf zeggen: ‘ Dit jaar zullen ze leren lezen, en dit jaar moet ik elke donderdag thuis zijn, en dit jaar moet de ouderoverlegvergadering tot stand komen. Dit jaar zal ik hem de waarheid zeggen.’ Een ver­krampt willen, koud “enthousias­me”, spreekt hierin door. Dit zijn de uiterlijke kiemen, harde noten. Of men verzinkt in moede­loosheid, apathie: “Het leven is leeg, zinloos, weer zo’n jaar voor de boeg. Weer dezelfde fouten maken, weer met dat afgezaagde beeld van mijn ei­gen persoon door de wereld. “Bah!” Dit kunnen we in ons­zelf leren kennen. Hoe voelen we ons nu? “Mens, ken u zelve”  wordt tot “Mens, ken de draak in u”. Ken het vuur dat niet tot leven wekt, maar vernie­tigt. Ken de harde schubben op de opper­vlakte van de ziel waarmee we
ons­zelf van de medemens, van het leven afsluiten. Ken de bloedeloosheid van de apathie. Ken de kilte van de ondankbaarheid jegens de vruchten van de zomer. Het beeld van de draak is niet een uiterlijk beeld.
De draak leeft in ons allen als de zin­tuiggebonden denker, de harteloze doener. De materialist in ons is draak. Vooropgestelde oordelen en denkbeelden, harde eisen die we aan het leven en medemensen stellen, eenzijdige standpunten, afgesloten voor de visie van anderen. En dan komen we in de onwaarheid: in de schijnzekerheden van het bestaan. In de angst om het leven open en vrij tegemoet te treden. Bang voor het levenslot dat als kiem in ons willen leeft.
In de Michaëlstijd wordt niet van ons verlangd de draak te doden, noch de draak die we in anderen menen te zien te bestrijden. “Mens, ken de draak in u”. En daarmee voeren we de Michaëlsstrijd in ons. “Mens, ken de draak in u”. Bestrijdt hem met het lichtend zwaard van het kos­misch bewustzijn, met het ent­housiasme voor de geest der wereld met de kracht van het zoeken naar levende waarheid, met het vaste vertrouwen in de kracht der enge­len. Elke stap op deze weg is een hapje geestesvoedsel voor de aartsengel Michaël; Hij kan schenken wat hij de zoekende mens te bieden heeft: moed om de leugen in de wereld in de ogen te zien en haar kennende te be­strijden. “Mens, ken de draak in u” en gij wordt tot Michaëlsstrijder. Een Michaëlsfeest, dat gevierd wordt vanuit de uiterlijkheid: drakenbroodjes, vruchtentafels, pompoenensoepen, vlier­sappen omdat dat moet en toch zo gezellig is, is een leugen, een misplaatst Johannesfeest, minder nog. Wie de draak niet kent, kan geen Michaëlsfeest vieren. Wie de draak wil zien, en de kracht en moed voelt groeien hem te bestrijden, kan niet anders dan in waar enthousiasme het feest vieren van de opstanding van de mens in zichzelf. Dan is het vuur-geestesvuur, dan is het zwaard de waarheid, dan is de mens mens. En dan zijn voor onze kinderen de broden, tafels, soepen en sappen geestesbroden, dankbaarheidsta­fels, waarheidssoepen en levens­sappen.

(Reijer Ploeg, nadere gegevens onbekend)

.

Michaël, alle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

.
VRIJESCHOOL in beeld: Michaël

 

252-237

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (4)

.

MICHAËLVIERING

                                                                                                  

Omwille van enthousiasme en moed

Michaëlsdag op 29 september is als kerkelij­ke feestdag heel oud maar in de meeste stre­ken niet meer dan een van de vele gedenkda­gen van de kalender. Er zijn enkele streken in Europa waar de verering van Michaël meer op de voorgrond getreden is, bijvoor­beeld Bretagne, Normandië en Ierland, maar ook de Monte Gargano in Italië. Daarnaast zijn in grote delen van Europa in vele romaanse kerken Michaëlkapellen geweest. Ze waren in het westelijke deel van de kerk tegenover het altaar.

Het hoogtepunt van alle Michaëlvereringen ligt tussen de dertiende en vijftiende eeuw, dus in de tijd dat in Europa een nieuw be­wustzijn begon te ontstaan, waarin de ridder­cultuur met grote landgoederen plaats maak­te voor de stadscultuur van de burgerij, waarin de theologie het veld begon te ruimen voor de natuurwetenschappen, waarin het innerlijk oog, gericht op het zielenleven en zielenheil zich metamorfoseerde tot het uiter­lijke waarnemen, gericht op de wereld en op de stoffelijke welvaart.
Michaël werd vereerd toen de mens begon te ontwaken tot een zelfstandig wezen met eigen verantwoorde­lijkheid en eigen denken. Michaël is in die tijd vooral de strijder tegen de draak en degene die de zielen weegt na de dood en bij het laatste oordeel. Men kan vermoeden dat de mensenzielen de gevaren van de komende tijd beleefden en die gestal­te gaven in de draak, waarbij de ernst van de strijd met de macht van Het boze zijn uit­drukking vond in de weegschaal. Vaak zien we afbeeldingen waarop de duivel de ene schaal naar beneden trekt.

In de late middeleeuwen verdwijnt de Michaëlverering, al blijft ze in bepaalde streken fragmentarisch bestaan met behulp van oude legenden. Daar wordt het een traditie waar­aan niets nieuws wordt toegevoegd, maar die wel leeft.

Pas in de twintigste eeuw wordt Michaël weer belangrijk in de antroposofie. Het is eigenlijk pas in de laatste jaren van zijn leven dat Rudolf Steiner uitvoerig over Michaël spreekt. Hij zei daarbij dat wij nog aan het begin staan van de viering van het Michaëlsfeest.

De Christengemeenschap ontvangt in die tijd het Michaëlsepistel (gebeden aan het begin en het einde van de Mensenwijdingsdienst en een invoegsel na het credo). In de Vrije Scholen krijgt het Michaëlsfeest hetzelfde accent als Kerstmis, Pasen en Pinksteren en wordt zelfs vaak als het bijzondere feest van het jaar gevierd.

Wat is er gebeurd? Ik heb het vermoeden dat, wat er eigenlijk gebeurt in de wereld, voor ons bewustzijn slechts langzaam duide­lijk wordt, dat wil zeggen dat we nu pas, na meer dan een halve eeuw beginnen te begrij­pen waarom de verering van Michaël zo centraal kwam te staan bij Steiner. Als men terugblikt kan men tot het volgen­de komen.
In dezelfde tijd dat Steiner uit­voeriger over Michaël en de met hem
ver­bonden mensenzielen gaat spreken, komen vele jonge mensen naar hem toe. Drie ken­merken kon men aan hen waarnemen. Ze werden niet in de eerste plaats gedreven door behoefte aan inzicht, maar ze wilden iets doen. Het waren degenen die later art­sen, priesters, landbouwers, (heil)-pedagogen werden. Alleen wanneer men deze beschrij­ving niet eenzijdig als definitie vastnagelt, kan men het zo uitdrukken. Natuurlijk zochten ze ook inzicht voor hun doen. Hun tweede kenmerk was dat ze tot Steiner en tot elkaar kwamen door een innerlijke drang die uit het voorgeboortelijke leven kwam. Het derde kenmerk was de sterke drang naar eigen bovenzinnelijke ervaring.

De toen oudere generatie zocht boven alles inzicht in wat de meester kon meedelen over de hogere werelden. Bij de jongere generatie ging het om eigen ervaring. Ook dit moet men niet weer eenzijdig in een schema wringen. Het gaat meer om tendenties in een bepaalde richting.

Wanneer we nu onze eigen tijd bezien (meer dan een halve eeuw later), bemerken we dat de behoefte aan daden alleen maar is toege­nomen en vooral aan daden die op de toe­komst zijn gericht. Toegenomen is ook het vertrouwen op de innerlijke drang. Voor veel jonge mensen is het nu vanzelfsprekend dat ze impulsen hebben meegenomen uit het voorgeboortelijke en uit vroegere levens. Ook is de drang naar eigen bovenzinnelijke ervaring niet meer weg te denken uit onze cultuur.

Er komt dus een beeld te voorschijn van dat­gene wat de geestesstroming wilde die omstreeks 1920 opdook. Men kan trachten dat een naam te geven; men kan ook de beschrij­ving als zodanig laten staan. In de beschreven verschijnselen is een duide­lijke lijn zichtbaar, waardoor men zich een beeld kan vormen van de metamorfose die Michaël in zijn werken doormaakt. Aan een duidelijke lijn in een biografie leert men de individualiteit, het Ik van een mens kennen. Aan een duidelijke lijn in een tijdperk kan men de individualiteit leren kennen die in dat tijdperk leeft, de geest van die tijd. Die kan men met de oude naam Michaël aandui­den.

De middeleeuwse legenden geven een be­paald beeld van Michaël. Ze verbinden hem als strijder met de draak, als rechter met de weegschaal. Als we de fenomenen van onze tijd nog wat nader bezien kunnen we mis­schien inzicht krijgen in het wezen van Michaël.

Inzicht is gericht op het verleden. Wat voor­bij is kunnen we overdenken. Maar we kunnen ook zo leren denken dat we ideeën ont­wikkelen voor wat er nog niet geweest is.

Daarvoor is kennis van het gewordene nood­zakelijk. In onze cultuur zijn vooral sinds het einde van de negentiende eeuw enorm veel nieuwe ideeën ontwikkeld. Daaruit is onze industrie ontstaan, ons verkeer, onze productie en onze technische communicatie. Wat verloren ging is ons werk en ons werkelijk communiceren met elkaar. Nu wordt er verlangd naar werk waarmee we ons menselijk kunnen verbinden. Ook het vormen van gemeenschappen, waar de mens de andere mens kan ontmoeten en waarin hij een echte communicatie kan hebben wordt van levensbelang. Het mislukken van vele kleine pogingen tot gemeenschapsvorming en kleinschalig werk heeft een heel tragische kant. Het is daarbij duidelijk dat bewust­zijnsvorming nodig is. Wat hierboven als eerste en tweede kenmerk is genoemd van de jongeren van de jaren twintig vraagt in onze tijd versterking door het denken. Het is waar dat iets goeds in de wereld alleen tot stand kan komen als de drang ertoe uit diepe ondergronden van ons wezen komt en niet uit nuttigheidsoverwegingen van het ver­stand. Maar het is wel nodig dat in een wak­ker bewustzijn overzien wordt wat er diep in ons leeft, opdat we dat die vorm kunnen geven die echt vruchtbaar is. Maar wat is dat anders dan inzicht zoeken in het bovenzinnelijke? De wereld waaruit onze impulsen komen, is die van het onderbewus­te, maar deze uitdrukking zegt alleen iets over ons bewustzijn en niets over die impul­sen zelf. Die impulsen ontstaan in ons leven als individualiteit voor onze geboorte en dat is een hogere wereld, geen lagere.

Hier loeren echter ook de gevaren en wel van twee kanten. We kunnen ons in een verheven stemming heel gemakkelijk illusies maken en voor een hogere wereld houden wat alleen maar in onze wensen leeft. Dat is het gevaar van Lucifer, de verleider. Aan de andere kant ligt de zorg op de loer, in de vorm van de vraag of het wel zal kunnen, of de praktijk van het leven zich niet verzet tegen onze goede impulsen, de vraag of ‘de mensen’ er wel aan toe zijn, enzovoort. Hier horen ook onze eigen egoïsmen thuis, of we onze eigen levensbehoeften of wat we daarvoor houden, wel zullen kunnen vervullen. In de vraag of het wel mogelijk is dat een mens echt toe­gang krijgt tot een geestelijke wereld, ligt Ahriman op de loer.

In de beelden van de middeleeuwen werden deze verleidende machten van Ahriman en Lucifer samengevat als de Draak. Deze draak moet duidelijk gezien worden. Anders jaagt hij ons angst aan. Maar onze tijd vraagt niet alleen duidelijk zien. Ze vraagt voor alles moed, moed om te strijden. Daarom worden de zielen gewogen. Ze kunnen te licht zijn of te zwaar, illusionair of overmoedig zijn, maar ook te zorgelijk en te bang, of te veel aan de welvaart gehecht, aan onze zogenaamde behoeften.

