Categorie archief: sterrenkunde

VRIJESCHOOL – 7e klas – sterrenkunde (2-4)

.

H. ter Beek, nadere gegevens onbekend.

.

DE ZEVEN PLANETEN EN DE ZEVEN DAGEN VAN DE WEEK

.

PERIODEVERSLAG ZEVENDE KLAS
.

In de periode KOSMOGRAFIE, beter bekend als STERRENKUNDE, kwamen we na de loop van Zon en Maan beschreven te hebben, toe aan de behandeling van de Planeten.

De Planeten worden ook wel Dwaalsterren genoemd, omdat zij in tegenstelling tot de Vaste Sterren, die de bekende sterrenbeelden vormen, en waaruit het grootste deel van de sterrenhemel bestaat, geen vaste plaats bezitten. Ze verplaatsen zich langs het firmament, evenals Zon en Maan dat doen. En dan is er nog een verschil; zij schijnen, terwijl de vaste sterren fonkelen.

In het oude Babylonië nu, nam men zeven planeten waar; zij werden gezien én beleefd als de werkingsgebieden van de goden. Ook bij de Grieken en Romeinen was dit het geval, daar zij de erfgenamen waren van de sterrenkunde der Babyloniërs. Tegenwoordig kennen we de planeten volgens hun Romeinse namen, die we hier dus ook zullen gebruiken.

Deze zeven planeten werden in volgorde van hun omwentelingssnelheid geplaatst:

Maan                                                           – 29½ dag
Mercurius                                                   – 88 dagen
Venus                                                          – 224 dagen
Zon                                                              – 1 jaar
Mars                                                            – 1 jaar + 321 dgn, 111/12   jaar
Jupiter                                                        – 12 jaar (11 jaar +315 dgn, 11 11/12 j.)
Saturnus 29½ jaar

Het interessante is nu dat de oude Babyloniërs hieruit ook de volgorde van de zeven weekdagen bepaalden, maar daartoe werd het getal zeven opnieuw gebruikt. De planeten worden dan in een kring gegroepeerd, zoals op bijgaande figuur.

Het getal 7 wordt vervolgens gezien als opgebouwd uit 3 en 4, twee getallen die opnieuw heilige getallen waren, de 3 voor het geestelijke, de 4 voor het aardse. Gaat men nu met de 4 rechtsom, of met de 3 linksom (op bijgaande figuur), dan krijgt .men in beide gevallen deze volgorde:

DAG                                         PLANEET      ROMEINSE GOD  GRIEKSE GOD

Zondag         Dimanche              Zon                     Apollo                   Apolloon
Maandag      Lundi                     Maan                  Diana                    Artemis
Dinsdag       Mardi                     Mars                   Mars                      Ares
Woensdag   Mercredi                Mercurius         Mercurius             Hermes
Donderdag  Jeudi                      Jupiter               Jupiter                   Zeus
Vrijdag         Vendredi               Venus                 Venus                    Aphrodite
Zaterdag      Samedi                  Saturnus             Saturnus              Kronos

Nu kwam evenwel het meest interessante deel.

Waren het alleen maar namen, of hadden de dagen van de week nog hun eigen werking, kleur, sfeer? In onze tijd is daar niet zoveel meer van te herkennen. Met planeten, sterren en goden wordt geen rekening gehouden. We hebben recht op een 5-óaagse werkweek. Een vrije zaterdag, en voor de middenstand een vrije maandag. In de agenda’s en op de kalenders begint de week voortaan op een maandag, en worden zaterdag en zondag als week-end beschouwd.

Hierover hebben we met elkaar gesproken. In het Scheppingsverhaal in het Oude Testament wordt op de eerste dag het Licht geschapen, op de zevende dag wordt er gerust. Dit was nog levend aanwezig, hoewel het als vertelstof 4 jaar geleden verteld is.

Hoe beginnen we de week op maandag? Dat is de eerste dag waarop we weer naar school gaan. Het valt niet mee om weer te moeten beginnen. Waar waren we ook al weer mee bezig? Ach ja, we zijn het weekend weg geweest, logeren, familiebezoek, lang in de auto, laat naar bed, sportwedstrijden, uitslapen enz. Voor ieder wat anders. Elkaar hebben we niet gesproken. Nu hebben we elkaar alleen maar te vertellen wat we het weekend gedaan hebben. Geen al te beste start voor de nieuwe week. De leraren hadden juist de zondagavond allerlei voornemens gemaakt voor wat er de komende week zou moeten gebeuren, en die eerste dag gebeurt er niet veel.

Hoe zou dat komen?

De maan werkt als een spiegel, evenals het zilver, dat met de maan verwant is. De maan weerkaatst het zonlicht’, spiegelt terug naar de week ervóór.

De zon werpt zijn licht vooruit. Op zondag, ook al ga je die dag niet naar school, bereid je je voor op de komende week. Je bepaalt wat je die week wilt bereiken, en… dat behoef je pas te bereiken op … donderdag, de dag van Jupiter (Zeus).

Op dinsdag, de dag van Mars (Ares), de krijgsgod, wordt met het eigenlijke werk, met de eigenlijke weektaak begonnen.
De maandag wordt niet verlummeld met niets doen, maar het oude wordt afgedaan, zoals de maandag vanouds de wasdag was! Al de vuile was wordt dan weggewassen.

Na de intensieve dinsdag (ook het lesrooster telt in onze klas die dag de meeste uren, het is de langste schooldag) moet er op de woensdag wat worden teruggenomen. Tevens moet er gekeken worden of we nog wel op het goede spoor zitten. (De ongetrouwde jonge mannen gingen op woensdag “de week doorzagen”: op woensdagavond kon er niet worden gesport, getraind, gebiljart, maar werd het meisje opgezocht.) Het is de dag van het kwikzilver, dat ook alle kanten op kan rollen, en dat evenals het zilver ook goed kan spiegelen.

Op de vrijdag, de dag van de godin der Schoonheid, wordt er ook extra aandacht besteed aan de verzorging en de schoonheid van het schrift. Er wordt nog wat getekend, er wordt nog wat verbeterd, er wordt nog wat geplakt, versierd, gekaft, enz. Alles in het teken van verzorging, mooi maken.

En de zaterdag? Kunnen we die wel missen? Is deze dag wel gelijkwaardig met de andere, wel een volwaardige werkdag? Er wordt die dag misschien voorgelezen, het is voorleesdag. Er is die dag muziek in de zaal. Die dag is de kortste van de week. Er worden geen nieuwe dingen meer begonnen.

Deze dag is toch heel belangrijk! Deze dag maakt het mogelijk dat de vrijdag een volwaardige vrijdag kan blijven. Op de zaterdag kan gerust worden ( = niets nieuws meer beginnen), zoals God dat in het Bijbels Scheppingsverhaal deed, dat wil zeggen terugkijken op het werk van de afgelopen week en “zien dat het goed was” of misschien “niet goed” was. Op de zaterdag ging men vroeger altijd in ’t bad, cn trok de vuile kleren uit, die dan op maandag gewassen werden.

Toen we hier zo met elkaar over gesproken hadden, herkenden de kinderen dit in de gang van de periodes. Dadelijk gingen ze er bewust aan werken, en toen het vrijdag was, werd er geroepens “Vandaag gaan we onze tekeningen maken!”, want deze zevende klas is nu eenmaal dol op tekenen.

.
7e klas sterrenkunde: alle artikelen

7e klas: alle artikelen

.

1955-1839

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – sterrenkunde (4)

.

De 7e klas – de eerste van de middelbare vrijeschool – heeft in het leerplan een periode sterrenkunde staan.

Het gaat vooral om ‘de blik omhoog’; de verder zich voltrekkende puberteit brengt ook met zich mee dat de jonge mens aanvankelijk erg op zichzelf betrokken raakt – de sterrenkunde opent andere perspectieven.

Het is geen periode astrologie met horoscopen o.i.d. meer een eerste kennismaking met waar en hoe je in de wereld staat t.o.v. de kosmische processen die o.a de jaargetijden veroorzaken.

Grondslag voor een nieuwe astrologie

Waarnemen van de sterrenhemel

Astrologie en natuurwetenschap hebben zich beide vervreemd van de werkelijke sterrenhemel. Voor een dergelijke ontwikkeling zijn historische lijnen aan te wijzen. Een nieuwe benadering kan ontstaan door de menselijke waarneming als uitgangspunt te kiezen. Met dat uitgangspunt ligt een oefenweg open.

