VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-8)

.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE – GA 293

.

GA= Gesamt Ausgabe, (volledige uitgave): de genummerde reeks boeken en voordrachten van Steiner.

Duitse tekst
Vertaling 

.

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA295) [3]

Blz. 24  vert. 24

De ademhaling

Zoals ik hier al eerder omschreef, herhaal ik wat Steiner de
taak van de opvoeding in geestelijke zin noemt:

‘het in overeenstemming brengen van de zielengeest en het lichamelijk organisme of organisch lichaam. Die moeten met elkaar in harmonie komen, moeten op elkaar afgestemd worden, want die passen in zekere zin nog niet bij elkaar wanneer het kind geboren wordt.’

De taak van de opvoeder en ook van de leraar is om deze twee delen op elkaar af te stemmen.

In de 2e morgenvoordracht (21-08-1919) en ’s middags in de werkbespreking worden daarvan concrete voorbeelden gegeven.

Op blz. 24 gaat Steiner echter allereerst in op een fysiek kenmerk van de pasgeborene: deze ademt nog niet harmonisch, d.w.z. in een rustig ritme.

Ik kan me nog als de dag van gisteren herinneren dat ons pas geboren kindje, slapend, zeer onregelmatig ademde, zo onregelmatig dat ik – nog klaar wakker na die intense levenservaring van het aanwezig zijn bij een geboorte, af en toe een lichte panische angst voelde opkomen, wanneer een nieuwe ademhaling (te) lang uitbleef.

Dat ‘rustige ritme’ is bij de volwassene in rust 4 volledige (in – uit) ademhalingen per minuut, waarbij het hart 72 keer klopt. Deze verhouding van 4 : 1 is er dus niet aan het begin van het leven.

In deze tabel zie je hoe het aantal ademhalingen per minuut afneemt gedurende de jaren 0 – adolescentie :

Het hoeft nauwelijks verdere uitleg wanneer ik zeg dat de adem in ons leven een allerbelangrijkste rol speelt. We kunnen maar een paar minuten onze adem inhouden – nog veel korter uitblazen – het markeert ons levensbegin – en einde in de eerste ademkreet en de laatste ademtocht.

Steiner gaat hier weer uit van de drieledige mens.
Wat de stoffelijkheid, de materie betreft, spreken we dan over het fysieke lichaam.
Uiteraard kun je naar allerlei organen kijken en er voor een bepaald gezichtspunt de nadruk op leggen. Het tot ‘middelpunt’ maken. Wat de ademhaling betreft, is dit ook bijna letterlijk zo: ze vindt plaats in de ‘middenmens’, in de borst/rompruimte in hart en longen en voorziet met de bloedsomloop het hele lichaam van de nodige stoffen voor het leven. Bij iedere ademhaling komt en verdwijnt lucht die beide in het bloed voor stofwisseling zorgen: de opname en afgifte van zuurstof en koolzuur e.d. Ook wat we via het voedsel hebben binnengekregen en is omgezet in stoffen die door het bloed kunnen worden meegenomen, wordt dit meenemen uiteindelijk mogelijk door de beweging van het bloed door de ademhaling, uiteraard ook door het hart, dat echter niet kan functioneren zonder ademhaling!

Bijna in één adem noemt Steiner dan de invloed die er van het ademhalen uitgaat op het zenuw-zintuigleven van de mens.

 Dadurch verpflanzen wir den Atmungsrhythmus auf das Gehirn. Und wie das Atmen zusammenhängt auf der ei- nen Seite mit dem Stoffwechsel, so hängt es auf der anderen Seite zusammen mit dem Nerven-Sinnesleben. Wir können sagen: Das Atmen ist der wichtigste Vermittler des die physische Welt betretenden Menschen mit der physischen Außenwelt. Aber wir müssen uns auch bewußt sein, daß dieses Atmen durchaus noch nicht so verläuft, wie es zum Unterhalt des physischen Lebens beim Menschen voll verlaufen muß, namentlich nach der einen Seite nicht: es ist beim Menschen, der das physische Dasein betritt, noch nicht die richtige Harmonie, der rechte Zusammenhang hergestellt zwischen dem Atmungsprozeß und dem Nerven-Sinnesprozeß.

‘Daardoor brengen we het ritme van de ademhaling over op de hersenen. En zoals het ademen aan de ene kant verband houdt met de stofwisseling, zo houdt het aan de andere kant verband met het zenuw-zintuigleven. We kunnen wel zeggen dat het ademen de belangrijkste bemiddelaar is tussen de mens die de fysieke wereld betreedt en de fysieke buitenwereld. Maar we moeten wel bedenken, dat dit ademproces bepaald nog niet zo verloopt als het in zijn volledigheid moet verlopen ter instandhouding van het fysieke leven – vooral naar de ene kant toe niet: bij de mens die de fysieke wereld betreedt, bestaat er nog niet de juiste harmonie, de juiste samenhang tussen het ademproces en het zenuw-zintuigproces.’
GA 293/24-25
Vertaald/24

Hoewel dit proces van rustiger worden van de ademhaling van nature verloopt, lijkt het of Steiner de natuur een handje wil helpen. Immers, hij wil via opvoeding en onderwijs invloed uitoefenen op het zenuw-zintuigleven. We zouden nu meer geneigd zijn te zeggen: op het brein. Dat is vandaag de dag niet vreemd meer, aangezien uit onderzoek blijkt hoe veel er in het leven van invloed blijkt te zijn op de vorming van de hersenen.

Of wil Steiner hier de geest een handje helpen?:

Die wichtigsten Maßnahmen in der Erziehung werden daher liegen in der Beobachtung alles desjenigen, was in der rechten Weise den Atmungsprozeß hineinorganisiert in den Nerven-Sinnesprozeß. Im höheren Sinne muß das Kind lernen, in seinen Geist aufzunehmen dasjenige, was ihm geschenkt werden kann dadurch, daß es geboren wird zum Atmen. Sie sehen, dieser Teil der Erziehung wird hinneigen zu dem Geistig-Seelischen: dadurch, daß wir harmonisieren das Atmen mit dem Nerven-Sinnesprozeß, ziehen wir das Geistig-Seelische in das physische Leben des Kindes herein. Grob ausgedrückt, können wir sagen: Das Kind kann noch nicht innerlich richtig atmen, und die Erziehung wird darin bestehen müssen, richtig atmen zu lehren.

De belangrijkste maatregelen in de opvoeding zullen dan ook liggen in het in acht nemen van alles wat op de juiste wijze het ademproces laat doorwerken in het zenuw-zintuigproces. In hogere zin uitgedrukt (Steiner lijkt hier weer te spreken vanuit het standpunt ‘geest’): het kind moet leren om in zijn geest dat op te nemen, wat hem geschonken kan worden doordat het geboren is om te ademen.’
‘U ziet, dit gedeelte van de opvoeding zal gericht zijn op geest en ziel: doordat we het ademen en het zenuw-zintuigproces met elkaar in harmonie brengen, halen we de geestziel meer in het fysieke leven van het kind. Grof gezegd: het kind kan innerlijk nog niet juist ademen en de opvoeding zal erin moeten bestaan het kind te leren dat op de juiste wijze te doen.’
GA 293/25
Vertaald/25

Deze geestziel is eigenlijk het wezen van het kind, zijn Ik, dat gedurende de drie leeftijdsfasen van de mens steeds dieper in zijn wezen incarneert.

In deze voorbereidende cursus ligt de nadruk natuurlijk op de leeftijd vanaf het 6e, 7e jaar. Immers, met de kinderen van die leeftijd en ouder, zou het vrijeschoolonderwijs beginnen. Nog niet met kleuters, ook niet met wat we nu de bovenbouw noemen (vanaf klas 9).
Het ligt dus voor de hand dat voor die leeftijd de meeste aanwijzingen gegeven worden om ‘deze ademhaling te laten doorwerken in het zenuw-zintuigstelsel.’

Hij noemt bijv. wel het 3-4-jarige kind en de euritmie.

We weten inmiddels hoe belangrijk het is dat de omgeving van het kleine kind rust, ritme en regelmaat ademt! Dat een teveel aan prikkels te wakker maakt, dat stress onrust veroorzaakt en dat slaapproblemen vaak het gevolg zijn van een niet-harmonische omgang met de zuigeling, de baby en de peuter en eigenlijk ook voor heel de rest van het leven, al kunnen we naarmate we ouder worden, wel meer incasseren (ons Ik is sterker aanwezig).

Alvorens over te gaan naar de opmerking: 
Bij onze inademing stuwen we voortdurend het hersenvocht de hersenen in; bij onze uitademing stoten we het weer terug in het lichaam. Daardoor brengen we het ritme van de adem over op de hersenen,’

nog enkele opmerkingen over de onrustige ademhaling van de pasgeborene.

De onregelmatige ademhaling

In de meeste gevallen is een onregelmatige ademhaling normaal en is er niets aan de hand. Een pasgeboren baby heeft een zogenaamde periodieke ademhaling. Ze ademen steeds sneller en dieper, dan langzamer en oppervlakkig, dan pauzeren voor maximaal 15 seconden. Ze beginnen opnieuw met steeds dieper adem.
Dit is gebruikelijk – vooral onder premature baby’s – en zal evolueren naar een meer volwassen patroon van de ademhaling, met af en toe zuchten, in de eerste paar maanden van het leven’. Bron

‘De ademhaling van een pasgeboren baby is nog heel onregelmatig. Het gaat afwisselend van snel, langzaam, heel diep, en soms enkele tellen helemaal niet. Dit is heel normaal. De meeste baby’s beginnen pas na 4 maanden regelmatig adem te halen. Uiteraard bestaan er ook uitzonderingen, deze baby’s ademen al heel snel (of zelfs gelijk) regelmatig.’ Bron

Voor de ademhaling begint

Een ongeboren baby krijgt alle voedingstoffen en zuurstof die hij nodig heeft
via een ader in de navelstreng toegediend. Het bloed in deze ader is afkomstig
van de placenta. Deze grote navelstrengader komt uit in de ductus venosus,
waarna de lever de voedingstoffen uit het bloed haalt.
In het hartje bestaat een aparte, foetale bloedsomloop met een opening tussen
de linker- en de rechterkamer, het foramen ovale. Hierdoor wordt de
bloedtoevoer naar de niet-actieve longen beperkt; de stroom wordt nog verder
gereduceerd door de aanwezigheid van een ander kanaal: de ductus van Botalli.
Op deze manier is de bloedsomloop van de baby compleet voordat hij adem kan
gaan halen. In de baby-bloedsomloop spelen de longen dus nog geen rol.
Nadat het bloed door het lichaam heeft gecirculeerd, de voedingsstoffen en zuurstof heeft afgegeven en afvalstoffen en kooldioxine heeft opgenomen, stroomt het via twee slagaders van de baby terug naar de placenta. Hier wordt het verwijderd en aan het bloed van de moeder afgegeven.

De eerste ademhaling

Direct na de geboorte vinden er enorme veranderingen plaats in het lichaam van
je baby. Tot voor kort kreeg je baby nog zuurstof via de placenta. Zijn longen hadden wel de longblaasjes gevormd, maar deze zaten nog ‘dichtgeklapt’.
Op het moment dat de navelstreng wordt afgeklemd om hem door te knippen, wordt de zuurstoftoevoer van de moeder ineens stop gezet. Dan stijgt het gehalte aan koolstofdioxine in het bloed snel, waardoor er een ingrijpende reactie
plaatsvindt: zodra de baby voor het eerst ademt komt er ineens lucht in de
longblaasjes en openen ze zich in een heel snel tempo. De veranderingen volgen
elkaar op. De opening in het hart sluit zich. En ook de ductus venosus en de
ductus van Botalli. Nu sturen de organen van de baby ineens al het bloed naar
de longen in plaats van naar de placenta. Binnen een hele korte tijd heeft de kleine een mini-versie van de bloedsomloop van een volwassene gekregen! Bron:

De ademhaling brengt ritme over op de hersenen. Maar ook op de stofwisseling,
Wil er harmonie kunnen ontstaan, dan is dat niet mogelijk zonder ‘ritme’.
Daarmee wordt ritme in ons leven een bijzonder belangrijk element.
Op deze blog is ‘ritme‘ van vele kanten belicht.

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Deze blz. is ook onderwerp in Rudolf Steiner over gezondmakend onderwijs

Ritme: alle artikelen

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1420-1330

.

.

*

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over vertellen (met een boek in de hand)

.

RUDOLF STEINER OVER VERTELLEN

GA 294

blz. blz. 175  vert. blz. 176

Wir lesen ihnen womöglich wenig vor, sondern bereiten uns so gut vor, daß wir ihnen alles, was wir an sie heranbringen wollen, erzählen können.

We lezen zo min mogelijk voor, maar bereiden ons zo goed voor, dat we alles wat we willen overdragen kunnen vertellen.
GA 294/175
vertaald/176

Deze opmerking slaat ook op alle overige vertelstof. De thema’s voor de verschillende klassen – de vertelstof – moet uit het hoofd worden verteld.
Juist omdat deze thema’s zo bij de leeftijd passen, is het zaak dat deze op een zo kunstzinnig mogelijke manier bij de kinderen komen, dat betekent o.a. dat er tussen jou en de klas zich geen boek bevindt. Ik weet dat dit lastig is, vooral wanneer er, zoals in de mythologieën veel namen de revue passeren. Een schriftje op je bureau met ‘kapstok’woorden kan een hulp zijn, wanneer je niet alles hebt kunnen onthouden. Zo af en toe daar vanuit je ooghoeken een blik op werpen, stoort niet.

En omdat Steiner het hier over het astraallijf heeft, weten we dat de opmerkingen ook gelden voor de bovenbouwleraar!

Een leraar met een boek voor de klas vond Steiner maar niks. Misschien mede door een eigen ervaring:

In een boekwinkel zag Steiner Kants ‘Kritik der reinen Vernunft. Hij kocht het onmiddelijk omdat de titel hem intrigeerde – van Kant wist hij nog totaal niets- hij wilde alleen weten hoe je met je pure menselijke verstand de dingen kon doorgronden. Omdat hij weinig tijd had om te lezen – hij was dagelijks 3 uur onderweg van huis naar school en vice versa en moest ’s avonds nog huiswerk maken- bedacht hij een manier om toch aan zijn trekken te komen. Hij haalde de “Kritik” uit elkaar, legde de losse blaadjes in zijn geschiedenisboek en las ze op school tijdens de les. Kant – zo schijft hij ter verontschuldiging – de geschiedenisleraar deed in die les niets anders dan het boek citeren, dus kon hij dat ook thuis nalezen. De les stelde verder niets voor. Deze filosofische zelfstudie, die Steiner in de vakanties voortzette, had dan ook geen nadelige invloed op zijn rapportcijfer en, zoals hij er nog aan toevoegt: hij hinderde er niemand mee. (uit “Mijn levensweg”)

GA 311

blz. 60/61    vert. 60/61

Nun ist es mir immer ein Greuel gewesen, wenn ein Lehrer in einer Klasse drinnensteht, das Buch in der Hand hat und aus dem Buch heraus unterrichtet, oder wenn er ein Heft hat, worin er sich aufnotiert hat, was er fragen will, und immer hineinschauen muß. Gewiß, das Kind denkt nicht gleich daran mit seinem Oberbewußt­sein; aber die Kinder sind gescheit in ihrem Unterbewußtsein und man sieht, wenn man solches zu sehen vermag, daß sie sich sagen:
Der weiß ja das gar nicht, was ich lernen soll. Warum soll ich das lernen, was der nicht weiß? Das ist immer das Urteil im Unter­bewußten bei Kindern, die aus einem Buch oder Heft vom Lehrer unterrichtet werden.
Man muß auf solches Imponderable, auf solche Feinheiten im Unterricht außerordentlich viel geben. Denn sobald das Unterbe­wußtsein des Kindes, das Astralische, bemerkt, der Lehrer weiß etwas selber nicht, er muß erst ins Heft hineinschauen, dann findet es unnötig, daß es selber dies lerne. Und der Astralleib wirkt viel sicherer als das Oberbewußtsein des Kindes.
Ich wollte diese Bemerkungen einmal in diesen Vortrag einflech­ten. Wir werden spezielle Fächer und Erziehungsetappen beim Kinde dann in den nächsten Tagen einfügen.

‘Het is mij altijd een gruwel geweest als een leraar voor een klas staat, het boek in de hand heeft en uit het boek onderwijs geeft of als hij een schrift heeft, waarin hij genoteerd heeft wat hij vragen wil, en steeds hierin kijken moet. Zeker, het kind denkt niet meteen daaraan met zijn gewone bewustzijn; maar de kinderen zijn pienter in hun onderbewustzijn en men ziet, als men er oog voor heeft, dat zij in zichzelf zeggen: ‘Die weet het helemaal niet wat ik leren moet. Waarom moet ik dat leren, wat hij niet weet?’ Dat is altijd het oordeel in het onderbewustzijn bij kinderen, die uit een boek of schrift door een leraar worden onderwezen.
Men moet op zulke niet meetbare factoren, op zulke details in het onderwijs bijzonder veel acht slaan. Want zodra het onderbewustzijn van het kind merkt, de onderwijzer weet het zelf niet, hij moet eerst in zijn schrift kijken, dan vindt het kind het onnodig om het zelf te leren.
GA 311, blz. 6061
vertaald/6061

Natuurlijk zijn er ook situaties waarbij het onmogelijk is zonder boek te werken. Je kan een voorleesboek (dat geen klassenverstelstof is) nu eenmaal niet uit je hoofd leren. En wanneer je eens bijv. wil aanhalen wat deze of gene persoon ooit heeft gezegd, kan dat niet zonder de letterlijke tekst uit een boek.

.

Rudolf Steiner over vertellen

Rudolf Steiner: alle artikelen

.

1419-1329

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over euritmie (GA 293)

.

RUDOLF STEINER OVER EURITMIE

GA 293

beknopte inhoud:

(vert. 195) euritmie moet onderwijs levendiger maken; het intellectuele doorbloeden.

blz. 202/203    vert. blz. 195

Man muß wissen, daß Eurythmie, von Sinn durchzogene äußere Tätigkeit, Vergeistigen der körperlichen Arbeit, und Interessantmachen des Unterrichts in nicht banaler Weise, Beleben – wörtlich genommen -, Beleben, Durchbluten der intellektuellen Arbeit ist.
Wir müssen die Arbeit nach außen vergeistigen; wir müssen die Arbeit nach innen, die intellektuelle Arbeit, durchbluten!

Men moet weten dat men de intellectuele inspanning verlevendigt – letterlijk tot leven brengt – door het onderwijs interessant te maken, op een niet banale wijze; dat is het doorbloeden van de intellectuele bezigheden. En men moet weten dat lichamelijke inspanningen worden vergeestelijkt door euritmie, door uiterlijke activiteit die van zin vervuld is.
We moeten ons werk in de buitenwereld vergeestelijken en ons werken naar binnen, het intellectuele werk doorbloeden.
GA 293-202/203  
Vertaald/195

.

 Euritmie: alle artikelen 

Rudolf Steiner over euritmie

Rudolf Steineralle artikelen

.

1418-1328

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over euritmie (GA 294)

.

RUDOLF STEINER OVER EURITMIE

GA 294

beknopte inhoud:

(vert. 29) mens van nature muzikaal; kleine kind wil bewegen: euritmie heft zwaarte in ledematen op
(vert. 31) werken vanuit het hoofd: invloed op etherlijf en fysiek lichaam; werken vanuit ledematenL invloed op Ik en astraallijf;
(vert. 47/48) plastisch-beeldende en een muzikaal-dichterlijke stroom: euritmie kan ze in zich verenigen;
(vert. 54-58) harmonie teweegbrengen in dionysisch en apolinisch;
muziekonderwijs; plastisch-beeldend werkt individualiserend-muzikaal-dichterlijk socialiserend; wezenlijk: het muzikale in een gedicht; interpreteren v.e. gedicht: verschrikkelijk!; belang van zingen;
(vert. 68-73) betekenis grammatica; zelfstandig naamwoord, bijv. nw., werkwoord en Ik; euritmie en luisteren, luisteren = sociaal; wijsheid van de taal;
heilige naam niet uitgesproken, maar weergegeven door gebaar.

blz. 18   vert. blz. 29

Diese Art, künstlerisch sich ins Weltengetriebe zu stellen, die ist es, welche wir als Erzieher dem Kinde angedeihen lassen müssen. Da wer­den wir bemerken, daß die Natur des Menschen so ist, daß er gewisser­maßen als Musiker geboren ist. Würden die Menschen die richtige Leichtigkeit dazu haben, so würden sie mit allen kleinen Kindern tanzen, würden sich mit allen kleinen Kindern irgendwie bewegen. Der Mensch wird in die Welt so hereingeboren, daß er seine eigene Leiblich­keit in musikalischen Rhythmus, in musikalischen Zusammenhang mit der Welt bringen will, und am meisten ist diese innere musikalische Fähigkeit zwischen dem 3. und dem 4. Lebensjahre bei den Kindern vorhanden. Ungeheuer viel könnten Eltern tun, wenn sie dieses be­merkten und dann weniger an das äußere musikalische Gestimmtsein anknüpften, sondern an das Bestimmtsein des eigenen Leibes, an das Tänzerische. Und gerade in diesem Lebensalter könnte man durch das Durchdringen des Kinderleibes mit elementarer Eurythmie unendlich viel erreichen. Wenn die Eltern lernen würden, sich eurythmisch mit dem Kinde zu beschäftigen, so würde etwas ganz anderes in den Kin­dern entstehen, als es sonst der Fall ist. Sie würden eine gewisse Schwere, die in den Gliedern lebt, überwinden. Alle Menschen haben heute eine solche Schwere in ihren Gliedern; die würde überwunden werden. Und was dann übrigbliebe, wenn es zum Zahnwechsel kommt, das ist die Veranlagung für das gesamte Musikalische.

Dit vermogen om zich op een kunstzinnige manier met het gebeuren in de wereld te verbinden, dat is het wat we als opvoeder moeten aankweken. Dan zullen we merken dat de mens van nature zo is dat hij zogezegd als musicus wordt geboren. Zouden de mensen licht genoeg zijn, dan zouden ze met alle kleine kinderen dansen, met alle kleine kinderen op de een of andere manier be­wegen. De mens wordt zo op aarde geboren dat hij zijn eigen lichamelijkheid in een muzikaal ritme, in een muzikale samenhang met de wereld wil brengen. Dit innerlijke muzikale vermogen is het sterkst aanwezig bij kinderen tussen het derde en vierde le­vensjaar. Ouders zouden ongelooflijk veel kunnen doen als ze dit zouden merken en dan aan zouden knopen niet zozeer bij een uiterlijke muzikale stemming, maar bij de gestemdheid van het ei­gen lichaam, het dansen. Juist op deze leeftijd zouden we oneindig veel kunnen bereiken door het lichaam van het kind met elementaire euritmie* te doordringen. Zouden ouders leren om zich euritmisch met het kind bezig te houden, dan zou er iets heel anders in kinderen ontstaan dan gewoonlijk het geval is. Ze zouden een zekere zwaarte die in de ledematen leeft, overwinnen. Alle mensen hebben tegenwoordig zo’n zwaarte in hun ledematen. Die zou overwonnen worden. En wat dan zou overblijven bij de tandenwisseling, dat is de aanleg voor het muzikale in het algemeen.
*Euritmie is een door Rudolf Steiner ontwikkelde bewe­gingskunst, waarbij het hele lichaam als instrument wordt gebruikt om de spirituele kwaliteiten van taal of muziek ruimtelijk zichtbaar te ma­ken. Behalve voor een kunstzinnige en een pedagogische vorm van eu­ritmie gaf Steiner ook aanwijzingen voor het ontwikkelen van een the­rapeutische variant. Zie Vorm en beweging. Architectuur. Beeldhouwkunst. Eu­ritmie.(Geen nadere aanwijzingen)
GA 294/18
Vertaald/29

blz. 19/20   vert. blz. 31

Wir müssen uns bewußt werden: In dem werdenden Kinde entwickeln sich nach und nach das Ich und der astralische Leib; durch die Vererbung steht schon da der ätherische Leib und der physische Leib. Jetzt ist es gut, daß wir uns denken: Der physische Leib und der ätherische Leib sind etwas, was immer besonders gepflegt wird von dem Kopfe nach unten. Der Kopf strahlt aus, was den physischen Menschen eigentlich schafft. Machen wir die richtigen Erziehungs­und Unterrichtsprozeduren mit dem Kopfe, dann dienen wir der
Wachstumsorganisation am besten. Unterrichten wir das Kind so, daß wir aus dem ganzen Menschen das Kopfelement herausholen, dann geht das Richtige vom Kopfe in seine Glieder über: Der Mensch wächst besser, er lernt besser gehen und so weiter. Und so können wir sagen:
Es strömt nach unten das Physische und das Ätherische, wenn wir in sachgemäßer Weise alles, was sich auf den oberen Menschen bezieht, ausbilden. Haben wir das Gefühl, indem wir in mehr intellektueller Weise Lesen und Schreiben ausbilden, daß das Kind uns entgegen­kommt, indem es das aufnimmt, was wir ihm beibringen, so werden wir das vom Kopfe aus in den übrigen Leib hineinschicken. Ich und astralischer Leib wird aber von unten herauf ausgebildet, wenn der ganze Mensch in die Erziehung hineingestellt wird. Ein kräftiges Ich-gefühl würde zum Beispiel dann entstehen, wenn man zwischen dem 3. und 4. Lebensjahre elementare Eurythmie an das Kind heranbringen würde. Dann würde der Mensch davon in Anspruch genommen, und es würde ein rechtes Ichgefühl hineinstoßen in sein Wesen.

We moeten ons van het volgende bewust worden: in een opgroeiend kind komen stap voor stap het ik en het astrale lichaam in ontwikkeling; vanuit de erfelijkheid zijn het etherlichaam en bet fysieke lichaam al aanwezig.* Nu is het goed te bedenken dat het fysieke en het etherische lichaam altijd vooral vanuit het hoofd gevoed, verzorgd worden. Het hoofd straalt uit wat de fy­sieke mens eigenlijk creëert. Voeren we met het hoofd de juiste procedures uit in opvoeding en onderwijs, dan ondersteunen we de groeiprocessen het beste. Is het onderwijs zo dat we uit de hele mens het hoofdelement tevoorschijn halen, dan gaat ook het juis­te van het hoofd over in de ledematen: de mens groeit beter, leert beter lopen enzovoort. En zo kunnen we zeggen: als we op adequate wijze alles wat aan de bovenste mens gerelateerd is ontwikke­len. dan stroomt dat naar beneden naar de fysieke en de etherische mens. Zijn we [bijvoorbeeld] met het meer intellectuele lezen en schrijven bezig en hebben we het gevoel dat het kind bereidwillig m zich opneemt wat we het leren, dan wordt dat vanuit het hoofd tot in de rest van het lichaam gestuurd.
Daarentegen worden van onderop het ik en het astrale lichaam ontwikkeld wanneer de hele mens in de opvoeding aangesproken wordt. Een krachtig ik-gevoel zou bijvoorbeeld ontstaan wanneer men tussen het derde en vierde levensjaar het kind zou laten kennismaken met elementaire euritmie. Dan zou de [hele] mens daar­door aangesproken worden en zou een werkelijk ik-gevoel zijn we­zen binnenstromen.
*etherlichaam: Steiner onderscheidt aan de mens behalve een fysiek
lichaam ook een ‘etherlichaam’, een ‘astraal lichaam’ en een ‘ik’. Het etherlichaam of etherisch lichaam is de drager van alle levensprocessen in het organisme; mensen hebben dit dus gemeen met planten en die­ren. Het astrale lichaam is de drager van innerlijke aandoeningen (ge­waarwordingen, emoties, gevoelens), kortweg van de ziel; dit lichaam heeft de mens gemeen met de dieren. Het ‘ik’ tenslotte is uniek voor de mens; het is de organiserende en sturende factor in het samenstel van de lichamen. Zie bv. Theosofie en De wetenschap van de geheimen der ziel.
GA 294/19-20
Vertaald/31

blz. 38 vert. blz. 47/48

Nun zerfällt ja alles, was künstlerisch an die Menschen herantritt, wieder in zwei Strömungen, in die plastisch-bildnerische Strömung und in die musikalisch-dichterische Strömung. Diese beiden Kunstge­biete des Plastisch-Bildnerischen und des Musikalisch-Dichterischen sind wirklich polarisch voneinander verschieden, obwohl sie sich ge­rade durch ihre polarische Verschiedenheit in einer höheren Synthese, in einer höheren Einheit gut finden können. (  )
Natürlich entstehen immer wieder Bestrebungen, be­rechtigte Bestrebungen, die das Musikalische mit dem Plastisch-Bild­nerischen vereinigen wollen. Sie könnten aber nur in der vollständig ausgebildeten Eurythmie wirklich völlig vereinigt werden, wo Musi­kalisches und Sichtbares eine Einheit werden kann.