Hoe verkrijgen we de moed? Die is niet altijd aangeboren maar kan wel geoefend worden. De kracht die moed wekt is het enthousias­me. Dit woord betekent: doordrongen zijn van het goddelijke, ook wel het in God zijn. Het is het goddelijke in ons dat de moed te voorschijn roept. Als we ons slechts op de uiterlijkheid van de wereld richten kan deze ons alleen maar verlammen. De blik wil weer gericht worden op een hogere wereld die niet alleen in de geestelijke wereld maar ook op aarde te vinden is. Het is die hogere wereld die Rudolf Steiner bekend maakte in een taal die onze tijd kan verstaan en die gevonden kan worden door mensen die durven te vertrouwen op hun diepere impulsen, die ze willen voeden door inzicht, werkelijke religie en kunst. De naam van Michaël betekent: Wie is als God? Vroeger werd dat vaak beleefd als een waarschuwing tegen hoogmoed. Nu klinkt die naam als een roep: wie durft het aan God in zich te beleven en dienovereenkomstig te leren handelen?

Michael  5

 

(Jacobus Knijpenga, Jonas nr. 2, 18-09-1981)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

 

250-235

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (5)

 

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (3)

.

TUSSEN ZWAARD EN WEEGSCHAAL

Op een ochtend hing er mist tussen de bomen. Alle scherpe vormen waren verzacht. De lucht was zuiver en tinte­lend fris. Straks zou de zon komen en de mist verjagen. Hoog boven de bo­men zou de hemel zijn, blauw en hel­der, en later zouden er grote witte wolkenmassa’s langs drijven. Wattige luchtkastelen, steeds wisselend van vorm, voortdurend veranderend, ter­wijl ze statig voorbij zeilen.

Eind augustus, de tijd van de prachtige wolkenluchten en ook van het
plotse­ling opkomende onweer. Dan flitst de bliksem omlaag, een daverende klap, en de donder rommelt over de weilan­den.

Buiten in het veld, in het vlakke wijde land van Holland kan je die hemel­hoog opgestapelde wolkentorens op je af zien komen, donkergrijs of krijtwit van de hagel. Heel klein voel je je dan, een nietig mens tegenover dat enorme brok samengebalde kracht. Dan besef je pas in hoe hoge mate wij onze zekerheid ontlenen aan het feit, dat we stenen omhullingen hebben ge­bouwd met een dak erop. We schuilen weg in onze huizen, en voelen ons vei­lig voor de elementen. Maar zijn we werkelijk innerlijk bestand tegen zulke elementaire krachten? Kunnen we rustig blijven bij het felle licht van de bliksem, bij een knetterende donder­slag?

Vaak zijn de dreigende lucht en de on­heilspellende stilte van te voren
angst­aanjagender dan het onweer zelf. De eigenlijke bevrijding van al deze
ele­mentaire spanningen komt met de neerstromende regen. Iedereen ademt verlicht op en na een uur breekt de zon weer door. De wolken drijven ver­der, de lucht is hoog en blauw. Al gauw zie je tussen de struiken en plan­ten geheimzinnige dampsliertjes om­hoog kringelen: kleine vreugdevuren worden ontstoken, elven dansen in een ringelrei over het gras. En wij, wij doen de deuren van onze huizen open en laten de zon binnen!

Voorboden van de Michaëlstijd, weerspiegeld in de natuur, en ook tussen de mensen onderling.
Na zeven lange weken gaat de school weer be­ginnen. Niet alleen een leerschool voor de kinderen, maar ook voor de ouders, of ze nu willen of niet. Aan de ene kant vinden de kinderen het heerlijk weer hun klasgenootjes te zien; aan de andere kant worden ze in het begin doodmoe van die hernieuwde confrontatie met de klas. Er zijn nogal eens ruzies en vechtpartijen, vriend­schappen verschuiven, de kibbelarijen zijn niet van de lucht. Maar na enige weken wordt dat langzamerhand weer een geheel, een eenheid, een klas. Dan heeft ieder zich min of meer gevoegd. Iedereen is weer gewend aan elkaars hebbelijk- en vooral onhebbelijkheden. En de moeders? Zij moeten zich weer instellen op de ijzeren regelmaat van de klok. Bovendien zijn er altijd wel kinderen die de eerste weken over de schooldrempel geholpen moeten wor­den. En we zien weer zo haarscherp wat ons niet bevalt in de meesters en juffies. Zijn ze wel lief genoeg voor onze kinderen? En die andere ouders – alla, moedig de schouders er onder. We moeten toch weer een jaar met el­kaar optrekken. Laat ik maar even een praatje gaan maken. En bij nader in­zien valt het allemaal best mee. Het is even wennen, maar na enige tijd weet ik weer waarom ik juist die moeder zo waardeerde, en ik zie weer hoe gezel­lig juist die ene vader met zijn kind omspringt.
Woorden gaan over en weer, zoekend en tastend naar die ander. Wie ben jij? Wat zoek je, wat wil je? Hoe was je ook weer? Soms ontdekken we na de vakantieweken ineens bepaalde kwali­teiten in een ander, die je meende goed te kennen. Soms ook vervelende eigenschappen, die je tevoren niet had opgemerkt, en die je nu gaan hinderen. Hoe ga ik daarmee om? Blijkbaar vindt er toch een verschuiving plaats in de samenwerking tussen mensen, als het nieuwe schoolseizoen inzet. Dat gaat overigens niet altijd onge­merkt. Er worden soms harde noten gekraakt, we zeggen elkaar flink de waarheid, we vegen elkaar de mantel uit, en allerlei opgekropte emoties en spanningen botsen op elkaar. Zo moet het misschien ook gaan, overal waar mensen proberen samen te werken, en misschien juist in deze tijd, dat ieder­een weer bij elkaar komt, en alles weer begint en vorm krijgt.

Aan het eind van deze eerste moeilijke maand wordt op de Vrije Scholen het Michaëlsfeest gevierd. Met heilige ernst zingen de kinderen hun liederen ter ere van de strijdende aartsengel. Zij zien het spel van Sint-Joris, de rid­der met de rode mantel op zijn glan­zend witte paard. Met kracht stoot hij zijn lans in de muil van het ondier, dat zich kronkelt aan zijn voeten. Het beest ligt gekromd in een ontzaglijke schaduw, maar achter de gestalte van de ridder straalt een bovenaards licht. Het is vooral dat aspect van het zwaard, waar we veel over horen in de Michaëlstijd. Het is voor de kinderen ook zeer sprekend; de strijd tegen de draak. Het wordt gespeeld en gete­kend en geschilderd. En de moed van dat zwaard te hanteren zullen we ook nodig hebben in allerlei situaties. Maar mij ligt toch meer dat andere werktuig waarmee de aartsengel Michaël vaak staat afgebeeld: de weegschaal. Het af­wegen van de verschillende dingen die op je weg komen, het voortdurend zoeken van het juiste midden: het zijn toch handelingen die voor ons als moeder, als kleuterleidster, voor ieder die in een verzorgend beroep staat, herkenbaar zijn.

Het steeds weer moeten zoeken naar een oplossing die aanvaardbaar is voor allen, dat is: de schalen van de weeg­schaal in evenwicht houden. En die schalen zijn meestal van koper, het metaal dat van oudsher te maken heeft met de hartewarmte, met de liefde tot de medemens. Van koper worden je handen warm als je erover wrijft, en het glanst als goud als je het oppoetst.

Het ijzer heeft andere kwaliteiten. Het heeft meer met kracht te maken. De ridder op zijn paard baant zich een weg door de wereld met zijn ijzeren zwaard. Hij verovert zich daarmee een ruimte waarin hij zich bewegen kan. Ik meen, dat je als moeder en als ieder die op een plaats staat die lijkt op die van de moeder, ook voortdurend bezig bent ruimte te scheppen, maar dan op een manier, die in de eerste plaats op anderen is gericht. Je schept ruimte, zodat anderen kunnen gedijen. Dat hoort vanzelf bij de beweging van de weegschaal: hier een beetje bij, daar een beetje af. Iedereen komt aan de beurt, niemand hoeft zich te kort ge­daan te voelen. Zo blijkt het moeder­zijn een Michaëlische taak bij uitstek te zijn!

De dag is voorbij – lange schaduwen vallen over het gras. De hoge zonnebloemplant vangt met zijn dikke knop de laatste stralen van de ondergaande zon. Een warm oranje licht schijnt tus­sen de bomen door. Daarboven merk­waardig klaar en helder de bijna door­schijnend blauwe lucht. De schemer zet in, dat geheimzinnige halfduister waarin zoveel gebeuren kan. Het roezige van de dag ebt weg. Het is een uur van bezinning en over­peinzing. Wat is de oogst van deze dag? Pijnlijk scherp komen altijd het eerst de dingen naar voren, die niet zijn ge­lukt. We moeten toch meestal een in­nerlijke verlegenheid overwinnen om ook te kijken naar de dingen die goed waren, waar je vrede mee hebt. Ook dat hoort bij het Michaëlsfeest. Daar put je moed uit om te blijven staan op de plaats die je toegemeten is.

(Marieke Anschütz Jonas nr.2, 22-09-1978)

517px-Van_der_weyden_michael

Rogier v.d. Weyden: Michaël

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

249-234

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Plantkunde – Alle artikelen

.

Rudolf Steiner over plantkunde: alle artikelen

Leesboek voor de plantkunde (Nederlandse vertaling)
Inhoudsopgave van dit boek van Gerbert Grohmann met links naar ieder hoofdstuk.

Grohmann: Leesboek voor de plantkunde
Omdat het boek geen genummerde hoofdstukken heeft, kun je vanaf deze links op de genoemde bladzijden komen.
7  9  11  17  22  23  27   28  31  35  37  38 44 46 50 52 59 67 70  74 79 81 84 90 93
97 102 106 110 113  114 117 119 121 122 125 132 135 138
140 143 149 154 164 168 171 173 174 179 184 186 190 192 193 202 211

Over de eerste dier- en plantkunde in de pedagogie van Rudolf Steiner  (Nederlandse vertaling)
Inhoudsopgave van dit boek van Gerbert Grohmann met links naar ieder hoofdstuk

Plantkunde in klas 5 (1)
Uit de Geert Grooteschool
over: samenhang ontwikkeling plant-kind met uitgebreide voorbeelden; planten en elementen; planten in de tijd van het jaar; voorbeeld van wat je in een plantkundeperiode kan doen

Plantkunde in klas 5 (2)
Elisabeth Klein over: wat kun je doen; hoe doe je het; elementen; paardenbloem; kool; cactus; plant in haar omgeving;

Plantkunde in klas 5 (3)
De bloemenklok van Linnaeus: klok kijken met bloemen;

Plantkunde klas 5 (4)
Onbekend over: het plantenkleed over de aarde van pool tot pool; woestijn, hooggebergte, oceaan; plant en omgeving; plant en element; plant en ziel;

Plantkunde klas 5 (5)
Peter Brul over: tarwe

[6-1] Plantkunde 
Roy Wilkinson over: over je voorbereiding; de aard van vertellen; aansluiten bij de ontwikkeling van het kind; Goethe als hulp; Engelse uitdrukking uit de plantenwereld; voorbeelden van waar je bij kan aansluiten of uitgaan; plantenrijk over de aarde; de seizoenen; plantendelen; geometrie in de planten; bloemen en insecten; metamorfose; ontwikkelingstrappen van plant en kind. 

[6-2] Plantkunde klas 5
Roy Wilinson
over: vegetatie van de aarde; classificatie van planten; kruiden; bomen en houtsoorten; Engels gedicht.

 

Plantkunde
Over Goethes metamorfose
Artikel over o.a. de 4 elementen en de plantendelen in sterrenkunde
zie ook: Goethes fenomenologische methode

Planten:
In “Weledaberichten”, een periodiek van de firma Weleda werden in de jaren 70, 80 en 90 van de vorige eeuw, allerlei (geneeskrachtige) planten gekarakteriseerd en voorzien van kunstzinnige afbeeldingen. Deze zijn heel goed te gebruiken als bordtekening, wanneer de betreffende plant om welke reden dan ook, in de klas wordt besproken. Ook kunnen zij een inspiratie zijn voor het kunstzinnig weergeven van de plant in de schilderles in de 5e klas (en hoger).