Wanneer iemand in een kleine roeiboot midden op een enorme zee zit met water aan alle kanten zover het oog reikt, dan ziet hij de horizon of beter: zijn horizon. Deze horizon wordt anders wanneer hij zich ook maar minimaal verplaatst. Zo heeft iedereen een horizon die met hem mee beweegt. De horizon is een individueel gegeven. Ieder mens heeft, waar hij ook is, altijd de helft van de sterrenhemel boven zich en de andere helft onder zich. Steeds opnieuw geldt dus dat de mens in het midden van de sterrenwereld, de kosmos staat. Boven zich heeft hij zijn zenith. Dat is het punt aan de hemel dat in het verlengde ligt van de vertikale lijn die de opgerichte gestalte vormt. Ook het zenith is daarmee strikt individueel.

De sterren bewegen zich in cirkelbogen en de cirkelboog waarvan de waarnemer het middelpunt is, wordt de hemelequator genoemd. Deze sterrencirkel is voor ieder menselijk individu dezelfde en kan daarom mensheidscirkel genoemd worden.

Kiest de waarnemer zich een bepaalde plaats dan zullen de mensheidscirkel en de horizon elkaar op twee punten snijden en wel in oost en west. Oost en west kunnen daarom als de punten worden beschouwd, waar mensheid en individu met elkaar verbonden zijn. Deze wetmatigheden zijn door eenvoudige waarneming en bewustwording vast te stellen. Zij gelden voor de waarnemer die zich op de aarde bevindt.

De waarneming als mogelijkheid om de wereld te leren kennen, heeft in de geschiedenis van de mensheid een veranderlijke betekenis. Ver voor het begin van onze jaartelling leefde in de mensen nog een innerlijke wijsheid, die ‘gegeven’ was en waarvoor geen harde, individuele oefenweg van studie nodig was. Die wijsheid deed de mens de kosmos op natuurlijke wijze kennen, zonder dat hij hiervoor de fenomenen aan de hemel behoefde te bestuderen.

Ptolemeus was een van de laatsten die de oude wijsheid bezat en om deze niet geheel verloren te laten gaan, schreef hij die neer in zijn boek Tetrabiblos.
Vanaf die tijd stelde de mens zich vragen over vroeger vanzelfsprekende verschijnselen. Wanneer de inhouden van de wereld de mensheid niet meer duidelijk en helder zijn, ontwaakt de drang om antwoorden te zoeken op deze onbegrijpelijkeheden. En waar de poort naar het religieuze zich meer en meer sluit, wordt de mens gedwongen om verstandelijke verklaringen daarvoor in de plaats te stellen.
Plato viel het op dat de planeten, die door de Grieken als goden werden voorgesteld, geen mooie gelijkmatige banen aan de hemel beschrijven, maar grillige slingers.

Hoe te verklaren dat de planetengoden zich als dronken mannen langs de hemel bewegen? Een ander voorbeeld van deze manier van vragen stellen, waarin het meetbare en het religieuze ongemerkt verward worden, is dat in de middeleeuwen de mensen zich afvroegen hoeveel engelen er op de punt van een naald pasten.

Sinds Kopernikus, die rond 1500 zijn wereldbeeld lanceerde, begon datgene wat wij nu met het begrip natuurwetenschap aanduiden, opgang te maken. Een wetenschap die zich gedachten vormt over de natuur. Sterrenbeelden kunnen dan niet meer als realiteiten worden opgevat.

De sterren die voor ons oog aan de hemel de Grote Beer vormen, kunnen lichtjaren uit elkaar liggen en ons zo het idee geven dat een sterrenbeeld uit kleinere en grotere sterren bestaat. Ook over de gang der planeten worden verklaringen gegeven.

Natuurwetenschap

Een belangrijke stap in de ontwikkeling van de natuurwetenschap wordt gezet door Francis Bacon (1561-1626). Hij formuleert uitgangspunten* :

1. het wantrouwen in de zintuigelijke waarneming
2. de subjectiviteit van het gevoelsleven
3. het misleidende karakter van kwalitatieve begrippen

Bacon formuleert deze stellingen niet geheel ten onrechte, maar bij het eerste punt bijvoorbeeld zijn er twee manieren waarop je kunt proberen met deze onvolmaaktheden om te gaan:

— het persoonlijke aspect en de zintuiglijke waarneming uitschakelen en vervangen door het uiterst objectieve opnemen en registreren via instrumenten; — het waarnemingsvermogen oefenen.

Francis Bacon ‘koos’ voor de eerste manier, wat tot gevolg had dat de onderzoeker steeds verder en verder afgroeide van de realiteit en de werking van de kosmos, daar deze meer dan alleen maar meetbaar is. De natuurwetenschap was destijds in ontwikkeling gekomen tot verruiming van het bewustzijn; het resultaat was echter een verarming.

De huidige wetenschapsbeoefening kent een geweldige catalogiseerijver. In het onderzoek van de kosmos beperkt de methode zich tot de vraagstelling: Waar is wat in de ruimte? Het antwoord vinden op die vraag is in principe een oneindige bezigheid. Het registreren van gegevens via de wetenschappelijke apparatuur kan onbeperkt voortgaan, De registraties leiden vervolgens tot hypothesevorming. De modellen van de werkelijkheid die zo ontstaan, hebben met menselijke waarneming en ervaring niets meer van doen. Er wordt slechts uit duidelijk hoe instrumenten reageren op kosmische verschijnselen.

Het is zinvol om hiernaast de verwaarloosde weg van de waarneming te plaatsen, vanuit de vraagstelling: Wat neem ik waar? Het is dan nodig dat de waarneming wordt geoefend.

Het belang van het scholen van het waarnemingsvermogen ligt onder meer in het feit dat de mens door de fenomenen te bestuderen, opnieuw buiten zich kan ontdekken wat vroeger als vanzelfsprekende wijsheid binnen hem leefde. Wanneer wij de fenomenen in ons opnemen, kunnen we tot een ‘innerlijke ruimtevaart’ komen.

Er heerst tegenwoordig de neiging om terug te grijpen naar oude mysteriën (oude, naar binnen gerichte wegen), die zouden kunnen helpen de innerlijke wijsheid te heroveren. Het bereiken van de goddelijke wereld langs deze natuurlijke weg is niet meer passend in deze tijd. De enige toegang ontstaat pas weer door het scholen van het bewustzijn. Het is moeilijk voor de moderne mens om naar de dingen te kijken en zuiver binnen de waarnemingswereld te blijven zonder er meteen een hypothese uit af te leiden.

De waarnemingswereld is tegenwoordig een verborgen, dus occulte mogelijkheid om de werkelijkheid te beleven. Toegepast op de kennismaking met de kosmos levert een waarnemende methode op dat de sterrenwereld als beeld verschijnt. Ruimte immers valt niet waar te nemen, die is alleen theoretisch voor te stellen. Alleen begrenzingen van ruimte zijn zichtbaar.

Astrologie

Nu dringt zich vanouds de vraag op hoe de samenhang tussen mens en kosmos is met het oog op de menselijke levensloop en de menselijke vrijheid.
De oude astrologie beschreef die samenhang door de mens gebonden te zien aan de sterrenconstellatie op het moment van zijn geboorte. Deze geboorteconstellatie, die een beeld gaf van de ervaringen die een mens in zijn voorgeboortelijke bestaanstoestand in de planetensferen had doorgemaakt, was bepalend voor de rest van zijn aardeleven. De kracht van de menselijke individualiteit was nog niet geboren en de enkeling kon zich als zelfstandige persoonlijkheid nog niet beleven. Door de komst van Christus op aarde en door de gebeurtenissen op Golgotha is de mens vrij geworden. Van zijn gang door de sterrenwereld neemt een mens ook nu een afdruk mee bij de geboorte, maar die behoeft dankzij de Ik-ontwikkeling van de mensheid niet meer bepalend te zijn voor de rest van zijn leven. In tegenstelling hiertoe draagt de mens datgene wat hij door vrije wilsontplooiing ontwikkeld heeft gedurende het leven, na zijn dood mee in de sterrenwereld.

De waarde van de voorspellende astrologie is om deze reden beperkt. Wanneer een zorgvuldige geboortehoroscoop zich gedurende het leven inderdaad realiseert, dan blijkt daaruit dat de betrokken persoon in sterke mate gebonden bleef aan de sterrenconstellatie van zijn geboortemoment. Op de mate waarin een mens zich door een krachtige persoonlijke ontwikkeling een stuk innerlijke vrijheid verwerft, kan de geboortehoroscoop geen betrekking hebben.

Het is overigens opmerkelijk hoe de voorspellende horoscopie nog pas een jonge twijg is van de astrologische wetenschap. Vooral na 1930 heeft de horoscopie een enorme vlucht gemaakt, die tenslotte heeft geresulteerd in de wekelijkse horoscopen in dagbladen en tijdschriften.

