VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over euritmie (GA 294)

.

RUDOLF STEINER OVER EURITMIE

GA 294

beknopte inhoud:

(vert. 29) mens van nature muzikaal; kleine kind wil bewegen: euritmie heft zwaarte in ledematen op
(vert. 31) werken vanuit het hoofd: invloed op etherlijf en fysiek lichaam; werken vanuit ledematenL invloed op Ik en astraallijf;
(vert. 47/48) plastisch-beeldende en een muzikaal-dichterlijke stroom: euritmie kan ze in zich verenigen;
(vert. 54-58) harmonie teweegbrengen in dionysisch en apolinisch;
muziekonderwijs; plastisch-beeldend werkt individualiserend-muzikaal-dichterlijk socialiserend; wezenlijk: het muzikale in een gedicht; interpreteren v.e. gedicht: verschrikkelijk!; belang van zingen;
(vert. 68-73) betekenis grammatica; zelfstandig naamwoord, bijv. nw., werkwoord en Ik; euritmie en luisteren, luisteren = sociaal; wijsheid van de taal;
heilige naam niet uitgesproken, maar weergegeven door gebaar.

blz. 18   vert. blz. 29

Diese Art, künstlerisch sich ins Weltengetriebe zu stellen, die ist es, welche wir als Erzieher dem Kinde angedeihen lassen müssen. Da wer­den wir bemerken, daß die Natur des Menschen so ist, daß er gewisser­maßen als Musiker geboren ist. Würden die Menschen die richtige Leichtigkeit dazu haben, so würden sie mit allen kleinen Kindern tanzen, würden sich mit allen kleinen Kindern irgendwie bewegen. Der Mensch wird in die Welt so hereingeboren, daß er seine eigene Leiblich­keit in musikalischen Rhythmus, in musikalischen Zusammenhang mit der Welt bringen will, und am meisten ist diese innere musikalische Fähigkeit zwischen dem 3. und dem 4. Lebensjahre bei den Kindern vorhanden. Ungeheuer viel könnten Eltern tun, wenn sie dieses be­merkten und dann weniger an das äußere musikalische Gestimmtsein anknüpften, sondern an das Bestimmtsein des eigenen Leibes, an das Tänzerische. Und gerade in diesem Lebensalter könnte man durch das Durchdringen des Kinderleibes mit elementarer Eurythmie unendlich viel erreichen. Wenn die Eltern lernen würden, sich eurythmisch mit dem Kinde zu beschäftigen, so würde etwas ganz anderes in den Kin­dern entstehen, als es sonst der Fall ist. Sie würden eine gewisse Schwere, die in den Gliedern lebt, überwinden. Alle Menschen haben heute eine solche Schwere in ihren Gliedern; die würde überwunden werden. Und was dann übrigbliebe, wenn es zum Zahnwechsel kommt, das ist die Veranlagung für das gesamte Musikalische.

Dit vermogen om zich op een kunstzinnige manier met het gebeuren in de wereld te verbinden, dat is het wat we als opvoeder moeten aankweken. Dan zullen we merken dat de mens van nature zo is dat hij zogezegd als musicus wordt geboren. Zouden de mensen licht genoeg zijn, dan zouden ze met alle kleine kinderen dansen, met alle kleine kinderen op de een of andere manier be­wegen. De mens wordt zo op aarde geboren dat hij zijn eigen lichamelijkheid in een muzikaal ritme, in een muzikale samenhang met de wereld wil brengen. Dit innerlijke muzikale vermogen is het sterkst aanwezig bij kinderen tussen het derde en vierde le­vensjaar. Ouders zouden ongelooflijk veel kunnen doen als ze dit zouden merken en dan aan zouden knopen niet zozeer bij een uiterlijke muzikale stemming, maar bij de gestemdheid van het ei­gen lichaam, het dansen. Juist op deze leeftijd zouden we oneindig veel kunnen bereiken door het lichaam van het kind met elementaire euritmie* te doordringen. Zouden ouders leren om zich euritmisch met het kind bezig te houden, dan zou er iets heel anders in kinderen ontstaan dan gewoonlijk het geval is. Ze zouden een zekere zwaarte die in de ledematen leeft, overwinnen. Alle mensen hebben tegenwoordig zo’n zwaarte in hun ledematen. Die zou overwonnen worden. En wat dan zou overblijven bij de tandenwisseling, dat is de aanleg voor het muzikale in het algemeen.
*Euritmie is een door Rudolf Steiner ontwikkelde bewe­gingskunst, waarbij het hele lichaam als instrument wordt gebruikt om de spirituele kwaliteiten van taal of muziek ruimtelijk zichtbaar te ma­ken. Behalve voor een kunstzinnige en een pedagogische vorm van eu­ritmie gaf Steiner ook aanwijzingen voor het ontwikkelen van een the­rapeutische variant. Zie Vorm en beweging. Architectuur. Beeldhouwkunst. Eu­ritmie.(Geen nadere aanwijzingen)
GA 294/18
vertaald/29

blz. 19/20   vert. blz. 31

Wir müssen uns bewußt werden: In dem werdenden Kinde entwickeln sich nach und nach das Ich und der astralische Leib; durch die Vererbung steht schon da der ätherische Leib und der physische Leib. Jetzt ist es gut, daß wir uns denken: Der physische Leib und der ätherische Leib sind etwas, was immer besonders gepflegt wird von dem Kopfe nach unten. Der Kopf strahlt aus, was den physischen Menschen eigentlich schafft. Machen wir die richtigen Erziehungs­und Unterrichtsprozeduren mit dem Kopfe, dann dienen wir der
Wachstumsorganisation am besten. Unterrichten wir das Kind so, daß wir aus dem ganzen Menschen das Kopfelement herausholen, dann geht das Richtige vom Kopfe in seine Glieder über: Der Mensch wächst besser, er lernt besser gehen und so weiter. Und so können wir sagen:
Es strömt nach unten das Physische und das Ätherische, wenn wir in sachgemäßer Weise alles, was sich auf den oberen Menschen bezieht, ausbilden. Haben wir das Gefühl, indem wir in mehr intellektueller Weise Lesen und Schreiben ausbilden, daß das Kind uns entgegen­kommt, indem es das aufnimmt, was wir ihm beibringen, so werden wir das vom Kopfe aus in den übrigen Leib hineinschicken. Ich und astralischer Leib wird aber von unten herauf ausgebildet, wenn der ganze Mensch in die Erziehung hineingestellt wird. Ein kräftiges Ich-gefühl würde zum Beispiel dann entstehen, wenn man zwischen dem 3. und 4. Lebensjahre elementare Eurythmie an das Kind heranbringen würde. Dann würde der Mensch davon in Anspruch genommen, und es würde ein rechtes Ichgefühl hineinstoßen in sein Wesen.