Nu zijn er in alles wat de mens aan kunstuitingen ontmoet twee stromen te onderscheiden: een plastisch-beeldende en een muzikaal-dichterlijke stroom. Deze twee gebieden in de kunst, het plastisch-beeldende en het muzikaal-dichterlijke, zijn werke­lijk tegenpolen – hoewel ze juist door hun polariteit in een hogere synthese, een hogere eenheid, goed samengaan.  (  )
Natuurlijk ontstaan er steeds weer pogingen, terech­te pogingen, om het muzikale met het plastisch-beeldende te ver­enigen. Maar pas in een volledig ontwikkelde euritmie zouden ze echt ten volle met elkaar verenigd kunnen worden, omdat daarin het muzikale en het zichtbare een eenheid kunnen worden. Dat geldt natuurlijk niet voor de huidige euritmie die nog in de kin­derschoenen staat, maar voor het ideaal dat wij in de euritmie voor ogen moeten hebben.
GA 294/38
Vertaald/47-48

blz. 44 vert. blz. 54

Das musikalische Element, das im Menschen ja lebt von seiner Ge­burt an und das, wie ich schon sagte, besonders in der Zeit des 3. und 4. Lebensjahres beim Kinde in einem Hang zum Tanzen zum Ausdruck kommt, ist von sich aus ein Willenselement, trägt Leben in sich. Aber so sonderbar das klingt, es ist wahr, es trägt zunächst so, wie es sich im Kinde auslebt, zu starkes Leben, betäubendes Leben in sich, Leben, welches das Bewußtsein leicht übertäubt. Die kindliche Entwickelung kommt durch das starke Musikalische sehr leicht in einen gewissen Be­täubungszustand hinein. Daher muß man sagen: Das Erzieherische, das dann auftritt, wenn man das Musikalische verwendet, muß in einem fortwährenden Ineinanderharmonisieren des aus der Natur des Men­schen herausquellenden Dionysischen durch das Apollinische bestehen. Während ein Ertötendes belebt werden muß durch das Plastisch­Bildnerische, muß ein im höchsten Maße im Musikalischen Lebendiges herabgelähmt werden, damit es den Menschen im Musikalischen nicht zu stark affiziere. Das ist die Empfindung, mit der wir das Musika­lische an die Kinder heranbringen sollen.

Het muzikale element, dat in de mens leeft vanaf zijn geboorte en dat zoals ik al zei vooral in het derde en vierde levensjaar tot uiting komt in een neiging tot dansen,* is in wezen een wilselement, het draagt leven in zich. Maar hoe vreemd het ook mag klinken, het is waar: zoals het zich in een kind manifesteert, draagt het eerst te veel leven, verdovend leven in zich, leven dat het bewustzijn ge­makkelijk overstemt. De ontwikkeling van het kind komt door dit sterke muzikale element heel gemakkelijk in een zekere toestand van verdoving. Daarom moeten we zeggen: het gebruik van mu­ziek in de opvoeding moet er voortdurend op gericht zijn om het dionysische dat uit de natuur van de mens opwelt in harmonie te brengen met en door het apollinische.** Terwijl het afstervende tot leven gebracht moet worden door het plastisch-beeldende, moet het levende dat in muziek zo sterk aanwezig is geremd worden, zodat het de mens niet te sterk aangrijpt. Dat is het gevoel waar­mee we kinderen het gebied van de muziek moeten binnenleiden.
*zoals ik al zei… in een neiging tot dansen: Zie de eerste voordracht.
**het dionysische … met het apollinische: Deze uitdrukkingen zijn afgeleid van de Griekse godennamen Dionysus en Apollo en betekenen ‘uitbun­dig, extatisch’ tegenover ‘beheerst, evenwichtig’
GA 294/44
Vertaald/54

blz. 45  vert. 55

Es wird aber von der größten Wichtigkeit sein, gerade in sozialer Beziehung, daß das Musikalische auch in elementarer Weise gepflegt werde, so daß ohne eine betäubende Theorie aus elementaren Tat­sachen des Musikalischen heraus die Kinder unterrichtet werden. Es sollten die Kinder eine deutliche Vorstellung vom elementaren Musi­kalischen bekommen, von den Harmonien, Melodien und so weiter, durch Verwendung von möglichst elementaren Tatsachen, durch das gehörmäßige Analysieren von Melodien und Harmonien, so daß man im Musikalischen ebenso elementar im Aufbau des ganzen Künstle­rischen vorgeht, wie man auch im Bildnerisch-Plastischen vorgeht, wo man auch aus der Einzelheit heraufarbeitet. (  )

Maar het zal van het grootste belang zijn, met name in sociaal opzicht, dat ook elementair aan de muzikale ontwikkeling wordt gewerkt, zodat de kinderen niet vanuit een bedwelmende theorie, maar aan de hand van elementaire muzikale fenomenen onder­wezen worden. De kinderen zouden een duidelijke voorstelling moeten krijgen van de beginselen van de muziek, van harmonie­ën, melodieën enzovoort, door het presenteren van heel elemen­taire gegevens, door het luisterend analyseren van melodieën en harmonieën. We gaan dus in de muziek net zo elementair te werk bij de opbouw van de kunstzinnige ontwikkeling als bij het plastisch-beeldende, waar we ook met eenvoudige gegevens beginnen en dan daarop voortbouwen. (  )

blz. 46  vert. blz. 55/56

Denn nicht vergessen sollte werden, daß alles Plastisch-Bildnerische auf die Individualisierung der Menschen hin-arbeitet, alles Musikalisch-Dichterische dagegen auf die Förderung des sozialen Lebens. Die Menschen kommen in einer Einheit zusammen durch das Musikalisch-Dichterische; sie individualisieren sich durch das Plastisch-Bildnerische. Die Individualität wird mehr aufrecht­erhalten durch das Plastisch-Bildnerische, die Sozietät mehr durch ge­meinschaftliches Leben und Weben im Musikalischen und Dichterischen. Das Dichterische wird aus der Einsamkeit der Seele heraus erzeugt, nur dort; es wird verstanden durch die menschliche Gemeinschaft. Es ist kein Abstraktes, was man begründen will, sondern etwas durchaus Konkretes, wenn man sagt, daß der Mensch mit seinem dichterisch Geschaffenen sein Inneres aufschließt und daß diesem Inneren durch das Aufnehmen des Geschaffenen das tiefste Innere des andern Men­schen wieder entgegenkommt. Daher sollte Freude vor allen Dingen und Verlangen gegenüber dem Musikalischen und Dichterischen im heranwachsenden Kinde erzogen werden. Beim Dichterischen sollte das Kind früh das wirklich Dichterische kennenlernen.

Want we moeten niet vergeten dat al het plastisch-beeldende toewerkt naar de individualisering van mensen, dat al het muzikaal-dichterlijke daarentegen het sociale leven bevordert. Door het muzikaal-dichterlijke element komen mensen samen, vormen ze een eenheid; door het plastisch-beeldende individualiseren ze zich. De individualiteit wordt meer in stand gehouden door het plastisch-beeldende, de gemeenschap meer door het gezamenlijk beleven van het muzikale en dichterlijke. Poëzie, literatuur wordt geschapen vanuit de eenzaamheid van de ziel, daar alleen; maar ze wordt begrepen door de menselijke gemeenschap. Het is niet iets abstracts wat ik naar voren wil brengen maar iets heel concreets, als ik zeg dat een mens met zijn gedicht zijn innerlijk opent en dat een ander, die dit gedicht opneemt, hem daardoor vanuit zijn eigen diepste innerlijk tegemoet kan komen. Daarom moet in de sfeer van het muzikale en poëtische vooral vreugde en ook verlan­gen in het opgroeiend kind worden ontwikkeld.
Wat het dichterlijke betreft moet een kind het werkelijk poëti­sche vroeg leren kennen.

Heute wächst der Mensch in eine soziale Ordnung hinein, in der er mit der Prosa der Sprache tyrannisiert wird. Es gibt heute unzählige Rezitatoren, welche die Menschen mit der Prosa tyrannisieren, indem sie das, was an einer Dichtung Prosa, rein Inhaltliches ist, in den Vordergrund stellen. Und wenn dann das Gedicht im Vortrag so gestaltet wird, daß die eigentlich inhaltliche Nuance die Hauptrolle spielt, so betrachtet man das heute als vollkommene Rezitation. Eine wirklich vollkommene Rezitation ist aber die, welche das musikalische Element besonders betont. – Ich habe bei den paar Worten, die ich den eurythmischen Vorstellungen manchmal voranstelle, öfter darauf aufmerksam gemacht, wie bei einem solchen Dichter wie Schiller ein Gedicht hervorgeht aus den Untergründen seiner Seele. Bei vielen seiner Gedichte hatte er zuerst eine allgemeine Melodie in der Seele waltend, und in diese allgemeine Melodie senkte er erst später gleichsam den Inhalt, die Worte hinein. Die allgemeine Melodie ist das, worin der Inhalt hängt, und das Dichterische

Tegenwoordig groeien mensen op in een samenleving waarin ze getiranniseerd worden door het proza van de taal. Er zijn tegenwoordig talloze recitatoren, voordragers van poëzie, die de mensen met proza tiranniseren, doordat ze het pro­zaïsche, het puur inhoudelijke van een dichtwerk op de voorgrond plaatsen. En als het gedicht dan zo voorgedragen wordt dat de ei­genlijk inhoudelijke nuance de hoofdrol speelt, dan beschouwt men dat tegenwoordig als een zeer geslaagde recitatie. Maar een werkelijk geslaagde recitatie is er een die het muzikale element bijzonder benadrukt. Ik heb er in de inleidende woorden die ik soms bij euritmievoorstellingen spreek, dikwijls op gewezen dat bij een dichter als Schiller* een gedicht ontstaat uit de diepste la­gen van zijn ziel. Bij veel van zijn gedichten was er eerst een globa­le melodie die zijn ziel doortrok, en pas later liet hij de inhoud, liet hij de woorden als het ware indalen in die melodie. De melodie is het waar de inhoud in rust, en het dichterlijke
*Christoph Friedrich von Schiller (1759-1805), een van de grote klassieke Duitse dichters, tevens filosoof en geschiedschrijver. 

blz. 47  vert. 56/57

erschöpft sich dann an der Formung des Sprachlichen, nicht in dem Inhaltlichen, sondern in dem Takt, in dem Rhythmus, in der Reimerhaltung, also in dem dem Dichterischen zugrunde liegenden Musikalischen. Ich sagte, daß man bei der heutigen Art der Rezitation die Menschen tyrannisiert, weil man immer tyrannisiert, wenn man nur auf die Prosa, auf den Inhalt einer Dichtung, den man ganz ab­strakt nimmt, den Hauptwert legt. (  ) Es ist daher außerorentlich wichtig, daß man bei jeglicher Dich­tung das Kind aufmerksam macht auf das zugrunde liegende Musika­lische. Daher sollte in der Einteilung des Unterrichts die Sache so ge­staltet werden, daß das rezitatorische Element, das in die Schule hin­eingebracht wird, möglichst in die Nähe des musikalischen Elementes gebracht wird. Der musikalisch Unterrichtende sollte dem rezitierend Unterrichtenden möglichst nahestehen, so daß das eine dem andern un­mittelbar folgt und so eine lebendige Verbindung zwischen beiden her­gestellt wird. Es würde besonders gut sein, wenn der musikalisch Unter­richtende noch bei dem Rezitationsunterrichtenden dabei sein könnte und umgekehrt, so daß der eine noch immer auf die Zusammenhänge mit dem andern Unterricht hinweisen könnte. Dadurch würde gründlich

element bestaat al­leen uit de vorming van het taalbouwsel, niet uit het inhoudelijke element, maar uit maat, ritme en rijm – dus uit het muzikale dat aan het dichterlijke ten grondslag ligt.
Ik zei dat men bij de huidige manier van reciteren de mensen tiranniseert, omdat het altijd een tiranniseren is wanneer het accent enkel op de prozaïsche, de inhoudelijke kant van een dicht­werk wordt gelegd, die heel abstract wordt belicht. ( )
Daarom is het uitermate belangrijk dat we kinderen bij ieder dichtwerk attent maken op het muzikale dat eraan ten grondslag ligt. Daarom moet het onderwijs zo worden ingedeeld dat het re­citeren zo nauw mogelijk bij het muzikale onderwijs aansluit. De muziekleerkracht moet intensief samenwerken met de spraakleerkracht, zodat het een direct inspeelt op het ander en er zo een levendige verbinding tussen hun lessen ontstaat. Het zou heel goed zijn als de muziekleerkracht ook bij de recitatielessen aanwe­zig zou kunnen zijn en omgekeerd, zodat de een altijd kan wijzen op verbanden met de andere lessen. Daardoor zou grondig

blz. 48  vert. 57/58

ausgeschaltet werden, was gegenwärtig in unser Schulwesen noch so stark hineinspielt und was wirklich schauderhaft ist: die abstrakte Erklärung von Gedichten. Dieses abstrakte Erklären von Dichtungen, das hart an das Grammatikalische herangeführt wird, ist der Tod von allem, was auf das Kind wirken sollte. Das Interpretieren von Gedich­ten ist etwas ganz Furchtbares.
Nun werden Sie einwenden: Aber das Interpretieren ist doch not­wendig, um das Gedicht zu verstehen! Dazu muß gesagt werden: Es muß der Unterricht als ein ganzer gestaltet werden. Darüber muß in der Wochenkonferenz der Lehrerschaft gesprochen werden. Diese und jene Gedichte kommen zur Rezitation. Dann muß von dem übrigen Unterricht aus das Nötige hineinfließen, was zum Verständnis einer Dichtung gehört. Es muß dafür gesorgt sein, daß das Kind zum Rezi­tationsunterricht das schon mitbringt, was zum Verständnis des Ge­dichtes notwendig ist. Man kann ganz gut – zum Beispiel, wenn man mit dem Kinde Schillers «Spaziergang» durchnehmen würde – das Kulturhistorische und das Psychologische, das mit dem Gedichte zu­sammenhängt, dem Kinde vortragen, aber nicht indem man an der Hand des Gedichtes von Zeile zu Zeile geht, sondern so, daß man das, was über dem Inhaltlichen liegt, dem Kinde vorbringt.

wor­den afgerekend met iets wat tegenwoordig nog zo sterk op scho­len speelt en wat werkelijk afschuwelijk is: de abstracte verklaring van gedichten. Dit abstract verklaren van gedichten, dat zwaar op grammaticale kennis leunt, is de dood van alles wat op een kind zou moeten inwerken. Het interpreteren van gedichten is iets ver­schrikkelijks.
Maar nu zult u hiertegen inbrengen dat interpreteren toch no­dig is om een gedicht te begrijpen. Daarop moet gezegd worden: 
het onderwijs moet als een geheel worden vormgegeven. Dit soort dingen moeten worden besproken in de wekelijkse lerarenbijeen­komst. Die en die gedichten zullen worden gereciteerd. Dan moet vanuit de andere lessen het nodige instromen waardoor er begrip kan ontstaan voor zo’n gedicht. We moeten ervoor zorgen dat de kinderen al met het nodige begrip voor een gedicht aan de recitatielessen beginnen. Wanneer we bijvoorbeeld ‘Spaziergang’ van Schiller* met de kinderen doornemen, kunnen we ze heel goed met de cultuurhistorische en psychologische aspecten van het ge­dicht bekend maken, alleen doen we dat niet door het gedicht re­gel voor regel te behandelen, maar door op de achtergronden in te gaan.
*Spaziergang’ van Schiller: Een gedicht uit het jaar 1795. 

In der Rezita­tionsstunde sollte lediglich Wert gelegt werden auf die künstlerische Mitteilung des Künstlerischen. Wenn man in dieser Weise das Künstlerische in seinen zwei Strö­mungen verwenden würde, um die menschliche Natur durchzuharmo­nisieren, dann würde man außerordentlich viel damit erreichen. Man muß nur bedenken, daß ein unendlich Wichtiges im Zusammengehen des Menschen mit der Welt erreicht wird, indem der Mensch singt. Singen ist ja an sich ein Nachbilden desjenigen, was schon in der Welt vorhanden ist. Indem der Mensch singt, bringt er zum Ausdruck die bedeutungsvolle Weisheit, aus der heraus die Welt gebaut ist. Aber man darf auch nicht vergessen, daß der Mensch im Singen das Kosmische der eigentlichen Tonfolge in Verbindung bringt mit dem menschlichen Wort. Daher kommt in den Gesang etwas Unnatürliches hinein. Das wird man schon empfinden können, wenn man das nicht Zusammen­gehörige des Tonlichen eines Gedichtes und des Inhaltlichen des Gedichtes 

In de recitatielessen moet het uitsluitend gaan om het kunst­zinnig overbrengen van het kunstzinnige. Als we op deze manier de twee stromen van de kunst zouden han­teren om de menselijke natuur in harmonie te brengen, dan zou­den we daarmee ongelooflijk veel bereiken. We hoeven maar te be­denken hoe oneindig belangrijk het is voor de verbinding van de mens met de wereld, dat een mens zingt. Zingen is eigenlijk een na­scheppen, een weergeven van wat er in de wereld al is. Door te zin­gen brengt een mens de betekenisvolle wijsheid tot uiting waar­uit de wereld is gebouwd. Maar we moeten ook niet vergeten dat de mens bij het zingen het kosmische, dat in de opeenvolging van tonen ligt, in verbinding brengt met het menselijk woord. Daar­door komt er in het zingen een onnatuurlijk element. Dat kunnen we al ervaren wanneer we merken dat de klankkwaliteiten van een gedicht niet passen bij de inhoud.

blz. 49  vert. blz. 58/59

Es würde schon ein gewisser Fortschritt sein, wenn man den Versuch weiter ausbilden könnte, den wir ja jetzt an­gefangen haben: die Zeilen im bloßen Rezitativ zu halten und nur das Reimwort mit der Melodie zu beleben, so daß die Zeile im Rezitativ verfließt, das Reimwort ariengemäß gesungen wird. Dadurch würde eine reinliche Scheidung entstehen zwischen dem Tonlichen eines Ge­dichtes und dem Wortlichen, das ja den eigentlichen musikalischen Menschen stört.
Und wiederum, indem des Gehör des Menschen für das Musikalische ausgebildet wird, wird der Mensch dazu veranlaßt, das Musikalische der Welt selbst lebendig zu empfinden. Das ist von dem allergrößten Wert für den sich entwickelnden Menschen. Man darf nicht vergessen:
Im Plastisch-Bildnerischen schauen wir die Schönheit an, leben sie; im Musikalischen werden wir selbst zur Schönheit. Das ist außerordentlich bedeutsam. Geht man in ältere Zeiten zurück, so findet man, in je ältere Zeiten man kommt, immer weniger von dem vorhanden, was wir eigent­lich musikalisch nennen. Man kann die deutliche Empfindung haben, daß das Musikalische ein erst Werdendes ist, trotzdem manche Formen des Musikalischen wiederum schon im Absterben sind.

Het zou al een stap vooruit zijn wanneer het experiment waarmee wij begonnen zijn verder ont­wikkeld zou kunnen worden: de regels te reciteren en alleen het rijmwoord te verlevendigen met een melodie, zodat de regel re­citatief verloopt en het rijmwoord arioso gezongen wordt.* Daar­door zou een zuivere scheiding tot stand komen tussen het klank­element en het woordelement van een gedicht, want het laatste stoort de eigenlijke muzikale mens.
En omgekeerd: doordat het gehoor van een mens voor het mu­zikale geschoold wordt, wordt hij ertoe aangezet het muzikale in de wereld zelf levendig te ervaren. Dat is van onschatbare waarde voor de opgroeiende mens. We mogen niet vergeten: in het plastisch-beeldende kijken we naar schoonheid, ervaren we de schoon­heid; in het muzikale worden we zelf schoonheid. Dat is buitengewoon belangrijk. Gaan we terug naar vroegere tijden, dan vinden we, hoe verder we terugkijken, steeds minder van wat wij muzikaliteit noemen. We kunnen duidelijk ervaren dat het muzikale nog aan het ontstaan is, ofschoon sommige vormen van muziek alweer aan het verdwijnen zijn.
*het experiment waarmee wij begonnen zijn … zodat de regel recitatief verloopt en het rijmwoord arioso gezongen wordt: Deze suggestie is opgepakt door de muziekleraar Paul Baumann, zie zijn LiederderFreien Waldoifschule.

Das beruht auf einer sehr bedeutsamen kosmischen Tatsache. In allem Plastisch-Bild­nerischen war der Mensch ein Nachbildner der alten Himmelsordnung. Die höchste Nachbildung einer Welten-Himmelsordnung ist eine pla­stisch-bildnerische Nachbildung der Welt. Aber im Musikalischen ist der Mensch selbst schaffend. Da schafft er nicht aus dem, was schon vorhanden ist, sondern legt den Grund und Boden für das, was in Zu­kunft erst entstehen wird. Man kann sich natürlich ein gewisses Musi­kalisches dadurch schaffen, daß man zum Beispiel das Rauschen der Wasserwellen oder den Gesang der Nachtigallen nur musikalisch nach­ahmt. . Aber das wirklich Musikalische und das wirklich Dichterische ist ein Neuschaffen, (  ).

Dat berust op een belangrijk kosmisch feit. In al het plastisch-beeldende bootste de mens de oude hemel­se orde na. De hoogste vorm van nabootsing van een kosmisch-hemelse orde is een plastisch-beeldende nabootsing van de wereld. Maar in de muziek is de mens zelf schepper. Hij schept niet met be­hulp van wat al bestaat, maar hij legt de grondslag voor iets wat pas in de toekomst zal ontstaan. Natuurlijk kunnen we een bepaald soort muziek scheppen door bijvoorbeeld het ruisen van de golven of het zingen van de nachtegaal muzikaal na te bootsen. Maar het werkelijk muzikale en het werkelijk dichterlijke zijn nieuwe scheppingen.
GA 294/46-49
Vertaald/55-59

blz. 60  vert. blz. 68/69

Was tun wir denn eigentlich, indem wir das unbewußte Sprechen zu dem grammatikalischen, zu dem Wissen von dem Grammatikalischen erheben? Wir gehen bei unserem Zögling dazu über, die Sprache von dem Unbewußten überhaupt ins Bewußte zu erheben; wir wollen ihm gar nicht pedantisch Grammatik beibringen, sondern das, was sonst unbewußt vollzogen wird, zum Bewußten erheben. Unbewußt oder halb bewußt rankt sich in der Tat der Mensch im Leben an der Außen­welt hinauf so, wie es dem entspricht, was man in der Grammatik lernt. In der Grammatik lernen wir zum Beispiel, daß es Hauptwörter gibt. Hauptwörter sind Bezeichnungen für Gegenstände, für Gegenstände, die in gewissem Sinne im Raume abgeschlossen sind. Daß wir an solche Gegenstände im Leben herantreten, ist nicht ohne Bedeutung für unser Leben. Wir werden uns an alledem, was durch Hauptwörter aus­gedrückt wird, unserer Selbständigkeit als Menschen bewußt. Wir son­dern uns von der Außenwelt dadurch ab, daß wir lernen durch Haupt-wörter die Dinge zu bezeichnen. Wenn wir etwas Tisch oder Stuhl nennen, so sondern wir uns von dem Tisch oder dem Stuhl ab: Wir sind hier, der Tisch oder Stuhl ist dort. Ganz anders ist es, wenn wir durch Eigenschaftswörter die Dinge bezeichnen. Wenn ich sage: Der Stuhl ist blau -, so drücke ich etwas aus, was mich mit dem Stuhl vereint. Die

Wat doen we eigenlijk wanneer we het onbewuste spreken ver­heffen tot het grammaticale spreken, tot kennis van de gramma­tica? Niets anders dan dat we bij onze leerlingen de taal van het onbewuste naar het bewuste optillen. We willen de kinderen echt niet op een pietluttige manier grammatica bijbrengen, we willen dat wat zich gewoonlijk onbewust afspeelt in het bewustzijn roe­pen. Het is werkelijk zo dat een mens zich in zijn leven onbewust of half bewust ‘optrekt’ aan de buitenwereld op een manier die overeenkomt met wat we in de grammatica leren.
In de grammatica leren we bijvoorbeeld dat er zelfstandige naamwoorden bestaan. Zelfstandige naamwoorden duiden voorwerpen aan, voorwerpen die in zekere zin begrensd zijn in de ruim­te. Dat wij zulke voorwerpen in de werkelijkheid tegenkomen is niet zonder betekenis voor ons leven. Door alles wat door zelfstan­dige naamwoorden wordt uitgedrukt, worden wij ons bewust van onze zelfstandigheid als mens. Wij onderscheiden ons van de bui­tenwereld doordat we leren de dingen met een zelfstandig naam­woord aan te duiden. Wanneer we iets ‘tafel’ of‘ stoel’ noemen, on­derscheiden wij ons van die tafel of stoel. Wij zijn hier, de tafel of stoel is daar. Heel anders is het wanneer we de dingen aanduiden door middel van bijvoeglijke naamwoorden. Als ik zeg: ‘De stoel is blauw,’ dan druk ik iets uit wat mij met die stoel  verbindt.

blz. 61 vert. blz. 69

Eigenschaft, die ich wahrnehme, vereinigt mich mit dem Stuhl. Indem ich einen Gegenstand durch ein Hauptwort bezeichne, sondere ich mich von ihm ab; indem ich die Eigenschaft ausspreche, röcke ich wieder mit ihm zusammen, so daß die Entwickelung unseres Bewußtseins im Ver­hältnis zu den Dingen in Anreden spielt, die man sich durchaus zum Bewußtsein bringen muß. – Spreche ich das Tätigkeitswort aus: Der Mann schreibt -, dann vereinige ich mich nicht nur mit dem Wesen, von dem ich das Tätigkeitswort ausspreche, sondern ich tue mit, was der andere tut mit seinem physischen Leibe. Das tue ich mit, mein Ich tut es mit. Was mit dem physischen Leibe ausgeführt wird, das tut mein Ich mit, indem ich ein Zeitwort, ein Tätigkeitswort ausdrücke. Ich ver­binde mein Ich mit dem physischen Leib des andern, wenn ich ein Tätigkeitswort ausdrücke. Unser Zuhören, namentlich bei den Tätig­keitsworten, ist in Wirklichkeit immer ein Mittun. Das Geistigste zu­nächst im Menschen tut mit, es unterdrückt nur die Tätigkeit. In der Eurythmie wird nur diese Tätigkeit in die Außenwelt hineingestellt.

