VRIJESCHOOL – klas 6 – natuurkunde -geluid (1-1)

.
Thor Keller, Erziehungskunst jrg.50, 7/8 1986 blz. 457

.

KLAS 6: HET EERSTE NATUURKUNDEONDERWIJS
.

Rudolf Steiner heeft bij de oprichting van de vrijeschool in 1919 in het leerplan vastgelegd dat al in de 6e en 7e klas moet worden begonnen met natuur- en scheikunde. Dat vond plaats in een tijd waarin deze twee vakken nog weinig ingang in het openbare schoolleven hadden gevonden. Ja, zelfs in de jaren 1960 begonnen de gymnasia (in Duitsland) pas in de 8e, resp. 9e klas met het onderwijs in deze vakken.

Het waren geen overwegingen van ‘nuttigheid’ die Rudolf Steiner de aanleiding gaven om deze stap te zetten, maar zijn kennis van het wezen van de mens en de ontwikkeling van het kind.

onderverdeling van de 2e zevenjaarsperiode
Iedere zevenjaarsperiode in de ontwikkeling van een kind kan nog eens in drie onderliggende fasen verdeeld worden. Ongeveer op de leeftijd van 91/jaar gaat het kind over een belangrijke grens; Rudolf Steiner noemde deze de Rubicon. Het kind verlaat definitief het rijk van het beleven in denken en voelen waarin het vóór die tijd woonde en het richt zich nu sterker dan tot nog toe op de aardse wereld om hem heen.
Het onderwijs in klas 3 ondersteunt deze weg in school door het scheppingsverhaal van het Oude Testament te vertellen en door daarbij aansluitend het ‘oer’werk d.m.v. de belangrijkste beroepen die voor het leven van de mens op aarde noodzakelijk zijn met de kinderen te behandelen: de boer, de molenaar, de bakker, de timmerman, de schoenmaker, de wever, de kleermaker, de metselaar enz.
Op ongeveer 112/jaar is er weer een markeringspunt in het rijp worden voor de wereld. Ongeveer 13 jaar oud kan het kind de causale gedachtegang oorzaak-gevolg gaan begrijpen.
Tot ongeveer deze leeftijd beleeft het de wereld op de manier van ‘als…..dit, dan….dat, bijv. als je dit met de auto doet, gaat hij rijden. Vooralsnog is het kind daarmee volledig tevreden. Een natuurkundig-causale verklaring begrijpt het kind nog niet echt. Zou je vóór het 12e jaar het kind toch steeds maar dwingen causaal te denken, dan zou je zijn mentale en psychische ontwikkeling geweld aandoen, een verkeerde kant op sturen en zijn denken eenzijdig ontwikkelen. De kinderziel die nog dromend in het beeldende leeft zou beschadigd worden; bepaalde krachten die pas later zover zijn, zouden te vroeg aangesproken worden. Zou je daarentegen het tot ontwikkeling gekomen vermogen om causaal te denken niet aanspreken, bleef dat terrein braak liggen en het vermogen zou achteruitgaan. Dan kon het later weleens moeilijker zijn dit weer te mobiliseren en er adequaat mee te opereren. Het gevaar bestaat dat deze denkkrachten, wanneer ze niet worden aangesproken en gecultiveerd, een eigen weg gaan; ze beginnen te ‘woekeren’ en de jonge mens gaat spculeren, alleen op zichzelf aangewezen met nauwelijks het vermogen de juistheid van wat hij achtereenvolgens denkt aan de werkelijkheid te kunnen verifiëren.

In de loop van de geschiedenis heeft de mensheid wat de natuurkunde betreft, een bepaalde, tegenwoordig goed te overziene weg afgelegd.
Wanneer de leerkracht nadenkt over de opbouw van de eerste natuurkundelessen voor deze leeftijd, biedt de historische weg de hem mogelijkheden.

AKOESTIEK
Voorbeelden uit de geluidsleer van het eerste natuurkundeonderwijs kunnen dit verduidelijken:
Vanaf de 1e klas wordt er op de vrijeschool veel aan muziek gedaan en ook het spreken, de spraak, het reciteren komt ruim aan bod en wordt in veel vakken verzorgd en geoefend. Niet alleen speelt het kind blokfluit en wordt er in de les veel gezongen en gefloten, maar ook bij het spreken en in de euritmieles heeft het op een veelzijdige manier met geluid te maken. Daar kan de leerkracht in de eerste natuurkunde-uren bij aansluiten.
Als eerste maakt de leerkracht de kinderen nog eens attent op de veelheid tonen en geluiden die vanuit de wereld op hen toekomen: het geluid van de dieren is hun bekend. Maar hoe zit het eigenlijk met de planten? Uit zichzelf maken ze geen geluid. De wind moet bijv. eerst door het bos gaan, wil er geruis en geritsel in en aan de bomen ontstaan. En stenen geven alleen geluid als je ze tegen elkaar slaat. Hoeveel geluiden brengt het water voort: kabbelen, gorgelen, koken, ruisen, bruisen, razen, ….
Wanneer je de aandacht van de kinderen hebt gewekt, moeten ze hun ogen dichtdoen en sla je op verschillende voorwerpen: hardhout en bijv. vurenhout, lood, ijzer, koper, een bord, een glas, een kapot glas en sleutelbos, een vioolsnaar enz. enz. Vaak herkennen de kinderen het voorwerp meteen aan de klank.
Dit begrip moet je dan de volgende dag, waneer de kinderen de ervaring de nacht mee hebben in genomen, in een gesprek weer uitwerken.
We kunnen, wat we onderzocht hebben, dan specificeren en luisteren hoe de verschillende houtsoorten klinken. Dan neem je een groot, een klein, een dik en een dun stuk vurenhout: ze klinken allemaal anders. Kortere en langere ijzeren staven net zo. De klankkleur blijft wel aanwezig, maar de toonhoogten verschillen.
Zo ontstaat er een tweede begrip.
Uiteindelijk bespreek je ook hoe in het dagelijks leven heel vaak bij het onderzoeken van voorwerpen het geluid een rol speelt: de dokter beluistert de patiënt, de koopman klopt vóór de verkoop op bord en glas, de metselaar hoort door kloppen waar cement losgelaten heeft, de timmerman op de vloer om de onderliggende balk te lokaliseren, in Italië werden zilveren munten op een marmeren tafel gegooid om de echtheid te onderzoeken, enz.
De kinderen luisteren niet alleen, ze moeten wat ze waarnemen mondeling en dan schriftelijk weergeven. Daarbij moeten de fenomenen goed worden waargenomen en het meest doeltreffende woord moet worden gevonden om het zo beknopt mogelijk te kunnen opschrijven.
Een van de oudste instrumenten is de lier. In het monochord hebben we dit instrument in de meest eenvoudige vorm voor ons. We spannen en ontspannen een snaar en horen hoe de toonhoogte verandert. Dan zetten we er een blokje onder en verdelen de snaar precies in twee gelijke stukken. We strijken de ene helft aan. Met verbazing horen de kinderen een octaaf. Wanneer we op driekwart aanstrijken, klinkt de kwart. Zo wordt geleidelijk de hele toonladder opgebouwd.
Wanneer de getalverhoudingen dan op het bord staan, ontdekken de kinderen tot hun grote verrassing hoe muziek en breuken nauw met elkaar samenhangen. Zo kun je bijv. voor een snaar van 1.80m precies aangegeven waar je het blokje moet zetten om een de kwint (op 
2/3) te krijgen, dus op 1.20m. Ook de regel wanneer consonanten (harmoniërend) en dissonanten ontstaan, wanneer er twee snaren worden aangestreken kan op dit instrument goed ervaren worden.
Dan kom je bij geschiedenis: Pythagoras en zijn leerlingen hebben rond 540 v. Chr. deze wetten al uitgewerkt.
Een volgende stap zou kunnen zijn het ontstaan en laten ontstaan van klank nader te beschouwen.
Je slaat een stemvork aan die je in een glas water houdt. ‘Het spat’, roepen de kinderen opgewonden en ze willen het nog een paar keer zien.
[wellicht en overvloede, de auteur noemt het niet zo duidelijk: laat vooral de kinderen veel (mee(r)doen!]
Wanneer je een glasplaat beroet en je neemt dan de stemvork met de kleine, gebogen stalen schrijfpen, die je aanslaat en met de pen over de plaat, zie je wat een wonderschoon golfpatroon de pen trekt in het roet. Dat kan niemand bijna zo gelijkmatig.
Zo komen we bij het feit dat een lichaam moet trillen, vibreren; dat alle voorwerpen die klinken, trillen.
De Chladnische klankfiguren kunnen een indrukwekkende afsluiting zijn voor dit onderwerp.

Vanzelfsprekend hebben we het aansluitend ook over het menselijk strottenhoofd en wanneer de jongens al zover zijn, over de ‘baard in de keel’, de stemwisseling.

Bij alle proeven en besprekingen zijn deze drie stappen wezenlijk:
-proef met waarnemen en beschrijving
-verwerking van het wetmatige
-toepassing in het dagelijks leven

Wanneer je als leerkracht er nog in slaagt de leerlingen te stimuleren thuis ook dingen als proef te doen of om bijv. zelf ‘apparaten’ te bouwen, zou dat een mooi resultaat zijn.

Op dezelfde manier worden ook de andere gebieden onderzocht: de optiek, de warmteleer, magnetisme en (statische) elektriciteit.

De opbouw van het natuurkundeonderwijs is zo dat er steeds van het waarnemen wordt uitgegaan en nooit van de wet of de regel. De wereld moet eerst spreken:
Doordat de kinderen zelf stap voor stap de weg bewandelen van het exacte waarnemen en beschijven van de fenomenen via het samenvatten en indelen van losstaande verschijnselen in regels of wetten, beleven ze de wetten intensiever, maar ook het wonder van de natuurkunde, dan wanneer ze eerst een wet of regel voorgezegd krijgen die ze dan daarna door proeven gaan bevestigen.
Met verbazing, zij het eerst nog half bewust, beleven ze de ordening van de natuur.

De klassenleerkracht kan steeds weer waarnemen hoe juist het tijdstipvoor de eerste natuurkunde  is dat Rudolf Steiner aangaf.

De kinderen kijken, omdat ze nu in hun ‘realistische jaren’ komen waarin ze de processen in de wereld willen begrijpen, met heel andere ogen die veel meer opmerken, naar hun omgeving en ze beginnen de wetmatigheden te begrijpen. Aan het eind van hun kindertijd beleven ze de ordening en wetmatigheid van de wereld. Dat geeft vanbinnen houvast en de nodige psychische zekerheid voor de komende jaren.
.
.
Natuurkunde: alle artikelen

12-jarige kind

.
1435-1344

.

.

VRIJESCHOOL – Natuurkunde – alle artikelen

.

KLAS 6 – 7
Overzicht van de lesstof voor natuurkunde en mechanica, met een aantal voorbeelden.

KLAS 6     in de artikelen voor klas 6 bevinden zich ook elementen voor klas 7

[1-1] Geluid
Thor Keller over: ontwikkeling kind rond 9/10  en 11/12 heemkunde-natuurkunde; natuurkunde klas 6: hoe geef je periode; geluid/akoestiek, klank, monochord, intervallen; hoe kom je tot ‘wetten’.

[1-2] Geluiden
Pieter HA Witvliet over: aardse geluiden; van planten; van dieren; mensen.

[1-3] Het ontstaan van het wetenschappelijke uit het kunstzinnige
Hermann von Baravalle over: hoe je de akoestiek kan brengen vanuit de muziek, hier via het monochord; suggesties van meerdere proeven hiermee.

[1-4] Leerlingen zouden bij natuurkunde meer moeten kunnen doen
Leerlingen middelbare school geven antwoord op de vraag waarom er zo weinig voor techniek kiezen

[2-1] Natuurkunde in de 6e klas
Christian Breme over: de drie stappen: waarnemen, terughalen, beschouwen; voorbeelden uit de les: statische elektriciteit; raakvlak met ‘Filosofie van de vrijheid; het gevaar van te veel proeven.

[3-1] Licht
Willem Beekman over: wat is licht; fenomenologische benadering; op een dergelijke manier kun je leerlingen het licht laten ontdekken.

[3-2] Wat doet het licht
Cordula Zeylmans over: het verkleurend blad als fenomenologisch verschijnsel; licht; lichtprocessen, chlorofyl en anthocyaan; denken en waarnemen; denken en idee.

[3-3] Licht
Piet Vroon
over: wat doet licht met ons; depressie; pijnappelklier; kleuren, nabeeld.

[3-4] De mens kan het daglicht niet missen
Joke Meijer
over: rachitis, intensiteit van licht; vitamine D (3); leukemie; gevolgen biologisch jaarritme: zelfmoord, bevruchting, winterdepressie; vlakker worden van ritmen.

[3-5] Licht en donker
Thor Keller
over: licht en donker in klas 6; waarom natuurkunde op het 12e jaar; verschillende proeven; hoe beschrijf je ze.

[3-6] Het ontstaan van het wetenschappelijke uit het kunstzinnige
Hermann von Baravalle over: licht en kleur; proeven voor primaire, secondaire en complementaire kleuren; zonsopkomst en zonsondergang; proeven met het prisma.

[4-1Kleurenleer tussen licht en donker
J.M.Bierens de Haan
over: yang en yin; I tjing; Kabbala; samenhang met denken, voelen, willen; natuurwetenschap: te veel yang, te weinig yin; Newton prismaproef; Goethe prismaproef; kleuren;

[4-2] kleur
A.M.Muller over: kleur in voor- en najaar; kleur overdag; primaire en complementaire kleur; Goethes kleurenleer; warme en koude kleuren; actieve en rustige’; kleurencirkel.

KLAS 8

[1-1Voorstel voor een eerste natuurkundeperiode
Walter Kraul
over: terugblik op natuurkunde in 6e en 7e klas; hydrostatica; hydrodynamica; soortelijk gewicht; aerostatica; Archimedes.

[1-2] Voorstel voor een eerste natuurkundeperiode
Walter Kraul over: aerodynamica; meteorologie: winden, golfstromen, wolken.

[2] Eerste meteorologie
Giselher Wullf over: barometer – zelf maken; hoge- en lagedrukgebied; wind; wolken; Goethe: wolkengedicht: stratus, cumulus, cirrus, nimbus; moesson; tegenstelling Oost-Azië-Noord-Amerika

.

8e klasalle artikelen

.

1434-1343

.

..

.

VRIJESCHOOL – november

.

Elke maand heeft z’n eigen naam en rondom deze naam circuleren allerlei beweringen, weven zich soms geheimzinnige verhalen, kortom: folklore.

NOVEMBER SLACHTMAAND

Met november begint de elfde maand van het jaar. Tenminste op onze kalender. Op de oud-Romeinse kalender was het de negende maand. Dat zie je nog aan het woord november, want novem betekent negen.

Vroeger werd in deze tijd geslacht voor de winter. Na het slachten werd het vlees gezouten en gerookt en de stukken ham en de worsten werden aan de zoldering in de kamer gehangen. Vanwege dat slachten wordt november slachtmaand genoemd. De dieren werden geslacht door een huisslachter. Als er een varken geslacht werd, stond iedereen er omheen om te kijken of het beestje wel goed ”smeerde”, dat wil zeggen goed vet was.

Naar die uitdrukking “smeren” heet november ook wel smeermaand. Nauurlijk vloeide er tijdens het slachten veel bloed. En vandaar dat november ook de naam bloedmaand heeft.
Maar november heeft nog meer namen. Het was vroeger de gewoonte dat de notabelen van het dorp (de burgemeester, de dominee, de dokter, de notaris) stukken van het varken als geschenk kregen toegezonden door de boeren. Als dank daarvoor zonden de notabelen weer een cadeautje aan de boeren. Zodoende heeft november ook wel zendekensmaand. En omdat ter gelegenheid van de slacht visites werden georganiseerd waar heel veel gasten kwamen om lekker te eten en te drinken, wordt november ook gastmaand genoemd.

November begint met een katholieke feestdag: Allerheiligen, de dag die op de grens staat van het zomer- en het winterhalfjaar. Allerheiligen opent het donkere jaargetijde. Op Allerhéiligen volgt op 2 november Allerzielen, een dag gewijd aan de herdenking van de doden.

3 november is het Sint-Hubertusdag, naamdag van de heilige Hubertus, de schutspatroon van de jagers. 11 november is het Sint-Maarten en 25 november ten slotte is het Sint-Katharina. Dat was een belangrijke dag voor de boeren, want: Met Sint-Kathrijn moeten de koeien aan de lijn. Met andere woorden: de koeien moesten voor de winter van het weiland naar de stal gebracht worden.

.

bron onbekend

.

november in het volksgeloof

Verschillende oude benamingen van de maand november als ‘wintermaand’, ’vorstmaand’, ‘smeermaand’, ‘slachtmaand’, enz. kunnen we heden ten dage nog heel goed begrijpen en deze namen spreken voor zichzelf. Alleen de naam ‘smeermaand’ is niet zo heel duidelijk, maar wordt dit toch wel, als men weet dat met smeer ‘vet’ bedoeld wordt. ‘Smeermaand’ is dus de maand voor het inzamelen van vet, dus: slachten!

De slimme pastoor
Lang bleef het gebruik gehandhaafd, dat de boer, die slachtte, de geestelijke verzorger van de gemeente, waartoe hij behoorde en ook veel notabelen, die hij te vriend moest houden, in de slachttijd met een flink stuk spek vereerde. Ook boter werd wel bij deze personen thuisgebracht. Volgens een oud verhaal, dat voortleeft in het zuiden des lands, beklom eens een pastoor ’s zondags de kansel met de mededeling, dat hij dit keer niet zou preken, maar liever een raadsel wou opgeven. Verbaasde en tegelijk nieuwsgierige gezichten der gemeenteleden.

’Ik weet iets,’ aldus de pastoor, ‘dat jullie niet weten. En jullie weten iets,’ zo vervolgde hij, ‘dat ik niet weet’.
Inderdaad was zo’n raadsel moeilijk op te lossen. Daarom gaf de pastoor de oplossing er maar dadelijk bij. Hij wist namelijk, dat zijn boterpot leeg was. De gemeenteleden wisten dat natuurlijk niet. Doch de herder en leraar wist niet of de hem toevertrouwde kudde de pot weer met het kostelijke zuivelprodukt zou willen vullen. En dat wist deze vanzelfsprekend wel.
Ook onze slimme zieleherder wist het echter spoedig: reeds de volgende dag sjouwde men zwaar geladen korven de pastorie binnen!

Weerrijmen
In rijm sprak de volksweerkunde zich over november, profeterend uit, inzake de komende weersgesteldheid:

‘November met zijn regenvlagen,
Brengt verkoudheid, jicht en and’re plagen.’

’Het nakomertje van Allerheiligen,
Kan ons voor de winter niet beveiligen.’

‘Geeft Allerheiligen zonneschijn,
Dan zal het spoedig winter zijn.’

Een verdwenen volksgebruik
Het komt natuurlijk voor, dat niet alle boeren met hun veldarbeid klaar zijn met november. Oudtijds was het dan de gewoonte, dat men van zo’n boer de op het veld achtergelaten gereedschappen of andere voorwerpen op een eenzaam plekje verstopte, waar hij het dan moest trachten op te sporen.

Virgilius heeft gezegd:
’t Is een gelukkig man,
Die precies van alle dingen
Grond en oorsprong weten kan.

Zo is het ook met betrekking tot dit volksgebruik.

Sint-Elizabeth
De naam van deze heilige is diep in het geheugen gegrift, door de vreselijke vloed van 19 november 1421, bij welke geweldige overstroming duizenden hun graf in de golven hebben gevonden. Veel dorpen in de Zuidhollandse Waard enz. gingen ten onder.
Dat wij dit historisch feit hier releveren in een folkloristisch artikeltje, vindt zijn oorzaak in het feit, dat we hier een legende willen mededelen in verband met deze vloed.

Jaarlijks verscheen namelijk op de eerste januari in Zevenbergens haven een meermin, die steeds weer de sombere voorspelling herhaalde, dat eenmaal deze plaats door de golven zou worden verzwolgen. En op 1 januari 1421 zong een duo van meerminnen het onheilspellend lied, waaraan echter geen enkele inwoner van Zevenbergen geloof sloeg:
Zevenbergen zal vergaan,
Maar de Lobbekens toren zal blijven staan.

Velen spotten met deze voorspelling. Toen 19 november aanbrak veegden de woeste wateren ook Zevenbergen van de aarde weg… uitgezonderd de Lobbekenstoren!

Weerprofeten geloven nog aan het rijm:
’Sint-Elisabeth doet verstaan
Hoe de winter zal vergaan.’

Andere heiligendagen
25 november is aan de H. Catharina gewijd. Met deze datum houden de herfstregens op, zodat:

’Sint-Catharijne doet het zonnetje schijnen,
Laat de regen overgaan,
Zodat de kinderen naar school kunnen gaan.’

Deze dag is ook een belangrijke dies criticus.

‘Vriest het met Sint-Catharijn. dan zal de vorst zes weken aanhouden (vgl. St. Margriet: 6 weken regen!)

Om van het ’ Sinte-Katriensnieltje’ (huiduitslag) genezen te worden, moet men zich laten overlezen te Horendonck (gemeente Esschen), dat druk door West-Noordbrabanders werd bezocht.

Sint-Andries
Ook deze datum (30 november) nam, evenals 1 oktober (Bamis) een belangrijke plaats in in het boerenleven. Deze dag eindigde ook wel de landpacht. Knechtsmeiden zochten tegen deze datum vaak een andere betrekking.

Volgens de volksweerkunde schijnt nu de winter definitief te komen, want:

’ Sint-Andries,
Brengt de vries.’

H. P. VAN lPEREN Andel (N.B.) in Vacature, Zutphen, nadere gegevens onbekend
.

Sint-Hubertus
Een heilige die veel bekendheid kreeg, is Sint-Hubert, eens een hartstochtelijk jager. Van hem wordt verteld dat hij op een dag tegenover een hert kwam te staan dat tussen zijn gewei een lichtend kruis droeg.
Het was een bijzonder hert; het dier zei tegen Hubertus – toen nog geen Sint – dat hij voor eeuwig verdoemd zou zijn als hij zich niet intenser met geestelijke zaken zou bezig houden. Diep onder de indruk viel de jager op zijn knieën en begon te bidden. Toen hij weer opkeek was het hert verdwenen. Deze gebeurtenis werd het keerpunt in het leven van Hubertus. Hij stelde zich in dienst van de kerk en werd priester, bisschop zelfs naar men zegt.

Het kruis en het gewei heeft bouwmeester Berlage beide verwerkt in het jachtslot op de Hoge Veluwe dat naar Hubertus genoemd is. De gebogen vleugels van het gebouw met hun vertakkingen van luchtkokers en schoorstenen vertonen de vorm van een hertengewei; in de toren is het kruis verwerkt. Ook in het interieur van het Sint-Hubertusjachtslot is de levensweg van Hubertus gesymboliseerd; in de hal vindt men gebrandschilderde ramen waarop Hubertus in felpaarse mantel knielt voor het wonderlijke hert. Hubertus mag dan zelf de brui aan het jagen hebben gegeven, hij is toch de patroon van de jagers geworden. Heel bekend is de Hubertus slipjacht die op de derde zaterdag van november vele liefhebbers naar Udenhout trekt. Men begint met een mis die wordt opgeluisterd door speciale muziek met jachthoorns; de meute wordt gezegend, waarna men naar het jachtterrein vertrekt.

Shell journaal van Nederlandse folklore

.

Jaarfeesten: alle artikelen

vertelstof 2e klas: heiligen

.

1433-1343

.

.

VRIJESCHOOL – 6e, 7e klas – natuurkunde – overzicht

.

Dit verslag werd gemaakt door Jan van Gils, nadere gegevens onbekend

.

Hieronder volgt een schematisch overzicht van de onderwerpen van het vak natuurkunde in klas 6 en 7. Het is gemaakt in de tijd dat klas 7 nog bij de basisschool hoorde. Nu dat niet meer zo is, lijkt het verstandig dat de leerkrachten van klas 6 en 7 – de laatste zal naar alle waarschijnlijkheid op een andere locatie werken – de stof goed op elkaar afstemmen.

Dit verslag is ontstaan n.a.v. diverse werkbijeenkomsten om het leerplan natuurkunde concreter uit te werken.

In de artikelen die een onderwerp behandelen, kan het zijn dat er een verschil is van aanbieding per leerjaar.

NATUURKUNDE

Aandachtspunten die van belang kunnen zijn bij het voorbereiden van de periode natuurkunde in de benedenbouw:

– Welke bijdrage kan dit vak leveren aan de ontwikkelingsweg die de kinderen doormaken? (Het vak is een middel en geen doel op zich).

– Waar haal ik de motivatie vandaan om voor dit vak enthousiast te worden. De initiatiefkracht van de opvoeder is doorslaggevend.

– Ontwikkelingsfase: (een zeer beknopte schets, met een trefwoord:

klas 4  breuken, biologie, godenschemering
klas 5 biologie
klas 6 natuurkunde
klas 7 scheikunde  stofverandering
klas 8 perspectief   uiterlijk
klas 9 humor          innerlijk leven

In klas 4/5 is er nog geen sprake van een gerichte natuurkundeles, maar de kinderen ervaren wel al allerlei natuurkundige verschijnselen

belevingen en fenomenen met bv.
warmte brandglas
licht verrekijker

klas 6:
De kinderen leven nog in de volheid van hun ziel (spieren).
Benaderen van de wereld vanuit de beleving die doorzien gaat worden (begrijpen).

Klas 7
De kinderen incarneren tot in hun botten.
Het mechanische wordt van binnenuit ervaarbaar. Het causale analytische denken wordt actueel.

Klas 8-
Innerlijk dringen de kinderen door tot in het kristallijne. Getalsverhoudingen en eenheden.

Klas 9
lk-inslag. In de ziel ontstaat een polariteit. De twee hoofdthema’s zijn
warmte  ↔  elektriciteit

Duur van de periode:

6e klas                                           7e klas                                                   8e t.m. 12e klas
4 weken                                     4 weken of                                                       4 weken                                                                              3+    2 weken mechanica

Thema’s
6e klas
: volgorde van behandeling:
akoestiek
licht
warmte
elektriciteit
magnetisme

7e klas
licht
akoestiek
warmte
elektriciteit
magnetisme
mechanica

8e klas
ook alle thema’s behandelen met een accent op hydraulica en 
aerodynamica   

Duur:
Minimaal 3 à 4 dagen voor één onderwerp.
Ieder thema exemplarisch behandeld. (In de bovenbouw sterker thematisch)

Aanpak:
=Het allerbelangrijkste is om bij de kinderen ‘interesse’ en een ‘vraagstelling’ die vanuit de ‘verwondering’ ontstaat wakker te roepen.

