VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-2-4/1)

.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

 

In Algemene menskunde (1-2) ging het o.a. over Michaël als tijdgeest van de tijd waarvan Steiner zegt dat het ‘een bijzondere tijd’ is.

In onderstaand artikel wordt ingegaan op deze Michaëlische tijdgeest.

H.P van Manen, Jonas 19, *18-05-1979

.

De betekenis van het jaar 1879

.

Bij een avondwandeling kan het gebeuren, dat opeens een ster verschiet, een kort oplichtend, soms even roodachtig nawerkend spoor achter de vonk – juist in zijn onverwachtheid wekt het enthousiasme en een moment van bewustzijn. Je hebt het gevoel dat je tot iets wordt opgeroepen. En meteen kan de vraag opstijgen: hoeveel mensen hebben dit waargenomen? Als niemand of bijna niemand het teken heeft waargenomen, is het dan niet voor niets geweest? Ditzelfde gevoel van een lichtend signaal, indrukwekkend en tegelijk zo bescheiden, zo vluchtig, dat je je afvraagt of er wel enkele mensen zijn geweest, die het hebben kunnen waarnemen, overkomt mij bij het terugkijken op het jaar*, dat nu precies een eeuw achter ons ligt.

Het jaar 1879 geldt in de occulte stromingen van het christendom als een beslissend moment. Het markeert de in de Openbaring van Johannes beschreven overwinning van de aartsengel Michael op de draak. Deze strijd aan de hemel staat centraal in dit laatste boek van de Bijbel. Een machtig beeld wordt in de hemel zichtbaar:

Een vrouw, bekleed met de zon, de maan onder haar voeten en op haar hoofd een kroon van twaalf sterren. Zij baart een zoon, die de volkeren zal weiden met een ijzeren staf. – Dan ontbrandt de strijd in de hemel. De vuurrode draak met de zeven hoofden, de tien hoornen en de zeven diademen, die het kind wilde roven en een derde van alle sterren ter aarde had doen vallen, deze draak met zijn gevolg wordt bestreden door Michael en zijn engelen. De draak, de slang van het oerbegin. die genoemd wordt Diabolos en Satanas – duivel en satan – wordt met zijn engelen uit de hemel verdreven en neergeworpen tot in de aarde.

Verder vinden wij nog een andere profetische overlevering over Michael en het jaar 1879. Met dat jaar begon een nieuwe periode in een cyclus van telkens zeven periodes van 354 jaar, die elk door een aparte aartsengel geregeerd worden. Dit vindt men beschreven in ‘Over de zeven intelligenties’, een werkje van Johannes Trithem van Sponheim, een abt die omstreeks het jaar 1500 leefde. Na 7 x 354 jaar keert eenzelfde aartsengel weer terug als regent en inspirator. De laatste, toen nog in de toekomst liggende periode die Trithem noemt is de regentschaps-periode van Michael, die in 1879 begint. (We komen in een volgende beschouwing uitvoerig terug op deze leer der aartsengelperiodes).

Behalve in het meer traditionele occultisme neemt deze Michaelopenbaring een zeer belangrijke plaats in, in het werk van Rudolf Steiner. Het is zelfs het belangrijkste thema in het uitermate rijke en geïnspireerde werk van zijn laatste levensjaar (1924/’25). Toch zijn er onder de antroposofische publicaties van Steiner zelf en van zijn leerlingen, maar weinig die aan Michael gewijd zijn. Een uitzondering is het boek ‘Aus Michaels Wirken’ van Nora Stein- von Baditz. Aan de hand van christelijke en voorchristelijke legendes en van een rijk illustratiemateriaal uit de kunstgeschiedenis, wordt een veelzijdig spoor gewezen van de geestelijke macht, die eigenlijk de geest van onze tijd is. Begeleidende beschouwingen van Ita Wegman en Herbert Hahn leggen de verbinding tussen enerzijds de godsdienstig-kunstzinnige overlevering en anderzijds Steiners mededelingen.

Waarom is er van antroposofische kant zo’n duidelijke terughouding geweest
met betrekking tot dit onderwerp? Het was niet de bedoeling van Steiner en van de antroposofie om een nieuwe mythologie of een nieuwe cultus te lanceren. De antroposofie is in de eerste plaats wetenschap van de geest en geen godsdienst. Zij gaat niet van een belijdenis of van geloofsprincipes uit. Het doel en het effect kunnen wel op een bepaalde manier religieus genoemd worden. Het woord religie wordt meestal gelezen als her-verbinding, van mens en godheid. ‘Antroposofie is een weg voor de kennis, die het geestelijke in de mens tot het geestelijke in de wereld wil brengen’, aldus Steiners klassiek geworden formulering. Inzichten en praktische resultaten van de antroposofie kunnen een enthousiasme wakker roepen, dat zeker met een religieus vuur vergelijkbaar is. Maar dan is het religieuze resultaat, geen uitgangspunt. De antroposofie spreekt dus het inzicht aan. Ieder appel aan het inzicht is in wezen een appel aan de vrijheid. Het allerbelangrijkste kenmerk wellicht, dat Steiner van het wezen van Michael geeft, is dat hij de grote schutspatroon van de menselijke vrijheid is. Die vrijheid doet men geweld aan, als men met een religieus gestemde verkondiging of met een cultus begint. Want een cultus spreekt wel direct het enthousiasme aan, maar niet de vrijheid, althans niet zo makkelijk.

De terughoudendheid ten aanzien van machtige bovennatuurlijke gegevens is dus niet alleen begrijpelijk maar ook gerechtvaardigd. Aan de andere kant wint met het verstrijken der jaren een ander gezichtspunt aan gewicht. Men laat een belangrijk stuk vrijheid onaangesproken als men bepaalde gegevens verzwijgt of te weinig belicht. Men mag honderd jaar na het begin van het nieuwe Michaelstijdperk en meer dan een halve eeuw na Steiners dood van zijn leerlingen verwachten, dat zij zaken als deze althans gedeeltelijk met het eigen inzicht geïntegreerd hebben. En vanuit het eigen inzicht kan altijd een beroep gedaan worden op het inzicht van tijdgenoten. Het gaat hier bovendien om iets dat al gedeeltelijk geschiedenis geworden is, geen profetie meer is. Aan de andere kant is het nabije toekomst, door allerlei vaak angstige berekeningen, plannen en profetieën. Kortom, het gaat om een actuele wereldaangelegenheid.

Laat zich aan de historische gebeurtenissen van en omstreeks 1879 iets aflezen van de Michaëlische signatuur van dat jaar?

Het eerste wat bij een vluchtige verkenning opvalt is, dat het als gewoon historisch jaartal niet opvalt. 1878 was wel vrij belangrijk geweest. Door bepaalde oorlogshandelingen en verschuivingen op de Balkan had een grote Europese oorlog gedreigd, voornamelijk tussen Engeland en Rusland. Deze oorlog werd voorkomen door de Duitse rijkskanselier Bismarck op het Congres van Berlijn.
1876 en 1881 zijn vette jaren in de geschiedenis van het imperialisme, de onderlinge race tussen de grote Europese machten om het bezit van koloniën, vooral in Afrika.
Nee, 1879 betekent in de gewone politieke geschiedenis allerminst een nieuw begin. En cultureel gezien valt het ook middenin een tijdperk, waarin verschillende parallel lopende ontwikkelingen gaande waren. Welke ontwikkelingen?

“De 19e eeuw was één grote Sint-Nikolaasavond’. Deze bekende uitspraak van Busken Huet slaat op de tweede helft van de vorige eeuw*. Met de vele surprises en cadeautjes, die bij zo’n avond horen, worden hier bedoeld de verrassende reeks van natuurwetenschappelijke en technische vondsten, zoals de spoortrein, de stoomboot, steeds weer nieuwe fabrieksprocédés, de kabeltelegrafie, de fotografie, de telefoon, de gasverlichting en – inderdaad, hoe aardig, precies in 1879! – de elektrische gloeilamp van Edison. De automotor, de draadloze telegrafie en, na 1900, moesten de radio en het vliegtuig nog volgen. Met deze adembenemende serie triomfen van wetenschap en techniek gingen hand in hand de uitbreiding van industrie en mijnbouw, de vergroting van de havens, het toenemen van handel en consumptie, de groei van de steden. Het was de tijd, dat de welgestelde, ontwikkelde burgerij de toon aangaf. De koloniale wereldheerschappij van de blanke man streefde naar een hoogtepunt dat omstreeks 1900 bereikt werd. Behalve de gloeilamp staat onder 1879 nog een ander leuk feit geregistreerd, (leuk wil hier zeggen: niet revolutionair maar wel illustratief). De grote populaire vertolker van de stemming van die tijd was Jules Verne. Hoe beschaafd en beheerst en toch spannend gaat deze grote pionier van de sciencefiction te werk. In 1879 verscheen zijn ‘Reis om de Wereld in Tachtig Dagen’. Niet zijn meest visionaire werk maar wel kenmerkend voor de enigszins materialistisch gerichte triomfstemming van toen.

Materialistisch inderdaad. Want met een Michaëlische wending naar de geest hebben zaken als de hier genoemde weinig te maken. Vooral als men de wetenschappelijke en sociale bewegingen van die tijd opsomt, de -ismen: darwinisme, imperialisme, marxisme – het zijn evenzovele vormen van materialisme.

Natuurlijk waren er naast deze hoofdstromingen nevenstromen van een andere allure. Achter de harde materialistisch-marxistische vorm leefde in de arbeidersbeweging een dringend noodzakelijk humaan protest. Andere even gerechtvaardigde protestbewegingen waren de vrouwenbeweging en iets later de jeugdbeweging.

Vooral in de kunst waren belangrijke vernieuwingsstromingen gaande. Het impressionisme was net in opkomst in de schilderkunst. Het paste niet bepaald in een materialistisch kader. Van het naturalisme, dat toen in de romanliteratuur zijn kop opstak, kan dat weer minder gezegd worden. Beide stromingen waren, vermengd met andere elementen, van invloed op de Beweging van Tachtig, de generatie van jonge dichters en prozaschrijvers, die in de jaren daarop nieuw leven in de Nederlandse literatuur brachten.

Om het rijtje vol te maken noemen we nog enkele gebeurtenissen van het jaar 1879 zelf.

Twee jaar tevoren in 1877 was de Zuid-Afrikaanse boerenrepubliek Transvaal zonder bloedvergieten en met slechts minimaal machtsvertoon door de Britten bij hun wereldrijk ingelijfd. Het protest van de boeren bleef bij ontevreden gemopper en het sturen van een delegatie naar Londen, die met beleefde en eerbiedige verzoeken niets bereikte. In 1879 zwol dit protest opeens aan, het kreeg een dimensie erbij, het kreeg bezieling. De opstand van 1880 – 1881, de 1e Boerenoorlog, waarbij onder Krugers leiding de onafhankelijkheid herwonnen werd, tot grote voldoening van het stamverwante Nederland, was het gevolg van deze plotselinge bezieling. Wij kunnen rustig stellen, dat de Suidafrikaner natie in 1879 geboren is. – Maar ook deze gebeurtenis brengt ons niet veel verder. Al het Michaëlische, zo zullen wij nog zien, draagt een kosmopolitisch stempel. Michael wil grenzen tussen volkeren en rassen overbruggen. Het nationalisme, ook een typisch 19e-eeuws verschijnsel, moet eigenlijk verdwijnen. Maar onze Suidafrikaanse stamverwanten hebben zich juist sterk in nationalistische richting ontwikkeld.

In november 1879 werden in Noord-Spanje door het dochtertje van een Spaanse amateur-paleontoloog de machtige geschilderde bisons in de grot van Altamira ontdekt. Het bleek de belangrijkste vondst te zijn op het gebied van de ijstijdkunst. Het is het oudste en meteen op zeer hoog niveau staande voorbeeld van menselijke schilderkunst. Een groot raadsel, deze grotschildering, van een verfijning die niets primitiefs heeft en van een natuurgetrouwe liefdevolle precisie die niets magisch of symbolisch meer heeft. En dan vervaardigd meer dan tienduizend jaar geleden, lang voor alle bekende hoge en primitieve beschavingen. Zo revolutionair was deze ontdekking, dat de wetenschap er lange tijd niet aan wilde en de zaak voor een vervalsing van de Spaanse ontdekker hield. Deze hoogstaande holenkunst paste namelijk helemaal niet in het materialistische beeld van de primitieve aapachtige oermens.

Op zichzelf is dat niet oninteressant. In de tijd, dat de schilderkunst, in het impressionisme, tot een besef komt, dat het hoogste doel niet (meer) de exacte weergave van de natuurlijke werkelijkheid is, wordt het schilderwerk ontdekt uit de voorhistorische tijd, toen de mens zich aan de precieze zintuigelijke waarneming begon te onderwerpen.

Tot slot nog een ander feit. In 1879 voltooide Richard Wagner (1813-1883) de compositie – nog niet de orkestratie – van zijn Parsifal. Wagners muziekdrama’s zijn een revolutie geweest, zeer uitdagend en zelfbewust en duidelijk gericht, niet alleen tegen de traditie maar ook tegen het materialisme. Zijn werk en de hele beweging er omheen had cultische trekken: romantisch, heidens, heroïsch en mythologisch. In 1876 was het Festspielhaus in Bayreuth, dat Koning Ludwig II van Beieren voor hem had laten bouwen, geopend met de première van het viervoudige goden- en heldendrama, de Ring des Nibelungen. Rondom de jeugdige held Siegfried voltrekt zich tenslotte de Götterdammerung, de ondergang van het Germaanse godengeslacht. (Ook de Nederlandse schrijver Marcellus Emants, eigenlijk een naturalistisch schrijver en psycholoog, bewerkte in die jaren dezelfde mythologische stof tot zijn epos ‘Godenschemering’, dat in 1883 verscheen. Enkele jaren later vond het bij de jonge Tachtigers veel waardering). Zo diende deze godenondergang als wijding van een nieuw begin. Want deze grootse opening van het Festspielhaus werd door zeer velen als het begin van een nieuw tijdperk gevoeld. Een aantal enthousiasten waren letterlijk als pelgrims te voet naar Bayreuth getogen. Onbeschrijfelijk en onnavoelbaar was de stemming toen de eerste maten in de nog donkere zaal weerklonken.

Drie jaar later, in 1879, kwam de Parsifal tot stand. Weer drie jaar later, in 1882, ging deze laatste schepping van Wagner in première. In het jaar daarop, 1883, stierf hij.

In het muziekdrama Parsifal wordt de heidense heldhaftigheid verchristelijkt, niet alleen in de tekst, maar ook muzikaal. Wagner had het middeleeuwse Parcivalepos van Wolfram van Eschenbach grondig in zich opgenomen (alvorens de stof ingrijpend om te werken). Wolframs werk toont in Parcivals weg naar het graalkoningschap de verchristelijking en de vergeestelijking van het ridderideaal. En wat is de aartsengel Michael, als beeld en als geestelijke realiteit, anders dan de verpersoonlijking van de ware ridderlijke strijdbaarheid.

Onze 20e eeuw is met zijn wereldoorlogen meer dan andere eeuwen een tijd van strijd. Strijd is onvermijdelijk. ‘De oorlog is de vader van alle dingen’, zei de Griekse filosoof Heraclitus (± 500 v. Chr.). Dat was geen militaristische uitspraak. Hij wilde daarmee zeggen, dat al het nieuwe uit strijd en leed geboren wordt. Het hoort tot de originele en als steeds zeer realistische vondsten van Steiner, dat hij, omstreeks het eind van de 1e wereldoorlog, in het kader van zijn sociale drieledigheidsactie opmerkte: ‘Strijd moet er zijn maar hoort thuis in het geestesleven, niet in het economische en niet in het rechtsleven; zodra de strijd van het geestelijke, dat wil zeggen het culturele gebied, naar een der beide andere terreinen verschuift, ontaardt hij in oorlogs- en ander geweld’, (door mij vrij samengevat). Strijd tussen ideeën, niet tussen personen, kan uitermate heilzaam zijn. Dat vereist aan de ene kant een compromisloos streven naar waarheid en aan de andere kant volledig respect voor de vrijheid van de ander. Van deze ridderlijke strijdbaarheid was de aartsengel met het zwaard en de weegschaal door de eeuwen heen het bovenaardse voorbeeld. In de legende is Parcival er het menselijke voorbeeld van.

Zo kan men een samenhang ontwaren tussen de Parsifal van Wagner en het hier gekarakteriseerde element van Michael. Kan men nu op grond van het merkwaardige reveil van Bayreuth, 1879 als het Michaelsjaar herkennen? Nee, daar is beslist meer voor nodig. Daarvoor moet men dieper in de biografieën van verschillende creatieve mensen duiken, niet eens in de eerste plaats in die van Wagner.

Verder kan men grondiger bij Steiner te rade gaan. Maar, de eerste noodzakelijke voorwaarde: ook het beeld van de tijd moet dieper getekend worden dan in deze eerste verkenning mogelijk was.

Tot nog toe zagen we dat het jaar 1879, afgezien van enkele tekenen van een kentering der geesten in de kunst, middenin een tijd van triomfantelijke materieel gerichte ontplooiing valt. Zo op het eerste oog staat het niet in het teken van een overwinning van de geest op het materialisme

.

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

JaarfeestenMichaël: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: Michaël

.

1356-1268

.

.

.

*

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over de ochtendspreuk

.

De leerlingen op de vrijeschool beginnen iedere morgen de schooldag met de zgn. ochtendspreuk. Vanaf klas 1 t/m klas 4 de ene, vanaf klas 5 t/m klas 12 de andere.
(Omdat er in klas 4 voor het eerst aardrijkskunde wordt gegeven, is de gewoonte ontstaan met de tweede spreuk te beginnen, die de beginwoorden heeft: ‘Ik zie rond in de wereld’, een mooie introductie als met de 1e aardrijkskundeperiode wordt begonnen. Dat heeft ertoe geleid dat deze spreuk (soms) al vanaf het begin van klas 4 wordt gesproken; oorspronkelijk was dit dus vanaf klas 5)

Wanneer de 1e vrijeschool op 7 september 1919 in Stuttgart begint, bestaan de spreuken voor de leerlingen nog niet. In de cursus die Steiner geeft vóór het starten van de school, vind je niets over spreuken.
Dat gebeurt een aantal weken later op 25 september 1919 in een lerarenvergadering waarbij Rudolf Steiner aanwezig was.
De school was net begonnen en er waren natuurlijk talloze problemen op te lossen – van technische, logistieke aard, tot inhoudelijke aan toe.

Op 20 augustus 1919 houdt Steiner aan de vooravond van de cursus een welkomstoespraak voor de deelnemers. Hij geeft daarin o.a. de opzet van de cursus aan:

Für den Kurs ist anzukündigen, daß er enthalten wird:
Erstens eine fortlaufende Auseinandersetzung über allgemein päd­agogische Fragen
zweitens eine Auseinandersetzung über speziell methodische Fragen der wichtigsten Unterrichtsgegenstände
drittens eine Art seminaristisches Arbeiten innerhalb dessen, was unsere Lehraufgaben sein werden. Solche Lehraufgaben werden wir ausarbeiten und in Disputationsübungen zur Geltung bringen.
An jedem Tag werden wir vormittags das mehr Theoretische haben und nachmittags dann das Seminaristische. Wir werden also morgen um 9 Uhr beginnen mit der Allgemeinen Pädagogik, haben dann um 1/2 11 die speziell methodische Unterweisung und am Nachmittag von 3-6 Uhr die seminaristischen Übungen.
Wir müssen uns voll bewußt sein, daß eine große Kulturtat nach jeder Richtung hin getan werden soll.

Ten eerste: een doorlopende uiteenzetting over algemeen pedagogische vragen
Ten tweede: een uiteenzetting over speciaal methodische vragen over de belangrijkste vakken
Ten derde: een vorm van oefenwerk in het kader van wat onze onderwijsdoelen moeten zijn. Die zullen we uitwerken en erover discussiëren.

Iedere dag zullen we ’s ochtends het meer theoretische deel hebben (te vinden in GA 293: Algemene menskunde; GA  294: Opvoedkunst methodisch-didactisch) en ’s middags dan het seminaarwerk (GA 295: Praktijk van het lesgeven). We zullen dus morgen beginnen om 9 uur met de algemene pedagogiek, om half 11 de speciale methodiek en ’s middags van 3 tot 6 de seminaaroefeningen.

We moeten ons vol bewust zijn dat er in iedere richting een grote cultuurdaad verricht moet worden.

Meteen aansluitend volgt:

Wir wollen hier in der Waldorfschule keine Weltanschauungsschule einrichten. Die Waldorfschule soll keine Weltanschauungsschule sein, in der wir die Kinder möglichst mit anthroposophischen Dog­men vollstopfen. Wir wollen keine anthroposophische Dogmatik leh-ren, aber wir streben hin auf praktische Handhabung der Anthro­posophie. Wir wollen umsetzen dasjenige, was auf anthroposophi­schem Gebiet gewonnen werden kann, in wirkliche Unterrichts­praxis.
Auf den Lehrinhalt der Anthroposophie wird es viel weniger ankom­men als auf die praktische Handhabung dessen, was in pädagogischer Richtung im allgemeinen und im speziell Methodischen im besonde­ren aus Anthroposophie werden kann, wie Anthroposophie in Hand­habung des Unterrichts übergehen kann.

Wij willen hier met de vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school openen. De vrijeschool moet geen wereldbeschouwelijke school zijn waarin we de kinderen zoveel mogelijk volstoppen met antroposofische leerstellingen. Wij willen geen antroposofische leerstellingen aanleren, maar wij streven ernaar de antroposofie in de praktijk toe te passen. Wij willen dat wat op antroposofisch gebied gewonnen kan worden, omwerken tot werkelijke onderwijspraktijk.
Op de theoretische inhoud van de antroposofie zal het veel minder aankomen dan op de practische uitvoering van wat in pedagogische richting in het algemeen en in de speciale methodiek in het bijzonder uit de antroposofie kan komen, hoe antroposofie over kan gaan in lesgeven.
GA 300A/63
Vertaald/63

Op veel meer plaatsen – niet alleen in de pedagogische voordrachten – herhaalt Steiner telkens dat het vrijeschoolonderwijs geen wereldbeschouwelijk onderwijs moet zijn. 

Dan zal hij ook vaak aangeven dat de vrijeschool gelegenheid moet bieden aan ‘de kerk(en)’ om godsdienstonderwijs te geven door haar vertegenwoordigers.

Die religiöse Unterweisung wird in den Religionsgemeinschaften erteilt werden. Die Anthroposophie werden wir nur betätigen in der Methodik des Unterrichts. Wir werden also die Kinder an die Reli­gionslehrer nach den Konfessionen verteilen.

Het godsdienstonderwijs is voorbehouden aan de religieuze gemeenschap. Antroposofie gebruiken we alleen in de methode van lesgeven. We zullen dus de kinderen over de godsdienstleerkrachten van de geloofsrichtingen verdelen.
GA 300A/63
Vertaald/63

Wanneer de school op 7 september van start gaat, is er in het leerplan plaats ingeruimd voor dit confessionele godsdienstonderwijs.
Op 8 september al, in de eerste pedagogische vergadering, is ook al sprake van ‘vrij godsdienstonderwijs’ dat uiteraard wél antroposofisch onderwijs genoemd moet worden, omdat het door (antroposofische) ouders wordt gewild. Daarmee wordt niet meteen begonnen: het wordt verschoven naar 23 september. Op die dag is er echter geen vergadering – er zijn geen notities van – maar wél van 25 sept.
Op zeker ogenblik zegt Steiner: ‘We moeten nog over het vrije godsdienstonderwijs spreken’.
En dan gaat het over wat je van antroposofie wel of niet aan de kinderen die daar speciaal aan meedoen, moet vertellen. Vóór een leerkracht een vraag stelt, zei Steiner: ‘De weekspreuken kun je ook met de kinderen aan het begin van de les zeggen. 

Daarop vraagt een leerkracht: ‘Zou het niet goed zijn de kinderen een soort morgengebed te laten spreken? Steiner antwoordt dat je dat zou kunnen doen en wil er de volgende dag op terugkomen.

Dat doet hij inderdaad op 26 september, maar nadat iemand heeft voorgesteld ’s morgens met het Onze Vader te beginnen. 

X.    schlägt vor, morgens mit dem Vaterunser zu beginnen.

Hier is eerst sprake van een spreuk voor de 4 laagste klassen. Een dag eerder heeft Steiner al over het vrije godsdienstonderwijs gesproken en een indeling gemaakt voor de klassen 1 t/m 4 en 5 t/m 8, op dat ogenblik alle bestaande klassen.
Dit alles overziend krijg ik sterk de indruk dat de spreuken zoals ze nu in alle vrijescholen iedere dag door alle kinderen gesproken worden, oorspronkelijk bedoeld waren voor de kinderen die het vrije godsdienstonderwijs zouden volgen, dus onderwijs waarin antroposofie als wereldbeschouwing een rol speelt.

De vraag is nu, waarom deze spreuken dan algemeen zijn geworden en sinds wanneer. In 1921 zegt Steiner:

Der Lehrer also betritt, in der gekennzeichneten Weise vorbereitet, am Morgen das Schulgebäude. Die Kinder erscheinen etwas früher in der Sommerszeit, um acht Uhr, etwas später im Winter, und nachdem sie sich in den Klassen versammelt haben, werden sie zunächst dadurch gesammelt, daß jeder Lehrer, jede Lehrerin in ihrer Klasse mit einem möglichst an das allgemein Menschliche und auch Religiöse herange­henden Spruch beginnt, der entweder in Sprach- oder Gesangsform, aber zugleich mit einer Art Gebetscharakter von der ganzen Klasse im Chore vorgebracht wird. Ein wirkliches Gebet kann sich dann daran-schließen. Die Einzelheiten sind ja in unserer Freien Waldorfschule immer ganz der Individualität des betreffenden Lehrers überlassen.
Dann beginnt der sogenannte Hauptunterricht (  )

De leraar komt ’s morgens dus, op de beschreven manier voorbereid, het schoolgebouw binnen. De kinderen komen ’s zomers iets vroeger, om acht uur, en ’s winters iets later. Nadat zij zich in de klassen verzameld hebben, begint iedere leraar, iedere lerares in de klas met een spreuk, die een alge­meen menselijke en ook religieus getinte inhoud heeft. Die spreuk wordt gezegd of gezongen, maar gelijktijdig met een soort gebedskarakter, en door de hele klas in koor. Een echt gebed kan daarop volgen. De details worden in onze vrij­eschool altijd volledig aan de individualiteit van de betref­fende leraar overgelaten.
Dan begint het zogenaamde hoofdonderwijs, (  )
GA 303/140
Vertaald/153

Ik weet niet of ‘met een spreuk’ hier betekent met ‘de’ spreuk, zoals nu het geval is. Als ‘de details’ betekent dat je als leerkracht je eigen spreuk kon/kan kiezen, zou dat nog ergens te achterhalen moeten zijn. Ik weet het op dit ogenblik niet.
Het is voor nu ook niet zo wezenlijk, want de spreuken worden gezegd en interessanter is het ‘waarom’.

Dr. Steiner: Ich würde es sehr schön finden, mit dem Vaterunser den Unterricht zu beginnen. Dann gehen Sie über zu den Sprüchen, die ich Ihnen sagen werde.
Für die vier unteren Klassen bitte ich, den Spruch in der folgenden
Weise zu sagen:    

<1> Ik zou het erg mooi vinden de les met het Onze Vader te beginnen. Dan gaat u over tot de spreuken die ik U zal zeggen. Voor de vier laagste klassen verzoek ik de spreuk op de volgende manier te zeggen:

Der Sonne liebes Licht,
Es hellet mir den Tag; 
Der Seele Geistesmacht, 
Sie gibt den Gliedern Kraft;
Im Sonnen-Lichtes-Glanz 
Verehre ich, o Gott, 
Die Menschenkraft, die Du 
in meine Seele mir 
So gütig hast gepflanzt, 
Daß ich kann arbeitsam 
und lernbegierig sein.
Von Dir stammt Licht und Kraft, 
Zu Dir ström’ Lieb’ und Dank.

Het liefdelicht der zon,
Verheldert mij de dag;
De geestesmacht der ziel,
Geeft kracht aan hand en voet;
In de lichtglans van de zon
Vereer ik diep, o God,
De mensenkracht, die Gij
In mijn ziel
Vol goedheid hebt geplant,
Opdat ik ijverig werken
En gretig leren kan.
Van U stamt licht en kracht,
Tot U strome liefde en dank.

Das müßten die Schüler so empfinden, wie ich es gesprochen habe. Man müßte ihnen auch klarmachen nach und nach – erst sollen sie die Worte aufnehmen – den Gegensatz des Äußeren und des Inne­ren.

Der Sonne liebes Licht, 
Es hellet mir den Tag; 
Der Seele Geistesmacht, 
Sie gibt den Gliedern Kraft;

Das eine bemerkt man beobachtend, wie das Licht den Tag erhellt; das andere ist das Fühlen des Seelischen, wie es in die Glieder geht. Geistig-seelisch – physisch-körperlich: das liegt in diesem Satz.

Im Sonnen-Lichtes-Glanz
Verehre ich, o Gott,
Die Menschenkraft, die Du
In meine Seele mir
So gütig hast gepflanzt,
Daß ich kann arbeitsam
Und lernbegierig sein.

Dies also verehrend zu denselben beiden. Dann noch einmal zu bei­den sich wendend:

Von Dir stammt Licht und Kraft,   (die Sonne) 
Zu Dir ström’ Lieb’ und Dank.     (vom Innern)

So, würde ich meinen, sollen die Kinder es empfinden: zu dem Göttlichen im Licht und in der Seele.
Sie müssen versuchen, mit dieser Empfindung, wie ich es vorgelesen habe, es mit den Kindern zusammen im Chor zu sprechen. Zuerst lernen es die Kinder rein wortgemäß, so daß sie Wort, Takt und Rhythmus haben. Erst später erklären Sie einmal gelegentlich: Jetzt wollen wir mal sehen, was da drinnen ist. – Erst müssen sie es haben, dann erst erklären. Nicht zuerst erklären, auch nicht viel darauf geben, daß die Kinder es auswendig können. Im Gebrauch erst, nach und nach sollen sie es auswendig lernen. Sie sollen es förmlich von Ihren Lippen zunächst ablesen. Wenn es lange Zeit, vier Wochen meinetwegen, schlecht geht, um so besser wird es später gehen. Die Größeren können es schon aufschreiben; mit den Kleinsten muß man es nach und nach einlernen. Nicht befehlen, daß sie es auswen­dig lernen! Wenn Sie es ihnen aufschreiben, ist es ja schön; dann haben sie es in Ihrer Schrift.
Den Spruch für die vier höheren Klassen gebe ich Ihnen morgen noch.

Dat zouden de leerlingen zo moeten beleven, als ik het gesproken heb. Ook moet je ze stap voor stap duidelijk maken – eerst moeten ze de woorden in zich opnemen – wat het verschil is tussen wat buiten hen is en in hun innerlijk.

Het liefdelicht der zon,
Verheldert mij de dag;
De geestesmacht der ziel,
Geeft kracht aan hand en voet;

Het ene merk je al waarnemend, hoe de zon de dag verlicht; het andere is het gevoel in je ziel, hoe dat naar je ledematen gaat. Geest, ziel en lichaam: dat zit in deze zin.

In de lichtglans van de zon
Vereer ik diep, o God,
De mensenkracht, die Gij
In mijn ziel
Vol goedheid hebt geplant,
Opdat ik ijverig leren
En gretig leren kan.
Van U stamt licht en kracht,
Tot U strome liefde en dank.

Dit dus vererend naar allebei. Dan nog een keer gericht op beide:

Van U stamt licht en kracht (de zon)
Tot U strome liefde en dank (vanuit het innerlijk)

Zo bedoel ik, moeten de kinderen het beleven: naar het goddelijke in het licht en in de ziel.
U moet proberen met dit gevoel waarmee ik het voorgelezen heb, het met de kinderen samen in koor te spreken. Eerst leren de kinderen alleen de woorden, zodat ze woord, maat en ritme hebben. Pas later legt u bij gelegenheid wat uit: nu willen we eens kijken wat daarin staat. Niet eerst verklaren, ook niet te veel de nadruk erop leggen dat de kinderen het uit het hoofd kennen. Door het gebruik,  zullen ze het langzamerhand uit hun hoofd leren. Ze moeten het eerst als vorm van u naspreken. Wanneer het een poos, vier weken wat mij betreft, slecht gaat, zal het later des te beter gaan. De groteren kunnen het wel opschrijven; met de kleintjes moet je het langzaam aanleren. Niet eisen dat ze het van buiten leren! Wanneer u het voor hen opschrijft, is dat mooi; dan staat het in uw handschrift.

De spreuk voor de vier hogere klassen geef ik u morgen nog.

Der Spruch für die vier höheren Klassen lautet so:

Ich schaue in die Welt;
In der die Sonne leuchtet,
In der die Sterne funkeln;
In der die Steine lagern,
Die Pflanzen lebend wachsen,
#SE300a-098
Die Tiere fühlend leben,
In der der Mensch beseelt
Dem Geiste Wohnung gibt;
Ich schaue in die Seele,
Die mir im Innern lebet.
Der Gottesgeist, er webt
Im Sonn- und Seelenlicht,
Im Weltenraum, da draußen,
In Seelentiefen, drinnen.
Zu Dir, o Gottesgeist,
Will ich bittend mich wenden,
Daß Kraft und Segen mir
Zum Lernen und zur Arbeit
In meinem Innern wachse.

Die Texte sind hier genau nach den Handschriften wiedergegeben, ausgenom­men die Absätze im ersten Spruch, die Dr. Steiner wahrscheinlich beim Dik­tieren zum Ausdruck gebracht hat, laut Stenogramm. Es ist nicht ausgeschlos­sen, daß er ,,Liebeslicht” diktiert hat.

De spreuk voor de vier hogere klassen luidt zo:

Ik zie rond in de wereld;
Waarin de zon haar licht zendt,
Waarin de sterren fonkelen;
Waarin de stenen rusten,
De planten levend groeien,
De dieren voelend leven,
Waarin de mens bezield
De geest een woning geeft;
Ik schouw diep in de ziel,
Die binnen in mij leeft.
De godesgeest, hij weeft
In zon- en zielelicht,
In wereldruimten, buiten,
In zielediepten, binnen
Tot u, o godesgeest,
Wil ik mij vragend wenden,
Dat kracht en zegening
Voor leren en voor arbeid
Tot wasdom moge komen.

De teksten zijn hier precies naar de handschriften weergegeven, behalve de alinea’s in de eerste spreuk die Dr.Steiner waarschijnlijk bij het dicteren tot uitdrukking heeft gebracht, volgens het stenogram. Het is niet uitgesloten dat hij ‘Liebeslicht’ ‘liefdeslicht’ gedicteerd heeft.
GA 300A/96-97
Niet vertaald

Religieus onderwijs

Religieus onderwijs

Rudolf Steiner: alle artikelen

.