Over de berk

Over de beuk

Over de krokus

Over de linde

Plantendelen
Hoe heten de verschillende delen van een plant. Gedetailleerde benamingen:
wortel (pen-knol-peen enz)
stengel
blad
bloem
bloeiwijze
vrucht

katjesdragers

Bij voedingsleer:
korte karakteristiek over de elementen:
aarde [6-4/1]  water [6-4/2]  lucht [6-4/3]

Wilde vruchten in bossen en langs wegen
Nikole Karrèr
over: vruchten verzamelen en verwerken tot o.a. jam

Goethes fenomenologische methode

Waarnemen van planten
Willen Beekman over: het waarnemen van pastinaak en peen.

Planten en dieren
Korte beschrijvingen van natuurwaarnemers.

.

Algemene menskunde: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: plantkunde

.

248-233

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (1)

.
Maarten Udo de Haes in  Jonas, nr.2, 16-09-*1983
.

ZWAARD EN WEEGSCHAAL
.

Michaëls symbolen voor een innerlijke strijd

Wanneer je na de zomer je werk weer oppakt, kan je de spanning ervaren tussen nieuwe plannen die je op wilt pakken en het besef van de beperking­en en weerstanden waarmee je zal worden geconfronteerd. Michaël toont ons deze twee polen door de ene keer de weegschaal te hanteren voor het zoeken naar even­wicht en de andere keer het zwaard voor de strijd.

De kringloop van het jaar is op natuurlijke wijze in vier gedeelten in te delen door daar­in de seizoenen lente, zomer, herfst en win­ter te onderscheiden. In oeroude symbolen als de swastika (hakenkruis), het zonnerad of ook het Ierse zonnekruis komt deze viergeleding tot uitdrukking. Het is dan ook niet ver­wonderlijk dat deze natuurlijke vierheid de mensheid steeds weer heeft geïnspireerd om ook het spirituele leven en de religieuze praktijk daarop af te stemmen. Of anders uitgedrukt, dat de twee markante momenten in het jaar waarop de zon haar hoogste en laagste punt heeft bereikt en de tussenliggen­de tijdstippen waarop zij in het midden staat (dag- en nachtevening) de vier ankerplaatsen vormen waaromheen de religieuze feesten ge­ordend zijn.

Hoewel wij ons (zeker in de westerse bescha­ving) in hoge mate hebben geëmancipeerd van de invloeden van zon, maan en sterren en ons daar niet zo vanzelfsprekend meer naar richten, behoeft dit niet tot gevolg te hebben dat wij er ons geheel voor afsluiten (zo dat al zou kunnen). Het kan integendeel ook aanleiding zijn om er bewust en her­nieuwd weer toegang toe te vinden. De fees­ten zijn dan niet – zoals in vroeger tijden – in­gegeven aan de mensen, maar weergegeven door de mensen. In deze zin willen de chris­telijke jaarfeesten niet slechts een ‘verleng­de’ zijn van de taal die zon, maan en sterren spreken, maar een antwoord daarop. Dit antwoord kan des te krachtiger en vreug­devoller klinken naarmate wij ons ieder jaar opnieuw meer verdiepen in het karakter en de waarden van de feesten; er regelmatig oe­fenend in en mee leven, zoals dit bijvoor­beeld in de godsdienstoefening in praktijk kan worden gebracht.

Evenwicht in uitersten

Wanneer na de zomertijd de dagen steeds sneller korter worden, bereiken we het ogenblik (dit jaar – 1983 – op 23 september) waarop dag en nacht even lang zijn. De plaatsen van zonsopgang en -ondergang staan dan precies lijnrecht tegenover elkaar. Het zichtbare ge­deelte van de zonnebaan overdag is dan nauwkeurig even lang als de onzichtbare nachtelijke helft, terwijl – wat hier dan ook mee samenhangt – het hoogste punt van die baan even hoog boven de horizon ligt als het laagste punt eronder. We kunnen daar nog aan toevoegen, dat deze beide punten op hun beurt weer nauwkeurig in het midden liggen tussen de uiterste standen die beide in­nemen in zomer en winter. Kortom, alles spreekt een taal van evenwicht, van afgewogenheid, van het midden. Opvallend in overeenkomst daarmee is het feit dat de aartsengel Michael, die sinds ouds­her als genius van de herfsttijd van het jaar wordt gezien (29 september is ‘zijn dag’) vaak wordt afgebeeld met een weegschaal in de hand. Het goed en het kwaad, het licht en de duisternis in de menselijke ziel worden afgewogen; tenminste dat deel dat we zelf niet hebben kunnen of willen afwegen. Wanneer wij na de zomer het nieuwe ‘sei­zoen’ beginnen en het werk weer aanpakken of oppakken, gaat dit vaak gepaard met een bewust of onbewust afwegen van de moge­lijkheden. We staan in het spanningsveld tus­sen twee polen. De idealen en verplichtingen aan de ene kant die we – na wat afstand ge­nomen te hebben – weer helderder en duide­lijker voor ogen zien; aan de andere kant de beperkingen, innerlijke en uiterlijke weer­standen, waarmee we hernieuwd – ondanks opgedane krachten – worden geconfronteerd. We staan weliswaar altijd min of meer in dit spanningsveld tussen nieuwe impulsen en de opgelegde beperkingen, tussen vertrouwen en zorg, tussen het opnieuw met iemand pro­beren in een vruchtbare, harmonische relatie te komen en de zwakheden en onhebbelijk­heden die ik bij mijzelf en de ander ontmoet.
Maar de beide uitersten lijken in deze tijd van het jaar nog verder uit elkaar te liggen dan anders het geval is. Het spanningsveld is daardoor des te groter. En voordat ik het goed besef heeft de weegschaal, die dient om de uitersten harmonisch tegen elkaar af te wegen, plaats gemaakt voor het andere ‘attri­buut’ waarmee Michaël veelvuldig wordt uit­gebeeld, namelijk het zwaard waarmee uitersten elkaar bestrijden of – en daar komen we straks op terug – dat dient om zelf uitersten te bestrijden.

Er bestaan ook afbeeldingen van Michaël waarbij hij zowel de weegschaal als het zwaard draagt, een combinatie die aanvanke­lijk verwondering wekt omdat het tegelijker­tijd hanteren van een precisie-instrument dat een stille en rustige hand vraagt en van een zwaard dat met grote krachtige bewegingen wordt gezwaaid tegenstrijdig lijkt te zijn. Toch kunnen we uit waarnemingen die in het voorgaande zijn beschreven wel degelijk ervaren dat weegschaal en zwaard heel dicht bij elkaar kunnen staan; dat ze beide te ma­ken hebben met uitersten, die tegen elkaar worden afgewogen ofwel tegen elkaar strij­den.

Vechten op twee fronten

Dat zwaard en weegschaal inderdaad samen kunnen worden gehanteerd, hoewel dat op het eerste gezicht niet verenigbaar lijkt, kan misschien ook nog duidelijk worden vanuit een heel ander gezichtspunt.
Veel wordt tegenwoordig gesproken over vrede. Velen zetten zich actief in voor de vrede. De toenemende oorlogsdreiging, de harder wordende agressie, de criminaliteit brengen velen ertoe om hetzij individueel of in vredesbewegingen zich tegen dit toene­mende geweld te verzetten of om er de waar­de van de vrede of van de geweldloosheid te­genover te plaatsen. Daarbij wordt meestal uitgegaan van de overtuiging dat vrede het tegenovergestelde is van oorlog; dat vrede staat tegenover strijd en confrontatie. Vanuit die overtuiging is het dan ook geheel onbe­grijpelijk waarom nu juist Jezus, die – zoals in het evangelie wordt beschreven – de disci­pelen uitzendt om de vrede die hij aan hen geeft verder uit te dragen tot de uitspraak komt: ‘Ik ben niet gekomen om de vrede te brengen, maar het zwaard’.
Dit lijkt in scherpe tegenstelling te staan tot de uitspraak zoals deze ons is overgeleverd door het Johannesevangelie: ‘Vrede schenk ik u; de vrede die in mij is geef ik aan u’. Wat is dit voor een soort vrede, of wat betekent dit zwaard?

Wanneer ik geconfronteerd word met ander­mans mening is het gevaar groot, dat ik óf deze tracht te onderdrukken en mijn mening aan de ander opdring, óf integendeel, dat ik niet eens naar de ander luister, zijn of haar mening volledig negeer en de betreffende daarbij in de kou zet.

Al naar gelang het onderwerp of de persoon of mijn gesteldheid kan een van beide tegen­gestelde neigingen bij mij opkomen. Wanneer in het eerste geval de ‘zwakkere’ zich gewon­nen geeft is de strijd ten einde, er wordt vre­de gesloten. In het tweede geval is er niet eens sprake van strijd, want deze wordt ver­meden, zodat die situatie een ‘vredige’ ge­noemd kan worden. In beide gevallen is er geen strijd (meer) en kan dus vanuit de be­schreven overtuiging in zekere zin van ‘vrede’ worden gesproken. Toch voelt dit onbevredi­gend of zelfs onbehagelijk aan, omdat we bij vrede toch nog een andere kwaliteit vermoe­den of verwachten dan alleen maar een soort wapenstilstand of ‘koude vrede’. Misschien moet ik wel degelijk het zwaard voeren en ten strijde trekken. Maar dan niet tegen de ander of diens mening, maar tegen die beide neigingen die ik bij mijzelf kan ont­dekken en steeds weer voel opkomen. Ik moet in mijzelf als het ware aan twee fron­ten tegelijkertijd vechten, namelijk tegen de heetgebakerdheid, tegen de neiging om het mij bedreigende te willen onderdrukken, en aan de andere kant tegen de onderkoeling, te­gen de neiging de ander te negeren en zo bui­ten spel te zetten.
In het laatste boek van het Nieuwe Testament, de Apocalypse, wordt gesproken van een tweesnijdend zwaard, het­geen misschien ook in de richting wijst, dat ik niet zo zeer moet strijden tegen een macht buiten mij, maar tegen twee machten in mij.

En ik merk dat, hoe meer het gelukt deze twee machten meester te worden, hoe vrijer en opener ik tegenover de medemens kom te staan, ook al vertegenwoordigt hij een ande­re mening of reageert hij anders in een be­paalde situatie dan dat ik zou doen. Ik merk dat ik mijn eigen standpunt veel minder ab­soluut als het enig juiste beschouw, maar dat mijn zienswijze wellicht aanvulling behoeft, die een ander mij kan geven. Ik ben dan be­reid innerlijk meer te omvatten. En dat is vrede.

De strijd buiten mij aangaan blijkt tot twist, ruzie, oorlog of in het beste geval tot wapen­stilstand of schijnvrede te leiden. Het strijd­toneel in mijzelf te zoeken blijkt tot opener, evenwichtiger relaties te leiden, waarbij ruim­te is voor meerdere standpunten. Zo blijkt het zwaard niet in tegenspraak te zijn met vrede, maar integendeel strijd met het tweesnijdend zwaard zelfs voorwaarde is tot vrede, hoe gevaarlijk deze uitspraak uit het verband genomen ook is. Ik zou ook kunnen zeggen: strijd buiten mij leidt tot oorlog; strijd in mij tot vrede.

Actief antwoorden

De aartsengel Michaël kan ons – vooral juist in de herfsttijd – inspireren en helpen bij de­ze innerlijke strijd. De strijd voor meer ruim­te en openheid in de ziel, voor de bereidheid meer te willen omvatten dan tot nu toe in mij leefde, dus ook voor innerlijke groei bo­ven de mens uit die ik nu ben. Wanneer wij van onszelf zeggen dat we tot grote, misschien wel goddelijke hoogten kun­nen groeien, kan dit door hoogmoed worden ingegeven. De verleidende macht, zoals deze in het begin van het Oude Testament in het beeld van de slang wordt beschreven, zet de mens tot die hoogmoed aan door uit te spre­ken: ‘Gij zult als God zijn’. Hoewel deze uit­spraak – wanneer deze op onwaardige wijze of op een onjuist tijdstip klinkt – tot hoog­moed leidt, is de inhoud van die woorden niet in tegenspraak met de feiten zoals deze in de Genesis worden beschreven, namelijk dat de mens inderdaad geschapen is ‘naar Gods beeld en gelijkenis’.
Wij dragen als mens het goddelijke in ons. Jezus herinnert de mensen op radicale wijze aan deze godde­lijke oorsprong, of aan de goddelijke kern die zij in zich dragen, met de woorden: ‘Gij zijt Goden’.