We moeten ons van het volgende bewust worden: in een opgroeiend kind komen stap voor stap het ik en het astrale lichaam in ontwikkeling; vanuit de erfelijkheid zijn het etherlichaam en bet fysieke lichaam al aanwezig.* Nu is het goed te bedenken dat het fysieke en het etherische lichaam altijd vooral vanuit het hoofd gevoed, verzorgd worden. Het hoofd straalt uit wat de fy­sieke mens eigenlijk creëert. Voeren we met het hoofd de juiste procedures uit in opvoeding en onderwijs, dan ondersteunen we de groeiprocessen het beste. Is het onderwijs zo dat we uit de hele mens het hoofdelement tevoorschijn halen, dan gaat ook het juis­te van het hoofd over in de ledematen: de mens groeit beter, leert beter lopen enzovoort. En zo kunnen we zeggen: als we op adequate wijze alles wat aan de bovenste mens gerelateerd is ontwikke­len. dan stroomt dat naar beneden naar de fysieke en de etherische mens. Zijn we [bijvoorbeeld] met het meer intellectuele lezen en schrijven bezig en hebben we het gevoel dat het kind bereidwillig m zich opneemt wat we het leren, dan wordt dat vanuit het hoofd tot in de rest van het lichaam gestuurd.
Daarentegen worden van onderop het ik en het astrale lichaam ontwikkeld wanneer de hele mens in de opvoeding aangesproken wordt. Een krachtig ik-gevoel zou bijvoorbeeld ontstaan wanneer men tussen het derde en vierde levensjaar het kind zou laten kennismaken met elementaire euritmie. Dan zou de [hele] mens daar­door aangesproken worden en zou een werkelijk ik-gevoel zijn we­zen binnenstromen.
*etherlichaam: Steiner onderscheidt aan de mens behalve een fysiek
lichaam ook een ‘etherlichaam’, een ‘astraal lichaam’ en een ‘ik’. Het etherlichaam of etherisch lichaam is de drager van alle levensprocessen in het organisme; mensen hebben dit dus gemeen met planten en die­ren. Het astrale lichaam is de drager van innerlijke aandoeningen (ge­waarwordingen, emoties, gevoelens), kortweg van de ziel; dit lichaam heeft de mens gemeen met de dieren. Het ‘ik’ tenslotte is uniek voor de mens; het is de organiserende en sturende factor in het samenstel van de lichamen. Zie b.v. Theosofie en De wetenschap van de geheimen der ziel.
GA 294/19-20
vertaald/31

blz. 38 vert. blz. 47/48

Nun zerfällt ja alles, was künstlerisch an die Menschen herantritt, wieder in zwei Strömungen, in die plastisch-bildnerische Strömung und in die musikalisch-dichterische Strömung. Diese beiden Kunstge­biete des Plastisch-Bildnerischen und des Musikalisch-Dichterischen sind wirklich polarisch voneinander verschieden, obwohl sie sich ge­rade durch ihre polarische Verschiedenheit in einer höheren Synthese, in einer höheren Einheit gut finden können. (  )
Natürlich entstehen immer wieder Bestrebungen, be­rechtigte Bestrebungen, die das Musikalische mit dem Plastisch-Bild­nerischen vereinigen wollen. Sie könnten aber nur in der vollständig ausgebildeten Eurythmie wirklich völlig vereinigt werden, wo Musi­kalisches und Sichtbares eine Einheit werden kann.

Nu zijn er in alles wat de mens aan kunstuitingen ontmoet twee stromen te onderscheiden: een plastisch-beeldende en een muzikaal-dichterlijke stroom. Deze twee gebieden in de kunst, het plastisch-beeldende en het muzikaal-dichterlijke, zijn werke­lijk tegenpolen – hoewel ze juist door hun polariteit in een hogere synthese, een hogere eenheid, goed samengaan.  (  )
Natuurlijk ontstaan er steeds weer pogingen, terech­te pogingen, om het muzikale met het plastisch-beeldende te ver­enigen. Maar pas in een volledig ontwikkelde euritmie zouden ze echt ten volle met elkaar verenigd kunnen worden, omdat daarin het muzikale en het zichtbare een eenheid kunnen worden. Dat geldt natuurlijk niet voor de huidige euritmie die nog in de kin­derschoenen staat, maar voor het ideaal dat wij in de euritmie voor ogen moeten hebben.
GA 294/38
vertaald/47-48

blz. 44 vert. blz. 54

Das musikalische Element, das im Menschen ja lebt von seiner Ge­burt an und das, wie ich schon sagte, besonders in der Zeit des 3. und 4. Lebensjahres beim Kinde in einem Hang zum Tanzen zum Ausdruck kommt, ist von sich aus ein Willenselement, trägt Leben in sich. Aber so sonderbar das klingt, es ist wahr, es trägt zunächst so, wie es sich im Kinde auslebt, zu starkes Leben, betäubendes Leben in sich, Leben, welches das Bewußtsein leicht übertäubt. Die kindliche Entwickelung kommt durch das starke Musikalische sehr leicht in einen gewissen Be­täubungszustand hinein. Daher muß man sagen: Das Erzieherische, das dann auftritt, wenn man das Musikalische verwendet, muß in einem fortwährenden Ineinanderharmonisieren des aus der Natur des Men­schen herausquellenden Dionysischen durch das Apollinische bestehen. Während ein Ertötendes belebt werden muß durch das Plastisch­Bildnerische, muß ein im höchsten Maße im Musikalischen Lebendiges herabgelähmt werden, damit es den Menschen im Musikalischen nicht zu stark affiziere. Das ist die Empfindung, mit der wir das Musika­lische an die Kinder heranbringen sollen.