De eigenschap die ik waarneem, verenigt mij met de stoel. Door een voorwerp met een zelfstandig naamwoord aan te duiden, grens ik mij van dat voorwerp af, door een eigenschap uit te spreken, be­weeg ik mij weer naar het voorwerp toe. De ontwikkeling van ons bewustzijn in relatie tot de dingen speelt dus mee in de manier waarop we de dingen benoemen, en die moeten we ons zeer zeker bewust maken.
Spreek ik een werkwoord uit, bijvoorbeeld: ‘De man schrijft,’ dan verenig ik me niet alleen met het wezen dat iets doet, maar ik doe mee met wat de ander doet met zijn fysieke lichaam. Daar doe ik aan mee, mijn ik doet eraan mee. Wanneer ik een werkwoord uitspreek, doet mijn ik mee met wat met het fysieke lichaam ge­daan wordt. Ik verbind mijn ik met het fysieke lichaam van de an­der wanneer ik een werkwoord uitspreek. Ons luisteren, met name bij werkwoorden, is in werkelijkheid altijd een meedoen. Wat in eerste instantie het meest geestelijke in de mens is, dat doet mee, het onderdrukt alleen de activiteit van het meedoen. Alleen in de euritmie wordt die activiteit ook uiterlijk zichtbaar gemaakt.

Die Eurythmie gibt neben allem übrigen eben auch das Zuhören. Wenn einer etwas erzählt, so hört der andere zu, indem er das, was in Lauten physisch lebt, in seinem Ich mittut, doch er unterdrückt es. Das Ich macht immer Eurythmie mit, und das, was wieder die Eurythmie an dem physischen Leibe ausführt, ist nur das Sichtbarwerden des Zu­hörens. Sie eurythmisieren also immer, indem Sie zuhören, und indem Sie wirklich eurythmisieren, machen Sie nur dasjenige sichtbar, was Sie unsichtbar sein lassen beim Zuhören. Die Offenbarung der Tätigkeit des zuhörenden Menschen ist nämlich Eurythmie. Sie ist gar nichts Willkürliches, sondern sie ist in Wirklichkeit das Offenbarwerden der Tätigkeit des zuhörenden Menschen. – Die Menschen sind ja heute innerlich furchtbar verschlampt, so daß sie zunächst beim Zuhören innerlich eine furchtbar schlechte Eurythmie machen. Indem Sie es normativ machen, erheben Sie es zu einer wirklichen Eurythmie. Die Menschen werden durch Eurythmie lernen, richtig zuzuhören, denn heute können sie nämlich nicht richtig zuhören. – ( )

De euritmie laat ons naast al het andere ook het luisteren zien. Wan­neer iemand iets vertelt, luistert de ander door in zijn ik mee te doen met wat zich fysiek in klanken afspeelt, maar hij onderdrukt het. Het ik doet altijd euritmisch mee, en wat de euritmie via het fysieke lichaam laat zien, is niets anders dan het zichtbaar wor­den van het proces van het luisteren. U euritmiseert dus voortdu­rend wanneer u luistert, en wanneer u werkelijk euritmie uitvoert, maakt u eigenlijk alleen zichtbaar wat u onzichtbaar laat zijn bij het luisteren. Euritmie is namelijk de openbaring van wat een luis­terend mens doet. Euritmie is niet een willekeurig iets, maar wer­kelijk de manifestatie van de luisterende activiteit van de mens. Nietwaar, de mensen zijn tegenwoordig innerlijk verschrikkelijk verslonst, waardoor ze bij het luisteren in eerste instantie inner­lijk een verschrikkelijk slechte euritmie uitvoeren. Door ons op dit gebied naar bepaalde normen te richten, verheffen we het tot een werkelijke euritmie.* De mensen zullen door de euritmie werke­lijk leren luisteren, want tegenwoordig kunnen ze niet echt meer luisteren. ( )
*Door ons op dit gebied naar bepaalde normen te richten, verheffen we het tot een werkelijke euritmie: Letterlijk: ‘Indem Sie es normativ machen, erheben Sie es zu einer wirklichen Eurythmie.’

blz. 62 vert. blz. 70/71

Die Menschen können nicht zuhören und werden immer weniger zuhören können in unserem Zeitalter, wenn nicht dieses Zu­hören durch Eurythmie wieder erweckt wird.
Es muß wieder eine Art Gesundung des Seelenwesens eintreten. Daher wird es besonders wichtig sein, daß zu dem Materialistisch-Hygienischen des Turnunterrichts und zu allem, wo bloß auf die Phy­siologie der Körperverrichtungen Rücksicht genommen wird, hinzu­gefügt werde die Hygiene der Seele, indem immer abwechselnd eine Turnstunde und eine Eurythmiestunde gegeben wird. Da wird, wenn auch Eurythmie in erster Linie etwas Künstlerisches ist, das hygienische Element der Eurythmie zum besonderen Vorteil des zu Erziehenden werden, denn die Menschen werden nicht nur etwas Künstlerisches in der Eurythmie lernen, sondern sie werden durch die Eurythmie für die Seele dasselbe lernen, was sie vom Turnen für den Leib lernen, und diese beiden Dinge werden gerade sehr schön ineinanderwirken. Es kommt darauf an, daß wir wirklich unsere Kinder so erziehen, daß sie wieder auf die Umwelt, auf ihre Mitmenschen achten lernen. Das ist ja die Grundlage alles sozialen Lebens. Heute redet jeder von sozialen Impulsen, aber lauter antisoziale Triebe sind unter den Menschen vor­handen. Sozialismus müßte damit beginnen, daß die Menschen sich wieder achten lernen. Das können sie nur, wenn sie einander wirklich zuhören. Es ist außerordentlich wichtig, daß man auf diese Dinge wieder die Empfindung lenkt, wenn man Erzieher und Unterrichter werden soll.

De mensen kunnen niet luisteren en ze zullen in onze tijd steeds minder kunnen luisteren als het luisteren niet opnieuw tot leven wordt gewekt door de euritmie.
Er moet weer een soort gezondmaking van het zielenleven plaatsvinden. Daarom is het heel belangrijk dat naast de materia­listische, op lichamelijke gezondheid gerichte gymnastiek en naast alle andere activiteiten waarin alleen de fysiologie van het li­chamelijk bezig zijn wordt aangesproken, ook de gezondheid van de ziel aan bod komt, doordat afwisselend een les gymnastiek en een les euritmie wordt gegeven. Ook al is euritmie in eerste instan­tie iets kunstzinnigs, het gezondmakende element van de eurit­mie zal de leerlingen zeer ten goede komen, want de mensen zul­len niet alleen iets kunstzinnigs leren in de euritmie, maar ze zul­len door de euritmie voor de ziel hetzelfde leren als wat ze door de gymnastiek voor het lichaam leren. En deze twee dingen zul­len juist heel mooi op elkaar inwerken. Het komt erop aan dat we onze kinderen werkelijk zo opvoeden dat ze weer aandacht leren hebben voor hun omgeving, voor hun medemensen. Dat is toch de basis van elk sociaal leven. Tegenwoordig heeft iedereen het over sociale impulsen, maar onder de mensen zijn louter antisociale krachten aan het werk. Socialisme zou in de eerste plaats moeten inhouden dat de mensen elkaar weer leren respecteren. Dat kun­nen ze alleen wanneer ze werkelijk naar elkaar luisteren. Het is ui­termate belangrijk dat we weer een gevoel voor deze dingen ont­wikkelen, als we opvoeder en leraar willen worden.

blz. 63 vert. 71

Indem Sie nun von so etwas wissen: durch das Aussprechen des Hauptwortes trenne ich mich ab von der Umwelt, durch das Ausspre­chen des Eigenschaftswortes verbinde ich mich mit ihr, und durch das Aussprechen des Tätigkeitswortes gehe ich tätig auf in der Umwelt, tue mit, indem Sie das wissen, werden Sie dadurch schon mit einer ganz andern inneren Betonung von Hauptwort, Eigenschaftswort und Zeit­wort reden, als wenn Sie dieses Bewußtsein nicht haben. Das alles ist jedoch nur präliminarisch, soll noch weiter fortgesetzt werden. Ich will nur jetzt gewisse Vorstellungen hervorrufen, deren Nichtvorhanden­sein Sie beirren könnte.
Es ist also außerordentlich wichtig, daß wir wissen, was das Sich-zum-Bewußtsein-Bringen des Aufbaues unserer Sprache für den Men­schen für eine Bedeutung hat. Aber außerdem müssen wir uns ein Ge­fühl aneignen, das im heutigen Menschen auch schon größtenteils er­storben ist, ein Gefühl dafür, wie weise eigentlich die Sprache ist. Sie ist ja viel gescheiter als wir alle. Die Sprache ist – das werden Sie von vornherein doch glauben – in ihrem Bau nicht von Menschen aufgebaut.

Wanneer u nu zoiets weet als: door een zelfstandig naamwoord uit te spreken zonder ik me af van de wereld om mij heen, door een bijvoeglijk naamwoord uit te spreken verbind ik mij ermee en door een werkwoord uit te spreken ga ik al doende, mee-doende, op in de wereld om mij heen – wanneer u dat weet, zult u al met een heel andere innerlijke ‘toon’ over zelfstandige naamwoorden, bij­voeglijke naamwoorden en werkwoorden spreken dan wanneer u dat bewustzijn niet hebt. Maar dit is allemaal nog maar inleiding, het dient verder uitgewerkt te worden. Ik wil nu alleen maar be­paalde voorstellingen naar voren brengen waardoor u misschien beter uw weg kunt vinden op dit gebied.
Het is dus heel belangrijk dat we weten wat het voor de mens betekent om zich de bouw van onze taal tot bewustzijn te bren­gen. Maar bovendien moeten we ons een gevoel eigen maken dat in mensen van deze tijd ook al grotendeels gestorven is, een ge­voel voor het feit dat de taal eigenlijk heel wijs is. De taal is veel intelligenter dan wij bij elkaar. De bouw van de taal is – dat zult u toch zonder meer geloven – niet door mensen geschapen.

(  ) Der Sprachbau enthält größte Weistümer. Und wie bei einem Volke oder einem Volksstamme gesprochen wird, davon kann man außerordentlich viel lernen. Indem man sich bewußt hineinlebt in das Gefüge der Sprache, lernt man von dem Sprachgenius selbst sehr viel. Und etwas Konkretes empfinden lernen von dem Wir­ken und Weben des Sprachgeistes, das ist von außerordentlicher Wich­tigkeit. Glauben, daß der Sprachgenius in dem Aufbau der Sprache wirkt, das ist von einer großen Bedeutung. 

De taal draagt gro­te wijsheden in zich. En van de manier waarop een volk of een ge­meenschap spreekt, kun je buitengewoon veel leren. Als je je be­wust in de bouw van de taal inleeft, dan kun je heel veel leren van de taalgeest zelf. En concreet iets te leren aanvoelen van het wer­ken en weven van de taalgeest is buitengewoon belangrijk. Gelo­ven dat de taalgeest in de bouw van de taal werkzaam is, dat is heel belangrijk.

blz. 65  vert. blz. 73

Aber ich möchte Sie an etwas erinnern, aus dem Sie wieder Respekt für die Sprache bekommen können. Wenn in sehr alten Zeiten, zum Beispiel in der jüdischen Kultur – aber noch deut­licher ausgesprochen gilt das für die noch älteren Kulturen – die Kultus­vertreter, die Kultusverwalter, die Priester bei den Kultushandlungen auf gewisse Begriffe gekommen sind, so haben sie die Rede unter­brochen und gewisse Bezeichnungen für hohe Wesen nicht durch Worte gegeben, sondern sie sind dann stumm geworden und haben nur die entsprechende eurythmische Gebärde gemacht, dann haben sie weiter geredet. So wurde zum Beispiel jener Name, der uns heute schon ganz abstrakt klingt und der im Hebräischen wiedergegeben hat das «Ich bin der Ich-bin», niemals ausgesprochen, sondern es wurde immer die Rede bis zu ihm geführt, dann das Zeichen gemacht, dann wurde die Rede fortgesetzt. Das bedeutete, durch die Gebärde ausgedrückt, den «unaussprechlichen Namen des Gottes im Menschen». 

Maar ik wil u aan iets herinneren waardoor u weer respect kunt krijgen voor de taal. Wanneer in zeer oude tij­den, bijvoorbeeld in de joodse cultuur – maar nog uitgesproke­ner geldt dat voor nog oudere culturen -, de vertegenwoordigers en behoeders van de cultus, de priesters, bepaalde begrippen wil­den uitdrukken, dan onderbraken ze hun woorden. Bepaalde aan­duidingen voor hoge wezens uitten ze niet met woorden, maar ze zwegen dan en maakten enkel het passende euritmische gebaar; daarna gingen ze weer verder met spreken. Zo werd bijvoorbeeld die naam die ons al heel abstract in de oren klinkt en die in het He­breeuws betekent: ‘Ik ben de Ik-ben,’ nooit uitgesproken.* Wat er gezegd werd, ging altijd tot aan die naam, dan werd het teken ge­maakt en daarna weer verder gesproken.
*die naam die… in het Hebreeuws betekent: ‘Ik ben de Ik-ben,’ nooit uitgespro­ken: De gangbare vertaling van deze naam, waaronder God zich aan Mozes te kennen geeft, luidt raadselachtig ‘Ik ben die Ik ben’ (Exodus 3:14). Steiners weergave legt het accent op het ik-wezen van de godheid, het­geen aansluit bij het vervolg van deze bijbelpassage: ‘En Hij zeide: Al­dus zult gij tot de Israëlieten zeggen: Ik ben heeft mij tot u gezonden.’ Zie voor Steiners uitleg o.m. Het evangelie naar Johannes. Esoterische achtergron­den, de voordracht van 25 mei 1908
GA 294/61-62-63-65
Vertaald/68-69-70-71-73
.

 Euritmie: alle artikelen 

Rudolf Steiner over euritmie

Rudolf Steineralle artikelen
.

1417-1327

.

.

VRIJESCHOOL – Is de vrijeschool een antroposofische school? (3-4)

.

over meer spreuken
.

IS DE VRIJESCHOOL EEN ANTROPOSOFISCHE SCHOOL?

Deze vraag stelt Luc Cielen, leerkracht met een zeer lange praktijkervaring waarvan een deel bij de Federatie van steinerscholen in België; het grootste deel op scholen die hij zelf oprichtte en waar hij de vrijeschoolpedagogie op zijn manier en met zijn gezichtspunten in de praktijk bracht.

Op mijn blog [rechts in de kolom BLOGROLL] staat een linkverwijzing naar een van zijn sites waarop hij vele gezichtspunten over o.a. zijn praktijk van het lesgeven heeft gepubliceerd.

Hier verwees ik naar hem toen het ging over ‘blokschrift aanleren of niet’, en stelde:
Het is zeer de moeite waard om zijn gedegen uiteenzettingen over de vrijeschoolmethodiek grondig te bestuderen!

Nu heeft Luc zich op zijn site LUXIELEN in een reeks artikelen uitgesproken over de vraag of de vrijeschool, in Vlaanderen steinerschool genoemd, een antroposofische school is.

In zijn eerste artikel zegt hij:
‘Is de steinerschool een antroposofische school? In vele opzichten niet, maar de wetenschappelijke vakken zijn wel sterk getekend door de antroposofie. Er is werk aan de winkel om de steinerscholen hiervan te bevrijden. Ik probeer al vele jaren de steinerleerkrachten hiervan bewust te maken, maar dit dringt moeilijk door. Dat Steiner zelf meer dan eens gezegd heeft dat er geen antroposofie in de school mag komen, is een uitspraak van hem die blijkbaar niet gehoord wordt.’ 

Luc is in de reeks van inmiddels 11 artikelen tot de conclusie gekomen dat er ‘een te groot antroposofisch keurslijf’ is waaruit – volgens hem – de scholen zich moeten bevrijden.’

Ik vraag me met hem af: wat is ‘het antroposofische’ in de school, waar vind je het.

Bij het lezen van de pedagogische voordrachten viel het mij op dat Steiner er steeds maar weer op terugkwam dat de vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school moet zijn:

Rudolf Steiner over antroposofisch onderwijs

Luc is van mening dat er wél sprake is van ‘antroposofische dogma’s’ en hij geeft veel voorbeelden van wat in zijn optiek antroposofie in het vrijeschoolonderwijs is.

De artikelen dragen alle de naam: Is de steinerschool een antroposofische school?.
Steinerschool is de naam van de vrijeschool in Vlaanderen en in veel Engelssprekende gebieden. In de artikelen waarop ik commentaar heb gegeven, heb ik tot nog toe ‘steinerschool’ vervangen door ‘vrijeschool’, omdat dit meer bij het spraakgebruik in Nederland past.
Voor het 4e artikel  kan dit eigenlijk niet, omdat dit gaat om een typisch Vlaamse situatie.

Hij begint zijn 4e artikel als volgt: (cursief)

In de Vlaamse steinerscholen wordt op het einde van de schooldag deze spreuk gezegd: zie de spreuk in het artikel.

Deze spreuk komt uit het ‘Groene boekje‘ van Lena Struik. De naam van de auteur ontbreekt.
“Is het een ‘antroposofische’ spreuk’, vraagt Luc zich af, om daarna meteen het antwoord te geven door de antroposofische inhoud te verklaren.

De drieledige opbouw: sterren – zon – aarde, met de daarbij horende verbanden met denken – voelen- willen is in elk geval van antroposofische origine, omdat daarmee de drieledige mens, zoals Steiner die ziet, uitgedrukt wordt.
Dit is hetzelfde mensbeeld als in de biologielessen van de vierde klas (groep 6) aan de leerlingen gegeven wordt en bekend is als het ‘sterrenmannetje’.

Nee, Luc, dat is niet hetzelfde mensbeeld als in de dierkundelessen van klas vier. Daar gaat het om het hoofd – denken; romp/borst – voelen; ledematen – willen. En die verbindt Steiner met resp. zon, maan en sterren, niet met sterren, zon en aarde.
Die indeling is hier echt voor rekening van de maker van de spreuk.
Dat neemt niet weg, dat het daarin wél gaat om denken, voelen, willen.
Net als in je vorige artikelen waarin je dit ter sprake brengt, dicht je deze indeling volkomen toe aan Steiner, dus is het antroposofie. Maar, dat heb ik ook n.a.v. die artikelen al eerder gezegd: denken, voelen, willen is een menselijke realiteit – die zit in ieder mens. Dat is geen uitvinding van Steiner: hij beschrijft deze realiteit als geen ander, daarom lijkt het van Steiner. Maar het gaat er niet om wat het lijkt, maar wat het is.

Veel van je verdere uitleg kan ik wel onderschrijven, maar hier:
En in dat middengebied leeft volgens de antroposofie de gevoelswereld met liefde, haat, verlangen, afschuw enz. ga je weer voorbij aan de menselijke realiteit: wij beleven veel van onze gevoelens in hart en longen, d.w.z. in die organen worden ze fysiek beleefbaar. Als je kwaad wordt, stijgt je bloeddruk, als je schrikt kun je heel bleek worden: het bloed trekt zich razendsnel terug uit de periferie. En wat zich in ieder van ons voltrekt – ook in jou – noem je antroposofie en daarvan zou je je willen bevrijden? (????)
‘Geest, ziel en lichaam’ is ook niet typisch iets antroposofisch: de woorden worden op allerlei manieren gebruikt. Neem de film ‘Antonia’. Een van de laatste zinnen luidt:  ( ) ‘omdat ik bij haar wilde zijn op het moment dat het wonder van de dood Antonia’s geest en ziel zou onttrekken aan haar fenomenale lichaam.’

Dit duidelijk drieledige antroposofische mensbeeld wordt in deze spreuk meegegeven aan de kinderen. Zes jaar lang (en in sommige steinerscholen wellicht twaalf jaar lang) wordt deze spreuk bij het einde van de lessen gezegd. In een lagere school zegt een kind dus plusminus 6 x 180 keer deze spreuk: dat is 1.080 keer. En gaat men in de middelbare school hiermee voort dan heeft een kind op het einde van zijn steinerschoolloopbaan niet minder dan 2.160 keer dit antroposofische mensbeeld uitgesproken. Lijkt dit niet op antroposofische indoctrinatie? En mag je een kind dit wel aandoen?

Of het dus zo duidelijk antroposofisch is?
6 jaar lang. Zou kunnen, de spreuk is geschreven voor 6 tot 12-jarigen. Ik kan me niet voorstellen dat je die ook nog na het 12e jaar zou zeggen, dus in je kwantitatieve berekening blijven we toch steken bij die 1080 keer.
Als ook deze spreuk raakt aan wat waar is, waarom zou je gaan tellen hoe vaak iemand die waarheid zou horen. Wat is er mis met het aanhoren van iets waar-achtigs; wat is er mis om iets waar-achtigs uit te spreken?
Evenals in je artikel over de morgenspreuk in de lagere en hogere klassen kom je hier met de vraag of dit geen indoctrinatie is. Het is nog een vraag, maar wel met een retorisch karakter.
Ik antwoordde erop: Nee, voor mij is dit geen indoctrinatie. Wat voor boosaardig voordeel zou ik ervan hebben, kinderen te indoctrineren? Kan ik überhaupt een mens te kort doen als ik hem zie als een goddelijk-geestelijk wezen, als die unieke mens die ik hier op aarde een poosje begeleiden mag?

Je vraag of je dit een kind wel mag aandoen, vind ik zeer subjectief gesteld. ‘Aandoen’ vooronderstelt toch iets ‘naars en gemeens’ enz. De kinderen wordt ook niet opgedrongen dat dit de enige en absolute waarheid is. Er wordt een stemming gecreëerd van vertrouwen en verbondenheid; dit is iets religieus, maar in de ruime, overkoepelende zin.
Rond het 12e jaar begint al een verkenning van andere gezichtspunten waar het gaat om denken over de mens; in de bovenbouw vindt dat op een nog grotere schaal plaats: daar komt Darwin uitvoerig aan de orde, tegenwoordig ook het ‘breindenken’. Ik ben echt niet bang dat leerlingen tekort komen op het gebied van allerlei mens- en wereldbeschouwingen. Het wordt aan de leerling overgelaten wát hij en óf hij daarmee iets wil doen. Hij wordt daar – ook in zijn of juist in zijn latere jaren volkomen vrij in gelaten. Dus hoezo ‘indoctrinatie’?

Begrijp me goed! Ik ben geen voorstander van ook nog een dagafsluitende spreuk: de morgenspreuk lijkt mij genoeg. Sluit liever afwisselend af met een mooi gedicht, een lied, o.i.d. Het gewone leven hoeft ook weer niet te heilig te worden!

Al met al Luc, vind ik ook dit artikel niet overtuigend genoeg – ook omdat het dan kennelijk op Vlaanderen slaat – voor een bewijs dat DE vrijeschool een antroposofische school is.

.
Rudolf Steiner over: de ochtendspreuk

de ochtendspreuk [2]   [3]

Meer commentaren op Luc Cielens artikelenreeks: is de vrijeschool een antroposofische school:

[1-1geschiedenis [1]
[1-2geschiedenis [2]
[1-3] dierkunde
[1-4plantkunde
[2de ochtendspreuk voor de lagere klassen
[3de ochtendspreuk voor de hogere klassen
[5] nog meer spreuken
[6] en nóg meer spreuken
[7] het schoollied
[8] atheïst of agnost: kun je dan vrijeschoolleerkracht zijn?
[9jaarfeesten
[10] euritmie en gymnastiek
[11] muziekonderwijs

.

vrijeschool en antroposofiealle artikelen

.

1416-1326

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding – geld (6-2/2)

.

SOCIALE DRIEGELEDING

Het ‘vrije’ in vrijescholen suggereert dat de scholen ‘vrij’ zijn. Maar dat zijn ze niet! Ze zijn onvrij, maar weer niet zo dat ze hun werk niet kunnen doen. Maar dit weer niet zo als hoort bij het concept ‘vrijeschool’.
De overheid meent al jaren dat groepen mensen die onderwijsidealen willen realiseren, dit niet zelfstandig kunnen. Dat ze ‘richtlijnen’ nodig hebben, dat ‘het volk’ geholpen moet worden. De regenten!
En…ze verstrekken subsidie en dus: ‘wiens brood men eet, diens woord men spreekt’- voor de vrijescholen: met lange tanden, dat wel, maar toch slikken.
Maar uiteindelijk: alsof de overheid subsidie verstrekt aan een symfonie-orkest en daarom voorschrijft wat het orkest moet spelen……..

Omdat het op deze blog voornamelijk gaat om de pedagogisch-didactische achtergronden van de vrijeschool, ligt het in eerste instantie niet voor de hand om ook de sociale driegeleding uitvoerig aan de orde te stellen.
Nu heb ik echter nog veel artikelen, vooral uit het tijdschrift ‘Jonas’ uit de jaren 70, 80 van de vorige eeuw, die vele interessante gezichtspunten bevatten. Die zal ik met regelmaat publiceren, zodat ze niet verloren gaan: deze blog is deel van de digitale afdeling van de Koninklijke Bibliotheek.

Op het gebied van de sociale driegeleding is in Nederland ‘Driegonaal‘ actief.

GELD

DE GELDSLUIER

Geld uitgeven is geen privézaak
De eerste geldsluier ligt over de economische werkelijkheid. Hier bevinden wij ons deels — nog op onbekend terrein: wij wéten, dat onze koopgewoonten en productie van goederen en diensten beïnvloeden. En toch raken wij hier een vraag die tegenwoordig — gelukkig — steeds vaker wordt gesteld, zij het meestal met een verkeerd accent:

is de wijze waarop wij ons geld besteden werkelijk een privé-aangelegenheid, zoals het verbond tussen Romeinse rechtsopvattingen en liberale economie ons vertelt? Of heeft zij sociale implicaties, waarvoor wij verantwoordelijk zijn?

Het komt mij voor dat wij hier een duidelijk onderscheid moeten aanbrengen. Wat ik met een consumptiemiddel wil doen, is mijn aangelegenheid, waar niemand anders iets mee te maken heeft. Of ik een porno lees omdat ik ervan geniet, omdat ik het verschijnen van deze literatuur wenselijk vind, omdat het een onderdeel is van mijn studie of omdat ik als leraar op de hoogte wil blijven van de geestelijke kost van mijn leerlingen – het is een individueel motief, waaruit een individuele beslissing volgt, en als volwassen mens ben ik terecht verontwaardigd als iemand zijn morele wijsvinger laat zien.
Als dr. Meinsma tegen de gevaren van het roken waarschuwt, is dat zijn volste recht en mag ik hem dankbaar zijn voor zijn informatie. Maar wie mij bestraffend toespreekt, omdat ik het roken toch niet gelaten heb, is niet alleen een ouderwetse zedenmeester, maar kwetst mij in de kern van mijn wezen, daar namelijk waar ik verantwoordelijk ben voor mijzelf en mijn eigen wilsbesluiten.