= Zo met verschijnselen omgaan dat in directe bewoordingen uitgesproken wordt wat de waarneming en de beleving biedt, (waarnemingsoordelen).

=Vervolgens je verstand gebruiken om inieuwe proefopstellingen, waarnemingsmogelijkheden te creëren.

=Verwante fenomenen zoeken en die ernaast plaatsen (vergelijkende methode).

Eenzijdige wegen:
=veel vertellen, weinig proeven
=alsmaar (spectaculaire) proeven doen.

Zoek een afwisseling en evenwicht tussen de sympathie-(waarnemen) en antipathiekrachten (voorstellen, herinneren, begrijpen).

In het waarnemen trek je de kinderen naar buiten, gericht op de natuur, waarnemend verbind je je met de natuur.
In het voorstellen en begrijpen verbindt het kind zich met het goddelijk-scheppende in de wereld.
Het grote gevaar in de huidige tijd is om je in je eigen ziel op te sluiten, waardoor het ervaringsgebied ingedamd wordt.
Waarnemen en voorstellen, beide zijn de poorten waardoor de mens zich met de wereld kan verbinden.

– Doe alle proeven vooral zelf
– Voer de proeven niet te klein uit
– Laat de kinderen ook zelf proeven doen
– Klassenproeven: let op de afstand!
– Ieder thema heeft ook een specifieke behandelingswijze.

magnetisme
elektriciteit
mechanica                zijn wat wezensvreemd; je moet (ermee) doen, direct ervaren

warmte
licht                           zijn wezensverwant; ook beeld; beleving sterk

klank zit er tussenin

Pas op voor: model- en analogievoorstellingen e.d.

Bijvoorbeeld:
=elektrisch neutraal wil zeggen evenveel + en – .
= er loopt een stroom
=inleidingen geven over het vakgebied (beter is het achteraf samenvattingen te geven
=de toon komt uit de stemvork
=alle kleuren in het licht
=definities – zoals warmte is beweging van deeltjes; mechanica is……..

een begrip verwijst naar een fenomeen, niet naar een voorstelling of model.

Het leren kennen van de wereld gebeurt niet door definities maar door inleving en karakterisering van fenomenen.

=wanneer de samenhangen van een proefversie doorzien wordt, kun je niet meer vragen ‘waarom is dit zo’.

LEERPLAN
Naast een korte karakterisering van het thema volgt een lijst met proeven die in aanmerking komen voor de betreffende klas.

Algemeen:
De thema’s zo aanzetten dat het kind er vanuit zijn ervarings- en belevingswereld bij kan aansluiten.
Voor het laatst is er bij de 6-klassers de vanzelfsprekende houding mens en wereld is een eenheid.
Daarom in de 6e klas vanuit grote samenhangen en totaliteiten naar de afzonderlijke fenomenen afdalen. Beeldend vertellen. Beleefbaar, ruimtelijk.

Voor de 7e klassen is de wereld reeds koud en leeg, het eigen innerlijk maakt zich definitief los uit de omhullende wijsheidsvolle licht- en liefdevolle warmtewereld.
Daarom in de 7″ klas uitgaan van de afzonderlijke fenomenen. De dingen zelf worden bij het vraagstellingsproces betrokken. Het waarneembare krijgt een centralere plaats ten opzichte van het beleefbare.

6″ klas
klank:
sferenharmonie
orkest zingen instrumenten lichaam toonladder interval
7e klas
klank:
stemvork toon beweging vibratie

Waarnemen (het ware ervan nemen, het uiterlijke eraf schillen; innerlijk nabootsen, meeklinken.

6e klas
licht:
(zwemmen)
kleur: harmonie in de mens
donker (zuigen)

7e klas
licht:
spiegelbeeld
schaduwbeeld
beeldvorming (camera obscura, camera lucida

6e klas
warmte:
holistisch
samenhang zon-aarde
mens-natuur (ademhaling)
atmosfeer
straling/warmte-uitbreiding
koken- zout strooien
kaars

7e klas
warmte:
‘aarde’|
isoleren
waarnemen van de warmte
eigen warmte-organisme
uitzetting

6e klas
elektriciteit:
elektrisch veld
‘de wil om te verdwijnen
egoïsme

7e klas
elektriciteit:
elektrische gesloten kring
‘verzet’
chemische activiteit ↔ spanning
spanning ↔ materiële kring

6e klas
magnetisme:
aardmagnetisme
kompas
veldbeeld van 1 magneet

7e klas
magnetisme:
een magneet breken
veldbeelden van meerdere magneten

6e klas
geen mechanica

7e klas
mechanica:
balans
krachten
katrol/takels
mechanismen

E.e.a. werd opgetekend uit:
Peter Landweer: leerplan beschrijving natuurkunde (6e en 7e klas)
Uitgave Geert Grooteschool Amsterdam
M.von Mackensen: Klang, Helligkeit und Wärme (6-8 Klasse)
R.van Romunde: Warmte, materie en ruimte deel 2

PROEVEN
7e klas
licht:
-kleurenleer: verduisteren/oplichten (met folies of cuvetten =kleurenfilter)

groen                    geel
rood                      blauw (cyaan)
violet                    purpur

psychische werking van kleuren

-prisma: subjectieve proeven kort herhalen
objectieve proefopstelling

heffing/breking met een lichtbundel
spiegel-beeld/ruimte:
=wat zie je wel/niet
= hoe gaan staan om iets te zien in de spiegelruimte
spiegel en glasplaat:
=1 leerling voor én achter de spiegel, wat ziet ieder  (niet) – gezichtsveld
=beeldpositie is onafhankelijk van de waarnemer
=grote spiegel bestrooien met zand/beslaan met condens
=hoe groot moet een spiegel minimaal zijn om je er helemaal in te kunnen zien
=een kaars in een glas water
= kaars (schaduwen) (gekleurde schaduw)
De spiegel kijkt voor mij.
De spiegel verspert mij de weg om mijn blik vrij in de wereld te werpen, ik moet in zijn beeldruimte kijken.
=schrijven in een spiegelruimte
=symmetrische vorm tekening
=links/rechts opdracht voor een spiegel
Spiegelpracticum’ (spiegeltje, papier, potloden)
=trek de kijklijn-richting
=2 spiegels onder een hoek (graden verdeling)
=2 spiegels evenwijdig.

– Spiegeling aan het water, hand, glasplaat.
– Schaduwbeelden:
=in het zonlicht
=gloeilamp (doorzichtig, mat
vorm, grens (onscherp
=oplichten (kleur) ↔ schaduw (duister)
= spiegeling (bespiegelen, fantasie, illusie

schijnen en oplichten van de wereld

schaduw (duister, algemeen

– Beeldvorming – een ruimte verduisteren → 1gaatje (transparant scherm)
Dit is zeer verrassend en onvergetelijk.
=let op de kleur
= door het gaatje kijken/iemand buiten
=gaatje groter en kleiner

– Een objectieve proef opstelling:
= cam.obscura →lichtbeeld in het donker
= cam. lucida → donkerbeeld in het licht

– Zelf maken van een camera obscura
+ de afbeelding van een kaars onderzoeken
+ afstand variëren

– Lenzen:
=samendrukken of oprekken van de lichtruimte
=bril

AKOESTIEK (Akous’t ikos: – het gehoor betreffende)

7e klas
– Herhaling van het orkest, zingen en spreken
– Chladni (de beweging van de plaat)
– de stemvork:
=aanslaan
(met lange benen) – in water, neus, hoofd, tafel, bord, glas, fietsbel, ping-pongbal- Serie stemvorken (toon/afmetingen) toon – beleefbaar

vibratie -waarneembaar

– Klankkast:
=resonantiepijpje
=iedere toon zijn eigen ruimte waarin hij kan klinken
=resonantie met 2 stemvorken/2 snaren/zingen(6e )

– Trillend voorwerp:
=Chladni, liniaal. zaagblad, klepper, tandrad
= gespannen koord (proef Melde)
spanning variëren
of de frequentie variëren (frequentie en golfverdubbeling, octaaf)
=luidspreker

– Timbre ( meeklinken van bepaalde boventonen)
– Draad telefoon
– Hoorn met naald (draaitafel)
– Oog — oor                            oogbeweging-wereldvibratie (oog) (oor)

WARMTE 7e klas
De temperatuurvariaties op enige meters diepte zijn max. 1º C. Op ± 30m diepte is er een constante temp. van 8 à 10ºC. De temp.stijging in oergesteente is ± 1ºC/100m.

– Aardewarmte (mijnen, grotten, vulkanen,geisers)
– Atmosfeer: bliksem, regengoog, poollicht
– Isoleren :5 grote conservenblikken, 5 kleine potjes/blikken

=met de hand de temperatuursverschillen voelen
=dubbel glas, dons dekbed, harige trui, thermosfles, koelkast, spouwmuur, wolkendek.
=C.V., geiser (isolatie/opwarmen/afkoelen).

-Warmtewaarneming: de 3 emmerproef:
=warmte verschillen
=éénworden met de warmtewereld
=beleving te warm/te koud
=koorts/ijlen (ervaringen, dokter)
=mens (buik-hoofd)(organen) (warmtekwaliteiten)

– Uitzetting:
=lucht (handen, in water)
=water
=vaste voorwerpen (pijpjes/staven van  1½  m.)
=ring van ‘ s Gravesande
=2 scheermesjes met een munt. Spijker in een conservenblik slaan.
=rails, bruggen
=als meter gebruiken voor de warmte-toestand, dagverloop, koelkast(olie)
=vergelijken met de kwikthermometer

=ijsvorming in de natuur (isoleren, uitzetten)
glazen pot met deksel in het vriesvak
=kaars/branden:vlamonderzoek (een schaduwbeeld maken).

ELEKTRICITEIT
Schijnwerper /batterijaccu

-Batterij openmaken (zink, koolstof, zwarte pasta)
-De tong als batterij (waar het ’t hardst prikkelt is volgens afspraak -(min)
=zink en koolstof
=andere materialen (schoonschuren)
welke prikkelt: aluminium, zink (-), ijzer, tin, lood, koper, zilver, goud (+) koolstof (+)

– In een glazen pot:
=batterij onderdelen (salmiak= amoniumchloride, mangaanoxide of waterstof-peroxide)
chemisch aantasten van de plaat (—)

– In serie schakelen van zink- koperplaatjes via de tong
– 2 metalen platen (zink, koper) met een vloeipapier ertussen (doordrenkt met een zuur) (5% zwavelzuur)
– Voltazuil (koper/papier/zinkplaatjes)
– Gesloten kring proeven met een accu/batterij
=draad gloeien (lengte variëren, lampje)
=schakelaar + lampje
=magnetisme

Warmte en magnetisme hangen samen met de chemische activiteit van de accu.
De spanning is niet meer direct waarneembaar of beleefbaar.
Batterij 1,5 volt, 4,5 volt accu 12 volt.
De sterkte van het magnetische effect (⊥ op de draad) is een maat voor de intensiteit van het chemische en warmte-effect.
(In het dagelijks taalgebruik wordt dit stroom genoemd – een begrip dat naar een modelmatige voorstelling verwijst.)

– Maak een electro-magneet (koperdraad op een spijker(s)) (batterij 4,5V)
– Een magneto-meter

— onderzoeken van het chemisch actieve (-) en passieve (+) metaal
– Korte, dikke draden → grote warmte, magn. en chem. activiteit
=welke stoffen/vloeistoffen bevorderen of remmen het kring-effect. (Kunststoffen, metalen, vloeistoffen),
– Gloeilampje zelf maken (in een glazen potje hangen)

– Smeltveiligheid. (Een dun draadje dat doorbrandt wanneer de warmte-intensiteit te hoog is).
– Volta en Edison (lamp) biografie/geschiedkundige ontwikkelingen.
-spel

MAGNETISME

– Aansluiten bij de elektro-magneet
– 6 klas afronden en herhalen
– Veldbeeld opbouwen (onzichtbaar werkzaam in de ruimte, magisch werkend op het ijzer, nikkel en kobalt).
Onderzoek ook het menselijk bewustzijnsveld in de ruimte, (waarnemend, voorstellend, herinnering, denken).
=kompas rondom een magneet en spoel : ijzervijlsel
=veldbeelden van 2 magneten : veldbeeld van de kop van de magneet

-Een staaf magnetiseren en in stukken knippen
(idem magneten aan elkaar schakelen)

– Hoeveel keren kan een magneet zijn eigen gewicht dragen.

-Uitspraak:
Het sterke en volhardend ijzer wordt gegrepen en door de magneet in beweging gebracht en daarna gevangen gehouden in zijn krachtige armen.
Een magneet toont overeenkomst met de hemel, hij heeft ook twee vaste punten, ze liggen alleen lager.

In 1950 ontdekking van een legering die sterk magnetisch gemaakt kan worden, 43% ijzer, 33% kobalt, 18% nikkel, 6% aluminium (zeer langdurig experimenteel onderzoek) Alnico magneten

MECHANICA
– Evenwicht
=maak een grote wip, (de kinderen niet vooraf wegen. Wegen is vergelijken.
De eenheid volgt later.)
=evenwichtsbalk (je),( met een lange stang in de hand.)
=reuzenbalans, beide zijden 1 kind/meerdere kinderen
=balans in de klas  (verhaal uit het Egyptische dodenboek) .

=maatlat op een potlood (wegen – vergelijken)
=lange stok op 2 vingers (naar binnen bewegen)
=het evenwichtspunt zoeken van voorwerpen, leerlingen, (over een wip gaan liggen). (Ophangen of kantelen).
=een mobile, evenwichtskunstenaar maken.

=meetlat op een potlood (pepermuntjes)
halveren van de arm, dan verdubbelen van het gewicht
=koevoet, breekijzer. (Het effect van de kracht is groter naarmate de arm groter is). Boomstam als hefboom, auto optillen.

Guldenregel: wat aan kracht gewonnen wordt, gaat aan weg/arm verloren.

voorbeeld:

1. we constateren er is evenwicht
2. getalsmatig komt dit evenwicht nogmaals tot uitdrukking 2 x 1 = 5 x 4

=windas
=gereedschap, kruiwagen

Krachten:
=Touwtrekken (2 partijen, 3 partijen, spel)
=touwtrekken – 2 personen, touw om een boom, paal, katrol.
= vast katrol (elkaar ophijsen)
=los katrol (kracht halvering)
= takelblok ( aantal meters touw en stijghoogte)
=met garenklosjes ijzerdraad en koord een hijs-inrichting maken.

Mechanismen;
=Slagroomklopper, fietsbel, brievenweger, kettingoverbrenging (fiets), molen

.

Dit verslag zal wellicht niet overal even duidelijk zijn. In de loop van de tijd zal geprobeerd worden met verwijzingen naar artikelen eventuele onduidelijkheden te verhelderen.
.

12-jarige kind

Natuurkunde: alle artikelen

.

1432-1342

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over euritmie (GA 297)

.

RUDOLF STEINER OVER EURITMIE

GA 297

Beknopte inhoudsopgave:
blz. 178: euritmie is kunst; menselijk lichaam is het instrument; verschil met gymnastiek; naast kunst ook pedagogische en hygiënische waarde.
blz. 185: Als opmerking uit publiek: euritmie verwaarloost het sterker worden van de spieren,
blz. 186: daarom niet alleen maar euritmie op school, ook gym. Steiner: ook gymnastiek!
blz. 194: een zichtbare taal met door bovenzinnelijk schouwen waargenomen bewegingen van het strottenhoofd.
blz. 217: er is niets tegen gymnastiek.
blz, 218: euritmie in 1e plaats een kunst, maar ook hygiënisch-gezondmakends en pedagogisch-didactisch; bewegingen afgelezen aan bewegingen van strottenhoofd; geen willekeur in de bewegingen; bezielde beweging;
blz. 219: wat is dichtkunst; wat is reciteren;
blz. 220: op de vrijeschool een verplicht vak; nodig voor wilsinitiatieven

blz. 178/179

Wir haben in unserer Waldorfschule in Stuttgart zum ersten Male versucht, dasjenige, was sonst im allgemeinen nur, ich möchte sagen auf Physiologisches gestützt ist – wenigstens durch seine Methode, mit Bezug auf seine organisatorische innere Kraft -, nämlich das Turnen, umzuwandeln in eine gewisse eurythmische Kunst. Sehen Sie, dasjenige, was Sie fast an jedem Sonnabend und Sonntag draußen in Dornach sehen können als eurythmische Vorführung, das ist natürlich zunächst als eine besondere Kunst­form gedacht, eine Kunstform, zu der der menschliche Organismus selber mit seinen inneren Bewegungsmöglichkeiten als Instrument verwendet wird. Aber dasjenige, was so als Kunstform gedacht ist, das gibt zu gleicher Zeit Möglichkeiten, die Bewegungen des Men­schen, die wir sonst nur durch das physiologische Turnen haben, zu durchseelen, zu durchgeistigen, so daß der Mensch nicht nur dasjenige ausführt, wovon man frägt: Wie wirkt es auf diesen oder jenen Muskel? -, sondern das ausführt, was naturgemäß fließt aus dieser oder jener seelischen Regung in die Bewegung der Muskeln, in die Bewegung der Glieder hinein.

We hebben op onze vrijeschool in Stuttgart voor het eerst geprobeerd om wat over het algemeen gezegd gebaseerd is op iets lichamelijks – d.w.z. door de methode in relatie tot hoe inwendig bepaalde krachten georganiseerd zijn – namelijk de gymnastiek – om te vormen tot een bepaalde vorm van euritmische kunst. Wat u bijna iedere zaterdagavond en zondag buiten Dornach kunt zien als euritmische voorstelling is natuurlijk allereerst als een bijzondere vorm van kunst gedacht, een vorm van kunst waarbij  het menselijk organisme zelf met de innerlijke mogeliljkheden tot bewegen als instrument gebruikt wordt. Maar wat zodanig als kunstvorm gedacht is, draagt tegelijkertijd de mogelijkheden in zich de bewegingen van de mens die we anders alleen maar door het lichamelijke gymmen hebben, veel meer mee te geven aan ziel, aan geest, zodat de mens niet alleen maar iets doet waarbij men vraagt: hoe werkt dat op deze of die spier?, maar uitvoert wat van nature uit dit of dat gevoel in de bewegingen van de spieren, van de ledematen overgaat.

Eurythmie wird, wie wir, die wir auf dem Boden einer Durch­geistigung des Lebens vom Standpunkte der Geisteswissenschaft stehen, überzeugt sind, Eurythmie wird tatsächlich auf der einen Seite eine große pädagogische, auf der anderen Seite auch eine hygienische Bedeutung haben. Denn es werden die gesunden Ver­hältnisse, diese naturgemäßen Zusammenhänge gesucht, die zwi­schen dem inneren Erleben, Empfinden und Aussprechen der Seele und dem, was im ganzen Menschen als Bewegung sich entwickeln kann, bestehen müssen. Dasjenige, was sonst bloß durch äußerliche Physiologie oder durch sonstige äußerliche Tatsachen gesucht wird, das wird durch die Erkenntnis von der Durchseelung und Durchgeistigung des Menschen gesucht. Und so kann man nicht nur, indem man die gebräuchlichen Künste das Unterrichtsprinzip in den ersten Volksschuljahren durchsetzen läßt, auf den Willen wirken, sondern man kann noch dadurch ganz besonders auf den Willen wirken, daß man so etwas, was ja sonst auch als eine Willenskultur gedacht ist, das Turnen, durchsetzt sein läßt von Seelisch-Geistigem, das aber erst vorher in seiner konkreten Wirkungsmöglichkeit, in seinem konkreten Auftreten, erkannt werden muß.

Euritmie zal, op de manier waarop wij ons baseren, op het standpunt van de geesteswetenschap om het leven geestrijker te maken, daarvan zijn we overtuigd, daadwerkelijk aan de ene kant een grote pedagogische, aan de andere kant ook een hygiënische betekenis kunnen hebben.
Want er wordt naar een gezonde relatie gezocht die er moet bestaan in wat van nature samenhangt tussen het innerlijke beleven, voelen en spreken vanuit de ziel en wat in de totale mens als beweging zich kan ontwikkelen. Wat anders alleen maar gezocht wordt door uiterlijke fysiologie of soortgelijke uiterlijke zaken, wordt nu door de kennis van de bezieling en van de verrijking van de geest gezocht. En zo kun je niet alleen, wanneer je de gebruikelijke kunstvormen integreert in het onderwijs in de eerste jaren van de basisschool, op de wil werken, maar je kan er ook op een bijzondere manier mee op de wil werken; dat je iets wat anders alleen maar als wilscultuur gedacht is, de gymnastiek, nu ook voorziet van iets van ziel en geest, waarvan echter eerst vooraf de concrete mogelijkheid van hoe het werkt, bij het concrete uitvoeren, gekend moet worden.
GA 297/178-179
Vertaald op deze blog

Bij het beantwoorden van vragen:

blz. 184-186

Ich möchte noch etwas als eine Art Kritik üben. Rudolf Steiner sagt, das Turnen, wie man es heute in der Schule hat, soll ersetzt werden durch Eurythmie. Ich habe die Eurythmie-Vorstellungen teilweise besucht und sah, worauf sie ausgehen. Nun glaube ich nicht, daß diese Eurythmie allein in der Schule gepflegt werden darf. Was entwickelt die Eurythmie? Ich glaube, gerade alle diese tanzenden Bewegungen werden den Oberkörper des Men­schen vernachlässigen, die Muskelbildung vernachlässigen. Auf die kommt es aber bei den arbeitenden Menschen, zu denen die meisten unserer 

Onbekende vraagsteller:
Ik zou toch nog een kritische opmerking willen maken. Rudolf Steiner zegt dat gymnastiek zoals we dat nu in de school hebben, vervangen dient te worden door euritmie. Ik ben naar een paar euritmievoorstellingen geweest en heb gezien waar het om gaat. Ik denk niet dat alleen maar deze euritmie op school gedaan moet worden. Wat ontwikkelt de euritmie? Ik denk dat juist al die dansende bewegingen het bovenlijf van de mens verwaarlozen, de ontwikkeling van de spieren verwaarlozen. Maar voor de werkende mensen, waarvan de meeste van onze basisschoolleeringen

blz. 185

Volksschülerübergehen, an. Wir werden vernachlässigte, schwache Oberarmmus­keIn, schwache Brustmuskeln, schwache Rückenmuskeln bekommen durch Eurythmie. Die Beinmuskeln werden stark ausgebildet, aber nicht die Oberarmmuskeln, die werden, vernachlässigt, zurücktreten. Wir sehen ja diese Schwachheit heute bereits im sogenannten Mädchenturnen, bei dem auch wohl viel zu viel gewendet wird, viel zu viel Wert gelegt wird auf das Tanzen. Wenn dort eine Anforderung an die Oberarmmuskeln gestellt wird, die allerdings beim Mädchen weniger ausgebildet sind als beim Mann, so versagen diese Muskeln; meist kann nicht einmal die einfachste Stützübung von Mädchen ausgeführt werden. Doch ist dies ja bei den Mädchen für den späteren Beruf viel weniger wichtig als beim Mann. Nimmt man Eurythmie und läßt das physiologische Turnen, Barren-, Reck-, Kletterübungen ganz beiseite, so fürchte ich, daß die Stärke, die der Mann bei seinem Beruf braucht, auch Schaden leiden möchte.
Ich will damit sagen, daß die Eurythmie ja eingeführt werden kann, die Kinder werden dadurch ästhetisch geschult, – aber es soll nicht einseitig bloß Eurythmie geben

deel zullen gaan uitmaken,  komt het daarop aan. We zullen van euritmie verwaarloosde, zwakke bovenarmspieren, zwakke borstspieren, zwakke rugspieren krijgen. De beenspieren worden krachtig ontwikkeld, maar niet de bovenarmspieren, die zullen zwakker worden, minder worden. Die zwakte zien we tegenwoordig al bij de zgn. meisjesgymnastiek, waarbij ook wellicht veel te veel bewogen wordt, veel te veel de nadruk wordt gelegd op dansen. Wanneer er dan iets gevraagd wordt van de bovenarmspieren die bij het meisje toch al minder goed ontwikkeld zijn dan bij de man, schieten die spieren tekort; meestal kan er door een meisje niet eens een eenvoudige steunoefening gedaan worden. Goed, dat is voor een meisje bij een later beroep minder belangrijk dan bij een man. Kies je voor euritmie en laat je lichamelijke gymnastiek, brug-, rekstok- en klimoefeningen geheel achterwege, dan ben ik bang dat de kracht die een man in zijn beroep nodig heeft, daar ook onder lijdt. Ik wil hiermee zeggen dat de euritmie wel ingevoerd kan worden en de kinderen worden daardoor dan esthetisch gevormd, – maar er moet niet alleen maar eenzijdig euritmie zijn.

Was mir gefallen hat an den Übungen in Dornach, das war das wirklich schöne Linienspiel, die Harmonie in der Bewegung, das Künst­lerische, das Ästhetische. Aber ob diese eurythmischen Übungen dazu bei­tragen werden, den Körper für den Lebensberuf fähig zu machen, daran möchte ich zweifeln. Ich möchte darüber Aufklärung, ob Rudolf Steiner nur eurythmische Aufführungen haben will, ob er dem auf physiologischen Grundlagen ruhenden Schulturnen jede Berechtigung absprechen möchte. Wenn das der Fall wäre, daß den auf der Erkenntnis des menschlichen Körpers beruhenden Körperübungen die Berechtigung ganz abgesprochen wäre, so könnte ich mich mit der Einführung von Eurythmie nicht vollstän­dig einverstanden erklären.