De genius, de engel van de herfsttijd, herin­nert ons ook aan deze oorsprong door de betekenis van zijn naam Michaël: Wie is als God? Van alle met name genoemde engelwe­zens is hij de enige wiens naam een vraag in­houdt. En zoals iedere vraag, zo zet ook deze tot innerlijke activiteit aan. Een vraag vraagt namelijk om beantwoording. En wanneer wij aannemen of beleven dat deze vraag aan de mensen, aan ons gesteld is, dan zal toch ook van ons het antwoord verwacht worden. Wie is als God? Aan de ene kant kunnen we hoogmoedig zeggen, het antwoord is al lang gegeven, namelijk de mens, zodat de vraag niet eens meer gesteld behoeft te worden. Aan de andere kant kunnen we onszelf (en vooral de ander!) wel degelijk beleven als een onaf, zwak, soms zelfs nietig en in ieder geval een onvolmaakt wezen, kortom, zeker niet in aanmerking komend om met God vergele­ken te worden!

Het antwoord vinden we misschien juist dan, wanneer we het midden vinden (evenwich­tig!) tussen deze uitersten van hoogmoed en ‘laagmoed’. Wanneer wij namelijk de moed vinden om weliswaar onder ogen te zien dat er een brede, diepe kloof ligt tussen menszijn en godszijn, maar anderzijds dat deze afgrond overbrugd en de beide werelden met elkaar verbonden kunnen worden. In deze zin staat Michaël bij uitstek in dienst van Diegene die, zelf God zijnde, mens is ge­worden, daarmede de mogelijkheid schep­pend dat de mens tot God wordt. ‘Gij zijt Goden’ houdt dan een belofte, een verwach­ting in die in de toekomst – mede door ons actieve antwoorden op de vraag: Michaël -verwerkelijkt kan worden. Behalve de eigen, unieke waarde van de Michaëlstijd heeft deze kennelijk ook een
voor­bereidend karakter voor de advent- en kerst­tijd: de geboorte van God in de mens.

Michaël 1

Hans Holbein, Michaël met zwaard en weegschaal
.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

247-233

.

VRIJESCHOOL – Plantkunde – klas 5 (4)

.

IN HET PLANTENRIJK

Hebben de kinderen in de 4de klas kennis gemaakt met de dierenwereld, in de 5de klas voeren we ze in het plantenrijk.
Waar ligt dat eigenlijk, het plantenrijk?

Deze vraag sticht een algemeene verwarring en verbazing.

Natuurlijk ligt het op aarde! Maar waar? En na een kort over­leggen en samenvoegen van de verschillende gedachten, die uit de klas naar boven komen, zien we dat moeder aarde gekleed is in een breed plantenkleed, waar alleen ,,hoofd” en “voeten”, de beide polen, uit te voorschijn komen.

Wel zijn er in het kleed groote gaten of plaatsen waar het heel dun geweven is: de oceanen, de woestijnen en de hooggebergten. Om ’t middel draagt de aarde een dichte gordel: de tropencirkel, zwaar van oerwouden; naar ,,boven” en naar ,,onderen” toe wordt het kleed dunner, om eindelijk in een schraal kantwerk te eindigen.

Laten we de verschillende streken eens nauwkeuriger bezien. Zijn de woestijnen open plaatsen? Neen, geheel open zijn ze niet, want bijna overal zijn ze gewoonlijk bedekt met een heel dun laagje van miniem kleine bleekgroene plantjes; bovendien vinden we bij de oase’s wat palmen, sterke taaie planten, met stevige, droge, diep groene bladeren; of ook wel cactussen, die even droog en taai zijn als de woestijn zelve en met hun zeldzame, vurig-bloeiende bloemen ook antwoorden op de hitte van de woestijn.

En de hooggebergten? Ja, wel breede ruimten zijn hier kaal, hetzij door ijs en sneeuw, hetzij door de gladde, harde steenvlakten. Maar toch vinden we overal nog wel plantjes: de rotsplantjes. Doch hoe anders zijn ze dan wij ze kennen. Klein en vet en inééngedrongen zijn ze, en ze verstoppen zich graag onder en tusschen de steenen voor het schelle licht van de hooge streken. De rotsen en steenen houden het water voor hen vast, dus zelf moeten ze van den regen en de smeltende sneeuw profiteeren en hun blaadjes dik opvullen met sap, om iets over te hebben voor de droge dagen.

De oceanen? Vinden we daar niet de wieren? Dus ook planten. Maar planten, die zich gewillig en onderdanig naar het water ge­voegd hebben: hun stelen en dunne slierende blaadjes zijn zoo buig­zaam en bewegelijk dat ze elke gril van de golven kunnen volgen en zelfs de aarde volkomen kunnen loslaten als ’t water dit eischt.

Uit dit alles zien we dat de planten heel nauw samenhooren met hun omgeving: allereerst en ’t meest met de aarde, maar ook met het water, de lucht en het licht.

Zon, regen, wind en aarde vormen met de plantenwereld één groot, schoon geheel, waarin de planten, met een onuitputtelijke vindingrijkheid en een taai uithoudingsvermogen, steeds nieuwe vormen en nieuwe mogelijkheden vindend, zich buigen en voegen naar het onderling spel van deze vier.

Is de aarde sterk, de zon dichtbij en stroomt rijkelijk de regen, dan vormen zich de geweldige reuzen, met de eenvoudige gladde, diepgroene bladeren en de overvloedige vruchtenrijkdom van de tropen. Is de zon maar zwakjes, doch wordt de aarde geholpen door koelen, vochtigen wind, dan vinden we een plantenwereld, die een keur van blad en bloem ten toon spreidt.

In de lage landen van de gematigde luchtstreken komen zelfs vele soorten voor, die aan één exemplaar wel drie verschillende bladeren vertoonen. naar mate deze aan lucht en licht zijn bloot­gesteld; verschillend dikwijls zoowel naar vorm als naar kleur. (De boterbloem e.a..)

Deze gegevens, het onderling spel van zon, regen, wind en aarde in onze gedachten dragend, gaan we nu de planten nader bekijken en reizen van den evenaar naar de pool. Van palmen, vijgen, rijst en suikerriet gaan we langs sinaasappels, olijven, aman­delen, perziken, en kersen, langs beuken en eiken, door weidebloemen en graanvelden naar de dennen en sparren van de noorde­lijke landen. Spar en berk houden ons, van de boomen, het langst gezelschap, tot we eindelijk, vlak bij het pool-ijs, het rendiermos, de allerlaatste, ook achterblijft. — Een zelfde reis kunnen we doen van het lage land naar de hooggebergten. —

Zoo hebben de kinderen een overzicht van het heele plantenrijk gekregen, waarmee metéén een basis is gelegd voor de economische aardrijkskunde, die ook op het programma van dit leerjaar staat.

Maar nuttig is natuurlijk ook dat. verschillende planten, vooral die van de onmiddellijke omgeving, nader bekeken en gekend worden.

Hoe dit te doen.

We blijven nu dus in ons eigen land en verzamelen in een onder­ling gesprek alles wat de kinderen van onze planten weten. Karak­teristieke planten grijpen we er uit: de eik en het viooltje. Men. voelt de tegenstelling!

Al gauw geven de kinderen zelf de eigenaardige karaktertrekken aan. We zien in de eik moed en kracht uitgedrukt: moed en kracht in de wortels, den stam, de takken en bladeren; in het viooltje spreekt de bescheidenheid.

Deze ontdekking, dat de planten de uitdrukking geven aan ver­schillende ziele-eigenschappen, wordt een vreugde voor de kinderen en het stroomt van voorbeelden: de vroolijke, frissche brutaliteit van de paardebloem, de vrome reinheid van de lelie, de behaag­zucht, van anjeliertjes, de eenvoud en trouw van de den, de ijdele, luie zelfgenoegzaamheid van de waterlelie, enz. enz.

De planten worden beschouwd naar wortel, stengel, blad en bloem, naar omgeving en beweging.

Ten slotte een proef of we de planten goed begrepen hebben: enkele kinderen komen voor de klas één of meer planten voorstellen, in de hun eigenaardige bweging, die ontstaat of bij het zich ont­wikkelen, óf door den invloed van de omgeving; en de anderen moeten raden. En in ons midden gaan leven, eik en beuk en treur­wilg, de sneeuwklokjes, de paardebloem, wat men wil; een bonte verscheidenheid van planten. Het plantenrijk leeft in ons midden, wij leven in het plantenrijk.

Dit voorstellen van planten door een typeerende beweging, bleek de klas zoo gegrepen te hebben, dat het kon doorwerken in de Nederlandsche
Taalperiode, die op de plantkunde-methode volgde. De kinderen kwamen er toe, aan de hand van bewegingen, het eigenaardige van een plant of bloem uit te drukken in kleine ge­dichtjes. Hoewel deze echter pas ten volle tot hun recht komen wanneer de bewegingen erbij gezien worden, mogen enkele hier gegeven worden, zoodat men eraan kan aflezen hoe de kinderen zich met de planten één gevoeld hebben:

De sneeuwklokjes (door een meisje; leeftijd 11 jaar).

Fijn wiegelen de sneeuwklokjes hun hoofdjes heen en weer:

De zon die had geschenen, nu sliepen ze niet meer!

Ze luiden in den zuidenwind het lieve voorjaar in.

De and’re bloempjes slapen nog, zij maken het begin.

Kling-kling.

De Crocusjes (van een ander meisje).

Hoor! de vogels fluiten!

Het is niet meer koud!

Dan kom ik gauw naar buiten:

Ik krijg het zoo benauwd.

Heusch het is niet dolletjes In die donkere bolletjes!

(Een jongen over hetzelfde:)

De crocusjes, geel, wit en paars

Steken recht als een kaars

Hun kopjes naar boven,

Om de lente te loven.

De Paardebloem (van een jongen):

Op het dak daar staat een bloem,

Hij heeft een echte schooiers-roem.

Want hij is zoo taai en sterk,

De boeren bezorgt hij het meeste werk.

Van boven geel, van onder groen,

Men noemt hem ook wel: paardebloem.
.

(Ostara, blad vrijeschool Den Haag, 21/22  dec. 1931 (in spelling van die tijd – auteur onbekend))
.

Veel van wat hier is genoemd, wordt gedetailleerder uitgewerkt in Grohmann’s ‘leesboek voor de plantkunde

.

Plantkunde: alle artikelen

 

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas – plantkunde\

 

246-232

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Plantkunde – Klas 5 (3)

.

DE BLOEMENKLOK VAN Linnaeus

‘Bloemen zeggen hoe laat het is. Stop zaadjes van klaprozen, anjers, strobloemen en goudsbloemen in een pot. Te zijner tijd openen en sluiten de planten hun bloemen op gezette tijden. Je kunt de klok erop gelijkzetten.’

Aldus een krantenartikel.

Dat laatste is niet helemaal waar. Als de zon niet schijnt, gaan sommige bloemen niet open.

Toch een prachtige illustratie hoe de plant reageert op het licht.

Voor meer informatie:

kijk hier  of hier of zoek via google onder bloemenklok: er zijn veel doorverwijzingen.

Ooit was het zaad ‘als klok’ te koop; nu heb ik het nog niet kunnen ontdekken.

Als jij het weet, geef het even door:

pieterhawitvliet apenstaartje gmail   punt   com

.

245-231

.

Plantkunde: alle artikelen

.

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas – plantkunde

.

VRIJESCHOOL – Plantkunde – Klas 5 (2)

.

TWEEËNVEERTIG MEISJES EN JONGENS ZAGEN DE NATUUR

Mijn klas en ik begonnen de plantkunde  met de paardenbloem. Tweeënveertig meisjes en jongens zaten vol verwachting voor me. Ik zocht een groep van de wildste kinderen uit, voor wie flink aan­pakken echt goed was en zei hun: ‘We hebben twee mooie paardenbloemplanten nodig, met wortel en al – want anders is het geen hele plant! -uit de schooltuin, en wel van de paden, waar ze veelvuldig groeien, maar eigenlijk storen. Je krijgt ze daar niet uitgeroeid, omdat ze een wortel hebben die heel diep de grond in­gaat. Op het pad is het heet en droog en alleen diep in de aarde vinden ze water. Haar lange wortel heet penwortel en ze heeft ook kleine zijworteltjes. En,’ zo zei ik, ‘ik wil geen afgebroken wortels zien, maar alleen volledig gave. Begin dus ver van de plant te graven!’