Koopgeld
Maar er is nog een andere kant aan de consumptie, die waarachtig geen individuele aangelegenheid is: het uitgeven van geld heeft een directe invloed op het economische leven. Dit immers reageert onmiddellijk door het ‘naschuiven’ van het verkochte goed, de verleende dienst – met productie dus en heel vaak worden, door bepaalde wetmatigheden van het economische leven, voor tien verkochte goederen elf of twaalf nageschoven. Soms nog veel meer, terwijl omgekeerd een kleine daling van de omzet de productie onrendabel kan maken en daardoor kan doen ophouden. Economisch gesproken verschaf ik dus aan een bepaald goed een markt, maak de productie mogelijk, c.q. verijdel deze. En daarmee schuift zich naast de allerindividueelste consumptiebeslissing een factor met een geheel andere dimensie. Niet alleen of ik mijn inspiratie uit rook moet putten, of ik bestand ben tegen het lezen van een sensatieblad, is bij de aankoop in het geding, doch al kopende ben ik mede verantwoordelijk voor de maatschappelijke productie van dit (soort) goed. Het gebruik, de consumptie van goederen is een individuele aangelegenheid; het gebruik van geld is dit niet. Het uitgeven van koopgeld heeft invloed op de economisch-maatschappelijke werkelijkheid, op de consumtiemogelijkheden van anderen, op de productiemogelijkheden. Zonder dat daarmee iemand het recht krijgt om de befaamde wijsvinger te heffen, mogen wij aantekenen dat ons hierdoor, of wij willen of niet, een verantwoordelijkheid opgelegd wordt, waarvan wij ons bewust behoren te zijn.

Leengeld
Wat in het voorgaande over het koopgeld is gezegd, is tot op zekere hoogte nog te overzien en met ons bewustzijn te volgen. Zodra wij op het gebied van het leengeld komen, onttrekt zich hetgeen wij speciaal met ons geld doen, vrijwel steeds aan ons inzicht. Meer dan door een theoretisch betoog wordt dit geïllustreerd door een voorbeeld.
Een Nederlander, in het bezit gekomen van eigen vermogen en door verblijf in het buitenland niet in staat dit zelf te beheren, wendt zich tot een in vermogensbeheer gespecialiseerde bank. De cliënt wil niet lastig zijn, vraagt de bank het geld naar eigen goeddunken te beheren, met één klein voorbehoud: het geld niet in de oorlogsindustrie te steken. Ontzet schuift de bankman achteruit: ‘dan moeten wij u óf bedotten, want wij weten zelf niet wat er met uw geld gaat gebeuren als wij het eenmaal belegd hebben; óf wij kunnen het niet verantwoord beleggen, omdat wij dan uit een té beperkt aantal objecten moeten kiezen, en zelfs die garanderen niet een vreedzaam gebruik.’
Hier wordt gedoeld op het financiële vlechtwerk, waardoor het zelfs voor een beroepsfinancier niet meer mogelijk is na te gaan, wat met de investeringsmiddelen geschiedt. De lening aan de kapitaaldeelname in een hoogst onschuldige NV wordt wellicht gebruikt voor de oprichting van een er al even onschuldig uïtziende dochter, een besloten NV, welker activiteit: toeleveringsbedrijf voor een fabrikant van wapentuig – schuil gaat achter de neutrale post ‘deelname’ op de balans van de moeder-NV. Deposito’s, rekeningen-courant bij banken zoeken het hoogste rendement; en dat vinden zij meestal niet bij de meest onschuldige producenten. Zelfs door het geld in de kous te stoppen beïnvloedt men het economische leven. Wie over vermogen beschikt kan zich daaraan nooit onttrekken.

Uitgaan van product
Ook achter deze constatering zoeke men geen reden tot moraliseren. Of men ‘respectabele’ redenen heeft om de hoogste opbrengst te zoeken (b.v. men moet ervan leven) of minder ‘respectabele’, of men pro- of anti kunstmest, NATO, farmaceutische industrie (en vul zelf maar verder in) is, gaat een ander niet aan. Men make zich alleen niet van zijn verantwoordelijkheid af met een ‘ich habe es nicht gewusst!’ Voor wie wil en het zich kan permitteren zijn er alternatieven. Men zal dan alleen niet uit mogen gaan van het ‘geldautomatisme’, d.w.z. het hoogste rendement van de beleggingen, doch men zal door de geldsluier heen moeten prikken en van het product moeten uitgaan, dat men wenselijk acht. Dat zal men vrijwel steeds pijnlijk voelen in het rendement en in de zekerheid. Dat is de prijs die men zal moeten betalen, wil men zich door de geldsluier niet medeplichtig laten maken aan hetgeen men ‘eigenlijk’ niet wil.

Schenkgeld
Veel zou ook te zeggen zijn over hetgeen wij met het schenkgeld doen, maar de actualiteit van dit probleem is helaas niet al te groot. De meeste ‘schenkingen’ vinden tegenwoordig gedwongen plaats. Wij spreken dan van belastingheffing en zelffinanciering. Daarom slechts een heel korte opmerking.

‘Schenkgeld is de basis voor alle geestelijke leven. Priester en uitvinder moeten er gelijkerwijs van leven. Of men, zeg een uitvinder, zijn werk mogelijk wil maken, hangt in onze maatschappijstructuur vrijwel uitsluitend af van de beoordeling van de kans op het rendabel maken van de uitvinding. Maar de maatschappelijke consequenties van een uitvinding kunnen enorm zijn. Daarvoor is de schenker in sterke mate verantwoordelijk. Gezichtspunten bij het schenken zouden dan ook kunnen zijn, niet alleen of de richting waarin gewerkt wordt de instemming van de schenker heeft, maar de persoonlijke integriteit van de begiftigde. Wij weten dat tal van dubieuze vondsten ‘bij toeval’ zijn gedaan, toen men op zoek naar heel iets anders was. Wat dan met de vondst gebeurt zal geheel afhangen van de moraliteit van de uitvinder. Dit betekent, dat wie bewust en verantwoordelijk over schenkgeld wil beschikken, in laatste instantie niet af mag gaan op het product, zoals bij het leengeld, doch op de persoon. Zouden wij zo’n uitvinder in de kost nemen, dan zou dit bijna vanzelf spreken. Door de schijnbaar neutrale geldsluier dreigen de sociaal-economische consequenties van onze schenkingen aan ons bewustzijn te ontsnappen.

Samenvattend kunnen wij zeggen dat de eerste geldsluier over de economische realiteit ligt. En dat dit een oproep inhoudt om denkende door te dringen in wat er wezenlijk door ons omgaan met het geld wordt bewerkstelligd, om vervolgens, individueel-verantwoordelijk te beslissen.

Dieter Brüll, Jonas 19-09-1970
.

Deel [1]   [3]
.

sociale driegeledingalle artikelen

.

1415-1325

.

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 301 – vragenbeantwoording (2)

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com

GA 301: vertaling
inhoudsopgave;     voordracht:   [1]  [2]  [3]  [4]  [5]  [6]  [7]  [8]  [9]  [10]  [11]  [12]  [13]  [14] [vragenbeantwoording bij 1e vdr.]

RUDOLF STEINER:

DE VERNIEUWING VAN DE PEDAGOGISCH-DIDACTISCHE KUNST DOOR GEESTESWETENSCHAP

14 voordrachten gehouden te Bazel van 20 april tot en met 11 mei 1920, met vragenbeantwoording en inleidende woorden bij twee euritmieopvoeringen [1]

Vragenbeantwoording bij de vierde voordracht [2]
kindertekeningen niet vergelijken met tekeningen van primitieve volken
kinderverzen ook niet
ped. basisregels niet verkeerd, maar hoe concreet zijn ze.

blz. 235/236

Fragenbeantwortung im Anschluß an den vierten Vortrag

Dr. Steiner (auf Einwendungen antwortend, die mündlich vorge­bracht wurden>: Ich möchte heute nur weniges noch sagen: Es ist ja ungeheuer naheliegend, davon auszugehen, daß zum Beispiel Zeichnungen der Kinder erinnern an Zeichnungen wilder Völker. Dem liegt aber eine völlig unbegründete Hypothese zugrunde, daß nämlich die Völker, bei denen wir heute diese Zeichnungen finden, die Urvölker gewesen seien. Wir finden allerdings, daß wir die Zeichnungen der Kinder vergleichen können mit Zeichnungen, die, wie wir sagen, pri­mitive Völker machen. Diese Völker sind aber nicht primitiv, sondern dekadent. Dazu macht die naturwissenschaftliche Anthropologie noch den Fehler, daß sie die Völker, die heute wild und barbarisch leben, gewissermaßen wie diejenigen ansieht, von denen wir alle mehr oder weniger abstammen. Die Erziehungskunst darf nicht aufbauen auf einen solchen wissenschaftlichen Fehler; denn wenn sie das tut, wird sie eben diesen Anklang kindlicher Eigenheiten an Eigenheiten von heute lebenden wilden Völkern überschätzen; und dieser Anklang ist auch in der neuesten Zeit gründlich überschätzt worden. Die Tatsachen kann man selbstverständlich zugeben, aber die Verbindung der Tat­sachen beruht auf einer Verkennung des wirklichen Zusammenhanges zwischen der Entwickelung des einzelnen Menschen mit der ganzen Menschheitsentwickelung. 

VRAGENBEANTWOORDING IN AANSLUITING BIJ DE 4E VOORDRACHT

Dr. Steiner (antwoordt op enkele bezwaren die hem mondeling meegedeeld zijn): Ik wil er nu nog een paar dingen over zeggen: het ligt heel erg voor de hand ervan uit te gaan, dat bijv. kindertekeningen doen denken aan tekeningen van wilde volkeren. Daaraan ligt echter een totaal ongegronde hypothese ten grondslag, namelijk dat de volkeren bij wie we tegenwoordig deze tekeningen aantreffen, de oervolkeren zouden zijn geweest. We vinden zeer zeker dat wij de kindertekeningen kunnen vergelijken met tekeningen die, zoals we zeggen, primitieve volkeren maken. Deze volkeren zijn echter niet primitief, maar achtergebleven. Daarbij maakt de natuurwetenschappelijke antropologie nog een fout door de volkeren die tegenwoordig wild en onbeschaafd leven in zekere zin te beschouwen als die waarvan wij allemaal min of meer afstammen. Opvoedkunst mag niet bouwen op zo’n wetenschappelijke fout; want wanneer ze dat doet, overschat ze dus de overeenkomst van wat kinderen eigen is met wat  de nu levende wilde volkeren eigen is; en deze overeenkomst is ook in de laatste tijd danig overschat. De feiten kun je wel onderkennen, maar het verband van de feiten berust op een ontkennen van de werkelijke samenhang tussen de ontwikkeling van de individuele mens met de hele mensheidsontwikkeling.

Auch das ist nicht ausschlaggebend, daß wir heute Kinderverse finden, die weit in die Zeit, die ich hier als den 5. Zeitraum angegeben habe, zurückgehen. Weiter gehen diese Kinder-verse nicht zurück. Würden wir durch Geisteswissenschaft weiter zu­rückgehen als es die äußere Anthropologie kann, so würden wir finden, daß wir heutige Kinderverse durchaus nicht anführen dürfen für das, was in früheren Zeiten der Menschheitsentwickelung vorhanden war.
Auf nichts anderes möchte ich heute hinweisen, als daß von der äußerlichen Anthropologie, die den Menschen von der Gegenwart in die Urzeit zurückverfolgt, die im heutigen Menschen einen Nachklang des Urmenschen sieht, der Weg beschritten werden muß zu einer gei­steswissenschaftlichen Betrachtung der Menschheitsentwickelung. Auf diesem Weg muß man natürlich auch ein Gefühl entwickeln für das, was nur historisch von der instinktiven Urkultur der Menschheit übrig­geblieben ist. Ich erinnere an die Veden-Literatur, an die ungeheuer bedeutsamen Taosprüche des Laotse und so weiter. Gerade der, welcher eine geisteswissenschaftliche Betrachtung der Menschheitsentwickelung vermittelt, wird alles das, was historisch überliefert ist, berücksichtigt haben, bevor er zu dem gelangt, was ich hier erwähnt habe.
Gestern habe ich nicht umsonst gesagt, es wäre selbstverständlich viel bequemer in das allgemeine Horn hineinzublasen, als sich so vielen

Ook is niet doorslaggevend dat we nu kinderverzen vinden, die ver in de tijd teruggaan die ik hier als de 5e tijdsfase bestempeld heb. Verder dan daar gaan ze niet terug. Zouden wij door de geesteswetenschap verder teruggaan dan de uiterlijke antropologie vermag, zouden we vinden dat we de huidige kinderverzen beslist niet als bewijs kunnen opvoeren voor wat in vroegere tijden van de mensheidsontwikkeling aanwezig was.
Ik wil op niets anders wijzen dan dat van de uiterlijke antropologie, die de mens vanuit het heden terugvolgt tot in de oertijd, die in de mens van nu een afspiegeling ziet van de oermens, de weg bewandeld moet worden van een geesteswetenschappelijke beschouwing van de mensheidsontwikkeling. Langs deze weg moet men natuurlijk ook een gevoel ontwikkelen voor wat nu historisch van de instinctieve cultuur van de mensheid overgebleven is. Ik herinner u aan de Veda-literatuur, aan de buitengewoon belangrijke Taospreuken van Laotse enz. Met name degene die een geesteswetenschappelijke beschouwing van de mensheidsontwikkeling vertegenwoordigt, zal alles wat historisch overgeleverd is, eerst overwogen hebben alvorens ertoe te komen wat ik hier naar voren breng.
Gisteren heb ik niet voor niets gezegd dat het vanzelfsprekend veel makkelijker is de gangbare mening rond te bazuinen,

blz. 237

Dingen entgegenstemmen zu müssen. Gerade das ist aber heute ein ge­fährlicher pädagogischer Grundsatz: den Parallelismus zu ziehen zwi­schen dem, was Kinder tun, mit dem, was die heutigen wilden Völker tun oder was uns heute frühere Zeiten – was man heute »frühere Zei­ten« nennt – vormachen. Denn es handelt sich tatsächlich darum, daß wir wirklich finden die Quellen des geistigen Lebens, und wir müssen sie ja im Kinde erst suchen.
Dann das andere. Beachten Sie, bitte, daß ich doch gesagt habe, es findet sich heute der abstrakte Grundsatz – ich habe ihn sogar als mustergültig bezeichnet -, aus dem Kinde heraus zu entwickeln. Das können wir heute in allen Varianten hören, und wir können den Glau­ben finden, daß man es tue. Aber versuchen Sie nur einmal erst darauf einzugehen, was es heißt, die kindliche Natur nicht als ein unbekanntes Mystisches hinzunehmen, das dann aus sich heraus entwickelt werden soll, sondern sich selbst erst bereit zu machen durch das, was wir in uns als Selbsterziehung erlangen, was wir nur durch Geisteswissenschaft er­langen können. Versuchen Sie durch Geisteswissenschaft einen Blick zu erlangen für das, was wirklich in den Kindern lebt! 

in plaats van zoveel dingen te moeten tegenspreken. Dit is tegenwoordig nu juist zo’n riskante basisregel: een parallel te trekken tussen wat kinderen doen en wat de wilde volkeren van nu doen of wat nu, tijden van vroeger – wat men tegenwoordig ‘tijden van vroeger’ noemt – ons laten zien. Want het gaat er in feite om dat we werkelijk de bronnen vinden van het geestelijke leven en die moeten we eerst in het kind zoeken.
Dan wat anders. Let er alstublieft op, dat ik toch heb gezegd dat er nu een abstracte basisregel bestaat – ik heb deze zelfs als schoolvoorbeeld bestempeld – dat je vanuit het kind moet werken. Dat kun je tegenwoordig in alle toonaarden horen en je zou erop kunnen vertrouwen dat men dit ook doet. Maar probeer er maar eens op in te gaan, wat het betekent de natuur van het kind niet op te vatten als een onbekend mystiek iets, wat dan van zich uit ontwikkeld zou moeten worden, maar jezelf eerst voor te bereiden door wat we door zelfopvoeding bij ons zelf kunnen bereiken, wat alleen mogelijk is door de geesteswetenschap. Probeer door de geesteswetenschap een blik te ontwikkelen voor wat er werkelijk in het kind leeft!

Ich habe durchaus nichts gegen den Grundsatz, man solle nichts von außen an das Kind heranbringen, sondern alles in dem Kinde sehen; man muß aber erst lernen, in dem Kinde zu sehen.Dazu muß der Mensch erst durchsichtig werden. Und das, was ich gebe, führt ja nur dahin, wirklich die ver­schiedensten Seiten der Menschennatur zu sehen. Man verdeckt sich aber die verschiedenen Seiten der Menschennatur durch vieles von dem, was heute aus der gewöhnlichen materialistischen Gesinnung heraus stammt. Denn dasjenige, was man heute vielfach geistig-seelisch nennt, ist ein Abstraktes, ein Intellektualistisches. Manches von dem, was natürlich notwendig ist, um die Dinge zu belegen, die ich ausgespro­chen habe, wird ja erst in den folgenden Betrachtungen wirklich zutage treten. Aber weder habe ich etwas dagegen, wenn man sagt, man soll dasjenige, was im Kinde ist, vor allen Dingen schätzen und bewerten und es aus dem Kinde herausholen, noch habe ich etwas dagegen, wenn jemand sagt, man soll nicht das, was in uns ist, in das Kind hinein­bringen. Im Gegenteil, die beiden Grundsätze betrachte ich als etwas ganz Selbstverständliches. Es handelt sich mir nur darum, zu zeigen, wie es möglich ist, diese beiden Grundsätze im umfassenden Sinne wirklich zu beachten.

Ik heb echt niets tegen de basisregel dat je niets vanbuitenaf aan het kind geeft, maar alles in het kind ziet; je moet echter eerst leren, inzicht in het kind te krijgen. Daar moet een mens zich eerst op voorbereiden. En wat ik aanreik, leidt ertoe de verschillende kanten van de mensennatuur werkelijk te kunnen zien. Veel van de verschillende kanten van de mensennatuur wordt toegedekt door wat tegenwoordig uit de gewone materialistische opvattingen stamt. Want wat men tegenwoordig dikwijls geest-ziel noemt, is abstract, intellectualistsch. Veel van wat natuurlijk zo noodzakelijk is om de dingen te onderbouwen die ik gezegd heb, zal pas in de komende beschouwingen echt aan de orde komen. Maar ik heb er niets op tegen als men zegt dat je boven alles wat in het kind zit naar waarde moet schatten, noch heb ik er iets op tegen wanneer iemand zegt dat je niet wat er in ons huist op het kind moet overbrengen. In tegendeel, die beide basisregels beschouw ik als iets heel vanzelfsprekends. Het gaat er mij alleen maar om aan te tonen hoe het mogelijk is deze beide regels werkelijk omvattend te bekijken.

.

[1]  GA 301: Die Erneuerung der pädagogisch-didaktischen Kunst durch Geisteswissenschaft

[2] vragenbeantwoording  (Duits)
.

Rudolf Steiner over pedagogie(k)

Rudolf Steineralle artikelen

.

1414-1324

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over euritmie (GA 310)

.

RUDOLF STEINER OVER EURITMIE

(83-84) etherlijf als plastisch kunstenaar, astraallijf als musicus gaan samen in euritmie; verschil met gymnastiek; (119) een kinderopvoering ná een kunstzinnige opvoering

GA 310

blz. 79:   vert. 83

Was ist denn eigentlich dieser Ätherleib? Ja, wenn jemand den Äther-leib aus dem physischen Leib des Menschen herausnehmen könnte und ihn imprägnieren könnte, so daß er sichtbarlich eine Form zeigte – es gäbe kein größeres Kunstwerk als dieses! Denn der menschliche Äther-leib ist durch seine eigene Wesenheit, durch das, was der Mensch in ihm gestaltet, Kunstwerk und Künstler zugleich. Und indem wir das Bil­dende in dem Künstlerischen an das Kind heranbringen, bringen wir das Tiefverwandte zum Ätherleib an es heran, indem wir in freier Weise, wie ich es gestern angedeutet habe, modellierend mit dem Kinde uns beschäftigen. Das macht das Kind fähig, indem es innerlich seine eigene Wesenheit ergreift, sich als Mensch richtig in die Welt hinein-zustellen
Und indem wir das Musikalische an das Kind heranbringen, bildet es den astralischen Leib aus. Fügt man beides zusammen, macht man das Plastische so, daß es in Bewegung übergeht, und macht man die Bewegung plastisch, dann hat man die Eurythmie, die ganz aus der Beziehung des Ätherleibes zum astralischen Leibe beim Kinde folgt. Daher lernt jetzt das Kind Eurythmisieren, diese in artikulierten Gebärden sich offenbarende Sprache, wie es in früheren Jahren das Sprechen von selbst gelernt hat. Man wird beim Eurythmielernen nie Hemmnisse finden, wenn das Kind gesund ist; denn es setzt in der Eurythmie einfach seine eigene Wesenheit heraus, es will seine eigene Wesenheit verwirklichen. Daher haben wir in der Waldorfschule die Eurythmie vom 1 .Volksschuljahre an bis zu den Oberklassen als einen obligatorischen Unterrichtsgegenstand eingeführt neben dem Turnen.

Wat is eigenlijk het etherlichaam? Als iemand het etherlichaam van de mens uit het fysieke lichaam nemen en impregneren kon, zodat het zichtbaar een vorm liet zien – je zou geen groter kunstwerk hebben dan dat! Want het menselijk etherlichaam is door zijn eigen wezen, door wat de mens erin vorm geeft, kunstwerk én kunstenaar tegelijk. Wanneer we in het kunstzinnige het beeldende verweven, geven we dat aan het kind wat diep verwant is aan het etherlichaam. Want we zijn boetserend met het kind bezig, maar op een vrije manier, zoals ik gisteren heb aangeduid. Dat geeft het kind het vermogen om zich als mens op de juiste wijze in de wereld te plaatsen, wanneer hij vanuit het eigen wezen innerlijk op eigen benen gaat staan.
Doordat wij het kind vertrouwd maken met het muzikale, ontwikkelt hij het astrale lichaam. Voegen we beide samen, ma­ken we het plastische zo dat het overgaat in beweging en maken we de beweging plastisch, dan heb je de euritmie. Euritmie volgt helemaal uit de relatie van het etherlichaam tot het astrale li­chaam bij het kind. Daarom leert het kind nu euritmiseren, deze taal die zich in gearticuleerde gebaren openbaart, zoals het in de jaren daarvoor het spreken vanzelf heeft geleerd.
Bij het leren van euritmie zul je bij het gezonde kind geen belemmeringen aantreffen; want in de euritmie zet hij gewoon­weg zijn eigen wezen in, hij wil zijn eigen wezen realiseren. Daarom hebben we in de vrijeschool euritmie vanaf de eerste klas onderbouw tot in de hoogste klassen bovenbouw als verplicht vak ingevoerd*, naast gymnastiek.

*Door exameneisen en wellicht andere oorzaken is de euritmie in de bovenbouw (13-18jarigen) als verplicht vak rond 2010, verdwenen. 

blz. 81     vert. 83

So sehen Sie, die Eurythmie ist aus dem ganzen Menschen, aus phy­sischem Leib, Ätherleib und Astralleib heraus entstanden; sie kann man nur mit änthroposophischer Menschenerkenntnis studieren. Das heutige Turnen richtet sich einseitig physiologisch auf den physischen Leib; und weil die Physiologie nicht anders kann, werden einzelne Vitälitäts­gesetze hineingebracht. Aber man erzieht durch das Turnen nicht Total-menschen, nur Partialmenschen. Es soll damit nichts gegen das Turnen gesagt werden, aber heute überschätzt man es. Deshalb muß heute für die Erziehung die Eurythmie an die Seite des Turnens treten. – Ich möchte nicht zu weit gehen, wie es einmal, nicht von mir, sondern von einem sehr berühmten Physiologen der Gegenwart geschah, der einmal, als ich über Eurythmie sprach, im Auditorium war. Ich sprach es da aus, daß das Turnen heute überschätzt werde, namentlich als Erzie­hungsmittel, und daß das geistig-seelische Turnen, das in der Eurythmie gepflegt wird neben dem Künstlerischen der Eurythmie, an die Seite des physiologischen Turnens treten müsse.

U ziet dat de euritmie is ontstaan uit de hele mens: uit fysiek lichaam, etherlichaam en astraallichaam; euritmie kun je alleen met antroposofisch-menskundig inzicht bestuderen. De huidige gymnastiek richt zich eenzijdig fysiologisch op het fysieke li­chaam. En omdat de fysiologie niets anders kan, worden er vitaliteitswetten ingebracht.* Met gymnastiek echter voed je niet de totale mens op, maar slechts een deel ervan. Hiermee wil ik niets ten nadele van gymnastiek zeggen; alleen wordt deze te­genwoordig overschat. Daarom moet vandaag de dag in de opvoeding naast de gymnastiek euritmie komen te staan.
Ik zou niet te ver willen gaan, zoals een zeer beroemde, heden­daagse fysioloog ooit deed die, toen ik over euritmie sprak, in de zaal aanwezig was.** Ik zei dat gymnastiek tegenwoordig wordt overschat, met name als pedagogisch middel, en dat de geest-ziele-gymnastiek, die in de euritmie naast de kunstzinnige eurit­mie wordt gedaan, aan de fysiologische gymnastiek zou moeten toegevoegd.

*De gymnastiek uit het begin van deze eeuw werd voornamelijk beheerst door twee stromingen: de gymnastiek uit Duitsland en de houdingsgymnastiek uit Zweden, die als reactie op de Duitse gymnastiek is ontstaan. Beide vormen waren streng in hun bewegingsvoorschriften met als tweeledig doel: het bevorderen van gezond makende fysiologische processen en het bijbrengen van een zekere discipline bij leerlingen. Het is vooral de invloed van uit Engeland overgewaaide sportspelen geweest die veel verandering heeft gebracht. Naast de aandacht voor fysieke ontwikkeling werden zo nieuwe doelen geïntroduceerd: karaktervorming en socia­le vorming.
Tegenwoordig stelt de gymnastiek zich ten doel het bevorderen van de gezond­heid, een tegenwicht bieden aan de heersende bewegingsarmoede en het leren met elkaar om te gaan (samenwerken, leiding geven, regels afspreken enzovoort). Dit uit zich concreet in conditie- en fitnesstrainingen gebaseerd op fysiologische principes, met daarnaast het beoefenen van sportspelen waarin de sociale compo­nent overheerst. In de tak van de exacte wetenschap, de fysiologie, bestaat een subspecialiteit: de sportfysiologie. Daarin probeert men onder meer te komen tot een wetenschappelijke basis voor trainingsmethoden. De vitaliteitswetten waarop Steiner doelt, zijn wellicht vergelijkbaar met de fysio­logische wetmatigheden die vandaag de dag leidraad zijn voor bijvoorbeeld conditie-oefeningen.
Tim Winkler
*…een zeer beroemde, hedendaagse fysioloog: Emil Abderhalden (1877-1950), Zwit­sers fysioloog en fysiologisch chemicus; van 1911 tot 1945 hoogleraar in Halle a. S. Onder meer fundamentele werken over sociale hygiëne en sociale fysiologie. Het gesprek vond in Dornach plaats na afloop van een toespraak van Rudolf Steiner bij een euritmieopvoering in het Goetheanum. Zie ‘Konferenzen 21 september 1920, GA 300/1, en de toespraak bij de euritmieopvoering van 19 augustus 1922 in Oxford, GA 277 en GA 305.
.

Nachdem ich zu Ende ge­sprochen hätte, kam der berühmte Physiologe zu mir und sagte: Sie sägen, das Turnen hätte eine Berechtigung als Erziehungsmittel, weil die Physiologen das sagen? Ich, als Physiologe, muß sagen, das Turnen ist überhaupt als Erziehungsmittel eine Bärbarei! – Nun, Sie würden sehr erstaunt sein, wenn ich Ihnen den Namen dieses Physiologen nen­nen würde. Solche Dinge sind auch schon anschaulich in der Gegen­wart für Leute, die etwas mitzureden haben, und man muß daher vor­sichtig sein, wenn man, ohne die Zusammenhänge zu durchschauen, gewisse Dinge fanatisch vertritt. Am wenigsten kann man in bezug auf die pädagogische Kunst Dinge fanatisch vertreten, weil man es da mit dem vielgestaltigen Leben des Menschen zu tun hat.