Rudolf Steiner: Damit nicht Mißverständnisse entstehen, möchte ich zu dem letzten Punkt gleich ein paar Worte sagen. Vielleicht ging es aus dem Vortrage nicht klar genug hervor, ich konnte ja die Sache nur kurz berühren – es ist ja selbstverständlich, daß, wenn wir in Dornach Eurythmie vorführen, wir sie vor allem als künst­lerische Leistung vorführen und dabei auf dasjenige, wovon Sie sagten, daß es Ihnen sympathisch ist, Rücksicht nehmen. Daher führen wir gerade diejenigen Dinge vor, die selbstverständlich mehr für das Anschauen, für die Vorstellung, für die künstlerische Vorstellung sind. Im Vortrag wollte ich vielmehr darauf hinweisen, daß durch die Anschauung dieser Eurythmie das Prinzip erkannt werden kann, wie man dasjenige, was heute bloß physiologisch gedacht wird, durchgeistigen und durchseelen kann – natürlich ist 

Wat ik mooi vond aan de oefeningen in Dornach was het echt mooie lijnenspel, de harmonie van de bewegingen, het kunstzinnige, het esthetische. Maar of deze euritmische oefeningen ertoe zullen bijdragen het lichaam voor een beroep geschikt te maken, betwijfel ik. Ik zou uitgelegd willen krijgen of Rudolf Steiner alleen maar euritmische opvoeringen wil hebben, of hij de op lichamelijke basis berustende schoolgymnastiek iedere rechtvaardiging wil ontzeggen, want dan kan ik het met de invoering van euritmie niet volledig eens zijn.

Rudolf Steiner: Om geen misverstand te laten ontstaan, zou ik over het laatste punt meteen een paar woorden willen zeggen. Misschien was het uit de voordracht niet duidelijk genoeg – ik kon er maar kort bij stilstaan – dat het vanzelfsprekend zo is dat wij in Dornach euritmie opvoeren; dat we dat vooral als kunstzinnige prestatie neer willen zetten en daarbij rekening houden met wat u zo waardeert. Daarom voeren we juist die dingen op die vanzelfsprekend meer voor het bekijken, voor de voorstelling, voor de kunstzinnige voorstelling zijn. In de voordracht wilde ik er veel meer op wijzen dat door het zien van deze euritmie het principe gehuldigd kan worden dat men hetgeen wat tegenwoordig alleen maar lichamelijk gedacht wordt, meer kan verrijken met wat uit de wereld van geest en ziel stamt – natuurlijk is

blz. 186

das auch etwas radikal gesprochen, denn das Turnen ist ja nicht allein physiologisch gedacht. Von der Eurythmie sage ich übrigens in der Einleitung immer, daß sie erst am Anfang stehe, und wenn sie heute einseitig wirkt dadurch, daß einzelne Glieder besonders entwickelt werden, so möchte ich als auf etwas Wesentliches darauf hinweisen, daß auch dieses verschwinden wird, wenn sie weiter entwickelt sein wird. Doch ich wollte nicht den Eindruck her­vorrufen, als ob es meine Meinung wäre, daß das Turnen weg-zufallen habe, wenn man Eurythmie einführt. Wir haben in der Waldorfschule in Stuttgart eine Stunde gewöhnliches Turnen eingeführt und eine Stunde Eurythmie – wobei aber auch da die Eurythmie nicht bloß in dem besteht, was man als künstlerische Darbietung bringt, so daß die Anforderungen, die Sie mit Recht stellen, schon dabei berücksichtigt werden.Worauf es mir ankommt ist, daß zu dem Physikalischen, Phy­siologischen, das dem Turnen zugrundeliegt, das Seelisch-Geistige hinzutritt.

dat ook iets kras gesproken, want de gymnastiek is niet alleen lichamelijk gedacht. Over de euritmie zeg ik overigens in de inleiding dat die pas aan het begin staat en wanneer dat nu eenzijdig overkomt omdat ze bepaalde ledematen in het bijzonder zou ontwikkelen, wil ik toch op iets wezenlijks wijzen, dat dit zal verdwijnen wanneer ze verder ontwikkeld zal zijn. Maar ik wilde niet de indruk wekken alsof ik van mening zou zijn dat de gymnastiek achterwege gelaten moet worden wanneer er euritmie bij komt. We hebben op de vrijeschool in Stuttgart een uur gewone gymnastiek ingevoerd en een uur euritmie – waarbij de euritmie ook niet alleen maar bestaat uit wat ze kunstzinnig brengt, zodat met de eisen die u met recht stelt, al rekening wordt gehouden. Waar het bij mij om gaat is dat er bij het fysieke, lichamelijke dat aan de gymnastiek ten grondslag ligt, ook bij komt wat uit de wereld van geest en ziel stamt.

Beides soll da sein, damit auch in den Bewegungen, die der Mensch turnerisch ausführt, das Seelische, das als solches für sich erfaßt wird, mitwirkt, wie sich im Menschen selbst in seiner Ganzheit eine Zusammenwirkung von Leib, Seele und Geist her­ausstellt. Also es handelt sich durchaus nicht um eine Ausmerzung des Turnens; im Gegenteil, ich möchte gerade, daß das Turnen von dem Eurythmischen befruchtet würde.Nicht eine Barrenübung, nicht eine Reckübung soll ausgemerzt werden, nichts, was das Turnen hat, soll ausgemerzt werden. Aber die Eurythmie möchte außer dem, daß man frägt: Wie wird dieser oder jener Muskel vom physiologischen Standpunkt aus behandelt? -, daß man frägt: Wie wirkt ein seelischer Impuls?-, so daß also zu dem, was vorhanden ist, noch etwas hinzutritt. Ich möchte gar nicht das Vorhandene kritisieren, sondern nur eine von der Geisteswissenschaft geforder­te Durchgeistigung und Durchseelung ein wenig kennzeichnen. Ich bin durchaus einverstanden mit dem, was Sie ablehnen, möchte aber durchaus zeigen, daß von der Geisteswissenschaft eine Durch­seelung des Turnens ausgehen kann.

Het moet er allebei zijn, zodat ook in de bewegingen die een mens gymnastisch uitoefent, het gevoel dat als zodanig op zich begrepen kan worden, meedoet, zoals dat in de mens zelf in zijn totaliteit blijkt uit het samengaan van lichaam, ziel en geest. Dus het gaat er zeer zeker niet om de gymnastiek alleen maar te schrappen; in tegendeel, ik zou graag willen dat de gymnastiek door het euritmische verrijkt wordt. Geen brugoefening, geen rekstokoefening zal geschrapt worden, niets zal van de gymnastiek geschrapt worden. Maar euritmie zou graag naast de vraag: hoe moet je de een of andere spier vanuit een lichamelijk standpunt behandelen, willen vragen: hoe werkt een zielenimpuls? – zodat er bij wat er al is, nog iets bij komt. Ik wil eigenlijk helemaal geen kritiek hebben op wat er is, maar min of meer slechts een door de geesteswetenschap verlangde vergeestelijking en bezieling karakteriseren. Ik ben het helemaal eens met wat u afwijst, maar zou heel graag laten zien dat er door de geesteswetenschap een bezieling van de gymnastiek uit kan gaan.
GA 297/184-186
Vertaald op deze blog

blz. 194

Wir haben eine sichtbare Sprache geschaffen. Die durch übersinnliches Schauen erkannten Bewegungen des Kehlkopfes werden in beseel­tes Turnen übertragen (Eurythmie), bei dem jede Bewegung zum Träger eines seelisch-geistigen Vorganges wird.

We hebben een zichtbare spraak gecreëerd. De bovenzinnelijk verkregen waarnemingen van de bewegingen van het strottenhoofd worden overgebracht naar het bezielde turnen (euritmie); waarbij iedere beweging als inhoud een activiteit van ziel en geest draagt.
GA 297/194
Vertaald op deze blog

blz. 217

Nur derjenige beurteilt das, was wir wollen, richtig, der da weiß, wie wir nichts anderem dienen wollen als dem praktischen Leben durch dasjenige, was diesem Leben gegenüber nicht in weltfremden Fernen steht, son­dern gerade durch diese Erkenntnis, wie ich sie Ihnen eben ge­schildert habe, mit dem praktischen Leben zusammenhängt.
Daher konnten wir auch in den Lehrplan die Eurythmie aufneh­men als obligatorischen Unterrichtsgegenstand. Sie werden mich nicht für so albern halten, daß ich gegen die segensreiche Wirkung des Turnens, die im 19. Jahrhundert mit Recht hervorgehoben worden ist, etwas einwenden werde. Aber es wird einmal eine Zeit kommen, in der man über diese Dinge etwas objektiver denkt.

Alleen diegene kan een goed oordeel geven over wat wij willen, die weet dat wij niets anders willen dan ons in te zetten voor het praktische leven door tegenover dit leven niets wereldvreemds te zetten wat er mijlenver van afstaat, maar juist door hoe deze kennis die ik net naar voren heb gebracht, met het praktische leven te maken heeft. Vandaar dat we ook in het leerplan de euritmie op konden nemen als een verplicht schoolvak. U moet mij niet voor zo gek verslijten dat ik tegen de zinvolle werking van de gymnastiek die in de 19e eeuw terecht ingevoerd is, iets te berde zou willen brengen. Maar er zal eenmaal een tijd komen waarin men over deze dingen iets objectiever zal denken.

Dann wird man finden: Ja, das Turnen, es entspricht der Physiolo­gie des Menschen; es bringt diejenigen körperlichen Bewegungen an das Kind, an den Menschen heran, welche dem Studium der menschlichen Körperlichkeit entsprechen. Dazu fügen wir nun -aber nicht, indem wir das Turnen anfechten – unsere Eurythmie.Was ist diese Eurythmie? Es ist zunächst eine Kunst, wie sie hier in öffentlichen Vorstellungen dargeboten wird. Aber daneben hat sie auch ein hygienisch-therapeutisches und außerdem ein starkes pädagogisch-didaktisches Element in sich. Sie beruht nicht auf irgendwelchen

Dan zal men zeggen: Ja, de gymnastiek is in overeenstemming met de lichamelijkheid van de mens; ze laat het kind, de mens, lichaamsbewegingen uitvoeren die in overeenstemming zijn met de studie van het lichaam. Daar voegen wij nu – niet omdat we de gymnastiek aanvechten – onze euritmie aan toe. Wat is dat, euritmie? Alleereerst een vorm van kunst die hier in openbare voorstellingen uitgevoerd wordt. Maar daarnaast heeft deze ook iets hygiënisch-gezondmakends en bovendien een sterk pedagogisch-didactisch element. Ze berust niet op een of ander

blz. 218

ausgedachten Gebärden – durch zufällige Zusammen­hänge der äußerlichen Gebärden oder der Mimik mit dem, was in der Seele vorgeht -, sondern sie beruht auf dem, was man im sorg­fältigen Studium gewinnen kann durch das, was ich im Sinne Goethes «sinnlich-übersinnliches Schauen» nennen möchte. Wenn man das menschliche Sprachorgan mehr von innen studiert und das, was sich – jetzt nicht an Bewegungen, Modulationsbewegun­gen, sondern an Bewegungsanlagen – vollzieht, durch sinnlich­übersinnliches Schauen erschaut, dann kann man es, ganz nach dem Prinzip der Goetheschen Metamorphosenlehre, auf den ganzen Menschen übertragen. Goethe sieht in der ganzen Pflanze nur ein komplizierter ausgestaltetes Blatt.Was Goethe im Hinblick auf die Formen in seiner Morphologie ausgeführt hat und was erst später einmal geschätzt werden wird, das versuchen wir funktionell in der menschlichen Tätigkeit künstlerisch zur Anwendung zu bringen. Wir versetzen den ganzen Menschenorganismus oder Menschen­gruppen in solche Bewegungen, die abgelesen sind von der Lautsprache. Das heißt,

uitgedacht gebaar – door toevallig samengaan van uiterlijke gebaren of mimiek met een gevoel, maar ze berust op wat je door zorgvuldig bestuderen te weten kan komen door wat ik met Goethe ‘zintuiglijk-bovenzintuiglijk’ waarnemen zou willen noemen. Wanneer je het menselijk spraakorgaan van binnenuit bestudeert en door het zintuiglijk-bovenzintuiglijk waarnemen ziet-  niet alleen aan bewegingen, modulatieveranderingen, maar aan de aanzet van de bewegingen – dan kun je, geheel volgens de metamorfoseleer van Goethe, deze op de hele mens toepassen. Goethe ziet in de totale plant alleen maar een gecompliceerd gevormd blad. Wat Goethe uitgewerkt heeft in zijn morfologie wat betreft de vormen en wat ooit later naar waarde geschat zal worden, proberen wij functioneel in de menselijke activiteit kunstzinnig toe te passen. Het menselijk organisme of een groep mensen laten we bewegingen maken die afgelezen zijn aan de spraakklank. Dat betekent

wir lassen Hände, Beine und den Kopf solche Bewegungen ausführen, die den Bewegungstendenzen des Kehl­kopfes und seiner Nachbarorgane entsprechen.Wir machen sozu­sagen den ganzen Menschen zum Kehlkopf und schaffen so eine tonlose, aber sichtbare Sprache – nicht eine Gebärdensprache, die der Willkür der Phantasie entstammt. Wir schaffen eine Sprache, die wir auf den Menschen und seine Bewegungen übertragen. Sie ist ebenso gesetzmäßig ausgebildet – nur eben durch Studium aus­gebildet – wie von der Natur ausgebildet ist, was vom Kehlkopf und den Nachbarorganen ausgeführt wird. ( ) Eurythmie ist ein beseeltes Turnen. Jede Bewegung wird nicht ausgeführt aus physiologischer Einsicht, sondern aus der Erkenntnis des Zu­sammenhanges zwischen Körper und Seele. Jede Bewegung ist durchseelt, wie der Laut durchseelt ist. Der ganze Mensch wird  

dat we de handen, benen en het hoofd die bewegingen laten uitvoeren die met de bewegingsimpulsen van het strottenhoofd en de aangrenzende organen in overeenstemming zijn. We maken zogezegd de hele mens tot strottenhoofd en creëren op deze manier een geluidloze spraak, maar wel een zichtbare – niet een gebarentaal die uit de willekeur van de fantasie komt. We scheppen een taal die we op de mens en zijn bewegingen overbrengen. Die is dus wetmatig gevormd – juist slechts door studie gevormd – zoals door de natuur gevormd is wat door het strottenhoofd en de aangrenzende organen uitgevoerd wordt. Euritmie is een bezielde gymnastiek. Iedere beweging wordt niet gemaakt door inzicht in het lichamelijke, maar uit de kennis van de samenhang tussen lichaam en ziel. Iedere beweging is bezield, zoals de klank bezield is. De hele mens wordt

blz. 219

zum Sprachorgan. Daher tritt da auch zutage, was in der Dichtung künstlerisch gestaltet werden kann. Heute haben die Menschen keine Ahnung davon, daß der Prosainhalt nicht die Hauptsache ist in bezug auf die Dichtung. Es wird ja heute überhaupt neunund­neunzig Prozent zuviel gedichtet! Dasjenige, was Dichtung ist, beruhte entweder in Goethescher Art auf Gestaltung der Sprache, oder auf dem Rhythmus der Sprache – man braucht nur auf Schiller hinzuweisen; man könnte viele andere Beispiele anführen. Schiller sagte, Gedichte wie zum Beispiel «Der Taucher» oder «Der Spa­ziergang» hätten nicht zuerst prosamäßig in seiner Seele gelebt, sondern etwas wie Musik, etwas wie ein Bild, etwas Visionäres lebte in ihm. Und aus diesem Wortlos-Melodiösen, aus dem Wort­los-Bildlichen haben Schiller und auch Goethe erst die Worte ge­bildet, haben sie gleichsam angefügt an das Wortlose oder Musika­lische oder innerlich Plastische. Und so sind wir auch, wenn zum Beispiel rezitiert werden muß, genötigt, auf das Rhythmische der gewöhnlichen Sprache zurückzugehen. Denn Sie werden hören,

tot spraakorgaan. Daardoor wordt ook duidelijk wat er in het dichten kunstzinnig tot stand kan worden gebracht. Tegenwoordig hebben de mensen er geen idee van dat de proza-inhoud niet het belangrijkste van het gedicht is. Tegenwoordig wordt er zeker negenennegentig procent te veel gedicht. Wat dichten is berustte of op het vormen van taal op de manier van Goethe, of op het ritme van het spreken – je hoeft maar op Schiller te wijzen; je zou vele andere voorbeelden kunnen geven. Schiller zegt dat hij gedichten zoals bijv. ‘Der Taucher’ of ‘Der Spaziergang’ niet eerst als proza beleefde, maar enigszins als muziek, of als een beeld, iets visionairs in hem. En uit dit woordenloos-melodieuze, uit deze woordloze verbeelding vormden Schiller en ook Goethe pas de woorden, voegden ze a.h.w. toe aan dat woordloze of muzikale of innerlijke beeld. En daarom zijn ook wij wanneer er bijv. gereciteerd moet worden, genoodzaakt terug te vallen op het ritme van de gewone spraak. Want u zal horen

daß die eurythmische Vorstellung – wie ich sagte, der Mensch als lebendiger Kehlkopf vor Ihnen auf der Bühne sich bewegend – auf der einen Seite durch Rezitation, auf der anderen Seite durch Musik begleitet sein wird. Man kann es auch begleiten von dem, was man nicht ausdrückt mit der Dichtung. Dann muß aber nicht so rezitiert werden, wie in unserem unkünstlerischen Zeitalter rezitiert wird, wenn man eben den Inhalt der Dichtung aus dem Untergrund der Seele herausholt, sondern dann muß gerade Takt und Rhythmus und die Zusammenhänge, die gestaltet sind im Reim, also das eigentlich Künstlerische, in der Rezitation zum Ausdrucke kom­men. Denn mit dem gewöhnlichen heutigen unkünstlerischen Re-zitieren könnte man die Eurythmie nicht begleiten. Daher wird die Eurythmie auch gesundend zurückwirken auf das, was in unseren übrigen Künsten im Rückgang ist. Vor allen Dingen wird es Sie gewiß interessieren, daß die Eurythmie ein pädagogisch-didaktisches Element in sich hat. Das Turnen ist etwas Ausgezeichnetes für den Menschen, aber es ent­wickelt nur den äußeren, physischen Organismus. Eurythmie als

dat de voorstelling – zoals ik zei, de mens als levend strottenhoofd voor u op het toneel zich bewegend – aan de ene kant door recitatie, aan de andere kant door muziek begeleid wordt. Je kan het ook begeleiden met wat je niet tot uitdrukking brengt in een gedicht. Dan moet er echter niet zo gereciteerd worden zoals dat in onze onkunstzinnige tijd gebeurt, wanneer men de inhoud van een gedicht uit de onbewuste ziel naar bovenhaalt, maar dan moeten juist maat en ritme en de samenhang met het rijmen, dus eigenlijk het echte kunstzinnige, in het reciteren tot uitdrukking komen. Want met het gebruikelijke onkunstzinnige reciteren van tegenwoordig kan je geen euritmie begeleiden. Vandaar dat de euritmie ook gezondmakend terug kan werken op wat in onze andere kunsten achteruit gaat. Bovenal zal het u interesseren dat de euritmie een pedagogisch-didactisch element bevat. Gymnastiek is iets uitstekends voor de mens, maar ontwikkelt alleen het uiterlijk, fysiek organisme. Euritmie als

blz. 220

obligatorischer Gegenstand in der Schule wirkt vor allen Dingen auf dasjenige, was ich nennen möchte die Willensinitiative, die Selbständigkeit der menschlichen Seele. Und das ist dasjenige, was wir eigentlich für das nächste Zeitalter der Menschheit brauchen. Wer hineinschaut in das heutige Chaos unserer sozialen Zustände, der weiß, daß den Menschen vor allen Dingen diese Seeleninitiative fehlt.

verplicht schoolvak werkt met name op wat ik zou willen noemen de wilsinitiatieven, de zelfstandigheid van de menselijke ziel. En dat hebben we eigenlijk voor het komende tijdperk van de mensheid nodig. Wie een blik werpt op de chaos van onze sociale toestand weet dat de mensen boven alles die initiatieven van de ziel missen.
GA 297/217-220
Vertaald op deze blog

.

Euritmie: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: klankfiguren

.

1431-1341

.

.

VRIJESCHOOL – Goethes fenomenologische methode

.

Waarnemen is niet eenvoudig. Je moet er je tijd voor nemen. Je wil wat opschrijven, vastleggen. Dat gaat in een klas niet zo makkelijk. Als je bezig bent, ben je meestal zo op je werk geconcentreerd dat het daarbij nog extra waarnemingen doen aan de kinderen, er vaak bij inschiet.
Toch zijn er dagelijks ook vele ogenblikjes waarin het wel kan. Je moet niet te veel willen. Neem bijv. Steiners aanwijzingen voor de temperamenten, die criteria “Stärke’ en ‘Erregbarkeit’: doet het kind iets intensief of oppervlakkig en is het druk of rustig. Neem een paar kinderen, volg die een aantal dagen extra – ook op het plein! Zo bouw je je eigen methode op en door over de kinderen te spreken met je collega’s die ze ook lesgeven, ontstaat er een groot beeld.

Een fenomenoligsche methode: aanvankelijk zonder oordeel.

Goethe was er heel sterk in:

        Goethes fenomenologische methode

‘ Gebaren, tendensen en werkingen ’

Bij het nauwkeurig waarnemen van planten in hun groei van kiemblad naar bloem, kan je vaststellen dat de vormen van de uitwendige organen van een plant zich na elkaar en veelal ook uit elkaar ontwikkelen. Deze ontwikkeling wordt door Goethe ‘metamorfose’ genoemd.

Bob Siepman van der Berg over het karakteristieke van de methode die Goethe toepaste: ‘In welk opzicht is Goethes aanpak ‘anders’?’

Op eenenveertigjarige leeftijd, na een periode van veertien jaar grondige bestudering van de plantenwereld, publiceerde Goethe zijn botanische hoofdwerk ‘Die Metamorphose der Pflanzen’.
In de Nederlandse vertaling daarvan werd een artikel van Rudolf Steiner opgenomen waarin het ontstaan en de ontwikkeling van de metamorfoseleer uitvoerig besproken wordt.
Ik wil daarom in dit artikel niet verder ingaan op allerlei historische achtergronden. Allereerst zal ik een aantal centrale gezichtspunten en resultaten uit ‘Die Metamorphosen der Pflanzen’ bespreken. Van daaruit kom ik tot de vraag: hoe is Goethe tot deze inzichten en resultaten gekomen? In het beantwoorden van deze vraag wil ik tenslotte iets zichtbaar maken van het bijzondere of karakteristieke van zijn methode.

Wanneer wij bloemendragende planten waarnemen, kunnen we daar verschillende uitwendige delen of organen aan onderscheiden, zoals kiem- en stengelbladeren, kelk- en kroonbladeren, meeldraden, stampers, vruchten en zaden. Wanneer wij ook nog een bepaalde plant gedurende het verloop van weken en maanden vervolgen in zijn groei, kunnen we er een indruk van krijgen hoe deze uitwendige onderdelen of organen van de plant overwegend na elkaar en veelal ook uit elkaar zich ontwikkelen. Goethe spreekt in zijn inleiding over een ‘geheime verwantschap’ van al deze uitwendige delen van de plant. Sommige planten, zoals bijvoorbeeld de pioenroos, vertonen deze verwantschap op een zeer sprekende wijze, zoals blijkt uit figuur 1.

De verschillende onderdelen van deze pioenroos heb ik geplukt en tussen wat krantenpapier gedroogd, waarna ik ze in een spiraal naast elkaar heb gelegd. Het grootste samengestelde blad (aan de buitenkant) was het onderste blad aan de stengel. Dit blad is dan ook het eerste stengelblad dat in het voorjaar verschijnt. De overige bladeren zitten hoger aan de stengel en ontstaan later en wel in de volgorde waarin ik ze in de spiraal naar binnen naast elkaar heb gelegd.

De centrale gedachte bij Goethe is nu dat deze uitwendige delen of organen van de plant verschillende verschijningsvormen zijn van een in wezen identiek orgaan. De werking waardoor dit in-wezen-identiek orgaan in steeds iets veranderende vorm verschijnt, wordt door Goethe ‘metamorfose’ genoemd. Gelet op de verschillende manieren waarop deze metamorfose bij een plant kan optreden, maakt Goethe een onderscheid in drie soorten: de regelmatige, de onregelmatige en de toevallige metamorfose.
De regelmatige wordt door Goethe ook wel de voortschrijdende genoemd, omdat deze vanaf de allereerste ontplooiing van de kiembladeren tot aan de uiteindelijke vorming van het zaad zich trapsgewijs ontwikkelt, zonder afwijkingen in de reeks.
De onregelmatige metamorfose kan ook de terugschrijdende genoemd worden, omdat dan de natuur als het ware één of enkele schreden terug doet, zoals in het geval dat er op de plaats waar normaal meeldraden gevormd worden nog meer bloembladeren ontstaan. Bij talloze gekweekte bloemen, zoals bij vele rozensoorten, vind je dan niet alleen extra kroonbladeren maar ook bepaalde overgangsvormen. Dit zijn organen die wat betreft hun uiterlijke gedaante een overgang laten zien tussen bijvoorbeeld een kroonblad en een meeldraad. In figuur 2 zijn wat voorbeelden getekend van zulke ‘tussengedaantes’ of ‘overgangsvormen’ bij een roos.

De toevallige metamorfose, die bijvoorbeeld door insecten veroorzaakt kan worden en die dan onder andere kan leiden tot galletjes, Iaat Goethe buiten beschouwing.

Goethe schetst zeer levendig hoe de groei en ontwikkeling bij een groot aantal eenjarige bloemendragende planten plaatsvindt. Hij beschrijft daarbij ook zeer uitvoerig en gedetailleerd de vorming van de afzonderlijke organen ter bevestiging en illustratie van zijn metamorfosegedachte. In deze beschrijvingen spreekt Goethe van ‘gebaren’, ‘tendensen’ of ‘werkingen’, die we kunnen ervaren bij het vervolgen van de metamorfose van de plant. Goethe noemt als een belangrijk geheel van ‘werkingen’ een drievoudige uitbreiding en samentrekking die je bij het vervolgen van de groei van de plant kunt ervaren.