1355-1267

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-7-2/1)

.

Enkele gedachten bij blz. 23/24 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

In het vorige artikel dat beschouwd kan worden als een inleiding op wat hier volgt, werd erop gewezen dat ‘schematiseren’ eigenlijk niet kan; en dat het willen verklaren en definiëren steeds weer het gevaar in zich draagt de werkelijkheid tekort te doen.
En toch kunnen we, wanneer we niet het helderziende vermogen hebben zoals Steiner kennelijk had, niet zonder een zoektocht met ‘het gezonde verstand’. Daartoe is dit een poging.

Het fysieke lichaam

‘Waar in de wereld vinden we ijzer?’ vroeg ik mijn toehoorders vaak, wanneer ik een cursus of een lezing gaf over het vierledige mensbeeld.
Men dacht koortsachtig na, probeerde zich te herinneren wat men op school had geleerd. Wat waren de landen waar ijzererts vandaan kwam.

Of, om het even, welke ander materie: kalk, magnesium, fosfor, enz.

Maar wanneer ik aangaf dat ik de gevonden landen niet bedoelde, was er enige verwarring, totdat uiteindelijk iemand op het idee kwam het eigen lichaam te noemen.

De stoffelijkheid van de wereld is ook onze stoffelijkheid.
Ja, in ons eigen lichaam zijn deze stoffen ook voorhanden. Ik zeg met opzet ‘ook’, om aan te geven dat de stoffen die in of op de aarde gevonden worden en waaruit de aarde bestaat, ook in ons gevonden worden. De stoffelijkheid van de wereld is ook onze stoffelijkheid.

In ‘Wat is antroposofie’ citeert de schrijver, Willem Veltman, een Amerikaan die de hoeveelheid van de voornaamste stoffen in ons lichaam berekende en ze vervolgens uitdrukte in producten of gebruiksvoorwerpen:

Vet                             voldoende voor 7 stukken zeep

IJzer                           voldoende voor 1 spijker

Suiker                        één zoutvaatje vol

Kalk                           genoeg om een kippenhok mee te witten

Fosfor                        genoeg voor 2200 luciferkoppen

Magnesium               genoeg voor één dosis magnesia

Kalium                       genoeg om buskruit te maken voor één schot uit een
kinderkanon

zwavel                       genoeg om een hond te ontvlooien

De idee dat daar in de wereld stoffen aanwezig zijn die ook in mij zijn te vinden, geeft mij een bepaalde manier van me verbonden voelen met de wereld waarop ik leef. Ik ben op deze manier een stukje van de wereld.

Dat is o.a. de verbondenheid van het fysieke lichaam met de minerale wereld, zoals op blz. 24 staat.

Dat die stoffen in mij aanwezig zijn, daar heb ik niets voor hoeven doen. Ik kreeg ze bij de geboorte mee. En hoewel ik dat toen nog niet kon beseffen, waren die stoffen er al in de wereld om me heen. 

Maar die aanwezigheid blijkt geen constante te zijn. Ik kan bijv. aan een van de stoffen een  tekort hebben – het ijzer – en dan uit zich dat in bloedarmoede. Ik kan ook een kalkgebrek hebben.
Je kunt er ook teveel van hebben: suiker of vet bijv.

En als ik een tekort aan ijzer heb, heb ik er niets aan dat ik een brokje ijzer inslik. Mijn lichaam heeft er alleen wat aan als het in aangepaste vorm kan worden opgenomen.

Stof als basis
Dat betekent eigenlijk dat de stoffen niet naar hun eigen aard in mij aanwezig (kunnen) zijn, maar dat ze zich moeten voegen naar wat ik lichamelijk als organisme ben. Ze zijn dus in zekere zin ondergeschikt aan dit organisme; ze moeten daaraan dienstbaar zijn. Ze vormen er een basis voor.

Tijdens mijn leven voegen de stoffen zich naar mijn organisme. Dit dicteert wat ik nodig heb, in welke mate en wat ik niet nodig heb.

Mijn organisme heeft daar op de een of andere manier ‘weet’ van. Als het te weinig of teveel krijgt van wat het nodig heeft, reageert het en wij voelen dat in de gewaarwordingsziel als pijn(tje), misselijkheid, duizeligheid, ziekte, honger enz.

Al levend weten wij eigenlijk van ons eigen organisme niet of dit wel de juiste stoffen in de juiste hoeveelheden krijgt.

Dit vind ik wel vreemd: het is je eigen lichaam en toch weet je niet precies wat en hoe het daarin en daarmee gaat. Pas als een bepaalde grens overschreden wordt, word je het gewaar.

Dit ‘dienstbaar zijn aan’ gebeurt dus tijdens mijn leven. In mijn organisme zijn de stoffen er tijdens mijn leven in een bepaald verband; ze zijn dienstbaar aan dat verband. Buiten mijn organisme zijn ze niet dienstbaar, ‘leiden ze hun eigen leven’.
Tijdens mijn leven dienen ze mijn leven en na mijn leven gaan ze weer hun eigen leven leiden.
Immers, wanneer ik dood ben, is de band met mijn leven niet meer nodig: de binding is overbodig en ont-binding is het gevolg. De stoffen komen weer in hun oorspronkelijke gebied: de aarde.
Stof ben je en tot stof zul je weerkeren.

Aarde
Ook in de naamgeving speelt het woord ‘aarde’ mee. Daar waar we met de meest aardse delen te maken hebben, in de botten, spreken we van beenaarde. 2/3 van het menselijke skelet bestaat eruit. Het is samengesteld uit verschillende fosforzure kalkverbindingen.

Het woord ‘fysiek’ komt van het Griekse ‘phusikos’ dat ‘tot de natuur behorend’ betekent.

In het woord ‘lichaam’ zit etymologisch het deel ‘lic’ dat ‘lijk, vlees’ betekent en ‘ham’ dat ‘omhulsel’ betekent. lichaam ‘stoffelijk omhulsel’. Samengesteld uit → lijk  ‘(dood) lichaam’ en → haam ‘omhulling’, ‘het vlees zonder leven en ziel’

Rudolf Steiner  over dit fysieke lichaam:

Die äußeren Dinge sind wir allerdings nicht, aber wir gehören mit den äußeren Dingen zu ein und derselben Welt.

Wij vallen niet samen met de voorwerpen buiten ons, maar we maken mét de dingen buiten ons, deel uit van dezelfde wereld.
GA 4/104
Vertaald

( ) Die Welt der Erscheinung.

De fysieke wereld als de wereld van de verschijnselen; de dingen, de voorwerpen enz.
GA 4/112
Vertaald

In GA 9 omschrijft Steiner het fysieke lichaam met ‘physischer Leib’. Zoals we op blz. 23/24 van de vertaling van de ‘Algemene menskunde’ zien, is dat net anders dan ‘Leibeskörper’ of ‘Körperleib’ – maar met wat je over ‘Leib – lijf’ kan zeggen, is het meteen duidelijk dat deze karakterisering wijst naar het met leven doortrokken fysieke lichaam.

( ) was er vorfindet, was er als eine gegebene Tatsache hinnimmt.

( ) wat de mens aantreft op de wereld, wat hij als een gegeven neemt.
GA 9/25
Vertaald

Innerhalb der offenbaren Welt ist der physische Menschenleib dasjenige, worinnen der Mensch der mineralischen Welt gleich ist.

In de zichtbare wereld is het fysieke mensenlichaam datgene waarin de mens aan de minerale wereld gelijk is.
GA 13/52
Vertaald

Das, was die Sinnesbeobachtung am Menschen kennenlernt, und was die materialistische Lebensauffassung als das Einzige im Wesen des Menschen gelten lassen will, ist für die geistige Erforschung nur ein Teil, ein Glied der Menschenna­tur, nämlich sein physischer Leib. Dieser physische Leib unter­liegt denselben Gesetzen des physischen Lebens, er setzt sich aus denselben Stoffen und Kräften zusammen wie die ganze übrige sogenannte leblose Welt. Die Geisteswissenschaft sagt daher : der Mensch habe diesen physischen Leib mit dem gan­zen Mineralreich gemeinsam. Und sie bezeichnet am Menschen nur als physischen Leib, was dieselben Stoffe nach denselben Gesetzen zur Mischung, Verbindung, Gestaltung und Auflö­sung bringt, die auch in der mineralischen Welt als Stoffe nach eben diesen Gesetzen wirken.

Datgene, wat de zintuigen waarnemen aan een mens en wat de materialistische wereldbeschouwing als de enige werkelijkheid van de mens wil laten gelden, is voor het geesteswetenschappelijk onderzoek slechts een deel van ’s mensen totaliteit, n.l. zijn fysieke lichaam. Dit lichaam is onderworpen aan dezelfde fysieke wetmatigheden, is uit dezelfde stoffen en krachten samengesteld als de gehele overige, zoge­naamd levenloze natuur. De geesteswetenschap zegt daarom, dat de mens dit fysieke lichaam met het ge­hele minerale rijk gemeen heeft. En zij noemt fysiek lichaam van de mens alleen datgene, wat dezelfde stoffen, die in de minerale wereld voorkomen, volgens dezelfde wetten, die ook daar van kracht zijn, mengt, verbindt, vorm geeft en ontbindt.
GA 34/312
Vertaald

Der physische Leib ist ein zusammengesetztes Ding, das aus drei Gliedern oder drei Bestandteilen besteht. Der unterste, gröbste Bestandteil ist in der Regel dasjenige was der Mensch mit seinen physischen Sinnen sieht, der sogenannte physische Leib. Dieser physische Leib hat in sich dieselben Kräfte und Gesetze wie das Physische um uns herum, wie die ganze physische Welt.

Het fysieke lichaam is een samengesteld ding dat uit drie delen of drie bestanddelen opgebouwd is. Het onderste, grofste bestanddeel is in de regel dat wat de mens met zijn fysieke zintuigen ziet, het zgn. fysieke lichaam. Dit draag in zich dezelfde krachten en wetten als het fysieke rondom ons heen, als de hele fysieke wereld.
GA 53/33
Niet vertaald

Alles, was unmittelbar raumfüllend ist, was wir mit den bloβen Sinnen oder mit den bewaffneten Sinnen, mit dem bloβen Auge oder mit dem Mikroskop sehen können, kurz alles dasjenige, was für den Naturforscher noch aus Atomen zusammengesetzt ist, das bezeichnet der Theosoph noch als physische Körperlichkeit. Das ist der unterste Bestandteil der physischen Wesenheit.

Alles wat direct de ruimte vult, wat wij met de gewone zintuigen of met de versterkte zintuigen, met het blote oog of met de microscoop kunnen zien, kortom alles wat voor de natuurkundige nog uit atomen bestaat; dat noemt de geesteswetenschap de lichamelijkheid. Dat is het onderste bestanddeel van het fysieke wezen.
GA 53/34 http://fvn-rs.net/PDF/GA/GA053.pdf#page=34
Niet vertaald

Der physische Leib hat der Mensch gemeinsam mit der ganzen mineralischen Welt. Alle die Stoffe und Kräfte, die zwischen den einzelnen mineralischen Stoffen ihr Spiel treiben, Eisen, Arsen, Kohle, usw spielen auch in den Stoffen des menschlichen Leibes, des physischen Leibes der Tiere und der Pflanzen.
Sie sehen nicht, was sich in diesem physischen Leibe abspielt an Lust und Leid, an Freude und Schmerz usw.

Het fysieke lichaam heeft de mens gemeenschappelijk met de hele minerale wereld. Alle stoffen en krachten die tussen de aparte minerale stoffen hun spel spelen, ijzer, arsenicum, koolstof, enz. spelen ook in de stoffen van het menselijk lichaam, wat zich afspeelt in het fysieke lichaam, van het dier en van de planten. Je ziet niet wat zich in dit fysieke lichaam afspeelt aan lust en smart, vreugde en verdriet, enz.
GA 100/24
Niet vertaald

Wenn Sie einen physischen Körper haben, gleichgültig ob Pflanze oder Tier, so müssen Sie ihn betrachten als etwas räumlich Abgeschlossenes, und Sie haben sozusagen kein Recht mehr, dasjenige zu dem betreffenden Leib oder Körper zu rechnen, was von ihm räumlich abgetrennt ist. Sie werden da, wo räumliche Trennung herrscht, sprechen müssen von verschiedenen Körpern. Nur dann, wenn auch ein räumlicher Zusammenhang besteht, können Sie sprechen von einem einzigen Körper.

Wanneer je een fysiek lichaam hebt, of dat nu van een plant is of van een dier, dat maakt niets uit, dan moet je dat beschouwen als iets wat in de ruimte een afgesloten iets is en dan heb je niet meer het recht om tot dat betreffende lichaam te rekenen wat ervan afgezonderd is. Waar ruimtelijke scheiding heerst, moeten we spreken van verschillende lichamen. Alleen wanneer er een ruimtelijke samenhang bestaat, kun je spreken van een apart lichaam.
GA 107/32
Niet vertaald

Op veel meer plaatsen vind je Steiner over het fysieke lichaam. Enerzijds zitten daar voor wat de kern betreft, vanzelfsprekend veel herhalingen bij, vaak wel weer net met andere woorden, maar ook weer totaal nieuwe gezichtspunten.

Telkens echter zal blijken dat er een relatie bestaat – door de stoffen waaruit het bestaat – met de stoffelijke wereld die ons omringt en waardoor we een deel van die stoffelijke wereld zijn.

Als we naar de uiterlijke verschijningsvorm kijken, is alles wat we op de wereld aantreffen: een ding, een voorwerp; alles heeft ‘ding-karakter, is dingachtig.

Om de dingen te leren kennen, moeten wij ons er ‘tegenover’ plaatsen: ik hier – het ding daar.

Die Gegenstände, von denen ihm durch die Tore seiner Sinne fortwährend Kunde zuflieβt, die er tastet, riecht, schmeckt, hört und sieht.

De dingen die hem door de poorten van de zintuigen kennis verschaffen, die hij aanraakt, ruikt, proeft, hoort en ziet.

Hoewel met ‘lichaam’ vertaald, kan hier door Steiner niet anders dan ‘lijf’, ‘stoffelijke lijfelijkheid’ – die stof die met leven doortrokken is – enz. genoemd worden. Ik heb lichaam en lijf hier afwisselend door elkaar gebruikt; nu het duidelijk is waarom het gaat, kan er m.i. geen verwarring ontstaan.

Mit Leib ist hier gemeint dasjenige wodurch sich dem Menschen die Dinge seiner Umwelt offenbaren.

Met ‘lijf’ wordt hier bedoeld datgene waardoor aan de mens de dingen van zijn omgeving zich kunnen vertonen.

Durch seinen Leib vermag sich der Mensch für den Augenblick mit den Dingen in Verbindung zu setzen.

Door zijn lijf is de mens in staat zich voor een ogenblik met de dingen te verbinden.

Durch seinen Leib ist er mit den Dingen verwandt die sich seinen Sinnen von auβen darbieten. Die Stoffe der Auβenwelt setzen diesen seinen Leib zusammen; die Kräfte der Auβenwelt wirken auch in ihm.

Door zijn lichaam is hij aan de dingen verwant die voor zijn zintuigen verschijnen. De stoffen van de buitenwereld vormen zijn lichaam; de krachten van de buitenwereld werken ook in hem.

Und wie er die Dinge der Auβenwelt mit seinen Sinnen betrachtet, so kann er auch sein eigenes leibliches Dasein beobachten.

En zoals hij de dingen van de buitenwereld met zijn zintuigen beschouwt, kan hij ook zijn eigen lijfelijk zijn beschouwen.

Alles, was an mir leibliche Vorgänge sind, kann auch mit den leiblichen Sinnen wahrgenommen werden.

Alles wat aan mij lichamelijke processen zijn, kan  ook met de lichamelijke zintuigen waargenomen worden

Durch seinen Leib gehört der Mensch der Welt an, die er auch mit seinem Leibe wahrnimmt.
Durch leibliche Sinne lernt man den Leib des Menschen kennen. Und die Betrachtungsart kann dabei keine andere sein als diejenige, durch welche man andere sinnlich wahrnehmbare Dinge kennenlernt.

Door zijn lijfelijke stoffelijkheid behoort de mens bij de wereld die hij ook met zijn lijf waarneemt.
Door de lichamelijke zintuigen leer je de lijfelijkheid van de mens kennen. En de manier waarop dat gebeurt kan daarbij geen andere zijn dan door die je de andere zintuiglijk waarneembare dingen leert kennen.
GA 9/25-26-27-28
Vertaald

Kinderen staan – tot ongeveer het negende levensjaar – nog niet zo tegenover de wereld. Hoewel ze vanaf het ogenblik dat ze beginnen te praten de wereld beginnen te benoemen en dus ‘dingkarakter’ voor hen krijgt, is er nog geen scheiding.

Dat drukte Paul van Ostaijen zo prachtig uit met:

Marc groet ’s morgens de dingen

Dag ventje met de fiets op de vaas met de bloem
ploem ploem
dag stoel naast de tafel
dag brood op de tafel
dag visserke-vis met de pijp
en
dag visserke-vis met de pet
pet en pijp
van het visserke-vis
goeiendag

Daa-ag vis
dag lieve vis
dag klein visselijn mijn

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2]
 GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1354-1266

.

VRIJESCHOOL – Religieus onderwijs – vensteruur

.

Bij dit artikel noemde ik het woord ‘vensteruur’. Het werd, dacht ik, voor het eerst gebruikt op de Geert Grooteschool eind jaren ’70 van de vorige eeuw.

Hier volgt een stukje uit een schoolkrant van die tijd.
.

vensteruur

We leven in een tijd, waarin we twee grote stromingen in de mensheid zien optreden:
Het materialistische denken, wat in de vorige eeuw met kracht door grote denkers op aarde werd vertegenwoordigd, heeft zich vooral in de westerse wereld verbreid. Kant toonde aan, dat er grenzen waren aan het menselijke denken – we moeten ons noodgedwongen beperken tot het hier en nu. Darwin bracht de afstammingsleer: de mens als nakomeling van de aap.

Als reactie hierop zien we nu een ander verschijnsel optreden: een vlucht in hoger sferen in talloze sekten en in veelal met het Oosten verwante religieuze stromingen.

Ook de verdovende en verslavende middelen zijn in eerste instantie een hulp, je van de aarde, van dit donkere tranendal af te wenden.

In de Vrije Scholen wordt getracht om tussen deze twee klippen door te zeilen door de kinderen het beleven mee te geven burger van beide werelden te zijn:
Op aarde ligt je werk, op aarde maak je als mens een ontwikkeling door, maar je put krachten uit de verbinding met een andere wereld opdat in de aardeduisternis geestlicht kan stralen. Gebeurt dit, dan kan je als mens zelfs in de diepste duisternis leven. Dat hebben velen getoond in de verschrikkingen van oorlog en onderdrukking.

Kijken we nu concreet naar de inhoud van de vensteruren, dan zie je, dat in de eerste jaren sterk wordt uitgegaan van de door God geschapen wereld om ons heen. De liefde tot de aarde wordt in verhalen en kleine legenden in de kinderziel gewekt. Sprookjes en mythologieën geven in beeldvorm te zien hoe de mens als geestelijk zielewezen in de loop van een lange ontwikkelingstijd zich steeds meer met de aarde verbond. Eerbied voor het leven op aarde en vertrouwen in de leiding en de overwinning van goede machten spelen in alle verhalen een rol en vormen een bron van kracht in latere levenssituaties.

Na het tiende jaar, als een nieuwe verhouding tot de omringende wereld wordt gevonden, beginnen we over het leven van Christus te spreken. Op deze leeftijd worden de gelijkenissen en genezingen nog als vanzelfsprekend opgenomen. Als de kinderen ouder zijn, rijzen er vele vragen en wordt het nodig de Evangeliën ook voor de denkende mens zinvol te bespreken.

Naast verhalen uit het Nieuwe Testament wordt nog steeds geput uit de rijke sagen- en legendenstof uit vele landen. Er wordt een begin gemaakt met biografische vertellingen, waarin tastend gezocht wordt naar de lijnen van het lot, een mogelijke leiding die een mens vanuit een hogere wereld in zijn leven kan ervaren. Of het licht valt op de kracht van de eigen persoonlijkheid, die vorm geeft aan zijn leven.

In de bovenbouw* maken de verhalen veelal plaats voor gezamenlijke gesprekken over tijdsfenomenen, over de plaats van de jaarfeesten, de vele geestelijke stromingen in de mensheid. Niet alleen aan de dromende ziel, maar ook aan de denkende geest wordt nu geappelleerd.

In de huidige cultuur valt het niet gemakkelijk om de wereld van de geest in het nuchtere aardebestaan een plaats te geven. Het geweld van televisie en radio, van het jachtige, luidruchtige leven verdooft ons een beetj.  Daardoor is er veel kracht, maar ook veel warme belangstelling en begeleiding nodig, om dit facet van het vrijeschoolonderwijs te kunnen blijven verzorgen.

Claartje Wijnbergh, Geert Grooteschool, april 1979

*de middelbare schoolafdeling (klassen 7  t/m 12)

.

1353-1265

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1(1-7-2)

.

Enkele gedachten bij blz. 23/24 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA295) [3]

De leerkrachten van de 1e vrijeschool in Stuttgart waren allen veel bekender met de antroposofie dan toen ik bijv. er rond 1970 voor het eerst van hoorde. En als dat min of meer voor jou geldt, wanneer je nu op een vrijeschool gaat werken, of er nog maar een korte tijd werkt, is het niet verwonderlijk dat o.a. blz. 23 en 24 van de vertaling met de vele antroposofische termen, veel vragen kunnen oproepen.

Bevor das Menschenwesen die physische Erde betritt, wird eine Verbindung eingegangen zwischen dem Geist und der Seele; dem Geist, insofern wir darunter verstehen dasjenige, was in der physischen Welt heute noch ganz 
verborgen ist und was wir anthroposophisch-geisteswissenschaftlich nennen: der Geistesmensch, der Lebensgeist, das Geistselbst. Mit diesen drei Wesensgliedern des Menschen ist es ja so, daß sie gewissermaßen in der übersinnlichen Sphäre vorhanden sind, zu der wir uns nun hindurcharbeiten müssen, und wir stehen zwischen dem Tod und einer neuen Geburt schon in einer gewissen Beziehung zu Geistesmensch, Lebensgeist und Geistselbst. Die Kraft, die von dieser Dreiheit ausgeht, die durchdringt das Seelische des Menschen: Bewußtseinsseele, Verstandes- oder Gemütsseele und Empfindungsseele. Und wenn Sie betrachten würden das Menschenwesen, das sich anschickt, nachdem es durchgegangen ist durch das Dasein zwischen Tod und neuer Geburt, in die physische Welt hinunterzusteigen, dann würden Sie das eben charakterisierte Geistige zusammengebunden finden mit dem Seelischen. Der Mensch steigt gewissermaßen als Geistseele oder Seelengeist aus einer höheren Sphäre in das irdische Dasein. Mit dem irdischen Dasein umkleidet er sich. Wir können ebenso dieses andere Wesensglied, das sich mit dem eben gekennzeichneten verbindet, charakterisieren, wir können sagen: Da unten auf der Erde wird der Geistseele entgegengebracht dasjenige, was entsteht durch die Vorgänge der physischen Vererbung. Nun wird an den Seelengeist oder die Geistseele der Körperleib oder der Leibeskörper so herangebracht, daß wiederum zwei Dreiheiten verbunden sind. Bei der Geistseele sind verbunden Geistesmensch, Lebensgeist und Geistselbst mit dem Seelischen, das besteht aus Bewußtseinsseele, Verstandes- oder Gemütsseeie und Empfindungsseele. Die sind miteinander verbunden und sollen sich verbinden beim Herabsteigen in die physische Welt mit Empfindungsleib oder Astralleib, Atherleib, physischen Leib. Aber diese sind ihrerseits wiederum verbunden zuerst im Leibe der Mutter, dann in der physischen Welt mit den drei Reichen der physischen Welt, dem mineralischen, dem Pflanzen- und dem Tierreich, so daß auch hier zwei Dreiheiten miteinander verbunden sind.

Ik heb ze in cursief weergegeven:

Wanneer het kind fysiek geboren wordt, dan moeten we ons ervan bewust zijn wat er eigenlijk met het kind gebeurd is bij de overgang van een geestelijk bestaan naar een fysiek bestaan. Welnu, daarbij moeten we in de eerste plaats bedenken dat het mensenwezen in werkelijkheid uit twee delen bestaat. Voordat de mens de fysieke aarde betreedt gaan geest en ziel een verbin­ding aan; onder geest wordt hier verstaan dat wat in de fysieke wereld tegenwoordig nog geheel verborgen is en wat we in de antroposofische geesteswetenschap noemen: de geestesmens, de levensgeest, het geesteszelf. Met deze drie wezensdelen van de mens is het zo, dat ze zich in zekere zin in de bovenzinnelijke sfeer bevinden, een sfeer waar wij nu weer naar toe moeten werken. Wij hebben tussen de dood en een nieuwe geboorte al een zekere verbinding met de geestesmens, de levensgeest en het geesteszelf. De kracht die uitgaat van deze drie samen door­straalt de ziel van de mens: de bewustzijnsziel, de verstands- of gemoedsziel en de gewaarwordingsziel.
En wanneer u zou kijken naar het mensenwezen dat op het punt staat na zijn doorgang door het leven tussen dood en nieuwe geboorte in de fysieke wereld af te dalen, dan zou u zien dat die geestelijke wezensdelen verbonden zijn met de ziel. De mens daalt bij wijze van spreken als geestziel of zielegeest uit een hogere sfeer af in het aardse bestaan. Hij omhult zich met het aardse bestaan. Ook het andere wezensdeel dat zich met de geestziel verbindt kunnen we karakteriseren: beneden op aarde wordt datgene wat ontstaat door de processen van de fysieke erfelijkheid de geestziel tegemoet gedragen. Nu worden de zie­lengeest of geestziel en het lichamelijk organisme of organisch lichaam samengevoegd, met dien verstande dat in het orga­nisch lichaam eveneens tweemaal drie wezensdelen met elkaar verbonden zijn. Bij de geestziel zijn geestesmens, levensgeest en geesteszelf verbonden met de ziel, bestaande uit bewustzijnsziel, verstands- of gemoedsziel en gewaarwordingsziel. Die vormen een eenheid en moeten zich bij het afdalen in de fysieke wereld verbinden met het gewaarwordingslichaam of astrale lichaam, het etherlichaam en het fysieke lichaam. Maar deze zijn op hun beurt weer verbonden – eerst in het lichaam van de moeder, dan in de fysieke wereld – met de drie rijken in de fysieke wereld, namelijk de mineralen, de planten en de dieren, zodat ook hier twee groepen van drie met elkaar een eenheid vormen.
GA 293/23-24
Vertaald/23-24

.

In een reeks artikelen zullen deze begrippen nader besproken worden:

fysiek lichaam
etherlijf       zie ook: het etherlijf in de ontwikkeling van een kind
astraallijf
gewaarwordingslichaam/gewaarwordingsziel
verstands- of gemoedsziel
bewustzijnsziel
geest(es)zelf
levensgeest
geest(es)mens

Ook via het zoekveld kom je na invoering van deze begrippen op plaatsen waar ze worden gebruikt.

Voor een overzicht is een schema soms handig. Maar een schema is altijd een abstractie – vervreemdt zich van de werkelijkheid, waarin – zeker als het om de mens of om het leven gaat – geen schema’s voorkomen.

hiërarchiëen

geest

geestzelf  levensgeest  geestmens

bewustzijnsziel  verstands-gemoedsziel  gewaarwordingsziel

fysiek lichaam  etherlijf  gewaarwordingslijf

mineralen  planten  dieren

natuur

Steiner zegt er bijv. over:

Man darf, wenn man mit seinem Erkennen in die Wirklich­keit hineingehen will, niemals schematisieren, niemals die Ideen nur nebeneinander setzen, sondern man muß sich klar sein, daß in der Wirklichkeit alles nur so betrachtet werden kann, daß irgendwo etwas als das Hervorstechende erscheint, daß aber die übrigen Elemente der Wirklichkeit darinnen leben, und daß überall, was sonst im Hinter­grunde sich hält, wiederum an einem anderen Orte der Wirklichkeit das Hervorstechendste ist und das andere sich im Hintergrunde hält.

Je mag, wanneer je kennend op de werkelijkheid in wil gaan, nooit schematiseren, nooit de ideeën naast elkaar plaatsen, maar je moet goed weten dat in de werkelijkheid alles alleen maar zo bekeken kan worden, dat ergens iets als het meest opvallende eruit springt, dat echter de andere delen van de werkelijkheid daarin zitten en dat alom, wat anders op de achtergrond blijft, op een andere plek van de werkelijkheid het meest opvallende is en dat het andere dan op de achtergrond blijft.
GA 201/58
Niet vertaald 

Rudolf Steiner: wegwijzer 91; 99; 112; 122; 145; 146; 147; 149; 154; 161

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2]
 GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1352-1264

.

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (42)

.

Aantal kinderen met autisme explodeert. Dit is waarschijnlijk de oorzaak

De psychiaters: speel met je kinderen, bouw een zandkasteel of maak een tekening, maar laat ze alsjeblieft niet de hele dag naar een scherm turen.

.

Peuters-kleuters: alle artikelen

Spel: alle artikelen

Opspattend grind  [16]   [19]   [29]

Opspattend grind: alle artikelen

.

1351-1263

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-7-1)

.

Enkele gedachten bij blz. 23/24 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA295) [3]

HET TWEELEDIG MENSBEELD
Nadat Rudolf Steiner nog iets heeft gezegd over de opvoeding vóór de geboorte, vervolgt hij de voordracht met:

Die Erziehung kann erst angehen, wenn das Kind wirklich eingegliedert-ist in die Weltenordnung des physischen Planes, und das ist dann, wenn das Kind beginnt die äußere Luft zu atmen.

De opvoeding kan pas ter hand worden genomen wanneer het kind werkelijk deelgenoot van de fysieke wereld is geworden en dat is wanner het kind begint te ademen.

Voor Steiner is geboorte een overgang van het ene bestaan naar het andere, zoals het sterven dit ook is. Wanneer het over de drieledige mens gaat, kan er een onderscheid worden gemaakt in – hier zie je concreet de karakterisering vanuit verchillende standpunten – lichamelijk: hoofd, romp en ledematen; – geredeneerd vanuit het standpunt ‘ziel’ in: denken, voelen, willen.
Zijn deze ‘delen’ bij het oudere kind en de volwassene min of meer zelfstandig functionerend, bij het pasgeboren kind is alles nog veel meer met elkaar verbonden, alsof er een gesloten bloemknop op een stengel zit. De knop staat hier voor geest en ziel samen, is nog dicht, moet nog wakker worden. 

Betrachten Sie das Kind, das hereingewachsen ist in die Welt, mit der genügenden Unbefangenheit, so werden Sie richtig wahrnehmen: Hier in dem Kind ist noch unverbunden Seelengeist oder Geistseele mit Leibeskörper oder Körperleib. Die Aufgabe der Erziehung, im geistigen Sinn erfaßt, bedeutet das In-Einklang-Versetzen des Seelengcistes mit dem Körperleib oder dem Leibeskörper. Die müssen miteinander in Harmonie kommen, müssen aufeinander gestimmt werden, denn die passen gewissermaßen, indem das Kind hereingeboren wird in die physische Welt, noch nicht zusammen. Die Aufgabe des Erziehers und auch des Unterrichters ist das Zusammenstimmen dieser zwei Glieder.

Kijkt u onbevangen genoeg naar een kind dat op de wereld is gekomen, dan zult u duidelijk waarnemen dat in het kind de zielegeest of geestziel en het organisch lichaam of lichamelijk organisme nog niet met elkaar verbonden zijn. De taak van de opvoeding in geestelijke zin is nu om de zielegeest en het licha­melijk organisme of organisch lichaam met elkaar in overeen­stemming te brengen. Die moeten met elkaar in harmonie ko­men, moeten op elkaar afgestemd worden, want die passen in zekere zin nog niet bij elkaar wanneer het kind geboren wordt. De taak van de opvoeder en ook van de leraar is om deze twee delen op elkaar af te stemmen.
24

GEEST/ZIEL, ZIEL/GEEST
Omdat er bij de het pas geboren kind nog geen goed onderscheid is te maken tussen wat nu geest en ziel is, gebruikt Steiner de woorden geestziel(ewezen) en zielegeest(wezen) (volgens de spelling zou dit zielen moeten zijn). 

Kijk je naar het lichaampje, dan zie je de totaal nog niet uitgegroeide ledematen waarmee het kindje nog helemaal niets kan dan ze, schijnbaar doelloos, bewegen; heel ongecoördineerd, onbeheerst, bijna onwillekeurig.
Vergelijk je dat met later, dan zie je dat het kind vrij letterlijk bezit heeft genomen van zijn ledematen; hij weet ze al in zijn dienst te stellen, ze te gebruiken voor wat hij wil; er komt steeds meer doelgerichtheid. Het kind kan steeds meer met zijn lichaam.
Kijk je naar hoe een kindje gaat staan, gaat klimmen enz. dan zie je een soort veroveringstocht, een vorm van in-bezit-nemen, een steeds verder dóórdringen, dat alleen maar mogelijk is door het doordringen van het eigen lichaam met…ja, met wat. Met zijn zelf! Met zichzelf! Met wat hij als wezen is, met zijn mentale processen en zijn gevoel, kortom met wat je al onder geest-zielen of zielen-geest kan verstaan.

ORGANISCH LICHAAM OF LICHAMELIJK ORGANISME
Dit is de vertaling van Leibeskörper en Körperleib. 

Maar uit de vertaling blijkt niet goed waarom het gaat. Dat is ook met de Duitse woorden zo, hoewel je hier twee begrippen hebt, die door Steiner op andere plaatsen gebruikt worden voor etherlijf en fysiek lichaam. 
Het woord ‘lijf’ is in onze taal niet zo gangbaar meer en wordt ook in vertalingen van Steiner waar hij het etherlijf bedoelt, meestal ook vertaald met ‘lichaam’.

FYSIEK LICHAAM en ETHERLIJF
Om uit te leggen wat Steiner bovenzintuiglijk waarnam, kwam hij voor de moeilijkheid te staan om woorden te kiezen voor iets waarvoor in de zintuiglijke wereld geen woorden zijn. Hij moest dus toch woorden kiezen uit de zichtbare wereld en koos die vaak zeer omschrijvend, m.i. ook een van de redenen om te karakteriseren. 