Toen m’n voordracht was afgelopen, kwam deze beroemde fysioloog naar me toe en zei: u zegt dat gymnastiek een gerechtvaardigd pedagogisch middel is omdat de fysiologen dat zeggen? Ik als fysioloog moet zeggen dat gymnastiek als pedagogisch middel überhaupt barbaars is! –
U zou heel verbaasd zijn als ik u de naam van deze fysioloog noemde. Zulke dingen worden in deze tijd ook al duidelijk ingezien door degenen die iets in te brengen hebben, en daarom moet men voorzichtig zijn als men bepaalde dingen fanatiek verdedigt zonder dat men de samenhangen doorziet. Juist in de pedagogische kunst is het het minst op z’n plaats om fanatiek te zijn, we hebben immers te maken met een veelvormigheid van menselijk leven.
GA 310/79-80
vertaald/83-84

blz. 114   vert. 119

Es ist mir zum Beispiel auf dem Gebiete der an­throposophischen Pädagogik im vorigen Jahre passiert, daß gezeigt werden sollte vor der Öffentlichkeit, was in unsere Pädagogik so tief hineingestellt ist: Eurythmie. Sie wurde gezeigt, aber folgendes wurde gemacht: An einem Orte wurden zuerst Kinder vorgeführt mit dem, was sie in der Schule an Eurythmie gelernt haben; und nachher erst wurde eine künstlerische Eurythmievorstellung veranstaltet. Es wurde also nicht gezeigt: Das ist Eurythmie – so daß sich die Leute erst das Verständnis erworben hatten: Also das ist Eurythmie, und so wird sie in die Schule hineingebracht. – Sondern dadurch, daß man zuerst die Kindereurythmie vorausschickte, stand diese so da, daß man überhaupt nicht wußte: Warum denn? – Stellen Sie sich vor, es hätte keine Malerei gegeben, und man würde auf einmal damit beginnen, zu zeigen, was die Kinder mit Farben anfangen zu schmieren. Ebensowenig konnten die, welche nicht in der anthroposophischen Bewegung stehen, in der Kindervorstellung sehen, was man mit der Anthroposophie und der Eurythmie will. So etwas hat nur eine Bedeutung, wenn Eurythmie zuerst als Kunst vorgeführt wird, weil man daran sieht, so steht sie im Leben und diese Bedeutung hat sie im Künstlerischen. Dann wird man auch die Bedeutung der Eurythmie für die Schule erkennen. Andern­falls wird man sagen: Man hat heute viele Marotten im Leben – und man wird die Eurythmie auch als eine solche Marotte ansehen.

Hopelijk neemt niemand mij kwalijk wat ik nu zal zeggen. Op het gebied van de antroposofische pedagogie is het mij vorig jaar bijvoorbeeld overkomen dat we in het openbaar moesten laten zien wat centraal in onze pedagogie staat:
euritmie. Dat lieten ze zien, maar ze deden het als volgt: eerst liet men kinderen opvoeren wat zij op school aan euritmie hadden ge­leerd; en pas daarna was er een kunstzinnige euritmievoorstelling. Dus men liet niet eerst zien wat euritmie is, zodat de mensen zich eerst een begrip konden vormen van wat euritmie is, en hoe die in de school wordt gebracht. Doordat men eerst de kindereurit-mie liet zien, gingen de mensen zich afvragen: waarom doen de kinderen dat eigenlijk? – Stelt u zich eens voor dat er geen schilderkunst was en dat je ineens begon met te laten zien hoe kinderen met kleuren beginnen te knoeien. Evenmin kan iemand die niet in de antroposofische beweging staat, aan de kindervoor­stelling zien wat we met de antroposofie en de euritmie willen. Zoiets heeft alleen maar zin wanneer euritmie eerst als kunst wordt gedemonstreerd, om daaraan te zien hoe de euritmie in het leven staat en welke betekenis ze in het kunstzinnige heeft. Vervolgens zal men ook de betekenis van de euritmie voor de school beseffen. In het andere geval zal men zeggen: wat zijn er tegenwoordig veel grillen in het leven – en men zal de euritmie ook als zo’n gril beschouwen.
GA 307/114
vertaald/119

.

Rudolf Steiner over euritmie

Rudolf Steiner: alle artikelen

.
1413-1323

.

.

vrijeschoolpedagogie.com in Koninklijke Bibliotheek

.

Enige tijd geleden ontving ik van de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag dit bericht:

Geachte heer/mevrouw,

In het kader van het initiatief van de Koninklijke Bibliotheek (KB) om een selectie van Nederlandse websites te bewaren voor toekomstig onderzoek, willen wij ook uw website archiveren en voor de lange termijn bewaren. Het gaat om de website en eventuele bijbehorende subdomeinen die toegankelijk zijn via de volgende URL(s):
https://vrijeschoolpedagogie.com/

Websites bevatten vaak waardevolle informatie die niet analoog verschijnt en die ten gevolge van de grote ‘omloopsnelheid’ het risico loopt voorgoed verloren te gaan. Dat websites als ‘digitaal erfgoed’ het behouden waard zijn, is internationaal erkend in het Unesco Charter on the Preservation of the Digital Heritage uit 2003. Het signaleert dat digitaal erfgoed verloren dreigt te gaan en dat het bewaren daarvan voor gebruik door de huidige en toekomstige generatie onderzoekers zeer urgent is.

Als nationale bibliotheek is de KB wettelijk verantwoordelijk voor het verzamelen, beschrijven en bewaren van in Nederland verschenen publicaties, al of niet elektronisch. De KB ziet het als haar taak om ook websites duurzaam te bewaren en raadpleegbaar te houden voor toekomstige generaties en ze te behoeden voor verlies door bijvoorbeeld technologische veroudering.
Om die reden archiveert de KB websites die als verzameling een representatief beeld geven van de Nederlandse cultuur, geschiedenis en samenleving op het internet.

Uw website zal daartoe gearchiveerd en duurzaam opgeslagen worden. Het archiveren zal voor het eerst gebeuren vanaf 14 december 2016. Daarna zullen regelmatig opeenvolgende versies opgenomen worden. De archiefversies zijn te raadplegen binnen ons eigen gebouw. Ze zullen ook beschikbaar worden gesteld aan een algemeen publiek via de website van de KB zodra dit juridisch mogelijk is.
(  )

Antroposofie, een inspiratie

VRIJESCHOOL in beeld

.

1412-1322

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-7-2/8)

.

Enkele gedachten bij blz. 23/24 in de vertaling van 1993

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

In een vorige artikel dat beschouwd kan worden als een inleiding op wat hier volgt, werd erop gewezen dat ‘schematiseren’ eigenlijk niet kan; en dat het willen verklaren en definiëren steeds weer het gevaar in zich draagt de werkelijkheid tekort te doen.
En toch kunnen we, wanneer we niet het helderziende vermogen hebben zoals Steiner kennelijk had, niet zonder een zoektocht met ‘het gezonde verstand’. Daartoe is dit een poging.

Op blz. 24 is sprake vanlevensgeest en geestmens‘.  Wat valt daar o.a. over te zeggen:

In dit artikel ging het over het ‘geestzelf’ dat samen met de ‘levensgeest’ en de ‘geestmens’ weer een drietal vormt, zoals bijv. fysiek lichaam, etherlijf en gewaarwordingslijf, of gewaarwordingsziel, verstands-gemoedsziel en bewustzijnsziel.

GEESTZELF
Bij ‘geestzelf’ kun je niet om de activiteit van het Ik heen. Het ging in het artikel over het ‘geestzelf’ vooral om de zoektocht naar waarheid, naar het goede. Kortom: een zoektocht naar iets wat niet afhankelijk is van je eigen gevoel, van je sympathieën of antipathieën. Niet van wat je fijn, lekker, mooi, lelijk, afstotelijk enz. vindt, maar naar wat IS.
Als Ik-mens moet je om inzicht te krijgen in die wereld van waarheid en goedheid, steeds wakker en actief zijn. Je bent als zielenmens, als denkende ziel, dan steeds meer bezig je een ‘buiten’wereld eigen te maken die niet direct van jou afhankelijk is, die er is, maar die alleen door de mens ‘belichaamd’ kan worden; die alleen in de mens kan ‘incarneren’.
Overeenkomstig de ‘definitie’ van ziel: het vermogen om je de buitenwereld eigen te kunnen maken’, is dit in ons dus nog ‘bewustzijnsziel’ en naarmate die ziel zich vult met meer ‘waarheid’ en ‘goedheid’, meer deel heeft aan die wereld, wordt die wereld een deel van het actieve Ik, wordt inhoud van dit Ik. Dat is de wereld van de geest, waaraan het Ik nu zelf deel heeft.
Dit noemt Steiner het ‘geestzelf’.

Das Geistselbst ist eine Offenbarung der geistigen Welt innerhalb des Ich.

Het geestzelf is een openbaring van de geestelijke wereld binnen het Ik.
GA 9/51
Vertaald

Maar wanneer je die wereld van waarheid en goedheid probeert te vinden, weet je nu ook dat al het ‘persoonlijke’, je gevoelens e.d., al het subjectieve, het vinden van ‘het geestelijke’ in de weg kan staan. Je zal dus ook moeten werken aan dit gebied in je.
InDe weg tot inzicht in hogere werelden heeft Steiner een weg aangegeven die je kan gaan om je op dit gebied te ‘scholen’.
Hoe word je geduldiger, hoe bereik je dat je je niet ergert, hoe kun je een grotere denkconcentratie ontwikkelen, enz.
Het is het werken aan het astraallijf.
Dat heeft, volgens Steiner, al gevolgen voor het geestzelf:

Wenn das Ich an der Seele arbeitet, entwickeln sich gewisse Seeleneigenschaften des Menschen. Wie Lust und Begierden, Freude und Schmerz sich ändern können. Das Ich erlangt Herrschaft über den Astralleib, denn dieser ist der Träger von Lust und Leid, von Freude und Schmerz.

Wanneer het Ik aan de ziel werkt, worden bepaalde zieleneigenschappen van de mens ontwikkeld. Zoals lust, begeerte, vreugde en verdriet kunnen veranderen. Het Ik wordt meester over het astraallijf, want dat is de drager van lust en leed, vreugde en verdriet.
GA 13/72
Vertaald/41

Wenn sich der Mensch bloβ hingibt an Lust und Leid, an Freude und Schmerz, arbeitet das Ich nicht am Astralleib, sondern wenn sich die Eigentümlichkeiten dieser Seeleneigenschaften ändern.

Wanneer de mens zich alleen maar overgeeft aan lust en leed, vreugde en verdriet, werkt het Ik niet aan het astraallijf, maar wel wanneer de kenmerken van deze zieleneigenschappen veranderen.
GA 13/73
Vertaald/41

Het in je opnemen van de ‘hogere waarheid’ e.d. heeft ook invloed op je astraallijf:

Wenn nun das Ich sich mit dem Geistselbst durchdringt, so tritt dieses Geistselbst so auf, daβ der Astralleib von dem Seelischen aus umgearbeitet wird.

Wanneer het Ik zich doordringt met het geestzelf, dan brengt dit een verandering in het astraallijf teweeg.
GA 9/58
Vertaald

Daher kann man das Geistselbst in seiner Offenbarung am Menschen als den verwandelten Astralleib bezeichnen.

Dan kun je het geestzelf in zijn openbaring in de mens beschouwen als het omgewerkte astraallijf.
GA 9/58
Vertaald

Indem das Ich sich mit der verborgenen Wesenheit seiner Astralleib einigt, bemächtigt sich das Ich diesen Astralleib. Dieser durch das Ich eroberte, von ihm umgewandelte Astralleib kann das Geistselbst genannt werden.

Als het Ik één wordt met zijn verborgen astraallijf, krijgt het Ik dit astraallijf in zijn greep. Dit door het Ik overwonnen, omgewerkte astraallijf kan geestzelf worden genoemd.
GA 13/71
Vertaald/40

Uiteraard zal je ook weer tegenkomen dat Steiner op verschillende plaatsen, op verschillende manieren, karakteriseert:

Wenn nun das «Ich » so stark wird, daß es nur durch die eigenste Kraft den Empfin­dungsleib umarbeitet, so nennt man dasjenige, was das Ich auf diese Art aus diesem Empfindungs- oder Astralleibe macht : das Geistselbst (oder mit einem morgenländischen Aus­drucke : Manas). Diese Umgestaltung beruht im wesentlichen auf einem Lernen, auf einem Bereichern des Innern mit höhe­ren Ideen und Anschauungen.

Wanneer het Ik zo sterk wordt dat het op eigen kracht het gewaarwordingslijf verandert, noemt men wat het Ik op deze manier van gewaarwordings- en astraallijf maakt: geestzelf. De omwerking berust in wezen op leren, op zich verrijken van het innerlijk met hogere ideeën en gezichtspunten.
GA 34/319
vertaald/23

So viel als der Mensch von seinem Astralleib derart umgearbeitet hat, so viel nennen wir sein Manas oder Geistselbst. Im Ich liegt der Keim zur Umarbeitung des Astralleibes in Manas, Geistselbst.

Zoveel als de mens van zijn astraallijf omgewerkt heeft, zo groot noemen wij zijn geestzelf. In het Ik ligt de kiem tot het omwerken van het astraallijf in geestzelf.
GA 110/37
Vertaald

LEVENSGEEST EN GEESTMENS

Bij de ontwikkeling van het ‘geestzelf’ gaat het om de activiteit van het Ik bij het veranderen, louteren, veredelen van het astraallijf.

Volgens Steiner is het ook mogelijk dat het Ik zo’n werking op het etherlijf uitoefent, dat ook dit verandert.
Wanneer we naar eigenschappen van de ziel kijken. onze ziel, weten we op een bepaald ogenblik in ons leven wel iets van onszelf, hoe we zijn. Stel dat je merkt dat je snel iemand in de rede valt, dat je moeite hebt met luisteren naar iemand, dan kun je dat veranderen. Hier speelt het ‘voornemen’ een belangrijke rol. Iedere dag kun je je voornemen, als de gelegenheid zich voordoet, de ander te laten uitspreken. Zo zijn er vele terreinen in het leven waar je de gelegenheid krijgt ‘geduld’ te betrachten. Wat te denken van het verkeer.

Moeilijker wordt het, wanneer we naar bepaalde gewoontes kijken. We spreken niet voor niets van ‘vastgeroeste’ of ‘ingesleten’ gewoontes. Ze zitten dieper. We weten soms niet eens waarom we iets zus of zo doen, laat staan waarom we dat zus of zo (ooit) zijn gaan doen. Na lang graven kom je er soms achter dat het in je prilste kindertijd al begonnen is (moet zijn) en vaak: doordat het in je omgeving zo gebeurde, (nabootsing!), omdat je omgeving het wilde (opvoeding). Soms ligt het nog vaster: dat heeft hij van zijn vader/moeder, enz.
Dan hebben we te maken met ons etherlijf: de gewoonten, bepaalde karaktertrekken, het temperament, enz.
Voor het Ik is het veel moeilijker daarop invloed uit te oefenen, zodat het verandert, anders wordt, omgewerkt wordt.

In de levens van wat we nu ‘heiligen’ noemen, speelde het een grote rol: ze wilden de dwingende krachten van het etherlijf leren beheersen: Franciscus ging niet zelf op zoek naar eten, hoewel de honger hem ertoe had kunnen drijven (drift), maar wachtte (geduld) tot hij iets kreeg. Geen honger! naar rijkdom; andere begeerten werden afgezworen, ook de seksuele: kuisheid; om dat te bereiken: overgave aan een geestelijke wereld d.m.v. gebed.

Tegen deze achtergrond is nog altijd het kloosterleven te begrijpen en het celibaat.

Door een verandering in het etherlijf door de invloed van het Ik komt er in het wezen van de mens iets nieuws tot stand, wat Steiner de ‘levensgeest’ noemt.

Steiner zegt het o.a. zo:

Wie der Mensch seinen Astralleib erobert dadurch, daβ er zu den verborgenen Kräften die hinter ihm stehen, vordringt, so geschieht das im Laufe der Entwicklung auch mit dem Ätherleib. Die Arbeit an diesem Ätherleib ist aber eine intensivere als die am Astralleibe, ( ).

Evenals de mens zijn astraallijf verovert, door tot de verborgen krachten door te dringen, die daarachter staan, zo gebeurt dat in de loop van de ontwikkeling ook met het etherlijf. De arbeid aan het etherlijf is echter intensiever dan die aan het astraallijf; ( )

Gewisse Eigenschaften des Menschen ändern sich im Laufe der Zeit wenig. Z.B. sein Temperament, die tiefern Eigentümlichkeiten seines Charakters usw. ( ) Wenn das Ich seine Tätigkeit an eine Änderung seiner Charaktereigenschaften, seiner Temperamente usw wendet, erstreckt sich die Arbeit auf dem Ätherleib.

Bepaalde eigenschappen van de mens worden in de loop van de tijd bijna niet anders, bijv. zijn temperament, zijn diepere karaktertrekken enz. ( )  Wanneer het Ik zich richt op het veranderen van karaktereigenschappen, het temperament enz. werkt het aan het etherlijf.

Die stärksten Impulse, welche im gewöhnlichen Leben auf diese Änderung hinarbeiten sind die religiösen.
Wenn das Ich die Antriebe, die aus der Religion flieβen, immer wieder und wieder auf sich wirken läβt, so bilden diese in ihn eine Macht, welche bis in den Ätherleib hineinwirkt und die ebenso wandelt, wie geringere Antriebe des Lebens die Verwandlung des Astralleibes bewirken.

De sterkste impulsen die in het dagelijks leven naar deze verandering toewerken zijn de religieuze krachten. Wanneer het Ik de impulsen die uit de religie komen steeds weer op zich laat inwerken, dan vormen deze in hem een kracht die tot in het etherlijf doorwerkt en dit net zo verandert als kleinere impulsen uit het leven de veranderingen van het astraallijf bewerken.

Der Mensch denkt und fühlt heute dies, morgen jenes. Dazu führen die verschiedensten Veranlassungen. Wer aber durch sein wie immer gearteten religiöses Empfinden etwas ahnt, das sich durch allen Wechsel hindurchzieht, der wird, was er heute denkt und fühlt, ebenso auf diese Grundempfindung beziehen wie die morgigen Erlebnisse seiner Seele. Das religiöse Bekenntnis hat dadurch etwas Durchgreifendes im Seelenleben; seine Einflüsse verstärken sich im Laufe der Zeit immermehr, weil sie in fortdauernder Wiederholing wirken. Deshalb erlangen sie die Macht auf den Ätherleib zu wirken.

De mens denkt en voelt vandaag dit, morgen dat. De prikkels daartoe komen van alle kanten op hem af. Wie echter door zijn religieuze beleving, hoe die ook geaard is, een besef heeft van iets dat door alle wisselvalligheden heen gaat, die zal wat hij vandaag denkt en voelt op dezelfde wijze op dit basisgevoel betrekken als wat hij morgen in zijn ziel ervaart. De religieuze overtuiging heeft daardoor een sterke greep op het leven van de ziel; haar invloeden worden in de loop der tijd steeds sterker, omdat ze in een voortdurende herhaling werken. Daaruit ontstaat hun kracht om op het etherische lichaam in te werken.

In ähnlicher Art wirken die Einflüsse der wahren Kunst auf den Menschen.Wenn er durch die äußere Form, durch Farbe und Ton eines Kunstwerkes die geistigen Untergründe desselben mit Vorstellen und Gefühl durchdringt, dann wirken die Im­pulse, welche dadurch das Ich empfängt, in der Tat auch bis auf den Ätherleib. Wenn man diesen Gedanken zu Ende denkt, so kann man ermessen, welch ungeheure Bedeutung die Kunst für alle menschliche Entwickelung hat. Nur auf einiges ist hiermit hingewiesen, was dem Ich die Antriebe liefert, auf den Ätherleib zu wirken. 

Op dezelfde wijze beïnvloedt echte kunst de mens. Wanneer hij via de ruimtelijke vorm, via kleur of klank van een kunstwerk de geestelijke achtergrond ervan met zijn voorstellingen en gevoelens doordringt, werken de impulsen die het ik daardoor ontvangt metterdaad ook op het etherische lichaam. Wanneer we deze gedachte doordenken, kunnen we beseffen welke onschatbare waarde de kunst heeft voor alle menselijke ontwikkeling. Hiermee is slechts op een paar dingen gewezen die het Ik ertoe aanzetten op het etherische lichaam in te werken.
GA 13/72-75
Vertaald/41-44

GEESTMENS
Dan is het volgens Steiner ook nog mogelijk dat het Ik aan het fysieke lichaam werkt. Het spreekt voor zich dat dit het allermoeilijkst is.
Je houdt het misschien bij het eerste lezen voor onmogelijk, maar we weten dat we bijv. met bepaalde yoga-oefeningen onze ademhaling kunnen beïnvloeden en sommige beoefenaars schijnen die veranderingen blijvend te kunnen maken.
Dit a.h.w. ‘omgevormde’ fysieke lichaam heet geest(es)mens.

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven
.

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1411-1322

.

.

VRIJESCHOOL – Vrijheid en onderwijs (2-3)

.

Na 100 jaar vrijeschool kun je niet zeggen dat de beweging heeft bijgedragen aan een grotere ‘vrijheid van onderwijs’; aan de impuls voor een vrijer geestesleven.

Zie voor meer: 100 jaar vrijeschool (1-1)

In de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw publiceerde het blad Jonas met grote regelmaat over de sociale driegeleding. Ook was er een ‘Werkgroep voor sociale driegeleding’. Nu is er Driegonaal. In de schoolkranten van vrijescholen probeerde leerkrachten belangstelling te wekken voor de driegeleding en de daarbij horende vrijheid van onderwijs. Onderstaand artikel is van de werkgroep:

VRIJESCHOLEN EN DRIEGELEDING
Toen op 7 September 1919 in de zaal van de stadstuinen in Stuttgart de eerste Waldorfschool door Emil Molt (directeur van de Waldorf-Astoria sigarettenfabriek en oprichter van de school) werd geopend – was deze daad niet alleen een doorbraak op pedadogisch gebied, maar tevens een direct uitvloeisel van de roerige sociale beweging, die daaraan vooraf ging.
Enige dagen voordat Rudolf Steiner op 22 april voor het eerst in het openbaar sprak over de driegeleding van het sociale organisme was in Stuttgart op bloedige wijze de algemene staking neergeslagen, waarmee men de invoering van de radenrepubliek trachtte af te dwingen. Reeds de volgende dag hield hij een indrukwekkende lezing voor de arbeiders van de Waldorf-Astoria sigarettenfabriek.
Direct hierop volgde de gedenkwaardige bedrijfsvergadering met Rudolf Steiner, waarbij Emil Molt met het plan kwam om een school voor de kinderen van zijn medewerkers (klassieke arbeiders) – een fabrieksschool op te richten, en aan Rudolf Steiner vroeg hij of hij de pedagogische ontwikkeling op zich wilde nemen. Dit initiatief leidde tenslotte tot de oprichting van de Freie Waldorfschule, waar ook andere dan Waldorf Astoriakinderen werden toegelaten.
Vele lezingen over de driegeleding volgen. Hij stelt de noodzaak om de maatschappelijke knoop te ontwarren, waarin het culturele leven, het politieke rechtsleven en de economie verstrengeld zijn. Hierdoor zijn deze drie gebieden in de maatschappij niet meer te herkennen.
Daarom moet men ze leren onderscheiden en uiteenrafelen.

Het culturele leven
moet niet gekneveld worden door de economie en het politieke rechtsleven, maar zich daarvan bevrijden. Pas als het losgemaakt is van staatsbemoeienis en economische dwang kan het zich in vrijheid ontplooien, zal iedere mens zich in VRIJHEID zo volledig mogelijk kunnen ontwikkelen.

Het economisch leven
zal moeten berusten op het principe van de samenwerking tussen producent en  consument, niet op een tegenwerking of eenzijdige beïnvloeding. Via associaties tussen producten en consumenten wordt er gezamenlijk bepaald wat er geproduceerd gaat worden.

Het politieke rechtsleven
moet berusten op het principe van de gelijkheid: daar waar ieder mondig (meerderjarig) geworden mens gelijk is aan ieder ander mondig geworden mens. De rechtsstaat heeft zich niet te bemoeien met het culturele leven zélf, maar er alleen voor te zorgen dat daar de rechten verzekerd worden. Het zeflde geldt voor het economisch leven.

Over het culturele leven zegt Steiner in zijn lezing voor de arbeiders van de Waldorf-Astoria sigarettenfabriek (Stuttgart, 23 apr, 1919 )\: ‘Wij moeten leren inzien, dat het geestesleven vrijgemaakt moet worden, dat het aan zichzelf moet worden overgelaten, opdat het niet meer een dienaar van de staats- en economische orde is, maar een dienaar van datgene, wat het algemene, menselijk bewustzijn aan geestesleven kan voortbrengen, opdat het geestesleven niet voor één enkele klasse bestaat, maar voor alle mensen.’

Hoewel de Bund für Dreigliederung dagelijks voorpaginanieuws was, bleek eind juli 1919 de politieke strijd om de driegeleding te mislukken. De tegenkrachten waren in het zich op een nieuwe oorlog voorbereidende Duitsland te groot, de medewerking en het begrip te klein. Een laatste poging werd gedaan om door middel van de oprichting van Waldorfscholen en het streven naar een wereldschoolvereniging de strijd voor een vrij schoolwezen en geestesleven aan zich te binden.

Opnieuw blijkt nu, 50 jaar later*, de strijd voor een vrij onderwijs urgent (zie ook  Ivan Illich “Ontscholing van de maatschappij”) En W.Heidt: “Vrije Hogescholen, model”)

Door de steeds toenemende druk van de overheid op onze cultuur, en het onderwijs in het bijzonder, is een haast onhoudbare toestand ontstaan. Het toepassen van het principe van de gelijkheid in de cultuur heeft geleid tot het instellen van: eenheidsexamens, eenheidsleerboeken, eenheidsroosters en het gelijk maken van alles, wat maar enigszins gelijk te maken is in het onderwijs. Dit alles onder het mom van gelijke kansen voor ieder individu. Dit op zich juiste uitgangspunt kan echter alleen bereikt worden bij een volledige vrijheid op cultureel gebied: VOLLEDIGE ontplooiing van de in ieder mens sluimerende capaciteiten kan pas dan bereikt worden.

Willen de vrijescholen (dit vrij wil zeggen: vrij van staatsbemoeienis, e.d.) nog enige kans behouden om hun onderwijs te geven zoals zij dat willen, en de ouders de vrijheid behouden om die pedagogie voor hun kind te kiezen, die zij van belang achten – kortom willen zij de vrijheid heroveren, die zij nu nog alleen in naam bezitten – dan zullen allen, die de vrijescholen een warm hart toedragen, zich in moeten zetten voor de totstandkoming van een ’WERKELIJK ALGEMEEN VRIJE CULTUUR, en een daarmee verbonden vrij onderwijs: ouders en leraren bepalen zelf het onderwijs, dat zij het beste vinden. Of dat nu Montessori-, Dalton-, of op antroposofische grondgedachten stoelend onderwijs is, altijd moeten zij de mogelijkheden (dus ook de financiële) kunnen krijgen. Pas dan zal IEDEREEN zich in vrijheid kunnen ontwikkelen, dus ook de Waldorfscholier.
Deze strijd voor een vrij onderwijswezen is de taak, die Rudolf Steiner de Waldorfschulen heeft meegegeven, naast en in samenwerking met de nieuwe pedagogie, die tot innerlijke vrijheid opvoedt, na het mislukken van de politieke
driegeledingsbeweging in 1919.