De eerste uitbreiding en samentrekking vindt plaats in het loofbladgebied. Vanaf de ontkieming van het zaad en de vorming van de kiembladeren tot aan de allergrootste groene stengelbladeren ervaren we een uitbreiding. Dan worden de bladeren meestal weer kleiner en kan men spreken van een samentrekking met als eindpunt de vorming van de kelk. De tweede uitbreiding en samentrekking vindt plaats in het bloemgebied. Met de vorming van de kleurrijke kroonbladeren begint de plant zich opnieuw uit te breiden om vervolgens bij de vorming van meeldraden en stamper zich weer samen te trekken. De derde uitbreiding en samentrekking vindt plaats in het vruchtgebied van de plant. In het ontstaan en zwellen van de vrucht ziet men een laatste alzijdige uitbreiding en de zaden, pitten of bonen zijn te beschouwen als de meest samengetrokken delen van de plant. Goethe spreekt ook nog over twee andere werkingen of tendensen die eveneens een tegengesteld of beter gezegd polair karakter hebben. Het is de tendens van het vergroeien of verenigen tegenover de tendens van het insnijden of verdelen van onderdelen van de plant.

Het insnijden of verdelen ervaar je als je bijvoorbeeld de later gevormde stengelbladeren van een boterbloem of een paardenbloem vergelijkt met de
eerstgevormde stengelbladeren onderaan de stengel. Het vergroeien of verenigen ervaar je bij bloemen met een gesloten kroon, bijvoorbeeld een grasklokje of een narcis.

In een veel later verschenen werk over de spiraaltendens in de plantenwereld onderscheidt Goethe ook nog een verticaaltendens en een spiraaltendens, die hij eveneens als twee tegenover elkaar staande werkingen beschouwt. Daarnaast zijn er bij de voortschrijdende metamorfose nog andere werkingen of tendensen te zien, zoals bijvoorbeeld de algemene tendens tot verfijning van de vormen en de grote toename en verandering aan kwaliteiten bij de vorming van de bloem, hetgeen door Goethe ook wel met het begrip ‘Steigerung’ wordt aangeduid. Met dit begrip wil Goethe ook tot uitdrukking brengen dat de plant in zijn ontwikkeling stapsgewijs een soort hoogtepunt of climax bereikt bij het verschijnen van de bloem.

Het is opmerkelijk dat Goethe overal zeer veel aandacht besteedt aan allerlei uitzonderingen en afwijkingen in de plantengroei. Goethe zegt hierover dat men de afzonderlijke vormingstendensen hierdoor beter kan leren kennen. Dit komt omdat bij de ‘normale’ ontwikkeling van de plant de afzonderlijke werkingen of krachten die de groei en ontwikkeling van de plant bepalen op een harmonische of evenwichtige manier samenwerken. Uitzonderingen of afwijkingen daarentegen ontstaan meestal doordat bepaalde tendensen gaan overheersen en juist in de ontstane onevenwichtigheid of eenzijdigheid spreken ze zich veel duidelijker uit. Zo is het te begrijpen dat Goethe aparte hoofdstukken wijdt aan de bespreking van een doorgegroeide roos en een doorgegroeide anjer. De ‘verticale stengeltendens’ wint het hier als het ware van de ‘perifere bladtendens’. Figuur 3 toont de doorgegroeide roos.

naar een aquarel van Goethe

In de voorafgaande alinea kwam reeds een interessant methodisch aspect naar voren. Nu wil ik echter nog wat systematischer ingaan op de methode die Goethe bij zijn plantenstudies hanteerde. We kunnen ons de vraag stellen: ‘Wat zeggen deze resultaten ons over Goethes werkwijze?’ Ook kunnen we ons daarbij afvragen in welk opzicht Goethes aanpak ‘anders’ is dan de gangbare methoden in de biologie. Wanneer we wat dit betreft willen doordringen tot de essentie, dan moeten we mijns inziens onze vraagstelling toespitsen op de volgende twee vragen:

1. Wat voor een waarnemende, voorstellende en denkende activiteiten moet Goethe verricht hebben om tot deze resultaten te komen?

2. In hoeverre zijn dit algemeen gangbare activiteiten in de plantkunde en in de wetenschap in het algemeen?

Om een antwoord te krijgen op deze vragen moeten we onze aandacht richten op de beschrijvingen in ‘Die Metamorphose der Pflanzen’. Hetgeen mij hieraan opgevallen is laat zich in drie niveau’s onderscheiden die overeenkomen met de eerste drie fasen of stappen in de Goetheanistische fenomenologie.

1. Zijn beschrijvingen getuigen van een buitengewoon nauwkeurig waarnemen en vergelijken van planten en onderdelen van planten.
2. Zijn beschrijvingen zijn daarbij zodanig dat we ons daardoor de planten niet meer als onbeweeglijke, verstarde voorwerpen voorstellen, maar als groeiende en zich ontwikkelende levende wezens.
3. In zijn beschrijvingen spreekt Goethe over gebaren, tendensen en werkingen waarmee hij een dynamisch geheel aanduidt wat als zodanig niet in de directe zintuiglijke waarneming gegeven is.

Ten aanzien van het laatste punt kunnen we ons de vraag stellen wat dan wel de hoedanigheid is van dat ‘dynamisch geheel’. Wanneer we het niet kunnen waarnemen in de gewone zin van het woord kunnen we het mogelijkerwijze wel met een beweeglijk voorstellen scheppen! Het vermogen dat hiervoor nodig is en dat over het algemeen nog weinig ontwikkeld is, noemt Goethe de ‘exacte zintuiglijke fantasie’. Deze uitdrukking laat zien dat het hier gaat om een bijzondere verbinding of synthese van twee menselijke vermogens, namelijk enerzijds het heldere, exacte zintuiglijke waarnemen en voorstellen en anderzijds de beweeglijke, scheppende fantasie. Alleen hierdoor is het mogelijk om onze verstarde, foto-achtige voorstellingsbeelden van de zintuiglijke wereld tot leven te wekken en kan ons denken een levendigheid krijgen die we niet of nauwelijks aantreffen in de gangbare natuurwetenschap.

Juist het in beweging brengen of tot leven wekken van de voorstellingsbeelden vormt een fundamenteel verschil met de gangbare methode in de biologie. Men kan ook zeggen dat er in de Goetheanistische fenomenologie sprake is van een terughouden of uitgestelde – en daardoor ‘verruimde begripsvorming’. Deze verruimde begripsvorming vindt plaats, zoals reeds uiteengezet werd, op basis van een rijk, dynamisch beeld wat men uitgaande van de zintuiglijke waarneming eerst zelf actief moet scheppen. Het gevolg is dat in de fenomenologie de waarnemingsgegevens niet gereduceerd en verarmd worden en zo alleen kunnen leiden tot causaal-mechanische verklaringsmodellen, maar dat ze daarentegen een plaats krijgen in een rijk en omvattend levend beeld dat in zijn gebarentaal tot ons kan gaan spreken.

Bob Siepman van der Berg, Jonas 19, 11-05-1984

.

Goethe: metamorfose van de planten

Plantkunde: alle artikelen -waaronder Goethes fenomenologische methode

VRIJESCHOOL in beeldplantkunde

.

1430-1340

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 301 – vragenbeantwoording (3)

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com

GA 301: vertaling
inhoudsopgave;     voordracht:   [1]  [2]  [3]  [4]  [5]  [6]  [7]  [8]  [9]  [10]  [11]  [12]  [13]  [14]
[vragenbeantwoording bij 1e vdr.]
[vragenbeantwoording bij 4e vdr.]

RUDOLF STEINER:

DE VERNIEUWING VAN DE PEDAGOGISCH-DIDACTISCHE KUNST DOOR GEESTESWETENSCHAP

14 voordrachten gehouden te Bazel van 20 april tot en met 11 mei 1920, met vragenbeantwoording en inleidende woorden bij twee euritmieopvoeringen [1]

Vragenbeantwoording bij de zesde voordracht [2]

blz. 238

Aus der Fragenbeantwortung im Anschluß an den sechsten Vortrag

Damit ich nichts schuldig bleibe, möchte ich jetzt noch einige von den Fragen beantworten, die mir gestellt worden sind. Zunächst möchte ich auf die Frage der Psycho-Analyse, die ja so oft von den verschiedenen Seiten her gestellt wird, eingehen. Diese Psycho-Analyse ist so recht das Kind unserer materialistischen Zeit. Unsere materialistische Zeit kommt nicht einmal dazu, den Einklang zu suchen zwischen dem schaf­finden Geiste, der, ich möchte sagen, der Künstler unseres Leibes ist, und zwischen der körperlichen, physischen Organisation. Beide stehen nebeneinander, das Körperlich-Physische und das Geistig-Seelische, und die Theorien bemühen sich, Brücken zwischen beiden zu schlagen. Was haben wir in der neueren Zeit erlebt an solchen Brücken, die ge­schlagen werden sollen zwischen dem Geistig-Seelischen und dem Phy­sisch-Leiblichen, von den Anschauungen des Cartesius bis herauf zu dem psycho-physischen Parallelismus und so weiter! Alle diese Theorien sind im Grunde nur aus der Ohnmacht geboren, den Menschen als ein Ganzes zu überschauen.

Uit de vragenbeantwoording bij de 6e voordrach

Om niemand een antwoord schuldig te blijven, wil ik nu nog een paar vragen beantwoorden die mij gesteld zijn.
Allereerst wil ik ingaan op een vraag over psycho-analyse die al zo dikwijls van verschillende kanten is gesteld.
Deze psycho-analyse is met recht een kind van onze materialistische tijd. Onze materialistische tijd komt er nu eenmaal niet op de overeenstemming te zoeken tussen de scheppende geest die, laat ik zeggen, de kunstenaar van ons lichaam is en tussen de lichamelijke, fysieke organisatie. Beide staan naast elkaar, het levend-lichamelijke en wat geest en ziel is en de theorieën doen een poging om tussen beide bruggen te bouwen. Wat hebben we de laatste tijd aan zulke bruggen kunnen beleven die gebouwd moeten worden tussen geest-ziel en het lichamelijk-levende, vanaf de tijd van Descartes tot het psychisch-fysisch parallellisme enz! Al deze theorieën zijn op de keeper beschouwd, slechts uit onmacht geboren de mens  als een totaliteit te beschouwen.

Man sieht nicht, wie alles Physische aus dem Geistigen heraus plastiziert wird, und wie alles Geistige im Grunde ge­nommen in diesem physischen Leben gleichzeitig sich offenbart nach der anderen Seite als ein Physisches. Man muß nur verstehen, wie man im Grunde genommen nur durch Abstraktion das eine von dem ande­ren trennt. Und so ist es denn gekommen, daß gewisse Erscheinungen, die man verstehen kann, wenn man diese Harmonie zwischen dem Physischen und Psychischen durchschaut, in der neueren Zeit ganz ver­kannt wurden.
Nehmen Sie einmal an, ein junger Mensch habe ein ihn erschüttern-des Erlebnis. Jedes erschütternde Erlebnis wirkt namentlich vor dem 20. Jahr zugleich organisch – in späteren Lebensjahren findet eine solche Wirkung auch noch statt, wenn auch in geringerem Ausmaße. Irgend etwas geht auch im Physischen vor. Von diesen Zusammenhängen wird heute eigentlich nur das, was sich an der äußersten Oberfläche abspielt, durchschaut. Man sieht wohl darauf hin, wie der Mensch erbleicht,

Men ziet niet hoe al het fysieke vanuit het geestelijke vorm krijgt en hoe al het geestelijke in wezen  in dit fysieke leven zich tegelijkertijd openbaart naar de andere kant als iets fysieks. Je moet alleen begrijpen hoe je in wezen alleen door abstractie het ene losmaakt van het andere. En zo is het gekomen dat bepaalde verschijnselen die je kan begrijpen wanneer je deze harmonie tussen het fysieke en het psychische doorziet, in de nieuwere tijd geheel miskend worden.
Laten we eens aannemen dat een jong iemand iets heel schokkends meemaakt. Iedere schokkende ervaring werkt namelijk vóór het 20e levensjaar ook op het organische – op laterre leeftijd gebeurt dat ook nog, zij het in mindere mate. Iets vindt er ook in het lichaam plaats. Van deze samenhang wordt tegenwoordig eigenlijk alleen maar gezien wat zich het meest aan de oppervlakte afspeelt. Men ziet wel dat de mens wit wordt, 

blz. 239

wenn er Angst hat, und wie er errötet, wenn er sich schämt. Man sieht aber nicht, wie ein erschütterndes Erlebnis, das vielleicht durch Wochen das menschliche Gemüt in eine bestimmte Empfindungsrichtung bringt, auch im ganzen menschlichen Organismus etwas rein physisch in eine andere Richtung bringt, als dies gekommen wäre, wenn dieses erschüt­ternde Erlebnis nicht stattgefunden hätte. Das menschliche Organ wird zunächst eine ganz normale Struktur haben. Diese normale Struktur reagiert nun zunächst gegen die Erschütterung. Nach einer bestimmten Anzahl Jahren wird sich, da das menschliche Leben rhythmisch ver­läuft, eine gewisse Art der Wiederholung der ursprünglichen Organ-erschütterung einstellen. Wenn man einen 38jährigen Menschen ken­nenlernt, bei dem irgendwelche seelische Anomalien auftreten, wird man diesen Vorgang nur verstehen, wenn man sich sagt: Das Erlebnis, das in diesem Fall in der Seele auftritt, weist auf ein früheres Erlebnis hin, das ebenso viele Jahre vor dem 35. Jahr liegt, als die Wieder­holung nach dem 35. Jahr liegt. Der eigentliche Grund der seelischen Anomalie, die wir bei dem 38 jährigen Menschen beobachten, kann somit in einem Erlebnis liegen, das der betreffende Mensch in seinem 32. Le­bensjahr gehabt hat.

als hij bang is en bloost, wanneer hij zich schaamt. Echter, men ziet niet dat een schokkende gebeurtenis die misschien wekenlang het menselijk gemoed op een bepaalde manier in een bepaalde stemming brengt, ook in de totaliteit van het menselijk organisme iets heel fysieks een andere kant opstuurt dan wanneer deze schokkende gebeurtenis niet had plaatsgevonden. Het menselijk orgaan zal aanvankelijk een heel normale structuur hebben. Deze normale structuur reageert als eerste tegen de schok. Na een bepaald aantal jaren, omdat het menselijke leven ritmisch verloopt, zal er een bepaald soort herhaling van de oorspronkelijke orgaanschok zich voordoen. Wanneer je een 38-jarig mens leert kennen met een of andere psychische afwijking, begrijp je dit alleen wanneer je zegt: wat de ziel in dit geval nu beleeft, wijst terug naar een eerdere beleving die net zoveel jaren geleden plaatsvond voor het 35e jaar, als de herhaling na het 35e. De eigenlijke oorzaak van de psychische afwijking die we bij de 38-jarige kunnen waarnemen, kan dus aan een ervaring liggen die de betreffende in zijn 32e jaar heeft gehad.

Das Heraufkommen des Erlebnisses im 38. Jahr versteht man, wenn man den Zusammenhang zwischen der seelischen Erschütterung, die im 32. Jahr stattfand, und gewissen physischen Or­ganen erkennt. In einem anderen Fall kann es so sein, daß das gegen­wärtige Erlebnis auf ein anderes Erlebnis hinweist, das ebenso viele Jahre vor dem 28. Jahr stattfand, als Jahre seit dem 28. Jahr verflossen, bis die Wiederholung des Erlebnisses auftrat. Eine Beobachtungsgabe muß man sich aneignen, um den Zusammenhang zwischen dem Seelisch-Geistigen und der Organologie zu erkennen. Was tut statt dessen unsere Zeit? Wenn man Arzt ist und noch so materialistisch denkt, kann man doch nicht leugnen, daß es immerhin ein Seelenleben gibt. Der Materia­lismus zeichnet sich nun gerade dadurch aus, daß er nichts von der Ma­terie versteht, und in der Zeit des Materialismus kann die Tragik erlebt werden, daß dieser Materialismus die materiellen Prozesse nicht ver­steht. Und gerade deshalb bezieht man nicht das seelische Erlebnis auf das Materielle. Man sagt dagegen fälschlicherweise: Eine isolierte Seelenprovinz, die durch lange Jahre da war, die wirkt jetzt wiederum herauf, die muß man heraufziehen, bewußt machen, während es darauf ankäme, den organischen Gesundheitszustand des Menschen zu studie­ren, nicht psycho-analytisch an ihm herumzuprobieren.

Het manifest worden van de ervaring in het 38e jaar begrijp je, wanneer je de samenhang tussen de psychische schok die in het 32e jaar plaatsvond en bepaalde fysieke organen kent.
In een ander geval kan het zo zijn dat de huidige ervaring naar een andere ervaring verwijst dat net zoveel jaar vóór het 28e plaatsvond als de jaren die sedert het 28e jaar zijn verstreken, tot de herhaling van de gebeurtenis optrad. Je moet je een vermogen om dit waar te nemen, eigen maken, wil je de samenhang tussen ziel-geest en de organen kennen. Wat doet in plaats hiervan onze tijd ondertussen? Wanneer men arts is en nog zo materialistisch denkt, kun je toch niet ontkennen dat er altijd nog een zielenleven is. Het materialisme valt nu juist op doordat het van de materie niets begrijpt en in de tijd van het materialisme kun je de tragiek beleven dat dit materialisme de stoffelijke processen niet begrijpt. Foutief zegt men: een geïsoleerd stukje ziel dat er al heel lang is, moet men blootleggen, bewust maken, terwijl het erop aankomt de organische gezondheidstoestand van de mens te bestuderen, niet hem psycho-analytisch uit te proberen.

blz. 240

So ist es auch mit der Anwendung der Psycho-Analyse auf die Päd­agogik. Nur weil man das, worauf in diesem Vortrag der besondere Wert gelegt wird, nämlich das einheitliche Zusammenwirken des Geistig-Seelischen mit dem Körperlich-Physischen, nicht durchschaut, spricht man von der Anwendung der Psycho-Analyse in der Pädago­gik. Man kann nicht einseitig etwa nur das Geistig-Seelische behandeln. Davon wollen wir dann noch genauer sprechen.
Jetzt möchte ich noch auf etwas anderes hinweisen, auf die Klippe des Pubertätsalters. Da darf ich kurz sein. Diese Klippen des Puber­tätsalters treten nur dann auf, wenn eben nicht ordentlich erzogen wird. Wenn die Kinder in dieser Weise innerliches Erschauen und innerliches Erleben haben, wie ich es heute geschildert habe, dann wirkt das auF die ganze seelische und physische Organisation des Kindes so zurück, daß andere Empfindungen und ein anderes Verhältnis zur Außenwelt auftreten, als wenn ich gerade im 7., 8. Lebensjahre das Kind zu in­tellektuell oder zu wenig künstlerisch entwickle. Die Sünden des Er­ziehens im 7. und 8. Lebensjahre erscheinen in den unrichtigen Emp­findungen des Pubertätsalters. 

Zo is het ook met de toepassing van de psycho-analyse in de pedagogie. Alleen omdat men dit, waaraan in deze voordracht bijzondere waarde werd toegekend, namelijk het als geheel samenwerken van de geest-ziel met het levend-lichamelijke, niet doorziet, spreekt men over de toepassing van de psycho-analyse in de pedagogie. Je kunt niet eenzijdig alleen maar iets van geest en ziel behandelen.
Daarop wil ik dan nog preciezer ingaan.
Nu zou ik nog op iets anders willen wijzen, op de moeilijkheden van de puberteitsleeftijd. Daar kan ik kort over zijn. Die moeilijkheden doen zich alleen voor, wanneer er niet goed wordt opgevoed. Wanneer de kinderen op de manier waarop ik het vandaag geschetst heb een innerlijk gewaarworden en een  innerlijk beleven hebben, slaat dat op de totale psychische en fysieke organisatie van het kind zo terug dat andere belevingen en een andere verhouding tot de buitenwereld ontstaan, dan wanneer ik met name in het 7e, 8e jaar het kind te intellectueeel of te weinig kunstzinnig ontwikkel. Het verkeerd opvoeden in het 7e en 8e jaar verschijnt in de verkeerde belevingen in de puberteitsjaren.

Heute macht man allerdings die kurio­sesten Erfahrungen, und wenn man darüber sprechen würde, was einem heute oftmals von Müttern oder Vätern von ihren Kindern erzählt wird, dann würde man eben sehen, wie der Materialismus in alle Ge­müter eingegriffen hat. Es kommen heute Leute und sagen von ihrem 5- oder 6jährigen Kinde, es habe sexuelle Ungezogenheiten. Dies zeigt, daß man nicht mehr unterscheiden kann. Wenn ein Messer ein Rasier-messer geworden ist, ist es eben kein Taschenmesser. So sind Hand­lungen, die beim Kinde auftreten, und die äußerlich sexuelle Triebe zu verraten scheinen, gar nicht sexuelle Handlungen, sondern fordern lediglich, daß man das Kind in naturgemäßer Weise erzieht; dann treten irgendwelche abnormale Empfindungen im Pubertätsalter ganz gewiß nicht auf. Wer das Leben kennt, weiß, daß es ebensowenig ein sexueller Akt ist, wenn das Kind sich in der Nähe der Sexualorgane kratzt, wenn es dort eine kleine entzündliche Stelle hat, die vielleicht äußerlich wenig bemerkbar ist, als wenn es sich an der Nase oder an der Wange kratzt. Damit ist mehr gesagt und auf mehr hingewiesen als man gewöhnlich annimmt und das muß man eben durchschauen. Und dann wird man nicht in solches Zeug verfallen wie Freud, der nun, statt die Dinge anzuschauen wie sie sind, nämlich, daß es einerlei ist, ob das Kind sich an der Wange kratzt oder wo anders, wenn das

Vandaag de dag doe je de meest merkwaardige ervaringen op en wanneer je zou spreken over wat iemand nu vaak van moeders of vaders hoort over hun kinderen, zou je zien hoe het materialisme ieders gemoed in zijn greep heeft. Er komen mensen en die zeggen van hun 5 – 6-jarige kind dat dit zich seksueel misdraagt. Dat laat zien dat men geen onderscheid meer weet te maken. Wanneer een mes een scheermes is geworden, is het uiteraard geen tafelmes meer. Zo zijn de handelingen die bij een kind optreden en die uiterlijk seksuele drang lijken te verraden, helemaal geen seksuele handelingen, maar vragen alleen maar om het kind op een natuurlijke manier op te voeden; dan doen zich die abnormale belevingen zich in de puberteit echt niet voor. Wie het leven kent, weet dat het net zo min een seksuele handeling is wanneer een kind zich krabt in de buurt van de geslachtsorganen, wanneer daar een plekje zit dat ontstoken is, uiterlijk misschien niet eens opvallend, als wanneer het aan zijn neus of wang krabt. Daarmee wordt meer gezegd of op meer gewezen dan men gewoonlijk aanneemt en dat moet je doorzien.
En dan verval je niet tot die rommel die Freud die nu, i.p.v. de dingen waar te nemen zoals ze zijn, namelijk dat het niets uitmaakt of een kind aan zijn wang krabt of ergens anders, wanneer het

blz. 241

Kind noch nicht das Pubertätszeitalter erlangt hat, aus dem heutigen Materialismus heraus behauptet, es sei ein sexueller Akt, wenn sich das Kind am Schnuller ergötze. Ja, meine sehr verehrten Anwesenden, von dieser Theorie aus kann man eben alles unter einen Gesichtspunkt brin­gen. Goethe wollte das mit einem seiner sehr humoristischen Gedichte treffen, indem er den Beweisen, die Welt bestehe aus so und so gearte­ten Atomen und den Weltanschauungen, wonach alles als Wille oder als unbewußtes Sein konstruiert wird, entgegenstellt: »Die Welt ist ein Sardellensalat». (Goethe: Lyrische Gedichte.) Gustav Theodor Fech­ner, der Humorist hat wirklich auch eine gute Tat begangen. In seinem Büchelehen: »Der Mond als Jodin« – es ist schon in den zwanziger Jahren des 19. Jahrhunderts erschienen -, bewies er auch einmal nach dem Muster der Beweise, die man für vieles hat, daß der Mond ledig­lich aus Jod besteht. Dieses Büchlein sollte man heute als eine Illustra­tion mancher Weltanschauungsdenkweise überall auflegen, statt es mehr und mehr verschwinden zu lassen.

kind nog niet de puberteitsleeftijd bereikt heeft, beweert vanuit het huidige materialisme, dat het een seksuele handeling is, wanneer een kind van de fopspeen geniet. Ja, zeer geachte aanwezigen, met deze theorie kan men alles onder één gezichtspunt brengen. Goethe wilde dat met een van zijn humoristische gedichten treffend neerzetten tegenover het bewijs dat de wereld uit die en die atomen met die en die eigenschappen bestaat, waardoor alles als wil of onbewust zijn gevormd wordt:
‘De wereld is een ansjovissalade’ (Goethe, Lyrische gedichten). Gustav Theodor Fechner, de humorist, heeft ook echt iets goeds gedaan. In zijn boekje ‘De maan als jodium’ – het verscheen al in de jarig twintig van de 19e eeuw – bewees hij volgens het patroon van bewijsvoering, dat men voor van alles gebruikte, dat de maan alleen maar uit jodium bestaat. Dit boekje zou men tegenwoordig als een illustratie van het vele wereldbeschouwelijke denken overal ter inzage neer moeten leggen, in plaats van het steeds meer te laten verdwijnen.