Terwijl de natuurwetenschappen vervreemd waren van de menselijke waarneming — zoals eerder beschreven —, overkwam de astrologie in feite hetzelfde. Ook de astrologie betrekt zich niet meer op de eigenlijke waarnemingen, doordat zij te werk gaat met traditie en overgeleverde wijsheid. De natuurwetenschap stelde voor de menselijke zintuigen het gewapende, instrumentele oog in de plaats.

De astrologie verloor zich in speculatieve gedachtespinsels; zij vervreemdde van de waarneming, doordat zij zich niet oriënteerde op de werkelijke fenomenen, mede door een gebrek aan astronomische kennis. Dit heeft er onder andere toe geleid dat de benamingen van de dierenriemelementen, zoals vissen, ram, stier, enz. voor tweeduidige uitleg vatbaar zijn. Dit feit wordt weinig onderkend.

Voor het goede begrip is het nodig een onscheid te maken tussen sterrenbeeld en sterrenteken. Wanneer iemand geboren is tussen 21 maart en 21 april, dan draagt hij van oudsher het dierenriemteken ram, omdat het eerste teken na het lentepunt ram wordt genoemd. Op deze wijze werkt de astrologie met een indeling van het jaar in twaalf tekens, samenhangend met de seizoenen. Feitelijk komen echter deze twaalf tijdvakken niet meer overeen met de gang van de zon door de beelden van de dierenriem. Dit komt door het verschuiven van het jaarritme binnen de dierenriem:

Platonisch wereldjaar

Tot de interessante ontdekkingen die bij waarneming aan de nachtelijke hemel kunnen worden gedaan, behoort ook de cirkelbeweging van de sterren. Alleen de poolster verschijnt voor onze waarneming elke nacht weer en gedurende alle uren van één nacht als een vast punt. Het is mogelijk om ook waarnemingen uit veel vroeger tijden bijeen te leggen; de eerste die zoiets deed was de Griekse filosoof en natuuronderzoeker Hipparchus (190 – 125 v Chr). Hij stelde vast hoe Homerus vele eeuwen voor hem het sterrenbeeld van de Grote Beer had zien ondergaan in de oceaan, terwijl dat in zijn eigen tijd reeds een circumpolair sterrenbeeld was, dat wil zeggen een sterrenbeeld dat zijn boog aan de hemel zodanig maakt, dat het altijd zichtbaar blijft en dus niet op- en ondergaat. Het hier gesignaleerde ritme van verschuivingen drukt zich ook uit in de veranderlijkheid van het lentepunt. Wanneer de zon opkomt op 21 maart – het moment in het jaar waarop dag en nacht even lang duren, zoals ook bij het herfstpunt – dan staat er op die plaats aan de hemel een dierenriemteken. Na 2160 jaar blijkt dat lentepunt in de dierenriem een teken te zijn verschoven. Pas wanneer twaalfmaal 2160 jaar, dus 25920 jaar zijn verstreken, lig het lentepunt weer op dezelfde plaats in hetzelfde teken van de dierenriem. Dit tijdvak heeft de naam platonisch wereldjaar. Nu valt een opmerkelijke samenhang met de mens op aarde vast te stellen. De menselijke ademhaling, die gemiddeld 18 maal per minuut plaats vindt, blijkt zich gedurende één dag juist datzelfde aantal van 25920 malen voor te doen. Om die reden kan het platonisch wereldjaar ook worden aangeduid als één aardedag, waarbij dan één jaar is te benoemen als één aarde-ademhaling, in- en uitgaand in winter en zomer.

Zo kan het goed zijn dat de persoon uit het voorbeeld wel als dierenriemteken ram heeft, maar dat de feitelijke situatie aan de sterrenhemel op de dag van zijn geboorte zo was, dat de zon opkwam in het sterrenbeeld van de vissen. Omdat de tekens betrekking hebben op de verschillende seizoenen werkt de astrologie dus met de samenhang tussen aarde en zon en niet met de samenhang van aarde en sterren.

Voor een juiste verhouding tot de kosmos is een helder begrip van de fenomenen van belang. Een eenvoudige waarneming laat zien dat het lentepunt zich momenteel in het sterrenbeeld van de vissen bevindt en niet in de waterman. De geruchten over het aquariustijdperk, waarin de huidige mensheid thans zou overgaan, missen daarmee een fundament. Het zal nog enkele eeuwen duren alvorens het lentepunt feitelijk zal zijn verschoven naar het sterrenbeeld van de waterman.
.

*R. van Romunde – Materie en straling in ruimte en tijd.
J.von Baravalle, ‘Erscheinungen am Sternenhimmel
Kraul, ‘Erscheinungen am Sternenhimmel
E.Mulder, Zon, maan en sterren

.

Ir. L.de la Houssaye, Jonas 8/9, 19-12-1975
.

Sterrenkunde: alle artikelen

.

1570-1470

.

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – sterrenkunde (1-4)

.

De jaargetijden aan de sterrenhemel

Nu na de dag en nachtevening de nachten het in lengte weer van de dagen gaan winnen, zullen velen onwillekeurig wat meer aandacht besteden aan de nachtelijke hemel. Maar hoe vind je de weg tussen de sterren, en wat is er eigenlijk te zien? Het heeft weinig zin iemand een sterrenkaart te geven, als hij geen enkel punt heeft waarop hij zich kan oriënteren.
De Grote Beer echter zal voor de meeste mensen wel een begrip zijn. Dit vertrouwde beeld aan de noordelijke hemel kan als baken dienen om ons in alle jaargetijden de weg langs het uitspansel te laten vinden.

Het zal velen nooit opgevallen zijn dat elk jaargetijde aan de sterrenhemel zijn eigen signatuur heeft. Elk ogenblik van het jaar zouden we aan de stand van de sterren kunnen zien in welk jaargetijde we zijn, welk jaargetijde hieraan vooraf ging, en wat er gaat komen.
In de herfst zien we in het westen de beelden van de zomer verdwijnen, de karakteristieke beelden van het najaar staan hoog aan de zuidelijke hemel, terwijl op de late avond de wintersterren in het oosten zichtbaar worden.

sterrenkunde-12

De voor de zomer kenmerkende sterrengroep is gemakkelijk te vinden. Zoals gezegd, in de herfst moeten we daarvoor de westelijke hemel bekijken. Maar eerst gaan we de Grote Beer zoeken aan de noordelijke hemel. Op het kaartje is te zien waar dit sterrenbeeld zich in de herfst ’s avonds bevindt. We staan met ons gezicht naar het noorden en betrekkelijk laag aan de hemel zien we de zeven bekende sterren staan. Voor het gemak zijn ze op het kaartje voorzien van Griekse letters. Als we de lijn van β naar ∝ vijf maal met zichzelf verlengen, vinden we een betrekkelijk alleen staande ster: de Poolster. Eigenlijk kunnen we niet van lijnen spreken: alle schijnbaar rechte lijnen op een sterrenkaart zijn in werkelijkheid boven.
Terug naar de Grote Beer. We verlengen de lijn y δ tot we in de melkweg terecht komen, dat is dus een heel eind want de melkweg staat hoog aan de hemel. Nu komen we terecht in de buurt van de helderste ster van het sterrenbeeld de Zwaan: Deneb. Gaan we nu vanuit Deneb een beetje schuin naar beneden, dan ontmoeten we de zeer heldere Wega in de Lier. Een flink eind links van Wega staat, in de melkweg, Altaïr, de helderste ster van de Adelaar. Deneb, Wega en Altaïr vormen samen de zomerdriehoek. In de zomer vindt men deze drie sterren hoog aan de zuidelijke avondhemel, terwijl men dan in het westen het lentetrapezium ziet verdwijnen, maar daarover later. Het herfstbeeld, dat in de zomer in het oosten zichtbaar is, staat nu in het zuiden hoog aan de hemel: het herfstvierkant, gevormd door de vier heldere sterren van Pegasus.

Ook deze configuratie kunnen we met behulp van de Grote Beer vinden. We trekken daarvoor een lijn vanuit 5 naar de Poolster en trekken die lijn door tot we op de zuidelijke helft van de hemel komen. We vinden dan het herfstvierkant.

In het oosten kondigt zich in deze tijd de winter reeds aan: de bovenste sterren van de winterzeshoek worden in de late avond al zichtbaar: als we van de Grote Beer doortrekken, komen we uit bij de heldere Capella in de Voerman.

Tot zover deze eerste verkenning van de sterrenhemel.