Hij zegt hierover op 12 oktober 1920 in Dornach: ‘Het gaat er om, dat we leren praktisch te denken en te handelen. Toen de Waldorfschool werd opgericht heb ik gezegd: De Waldorfschool is goed, maar met de oprichting ervan is er nog niets gedaan op dit (politiek vert.) gebied. Er is hoogstens een allereerste begin gemaakt, een begin van een begin. De Waldorfschool hebben wij pas echt opgericht als we in de komende drie maanden de fundamenten leggen voor tien nieuwe Waldorfscholen, enzovoort. Dan pas krijgt de Waldorfschool betekenis. Het heeft, gezien de huidige sociaal-politieke toestand in Europa, geen nut om één enkele Waldorfschool, met- vier- of vijfhonderd, of, om mijnentwil duizend leerlingen op te richten. Pas wanneer zo iets navolging vindt, als zo iets OVERAL navolging vindt, heeft dat zin. En het heeft pas zin, als het uit praktische gezindheid voortkomt.
Dit ontbreekt, als diegenen, die dwepen met de ideeën van de Waldorfschool, niet eens zoveel begrip kunnen ontwikkelen voor de noodzaak, propaganda te maken voor de van de staat onafhankelijke school, zich met alle kracht in te zetten, dat de staat de school vrijlaat.
Als u niet de moed opbrengt, de bevrijding van de school uit de macht van de staat na te streven, dan is de hele Waldorfschoolbeweging voor de poes. Want zij heeft pas zin, als zij deel uit gaat maken van een vrij geestesleven.”

Michiel Damen,  *oktober 1972

Deze uitgave werd verzorgd door;

de WERKGROEP DRIEGELEDING AMSTERDAM.
secretariaat: Valeriusstraat 80,
Amsterdam-1007
Tel.020-713730
.

VRIJESCHOOL en vrijheid van onderwijs: alle artikelen
.

Sociale driegeledingalle artikelen

.

1410-1321

.

.

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsfasen van het kind

.

In het rapport ‘Het binnenste buiten’ wordt soms korter, soms langer de ontwikkeling van het kind geschetst. Dat gebeurt op verschillende plaatsen.

Hier staat alles nog eens bij elkaar:

Ontwikkelingsfasen van het kind
Een meer uitvoerige typering van de leeftijdsfasen die in de kinderontwikkeling te onderscheiden zijn, kan niet gemist worden om te verduidelijken hoe de leerstof als ontwikkellingsstof gepresenteerd kan worden. De keuze van de leerstof heeft dan ook een antropologische grondslag en wordt niet alleen bepaald door externe, maatschappelijke eisen. De grondgedachte is dat de — inmiddels voor de biologie achterhaalde — recapitulatie-theorie van Haeckel geldigheid bezigt voor de psychologische ontwikkeling van het kind wiens bewustzijnsprocessen een korte herhaling te zien geven van de in de historie herkenbare bewustzijnsontwikkeling van de mensheid. [1]
De leerstof wordt derhalve geput uit het algemene cultuurgoed van de mensheid. Daarmede wordt — met C. Vervoort — het z.g. ‘middle-class cultuurmodel’ als unidimensionaal referentiekader duidelijk afgewezen. Principieel wordt de psychische geaardheid van de kinderen als uitgangspunt gekozen. Het gaat om mensvorming in de eerste plaats, aangezien de biologische geboorte nu eenmaal geen garantie vormt voor de menswording van de mens. Innerlijke processen bij het kind kunnen hun weerspiegeling vinden in beelden en feiten van de leerstof.

Wanneer het kind iets van zichzelf ‘herkent’ in de leerstof, iets wezenlijks dat bij hemzelf behoort, is een zeer belangrijke bron van motivatie aangeboord. Volgens het door Rudolf Steiner ontwikkelde mensbeeld bestaat de mens uit lichaam, ziel en geest. Het lichaam, sterk bepaald door erfelijkheid en milieu, verschaft de geest middels de ziel een woning. De geest is de eeuwige wezenskern, de individualiteit, die zich met de geboorte belichaamt en zijn levensplan via ziel en lichaam wil verwezenlijken. De wezenskern is uniek. Geen twee mensen zijn dan ook hetzelfde. Men kan deze wezenskern ook ‘hoger Ik’ noemen. Het hoger Ik gebruikt de ziel als instrument. De ziel, middelaar tussen geest en lichaam, is een bundeling van drie krachtvelden: het denken, het voelen en het willen.

De basis voor de ontplooiing van de wil wordt gelegd in de eerste zeven levensjaren. De grondslag voor de ontplooiing van een rijk en genuanceerd gevoelsleven wordt ontwikkeld in dc tweede zevenjarige periode (7-14 jaar). Na het 14e levensjaar ontwikkelt zich het zelfstandige, kritische denken. Na 21 jaar is de jongere rijp om zelfstandig in het leven te staan; het ik kan nu in de denkkrachten, gevoelskrachten en wilskrachten tot uitdrukking worden gebracht. Volgens de bovengenoemde wetmatigheid ontwikkelen de drie zielskrachten zich spontaan in ieder kind, al brengt het de globale wetmatigheid van de leeftijdsfasen toch op persoonlijke wijze tot uitdrukking.

De eerste zeven jaar (algemeen)
Het kind is in de eerste zeven jaar geheel aan de zintuiglijke indrukken overgeleverd. Het leeft met zijn zintuigen in de hem omringende wereld. Het is geheel oor als het luistert, geheel oog als het kijkt. Er is een onbewuste wilsstroom die op de wereld gericht is en zich uit in de nabootsing. Door de bewegingen na te bootsen ontwikkelt het kind zijn eigen bewegingen.

Lichamelijk presteert het kind dat het zijn eigen lichaam opbouwt. In de antroposofie spreekt men ervan dat het kind het hem geschonken ‘erfelijkheidslichaam’ naar buiten uitstoot en van binnen uit zijn individuele lichaam, de individuele vormen van de organen, opbouwt naar eigen temperament en aanleg. Als afsluiting van dit proces worden de melktanden uitgestoten.

Hoe degelijker en rustiger het lichamelijke fundament gelegd wordt, hoe beter het kind zijn verdere ontwikkeling daarop kan bouwen. Een huis met een slechte fundering stort in.

De eerste fase is dus de lichamelijke fase, het lichaam moet verzorgd worden, gewoonten moeten in deze tijd bijgebracht worden. Bijvoorbeeld goed kauwen, waarbij zowel het fysieke orgaan van de spraak — hetgeen articulatie ten goede komt — als ook het hele verdere lichaam in beweging gezet wordt, met name de bloedstroom en stofwisseling. Eten is ook de verbinding met de aarde.

Het kind moet in deze tijd in de eerste plaats aardeburger worden. Ontvangen we het kind met 4 jaar in de kleuterklas, dan is dit proces in volle gang. De kleuterklas (school) behoort dus eigenlijk een instituut te zijn waar deze processen een vervolg kunnen hebben zodat het kind de gezonde lichamelijkheid kan opbouwen als basis voor het verdere leven.

Het kind van de tandwisseling tot het negende jaar

De ontwikkeling van het kind
De drie zevenjarige perioden, waarin het kind zich tot volwassene ontwikkelt, zijn uitdrukking van de drieledige mens. Lichaam, ziel en geest staan respectievelijk tussen geboorte en mondigheid op de voorgrond.
Wanneer men dezelfde tijd vanuit het psychische wil karakteriseren, mag men zeggen: 0-7 ‘wilsperiode’, 7-14 ‘gevoelsperiode’ en 14-21 ‘denkperiode’ om daarmede aan te geven, dat de eerste periode streefkarakter, de tweede gemoedskarakter en de derde voorstellings- en gedachtekarakter heeft.
Het interessante is, dat in iedere periode weer een spiegeling van deze drieledigheid te vinden is. Populair kan men zeggen: de basisschooltijd is de ‘grote gevoelsfase’, beginnend met een ‘kleine wilsfase’.

Een kleine fase duurt 21/jaar. De basisschooltijd wordt in het lichamelijke gekenmerkt door een vulling van de romp, gevolgd door een strekking van de ledematen. Fysiologisch staat de ontwikkeling van het ritmische systeem op de voorgrond. Langzamerhand ontstaat de harmonische één-op-vier-verhouding tusen ademtocht en hartslag. Het ritmische systeem is de drager van het gemoedsleven, dat zijn culminatie vindt gedurende de kleine gevoelsfase.
De gemoedskrachten zijn op hun beurt gedragen door een machtige fantasiestroom, die omstreeks het vierde jaar begint te vloeien. Men zou de tweede periode ook ‘fantasieperiode’ mogen noemen.
Rond de tandwisseling is uit de kleuter een geheel ander kind gegroeid. Het denken heeft zich geëmancipeerd, zodat het kind kan denken in beelden, die zelfstandig gehanteerd kunnen worden. Intellectueel is het kind nog onrijp, d.w.z. het vermogen om abstracties en het logisch-theoretische op te nemen en te verwerken is nog niet aanwezig. Normaal en goed is het, dat dit vermogen tegen het einde van de schooltijd optreedt.
Wél is het geheugen rijp en klaar wakker. Het kind kan zeer veel opnemen. Abstracties echter belasten het geheugen en maltraiteren het. Inhouden van beeldend karakter echter zijn ‘brood’ voor de kinderziel.
De beelden worden gebracht door de taal. Het kind wordt steeds ontvankelijker voor het woord als zodanig. Beelden die ‘verwoord’ zijn, worden met grote sympathie door het kind opgenomen. Daarvoor is het nodig, dat het kind een leerkracht volgt, die hem tot luisteren kan brengen. De tijd van nabootsing is overgegaan in een tijd van navolging. De leerkracht moet dan ook een autoriteit voor het kind zijn d.w.z. een mens, die gevolgd wordt uit liefde en sympathie. Rudolf Steiner wijst er met klem op, dat eigenlijk alleen een autoriteit het kind tot het ‘luisteren naar een ander’ kan brengen, een belangrijk sociaal vermogen, dat de grondslag vormt voor het latere besef, dat alle menselijke wezens
gelijkwaardig zijn.
Ten slotte moet worden vermeld, dat de wil bij het schoolkind nog voor een groot deel verbonden is met de zintuigprocessen. Zo kan het alleen die leerstof met vrucht opnemen, die op de gehele mens werkt d.w.z. beweging, creatief doen en spelelementen in zich draagt. Juist voor de intellectuele vakken is het
spelelement bij het leren onmisbaar en gezond makend.

Het kind van het negende jaar tot het twaalfde jaar

De ontwikkeling van het kind
De middenmoot van de tweede zevenjaarperiode wordt gekenmerkt door een intensivering van het gevoelsleven. We hebben de gehele basisschooltijd gekenschetst met ‘gemoedsperiode, fantasieperiode’. Nu nadert deze tijd zijn hoogtepunt in de gemoedsperiode. Fantasie-ontwikkeling is zeer noodzakelijk: gemoed in het kwadraat, fantasie in het kwadraat.

Waardoor is het kind zo gevoelvol, kittelorig, onzeker, kritisch en vaak onhebbelijk, wanneer het negende jaar is verstreken? Waardoor ontbreekt het vaak aan moed of goede wil? Waardoor ontstaat die prikkelbaarheid?
Er is een kleine crisis ontstaan. De krachten van het gemoedsleven zijn aan een metamorfose toe, die naar een persoonlijk zielenleven leidt, zeven jaar, nadat omstreeks het vierde levensjaar de totaliteit van het gemoed, de fantasiekracht en het geheugen werden geboren. Deze verdieping brengt mee, dat het Ik niet alleen als Ik-bewustzijn, zoals op het 3e jaar, begint te werken, maar dat nu het Ik als centrum van de ziel zó ver met het gehele lichaam verbonden raakt, dat een beleving ontstaat, van de tegenstelling tussen ik (individualiteit) en wereld (al het andere).
De kracht van het Ik-bewustzijn neemt aanmerkelijk toe, de scheiding tussen het kind en de omgeving, waarin het naïef én vanzelfsprekend leefde, wordt voltrokken. Het zielenleven wordt daardoor zelfstandiger en meer verinnerlijkt. Bij sommige kinderen is het zelfs een schok-achtig beleven. Maar voor ieder kind is het een beleving, die leidt tot onzekerheid, angst en vaak een zekere agressiviteit. Het kind wil nu de gehele wereld (en ook zijn opvoeders!) van een nieuwe zijde leren kennen. Het wil kritisch zijn, maar ook wel bewust gaan achten, waar het voorheen kinderlijk liefhad. Ja, het wil dan ook bemerken, dat deze achting terecht is.

Wel stelt deze levensperiode van het kind de opvoeders en leraren voor problemen, die met wijsheid en tact moeten worden opgelost. Het kind kan zeer ontgoocheld raken tegenover een volwassene.
Een harmonisering treedt op in het 11e jaar. Het kind begint de goede ritmen van pols en adem te krijgen (4 : 1).

Het kind van het twaalfde jaar tot de geslachtsrijpheid

De ontwikkeling van het kind
Het laatste gedeelte van de tweede zevenjaarperiode wordt gekenmerkt door een intensivering van het denk- en voorstellingsleven. De hoogtepunten van de gemoedsperiode (of fantasieperiode) zijn voorbij. Een denken kondigt zich aan, dat het volwassen denken met logische en theoretische functie gaat benaderen en op normale wijze rijp wordt voor abstracties. Lichamelijk is er iets te zien, wat deze ontwikkeling als het ware ondersteunt: de vulling van de romp gaat geleidelijk over in een strekking van de ledematen. Het kind heeft een zeker evenwicht hervonden, het wordt geboeid door de geweldige mogelijkheden die de zintuiglijke waarneming biedt om de wereld te leren kennen. Innerlijk is er iets, wat het kind vooral wil: het wil de waarheid omtrent de wereld leren kennen. Ook fysiologisch is er veel aan de hand. De overschrijding van de twaalfjaargrens is zeker even belangrijk als die van het 9e jaar was. Wat is namelijk het geval? Veel sterker dan voor die tijd begint het kind zich te verbinden met zijn skelet.

Het jongere kind beweegt zich met een vanzelfsprekende gratie door zijn spiersysteem, dat gevoed wordt door de ritmisch circulerende bloedstroom. Maar tegen het twaalfde jaar ‘pakt’ de jonge mens zijn skelet. Van de spieren gaat het via de pezen tot de botten. De bewegingen verliezen ritme en gratie, zij worden hoekig, onhandig en willekeurig. Het kind komt in de zogenaamde ‘vlegeljaren’ en het weet niet, wat het met zijn ledematen beginnen moet.

Maar nu het geestzielenwezen van het kind zich sterker met het mechanische van het skelet verbindt, kan het ook alles met nut en zonder schade opnemen, wat in het leven en in de wetenschap aan mechanische wetmatigheden onderworpen is.

Een hele rij van nieuwe vakgebieden gaat voor het kind op dat moment een rol spelen: meetkunde, algebra, natuurkunde, mechanica, scheikunde, perspectieftekenen.

Het kind wil de wereld in deze mechanische wetmatigheden aan fenomenen leren kennen, het waargenomene doordénken en daaruit conclusies trekken. De wereld moet ‘waar’ voor hem zijn!

.

(Uit ‘Het binnenste buiten”: eindrapportage ‘Project Traditionele Vernieuwingsscholen’ : tevens Schoolwerkplan [van de] Rudolf Steiner Kleuterschool, Voorschoten [en de] Rudolf Steiner school, Leiden. 1985)

.

Het 12-jarige kind

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1409-1320

.

.

VRIJESCHOOL – en vrijheid van onderwijs (2-2)

.

Na 100 jaar vrijeschool kun je niet zeggen dat de beweging heeft bijgedragen aan een grotere ‘vrijheid van onderwijs’; aan de impuls voor een vrijer geestesleven.

Zie voor meer: 100 jaar vrijeschool (1-1)

Toch waren er steeds mensen/ scholen die probeerden bewustzijn te wekken voor de driegeleding of ontplooiden andere initiatieven.

Er verschenen vele artikelen: in het tijdschrift Jonas, maar ook in de schoolkranten van verschillende scholen. Zoals onderstaand artikel:

SOCIALE DRIEGELEDING IN DE VRIJESCHOOL

Ouders besluiten hun kind naar een vrijeschool te laten gaan. De motieven hiertoe kunnen nogal verschillen: van grondige voorkennis tot gevoelsmatige sympathie. Wat ouders, met hun uiteenlopende achtergronden, met de vrijeschool verbindt is: verantwoordelijkheid voor het kind en (h)erkenning van een tot pedagogie vertaalde menskundige visie: de anthroposofie. De zaak is beklonken, het kind gaat naar de vrijeschool. En dan ? Welke rol is vanaf dat moment voor de ouders weggelegd ? Ouders wensen een vrijeschool, leerkrachten vervullen deze wens; zonder aanbod van leraren geen vrijeschoolpedagogie. Maar het college kan naar huis gaan als ouders niet voor hun pedagogische prestaties kiezen! Duidelijk is dat er een sterke wederzijdse afhankelijkheid is.

Democratiseringsstreven
Nu is leven met afhankelijkheden niet zo gemakkelijk voor de moderne mens. Natuurlijk zijn we in de praktijk maar al te afhankelijk van elkaar. Zonder kleermaker stond ik in m‘n blootje voor de klas, etc.. Ook zonder sociale contacten zou niemand mens kunnen zijn. Maar het besef van het intensief vervlochten zijn met de medemens, wordt meestal toegedekt door ons moderne zelfbewustzijn. We emanciperen ons niet alleen uit onze kosmische scheppingsoorsprong (“God is dood”), we maken ons ook los van al te knellende aardse banden. Van slavernij en despotisme tot provo – weg met de regenten! – tot de democratiseringsgolf en het ik-tijdperk. Een streven naar strikte individualisatie en politiek-maatschappelijke mondigheid van: gelijkheid van allen.

Inspraak en democratisering, daar gaat het bekende grapje over: “all animals are equal, but some animals are more equal than others “. Democratie bergt de neiging in zich dat individuen het eigengelijk zo sterk voelen dat men de ander onwillekeurig wegdrukt; de ander mag mij nimmer blokkeren, want hij/zij is niet meer dan ik.
Democratie kan zich alleen ontplooien vanuit het beoefenen van sociale vaardigheid; ik acht mezelf mondig en souverein; dan ken ik dit ook aan de ander toe, ongeacht zijn (haar) door mij vermeende diskwalificaties.

Een tweede voorwaarde tot vruchtbare democratische verhoudingen is het in acht nemen van de wetmatigheden van de sociale driegeleding. Deze is de maatschappelijke afspiegeling in het groot van de drieledige mens naar hoofd, hart en hand in het klein. Anders gezegd: de drieledigheid die macrokosmisch aan de hele schepping ten grondslag ligt, drukt zijn werking microkosmisch uit in de drieledige mens én in een driegelede maatschappij. We weten dat we het kind tekort doen als we de samenklank van denken, voelen en willen niet bewust verzorgen; elk der drie aspecten vraagt een eigen benadering. Evenzo kent het maatschappelijk organisme drie gebieden, elk met eigen wetten en krachten die om erkenning en verzorging vragen. Het op-zich-zelf terecht verlangn naar inspraak en respect voor eigen mondigheid, kan in de school alleen tot zinvolle samenwerking leiden als ze worden ingebed – zeker niet “ingepakt“- in de stroom van de sociale driegeleding. Anderzijds kan het eveneens terechte verlangen van een lerarencollege om zonder dwingende inmenging van ouders aan de pedagogie gestalte te geven, alleen tot zinvolle samenwerking leiden als ook dit verlangen wordt ingebed in de driegeleding. Daarom hierover eerst meer.

Maatschappelijke driegeleding
Onze samenleving wordt ingericht op grond van de denkbeelden en ideeën die heersen in de cultuur. Wat in het algehele cultuurgoed leeft, vindt zijn concretisering in het machtsbedrijf van de politiek. “Een volk krijgt de regering die het verdient”. In ons politiek bestel treffen we twee uitersten aan. Het liberalisme, in zijn ouderwetse variant, vooronderstelt als sociale hoofdwet: de vrije handelingsbevoegdheid van het individu op zoveel mogelijk terreinen. De staat dient de onbelemmerende uitoefening van deze vrijheid te garanderen; de zgn. nachtwakerstaat.

Het socialisme benadrukt, mede als historische reactie op het “ijzervreter”liberalisme, de keerzijde van het individuele egoïsme en komt tot het primaat van de collectiviteit,de zorg voor de sociaal zwakkeren; de zgn. verzorgings- of opvoedingsstaat. Alle spraakmakende politieke partijen kiezen hun positie binnen deze dualiteit. Alle partijen vertegenwoordigen hiermee echter denkbeelden die maar zeer ten dele van doen hebben met de werkelijkheid. Een ingenieur zal zich nooit een onwerkelijke visie kunnen permitteren; zodra de trein door de brug zakt, zal hij moeten corrigeren. Politici daarentegen hebben de macht om onwerkelijke visies zó toe te passen dat de werkelijkheid verwrongen wordt tot zichzelf waarmakende voorspellingen. Met behulp van politieke macht kan men een, op zichzelf geldig deelaspect – hetzij individualisme, hetzij zorg voor de zwakkeren – tot algehele norm verheffen en de maatschappij dienovereenkomstig inrichten. Het simpele feit dat de maatschappij vervolgens überhaupt nog doordraait, kan dan door kapitalisten, resp. socialisten, worden gebruikt om de juistheid van hun visie te propageren. Wat er niet lukt wordt geweten aan het ontwrichte tegenspel van het andere kamp. Zo kun je elke politieke visie “bewijzen”; daarom zijn er nog steeds liberalen, sociaal-democraten, marxisten enz. Ieder voor zich menen zij de juiste hoofdwet te hanteren om vervolgens met een beperkte deelwaarheid het geheel te ruïneren. Wij lijden aan de ziekte van onvolledige maatschappijbeelden.

De volledige mens is drieledig, de volledige maatschappij dito. Drie maatschappelijke gebieden kunnen we onderscheiden, elk met zijn eigen wetmatigheden, zoals R.Steiner ons deed inzien.

Het geestes- of cultuurleven
Dit omvat al het geestelijk-creatieve, als opvoeding en onderwijs, kunst, wetenschap, religie, filosofie, literatuur, recreatie, informatie-stromen e.d. Het is een gebied dat zich alléén kan ontplooien als hier volledige individuele vrijheid geldt. Elke beperking door bv. inhoudelijke overheidsbemoeienis of economische manipulatie, werkt letterlijk geestdodend. Een eenvoudig voorbeeld: als wij samen met Timman tegen wereldkampioen Karpov schaken, zal niemand het in zijn hoofd halen om over elke zet tegen Karpov eerst democratisch te gaan stemmen. We erkennen Timmans superioriteit maar al te graag en hij moet het -voor ons – doen. In geestelijke vermogens zijn (gelukkig) geen twee mensen gelijk. In het geestesleven is vrije concurrentie volkomen op zijn plaats, een leraar die zijn leerlingen verveelt, moet hoognodig plaats maken voor een betere.

De creatieve vermogens van de enkeling komen indirect aan allen ten goede als we de begaafden hun vrijheid laten: uitvinders, kunstenaars, pedagogen, filosofen etc. Elke betutteling leidt op dit vlak tot onvruchtbare grauwheid en apathie. En dan te bedenken dat thans de overheid juist deze sector via de talloze subsidiestelsels plus vrijheidsberovende voorwaarden in haar wurgende greep houdt.

Het rechtsleven
resp. de formele intermenselijke relaties.
Waar het de algemeen menselijke bestaansvoorwaarden betreft mag absoluut geen individuele vrijheid heersen. Ten aanzien van vraagstukken als materiële basisbehoeften, staatsinrichting, belastingstelsel, rechtspraak, veiligheidsbeleid, kernenergie e.d. gaat het niet aan om de ene mens superieur te achten boven de andere mens. De politieke stem van een hoogleraar kernfysica is bij de bepaling van het al of niet gebruiken van kernenergie, niets meer waard dan die van welke andere burger ook. Het ‘one man, one vote’ is hier een eerste vereiste, m.a.w. hier is de basiswet: gelijkheid. Vanuit het algemene rechtsgevoel moeten tevens de randvoorwaarden worden geformuleerd en bewaakt, die het geestes- en het economisch leven volgens hun specifieke wetmatigheden kunnen laten functioneren. Dit is het eigenlijke terrein van de staat. Bijvoorbeeld: de staat garandeert een leerecht, gelijk voor allen, maar bewaakt tevens dat het onderwijs niet kan worden gemanipuleerd, noch door overheidsbetutteling, noch door economische machtsgrepen. Ogenschijnlijk wordt de huidige staat hierdoor veel minder belangrijk. Het waken tegen grensoverschrijdingen van elk der wetmatigheden van de drie gebieden naar een ander gebied toe, vereist echter juist een zeer sterke staat. Bijvoorbeeld ‘gelijkheid’ grijpt het geestesleven, met als mogelijke gevolgen: elk kind moet precies hetzelfde leren of orkesten moeten overheidsprogramma’s spelen. Of ‘vrijheid’ grijpt het economisch leven met als gevolg de moordende jungle van de kapitalistisch sterksten. De staat, als uitvoerend orgaan van het rechtsleven, moet de burgers hiertoe beschermen. M.a.w. het rechtsleven is het enige terrein dat de staat überhaupt mag betreden.

Het economisch leven
Dit omvat alles wat met productiefactoren (inclusief Landbouwgrond en overige natuur) handel en consumptie te maken heeft. Hier geldt het principe van de broederschap , de moeilijkst te duiden basiswet. De actuele arbeidsdeling heeft ertoe geleid dat in feite iedereen werkt voor de anderen. Door de arbeidsdeling leven alle mensen in talloze onderlinge afhankelijkheidsrelaties die een fijn netwerk vormen over de hele wereld. Zodra ik mijn kopje koffie drink, treed ik o.a. in verbinding met een koffieplukker in Colombia. Een en ander wordt echter aan het bewustzijn onttrokken door een komplot van ziekmakende factoren, o.a. privé-eigendom van productiemiddelen, menselijke arbeid als koopwaar, kunstmatig creëren van behoeften, speculatie, aandelenmanipulatie etc. Broederlijkheid daarentegen kan zich ontwikkelen in vormen van overlegeconomie, hier niet nader uit te werken. Volledige vrijheid en rigide gelijkheid mogen op dit terrein in elk geval niet “toeslaan“.

School, ouders en driegeleding
Uit het voorgaande houden we vooraf nog even vast:
– in het schoolorganisme moeten we deze drie gebieden proberen te karakteriseren en af te bakenen, opdat de juiste wetmatigheid op het juiste terrein tot gelding kan komen.
– er moet zorgvuldig worden gewaakt dat er geen ‘grensoverschrijdingen” plaats vinden.
Bovendien moet met nadruk worden gesteld dat het driegeledingsconcept nooit pasklare oplossingen kan bieden. Het zijn richtinggevende ideeën die in elke concrete situatie weer op eigen wijze zullen moeten incarneren. Elke school, personeel en ouders, zal zijn eigen vorm moeten zoeken. In het navolgende gaat het om het aanreiken van handvatten.