Het muzikale element, dat in de mens leeft vanaf zijn geboorte en dat zoals ik al zei vooral in het derde en vierde levensjaar tot uiting komt in een neiging tot dansen,* is in wezen een wilselement, het draagt leven in zich. Maar hoe vreemd het ook mag klinken, het is waar: zoals het zich in een kind manifesteert, draagt het eerst te veel leven, verdovend leven in zich, leven dat het bewustzijn ge­makkelijk overstemt. De ontwikkeling van het kind komt door dit sterke muzikale element heel gemakkelijk in een zekere toestand van verdoving. Daarom moeten we zeggen: het gebruik van mu­ziek in de opvoeding moet er voortdurend op gericht zijn om het dionysische dat uit de natuur van de mens opwelt in harmonie te brengen met en door het apollinische.** Terwijl het afstervende tot leven gebracht moet worden door het plastisch-beeldende, moet het levende dat in muziek zo sterk aanwezig is geremd worden, zodat het de mens niet te sterk aangrijpt. Dat is het gevoel waar­mee we kinderen het gebied van de muziek moeten binnenleiden.
*zoals ik al zei… in een neiging tot dansen: Zie de eerste voordracht.
**het dionysische … met het apollinische: Deze uitdrukkingen zijn afgeleid van de Griekse godennamen Dionysus en Apollo en betekenen ‘uitbun­dig, extatisch’ tegenover ‘beheerst, evenwichtig’
GA 294/44
vertaald/54

blz. 45  vert. 55

Es wird aber von der größten Wichtigkeit sein, gerade in sozialer Beziehung, daß das Musikalische auch in elementarer Weise gepflegt werde, so daß ohne eine betäubende Theorie aus elementaren Tat­sachen des Musikalischen heraus die Kinder unterrichtet werden. Es sollten die Kinder eine deutliche Vorstellung vom elementaren Musi­kalischen bekommen, von den Harmonien, Melodien und so weiter, durch Verwendung von möglichst elementaren Tatsachen, durch das gehörmäßige Analysieren von Melodien und Harmonien, so daß man im Musikalischen ebenso elementar im Aufbau des ganzen Künstle­rischen vorgeht, wie man auch im Bildnerisch-Plastischen vorgeht, wo man auch aus der Einzelheit heraufarbeitet. (  )

Maar het zal van het grootste belang zijn, met name in sociaal opzicht, dat ook elementair aan de muzikale ontwikkeling wordt gewerkt, zodat de kinderen niet vanuit een bedwelmende theorie, maar aan de hand van elementaire muzikale fenomenen onder­wezen worden. De kinderen zouden een duidelijke voorstelling moeten krijgen van de beginselen van de muziek, van harmonie­ën, melodieën enzovoort, door het presenteren van heel elemen­taire gegevens, door het luisterend analyseren van melodieën en harmonieën. We gaan dus in de muziek net zo elementair te werk bij de opbouw van de kunstzinnige ontwikkeling als bij het plastisch-beeldende, waar we ook met eenvoudige gegevens beginnen en dan daarop voortbouwen. (  )

blz. 46  vert. blz. 55/56

Denn nicht vergessen sollte werden, daß alles Plastisch-Bildnerische auf die Individualisierung der Menschen hin-arbeitet, alles Musikalisch-Dichterische dagegen auf die Förderung des sozialen Lebens. Die Menschen kommen in einer Einheit zusammen durch das Musikalisch-Dichterische; sie individualisieren sich durch das Plastisch-Bildnerische. Die Individualität wird mehr aufrecht­erhalten durch das Plastisch-Bildnerische, die Sozietät mehr durch ge­meinschaftliches Leben und Weben im Musikalischen und Dichterischen. Das Dichterische wird aus der Einsamkeit der Seele heraus erzeugt, nur dort; es wird verstanden durch die menschliche Gemeinschaft. Es ist kein Abstraktes, was man begründen will, sondern etwas durchaus Konkretes, wenn man sagt, daß der Mensch mit seinem dichterisch Geschaffenen sein Inneres aufschließt und daß diesem Inneren durch das Aufnehmen des Geschaffenen das tiefste Innere des andern Men­schen wieder entgegenkommt. Daher sollte Freude vor allen Dingen und Verlangen gegenüber dem Musikalischen und Dichterischen im heranwachsenden Kinde erzogen werden. Beim Dichterischen sollte das Kind früh das wirklich Dichterische kennenlernen.

Want we moeten niet vergeten dat al het plastisch-beeldende toewerkt naar de individualisering van mensen, dat al het muzikaal-dichterlijke daarentegen het sociale leven bevordert. Door het muzikaal-dichterlijke element komen mensen samen, vormen ze een eenheid; door het plastisch-beeldende individualiseren ze zich. De individualiteit wordt meer in stand gehouden door het plastisch-beeldende, de gemeenschap meer door het gezamenlijk beleven van het muzikale en dichterlijke. Poëzie, literatuur wordt geschapen vanuit de eenzaamheid van de ziel, daar alleen; maar ze wordt begrepen door de menselijke gemeenschap. Het is niet iets abstracts wat ik naar voren wil brengen maar iets heel concreets, als ik zeg dat een mens met zijn gedicht zijn innerlijk opent en dat een ander, die dit gedicht opneemt, hem daardoor vanuit zijn eigen diepste innerlijk tegemoet kan komen. Daarom moet in de sfeer van het muzikale en poëtische vooral vreugde en ook verlan­gen in het opgroeiend kind worden ontwikkeld.
Wat het dichterlijke betreft moet een kind het werkelijk poëti­sche vroeg leren kennen.

Heute wächst der Mensch in eine soziale Ordnung hinein, in der er mit der Prosa der Sprache tyrannisiert wird. Es gibt heute unzählige Rezitatoren, welche die Menschen mit der Prosa tyrannisieren, indem sie das, was an einer Dichtung Prosa, rein Inhaltliches ist, in den Vordergrund stellen. Und wenn dann das Gedicht im Vortrag so gestaltet wird, daß die eigentlich inhaltliche Nuance die Hauptrolle spielt, so betrachtet man das heute als vollkommene Rezitation. Eine wirklich vollkommene Rezitation ist aber die, welche das musikalische Element besonders betont. – Ich habe bei den paar Worten, die ich den eurythmischen Vorstellungen manchmal voranstelle, öfter darauf aufmerksam gemacht, wie bei einem solchen Dichter wie Schiller ein Gedicht hervorgeht aus den Untergründen seiner Seele. Bei vielen seiner Gedichte hatte er zuerst eine allgemeine Melodie in der Seele waltend, und in diese allgemeine Melodie senkte er erst später gleichsam den Inhalt, die Worte hinein. Die allgemeine Melodie ist das, worin der Inhalt hängt, und das Dichterische