(Auf einen Einwand, Dr. Steiner habe nur Freud, nicht die anderen Richtungen berührt:)

Als Antwort auf Ihre Frage wäre es ja notwendig, daß ich eine ganze Reihe von Vorträgen hielte. Da dies nicht möglich ist, möchte ich nur noch das Folgende sagen: Wie stark in unserer Zeit, ich möchte sagen, der Fanatismus für gewisse Richtungen ist, das tritt einem ganz besonders bei den Anhängern der Psycho-Analyse entgegen. Bei der Beantwortung einer Frage habe ich für ein gewisses Beispiel auf die Freudsche Meinung in bezug auf die Sexualität hingewiesen. Es ist ja natürlich schon richtig, daß andere Psycho-Analytiker sehr stark von dieser einseitig sexualistischen Deutung abgegangen sind. Insbesondere ist gerade in den letzten Monaten von einzelnen Psychiatern sehr, sehr stark gewissermaßen abgeschwenkt worden von der ursprünglichen Freudsehen Richtung, sogar von der Jungschen Richtung – aber der­jenige, der die Psycho-Analyse im Zusammenhang mit der ganzen Zivilisations-Entwickelung der neueren Zeit beurteilen kann, der wird in der Psycho-Analyse niemals etwas Neues sehen, respektive nicht den Keim zu einem Neuen sehen können, sondern die letzte Konsequenz des Materialismus. Für den Materialismus ist es eben charakteristisch, daß er, statt in lebendiger Anschauung auf den Zusammenhang des Geistig-Seelischen mit dem Physischen einzugehen, das Physische nur

Op een tegenwerping dat Dr. Steiner het alleen over Freud heeft gehad, niet over andere richtingen:)

Als antwoord op uw vraag, zou het nodig zijn een hele reeks voordrachten te houden. Omdat dat niet mogelijk is, zou ik nog het volgende willen zeggen: hoe sterk in onze tijd – ik zou willen zeggen – het fanatisme voor bepaalde richtingen is, kom je bij de aanhangers van de psycho-analyse in het bijzonder tegen. Bij de beantwoording van een vraag heb ik op een bepaald voorbeeld gewezen op de mening van Freud wat betreft de seksualiteit. Het is natuurlijk juist, dat andere psycho-analytici afstand hebben genomen van deze zeer sterk eenzijdige seksuele verklaring. Met name is juist de laatste maanden door individuele psychiaters in zekere zin een zeer, zeer sterk afwijkende weg ingeslagen dan de oorspronkelijke richting van Freud, zelfs van Jung – maar degene die de psycho-analyse in samenhang met de hele ontwikkeling van de beschaving in de nieuwere tijd kan beoordelen, zal in de psycho-analyse nooit iets nieuws zien, respectievelijk geen kiem tot iets nieuws kunnen zien, maar alleen het laatste gevolg van het materialisme. Voor het materialisme is het nu eenmaal karakteristiek dat het i.p.v. met een levendig waarnemen op de samenhang van geest-ziel met het lichamelijke in te gaan, het fysieke alleen

blz. 242

aus der alleräußersten Anschauung heraus charakterisieren will, wie es in der Physik, Chemie gilt, und daß er auf der anderen Seite stehen-bleibt bei der abstrakten Charakteristik des Geistig-Seelischen. Und das wird, indem man einfach kontinuierlich die seelischen Bestände fortverfolgt durch das Leben des Menschen, in der Psycho-Analyse bis zum äußersten Extrem getrieben. Es wird nicht und braucht nicht im mindesten geleugnet zu werden, daß die positiven Dinge, die man im Auge hat, wenn man heute von der Psycho-Analyse redet, als solche richtig sind. Gewiß, es ist durchaus richtig, daß gewisse seelische Erleb­nisse fortwirkend in einer bestimmten Umformung wiederum durch­schaut, erkannt, beobachtet werden können. Aber es handelt sich darum, daß in der Zeit, die dazwischen liegt, eine solche Wechselwirkung statt­gefunden hat zwischen dem, was da in der Psycho-Analyse als isolier­tes Seelisches betrachtet wird, und den Organwirkungen, daß beim Neuauftreten eine starke Einseitigkeit herauskommt, wenn man auf diese Organwirkungen nicht hinzuschauen vermag.
Diese Theorien, von denen die Psyeho-Analyse auch eine ist, denen haftet in der Gegenwart etwas sehr Eigentümliches an. Man kann mir glauben, daß ich mich gerade mit den Dingen, die vorgebracht worden sind, sehr eingehend beschäftigt habe.

vnauit een alleruiterlijkst waarnemen wil karakteriseren, zoals dat gangbaar is in de natuurkunde, de scheikunde en dat het materialisme aan de andere kant stilstaat bij een abstracte karakteristiek van geest en ziel. En dat wordt, wanneer je eenvoudig continue volgt wat er door het leven van een mens heen aan ziel bestaat, in de psycho-analyse tot in het uiterste gepraktiseerd. Het zal niet en hoeft helemaal niet ontkend te worden dat de positieve dingen die men op het oog heeft, wanneer men vandaag over de psych-analyse soreekt, als zodanig juist zijn. Zeker is het beslist juist dat bepaalde ervaringen doorwerkend in een bepaalde verandering, weer doorzien, gekend en waargenomen kunnen worden. Maar het gaat erom dat in de tijd die er tussen ligt zo’n wisselwerking heeft plaatsgevonden tussen wat in de psycho-analyse als een geïsoleerd zielengebied beschouwd wordt en de werking van de organen, dat er bij het weer manifest worden een sterke eenzijdigheid blijkt te zijn wanneer je niet in staat bent naar deze orgaanwerking te kijken.
Aan deze theorieën, waarvan de psycho-analyse er ook een is, kleeft in deze tijd iets zeer merkwaardigs. U kan me geloven dat ik mij juist met de dingen die naar voren worden gebracht, zeer diepgaand heb beziggehouden.

Es handelt sich darum, einzu­sehen, daß heute die Tendenz besteht, Theorien, die für ein gewisses, eingeschränktes Gebiet richtig sind, zu Unrecht als allgemeine Gesetze zusammenzufassen. Die Psycho-Analyse ist hierfür ein Schulbeispiel. Eine Zusammenfassung zu einem Gesetz oder einer Theorie ist nur dann berechtigt, wenn die Anwendbarkeit in allen Konsequenzen im Praktischen verfolgt werden kann. Gerade das kann aber der Psycho-Analytiker bei seiner Theorie nicht. Weil der Psycho-Analytiker den wahren Zusammenhang zwischen Physischem und Psychischem nicht kennt, setzt er gegenwärtige psychische Tatbestände einseitig in Be­ziehung mit früheren psychischen Tatbeständen. Dies tritt gerade bei Jung so stark hervor. Jung steht ganz abseits von einer umfassenden Betrachtung der Welterscheinungen. Nun ist ja anzuerkennen, daß Jung gewisse Komplexe gelten läßt und sie sogar in der seelischen Evo­lutionsreihe zurückverfolgt. – Der sogenannte Oedipus-Komplex, wie ihn einzelne Psycho-Analytiker beschreiben, ist etwas sehr Interessan­tes selbstverständlich und auch sehr gefangennehmend. Der Fehler liegt aber darin, daß man in der dargestellten Erscheinungsreihe nicht den notwendigen Umfang aller anderen Erscheinungen umfaßt, mit denen

Het gaat erom in te zien dat tegenwoordig de tendens bestaat, theorieën die op een bepaald, begrensd gebied juist zijn, onterecht als algemeen gangbare wetten samen te vatten. De psycho-analyse is hiervan een schoolvoorbeeld. Het als een wet of theorie nemen is alleen dan gerechtvaardigd, wanneer men de toepasbaarheid met alle consequenties in de praktijk van het leven volgen kan. Maar dat kan de psycho-analyticus met zijn theorie niet. Omdat de psycho-analyticus de echte samenhang tussen fysiek en psyche niet kent, brengt hij psychische feiten van nu eenzijdig in verband met vroegere psychische feiten. Dat zie je juist sterk bij Jung. Jung staat heel afzijdig van een omvattende beschouwing van de verschijnselen in de wereld. Je kan wel erkennen dat Jung bepaalde complexen laat gelden en die volgt hij zelfs terug in de evolutierij van de ziel. – Het zgn. Oedipus-comlex, zoals een paar psycho-analytici dit beschrijven, is iets zeer interessants, vanzelfsprekend, en zeer fascinerend. Maar de fout zit hem erin dat men in de voorgestelde evolutierij niet de noodzakelijke omvang van alle andere verschijnselen omvat waarmee

blz. 243

die dargestellte Erscheinungsreihe zusammenhängt. Was ich meine, läßt sich durch ein einfaches Bild veranschaulichen. Wenn Sie eine ab­geschnittene Rose und einen Kristall auf einen Tisch stellen, so können Sie sagen, beides seien Gegenstände. Diese Gleichstellung von Rose und Kristall unter dem Begriff Gegenstand ist aber nur unter einem äußer­lichen Aspekt berechtigt. Die abgeschnittene Rose ist keine Wirklich­keit und Sie können sie nicht so betrachten wie den Kristall, der in einer gewissen Weise ein Abgeschlossenes ist. Natürlich muß auch der Kristall von einem noch weiteren Gesichtspunkt im Einklang mit sei­ner eigentlichen Umgebung betrachtet werden. – Man muß eben überall den Umfang der Erscheinungen suchen, in den sich ein Komplex, den man hat, einordnet. Man kann nicht nur das, was unmittelbar vor einem liegt, berücksichtigen. Auch eine Baumblüte zum Beispiel kann nicht für sich allein als Gegenstand betrachtet werden, höchstens der Baum; von einem weiteren Gesichtspunkt muß sogar die Erdbesehaffen­heit, die Luftbeschaffenheit und so weiter hinzugenommen werden.

de opgestelde rij samenhangt. Wat ik bedoel, wordt door een eenvoudig voorbeeld duidelijk. Wanneer u een afgsneden roos en een kristal op een tafel legt, kunt u zeggen dat het beide voorwerpen zijn. De gelijkschakeling van roos en kristal onder het begrip voorwerp is echter maar onder één uiterlijk gezichtspunt gerechtvaardigd. De afgesneden roos is geen werkelijkheid en die kun je niet zo bekijken als een kristal die op een bepaalde manier iets op zich is. Natuurlijk moet ook het kristal vanuit een nog breder perspectief in samenhang met zijn eigenlijke omgeving bekeken worden. – Je moet nu eenmaal overal naar de omvang van de verschijnselen zoeken waarin je een complex dat je hebt, onderbrengt. Je kan niet alleen maar rekening houden met wat je zo direct voor je hebt. Ook een bloesem aan een boom bijv. kan niet als een voorwerp op zich bekeken worden, hooguit de boom; vanuit een ruimer perspectief moet zelfs de aard van de grond, van de lucht e.d. er nog bij worden genomen.

Die Psycho-Analyse macht vor allen Dingen den Fehler, daß sie Erscheinungen isoliert betrachtet, die nur, wenn sie an andere Erschei­nungsreihen angeschlossen werden, erklärbar sind. Durch diese ein­seitige Betrachtung entstehen Fehler. Ich habe auf das sexuelle Beispiel nur aus dem Grunde hingewiesen, weil in der Literatur zum Beispiel das Fischsymbol als Zeichen für das männliche Sexualorgan erklärt und in einer Weise belegt wird, in der wissenschaftlich nicht belegt wer­den darf. Solche Erklärungen sind einfach grotesk. Auch die Erschei­nung des sogenannten Oedipus-Komplex kann nicht nur in einer be­stimmten Strömung, das heißt isoliert betrachtet werden, sondern man muß sie mit anderem in Zusammenhang bringen und sich zu einer Be­trachtung der Gesamtmenschheitsentwickelung aufschwingen.

(Auf eine weitere Einwendung, die Geisteswissenschaft betreffend:)

Wenn Sie meine Geisteswissenschaft ins Auge fassen wollen, so kön­nen Sie diese eben nicht bloß aus diesen pädagogischen Vorträgen ins Auge fassen, sondern Sie müssen sie gründlicher studieren. Das ist eine mehr oder weniger groteske Behauptung, daß meine Geisteswissen­schaft irgend etwas zu tun hat mit der des 19. Jahrhunderts.
Die Geisteswissenschaft, die ich vertrete, kann man nicht als solche aus diesen pädagogischen Vorträgen bloß ersehen, sondern diese pädagogi­schen Vorträge sind eben nur eine Konsequenz dieser Geisteswissenschaft.

De psycho-analyse maakt vooral de fout dat ze verschijnselen geïsoleerd beschouwt, die alleen, wanneer ze samen genomen worden met andere verschijnselen, te verklaren zijn. Door die eenzijdige manier van beschouwen ontstaan de fouten. Ik heb alleen maar op het seksuele voorbeeld gewezen, omdat in de literatuur bijv. het symbool van de vis als een symbool voor het mannelijk geslachtsorgaan wordt verklaard en op een manier wordt bewezen waarmee wetenschappelijk niet bewezen mag worden. Zulke verklaringen zijn simpelweg grotesk. Ook het verschijnsel van het zgn. Oedipus-complex kan niet in een bepaalde stroming, d.w.z. geïsoleerd bekeken worden, maar men moet dit met iets anders in samenhang brengen en zich opwerken om tot een beschouwingswijze te komen van een totale mensheidsontwikkeling.

(Op een andere tegenwerping, die de geesteswetenschap betreft:)

Wanneer u naar mijn geesteswetenschap wil kijken, kan u dat niet zomaar doen met deze pedagogische voordrachten, maar dan moet u de geesteswetenschap grondiger bestuderen. Het is min of meer wel een groteske bewering, dat mijn geesteswetenschap op de een of andere manier iets van doen heeft met de 19e eeuw.
De geesteswetenschap waar ik voor sta, kan je niet als zodanig uit deze pedagogische voordrachten alleen ontdekken, maar deze pedagogische voordrachten zijn wél het gevolg van deze geesteswetenschap.

.

[1]  GA 301: Die Erneuerung der pädagogisch-didaktischen Kunst durch Geisteswissenschaft

[2] vragenbeantwoording  (Duits)
.

Rudolf Steiner over pedagogie(k)

Rudolf Steineralle artikelen

.

1429-1339

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over euritmie (GA 298)

.

RUDOLF STEINER OVER EURITMIE

GA 298

Beknopte inhoud:
blz. 13 Kunstzinnig onderwijs voor een sterke gevoel- en wilskracht. Euritmische, de zinvolle beweging, in plaats van wat alleen maar berust op het anatomische en fysiologische van het lichaam.

blz. 13-14

Durchschaut man, wie stark aus der kindlich-künstlerischen Erzie­hung das Intellektuelle herauszuholen ist, so wird man der Kunst im ersten Volksschulunterricht die angemessene Stellung zu geben geneigt sein. Man wird die musikalische und auch die bildnerische Kunst in das Unterrichtsgebiet richtig hineinstellen und mit dem Künstlerischen die Pflege der Körperübungen entsprechend verbinden. Man wird das Tur­nerische und die Bewegungsspiele zum Ausdrucke von Empfindungen machen, die angeregt werden von dem Musikalischen oder von Rezitier­tem. Die eurythmische, die sinnvolle Bewegung wird an die Stelle derjenigen treten, die bloß auf das Anatomische und Physiologische des Körpers sich aufbaut. Und man wird finden, welch starke willen- und gemütbildende Kraft in der künstlerischen Gestaltung des Unterrichtes liegt.

Kun je doorzien hoe je het intellectuele daadwerkelijk uit de kunstzinnige opvoeding van een kind kan ontwikkelen, dan zal je bereid zijn om de kunst haar juiste plaats te geven in het eerste lesgeven op de basisschool. Dan zal je de musische en ook de beeldende kunst op de goede manier in je onderwijs integreren en met het kunstzinnige adequaat de lichamelijke oefeningen verbinden. Dan zal je de gymnastiek en de bewegingspelletjes gebruiken voor het tot uitdrukking laten komen van gevoelens die gestimuleerd worden door het muzikale of door het reciteren. De euritmische, de zinvolle beweging komt dan in de plaats van wat alleen maar berust op het anatomische en fysiologische van het lichaam. En dan zul je merken wat voor een sterke wils- en gevoelsvormende kracht de kunstzinnige opbouw van het onderwijs heeft.
GA 298/13-14
Niet vertaald

Rudolf Steiner over euritmie

Rudolf Steineralle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldklankfiguren

.

1428-1338

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-8-1)

.

Enkele gedachten bij blz. 24/25 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA295) [3]

Over adem en ademen

In het op o.a. de vrijescholen zo bekende Paradijsspel zegt Godvader, wanneer hij voor het eerst spreekt – dat doet hij tegen Adam –

‘Adam, nu neemt den adem des levens,
dien ghy ontfaet mit deuzen dach
neemt oock verstant waerdoor ghy leert
dattic u uyt stof heb geformeerd.
Soo leef dan. En van stonde af aan
gaet steevast op u voeten staen!

In deze eerste woorden wordt de drieledige mens geschapen. Door de adem!
Het verstand volgt waarmee Adam moet leren wat inmiddels al voltooid is: de schepping uit de stoffelijkheid. Dan strekt Adam zich a.h.w. in de verticaal, als hij stevig op zijn benen gaat staan. Waarheen hij gaan zal? Dat is nog geen realiteit: de toekomst ligt open.

Levensadem. De schepping van Adam.
Byzantijns mozaïek, Monreale, 12 eeuw
Adam

Adam is hier nog geen individuele naam, maar duidt op de schepping van ‘de mens'(heid), in het bijzonder [4] ‘hij die uit aardse stof werd gemaakt’.
Het Hebreews gebruikt hier de naam “Adamah”. Er zijn verschillende omschrijvingen, waaronder ‘levensgrond.’

Adam hangt etymologisch niet samen met adem. Die wordt in het Hebreews ‘ruach’ genoemd.
Dat is geen woord met maar één betekenis. Het wordt op verschillende manieren vertaald en omschreven:

‘Het Hebreeuwse ruach duidt in de eerste plaats een luchtbeweging aan. Dat kan wind zijn, maar ook adem en vervolgens geest. Vandaar kan het dan een bepaalde gemoedstoestand aanduiden. In een andere zin kan het ook slaan op een bepaalde windrichting en dus een zijde of een kompasrichting.’ [5]

Met het woord wordt uitgedrukt dat door ‘ruach’ de mens een levend wezen wordt, maar tegelijkertijd betekent het ziel en geest.
God is de schepper van ruach, ruach de scheppende activiteit.
Ruach is het levensprincipe dat rede, wil en geweten omvat. [6]

‘Veel woorden in andere talen die qua betekenis verwant zijn aan het woord ziel gaan etymologisch terug op woorden die adem(en), lucht, wind, ruiken e.d. betekenen. Grieks: het woord psyche (ziel) betekent evenals pneuma (geest) wind of lucht (< pne(w)ô = waaien), (pnu=ademen of blasen)  Latijn: de woorden anima (ziel) en animus (geest) betekenen wind, spiritus (geest) adem. Sanskriet: âtman (ziel) betekent lucht (vergelijk adem – misschien – Grieks “atmos”)., het boeddhisme heeft nirvanaHebreeuws: de woorden nefesj (levensadem), nesjamah (ziel) en roeach (geest) betekenen respectievelijk geur, lucht en wind. Volgens de taalkundige H. Möller hangen nefesj en nesjamahsamen met neus, roeach met reuk samen. Anderen zien ook in het Griekse woord nous of noös (geest) een verband met neus. [7]

Tegen deze achtergrond is het niet zo vreemd dat Rudolf Steiner dan eens over ‘geest-ziel’ spreekt, dan eens over ‘ziel-geest’ het Duitse geistig-seelisch of seelisch-geistig; ook Geistseele en Seelengeist. 
We zien in de woorden die in het begin van het bijbelboek Genesis staan opgetekend de mens(heid) als enerzijds het wezen geschapen door een geest-zielenkracht; anderzijds een wezen dat uit aarde, uit aardestof wordt geschapen.
A.h.w. een soort oerbeeld van de 2-ledige mens. ‘Onder’ en ‘boven’ moeten nog met elkaar in harmonie komen. Dat gaat niet zonder de adem.

Of zoals Steiner dat verwoordt op blz. 24:
Dieses Atmen bedeutet sehr, sehr viel für die menschliche Wesenheit, denn in diesem Atmen liegt ja schon das ganze dreigliedrige System des physischen Menschen.

Dit ademen betekent heel, heel veel voor het menselijk wezen, want in het ademen ligt al de gehele drieledigheid van de fysieke mens besloten.
GA 293/24

Wanneer de mens begint te ademen, begint op aarde zijn wezen als geest-ziel/ziel-geest. En deze ‘zitten’ meteen in ‘denken, voelen, willen.’

Het eerder genoemde ‘ruach’ heeft ook de betekenis van ‘gemoedstoestand’, ‘emotie’ (blijkend uit een versnelde ademhaling). En dan krijg je betekenissen als ongeduld of woede, maar ook bezieling of kracht. Dat kan iemands eigen ‘geest’ zijn, die hem aanzet bepaalde dingen te doen, goed of slecht, dus de mentaliteit, de gezindheid die iemand heeft. [5]

Hoezeer de gevoelens, de emoties als zielenkwaliteiten gedragen worden door de fysieke adem, blijkt uit het dagelijks leven. De taal die we daarbij gebruiken, drukt deze samenhang – vaak beeldend – uit.
Bij hevige schrik ‘stokt de adem in de keel’ of wordt iemand ‘de adem benomen’; ook een sfeer kan ‘verstikkend’ zijn; iets moois of iets spannends ‘adembenemend’. En vanzelfsprekend wordt het direct bij de ademhaling betrokken orgaan: het hart, in deze uitdrukkingen betrokken: bij schrik: ‘mijn hart klopte in mijn keel’; ‘zijn hart sprong op van vreugde’; bij ontmoediging: ‘het hart zakte me in de schoenen’.

Het ademen is een ritmisch proces. Ritme werkt door in alle levensprocessen – het is een wezenlijke eigenschap van alles wat leeft. Ieder levensproces wordt een bepaalde tijd sterker, dan weer zwakker en daarna weer sterker. Het leven zit in de voortdurend ritmische vernieuwing. In een normale toestand verlopen de ritmische processen in de organen zo, dat we die niet waarnemen. Waarneembaar is eigenlijk alleen het ademhalen zelf (als je erop let) en voelbaar is je hartslag, bijv. met je hand op je hart of op de verschillende ‘pols’plaatsen. Hoe het ademhalingsritme verder nog doorwerkt in ons lichaam en waar, voelen we niet bewust meer. Een enkele keer: wanneer we door een of andere emotie een ‘stoot’ in ons hoofd voelen die vrijwel gelijktijdig plaatsvindt met een verhevigde hartslag. We mogen echter wel zeggen dat het ritmische leven in het ademhalingsorgaan een zodanige werking heeft dat dit het fysieke orgaan als geheel doorwérkt en in zijn ritme meeneemt – in een voortdurende afwisseling tussen het actieve inademen en het passieve uitademen.
De ademhaling is afhankelijk van sterke schommelingen in de frequentie (de hoeveelheid ademhalingen) en in de amplitude (de diepte van de ademhaling). Die zijn niet alleen het gevolg van grotere of minder grote lichamelijke inspanning, ze doen zich ook voor bij lichamelijke rust. Ze staan dan in een duidelijke relatie tot de verschillende gevoelens die men in het borstgebied beleeft.

Hoezeer de ademhaling betrokken is bij de gevoelens, wordt in deze figuren zichtbaar:

Zonder emotie wil hier zeggen: enigszins gelaten, geen direct beleefbare gevoelens.
Bij boosheid is er innerlijk onrust en sterke opwinding. De ademhaling gaat vlugger en tegelijkertijd wordt deze onregelmatiger.

Opmerkelijk is de frequentie bij sex. De staat van opwinding veroorzaakt een ademhaling die beduidend ‘zwaarder’ wordt en daardoor hoorbaar – d.w.z. meer fysiek!, het bekende geluid van ‘de hijger’.

Wanneer er door een bepaalde indruk een gevoel van blijdschap ontstaat, opent de ziel zich, wordt ruimer en de innerlijke beweging wordt sterker: een toestand van een vreugdevolle opwinding met een bepaalde diepte van beleving. De ademhaling wordt dieper en sneller. 
Bij eerbied, verering beleeft een mens veel meer iets geestelijks. Alle opwinding is verdwenen. Vanuit een innerlijke rust opent de ziel zich. Er volgt een verdiepte beleving, want wat je vereert, komt uit de diepte van de ziel. Het ademritme wordt rustiger, langzamer en wordt veel dieper. [8]

Door zulke waarnemingen wordt de samenhang tussen de innerlijke dynamiek van de gevoelens en de verschillende manieren van ademen, duidelijk: dynamiek van de gevoelens wil zeggen: actief of in rust en de diepere of oppervlakkigere beleving. Dat wordt weerspiegeld in de frequentie en de diepte van het ademen. Ademen is de fysionomie van het gevoelsleven. [9]

De individuele mens beschikt over een groot scala aan gevoelens: van de meest elementaire – die we bij ‘etherlijf’ tegenkwamen en in de gewaarwordingsziel beleven: honger, dorst, kou; en minder ‘stoffelijke’ gevoelens die zich in de verstands-gemoedsziel openbaren: alles wat grofweg sympathie en antipathie is en gevoelens die zich losmaken van het direct persoonlijke en zich richten op de ander of het andere: liefde, eerbied, meedelijden. 
Ook bij kinderen is er al een grote variatie aan gevoelens.

Tegen deze achtergrond is het goed te begrijpen dat Steiner op dezelfde dag waarop hij deze dingen uitspreekt – tijdens de eerste lezing op 21 augustus 1919 – daar in de tweede lezing die dag op terugkomt. 
Hij zegt:

Versuchen Sie nie so zu erzählen, daß Sie auf Kopf und Verstand reflektieren, sondern so zu erzählen, daß Sie in dem Kinde gewisse stille Schauer – in gewissen Grenzen – hervorrufen, daß Sie den ganzen Menschen ergreifende Lüste oder Unlüste hervorrufen, daß dies noch nachklingt, wenn das Kind weggegangen ist und daß es dann zu dem Verständnisse davon und zu dem Interesse daran erst übergeht.

Probeert u nooit zo te vertellen dat u het hoofd en het verstand aanspreekt, maar zo dat u in het kind een soort stille hui­vering – binnen bepaalde grenzen – oproept, dat u lust- of onlust­gevoelens oproept die de hele mens aangrijpen. Die klinken dan nog na wanneer het kind weer naar huis gaat, en van daaruit kan het dan de stap tot begrip en interesse zetten.
GA 294/20**
vertaald/31

Bij de behandeling van het vertellen van een fabel zegt hij dan:

Jetzt möchte ich mit Ihnen ein Stück Unterricht besprechen. Ich möchte darauf aufmerksam machen, daß Sie niemals den Inhalt eines Lesestückes – ich will es prosaisch so nennen – dadurch für das Gefühl und die Empfindung verderben sollten, daß Sie das Lesestück lesen, oder mit den Zöglingen durchlesen, und es dann pedan­tisch erklären. Der einsichtige Psychologe wird es nicht so machen, son­dern er wird das Gefühl dafür haben, daß ein Prosastück oder ein Gedicht auf die Seele so wirken muß, daß diese Seele, wenn sie es erlebt hat, mit dem Eindruck zufrieden sein kann; von dem Eindruck befriedigt sein kann, könnte man auch sagen. Man wird aber das nicht ausschließen dürfen, daß man gerade diese Befriedigung, welche aus dem Inhalte eines Lesestückes hervorgehen soll, für den Zögling da­durch erhöht, daß der Zögling vollständig alle Nuancen versteht, daß er dem Gefühl nach wenigstens, instinktiv, versteht, was in dem Ge­dichte darin ist. 