Onze tuinbouwlerares was verbaasd toen zij ’s middags de ijverige arbeid van deze groep bemerkte. Door overmaat van ijver, en omdat de kinderen toch te dicht bij de plant groeven, brachten ze eerst alleen verminkte plantenwortels aan de dag. Maar ze waren volhardend en zo hadden ze, nadat het pad op die manier van ongeveer vijftien paardenbloemen be­vrijd was, toch twee volledige planten voor de volgende morgen, die ze trots als trofee in het klaslokaal brachten.

Een groep rustige kinderen had ik op dezelfde middag naar de wei naast de school gestuurd, uiteraard met toestem­ming van de boer. Zij hadden het gemak­kelijk om hun paardebloem uit te graven, omdat de planten op de vochtige wei niet van die lange wortels hebben.

Nu vergeleken we de planten en de kinderen ontdekten dat, waar de aarde helemaal droog is de wortel heel lang is maar de plant zelf laag blijft. De blade­ren van de bladrozet hebben scherp ge­zaagde bladranden, de bloemstelen zijn kort. De plant zit in elkaar gedrukt op de grond. In de vochtige wei zijn de bladeren en de bloemstelen veel langer, de bladeren zijn aan de rand minder ge­zaagd, de wortels zijn maar net zo lang als de bladeren.

Dat was al een interessante vergelij­king. En nu was het geluk ons op een excursie ook nog goed gezind. Toen wij langs een moeras kwamen, hoorde ik een indianengehuil en dan kwamen een paar kinderen met van opwinding rode hoof­den aangehold met een paardenbloemplant die ze in het moeras gevonden hadden, waar ze maar zelden groeit en zich he­lemaal niet thuis voelt. Hoewel we an­ders op onze uitstapjes naar buiten alleen kijken en niets bespreken, riepen de kin­deren hier zelf, omdat ze al zoveel met belangstelling over de paardenbloem ge­leerd hadden: ‘Deze heeft geen paarden­bloembladeren meer!’ En inderdaad wa­ren de ongeveer 40 cm lange bladeren helemaal niet meer gezaagd, maar alleen nog een beetje golvend gewelfd. Verder had de paardenbloem in het moeras slechts een heel klein worteltje. Hij was dus pre­cies het tegenovergestelde van de plant op het droge pad met zijn lange wortel en de kleine, scherp gezaagde bladeren en lage bloemen.

De volgende dag in de klas vonden we nog, dat het water en het licht iets met de bladrand uit te staan moesten hebben. Waar veel licht is ontstaat een scherpgetande bladrand, waar veel water is kan het licht, zo meenden we, geen mooie vormen uitsnijden. Wij droogden de grote gewelfde bladeren en hebben ze lang bewaard, tot de tand des tijds ze verkruimelde!

levend inzicht vanuit het geheel
Het denken in een levendige samenhang leert men vooral ook goed door de vele gedaanteverwisselingen of metamorfoses van de planten. De ouders zouden zich de moeite moeten getroosten het klas­sieke boekje van Goethe ‘Metarmorfose der plant’ zelf te lezen. Daarin leren we de plant zo te aanschouwen dat we de kinderen tot een levend inzicht ervan kunnen brengen.
Er is een plantenfamilie die ons de mogelijkheid van gedaanteverwisseling van de levende plant op prachtige wijze laat zien. Dat is de familie kool, die tot de kruisbloemigen behoort. Wanneer de hele kracht van de plant in de wortel schiet krijgen we de knolraap. Maar wan­neer de stengelknop overheerst en tot een dikke kop wordt, dan wordt het een rode of witte kool of een savoyekool. De kin­deren merkten ook meteen, dat de bloem­kool een omgevormde machtige groente-bloem is. Men ziet nog de kleine roosjes erin zitten! Dat de bladeren de ogen van de plant vormen wisten de kinderen al. De tuinman kan door zijn kweekkunst de planten bij hun omvormingen helpen. En als dan aan een heel lange stengel vele kleine okselknoppen zitten, wat is dat dan? Dat zijn de spruitjes!
De koolrabi had ik bij deze bespre­king verstopt en buiten beschouwing ge­laten. Nu hield ik in elke hand drie grote koolrabi’s omhoog en vroeg: ‘Maar wat is er nu aan de hand met de koolrabi?’ Diep zwijgen en nadenken. Dan plotse­ling, je ziet het gebeuren, gaat één van de jongens een licht op en hij roept: ‘Ik weet het! Hij heeft immers bladeren. Dat moet dus een verdikte stengel zijn.’ Voor de klas was het een gezamenlijk avon­tuur, want in feite had één het voor allen gevonden. Het werd dan ook ten volle doorproefd, want de koolrabi werd in kleine stukjes verdeeld en heerlijk opge­geten.

Het hart moet aan­gesproken worden
Opvoeden is tegenwoordig altijd een ge­nezen, omdat de capaciteiten van de kin­deren zich niet meer harmonisch en ge­zond ontwikkelen, maar zich ten dele verminderen of voorbijgaand ongezonde veranderingen vertonen. Zo neemt het geheugen bij de kinderen tegenwoordig meer en meer af. Hierbij moeten we ook wel bedenken dat alleen datgene in de herinnering levend blijft wat met het hart opgenomen kon worden, of het nu een rekenkundige regel, grammatica of aard­rijkskunde is. Ook het waarnemingsver­mogen verdwijnt steeds meer om plaats te maken voor een vroegrijp intellect. Juist met plantkunde kunnen we nu een wezenlijke heilpedagogiek beoefe­nen!

Ik ging nu over tot de planten die door het klimaat, d.w.z. het samenspel der elementen, sterke veranderingen onder­gaan. Ik moest me behelpen met mooie afbeeldingen, want het ging om bergbloemen en in Hannover, dat in een landschap ligt dat zo plat is als een bord, zijn geen bergen. Ik wilde echter de kinderen de polvormende planten van het gebergte laten zien: de heerlijke sleutel­bloemgewassen, zoals het Mannsschild (Aretia Alpina L.) en uit de familie der kruisbloemigen het ‘Steinschmückel’, let­terlijk het steensieraad, een mooie pas­sende naam voor de vriendelijke rose bloemetjes (Petrocallis Pyrenaica), het bekende stengelloze lijmkruid uit de an­jerfamilie en tenslotte de Himmelsherold, hemelheld, de bergvergeetmijniet uit de familie der ruwbladigen. Deze polplanten groeien alleen op een hoogte van 1800-3500 m.

Wat is voor deze planten nu het ka­rakteristieke? Ze zitten alle als kussens heel laag op de grond, hebben heel lan­ge wortels, die vaak de rotsspleten volgen en stralende, helder gekleurde bloemen. De kinderen overlegden nu: licht hebben deze planten hoog in de bergen genoeg, vandaar de stralende bloemen die altijd bij het licht horen. Steen en aarde hebben ze ook genoeg, vandaar de lange wortels. Maar wat ontbreekt er, want zonder re­den veranderen de planten zich niet. Het water ontbreekt, omdat het van de berg afloopt en deze planten staan dus op droge grond. En direct antwoordt de le­vende plant en trekt haar bladeren en haar waterige stengel terug en – hup! -daar zitten ze allemaal op de aarde. En dat doet niet alleen één familie, maar alle die op deze hoogte leven kunnen.

Het lag voor de hand nu ook nog de cactus uit de woestijn te bespreken. De stengel is hier dik en reusachtig gewor­den. De kandelabercactus bereikt zelfs de hoogte van een telegraafpaal. De kleur is groen en hij houdt de plant in stand. Maar waar zijn de bladeren ge­bleven? Hoe is het klimaat in de woes­tijn? Er is daar een overvloed van licht en warmte. En bepaald ook genoeg aarde, d.w.z. zand! Maar het water ont­breekt geheel. De bladeren hebben zon­der uitzondering water nodig. We weten hoe ze, als ze door ons op een wande­ling geplukt worden, al vaak op weg naar huis verwelken. In de woestijn laat de plant haar bladeren geheel verdwijnen en heeft ze omgevormd tot doorns.

De meeste kinderen kenden de broei­kas. Het is daar benauwd, omdat het heet is en er veel waterdamp in de lucht zit. Een beetje waterdamp zit ook nog in de lucht van de bergen, waar de pol­gewassen groeien, die kleine blaadjes hebben. Maar hier in de woestijn ont­breekt ieder spoortje van waterdamp in de lucht en er is geen regenwater. Ik vertelde de kinderen, dat in de woestijn die ik achter Los Angeles gezien had, vele sanatoria waren. Want deze droge lucht is geneeskrachtig voor tuberculose, astma en kinkhoest.

De stengel van alle planten groeit van de aarde naar het licht, ook de stammen van de bomen. Bij het vermolmen van de boomstammen bemerkt men dat daar eigenlijk aarde in de stammen omhoog­getrokken is, want de stam wordt nu op­nieuw tot aarde. En zo is ook de cactus eigenlijk een stuk aarde boven de aarde, uitgestulpte aarde.

De cactusplant met haar heerlijke vuurrode bloemen is als de pendant van zo’n landschap. Zoals de droge hete lucht en het licht direct op de hete bo­dem knallen, zo zit hier de vuurrode bloem direct op haar aardbodem, de cactusstam.

Er konden hier natuurlijk alleen enke­le suggesties gegeven worden op dit ge­bied. Gelukkig is er juist hierover uit­stekende literatuur, die de ouders helpen kan zelf te leren waarnemen. Een leven­dige belangstelling voor het plantenrijk is daarbij een eerste vereiste.

Wat echter op deze manier in de kin­derjaren opgenomen wordt, leeft verder in het kind als een geschenk voor later, omdat het steeds een levendige en goede verbinding met de planten, de tuin en het landschap zal behouden.

(Elisabeth Klein, Jonas 10-04-1971)

.

Plantkunde: alle artikelen

.

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas – plantkunde

.

244-230

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Plantkunde – klas 5 (1)

.

OVER PLANTKUNDE IN KLAS 5

De verschijningen van het plantenrijk kunnen we verge­lijken met de groeistadia van een pasgeboren kind tot puber. De geaardheid van de plant vergelijken we met het karakter van de mens.
De plantenwereld is een een­heid en elke plant is verbonden met zijn omgeving. Elke plant is afhankelijk van de zon, de lucht, de aarde of het water en dus ook gebonden aan het jaargetijde of het klimaat.
Bekijken we de plant in haar omgeving, dan volgt hieruit dat plantkunde sterk samenhangt met aardrijks­kunde. De plant bezien we altijd in haar geheel, om dan vervolgens te kijken welke delen zij heeft: wortels, stengel, blad, bloem, vrucht en zaad. De bloeiende plant, die al deze delen heeft, noemen we de hoogste planten­soort. De laagste plant is die, welke het minst van deze kenmerken heeft.
De leerkracht stelt de planten voor als de begroeiing van de aarde, te vergelijken met de haren van de mens. Zonder planten was de aarde kaal. Zomers, als er aan de buitenkant van de aarde alles groeit en bloeit, is het in het binnenste der aarde stil. De aarde zelf “slaapt”. Daaraan tegengesteld is de winter: in de winter is het in het binnenste van de aarde heel actief en bewegelijk, de winter bereidt zich als het ware voor op de lente. De aarde waakt dan, net als de mens die wakker is en waarin van alles gebeurt. Deze voorstel­lingen probeert de leerkracht bij het kind op te roepen.

De laagste plant is de paddenstoel, [1] deze bloeit immers niet, heeft geen wortels,  stengel, groene bladeren, bloem, vrucht of zaad. De paddenstoel heeft wel veel water, aarde en schaduw nodig en groeit heel dicht bij de grond. De opening van de paddenstoel is naar de aarde gericht, niet naar de zon, in tegenstelling tot de bloei­ende plant. De fijne stof, die uit de hoed van de paddenstoel in de aarde valt, zorgt voor een netwerk van draden. Het stof is vrucht, bloem en stuifmeel tegelijk. We vinden paddenstoelen in alle kleuren, maar het zijn “kleuren van de aarde” en niet van de zon.

De geweldige uitbreiding die bij de boom boven de aarde plaatsvindt, blijft bij de paddenstoel in de grond. De paddenstoel vergelijken we met een zuigeling. Net als deze moet hij gevoed worden en heeft fijne voeding nodig. Beide gebruiken hun kracht om het voedsel te verteren en om te groeien, verder slapen ze.