Tegenwoordig groeien mensen op in een samenleving waarin ze getiranniseerd worden door het proza van de taal. Er zijn tegenwoordig talloze recitatoren, voordragers van poëzie, die de mensen met proza tiranniseren, doordat ze het pro­zaïsche, het puur inhoudelijke van een dichtwerk op de voorgrond plaatsen. En als het gedicht dan zo voorgedragen wordt dat de ei­genlijk inhoudelijke nuance de hoofdrol speelt, dan beschouwt men dat tegenwoordig als een zeer geslaagde recitatie. Maar een werkelijk geslaagde recitatie is er een die het muzikale element bijzonder benadrukt. Ik heb er in de inleidende woorden die ik soms bij euritmievoorstellingen spreek, dikwijls op gewezen dat bij een dichter als Schiller* een gedicht ontstaat uit de diepste la­gen van zijn ziel. Bij veel van zijn gedichten was er eerst een globa­le melodie die zijn ziel doortrok, en pas later liet hij de inhoud, liet hij de woorden als het ware indalen in die melodie. De melodie is het waar de inhoud in rust, en het dichterlijke
*Christoph Friedrich von Schiller (1759-1805), een van de grote klassieke Duitse dichters, tevens filosoof en geschiedschrijver. 

blz. 47  vert. 56/57

erschöpft sich dann an der Formung des Sprachlichen, nicht in dem Inhaltlichen, sondern in dem Takt, in dem Rhythmus, in der Reimerhaltung, also in dem dem Dichterischen zugrunde liegenden Musikalischen. Ich sagte, daß man bei der heutigen Art der Rezitation die Menschen tyrannisiert, weil man immer tyrannisiert, wenn man nur auf die Prosa, auf den Inhalt einer Dichtung, den man ganz ab­strakt nimmt, den Hauptwert legt. (  ) Es ist daher außerorentlich wichtig, daß man bei jeglicher Dich­tung das Kind aufmerksam macht auf das zugrunde liegende Musika­lische. Daher sollte in der Einteilung des Unterrichts die Sache so ge­staltet werden, daß das rezitatorische Element, das in die Schule hin­eingebracht wird, möglichst in die Nähe des musikalischen Elementes gebracht wird. Der musikalisch Unterrichtende sollte dem rezitierend Unterrichtenden möglichst nahestehen, so daß das eine dem andern un­mittelbar folgt und so eine lebendige Verbindung zwischen beiden her­gestellt wird. Es würde besonders gut sein, wenn der musikalisch Unter­richtende noch bei dem Rezitationsunterrichtenden dabei sein könnte und umgekehrt, so daß der eine noch immer auf die Zusammenhänge mit dem andern Unterricht hinweisen könnte. Dadurch würde gründlich

element bestaat al­leen uit de vorming van het taalbouwsel, niet uit het inhoudelijke element, maar uit maat, ritme en rijm – dus uit het muzikale dat aan het dichterlijke ten grondslag ligt.
Ik zei dat men bij de huidige manier van reciteren de mensen tiranniseert, omdat het altijd een tiranniseren is wanneer het accent enkel op de prozaïsche, de inhoudelijke kant van een dicht­werk wordt gelegd, die heel abstract wordt belicht. ( )
Daarom is het uitermate belangrijk dat we kinderen bij ieder dichtwerk attent maken op het muzikale dat eraan ten grondslag ligt. Daarom moet het onderwijs zo worden ingedeeld dat het re­citeren zo nauw mogelijk bij het muzikale onderwijs aansluit. De muziekleerkracht moet intensief samenwerken met de spraakleerkracht, zodat het een direct inspeelt op het ander en er zo een levendige verbinding tussen hun lessen ontstaat. Het zou heel goed zijn als de muziekleerkracht ook bij de recitatielessen aanwe­zig zou kunnen zijn en omgekeerd, zodat de een altijd kan wijzen op verbanden met de andere lessen. Daardoor zou grondig

blz. 48  vert. 57/58

ausgeschaltet werden, was gegenwärtig in unser Schulwesen noch so stark hineinspielt und was wirklich schauderhaft ist: die abstrakte Erklärung von Gedichten. Dieses abstrakte Erklären von Dichtungen, das hart an das Grammatikalische herangeführt wird, ist der Tod von allem, was auf das Kind wirken sollte. Das Interpretieren von Gedich­ten ist etwas ganz Furchtbares.
Nun werden Sie einwenden: Aber das Interpretieren ist doch not­wendig, um das Gedicht zu verstehen! Dazu muß gesagt werden: Es muß der Unterricht als ein ganzer gestaltet werden. Darüber muß in der Wochenkonferenz der Lehrerschaft gesprochen werden. Diese und jene Gedichte kommen zur Rezitation. Dann muß von dem übrigen Unterricht aus das Nötige hineinfließen, was zum Verständnis einer Dichtung gehört. Es muß dafür gesorgt sein, daß das Kind zum Rezi­tationsunterricht das schon mitbringt, was zum Verständnis des Ge­dichtes notwendig ist. Man kann ganz gut – zum Beispiel, wenn man mit dem Kinde Schillers «Spaziergang» durchnehmen würde – das Kulturhistorische und das Psychologische, das mit dem Gedichte zu­sammenhängt, dem Kinde vortragen, aber nicht indem man an der Hand des Gedichtes von Zeile zu Zeile geht, sondern so, daß man das, was über dem Inhaltlichen liegt, dem Kinde vorbringt.

wor­den afgerekend met iets wat tegenwoordig nog zo sterk op scho­len speelt en wat werkelijk afschuwelijk is: de abstracte verklaring van gedichten. Dit abstract verklaren van gedichten, dat zwaar op grammaticale kennis leunt, is de dood van alles wat op een kind zou moeten inwerken. Het interpreteren van gedichten is iets ver­schrikkelijks.
Maar nu zult u hiertegen inbrengen dat interpreteren toch no­dig is om een gedicht te begrijpen. Daarop moet gezegd worden: 
het onderwijs moet als een geheel worden vormgegeven. Dit soort dingen moeten worden besproken in de wekelijkse lerarenbijeen­komst. Die en die gedichten zullen worden gereciteerd. Dan moet vanuit de andere lessen het nodige instromen waardoor er begrip kan ontstaan voor zo’n gedicht. We moeten ervoor zorgen dat de kinderen al met het nodige begrip voor een gedicht aan de recitatielessen beginnen. Wanneer we bijvoorbeeld ‘Spaziergang’ van Schiller* met de kinderen doornemen, kunnen we ze heel goed met de cultuurhistorische en psychologische aspecten van het ge­dicht bekend maken, alleen doen we dat niet door het gedicht re­gel voor regel te behandelen, maar door op de achtergronden in te gaan.
*Spaziergang’ van Schiller: Een gedicht uit het jaar 1795. 

