VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over vertellen (GA 295-aanvulling)

.
Rudolf Steiner schreef tijdens de eerste werkbespreking (21 augustus 1919) voor de vertelstof dit lijstje op het bord:

1.    ein gewisser Märchenschatz
2.    Geschichten aus der Tierwelt in Verbindung mit der Fabel
3.    Biblische Geschichte als Teil der allgemeinen Geschichte (Altes Testament)
4.    Szenen aus der alten Geschichte
5.    Szenen aus der mittleren Geschichte
6.    Szenen aus der neueren Geschichte
7.    Erzählungen über die Volksstämme
8.    Erkenntnis der Völker.

1     sprookjes
2     dierenverhalen in samenhang met de fabel
3     bijbelse geschiedenis als deel van de algemene geschiedenis (Oude Testament)
4     scènes uit de oude geschiedenis
5     scènes uit de middeleeuwse geschiedenis
6     scènes uit de nieuwere geschiedenis
7     verhalen over volkeren
8     volkenkunde
GA 295/18/20
vertaald/17/19-20

E.A.Karl Stockmeyer, een leerkracht die bij de voordrachten (GA 293, 294 en 295) aanwezig was en later zijn notities gebundeld heeft in ‘Rudolf Steiners Lehrplan für die Waldorfschulen’: 
‘Deze opsomming (hierboven 1 – 8) stond toen ook op het bord, voor zover ik mij kan herinneren. In het leerplan dat Caroline von Heydebrand heeft samengesteld is deze niet opgenomen, vandaar dat deze aan veel leerkrachten niet bekend is en nu zou men kunnen denken dat de lijst van de vertelstof alleen maar een opsomming is zonder dat deze op de klassen betrekking heeft. Ik twijfel er niet aan, dat de opsomming van de 8 zo exact gegeven thema’s op de 8 toen bestaande klassen slaat.’ [1]

Caroline von Heydebrand:[2]
1e klas:
De bonte beelden van de sprookjes die het voorstellingsvermogen van de kinderen stimuleren en in kunstzinnig gevormde beelden de diepste geheimen van de mensheid bevatten, maar ook de zichtbare uiterlijk-realistische werkelijkheid, vormt de vertelstof van deze klas.

2e klas:
Bij het vertellen en navertellen zoekt men de overgang van het sprookje naar de fabel en dierenverhalen. Het kind is op deze leeftijd nog zo met zijn omgeving verbonden, dat het de dieren het beste begrijpt, wanneer deze als mensen optreden. Dat nu zit in de fabel. Legenden brengen harmonie voor wat aan het dier beleefd is, wanneer het kind door de legenden hoort hoe de mens naar volmaaktheid streeft. Deze zijn daardoor een noodzakelijke aanvulling op de dierenfabel en het dierenverhaal.

In de passages uit Steiners voordrachten over vertelstof wordt (nog) niet gesproken over ‘legenden’.
Ik heb het altijd als een evenwichtige afwisseling ervaren: de ondeugden van de dieren tegenover de deugden van de heiligen.

Die afwisseling is belangrijk en mag volgens mij niet zo gehanteerd worden als ik weleens heb gezien, in een ‘periode’ fabels vertellen (gedurende  (een paar ) weken, en dan weer veel legenden). Om en om, lijkt mij.

3e klas
De stof voor het vertellen en navertellen wordt in dit schooljaar geboden door de verhalen  uit het oude testament, de eerste wereld- en cultuurgeschiedenis voor het kind.

4e klas
Vertelstof en leesstof voor deze klas worden o.a. geboden door de sagen van de Germaanse mythologie en heldentijd.

5e klas
De sagen van de klassieke oudheid bieden stof voor het vertellen en lezen.
(Omdat er in deze klas ook geschiedenis over o.a. de Grieken wordt gegeven, is het raadzaam tijdens de geschiedenisperiode niet ook nog eens Griekse mythologie te vertellen – aan het einde van het  hoofdonderwijs – maar dit te combineren. (Je kunt ook teveel vertellen!)

6e klas
Lees – en vertelstof kunnen o.a. uit de volkerenkunde worden gehaald.
(bij Steiner zijn het ‘episoden ‘uit de nieuwere geschiedenis’. In de praktijk van alledag betekende dit vooral: Romeinse mythologie, overgaand in verhalen over historische figuren en gebeurtenissen.

klas 7
Lees- en vertelstof wordt geboden door volken- en rassenkunde.
Hoewel Steiner hier alleen zegt ‘verhalen over volkeren’ , heeft von Heydebrand daaraan toegevoegd: ‘rassenkunde’.* (In een latere uitgave van ‘het leerplan’ vind je die niet meer terug)

klas 8
Hier noemt von Heydebrand niet concreet  vertelstof, maar ‘uitgezochte stukken als lees- en bespreekstof’ uit o.a. werken van Goethe, Herder en Schiller.