Nu zou ik een stuk onderwijs met u willen bespreken. Ik zou u erop willen wijzen dat u nooit de inhoud van een leestekst – ik zal het prozaïsch maar zo noemen – moet bederven voor het gevoel en de ervaring door het stuk voor te lezen of samen met de leerlingen te lezen, en het dan als een schoolmeester te verklaren. Iemand met psy­chologisch inzicht zal het niet zo doen, hij zal aanvoelen dat juist een prozatekst of een gedicht in moet werken op de ziel, en wel zo dat de ziel na die ervaring tevreden kan zijn met de indruk, voldaan kan zijn door de indruk, kan men ook zeggen. Maar men zal niet mogen uit­sluiten dat men juist die voldoening die uit de inhoud van een tekst moet ontstaan, voor een leerling verhoogt doordat hij alle nuances begrijpt, althans gevoelsmatig, instinctief begrijpt wat er in het ge­dicht staat.
GA 295/61
vertaald/59

**Steiners benadering gaat nu uit van ‘bovenmens en benedenmens, bovenfysiek, halffysiek en fysiek.
Daarover is hier al een en ander opgemerkt. 

Zonder nu op details in te gaan, kun je veel van de manier waarop in de basisafdeling (de onderbouw) van de vrijeschool gewerkt wordt, verbinden met dit belangrijke fenomeen van de ademhaling.
Zingen, spreken, fluitspelen.
Het met plezier de dingen doen: schilderen, boetseren.
Met fantasie, de open vorm van de creativiteit.
De ritmische afwisseling tussen actief en passief, tussen doen en luisteren – dat laatste ook naar de verhalen waarop de ziel meebeweegt in de afwisseling tussen spanning en ontspanning; stille huiver en lachen, verontwaardiging en instemming enz. 
 

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven
[4]  Hebreeuws: אָדָם ’ādām, “mens(heid)”
[5]
[6]
[7]
[8] K.E.Schaefer: Individual Respiratory Patterns Affecting Metabolic Processes and CNS Functions, New York 1979.
[9] Kranich: Anthropologische Grundlagen der Waldorfpädagogik, Stuttgart 1999.

.

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1427-1337

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over vertellen (GA 295-aanvulling)

.
Rudolf Steiner schreef tijdens de eerste werkbespreking (21 augustus 1919) voor de vertelstof dit lijstje op het bord:

1.    ein gewisser Märchenschatz
2.    Geschichten aus der Tierwelt in Verbindung mit der Fabel
3.    Biblische Geschichte als Teil der allgemeinen Geschichte (Altes Testament)
4.    Szenen aus der alten Geschichte
5.    Szenen aus der mittleren Geschichte
6.    Szenen aus der neueren Geschichte
7.    Erzählungen über die Volksstämme
8.    Erkenntnis der Völker.

1     sprookjes
2     dierenverhalen in samenhang met de fabel
3     bijbelse geschiedenis als deel van de algemene geschiedenis (Oude Testament)
4     scènes uit de oude geschiedenis
5     scènes uit de middeleeuwse geschiedenis
6     scènes uit de nieuwere geschiedenis
7     verhalen over volkeren
8     volkenkunde
GA 295/18/20
vertaald/17/19-20

E.A.Karl Stockmeyer, een leerkracht die bij de voordrachten (GA 293, 294 en 295) aanwezig was en later zijn notities gebundeld heeft in ‘Rudolf Steiners Lehrplan für die Waldorfschulen’: 
‘Deze opsomming (hierboven 1 – 8) stond toen ook op het bord, voor zover ik mij kan herinneren. In het leerplan dat Caroline von Heydebrand heeft samengesteld is deze niet opgenomen, vandaar dat deze aan veel leerkrachten niet bekend is en nu zou men kunnen denken dat de lijst van de vertelstof alleen maar een opsomming is zonder dat deze op de klassen betrekking heeft. Ik twijfel er niet aan, dat de opsomming van de 8 zo exact gegeven thema’s op de 8 toen bestaande klassen slaat.’ [1]

Caroline von Heydebrand:[2]
1e klas:
De bonte beelden van de sprookjes die het voorstellingsvermogen van de kinderen stimuleren en in kunstzinnig gevormde beelden de diepste geheimen van de mensheid bevatten, maar ook de zichtbare uiterlijk-realistische werkelijkheid, vormt de vertelstof van deze klas.

2e klas:
Bij het vertellen en navertellen zoekt men de overgang van het sprookje naar de fabel en dierenverhalen. Het kind is op deze leeftijd nog zo met zijn omgeving verbonden, dat het de dieren het beste begrijpt, wanneer deze als mensen optreden. Dat nu zit in de fabel. Legenden brengen harmonie voor wat aan het dier beleefd is, wanneer het kind door de legenden hoort hoe de mens naar volmaaktheid streeft. Deze zijn daardoor een noodzakelijke aanvulling op de dierenfabel en het dierenverhaal.

In de passages uit Steiners voordrachten over vertelstof wordt (nog) niet gesproken over ‘legenden’.
Ik heb het altijd als een evenwichtige afwisseling ervaren: de ondeugden van de dieren tegenover de deugden van de heiligen.

Die afwisseling is belangrijk en mag volgens mij niet zo gehanteerd worden als ik weleens heb gezien, in een ‘periode’ fabels vertellen (gedurende  (een paar ) weken, en dan weer veel legenden). Om en om, lijkt mij.

3e klas
De stof voor het vertellen en navertellen wordt in dit schooljaar geboden door de verhalen  uit het Oude Testament, de eerste wereld- en cultuurgeschiedenis voor het kind.

4e klas
Vertelstof en leesstof voor deze klas worden o.a. geboden door de sagen van de Germaanse mythologie en heldentijd.

5e klas
De sagen van de klassieke oudheid bieden stof voor het vertellen en lezen.
(Omdat er in deze klas ook geschiedenis over o.a. de Grieken wordt gegeven, is het raadzaam tijdens de geschiedenisperiode niet ook nog eens Griekse mythologie te vertellen – aan het einde van het  hoofdonderwijs – maar dit te combineren. (Je kunt ook te veel vertellen!)

6e klas
Lees – en vertelstof kunnen o.a. uit de volkerenkunde worden gehaald.
(bij Steiner zijn het ‘episoden uit de nieuwere geschiedenis’. In de praktijk van alledag betekende dit vooral: Romeinse mythologie, overgaand in verhalen over historische figuren en gebeurtenissen.

klas 7
Lees- en vertelstof wordt geboden door volken- en rassenkunde.
Hoewel Steiner hier alleen zegt ‘verhalen over volkeren’ , heeft von Heydebrand daaraan toegevoegd: ‘rassenkunde’.* (In een latere uitgave van ‘het leerplan’ vind je die niet meer terug)

klas 8
Hier noemt von Heydebrand niet concreet vertelstof, maar ‘uitgezochte stukken als lees- en bespreekstof’ uit o.a. werken van Goethe, Herder en Schiller.


*Het geven van ‘rassenkunde’ heeft op een bepaald ogenblik geleid tot nog al wat commotie. Wie het periodeschrift dat aanleiding was tot deze commotie bekijkt, vindt daarin ‘antroposofie’ en Steiner is altijd duidelijk geweest over ‘antroposofie in het vrijeschoolonderwijs‘ o.a.:

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE 

Wir wollen hier in der Waldorfschule keine Weltanschauungsschule einrichten. Die Waldorfschule soll keine Weltanschauungsschule sein in der wir die Kinder möglichst mit anthroposphischen dogmen vollstopfen. Wir wollen keine anthroposfoische Dogmatik lheren, Anthroposofphie ist kein Lehrinhaklt, aber wir streben hin auf praktische Handhabung der Anthroposophie. Wir wollen umsetzen dasjenige, wasd auf anthroposophischem Gebiete gewonnen weren kann, in wirkliche Unterrichtspraxis.
Auf den Lehrinhalt der Anthroposophie wird es viel weniger ankommen als auf die praktische Handhabung dessen, was in pädagogischer richting im allgemeinen und im Speziell-Methodischen im besonderen aus der Anthroposophie werden kann, wie Anthroposophie in Handhabung des Unterrichts übergehen kann.

We willen hier in de vrijeschool geen wereldbeschouwelijk onderwijs geven. De vrijeschool moet geen school zijn waarin een bepaalde wereldbeschouwelijke overtuiging geleerd wordt, waarin we de kinderen met antroposofische dogma’s volproppen. We zullen in onze lessen geen antroposofische dogma’s onderwijzen. Antroposofie is geen lesinhoud – we streven ernaar de antroposofie in de praktijk te brengen. We zullen de inzichten die de antroposofie ons schenkt, omzetten in werkelijke lespraktijk.
Het zal niet zozeer aankomen op de theoretische achtergrond van de antroposofie, als wel op het praktische hanteren  van wat uit de antroposofie in de pedagogie in het algemeen en in de methodische aanpak in het bijzonder kan worden. Het gaat erom hoe de antroposofie in het onderwijs in praktijk gebracht kan worden.
GA 293/15
vertaald/15

Bij Stockmeyer wordt noch in de 7e, noch in de 8e gesproken over ‘rassenkunde’.
Wanneer Steiner in de lerarenvergaderingen van 1919 tot 1924 steeds weer nieuwe aanwijzingen voor het onderwijs in de verschillende klassen geeft, is er nergens sprake van ‘rassenkunde’, dus ook niet in klas 6 en 7.

Toen ik destijds de opleidingscursus tot vrijeschoolleerkracht volgde was ‘rassenkunde’ geen onderwerp, geen inhoud van dit opleidingsprogramma; ik heb dan ook nooit iets met ‘rassenkunde’ te maken gehad.


.
[1] E.A.Karl Stockmeyer Rudolf Steiners Lehrplan für die Waldorfschulen, 1965, blz. 55,56
[2] Caroline von Heydebrand Vom Lehrplan der freien Waldorfschule, 1965

.

Rudolf Steiner over vertellenalle artikelen

Vertellenalle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

.

Op deze site vind je veel meer over de vertelstof; vooral mooie illustraties voor bijv. een bordtekening.

Tevens op:

VRIJESCHOOL in beeld: alle artikelen
.

1426-1336

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over vertellen (GA 295)

.

De tekst in blauw is van mij, cursief en vet eveneens

Op de vrijescholen neemt het vak ‘vertellen’, de vertelstof, een belangrijke plaats in.
In zijn pedagogische voordrachten sprak Steiner er herhaaldelijk over.

RUDOLF STEINER OVER VERTELLEN

GA 295

1e vdr. blz. 17   vert. blz, 17

Na aanwijzingen voor het periode-onderwijs zegt Steiner:

An diesen eigentlichen Unterricht reihen wir dasjenige an, was etwa in der Form des Erzählens zu machen ist. Wir werden im ersten Schul­jahr hauptsächlich Märchen erzählen. Im zweiten Schuljahr werden wir uns bemühen, das Leben der Tiere in erzählender Form vorzubrin­gen. Wir werden von der Fabel übergehen zu der Wahrheit, wie die Tiere sich zueinander verhalten.

Na dit eigenlijke onderwijs laten we volgen wat ons bijvoorbeeld in de vorm van vertellen te doen staat. In het eerste schooljaar zullen we voornamelijk sprookjes vertellen. In het tweede schooljaar proberen in verhalende vorm over het leven van de dieren te vertellen. We zullen overgaan van de fabel naar de waarheid, naar hoe de relatie is van de dieren onderling.

Deze laatste zin slaat m.i. op het verschil in ‘dierkunde’ vóór het 9e jaar en erna.

Na ‘dit eigenlijke onderwijs’ betekende voor mij ‘aan het einde van het ‘hoofdonderwijs’, dus zo rond 10u – 10.15.  Na bovengenoemde opmerkingen over de vertelstof, noemt Steiner even het periodenonderwijs, gevolgd door:

Nun würde es dem Ideal des Unterrichts entsprechen, daß das Kind eigentlich für den konzentrierten Unterricht, wozu Anstrengung des Kopfes notwendig ist, überhaupt nicht mehr als täglich eineinhalb Stunden braucht. Dann können wir noch eine halbe Stunde Märchen erzählen. 

Nu zou het in het ideale onderwijs zo zijn dat een kind dagelijks beslist niet meer dan anderhalf uur (periode) besteedt aan de geconcentreerde lessen, waarvoor de inspanning van het hoofd vereist is. Dan kunnen we nog een half uur sprookjes vertellen.’

1e vdr. blz. 18  vert. blz. 19

 Aber ich glaube, es wird gut sein, wenn Sie sich überlegen, worin dasjenige bestehen muß, was Sie gewissermaßen in der Erzählungsstunde mit den Kindern zu pflegen haben. Die eigentlichen Unterrichtsstunden werden sich dann aus unseren allgemeinen pädagogischen Gesichtspunkten er­geben. Aber Sie werden für die Erzählungsstunden einen Stoff auf­nehmen müssen, der durch die ganze Schulzeit vom siebenten bis vier­zehnten Jahr an die Kinder im freien, erzählenden Tone wird heran-gebracht werden müssen. Da wird es notwendig sein, daß in den ersten Schuljahren eben ein gewisser Märchenschatz zur Verfügung steht. Dann würden Sie sich für die folgende Zeit damit beschäftigen müssen, Geschichten aus der Tierwelt in Verbindung mit der Fabel vorzubringen. Dann biblische Geschichte, in die allgemeine Geschichte aufgenommen, außerhalb des

Maar ik denk dat het goed is wanneer u zich bezighoudt met de vraag wat u in het verteluur  (omdat Steiner hierna nog onderscheid maakt tussen deze vertelstof en die van het ‘godsdienstuur’ is het begrijpelijk dat onderstaande vertelstof DE vertelstof is geworden die aan het eind van het hoofdonderwijs wordt verteld), met de kinderen moet doen. De eigenlijke lessen zullen wel voortvloeien uit onze alge­mene pedagogische gezichtspunten. Maar voor de verteluren moet u onderwerpen hebben die de hele schooltijd door, van het zevende tot het veertiende jaar, aan de kinderen in vrije vorm verteld kunnen worden.’
Daarvoor is nodig dat u in de eerste schooljaren zoals gezegd een zekere schat aan sprookjes ter beschikking heeft. Voor de tijd daarna zou u zich op het vertellen van dierenverhalen in samenhang met fabels moeten voorbereiden. Dan bijbelse geschiedenis als onderdeel van de algemene geschiedenis en los van

1e vdr. blz. 20  vert. 19-20

anderen Religionsunterrichtes. Dann Szenen aus der alten Geschichte, Szenen aus der mittleren Geschichte und aus der neueren Geschichte. Dann müssen Sie sich in die Lage versetzen, Erzählungen über die Volksstämme zu bringen, wie die Volksstämme geartet sind, was mehr mit der Naturgrundlage zusammenhängt. Dann die gegenseitigen Be­ziehungen der Volksstämme, Inder, Chinesen, Amerikaner, was ihre Eigentümlichkeiten und so weiter sind, das heißt Kenntnis der Völker. Das ist eine ganz besondere Notwendigkeit aus der gegenwärtigen Zeit-epoche heraus.
Ich wollte, daß wir uns heute diese besonderen Aufgaben gestellt haben. Sie werden dann sehen, wie wir diese Seminarstunden verwen­den werden. Heute soll alles eben fadengeschlagen sein.

Während des Sprechens hatte Rudolf Steiner folgende Gbersicht an die Wandtafel geschrieben:

1.    ein gewisser Märchenschatz
2.    Geschichten aus der Tierwelt in Verbindung mit der Fabel
3.    Biblische Geschichte als Teil der allgemeinen Geschichte (Altes Testament)
4.    Szenen aus der alten Geschichte
5.    Szenen aus der mittleren Geschichte
6.    Szenen aus der neueren Geschichte
7.    Erzählungen über die Volksstämme
8.    Erkenntnis der Völker.

het andere godsdienstonder­wijs. Dan scènes uit de oude geschiedenis, scènes uit de geschiedenis van de middeleeuwen en uit de nieuwere geschiedenis. Vervolgens moet u zich erop voorbereiden om verhalen over de volkeren te ver­tellen, over hun karakter, wat vooral samenhangt met de natuurlijke omstandigheden waarin zij leven. Dan de onderlinge betrekkingen tussen de volkeren, tussen Indiërs, Chinezen, Amerikanen, wat hun karakteristieken zijn en dergelijke, dat wil zeggen volkenkunde. Dat is een heel bijzondere noodzaak met het oog op de huidige tijd.

Tijdens het spreken schreef Rudolf Steiner het volgende overzicht op het bord:

1     sprookjes
2     dierenverhalen in samenhang met de fabel
3     bijbelse geschiedenis als deel van de algemene geschiedenis (Oude Testament)
4     scènes uit de oude geschiedenis
5     scènes uit de middeleeuwse geschiedenis
6     scènes uit de nieuwere geschiedenis
7     verhalen over volkeren
8     volkenkunde
GA 295/18/20
vertaald/17/19-20

Ook in werkbespreking 6, 7 en 8 gaat Steiner in op ‘vertellen’. De opmerkingen zijn weergegeven in ‘2e klas – vertellen

1e werkbespr. over het leerplan  blz. 154  vert. blz. 143

Und so werden wir denn immer darauf bedacht sein, daß der Unterricht soviel als möglich zu­sammengefaßt werden soll in der Art, wie ich es Ihnen gezeigt habe, daß man das Mineralogische in das Geographische hinüberführen kann, daß man in der geistigen Behandlung der Kulturgeschichte durch Völ­kercharakteristiken Geschichte und Geographie verknüpfen kann. 

En zo zullen we er steeds op letten dat het onderwijs zo veel mogelijk samengevat wordt op de wijze die ik u getoond heb, dat men de mineralogie over kan laten gaan in de geografie, dat men bij een spirituele behandeling van de cultuurgeschiedenis geschiedenis en geografie met elkaar verbinden kan door volkeren te karakteriseren.*
*Opvoedkunst 11e vdr.

Da kommt ja zunächst für uns in Betracht, daß wir, wenn wir die Kinder ins erste Schuljahr hereinbekommen, geeignete Stoffe finden zum Vorerzählen und Nacherzählenlassen. An diesem Vorerzählen von Märchen, von Sagen, aber auch von äußerlich-realistischen Wirk­lichkeiten, und in dem Nacherzählenlassen bilden wir heran das eigent­liche Sprechen. Wir bilden heran den Übergang von der Mundart zur gebildeten Umgangssprache. Indem wir darauf sehen, daß das Kind richtig spricht, werden wir auch den Grund legen für richtiges Schrei­ben.

Het eerste is dan dat we, als we de kinderen in de eerste klas krijgen, geschikte stof moeten vinden om te vertellen en te laten navertellen. aan de hand van dit vertellen van sprookjes, van sagen, maar ook van realistische verhalen uit de werkelijkheid, en door ze te laten navertellen, ontwikkelen we het eigenlijke spreken. We vormen de overgang van het dialect naar de beschaafde omgangstaal. Door erop te letten dat het kind goed spreekt, zullen we ook de basis leggen voor het correct schrijven.
GA 295/154
vertaald/143

In GA 295 behandelt Steiner als vertelstof voor de 2e klas de fabel. Die opmerkingen vind je hier
.

Rudolf Steiner over vertellenalle artikelen

Vertellenalle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

.

1425-1335

.

.

VRIJESCHOOL – 8e klas – natuurkunde (1-2)

.

De Duitse vrijeschoolleerkracht Walter Kraul schreef in Erziehungskunst* enkele brieven aan een jongere collega over de opzet van de natuurkundeperiode in de 8e klas:

EEN VOORSTEL VOOR DE NATUURKUNDEPERIODE IN DE 8E KLAS (2)

Beste collega!

In het februarinummer van dit tijdschrift* was ik begonnen je te laten zien hoe je de natuurkundeperiode in de 8e klas kan doen.
Daarbij kwam de hydrostatica, de aerostatica en de hydrodynamica aan de orde vanuit het gezichtspunt dat ook in de natuurkunde niet alles simpelweg te doorzien is en berekenbaar, dat er ook hierbij nog wonderen zijn.
Nu gaat het over aerodynamica, dus over de verschijnselen van de lucht in beweging.
Allereerst moet de vraag beantwoord worden waar de wind vandaan komt. Nee, die ontstaat niet door de draaiing van de aarde – hij draait met de aarde mee. Maar de draaiing van de aarde heeft wel een bepaalde invloed op de wind, maar daarover later.
We moeten eerst nog vaststellen dat er niet alleen maar horizontale winden waaien uit alle richtingen, maar ook dat er verticale, loodrechte winden zijn. En steeds worden ze veroorzaakt door de zon: een eiland in zee, een zomermorgen, goed weer, windstilte. De zon komt op, spoedig daarna voelen we een briesje van over zee waaien. De zon verwarmt het land, het zandstrand sneller dan het water rondom. Het warme zand verwarmt de lucht die erboven hangt. De warmte doet de lucht uitzetten, het wordt meer, maar ook lichter en die gaat omhoog: wind naarboven, boven het eiland! De eerste wolk wordt gevormd. Boven de grond van het eiland ontstaat natuurlijk geen luchtledige ruimte, lucht die in de buurt is, boven zee, stroomt naar het land: de zeebries. Maar er kan ook geen luchtberg ontstaan, in de hoogte stroomt de lucht weer naar beneden, verder weg, naar het water: een daalwind over het water in de tegenovergestelde richting, een hoogtestroming. Zo ontstaan de plaatselijke winden. Over de grote winden wil ik het in de weerkunde hebben.

opstijgende lucht boven het eiland overdag

’s Avonds draait overigens de kringloop om, dan stijgt de lucht boven het water en daalt boven het eiland. De wolken hangen nu boven water.

dalende lucht boven het eiland, ’s nachts

Opstijgende lucht vind je bij iedere berghelling waar de wind op staat, de loefzijde en daarachter, de lijzijde, waar de wind daalt. Achter de berg is eigenlijk een constante luchtlawine, zou je kunnen zeggen.
Grote vogels en zweefvliegers maken gebruik van deze opgaande winden, ze hebben geen motor in hun vliegtuig en ze zijn helemaal afhankelijk van deze wind. Het is hun om het even of ze gebruik maken van de zo net genoemde hellingwind of een thermisch opstijgende wind, die overigens niet alleen boven eenzame eilanden ontstaat.
Bij goed weer maken zich op verschillende plaatsen in het landschap steeds weer reuzegrote luchtzakken zich los van zand, rots en andere bodemplaatsen en stijgen op. De zweefvlieger noemt het ‘thermiek’. ’s Avonds tref je boven bossen en meren de omgekeerde thermiek aan. Als er gebieden zijn met stijgende lucht, zijn er natuurlijk ook gebieden met vallende lucht. Daar wil de zweefvlieger zo snel mogelijk doorheen zijn.

opstijgende lucht tegen een berghelling 

Ook in de lucht zijn er echte golven. Wanneer de wind over een bergketen waait en die gepasseerd is, zou je kunnen denken dat die dan rustig kan uitstromen over het land ervoor. Maar dat gebeurt niet altijd, eerst komt er nog geen einde aan het stromen in golven, die ebben maar langzaam weg. Onder de bergachtige luchtgolven liggen nu geen bergen meer en er vormen zich daaronder ‘rotoren’ van lucht, luchtwervelingen met een horizontale as, langwerpig gevormd. Merkwaardige wolken kondigen deze golven aan, daarover in de weerkunde.

  windgolven boven ‘rotoren’bergketen

In de lucht, in de wind bevinden zich veel kleinere wervelingen. Je zou eens moeten kijken hoe de sneeuw erbij ligt na een sneeuwstorm. Achter iedere hoek van een huis, achter iedere boom of obstakel ligt de sneeuw niet meer egaal gevallen, achter bergkammen zijn zelfs overhangden sneeuwmassa’s ontstaan. Die worden gevormd door wervelingen achter de kam. Daar blijven reusachtige sneeuwmassa’s liggen, aan de lijzijde. Een vuistregel is dat achter obstakels de wind tot over een afstand van dertig keer de hoogte van het obstakel wervelt.
Zeilers die aan de kust of op bergmeren zeilen, moeten de winden heel goed kennen. Ze weten dat vanaf middernacht tot zonsopgang uit de dalen een koude wind waait, want in deze tijd valt de koude bovenlucht langs de berghelling naar beneden in het dal. Aan de andere kant zuigen de dalen vanuit de vroege namiddag tot ’s avonds de lucht van over het meer weg, want nu schijnt de zon op de berghelling en verwarmt daar de lucht die dan opstijgt.
Tot zover over de beweeglijke lucht, over de wind. Daar weten vofels nog wel meer over te vertellen, maar hoe spelen zij het klaar om te vliegen? De dieren zijn weliswaar licht, maar toch zwaarder dan lucht. Hoe is het mogelijk dat vliegtuigen vliegen? Niet zo elegant als vogels en gedeeltelijk met heel veel kracht, maar ze vliegen. Dat doet je ook wel denken aan de vlieger die aan een touw vastgehouden in de stromende lucht staat als een surfer: de lucht drukt de schuinstaande vlieger naar omhoog en spant het vliegertouw. Heel eenvoudig te begrijpen. Een vliegtuig hang aan geen enkel touw, het veroorzaakt zelf de wind wanneer het door de motoren met de propellers of de straalpijpen naar voren wordt gezogen. Vergelijk: waterskiërs. Ja, de vleugel van ieder vliegtuig staat iets schuin t.o.v. de luchtstroom, dit heet de invalshoek.
Nu komt er bij iedere vliegtuigvleugel en bij iedere vogel nog iets bij, wat met het dragen helpt: de vleugel heeft ‘stroomlijnvorm’ (vanvoren rond, achter spits) en is iets gebogen. Altijd is een vleugel vanonder hol gewelfd en vanboven zit er een verhoging. Draagvleugels van grote vliegtuigen hebben ook aan de onderkant een convexe welving die in ieder geval daar wel minder is dan boven. Invalshoek in verbinding met de vleugelwelving en de benodigde wind, d.w.z. de snelheid van het vliegtuig veroorzaken het opstijgen dat het vliegruig draagt.

profiel van een draagvleugel

Een kleine proef: we nemen twee ansichtkaarten en maken er bij elk aan de korte kant een vouw in die we wat rond maken en hangen beide over een potlood met de ronde vouwen naar elkaar toe. Nu blazen we tussen de welving. Nu zou je denken dat de kaartten van elkaar worden geblazen; nu ze worden samengedrukt. Omdat er iets anders gebeurt dan je denkt, wordt deze proef wel de ‘aerodynamische paradox’ genoemd. Die laat ons de dynamische stijgkracht zien bij een vleugel door de vleugelwelving.