In der Rezita­tionsstunde sollte lediglich Wert gelegt werden auf die künstlerische Mitteilung des Künstlerischen. Wenn man in dieser Weise das Künstlerische in seinen zwei Strö­mungen verwenden würde, um die menschliche Natur durchzuharmo­nisieren, dann würde man außerordentlich viel damit erreichen. Man muß nur bedenken, daß ein unendlich Wichtiges im Zusammengehen des Menschen mit der Welt erreicht wird, indem der Mensch singt. Singen ist ja an sich ein Nachbilden desjenigen, was schon in der Welt vorhanden ist. Indem der Mensch singt, bringt er zum Ausdruck die bedeutungsvolle Weisheit, aus der heraus die Welt gebaut ist. Aber man darf auch nicht vergessen, daß der Mensch im Singen das Kosmische der eigentlichen Tonfolge in Verbindung bringt mit dem menschlichen Wort. Daher kommt in den Gesang etwas Unnatürliches hinein. Das wird man schon empfinden können, wenn man das nicht Zusammen­gehörige des Tonlichen eines Gedichtes und des Inhaltlichen des Gedichtes 

In de recitatielessen moet het uitsluitend gaan om het kunst­zinnig overbrengen van het kunstzinnige. Als we op deze manier de twee stromen van de kunst zouden han­teren om de menselijke natuur in harmonie te brengen, dan zou­den we daarmee ongelooflijk veel bereiken. We hoeven maar te be­denken hoe oneindig belangrijk het is voor de verbinding van de mens met de wereld, dat een mens zingt. Zingen is eigenlijk een na­scheppen, een weergeven van wat er in de wereld al is. Door te zin­gen brengt een mens de betekenisvolle wijsheid tot uiting waar­uit de wereld is gebouwd. Maar we moeten ook niet vergeten dat de mens bij het zingen het kosmische, dat in de opeenvolging van tonen ligt, in verbinding brengt met het menselijk woord. Daar­door komt er in het zingen een onnatuurlijk element. Dat kunnen we al ervaren wanneer we merken dat de klankkwaliteiten van een gedicht niet passen bij de inhoud.

blz. 49  vert. blz. 58/59

Es würde schon ein gewisser Fortschritt sein, wenn man den Versuch weiter ausbilden könnte, den wir ja jetzt an­gefangen haben: die Zeilen im bloßen Rezitativ zu halten und nur das Reimwort mit der Melodie zu beleben, so daß die Zeile im Rezitativ verfließt, das Reimwort ariengemäß gesungen wird. Dadurch würde eine reinliche Scheidung entstehen zwischen dem Tonlichen eines Ge­dichtes und dem Wortlichen, das ja den eigentlichen musikalischen Menschen stört.
Und wiederum, indem des Gehör des Menschen für das Musikalische ausgebildet wird, wird der Mensch dazu veranlaßt, das Musikalische der Welt selbst lebendig zu empfinden. Das ist von dem allergrößten Wert für den sich entwickelnden Menschen. Man darf nicht vergessen:
Im Plastisch-Bildnerischen schauen wir die Schönheit an, leben sie; im Musikalischen werden wir selbst zur Schönheit. Das ist außerordentlich bedeutsam. Geht man in ältere Zeiten zurück, so findet man, in je ältere Zeiten man kommt, immer weniger von dem vorhanden, was wir eigent­lich musikalisch nennen. Man kann die deutliche Empfindung haben, daß das Musikalische ein erst Werdendes ist, trotzdem manche Formen des Musikalischen wiederum schon im Absterben sind.

Het zou al een stap vooruit zijn wanneer het experiment waarmee wij begonnen zijn verder ont­wikkeld zou kunnen worden: de regels te reciteren en alleen het rijmwoord te verlevendigen met een melodie, zodat de regel re­citatief verloopt en het rijmwoord arioso gezongen wordt.* Daar­door zou een zuivere scheiding tot stand komen tussen het klank­element en het woordelement van een gedicht, want het laatste stoort de eigenlijke muzikale mens.
En omgekeerd: doordat het gehoor van een mens voor het mu­zikale geschoold wordt, wordt hij ertoe aangezet het muzikale in de wereld zelf levendig te ervaren. Dat is van onschatbare waarde voor de opgroeiende mens. We mogen niet vergeten: in het plastisch-beeldende kijken we naar schoonheid, ervaren we de schoon­heid; in het muzikale worden we zelf schoonheid. Dat is buitengewoon belangrijk. Gaan we terug naar vroegere tijden, dan vinden we, hoe verder we terugkijken, steeds minder van wat wij muzikaliteit noemen. We kunnen duidelijk ervaren dat het muzikale nog aan het ontstaan is, ofschoon sommige vormen van muziek alweer aan het verdwijnen zijn.
*het experiment waarmee wij begonnen zijn … zodat de regel recitatief verloopt en het rijmwoord arioso gezongen wordt: Deze suggestie is opgepakt door de muziekleraar Paul Baumann, zie zijn LiederderFreien Waldoifschule.

Das beruht auf einer sehr bedeutsamen kosmischen Tatsache. In allem Plastisch-Bild­nerischen war der Mensch ein Nachbildner der alten Himmelsordnung. Die höchste Nachbildung einer Welten-Himmelsordnung ist eine pla­stisch-bildnerische Nachbildung der Welt. Aber im Musikalischen ist der Mensch selbst schaffend. Da schafft er nicht aus dem, was schon vorhanden ist, sondern legt den Grund und Boden für das, was in Zu­kunft erst entstehen wird. Man kann sich natürlich ein gewisses Musi­kalisches dadurch schaffen, daß man zum Beispiel das Rauschen der Wasserwellen oder den Gesang der Nachtigallen nur musikalisch nach­ahmt. . Aber das wirklich Musikalische und das wirklich Dichterische ist ein Neuschaffen, (  ).