Wanneer hij het woord ‘Leib’ gebruikt, bedoelt hij altijd een complex van krachten, vermogens om.  Bij het etherlijf gaat het o.a. om levenskracht(en), vormkrachten; bij het astraallijf bijv. om het vermogen als ziel de buitenwereld tot binnenwereld te maken. 
Wanneer hij het fysieke lichaam bedoelt, spreekt hij niet over ‘Leib’ omdat dit fysieke lichaam er niet zou zijn zonder ‘leven’, zonder leven is het immers een lijk en daarbij past veel meer het woord ‘lichaam’ dat van oorsprong als ‘lic ham’ -lic=lijk wijst op een lichamelijk omhulsel. 
Door het gebruik van etherlichaam koppel je dus eigenlijk twee tegenstrijdige begrippen aan elkaar.
Maar als ik zie hoe precies Steiner alles wil beschrijven – geesteswetenschap dient dat net zo exact te doen als natuurwetenschap – kies ik dus voor etherlijf of levenslijf of levenskrachtenlijf, waarbij ‘lijf’ etymologisch van ‘leven’ komt.
We kennen het nog in ‘lijfrente’, een rente voor het leven, in ‘lijftocht’, voedsel om in leven te blijven, waar het om het levende lichaam gaat, zie je bijv. ‘lijfarts’, ‘lijfwacht’, om voor het leven van iemand te waken.

Net zoals geest-zielen en zielen-geest nog afwisselend gebruikt worden voor het pas geboren kind, zo ook fysiek lichaam en etherlijf in de woorden ‘Leibeskörper’ en ‘Körperleib’. In beide zit het woord ‘Leib’ – leven en dat is essentieel: de baby en het kleinere kind zijn doortrokken met een levenskracht die bijna alles in zijn jonge leven domineert: eten, slapen, groeien.

Dit door levenskracht doortrokken lichaampje waardoor het een ‘lijf(je) is, is vanuit de aardse kant bekeken, het resultaat van de voortplanting, de gezamenlijke bijdrage van vrouw en man, die daardoor moeder en vader worden.
Hier werken de krachten van de erfelijkheid.

Ik verwijs nu naar een artikel op mijn blog ‘Antroposofie, een inspiratie‘ over ‘de erfelijkheid van het Ik’.

‘Aangekomen’ op aarde pas ik nog niet meteen bij mijn fysieke lijf: ik moet er nog in dóórdringen.
Dat kan ik niet alleen, daar moet mij van alles voor worden aangereikt. Ik moet worden geholpen. Dat noemen we verzorgen en opvoeding.
Dan kan voor de komende tijd het doel van deze opvoeding zijn dat ‘Ik’ zo goed mogelijk in mijn lichaam ga passen. Dat er harmonie ontstaat.

Wat een mooie taak, wat een prachtige opdracht: HARMONIE brengen.

Maar er is nog meer:

MET EERBIED

Der Mensch ist ja, bevor er ein Erdenwesen wird, ein seelisch-geisti­ges Wesen, das in seelisch-geistigen Welten lebt. Ich habe darauf schon hingedeutet. Er steigt herunter, verbindet sich als seelisch-geistiges We­sen mit dem physisch-ätherischen Menschenkeim, der zustande kommt teils durch die Tätigkeit des Seelisch-Geistigen selbst, teils aber durch die Vererbungsströmung, die durch die Generationen durchgeht und die durch Vater und Mutter an den Menschen, der sich im physischen Leib verkörpern will, herankommt. Wenn man dieses Seelisch-Geistige vor sich hat, das da an den Menschen zunächst herankommt, wird man es mit scheuer Ehrfurcht betrachten. Man wird gewissermaßen dem Werden des Kindes mit einem religiösen Gefühl auch als Lehrer gegen­überstehen; ich möchte sagen, mit einem priesterlichen Gefühl, weil die Art, wie sich Seelisch-Geistiges im Kinde enthüllt, wirklich zu einer Offenbarung des Seelisch-Geistigen im Physisch-Ätherischen wird. Hat man die Stimmung, daß sich ein von Göttern Gesandter herunterbegibt auf Erden und sich im Leibe verkörpert, dann bekommt man die rich­tige Gesinnung, die man in der Schule zu entfalten hat. Aber man lernt auch nur dadurch, daß man anzuschauen fähig ist, wie sich das Kind allmählich entwickelt.

De mens is, voor hij aardeburger wordt, een zielen-geestwezen dat in de wereld van ziel en geest leeft. Daarop heb ik al gewezen. Het incarneert, verbindt zich als ziel-geestwezen met de fysiek-etherische mensenkiem, die tot stand komt door de werkzaamheid van ziel en geest, maar gedeeltelijk ook door de erfelijkheidsstroom die door de generaties heengaat en die door vader en moeder aan de mens die zich in het fysieke leven met een lichaam wil omkleden, gegeven wordt. Wanneer je dit, wat ziel en geest is, voor je hebt, wat daar allereerst in de mens verschijnt, dan zul je dit met diepe eerbied aanschouwen. In zekere zin zul je ook als leerkracht met een religieus gevoel tegenover het wezen van het kind staan; ik zou willen zeggen, met het gevoel van een priester, omdat de manier waarop ziel en geest zich in het kind openbaren, werkelijk tot een openbaring van geest en ziel in het fysiek-etherische wordt. Leeft in je gemoedsgesteldheid dat er iemand die door de goden naar de aarde is gezonden om daar in een lichaam te incarneren, dan krijg je de goede gezindheid die je in de school moet ontwikkelen. Maar ook nog leer je daardoor waar te nemen hoe het kind zich geleidelijk ontwikkelt.
GA 309/65
Op deze blog vertaald/65  

EEN BIJNA RELIGIEUS GEVOEL

Daß der Mensch, wenn er in das Erdenleben hineinkommt, nicht nur das annimmt, was ihm von Vater und Mutter entgegengebracht wird, sondern daß er als geistiges Wesen aus einer geistigen Welt heruntersteigt in diese irdische Welt, das kann bei einer lebensvollen Menschenerkennt­nis in der Erziehungskunst praktisch werden. Denn es gibt im Grunde genommen keine wunderbareren Eindrücke, als wenn man das ganz kleine Kind in seinem Werden beobachtet, an seiner Entfaltung teil­nimmt und den Eindruck bekommt, wie das zuerst innerlich Ver­schwommene, das aus der geistigen Welt zum irdischen Dasein herun­tergestiegen ist, sich allmählich formt und gestaltet. Und man gewinnt die Erkenntnis, daß man es darin mit einem Übersinnlich-Geistigen zu tun hat, das sich hier in der Sinneswelt verkörpert und entfaltet. Da fühlt man sich dann verantwortlich gegenüber der eigenen Erziehungskunst; und fühlt man dazu die nötige Gewissenhaftigkeit, dann wird die Erziehungskunst gewissermaßen die Ausübung eines religiösen Dien­stes. Man fühlt in der Praxis: Die Götter haben den Menschen heruntergeschickt in dieses irdische Dasein, haben ihn uns als Erzieher anver­traut. Was die Götter uns mit dem Kinde übergeben, das sind Rätsel, die den schönsten Gottesdienst ergeben.

Dat de mens , wanneer hij het aardeleven binnenkomt, niet alleen maar tot zich neemt wat hem door vader en moeder aangereikt wordt, maar dat hij als geestelijk wezen afdaalt naar dit aardse bestaan, kan bij een levensechte kennis in de opvoedkunst praktisch toegepast worden. Want er zijn in de grond van de zaak genomen geen indrukken die wonderbaarlijker zijn dan wanneer je het heel kleine kind in zijn wording bekijkt, aan zijn ontwikkeling deelneemt en de indruk krijgt hoe, wat eerst innerlijk nog ongedifferentieerd is, dat uit de geesteliljke wereld in het aardse bestaan afdaalt, zich langzamerhand vormt en ontwikkelt. En je komt tot het besef dat je in het kind met een bovenzintuiglijk geesteswezen te maken hebt, dat zich hier in de zichtbare wereld belichaamt en ontplooit. Dan voel je je verantwoordelijk wat betreft je eigen opvoedkunst; en voel je daarbij de nodige consciëntie, dan wordt de opvoedkunst in zekere zin de uitoefening van een religieuze handeling.
Je voelt in de praktijk: de goden hebben de mens naar de aarde gestuurd, hebben hem aan ons als opvoeder, toevertrouwd. Wat de goden ons met het kind geven, zijn raadsels, die uit de mooiste dienst aan god stammen.
GA 304a/121 
Niet vertaald

Het groter wordende kind geeft blijk van een grote behoefte aan beweging. Dat is niet toevallig. Het is doortrokken van een grote levenskracht, van groei: het verdubbelt in de eerste 7 jaar zijn lichaamsgewicht! En wie leven zegt, zegt beweging. Helpen bij de harmonisering, is dus o.a. gelegenheid geven tot allerlei bewegen. Dat is simpelweg tegemoet komen aan wat de natuur van het kind van en aan ons vraagt.

In deze voordracht noemt Steiner nog geen concrete voorbeelden van hoe het onderwijs er met het oog op de beweging uit zou moeten zien.

Vooruitlopend daarop vind je op deze blog veel artikelen die daarover gaan, o.a.:

zintuigen – alle artikelen

bewegen1e klas alle artikelen

en natuurlijk de artikelen voor de peuters en kleuters voor wie het bewegen – letterlijk – van levensbelang is:

peuters/kleuters: alle artikelen

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2]
 GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde: deel 1-7 waarop bovenstaand artikel een uitbreidend vervolg is.

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1350-1262

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 301 voordracht 12

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com

GA 301: vertaling
inhoudsopgave;     voordracht:   [1]  [2]  [3]  [4]  [5]  [6]  [7]  [8]  [9]  [10]  [11]  [13]   [14]

RUDOLF STEINER:

DE VERNIEUWING VAN DE PEDAGOGISCH-DIDACTISCHE KUNST DOOR GEESTESWETENSCHAP

14 voordrachten gehouden te Bazel van 20 april tot en met 11 mei 1920, met vragenbeantwoording en inleidende woorden bij twee euritmieopvoeringen [1]

12e voordracht Bazel, 7 mei 1920 [2]

Inhoudsopgave
Geschiedenis en aardrijkskunde:
Geschiedenis: uitgaan van wat uit vroegere tijden nog aanwezig is
verworvenheden van de Grieken in de moderne tijd
uitgaan van gehelen in plaats van details. Economie van het onderwijs
algemeen menselijke waarden, individueel bewustzijn, algemeen menselijk als karakteristiek van na-Griekse (christelijke) tijd
geen pragmatisch, maar symptomatologische geschiedenisopvatting
aardrijkskunde
over linkshandigheid.

blz.  184

Geschichts- und Geographieunterricht

Wenn man die Kinder in der angedeuteten Weise so weit gebracht hat in dem Lebensabschnitt gegen das 12. Jahr hin – einzelnes, wie zum Beispiel das Bruchrechnen, werden wir noch nachholen -, wird man sehen, daß sie dann reif sind, auf der einen Seite für die Aufnahme des eigentlichen Geschichtsunterrichtes und auf der anderen Seite des Geo­graphie-, des physikalischen und des chemischen Unterrichtes. Zu glei­cher Zeit reifen die Kinder in diesen Jahren zur Vorbereitung für eine wirkliche Lebenspraxis heran. Nach dieser Richtung möchte ich heute einige skizzenhafte Andeutungen machen.
Zum Auffassen des Geschichtlichen der Menschheit ist ja das Kind tatsächlich nicht früher reif als so gegen das 12. Jahr hin. In erzählen­der Form, in umrissenen biographischen Bildern, sogar in einer ge­wissen Art von moralischem Erzählen kann man aber das Geschicht­liche durchaus vorbereiten.

geschiedenis en aardrijkskunde

Wanneer je de kinderen op de aangeduide manier tot zo ver in de leeftijdsfase tegen het 12e jaar hebt begeleid – details, zoals bijv. de breuken, doen we later nog -, zal je zien, dat ze dan rijp zijn om aan de ene kant het eigenlijke geschiedenisonderwijs te kunnen begrijpen en aan de andere kant het aardrijkskundeonderwijs, natuur- en scheikunde. Tegelijkertijd worden de kinderen in deze jaren rijp voor de voorbereiding op het echte praktische leven. In deze richting wilde ik vandaag schetsmatig wat aanwijzingen geven.
Voor het echt begrijpen van de geschiedenis van de mensheid is het kind in feite niet eerder rijp dan zo tegen het 12e jaar. Op een vertellende manier, in concrete biografische beelden, zelfs op een enigszins moralistische verteltrant kun je het geschiedenisonderwijs echter zeker voorbereiden.

 Zum eigentlichen Geschichtlichen aber wird das Kind gerade durch die Art des botanischen, des zoologischen Unter­richtes reif, wie ich es charakterisiert habe. Im Geschichtlichen kann man außerordentlich viel erreichen, wenn man durch das Botanische gewissermaßen die Erde als Einheit dargestellt hat, die über ihre Ober­fläche hin und durch die verschiedenen Jahreszeiten die verschiedenen Pflanzen hervorbringt, und wenn man den Menschen aufgefaßt hat als eine Synthese, wie ich es dargestellt habe, der verschiedenen Tier-gruppen, die jeweilen dasjenige, was dann beim Menschen harmonisch vereint ist, als Einseitigkeiten darstellen. Durch das Sich-Bewegen in solchen Vorstellungen wird das Kind für den geschichtlichen Unterricht reif.
Wenn wir mit der Geschichte an das Kind herankommen, handelt es sich nun aber darum, diesen geschichtlichen Unterricht auch dazu zu verwenden, gewisse Kräfte aus der menschlichen Natur herauszuholen, ihnen entgegenzukommen, gewissermaßen das zu erfüllen, was die

Voor de eigenlijke geschiedenis echter wordt het kind rijp door de manier van plant- en dierkundeles zoals ik het gekarakteriseerd heb. Bij geschiedenis kan je buitengewoon veel bereiken, wanneer je door de plantkunde in zekere zin de aarde als een geheel hebt gepresenteerd die over haar oppervlak verspreid door de verschillende jaargetijden de verschillende planten voortbrengt en wanneer je de mens beschouwd hebt als een synthese van de verschillende diergroepen die telkens, wat bij de mens tot harmonie gekomen is, als eenzijdigheid vertegenwoordigen. Door zich in deze voorstellingen te bewegen wordt het kind rijp voor geschiedenisles.
Wanneer we het kind geschiedenis geven, dan gaat het er echter om deze geschiedenis ook te gebruiken om bepaalde krachten uit de menselijke natuur naar boven te halen, die tegemoet te komen door in zekere zin mogelijk te maken, wat

blz. 185

menschliche Natur in dieser Lebensepoche will. Da aber stoßen wir bei dem, was uns gewöhnlich selbst als Geschichte dargeboten wird, auf einen kräftigen Widerstand. Denn was uns heute als Geschichte dar­geboten wird, ist doch eigentlich im Grunde genommen die Erzählung von Ereignissen, oder aber es ist das Zusammenfassen von Ereignissen oder kulturhistorischen Erscheinungen unter einem gewissen kausalen Gesichtspunkt. Es ist dasjenige, was im Grunde genommen doch an der Äußerlichkeit des Geschehens hängenbleibt. Sie werden, wenn Sie un­befangen sind, nicht das Gefühl haben, daß Sie von dem, was eigent­lich dem Menschenwerden zugrunde liegt, durch diese Geschichte eine richtige Vorstellung bekommen können. Wir haben ja in der neueren Zeit viel davon gehört, daß die Geschichte davon absehen soll, Kriege zu erzählen oder sonstige Ereignisse mehr äußerlicher Art zu erzählen, daß sie darauf gehen soll, den Kausalzusammenhang der Kultur-erscheinungen darzustellen. Allein da ist denn doch noch stark die Frage, ob das unbedingt berechtigt ist, einen solchen Kausalzusammen­hang anzunehmen, daß man zum Beispiel das, was in der zweiten Hälfte des 19. Jahrhunderts geschieht, mehr oder weniger zurückführt auf das, was in der ersten Hälfte des 19. Jahrhunderts geschehen ist, und so weiter zurück.

de menselijke natuur in deze levensfase wil. Daarbij echter stoten we bij wat gewoonlijk zelf als geschiedenis aangeboden wordt, op heftige weerstand. Want wat ons vandaag als geschiedenis aangeboden wordt, is eigenlijk in de grond van de zaak het verhaal van gebeurtenissen of is het samenvatten van gebeurtenissen of cultuurhistorische verschijnselen onder een bepaald causaal gezichtspunt. Het is in de aard der zaak iets wat bij de uiterlijkheden van wat er gebeurt, blijft steken. U zal, als u onbevooroordeeld bent, niet het gevoel hebben dat u door deze geschiedenis een juiste voorstelling kan krijgen van wat eigenlijk ten grondslag ligt aan de wording van de mens. We hebben de laatste tijd veel gehoord dat geschiedenis ervan af moet zien, over oorlogen te vertellen of  te vertellen over andere gebeurtenissen met een meer uiterlijke karakter, dat ze zich moet richten op het geven van causale samenhangen van de cultuurverschijnselen. Maar dan is daar toch nog sterk de vraag aanwezig of het zonder meer te rechtvaardigen valt zo’n causale samenhang aan te nemen, bijv. dat men wat in de tweede helft van de 19e eeuw gebeurt, min of meer terugleidt naar wat in de eerste helft van de 19e eeuw gebeurd is, en dan zo verder terug.

Es könnte ja doch dasjenige, was dem Menschen-werden zugrunde liegt, sich in einer ganz anderen Weise in der Ge­schichte äußern. Und da handelt es sich wirklich beim Geschichtsunter­richt darum, daß wir uns sozusagen nicht gehen lassen, daß wir nicht in irgendeiner Klasse es unternehmen, Geschichtsunterricht etwa so zu erteilen, daß wir selbst nur ein eng begrenztes Pensum zunächst unmit­telbar beherrschen. Selbstverständlich legen wir die seminaristischen Vorbereitungen zugrunde, und das ist ganz richtig, und wir kennen die ganze Geschichte sozusagen, aber das meine ich jetzt nicht, sondern ich meine, wenn wir den Geschichtsunterricht beginnen für irgendeine Klasse, so beginnen wir gewöhnlich irgendwo irgendwomit, und wir überlassen es dann den späteren Zeiten, das Folgende selbst erst in der richtigen Weise aufzunehmen und dergleichen. Das ist dann die Ursache, daß wir den Geschichtsunterricht gewissermaßen bloß in der Zeitenfolge behandeln.
Diese Art, die rechnet eigentlich nicht mit den aus der Menschen-natur heraus uns entgegenkommenden Kräften. Wir müssen da auf anderes Rücksicht nehmen. Wir müssen uns zum Beispiel klar sein dar­über, daß das Wesentliche zunächst das ist, was wir Menschen, die wir 

Wat er aan de wording van de mens ten grondslag ligt, zou toch nog op een heel andere manier uit de geschiedenis kunnen blijken. Het gaat er werkelijk om dat we ons bij geschiedenisonderwijs niet laten gaan, dat we in een of andere klas geschiedenis niet zo gaan geven en dat we zelf rechtstreeks maar een klein deel beheersen. Natuurlijk nemen we de voorbereidingen van onze opleiding ter hand, dat is heel goed en we kennen zogezegd de hele geschiedenis, maar dat bedoel ik nu niet, ik bedoel wanneer we in een klas met geschiedenis beginnen, beginnen we gewoonlijk ergens met iets en we laten wat er nog gaat volgen maar voor later om dat eerst op een goede manier in ons op te nemen en dergelijke. Dat is de oorzaak ervan dat we het geschiedenisonderwijs in zekere zin alleen maar als tijdverloop behandelen.
Die manier houdt eigenlijk geen rekening met de krachten die uit de menselijke natuur op ons af komen. We moeten hier met iets anders rekening houden. We moeten duidelijk weten dat het wezenlijke is, wat wij mensen, in het heden staand,

blz. 186

in der unmittelbaren Gegenwart stehen, als »Geschichte« eigentlich noch erleben. Wenn wir so abstrakt einfach die Kinder zurückführen in die griechische Geschichte, selbst wenn die Kinder schon Gymnasia­sten sind, so ist das eben ein abstraktes Zurückversetzen in einen frü­heren Zeitraum. Man versteht nicht konkret, warum man aus der Gegenwart heraus irgendwie nötig hat, die griechische Zeit zu verstehen. Man begreift aber sofort, um was es sich handelt, wenn man davon ausgeht, daß wir ja in der Gegenwart noch unmittelbare, lebendige Kräfte aus der griechischen Zeit darinnen haben. Davon müssen wir zunächst den Kindern eine Vorstellung geben. Wir können es auf ver­schiedenen Gebieten tun. Wir können es auch schon früher vorbereitet haben, aber wir müssen beim Geschichtsunterricht von dem ausgehen, was wir von einer bestimmten geschichtlichen Epoche noch in der Ge­genwart darinnen haben.
Nun wird Ihnen ja ein unbefangener Überblick über unsere Kultur sehr leicht das Folgende ergeben. Wollte ich es im einzelnen ausführen, was ich skizzenhaft andeuten will, so wären dazu viele Stunden not­wendig; aber das kann ja jeder selbst machen. Ich will nur die Leit­linien hier andeuten. 

eigenlijk nog als ‘geschiedenis’ beleven. Wanneer we zo abstract de kinderen terugbrengen naar de Griekse geschiedenis, zelfs wanneer de kinderen al gymnasiasten zijn, is het toch een abstract teruggaan naar een vroegere tijdsfase. Men begrijpt niet concreet waarom men vanuit het heden op de een of andere manier iets nodig heeft om de Griekse tijd te begrijpen. Je begrijpt echter meteen waarom het gaat als je ervan uitgaat dat de Griekse tijd in de huidige tijd nog rechtstreeks, actief van invloed is. Daarvan moeten we de kinderen allereerst een voorstelling geven. We kunnen dat op verschillende manieren doen. We kunnen dat al eerder voorbereid hebben, maar we moeten in de geschiedenisles uitgaan van wat wij uit een bepaalde geschiedkundige episode nog hebben in de huidige tijd.
Nu zal voor u wel door een onbevangen blik op onze cultuur makkelijk het volgende blijken. Zou ik het in detail willen uitwerken, wat ik nu schetsmatig wil aanduiden, dan waren daar vele uren voor nodig; maar dat kan ieder voor zich wel doen. Ik wil alleen de grote lijnen aangeven.

Sehen Sie, alles, was wir an umfassenderen uni­versellen Vorstellungen haben, wovon wir eigentlich vorstellungsgemäß als Menschen leben, das haben wir im Grunde genommen als Erbschaft des griechischen Zeitalters angetreten. Wir haben auch gewisse Kunst-empfindungen, mit denen unsere Seele heute noch arbeitet, rein als Erbschaft des griechischen Zeitalters angetreten. Nehmen Sie die ge­wöhnlichsten Begriffe, die uns gang und gäbe sind, wie zum Beispiel der Begriff der Ursache, der Begriff der Wirkung, der Begriff nament­lich des Menschen selber. Alles dasjenige, was unsere universellen Be­griffe sind – die Griechen haben sich zu diesen Begriffen hingearbeitet. Nehmen Sie den Begriff der Geschichte selbst, die Griechen haben zu­erst diesen Begriff der Geschichte aufgestellt. Also unser ganzes Vor­stellungsleben, wir können es überblicken, und wir werden finden, es ist eine Erbschaft des griechischen Zeitalters. So können wir in einer ganz elementaren Weise uns zunächst mit den Schülern unterhalten über unseren universellen Vorstellungsschatz und gar nicht dabei Rücksicht darauf nehmen, daß das in Griechenland entstanden ist. Wir können uns durchaus von der Gegenwart mit unseren Schülern unter­halten und zunächst dabei stehen bleiben; dann versuchen wir irgend­wie etwas Dramatisches, etwas Lyrisches mit den Kindern so durchzunehmen,

Kijk, alles wat wij aan meer omvattende universele voorstellingen hebben, waaruit wij eigenlijk volgens onze voorstellingen als mens leven, hebben we in de grond van de zaak beschouwd, als erfenis van de Griekse tijd overgenomen. Ook hebben we bepaalde kunstervaringen waarmee onze ziel nu nog werkt, puur als erfenis van de Griekse tijd overgenomen. Neem de gewoonste begrippen die voor ons gemeengoed zijn, zoals bijv. het begrip oorzaak, het begrip gevolg, met name het begrip mens zelf. Alles wat universele begrippen zijn – de Grieken hebben naar deze begrippen toegewerkt. Neem het begrip geschiedenis zelf, de Grieken hebben voor het eerst dit begrip omschreven. Dus heel ons voorstellingsleven, we kunnen het overzien en we zullen vinden dat het een erfenis is van de Griekse tijd. Wel kunnen we op een heel elementaire manier met de leerlingen spreken over onze universele begrippenschat en er dan helemaal geen rekening houden dat dat in Griekenland is ontstaan. We kunnen ook met onze leerlingen over de tegenwoordige tijd spreken en daar eerst bij stilstaan; dan proberen we op de een of andere manier iets van drama, iets van lyriek zo met de kinderen door te nemen

blz. 187

daß wir zum Beispiel beim Dramatischen aufmerksam ma­chen, wie ein Drama in Akte eingeteilt ist, wie ein Drama aufgebaut ist, wie es zu einer Verwicklung führt, wie bei ihm eine Lösung herbei­geführt wird. Wir können dabei in ganz elementarer Weise den Begriff der Katharsis entwickeln. Wir brauchen ja wahrhaftig dabei nicht komplizierte philosophische Vorstellungen in den Kindern zu ent­wickeln, aber wir können den Begriff der Katharsis entwickeln, indem wir dem Kinde zeigen, wie im Drama unsere Gefühle angespannt wer­den, wie wir wirklich in eine Art von Mitleid und Furcht versetzt werden, und wie wir dadurch lernen, ein gewisses Gleichmaß des Füh­lens gegenüber Furcht und Mitleid zu bekommen, wie ja das von den Griechen als das Wesentliche der dramatischen Kunst angesehen wor­den ist. Das taugt dann durchaus, wenn wir die Kinder schon für das 11., 12., 13. Lebensjahr ordentlich vorbereitet haben. Wir können dann irgend etwas von einem griechischen Kunstwerke, irgendeine Aphro­dite-Gestalt oder dergleichen vor die Kinder bringen, können ihnen erklären, wie das Schöne in dieser Darstellung sich offenbart und so weiter. Wir können sogar so weit gehen, daß wir den Unterschied er­klären zwischen dem Ruhenden der Kunst in der einzelnen Darstel­lung, zwischen dem Bewegten in der Kunst und so weiter. 

dat we bijv. bij de dramatiek erop wijzen, hoe een drama in akten is verdeeld, hoe een drama opgebouwd is, hoe die leidt naar een verwikkeling, hoe een oplossing gevonden wordt. Daarbij kunnen we op een heel elementaire manier het begrip catharsis ontwikkelen. We hoeven wis en waarachtig zeker geen gecompliceerde filosofische voorstellingen in de kinderen te ontwikkelen, maar we kunnen het begrip catharsis ontwikkelen door het kind te laten zien, hoe in het drama onze gevoelens aangesproken worden, hoe wij werkelijk in een soort medelijden en angst verplaatst worden en hoe we daardoor leren een zeker evenwicht te krijgen tussen ons gevoel en angst en medelijden, hoe dat door de Grieken als het meest wezenlijke van de dramatische kunst gezien werd. Het is het zeer zeker waard als we de kinderen daar al goed op voorbereid hebben als ze zo 11, 12, 13 jaar zijn. Dan kunnen we iets van een Grieks kunstwerk aan de kinderen laten zien, een of andere Afrodite-gestalte o.i.d., we kunnen hun dan uitleggen hoe de schoonheid in de gestalte zich vertoont, enz. We kunnen zelfs zo ver gaan, dat we het verschil uitleggen tussen wat in een individuele gestalte het rustende principe in de kunst is en het bewegende, enz.

Wir können dann gewisse Vorstellungen über das öffentliche Leben, sagen wir, anknüpfend an dasjenige, was jetzt noch im öffentlichen Leben ist, und was schon in der griechischen Zeit da war als politische Grundbegriffe, mit den Kindern besprechen. Und dann, wenn wir uns über so etwas unterhalten haben, dann versuchen wir, dasjenige, was der Grund-charakter der ganzen griechischen Geschichte ist, vor die Kinder wie einen großen Kreis zunächst hinzustellen, klarzumachen den Kindern, wie in Griechenland Menschen von einem gewissen Charakter gelebt haben, wie die Städte-Einrichtungen bei den Griechen waren. Dann aber haben wir hauptsächlich darauf hinzuweisen, wie dasjenige, wor­über wir uns zuerst unterhalten haben, was heute noch lebendig ist, bei den Griechen entstanden ist; wie, sagen wir, bei den Griechen ent­standen ist so etwas, wie eben die plastische Kunst, wie bei den Grie­chen entstanden ist die Einrichtung der Städte und so weiter. Also aus­gehen von dem, was heute noch lebt, müssen wir und übergehen dazu, den Kindern zu zeigen, wie dies in dem griechischen Zeitalter zuerst in der Menschheitsentwickelung Fuß gefaßt hat, so daß das Kind einen ganz bestimmten Begriff erhält von dem Beitrag, den das griechische

We kunnen dan bepaalde voorstellingen met de kinderen bespreken over het openbare leven – laten we zeggen – aanknopend bij wat er nu nog in het openbare leven aanwezig is, van wat er ten tijde van de Grieken al was aan politieke grondbegrippen. En dan, wanneer we daarover hebben gesproken, proberen we voor de kinderen eerst als een grote cirkel neer te zetten wat het grondkarakter van de hele Griekse geschiedenis is, de kinderen duidelijk te maken hoe er in Griekenland mensen geleefd hebben met een bepaald karakter; hoe de steden bij de Grieken waren georganiseerd. Dan hoeven we er echter hoofdzakelijk op te wijzen hoe hetgeen waarover we eerst hebben gesproken, wat nu nog leeft, bij de Grieken is ontstaan; zoals – laten we zeggen – bij de Grieken de beeldhouwkunst is ontstaan, de inrichting van de steden enz. Dus we moeten uitgaan van wat we er tegenwoordig nog van hebben en ertoe ovegaan de kinderen te laten zien hoe dit voor het eerst in de mensheidsgeschiedenis in de Griekse tijd is begonnen, zodat het kind een heel bepaald begrip krijgt van de bijdrage die de Griekse

blz. 188

Zeitalter als einen ewigen Beitrag für die Menschheitsentwickelung ge­leistet hat.
Das Kind muß durch eine solche Darstellung eine Idee davon be­kommen, daß das geschichtliche Leben nicht eine ewige Wiederholung ist, sondern daß etwas ganz Bestimmtes in einem bestimmten Zeitalter für die Menschheit geleistet wird, was dann bleibt; wie spätere Zeit­alter etwas anderes leisten, was dann wiederum bleibt. Dann bekommt das Kind auch eine gewisse feste Stellung in der Gegenwart. Es sagt sich: Unser Zeitalter hat auch etwas ganz Bestimmtes für die Ewigkeit zu leisten. Solch eine Geschichtsdarstellung, die wirkt dann wirklich auf das Gemüt, die wirkt dann begeisternd auch auf den Willen; und auf das Wie einer solchen Darstellung kommt eben außerordentlich viel an. Wir werden dabei Gelegenheit haben, an das Kind eine ganze Summe von Vorstellungen, eine ganze Summe von Eindrücken heran-zubringen, von denen wir ihm dann zeigen: die Griechen waren es, die das eingeführt haben in den Schatz des Menschenlebens. Und wir haben Gelegenheit, eine längere Zeit aus jetzt noch Lebendigem heraus mit den Kindern zu sprechen so, daß in all dem, was wir darstellen, nichts Christliches noch liegt.

tijd als een eeuwige bijdrage voor de ontwikkeling van de mensheid heeft geleverd.
Het kind moet er door een dergelijke schets een idee krijgen van krijgen dat het geschiedkundige leven niet een eeuwige herhaling is, maar dat iets heel speciaals in een bepaalde tijd voor de mensheid tot stand wordt gebracht, wat dan blijvend is; hoe andere tijdperken weer iets anders tot stand brengen, wat dan ook blijft. Dan krijgt het kind ook een bepaalde vaste positie in het heden. Het zegt: ook onze tijd moet iets heel bijzonders voor de eeuwigheid te presteren.
Een dergelijke voorstelling van geschiedenis werkt dan echt op het gevoel, werkt ook enthousiastmerend op de wil; en op het ‘hoe’ van zo’n voorstelling komt buitengewoon veel aan. Daarbij zullen we de gelegenheid hebben het kind heel wat voorstellingen, heel wat indrukken te geven, waarvan we hem dan laten zien: het waren de Grieken die dit ingebracht hebben als iets kostbaars in het mensenleven. En we hebben de gelegenheid wat langer met de kinderen te spreken over wat nu nog leeft, zodanig dat daar nog niets christelijks in voorkomt.