We gaan dan over naar de korstmossen. Het korstmos heeft nog weinig vorm en ordening. Het steekt een heel klein beetje bo­ven de aarde uit en de stengeltjes staan allemaal dicht tegen elkaar aan, het steunt op elkaar. Het korstmos is sterk. We zoeken de plaatsen op waar het groeit. Dit mos heeft een stengelprincipe. We vergelijken het korstmos met een kind van enkele maanden, dat nog ongecontroleerd met armen en benen beweegt, dat grijpt en om zich heen kijkt, maar verder hulpeloos is.
We gaan naar de algen en wieren, die meebewegen in het water. Ze hebben licht en water nodig-, alleen in de lucht kunnen ze niet leven. Ze hebben bladgroen en kunnen daardoor zelf voedsel produceren. Hoewel ze veel op een groene plant lijken, hebben algen de ondersteuning van water nodig. We vergelijken ze met het kind dat kan zitten en krui­pen, maar nog niet alleen kan staan.
Het mos is eigenlijk al een echt plantje. Het is groen, heeft stengel en blaadjes en komt in vele verschillende vormen voor. Het heeft veel vocht nodig en maar een beetje zon. Het mos steunt echter nog geheel op de aarde, de stengels zijn nog niet krachtig en zelfstandig. Zo kunnen we dan mos vergelijken met een kind dat net kan staan en zijn eerste woordjes stamelt.
De volgende stap is naar de varens en de paardenstaarten. We ontdekken, dat deze wortels en groene bladeren hebben. De bladeren groeien al een flink eind boven de grond en komen in allerlei vormen voor. Bloemen hebben de varens niet, dus ook geen zaad of vruchten, doch slechts eenvoudige sporen die op de bladeren groeien. De varen kan haar voedsel voor haar bladeren gebruiken, zo­dat deze in volle pracht kan groeien. De varen is een echte plant en staat met haar wortels stevig in de grond. Varens en paardenstaarten beschouwen we als de middelste soorten uit het plantenrijk. We vergelijken ze met het kind omstreeks het derde jaar: het loopt en staat stevig, zegt “ik” en wordt zelfbewuster.

Vervolgens vertellen we over de naaldbomen, de altijd groene bomen die een rechte, sterke stam hebben waarmee ze tot hoog in de lucht kunnen rijken. Met hun naalden lijken ze de blaadjes van een boom te willen nadoen. Hoewel deze boom geen bloemen heeft, behoort hij toch al tot de bloeiende planten. Hun bloeiwijze bestaat uit ” kleine boompjes” op de takken. Als we goed kijken zien we zelfs in het midden van deze boompjes een klein stamme­tje. Daaraan zitten de schubben van de kegel, die tevens zaadjes bevat, vast. Met de geur van zijn hars wedijvert de naaldboom met de bloemen. De naaldboom vergelijken we met een kleuter: hoewel deze flink en zelfstandig is, leeft hij nog sterk in de nabootsing. Van de naaldbomen gaan we over naar de parallelnervige planten, de planten met een enkelvoudige bloeiwijze ( monocotyledonen). Voorbeelden hiervan zijn de bol­gewassen tulp, hyacint,  krokus en het sneeuwklokje, maar ook de grassen en granen.
We gaan hier in op de bolgewassen. De bloem van de bolgewassen is meestal in drieën gedeeld. Het lange gladde blad omvat van onderaf de stengel. In de grond verbergen ze een bloembol. In het vroege voorjaar laten deze planten zien, hoe snel ze kunnen groeien. Bij de eerste zonnestralen steken ze hun groene sprieten bov­en de aarde en ook de bloem volgt dan snel. Aan deze bloem kunnen we geen aparte kelk onderscheiden. De bloem opent zich in het zonlicht. We vergelijken de monocotyledonen met het kind omstreeks het zevende jaar tot en met het kind van tien jaar. In deze jaren staat het kind open voor wat het leert. Het wordt als het ware door nieuwe kennis verlicht. In het kind is nog veel verborgen dat niet uit de verf komt.
Nu gaan we over tot de eenvoudige dicotyledonen. Hiertoe behoren de meeste planten die wij kennen van de hei, het bos en van ’t veld, zoals het viooltje, de boterbloem, de dotterbloem, de anemoon en de paardenbloem. Al deze planten hebben veel licht en lucht nodig. Het kind echter nog als de bloem in knop: groene en ge­kleurde blaadjes zijn nog niet te onderscheiden, bloeien zal het pas later.  Kinderen tussen elf en veertien jaar vergelijken we met de dicotyledonen.

Het zijn de planten met een dubbele bloeiwijze:  ze hebben én kelkblaadjes én kroonblaadjes, (onder andere de ranonkel­soorten). We laten het kind zien waar het naartoe zal groeien. Het kind zal worden als een bloeiende roos. In hemzelf zullen groene kelkbladeren en kleurige bloembladeren te onderscheiden zijn. Heftige gevoelens en eigen gedachten en ideeën maken het persoonlijke van het kind kleurrijker.

Een plantkundeperiode in de vijfde klas.
Het lokaal ziet er heel anders uit dan anders op de eerste dag van de plantkundeperiode. Aan de wanden en kastdeuren han­gen grote kleurige aquarellen waarop onder andere dennenbomen, paddenstoelen, berken, varens, een tulp en een roos te zien zijn. Met uitbottende forsythia- en kornoeljetakken, zoet geurende hyacinten en een bakje gevuld met kussentjes mos, geven de tafel onder het bord een feestelijk aanzien. Fossielen en barnstenen met overblijfselen van planten, grote en kleine zaden en takjes katoenpluizenbollen liggen er los naast. Een stapeltje plantenboeken om in te snuffelen completeert het geheel. Zo, nu weten de kinderen zeker dat een plankundeperiode begint.

De lerares vertelt enkele inleidende bijzonderheden over planten, bijvoorbeeld dat de plant graag naar de zon wil groeien, dat het lijkt alsof de zon de planten naar zich toetrekt. Zij vertelt wat de klas in deze periode zal gaan doen: Ze zullen planten bekijken en bespreken, ze zullen veel planten schilderen en er ook over schrijven. Nadat het volgende gedichtje door een van de kinderen is voorgelezen, schrijven zij het van het bord over in de kersverse periodeschriften:

Ik wou dat ik zo wijd
mijn armen kon strekken.
Ik wou dat ik verblijd
mijn lichaam hoog kon rekken.
Ik wou dat ik zo rein
kon groeien en kon bloeien.
Ik wou dat ik zo fijn
mijn kleuren kon doen gloeien,
zodat iedereen kon zien
wat ik zo lang gemaakt heb.
(geschreven door de lerares)

Op de overgebleven ruimte op de bladzijde wordt een voor­jaarsbloem getekend. Wanneer de schriften en de kleurdozen weer in de kastjes liggen, volgt de klas de ontwikkeling van de paardenbloem door de seizoenen heen. De weg begint in de warme zomerlucht waardoor kleine parachuutjes zweven. Zij komen uit de witte pluizenboel. ’s Winters rust het zaad in de donkere aarde. Alle zaadjes “weten” precies wanneer het voor hen warm genoeg is om te ontkiemen. De lerares vertelt over de kiemworteltjes en de kiemblaadjes, over de bladvorming, over de knop en de bloem. Iedereen heeft weleens een paardenbloem geplukt, dus kunnen de kinderen zelf beschrijven hoe de bloem er vanbinnen uitziet. Heel kort horen zij iets over de bevruchting, het verleppen en het overblijven van het vruchtbeginsel. Wanneer de rol van de seizoenen aan de orde komt, wordt de aarde in de zomer vergeleken met de slapende mens, terwijl de aarde in de winter, als alles wordt voorbereid, van binnen wakker is.
Twee vragen krijgen de kinderen mee naar huis om over na te denken: Waar zouden onze gedachten en gevoelens zijn als wij slapen?
Wat is je vroegste herinnering?
Penselen, waterpotten, voorgeweekt papier en gele en blauwe verf worden uitgedeeld. Licht en water komen van boven – en van onderaf naar elkaar toe. Zij zoeken elkaar als het ware op. Het daarvoor gebruikte geel en blauw raken elkaar slechts even aan. Daar ontstaat een vleugje groen, net als­of op die plaats de eerste lentesprietjes uitkomen.

Dit gedichtje komt de volgende dag in hun schriften te staan:

De vier elementen
Zo vast en droog de aarde is,
Zo nat en vloeiend het water is.
Zo licht en vluchtig is de lucht,
De warmte rijpt de vrucht.
                                                                                            (lerares)

De verschillende stadia van de paardenbloem en de daarbij be­horende jaargetijden vatten de kinderen zelf samen, in terug­gaande lijn:

pluisje                                             – eind zomer

bloem                                              – zomer

knop                                                 – lente

wortel, steel, blad                          – lente
kiembladeren,

kiemwortel                                     – lente

zaadje                                              – winter, herfst

Wanneer zij vertellen over hun allereerste herinnering, blijken deze vaak met schrikbelevingen te maken hebben: een gat in je hoofd, in het water gevallen, een kop thee over je benen, een vechtpartij op straat…….
Een meisje meende zich zelfs te herinneren uit de kinderwagen te zijn gevallen. Over de vraag waar je gedachten en gevoelens zijn als je slaapt, hebben de kinderen nauwelijks nagedacht, dat vonden ze zo’n stomme vraag. Het eenvoudigste antwoord leek hen: ” Die slapen ook!”
De juf gaat er dan verder maar niet op in. Een jongen heeft spontaan enkele takken met katjes meegebracht die al helemaal geel zijn. Voor de klas vertelt hij er van alles over en tekent zelfs een dwarsdoorsnede van een katje op het bord. De lerares gaat door op zijn verhaal. Zij vertelt over de bloei van bomen, over stuifmeel en het bijenbezoek, over de verschillende zaadvormen, over het verspreiden van het zaad door de vogels en de wind. Het water en het licht worden weer geschilderd, maar ze weten nu al beter wat ze met elkaar kunnen doen. Met behulp van de aarde vormen ze een plant, die omhoog naar de zon groeit en haar blaadjes één voor één uitstrekt naar beide kanten. Wanneer deze per kind zo verschillende planten de volgende dag beke­ken worden, lijkt de ene plant in een moeras te staan, de andere op een berg of in een woestijn. De kleursterkte en de hoeveelheid lucht en water in de schilderingen maken deze verscheidenheid aan planten mogelijk.

Nadat de leerstof van de vorige dag heel kort met behulp van de kinderen herhaald is, vertelt de lerares uitgebreid over paddenstoelen. Tot slot maakt zij een vergelijking met een volledige plant: Bij de paddenstoel blijft alles onder de aarde, behalve de top. Hij wil niet veel weten van de zon. Thuis moeten de kinderen een gedichtje over de paddenstoelen maken.
Nogmaals schildert de klas de plant van gisteren, maar nu met vier kleuren. De aarde geeft stevigheid aan de wortels en een lichte waas van warmte die de knop omhult, brengt de rode bloem tot bloei. Weer ontstaat bij ieder kind een ander soort bloem: een strobloem, een rode zonnebloem, een pioenroos, een cactus…..

Enkele paddenstoelgedichtjes worden voorgelezen. Daarna schrijven de kinderen hun eigen vers stilletjes in hun schrift. Sommige vinden andermans gedicht zo leuk, dat ze die ook op schrijven:

Paddestoel klein
en paddestoel rond,
jij staat zomaar op de grond,
op het zachte groene mos
in het grote dennenbos.
(leerling)

Kleine tekeningetjes in de opgespaarde ruimtes laten geheime plekjes in het bos zien, waar paddenstoelen het naar hun zin hebben. De lerares leest nog eens enkele herinneringen van de kinderen voor. Dan merkt zij op dat een baby eigenlijk net zo afhankelijk en hulpeloos is als de paddenstoel. Beiden kunnen zich niet zelf voeden en toch groeien zij allebei heel snel en zijn even rond van vorm.
In de paarsblauwe schaduw van een boom­stam sparen de kinderen de vorm van paddenstoelen uit.
De donkere aarde biedt de nodige beschutting. De stemming op de schilderbladen is die van een geheimzinnige vollemaansnacht. Nadat de kinderen hebben gehoord over de korstmos en diens reacties op water en zon en diens voorzichtige pogingen blad te vormen, schrijven zij dit gedichtje van het bord over:

Korstmos zo hoog op de rots
leef je van water en zon.
Jij groeit daar zo trots,
waar niets meer leven kon.
Jij bent zo kleurig en klein,
maar je kunt niet veel
meer dan een paddenstoel zijn,
zonder wortel en zonder steel.
( lerares)

De diepzee en haar oerwouden van veelkleurige en veelvormige algen en wieren zijn nu het onderwerp van de les. In het water gevormd en nog net niet verstoken van het licht, deinen deze wortelloze planten mee met de beweging van het water.  Zij wor­den als het ware door het water gedragen, maar kunnen zich nog wel aan de zeebodem vasthechten. De lerares vertelt nu over de ontwikkeling van het kleine kind, hoe het leert eten, zit­ten, kruipen en staan.