Dat berust op een belangrijk kosmisch feit. In al het plastisch-beeldende bootste de mens de oude hemel­se orde na. De hoogste vorm van nabootsing van een kosmisch-hemelse orde is een plastisch-beeldende nabootsing van de wereld. Maar in de muziek is de mens zelf schepper. Hij schept niet met be­hulp van wat al bestaat, maar hij legt de grondslag voor iets wat pas in de toekomst zal ontstaan. Natuurlijk kunnen we een bepaald soort muziek scheppen door bijvoorbeeld het ruisen van de golven of het zingen van de nachtegaal muzikaal na te bootsen. Maar het werkelijk muzikale en het werkelijk dichterlijke zijn nieuwe scheppingen.
GA 294/46-49
vertaald/55-59

blz. 60  vert. blz. 68/69

Was tun wir denn eigentlich, indem wir das unbewußte Sprechen zu dem grammatikalischen, zu dem Wissen von dem Grammatikalischen erheben? Wir gehen bei unserem Zögling dazu über, die Sprache von dem Unbewußten überhaupt ins Bewußte zu erheben; wir wollen ihm gar nicht pedantisch Grammatik beibringen, sondern das, was sonst unbewußt vollzogen wird, zum Bewußten erheben. Unbewußt oder halb bewußt rankt sich in der Tat der Mensch im Leben an der Außen­welt hinauf so, wie es dem entspricht, was man in der Grammatik lernt. In der Grammatik lernen wir zum Beispiel, daß es Hauptwörter gibt. Hauptwörter sind Bezeichnungen für Gegenstände, für Gegenstände, die in gewissem Sinne im Raume abgeschlossen sind. Daß wir an solche Gegenstände im Leben herantreten, ist nicht ohne Bedeutung für unser Leben. Wir werden uns an alledem, was durch Hauptwörter aus­gedrückt wird, unserer Selbständigkeit als Menschen bewußt. Wir son­dern uns von der Außenwelt dadurch ab, daß wir lernen durch Haupt-wörter die Dinge zu bezeichnen. Wenn wir etwas Tisch oder Stuhl nennen, so sondern wir uns von dem Tisch oder dem Stuhl ab: Wir sind hier, der Tisch oder Stuhl ist dort. Ganz anders ist es, wenn wir durch Eigenschaftswörter die Dinge bezeichnen. Wenn ich sage: Der Stuhl ist blau -, so drücke ich etwas aus, was mich mit dem Stuhl vereint. Die

Wat doen we eigenlijk wanneer we het onbewuste spreken ver­heffen tot het grammaticale spreken, tot kennis van de gramma­tica? Niets anders dan dat we bij onze leerlingen de taal van het onbewuste naar het bewuste optillen. We willen de kinderen echt niet op een pietluttige manier grammatica bijbrengen, we willen dat wat zich gewoonlijk onbewust afspeelt in het bewustzijn roe­pen. Het is werkelijk zo dat een mens zich in zijn leven onbewust of half bewust ‘optrekt’ aan de buitenwereld op een manier die overeenkomt met wat we in de grammatica leren.
In de grammatica leren we bijvoorbeeld dat er zelfstandige naamwoorden bestaan. Zelfstandige naamwoorden duiden voorwerpen aan, voorwerpen die in zekere zin begrensd zijn in de ruim­te. Dat wij zulke voorwerpen in de werkelijkheid tegenkomen is niet zonder betekenis voor ons leven. Door alles wat door zelfstan­dige naamwoorden wordt uitgedrukt, worden wij ons bewust van onze zelfstandigheid als mens. Wij onderscheiden ons van de bui­tenwereld doordat we leren de dingen met een zelfstandig naam­woord aan te duiden. Wanneer we iets ‘tafel’ of‘ stoel’ noemen, on­derscheiden wij ons van die tafel of stoel. Wij zijn hier, de tafel of stoel is daar. Heel anders is het wanneer we de dingen aanduiden door middel van bijvoeglijke naamwoorden. Als ik zeg: ‘De stoel is blauw,’ dan druk ik iets uit wat mij met die stoel  verbindt.

blz. 61 vert. blz. 69

Eigenschaft, die ich wahrnehme, vereinigt mich mit dem Stuhl. Indem ich einen Gegenstand durch ein Hauptwort bezeichne, sondere ich mich von ihm ab; indem ich die Eigenschaft ausspreche, röcke ich wieder mit ihm zusammen, so daß die Entwickelung unseres Bewußtseins im Ver­hältnis zu den Dingen in Anreden spielt, die man sich durchaus zum Bewußtsein bringen muß. – Spreche ich das Tätigkeitswort aus: Der Mann schreibt -, dann vereinige ich mich nicht nur mit dem Wesen, von dem ich das Tätigkeitswort ausspreche, sondern ich tue mit, was der andere tut mit seinem physischen Leibe. Das tue ich mit, mein Ich tut es mit. Was mit dem physischen Leibe ausgeführt wird, das tut mein Ich mit, indem ich ein Zeitwort, ein Tätigkeitswort ausdrücke. Ich ver­binde mein Ich mit dem physischen Leib des andern, wenn ich ein Tätigkeitswort ausdrücke. Unser Zuhören, namentlich bei den Tätig­keitsworten, ist in Wirklichkeit immer ein Mittun. Das Geistigste zu­nächst im Menschen tut mit, es unterdrückt nur die Tätigkeit. In der Eurythmie wird nur diese Tätigkeit in die Außenwelt hineingestellt.

De eigenschap die ik waarneem, verenigt mij met de stoel. Door een voorwerp met een zelfstandig naamwoord aan te duiden, grens ik mij van dat voorwerp af, door een eigenschap uit te spreken, be­weeg ik mij weer naar het voorwerp toe. De ontwikkeling van ons bewustzijn in relatie tot de dingen speelt dus mee in de manier waarop we de dingen benoemen, en die moeten we ons zeer zeker bewust maken.
Spreek ik een werkwoord uit, bijvoorbeeld: ‘De man schrijft,’ dan verenig ik me niet alleen met het wezen dat iets doet, maar ik doe mee met wat de ander doet met zijn fysieke lichaam. Daar doe ik aan mee, mijn ik doet eraan mee. Wanneer ik een werkwoord uitspreek, doet mijn ik mee met wat met het fysieke lichaam ge­daan wordt. Ik verbind mijn ik met het fysieke lichaam van de an­der wanneer ik een werkwoord uitspreek. Ons luisteren, met name bij werkwoorden, is in werkelijkheid altijd een meedoen. Wat in eerste instantie het meest geestelijke in de mens is, dat doet mee, het onderdrukt alleen de activiteit van het meedoen. Alleen in de euritmie wordt die activiteit ook uiterlijk zichtbaar gemaakt.