Rinke Visser, Jonas 10/11, 3e jrg.

7e klas sterrenkunde: alle artikelen

7e klas: alle artikelen

1296-1210

.

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – sterrenkunde

.

In de jaren 70 schreef J.C.Alders over sterren in het blad ‘Vacature’, een uitgave van Thieme in Zutphen.

GEDICHTEN

Gedichten met een toelichting. Ze hebben alle iets met sterren.

DE WIJSGEER

„Jongeling” dus sprak een Wijsgeer:
„Jongeling, gij moet den hemel
In den stillen nacht beschouwen,
Wen geen wolkje hem verduistert;
Dan moet gij die groote lichten,
Die ontelbre groote lichten,
Om hun assen om zien rollen!”

J. Bellamy (1756-1786)

Bellamy was bakker in Vlissingen en kwam in 1782 aan de Hogeschool te Utrecht om er theologie te studeren. Hij was fel patriot. Hij overleed vóór hij afgestudeerd was.
Lichten=sterren.
Dat men zien kan dat zij „om hun assen om ziet rollen”, is dichterlijke fantasie.

,,d’ ander slaet de sterren ga,
’s Morgens vroegh en ’s avonds spa.
Wordt door ’t ondervinden rijcker,
Wenscht slechts om een verder kijcker.
Huylt vaeck eens om dat hij niet
In den raet der Gode ziet.”

J. van den Vondel (1587-1679)

Gesangh op het Latijnse woort „Trahet sua quemque voluptas” (Elk wort van zyn lust getrocken).

Vondel noemt de kijker verder kijcker. Buys = kijker-buis.

De heldre en starrelichte vliet,
Die door den hemel vloeyt bij duyster,
Is d’ltaljaense Padus niet,
Nocht oock de Nijl, Egyptens luister.

Vondel (de Rijnstroom.)

starrelichte vliet = Melkweg
Padus — Po, rivier in Italië.

====

Koninginne van den nacht,
in den onbewolkten hemel
zwemt de mane in ’t blij gewemel
van haar pinkelende eerewacht.

Albrecht Rodenbach.

Rodfenbach werd in 1856 te Roeselaere geboren, waar hij studeerde aan het seminarie aldaar. Later studeerde hij aan de Hoogeschool te Leuven, in 1880 overleed hij op 24 j. leeftijd. Dat was een zware slag voor de jonge Vlaamse letterkunde, want men had gehoopt dat hij het werk van Gezelle zou voortzetten: een West-Vlaamse school.- Hij schreef „Gedichten” en „Gudrun”, een verheerlijking van het Germaanse ras.

Aan die verheerlijking van het Germaanse ras was allerminst behoefte, zeker niet bij de Fransen na de nederlaag van 1871 en ook tegenwoordig is daar geen behoefte aan.

Verrekijcker

„Daer ick een moye meit sagh in haer’ venster leggen,
Met den neus in de locht en de hand aen de Buys,
En haelen Jupiter met haer’ schoon’ ooghen t’huys,
Moer, seid ick, dat gaet wel; maer wat sal Juno seggen?”

C. Huygens (1596-1687)

Juno was de zeer jaloerse echtgenote van Jupiter, zij kon niet hebben dat haar gemaal kinderen verwekte bij andere godinnen, nymphen en aardse vrouwen.

De bruidegom aan Aurora

„Blonde Auroor’, uw Titons jeugd
Moest voor lang vergryzen;
De eenzame echtkoets baart geen vreugd;
En gy toeft te ryzen!
Heeft een droom U afgemat?
Op Uw kille rozen?

Hield Uw arm Cephaal gevat?
Leer, by Zeus!, leer blozen!
‘k zwyg, gy naakt! – ’t is Amors schuld,
Zoo ‘k Uw rust kwam storen.
Nimmer zal myn ongeduld
Weer dien toon doen hooren.
Morgen, als hier ’t kuisch gordyn
Hymens kus omsluiert,
Zal myn prys te grooter zyn,
Hoe gy langer luiert.”

1788 A.C.W. Staring (1767-1840).

Men zou niet zeggen dat dit zeer erotisch gedicht van een dichter van o.a. vrome kerkgezangen is. Want de dichter verbergt zijn erotische verlangens achter mooie Griekse woorden. De opdracht al: aan Aurora, een nymFomane godin, nog erger dan Venus! De bruidegom ligt alleen in het echtelijke bed en hij herinnert er aan, dat Tithonos, één van de geliefden van Aurora, oud en impotent werd. Hij vindt er niets aan alleen in het echtelijk bed te liggen, het baart geen vreugd als niet datgene gebeurt waardoor de vrouw baart. En Aurora, komt niet, de dag breekt maar niet aan. De kille rozen zijn het morgenrood. Hij onderstelt, dat Aurora nog door Cephaal, een andere minnaar van Aurora, omarmd wordt. Zij moet blozen, d.w.z. het morgenrood moet de dag aankondigen. Maar zij nadert. De vertraging is Amors (de god van de liefde) schuld geweest. De dichter is ongeduldig omdat de bruid nog niet het bed met hem deelt. Maar morgen komt de bruid in het echtelijke bed en dan gaan de gordijnen van de bedstede of hemelbed dicht als de bruid Hymens kus krijgt. (Hymen is de god van het huwelijk, Hymens kus = coïtus.) Hij zal blij zijn als Aurora luiert, d.w.z. het lang duurt vóór het dag wordt en de kus van Hymen een paar keer herhaald kan worden. En de gevolgen blijven t.z.t. niet uit: 8 kinderen!

Om de 1e, 2e, 7e regel beter te begrijpen moeten we wat over Aurora weten. Zij was de zuster van Helios, de zonnegod en Selene, de maangodin. Zij is het voorbeeld van de nymfomane godin, die elke nacht de omarming van telkens weer een andere man nodig heeft, hoewel zij een getrouwde vrouw was. Zij was gehuwd met Astraios, die 5 kinderen bij haar verwekte: 4 zonen, goden van de winden: Euros (oosten), Bor-as (noorden), Zephyros (westen) en Notos (zuidenwind en een dochter de godin van de morgenster). Immers, de Grieken wisten niet, dat morgenster en avondster dezelfde planeet Venus waren, Aurora was de godin van de dageraad. Haar armen,. handen, vingers waren rose, daarom spreekt Homeros van de „roosvingerige Eoos”. De haren van Eoos (Aurora) waren blond, hadden de kleur van de krokus, de wielen van haar wagen waren goudkleurig, rose strepen omgaven haar hoofd, haar vurige ogen zijn groot. Zij ijlt met haar wagen de zonnewagen vooruit. De paarden heten Lampos (glans) en Phaeton (schittering).

De Griekse vrouwen haten haar. Als haar man voor dag en dauw, als het nog nacht is, zo nodig op jacht moet, dan wéét de Griekse vrouw, dat hij een intiem tête-a-tête met Aurora heeft en als hij dan thuis komt, dodelijk vermoeid en zonder buit, dan wéét de gade waardoor dit komt. Een van de vele minnaars van Aurora is Orion, de geweldige jager, want Aurora verlangt, als alle vrouwen, een sterke gespierde man. En dat zijn jagers en krijgslieden. Haar jaloerse medeminnares Diana verlangt Orion ook als man en zij gunt hem Aurora niet. Zij doodt hem met pijlen, maar Zeus zet, ver buiten het bereik van de wraakgierige Diana, hem hoog aan de hemel.

Ook de jager Kephalos was één van Aurora’s minnaars. Hij was gehuwd met Prokris. Maar ook Prokris was haar man ontrouw en zij verweten elkaar echtbreuk. Prokris ging naar Kreta, waar de wraakgierige Diana haar een onfeilbare speer gaf om haar man te doden. Toen Kephalos weer eens een intieme samenkomst met Aurora had, sloop Prokris hem na. Toen Kephalos geritsel in de struiken hoorde, wierp hij zijn speer en doodde zijn vrouw. Uit wanhoop sprong hij van de rotsen van Leukadie.