Denn indem wir über das Griechentum so sprechen, und so sprechen, daß das Griechentum als lebendig emp­funden wird, ergehen wir uns in einer Materie, in der noch nichts Christliches drinnen liegt. Aber gerade dadurch, daß wir längere Zeit in dem Kinde Vorstellungen lebendig erhalten, die dem Christentum gegenüber noch ganz neutral sind, dadurch erringen wir uns die Mög­lichkeit, den Einschlag des Ereignisses von Golgatha, den Einschlag der Entstehung des Christentums mit aller Schärfe dann vor die Kin­der hinzustellen. Und wir werden, wenn wir auf eine solche Art die griechische Geschichte geben, von einer Art Charakteristik des ganzen Griechentums dann übergehen zu den Einzelheiten. Wenn wir in dieser Weise die griechische Geschichte durchnehmen, werden wir gerade die richtige Vorbereitung für eine Empfindung des Christentums in den Kindern hervorrufen.
Nun wird ja mancher von Ihnen mit einem gewissen Recht zunächst das Folgende sagen: Ja, aber da regst du uns ja an, über die Einzel­heiten der Geschichte zunächst zu schweigen und in Bausch und Bogen, im Großen das ganze Griechentum zu charakterisieren, das ist doch nicht eine richtige Methode, denn da geht man nicht aus von den ein­zelnen konkreten Ereignissen, um dann zusammenzusetzen die griechische

Want wanneer we over het Griekendom zo spreken dat dit levendig wordt ervaren, begeven we ons in een materie waarin nog niets christelijks aanwezig is. Maar juist omdat we een langere tijd in het kind de voorstellingen levend houden die t.o.v. het christendom nog heel neutraal zijn, maken we het mogelijk de impuls van de gebeurtenis op Golgotha, de impuls van het ontstaan van het christendom in alle scherpte voor het kind neer te zetten. En we zullen, wanneer we op een dergelijke manier de Griekse geschiedenis geven vanuit een soort karakteristiek van het hele Griekendom, overgaan tot de details. Wanneer we op deze manier de Griekse geschiedenis doornemen, zullen we bij de kinderen juist een goede voorbereiding voor het invoelen van het christendom oproepen.
Nu zullen sommigen van u zeggen: ‘Ja, maar nu spoor je ons aan eerst het niet te hebben over de details van de geschiedenis, en in grote trekken het hele Griekendom in het groot te karakteriseren, dan is dat toch geen goede methode, want daarbij ga je niet uit van aparte concrete gebeurtenissen om dan de Griekse

blz. 189

Geschichte in ihrer Ganzheit aus den einzelnen Ereignissen und so weiter.
Ja, da berühren wir eine bedeutsame methodische Frage, die nicht aus Eigensinn und Vorurteil heraus beantwortet werden sollte, son­dern die beantwortet werden sollte aus einer vollen unbefangenen Er­fassung des Lebens. Ich frage Sie: Ist denn das Leben so, daß es immer das Ganze aus dem Einzelnen zusammensetzt? Bedenken Sie einmal, wenn Sie diese Anforderung an das gewöhnliche Wahrnehmungsleben stellen wollten, so müßten Sie den Menschen anleiten, einen mensch­lichen Kopf, ein menschliches Haupt aus den einzelnen Teilen des Ge­hirns und so weiter, zusammenzusetzen. Wir schauen ja im Leben Ganzheiten unmittelbar an. Wir gewinnen nur dadurch ein lebendiges Verhältnis zum Leben, daß wir Ganzheiten unmittelbar anschauen, und es handelt sich niemals darum, daß wir in willkürlicher Weise von dem Teile zu den Ganzheiten übergehen, sondern daß man dasjenige, was im Leben als eine Ganzheit auftritt, auch als eine Ganzheit charak­terisiert. Ja, für den Griechen selber, da war es so, daß er in irgend­einem Jahrzehnt lebte, und daß er die Eindrücke, die dieses Jahrzehnt geben konnte, als einzelner Mensch erlebte.

in totaliteit uit de aparte gebeurtenissen samen te stellen enz.
Ja, hier raken we een belangrijke methodische vraag die niet eigenzinnig en bevooroordeeld beantwoord moet worden, maar vanuit een volledig onbevangen opvatting over het leven. Ik vraag u: is het dan zo in het leven dat het geheel altijd vanuit de delen gevormd wordt? Denk eens wanneer u deze eis aan het gewone waarnemingsleven zou willen stellen, dan zou je de mens aansporen een menselijk hoofd uit de losse delen van de hersenen enz. samen te stellen. In het leven zien we direct het geheel. We krijgen alleen een levende verhouding tot het leven doordat we meteen totaliteiten waarnemen en het gaat er nooit om  op een willekeurige manier van de delen naar het geheel te gaan, maar om wat er in het leven zich als totaliteit voordoet, ook als totaliteit te karakteriseren. Ja, voor de Griek zelf was het zo, dat hij in een of ander decennium leefde en dat hij de indrukken die dit op hem maakte, meebeleefde.

Dasjenige aber, was heute noch lebendig ist vom Griechentum, das hat sich zusammengefaßt, das bildet ein Ganzes, und über das schauen wir hinweg, wenn wir nicht, ausgehend von diesem Lebendigen, den ganzen Kreis des Griechentums vor das Kind charakterisierend hinstellen.
Und noch eine mehr praktische Frage erledigt sich dadurch. Ich habe es immer wieder und wiederum erleben müssen, was es wirklich im einzelnen heißt: der Lehrer wird mit seinem Unterrichtsstoff im Jahre nicht fertig. Das ist eigentlich etwas, was in doppelter Hinsicht zu einem Unfug führt, denn erstens wird man eben nicht fertig, das ist der eine Unfug; zweitens aber wird oftmals, damit man fertig wird, in den letzten Wochen so überhudelt, daß das ganz vergebliche Arbeit ist, daß das überhaupt gar nichts heißt, was man in den letzten Wochen macht. Hat man aber zuerst einen großen Kreis umfaßt, hat man den Zeitraum, den man für die betreffende Klasse nehmen will – die Klassenabteilungen, den Lehrplan und die Lehrziele werden wir noch besprechen -, vor die Kinder hingestellt, dann schadet es gar nicht so viel, wenn man in der Betrachtung der Einzelheiten da oder dort über manches hinweggehen muß und dergleichen. Denn wie leicht ist es dem Menschen im Leben, wenn er einen Überblick über eine Sache

Maar wat tegenwoordig nog van het Griekendom leeft, is één geheel geworden, het vormt een totaliteit en daar kijken we overheen wanneer we niet uitgaand van dit levende, het hele domein van het Griekendom, karakteriserend voor het kind neerzetten.
En daardoor wordt nog een meer praktische vraag beantwoord. Ik heb het steeds weer meegemaakt, wat het concreet betekent: de leraar komt met de onderwijsstof in het jaar niet klaar. Dat is eigenlijk iets wat in dubbel opzicht tot iets onbehoorlijks leidt, ten eerste krijg je de lesstof niet af, dat deugt niet; ten tweede echter wordt er om het wél af te krijgen, de laatste weken zo afgeraffeld, dat dat werk voor niks is, dat het geen naam mag hebben, wat daar de laatste weken gebeurt. Heb je echter eerst het grote overzicht in de gaten, heb je de tijdsduur voor de betreffende klas bepaald – de klassen, het leerplan en de leerdoelen zullen we nog bespreken – en dat de kinderen meegedeeld, dan is het niet zo erg wanneer je bij het beschouwen van de details hier of daar eens iets moet weglaten en dergelijke. Want hoe gemakkelijk is het niet voor de mens, wanneer hij overzicht over een zaak

blz. 190

hat, sich besonders in unserer Zeit in den Konversationslexika das ein­zelne nachzusehen. Keinen Überblick bekommen zu haben, das ist unter Umständen ein bleibender Verlust für das Leben. Denn einen rechten Überblick bekommt man nur unter der Anleitung einer leben­digen Persönlichkeit. Einzelheiten aufnehmen kann man auch aus einem Buche.
Dies muß man doch als ein sehr Wichtiges in der pädagogischen Kunst berücksichtigen. Das ist sogar etwas, was bei den Lehrerprüfun­gen im ausgesprochensten Maße berücksichtigt werden sollte. Würde mit Bezug auf die Lehrerprüfungen dasjenige durchgeführt, was ich versuchte – es ist ja natürlich das im Anfange – für die Waldorfschule in Stuttgart geltend sein zu lassen, so würde man eben sagen: Bei der Lehrerprüfung sollte es eben darauf ankommen, sich von der Gesamt-verfassung des Lehrers in bezug auf ein Weltbild zu überzeugen und im übrigen die einzelnen Kenntnisse dem überlassen, was er für nötig findet für den einzelnen Unterricht von Stunde zu Stunde, von Tag zu Tag vorbereitend durchzunehmen. Daß man bei Lehrerprüfungen Ein­zelheiten verlangt, das ist überhaupt ein Unfug. Es kommt darauf an, den Gesamteindruck zu bekommen, ob irgend jemand als Lehrer ge­eignet ist oder nicht.

heeft, speciaal wanneer hij in deze tijd in de encyclopedie de details wil zien. Wanneer je geen overzicht hebt gekregen, is dat onder bepaalde omstandigheden een blijvend manco in het leven. Want een goed overzicht krijg je alleen onder leiding van een levendige persoonlijkheid. Details kun je ook uit een boek halen.
Dat moet je toch als een heel belangrijk punt in de pedagogische kunst beschouwen. Het is zelfs iets, wat bij de lerarenexamens zeer uitgesproken in acht zou moeten worden genomen. Zou wat betreft die lerarenexamens doorgevoerd zijn wat ik probeerde – het staat nog maar aan het begin – voor de vrijeschool in Stuttgart te laten gelden, dan zou men zeggen: ‘Bij het lerarenexamen komt het erop aan zich ervan te overtuigen wat de totale grondhouding van de leraar is m.b.t. een wereldbeeld en voor de rest de feitenkennis over te laten aan wat hij nodig vindt om voor iedere les, van uur tot uur, van dag tot dag, als voorbereiding door te werken.’  Dat men bij lerarenexamens feiten wil, is zeer zeker iets wat niet klopt. Het komt erop aan een totaalindruk te krijgen of iemand als leerkracht geschikt is of niet.

Natürlich darf man diese Dinge auch nicht pres­sen. Man darf selbstverständlich nicht glauben, daß man alle diese Dinge bis ins Extreme treiben darf. Aber im wesentlichen gilt das, was ich gesagt habe.
Nun wird man all das, was ich charakterisiert habe, als heute noch lebendig, gewissermaßen als einen Übergangsimpuls zum Griechentum betrachten können. Dann aber wird man übergehen können zu dem, was auch heute lebendig ist, was aber im Griechentum noch nicht lebendig war. Man wird vor allen Dingen nun sich lebendig unter­halten können mit dem Schüler über einen solchen Begriff wie all­gemeine Menschenwürde. Man wird sich unterhalten können über einen solchen Begriff wie individuelles Bewußtsein des Menschen, na­türlich alles in elementarer Weise. Den Begriff der allgemeinen Men­schenwürde, den hatten die Griechen nicht. Sie hatten den Begriff der Polis, den Begriff einer Gemeinschaft, der der Einzelne angehörte. Darnach waren die einzelnen eingeteilt: Herren, Sklaven. Den eigent­lichen Fundamentalbegriff des Menschen hatten sie nicht. Darüber unterhält man sich nun mit den Schülern. Man unterhält sich ferner mit den Schülern über den Begriff des allgemein Menschlichen, de

Natuurlijk moet je deze dingen niet dwingen. Je moet vanzelfsprekend ook niet geloven dat je al deze dingen tot in het extreme moet doen. Maar in wezen geldt, wat ik heb gezegd.
Alles wat ik nu gekarakteriseerd heb, moet je als iets wat tegenwoordig nog levend, in zekere zin als een overgansimpuls naar het Griekendom, kunnen beschouwen. Dan zou je over kunnen stappen naar iets wat tegenwoordig ook nog leeft, maar wat bij de Grieken nog niet leefde. Je zou vooral op een levendige manier met de leerlingen kunnen spreken over zo’n begrip als universele menswaardigheid. Je kunt over zo’n begrip als individueel bewustzijn van de mens spreken, natuurlijk allemaal op een elementaire manier. Het begrip van de universele menswaardigheid kenden de Grieken niet. Ze hadden het begrip van de polis, het begrip van de gemeenschap waartoe de enkeling behoorde. Daar waren de enkelingen bij ingedeeld: meesters, slaven. Het eigenlijke fundamentele mensbegrip hadden ze niet. Daarover praat je nu met de leerlingen. Verder ook met het algemeen menselijke, dat

blz. 191

weil wir wirklich in der heutigen Zeit nicht genug christlich sind, gar nicht so sehr in dem Menschen lebendig ist, aber, ich möchte sagen, durch die Naturgeschichte, die Geschichte sehr wohl in den Kindern lebendig werden kann. Dieser Begriff des allgemein Menschlichen kann etwa so erweckt werden: Man stellt vor die Kinder hin das Abendmahl des Leonardo – es ist ja eigentlich nur noch seinem Sinne nach da, es sind einige Farbflächen noch vorhanden in Mailand davon -, dasje­nige, was Leonardo mit diesem Bilde einmal gewollt hat, davon kann man sich heute, ich möchte sagen, nur hellsichtig noch einen Begriff machen, aber der Gedanke des Bildes, er ist noch da. Er ist lebendig zu machen, indem man das Bild vor die Kinder hinstellt. Hat man da diese zwölf Apostel mit dem Herrn in der Mitte, dann ist man in der Lage, tatsächlich an diesem Bilde klarzumachen, daß zwölf Menschen da sind, zwölf Menschen, die vom Künstler selbst schon in ihren Stel­lungen mit den verschiedensten Gesinnungen dargestellt worden sind, vom hingebungsvollen Johannes bis zum verräterischen Judas. Man kann gewissermaßen alle menschlichen Charaktere an diesen zwölf Bildern entwickeln.

omdat we tegenwoordig niet christelijk genoeg meer zijn, helemaal niet zo in de mens leeft, maar door de biologie, de geschiedenis wel levend kan worden in de kinderen. Het begrip voor het algemeen menselijke kan bijv. zo gewekt worden: je laat de kinderen Het Avondmaal van Leonardo zien – het is er eigenlijk alleen nog maar als idee, er zijn nog wat schildervlakken van in Milaan* – van wat Leonardo eens met dit beeld wilde, kun je je alleen tegenwoordig maar helderziend een begrip vormen, maar de idee van het beeld is er nog. Je kunt het levend maken als je de kinderen het beeld laat zien. Wanneer je de twaalf apostelen hebt, met de Heer in het midden, dan ben je in staat, aan dit beeld daadwerkelijk duidelijk te maken dat er twaalf mensen zijn, twaalf mensen die door de kunstenaar zelf al in hun houdingen en met de meest verschillende stemmingen afgebeeld zijn, van Johannes, vol overgave tot de verraderlijke Judas. Je kan in zekere zin alle menselijke karaktertrekken aan deze twaalf beelden ontwikkelen.

Man kann den Kindern zeigen, wie die Menschen-charaktere verschieden sind, und man weist dann darauf hin, wie in der Mitte der Herr sich verhält zu jedem einzelnen, und man wird den Kindern sagen können: Nehmt meinetwillen irgend jemanden, der aus einem fremden Himmelskörper herunterkommt – man braucht es nicht in der Weise zu sagen, aber man kann es so klarmachen -, nehmt irgend jemanden, der von einem fremden Himmelskörper herunterkommt und alle Bilder auf der Erde sieht – ein solches Wesen braucht nur die zwölf Menschen anzuschauen, und dann das verklärte Antlitz in der Mitte, und es weiß als ein ganz erdenfremdes Wesen: Das hat etwas zu tun mit dem, was der Erde Sinn gibt. Daß einmal eine Zeit da war in der Erdentwickelung, die Vorbereitung war, daß dann eine andere Zeit kam, auf die gewartet wurde, und die gegenüber der Vorbereitung eine Art Erfüllung gibt, daß mit der ganzen irdischen Menschheits­entwickelung dieses Ereignis von Golgatha zusammenhängt, daß die Erde keinen Sinn hätte in ihrer Entwickelung, wenn dieses Ereignis nicht eingetreten wäre, das ist etwas, was man klarmachen kann. Das ist also, was auch heute noch lebendig ist, was sehr leicht belebt werden kann, insofern es in unserer halb heidnischen Zeit wiederum erstorben ist. Kurz, darum handelt es sich, daß man jetzt gewissermaßen das zweite Zeitalter des Menschen klarmacht. Das ist das Zeitalter, das im

Je kan de kinderen laten zien, hoe verschillend mensen in hun karakter zijn en dan wijs je erop hoe de Heer in het midden t.o.v. ieder individu staat en je kan tegen de kinderen zeggen: ‘Neem wat mij betreft een of ander persoon die vanaf een vreemd hemellichaam naar beneden komt – je hoeft het niet zo te zeggen, maar zo kun je het duidelijk maken – neem iemand die van een andere planeet komt en alle beelden van de aarde ziet – zo’n wezen hoeft maar naar die twaalf mensen te kijken en dan naar het bezielde gezicht in het midden en als wezen dat niet thuis is op aarde, weet het: dat heeft te maken met wat zin aan de aarde geeft. Dat er eens een tijd was in de aardeontwikkeling als voorbereidingstijd, dat er dan een andere tijd kwam waarop werd gewacht en die t.o.v. de voorbereiding een soort vervulling gaf, die met de hele aardse mensheidsontwikkeling van deze gebeurtenis op Golgotha samenhangt, dat het voor de aarde in haar ontwikkeling geen zin zou hebben gehad als deze gebeurtenis niet zou hebben plaatsgevonden, dat is iets wat je duidelijk kunt maken. Dat leeft ook nu nog, dat kan heel makkelijk weer gaan leven, voor zoverre het in onze halve heidense tijd niet gestorven is. Kortom, het gaat erom dat je in zekere zin het tweede tijdperk van de mens duidelijk maakt. Dat is het tijdperk dat in

blz. 192

Gegensatz zu dem Schaffen von Begriffen, von künstlerischem Emp­finden zu alle dem, was eigentlich nur entstehen konnte, indem eine Aristokratie der Menschheit es ausbrütete, das im Gegensatze zu dem, was eben als Erbschaft geblieben ist, auftrat mit der Entstehung des Christentums: das allgemein Menschliche.
Nun kann man zeigen, indem man jetzt erst die römische Geschichte nachholt, wie die römische Geschichte nach irgend etwas hin tendiert, was eigentlich in sich selbst kaum eine Bedeutung hat; denn es wird dem unbefangenen Betrachter der römischen Geschichte klarwerden, wie groß eigentlich der Abstand dieses römischen Volkes von dem griechischen Volke ist. Das griechische Volk hat uns und den Römern
– denn die Römer waren die Schüler der Griechen in wirklich allem bedeutenden Menschlichen -, das Griechentum hat uns und den Rö­mern dasjenige gegeben, was geblieben ist. Die Römer für sich, sie waren ein phantasieloses Volk, ein Volk, welches eigentlich nur sich vorbereitet hat durch den Bürgerbegriff zum christlichen Menschen-begriff. Den Einschlag des Christentums in das Römertum kann man dem Kind in diesem Lebensalter durchaus schon beibringen und damit auch zeigen, wie die alte Welt Stück für Stück zugrunde geht und das Christentum Stück für Stück sich im Abendlande verbreitet.

tegenstelling tot het creëren van begrippen, van kunstzinnig gevoel voor alles wat eigenlijk alleen maar kon ontstaan wanneer een aristocratie van de mensheid het uitdacht, dat in tegenstelling tot wat als erfenis gebleven is, optrad met het ontstaan van het chrtistendom: het algemeen menslijke.
Nu kun je laten zien, wanneer je nu de Romeinse geschiedenis er nog bijhaalt, hoe deze naar iets neigt wat eigenlijk op zich nauwelijks betekenis heeft; want het zal de onbevangen onderzoeker van de Romeinse geschiedenis duidelijk worden, hoe groot eigenlijk de afstand van dit Romeinse volk tot het Griekse volk is. Het Griekse volk heeft ons en de Romeinen – want de Romeinen waren de leerlingen van de Grieken van werkelijk alles wat voor de mens van betekenis is – het Griekendom heeft ons en de Romeinen datgene gegeven wat gebleven is. De Romeinen op zich, het was een fantasieloos volk, een volk dat zich eigenlijk slechts voorbereid had door het begrip van burger tot het christelijke begrip van mens. De impuls van het christendom bij de Romeinen kan je een kind op deze leeftijd al wel bijbrengen en daarmee ook laten zien, hoe de oude wereld geleidelijk ten onder gaat en het christendom zich geleidelijk in het Avondland verbreidt.

Ich möchte sagen: Das erste Jahrtausend des Christentums gewinnt dadurch einen gewissen einheitlichen Charakter. Es ist die Verbreitung des allgemei­nen Menschenbegriffes. Und wenn man einen so lebendigen, einen so intensiven Begriff von dem Einschlag des Christentums in die Mensch­heitsentwickelung an die Kinder heranbringt, dann bekommt man auch die Möglichkeit, das ganze neue Zeitalter nun für die Menschen­kinder zu charakterisieren.
Nachdem das erste Jahrtausend christlicher europäischer Entwicke­lung vorüber ist, beginnt doch wiederum etwas ganzNeues. Dieses ganz Neue bereitet sich langsam vor. Dasjenige tritt klar in die Menschheits­entwickelung ein, was, ich möchte sagen, das Allerprosaischste ist für uns. Für unsere Nachkommen in Jahrtausenden wird die Sache anders liegen, aber wir müssen selbstverständlich heute »Geschichte« für unsere Zeit lehren. Wir blicken also zurück ins Griechentum, in dasjenige, was heidnisch sein darf, künstlerisches Leben, Vorstellungsleben und so weiter, wir blicken zurück in das erste Jahrtausend christlicher Ent­wickelung und finden das europäische Gefühlsleben gerade darin ent­wickelt; und wir finden dann in dem, was nach dem ersten Jahrtausend

Het eerste millennium van het christendom krijgt daardoor het karakter van een zekere eenheid. Het is de verbreiding van het algemene begrip mens. En wanneer je een zo levend, een zo intensief begrip van de impuls van het christendom in de ontwikkeling van de mensheid aan de kinderen leert, krijg je ook de mogelijkheid het geheel nieuwe tijdperk voor de kinderen te karakteriseren.
Nadat het eerste millennium van de christelijke Europese ontwikkeling voorbij is, begint totaal weer iets heel nieuws. Dit bereidt zich langzaam voor. Het verschijnt duidelijk in de mensheidsontwikkeling als het meest prozaïsche voor ons. Voor onze nakomelingen in duizenden jaren zullen de zaken anders liggen, maar wij moeten vanzelfsprekend vandaag ‘geschiedenis’ voor onze tijd leren. Wij kijken dus terug naar de Grieken, naar wat niet-christelijk mag zijn, kunstzinnig leven, voorstellingsleven enz., we blikken terug naar  het eerste millennium van christelijke ontwikkeling en vinden de ontwikkeling van het Europese gevoelsleven juist daar; en we vinden dan in wat na het eerste millennium

blz. 193

christlicher Entwickelung eintritt, das europäische Willensleben, vor allen Dingen zunächst dadurch herankommend, daß die wirtschaft­lichen Angelegenheiten für die Menschen Gegenstand eines ausgebilde­ten Nachdenkens werden, Gegenstand von Schwierigkeiten werden. Sie wurden früher in viel naiverer Weise besorgt, als sie nachher be­sorgt werden. Und mit dem zusammenhängend dann versucht man gerade zu schildern, wie die Erde ein einheitlicher Schauplatz wird für die Menschen, wie sie es wird durch die Entdeckungsfahrten, wie sie es wird durch die Buchdruckerkunst, und man versucht, diesen letzten Zeitraum als denjenigen zu erfassen, in dem wir eben noch drinnen-stehen. Da wird man nicht mehr in einer solchen Weise große Gesichts­punkte, wie für die griechische Zeit und für die christlich-römische Zeit mit einer Nachwirkung in das mitteleuropäische Leben herein darstel­len können; da wird man dann mehr oder weniger zerfallen lassen müssen dasjenige, was vom 11., 12., 13.Jahrhundert an und so weiter geschehen ist, in Einzelheiten. Aber gerade dadurch wird man von dem in dieser Zeit in die Geschichte eintretenden Völkerwillensleben die richtige Empfindung in dem Kinde erwecken.

van christelijke ontwikkeling optreedt, het Europese wilsleven, vooral eerst opkomend doordat de handelszaken voor de mensen onderwerp worden om uitgebreid over na te denken, onderwerp worden van problemen. Die werden vroeger op een veel naïvere manier afgehandeld dan later. En daarmee samenhangend probeer je dan te schetsen hoe de wereld een meer eenheid vertonend toneel wordt voor de mensen, hoe dat komt door de ontdekkingsreizen, door de boekdrukkunst en je probeert dit laatste tijdperk op te vatten als het tijdperk waar we nu nog in zitten. Dan zal je niet meer op zo’n manier grote gezichtspunten neer kunnen zetten zoals je kon doen voor de Griekse tijd, voor de christelijk-Romeinse tijd met de nawerking in het Midden-Europese leven; dan zal je daar min of meer, wat er vanaf de 11e, 12e, 13e eeuw enz. gebeurd is, dat in details moeten opsplitsen. Maar juist daardoor zal je voor wat er vanaf deze tijd in de geschiedenis als verschijnend wilsleven van de volkeren begint te leven, bij het kind het juiste gevoel wekken.

Was erreicht man dadurch, daß man dieses tut? Sehen Sie, dadurch treibt man nicht Kausalgeschichte und auch nicht pragmatische Ge­schichte, all die schönen Dinge, die zeitweilig so bewundert worden sind. Was heißt denn Kausalgeschichte? Ich sagte es schon, es setzt vor­aus, daß immer das Folgende als die Wirkung des Vorhergehenden entstanden ist. Aber wenn man eine Wasseroberfläche hat, und man sieht aufeinanderfolgende Wellen – wird man denn jede folgende Welle als die Wirkung der vorhergehenden ansehen dürfen? Wird man denn da nicht in den Tiefen des Wassers die Ursache suchen müssen, die gemeinsame Ursache für die Folgen der Wellen? In der Geschichte ist es nicht anders. Man übersieht das Wichtigste, wenn man nur nach dem Zusammenhange von Ursache und Wirkung sieht. Man übersieht dasjenige, was in den Tiefen der Menschheitswerdenskräfte waltet, welche die einzelnen Erscheinungen im Laufe der Zeit an die Ober­fläche bringen, so daß sie sich nicht bloß darstellen unter dem Gesichts­punkt von Ursache und Wirkung. Dasjenige, was in einem Jahrhun­dert geschieht, ist nicht bloß die Wirkung desjenigen, was im früheren Jahrhunderte geschehen ist, sondern es ist selbständig – nebenbei, daß es Wirkung ist -, es ist selbständig, ich möchte sagen, aus den Tiefen des Menschenwerdestromes an die Oberfläche getragen.

Wat bereik je ermee dit zo te doen? Kijk, daardoor geef je geen causaliteitsgeschiedenis en ook geen pragmatische geschiedenis, al dat moois, wat tijdelijk zo werd bewonderd. Wat is dan causaliteitsgeschiedenis? Ik zei al, het gaat ervan uit, dat steeds het volgende als de werking van het voorafgaande ontstaan is. Maar wanneer je een wateroppervlak hebt en je ziet de na elkaar aankomende golven, mag je dan iedere volgende golf als de werking van de voorafgaande beschouwen? Moet je de oorzaak dan niet in de diepte van het water zoeken, de gemeenschappelijke oorzaak voor de golven die volgen? In de geschiedenis is het niet anders. Je kijkt over het belangrijkste heen, wanneer je alleen kijkt naar de samenhang van oorzaak en gevolg. Je kijkt over datgene heen wat in de diepte van de krachten bij het worden van de mensheid gaande is, die de afzonderlijke verschijnselen in de loop van de tijd aan de oppervlakte brengen, zodat die zich niet alleen maar vertonen onder het gezichtspunt van oorzaak en gevolg. Wat in de ene eeuw gebeurt, is niet alleen maar het gevolg van wat in een eerdere eeuw gebeurt is, maar staat op zich, laat staan dat het een gevolg is – , het staat op zich en is op zich staand, uit de diepten van de stroom van de menswording aan de oppervlakte gebracht.

blz. 194

Davon kann man im kindlichen Lebensalter einen Eindruck hervor­rufen. Und man muß ihn in dieser Zeit hervorrufen. Denn wenn man Lhn nicht in diesem Alter hervorruft, dann bleibt der Mensch eigen­sinnig, bleibt bei seiner pragmatischen oder kausalen Geschichte. Er er­starrt dann in seiner Auffassung des geschichtlichen Werdens und ist später eigentlich wenig mehr geneigt, etwas aufzunehmen von dem, was eigentlich Zukunft hat, und was ich im Gegensatz zu aller übri­gen Geschichtsdarstellung nennen möchte die symptomatologische Ge­schichte. Wer symptomatologische Geschichtsbetrachtungen treibt, wird nicht glauben, man müsse an die geschichtlichen Ereignisse unmittelbar herangehen und sie schildern um ihrer selbst willen, sondern er wird sie als Symptome eines tieferen Werdens betrachten und sich sagen:
Wenn in einem bestimmten Zeitalter, sagen wir, der Gutenberg auf-tritt und die Buchdruckerkunst findet, so hängt das zusammen mit etwas, was in den Tiefen der Menschheit geschieht. Und die Auf­findung der Buchdruckerkunst ist nur ein Symptom dafür, daß die Menschheit in dieser Zeit reif geworden ist, von gewissen bloß kon­kreten Vorstellungen zu abstrakten überzugehen. 

Daarvan kun je in de kinderleeftijd een indruk oproepen. En die moet je in deze tijd oproepen. Want doe je dat op deze leeftijd niet, dan blijft de mens eigenzinnig, blijft bij zijn pragmatische of causale geschiedenis. Hij wordt dan star in zijn opvattingen over de geschiedkundige wording en is later eigenlijk weinig meer genegen iets op te nemen van iets wat eigenlijk toekomst heeft en wat ik in tegenstelling tot alle andere geschiedschrijving de symptomatologische geschiedenis noem. Wie geschiedenis symptomatologisch bekijkt, zal niet geloven dat je meteen de geschiedkundige gebeurtenissen moet nemen en die schetsten om ze te schetsen, maar die zal ze als symptomen van een dieper worden bekijken en zeggen: wanneer er in een bepaalde tijd – laten we zeggen – sprake is van Gutenberg die de boekdrukkunst ontdekt, dan hangt dat samen met iets wat in een diepere laag van de mensheid gebeurt. En de uitvinding van de boekdrukkunst is er maar een symptoom van, dat de mensheid in deze tijd rijp geworden is van bepaalde enkel concrete voorstellingen over te gaan tot abstracte.

 Indem man dasjenige Leben antritt im Laufe der Zeit, das zusammengehalten wird mehr durch den Druck, als durch die unmittelbar gründlichen Inhalte, wird das Leben wesentlich verabstrahiert oder ins Abstrakte getrieben.
Wie im Verlaufe des geschichtlichen Werdens das Leben verabstra­hiert, ins Abstrakte getrieben wird, davon machen wir uns in der Regel überhaupt keine Vorstellung. Denken Sie doch nur einmal, um ein kleines zu sagen, ich kann sagen: Mein Rock ist schäbig. Darüber hat heute jeder eine Vorstellung, wenn ich sage: Mein Rock ist schäbig. Aber er wird nicht sich klarwerden darüber, was das eigentlich heißt. Es heißt, daß das, was ich da meine, ursprünglich etwas mit den Scha­ben, mit den kleinen Insekten zu tun hat. Röcke hat man hängen-lassen in Schränken, hat sie nicht ordentlich gebürstet, und da sind diese kleinen Insekten, diese Schaben, gekommen und haben den Rock zerfressen. Man hat Löcher. Und aus dem Zerstören von Röcken durch Schaben ist das Wort »schäbig« entstanden. Das ist der Übergang vom Konkreten zum Abstrakten. Dieser Übergang vom Konkreten zum Abstrakten vollzieht sich in der Menschheit immerfort, und auf den sollten wir eigentlich aufmerksam sein. Sehen Sie, in meiner Gegend, wo ich aufgewachsen bin, in dieser österreichischen Gegend, da redeten die Bauern sehr konkret vom Nachtschlaf. Der Nachtschlaf war für sie

Wanneer men in de loop van de tijd het leven binnenstapt waarin er meer verband is door de drukpers dan door zonder omwegen iets zeer inhoudelijks, dan wordt het leven in belangrijke mate abstracter of tot abstracties geforceerd.
Hoe in de loop van de geschiedkundige wording het leven geabstraheerd is, tot abstracties geforceerd is, daarvan maken wij ons in de regel helemaal geen voorstelling. Bedenk eens, om een klein voorbeeld te geven: mijn jas is mottig. Als ik dat zeg, heeft iedereen daar wel een voorstelling van. Maar het wordt hem niet duidelijk, wat dat eigenlijk betekent. Het betekent dat wat ik daar zeg, oorspronkelijk met motten, met die kleine insecten te maken heeft. Jassen heeft men in kasten laten hangen, ze niet naar behoren geborsteld en toen zijn deze kleine insecten, de motten, gekomen en hebben de jas aangevreten. Er zitten gaatjes in. En door het beschadigen van jassen door motten is het woord ‘mottig’ ontstaan. Dat is de overgang van concreet naar abstract. Deze overgang voltrekt zich in de mensheid steeds weer en daar moeten we eigenlijk op letten. In de omgeving waarin ik ben opgegroeid, in deze Oostenrijkse omgeving, spraken de boeren zeer concreet over de “nachtslaap”. De nachtslaap was voor hen

blz. 195

nicht jenes Abstraktum, an das wir heute denken, wenn wir sagen: der Nachtschlaf; sondern der Bauer rieb sich die Augen aus und das, was da in den Augenecken am Morgen drinnen war, was er herausrieb, diese konkrete Absonderung, die nennt er den Nachtschlaf, und einen anderen Begriff von dem Nachtschlaf hat er nicht, er muß erst auf den abstrakten Begriff des Nachtschlafes gebracht werden. Allerdings, diese Dinge sterben aus. Wir Älteren erinnern uns, wenn wir gerade unsere Jugend nicht in der Stadt zugebracht haben, sondern auf dem Lande, wie alles konkret war. Aber es ist sozusagen mit dem 19. Jahrhundert mehr oder weniger ausgestorben. Ich könnte Ihnen eine ganze Anzahl solcher Beispiele vorbringen, und Sie wirden kaum glauben, daß in solch konkreter Weise auf dem Lande gedacht wird. Man kann sehr Merkwürdiges erleben. Es gibt einen österreichischen Dialektdichter, der sehr schöne Dinge gemacht hat, die die Stadtleute alle bewundert haben, aber eben nur die Stadtleute, denn die Landleute verstehen sie nicht, weil er alle Worte so gebraucht, wie sie die abstrakten Stadtleute gebrauchen. Das versteht der auf dem Lande aber gar nicht, weil der konkrete Dinge im Auge hat, so daß alles für ihn etwas ganz, ganz anderes bedeutet.

niet zo’n abstractie waaraan wij nu denken als we zeggen: de nachtslaap; maar de boer wreef in zijn ogen en wat er ’s morgens in zijn ooghoeken zat, wat hij eruit wreef, wat daar concreet uitgescheiden was, noemde hij nachtslaap en een ander begrip van nachtslaap had hij niet, tot het abstracte begrip nachtslaap moest hij eerst gebracht worden. Maar ja, deze dingen sterven uit. Wij ouderen weten het nog, als we dus niet onze jeugd in de stad hebben doorgebracht, maar op het platteland, waar alles concreter was. Maar dat is met de 19e eeuw min of meer uitgestorven. Ik zou u heel wat van dergelijke voorbeelden kunnen geven en u zou het nauwelijks geloven dat er op zo’n concrete manier op het platteland gedacht werd. Je kunt er veel opmerkelijks aan beleven. Er is een Oostenrijkse dialectdichter, die veel mooie dingen heeft gemaakt, die de mensen uit de stad alle bewonderden, maar alleen de mensen uit de stad, want de mensen van het land begrijpen ze niet, omdat hij alle woorden zo gebruikt als de abstracte stadsmens doet. Die van het boerenland begrijpt dat helemaal niet, omdat hij concrete dingen voor ogen heeft, zodat voor hem alles iets heel, heel anders betekent.