Die Eurythmie gibt neben allem übrigen eben auch das Zuhören. Wenn einer etwas erzählt, so hört der andere zu, indem er das, was in Lauten physisch lebt, in seinem Ich mittut, doch er unterdrückt es. Das Ich macht immer Eurythmie mit, und das, was wieder die Eurythmie an dem physischen Leibe ausführt, ist nur das Sichtbarwerden des Zu­hörens. Sie eurythmisieren also immer, indem Sie zuhören, und indem Sie wirklich eurythmisieren, machen Sie nur dasjenige sichtbar, was Sie unsichtbar sein lassen beim Zuhören. Die Offenbarung der Tätigkeit des zuhörenden Menschen ist nämlich Eurythmie. Sie ist gar nichts Willkürliches, sondern sie ist in Wirklichkeit das Offenbarwerden der Tätigkeit des zuhörenden Menschen. – Die Menschen sind ja heute innerlich furchtbar verschlampt, so daß sie zunächst beim Zuhören innerlich eine furchtbar schlechte Eurythmie machen. Indem Sie es normativ machen, erheben Sie es zu einer wirklichen Eurythmie. Die Menschen werden durch Eurythmie lernen, richtig zuzuhören, denn heute können sie nämlich nicht richtig zuhören. – ( )

De euritmie laat ons naast al het andere ook het luisteren zien. Wan­neer iemand iets vertelt, luistert de ander door in zijn ik mee te doen met wat zich fysiek in klanken afspeelt, maar hij onderdrukt het. Het ik doet altijd euritmisch mee, en wat de euritmie via het fysieke lichaam laat zien, is niets anders dan het zichtbaar wor­den van het proces van het luisteren. U euritmiseert dus voortdu­rend wanneer u luistert, en wanneer u werkelijk euritmie uitvoert, maakt u eigenlijk alleen zichtbaar wat u onzichtbaar laat zijn bij het luisteren. Euritmie is namelijk de openbaring van wat een luis­terend mens doet. Euritmie is niet een willekeurig iets, maar wer­kelijk de manifestatie van de luisterende activiteit van de mens. Nietwaar, de mensen zijn tegenwoordig innerlijk verschrikkelijk verslonst, waardoor ze bij het luisteren in eerste instantie inner­lijk een verschrikkelijk slechte euritmie uitvoeren. Door ons op dit gebied naar bepaalde normen te richten, verheffen we het tot een werkelijke euritmie.* De mensen zullen door de euritmie werke­lijk leren luisteren, want tegenwoordig kunnen ze niet echt meer luisteren. ( )
*Door ons op dit gebied naar bepaalde normen te richten, verheffen we het tot een werkelijke euritmie: Letterlijk: ‘Indem Sie es normativ machen, erheben Sie es zu einer wirklichen Eurythmie.’

blz. 62 vert. blz. 70/71

Die Menschen können nicht zuhören und werden immer weniger zuhören können in unserem Zeitalter, wenn nicht dieses Zu­hören durch Eurythmie wieder erweckt wird.
Es muß wieder eine Art Gesundung des Seelenwesens eintreten. Daher wird es besonders wichtig sein, daß zu dem Materialistisch-Hygienischen des Turnunterrichts und zu allem, wo bloß auf die Phy­siologie der Körperverrichtungen Rücksicht genommen wird, hinzu­gefügt werde die Hygiene der Seele, indem immer abwechselnd eine Turnstunde und eine Eurythmiestunde gegeben wird. Da wird, wenn auch Eurythmie in erster Linie etwas Künstlerisches ist, das hygienische Element der Eurythmie zum besonderen Vorteil des zu Erziehenden werden, denn die Menschen werden nicht nur etwas Künstlerisches in der Eurythmie lernen, sondern sie werden durch die Eurythmie für die Seele dasselbe lernen, was sie vom Turnen für den Leib lernen, und diese beiden Dinge werden gerade sehr schön ineinanderwirken. Es kommt darauf an, daß wir wirklich unsere Kinder so erziehen, daß sie wieder auf die Umwelt, auf ihre Mitmenschen achten lernen. Das ist ja die Grundlage alles sozialen Lebens. Heute redet jeder von sozialen Impulsen, aber lauter antisoziale Triebe sind unter den Menschen vor­handen. Sozialismus müßte damit beginnen, daß die Menschen sich wieder achten lernen. Das können sie nur, wenn sie einander wirklich zuhören. Es ist außerordentlich wichtig, daß man auf diese Dinge wieder die Empfindung lenkt, wenn man Erzieher und Unterrichter werden soll.

De mensen kunnen niet luisteren en ze zullen in onze tijd steeds minder kunnen luisteren als het luisteren niet opnieuw tot leven wordt gewekt door de euritmie.
Er moet weer een soort gezondmaking van het zielenleven plaatsvinden. Daarom is het heel belangrijk dat naast de materia­listische, op lichamelijke gezondheid gerichte gymnastiek en naast alle andere activiteiten waarin alleen de fysiologie van het li­chamelijk bezig zijn wordt aangesproken, ook de gezondheid van de ziel aan bod komt, doordat afwisselend een les gymnastiek en een les euritmie wordt gegeven. Ook al is euritmie in eerste instan­tie iets kunstzinnigs, het gezondmakende element van de eurit­mie zal de leerlingen zeer ten goede komen, want de mensen zul­len niet alleen iets kunstzinnigs leren in de euritmie, maar ze zul­len door de euritmie voor de ziel hetzelfde leren als wat ze door de gymnastiek voor het lichaam leren. En deze twee dingen zul­len juist heel mooi op elkaar inwerken. Het komt erop aan dat we onze kinderen werkelijk zo opvoeden dat ze weer aandacht leren hebben voor hun omgeving, voor hun medemensen. Dat is toch de basis van elk sociaal leven. Tegenwoordig heeft iedereen het over sociale impulsen, maar onder de mensen zijn louter antisociale krachten aan het werk. Socialisme zou in de eerste plaats moeten inhouden dat de mensen elkaar weer leren respecteren. Dat kun­nen ze alleen wanneer ze werkelijk naar elkaar luisteren. Het is ui­termate belangrijk dat we weer een gevoel voor deze dingen ont­wikkelen, als we opvoeder en leraar willen worden.