Dan ontmoet Aurora Tithonos, een zeer schone man. Deze is haar meer waard dan een man voor één nacht. Zij houdt hem bij zich. Maar hij is een aardse man, dus sterfelijk en de zoon, die hij bij Aurora verwekt, is ook sterfelijk. Aurora vraagt aan Zeus aan Tithonos onsterfelijkheid te verlenen. Zeus doet dat. Maar Aurora vergat de eeuwige jeugd er bij te vragen. Tithonos wordt ouder en ouder, zijn haar wordt grijs, zijn ledematen worden stram, zijn rug gekromd, zijn potentie is verdwenen. Aurora walgt van haar oude man en ontvlucht het echtelijke bed. Zij kan hem letterlijk niet meer luchten of zien en hij wordt in een kamer opgesloten. Maar sterven kan hij niet. Dan verandert Zeus hem uit medelijden in een cicade, een subtropisch insect. Aurora heeft een zoon Memnon van Tithonos. Hij vecht mee aan Trojaanse zijde in de Trojaanse oorlog. Zijn grote tegenstander is Achilleus. Beiden wacht hetzelfde lot: jong sterven. Beiden hebben een aardse vader en een goddelijke moeder, zij zijn dus sterfelijk.

Aurora vraagt Hephaistos, de smid der goden, een wapenrusting voor Memnon te smeden. Thetis, de goddelijke moeder van Achilleus, vraagt hetzelfde. Beiden zijn nu met die wapenrusting onoverwinnelijk. Zeus zelf moet beslissen. Hij heft de gouden weegschaal met de zielen van Memnon en Achilleus. Beide godinnen kijken angstig toe en als de schaal met Memnons ziel langzaam daalt, weet Aurora dat haar zoon moet sterven. Maar ook Thetis weet, dat haar zoon hem spoedig volgt. Want hij heeft het zelf zo gekozen. Toen Achilleus mocht kiezen tussen een kort en roemrijk leven en een lang en roemloos leven, koos hij het eerste.

Aurora laat Memnons ziel vóór hij de reis naar de onderwereld aanvaardt, ontvoeren naar de Elysion, de velden met eeuwig voorjaar, waar de helden vertoeven, die in de gunst der goden staan. Daar leeft Memnon in eeuwige jeugd in het Licht.

We hebben nu gezien, dat het gedicht van Staring wel zeer erotisch is en is op Staring van toepassing het gedicht van J. C. Pruimers (1799-1822) die als 22-jarige, in 1821, een bundel gedichten in Amsterdam uitgaf:

„Waarom toch”, vraagt gy, Phillis!
„Waarom toch zyn Poëten
Steeds yverige Priesters
Van Bacchus en van Amor?”
Die Poëzy beminnen
Vereren deze Goden;
Want zonder hunne gaven
Is ’t leven enkel proza.”

Ook P. C. Hooft (1581-1647) heeft Aurora bezongen, maar op geheel andere manier zonder erotiek:

„Van purper en van goudt het heerlyk gewaedt
Dat ’s morghens het tooneel des hemels op komt pronken,
‘T en is de Zonne niet,
maer ’t voorspel van haer lonken,
De jeught van ’t lieve licht dat in het Oost op gaet.”

===

De moede zonnewagen
Staat vrachtloos, d’Avontzon
zinkt in de wester pekelbron.
Aldus ontglippen ons de wentelende dagen.
De star der Mingodin
Ziet d’eerste op ’t aerdtryck neder.
Mineyas’ dochters vliegen weder.
Ook spant de stille Nacht zyn zwarte paerden in.

Wij zien de schemeringen
Verdikken, daer we staan.
Alrede heft de gulden maen
Haar horens op en ruktterbaene in haerer kringen.”

H.K. Poot (1689-1733)

Wester pekelbron= Noordzee.
Mingodin = Venus, hier avondster.
Mineyas dochters = vleermuizen.
De 3 dochters van Mineyas erkenden Dionysos (Bacchus) niet als zoon van Zeus en zijn dochter Persephone. Bovendien namen zij niet deel aan de bacchanaliën, waarop Dionysos, ter wiens ere die feesten plaats vonden, een „bacchantische woede” veroorzaakte in de ongehuwde dochter Leukippe waardoor zij haar kind Hippasos in stukken scheurde. Tot straf werden de 3 dochters door Hermes in vleermuizen veranderd. Een zware straf, want dit betekende in het zonovergoten Griekenland nooit meer goddelijk zonlicht te zien, want vleermuizen zijn nachtdieren.

Poot maakt een fout: vleermuizen vliegen niet, maar fladderen.

De maan heft de horens op: de maan vóór EK is een horenvormige sikkel. Dionysos was de god van de wijn. Hij droeg de granaatappel, symbool van de vruchtbaarheid, wijnranken en de thyrsos staf, met klimop omwonden. Klimop groeit in de zachte Griekse winter door en blijft groen, dus de geest van de groei blijft leven. Dionysos (Bacchus) rijdt op beelden op een bok. Zijn vader was Zeus, die bij zijn dochter Persephone de zoon Dionysos verwekte. De moeder van Persephone was een zuster van Zeus: want Zeus had bij zijn zuster Demeter een dochter Persephone verwekt.

We zien hier de incest vader-dochter en broeder-zuster. Zeus had ook een liefdesverhouding met zijn dochter Venus, die hij bij de nymph Dione verwekt had. Hierop slaat een duistere zin van Vondel: „Jupyn ontvonckt door Cypris’ straal”, dus Jupyn=Jupiter= Zeus in liefde ontbrand door een pijl van Cypris=Venus. Vondel noemt Venus de Cyprische omdat zij op Cyprus een tempel had.

Dyonysos (Bacchus), de god van de wijn, was gehuwd met Ariadne. Theseus was met Ariadne op weg naar Athene. Hij liet Ariadne op het eiland Naxos achter. Want Dionysos had Theseus in een droom laten weten dat hij Ariadne begeerde en zich tegen een god verzetten is nutteloos. Theseus huwde de zuster van Ariadne, Phaidra, die hij ook meegebracht had. Zij werd verliefd op een zoon Hippolytos van Theseus bij een andere vrouw. Hij wilde haar niet en zij pleegde zelfmoord.

We zagen hierboven de incest vader-dochter en broeder-zuster, dat de gebruikelijke leerboeken discreet verzwijgen. Maar aangezien dit gebruik was bij do Griekse koningen en bij de Egyptische farao’s zelfs wettelijk verplicht was en bij de Middeleeuwse hoog adellijke ridders ook gebruik was, zullen we dit even bespreken.

De godenwereld op de Olympos was de spiegel van de aardse Grieken en wat op Aarde mocht of niet mocht, vinden we ook op de Olympus. Bij de antieke Grieken was de incest moeder-zoon taboe, wat wel blijkt uit het Oidipous-verhaal. Maar bij de heersende klasssen en de koningen in Griekenland was de incest vader-dochter en broeder-zuster gebruikelijk. Immers, het draait om de kwestie „van gelijke hoge rang”. Bij de Egyptische farao’s was de incest wettelijk verplicht, immers bij een huwelijk vader-dochter of broeder-zuster zijn beiden van gelijke hoge rang, want in beide gevallen is een farao de verwekker. De farao was een levende god, de zoon van zonnegod Re. De farao moest dus een vrouw van gelijke hoge rang, verwekt door een farao, trouwen en dat was zijn dochter of zuster. En zusters had hij altijd wel, omdat de vele bijvrouwen van de farao dochters hadden, verwekt door een farao. Ter onderscheiding van de hemelse goden was de farao een „goede god” en de hemelse oóden waren „grote goden”. Na zijn dood kon de farao ook een grote god worden. In sept. 1976 kwam Ramses II (1301-1235 v. Chr.) in het nieuws, toen zijn beschimmelde mummie in Parijs schimmelvrij gemaakt werd. Hij was zo’n „grote god”. Die Ramses was waarschijnlijk de farao, die in Exodus 12 bij de uittocht der Joden uit Egypte genoemd wordt. Zijn residentie was de deltastad Tanis.

In de Middeleeuwen vinden we in geheel West-Europa de kwestie van de gelijke hoge rang. Voor ons absurd. Denk maar aan de uitdrukking „geen handwater bij iemand hebben”, (dus zijn mindere zijn). Als de vorst zijn handen moest wassen, mocht alléén iemand van gelijke hoge rang hem de kom met water reiken! Voor een hoogadellijke heer (graaf, hertog, adellijk ridder), was het vaak onmogelijk voor de dochters een man van gelijke hoge rang te vinden. Gelukte het ook niet haar als bijvrouw (concubine, kebse) bij een reeds gehuwde hoogadellijke man onder te brengen (ook de bijvrouwen moesten een hoogadellijke rang hebben), dan bleef er niets anders over dan dat de dochters concubines van haar vader, haar verwekker dus, werden. Vader en dochter hadden gelijke hoge rang, dus hun kinderen ook. Bovendien heerste het patriarchale systeem van de Germanen, Grieken, Romeinen in de Middeleeuwen en de Middeleeuwse ridder beschouwde zich als „eigenaar” van vrouw en dochters. Bovendien kon hij zich beroepen op Gen. 3:16 „hij zal over u (de vrouw) heerschappij hebben”. Het trouwverbod voor de dochters van Karel de Grote berustte ook op de hoge lang. Géén man was hóóg genoeg om een keizersdochter te trouwen. Karel had 40 kinderen: 18 zonen en 22 dochters bij 4 wettige en 6 bijvrouwen. Dat de dochters tóch kinderen kregen van ridders, abten, e.a. deed er niet toe, deze waren „onwettig” en konden dus niet opvolgen.
Met 10 vrouwen is 40 kinderen zo’n prestatie niet. Graaf Babo von Abensberg op burcht Randeck (ca 1300) verwekte bij slechts 2 vrouwen Irmgard en Gertrud 32 zonen en 8 dochters, dus ook 40 kinderen. Toch stierf dit geslacht spoedig uit, in 1485, toen Niklas von Abensberg vermoord werd.