*Het geven van ‘rassenkunde’ heeft op een bepaald ogenblik geleid tot nog al wat commotie. Wie het periodenschrift dat aanleiding was tot deze commotie bekijkt, vindt daarin ‘antroposofie’ en Steiner is altijd duidelijk geweest over ‘antroposofie in het vrijeschoolonderwijs‘ o.a.:

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE 

Wir wollen hier in der Waldorfschule keine Weltanschauungsschule einrichten. Die Waldorfschule soll keine Weltanschauungsschule sein in der wir die Kinder möglichst mit anthroposphischen dogmen vollstopfen. Wir wollen keine anthroposfoische Dogmatik lheren, Anthroposofphie ist kein Lehrinhaklt, aber wir streben hin auf praktische Handhabung der Anthroposophie. Wir wollen umsetzen dasjenige, wasd auf anthroposophischem Gebiete gewonnen weren kann, in wirkliche Unterrichtspraxis.
Auf den Lehrinhalt der Anthroposophie wird es viel weniger ankommen als auf die praktische Handhabung dessen, was in pädagogischer richting im allgemeinen und im Speziell-Methodischen im besonderen aus der Anthroposophie werden kann, wie Anthroposophie in Handhabung des Unterrichts übergehen kann.

We willen hier in de vrijeschool geen wereldbeschouwelijk onderwijs geven. De vrijeschool moet geen school zijn waarin een bepaalde wereldbeschouwelijke overtuiging geleerd wordt, waarin we de kinderen met antroposofische dogma’s volproppen. We zullen in onze lessen geen antroposofische dogma’s onderwijzen. Antroposofie is geen lesinhoud – we streven ernaar de antroposofie in de praktijk te brengen. We zullen de inzichten die de antroposofie ons schenkt, omzetten in werkelijke lespraktijk.
Het zal niet zozeer aankomen op de theoretische achtergrond van de antroposofie, als wel op het praktische hanteren  van wat uit de antroposofie in de pedagogie in het algemeen en in de methodische aanpak in het bijzonder kan worden. Het gaat erom hoe de antroposofie in het onderwijs in praktijk gebracht kan worden.
GA 293/15
vertaald/

Bij Stockmeyer wordt noch in de 7e, noch in de 8e gesproken over ‘rassenkunde’.
Wanneer Steiner in de lerarenvergaderingen van 1919 tot 1924 steeds weer nieuwe aanwijzingen voor het onderwijs in de verschillende klassen geeft, is er nergens sprake van ‘rassenkunde’, dus ook niet in klas 6 en 7.

Toen ik destijds de opleidingscursus tot vrijeschoolleerkracht volgde was ‘rassenkunde’ geen onderwerp, geen inhoud van dit opleidingsprogramma; ik heb dan ook nooit iets met ‘rassenkunde’ te maken gehad.

De vertelstof van klas 7 bestond bij mij voornamelijk uit verhalen van ontdekkingsreizigers en hun contacten met de tot dan toe onbekende volkeren.
De bekende vrijeschoolleerkracht Hans Rudolf Niederhäuser stelde een verhalenbundel samen: ‘Fremde Länder,  Fremde Völker’, maar daarin is niets te vinden van een ‘rassenkunde’. Wel verhalen uit de verhalencultuur van Eskimo’s; rendiernomaden; Japanners, Arabieren, negerstammen in Afrika; Indianenstammen in Noord-Amerika; Inca’s en Russen.[3]
.
[1] E.A.Karl Stockmeyer Rudolf Steiners Lehrplan für die Waldorfschulen, 1965, blz. 55,56
[2] Caroline von Heydebrand Vom Lehrplan der freien Waldorfschule, 1965
[3] H.R. Niederhäuser Fremde Länder, Fremde Völker

.

Rudolf Steiner over vertellenalle artikelen

Vertellenalle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

.

Op deze site vind je veel meer over de vertelstof; vooral mooie illustraties voor bijv. een bordtekening.

Tevens op:

VRIJESCHOOL in beeld: alle artikelen
.

1357

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s