Een school staat in het geestesleven en dient derhalve volledig gevrijwaard te zijn van elke inhoudelijke inmenging, zowel van de kant van de staat als van de ouders. In een maatschappij waarin de driegeleding ten enen male ontbreekt, is vergaande lerarenautonomie voor ouders echter allerminst vanzelfsprekend. Vrijeschoolouders krijgen dit bij hun entree wel te horen, maar een discrepantie tussen begripsmatige informatie en diepgewortelde democratische gevoelens, ligt voor de hand.
Daarom is het nodig de ouder-schoolrelatie zo genuanceerd mogelijk te bezien.
Rudolf Steiner heeft voor de eerste oudergroep het volgende geformuleerd (vrij geïnterpreteerd naar “Aan ouders en leraren*, toespraak van R.Steiner, 13 jan. 1921 in Waldorf-Schule te Stuttgart):

De leraren moeten autonoom hun geestelijke prestaties kunnen leveren; in het verlengde hiervan ligt: leraren-zelfbestuur, want er mag geen kloof ontstaan tussen het lesgeven enerzijds en het voorwaarden-organiseren voor dit lesgeven anderzijds. De ouders nemen dit idealiter op met begrip, inzicht en vertrouwen.
de terechte wens tot democratische betrokkenheid van ouders dient zich te manifesteren in de schoolkeuze als zodanig; als de betreffende school teleurstelt, kan men een andere kiezen of een nieuwe oprichten;
om zo’n keuzemogelijkheid te realiseren, dienen ouders politiek-maatschappelijk actief te zijn om algehele vrijheid van onderwijsinrichting af te dwingen;
binnen de school is medebeslissing door oudervertegenwoordiging op zijn plaats inzake de formele regelingen die de dagelijkse gang van het leven beïnvloeden, zoals begin-eindtijden van de schooldagen, vakanties etc.;
* voorts bij alle zaken die vanuit actuele maatschappij-eisen aan de school worden opgelegd, maar die niet organisch passen in het vrijeschoolconcept, bijv. de examenregelingen.

Stefan Leber (“Die Sozialgestalt der Waldorfschule“) voegt hier o.a. nog aan toe:
* leerkracht/college dienen het vertrouwen van de ouders in hun pedagogische autonomie en organisatorische verantwoordelijkheid te bewijzen door een zeer ruime en open communicatie/informatie. Zij moeten de ouders als wederhelft bij de opvoeding van het kind optimaal bij het schoolleven betrekken. De ouders hebben uitdrukkelijk recht op alle relevante informatie vanuit de school; omgekeerd geldt dit uiteraard ook.
*de zuiverheid van het overlegklimaat is gebaat bij een grondige entree-procedure voor nieuwe ouders: een beeld vooraf – liefst schriftelijk- van pedagogische doelstellingen en werkwijze, ontwikkelingspsychologie, leerplan, schoolorganisatie, financiën e.d.; alle tussentijdse wijzigingen in zo’n “contract” vragen wellicht om overleg met een oudervertegenwoordiging.

Zo zien we dat binnen de school als instituut van het vrij geestesleven toch ook weer drie sub-systemen zijn te onderscheiden:

*geestesleven: de vrije inhoudgeving aan de pedagogie en de voorwaardenscheppende organisatie door het college;
uitwisseling van inhouden en meningen, ook tussen leraron en ouders.

*rechtsleven: in het groot een vrijeschoolkeuze binnen het recht op realisatie van vrij geestesleven. In hot kloin binnen de school spelregels t.a.v. formele regelingon, keuzes t.a.v. maatschappelijke invloeden, recht op informatie, bijv. een minimum aan klasse/algemene ouderavonden en “entree-contract“; andere afspraken rond ouderoverleg

Met name is ook van belang het onderscheid leren maken tussen ouderresponse op beslissingen die vallen onder de lerarenautonomie en ouder-medebeslissingen bij zaken die vallen onder het “rechtsgebied” van de zakelijke regelingen en afspraken.
Het gaat bij dit alles niet om machtsvragen, maar om vragen van communicatie en tussen-menselijke verhoudingen.
Meer een kwestie van mentaliteit dan van formaliteit.

*economisch leven : het werken voor de ander: leraren voor kinderen en daarmee voor hun ouders; ouders voor school middels hun financiële bijdragen, praktische hulp en actief meedenken; ouders die zich langs de zijlijn opstellen, plaatsen zich onvoldoende in de ‘economie’ van de school {stimulansen om dit wél te doen, kunnen uitgaan van een goed ontwikkeld geestes- en rechtsleven).

Maarten Ploeger, nadere gegevens onbekend

.

Vrijeschool en driegeleding

vrijeschool en vrijheid van onderwijs: alle artikelen

Sociale driegeleding: alle artikelen

.

1408-1319

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 301 – vragenbeantwoording (1)

.
Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com

GA 301: vertaling
inhoudsopgave;     voordracht:   [1]  [2]  [3]  [4]  [5]  [6]  [7]  [8]  [9]  [10]  [11]  [12]  [13]  [14]  [vragenbeantwoording bij de 4e vdr]

RUDOLF STEINER:

DE VERNIEUWING VAN DE PEDAGOGISCH-DIDACTISCHE KUNST DOOR GEESTESWETENSCHAP

14 voordrachten gehouden te Bazel van 20 april tot en met 11 mei 1920, met vragenbeantwoording en inleidende woorden bij twee euritmieopvoeringen [1]

Vragenbeantwoording bij de eerste voordracht [2]

blz. 232

Fragenbeantwortung im Anschluß an den ersten Vortrag

Es ist ja sehr natürlich, daß bei einem solchen Vortragskursus in einem ersten Vortrage nicht alles gesagt werden kann, daß sich man­ches, was in der Einleitung nur angedeutet ist, gerade in der Folge derselben ergeben wird, und daß daher auch solche Fragen gestellt werden können, die in den folgenden Vorträgen aus dem Zusammen-hange heraus zur Beantwortung kommen. Dennoch möchte ich bitten, daß schon heute Fragen gestellt werden. Sie könnten das ja auch so machen, daß die Fragen aufgeschrieben werden, und dann ist es mög­lich, die folgenden Vorträge so zu halten, daß die Fragen im Laufe des Kursus im Zusammenhange dann beantwortet werden. Also es ist durchaus nicht unnötig oder überflüssig, solche Fragen auch heute oder besonders morgen, wo man sich einiges überlegt hat, zu stellen.
Es liegt nun bereits eine schriftliche Frage hier vor, mit der Bitte um eine Andeutung, wie ein einseitig für Mathematik und Naturwissen­schaft begabter Knabe, im dritten Lebensalter, also nach derGeschlechts­reife stehend, der gar keine Begabung für fremde Sprachen hat, be­handelt werden kann.

VRAGENBEANTWOORDING IN AANSLUITING BIJ DE 1E VOORDRACHT

Het is vanzelfsprekend dat bij zo’n voordrachtencursus in de eerste voordracht niet alles gezegd kan worden, dat er nog veel, wat in de inleiding slechts aangeduid is, nu juist in het verloop van de cursus zal volgen en dat daardoor ook zulke vragen gesteld kunnen worden, die in de volgende voordrachten vanuit de samenhang, beantwoord worden. Toch zou ik u willen verzoerken om nu vragen te stellen. U kan de vragen ook opschrijven en dan is het mogelijk om de volgende voordracht zo te houden dat de vragen in de loop van de cursus samenhangend beantwoord worden. Dus het is zeker niet onnodig of overbodig dergelijke vragen ook vandaag of in het bijzonder morgen, wanneer u een en ander overdacht heeft, te stellen.
Ik heb hier een schriftelijke vraag met het verzoek om een aanwijzing te geven hoe je met een eenzijdig voor wis- en natuurkunde begaafde jongen, in de derde levensfase, dus na de geslachtsrijpheid, die helemaal geen aanleg voor taal heeft, om moet gaan.

Nun, das ist allerdings gerade eine solche Frage, die mit sehr vielem, das ich ausführlich behandeln werde, zusammenhängt. In den nächsten Vorträgen werde ich ausführlich behandeln diese besonderen speziali­sierten Begabungen und werde auch zeigen, wie man solche speziali­sierten Begabungen nach der einen Seite in den Dienst der Gesamt-entwickelung des Menschen stellen kann, auf der anderen Seite aber sie harmonisieren kann, dadurch, daß man in einer Weise gerade pädago­gisch vorgeht. Also im einzelnen wird darüber schon viel gesprochen werden in der nächsten Zeit. Aber ich möchte, um dem Fragesteller gegenüber nicht ganz unhöflich zu sein, das Folgende darüber sagen.
Die einseitige Begabung der Knaben – sie ist in seltener Weise auch bei Mädchen vorhanden, aber da ist sie ja so selten, daß die Betreffen­den in der Regel sogar ausführlich Biographien, die man studieren kann, bekommen, weil sie dann berühmte Mathematiker werden -,

Nu, dat is zo’n vraag die met heel veel samenhangt wat ik uitvoerig zal behandelen. In de volgende voordrachten zal ik die bijzonder gespecialiseerde aanleg behandelen en ook laten zien hoe je die aan de ene kant in dienst kan stellen van de totale ontwikkeling van de mens, aan de andere kant echter die in harmonie kan brengen door op een bepaalde manier pedagogisch te handelen. Dus daarover zal de komende tijd veel gesproken worden. Maar om niet onbeleefd te zijn tegen de vraagsteller, zou ik het volgende erover willen zeggen.
De eenzijdige aanleg bij jongens – in meer zeldzame gevallen ook bij meisjes, maar daar komt het zo zelden voor dat aan de betreffenden in de regel zelfs uitvoerige biografieën gewijd worden, omdat ze dan beroemde wiskundigen zijn geworden –

blz. 233

diese einseitige Begabung für Mathematik und Naturwissenschaften, die beruht im wesentlichen darauf, daß ein scheinbar recht unbedeu­tendes Organ des Menschen fein ausgebildet ist. Vielleicht wissen die meisten von Ihnen, daß in solchen Familien, wie zum Beispiel in der Familie der Bernoulli, durch acht Generationen hindurch einzelne Mit­glieder der Familie ganz besonders begabt waren für Mathematik. An­dererseits, nicht wahr, weiß man ja auch, daß in der Familie der Bach eine ganze Menge großer und kleiner Bache und Bächlein waren, die allerbegabtest in musikalischer Beziehung waren. Bei solcher Begabung für Mathematik und für die mathematische Gestaltung der Natur­wissenschaft – manchmal sind gerade physikalisch und mathematisch sehr gut begabte Knaben nicht geeignet für die Beobachtung, sagen wir zum Beispiel in der Botanik oder in der Zoologie, sie sind manchmal gute Kristallographen zugleich, aber sie sind nicht sehr begabt für die Beobachtung der eigentlichen physikalischen Eigenschaften der Minera­lien, das alles kann man in den verschiedensten Nuancierungen er­leben -, da ist ganz besonders stark ausgebildet ein scheinbar unbe­trächtliches Organ, nämlich die sogenannten drei halbzirkelförmigen Kanäle in dem menschlichen Hörorgan. 

deze eenzijdige aanleg voor wis- en natuurkunde berust in wezen op een fijn ontwikkeld orgaan van de mens dat schijnbaar heel onbelangeijk is. Misschien weten de meesten van u dat in die families, zoals bijv. de familie Bernouilli, door acht generaties heen enkele leden van de familie heel bijzonder begaafd waren voor wiskunde. Aan de andere kant, niet waar, weet men ook, dat er in de familie van Bach nog al wat grote en kleine Bachs waren die heel erg begaafd waren voor muziek. Bij beide begaafdheden, voor wiskunde en voor de wiskundige natuurwetenschap – vaak zijn juist jongens met een goede aanleg voor het natuur- en wiskundige, niet zo in staat, laten we zeggen om bijv. waarnemingen te doen bij plant- en dierkunde, tegelijkertijd zijn het vaak goede kristallografen, maar ze zijn niet zo begaafd voor het waarnemen van de eigenlijke natuurkundige eigenschappen van de mineralen – is  een schijnbaar nietig orgaantje bijzonder sterk gevormd, namelijk de drie zogenaamde half cirkelvormige kanaaltjes in het menselijk gehoororgaan.

Diese drei aufeinander senk­recht stehenden kleinen Gehörknöchelchen, die können beim Menschen so gestimmt sein, daß sie ein sehr ausgeprägtes Raum- und Zahlen-gefühl mit sich führen, oder aber, daß das weniger der Fall ist, so daß also diese Begabung besonders damit zusammenhängt. Nun aber, wenn der menschliche Organismus nach dieser einzelnen Lokalität hin -wenn ich mich so ausdrücken darf – besonders ausgebildet ist, so be­dingt das, daß herausgeholt ist diese besondere Begabung aus dem eigentlichen Gehörorgan. Nämlich im Gehörorgan, in der Totalität des Gehörorgans sind zusammengefügt die eigentlichen Organe für das Hören, die wiederum einen inneren Zusammenhang haben mit den Organen des Sprechens, und die Organe für den Gleichgewichts- und Zahlensinn. Diese sind gewissermaßen zusammengeschweißt. Ist der Mensch einseitig nach den Gehörsknöchelchen hin ausgebildet, die in den drei halbzirkelförmigen Kanälen zutage treten, so geht diese Be­gabung auf Kosten der anderen Begabung für das Hören der Sprach-laute und so weiter, und namentlich für das Hören des Sprachauf­baues. Diese Begabung ist zu kurz gekommen, und die Folge davon ist, daß dann gerade solche mathematisch gut begabte Kinder weniger sprachbegabt sind. Da hilft dann nichts anderes, als daß man versucht,

Deze drie loodrecht op elkaar staande kleine gehoorsbeentjes kunnen bij de mens zo afgestemd zijn, dat ze een zeer duidelijk gevoel voor ruimte en getallen met zich mee brengen of ook wel, dat dat in mindere mate het geval is, zodat dus deze aanleg daarmee in het bijzonder samenhangt. Nu echter, als het menselijk organisme wat deze plek betreft – als ik het zo mag zeggen – bijzonder ontwikkeld is, dan wil dat zeggen dat deze bijzondere begaafdheid uit het eigenlijke gehoororgaan wordt gehaald. In het gehoororgaan namelijk, in z’n totaliteit, zijn bij elkaar gevoegd de eigenlijke organen voor het horen die ook weer een innerlijke samenhang hebben met de spraakorganen en de organen voor het evenwicht en voor gevoel voor getallen. Die zijn in zekere zin met elkaar verbonden. Is de mens eenzijdig ontwikkeld wat betreft de gehoorsbeentjes die in die drie halfcirkelvormige kanalen zitten, dan gaat de aanleg ten koste van de andere aanleg voor het horen van de spraakklanken. Deze aanleg is tekort gekomen en het gevolg daarvan is dat dan juist die wiskundig goed begaafde kinderen minder begaafd zijn voor taal. Dan helpt er niets anders dan dat je probeert

blz. 234

gewissermaßen früher anzufangen gerade bei solchen Kindern, sobald man bemerkt, daß die mathematische Begabung zu stark nach der Einseitigkeit hinspielen könnte, mit dem Sprechenlernen es so zu halten, daß man möglichst, ohne auf das Intellektuelle einen starken Wert zu legen, also möglichst ohne auf den grammatikalischen Satzbau und dergleichen einen starken Wert zu legen, das Sprechenlernen her­anzuerziehen an der rhythmischen Sprache. Wenn man versucht, solche Kinder auswendig lernen zu lassen, ohne daß sie besonders auf den Inhalt eingehen, sondern nur Freude am Rhythmus der Sprache haben, Gedichte in der fremden Sprache, kleine Gedichte auswendig lernen zu lassen und dann erst dasjenige, was sie zuvor bloß lautlich aufge­nommen haben, umzusetzen in das Verstehen, also das Verstehen aus dem zu holen, was sie schon in sich tragen, dann erfährt man, daß sie in der Tat, wenn man nur früh genug beginnt, die Einseitigkeit über­winden können. Es ist überhaupt notwendig, wie wir in den folgenden Vorträgen sehen werden – wir haben in der Waldorfschule in Stutt­gart durchaus zu dieser Praxis gegriffen -, es ist durchaus notwendig, gerade um das siebente, achte Lebensjahr nicht von einer intellektuellen Erziehung auszugehen, sondern von einer mehr ins Künstlerische hineingehenden Erziehung. 

zo gauw je merkt dat bij die kinderen de aanleg voor wiskunde te sterk naar eenzijdigheid neigt, wat vroeger te beginnen met het leren spreken en dat je zoveel mogelijk, zonder te veel nadruk te leggen op het intellectuele zoveel mogelijk nadruk legt op de grammaticale zinsbouw e.d. en het leren spreken ontwikkelt door ritmisch spreken. Wanneer je probeert die kinderen uit het hoofd te laten leren zonder dat ze te veel op de inhoud ingaan, maar plezier beleven aan het ritme bij het spreken, gedichten in de niet-Nederlandse taal, kleine gedichten uit het hoofd laat leren, die te laten vertalen voor het begrijpen ervan, dus het begrip te halen uit wat ze zelf al beleven, kennen, ervaar je dat zij daadwerkelijk, als je maar vroeg genoeg begint, die eenzijdigheid kunnen overwinnen. Het is beslist noodzakelijk zoals we in de komende voordrachten zullen zien – we hebben in de vrijeschool in Stuttgart met name dit in de praktijk gebracht – beslist noodzakelijk dat je met name rond het zevende, achtste levensjaar niet uitgaat van een intellectuele opvoeding, maar van een die meer kunstzinnig is.

So daß man zum Beispiel nicht das Schreiben auf intellektuelle Weise beibringt aus den Buchstabenformen heraus, sondern beibringt nach und nach aus einer Art prirnitiyen Zeichnens. Man entwickelt dadurch mehr den Willen als den Intellekt, während man beim heutigen Schreiben zu stark zum Intellekt spricht, und da­durch nimmt man den ganzen Menschen in Anspruch. Dadurch werden einzelne einseitige Begabungen in einer gewissen Weise ausgeglichen. So also ist das zu erreichen.
Wenn nun auch gefragt wird, wie das Gedächtnis für das orthogra­phische Wortbild zu wecken ist, so glaube ich – ich werde auch dar­über noch in den nächsten Vorträgen viel sprechen -, daß dazu not­wendig ist eine gute Beobachtung der Verschiedenheit der menschlichen Kräfte in den drei aufeinanderfolgenden Lebensepochen bis zum Zahn-wechsel, bis zur Geschlechtsreife, dann über die Geschlechtsreife hinaus bis in das 20. Lebensjahr hinein. Man muß einen Beobachtungssinn für diese drei Lebensepochen in der Verschiedenheit ihrer spezifischen Lebenskräfte entwickeln. Man wird nämlich merken – ich glaube über diese Sache ganz besonders sachgemäß sprechen zu können aus Grün­den heraus, die Sie vielleicht zwischen den Zeilen dessen, was ich sagen

Zodat je bijv. niet het schrijven op een intellectuele manier aanleert uit de lettervorm, maar langzamerhand uit een soort eenvoudig tekenen. Je ontwikkelt daardoor meer de wil dan het intellect, terwijl we bij het gangbare schrijven te sterk het intellect aanspreken en daardoor [door op de wil te werken] spreek je de hele mens aan. Daardoor wordt een bepaalde eenzijdige aanleg op een bepaalde manier vereffent. Zo is dat dus te bereiken.
Wanneer er ook wordt gevraagd hoe het onthouden voor het juist geschreven woordbeeld gewekt kan worden, denk ik – daar zal ik het in de komende voordrachten nog uitvoerig over hebben – dat daarvoor nodig is een goed waarnemen van de verschillen van de menselijke krachten in de drie op elkaar volgende leeftijdsfasen, tot de tandenwisseling, de puberteit en tot in het 20e levensjaar. Je moet een goede opmerkingsgave ontwikkelen voor deze drie leeftijdsfasen voor wat betreft de verschillen in hun specifieke levenskrachten. U zal namelijk merken – ik denk dat ik over deze zaak heel adequaat kan spreken om redenen die u misschien tussen de regels hoort van wat ik

blz. 235

werde, merken werden -, man kann merken, daß Leute, welche bis zu ihrem fünfzehnten Lebensjahr gar keinen Sinn haben für das ortho­graphische und namentlich grammatikalische Wortbild oder Satzbild, für ihre Muttersprache nicht einmal, geschweige denn für eine fremde Sprache, daß sie, wenn man sie so behandelt, daß man sie auf das Rhythmische, Taktmäßige hinweist, dann wie aus Untergründen der Seele nach dem fünfzehnten Jahre das von selbst nachholen. Es ist des­halb wirklich recht unangemessen, zu großen Wert darauf zu legen, wenn man Kinder, bei denen man sonst eine gute Begabung bemerkt, zurückläßt aus dem Grunde, weil sie etwa für orthographische Wort­bildung oder für orthographische Sätze oder dergleichen nun keine be­sondere Begabung zeigen. Studieren Sie, was Goethe zusammengeschrie­ben hat in seiner Knabenzeit, und wie er mit wenigem auf ganz intimem Fuße mit der Grammatik und namentlich auch mit der Orthographie gestanden hat, als er schon ziemlich erwachsen war, so werden Sie doch ein sehr anderes Urteil gewinnen, als man sehr häufig hat, wenn man sieht, daß nun ein Bube oder Mädchen, das schon dreizehn Jahre alt geworden ist, noch nicht einmal orthographisch schreiben kann. An­statt immer zu bedauern, sie können nicht orthographisch schreiben, und immerfort zu fragen: Was soll man denn tun, damit sie nun or­thographisch schreiben lernen? – wäre es viel günstiger, darüber nach­zudenken: Wo stecken denn eigentlich die wirklichen Fähigkeiten,:
wenn sie nicht da drinnen sind? – und aufzusuchen gerade das Gebiet, wo die wirklichen Fähigkeiten stecken, um dann auf irgendeine Weise die Brücke zu finden, um eventuell auch dasjenige noch hineinzubrin­gen, was in solche Leute hineingebracht werden muß.
Sie werden immer sehen, wenn Sie bei einseitig mathematisch begab­ten Kindern stark das künstlerische Element betonen in der Erziehung, daß sich das immer ausgleichen wird.

ga zeggen, – je kan zien dat mensen die tot hun vijftiende jaar helemaal geen gevoel hadden voor zonder spelfouten schrijven, met name voor het grammaticale woordbeeld of zinsbeeld in hun moedertaal, laat staan dus bij een andere taal, zij, wanneer je ze zo behandelt dat je ze op het ritmische wijst, op de maat, dan uit het onderbewuste van de ziel na het vijftiende jaar, dat vanzelf inhalen. Het heeft daarom niet zoveel zin om bij kinderen die goed begaafd zijn er te veel waarde aan te hechten, omdat ze voor juist gespelde woorden of juist opgestelde zinnen e.d. niet al te veel aanleg tonen. Bestudeer eens wat Goethe geschreven heeft als jongen en hoe hij niet op al te goede voet stond met grammatica en orthografie toen hij al tamelijk volwassen was, dan komt u toch nog tot een heel ander oordeel dan men tegenwoordig vaak heeft, wanneer men ziet dat een jongen of een meisje dat al dertien geworden is, nog niet eens zonder fouten schrijven kan. In plaats van steeds erg te vinden dat ze nog niet zonder fouten kunnen schrijven en steeds weer te vragen: wat moet je doen om ze zonder fouten te lerern schrijven, is het veel gunstiger erover na te denken: waar zitten nu de echte begaafdheden, als ze daar niet zitten? en te zoeken op welke gebieden de echte begaafdheden zitten om dan op een of andere manier de brug te vinden om eventueel ook nog te ontwikkelen wat er in deze mensen ontwikkeld moet worden
U zal steeds zien wanneer u bij een kind met een eenzijdig wiskundige aanleg sterk de nadruk legt op het kunstzinnige element in de opvoeding, dat dit elkaar opheft.

[1]  GA 301: Die Erneuerung der pädagogisch-didaktischen Kunst durch Geisteswissenschaft

[2] vragenbeantwoording  (Duits)
.

Rudolf Steiner over pedagogie

Rudolf Steineralle artikelen

.

1407-1318

.

.

VRIJESCHOOL – Vrijeschool en driegeleding

.

VRIJE SCHOOL EN DRIEGELEDING

Artikel van Rudolf Steiner uit de jaren 1919 – 1921.

blz. 35/36

FREIE SCHULE UND DREIGLIEDERUNG

Die öffentliche Pflege des Geisteslebens in Erziehung und Schule ist in der neueren Zeit immer mehr zur Staatssache geworden. Daß das Schulwesen eine vom Staat zu besor­gende Angelegenheit sei, wurzelt gegenwärtig so tief im Bewußtsein der Menschen, daß, wer an diesem Urteil rütteln zu müssen vermeint, als ein weltfremder «Ideologe» angesehen wird. Und doch liegt gerade auf diesem Lebens-gebiete etwas vor, das der allerernstesten Erwägung bedarf. Denn diejenigen, die in der angedeuteten Art über «Wek­fremdheit» denken, ahnen gar nicht, welch eine weltfremde Sache sie selbst verteidigen. Unser Schulwesen trägt ganz besonders die Charakterzüge an sich, die ein Abbild sind der niedergehenden Strömungen im Kulturleben der gegen­wärtigen Menschheit. Die neueren Staatsgebilde sind mit ihrer sozialen Struktur den Anforderungen des Lebens nicht gefolgt. Sie zeigen zum Beispiel eine Gestaltung, die den wirtschaftlichen Forderungen der neueren Menschheit nicht genügt. Sie haben diese Rückständigkeit auch dem Schulwesen aufgedrückt, das sie, nachdem sie es den Religionsgemeinschaften entrissen, ganz in Abhängigkeit von sich gebracht haben. Die Schule auf allen ihren Stufen bildet die Menschen so aus, wie sie der Staat für die Lei­stungen braucht, die er für notwendig hält. In den Ein­richtungen der Schulen spiegeln sich die Bedürfnisse des Staates.

De openbare verzorging van het geestesleven in opvoeding en school is in de laatste tijd steeds meer tot staatsaangelegenheid geworden. Dat het schoolwezen een aangelegenheid is, die door de staat behartigd zou moeten worden, wortelt tegenwoordig zo diep in het bewustzijn van de mensen, dat degene die aan deze mening meent te moeten tornen, voor een wereldvreemde “ideoloog” wordt aangezien.

En toch doet zich op dit levensterrein iets voor dat de allerernstigste overweging behoeft. Want zij, die op de daarnet aangeduide wijze over wereldvreemdheid denken, vermoeden in het geheel niet, wat voor wereldvreemde zaak zij zelf verdedigen.
Ons schoolwezen in het bijzonder draagt de karaktertrekken, die de neergaande stromingen in het cultuurleven van de tegenwoordige mensheid kenmerken.
De nieuwere staatsvormen zijn met hun sociale structuur de eisen van het leven niet gevolgd. Zij vertonen bijvoorbeeld een vormgeving, die niet voldoende is voor de economische eisen van de moderne mensheid. Deze staatvormen hebben het stempel van achterlijkheid ook aan het schoolwezen opgedrongen, dat zij, nadat zij het aan de geloofsrichtingen hebben onttrokken, geheel van zich afhankelijk hebben gemaakt. In alle fasen geeft de school de mensen een zodanige vorming, als de staat voor de verrichtingen nodig heeft, die zijzelf noodzakelijk acht. De inrichting van de school is een afspiegeling van de behoeften van de staat.

Man redet zwar viel von allgemeiner Menschenbildung und ähnlichem, das man anstreben will; aber der neuere Mensch fühlt sich unbewußt so stark als ein Glied der staatlichen Ordnung, daß er gar nicht bemerkt, wie er von der allgemeinen Menschenbildung redet und eigentlich die Ausbildung zum brauchbaren Staatsdiener meint.
In dieser Beziehung verspricht die Gesinnung der soziali­stisch Denkenden von heute nichts Gutes. Man will den alten Staat umwandeln in eine große Wirtschaftsorganisation. In diese hinein soll sich fortsetzen die Staatsschule. Diese Fortsetzung würde alle Fehler der gegen­wärtigen Schule in bedenklichster Art vergrößern. Bisher steckte in dieser Schule noch manches, was Zeiten ent­stammte,

Weliswaar spreekt men veel van algemene vorming en dergelijke, waarnaar men wil streven; maar de mens van heden voelt zich onbewust zo sterk een lid van die geordende staat, dat hij helenaal niet bemerkt, hoe hij spreekt van algemene vorming en eigenlijk de opleiding tot een bruikbare staatsdienaar bedoelt.