Hun burcht stond in het Altmühldal bij Essing, bij de monding in Kelheim.

Nu een voorbeeld uit de vaderlandse geschiedenis, dat de schoolboekjes discreet verzwijgen. Floris V, Graaf van Holland, had minstens 4 hoogadellijke bijvrouwen en 1 wettige vrouw, Beatrix. Eén dezer vier bijvrouwen was moeder van Witte van Haemstede, een bekende naam, want hij versloeg in 1304 de Vlaamse benden bij Haarlem. Na het vermoorden van Floris V in 1299 mocht deze Witte van Haemstede niet opvolgen omdat hij de zoon van een bijvrouw was. Daarom werd Jan, een ziekelijk jongetje, die in 1299 op 15j. overleed, de opvolger van Floris V. En met hem stierf het Gravenhuis uit. Het bijvrouw of kebse zijn was geen schande in die tijd, noch voor de hoogadelijke ridder noch voor de bijvrouw. Het was gebruikelijk! De oud-testamentische joden kenden ook de incest vader-dochter. Zie Gen. 19-31. De 2 dochters  van Lot voeren hun vader dronken en zij hebben sexuele gemeenschap met haar vader en elke dochter kreeg een zoon van haar vader.

Staring heeft op het huwelijk van Ariadne en Bacchus een gedicht gemaakt en de lezer kan nu zelf beoordelen of Beets gelijk heeft in de „Volksuitgave van de gedichten van Staring” (Uitg. Thieme, Zutphen als hij zegt dat Staring veel te moeilijk is voor het „Algemeen”. Immers, hij gebruikt ongebruikelijke namen voor de goden:

„Hulpzaam liet het Paphisch Wicht
Vocht uit Lethe, van zijn schicht,
In de wijnteug droppen.
Niet vergeefs! De Slaapster voelt
Als ’t nat haar dorren mond bekoelt,
Geen smart meer in heur boezem kloppen;
Slechts blijft de min! Doch Theseus beeld
Versmelt in Libers wezenstrekken.

Lyaeus Bruid! en draaft de stranden over.

Nu davert het dal,
Waar deTelg van Dione
De Minnenden beidt,
En het Leger der Schoone
Met rozen bespreidt.
lo, roept met wild en geschater,
Faun en Sater
Als de grot het paar besluit”.

Paphisch wicht= Amor.
Lethe= rivier in de onderwereld, de rivier van het vergeten. De zielen drinken dit water en vergeten de aardse zorgen. Staring doelt dus: Amor deed water van het vergeten aan zijn pijlen en liet dit water in de wijn van Ariadne druppelen en zij vergat Theseus,
Liber = Latynse naam voor Bacchus.
Lyaeus = andere naam voor Bacchus.
Telg van Dione= Venus. Zeus had bij de nymph Dione Venus verwekt.

Saters= bosgeesten in het gevolg van Bacchus. Zij drinken onmatig wijn en dansen met de nympfen. Zij hadden een geiten- of paardestaart en bokkepoten. Vondel heeft op de Saters een gedicht gemaakt:

„De dertiende Sater,
De boxvoet, vast hippelt.
Langs d’oevers van ’t water,
En beitelt en trippelt
Met alle zyn vrysters,
Die zingen als lysters.
Het velt is vol vreught
O vrolijk leven! o zoete jeught!

beitelen = buitelen
de vrijsters = de nymfen
Faun = :atijnse naam van Pan. Pan betekent de „voedende”(van het vee en staat in verband met „weide”.
Pan een bosgod was gehuwd met zijn zuster Fauna. de godin van de vruchtbaarheid. We zien hier weer de incest broeder-zuster. Volgens Homeros is Pan de zoon van de god Hermes en een jongedame Dryope. Hermes nam de gedaante van een bok aan toen hij Pan verwekte, daardoor heeft Pan 2 hoorns, een staart en bokkepoten. Pan had een gevolg van nymfen. Pan leverde de woorden: paniek, panische angst, panische schrik omdat hij altijd geheel onverwacht aan de mensen verscheen. Hij speelde op de panfluit met 7 holle rietstengels. Hij was het prototype voor Satan, heeft ook 2 horens, bokkepoten en staart. Maar, zal de opmerkzame lezer zeggen, Mozes staat in Middeleeuwse kerken ook met 2 hoorns op zijn hoofd en hij is toch niet verwekt door een god, vermomd als bok, noch heeft zijn vrouw hem door overspel horens opgezet. Neen, Mozes is slachtoffer van een vertaalfout!

We lezen in Exodus 33: 23 „en wanneer Ik mijne hand zal weggenomen hebben, zoo zult gij mijne achterste deelen zien, maar Mijn aangezicht zal niet gezien worden”. (Statenvert.). Door het zien van de billen van God krijgt Mozes wat aan zijn gezicht en „het volk vreesde tot hem toe te treden”. De Vulgata vertaalde nu Exodus 34:29 met „dat het vel zijns aangezichts gehoornd was”. De Vulgata is de Latijnse bijbel van 400, later in 800 door Alkuin verbeterd. De Statenvertaling maakte die fout niet, en vertaalde Exodus 34: 29, 30, 35 zo „dat het vel zijns aangezigts glinsterde”. Wat moet nu de kunstenaar doen als hij een Mozes moet uitbeelden?

De Vulgata heeft niet aangegeven wéér de hoorns zitten, noch of zij rechte bokkehoorns of gebogen koehoorns zijn. Hij kent wel de beelden van Satan en Pan met bokkehoorns en zo staat Mozes dan in de kerk van Goszweinstein (Frankische Schweiz) levensgroot met bokkehoorns op het hoofd bij het altaar. Of het glinsteren van de Statenvertaling juist is, betwijfel ik. Glinsteren doen, natuurkundig gesproken, sterk reflecterende zout- en ijskristallen, waterdruppels, sneeuw, edelstenen, glassplinters in het zonlicht. Maar het „vel des aangezichts” kan niet glinsteren, wel glanzen of glimmen van vet of zweet. Wat er in de grot op het bed van rozenblaren gebeurde, zal de scherpzinnige lezer wel begrijpen. Bacchus verwekte bij Ariadne een zoon met de toepasselijke naam Staphylos (druif). Ook had Bacchus een zoon Priapos bij Venus. Hij was de god van de vruchtbaarheid van geiten, schapen, bijen, wijngaarden, vissen, louter Griekse produkten. Later werd hij de god van de zinnelijke iust. Men offerde hemprimeurs van de tuinbouw.

Ook Vondel heeft op de bruiloft van Ariadne en Bacchus een gedicht gemaakt en de lezer kan nu zélf vergelijken wat een grote en een kleine dichter van hetzelfde onderwerp gemaakt hebben. Staring eindigt dat het paar de grot ingaat, maar Vondel beschrijft wat in de grot gebeurde, Staring doet onnodig „geleerd” met ongewone godennamen, Vondel niet en beheerst de taal veel beter en muzikaler.

„Toen Bacchus lag en sliep en sliep,
In Ariadnes armen,
Evoe, Evoe,
Al in ’t leger zong en riep,
De zee en ’t Eyland klonk, en klonk,
Van Bommen en Cymbalen,
Evoe, Evoe,
Wat voeten had, dat sprongk.

De Bruygom loeg haartoe, haartoe,
En kuste mond en wanghen,
Evoe, Evoe,
De Bruyd nam ’t al in goe.

Maer endlyck afgeslooft, geslooft,
Van kussen en omhelzen,
Evoe, Evoe,
Nam hy haer kroon van ’t hooft,
Hy wierp se naar zyn troon, zyn troon,
De steenen wierden starren”.