Dan moet nog gezegd dat de piloot door het hoogteroer de invalshoek van zijn vliegtuig kan veranderen. Minder invalshoek heeft tot gevolg minder opstijgende kracht en het vliegtuig moet sneller vliegen om in de lucht te kunnen blijven en omgekeerd.
Er schijnt een moeder te zijn geweest die tegen haar zoon die piloot was geworden, bij het afscheid nemen zei: ‘Vlieg niet te hoog en niet te snel!’ Dat was een goed bedoelde, maar slechte raad. Waarom? Hoogte betekent voor een piloot zekerheid, wanneer er iets gebeurt, kan hij toch nog reageren; en net zo is snelheid zekerheid, die draag uiteindelijk het vliegtuig.
Wanneer de piloot het hoogteroer bedient, wordt de invalshoek van het vliegtuig groter, het vliegtuig vliegt langzamer. Dat gaat zolang goed als de luchtstroom laminair (parallel ) loopt met de vleugel. Bij een te grote invalshoek wordt de stroming bij de vliegtuigvleugel snel minder en er ontstaat turbulentie, zoals we bij de kraan zagen (in deel 1). Het vliegtuig heeft op dat ogenblik geen opstijgende kracht meer en daalt, naar voren neigend. Wanneer dat gebeurt wanneer het hoog genoeg vliegt, is dat niet erg, het vliegtuig neemt weer wat vaart en vliegt iets lager, verder.
Dan moet nog vermeld worden dat men alle snelle voertuigen, zoalas vliegtuigen ‘gestroomlijnd’ maakt. Waarom? Bij hoge snelheden biedt de schijnbaar zo ijle lucht een enorme weerstand. Die vraagt meer motorvermogen en dat wil men sparen. Het al genoemde stroomlijnlichaam die in het water geen wervelingen veroorzaakt, heeft bijna geen luchtweerstand. Vandaar dat men deze als draagvleugeldoorsnee neemt. Op die manier kan men niet altijd voertuigen bouwen. Een vrachtwagen bijv. heeft achter simpelweg een platte, grote kant. Achter deze kant echter zijn er wervelingen die weliswaar motorvermogen gebruiken, maar ze veroorzaken rukwind, bijv. voor een fietser die erachter rijdt. Aan de voorkant, bovenop de cabine, heeft men bij vrachtwagens dikwijls een schild geplaatst dat de luchtstroom moet leiden en dat spaart energie. – Dergelijke maatregelen betalen zich uit, want de luchtweerstand neemt toe met het kwadraat van de snelheid. Dat betekent dat de luchtweerstand bij een dubbele snelheid vier keer zo groot is en bij een drie keer hogere snelheid negen keer, vier keer zo hoog: zestien keer enz.
Er zijn ook situaties waarbij men de luchtweerstand opzoekt. Dat is zo, bijv. bij de parachute. Die heeft een vorm die de grootste luchtweerstand oplevert: een open holle kegel. Merkwaardigerwijs is de luchtweerstand van een parachute nog groter, wanneer er gaten in zitten: gaten veroorzaken luchtwervelingen en die remmen.
Dan hebben we nog de windmeter die uit vier halve bollen bestaat. Die wordt dus gebruikt om de snelheid van de wind te meten. Die kun je relatief makkelijk zelf bouwen van twee halve tafeltennisballen.
Ik heb eens een fietswiel gezien, i.p.v. een band waren aan de velg alleen maar trechters bevestigd. Een holle bol (of een trechter) heeft nu eenmaal aan de holle kant meer luchtweerstand dan aan de andere kant. Daarom draaien deze apparaten in de wind. Bij windmolens is het anders, die hebben hun assen op de wind en de wieken hebben invalshoeken waar de lucht vat op heeft. Propellers zijn volgens het zelfde principe ontworpen, ze worden door een motor aangedreven en maken zich meester van de lucht.
En het zeil? Ja, hier maakt men ook gebruik van de luchtweerstand, maar van nog meer. De wind blaast in het zeil en doet het bollen. Is dat niet net zoals bij een vleugel? Ja, dat is zo. En daarom kan een zeilschip niet recht tegen de wind in gestuurd worden, maar wel ‘sterk aan de wind’ varen:

het bolle zeil trekt schuin naar voren

Alleen als de koers ‘wind mee’ is, wordt de zuivere luchtweerstand met de spinnaker benut.

Tabel van de windsterkte van Beaufort (Bft)

Het laatste hoofdstuk is de weerkunde of meteorologie**. De in het leerplan genoemde klimaatkunde is inbegrepen. Hier hebben we te maken met luchtstromingen, maar tegelijkertijd ook met water in de vorm van verdampend water, waterdamp. We moesten eerst maar eens naar het water vanuit dit gezichtspunt kijken.
Water is, normaal gesproken, vloeibaar tussen 0 en 100º.  Overigens houdt het water zich hier niet aan onze thermometer, maar onze thermometer is afgestemd op het water. De temperatuur waarbij het vriest, heeft men 0º Celcius genoemd en de temperatuur waarbij het water kookt, verdampt 100º. Het water heeft men op zeespiegelhoogte laten koken, op grotere hoogte kookt het eerder. Ook een methode om de hoogte boven NAP te meten; die werd tijdens expedities gebruikt: men stelde de temperatuur van het kokende water vast en trok daarop de conclusie over hoe hoog men zat.
Onder 0º is er (van geringe onderkoeling afgezien) geen vloeibaar water, alleen ijs. Boven de 100º is er geen vloeibaar water (behalve in een hogedrukketel), alleen waterdamp. Zo simpel blijft het niet, water kan ook onder de 100º verdampen, ja zelfs sneeuw kan verdampen. Omdat er op de wereld overal water is, is de lucht steeds gevuld met waterdamp, onzichtbaar. Weliswaar bestaat er drogere en vochtigere lucht, er zijn ook apparaten waarmee je de luchtvochtigheid kan meten, ‘hygrometers’ worden ze genoemd. De eenvoudigste bestaan uit een langere haar. Haar zet namelijk uit wanneer het in vochtige lucht is en in droge lucht trekt het zich samen. Een wijzer geeft de uitzetting en krimp aan op een schaal, een mechaniekje helpt daarbij volgens de wet van de hefboom.

Het is voor de lucht niet mogelijk steeds evenveel vocht op te nemen: warme lucht neemt meer onzichtbare waterdamp op, koude lucht minder. Deze zin is voor het begrijpen van het weer buitengewoon belangrijk. Om het nog preciezer te begrijpen, is hier een curve getekend die de samenhang tussen maximale luchtvochtigheid in g per men de temperatuur van de lucht aangeeft. De curve heet ook wel de ‘verzadigingscurve’. Deze geeft aan, met hoeveel waterdamp de lucht bij een bepaalde temperatuur verzadigd is met water. De lucht kan minder water bevatten, maar niet meer.

watergehalte van de lucht bij verzadiging

Droge lucht maakt neus, mond en keel droog, ze is ongezond. Daarom zetten we vaak verdampingsbakjes op verwarmingen om de lucht vochtiger te maken. Te vochtige lucht is benauwde, zwoele lucht, zoals in de kassen, je ruikt letterlijk het water en je transpireert erg.
Wat gebeurt er nu, wanneer vochtige lucht afkoelt? Dan komt de temperatuur op een punt waarbij de lucht verzadigd is, men spreekt dan van ‘dauwpunt’. Want wanneer de lucht verder afkoelt, bijv. ’s nachts, kan het water erin niet meer als damp blijven bestaan, het moet vloeibaar worden. Dan worden aan kleine stofdeeltjes neveldruppeltjes gevormd en op de grashalmen zit dauw. Een prachtig natuurverschijnsel dat met name in de herfst te bewonderen valt, wanneer het weer kouder wordt. In de warme zomer kan de lucht het verdampte water dragen, in de koele herfst niet meer, in de lager gelegen delen ontstaat de nevel. – De overgang van het water uit een vloeibare toestand in gasvorming onder het kookpunt, dus onder de 100º, noemt men overigens heel eenvoudig ‘verdampen’. De omgekeerde overgang, van gasvormig, onzichtbaar water naar zichtbaar vloeibaar heet ‘condenseren’. Iedere damp en iedere nevel is in fijne druppeltjes gecondenseerd water.
Vochtige lucht kan ook nog anders afkoelen dan door de herfst of de avond: opstijgende lucht zet uit, omdat met de hoogte de luchtdruk afneemt en daarbij wordt de lucht kouder. Opstijgende lucht wordt koud. Natuurlijk neemt ze het water dat erin zit, de onzichtbare waterdamp, mee. Op een bepaalde hoogte is de lucht zo koud geworden, dat het water geen gas meer kan blijven, dan is het dauwpunt bereikt, het water condenseert en er ontstaat een wolk.
De mooiweerwolken, wit aan een blauwe hemel, zijn door thermiek ontstaan en bevinden zich allemaal op één hoogte: de donkere onderrand is bij alle wolken even hoog boven land. Dat noemt men de wolkenbasis, daarin ligt het dauwpunt. Dus een regel: in opstijgende lucht worden wolken gevormd. Ook de tegenovergestelde regel geldt: in dalende lucht worden wolken opgelost. Daarom hangen er overdag boven het eiland in zee wolken, ’s nachts zijn ze boven de zee te zien. Er ontstaan ook wolken in de wind die tegen de berghelling waait. In de wind vanaf de berg lossen die weer op. Daarom het bekende verschijnsel dat bij  wind over de toppen de wolken als een soort muts blijven hangen en niet verder geblazen worden. Deze wolken worden aan de loefzijde steeds opnieuw gevormd en lossen aan de lijzijde steeds weer op. Het is een soort doorgaande wolk, water en lucht trekken erdoorheen, maar de wolk zelf staat op die plaats stil, steeds met nieuw materiaal. Zoals staande golven in een beek. Af en toe staan zulke wolken boven onzichtbare bergen, boven de al genoemde rotoren.
Wanneer de wolken te zwaar worden, regenen ze leeg. Vaak kun je de neervallende bui uit een wolk al boven het landschap zien. Meestal staat deze door de wind schuin. Vaak verdampt de vallende regen in de lucht al weer, vooral boven woestijngebieden is dat het geval, dan bereikt de regen de grond helemaal niet.
Nu de föhn: dat is een zuidenwind. Die waait over de Alpen, dan is het in Italië, aan de zuidelijke rand van de Alpen behoorlijk regenweer door de opstijgende warme lucht die verzadigd van de Middellandse Zee komt. In stromen valt de regen tot aan de hoofdkam. Bij de overgang van het water van waterdamp naar wolk, naar de waterdruppels, komt echter warmte vrij, die het water in zuidelijke gebieden deed verdampen. Die warmt de lucht op die naar het noorden over de Alpen trekt. Daar daalt ze weer en wordt daardoor nog een keer warm, wolken lossen op, in het noordelijke voor-Alpenland is het mooi, helder, warm föhnweer, dat sommige mensen niet verdragen.
Deze warme föhnlucht stoot echter ergens een keer op koude lucht van de Poolzee. Merkwaardigerwijs vermengen deze luchtmassa’s zich niet zo maar. Er wordt een draaiing gevormd, waarbij de koude en warme lucht elkaar proberen te ‘vangen’. De wervelingen draaien op het noordelijk halfrond van de aarde steeds tegen de wijzers van de klok in, op het zuidelijk halfrond andersom. Dat komt door de draaiing van de aarde. De grote wervelingen heten ‘cyclonen‘.

‘föhnmuur boven de Alpen

Deze cyclonen zijn lagedrukgebieden, de lucht, koud en warm, stroomt erin. Je kan ook zeggen, het zijn golfdalen in de luchtzee. De grote wind waait altijd van een hogedrukgebied, dus van een ‘luchtberg’ naar het lagedrukgebied. Die noem je, in tegenstelling tot de kleine, plaatselijke wind de ‘gradiëntwind‘.
De warme en koude lucht botsen niet op elkaar, ze draaien om elkaar heen. Wie wint dat draaien? De koude lucht, die is zwaarder en blijft daardoor aan de grond, de warme lucht geeft toe en stijgt op. Beide luchtsoorten vormen een front. Er is dus een ‘warmeluchtfront’ en een ‘koude luchtfront’. Het laatste haalt in de loop van de tijd het eerste in, omdat deze omhoogstijgt. Die activiteit in een cycloon strekt zich over een groot gebied uit, wel half Europa.
De warme lucht stijgt op, daarbij vormen zich, zoals we geleerd hebben, wolken. En waar koude lucht verschijnt, moet de warme ook opstijgen, daar worden ook wolken gevormd. Gevolg: in het lagedrukgebied vind je wolken. Naast het roteren, bewegen deze lagedrukgebieden zich steeds van west naar oost. Naar ons komen de lagedrukgebieden, de slecht weergebieden, over de Atlantische Oceaan getrokken, de een na de ander. De barometer toont met het dalen het naderen van een nieuw ‘laag’ aan. Wanneer echter het koufront het warmtefront tenslotte heeft ingehaald, dan is het ‘laag’ opgevuld, dat noemt men occlusie, de draaiing komt tot rust.

weerkaart van een cycloon

In sommige streken, in het bijzonder boven warm water, ontstaan af en toe enorme cyclonen, dicht bij elkaar. Ze wervelen ontzettend snel om een klein centrum, dan spreekt men van wervelwinden, van tyfonen of orkanen. Het centrum wordt zelfs zichtbaar als ‘waterhoos’ boven zee en als ‘zandhoos’ boven het land. Het ziet er als een staart uit die uit de wolken komt en naar beneden daalt. Tegelijkertijd cirkelt en beweegt hij verder, ernstige verwoestingen aanrichtend. Daarvan zijn veel horrorverhalen bekend. In de kern van de staart is het stil, maar langs de zijkanten schieten bliksemflitsen.
Hoe ontstaat toch onweer, de bliksem? Als men dat nu maar precies wist! In onweerswolken gebeuren in het groot dezelfde dingen als wanneer je in het klein een kunststofstaaf over iets heenwrijft. Zoals de staaf opgeladen wordt, worden ook de wolken opgeladen door de op- en neergaande lucht. Ontzettende, verticale stormen zijn er in die prachtige onweerswolken, die wrijven langs elkaar en nemen de elektriciteit mee naar boven, bliksems naar beneden vereffenen dit weer. Er zijn ook bliksems van wolk naar wolk, dat heet ‘weerlicht‘, net zoals van wolk naar aarde en ook van aarde naar wolk.***
We weten al hoe wolken ontstaan, we hebben het echter nog niet gehad over de vormen. We onderscheiden voor grondvormen: de stapelwolken (cumulus), de veerwolken (cirrus), de in een laag hangende wolken (stratus) en de regenwolken (nimbus). Uiteraard zijn er bij ieder wel overgangen en mengvormen. Wanneer bijv. cumulus en nimbus samengaan, ontstaat het ‘aambeeld’. Het is goed dit te weten om je op tijd in veiligheid te brengen. Zijn de wolken met hun vormveranderingen, het onberekenbare, niet het kunstzinnig element van alle natuurkundige verschijnselen bij uitstek?


Hiermee is de kringloop gesloten die in de 6e klas in de natuurkunde begon. We zijn ondergedoken in de causale mechanica en zijn er weer bovenuit gestegen, daar waar de materie zich bijna oplost, in de wolken. – Nu kan volgend jaar de vakleerkracht van de bovenbouw komen en de stoommachine, de elektromotor, de verbrandingsmotoren en de telefoon uitleggen, hij gaat dan verder met de techniek ervan en de toepassing. Wij hebben het voorwerk gedaan, hij heeft een stevig fundament.

Tot zover, beste collega. Ik hoop zeer dat je hiermee geholpen bent. Tot slot nog een paar literatuuropgaven (zie het artikel*), die nog verder van nut kunnen zijn.

Hartelijke groet,
Walter Kraul

*Erziehungskunst jrg. 52-4-1988

**Meteorologie is al een periode in de 6e klas! Daarop bouwt deze verder.

.

8e klas natuurkundealle artikelen

8e klasalle artikelen

natuurkundealle artikelen

***Wat  betreft de bliksem en de elektriciteit zegt Steiner in GA 294:

Maar nu kan ik onmogelijk voor u verzwijgen dat veel wat zich in onze natuurkundige begrippen mengt, toch verwoestingen aanricht in het kind en dat er toch heel veel van afhangt of u zelf als leraar weet hoe het zit, of ten minste probeert een zekere rijp­heid tot oordelen te verwerven. U bent genoodzaakt al wat oudere kinderen te vertellen: ‘Dit is een elektriseermachine. Wat ik jullie laat zien, noemt men een wrijvings-elektriseermachine. Doordat ik bepaalde onderdelen tegen elkaar laat wrijven, kan ik elektrici­teit opwekken. Maar ik moet die onderdelen die elektrisch moeten worden eerst zorgvuldig afvegen, want ze moeten droog zijn. Als ze nat zijn, lukt het experiment niet, dan ontstaat er geen elektri­citeit.’ U legt dan de leerlingen uit waarom je niet met natte instru­menten elektriciteit kunt opwekken. Dan gaat u ertoe over te ver­klaren hoe bliksem ontstaat, en u vertelt erbij dat dat ook een elek­trisch proces is. Nu zeggen veel mensen: de wolken wrijven langs elkaar, en door die wrijving ontstaat dan de bliksem als een elektri­sche ontlading. Misschien gelooft het kind dat omdat de leraar het zelf gelooft, maar in zijn onderbewustzijn speelt zich iets heel bij­zonders af, waar het kind natuurlijk geen weet van heeft. Het kind voelt: tja, de leraar veegt zijn instrumenten, die tegen elkaar moe­ten wrijven om elektriciteit op te wekken, eerst altijd zorgvuldig af zodat ze niet nat zijn, en dan vertelt hij me dat er bij wolken die te­gen elkaar wrijven elektriciteit ontstaat- en die zijn toch ook nat!’ Die ongerijmdheden merkt het kind. En veel van de verscheurd­heid in het leven ontstaat doordat kinderen zulke tegenstrijdig­heden te horen krijgen. In de wereld om ons heen mogen zulke tegenstrijdigheden ontstaan – in ons denken zijn ze niet op hun plaats! Maar omdat de huidige kennis, het huidige inzicht van de mens niet diepgaand genoeg is, schuilen er in wat we onze kinde­ren en later ook jonge mensen bijbrengen overal zulke tegenstrijdigheden, die het onbewuste innerlijk van de mens eigenlijk ver­scheuren. Daarom moeten we er ten minste op letten dat er in de dingen die we het kind bewust bijbrengen niet te veel elementen zitten die zich in het onderbewuste anders presenteren. Het zal voor ons als leraar niet direct weggelegd zijn om in de wetenschap zulke nonsens uit te roeien als bijvoorbeeld in de natuurkunde de onzinnige relatie tussen bliksem en elektriciteit.0
GA 294 Opvoedkunst: Methodisch-didactische aanwijzingen, 8e vdr. blz. 121/122

.

1424-1334

.

.

.

VRIJESCHOOL – 100 jaar vrijeschool (1-2)

.

SLUIMERENDE ACHTERGRONDEN

Na 100 jaar vrijeschool kun je niet zeggen dat de beweging heeft bijgedragen aan een grotere ‘vrijheid van onderwijs’; aan de impuls voor een vrijer geestesleven.

Toch waren er steeds mensen/scholen die probeerden bewustzijn te wekken voor de driegeleding of ontplooiden andere initiatieven.

Artikelen uit die tijd zullen hier worden gepubliceerd.
Wellicht als ‘archief’, misschien als impuls voor de komende 100 jaar.
De tijd zal het laten zien.

Rond 1970 bestond er in Den Haag een Leerlingenbeweging/Werkgroep voor Driegeleding-Den Haag.

Een aantal Haagse vrijeschoolleerlingen had een initiatief genomen om de driegeleding van het sociale organisme meer bekendheid te geven om er -daad-werkelijk iets mee te bereiken.
Er heerste dat (jeugdig) elan om iets te willen bereiken: vechten voor onderwijsvrijheid!
Ze organiseerden bijeenkomsten, nodigden sprekers uit om de driegeleding toe te lichten.
Van een voordracht over driegeleding van Dieter Brüll volgt hier een verslag.

leerlingenbeweging/
Werkgroep voor driegeleding-

Secr. Waalsdorperweg 12-Den Haag.

Beste vrienden!

Hierbij doen wij jullie een verslag van de beide voordrachten toekomen. Door deze verslagen nog eens te bestuderen, kan er achteraf nog een beeld gevormd worden van de Contaktdag van 10 febr. j.l. Wij hopen dat er bij jullie ook initiatieven worden genomen, voor een vrij cultuur-en onderwijsleven

De Leerlingenbeweging omsluit nu ook een Werkgroep voor Driegeleding. Het accent zal voorlopig op het vechten voor onderwijsvrijheid liggen. Toch zal er ook aandacht besteed moeten worden aan de twee andere gebieden van het sociale organisme (Rechtsleven en Economisch leven).

In het kader van de Driegeleding, zullen op vrijdagavonden voordrachten en studiegroepen gehouden worden. We houden jullie op de hoogte! (Zie ook tijdschrift JONAS).

Hartelijke groeten,

Namens de Leerlingenbeweging/Werkgroep voor Driegeleding-Den Haag.

Rosalind Veltman Boudewijn Körber.

Leerlingendag 10 februari  1973 Vrije School, Den Haag

Prof. BRÜLL over: DE DRIEGELEDING IN HET SOCIALE ORGANISME

Hoe vertel je in ruim een uur iets over driegeleding aan mensen die niet weten wat het is, er totaal vreemd tegenover staan? Voor deze netelige opgave zag Prof. Brüll zich kortgeleden gesteld tegenover een gezelschap professoren die in beginsel evenveel bleken te zien in een 5- of zelfs 10-geleding (afhankelijk van botsingen tussen moleculen in de hersenen!) als juist in drie-geleding, een naar hun mening willekeurige indeling, van buitenaf op de samenleving gedrukt, een gedachte die je er eerst instopt om hem er later weer Uit te kunnen halen.

Zonder te ontkennen dat nieuwe indelingen d.m.v. hersenwerk tot stand gebracht, altijd mogelijk blijven, trachtte prof. B. zijn hooggeleerd gehoor aan de hand van een voorbeeld duidelijk te maken dat de vraag: waarom juist een indeling in drieën? evenmin ter zake is als de vraag om een verklaring van de indeling verleden-heden-toekomst, alvorens ermee te rekenen. Het bleek bijkans onmogelijk.

Zo begon in de goedgevulde zaal van de Vrije School prof.Brüll met animo en humor zijn heldere uiteenzetting. Verheugd stelde hij vervolgens vast dat, hoe moeilijk de practische toepassing ook mag zijn, het begrip driegeleding in deze omgeving dagelijks voedsel genoemd kan worden. Indelingen als: natuur-mens-god, lichaam-ziel-geest, denken-voelen-willen, zenuw-zintuig systeem, ritmisch en stofwisselingssysteem zijn hier bekend en vertrouwd; dat het maatschappelijk organisme ook een eigen drievoudige werkelijkheid heeft, ligt dus voor de hand. Anderzijds laat het leerplan van de Vrije School de kinderen a.h.w. voelen wat een organisme is.

Met een paar voorbeelden laat prof.B. zien hoe dat gebeurt: in de aardrijks-kundeles wordt het gebergte liggend als een kruis over de aarde voorgesteld, organisch ermee verbonden; in de 8e klas leer je hoe alle rassen der aarde samen de mens vormen.

En nu het sociale organisme. Wat is dat eigenlijk? Op zichzelf en niet denkend te vatten werkelijkheid, de projectie van wat we er zelf van gemaakt hebben, pas zichtbaar voor de generaties van nu. Een typisch kenmerk van dit sociale organisme, n.l. dat men het geen haar uit kan trekken zonder het te verminken, wordt bijvoorbeeld nu pas zichtbaar. Al worden de mensen vroeger wel van afgrijzen vervuld bij het horen van de gruwelen in ver weg gelegen streken (de verschrikkingen in Rusland onder het stalinisme, in de negerghettos van Amerika etc.) deze ellende liet hun in wezen toch tamelijk onberoerd, het bleef theorie voor hen. Zelfs de jodenslachtingen, hoe een groot drama ook, betekende nog geen amputatie. Nu is de situatie daarentegen een totaal andere! Uit het massaal op de been komen in de eindeloze stroom demonstraties moge o.a. blijken, dat alles wat nu op de wereld gebeurt in werkelijkheid ieders aangelegenheid is. Toch is het pas voor deze generatie vanzelfsprekend dat zij mee-lijdt met andere bevolkingsgroepen als waren zij een stuk van henzelf. Oplossingen voor de problemen en noden in de menselijke samenleving zijn door deze bewogenheid alléén echter nog niet geboden. Het absoluut nieuwe in de situatie van nu vraagt een adequate aanpak. In dit licht willen we de sociale driegeleding beschouwen, impuls door Rudolf Steiner al in 1917 gegeven, nu actueler dan ooit.

Om de mogelijkheden van toepassing te kunnen onderzoeken, dienen:

1« Een zelfstandig geestesleven, dat zich vri.j moet kunnen ontwikkelen

2. Het economische leven, de (broederlijke) verdeling van de schatten der aarde

3. Het rechtsleven,(eigenlijk tussen beide vorige gebieden in), dat de
spelregels oplevert, ervan uitgaande dat ieder mens evenveel waard is! basis: gelijkheid.

Om te kunnen zien dat het onderscheiden in deze drie gebieden niet wil zeggen dat zij van elkaar gescheiden te denken zijn, lijkt het goed ons te realiseren wat elk van de drie voorstelt en hoe zij elkaar doordringen.