Wouden van wier en algen in vele kleurschakeringen en vormen, die zacht onder water bewegen, verschijnen op het vochtige papier. Eerst schilderen de kinderen het blauwe water en daarna de planten. Daartussen zwemmen kleine felgekleurde vissen, octopussen en kwallen.

Die dag hebben de kinderen thuis gedichtjes gemaakt. De volgende ochtend worden enkele voorgelezen, waarna er een wordt uitge­kozen om naast het eigen gedicht op te schrijven in de schriften:

Daar staat een alg diep onder zee,
zijn bladeren gaan met de golven mee.
Een alg heeft een ontzettend groot blad,
en die voelt natuurlijk heel erg nat.
De vissen zwemmen tussen de bladeren door
en bijten soms in een rechteroor,
want vissen eten graag algen.
Mij lijkt het om te walgen!
( leerling )

Ranke algen en kleurige visjes op de lichtblauwe zee­bodem versieren de rest van de bladzijde. Op het volgende blad komt te staan:
We hebben een vergelijking gemaakt tussen de plantenstadia en de ontwikkeling van het kind:
paddestoel    – baby: rond, hulpeloos, afhankelijk,

korstmos       – enkele maanden oud: het kind leert zich bewegen, grijpen en                                           kijken,

algen               – ongeveer een jaar oud: het kind kan zitten en kruipen, maar                                              nog niet alleen staan,

mossen          – na het eerste jaar; het kind kan alleen staan en begint                                                         woordjes te zeggen.

Nu zijn de mossen aan de beurt. Onder de bomen in het bos die nu nog helemaal kaal zijn, vind je de prachtigste groene plekken. Je vindt daar een soort mininatuur van heel veel kleine plantjes. Deze hebben veel van de vormen die we ook in het plantenrijk onder de “grote” planten tegenkomen: struiken, palmen, bomen. De kinderen horen over het bloemetje, de bestuiving, het sporendoosje op zijn lange stengel, over zijn behulpzaamheid aan de bomen, over de vroegere moerassen in ons land en het ontstaan van turf.
Dan wordt het mos geschilderd: op een licht plekje in het bos, waar de zon net tussen de bomen door kan schijnen, groeien kleine kussentjes mos in allerlei groene tinten. Daar bovenuit groeien de prachtigste lichtgroene varens met hun lange bladeren en hun krullen.

De lerares vraagt de kinderen thuis een herinnering over de eerste tijd op school op te schrijven. Wanneer zij deze een dag later aan elkaar hebben verteld, wijst de lerares hun op het verschil tussen de tijd van hun vroegste herinnering en die toen ze een jaar of zes waren. Hoeveel meer weten, voelen en kunnen ze al….  Zij geeft een be­schrijving van een kind dat iedereen in zijn omgeving nabootst en op een gegeven moment beseft dat het zelf een ” ik ” is. Wanneer de kinderen de mos – en varen­schilderingen van de vorige dag bekijken, krijgen zij meer over de varens te horen. Deze hebben samengestelde veernervige bladeren, waarop aan de achterkant sporen groeien.

Wanneer je zou proberen ze uit te graven, merk je dat ze stevig in de aarde staan:  ze hebben wortels. De varens hebben geen echte stengels en ook geen bloemen.

De lerares beschrijft de sfeer van, het dennenbos met de rood­achtige gloed van de afgevallen naalden, de donkere zwijgzaam­heid van de streng gevormde bomen.
Achter het bos kleurt de avondhemel rood….. ‘Een uur later zijn deze bossen geschilderd en liggen de schilderingen te drogen in het waterige voorjaars­zonnetje.
De volgende dag worden de belangrijke dingen over de varens nog eens aangestipt en daarna schrijven de kinderen zelf wat ze nu over de varens weten:

De varens zijn bladeren, gelijk uit de grond. In warmere landen zijn ze net zo hoog als een boom. Daar leven de wortels een halve meter onder de grond. Het samengestelde blad heeft tientallen blaadjes aan de zogenaamde steel. Varens zijn er hier in Noord – Holland. Er zijn vele soorten varens.  Ze hebben sporen op hun bladeren en leven van water en licht.
( uitwerking leerling )

Besproken wordt de ontwikkeling van het kind van drie tot zes jaar, het eerste “ik”- zeggen, zijn spel en zijn grenzeloze fantasie. Wanneer de kinderen de bijzonderheden van de dennenboom hebben gehoord, kondigt de lerares aan dat ze morgen over de dicotyl en de monocotyl zullen praten en dat ze nu een van die planten gaan schilderen.
Ze beginnen met blauw van onderen en geel van bovenaf. Onder de aarde heeft de tulp haar bruine bol met de kleine witte worteltjes. Het lange blad omvat van onderaf de stengel. Om de bloem heen schilderen de kinderen de lichte, roodachtige waas van de warmte. Na een korte herhaling over de naaldbomen schrijft de klas er weer een stukje over. Ze mogen dat ook in gedicht – of gespreksvorm doen. Ook eigen ervaringen en herinneringen die met naaldbomen te maken hebben, mogen in het schrift komen.

De dennen hebben geen bladeren, maar naalden. Aan de takken groeien dennenappels. Die zijn roodbruinig. De stam is kaarsrecht en in het voorjaar zit er veel hars aan. Er zijn vele soorten naaldbomen: sparren, fijnspar en nog, veel meer. De grove den of pijnboom is een bijzonder taaie naaldboom, die men herkent aan de lichtrode schors en de blauwgroene naalden. De naalden van een den ruiken naar citroen en prikken. In de herfst en in de winter blijven ze groen.
(uitwerking leerling)

De kinderontwikkeling van het zesde tot veertiende jaar wordt nu beschreven: het voor het eerst naar de grote school gaan, het willen leren, de gevoelens van eenzaamheid rond het negende jaar en dan het langzaam bewuster worden van de eigen gevoelswereld en het komen tot eigen gedachten en ideeën. Zo horen de kinderen niet alleen wat ze zelf kunnen herkennen, maar tevens wat nog komt, waarnaar ze kunnen uit­kijken.
Op het bord staat een wilde roos getekend. Een uitgebreid wortelnet houdt de plant stevig in de aarde. De ver­schillen worden behandeld tussen de tulp, die al in het voorjaar uitschiet en de roos, die geduldig werkt aan haar steeds fijner en uitgewerkter samengestelde blaadjes en die rustig de tijd neemt voor de knop, waar zij in de groene kelk de gekleurde kroonbladeren verborgen houdt. Tenslotte ontvouwt zij haar bloem in de vorm van een vijfster. Alle elementen, de lucht, het water, de aarde en de zon, werken ten volle met haar mee.

Wanneer de kinderen de roos gaan schilderen, vraagt de lerares hun net zo veel geduld en nauwkeurigheid uit te oefenen als de roos zelf doet. Zij hebben tijdens deze periode veel plezier gekregen in het steeds terugkerende schilderen, maar nu zoemt het in het lokaal van de ijver. De prachtigste rozen, van verfijnd tot uitbundig, ontstaan op de vochtige schilderbladen. De laatste periodeweek is bestemd voor allerlei uitstapjes. De eerste dag gaat de klas op de fiets naar het Jacques P. Thijssepark, waar ze in groepjes langs kronkelpaadjes, bruggetjes en sloot­jes komen om het park te verkennen. Sommige kinderen gaan meteen Indiaantje spelen als ze de bosjes zien, anderen kletsen meer dan ze kijken, maar er zijn er ook die met de juf willen meelopen en haar van alles aanwijzen wat ze van de plantkundelessen herkennen. Weer terug in de klas schrijven de kinderen een verslagje.

Het tweede uitstapje leidt naar het Amsterdamse Bos. Van tevoren is de klas in tweeën gesplitst en deze helften zijn elk in vijf groepjes van drie personen opgedeeld. Beide helf­ten krijgen een geheim woord op dat uit vijf letters bestaat. Elk drietal krijgt een letter tot zijn beschikking en moet een vraag bedenken, waarvan het antwoord met deze letter begint. De vragen moeten met plantkunde te maken hebben. Op een groot ruig veld, dat omringd wordt door bosjes en sluippaden,worden de fietsen neergezet. De groepjes van de ene klassenhelft krijgen vijf minuten de tijd om zich in het struikgewas te verbergen, de groepjes van de andere helft gaan even later op zoek en moeten bij elke gevonden post een vraag beantwoorden of een opdracht uitvoeren, bijvoorbeeld:

–  Wijs een mini- oerwoud aan.

–  Zoek twee bladeren: een veernervig en een parallelnervig.

–  Zoek een boom met witte schors. Hoe heet deze boom?

Bij elk goed beantwoorde vraag of uitgevoerde opdracht krijgt de zoekgroep een letter dat in het geheime wachtwoord past.
Op deze wijze zijn de kinderen tijdens hun spel toch in gedachten bezig met de plantkunde, terwijl ook de mistige maartstemming, het uitbottende groen om hen heen en de drijvende planten in de sloot hun niet zijn ontgaan.
In het Vondelpark gaat de klas eerst bomen bekijken en daarna ook natekenen. Op een veld staan twee reusachtige kastanjebomen. Die willen de kinderen tekenen. Al gauw zoeken zij een plekje in het gras om te beginnen. Meegebrachte plastic vuilniszakken moeten de broeken beschermen tegen het vochtige gras.

Maar helaas, het begint te druppelen. “We gaan gewoon door hoor!”,  laten de kinderen weten. Toch worden zij door een lange plensbui het park uitgejaagd. Daar gaan ze weer, dwars door de stad, koude regen op hun hoofd, rode handen aan het stuur, gemopper…… Terug in de klas moeten zij bijkomen bij de kachel met warme chocolademelk. Slechts zeven tekeningen hebben de terugtocht overleefd. Na deze koude belevenis willen de kinderen de dag daarna niets liever dan in alle rust schrijven en tekenen in de behaaglijkheid van het lokaal.
Een mooie gelegenheid om het gedicht van de roos en de tulp, dat al een paar dagen op het bord stond, over te schrijven. Natuurlijk hoort daar een tekening bij.

Over de tulp en de roos.

De tulp,  zij heeft verborgen
al haar delen in het klein.
Zo vlug als de zon in de morgen
kan zij er in de lente zijn.
En de roos is zo voorzichtig.
Diep wortelt zij in de aarde.
Alle elementen evenwichtig
benut zij hun waarde.
(lerares)

In een bijna transparant geschilderde achtergrond van lichtgeel en rose worden drie witte boomstammen uitgespaard. In heuvelachtige landschappen staan even later drie berkenbomen bij de één met korte, dikke stammen, bij de ander smal en rank.

De hangende en opwaaierende bladersluiers hebben alle nuances tussen geel en donkergroen. Donkerbruine vlekken verlevendigen de witte bast.

Tijdens de laatste les leggen de kinderen hun schilderingen op de juiste volgorde, maken van dun karton een kaft, die van een opschrift en een tekening wordt voorzien en zetten het boekwerk met een klemmetje vast.

Tenslotte reciteren de kinderen nog eens alle gedichten uit deze periode. Tussendoor vertelt de juf nog iets nieuws over sommige plantensoorten.  “Wie heel goed kijkt, kan heel veel bijzondere dingen over de planten aan de weet komen.”

Heemkunde, Geert Grooteschool Amsterdam, jaartal onbekend)

[1] Zie de opmerking in de reactieruimte

De ontwikkeling van het kind en de samenhang met de plantenladder vind je vooral in het leesboek voor de plantkunde

.
Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas – plantkunde

.

243-229

.

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – Leopold v.d.Pals

.

LEOPOLD VAN DER PALS

Op 7 februari 1966. is te Dornach de bijna 82-jarige componist Leopold van der Pals overleden.

Welhaast ieder van ons kent deze naam door zijn muziek voor de
Kerst­spelen en de vele composities voor euritmie.

Niet zo velen onder ons kenden de markante geheel met Dornach samengegroeide persoonlijkheid die deze naam droeg.