Ich will nur daran erinnern, daß zum Beispiel, wenn dieser österreichische Dialektdichter in seinem Gedichte von der Natur spricht, er für den Bauern ganz unverständlich ist, weil der Bauer die­sen Begriff der Natur, den der gebildete Mensch hat, überhaupt nicht hat, sondern unter Natur etwas sehr, sehr Konkretes versteht. So könnte man überall Beispiele anführen, welche zeigen würden, wie der Übergang vom Konkreten zum Abstrakten im ganzen Werdegang der Menschheit bedingt ist, und wie über die ganze Menschheit eine Welle von Abstraktionsneigung sich ergießt mit der Buchdruckerkunst. Die Menschen filtrieren gewissermaßen unter demEinfluß der Buchdrucker-kunst ihre Begriffe.
Dann wäre es nicht schlecht, wenn man den Kindern aus der neueren Geschichte heraus gewisse Begriffe beibringen würde, die eigentlich dem Leben gegenüber objektiv machen. Es würde zum Beispiel viel weniger deklamiert werden von Bekämpfung des Kapitalismus und so weiter, wenn nicht die Menschen, die heute diese Dinge reden, so redeten, als wenn sie über diese Dinge gar nichts gehört hätten und gar keine Vor­stellung davon hätten, daß es eigentlich gar nichts heißt, wenn man einfach wütend loszieht über den Kapitalismus; denn es hat gar nichts zu tun mit dem, was die Leute eigentlich wollen. Es beruht bloß darauf

Ik wil er alleen maar aan herinneren, dat bijv. wanneer deze dichter over de natuur spreekt, hij voor de boeren totaal niet te begrijpen is, omdat de boer dit begrip van de natuur die de geschoolde mens heeft, echt niet heeft, maar onder natuur iets heel, heel concreets verstaat. Zo zou je overal voorbeelden kunnen aangeven die zouden laten zien hoe de overgang van het concrete naar het abstracte in de gehele wording van de mensheid veroorzaakt is en hoe de hele mensheid door de boekdrukkunst overspoeld wordt met een golf van een hang naar abstractie. De mensen filteren in zekere zin onder invloed van de boekdrukkunst hun begrippen.
Dan zou het niet verkeerd zijn, wanneer je aan de kinderen over de nieuwere geschiedenis bepaalde begrippen leert die eigenlijk wat het leven betreft, objectief maken. Er zou bijv. veel minder pathetisch over de bestrijding van het kapitalisme gepraat worden enz., wanneer de mensen die tegenwoordig over deze dingen spreken, dat zo zouden doen, alsof zij van deze dingen helemaal niets hadden gehoord en er helemaal geen voorstelling van hadden, dat het eigenlijk helemaal niets betekent wanneer je woedend tegen het kapitalisme tekeergaat, want het heeft helemaal niets van doen met wat men eigenlijk wil. Het berust alleen maar

blz. 196

daß die Leute über die Bedeutung von Kapitalismus und so weiter bloß keine ordentliche Vorstellung bekommen haben. Daher werden auch meine Bücher, wie »Die Kernpunkte der sozialen Frage«, so un­verständlich gefunden, weil die aus dem Leben heraus geschrieben sind, nicht aus den phantastischen Einbildungen der heutigen Agitatoren.
Für eine lebensvolle Betrachtung des Geschichtlichen ist es so not­wendig, daß man wirklich die äußeren Ereignisse so faßt, daß sie Sym­ptome für ein verborgenes Inneres sind, auf das man aber ahnend immer niehr und mehr kommt, wenn man diese Symptome betrachtet. Betrachtet man die Geschichte einmal symptomatologisch, dann kommt man schon nach und nach darauf, daß zuerst ein Aufstieg, dann ein höchster Gipfel mit Bezug auf gewisse Ereignisse erreicht wird, dann wiederum ein Abstieg. Und hier ist das Ereignis von Golgatha. Wenn man die Geschichte so betrachtet, daß die äußeren Ereignisse Zeugen sind für innere Vorgänge, dann steigt man aus dem Geschichtlichen nach und nach in das Religiöse hinein, dann vertieft sich in der Tat die Geschichte von selbst in das Religiöse hinein. 

op het feit dat de mensen over de betekenis van het kapitalisme enz. helemaal geen juiste voorstelling hebben gekregen. Daarom worden ook mijn boeken ‘De kernpunten van het sociale vraagstuk’ [3] zo onbegrijpelijk gevonden, omdat die vanuit het leven geschreven zijn, niet vanuit de onwerkelijke hersenschimmen van de tegenwoordige opruiers.
Voor een levensecht beschouwen van de geschiedenis is het zo nodig, dat je werkelijk de uiterlijke gebeurtenissen zo opvat, dat ze symptomen zijn voor iets wat innerlijk verborgen aanwezig is, waarop je echter voorvoelend steeds meer komt, als je naar deze symptomen kijkt. Als je eenmaal de geschiedenis symptomatologisch beschouwt, kom je er langzamerhand achter dat er eerst een toenemende ontwikkeling is, dan wordt m.b.t. verschillende gebeurtenissen een hoogtepunt bereikt, dan loopt het weer af. En neem de gebeurtenis op Golgotha. Wanneer je de geschiedenis zo beschouwt, dat de uiterlijke gebeurtenissen getuigen zijn van innerlijke processen, kom je vanuit het historische langzamerhand tot het religeuze, dan vindt er inderdaad vanzelf een verdieping plaats van geschiedenis naar religie. 

Und dann bekommt man schon einen Weg, der gefühlsmäßig zum Verständnisse führt desjeni­gen, was man ja schon früher an das Kind heranbringen kann, sagen wir die Evangelien oder das Alte Testament. Aber man kann es nicht früher zum inneren Verständnis bringen. Das ist auch gar nicht nötig. Man bringt es in erzählender Form vor das Kind, und wenn das Kind dann den lebendigen Geschichtsbegriff erhält, dann bekommt auch wiederum der biblische Stoff ein neues Leben. Und das ist gut, daß die Dinge in Etappen ihr volles Leben erst erreichen. Aber vor allen Dingen wird der religiöse Trieb, das religiöse Empfinden vertieft durch Geschichtsbetrachtung in Symptomen.
Nun sagte ich, man habe die Kinder vorzubereiten durch die Natur­geschichte auf die Geschichte, wenn man so vorgeht, wie ich es in den vorangegangenen Betrachtungen charakterisiert habe. Man hat aber die Kinder auch vorbereitet auf das Leben der Erde, indem man so Bota­nik getrieben hat, wie ich es charakterisiert habe. Dann kann man in diesem Lebensalter auch zum Geographischen übergehen. Dieses Geo­graphische sollte sich aufbauen können auf allerlei in erzählender Form gehaltene Schilderungen von Gegenden, wobei auch ferne Gegenden, zum Beispiel amerikanische oder afrikanische Gegenden, geschildert werden können. Dadurch, wie auch durch die vorausgegangene Natur­geschichte, in der der Zusammenhang des Pflanzenreichs mit der ganzen

En dan vind je al een weg die gevoelsmatig tot het begrijpen leidt van wat je al eerder aan het kind kan leren – de evangeliën of het Oude Testament. Maar eerder kun je het kind niet tot een innerlijk begrip brengen. Dat is ook helemaal niet nodig. Je geeft het aan het kind in de vertelvorm en wanneer het kind dan het levende geschiedenisbegrip krijgt, dan krijgt ook de Bijbelse stof weer nieuw leven ingeblazen. En het is goed dat de dingen in fasen pas hun volle leven bereiken. Met name wordt de hang naar het religieuze, het religieuze gevoel verdiept door geschiedenisbeschouwing in symptomen.
Nu zei ik dat je de kinderen door de biologie moet voorbereiden op geschiedenis, als je zo te werk gaat als ik in de vorige beschouwingen gekarakteriseerd heb. Je hebt de kinderen ook voorbereid op het leven op aarde, als je zo plantkunde hebt gegeven als ik geschetst heb. Dan kun je op deze leeftijd ook aardrijkskunde gaan doen. Deze aardrijkskunde moet kunnen bouwen op allerlei schilderingen in vertelvorm van gebieden, waarbij bijv. ook veraf gelegen streken zoals bijoorbeeld Amerikaanse of Afrikaanse streken geschetst kunnen worden. Daardoor, zoals ook door de voorafgaande biologie waarin de samenhang van het plantenrijk

blz. 197

Erde dargestellt wurde, ist das Kind vorbereitet, um gegen das 12. Jahr hin Verständnis zu haben für das eigentlich Geographische. Bei dieser Geographie kommt es jetzt darauf an, zu zeigen, wie von der Erde aus, von dem Klimatischen, von alledem, was die Erde an gesetzmäßiger Gestaltung und Struktur an ihren verschiedenen Orten hervorbringt, wie von dem das abhängt, was man in der Geschichte gerade entwickelt. Nachdem man einen Begriff gegeben hat vom Zu­sammenhang von Meer und Land, von dem Klimatischen im alten Griechenland, kann man nun zurückleiten auf dasjenige, was man rein als Symptom für den inneren Werdegang der Menschheit in bezug auf den Charakter des Griechentums entwickelt hat. Ein inniger Zusam­menhang kann dann gefunden werden zwischen dem geographischen Bild, das man von der Erde gibt, und dem geschichtlichen Werden. Eigentlich sollten immer ineinandergreifen die Schilderungen der Erden-gegenden und die Schilderungen, die man vom geschichtlichen Werden gibt. In der Geographie sollte im Grunde genommen Amerika nicht behandelt werden, bevor man in der Geschichte die Entdeckung Ame­rikas behandelt hat. 

met de hele aarde geschetst werd, is het kind voorbereid om tegen het 12e jaar begrip te krijgen voor de eigenlijke aardrijkskunde. Bij deze aardrijkskunde komt het er nu op aan, te laten zien hoe van de aarde uit, van de klimaten, van alles wat de aarde aan wetmatige vorm en structuur op de verschillende plaatsen laat zien, hoe, wat je met geschiedenis ontwikkelt, daarvan afhankelijk is. Nadat je begrip ontwikkeld hebt voor de samenhang van zee en land, van het klimaat in het Oude Griekenland, kun je dat terugleiden naar hetgeen wat je puur als symptoom voor de innerlijke weg van de wordende mensheid m.b.t. het karakter van het Griekendom ontwikkeld hebt. Een diepe samenhang kan dan gevonden worden tussen het aardrijkskundige beeld dat je van de aarde geeft en de historische wording. Eigenlijk zouden steeds de schilderingen van de aardestreken en de schilderingen die je van de historische wording geeft, in elkaar moeten grijpen. Bij aardrijkskunde zou in de aard der zaak Amerika niet behandeld moeten worden, voor je in de geschiedenis de ontdekking van Amerika behandeld hebt.

Es ist notwendig, daß man in einer gewissen Weise berücksichtigt, daß der Horizont des Menschen im Laufe der Entwicke­lung sich ausgedehnt hat, und daß man nicht zu stark, ich möchte sagen, das Menschengemüt zu einem Absoluten hinbringen soll.
So ist es auch in der sogenannten mathematischen Geographie nicht gut, wenn man von vorneherein dogmatisch von einer Zeichnung des kopernikanischen oder keplerischen Weltsystems ausgeht, sondern es ist angebracht, die Art und Weise, wie die Menschen zu solchem ge­kommen sind, für die Kinder auch wenigstens andeutend zu entwickeln. Dadurch bekommen die Kinder nicht Begriffe, die ihnen mehr sind, als sie ihnen nach dem, was sie in der Menschheitsentwickelung sind, sein sollten. Natürlich würde ein Mensch in dem Zeitalter der ptolemäischen Weltanschauung den Kindern die starren Begriffe des ptolemäischen Systems beigebracht haben; jetzt bringt er ihnen die des kopernika­nischen Weltsystems bei. Es ist aber durchaus notwendig, daß man den Kindern wenigstens einen Begriff davon gibt, wie man sich auf irgend­eine Weise von den Orten der Sterne am Himmel versichert und aus der Zusammenfassung der Orte einen Schluß bildet, der eigentlich erst das Weltsystem ist, damit sie nicht etwa glauben, solch ein Weltsystem sei dadurch errungen, daß sich irgend jemand auf einen Stuhl gesetzt hat außerhalb dieser Welt und sich dieses Weltsystem angeschaut habe.

Het is noodzakelijk dat je er op een bepaalde manier rekening mee houdt, dat de horizon van de mens in de loop van de aardeontwikkeling zich verruimd heeft en dat je niet te sterk het gemoed van de mens tot iets absoluuts wil brengen.
Zo is het ook in de zogenaamde wiskundige aardrijksunde niet goed, wanneer je vooraf dogmatisch van een schets van het wereldsysteem van Copernicus of Kepler uitgaat, maar het is zinvol de manier waarop de mens op zoiets gekomen is, voor de kinderen op z’n minst aanstippend te ontwikkelen. Daardoor krijgen de kinderen geen begrippen die voor hen meer zijn, dan ze voor hen zouden moeten zijn, naar wat ze in de ontwikkeling van de mensheid zijn. Natuurlijk zou iemand in de tijd van de Ptolemeïsche wereldbeschouwing de kinderen de starre begrippen van het Ptolemeïsche systeem bijgebracht hebben; nu brengt hij het het Copernicaanse wereldsysteem bij. Het is echter beslist noodzakelijk dat men de kinderen er tenminste een begrip van geeft hoe men op de een of andere manier zeker is van de plaatsbepaling van de sterren aan de hemel en uit het overzicht een gevolgtrekking maakt die dan pas dat wereldsysteem vormt, zodat ze niet geloven dat zo’n wereldsysteem er zonder inspanning gekomen is of dat een of ander iemand buiten deze wereld op een stoel is gaan zitten en dit wereldsysteem bekeken heeft.

blz. 198

Wie soll sich denn eigentlich ein Kind, wenn man ihm auf die Tafel das kopernikanische System wie eine Tatsache zeichnet, vorstellen, wie man dazu gekommen ist in der Menschheit? Das Kind muß eine leben­dige Vorstellung haben davon, wie solche Dinge gebildet werden, sonst geht es durch sein ganzes Leben mit konfusen Begriffen, die es aber als etwas außerordentlich Sicheres ansieht. Dadurch wird der falsche Auto­ritätsglaube erzeugt – nicht aber dadurch, daß man auf das richtige Autoritätsgefühl beim Kinde vom 7. bis 14. oder 15. Jahre rechnet.
Und so ist es vor allen Dingen gut, wenn man sich durchdringt mit dem Bewußtsein davon, was es nicht bloß für die seelische Entwicke­lung des Kindes bedeutet, in dem richtigen Zeitmomente die richtigen Vorstellungen an das Kind heranzubringen, sondern was es für die ganze Wesenheit des Menschen bedeutet, auch für seine gesunde leib­liche Organisation. Versuchen Sie einmal den Blick darauf zu richten, was es bedeutet, zwischen dem 7. und 12. Lebensjahre das richtige Maß von durch das Gedächtnis zu bewahrenden Stoffes an das Kind heran-zubringen, oder das nicht zu tun. Versuchen Sie einmal sich darüber klarzuwerden, was es heißt, wenn Sie ein sogenanntes gutes Gedächt­nis bei einem Kind mißbrauchen.

Hoe zou een kind eigenlijk, wanneer je op het bord voor hem het Copernicaanse systeem als een feit tekent, zich voorstellen, hoe men daarop in de mensheid gekomen is. Het kind moet een levendige voorstelling hebben van hoe zulke dingen gevormd worden, anders loopt het zijn hele leven lang rond met verwarde begrippen die het echter als buitengewoon vaststaand ziet. Daardoor wordt het verkeerde geloof in een autoriteit opgeroepen – niet doordat men op het juiste autoriteitsgevoel bij het kind van 7 tot 14 of 15 jaar rekent.
En zo is het vooral goed wanneer je jezelf met het bewustzijn doordringt van wat het niet alleen maar voor de ontwikkeling van de ziel van het kind betekent om op het juiste ogenblik de goede voorstellingen aan het kind mee te geven, maar wat het voor het hele mensenwezen betekent, ook voor zijn gezonde lichamelijke organisatie. Probeert u de blik erop te richten wat het betekent tussen het 7e en het 12e levensjaar de juiste hoeveelheid stof aan te bieden die onthouden moet worden of dat niet te doen. Probeer het helder te krijgen, wat het betekent wanneer u een zogenaamd goed geheugen bij het kind verkeerd gebruikt.

Bei einem Kind mit einem guten Ge­dächtnis darf nicht damit gerechnet werden, daß dieses Kind mit dem Gedächtnis glänzt, sondern Sie müssen dafür sorgen, daß ein solches Kind öfters neue Eindrücke bekommt, durch die frühere Eindrücke ausgelöscht werden. Wenn Sie dem Gedächtnis zu stark zusetzen, bleibt das Kind untersetzt und wächst nicht so hoch, als es wachsen würde, wenn sein Gedächtnis in richtiger Weise behandelt würde. Menschen, denen man ansieht, sie haben zurückgehaltenen Wuchs, bei denen kann man sicher sein: das rührt von einem nicht richtigen Behandeln des Ge­dächtnisses her. Ebenso können Sie sicher sein, daß Menschen, welche in einer gewissen Weise unfähig sind, ihr Antlitz zu beherrschen, solche Menschen, die einen gewissen starren Eindruck machen, nicht genug künstlerische oder überhaupt ästhetische Anschauungseindrücke um das 9. Jahr herum bekommen haben.
Gerade im kindlichen Lebensalter ist die Wirkung des richtig see­lisch Behandelten auf das Leibliche von einer ungeheueren Bedeutung. Und so ist es von ungeheurer Bedeutung, daß man immer wiederum dafür zu sorgen versucht, daß das Kind deutlich volltönend und vor allen Dingen, wie ich es genannt habe, gerundet sprechen lernt, daß es Sätze voll, Silben voll, vollendet aussprechen lernt. Denn beim

Bij een kind met een goed geheugen mag je er niet mee rekenen dat dit kind met zijn geheugen schittert, maar je moet ervoor zorgen dat zo’n kind vaker nieuwe indrukken krijgt, waardoor eerdere indrukken weer verdwijnen. Wanneer je het geheugen te sterk aanspreekt, blijft het kind gedrongen en wordt niet zo lang, als het zou zijn geworden, wanneer zijn geheugen op de juiste manier behandeld was. Je kunt bij mensen naar wie je kijkt en die een teruggehouden groei vertonen, er zeker van zijn: dat komt door een niet juiste behandeling van het geheugen. Net zo zeker kun je ervan zijn, dat mensen die op een bepaalde manier niet in staat zijn hun gezicht te beheersen, zulke mensen die een starre indruk maken, niet genoeg kunstzinnige of vooral ook esthetische indrukken bij het waarnemen hebben gekregen rond het 9e jaar.
Juist op de kinderleeftijd is de werking van wat op de juiste manier voor de ziel goed behandeld is, op het lichamelijke van een ongekend belang, dat je er steeds weer voor probeert te zorgen dat het kind duidelijk met volle klanken en vooral – zoals ik het heb genoemd – afgerond leert spreken, dat het de zinnen volledig, de lettergrepen volledig leert uitspreken. Want  bij de

blz. 199

Menschen hängt das richtige Atmen von dem richtigen sachgemäßen Sprechen ab, und daher hängt mittelbar die richtige Ausbildung der menschlichen Brustorgane von dem richtigen Sprechen ab. Man sollte einmal eine Statistik der jetzt so wütenden Brustkrankheiten auch von diesem Gesichtspunkte aus aufnehmen. Man sollte sich fragen: Inwie­weit ist Schuld an der Brusttuberkulose, daß viel zu wenig Rücksicht genommen wird in der Schule auf ein sachgemäß silbenvolles Sprechen, daß vor allen Dingen nicht Rücksicht darauf genommen wird, daß während des Sprechens wirklich das Kind voll atmet? Es darf dabei nicht das Sprechen vom Atmen ausgehen, sondern es muß das Atmen vom Sprechen ausgehen. Es muß richtig gesprochen werden. Das Ge­fühl für das richtige Sprechen, für die Längen und Kürzen der Silben und Worte muß entwickelt werden; dann richtet sich das Atmen dar­nach. Zu glauben, man müsse das Atmen trainieren, um zum richtigen Sprechen zu kommen, ist ein Unfug. Das Atmen, das richtige Atmen muß eine Folge des richtig empfundenen Sprechens sein. Dann wirkt es in der richtigen Weise auf das Atmen zurück. In solcher Weise sollte man heute überhaupt gründlicher den Zusammenhang des Leiblichen mit dem Geistig-Seelischen ins Auge fassen.

mens hangt het op een goede manier ademhalen van het adequaat spreken af en indirect hangt de goede ontwikkeling van de menselijke borstorganen af van het juiste spreken. Je zou eens een statistiek moeten maken van de nu heersende borstziekten ook vanuit dit gezichtspunt. Je zou je moeten afvragen: in hoeverre is de borsttuberculose de schuld van dat er op school veel te weinig rekening is gehouden met het adequaat spreken van de lettergrepen doordat er vooral geen rekening wordt gehouden dat het kind tijdens het spreken voluit ademt? Het spreken moet daarbij niet van het ademen uitgaan, maar het ademen moet van het spreken uitgaan. Er moet goed worden gesproken. Het gevoel voor goed spreken, of de lettergreep of het woord lang of kort is, moet ontwikkeld worden; dan richt de adem zich daarnaar. Geloven dat je de adem moet trainen om tot goed spreken te komen is een onding. Het ademen, de juiste ademhaling moet het gevolg zijn van het juist waargenomen spreken. Dan werkt dat op een goede manier op het ademen terug. Op zo’n manier zou men tegenwoordig een grondiger samenhang tussen het lichaam en de geest en de ziel op het oog moeten hebben.

Da komme ich auf eine Frage, die mir gestellt worden ist, und die eine große Bedeutung hat: die Linkshändigkeit oder die Beidhändig­keit.
Sehen Sie, es ist richtig, daß man im allgemeinen dasjenige, was im Grunde genommen allgemeine Menschengewohnheit geworden ist, die Rechtshändigkeit, die man benützt beim Schreibenlernen und bei ande­ren Geschicklichkeiten des Lebens, daß man diese Gewohnheit erweitere dadurch, daß man auch die linke Hand in einer gewissen Weise ge­schickt macht, es ist in einer gewissen Weise berechtigt. Allein, wenn man über solche Dinge diskutiert, so ist die Diskussion nur fruchtbar, wenn man einen tieferen Einblick in die menschlichen Lebensverhält­nisse hat. Wenn wir einem Zeitalter entgegenleben, in dem im Men­schen die volle Menschheit erweckt wird, wenn wir einem Zeitalter entgegenleben, in dem zu dem abstrakten Sinn, der heute so ausgebildet ist, wiederum auch die Kultur des Gemütsvermögens, des Gefühlslebens und Aktivität des Willenslebens kommt, dann läßt sich über manche Frage ganz anders sprechen, als sich heute über diese Frage sprechen läßt. Wenn die Menschen weiterhin so erzogen werden, wie unsere Menschen erzogen werden, so daß man immer in Abstraktionen steckenbleibt,

Dan kom ik bij een vraag die mij gesteld is en die een grote betekenis heeft: linkshandigheid of het gebruik van beide handen.
Het is juist dat men in het algemeen wat op de keeper beschouwd een algemene gewoonte van de mens is geworden, de rechtshandigheid die gebruikt wordt bij het leren schrijven en bij andere vaardigheden in het leven, dat men deze gewoonte dan zou kunnen uitbreiden door ook de linkerhand op een bepaalde manier geschikt te maken, dat is op een bepaalde manier te rechtvaardigen. Alleen, wanneer je over deze dingen discussieert, is de discussie alleen vruchtbaar wanneer je een dieper inzicht hebt in de menselijke levensverhoudingen. Wanneer we naar een tijdperk toegaan waarin in de mens de volle mensheid (menselijkheid?) wordt gewekt, wanneer we naar een tijdperk toegaan waarin naast de zin voor het abstracte die tegenwoordig zo ontwikkeld wordt, ook weer de cultuur van de gevoelsvermogens, van het gevoelsleven en de activiteit van het wilsleven komt, is het mogelijk om over sommige vragen heel anders te spreken, dan dat dit vandaag de dag kan. Wanneer de mensen bovendien zo opgevoed zouden worden zoals onze mensen opgevoed worden, zodat men steeds in abstracties blijft

blz. 200

der Materialismus ist ja gerade dasjenige, was in Abstraktionen steckenbleibt, was nicht bis zum Begreifen des Materiellen aus dem Geistigen kommt, dann wird man sich nach einiger Zeit, wenn man beide Hände zum Schreiben in gleicher Weise ausbildet, überzeugen können, daß ein gewisser Grad von Schwachsinnigkeit die Menschen ergreift, die da die beiden Hände in gleicher Weise benützen lernen, denn es hängt schon ein wenig die Art, wie wir heute als Mensch sind, zusammen damit, daß wir die rechte Hand in ausgiebigerem Maße be­nützen als die linke Hand. Es hängt das vor allen Dingen damit zu­sammen, daß ja der ganze Mensch in bezug auf gewisse Organe doch nicht symmetrisch gebaut ist, und daß es einen tiefen Eingriff bedeutet in die ganze menschliche Organisation, wenn man zum Beispiel zum Schreiben beide Hände gebraucht.
Ich würde über diese Dinge gar nicht sprechen, wenn ich nicht gerade viel darüber nachgeforscht hätte, und wenn ich nicht zum Beispiel pro­biert hätte, was es heißt, die linke Hand zu benützen. Wenn man sich Menschenbeobachtung erworben hat, dann kann man auch durch das Probieren herausbekommen, was es bedeutet, die linke Hand zu be­nützen.

steken, juist het materialisme blijft in abstracties steken, wat niet tot het begrijpen van de materie vanuit de geest komt, dan zal men zich na enige tijd, wanneer men voor het schrijven allebei zijn handen ontwikkelt, ervan kunnen overtuigen dat een bepaalde graad van zwakzinnigheid over de mensen komt die allebei de handen op dezelfde manier leren gebruiken, want dat hangt een beetje van de aard af van hoe we nu als mens zijn, dat we de rechterhand veel meer gebruiken dan de linker. Het hangt er vooral mee samen dat de hele mens m.b.t. bepaalde organen toch niet symmetrisch gebouwd is en dat het een zware ingreep voor de hele menselijke organisatie betekent, wanneer men bijv. met het schrijven allebei de handen gebruikt.
Ik zou over deze dingen helemaal niet spreken, wanneer ik niet juist daarover veel onderzocht zou hebben en wanneer ik bijv. niet geprobeerd zou hebben, wat het betekent de linkerhand te gebruiken. Wanneer je de mens hebt leren waarnemen, kun je er ook door proberen achterkomen, wat het betekent de linkerhand te gebruiken.

Die linke Hand ist gut dann, wenn der Mensch einen gewissen Grad in der Unabhängigkeit des Geistig-Seelischen von dem Leiblichen erreicht hat; aber so in der Abhängigkeit, wie der heutige Mensch ist von dem Leiblichen, da entsteht eine ungeheure Revolution in dem Leiblichen selbst, wenn man die linke Hand in derselben Weise zum Beispiel zum Schreiben wie die rechte Hand verwendet. Es wird da­durch vor allen Dingen die rechte Körperseite, die rechte Kopfseite in einer solchen Weise belastet, wie es der heutige Mensch eben durchaus nicht gewöhnt ist. Die Erziehungsmethode, welche den Menschen zuerst so behandelt, daß sie diejenigen Erziehungsgrundlagen, die hier be­sprochen worden sind, auf ihn anwendet, die darf dann auch die Beid­händigkeit gebrauchen. Die heutige Kultur darf nicht abstrakt zum Gebrauch der beiden Hände einfach übergehen. Solche Dinge kann man ja natürlich nur aus Erfahrung sagen. Aber Statistiken würden das, was ich heute gesagt habe, ganz wesentlich beweisen.
Auch da muß man sagen: Es ist schon notwendig, in die geistige Welt hineinzuschauen, wenn man einen Begriff haben will von dem, wie namentlich in dem Kind stark wirkt das Geistig-Seelische zu gleicher Zeit mit dem Leiblich-Physischen. Aus dem Grunde muß ich mir so viel von der Eurythmie hauptsächlich in der Kindererziehung versprechen,

De linkerhand is wel goed, wanneer de mens een bepaald niveau bereikt heeft in het onafhankelijk- zijn van zijn geest en ziel van zijn lichaam; maar bij zo’n afhankelijkheid van het lichamelijke bij de tegenwoordige mens, veroorzaakt dat een behoorlijke rebellie in het lichaam zelf, wanneer je de linkerhand op dezelfde manier voor bijvoorbeeld het schrijven gebruikt als de rechter. Met name de rechterkant van het lichaam, de rechterkant van het hoofd wordt zodanig belast zoals de huidige mens dat beslist niet gewend is. De opvoedingsmethode die de mens zo behandelt dat zij die fundamenten van de opvoeding die hier zijn besproken op hem gaat toepassen die mag dan ook beide handen gebruiken. De huidige cultuur mag niet simpelweg abstract tot het gebruik van beide handen overgaan. Zulke dingen kan men natuurlijk slechts uit ervaring zeggen. Maar statistieken zouden wat ik nu zeg, heel duidelijk bewijzen.
Ook hier moet je zeggen: het is nodig in de geestelijke wereld waar te nemen wanneer je begrip wil krijgen van hoe met name in een kind sterk het mentaal-psychische werkt, tegelijkertijd met het fysiek-levende. Daarom verwacht ik in eerste instantie in de opvoeding van het kind zoveel van de euritmie

blz. 201

und zwar weil die Eurythmie eine beseelte Bewegung ist und dadurch die Aktivität des Willens gehoben wird gegenüber der bloßen Passi­vität des Willens, die doch im wesentlichen erzogen wird gerade durch das bloß physiologische Turnen.

en wel omdat de euritmie een bezielde beweging is en daardoor de activiteit van de wil beter wordt t.o.v. de passiviteit van de wil die in wezen toch juist opgeroepen wordt door alleen maar de lichamelijke gymnastiek.

[1] GA 301: Die Erneuerung der pädagogisch-didaktischen Kunst durch Geisteswissenschaft
[2] 11e voordracht (Duits)
[3] GA 23, ‘Die Kernpunkte der sozialen Frage
Vertaald

*in 1920 was het nog niet gerestaureerd zoals nu

geschiedenis: alle artikelen

aardrijkskunde: alle artikelen

dierkunde: alle artikelen

plantkunde: alle artikelen

goed spreken: alle spraakoefeningen

Rudolf Steiner: alle artikelen

.

1349-1261

.

.

VRIJESCHOOL – Het 12-jarige kind

.

Men kan er niet mee volstaan het onderwijs in te richten volgens de gewone menselijke omgang, maar men moet dit onderwijs vormgeven vanuit inzichten in de innerlijke mens.
Rudolf Steiner, wegwijzer 12

.

Uit de oude doos: een artikel uit 1929.
Qua stijl en spelling gedateerd, wat de inhoud betreft nauwelijks.

.

OVER HET TWAALFJARIGE KIND

In den tijd tusschen tandenwisselen en de puberteit, van 7 tot 10 jaar, vallen twee momenten, die voor de paedagogiek zeer belangrijk zijn.
Het eerste moment ligt tusschen het 9de en 10de jaar. Het Ik-bewustzijn van het kind wordt dan versterkt, zoodat we van dezen tijd af kunnen beginnen met het aanleeren van begrippen uit de natuurlijke historie (dierkunde). Hierbij moet echter rekening gehouden worden met de wederkeerige verhouding van den mensch en zijn omgeving, nl. hoe de mensch eigenlijk een samenvatting van alle overige nauurrijken is, waarvan hij echter nog niet zoo scherp is gescheiden, als dit later het geval wordt. Langs den weg der gewaarwordingen en gevoelens moet dan op dien samenhang met de natuur gewezen worden.
Het tweede moment ligt tusschen het 12de en 13de jaar. In dezen tijd versterkt zich de geest-ziel (geistig-seelenhafte) des menschen, voor zoover dit „geistig-seelenhafte” minder van het „ik” afhankelijk is. Dan versterkt zich datgene, wat in de Anthroposophie het astraal-lichaam wordt genoemd en het begint zich te verbinden met het etherlichaam, dat met het 7e jaar geboren wordt. Het astraallichaam, de drager van de driften, begeerten, sympathie en antipathie wordt als zelfstandig werkende kracht eerst recht geboren met de geslachtsrijpheid, zooals het etherlichaam met de tandwisseling. Maar dit astraallichaam doordringt en versterkt reeds tusschen het 12de en 13de jaar het etherlichaam.
In dezen tijd leeft het kind zich veel sterker in zijn beenderstelsel in, dan vroeger het geval was. Het jongere kind beweegt zich met een natuurlijke bevalligheid in zijn spierstelsel, dat gevoed wordt door den rhythmisch circuleerenden bloedstroom. Nu echter leeft het kind meer in zijn skelet, nadat hij langzamerhand van de spieren, via de zenuwen naar het beenderstelsel overgaat. Zijn bewegingen verliezen rhythme en bevalligheid: ze worden hoekig en willekeurig. Het kind komt in de z.g. „vlegeljaren” en het weet niet, wat het met zijn ledematen moet aanvangen.
Maar tegelijk openbaart deze verandering zich zoo, dat het begrip ontwikkelt voor wat als impulsen in de uiterlijke wereld werkt en zoo o.m. ontvankelijk wordt voor de krachten, die in de historie werken. Vóór het twaalfde jaar wordt veel uit de menschheidsgeschiedenis aan het kind verteld, maar altijd zoo, dat wij geschiedenissen verhalen en biographieën vertellen. Van geschiedkundige samenhangen heeft het kind nog geen begrip.

Anders wordt dit nu na het 12de jaar. Dan ontwikkelt zich een verlangen, datgene, wat het eerst als schoone verhalen ontving, als werkelijke „Geschiedenis” te krijgen. Zoo moet nu, in wat wordt meegedeeld, een omvorming plaats vinden, waardoor de historische samenhang op den voorgrond treedt.
Behandelen we vóór het 9de jaar alles vanuit een kunstzinnig oogpunt, ook schrijven, lezen en later rekenen, na het 9e jaar (versterking van het „ik”), komt dan de natuurlijke historie (dierkunde), terwijl tot Geschiedenis, in zoover het niet bloot verhalen zijn, pas wordt overgegaan na het 12de jaar.

De kultuurontwikkeling der menschheid wordt nu gewichtig. Zoo komt men na het twaalfde jaar tot een behandeling van de samenhangen der opeenvolgende kulturen.

We krijgen dus den volgenden gang door de eerste 5 leerjaren:

Eerste klas: Vertellen van sprookjes.
Tweede klas: Dierfabelen en -geschiedenissen.
Derde klas: Verhalen en biographieën uit het Oude Testament.
Vierde klas: Sagen der Germaansche Mythologie en Heldentijd.
Vijfde klas: Sagen uit de klassieke oudheid (Grieksche Mythologie).

Gedurende den tijd van 9 tot 12 jaar maakt het kind zich losser van een droomend, vanzelfsprekend samenleven met de hem omgevende wereld en wordt nu meer en meer persoonlijkheid. Uit zijn droomend, kunstzinnig fantasie-leven ontwaakt langzaam het kritische, afzonderende intellect. Hiermee houden de verhalen gelijken tred.