In dit verband belooft de gezindheid van de socialistisch denkenden van heden niet veel goeds, men wil de oude staat omvormen in een grote economische organisatie. De staatsschool moet zijn voortzeting vinden in die organisatie. Deze voortzetting zou alle feilen van de tegenwoordige school op de meest bedenkelijke wijze vergroten. Tot nu toe zat in deze school nog veel,

blz. 37

in denen der Staat noch nicht Beherrscher des Unterrichtswesens war. Man kann natürlich die Herrschaft des Geistes nicht zurückwünschen, der aus diesen alten Zeiten stammt. Aber man müßte bestrebt sein, den neuen Geist der fortentwickelten Menschheit in die Schule hinein-zutragen. Dieser Geist wird nicht darinnen sein, wenn man den Staat in eine Wirtschaftsorganisation umwandelt und die Schule so umgestaltet, daß aus ihr Menschen hervor­gehen, die die brauchbarsten Arbeitsmaschinen in dieser Wirtschaftsorganisation sein können. Man spricht heute viel von einer «Einheitsschule». Daß man sich theoretisch unter dieser Einheitsschule etwas sehr Schönes vorstellt, darauf kommt es nicht an. Denn, wenn man die Schule als ein organisches Glied einer Wirtschaftsorganisation aus-gestaltet, so kann sie nicht etwas Schönes sein.

dat uit tijden stamde waarin de staat nog niet de beheerser van het onderwijs was. Men kan natuurlijk de geestesgesteldheid die uit de oude tijden stamde, niet terug verlangen. Maar men zou er naar moeten streven, de nieuwe geest van de mensheid, die zich verder ontwikkeld heeft, in de school te brengen. Deze geest zal daarin niet zijn, wanneer men de staat in een economische organisatie verandert en de school zodanig omvormt, dat mensen daaruit voortkomen die de best bruikbare arbeidsmachines in deze economische organisatie kunnen zijn. Men spreekt heden ten dage veel over een ‘eenheidsschooi”. Dat men zich theoretisch bij deze eenheidsschool iets heel moois voorstelt, daarop komt het niet aan. Want, wanneer men de school de vorm geeft van een organisch lid van een economische organisatie, kan zij niet iets moois zijn.

Worauf es der Gegenwart ankommen muß, das ist, die Schule ganz in einem freien Geistesleben zu verankern. Was gelehrt und erzogen werden soll, das soll nur aus der Er­kenntnis des werdenden Menschen und seiner individuellen Anlagen entnommen sein. Wahrhaftige Anthropologie soll die Grundlage der Erziehung und des Unterrichtes sein. Nicht gefragt soll werden: Was braucht der Mensch zu wissen und zu können für die soziale Ordnung, die besteht; sondern: Was ist im Menschen veranlagt und was kann in ihm entwickelt werden? Dann wird es möglich sein, der sozialen Ordnung immer neue Kräfte aus der heranwach­senden Generation zuzuführen. Dann wird in dieser Ordnung immer das leben, was die in sie eintretenden Vollmenschen aus ihr machen; nicht aber wird aus der heranwachsenden Generation das gemacht werden, was die bestehende soziale Organisation aus ihr machen will.

Waar het in de huidige tijd op aan moet komen, is, de school geheel in een vrij geestesleven te verankeren. Wat onderwezen en opgevoed moet worden, dat moet uitsluitend aan het inzicht in de wordende mens en zijn individuele aanleg ontleend zijn. Waarachtige antropologie moet de grondslag van de opvoeding en van het onderricht zijn. Er moet niet gevraagd worden: wat moet de mens weten en kunnen voor de sociale orde zoals die bestaat; maar: wat voor aanleg ligt in de mens en wat kan er in hem tot ontwikkeling komen? Dan zal het  mogelijk zijn steeds weer nieuwe krachten uit de opgroeiende generatie aan de sociale orde toe te voeren. Dan zal in deze orde altijd datgene leven, wat de daarin binnentredende volledige mensen uit haar maken; maar uit de opgroeiende generatie zal niet datgene worden gemaakt, wat de bestaande sociale organisatie uit haar wil maken.

blz. 38

Ein gesundes Verhältnis zwischen Schule und sozialer Organisation besteht nur, wenn der letzteren immer die in ungehemmter Entwickelung herangebildeten neuen indi­viduellen Menschheitsanlagen zugeführt werden. Das kann nur geschehen, wenn die Schule und das Erziehungswesen innerhalb des sozialen Organismus auf den Boden ihrer Selbstverwaltung gestellt werden. Das Staats- und Wirt­schaftsleben sollen die von dem selbständigen Geistesleben herangebildeten Menschen empfangen; nicht aber sollen sie, nach ihren Bedürfnissen, deren Bildungsgang vorschrei­ben können. Was ein Mensch in einem bestimmten Lebens­alter wissen und können soll, das muß sich aus der Men­schennatur heraus ergeben. Staat und Wirtschaft werden sich so gestalten müssen, daß sie den Forderungen der Men­schennatur entsprechen. Nicht der Staat oder das Wirtschaftsleben haben zu sagen: 

Een gezonde verhouding tussen school en sociale organisatie bestaat alleen, wanneer aan die organisatie altijd de nieuwe menselijke mogelijkheden toegevoerd worden die in een onafgeremde ontwikkeling hun vorming hebben ontvangen. Dat kan alleen gebeuren wanner de school en het opvoedingsapparaat binnen het sociale organisme op de bodum van eigen beheer worden geplaatst. Het staatsleven en het economische leven moeten de door het zelfstandige geestesleven gevormde mensen in ontvangst nemen; maar ze moeten niet, al naar hun behoefte, de vormingsweg van die mensen kunnen voorschrijven. Wat een mens op een bepaalde leeftijd moet weten en kunnen dat moet tevoorschijn komen uit de natuur van de mens. Staat en economie zullen een zodanige vorm aan moeten nemen, dat zij overeen komen met de menselijke natuur. Niet de staat of het economische leven hebben voor het zeggen:

So brauchen wir den Menschen für ein bestimmtes Amt; also prüft uns die Menschen, die wir brauchen und sorgt zuerst dafür, daß sie wissen und können, was wir brauchen; sondern das geistige Glied des sozialen Organismus soll aus seiner Selbstverwaltung heraus die entsprechend begabten Menschen zu einem gewissen Grade der Ausbildung bringen, und Staat und Wirtschaft sollen sich gemäß den Ergebnissen der Arbeit im geistigen Gliede einrichten.
Da das Leben des Staates und der Wirtschaft nichts von der Menschennatur Abgesondertes sind, sondern das Er­gebnis dieser Natur, so ist niemals zu befürchten, daß ein wirklich freies, auf sich selbst gestelltes Geistesleben wirk­lichkeitsfremde Menschen ausbildet. Dagegen entstehen solche lebensfremde Menschen gerade dann, wenn die be­stehenden Staats- und Wirtschaftseinrichtungen das Erziehungs-

zo hebben we de mensen nodig voor bepaalde arbeid; examineer daarom de mensen voor ons, die we nodig hebben en zorg er allereerst voor dat ze weten en kunnen wat wij nodig hebben; maar de geestesgeleding van het sociale organisme moet vanuit zijn eigen beheer de overeenkomstig begaafde mensen tot een zekere graad van opleiding brengen, en staat en economie moeten ingericht worden in overeenstemming met de resultaten van deze arbeid binnen de geestgeleding. Daar het leven van de staat en de economie niet iets is dat afzonderlijk is van de menselijke natuur, naar het voortbrengsel van deze natuur, daarom hoeft men nooit te vrezen dat een vrij, op zichzelf gesteld geestesleven werkelijkheidsvreemde mensen zou opleiden. Daarentegen ontstaan zulke levensvreemde mensen juist dan, wanneer de bestaande staats- en economische instellingen het opvoedings- en

blz. 39

und Schulwesen von sich aus regeln. Denn in Staat und Wirtschaft müssen die Gesichtspunkte innerhalb des Bestehenden, Gewordenen eingenommen werden. Zur Ent­wickelung des werdenden Menschen braucht man ganz andere Richtlinien des Denkens und Empfindens. Man kommt als Erzieher, als Unterrichtender nur zurecht, wenn man in einer freien, individuellen Weise dem zu Erziehen­den, zu Unterrichtenden gegenübersteht. Man muß sich für die Richtlinien des Wirkens nur abhängig wissen von Erkenntnissen über die Menschennatur, über das Wesen der sozialen Ordnung und ähnliches, nicht aber von Vorschriften oder Gesetzen, die von außen gegeben werden. Will man ernstlich die bisherige Gesellschaftsordnung in eine solche nach sozialen Gesichtspunkten überleiten, so wird man nicht davor zurückschrecken dürfen, das geistige Leben – mit dem Erziehungs- und Schulwesen – in seine eigene Ver­waltung zu stellen. 

schoolwezen van zich uit regelen. Want in staat en economie moeten de gezichtspunten ingenomen worden binnen het bestaande en gewordene. Voor de ontwikkeling van de wordende mens heeft men heel andere richtlijnen voor het denken en voor het waarnemen nodig. Men komt als opvoeder, als onderwijsgevende alleen maar goed op gang, wanneer men op een vrije, individuele wijze tegenover de op te voeden of te onderrichten mens staat. Men moet zich ten aanzien van de richtlijnen in deze werkzaamheden afhankelijk weten van inzichten in de menselijke natuur, in het wezen van de sociale orde en dergelijke maar niet van voorschriften of wetten, die van buitenaf worden gegeven. Wanneer men er ernst mee wil maken, de maatschappelijke ordening die nu geldt te doen overgaan in een ordening volgens sociale gezichtspunten, dan mag men er niet voor terugschrikken, het geestelijk leven —met het opvoe-dings- en het schoolwezen – in een eigen beheer te plaatsen.

Denn aus einem solchen selbständigen Gliede des sozialen Organismus werden Menschen hervor­gehen mit Eifer und Lust zum Wirken im sozialen Orga­nismus; aus einer vom Staat oder vom Wirtschaftsleben geregelten Schule können aber doch nur Menschen kommen, denen dieser Eifer und diese Lust fehlen, weil sie die Nach­wirkung einer Herrschaft wie etwas Ertötendes empfinden, die nicht hätte über sie ausgeübt werden dürfen, bevor sie vollbewußte Mitbürger und Mitarbeiter dieses Staates und dieser Wirtschaft sind. Der werdende Mensch soll erwachsen durch die Kraft des von Staat und Wirtschaft unabhän­gigen Erziehers und Lehrers, der die individuellen Fähig­keiten frei entwickeln kann, weil die seinigen in Freiheit walten dürfen.
In meinem Buche «Die Kernpunkte der sozialen Frage in

Want uit zulk een zelfstandige geleding van het sociale organisme zullen mensen voortkomen met ijver en lust tot werkzaam zijn in het sociale organisme; uit een door de staat of door het economisch leven geregelde school kunnen daarentegen alleen maar mensen voortkomen, bij wie deze ijver en deze lust ontbreken, omdat ze als iets dodelijks de nawerking ervaren van een overheersing, die niet over hen uitgeoefend had mogen worden, voordat ze volledig bewuste medeburgers en medewerkers van deze staat en van deze economie zijn. De wordende mens moet tot volwassenheid komen door de kracht van de van staat en economie onafhankelijke opvoeder en leraar, die de individuele vermogens vrij kan ontwikkelen, omdat hij zijn eigen vermogens in vrijheid mag inzetten.
In mijn boek “De kernpunten van het sociale vraagstuk

blz. 40

den Lebensnotwendigkeiten der Gegenwart und Zukunft» habe ich mich bemüht, zu zeigen, daß in der Lebensauf­fassung der parteimäßig führenden Sozialisten im wesent­lichen nur die nach einem gewissen Extrem getriebene Gedankenwelt des Bürgertums der letzten drei bis vier Jahrhunderte weiterlebt. Es ist die Illusion dieser Sozialisten, daß ihre Ideen einen völligen Bruch mit dieser Gedanken­welt darstellen. Nicht ein solcher liegt vor, sondern nur die besondere Färbung der bürgerlichen Lebensauffassung aus dem Fühlen und Empfinden des Proletariats heraus. Dies zeigt sich ganz besonders stark in der Stellung, welche diese sozialistischen Führer zum Geistesleben und seiner Einglie­derung in den gesellschaftlichen Organismus einnehmen. Durch die hervorragende Bedeutung des Wirtschaftslebens in der bürgerlichen Gesellschaftsorganisation der letzten Jahrhunderte ist das Geistesleben in eine starke Abhängig­keit von dem Wirtschaftsleben gekommen. 

in de levensnoodzakelijkheden van heden en toekomst” [1] heb ik mij de moeite gegeven aan te tonen, dat in de levensopvatting van de in de politieke partijen
leidinggevende socialisten eigenlijk alleen de tot een zeker uiterste gedreven gedachtenwereld van de burgerij van de laatste drie tot vier eeuwen verderleeft. Het is de illusie van de socialisten, dat hun ideeën een volledige breuk met deze gedachtenwereld betekenen. Dit is nu niet het geval, maar de bijzondere kleuring van de burgelijke levensopvatting vanuit het voelen en ondergaan van het proletariaat ligt daarin. Dit komt bijzonder sterk naar voren in de stelling, die deze socialistische leiders tegenover het geestesleven en de inpassing daarvan in het maatschappelijke organisme innemen. Door de uitspringende betekenis van het economische leven in de burgelijke maatschappelijke organisatie van de laatste eeuwen is het geestesleven in sterke mate afhankelijk van het economische leven geworden.

Das Bewußtsein von einem in sich selbst gegründeten Geistesleben, an dem die Menschenseele Anteil hat, ist verloren gegangen. Naturanschauung und Industrialismus haben diesen Verlust mit-bewirkt. Damit hängt zusammen, wie man in der neueren Zeit die Schule in den gesellschaftlichen Organismus eingliederte. Den Menschen für das äußere Leben in Staat und Wirtschaft brauchbar zu machen, wurde die Hauptsache. Daß er in erster Linie als seelisches Wesen erfüllt sein solle mit dem Bewußtsein seines Zusammenhanges mit einer Geistesordnung der Dinge und daß er durch dieses sein Bewußtsein dem Staate und der Wirtschaft, in denen er lebt, einen Sinn gibt, daran wurde immer weniger gedacht. Die Köpfe richteten sich immer weniger nach der geistigen Weltordnung und immer mehr nach den wirtschaftlichen

Het bewustzijn van een in zichzelf gegrondvest geestesleven, waar de mensenziel deel aan heeft, is verloren gegaan. De wijze van natuurbeschouwen en industrialisatie hebben dit verlies mede bewerkstelligd. Daarmee hangt dan samen hoe men in de nieuwere tijd de school in het maatschappelijk organisme heeft ingepast. De mens voor het uiterlijke leven in staat en economie bruikbaar te maken, werd de hoofdzaak. Dat hij in de eerste plaats als wezen met een ziel vervuld zou moeten zijn met het bewustzijn van zijn samenhang met een geestesordening der dingen en dat hij door dit bewustzijn-van-hem een zin geeft aan de staat en aan de economie waarin hij leeft, daaraan werd steeds minder gedacht. De koppen richtten zich steeds minder naar de geestelijke wereldordening en steeds meer naar de economische

blz. 41

Produktionsverhältnissen. Beim Bürgertum wurde dieses zu einer empfindungsgemäßen Richtung des Seelenlebens. Die proletarischen Führer machten daraus eine theoretische Lebensauffassung, ein Lebensdogma.
Verheerend würde dieses Lebensdogma werden, wenn es grundlegend sein wollte für den Aufbau des Schulwesens in die Zukunft hinein. Da in Wirklichkeit ja doch aus einer noch so vortrefflichen wirtschaftlichen Gestaltung des sozialen Organismus sich keine Pflege eines wahren Geistes­lebens, insbesondere auch keine produktive Einrichtung des Schulwesens ergeben kann, so müßte zunächst diese Ein­richtung durch die Fortführung der alten Gedankenwelt herbeigeführt werden. Die Parteien, die Träger einer neuen Lebensgestaltung sein wollen, müßten das Geistige in den Schulen von den Trägern der alten Weltanschauungen fortpflegen lassen. Da aber unter solchen Verhältnissen ein innerer Zusammenhang der heranwachsenden Generation zu dem fortgepflegten Alten doch nicht aufkommen kann, müßte das geistige Leben immer mehr versumpfen.

productieverhoudingen. Bij de burgerij werd dit tot een gevoelsmatige richting van het zielenleven. De leiders van het proletariaat maakten daaruit een theoretische levensopvatting, een levensdogma. Dit levensdogma zou verwoestend zijn, wanneer het de grondslag zou willen zijn voor de opbouw van het schoolwezen van de toekomst. In werkelijkheid kan geen economische vormgeving van het sociale organisme, al is die ook nog zo voortreffelijk, een verzorging van een waar geestesleven voortbrengen, en in het bijzonder geen productieve inrichting van het schoolwezen en daarom zou vooreerst deze inrichting door het verderdragen van de oude gedachtenwereld tot stand gebracht moeten worden.
Die partijen, die dragers van een nieuwe levensvorm willen zijn, zouden door de dragers van de oude wereldbeschouwing het geestelijke in de scholen verder moeten laten dragen en verzorgen.
Daar echter in zulke omstandigheden een innerlijke samenhang van de opgroeiende generatie met het doorgedragene oude toch niet kan ontstaan, zou het geestelijk leven steeds meer in het moeras moeten raken.

Die Seelen dieser Generation würden veröden durch das un­wahrhaftige Stehen in einer Lebensauffassung, die ihnen nicht innerer Kraftquell werden könnte. Die Menschen würden seelenleere Wesen innerhalb der aus dem Indu­strialismus hervorgehenden Gesellschaftsordnung.
Damit dieses nicht geschehe, erstrebt die Bewegung nach dem dreigliedrigen sozialen Organismus die völlige Los­lösung des Unterrichtswesens von dem Staats- und Wirt­schaftsleben. Die soziale Gliederung der am Unterrichts­wesen beteiligten Persönlichkeiten soll von keinen anderen Mächten abhängen als nur von dem an diesem Wesen mit-beschäftigten Menschen. Die Verwaltung der Unterrichtsanstalten,

De zielen van deze generatie zouden tot woestijnen moeten worden door het onwaarachtig staan in een levensopvatting, die hun niet tot een innerlijke krachtbron zou kunnen worden. De mensen zouden wezens worden met een lege ziel te midden van de uit de industrialisatie voortkomende maatschappelijke ordening.
Om dit niet te laten gebeuren streeft de beweging voor een drieledig sociaal organisme naar het volledig los maken van het onderwijs van staat en economisch leven. De sociale inpassing van de personen die aan het onderwijs deel hebben moet van geen andere machten afhankelijk zijn, dan alleen van de mensen die mede hun bezigheid vinden in dit onderwijs. Het beheer van de onderwijsinrichtingen,

blz. 42

die Einrichtung der Lehrgänge und Lehrziele soll nur von Personen besorgt werden, die zugleich lehren, oder sonst produktiv im Geistesleben sich betätigen. Jede solche Person würde ihre Zeit teilen zwischen Unterrichten oder sonstigem geistigen. Schaffen und Verwalten des Unter­richtswesens. Wer sich vorurteilslos in eine Beurteilung des geistigen Lebens einzulassen vermag, der kann einsehen, daß die lebendige Kraft, die man zum Organisieren und Ver­walten des Erziehungs- und Unterrichtswesens braucht, nur in der Seele erwachsen kann, wenn man tätig im Unterrich­ten oder sonstigem geistigen Hervorbringen drinnen steht.
Voll zugeben wird dieses für unsere Gegenwart wohl nur derjenige, der unbefangen sieht, wie eine neue Quelle des Geisteslebens sich eröffnen muß zum Aufbau unserer zusammengebrochenen Gesellschaftsordnung. Im Aufsatz «Marxismus und Dreigliederung» habe ich auf den richtigen, aber einseitigen Gedanken Engels hingewiesen: «An die Stelle der Regierung über Personen tritt die Verwaltung von Sachen und die Leitung von Produktionsprozessen.»

de inrichting van leergangen en onderwijsdoelstellingen moet alleen verricht worden door personen die tegelijkertijd onderwijs geven of anderszinds hun bezigheid vinden in het geestesleven. Iedere dergelijke mens zou zijn tijd verdelen tussen onderwijs geven of een dergelijke geestelijke  bezigheid, en het beheren van het onderwijswezen
Wie zien onbevooroordeeld vermag in te laten met een beoordeling van het geestelijk leven, kan inzien dat de levendige kracht, die men voor organiseren en beheren van het opvoedings- en onderwijswezen nodig heeft, slechts in de ziel kan groeien, wanneer men actief in het onderwijs of dergelijke geestelijke productiviteit staat. Voor onze tijd zal alleen diegene dit volledig toegeven, die onbevangen zien hoe een nieuwe bron van geestesleven open moet gaan voor de opbouw van onze ineengestorte maatschappelijke orde.
In het artikel “Marxisme en Driegeleding’ [2] heb ik op de juiste, maar eenzijdige gedachte van Engels gewezen: “Op de plaats van regeren over personen komt het beheer over dingen en de leiding van productieprocessen.”

So richtig das ist, so wahr ist das andere, daß in den gesell­schaftlichen Ordnungen der Vergangenheit das Leben der Menschen nur möglich war, weil mit der Leitung der wirt­schaftlichen Produktionsprozesse zugleich die Menschen mitregiert wurden. Hört dieses Mitregieren auf, so müssen die Menschen aus dem frei auf sich gestellten Geistesleben die Lebensantriebe empfangen, welche durch die bisherigen Regierungsimpulse in ihnen wirkten.
Zu alledem kommt noch ein anderes. Das Geistesleben gedeiht nur, wenn es als Einheit sich entfalten kann. Aus derselben Entwickelung der Seelenkräfte, aus der eine be­friedigende, den Menschen tragende Weltauffassung stammt,

Hoe waar dit ook is, even waar is het andere, dat in de maatschappelijke situaties in het verleden het leven der mensen alleen mogelijk was, omdat met de leiding van het economische productieproces tegelijk de mensen mee-geregeerd werden. Wanneer dit meegeregeerd worden ophoudt, dan moeten de mensen uit het vrij op zichzelf gestelde geestesleven de levensimpulsen ontvangen, die tot dusver in de regeringsimpulsen op hen werkten.
Bij dit alles komt nog iets anders. Het geestesleven gedijt alleen, wanneer het zich als eenheid kan ontplooien. Uit dezelfde ontwikkeling der zielskrachten, waaruit een bevredigende, de mensen dragende wereldopvatting stamt,

blz. 43

muß auch die produktive Kraft kommen, die den Menschen zum rechten Mitarbeiter im Wirtschaftsleben macht. Prak­tische Menschen für das äußere Leben werden doch nur aus einem solchen Unterrichtswesen hervorgehen, das in gesun­der Art auch die höheren Weltanschauungstriebe zu ent­wickeln vermag. Eine Gesellschaftsordnung, die nur Sachen verwaltet und Produktionsprozesse leitet, müßte nach und nach auf ganz schiefe Wege kommen, wenn ihr nicht Men­schen mit gesund entwickelten Seelen zugeführt würden.
Ein Neuaufbau unseres gesellschaftlichen Lebens muß daher die Kraft gewinnen, das selbständige Unterrichts­wesen einzurichten. Wenn nicht mehr Menschen über Men­schen in der alten Art «regieren» sollen, so muß die Mög­lichkeit geschaffen werden, daß der freie Geist in jeder Menschenseele so kraftvoll, als es in den menschlichen Indi­vidualitäten jeweilig möglich ist, zum Lenker des Lebens wird.

moet ook de productieve kracht komen, die de mensen tot goede medewerkers in het economische leven maakt. Voor het openbare leven praktische mensen zullen werkelijk alleen uit een zodanig onderwijswezen voortkomen, dat op gezonde wijze ook de drijfkrachten naar een hogere wereldbeschouwing kan ontwikkelen. Een maatschappelijke orde, die alleen dingen beheert en productieproccssen leidt, zou meer en meer op heel scheve wegen moeten komen, wanneer aan die orde geen mensen met gezond ontwikkelde zielen toegevoerd zouden worden.
Een nieuwbouw van ons maatschappelijk leven moet daarom de kracht vormen, het zelfstandig onderwijswezen in te richten. Wanneer niet meer op de oude manier mensen over mensen zouden moeten “regeren”, dan moet de mogelijkheid worden geschapen, dat de vrije geest in iedere mensenziel zo krachtig, als het in iedere menselijke individualiteit telkens maar mogelijk is, tot bestuurder over het leven wordt.

blz. 43/44

Dieser Geist läßt sich aber nicht unterdrücken. Ein­richtungen, die aus den bloßen Gesichtspunkten einer wirt­schaftlichen Ordnung das Schulwesen regeln wollten, wären der Versuch einer solchen Unterdrückung. Sie würde dazu führen, daß der freie Geist aus seinen Naturgrundlagen heraus fortdauernd revoltieren würde. Die kontinuierliche Erschütterung des Gesellschaftsbaues wäre die notwendige Folge einer Ordnung, die aus der Leitung der Produktions­prozesse zugleich das Schulwesen organisieren wollte.
Wer diese Dinge überschaut, für den wird die Begrün­dung einer Menschengemeinschaft, welche die Freiheit und Selbstverwaltung des Erziehungs- und Schulwesens energisch erstrebt, zu einer der wichtigsten Zeitforderungen. Alle anderen notwendigen Zeitbedürfnisse werden ihre Befrie­digung nicht finden können, wenn auf diesem Gebiete das
#SE024-044
Rechte nicht eingesehen wird. Und es bedarf eigentlich nur des unbefangenen Blickes auf die Gestalt unseres gegen­wärtigen Geisteslebens mit seiner Zerrissenheit, mit seiner geringen Tragkraft für die menschlichen Seelen, um dieses Rechte einzusehen.

Deze geest laat zich echter niet onderdrukken. Voorzieningen, die uit gezichtspunt van uitsluitend economische ordening het schoolwezen zouden willen regelen, zouden een poging zijn tot zo’n onderdrukking. Die zou daartoe leiden, dat de vrije geest voortdurend vanuit zijn natuurlijke oorsprong in opstand zou zijn. De voortdurende ontreddering van de maatschappelijke opbouw zou het noodzakelijk gevolg moeten zijn van een ordening, die vanuit de leiding van het productieproces rechtsstreeks het schoolwezen zou willen organiseren.
Voor wie inzicht en overzicht heeft over deze dingen, voor hem wordt de grondlegging van een mensengemeenschap, die de vrijheid en het zelfbestuur van het opvoedings- en schoolwezen met energie nastreeft, tot een van de belangrijkste eisen van de tijd. Alle andere noodzakelijke behoeften van de tijd zullen hun bevrediging niet kunnen vinden, wanneer op dit gebied het rechte niet ingezien wordt. Men heeft eigenlijk alleen de onbevangen blik nodig op de gestalte van ons tegenwoordig geestesleven, met zijn verscheurdheid, met zijn geringe draagkracht voor de mensenzielen, om dit in te zien.
GA 24/35-44
.

Vertaald door A.J. Br.-R, nadere geveens ontbreken
.

[1] GA 23
Vertaald
[2] GA 24/31

Sociale driegeleding: alle artikelen– waaronder vrijeschool en vrijheid van onderwijs

Algemene menskunde: bijzondere tijden hebben bijzondere opdrachten

.

1406-1317

.

.