Evoe = vreugderoep der Bacchanten, gesproken Eveu. ‘
t Eyland = Naxos.
Bommen = trommels.
Loeg = verleden tijd van lachen.
In ’t goe nemen = er niets op tegen hebben.
Steenen wierden starren, zou mogelijk kunnen slaan op de Noorderkroon ???

=

Wie kan al de starren meten,
Wie spreekt heur getallen uit,
Wie heur doel en during melden
Of de kring van haar besluit?

Hieronymus van Alphen (1 746-1803) -,,De Starrenhemel”

=

Hoe Mars aan Venus kleefde, en zij met roode wangen
Het Godendom omhoog uit eene wolk zag hangen
En lachte om ’t bedrog der overschoone bruid.

J.v.d.Vondel (1587-1679) ‘Johannes de boetgezant’

Teneinde dit citaat van Vondel te begrijpen, dienen we wat nader in te gaan op de liefdesavonturen van Afrodite =Venus). Venus heette bij de 17e en 18e eeuwse dichters de mingodin, de minnenmoer.
We vinden dit bijv. bij C. Huygens (1597-1687):

„Komt de Minnenmoer niet blincken
Even als de Dagh verspaeyt,
Evenals de Wielen Sincken
Daer de Sonne karr’ op draeyt”.

Hij bedoelt, dat Venus als avondster zichtbaar wordt als de zon ondergaat.
Venus was de godin der liefde. Zij was een dochter van Zeus en de nimf Dione (nu een maan van Saturnus).
Venus bedreef de liefde zeer intensief met meerdere goden, want – als alle vrouwen – had zij een voorliefde voor sterke gespierde mannen.

Zij had van de oorlogsgod Mars (Ares) de zonen Anteros en Eros (Amor) en de dochter Harmonia, godin van de eendracht; van de god van de wijn Dionysos had zij een zoon Priapos, de god van de zinnelijke lust; van Apollon een zoon; van Hermes, de bode der goden, god van de kooplieden en dieven, geleider der doden naar de onderwereld, een tweeslachtig kind, vandaar dat de tweeslachtigen naar Hermes en Afodrite hermafrodrieten heten. Van de aardse man Anchises had zij een zoon Aeneias. Ook had Venus een liefdesverhouding met de zeer schone jongeling Adonis, die Vondel in hetzelfde gedicht ook memoreert „Hij smolt, gelijk Adoon, in Venus dartlen schoot”.

Een wild zwijn, dat de jaloerse Mars op Adonis afzond, doodde hem.

Er kwam nu ruzie tussen minneras Venus en minnares Persefone, de godin van de onderwerld, over zijn ziel. Zeus bepaalde dat Adonis 8 maanden in het licht bij zijn minnares Venus en 4 maanden in de duisternis der Hades bij zijn minnares Persefone moest vertoeven.

De naam Adonis kent de Ned. taal nog steeds voor een – in vrouwenogen – mooie jongeling! Een plant heet ook Adonis en een Adonistuin is een bloempot met snel groeiende en snel verwelkende planten, symbool voor ontstaan en vergaan in de Natuur. Venus was gehuwd met de mismaakte, manke, éénogige Hefaitos (Vulcanus), de smid der goden. Hij was de zoon van Zeus en Hera. Wegens zijn lelijkheid wierp mama Hera hem van de Olympus in zee, waar de zeegodin Thetis hem opnam. Uit wraak smeedde Hefaistos later voor Hera een gouden stoel, waarin zij vastklemde en er niet meer uit kon. Dionysos maakte Vulcanus dronken met wijn en in zijn dronkenschap bevrijdde hij Hera.
Merkwaardigerwijze waren ook Alferich en Wieland mismaakte smeden in de Germaanse sagen.

Nu het citaat van Vondel.

Mars verleidde Venus het bed met hem te delen. Toen Hefaistos daarvan hoorde, smeedde hij een onzichtbaar stalen net boven het bed.

We vinden dit in de „Pegnische schäfergedichte” van 1644:

„Sag an Vulkan, wie kommts das deine Schmiede blitzet?
Ich weiss wol, was du machst, du ziehest Drat zu Netzen.
Du willst gewisz den Mars und seine Venus hetzen”.

Vulkanus zei, dat hij naar Lemnos ging, waar hij vereerd werd. Nauwelijks was hij weg of Ares (Mars) kwam en ging met Venus in het bed liggen.

Net was hij erin en kleefde hij aan Venus of het net viel over hen heen en zij waren gevangen. Hefaistos kwam terug en riep de goden en godinnen, zodat zij het overspel van Venus konden zien. De goden keken vanuit de wolken omlaag en braken in een homerisch gelach uit en de godinnen deden schijnheilig beschaamd. Poseidon eiste, dat het paar vrij gelaten werd en Venus ging naar Cyprus, waar zij een heiligdom had. Daarom noemt Vondel haar in de „Palame-des” met de naam „Cypris”: Jupyn ontvonckt door Cypris strael’ waarbij we moeten beden ken dat Jupyn (Jupiter, Zeus) haar vader was!
Ook in Akoorith was een Afroditecultuur, waar 1000 priesteressen van Venus de mannen ‘verwenden en aan alle wensen voldeden en to[less waren om de bewoordingen der annonces der moderne sexclubs te gebruiken.

„Wat een komeet is, heeft geen wijze ons nog verklaard.
Men zoekt en vorscht, tot heden.
Maar Piet zegt „Dat weet ik, een star is ’t met een staart”
En met dat licht is Piet tevreden.”

P. A. de Génestet (1829-1861)

De Génestet, in 1829 in Amsterdam geboren, bezocht aldaar de Latijnse school en studeerde theologie aan het seminarium der remonstrantse broederschap in Amsterdam en werd in 1852 predikant in Delft.

Reeds in 1851 – hij was 22 jaar – gaf hij gedichten uit, waarvan het bijzondere is, dat zij geen erotische gedichten bevatten, hoewel hij reeds op 1 6 j. leeftijd de 22 j. Henriette adoreerde. Hij huwde haar in 1852 en Henriette heeft geweten wat het huwelijk betekende in die tijd, want vrijwel elk jaar moest zij in het kraambed en in 7 jaar huwelijk produceerde zij 5 kinderen. In 1859, 35 jaar oud, overleed zij en het vijfde kind volgde haar spoedig in het graf. Reeds na 2 jaar was de dichter al weer verloofd, nu met zijn jongste schoonzuster. Tot een huwelijk kwam het niet, hij overleed in 1861 op 31 j. leeftijd.

De dichter had inmiddels om theologische redenen reden ontslag genomen van de Delftse gemeente. Hij was een flauwe afspiegeling van Byron, De Musset, Goethe, Heine. Hij was een voorbeeld van de „kerkhof'”-romantiek en zijn geliefkoosde onderwerpen waren dood, graf, kerkhof, waar hij verschillende gedichten aan wijdde. Hij was een gevierd predikant, geadopteerd door de oude vrijsters, wegens zijn melodieuze stem, zijn innemend gelaat, zijn krulhaar, zijn donkere ogen. Hij was de lieveling van de „beschaafde vroomheid” die in zijn kerk kwam. Busken Huet zei van De Génestet „de weke man, de lieveling en het bedorven kind van de ouderen van dagen, die het loven van zijn tijdgenoten zo onnavolgbaar idealiseerde”. In 1911 werd, op zijn 50-ste sterfdag, zijn reliëf-portret in steen op de remonstrantse kerk in Delft onthuld, meer in 1961, op zijn 100-ste sterfdag, gebeurde er niets. Hij is volkomen vergeten. Slechts straatnamen herinneren aan hem. De Génestet leefde in het midden van de 19e eeuw, een eeuw gekenmerkt door felle godsdiensttwisten. We zullen dit nare stukje geschiedneis even nader belichten. Wie weet er nog van Vermittlungstheologie, supranaturalisme, monisme, determinisme, dualisme en dogmatiek. En wat het „kroost van april” was? De Génestet heeft de godsdiensttwisten onnavolgbaar belachelijk gemaakt in „Machteld en Leno-nard” van 1859. Het jonge paar, hij een orthodox proponentje, zij een theologiserend jong „deerntje” vrijt in een prieel. De dichter zegt „luid en luider klonk hun zoete liefdestaal”. „Dwepen zij met dichtren-zangen, is er jaloezie in het spel, hebben zij het over de huwelijksreis of is de proponent wat vrij?” (d.w.z. kan hij zijn handen niet thuis houden en beroert hij haar „twee bronnen van ivoor” zoals Vondel zegt in de „Lucifer” bij de beschrijving van Eva.

„Neen, o neen,” zegt de dichter, „zij bespreken de echtheid van de Handelingen der Apostelen, minder niet”.