Wat is geestesleven?
Op het moment dat we uit de geest iets “naar beneden” halen, bijvoorbeeld door het doen van een uitvinding, maar ook door het ontdekken dat de hoeken van een driehoek samen 180º graden zijn, is er sprake van geestesleven, wordt een stukje geest werkelijkheid in het helder dagbewustzijn. Een typisch kenmerk ervan is dat het onvoorspelbaar is in welke vorm en op welk moment het  optreedt. Op welke wijze tevoorschijn zal komen wat we geleerd hebben op school, ligt bijv. nog open voor de toekomst, het onttrekt zich aan een oorzakelijk verband. Vast staat echter, dat we op het moment van “naar beneden halen” creatief’ bezig zijn, aan cultuurbeweging deelnemen. Wanneer we dit in beweging brengen tot een proces laten worden, dat zich afspeelt, wordt deze toepassing een stuk civilisatieproces, dat is de herhaling in het burgerlijke leven van het reeds geestelijk verworvene. (begrippen van Alfred Weber). Alleen cultuurbeweging is aspect van het geestesleven.
Een andere (negatieve) karakteristiek ervan geeft prof. Brüll als volgt: De mens heeft de neiging om dat wat hij voor zichzelf als waarheid gevonden heeft, een stuk van zijn hoogstindividuele ontplooiing, uit tc willen dragen, aan anderen op te dringen. Opvattingen van de een te stulpen over andermans ideeen wordt echter door die ander onaangenaam ervaren, uiterste consequentie ervan is de hersenspoeling. Hieruit moge blijken dat het geestesleven vrij moet zijn en tevens welke gevaren er dreigen wanneer dat niet het geval is zoals in de doctrinaire landen. Daar wordt een bepaald samenstelsel van opvattingen, een leer, door een kleine groep aangehangen, met behulp van wetten en bepalingen dwingend voorgeschreven aan anderen, afwijkende opvattingen verbiedend. Men kan zeggen dat in deze landen het geestesleven zich bedient van het rechtsleven: er zal gezorgd worden dat iedereen zo denkt als de .leider.

Evenzo is sprake van een bedenkelijke penetratie wanneer mensen met ideeën deze op intolerante wijze willen verwerkelijken in het economische Teven; artsen en leraren kunnen zulke zijn, als ze hun “waar” als het enig heilbrengende proberen te verkopen,  het “beter” weten. Dc ondernemer als representant van het geestesleven in het economische doet hetzelfde als hij zijn ideeën omtrent wat goed is voor de mens tot in de consumptie wil opleggen (reclame!) Hij heeft hierdoor de tendens zich onafhankelijk te maken van de vraag en bereikt dit via persoonlijke kapitaalvorming. Tussen de machtsaspiratie van het geestesleven en het economisch leven in moet zich het rechtsleven schuiven.

Wanneer we nu voldoende de eenzijdigheden van het geestesleven bekeken hebben vragen we ons af: wat is het economische leven, waarom hebben we het nodig?

Het lijkt eenvoudig. We leven op de aarde in een lichaam, dat niet zonder voeding, kleding en “housing” kan bestaan. Tegenover de behoefte aan deze zaken bestaat het feit dat de aarde beperkt is wat betreft ruimte en middelen om deze (stuk weggevallen, waarschijnlijk: behoefte te bevredigen.) Vooral tegenwoordig! Vroeger kon men nog zeggen, zoals (weggevallen tekst) dat goederen als ‘lucht, water (weggevallen tekst) aarde is schaars.

Dat wil zeggen: levert een sociaal menselijk probleem op, haast een rechtsprobleem, want het is ons rechtsgevoel dat zich ertegen verzet dat naast welvaart honger kan voorkomen. De kunst is een verdeelsleutel te vinden; daarvoor zullen we moeten leren zuinig te zijn, gezien de schaarste aan goederen die de mensheid niet kan ontberen.
Elke verspilling gaat immers ten koste van anderen, voor elke ongebruikte, uitgescheurde bladzij van een schrift wordt een stukje natuur zinloos vernietigd.

Het product moet dus zo zuinig mogelijk gemaakt; het productieproces tendeert naar uniformiteit omdat één methode nu eenmaal de meest efficiënte is gebleken. Aan de andere kant moet de consument vrij zijn in het bepalen van wat hij nodig heeft; dat leidt tot een zeer pluriform behoefteschema, waarvan elk gevraagd product weer onder de economische wet van efficiency staat, net zolang tot het verbeterd wordt door het geestesleven. Zinvolle doordringing van beide gebieden waarbij het ecomische en geestesleven elkaar in hun waarde laten.

Gevaar dreigt echter als het economisch leven niet op zijn plaats blijft en in het rechtsleven terecht komt. Prof. Brüll geeft als voorbeeld hiervan een probleem uit “De gebroeders Karamazov” van Dostojefski: Stel dat de hele mensheid eeuwige zaligheid deelachtig zou worden door een onschuldig kind de eeuwige verdoemenis te laten ingaan. De economie zou dit moeten beantwoorden met Reuze aanbod, doen! Tegenover dat ene offer staat immers het voordeel van al die mensen. In elk ander opzicht betekent deze keus echter een onrechtvaardigheid omdat ongelijksoortige waarden: kwaliteit en kwantiteit, tegen elkaar zijn afgewogen. Onmenselijkheid is veelal het gevolg van dergelijke onjuiste doorbraak van het economische in het rechtsleven.

Wat gebeurt er nu als het economische het geestesleven gaat doordringen?

Om dit te bestuderen t.a.v. de Vrije School, zijn wij hier eigenlijk bijeen. Het economische leven dreigt de school binnen te dringen wanneer dezelfde rationele planning die in het bedrijfsleven zinvol is, toegepast wordt in het onderwijs. De ontwikkeling tendeert helaas in deze richting. Hoeveel afgestudeerde kinderen er nodig zijn, gezien de behoefte van bedrijfsleven en overheid, zal straks in.de school bepalend werken t.o.v. aantal leraren en het selecteren van de vakken. Niet op de behoefte en aanleg van de kinderen maar op wat de staat nodig heeft is deze selectie gericht. Van bovenaf is bovendien te verwachten dat getracht zal worden het onderwijs meer en meer te beperken met behulp van multiple choice en geprogrammeerde instructie; het beheersen van deze methode’s werkt nu eenmaal naar twee kanten efficiënt. Dat dit alles een directe aanval op het leerplan van de Vrije School betekent, behoeft geen betoog; men kan zeggen dat het economische denken de school dreigt te vergiftigen.

Welke bescherming hiertegen staat ons ten dienste? Het rechtsleven dat gezien kan worden als dam tegen eenzijdige overheersing van zowel het geestesleven (dictatuur) als het economische. Het rechtsleven is gebaseerd op het gevoel, dat iedereen als mens, als mijnsgelijke, behandeld dient te worden, recht heeft op menswaardig leven, of hij nu oud is of ziek en verzorging behoeft, of kind is en recht heeft op onderwijs.
Maar het rechtsbewustzijn van de massa bepaalt tot hoever dat recht op onderwijs gaat, uiteraard onder invloed van informatie (uit het geestesleven) enerzijds en van wat economisch mogelijk is, anderzijds. Hierin ligt voor ons het aangrijpingspunt.

‘Wanneer we nu, als toevoeging op de vraag: ‘wat is geestes- economisch- en rechtsleven en hoe doordringen ze elkaar op juiste en onjuiste wijze? de gevaren van de huidige.maatschappij willen samenvatten in hun uitersten, dan zien we aan de ene kant in het Oosten, waar de samenleving door partij-ideologie beheerst wordt (dus het economische en het rechtsleven door het geestesleven bepaald zijn) hoe het sociale leven overspoeld wordt door nieuwe ideeën in oude vorm; dit is in wezen niet anders dan theocratie. Daar tegenover, in het Westen (Amerika) brengt het rationele leven een zelfde dwangsituatie teweeg. Hier schrijven de “deskundigen” voor, de ene stap volgt noodzakelijkerwijs op de andere, de structuur wordt al even piramidaal als in het Oosten, al is hier sprake van technocratie.

Dat het mogelijk moet zijn deze twee gevaren te vermijden moge blijken uit de profetische woorden van Rudolf Steiner, dat de toekomstige maatschappij of bolsjewistisch (= al datgene waarbij nieuwe ideeën in oude vorm verschijnen) of drie geleed zal zijn.

l.  Wij zijn hier bijeen uit bezorgdheid over het geestesleven. Omdat bij gebrek aan een vrij geestesleven leraren zullen worden ingezet als ambtenaren die geen interesse meer kunnen opbrengen voor hun school. Maar zinloos zou het zijn om te vechten voor onze school alléén. Vrijheid van inrichting naast de al toegestane vrijheid van richting, moet bereikt worden voor elk onderwijs dat zich dit wenst. Noodlottig zou het zijn als in een beschermd groepje alléén plaats zou zijn voor de Vrije School: zonder vrije concurrentie met andere ideeën-scholen. (Dalton, Montessori) gaan de Vrije Schoolleraren aan zelfvoldaanheid ten onder!

2. Economisch gezien is een voortdurend contact met de maatschappij, een bereidheid zich af te stemmen op de behoefte bij kinderen en ouders, vereist. Een school kan zich slechts geloofwaardig maken door rekening te houden met wat leeft in de consumenten, als gevolg een gezonde wisselwerking tussen vraag en aanbod.

3.Ten slotte stelt prof.Brüll dat een democratisch rechtsleven binnen de school, geordend moet worden, waarbij intern de hoogte van inkomens bepaald worden, en het directeurschap een “flutfunctie”is!

Een micro-driegeleding dus, onderdeel van de macro-driegeleding zoals deze hier schetsmatig werd aangeduid, gezien als voorwaarde en waarborg tevens voor een maatschappij van vrije mensen.

Prof. Brüll sloot af met het hoopgevende citaat van Schiller:

Vrij is de mens, al was hij in boeien geboren.

.

Vrijeschool en driegeleding

100 jaar vrijeschoolalle artikelen

Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen
.
Sociale driegeledingalle artikelen

.

1423-1333

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over vertellen (GA 294)

.

De tekst in blauw is van mij, cursief en vet eveneens

Op de vrijescholen neemt het vak ‘vertellen’, de vertelstof, een belangrijke plaats in.
In zijn pedagogische voordrachten sprak Steiner er herhaaldelijk over.

RUDOLF STEINER OVER VERTELLEN

GA 294

Steiner behandelt hier de krachten die in de mens werken: die vanuit het hoofd naar de ledematen toe en vanuit de ledematen naar het hoofd, het denken, naar het hart, het gevoel – hier astraal lichaam genoemd.

blz. 20   vert. blz. 31-32

Und wenn er viel erzählt bekommt, woran er sich freut oder auch woran er Schmerzen hat, dann bildet das von dem unteren Menschen aus den astralischen Leib aus. Bitte, reflektieren Sie da einmal auf Ihre eigenen Erlebnisse etwas intimer. Ich glaube, Sie werden alle eine Erfahrung gemacht haben: Wenn Sie auf der Straße gegangen sind und durch irgend etwas erschrocken sind, dann sind Sie nicht nur mit dem Kopfe und mit dem Herzen erschrocken, sondern dann sind Sie auch mit den Gliedern erschrocken und haben in ihnen den Schreck nachgefühlt. Daraus werden Sie den Schluß ziehen können, daß die Hingabe an etwas, was Gefühle und Affekte auslöst, den ganzen Menschen ergreift, nicht bloß Herz und Kopf. Das ist eine Wahrheit, die der Erziehende und Unterrichtende ganz besonders ins Auge fassen muß. Er muß darauf sehen, daß der ganze Mensch ergriffen werden muß. Daher denken Sie von diesem Gesichts­punkte aus ans Legenden- und Märchenerzählen, und haben Sie ein richtiges Gefühl dafür, so daß Sie aus Ihrer eigenen Stimmung heraus dem Kinde Märchen erzählen, dann werden Sie so erzählen, daß das Kind etwas nachfühlt an dem Erzählten im ganzen Leibe. Sie wenden sich dann wirklich dabei an den astralischen Leib des Kindes. Von dem

En wanneer u een kind veel vertelt waar het vreugde aan beleeft of ook verdriet, dan vormt dat vanuit de on­derste mens het astrale lichaam. Gaat u maar eens wat intiemer op uw eigen belevenissen in. Ik denk dat u dit allemaal wel eens hebt meegemaakt: u liep over straat en bent van iets geschrokken. Dan bent u niet alleen met uw hoofd en hart geschrokken, maar ook met uw ledematen. U hebt de schrik in de benen gehad. Daaruit kunt u de conclusie trekken: wanneer we ons wijden aan iets wat gevoelens en affecten oproept, dan werkt dat op de hele mens en niet alleen op hart en hoofd. Dat is een waarheid die we in opvoeding en onderwijs vooral voor ogen moeten houden. We moeten erop toezien dat de hele mens aangesproken wordt. Denkt u daarom van dit gezichtspunt uit aan het vertellen van legenden en sprookjes. Probeert u hier gevoel voor te krijgen, zodat u vanuit uw eigen stemming sprook­jes kunt vertellen, dan zult u zo vertellen dat een kind in zijn he­le lichaam iets navoelt van wat er verteld wordt. U richt zich dan werkelijk tot het astrale lichaam van het kind. Vanuit het

blz. 21    vert. blz. 32

astralischen Leib strahlt etwas herauf in den Kopf, was das Kind dort erfühlen soll. Man muß das Gefühl haben, das ganze Kind zu ergreifen und daß erst aus den Gefühlen, aus den Affekten, die man erregt, das Verständnis für das Erzählte kommen müsse. Betrachten Sie es daher als ein Ideal, daß Sie, wenn Sie dem Kinde Märchen oder Legenden erzählen, oder wenn Sie mit ihm Malerisches, Zeichnerisches treiben, daß Sie dann nicht erklären, daß Sie nicht begriffsmäßig wirken, son­dern den ganzen Menschen ergreifen lassen, und daß dann das Kind von Ihnen weggeht und erst nachher von sich selbst aus zum Verstehen der Dinge kommt. Versuchen Sie also, das Ich und den astralischen Leib von unten herauf zu erziehen, so daß dann Kopf und Herz erst nachkommen. Versuchen Sie nie so zu erzählen, daß Sie auf Kopf und Verstand reflektieren, sondern so zu erzählen, daß Sie in dem Kinde gewisse stille Schauer – in gewissen Grenzen – hervorrufen, daß Sie den ganzen Menschen ergreifende Lüste oder Unlüste hervorrufen, daß dies noch nachklingt, wenn das Kind weggegangen ist und daß es dann zu dem Verständnisse davon und zu dem Interesse daran erst übergeht. Versuchen Sie zu wirken durch Ihr ganzes Verbundensein mit den Kindern. Versuchen Sie nicht künstlich das Interesse zu erregen, in­dem Sie auf die Sensationen rechnen, sondern versuchen Sie dadurch, daß Sie eine innere Verbindung zu den Kindern herstellen, das Interesse aus der eigenen Wesenheit des Kindes entstehen zu lassen.

astra­le lichaam straalt iets omhoog naar het hoofd, iets wat het kind daar moet voelen. We moeten het gevoel hebben dat we het he­le kind aanspreken en dat pas uit de gevoelens, uit de affecten die we oproepen, het begrip moet komen voor wat verteld is. Laat het daarom een ideaal zijn om, wanneer u een kind sprookjes of le­genden vertelt of met hem schildert of tekent, niets te verklaren, niet begripsmatig te werken, maar de hele mens aan te spreken. Dan gaat liet kind naar huis en komt het achteraf uit zichzelf tot begrip van de dingen. Probeert u dus het ik en het astrale lichaam van onderop op te voeden, zodat hoofd en hart er pas later bij te pas komen. Probeert u nooit zo te vertellen dat u het hoofd en het verstand aanspreekt, maar zo dat u in het kind een soort stille hui­vering – binnen bepaalde grenzen – oproept, dat u lust- of onlust­gevoelens oproept die de hele mens aangrijpen. Die klinken dan nog na wanneer het kind weer naar huis gaat, en van daaruit kan het dan de stap tot begrip en interesse zetten. Probeert u te werken doordat u geheel en al verbonden bent met de kinderen. Probeert u niet kunstmatig interesse op te wekken door middel van sensa­ties, maar probeert u, door een innerlijke verbinding met de kin­deren te leggen, de interesse uit het eigen wezen van het kind te la­ten ontstaan.
GA 294/20-21
vertaald/31-32

blz. 175  vert. blz. 176

Dann müssen wir aber vor allen Dingen suchen, daß im 1. Schuljahr viel von dem getrieben wird, was einfaches Sprechen mit den Kindern ist. Wir lesen ihnen womöglich wenig vor, sondern bereiten uns so gut vor, daß wir ihnen alles, was wir an sie heranbringen wollen, erzählen können. Wir versuchen dann zu erreichen, daß die Kinder nach dem von uns Erzählten, Gehörten nacherzählen können. Wir verwenden aber nicht Lesestücke, die die Phantasie nicht anregen, sondern wir ver­wenden möglichst Lesestücke, die recht stark die Phantasie anregen, namentlich Märchenerzählungen. Möglichst viel Märchenerzählungen. Und wir versuchen, indem wir lange mit dem Kinde dieses Erzählen und Nacherzählen getrieben haben, es dann ein wenig dahin zu bringen, in kurzer Art Selbsterlebtes nachzuerzählen. Wir lassen uns zum Bei­spiel irgend etwas, was das Kind gern selbst erzählt, von dem Kinde erzählen. Bei all diesem Erzählen, Nacherzählen, Erzählen von Selbst­erlebtem entwickeln wir ohne Pedanterie die Überleitung des Dialekts in die gebildete Umgangssprache, indem wir einfach die Fehler, die das Kind macht – zuerst macht es ja lauter Fehler, nachher wohl immer weniger -, korrigieren. Wir entwickeln beim Kind im Erzählen und im Nacherzählen den Übergang von dem Sprechen des Dialektes zur ge­bildeten Umgangssprache. Das können wir machen, und trotzdem wird das Kind am Ende des 1. Schuljahres das Lehrziel erreicht haben, das heute von ihm verlangt wird.

Verder moeten we in het eerste schooljaar vooral veel tijd inruimen voor eenvoudige gesprekken met de kinderen. We lezen zo min mogelijk voor, maar we bereiden ons zo goed voor, dat we alles wat we willen overdragen vertellend kunnen brengen. Dan proberen we de kinderen te laten navertellen wat wij verteld hebben, wat zij gehoord hebben. We kiezen echter geen stof die de fantasie niet stimuleert, maar we gebruiken zoveel mogelijk vertelstof die de fantasie juist sterk stimuleert, vooral sprookjes. Zoveel mogelijk sprookjes. En als we dit vertellen en navertellen lang geoefend hebben, proberen we de kinderen ertoe te brengen om kort iets na te vertellen van wat ze zelf hebben beleefd. We laten ze bijvoorbeeld iets kiezen waar ze zelf graag over vertellen. Bij al dit vertellen, navertellen en vertellen van belevenissen helpen we de kinderen zonder pietluttig te zijn de stap te maken van het dialect naar de gewone omgangstaal. We doen dat door eenvoudigweg de fouten die ze maken*- eerst maken ze bijna alleen maar fouten, later minder – te corrigeren. We laten de kinderen tijdens dat vertellen en navertellen de overgang maken van het dialect naar de omgangstaal. Dat kunnen we zo doen, en toch zullen de leerlingen aan het eind van het eerste schooljaar het leerdoel bereikt hebben dat tegenwoordig vereist is.
GA 294/175
vertaald/176

*De foute woorden die een kind spreekt – bijv. voltooide deelwoorden – moet je verbeteren. Het werkt heel goed als je de manier waarop dit woord uitgesproken moet worden, in een zinnetje nog eens herhaalt. ‘Ik ben zo gevalt’ – ‘Ach, ben je zo gevallen?’ Vanuit de nabootsing leren de kinderen veel. Dan hoef je niet zo schoolmeesterachtig te corrigeren.
In het dialect zitten soms elementen die het juiste schrijven in de weg zitten. Zo had ik eens een meisje in de klas dat uit een streek kwam waar men de eind N in het voltooid deelwoord bijna niet uitsprak. Zij bleek later veel moeite te hebben deze ook te schrijven. Ze hoorde ze a.h.w. niet. 

.

Rudolf Steiner over vertellen: alle artikelen

Vertellen: alle artikelen

.

Rudolf Steiner: alle artikelen

.

1422-1332

.

.

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (45)

.


OPEN DEUR, MAAR TOCH FIJN DAT DIE INGETRAPT WORDT!

Of  Kinderpsychiater Binu Singh (UPC KU Leuven) een ‘geesteskind’ is van Dick Swaab, weet ik niet, maar haar opmerkingen doen wel sterk denken aan de producten uit zijn breinfabriek: het kind is toch vooral ‘brein’ dat ontwikkeld moet worden door, jawel, het brein dat de leerkracht is.
Als je door dat materialistisch jargon heenkijkt, doet de psychiater mooie uitspraken – voor kenners van de vrijeschoolpedagogie daarentegen niets bijzonders, wel verheugend dat ze vanuit die psychiatrische hoek ook worden gezien.

“Een kind uit het eerste leerjaar is nog geen lagereschoolkind”, waarschuwt kinderpsychiater Binu Singh. Is naar school gaan dan geen feest voor een 6-jarige? “Jawel”, zegt Singh, “maar zijn brein is nog niet klaar voor lange opdrachten. Kort lesdagen en -uren in, maak tijd om te spelen en schaf punten af.”

Hoe belangrijk spel in de vrijeschoolpedagogie is, vind je  hier
Steiner noemde het geven van cijfers onzin!

Zijn leerlingen in het eerste leerjaar in hun hoofd nog kleuters?
Vraagt de interviewer

De psychiater schets de kleuter zoals ook de vrijeschoolpedagogie dit kind ziet: “Een kind uit het eerste leerjaar is niet van de ene dag op de andere een lagereschoolkind. Het moet nog vaardigheden ontwikkelen die het nodig heeft in het lager onderwijs. Elk kind doet dat op zijn eigen tempo. Ze forceren helpt niet. Kinderen van 5, 6 jaar hebben nog veel behoefte aan spelen en bewegen, denken nog redelijk concreet en visueel.”
Zie vooral ook wat de psychiater verder zegt in het artikel

Wanneer het gaat om wat Steiner ‘de geliefde autoriteit’ noemt, wordt mevrouw Binu Singh wel weer erg Swaabs: “Nee. Een kinderbrein heeft de input en begeleiding van een volwassen brein nodig om te leren. En even verder: “In het eerste leerjaar is de leraar God, hè. Kinderen zijn heel loyaal. Ze zijn heel erg op zoek naar je begeleiding en je volwassen brein. Ze zoeken een sterke connectie op jouw wifisignaal”

Moeten leraren meer inzicht hebben in hoe hersenen werken?
Binu Singh: “Een leraar moet begrijpen hoe het brein van een leerling functioneert, hoe de kinderhersenen zich ontwikkelen. Dan kan hij/zij zelf oplossingen bedenken om alle kinderen mee te hebben. Daarom verbaast het me dat er in de lerarenopleiding niet méér lessen ontwikkelingspsychologie zitten.”

Een groot deel van Steiners pedagogische voordrachten is gewijd aan de ontwikkeling van kind – van kleuter tot bijna volwasse. Hoe zou een leraar het brein van een kind moeten begrijpen, als daarover nauwelijks iets meer bekend is dan bijv. dat de activiteit van de ledematen vormend op de hersenontwikkeling werkt of dat aandacht zeer belangrijk is. 
Rudolf Steiner gaf al aardig wat voorbeelden van hoe je via de ledematen de intelligentie wekt!

De breinpolka wordt nog verder gedanst:

Beïnvloed je de kinderbreinen in je klas ook onbewust met je gedrag?
Mevr.Singh:
“Ja. Je hebt veel invloed op die kinderbreinen in je klas. Daarom pleit ik voor een goede zelfzorg bij leraren. Als je vertrouwen en rust uitstraalt, dan pikken kinderen dat op en leren ze makkelijker. Als je gefrustreerd bent of gespannen, dan slaat dat over op je leerlingen, zijn ze onrustiger en leren ze minder makkelijk. Kinderen doorprikken het ook als je gedrag en wat je zegt niet overeenstemmen. Als je zegt: ‘Met mij gaat alles goed’, en dat is niet zo, dan breng je de kinderen in de war.”

Hier spreekt de psychiater over wat Steiner ‘het imponderabele’ noemde en hoe belangrijk dat is, want ‘een kind  ‘begrijpt niet van oor tot oor – misschien moeten we voortaan zeggen: ‘van brein tot brein’, maar van ziel tot ziel’
Rudolf Steiner wegwijzer (o.a. 5, 32, 33)

Mevr. Singh komt tot een conclusie die in de vrijescholen al sinds jaar en dag praktijk is: het overleg tussen kleuterleisdster en leerkracht 1e klas, wanneer deze de kleuters als 1e-klassers krijgt, is heel belangrijk.

Tussen de regels door pleit zij – lijkt het – voor het principe van ‘meegaan met je klas’: 
“De meeste leraren hebben enkele maanden nodig om hun leerlingen grondig te leren kennen. Maar het is heel snel eind juni. En dan moet je al die opgebouwde expertise weer weggooien en aan een nieuw stel breinen beginnen.

Dat ‘NIEUW STEL BREINEN’ noemt de vrijeschoolleerkracht: ‘het nieuwe raadsel’ dat hij moet zien op te lossen: ‘de nieuwe, nog onbekende individualiteit’ die hij moet zien te ontmoeten.

Dan doet mevr. Singh nog een aantal suggesties waar je als vrijeschool al lang niet meer van opkijkt, maar wat je wel zeer kan waarderen als opmerkingen:

“Leg kinderen niet te veel prestatiedruk op en zoek hun ontdekkingsenthousiasme op.
Maak dus tijd voor ontspanning, spel en creativiteit in je lessen. Humor ook: dat verbindt en ontspant en dan leren kinderen gemakkelijker.”

“En het puntensysteem mag je gerust afschaffen. Evalueer continu. Cijfers zeggen niet of een kind iets geleerd heeft. Scoort een kind laag op een toets, dan zie je niet zijn progressie en harde werk. Maar zo’n kind koppelt ten onrechte wel zijn zelfbeeld aan dat zwakke cijfer.”

“Zonder toetsen en verbeterwerk komen er uren vrij voor leraren. Een opgroeiend kinderbrein heeft enthousiaste, uitgeruste en betrokken volwassen breinen nodig. Heel veel leraren hebben superideeën die kinderhersenen gretig doen draaien, maar werken die niet uit omdat ze onvoldoende tijd hebben of geen steun vinden in het schoolteam. Dat is jammer.”
.

Klasse.be

.

Opspattend grind: alle artikelen

.

1421-1331

.

.