De Oudste Geschiedenis brengt ons als haar meest-wezenlijke waarheidsvormen de mythen, sagen en sprookjes: een wereld vol geheim-gevormde beelden, geweldig en kinderlijk tegelijk in haar meeste uitingen. In den vorm dezer beelden kleedden de oude volkeren de wijsheid der wereld in hun droomend bewustzijn. Zulke vormen zijn ook geschikt voor de kinderziel. Maar ze is bezig te ontwaken tot een oordeélend denken, tot een bevatten van een historische ontwikkeling.

Door de sagenwereld der oudste volken, de Indiërs, Perzen, Babyloniërs, Egyptenaren, de Homerische Grieken wordt het kind gevoerd tot de vreugde aan de zinnenwereld en de liefde tot schoonheid van de Grieken, om daarna een figuur als Alexander de Groote in het middelpunt der belangstelling te plaatsen. Hier ontmoeten de sagen en legenden en de resultaten van historisch onderzoek elkander. Om Alexander weeft zich eensdeels een web van legenden en sagen, anderdeels valt het licht der historie vol op hem.

Zoo voeren we de kinderen van den hemel tot de aarde, naar het punt, waar wij als menschen van onzen tijd, de persoonlijkheden uit de „Geschiedenis” vanuit ons bewustzijn begrijpen kunnen.
Met het bereiken van den 12-jarigen leeftijd begint het kind belangstelling te voelen voor de groote historische samenhangen. En dat is voor de toekomst zeer belangrijk, want steeds meer zal de noodzakelijkheid blijken, de menschen tot het begrijpen van den historischen samenhang op te voeden.

De cultuur-historische ontwikkeling zal het geschiedenisonderwijs van de toekomst moeten behandelen, niet langer een onsamenhangende, voor de kinderen onbegrijpelijke geschiedenis van uiterlijke feiten en jaartallen, waar geen wijsheid uit te putten valt.

In dezen zin opgevat behoort de Geschiedenis tot een der belangrijkste vakken, die van vèr-reikenden invloed op de menschelijke ontwikkeling kan zijn. Vandaar, dat op de Vrije School veel aandacht aan dit vak besteed wordt besteed.

J.P.Soetekouw,  vrijeschool Den Haag, Ostara 3/2, dec.1929

geschiedenis: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: geschiedenis 5e klas;   geschiedenis 6e klas

Ontwikkelingsfasen

.

1348-1260

.

VRIJECHOOL – Religieus onderwijs

.

Men kan er niet mee volstaan het onderwijs in te richten volgens de gewone menselijke omgang, maar men moet dit onderwijs vormgeven vanuit inzichten in de innerlijke mens.
Rudolf Steiner, wegwijzer 12

.

Toen ik op de basisschool zat – die toen nog lagere school heette – waren er in ons dorp twee scholen: een openbare en een christelijke.
Op de openbare school bestond de mogelijkheid, als de ouders dat wilden, hun kinderen godsdienstles te laten geven door de dominee of desgewenst de pastoor of kapelaan.

Toen in 1919 de vrijeschool in Stuttgart werd opgericht, was daar de situatie min of meer dezelfde. Steiner vertelt er o.a. hier (blz.181) over.

Toen ik op de vrijeschool in Den Haag kwam werken, stond er op de lesrooster het vak godsdienstonderwijs en er waren enkele (klassen)leerkrachten die in de verschillende klassen dit vak gaven.
Zij kwamen regelmatig bijeen met andere godsdienstleraren uit het land en ook internationaal waren er studiebijeenkomsten.

Rond 1980 kwamen er al snel veel scholen bij en voor het vak godsdienst deden zich wel wat problemen voor: wie moesten dat geven en wilden de ouders dit wel.
Ik herinner me nog wel grotere weerstand bij die ouders die nu net in de vrijeschool een school gevonden dachten te hebben die had afgerekend met kerkelijk gedoe.

Er ontstonden tussen ouders en leerkrachten en tussen de leerkrachten onderling en met de landelijke godsdienstleerkrachten wel boeiende gesprekken over hoe dit religieuze onderwijs er dan uit zou moeten zien. 
En door gebrek aan godsdienstleerkrachten begonnen de ‘gewone’ leerkrachten zich te bezinnen op waar het ‘gewone’ onderwijs dan religieus is.
Het woord ‘godsdienstonderwijs’ werd hier en daar vervangen door ‘vensteruur’, om aan te geven dat er a.h.w. door een raam wordt gegeken naar o.a. andere godsdiensten, andersdenkenden.
Toen ik ook nog op andere scholen werkzaam was die de beginfase al achter zich hadden, viel me op dat het vak godsdienst niet op de rooster voorkwam; er waren ook geen speciale godsdienstleraren.

Hoe het nu met het vak is, en dat op de verschillende scholen – met een onderscheid in onder-midden- en bovenbouw? weet ik niet precies.

Als er kinderen van belijdende moslims worden aangemeld, mag dan desgevraagd de imam komen? Krijgt de Koran een plaats? Veel vragen. Zijn er al antwoorden?

In onderstaand artikel komen enkele aspecten van het godsdienstonderwijs naar voren zoals die in de laatste tientallen jaren konden worden verwoord. :

GODSDIENST EN ONDERWIJS

(het is adventstijd)

Het ochtendbegin in de eerste klas staat elke dag in het teken van advent. De klas is donker, enkele lichtjes branden. De kaarsen van de adventskaars worden aangestoken, de kinderen zingen daarbij: “Stil nu, stil nu.”

Na de ochtendspreuk en de andere adventsliedjes: “Het daghet in het Oosten” en “Het komt een schip geladen” werken we aan ons kerstspelletje, waar elke dag een stukje aan wordt toegevoegd. Dan een kort verhaal uit “Maria’s kleine ezeltje” van Gunhild Sehlin. Hierna besluiten we ons “adventsbegin” met de spreuk:

“Donker is de aarde
Duister overal
Maar ons hart beware
’t Licht dat komen zal
Dat het helder branden
Lichten mag heel ver
Dan zal eens de aarde
Worden tot een ster.”

Dit dagelijkse ‘adventsbegin’ is een goed voorbeeld van een stukje religie in de dagelijkse praktijk van net vrijeschoolonderwijs. De sfeer in de klas zo aan het begin van de dag is daar ook naar. Het is een heel aparte en bijzondere stemming die er dan is in de klas. Het is alsof elk kind op dat moment ook echt even iets beleeft van het kerstgebeuren. Opdat uiteindelijk iets van het Christuswezen werkelijk ontvangen kan worden. Het Christuswezen dat zich via de mens Jezus van Nazareth met de aarde verbindt. Dit is niet louter iets dat in het verleden zich afspeelde, maar verrassend actueel is en blijft.

Door zo in het onderwijs deze kant aan bod te laten komen wordt de kinderen iets heel waardevols geschonken.

Men zou het een kracht voor het verdere leven kunnen noemen. Dit is een voorbeeld, het betreft het verloop van de feesten door het jaar heen. Het beleven van de jaarfeesten draagt een belangrijk religieus element in zich.

Met religie wordt dan bedoeld het opnieuw verbinden. En dan gaat het om de verbinding met de wereld waar we vandaan komen, de oorsprong van de mens. Een wezenlijk karakter van de antroposofie en de vrije schoolpedagogiek is het uitgangspunt dat er achter de zintuiglijk te beleven wereld een niet-zichtbare wereld schuilgaat.

In vroeger tijden was déze wereld reëler dan het aardse bestaan. Dit laatste was voor de Indiër “Maya”, schijn.
In onze cultuur is het besef van de realiteit van deze kant van het mens-zijn verloren gegaan. Dat is een noodzakelijke ontwikkeling, de mens heeft er zijn vrijheid aan te danken. We kunnen de klok niet terugzetten.

Typisch voor een moderne ontwikkelingsweg als de antroposofie is dat het erom gaat met behoud van de menselijke verworvenheden op eigen kracht de niet-zichtbare wereld te integreren in het aardse bestaan. Dat is niet alleen een religieus gegeven. We komen dan tegelijkertijd ook bij een ware Christuskracht. Het is Zijn taak met in Zijn voetspoor de aartsengel Michaël om beide werelden te verenigen.

Terug naar het onderwijs. In de school staat de opvoeding centraal. De leerstof dient het pedagogische, namelijk de ontwikkeling van het kind. Overigens betekent dit niet dat in de verwerking van de stof de kinderen rustig aan hoeven te werken. Integendeel. Er moet gewoon hard gewerkt worden, hetgeen een gezonde ontwikkeling alleen maar bevordert. Het doel is echter dit laatste en niet de prestatie op zich. Maar dit even terzijde.

In de pedagogiek is het streven erop gericht dat het kind in staat is, zichzelf te vinden. Dat ware zelf is nu juist afkomstig uit de geestelijke wereld. Ons Ik, onze individualiteit is drager van onze geest.

In onze cultuur is zichtbaar dat wat dát betreft veel mensen het spoor bijster zijn. Wat hen ten diepste beweegt is op de achtergrond geraakt. Vandaar dat juist in deze tijd dat religieuze zo op z’n plaats is, daarmee staat of valt alles.

Deze jaarfeesten zijn een van die religieuze elementen in de school.
Aan de andere kant hebben het vieren en beleven daarvan ook met tijd en tijdsbeleving te maken. Tijd is een aards kenmerk. Door het bewust omgaan met de tijd worden de kinderen in de richting van het aardse geleid. Dit gebeurt door de kinderen lang van te voren voor te bereiden op dat wat komen gaat. Ze krijgen daar zo meer zicht op. Op een hele natuurlijke en geleidelijke manier groeien ze in de aardse werkelijkheid.

Op andere momenten ontstaat Ik-wording door schokken, drempels, confrontaties. Dat is een andere wijze om echt aardeburger te worden. Zeker net zo belangrijk. Het heeft geen zin die drempels weg te nemen of confrontaties uit de weg te gaan. Door de weerstand word je mens. Moge het voorafgaande niet tot de misvatting leiden dat vanuit dit religieuze het erom gaat de kinderen weg te houden van het aardse. Integendeel, het is juist de bedoeling dat de kinderen uiteindelijk met de beide benen op de grond komen te staan. Dat ze bewust en zelfstandig een bestaan kunnen inrichten. Maar dat alles met behoud van de spiritualiteit.

Want al het kunstzinnige en de creativiteit is daar vandaan afkomstig. Als men over de ontplooiing spreekt, bedoelt men eigenlijk de ontwikkeling van datgene dat in de mens aan diepste impulsen leeft. Elk kind komt op aarde met een bepaald plan. Het heeft zich iets voorgenomen.

Het is de taak van de opvoeding de voorwaarden te scheppen voor de ontwikkeling van deze impulsen.

Een andere element waarin het kind in z’n diepste zijn wordt aangesproken is de vertelstof. Elke klas in de lagere school heeft bij de ontwikkelingsfasen behorende verhalen.
Elke dag wordt aan het eind van het hoofdonderwijs ( de eerste twee uren van de morgen) in iedere klas een verhaal verteld.
Als men een verhaal vertelt, dan wordt in feite een zichtbare realiteit geschapen. Zeker als het beeldende karakter daarvan sterk is. De verteller zou het verhaal dan ook in sterke mate voor zich moeten zien. Dat is geen eenvoudige opgave, maar de kinderen inspireren zeker daartoe. Ze zien het namelijk daadwerkelijk. Ze gaan er geheel en al in op. Het is net alsof ze even met hun bewustzijn in die andere realiteit zijn.
Er zijn kinderen die het dagelijks verhaal snel weer vergeten, als het dan weer tevoorschijn komt is het net alsof het van ver weg komt. Het moet uit hun tenen komen, zeggen we wel eens. Het doet een beetje denken aan de slaap, na het wakker worden kunnen we ook het gevoel hebben dat we van ver komen.

Maar dat is niet weg als we wakker worden. En ook het verhaal dat diep weggezakt is, is niet verdwenen. Het is er wel degelijk, alleen zijn we ons er niet meer van bewust. Maar het kan wel in sterke mate doorwerken. Datgene dat we uit de slaap meenemen kan van groot belang zijn. Ideeën kunnen we op deze wijze opdoen. Die zijn dan afkomstig uit de wereld van de nacht. Elke nacht bij het inslapen gaat het geest-zielewezen van de mens terug naar de wereld waaruit het vandaan komt. Het neemt daaruit mee terug wat voor de wereld van alledag nodig is. Zeker als we bewust pogen ons iets daaruit te herinneren kunnen we dat versterken.
Zo is het precies als met het verhaal. Dat maakt dat kinderen heel even in dat andere vertoeven. Ze excarneren dan, in het kinderleven is dat heen en weer gaan, dat in-en excarneren veel vanzelfsprekender dan bij de volwassene. Bij het kind moet zoiets kunnen gebeuren, maar dan op verantwoorde wijze. Als kinderen er geheel uitvliegen, doen ze dingen waar ze geen bewustzijn van hebben. Zoiets moet zorgvuldig in de hand worden gehouden.

In de pedagogiek is in dit verband het “ademende” element van belang. Dat wil zeggen, het op elkaar afstemmen van de diverse activiteiten. Het ene vak werkt meer incarnerend, vormend, maakt dat het kind tot zichzelf komt. Vormtekenen en boetseren hebben zo’n werkzaamheid. Vakken als muziek en vertellen werken meer excarnerend, meer ontspannend. Als het verhaal op spirituele wijze “lukt”, dan kunnen daaruit inspiraties worden geput. Net zoals de wereld van de slaap doorwerkt in het alledaagse. Alleen veelal bij het verhaal is de kracht die er in doorwerkt voor “later”.
Het is een soort toekomstkracht. Iedere volwassene zal zich dingen kunnen herinneren uit de eigen jeugd die diepe, diepe indruk gemaakt hebben.
Het kan ontmoetingen als gevolg hebben gehad, dingen beslissend beïnvloed hebben.
Het woord ‘morele kracht is hier op zijn plaats. Juist als deze kracht later in de daden doorwerkt.

Men zou hier ook de begrippen waarheid, schoonheid en goedheid mee kunnen verbinden.
Dan zijn het krachten, kwaliteiten die aan het bestaan op aarde een glans kunnen geven, een glans uit de wereld van de geest.
Niet elk verhaal zal dit grootse in zich dragen, maar ook in de eenvoud, in heel elementaire beelden leeft iets hiervan. Sprookjes dragen het sterk in zich en alleen al een bekend sprookjesbeeld als: ‘de wijde wereld intrekken’ betekent in feite wakker in de wereld gaan staan, de wereld verkennen, ontdekken. Voor een kind kan zo’n verhaal een duidelijke stimulans zijn in de zin van, eropuit, alles wijst naar de aarde, dat is het doel.

Dat is eigenlijk ook de taal van het kind, de beeldentaal.

Dit wordt vaak beter verstaan dan het volwassen, meer abstracte en soms ook lege taalgebruik. Beelden gebruiken is de ziel aanspreken, zielenvoedsel aanbieden.

Sprookjes drukken het tijdloze element, de wereld van de geest zeer sterk uit. Zo wijst het sprookje van de stukgedanste schoentjes op het mysterie van de nacht. De koning in dat verhaal vraagt zich af waar zijn twaalf dochters zich ’s nachts bevinden. En hoe het komt dat de schoentjes stukgedanst zijn iedere morgen.

We worden hier duidelijk geconfronteerd met het mysterie van de nacht, van de slaap.
Men zou het een kerstmysterie kunnen noemen. Wat werkt door dit nachtelijke heen naar de wereld van de dag? Wie doorgrondt dit raadsel en legt de verbinding?
Als we de weg van de vertelstof vervolgen in grote stappen komen we bij de legenden uit. Hier wordt het sprookjesachtige meer persoonsgebonden. Het oerbeeld van het sprookje wordt geïndividualiseerd. Bij een sage speelt daarnaast nog de plaats van handeling een grote rol.
Mythologieën drukken iets uit van een vermenselijking, het speelt zich nu meer op aarde af. We zien een ontwikkelingsgang in één persoon. De zwerftocht van Odysseus bij voorbeeld.
Uiteindelijk wordt de mythologie dan tot geschiedenis. Dit zien we onder meer bij de overgang van Grieken naar Romeinen. Bij de Romeinen is geen plaats meer voor mythologie. Het is op de grond gekomen.

Zo leidt de stroom van de vertelstof het kind heel duidelijk naar het hier en nu. In het Oude Testament speelt zich dit heel in het klein af. Het scheppingsverhaal drukt iets kosmisch uit, iets van de oerbeelden. Later zien we bij de aartsvaderen een mythisch element, ten slotte wordt het bij de koningen historisch.

Het is goed om in de gaten te houden dat de vertelstof een weg in de richting van het concrete is. Een ontwikkeling die synchroon loopt met de ontwikkeling van de mensheid.

Eenzelfde verhaal zou in een godsdienstles een heel ander accent kunnen krijgen. Eenmaal per week zou dan dat verhaal vanuit een totaal andere invalshoek verteld worden. Wat is de achtergrond daarvan, waarin onderscheidt zich dat van de verhalen die in het hoofdonderwijs verteld worden?

De vertelstof, zo is in het bovenstaande aangetoond, is geordend volgens het principe van de ontwikkelingsfasen van het kind. Daarop is het verhaal van de klassenleraar gericht.
In een godsdienstles krijgt het beeld of de lesinhoud een heel andere glans. Hier gaat het nu juist om de morele kracht, om de religieuze inhoud.

In de derde klas worden de reeds genoemde verhalen van het Oude Testament verteld. De verhalen over het ontstaan van mens en mensheid, de grote rol van inspirerende leiders geven een gevoel van rust en zekerheid. Voor het laatst spreekt uit de verhalen een imponerende autoriteit die diepe indruk maakt. Het richt zich juist op het kind in déze fase.

In de godsdienstles zouden dergelijke beelden in een nog breder perspectief geplaatst worden. Dan gaat het niet om de fase waarin de mensheid zich bevindt, de grote overgang naar een nieuwe tijd. Dan zou juist benadrukt kunnen worden waar dat op wijst, waar het naartoe gaat.

Alles in het Oude Testament wijst op de geboorte van Christus. We kunnen dat op vele plaatsen, soms direct, soms meer verhuld, tegenkomen.

Ook een wezen als de aartsengel Michaël heeft zich diepgaand met het Joodse volk verbonden, juist om de weg voor Christus voor te bereiden.

In het godsdienstonderwijs zal het christelijke element een wezenlijke rol spelen. En dan wordt bedoeld het algemeen-christelijke. Niet uitgedrukt in een bepaalde vorm, maar het principe van de vereniging van twee werkelijkheden uitgedrukt in de mens als middelaar ertussen in.

Maar, zult u zich afvragen, wordt het kind in deze een bepaalde kant op geleid? Is er niet iets dwingends gelegen in deze lessen?

De ouders van de eerste Waldorfschule in Stuttgart vroegen ons “vrij godsdienstonderwijs”, hetgeen gerealiseerd werd. In die tijd was godsdienstonderwijs vanzelfsprekend. Een priester of een dominee verzorgden dit onderwijs al naar gelang de confessie. De antroposofisch georiënteerde ouders wilden graag ook dergelijke lessen in de geest van de antroposofie. Vrij godsdienstonderwijs is de grondslag hiervan.

Vrij, omdat de ouders ervoor kiezen, vrij ook omdat een beeld aan de kinderen geschonken altijd ruimte laat. Een beeld is nooit dwingend. Het ene kind zal er dit uit putten, het andere kind wellicht iets heel anders. Waar het om gaat is dat het kind later zelf een keuze maakt op levensbeschouwelijk gebied op basis van een schat aan verhalen over mens en wereld. Op kunstzinnig gebied zal een kind eerst de kleuren moeten leren kennen, alvorens er creatief mee om te kunnen gaan.

Slaan we deze stap over en laten we het kind z’n gang gaan, dan zal de creativiteit letterlijk niet uit da verf komen. Deze namelijk is gebaseerd op een geleide ervaring en beleving maar wél vanuit het kind, in zijn taal.

Het godsdienstonderwijs in z’n praktische uitwerking is niet alleen een zaak van de school, maar juist ook van de antroposofische vereniging. Juist vanwege de specifieke achtergrond van de lessen. Dat is dan vooral gelegen in de geest van dit onderwijs. De sfeer, de stemming, die de godsdienstleraar tracht te bereiken is er een van glans, van zonnigheid. Daarom zal het godsdienstonderwijs meestal niet door de eigen leraar worden gegeven. Iemand die daar speciaal voor komt, brengt een heel speciaal element in de klas. Net zoals de Franse juf voor de kinderen een heel aparte wereld meebrengt.

Christus is een zonnewezen, een wezen van het midden. Het is Zijn taak de mensheid de liefde te leren. Ware broederschap, ware naastenliefde heeft Hij op aarde voorgeleefd. Deze kracht zien we op vele manieren, in vele mensen terugkomen.

Het kan op een concrete wijze gestalte krijgen. Alleen al als we de ons omringende natuurrijken met zorg en liefde behandelen. Ook een aspect van religie in de vrije chool. Vele ingewijden zijn verbonden met het Christus-wezen. Zo was in het oude Perzië Zarathustra werkzaam.
De Perzen werden geconfronteerd met een weerbarstige natuur. Onvruchtbaar berglandschap, de bevolking was ruw en strijdlustig. “Smeed uit de zwaarden ploegen”, zou een gezegde van Zarathustra geweest kunnen zijn. Hij leerde de mensen de aarde te bewerken. De legende verhaalt hoe Zarathustra aan de Perzen het gouden mes en de gouden dolk geeft. Een nieuwe geest ontstaat in het volk. Nieuwe gewassen, vruchten ontstaan, de strijd wordt met de onvruchtbare grond aangegaan.

Even een sprong naar een andere tijd. De tijd van koning Arthur en zijn ridders. Een duistere periode in de geschiedenis. Het voorafgaande voorbeeld over de Perzen had een legende-achtig karakter. Koning Arthur is een mythische figuur met historische aspecten. Een zeer inspirerende persoonlijkheid, dat blijkt uit de vele bewerkingen die er van de Arthursagen zijn verschenen. Van Jaap ter Haar tot Marion Bradly, in al de prachtige verhalen spreekt een geest die op de een of andere manier tot daden inspireert.

Dat zou ik een grondbeginsel van de Arthurridders willen noemen; het doen, het werkelijk practiseren van de Christelijk-Michaëlische impulsen.

In de voorbeelden van inhouden die in de godsdienstlessen aan bod zouden kunnen komen, mag eigenlijk het Graalgebeuren niet ontbreken. In de zevende klas wordt gewoonlijk het Parzivalepos verteld, in de bewerking van Wolfram von Eschenbach. Parzival die van Arthurridder Graalridder wordt. De Graal is het symbool van de krachten van de liefde, die vanuit het Zonnewezen door de aarde ontvangen worden. De Graal is een schaal waarin volgens de legende het bloed van Christus werd opgevangen.

Deze verhalen, het moge duidelijk zijn, hebben een heel eigen karakter. Heel anders dan de beelden die in het hoofdonderwijs verteld worden. Dan zal vaak ook de leerstof ermee verbonden worden, of het verhaal gedifferentieerd in één der vier temperamenten.

Geheel los daarvan staat het verhaal in de godsdienstles. Als een soort zuil staat het, even los van al het andere. Het krijgt in een apart uur even de volle aandacht die het verdient. Van de voorbeelden in het voorafgaande kan gezegd worden: dat kunnen de kinderen niet vaak genoeg horen. Dat is dermate wezenlijk, dat mag je de kinderen eigenlijk niet onthouden.

In onze cultuur neemt de onwaarachtigheid toe. De waarheid wordt in sterke mate geweld aangedaan. De draak waarover in de Michaëltijd gesproken wordt, krijgt gestadig meer macht.

In feite is het altijd Michaëltijd, niet alleen in de vroege herfst. Ons hele tijdsbestel staat in dit teken: Michaël als tijdgeest. De draak is dan een symbool van een wezen dat we tegenkracht kunnen noemen. Het zijn de tegenkrachten die wat aan goede impulsen in de mens leeft willen verstoren. Hun is er alles aan gelegen de bestemming van de mens te doorbreken. Ze zullen er steeds meer toe overgaan het ware wezen van de mens in slaap te sussen.

Juist in zo’n tijdsbestek zouden waarheid, schoonheid en goedheid een plaats moeten krijgen. Dat kan de mens nooit alleen. Daarvoor zou hij zich open moeten stellen voor datgene dat er aan kracht in de geestelijke werkelijkheden leeft. Die kracht is reëel aanwezig. Men kan het zien aan kleine initiatieven die overal genomen worden op uiteenlopende gebieden. Men kan een opening bewerkstelligen.

Op verzoek van de ouders in de eerste vrije school ontstond na het vrije godsdienstonderwijs ook nog een zondagsdienst, de Handeling.
Het woord geeft al aan waar het hier om gaat. Er wordt iets gedaan. Het betreft een cultische handeling. Een cultus drukt uit dat de geestelijke wereld in een zeer kort moment de op aarde bewegende mens beroert. Even komt het bij elkaar.
Een moderne cultus heeft Rudolf Steiner voor deze handeling ontwikkeld. Iets waar men vanuit volle vrijheid aan deelneemt.

In vroeger tijden vond inwijding plaats door een priester. Oude inwijdingswijzen zijn in deze tijd niet meer passend. De moderne mens maakt zelf de stap, wil zoiets meemaken. Het gaat niet meer buiten hem om.

Er is ook nog een Handeling voor de kinderen: de kinderhandeling. Ieder kind wordt dan aangesproken in wat hem tot mens maakt: de kracht waardoor een mens in staat is zich op te richten, zich te verheffen. Daarmee wordt de zwaartekracht overwonnen en in dienst van het Ik gesteld.
In de Handeling komt het meest wezenlijke van wat de vrijeschool zich ten doel stelt tot uitdrukking. Het is de bedoeling van datgene dat in de godsdienstles gebeurt.
En dat vanuit de daad.
Een verbinding wordt op deze wijze gerealiseerd, net als in het verhaal, net als in het omgaan met de materie.

Net als in de adventstijd.
.

Frank de Kiefte, nadere gegevens onbekend

.

1347-1259

.

.

Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-4-2)

.

Men kan er niet mee volstaan het onderwijs in te richten volgens de gewone menselijke omgang, maar men moet dit onderwijs vormgeven vanuit inzichten in de innerlijke mens.
Rudolf Steiner, wegwijzer 12

.

In ‘bijzondere tijden’ ging het o.a. over ‘de sociale driegeleding‘, Rudolf Steiners visie op de maatschappij.

In de daarbij behorende artikelen 1-4-1/1;  1-4-1/2; 1-4-1/3 volgde een bewerkte vertaling van een van Steiners verhandelingen over deze driegeleding.

In dit artikel is Steiner opnieuw aan het woord.
Het verscheen in het blad Jonas, in 1982. Zoals daarin wordt aangekondigd ‘heeft het verrassende overeenkomsten met de huidige (=1982) tijd. Maar die verrassende overeenkomsten  zullen blijven bestaan (2017: kenniseconomie), zolang de visie op ‘vrij geestesleven’ en dus op het bestaan van ‘vrijescholen’ niet essentieel is veranderd. 

VrijeSchool en driegeleding

Zelfbestuur noodzakelijk voor school en onderwijs

‘Waar het in deze tijd om gaat, is om de school geheel en al in een vrij geestesleven te verankeren’. Dit schreef Rudolf Steiner omstreeks 1920, een tijd die wat de onderwijsproblematiek betreft, verrassende overeenkomsten heeft met de huidige.

De discussies rond de Wet op het Basisonderwijs tonen aan dat de hamvraag nog steeds uiterst actueel is: moet het onderwijs worden beschouwd als een staats-aangelegenheid?

Het artikel werd vertaald door Edithe Boeke en verscheen eerder in het maartnummer van Driegonaal, tijdschrift voor sociale driegeleding. (Waarin in het nu=2017 niet meer oproepbaar is).

Rudolf Steiner:
De openbare verzorging van het geestesleven in opvoeding en school is de laatste tijd steeds meer tot staatsaangelegenheid geworden. Het is tegenwoordig zo diep in het bewustzijn van de mensen geworteld dat de staat de schoolaangelegenheden dient te behartigen, dat iemand, die meent aan deze mening te moeten tornen, voor een wereldvreemde ‘ideoloog’ wordt aangezien. En toch doet zich juist op dit gebied van het maatschappelijke leven iets voor, dat met de grootste ernst in overweging genomen zou moeten worden. Want allen, die op de hiervoor aangeduide manier over ‘wereldvreemdheid’ denken, hebben er geen vermoeden van, wat voor wereldvreemde zaak zij zelf verdedigen!

Ons onderwijs vertoont bij uitstek het soort eigenschappen, dat kenmerkend is voor die stromingen in het cultuurleven van de tegenwoordige mensheid, die tot ondergang gedoemd zijn. De nieuwere staatsvormen hebben zich met hun sociale structuur niet ontwikkeld in overeenstemming met de eisen van wat er werkelijk leeft. Ze vertonen bijvoorbeeld een organisatie die niet toereikend is voor de economische verlangens van de mensen in deze nieuwe tijd. En zo hebben deze staatsvormen ook het onderwijs – nadat ze het eerst aan de zorg van religieuze gemeenschappen ontrukt hebben, en vervolgens geheel van henzelf afhankelijk maakten – dit stempel van achterlijkheid opgedrukt. Op ieder niveau leidt de school de mensen op tot het soort prestaties, dat de staat nodig heeft. In de inrichtingen van de scholen spiegelen zich de behoeften van de staat. Er wordt weliswaar veel over ‘streven naar algemene vorming’ gesproken, en dergelijke; maar de mens van tegenwoordig voelt zich onbewust zo sterk een lid van de bestaande orde, dat hij helemaal niet merkt dat hij wel over algemene vorming spreekt, maar eigenlijk de vorming tot een bruikbaar staatsdienaar bedoelt.

In dit opzicht belooft ook de gezindheid van de socialistisch-denkenden van tegenwoordig niets goeds. Men wil de oude staat omvormen tot één grote economische organisatie. De staatsschool moet zijn voortzetting vinden in die organisatie.

Maar zo’n voortzetting zou alle feilen van de tegenwoordige school op de meest bedenkelijke wijze vergroten. Tot nu toe was er in de scholen nog veel dat afkomstig was uit tijden, waarin de staat nog niet de heerschappij over het onderwijs voerde. Natuurlijk kunnen wij het overwicht van een geestesleven, dat uit voorbije tijden stamt, niet terugwensen. Maar we zouden ernaar moeten streven de nieuwe geest van de zich verder ontwikkelende mensheid in de school binnen te dragen. En van deze moderne geest zal in de scholen geen sprake zijn, wanneer men de staat in een economische organisatie verandert; en daarbij de school zodanig omvormt, dat daaruit mensen voortkomen die de best bruikbare arbeidsmachines in deze economische organisatie kunnen zijn.

Eenheidsschool
Men heeft het tegenwoordig veel over een ‘eenheidsschool’. Dat men zich theoretisch bij deze eenheidsschool iets heel moois voorstelt, daarop komt het niet aan! Want wanneer men de school tot een organisch lid van een economische organisatie vormt, dan kan zij niet iets moois zijn.

Waar het in deze tijd om gaat, is om de school geheel en al in een vrij geestesleven te verankeren. De inhoud van onderwijs en opvoeding dient uitsluitend ontleend te worden aan inzicht in de opgroeiende mens en zijn individuele aanleg. Waarachtige antropologie moet de basis vormen voor onderwijs en opvoeding.

Er moet niet van de vraag worden uitgegaan: wat moet iemand weten en kunnen ten behoeve van de bestaande sociale orde. Maar de vraag die gesteld moet worden is: wat voor aanleg heeft iemand en wat kan in hem of haar ontwikkeld worden? Dan pas zal het mogelijk zijn steeds nieuwe krachten vanuit de opgroeiende generatie aan de sociale orde toe te voegen.

En dan zal er in deze sociale orde steeds leven, wat ‘volledige’ mensen, wanneer zij in deze sociale orde binnentreden, uit haar doen ontstaan; en dat wil zeggen dat daarmee uit een opgroeiende generatie niet datgene gemaakt wordt, wat de bestaande sociale organisatie van haar zou willen maken.
Een gezonde verhouding tussen school en sociale organisatie kan alleen dan bestaan, wanneer deze laatste voortdurend nieuwe individuele capaciteiten toegevoerd krijgt, afkomstig van mensen die in een onbelemmerde ontwikkeling hun vorming hebben ontvangen. Dat kan alleen het geval zijn wanneer school en onderwijs binnen het sociale organisme gebaseerd worden op zelfbestuur. Inplaats dat het staats- en economische leven de opvoeding in overeenstemming met hun behoeften kunnen voorschrijven, zullen zij dan mensen in hun midden ontvangen, die door een zelfstandig geestesleven zijn gevormd. Wat iemand op een bepaalde leeftijd moet weten en kunnen, moet zich uit de menselijke natuur laten aflezen. Staat en economie zullen een zodanige vorm moeten aannemen, dat zij in overeenstemming zijn met deze menselijke natuur. Niet de staat of het economische leven hebben het voor ’t zeggen: zo’n soort mensen hebben wij nodig voor een bepaald ambt, een bepaalde baan; dus examineer die mensen maar, die we nodig hebben; en zorg er allereerst voor dat ze weten en kunnen wat wij nodig hebben. Nee! Het geestesleven als zelfstandig deel van het sociale organisme zal vanuit zijn eigen organisatie mensen met speciale begaafdheden tot een bepaald opleidingsniveau brengen; en de organisatie van staat en economie zal dan in overeenstemming zijn met de resultaten van het werk in het geestesleven zijn. Omdat het leven van staat en economie niet gescheiden zijn van de menselijke natuur, maar juist het resultaat van deze menselijke natuur vormen, hoeft men er nooit voor te vrezen dat een werkelijk vrij, op zichzelf gesteld geestesleven mensen opvoedt die vervreemd zijn van de werkelijkheid. Zulke levensvreemde mensen ontstaan juist, wanneer de bestaande staat en economische instellingen van zich uit opvoeding en onderwijs regelen. Want in staat en economie moeten wel oogmerken gelden die in het bestaande, in het gewordene wortelen.