Hoewel Nederlander van geboorte was hij geen Nederlander en hij beheerste de taal ook niet, die hij wel graag hoorde spreken. Hij had belangstelling voor Nederland, zoals hij zich interesseerde voor alle landen van Europa, waar­van hij er verscheidene naar landschap en volksaard goed kende. Want hij had Europa lief.

Zijn rijzige, in vroeger jaren kaarsrechte gestalte met het edel gevormde hoofd riep een beeld op van de voorname en innerlijke fijnzinnige levens­stijl die in de St. Petersburgerkring heerste, waar hij werd geboren en zijn jeugd doorbracht, aan het eind van de vorige eeuw. Aan zijn hel-blauwe ogen, die hij klaar en vol aandacht op de hem omringende wereld richtte, scheen niets te ontgaan. En alleen deze blik verried dat hij al jong een zelf­standig zoeker naar de Geest was.

Zijn lot voerde hem in 1907, na beëindiging van zijn muziekopleiding, naar Berlijn, waar uit alle richtingen de kunstenaars samenstroomden en het muziekleven bloeide. Daar maakte een bevriende pianist hem opmerkzaam op de voordrachten van Rudolf Steiner in het “Architekten-Haus”. Hij nam de geestesroep in zich op en reeds in 1909 — 25 jaar oud — werd Leopold van der Pals in de kring van persoonlijke leerlingen door Rudolf Steiner op­genomen. Zo was het vanzelfsprekend dat hij naar Dornach ging toen het centrum van de beweging daarheen verplaatst werd om mee te werken aan de bouw van het eerste Goetheanum. Hier groeide zijn diepe verbin­ding met de euritmie: waaraan wij o.a. de parelend reine muziek voor Rudolf Steiners lyrische gedicht “Frühling” te danken hebben en de zo boeiende euritmische “Auftakte”.

Van der Pals nam zelf ook deel aan de euritmiecusussen. Rudolf Steiner droeg hem menigmaal op een inleidend woord voor een opvoering te spreken wanneer hij zelf daartoe verhinderd was. — Toch trad Van der Pals nooit op de voorgrond, integendeel: hij leidde een teruggetrokken bestaan, ook op zijn vele reizen en toen hij zich na de dood van zijn vrouw in de dertiger jaren voorgoed in Dornach vestigde, werd hij zeer eenzaam. Hij wijdde zich geheel aan de muziek en zo ontstond een rijk gevarieerd oeuvre, waarin hij steeds weer trachtte zich te vernieuwen. Daarbij had hij een veel omvattende kennis van de moderne muziek en de hedendaagse componisten. Dat zijn muziek zo weinig weerklank vond in en buiten de antroposofische kringen vervulde hem met diepe smart. Wie hem in de laatste jaren zag, kon getroffen worden door de smartelijk berustende trek op zijn gezicht. Nog tref­fender doordat ook de vrije, rechte gestalte werd gebogen door een gecom­pliceerde schouderbreuk, waaronder hij zeer leed.

Met Leopold van der Pals ging een zeer bijzondere vertegenwoordiger van twee tiidperken heen: een beminnelijk aristocraat uit Midden-Europa van de vorige eeuw en een geesteszoeker die stil en onverschrokken de door Rudolf Steiner gewezen weg de toekomst in volgt.
.

(C. C. Rens-Portielje. Mededelingen A.V.I.N. mei 1966)
.

Leopold van der Pals
Herinneringen van een musicus

Op een dag in de herfst van 1909 of 1910 vertelde Dr. Steiner me, dat hij een oud kerstspel wilde laten opvoeren door leden van de Berlijnse afdeling van de Antroposofische Vereniging en hij vroeg, of ik daarvoor de muziek zou willen componeren. Natuurlijk nam ik dat aanbod aan!

Dat was het geboorte-uur van mijn muziek bij de verschillende Kerstspelen. De keus viel allereerst op een klein spel uit Ober-Pfalz. Waarschijnlijk wilde Dr. Steiner eerst eens kijken hoe dat ging, voor hij zich aan de grote spelen uit Oberufer waagde. Ik toog meteen aan het werk en zocht om te beginnen naar de oude oorspronkelijke melodieën die vroeger bij dit soort spelen werden gebruikt. Ik kon echter niets vinden, behalve twee klei­ne liederen, die ik voor de slotzang gebruikte. De rest componeerde ik dus zelf. Van de repetities en de opvoering van dit kleine spel kan ik me niets meer herinneren. In ieder geval moet het resultaat Dr. Steiner niet zijn tegengevallen, want een jaar later vatte hij het plan op, het Geboortespel uit Oberufer in te studeren, wat een aanzienlijk zwaardere opgave was. Ook voor dit spel moest ik de muziek schrijven.

Ik besloot om niet opnieuw en waarschijnlijk wederom tever­geefs, naar de originele muziek op zoek te gaan, maar alle liederen nieuw te componeren.

Eén ding was mij volkomen duidelijk: ondanks het populaire karakter van dit soort liederen zou ik elk spoor van banaliteit en zoetelijkheid moeten vermijden en toch zouden de liederen gemakkelijk in het gehoor moeten liggen. Een paar jaar later gaf Dr. Steiner mij de opdracht liederen voor het Oberuferse Driekoningenspel te componeren. Dat was nog moeilijker, want dit spel is zo onuitsprekelijk dramatisch, dat je niets kunt beginnen met eenvoudige, goed in het gehoor liggen­de muziek. Ik probeerde me aan te passen aan de stijl van het spel en componeerde dus ook de muziek voor het Drie­koningenspel.

De opvoeringen vonden plaats in het zaaltje van de Berlijnse afdeling op een toneeltje zonder gordijnen en met heel primitie­ve kostuums van papier, maar niettemin veroorzaakten ze bij het publiek een stemming van diepe, innerlijke aandacht.

Intussen was men te Dornach begonnen met de bouw van het Goetheanum. Ook ik ging in het jaar 1915 naar Dornach, om daar mee te werken aan de bouw. Hier ontstond de muziek voor het laatste van de drie spelen, het Paradijsspel. Aan deze tijd heb ik een veel levendiger herinnering dan aan de Berlijnse opvoe­ringen. Er was grote haast bij het componeren van deze muziek, want het was al laat in ’t seizoen. Ik componeerde de hele dag, tot in de trein naar Bazel toe!

Het was de gewoonte van Dr. Steiner om, voordat de repetities begonnen, de teksten voor te lezen aan allen, die mochten meespelen. Hij deed dat ieder jaar. Eén van die leesavonden staat me nog heel duidelijk voor de geest. Wij, die in welke hoedanigheid dan ook aan de spelen moesten meewerken, ver­zamelden ons in Villa Hansi, Dr. Steiners huis in Dornach. Toen kwam Rudolf Steiner binnen en begon te lezen. De manier waarop hij de tekst las was zo volmaakt, dat wij het stuk dat we toch goed kenden, nauwelijks nog herkenden; het leek wel of we naar iets heel nieuws luisterden. Hij vereenzelvigde zich letterlijk met de persoon wiens rol hij las, hij was Maria, hij was de vrolijke herder, de ruwe waard, de vrome Jozef. Niet lang daarna begonnen de repetities. Met mijn zangers moest ik vaak urenlang oefenen, tot ze de melodieën in hun hoofd hadden. Ieder zette zich tot het uiterste in en bij de uitvoering klopte het gelukkig helemaal. Omdat er overdag aan de bouw van het Goetheanum werd gewerkt, waren de gezamenlijke repetities altijd ’s avonds en ze duurden vaak tot diep in de nacht. Steiners vrouw was er altijd bij, wees de spelers op hun fouten en gaf aanwijzingen ‘hoe je het dan wél moest doen’. Vaak ook was Dr. Steiner zelf aanwezig en kwam dan waar nodig persoonlijk tussenbeide. Hij las dan niet alleen de tekst, maar vaak stond hij met één sprong op het toneel en speelde de rol zelf, als een volleerd acteur.

Met Kerstmis vonden dan de opvoeringen plaats. Als regel hield Dr. Steiner eerst een inleiding, waarin hij iets vertelde over het ontstaan van de spelen, over zijn eigen relatie tot Karl Julius Schröer en diens werk en hoe hij de spelen aan de vergetelheid had ontrukt.

Bij één van deze uitvoeringen hadden we ieder jaar het hele dorp op bezoek. Dan waren alle notabelen van het dorp uitge­nodigd en het publiek bestond hoofdzakelijk uit dorpsbewoners en een geweldig groot aantal kinderen, wier grootste plezier het was, de duivel aan z’n staart te trekken. Mijn melodieën kenden ze uit ’t hoofd, en ik heb ze vaak door straatjongens in Dornach en Arlesheim horen zingen.

Alle spelers waren leden van de Antroposofische Vereniging, die meestal nog nooit op de planken hadden gestaan. Dankzij de onvermoeibare inzet van Dr. Steiner en zijn vrouw leerden ze al gauw hoe ze zich op het toneel moesten bewegen en spraken ze het Oostenrijkse dialect. Doordat iedereen met hart en ziel meedeed ontstond er een sfeer van grote innigheid en warmte, waardoor deze uitvoeringen verre de gebruikelijke toneelvoor­stellingen overtroffen.
.

(Uit: GA 274 Rudolf Steiner: Ansprachen zu den Weihnachtspielen aus altem Volkstum, vertaling Wyts ten Siethoff in ‘Kerstspelen’ uitgeverij Vrij Geestesleven, 1979)

.

Kerstspelen: alle artikelen

.

242-228

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – Literatuurlijst

.

Bij de notulen van de kerstspelbijeenkomsten eind 1979 in Den Haag is ook een literatuurlijst gevoegd.

Waar een doorverwijzing staat,  is dit artikel opgenomen in het artikel waarnaar de link leidt.

De Oberufererspelen worden genoemd op de volgende plaatsen in de literatuur:

Rudolf Steiner: “Ansprachen zu den Weihnachtsspielen aus altem Volkstum” (gehalten in Dornach 1915 bis 1924). GA 274. Rudolf Steiner Verlag. Dornach. 1974.

K.J.Schroer:  “Uber die Oberuferer Weihnachtsspiele”.
Denken-Schauen-Sinnen Nr. 28/29. Verlag Freies Geistesleben. Stuttgart, 1963»

“Weihnachtspiele aus altem Volkstum. Die Oberuferer Spiele”. Mitgeteilt von Karl Julius Schroer. Szenisch eingerichtet von Rudolf Steiner. Mit einem Aufsatz von Rudolf Steiner. Rudolf Steiner Verlag. Dornach,  1972.

“Die Oberuferer Weihnachtsspiele im Urtext”.
Herausgegeben von Helmut Sembdner.
Verlag Freies Geistesleben. Stuttgart, 1977.

Günther Wachsmuth: “Rudolf Steiners Erdenleben und Wirken”. 2e Auflage 1951. S.300 ff.

Heinz Müller: “Spuren auf dem Weg”, J.Ch,Meilinger Verlag, Stuttgart 1970. S.49 ff.

“Erinnerungen an Rudolf Steiner und die Arbeit am ersten Goetheanum”. Verlag Freies Geistesleben 1972.

In “Das Goetheanum” stonden de volgende artikelen:

01- 01-1922     Albert Steffen: “Uber die Weihnachtsspiele in Dornach”.

10- 20-1929     Albert Steffen: “Über das kultische Bild, das kultische Wort, die kultische Handlung”.

22-12-1929      Herbert Hirschberg: “Vom Mysteriencharakter der Weihnachtsspiele”.

In “Natura” stond het volgende artikel:

April/Mei 1927     Walter Johannes Stein: “Die Mysteriën der Asklepios”.

In de Mededelingen van de Antroposofische Vereniging in Nederland stonden de volgende artikelen:

drie herdenkingsartikelen over de vertaalster van de Oberuferer spelen Mej.J.M.Bruinier (1875-1951) door dr F.W. Zeylmans van Emmichoven, W.Kuiper en A.C.Henny.           dec.1951

een herdenkingsartikel over de componist Leopold van der Pals (1884-1966) door mevr.C.C.Rens-Portielje.  mei 1966

Th.Onnes van Nyenrode-Smits: “Het Paradijsspel”. nov.1968

Th.Onnes van Nyenrode-Smits: “Het Paradijsspel” (vervolg).dec.1970

Mej.L.Gerretsen: “Iets over de Kerstspelen”. nov.1974

Mej.Joh.Knottenbelt: “Nog iets over de Kerstspelen”. jan. 1975

W.Lofvers: “Over het kerstspel”  jan. 1979

.

241-227

 

Kerstspelen: alle artikelen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.