blz. 63 vert. 71

Indem Sie nun von so etwas wissen: durch das Aussprechen des Hauptwortes trenne ich mich ab von der Umwelt, durch das Ausspre­chen des Eigenschaftswortes verbinde ich mich mit ihr, und durch das Aussprechen des Tätigkeitswortes gehe ich tätig auf in der Umwelt, tue mit, indem Sie das wissen, werden Sie dadurch schon mit einer ganz andern inneren Betonung von Hauptwort, Eigenschaftswort und Zeit­wort reden, als wenn Sie dieses Bewußtsein nicht haben. Das alles ist jedoch nur präliminarisch, soll noch weiter fortgesetzt werden. Ich will nur jetzt gewisse Vorstellungen hervorrufen, deren Nichtvorhanden­sein Sie beirren könnte.
Es ist also außerordentlich wichtig, daß wir wissen, was das Sich-zum-Bewußtsein-Bringen des Aufbaues unserer Sprache für den Men­schen für eine Bedeutung hat. Aber außerdem müssen wir uns ein Ge­fühl aneignen, das im heutigen Menschen auch schon größtenteils er­storben ist, ein Gefühl dafür, wie weise eigentlich die Sprache ist. Sie ist ja viel gescheiter als wir alle. Die Sprache ist – das werden Sie von vornherein doch glauben – in ihrem Bau nicht von Menschen aufgebaut.

Wanneer u nu zoiets weet als: door een zelfstandig naamwoord uit te spreken zonder ik me af van de wereld om mij heen, door een bijvoeglijk naamwoord uit te spreken verbind ik mij ermee en door een werkwoord uit te spreken ga ik al doende, mee-doende, op in de wereld om mij heen – wanneer u dat weet, zult u al met een heel andere innerlijke ‘toon’ over zelfstandige naamwoorden, bij­voeglijke naamwoorden en werkwoorden spreken dan wanneer u dat bewustzijn niet hebt. Maar dit is allemaal nog maar inleiding, het dient verder uitgewerkt te worden. Ik wil nu alleen maar be­paalde voorstellingen naar voren brengen waardoor u misschien beter uw weg kunt vinden op dit gebied.
Het is dus heel belangrijk dat we weten wat het voor de mens betekent om zich de bouw van onze taal tot bewustzijn te bren­gen. Maar bovendien moeten we ons een gevoel eigen maken dat in mensen van deze tijd ook al grotendeels gestorven is, een ge­voel voor het feit dat de taal eigenlijk heel wijs is. De taal is veel intelligenter dan wij bij elkaar. De bouw van de taal is – dat zult u toch zonder meer geloven – niet door mensen geschapen.

(  ) Der Sprachbau enthält größte Weistümer. Und wie bei einem Volke oder einem Volksstamme gesprochen wird, davon kann man außerordentlich viel lernen. Indem man sich bewußt hineinlebt in das Gefüge der Sprache, lernt man von dem Sprachgenius selbst sehr viel. Und etwas Konkretes empfinden lernen von dem Wir­ken und Weben des Sprachgeistes, das ist von außerordentlicher Wich­tigkeit. Glauben, daß der Sprachgenius in dem Aufbau der Sprache wirkt, das ist von einer großen Bedeutung. 

De taal draagt gro­te wijsheden in zich. En van de manier waarop een volk of een ge­meenschap spreekt, kun je buitengewoon veel leren. Als je je be­wust in de bouw van de taal inleeft, dan kun je heel veel leren van de taalgeest zelf. En concreet iets te leren aanvoelen van het wer­ken en weven van de taalgeest is buitengewoon belangrijk. Gelo­ven dat de taalgeest in de bouw van de taal werkzaam is, dat is heel belangrijk.

blz. 65  vert. blz. 73

Aber ich möchte Sie an etwas erinnern, aus dem Sie wieder Respekt für die Sprache bekommen können. Wenn in sehr alten Zeiten, zum Beispiel in der jüdischen Kultur – aber noch deut­licher ausgesprochen gilt das für die noch älteren Kulturen – die Kultus­vertreter, die Kultusverwalter, die Priester bei den Kultushandlungen auf gewisse Begriffe gekommen sind, so haben sie die Rede unter­brochen und gewisse Bezeichnungen für hohe Wesen nicht durch Worte gegeben, sondern sie sind dann stumm geworden und haben nur die entsprechende eurythmische Gebärde gemacht, dann haben sie weiter geredet. So wurde zum Beispiel jener Name, der uns heute schon ganz abstrakt klingt und der im Hebräischen wiedergegeben hat das «Ich bin der Ich-bin», niemals ausgesprochen, sondern es wurde immer die Rede bis zu ihm geführt, dann das Zeichen gemacht, dann wurde die Rede fortgesetzt. Das bedeutete, durch die Gebärde ausgedrückt, den «unaussprechlichen Namen des Gottes im Menschen». 

Maar ik wil u aan iets herinneren waardoor u weer respect kunt krijgen voor de taal. Wanneer in zeer oude tij­den, bijvoorbeeld in de joodse cultuur – maar nog uitgesproke­ner geldt dat voor nog oudere culturen -, de vertegenwoordigers en behoeders van de cultus, de priesters, bepaalde begrippen wil­den uitdrukken, dan onderbraken ze hun woorden. Bepaalde aan­duidingen voor hoge wezens uitten ze niet met woorden, maar ze zwegen dan en maakten enkel het passende euritmische gebaar; daarna gingen ze weer verder met spreken. Zo werd bijvoorbeeld die naam die ons al heel abstract in de oren klinkt en die in het He­breeuws betekent: ‘Ik ben de Ik-ben,’ nooit uitgesproken.* Wat er gezegd werd, ging altijd tot aan die naam, dan werd het teken ge­maakt en daarna weer verder gesproken.
*die naam die… in het Hebreeuws betekent: ‘Ik ben de Ik-ben,’ nooit uitgespro­ken: De gangbare vertaling van deze naam, waaronder God zich aan Mozes te kennen geeft, luidt raadselachtig ‘Ik ben die Ik ben’ (Exodus 3:14). Steiners weergave legt het accent op het ik-wezen van de godheid, het­geen aansluit bij het vervolg van deze bijbelpassage: ‘En Hij zeide: Al­dus zult gij tot de Israëlieten zeggen: Ik ben heeft mij tot u gezonden.’ Zie voor Steiners uitleg o.m. Het evangelie naar Johannes. Esoterische achtergron­den, de voordracht van 25 mei 1908
GA 294/61-62-63-65
vertaald/68-69-70-71-73
.

Rudolf Steiner over euritmie

Rudolf Steineralle artikelen
.

1347

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

Een Reactie op “VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over euritmie (GA 294)

  1. Pingback: VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over euritmie | VRIJESCHOOL

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s