Voor de ontwikkeling van opgroeiende mensen heeft men totaal andere richtlijnen voor het denken en voelen nodig. Men speelt het als opvoeder en onderwijzer alleen klaar, wanneer men op een vrije, indidivuele manier tegenover de pupil, de leerling kan staan. Men moet om te kunnen werken, weten dat men uitsluitend afhankelijk is van inzichten in de menselijke natuur, inzichten in het wezen van de sociale ordening, en dergelijke; echter niet van voorschriften of wetten, die van buitenaf gegeven worden. Wanneer men er ernst mee wil maken de maatschappelijke ordening zoals die nu bestaat, te doen overgaan in een ordening waar sociale gezichtspunten gelden, dan mag men er niet voor terugschrikken het geestesleven – inclusief opvoeding en onderwijs – aan zijn eigen beheer toe te vertrouwen. Want uit een dergelijk zelfstandig lid van het sociale organisme komen mensen voort met ijver en lust om te werken in het sociale organisme. Uit een door de staat of het economische leven geregelde school kunnen daarentegen alleen maar mensen voortkomen, bij wie deze ijver en deze lust ontbreken, omdat ze de verstikkende nawerking ervaren van een macht, die niet over hen uitgeoefend had mogen worden, nog voordat ze volledig bewuste medeburgers en medewerkers van deze staat en van deze economie zijn.

Opgroeiende mensen moeten tot volwassenheid komen door de beste vermogens van de – van staat en economie onafhankelijke – opvoeder en leraar, die de individuele capaciteiten vrij kan ontwikkelen, omdat hij zelf in vrijheid over zijn eigen vermogens mag beschikken.

In mijn boek ‘De Kernpunten van het sociale vraagstuk’ heb ik mijn best gedaan aan te tonen dat in de levensopvatting van de in de partijpolitiek leiding gevende socialisten eigenlijk alleen een tot in het extreme doorgevoerde, burgerlijke gedachtewereld van de laatste drie, vier eeuwen verder leeft. Het is een illusie van de socialisten dat hun ideeën een volledige breuk met deze denkwereld zouden betekenen. Dat is niet het geval; maar een bepaalde nuance van die burgerlijke levensopvatting, vanuit het gevoel en de belevingswereld van het proletariaat. Dat komt heel duidelijk naar voren in de houding die deze socialistische leiders aannemen ten aanzien van het geestesleven en de invoeging daarvan in het sociale organisme. Door de buitengewoon grote betekenis van het economische leven in de burgerlijk-maatschappelijke organisatie van de laatste eeuwen is het geestesleven in sterke mate afhankelijk geworden van het economische leven. Het bewustzijn van een in zichzelf gegrond geestesleven, waaraan de menselijke ziel deel heeft, is verloren gegaan.

De wijze van natuurbeschouwing, het industrialisme hebben dit verlies mede bewerkstelligd. En dat heeft er ook mee te maken hoe men in de nieuwere tijd de school in het maatschappelijke organisme invoegde. Het belangrijkste doel werd, de mens voor het uiterlijke leven in staat en economie bruikbaar te maken. Dat de mens in de eerste plaats als psychisch wezen vervuld zou moeten zijn van het bewustzijn van zijn samenhang met een geestelijke ordening der dingen, en dat hij door dit eigen bewustzijn aan de staat en de economie, waarin hij leeft, zin geeft, daaraan werd steeds minder gedacht. Het denken van de mensen richtte zich steeds meer naar economische productieverhoudingen. Bij de burgerij sloeg ook het zieleleven gevoelsmatig deze richting in. De leiders van het proletariaat vormden daaruit een theoretische levensopvatting, een levensdogma. Werkelijk verwoestend zou dit levensdogma worden, wanneer het de grondslag zou willen vormen voor de opbouw van het onderwijs in de toekomst. Omdat in werkelijkheid immers, een nog zo voortreffelijke economische organisatie van het sociale organisme geen verzorging van een werkelijk geestesleven tot resultaat heeft, en in het bijzonder ook geen productieve aanpak van het onderwijs, daarom zou dan vooreerst de school nog overgelaten worden aan de zorg van hen, die nog op de oude manier denken. En de partijen, die de dragers van een nieuwe levensvorm willen zijn, zouden het geestesgoed in de scholen door vertegenwoordigers van oude wereldbeschouwingen laten verzorgen. Daar echter onder zulke omstandigheden de oude, doorgedragen ideeën niet innerlijk aansluiten bij de opgroeiende generatie, moet het geestesleven daar wel steeds meer in het moeras geraken. Innerlijk zou deze generatie verkommeren, omdat zij op een onwaarachtige manier in een levensopvatting geplaatst zou worden, waaruit zij geen enkele kracht zou kunnen putten. In een maatschappelijke orde die voortkomt uit het industrialisme zouden de mensen wezens met een lege ziel worden!

Beweging voor Driegeleding
Om dit te voorkomen streeft de Beweging voor Driegeleding ernaar het onderwijs volledig van staat en economie los te koppelen. De sociale indeling van de bij het onderwijs betrokken personen behoort van geen andere machthebbers afhankelijk te zijn, dan uitsluitend van die mensen die zich ook bezighouden met dat onderwijs. Het bestuur over onderwijsinstellingen, de regeling der leergangen, de leertijden, dat alles zal alleen aan de zorg van die mensen worden toevertrouwd, die tevens lesgeven of op een andere manier in het geestesleven productief werkzaam zijn. Iedereen die zoiets doet, zou zijn tijd moeten verdelen tussen onderwijs geven – of anderszins geestelijk creatief bezig zijn -én besturen van het onderwijs. Wie in staat is onbevooroordeeld tot een beoordeling van het geestesleven te komen, die kan toch inzien, dat de levendigheid en kracht die men nodig heeft om de opvoeding en het onderwijs te organiseren, alleen dan in iemands ziel kunnen groeien, wanneer men ook echt met zijn werk in het onderwijs staat of in soortgelijk geestelijk productief werk.

In onze tijd zal alleen diegene dit toegeven, die onbevangen kan zien dat er een nieuwe bron voor het geestesleven aangeboord moet worden, willen we onze ineengestorte maatschappij weer opbouwen.

In mijn opstel ‘Marxisme en Driegeleding’ [GA 24/31] heb ik op de juiste, maar eenzijdige gedachte van Engels gewezen: ‘In de plaats van regeren over personen, komt het beheer over zaken en de leiding van productieprocessen’.
Zo waar als dat is, zo waar is ook het andere, dat namelijk in de maatschappijen van het verleden het leven van de mensen alleen maar mogelijk was, omdat tegelijk met de leiding over de economische productieprocessen ook de mensen meegeregeerd werden. Als nu dit meegeregeerd worden ophoudt, dan moeten de mensen uit het vrije, op zichzelf gestelde geestesleven die levensimpulsen ontvangen, die tot op heden via regeringen op hen werkten. Bij dit alles komt nog iets anders. Het geestesleven kan alleen gedijen, wanneer het zich als eenheid kan ontplooien. Uit dezelfde ontwikkeling van zielekrachten, waaruit een bevredigende, de mensen dragende wereldbeschouwing afkomstig is, moet ook de productieve kracht komen, die de mensen tot juiste medewerkers in het economische leven maakt. Praktische mensen voor het uiterlijke leven zullen toch alleen maar uit zo’n soort van onderwijs voortkomen, dat op een gezonde manier ook in staat is de kiemen voor een hogere wereldbeschouwing te ontwikkelen. Een maatschappelijke ordening die slechts zaken beheert en productieprocessen leidt, moet langzamerhand wel op scheve banen belanden, wanneer niet steeds mensen met een gezond ontwikkelde ziel aan haar worden toegevoerd.

Een nieuwe opbouw van ons maatschappelijk leven moet daarom ook de kracht opbrengen, het onderwijs zelfstandig te organiseren. Wanneer niet meer op de oude manier, mensen over mensen zullen regeren, dan moet ook de mogelijkheid geschapen worden dat de vrije geest in iedere mensenziel, zo krachtig als het in menselijke individualiteiten maar mogelijk is, de bestuurder van het leven wordt. Deze geest laat zich echter niet onderdrukken. Instellingen die louter vanuit de standpunten van een economische orde het schoolwezen willen regelen, zouden inderdaad een poging tot een dergelijke onderdrukking zijn.

Het resultaat van zo’n onderwijs zou zijn, dat de vrije geest vanuit zijn diepste wezen voortdurend zou revolteren. Een maatschappelijk bouwwerk dat voortdurend op zijn grondvesten schudt, zou het noodlottige gevolg zijn van een systeem, dat vanuit dezelfde leiding die de productieprocessen beheert, tevens het schoolwezen zou willen organiseren.

Wie al deze dingen gaat doorzien, zal het vestigen van een mensengemeenschap, die vrijheid en zelfbeheer voor opvoedings- en onderwijszaken met alle kracht nastreeft, als een der belangrijkste eisen van deze tijd gaan beschouwen. Alle andere, noodzakelijke vereisten van onze tijd zullen geen bevredigende oplossing kunnen vinden, zolang niet op dit gebied het juiste wordt ingezien. En er is eigenlijk alleen maar een onbevangen blik op de gedaante van ons tegenwoordig geestesleven voor nodig, in al zijn verscheurdheid, met al zijn geringe draagkracht voor de menselijk ziel, om de waarheid hiervan in te zien.
.

Vertaling van Edithe Boeke, Jonas 18, 30-04-1982
.

Uit GA 24/35
Niet vertaald

Ook in de bundel ‘Zur dreigliederung des sozialen Organismus’ Uitg. Freies Geistesleben, Stuttgart.

.

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

.

1346-1258

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-6)

.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE – GA 293

.

GA= Gesamt Ausgabe, (volledige uitgave): de genummerde reeks boeken en voordrachten van Steiner.

Duitse tekst
Vertaling 

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken bij alle voordrachten.
De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

Blz. 22  vert. 22

VOORGEBOORTELIJKE OPVOEDING

Nadat Rudolf Steiner het streven van de kerk, de gelovigen voor te bereiden op een leven na de dood, een ‘verfijnd egoïsme‘ heeft genoemd, richt hij zijn aandacht hier veel meer op het ‘vóór de geboorte’ dan ‘na de dood’.
En omdat het over opvoeden gaat, zou de vraag gesteld kunnen worden: ‘Wat is opvoeding dan voor de tijd die vóór de geboorte ligt. 
Het hoeft geen verbazing te wekken, dat het niet mogelijk is om dan op te voeden.

Die Menschen denken über Erziehung nach und fragen über die vorgeburtliche Erziehung. Aber, meine lieben Freunde, vor der Geburt ist das Menschenwesen noch in der Hut über dem Physischen stehender Wesenheiten. Denen müssen wir die unmittelbare einzelne Beziehung überlassen zwischen der Welt und dem einzelnen Wesen. Daher hat die vorgeburtliche Erziehung noch keine Aufgabe für das Kind selbst. Die vorgeburtliche Erziehung kann nur eine unbewußte Folge desjenigen sein, was die Eltern, insbesondere die Mutter, leisten. Verhält sich die Mutter bis zu der Geburt so, daß sie in sich selbst zum Ausdruck bringt dasjenige, was im rechten Sinn moralisch und intellektuell das Richtige ist, so wird ganz von selbst das, was sie in fortgesetzter Selbsterziehung vollbringt übergehen auf das Kind. Je weniger man daran denkt, das Kind, schon bevor es das Licht der Welt erblickt, zu erziehen, und je mehr man daran denkt, selbst ein entsprechend rechtes Leben zu führen, desto besser wird es für das Kind sein. Die Erziehung kann erst angehen, wenn das Kind wirklich eingegliedert-ist in die Weltenordnung des physischen Planes, und das ist dann, wenn das Kind beginnt die äußere Luft zu atmen.

De mensen denken na over opvoeding en vragen naar de voorgeboortelijke opvoeding. Maar, beste vrienden, voor de geboorte bevindt zich het mensenwezen nog onder de hoede van wezens die boven de fysieke wereld staan. Aan hen moeten we de directe unieke verbinding overlaten tussen de kosmos en het individu. Daarom ligt er in de voorgeboortelijke opvoeding nog geen taak jegens het kind zelf. De voorgeboortelijke opvoeding kan slechts een onbewust gevolg zijn van wat de ouders – met name de moeder – doen. Leeft de moeder tot de geboorte zo, dat ze in zichzelf werkelijk het moreel en intellectueel juiste tot uitdrukking brengt, dan zal alles wat ze bij haar eigen innerlijke zelfopvoeding doet vanzelf op het kind overgaan. Hoe minder men erover piekert het kind nog voor het is geboren op te voeden en hoe meer men eraan denkt zelf op de juiste wijze te leven, des te beter zal het zijn voor het kind. De opvoeding kan pas ter hand worden genomen wanneer het kind werkelijk deelgenoot van de fysieke wereld is geworden en dat is wanneer het kind begint te ademen.
GA 293/22
Vertaald/22

Ook in GA 110, bij het beantwoorden van vragen, benadrukt Steiner de rol van de moeder:

Frage: Wie hoch ist der Wert der sogenannten vorgeburtlichen Erziehung zu veranschlagen?

Die Mutter hat in der Zeit der Schwangerschaft sehr viel zu beachten. In der heutigen Zeit, wo die Mutter von alledem nichts weiß, werden sehr wichtige Maßnahmen versäumt. Die ersten zehn (Mond-) Monate des Erdenlebens können die sein, wo dem Menschen entrissen wird etwas sehr Gutes. Heute fällt die Aufgabe, das zu verhüten, den Göttern zu; später, wenn die Menschen reifer geworden sind, wird sie den Menschen zufallen. Die Götter haben aus hoher Weisheit heraus die ersten zehn (Mond-)Monate der Menschenentwickelung
der menschlichen Einwirkung entzogen. Die Menschen sollen froh sein, daß sie in die vorgeburtliche Entwickelung nicht eingreifen können. Ist das Leben der Mutter so geordnet, daß es einem gewissen Ideal im Denken, Fühlen, Empfinden und Wollen entspricht, dann ist das wohl auch das beste für das Kind

Welke waarde moet aan de zogenoemde voorgeboortelijke opvoeding °
worden toegekend?

Een moeder moet in de tijd van de zwangerschap op veel dingen
letten. In de huidige tijd, waarin moeders niets van dat alles weten, worden zeer belangrijke maatregelen verzuimd. Die eerste tien [maan-]maanden van het leven op aarde kunnen een tijd zijn waarin de mens iets heel goeds wordt ontnomen. Op dit moment valt aan de goden de taak toe dat te verhinderen. Later, wanneer de mensen rijper zijn geworden, zal hij aan de mens toevallen. De goden hebben vanuit hun hoge wijsheid de eerste tien maanden van
de ontwikkeling van de mens aan de menselijke invloed onttrokken. De mensen moeten er blij om zijn dat ze in de voorgeboortelijke ontwikkeling niet kunnen ingrijpen. Als het leven van de moeder zo is ingericht dat het aan een zeker ideaal in denken, voelen, beleven en willen beantwoordt, dan is dat ook het beste voor het kind.
GA 110/180
Vertaald/174

In GA 303, een pedagogische voordrachtenreeks:

Das Charakteristische unseres materialistischen Zeitalters ist, daß die Menschen womöglich früh schon anfangen möchten, in künstlicher Form allerlei Erziehungsmäßiges an den Menschen heranzubringen. So möchten sie auch auf eine seelisch-geistige Weise schon vor dem sieben­ten Jahre das Gedächtnis pflegen. Sie möchten sogar noch weitergehen, und das zeigt, auf welchem falschen Wege gerade ein materialistisches Zeitalter in dieser Beziehung ist. Es gibt Mütter, ich kann Ihnen das aus Erfahrung sagen, die fragen einen nicht nur, wie soll man in einer Weise, die erst für ein späteres Lebensalter in Betracht kommt, das Kind vor dem Zahnwechsel erziehen, sondern die fragen einen, wie soll man das Kind vor der Geburt erziehen im embryonalen Zustande? Da möchten die Menschen allerlei Anweisungen haben. Man kann ihnen nur sagen: Schau auf dich selbst als Mutter, behandle dich ordentlich, dann wird das Kind, dessen Bildekräfte du doch noch dem Schöpfer überlassen mußt, schon in der richtigen Weise gedeihen. Das ist dasjenige, was allerdings auch radikal ausgesprochen ist, aber was durchaus berechtigt erscheint gegenüber gewissen sophistischen Fragen nach gewissen Erziehungsprinzipien, die erst in das spätere Alter hineingehören. 

Het kenmerkende van ons materialistische tijdperk is dat de mensen zo mogelijk al vroeg zouden willen beginnen in een kunstmatige vorm allerlei opvoedingsacties aan de mens op te dringen. Zo zouden ze ook op een geestelijk-psychische wijze al voor het zevende jaar het geheugen willen oefenen. Ze zouden zelfs graag nog verder willen gaan, en dat laat zien op wat voor verkeerde weg juist een materialistisch tijdperk in dit verband is. Er zijn moeders — ik kan u dat uit ervaring meede­len – die vragen je niet alleen hoe je op een manier die pas op latere leeftijd in aanmerking komt, het kind voor de tanden­wisseling moet opvoeden, maar die vragen je: hoe moet ik het kind vóór de geboorte, in embryonale toestand opvoeden? Daar zouden deze mensen allerlei aanwijzingen voor willen krijgen. Je kunt tegen hen alleen maar zeggen: kijk goed naar jezelf, hoe je als moeder bent, ga goed met jezelf om, dan zal je kind, wiens vormkrachten je toch aan de schepper moet overlaten, wel op de juiste wijze gedijen. Dit is allemaal wel wat radicaal uitgesproken, maar het is een absoluut terechte reactie jegens bepaalde spitsvondige vragen naar bepaalde opvoedingsprincipes die pas voor de latere leeftijd geschikt zijn. 
GA 303/193
Vertaald/218
.

Nu, vele jaren later, is er veel bekend geworden over de invloed van de omgeving op het ongeboren kind. Niemand kijkt meer op van ‘geen alcohol en niet roken’.
Zelfs de rokende omgeving heeft invloed – via de moeder! – op de fysieke ontwikkeling en gezondheid van het ongeboren kind. 

En duidelijk geworden is nu ook, dat het niet uitsluitend om fysieke stoffen: alcohol, nicotine, drugs enz. gaat, maar ook om bijv. muziek die doordringt tot het embryo.
Maar ook lang geleden: in het Lukasevangelie wordt beschreven dat Maria (zwanger) op weg 
gaat naar haar nicht Elizabeth in Judea. Zij ont­moeten elkaar in het huis van Zacharias: ‘En toen Elizabeth (zwanger van Johannes – de latere ‘Sint-Jan’ -) de groet van Maria hoorde, geschiedde het dat het kind opsprong in haar schoot’.

‘Is het leven van de moeder zo ingericht dat het aan een zeker ideaal in denken, voelen en willen beantwoordt, dan is dat wel het beste voor het kind.’

Wat voor ideaal in denken, voelen en willen zou dat moeten zijn? Wat is ‘op de juiste wijze leven’ met het oog op het kind dat nog geboren moet worden?

In dit artikel wordt daar op een bepaalde manier antwoord op gegeven.

De antroposofisch arts Wilhelm zur Linden besteedde er in zijn boek ‘Geburt und Kindheit‘ (vertaald in het Engels) een uitvoerig hoofdstuk aan.

Zie hier bij <1> de opmerking over stress die al vóór de geboorte ontstond.

Een onderzoek wees in diezelfde richting en bevestigt ook Steiners opmerking over opvoeding in de eerste jaren en het verband met latere ziekteverschijnselen.

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3]GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1345-1257

.

.

.

*

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie (18-5)

.

OVER HET GEHEUGEN

Het geheugen van de mens is nog altijd een moeilijk te doorgronden fenomeen.
Onthouden, vergeten – soms net niet helemaal: ‘het (woord, de naam) ligt me op de lippen’; ‘ik kan er (even) niet (meer) opkomen’ en andere uitdrukkingen; het drie- vierjarige kind dat vrijwel altijd van oma of opa wint met ‘memory’; de dementerende die niet weet dat hij dezelfde vraag twee minuten geleden ook stelde: we weten nog altijd niet hoe dat precies komt, m.a.w. wat geheugen, zich herinneren enz. is, is nog altijd om over na te denken en te onderzoeken. 
Dat is gebeurd en gebeurt nog steeds, dus zijn er ook vele gezichtspunten.

Voor de pedagoog en opvoeder ook een belangrijk onderwerp. Als je wilt dat kinderen dingen voor een langere tijd leren, moeten ze die kunnen onthouden, moeten die ‘in het geheugen worden geprent’. Of als het vaardigheden betreft: die moeten ze ‘onder de knie’ krijgen.

Hier een wat ouder artikel over wat geheugen is, of zou kunnen zijn:

HOE WEET U ZO SNEL DAT U HET NIET WEET?

Hoe komt het toch dat vrijwel niemand over zijn verstand klaagt en bijna iedereen wat op zijn geheugen heeft aan te merken? Zonder geheugen valt er immers niet te denken. Whitehead heeft gezegd dat de westerse filosofie niets anders is dan een reeks voetnoten bij Plato. Hij wilde daarmee duidelijk maken dat de algemene problemen van ons bestaan al duizenden jaren lang in dezelfde bewoordingen worden gegoten. Wat het geheugen betreft blijkt dat uit twee citaten:
‘De geest weet zelf niet wat de geest is, en wie zijn kennis vermeerdert, vermeerdert zijn smart.’

Deze uitlatingen zijn respectievelijk van Cicero en Prediker, en hun trefzekerheid wedijvert met een gebrekkige agogische waarde. Eerst Prediker.

Is het zo dat een beter geheugen alleen maar leidt tot het ervaren van meer ellende? Op het eerste gezicht is dat natuurlijk onzin. Zonder geheugen zouden we elke dag moeten leren lopen, ons te wassen, kleren aan te trekken, en ga maar door. Er zou geen besef van continuïteit zijn, en we zouden bij elk ochtendkrieken een naam moeten krijgen, ware het niet dat er geen sterveling is om die te verschaffen. Het ontbreken van een geheugen is voor mens noch dier verenigbaar met het leven. Toch hebben we van het geheugen ook last. „Heugenis van beter dagen scherpt de angel van het leed”, zei de brave Potgieter. Anderen denken daar ook zo over. „Herinneringen, de voornaamste luxe van ongelukkige wezens”, laat Ambrose Bierce weten, en de weinig vrolijke Jeroen Brouwers schrijft zelfs: „Het verschrikkelijkste dat een mens bezit is zijn geheugen”.

Het geheugen heeft inderdaad iets genadeloos, wat vermoedelijk komt omdat we er weinig beheersing over hebben. We onthouden wat we willen vergeten, en we vergeten wat we willen onthouden. Het heeft geen enkele zin, jezelf te dwingen tot vergeten. „Herinnering is als een hond die gaat liggen waar hij wil”, zegt Cees Nooteboom.

Dit brengt ons bij de uitspraak van Cicero dat de geest zelf niet weet wat de geest is.

Wij weten wel dat we kunnen lezen, schrijven, spreken, leren, onthouden en vergeten, maar we weten niet hoe we dat doen. Bovendien hangen de activiteiten van de geest als los zand aan elkaar. Waarom klopt het gevoel niet met het verstand, willen we dingen die we niet kunnen, en waarom verlost het vergeten ons volgens het toeval van het onaangename en het prettige? Een mens is geen geïntegreerd geheel waarin alles mooi en stabiel met alles samenhangt. We zijn een eenheid van onzin, een optelsom van processen die elk min of meer huns weegs gaan.

Geen eigen taal
Het feit dat wij psychische processen nauwelijks kunnen beheersen en ze bovendien niet intuïtief kennen, is ook al sinds jaar en dag bekend. Omdat het innerlijk geen eigen taal heeft, is men genoodzaakt geweest net te doen alsof ons zieleleven lijkt op een bekend object in de buitenwereld. Als het onbekende wordt benaderd vanuit het bekende, hebben we te maken met metaforen, waarvan het geheugenonderzoek talloze voorbeelden laat zien. Plato en Aristoteles vergeleken het geheugen met een wastablet. Het vergeten hield in dat de zachte was zijn indrukken verloor. Die geheugenmetafoor leeft nog steeds voort in de taal: denk aan het hebben van indrukken of impressies. Aristoteles had in dat verband een mooie metafoor voor het slechte inprentingsvermogen van oude mensen. Hun geheugen zou zijn als een zegel dat op stromend water wordt gedrukt. Andere geheugenmetaforen in de oudheid hebben eveneens te maken met observaties vanuit het dagelijks leven. Plato vergelijkt het geheugen elders met een volière. Onderwijzen is niets anders dan een hok volstoppen met vogels, en de herinnering betekent dat we door het hok lopen en de juiste vogel grijpen. Het perkament was ook een inspiratiebron om geheugenprocessen voor te kunnen stellen. Vrij bekend is dat het in hoog tempo leren van heel verschillende dingen vaak gepaard gaat met een gebrekkig inprentingsvermogen. In de zielkunde wordt dat retro- en proactieve inhibitie genoemd, termen waarvoor de uitvinder alsnog standrechtelijk geëxecuteerd zou moeten worden.

Dergelijke verschijnselen zijn vergeleken met een palimpsest. Vroeger was perkament duur, en probeerde men het vaker dan één keer te gebruiken door de tekst af te krabben en erover heen te schrijven. Dat ging nogal gebrekkig omdat de ene tekst de andere gedeeltelijk onleesbaar maakte. Verwarring was het resultaat.

Kenmerken van geheugenmetaforen zijn dat zij altijd op een ruimtelijke voorstelling steunen. Cicero noemde het geheugen een schatkamer, en Augustinus liet zich inspireren door het landschap. „Zie mijn geheugen met zijn velden, grotten, ontelbare holen, onnoemelijk vol van ontelbaar veel soorten dingen (…) Dit alles laat ik de revue passeren, ik vlieg hierheen en daarheen, ik dring door zo diep ik wil en nooit is er een einde”, zegt hij in de Confessiones. Dergelijke metaforen werden niet zo maar bedacht, men probeerde zijn geheugen ook met behulp daarvan te verbeteren. Zo werd Cicero de vader van de zogenaamde loci-methode in de mnemotechniek, een verzamelnaam van procedures om de herinnering te bevorderen. Hij beveelt aan dat redenaars de elementen van hun betoog in verschillende ruimten of kamers plaatsen. Tijdens het houden van het verhaal lopen zij door deze ruimte, en „zien” wat ze willen vertellen. Deze truc wordt nog steeds toegepast, en werkt prima. Families van woordjes kunnen gemakkelijk onthouden worden door ze in verband te brengen met een landschap. Ik loop via een pad (callis) een heuvel (collis) op waar een vuur (ignis) brandt dat vergaat tot as (cinis), enzovoorts.

Ongrijpbaar
De neiging om het ongrijpbare geheugen als een ruimte voor te stellen is nooit veranderd. De nuchtere Locke sprak over een pakhuis, Freud over een woonhuis en de dorre Kant over een bibliotheek. Latere metaforen verraden de invloed van de techniek. Tijdens deze eeuw hebben we te maken gekregen met het fotografisch geheugen (waarvan Koot en Bie zich op de Bescheurkalender hebben afgevraagd hoe het vóór 1839 werd omschreven), groeven in een grammofoonplaat, en de onvermijdelijke computer. Analoog is
geheugenverlies omschreven als zacht geworden was, weggevlogen vogels, zoekgeraakte boeken en grammofoonplaten.

Zoals alle analogieredeneringen gevaarlijk zijn, kleven er bezwaren aan geheugenmetaforen. Een wisseling van metafoor brengt vaak met zich mee dat men aspecten van het geheugen die bij de oude metafoor behoren niet meer kan onderbrengen.

Een treurig voorbeeld is de Duitse bioloog Richard Semon geweest. Hij schreef in de jaren twintig enkele boeken over het onthouden en vergeten die pas kort geleden zijn herontdekt. Semon leefde in een tijd waarin men het vergeten beschouwde als het wegraken van informatie. Het proces was onherroepelijk. Nu was Semon een aanhanger van Lamarck. Wat dier en mens leren, zou aan het nageslacht worden doorgegeven. In dat kader kon hij niet accepteren dat wij zoveel vergeten. Aldus kwam de veronderstelling op dat het vergeten niet berust op het feit dat iets verdwijnt, maar dat wij het niet terug kunnen vinden. Pas in de jaren zeventig besloten psychologen de mens met computers te vergelijken. Computers vergeten niets, maar de programmeur heeft des te meer moeite om de informatie te voorschijn te halen. Hierdoor geïnspireerd ging men het ene proefje na het andere doen, waaruit bleek dat het vergeten bij de mens vaak op precies hetzelfde berust. Aldus werd Semon herontdekt.

Het tweede gevaar van ruimtelijke geheugenmetaforen is dat zij bepaalde verschijnselen principieel niet kunnen verklaren. Hoe is het mogelijk dat u onmiddellijk weet dat u iets niet weet? Wellicht heeft u nooit gehoord van een heet nokkenasje (een onderdeel om een motorfiets op te voeren). Dat is gek, want wij weten strikt genomen pas dat wij iets niet weten als de gehele ruimte van het geheugen is doorzocht, en dat zou juist heel lang moeten duren.

Mensje in machine
Het derde probleem is dat ruimtelijke en technische voorstellingen van psychische functies altijd een homunculus bevatten, ofwel een mensje in de machine of in het vergelijkingsobject. Wie leest de wastablet, zet de naald op de grammofoonplaat en zoekt het boek op in de bibliotheek? Hoe weet de bibliothecaris of hij het goede boek te pakken heeft? Herinnert hij zich dat? In de logica noemt men dit een petitio principii, een fout die inhoudt dat het te verklaren proces stiekem bekend wordt verondersteld. Het is dan ook niet verbazend dat de geheugenpsychologie meer bestaat uit intrigerende beschrijvingen van veel verschijnselen dan uit verklaringen. De neurofysiologie heeft ook al weinig opgeleverd. Om daar iets over te kunnen zeggen moeten we eerst een tijdsindeling maken. Men onderscheidt vier typen geheugen. Het zintuigelijk geheugen houdt informatie vast gedurende een paar honderd milliseconden tot een seconde of wat. Een sigaret trekt in het donker een spoor door de lucht als u wilde armbewegingen maakt. Bjj het gehoor noemt men dit geheugen de echobox. U zit nu dus te lezen bjj het licht van de inmiddels in brand geraakte gordijnen, en iemand roept dat de brandweer eraan komt en dat de koffie koud is. U verstaat dat niet, verzoekt bulderend om herhaling van de boodschap, om op datzelfde moment te „horen” wat zojuist werd gezegd. Dan hebben we het korte-termijn geheugen voor zinloos materiaal zoals telefoonnummers dat, herhaling buitengesloten, zo’n halve minuut omvat. Vervolgens wordt het geleerde vastgelegd in een geheugen dat misschien berust op het drukken van eiwitten in de hersenen, een uitdrukking die overigens ook al metaforisch is. Dat blijkt uit het feit dat stoffen die de eiwitsynthese remmen een gat van een minuut of twintig in het geheugen slaan. Misschien gebeurt zoiets ook bij het geheugenverlies na een dreun op het hoofd. Het lange-termijn geheugen tenslotte, heeft zowel een onbepaalde capaciteit als duur.

Er is een structuur in de hersenen (hippocampus) die de overgang van materiaal naar het lange-termijn geheugen bevordert. Als dat gebied beschadigd wordt, heeft iemand geen geheugenverlies, maar is het onmogelijk iets nieuws toe te voegen. Gesprekken met dergelijke mensen doen een beetje denken aan politici die soms ook niet meer weten wat zij zoëven hebben gezegd. Geheugenverlies bij oude mensen berust onder andere hierop dat de hippocampus zijn cellen en voedingsstoffen relatief snel verliest. Ook bij hen is het leren van iets nieuws ernstiger gestoord dan het vertellen van verhalen van vroeger. Tenslotte is er nog een klein gebiedje waarbij een beschadiging het niet meer mogelijk maakt ingewikkelde optische patronen te herkennen. Dat is erg vervelend, omdat vooral het herkennen van gezichten daar zwaar onder te lijden heeft. Waarom de electroshock tot tijdelijk geheugenverlies leidt, is niet bekend. Tenslotte moeten we vaststellen dat zogenaamde leer- en geheugenpillen tot dusver niet zijn gevonden. Hun effect is te vergelijken met een kop koffie of een bestraffende toespraak. Ook het door dieren laten consumeren van de hersens van geleerde soortgenoten sorteert geen effect.

Pavlov
Andere indelingen hebben niet te maken met de tijdsduur, maar met het type geheugen. Wij willen weliswaar niet op dieren lijken, maar conditionering à la de hondenkennel van Pavlov speelt ook bij ons een rol. Er zijn aanwijzingen dat astma-aanvallen vaak op een vorm van leren berusten, en dat wij ons afweersysteem zonder dat te beseffen via conditionering zodanig kunnen beïnvloeden dat de kans op het krijgen van kanker en ander ongerief wordt vergroot. We lijken in zoverre weinig op dieren dat bepaalde stoffen die de seksuele aantrekkingskracht vergroten (de zogenaamde copulinen) zo goed als zeker niet op chemische dwang, maar op leerprocessen berusten. Een aangename partner met een bepaald geurtje kan in één klap een sterke voorkeur voor die lucht doen ontstaan.

Het merkwaardige van het geheugen dat met het aanleren van bewegingen te maken heeft, is dat het nauwelijks lijdt onder het vergeten. Als iemand zegt dat hij in twintig jaar niet meer heeft gefietst of gezwommen, gebeurt er een wonder als u hem met rijwiel en al in het zwembad werpt. Met het semantisch geheugen, dat dient voor het onthouden van woordbetekenissen en symbolen, is het droeviger gesteld. De kans om te vergeten neemt toe naarmate iets minder in verband kan worden gebracht met wat we al weten. Om die reden kunnen schaakmeesters veel gemakkelijker stellingen onthouden dan niet-schakers. Dat inbeddingsprobleem speelt ons dagelijks parten als we vergeefs het weerbericht proberen te onthouden. Ondanks alle toeters en bellen die de NOS in stelling brengt, beklijft hooguit de helft van de uitspraken bij gebrek aan meteorologische kennis. Combineer dat met het gegeven dat de voorspellingen maar een klein beetje meer waard zijn dan de mededeling dat het morgen hetzelfde weer zal zijn als vandaag, en De Bilt kan vanuit zielkundige overwegingen worden afgeschaft.

Onze grootste kracht is het episodisch geheugen dat met gebeurtenissen te maken heeft. Vermoedelijk onthouden we allerlei taferelen niet alleen goed vanwege hun interne samenhang, maar ook omdat verschillende zintuiglijke indrukken tegelijkertijd een rol spelen. De ezelsbruggen van geheugenwonderen berusten hier vaak op. De Russische neuropsycholoog Luria verhaalt van een man die tientallen losse cijfers kon onthouden door zich bij elk cijfer een tafereel voor te stellen. Op straat loopt een dikke vrouw (een 8), op de voet gevolgd door een man met een been in het gips (een 6), enzovoorts. Ook klankverwantschappen in gedichten kunnen hierbij goede diensten bewijzen. Als u de blits wilt maken door een groot aantal decimalen van het getal tien op te zeggen, moet u de volgende strofen uit het hoofd leren. Pie. I wish I could remember pi. Eureca cried the great inventor. Christmas pudding christmas pie is the problem’s very centre. Tel van elk woord het aantal letters, en u komt er. Zonder de ideeën van Lamarck te verdedigen mogen we vermoeden dat Semon gelijk had toen hij schreef dat het vergeten vooral berust op problemen met het opsporen van de dingen. We vergeten omdat we de informatie niet meer kunnen of willen vinden. Dat laatste kan te maken hebben met de gevallen van geheugenverlies die regelmatig in de krant komen, en die vaak zijn begonnen met een of andere hoogst onaangename ervaring. Zodra die boven water komt, keert ook het geheugen terug. Voor het onvermogen om iets op te sporen pleiten veel verschijnselen. De typische kinderlucht in peuterspeelzalen roept herinneringen uit de vroege jeugd op, iets waarover Proust in zijn boek ‘Op zoek naar de verloren tijd’ herhaaldelijk heeft geschreven. In tegenstelling tot wat vaak beweerd wordt komt dat niet doordat de reuk geheimzinnige eigenschappen heeft, maar omdat we onze jeugd niet meer terug kunnen zien of horen. Wat over generaties hetzelfde blijft, zijn de reuksensaties. Iets dergelijks is ook op korte termijn mogelijk. Als we in de woonkamer op het idee komen een schroevendraaier te halen, wordt die gedachte ingebed in wat op dat moment te zien was. De schuur ziet er anders uit, met als gevolg dat u soms niet meer weet waarom u daar staat. Teruglopen is dan een goede remedie, mits u nog beseft waarheen.

Dronkenschap
Nog wat voorbeelden. Wat tijdens dronkenschap is ervaren en gedaan is vergeten, maar komt terug na een paar borrels. Wat in de ene toestand is geleerd, wordt in diezelfde toestand het best herinnerd. Bij stemmingen is dat ook zo. Als iets in een bepaalde stemming is ervaren, wordt dat in diezelfde toestand het best herinnerd. Vermoedelijk schetsen kankerpatiënten daarom vaak een sombere levensgeschiedenis. Zij houden dergelijke verhalen niet omdat hun verleden een en al kommer en kwel was, maar omdat hun sombere stemming voornamelijk sombere dingen oproept. Het verhaal wordt eentonig, maar wat in de ene ruimte is geleerd wordt in een andere ruimte slechter herinnerd als die er anders uitziet. Vermoedelijk zijn er om die reden black-outs tijdens tentamens. Een bos sleutels demonstreert dit principe ook. We grijpen bij elke deur feilloos de sleutel, maar hebben relatief veel tijd nodig om de medemens uit te leggen waar elke sleutel voor dient.

Bij hypnose is iets anders aan de hand. Essentieel is hierbij de verminderde zelfcontrole waardoor er van alles en nog wat wordt uitgeflapt. Aldus ontstaat hetzelfde mengsel van waarheid en fantasie dat opborrelt bij de consumptie van het zogenaamde waarheidsserum scopolamine. In het wilde weg associëren is een even goede manier om het geheugen te activeren, een methode die in Amerika memory jogging wordt genoemd. Hieruit volgt overigens niet dat we ons alles te binnen kunnen brengen. Vooral na operaties onder narcose zijn er vaak lange perioden van vergeetachtigheid.

Spectaculair is de kryptomnesie of het verborgen geheugen. Het betekent dat wij een inval of idee voor nieuw houden omdat we vergeten zijn dat we het ooit onthouden hebben. Gevallen van plagiaat zijn hieraan toegeschreven. In de parapsychologie is het ook bekend. Sommige spiritistische media spreken in trance vreemde talen die voor berichten van gene zijde worden gehouden, en weten niet meer dat zij de betreffende teksten ooit hebben horen voordragen. Eén van Freuds patiënten praatte op die manier Latijn, Grieks en Hebreeuws. Zij was ooit dienstbode geweest bij een dominee die er genoegen in had teksten in deze talen op te dreunen. Intrigerend is dat zoekprocessen in het geheugen door kunnen gaan als we besloten hebben iets anders te gaan doen.

Als u iets hebt vergeten en pertinent wilt weten wat het was, geef uzelf dan de opdracht het aan het licht te brengen, en ga over tot de orde van de dag. Er is een vlotte kans dat het u na een paar uur te binnen schiet.

Een vervelende eigenschap van het episodisch geheugen is overigens zijn onvolmaaktheid. Er worden op den duur behoorlijke gaten in geschoten, en die vullen we op met fantasie. Ook de manier waarop na een gebeurtenis vragen worden gesteld kan vertekeningen opleveren. Als verzocht wordt mede te delen hoe hard de auto’s reden toen zij tegen elkaar knalden, vliegt heel wat meer glas in het rond dan wanneer men vraagt te vertellen hoe snel zij reden. Dokters kunnen daar gebruik van maken. Stel dat een waardeloze pil tegen hoofdpijn moet worden onderzocht. Bij het eerste consult wordt dan het volgende gezegd. Hebt u vaak hoofdpijn? Hoe vaak? Het gemiddelde van een groot aantal mensen is 2,2 aanvallen per week. Na de nep-pil luidt de vraag: hebt u wel eens hoofdpijn, zo ja, hoe vaak? Het gemiddelde is dan plotsldaps gezakt naar 0,7 per week.
Ook bij de diagnostiek kan de suggestibiliteit van het geheugen beroerd uitpakken omdat de patiënt zonder dat te beseffen klachten opsomt die hij niet of nauwelijks heeft.

Voordeur
Tot slot nog een paar raadselachtige verschijnselen. Het is niet nodig, iets vaak of intensief mee te maken om het goed te onthouden. Bijna niemand kan zijn voordeur of een gulden goed tekenen. Omgekeerd onthouden we de gekste dingen als we via de telefoon of de radio een dramatisch bericht horen. Men noemt dat het flitslichtgeheugen. Betekent dit ook dat het fotografisch geheugen op enige schaal bestaat? Het antwoord is ontkennend. Toen de fotografie om zich heen greep waren psychologen daar zo van onder de indruk dat zij prompt het fotografisch geheugen aantroffen. We weten inmiddels hoe dat komt. Hun onderzoeksmethode was zo suggestief dat allerlei mensen een fotografische geheugen leken te hebben. In het verlengde hiervan rijst de vraag wat déja-vu en déja-entendu verschijnselen inhouden. Daar is nooit een verklaring voor gegeven. Een wazige veronderstelling van Sartre is deze. Tijdens het zien en horen slaan we voortdurend informatie in het geheugen op. Als nu het bewuste waarnemingsvermogen door welke oorzaak dan ook korte tijd uitvalt, resteert het geheugen, waardoor we ten onrechte denken de scène al gezien of aangehoord te hebben.

De dezer dagen alom waarneembare brandlucht brengt me tenslotte op het volgende. Als u afwisselend het linker en het rechter neusgat dichtdrukt, zult u merken dat beide niet even doorgankelijk zijn. Onlangs is geconstateerd dat een open rechterneusgat gepaard gaat met een relatief actieve linker hersenhelft, en omgekeerd.
De beide hersenhelften hebben een activiteitscyclus van ongeveer anderhalf uur die zich ook weerspiegelt in de doorgankelijkheid van de neus. Omdat woordbetekenissen relatief veel met de linkerhersenhelft te maken hebben, en emoties en ruimtelijke voorstellingen met de rechter, kunt u uw geheugen voor het een of het ander misschien beïnvloeden door een watje in het gewenste neusgat te proppen.

HERINNERING

Moeder, weet je nog hoe vroeger
Toen ik klein was, wij tezaam
ledren nacht een liedje, moeder,
Zongen voor het raam?

Moe gespeeld en moe gesprongen,
Zat ik op uw schoot, en dacht,
In mijn nacht-goed kleine jongen,
Aan ’t geheim der nacht.

Want als wij dan gingen zingen
’t Oude, altijd-eendre lied,
Hoe God alle, alle dingen
Die wij doen, beziet,

Hoe zijn eeuw’ge, groote wond’ren
Steeds beschermend om ons zijn,
– Nimmer zong je, moeder, zonder ‘n
Beven dat refrein –

Dan zag ik de sterren flonk’ren
En de maan door wolken gaan,
d’Ouden nacht met wijze, donk’re
Oogen voor me staan.

Herinnering
Martinus Nijhoff, Verzamelde Gedichten

.

Piet Vroon, Volkskrant 29-12-1984

,

Herinnering en geheugen: alle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1344-1256

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-7)

.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE – GA 293

.

GA= Gesamt Ausgabe, (volledige uitgave): de genummerde reeks boeken en voordrachten van Steiner.

Duitse tekst
Vertaling 

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken bij alle voordrachten.
De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

Blz. 23  vert. 23

MENSBEELDEN
.
We zouden slecht met elkaar kunnen communiceren, wanneer de begrippen die we gebruiken geen vast omlijnde betekenis zouden hebben. Op onze vraag: ‘Wat is de, of een…….?’, moet een raak getypeerd antwoord volgen: de omschrijving die we o.a. in het woordenboek vinden. Eenduidig, zodat er geen misverstanden kunnen ontstaan.
Dat gaat nog het beste met de voorwerpen die we in de ruimte als levenloze materie aantreffen: basalt is geen kalk en klei is geen laagveen.
Het wordt al moeilijker bij begrippen als ‘rood’ of ‘kou’ en het is geen wonder dat, om een zeker houvast te vinden, deze begrippen teruggebracht worden tot wat dan – min of meer – te vatten is in een formule waarin vaste waarden worden gebruikt.
Voor de levende natuur kun je dat ook proberen en op de vraag: ‘Wat is een paardenbloem?’, krijg je meestal het antwoord dat de bloeiende paardenbloem omvat. Maar is de bloeiende paardenbloem dé paardenbloem. Dat is hij toch ook wanneer die zijn pluizenbol vertoont, of zijn eerste blaadjes ontvouwt! Kortom: niet alleen de verschijning in de ruimte, maar ook die in de tijd is wezenlijk.

Voor alles wat leeft, is het veel moeilijker om te zeggen: ‘Het IS’. We hebben vooral ook te maken met: het WORDT!
Voor opvoeders een belangrijk feit: je leerlingen zien als wordende wezens.

En in het algemeen dus ook: de mens zien als een wordend wezen: van geboorte tot dood. Voor Steiner begint en eindigt die wording niet met geboorte en dood, zoals we al zagen: tussen geboorte en dood speelt die zich op aarde af, ‘daar buiten’ gaat de wording verder.

Wanneer je ‘antroposofie’ simpelweg omschrijft als ‘wijsheid omtrent de mens’, zal je, wanneer je Steiners werk ter harte neemt, veelvuldig allerlei ‘wijsheden omtrent de mens’ tegenkomen. Mensenkennis, gezichtspunten die een diepe(re) waarheidskern blijken te bevatten. Gezichtspunten die je eigen standpunten verdiepen, maar vooral ook nuanceren.

Op deze blog zijn een aantal van deze gezichtspunten verzameld onder ‘Rudolf Steiner – wegwijzers’

Neem deze wegwijzer (145) bijv.: 

En zo is het in het leven steeds – de dingen in het leven moeten overal vanuit de meest verschillende kanten bekeken worden.

Und so ist es im Leben immer – die Dinge im Leben müssen überall von den verschiedensten Seiten betrachtet wer­den.
GA 306/85
Op deze blog vertaald/85     zie: 91;  99;  112;  122;  142;  143;  146;  147;  149;  154;  160

Dat van ‘verschillende kanten’ bekijken, geeft Steiner o.a. ook zo weer:

Wanneer een boom van verschillende kanten wordt gefotografeerd, is het nog steeds dezelfde boom, maar de foto’s zien er heel verschillend uit; zo kan ook ieder mens zijn eigen mening hebben – afhankelijk van het standpunt waarop hij zich plaatst.
GA  337b hier in bredere context     

of:

Een begrip, een idee, een gedachte is eigenlijk, zodra men de geestelijke feiten en geestelijke wezens onder ogen ziet, nooit iets anders dan een afbeelding, een foto, die men in de fysieke wereld, laten we zeggen, van een boom maakt. Als men een afbeelding van een boom van een kant neemt en een afbeelding van een andere kant, een afbeelding van een derde kant – deze beelden zien er alle verschillend uit. Ze zijn van een en dezelfde boom, maar ze zien er alle anders uit. En alleen doordat men deze afbeeldingen van de meest uiteenlopende kanten neemt, kan men, doordat men ze vergelijkt, nauwkeurig een voorstelling, een ervaring van de werkelijkheid verkrijgen.
GA 72/81hier in bredere context te lezen.

Steiner hecht grote waarde aan ‘karakteriseren’  i.p.v. ‘definiëren’, d.w.z. vóór je tot een vorm van definitie komt, moet je eerst uitvoerig zoveel mogelijk gezichtspunten onder ogen hebben gezien.

Tegen deze achtergrond is het volkomen begrijpelijk dat Steiner de mens – als de grootste ‘worder’ op aarde – van alle kanten ‘fotografeert’ en karakteriseert: als twee- drie-, vier-, zeven- negenledig, bijv. Of beschreven vanuit het fysieke standpunt, of vanuit de ziel of vanuit de geest.
Dit laatste gebeurt concreet in de Algemene menskunde:
voordrachten 1 t/m 5: vanuit de ziel
6 t/m 10: vanuit de geest
11 t/m/ 14 vanuit het lichaam,

waarbij we ons moeten realiseren dat de scheiding nergens absoluut is!

In dit opzicht maakt ‘antroposofie’ het er niet makkelijker op, in mijn optiek wel interessanter en je wordt er en passant wijzer van. 

.

Over het tweeledig mensbeeld
Over denken – voelen – willen: het drieledig mensbeeld, gaat het in deze voordrachtenreeks [GA 293] zeer uitgebreid en zeer verdeeld over de verschillende voordrachten.
Meer samengevat vind je het hier een aantal artikelen. (Een serie van vier).

Over het vierledig mensbeeld gaat het in deze reeks [GA 293] niet zozeer.

Wél staan op deze blog uiteenlopende opmerkingen van Steiner over:
de vier wezensdelen – ter verdieping vanaf [1-7-2/1]

En verder: die wezensdelen die tot een zevenledig/negenledig mensbeeld leiden:
geestzelf; levensgeest; geestmens: [1-7-2/8]   [1-7-2/8-1]  link 17281

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1343-1255

.

.

.

*

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-4-1/3)

.

In 1905/6 publiceerde Rudolf Steiner in het tijdschrift ‘Lucifer-Gnosis’  (blz. 191-221) een opstel onder de titel ‘Geestesweteschap en het sociale vraagstuk’.
Het werd door de redactie van Jonas bewerkt en in 3 delen gepubliceerd.
Deel 3 (213-221)

Rudolf Steiner

GEESTESWETENSCHAP EN HET SOCIALE VRAAGSTUK 3

WERELDBESCHOUWING ALS BESTRIJDER VAN MENSELIJK EGOÏSME

De voornaamste sociale wet waarop door de geesteswetenschap wordt gewezen, is de volgende:

‘Het welzijn van een groep mensen die met elkaar samenwerken is des te groter naarmate de enkeling minder van de opbrengsten van zijn prestaties voor zichzelf opeist, dat wil zeggen, naarmate hij meer van deze opbrengsten aan zijn medewerkers afstaat, en zijn eigen behoeften minder worden bevredigd uit eigen vermogens dan uit de vermogens van anderen ’.

Alle instellingen binnen een mensengemeenschap, die met deze wet in strijd zijn, moeten na verloop van tijd ergens ellende en nood veroorzaken. Deze hoofdregel heeft ten opzichte van het sociale leven een al even uitsluitende en noodzakelijke geldigheid als een natuurwet die heeft met betrekking tot bepaalde natuurverschijnselen. Men moet nu echter niet denken, dat het al voldoende is als men deze wet als iets moreels in het algemeen erkent, of als men haar bijvoorbeeld zou willen transponeren tot de overtuiging dat een ieder moet werken ten dienste van zijn medemensen. Nee, zo eenvoudig is het niet. De werkelijkheid is, dat deze wet alleen dan wordt nageleefd zoals dat moet, als een groep mensen er in slaagt zodanige organisaties op te bouwen, dat iemand nooit de vruchten van zijn eigen werk voor zichzelf kan opeisen, maar dat deze zoveel mogelijk in hun geheel ten goede komen aan allen te zamen. Daartegenover staat dat hij zelf op zijn beurt moet worden onderhouden door het werk van zijn medemensen. Waarop het dus aankomt is, dat het werken voor de medemensen en het verkrijgen van een zeker inkomen twee geheel van elkaar gescheiden dingen zijn.

Uitweg uit egoisme
Degenen die zich verbeelden dat ze ‘praktische mensen’ zijn, zullen — daarover maakt iemand die de geesteswetenschap beoefent zich waarlijk geen illusies — voor dit ‘idealisme dat iemand de haren te berge doet rijzen’ niet meer dan een glimlach overhebben. Desondanks is de bovengenoemde wet praktischer dan welke andere ook, die ooit door ‘mensen uit de praktijk’ is uitgedacht of in de realiteit is ingevoerd. Wie namelijk het leven werkelijk onderzoekt, zal ontdekken dat iedere gemeenschap van mensen die waar dan ook bestaat, of die ooit ook maar ergens heeft bestaan, twee soorten van instellingen kent. Het ene deel beantwoordt aan deze wet, het andere is ermee in tegenspraak. Zo gaat het namelijk overal, geheel om het even of de mensen het nu willen of niet. Iedere gemeenschap zou namelijk onmiddelijk uiteenvallen, als niet het werk van de afzonderlijke mensen ten goede zou komen aan de totaliteit. Maar ook is het zo dat al van oudsher deze wet werd doorkruist door het menselijk egoïsme, dat altijd heeft geprobeerd voor de betrokkene zelf zoveel mogelijk voordeel uit zijn werk te halen. En alleen datgene wat nu door deze wijze van handelen uit dat egoïsme is voortgekomen, heeft van oudsher nood, armoede en ellende ten gevolge gehad. Dat betekent echter nochtans niets anders dan dat onvermijdelijk dat deel van de menselijke instellingen onpraktisch zal blijken te zijn, dat door de ‘mensen uit de praktijk’ op zodanige wijze tot stand wordt gebracht, dat daarbij of met het eigen egoïsme of met dat van de ander wordt gerekend.

Nu gaat het er natuurlijk niet alleen om dat een dergelijke wetmatigheid wordt ingezien; waar het werkelijk om gaat is de vraag: hoe kan dit inzicht nu ook in praktijk worden gebracht. Het is duidelijk, dat deze wet niets minder dan het volgende kenbaar wil maken: de welvaart der mensen is des te groter, naarmate het egoïsme geringer is. Willen we dit omzetten in werkelijkheid, dan moeten we er rekening mee houden dat we mensen nodig hebben die bereid zijn een uitweg uit dit egoisme te zoeken. Dat is echter praktisch geheel onmogelijk, als de mate van wel en wee van de enkeling wordt bepaald naar zijn werk. Wie voor zichzelf werkt, moet van lieverlede wel een egoïst worden. Alleen hij die geheel en al voor de ander werkt, kan langzamerhand een onbaatzuchtige arbeider worden.

Of dat mogelijk is, hangt echter af van een noodzakelijke voorwaarde. Wanneer iemand voor een ander werkt, dan moet in deze andere mens het motief voor zijn werk aanwezig zijn; en als iemand voor de totaliteit moet werken, dan is het noodzakelijk dat hij de waarde, het wezen en de betekenis van deze gemeenschap kan gewaarworden en voelen. Dat kan hij alleen dan, als deze groep nog iets totaal anders is dan alleen een meer of minder vage som van afzonderlijke mensen. Ze moet vervuld zijn van een wezenlijke geest, waaraan ieder deel heeft. Ze moet zo zijn, dat ieder zegt: ze is goed zo, en ik wil, dat ze zo is.

De gemeenschap van werkenden moet een geestelijke missie hebben; en ieder lid moet eraan willen meewerken, dat deze missie wordt vervuld. Alle onbepaalde abstracte ideeën over vooruitgang, waarover gewoonlijk wordt gepraat, kunnen niet beschrijven wat zo’n missie nu eigenlijk wel zou moeten zijn. Als alleen deze ideeën zouden overheersen, dan zal hier een enkeling werken, of daar een groep, zonder dat ze kunnen overzien wat hun werk meer waard is dan dat zij en de hunnen, en dan misschien ook nog de belangen waar ze bij zijn betrokken, daarmee zijn gediend.
Dit bewustzijn van de collectiviteit moet in allen leven, vanaf de geringste deelnemer.

Collectief bewustzijn
Iets goeds kwam van ouds alleen daar tot stand, waar op de een of andere wijze zo’n levend collectief bewustzijn tot verwezenlijking was gekomen. De afzonderlijke burgers van een Griekse stad in de oudheid, zelfs ook die van een vrije stad in de middeleeuwen hadden nog zo iets als althans een vaag gevoel van zo’n collectieve geest. Zonder twijfel is het ook waar, dat bijvoorbeeld de desbetreffende instellingen in het oude Griekenland alleen mogelijk waren, omdat men een leger van slaven had, die voor de ‘vrije burgers’ het werk verrichtten en die daartoe niet werden aangedreven door de collectieve geest, maar door de dwang van hun meester. Aan dit voorbeeld valt slechts één ding te leren, namelijk dat de kern van het menselijk leven is gelegen in de ontwikkeling. De mensheid bevindt zich nu in een stadium, waarin een oplossing van het maatschappelijke probleem, zoals die in het oude Griekenland werd toegepast, niet meer mogelijk is. Zelfs voor de edelste Griek gold de slavernij niet als een onrecht, maar als een menselijke noodzakelijkheid. Daarom kon bijvoorbeeld de grote Plato een ideale staat vormen, waarin de collectieve geest daardoor tot vervulling kwam dat de meerderheid, bestaande uit werkende mensen, tot werken werd gedwongen door de weinigen die het juiste inzicht hadden. De opdracht van het heden is echter, de mensen in een dusdanige situatie te brengen dat ieder voor zich geheel uit eigen vrije beweging doet wat van belang is voor het geheel.
Daarom moet niet worden gezocht naar een voor alle tijden geldige oplossing van de sociale kwestie, maar enkel en alleen maar een vorm van sociaal denken en werken die rekening houdt met de rechtstreekse behoeften van de tijd waarin men leeft. Er is niemand die vandaag de dag het een of ander theoretisch kan uitdenken of tot realiteit maken, wat de sociale kwestie als zodanig zou kunnen oplossen. Daartoe zou hij de macht moeten hebben om een aantal mensen te dwingen hun plaats in te nemen in de door hem geschapen situaties. Er kan dan ook geen enkele twijfel over bestaan: als Owen de macht of de wil zou hebben gehad alle mensen van zijn kolonie te dwingen het werk te doen dat hun was toegedacht, dan had het plan moeten lukken. Maar in de tegenwoordige tijd kan er geen sprake zijn van een dergelijke dwang. Het moet mogelijk worden gemaakt dat een ieder vrijwillig datgene doet, waartoe hij het meest geschikt is vanwege zijn persoonlijke aanleg en vermogens. Maar juist daarom kan het er nooit ofte nimmer om gaan, in de zin van het bovengenoemde manifest van Owen zodanig ‘theoretisch’ op de mensen in te werken, dat hen alleen maar een bepaalde opvatting zou worden bijgebracht over hoe de economische omstandigheden het beste zouden zijn te regelen. Een nuchtere economische theorie kan nooit een stimulans zijn tegenover de egoïstische machten. Een tijdlang kan zo’n economische theorie de massa’s met een geestdrift bezielen, die in schijn overeenkomst vertoont met een idealisme. Op den duur echter kan zo’n theorie niemand baten. Wie zo’n opvatting op een mensenmassa overplant zonder haar tegelijk iets anders te geven dat werkelijk geestrijk is, die pleegt een vergrijp tegen de ware betekenis van de menselijke ontwikkeling.

Wereldbeschouwing
Het enige wat hier echt kan helpen is een geestelijke wereldbeschouwing, die door datgene wat ze vanuit zichzelf heeft te bieden, in de gedachten, in de gevoelens, in de wil, kortom in de hele ziel van de mens leeft. Het geloof van Owen, dat de mens van nature goed is, is slechts gedeeltelijk waar, anderzijds is het echter een van de ergste illusies. Het is in zoverre juist, dat er inderdaad in iedere mens een ‘hoger zelf’ sluimert, dat kan worden gewekt. Maar het kan alleen uit zijn sluimering worden verlost door een wereldbeschouwing, die de bovengenoemde eigenschappen heeft. Breng je dan mensen in instellingen zoals ze door Owen waren bedacht, dan zal het de gemeenschap uiterst voorspoedig gaan. Breng je echter mensen bij elkaar die niet zo’n wereldbeschouwing hebben dan zal het goede, dat in de instellingen aanwezig is, na kortere of langere tijd noodzakelijkerwijze in iets slechts moeten veranderen. Bij mensen zonder een zich op de geest richtende wereldbeschouwing is het namelijk onvermijdelijk dat juist die instellingen, die de materiële welstand bevorderen, ook een toename van het egoïsme bewerkstelligen en daarmee van lieverlede nood, ellende en armoede doen ontstaan. Het is nu eenmaal in de meest letterlijke zin waar: men kan alleen de eenling helpen door hem zonder meer enkel brood te geven; een gemeenschap kan men alleen brood verschaffen door haar aan een wereldbeschouwing te helpen. Het zou namelijk ook helemaal nergens toe dienen, als men van de gemeenschap ieder lid afzonderlijk brood zou willen geven. Na enige tijd zou de zaak zich dan toch onvermijdelijk zodanig hebben ontwikkeld, dat velen weer geen brood hebben.
De kennis van deze grondstellingen ontneemt bepaalde mensen, die zich graag als gelukbrengers van het volk zouden willen opwerpen, ongetwijfeld menige illusie. Want ze maakt het werken voor het sociale welzijn tot een heel moeilijke zaak. En daar komt dan nog bij dat onder bepaalde omstandigheden de resultaten uit niet meer dan een incidenteel succesje blijken te bestaan. Het meeste van wat heden door alle politieke partijen ter genezing van het sociale leven naar voren wordt gebracht, verliest zijn waarde en blijkt alleen maar illusie en ijdel gepraat te zijn, zonder voldoende kennis van het menselijk leven. Geen parlement, geen democratie, geen massale propaganda, niets van dat alles kan voor degene die goed nadenkt enige betekenis hebben, als het de hier besproken wet schendt. Maar dat alles kan ook gunstig werken, wanneer het zich maar aan de geest van deze wet weet te houden. Het is een grote illusie, te menen dat de een of andere afgevaardigde van het volk in het een of andere parlement iets zou kunnen bijdragen aan het heil van de mensheid, als er niet door hen wordt gewerkt in de geest van deze voornaamste sociale regel.

Algemene vooruitgang
Steeds als deze wet ergens op de voorgrond treedt, telkens als iemand ergens in de geest ervan werkt voor zover hem dat mogelijk is op de hem toegewezen plaats in de menselijke gemeenschap: telkens dan wordt er iets goeds bereikt, al is dat voor elk geval afzonderlijk misschien ook nog zo weinig. En alleen op grond van zulke incidentele, op een dergelijke manier tot stand gekomen successen, wordt een heilzame sociale algemene vooruitgang bereikt. Het komt stellig ook wel voor, dat in speciale gevallen grotere gemeenschappen van mensen een bijzondere aanleg blijken te bezitten om te helpen bij het in één keer een groter succes in de aangeduide richting te behalen. Er zijn ook nu al bepaalde gemeenschappen, waartoe mensen behoren in wie zich een dergelijk werken voorbereidt. Door hen zal het mogelijk zijn dat met hun hulp de mensheid als het ware een ruk, een sprong vooruit maakt in de sociale ontwikkeling. De geesteswetenschap kent zulke gemeenschappen; het ligt echter niet op haar weg om over zulke dingen in het openbaar te spreken. Er bestaan echter wel middelen om grotere mensenmassa’s tot zo’n sprong, die zelfs al wel binnen afzienbare tijd kan worden gemaakt, voor te bereiden. Iedereen kan echter nu al op zijn eigen terrein in de geest van genoemde wet werken. Er is geen mens in de wereld die een positie heeft waarin dit niet kan: zelfs al lijkt ze schijnbaar nog zo onbeduidend of ook nog zo invloedrijk.

Het belangrijkste is stellig wel, dat een ieder zich wegen zoekt naar een wereldbeschouwing die zich richt op ware kennis van de geest. De geesteswetenschappelijke richting kan voor alle mensen tot een dergelijke opvatting worden, als ze zich maar hoe langer hoe meer op zodanige wijze verder ontwikkelt als overeenstemt met haar inhoud en de in haar aanwezige mogelijkheden. Door haar kan de mens ervaren, dat hij niet toevallig op de een of andere willekeurige plaats en op de een of andere willekeurige tijd is geboren, maar dat hij door de geestelijke wet van oorzaak en gevolg (het karma) met ijzeren noodzakelijkheid juist op die plaats is neergezet, waarop hij zich nu bevindt. En het wordt hem mogelijk in te zien dat zijn goed gemotiveerde lot hem in juist deze gemeenschap van mensen heeft geplaatst, waarvan hij nu deel uitmaakt. Ook wat betreft zijn capaciteiten kan hij gewaar worden, dat ze hem niet door een blind toeval ten deel zijn gevallen, maar dat ze een bepaalde betekenis hebben binnen de grenzen van de causaliteitswet. Het verband van dat alles kan hij zodanig leren doorzien, dat het meer wordt dan alleen maar een nuchtere verstandszaak, zodat door dit inzicht geleidelijk zijn hele ziel wordt vervuld met innerlijk leven.

Hogere wil
Intuïtief zal hij weten dat hij aan een hogere wil gehoorzaamt, als hij werkend de hem gegeven plaats in de wereld inneemt en daarbij de hem gegeven talenten zo goed mogelijk gebruikt. Geen vaag idealisme zal het gevolg zijn van dat inzicht, maar een machtige impuls voor al zijn krachten, en hij zal een zo gericht handelen als net zoiets vanzelfsprekends beschouwen als in een ander opzicht het eten en drinken. En van nu af aan zal hij ook beseffen wat de zin is van de menselijke gemeenschap, waartoe hij behoort. Hij zal de relaties, waarin deze gemeenschap tot anderen staat, gaan begrijpen; en zo zullen de afzonderlijke figuren van deze gemeenschappen zich verbinden tot een doelmatig en geestrijk beeld van de uniforme missie van het hele mensdom. En daarna is het ook niet moeilijk meer om inzicht te krijgen in de zin van het totale bestaan der aarde. Alleen degene die zich niet werkelijk met de hier aangegeven wereldbeschouwing bezighoudt, kan in twijfel trekken of haar uitwerking wel zodanig moet zijn als hier wordt aangegeven. In de huidige tijd zijn weliswaar de meeste mensen weinig geneigd zich met zoiets in te laten. Maar het kan niet uitblijven, dat de ware geesteswetenschappelijke wijze van voorstellen steeds wijdere kringen gaat trekken. En naarmate zij dat doet, zullen de mensen de juiste maatregelen weten te treffen om de sociale vooruitgang te bewerkstelligen. Het is welbeschouwd niet juist aan de waarheid hiervan te twijfelen omdat naar men zegt tot op heden geen enkele wereldbeschouwing de mensheid het geluk heeft gebracht. Volgens de ontwikkelingswetten der mensheid kon op geen enkel eerder tijdstip datgene gebeuren wat van nu af aan van lieverlede mogelijk wordt: een wereldbeschouwing te geven met de hoop op het aangeduide praktische resultaat, die voor alle mensen geldig is. De wereldbeschouwingen die er tot nu toe zijn geweest, waren voor slechts enkele groepen mensen toegankelijk. Maar wat tot dusver in het mensdom aan goeds tot stand is gekomen, komt nochtans van deze wereldbeschouwingen. Alleen een wereldbeschouwing die aan iedereen iets heeft te zeggen en in alle mensen het innerlijke leven weet op te wekken, kan leiden tot een algemeen heil. Het is de geesteswetenschappelijke denkwijze die daartoe in staat zal zijn, overal waar zij daadwerkelijk aan haar opzet beantwoordt.
Natuurlijk is het niet juist om zonder meer de blik gericht te houden op datgene, waartoe deze denkwijze tot nog toe heeft geleid; om datgene wat gezegd is te erkennen als juist, is het noodzakelijk om in te zien dat de geesteswetenschap zich eerst tot op het niveau van haar hoge culturele missie zal moeten ontwikkelen. Tot op heden kan ze het gezicht, dat ze eens zal laten zien, om meer dan één reden nog niet vertonen. Eén van deze redenen is, dat ze eerst ergens vaste voet moet krijgen. Ze moet zich daarom tot een bepaalde groep mensen wenden. Dat kan uit de aard der zaak geen andere zijn dan die, welke door de bijzondere aard van haar ontwikkeling uit zichzelf al een vurig verlangen koestert naar nieuwe oplossingen voor de raadselen van de wereld, en die door de vooropleiding van de in haar verenigde personen begrip en belangstelling voor een dergelijk antwoord op de huidige problemen kan tonen. Vanzelfsprekend moet de geesteswetenschap haar uitspraken voorlopig in zulke bewoordingen inkleden, dat deze is aangepast aan de aangeduide groep mensen. Naar gelang dan bovendien de noodzakelijke voorwaarden daartoe vervuld zijn, zal de geesteswetenschap zeker ook die termen vinden, waarmee ze tot nog andere kringen kan spreken. Alleen iemand, die beslist kant en klare starre dogma’s wil hebben, kan de tegenwoordige vorm van de geesteswetenschappelijke verkondiging voor een blijvende, of zelfs ook de enig mogelijke houden. — Juist omdat het er de geesteswetenschap niet om kan gaan, alleen maar theorie te blijven, of alleen maar de weetgierigheid te bevredigen, moet ze in dit opzicht langzaam werken. Haar streven is er immers juist op gericht de gekarakteriseerde vooruitgang van de mensheid in de praktijk te brengen. Ze kan deze vooruitgang echter alleen dan verwerkelijken als ze de reële voorwaarden daartoe schept. En deze voorwaarden kunnen op geen andere wijze worden vervuld dan door de mensen er één voor één voor te winnen. Alleen als de mensen het willen, komt de wereld vooruit. Om hen echter zover te brengen, is het noodzakelijk dat bij iedereen een grote mate van innerlijke activiteit wordt ontwikkeld. En dat kan alleen stap voor stap worden bereikt. Zou dit niet het geval zijn. dan zou ook de geesteswetenschap op sociaal gebied hersenschimmen oproepen, en in de praktijk niets tot stand brengen.
.

Vertaald door Co Rotermundt, Jonas 23, 30-07-1976
.

Algemene menskunde  1-4          1-4-1/1         1-4-1/2

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1342-1254

.