Hij, orthodox, gelooft aan de echtheid, zij, onder in vloed der Tübingse kritiek, niet. Zij zegt, dat zij de brief aan de Galaten niet rijmen kan met de Handelingen. (En zij heeft gelijk ook, Hand. X en Galaten II zijn met elkaar in tegenspraak. De voorstelling in Handelingen over de ontmoeting van Petrus met Paulus in Antiochië is geheel anders dan de voorstelling van Paulus in de Galaten, De Handelingen, later geschreven dan Paulus’ brief, zouden daarom niet echt zijn.) En de dichter besluit „Machteld is een beter minnaar, is een Leids professor waard”. Waarom juist een Leids? De historische kritiek op de bijbel was uit Tübingen naar de Leidse hogeschool overgewaaid. In 1857 had Busken Huet de Tübingse kritiek in zijn „Brieven over de bijbel” gepubliceerd. Dit boek werd veel gelezen en door orthodoxen hevig bestreden.

De Tübingse School ging Nederland fel beroeren, meer nog dan Duitsland. De school wilde eerst de geloofwaardigheid van de bijbel bewijzen door historische argumenten, daarna de inhoud des bijbels geloven. Men zag de geschiedenis als these, anti-these en synthese. De these: de apostelen leerden een joods christendom met besnijdenis en zich houden aan de wetten van Mozes. Anti-these: Paulus leerde een universeel Christendom zonder besnijdenis en zonder wetten van Mozes. Synthese: men combineert het bovenstaande in de 2de eeuw n. Chr. In het Nieuwe Testament zou die strijd te vinden zijn: Galaten, 1 en 2 Cor., Rom. zouden anti-joods; Openbaringen: joods zijn. Prof. dr. Grosheide, een befaamd theoloog van de dertiger jaren, zegt: „Heel deze theorie van de Tübingse school is onjuist gebleken!”

In „Dogmatisch Roosje” hekelt de Génestet de vrouwen, welke theologiseren. De Génestet noemt ze zelfs de slechtste christenen:

„De slechtste Christnen hier op aard
’t Zijn theologen – zonder baard”.

In vroeger eeuwen was de theologie geheel „mannenzaak”. Maar in de 19e eeuw namen ook de vrouwen met hun scherpe tongen hartstochtelijk deel aan de godsdiensttwisten. En dat was juist het fatale. Hoeveel verlovingen zouden er verbroken zijn, hoeveel huwelijken ontwricht door verschil van inzicht over theologische strijdvragen, hoeveel verwijdering hierdoor tussen ouders en volwassen kinderen? We mogen ons gelukkig prijzen, dat in onze tijd geen mens meer warm loopt over dergelijke theologische twistpunten als in de 19e eeuw. Geen mens zou de artikelen in de krant hierover lezen, de televisie werd uitgeschakeld als een „hooggeleerde” er over begon te zwammen.

In april 1853 was er grote beroering in protestants Nederland toen men protesteerde tegen herstel der r.k. bisschoppelijke hiërarchie. De Génestet noemt ze daarom „kroost van april”.

Met die door godsdiensttwisten verscheurde 19e eeuw was er niets nieuws onder de zon. Ook vroeger kende men dat. Men denke alleen maar aan de Arminianen en Gomaristen in de 1 7e eeuw.

In de middeleeuwen waren die twistpunten veel „kinderlijker”.

We zullen er twee bespreken om er duistere zinnen in Vondels „Lucifer” mee te verklaren. Zo redetwistten de „geleerde” theologen of Eva wel een navel had! Immers, zeiden ze, Eva was gevormd uit de rib van Adam en niet geboren uit een vrouw en had dus geen navelstreng. We vinden dit in Vondels „Lucifer”:

„Wat dunkt u van zijn ribbe en lieve gemalin”.

Die ribbe was Eva. Ook Adam werd ondersteld geen navel te hebben. Toch ziet men op afbeeldingen van Adam en Eva dat zij wel degelijk een navel hebben! Dan was een punt van fel dispuut in de middeleeuwen de vraag of vrouwen wel mensen zijn. Neen, zegt de geleerde theoloog, „mulieres homines non sunt (Vrouwen zijn géén mensen)”. Dus, redeneerde de theoloog, tot in de 16e eeuw toe, als de vrouw géén mens is, heeft ze ook geen ziel en kan niet in de hemel komen. Vondel nam dit ook aan. In de „Lucifer” laat hij de engel Apollin klagen, dat er geen vrouwen in de hemel zijn, zodat de engelen niet met jonkvrouwen kunnen cohabiteren:

Bywylen hield hy (Adam) stand,
Beschouwde ze (Eva) overzy en onder dat belonken
Begon een heilig vier zyn zuivre borst ’t ontvonken:
Dan kuste hy zyn bruid, en zy den bruidegom;
Dan ging de bruiloft in, met eenen wellekom
En brand van liefde, niet te melden, maar te gissen;
Een hooger zaligheid, die d’ Engelen nog missen.
Hoe arm is eenigheld! wy kennen geen gespan
Van tweederhande kunne, een jonkvrouw, en een man.
Helaas! wy zyn misdeeld: wy weten van geen trouwen,
Van gade of gading, in een hemel zonder vrouwen.”

Eenigheid, hier het alleen zijn, dus zonder vrouw.
Gading = coïtus.
De engelen worden afaeheeld als naakte haardeloze mannen en met een – soms reusachtige = penis en een navel. Merkwaardigerwijze hebben ze lang, bijna altijd blond. Roodharige engelen heb ik tot dusver niet gezien op middeleeuse afbeeldingen. Kenmerkend is het feit, dat de hogere wezens, die door de mens zijn uitgedacht, kunnen vliegen, zoals engelen, duivelen en draken.

De naïeve middeleeuwse schilders hebben de engelen voorgesteld als mannen met vogelvleugels, de duivels en draken met vleermuisvlerken. Echter werden zij ongewild afgebeeld als reusachtige insecten. Bij de vogels en vleermuizen is de arm tot vleugel geworden, maar bij de insecten is de vleugel een aanhangsel van de rughuid en zij hebben alle poten behouden. Als men een engel of duivel afbeeldt met twee vleugels op de rug, dan is hij een insect met 4 poten! En de vleugels worden altijd veel te klein getekend. De engel wordt verondersteld zo groot als een mens te zijn en een man van 80 kg zou vleugels met een spanwijdte van 6 meter nodig hebben om te kunnen vliegen. De duivel en de draak hebben vleermuisvlerken. Immers het volk was bang voor een nachtdier als de vleermuis. Reeds de beroemde Nederlandse geleerde Camper (1722 – 1789), de ontdekker van de gelaatshoek, toonde al de ongerijmdheid aan engelen met armen, benen én vleugels af te beelden. Gen. 3:24 heeft het over „een cherubim en een vlammig lemmers eens zwaards”. In Openbaringen 15:6 hebben de engelen gordels: „De 7 engelen die de 7 plagen hadden, waren bekleed met rein en blinkend gewaad en omgord op de borst met gouden gordels”. Openb. 12:7 zegt, „dat de engelen krijgers waren”. En er werd krijg in den hemel. Michaël en zijn engel krijgden tegen de draak en de draak krijgde tegen de engelen. En de draak is geworpen op de aarde en zijn engelen zijn met hem geworpen” (Staten-vert.). Blijkbaar inspireerde deze tekst Vondel tot het maken van de „Lucifer”. De engelen worden daarom ook met schild, speer en zwaard afgebeeld.

Hoe de engelen legaal aan wapens kwamen, staat er niet bij. Maar het waren wel echte vechtersbazen volgens Openb. 12:7. De urnine van de engelen was zeer smakelijk en lekker, blijkens een oude Vlaamse zegswijze: „Het is alsof er een engeltje op je tong piest” als Vlamingen een wijn prijzen. Zelfs vergelijkt men een wijn met de melk van de Heilige Maagd, nl. de moezelwijn Liebfraumilch. Merkwaardig is, dat de Nederlandse taal verder geen uitdrukkingen met „engel” kent. Wel het Duits: Es geht ein Engel durchs Zimmer en Engels: There is an angel passing, als in een gezelschap allen plotseling zwijgen.

Het woord engel komt van het Griekse aggelos = bode. De Grieken namen aan dat Hermes de bode van Zeus was en boodschappen overbracht aan de mensen. Daarom had Hermes vleugeltjes aan de voeten. Maar Zeus zou Zeus niet zijn als hij „die holde Weiblichkeit” daar ook niet bij betrok, want de gevleugelde Iris, de godin van de regenboog (de brug tussen aarde en hemel) was boodschapster van Zeus en Hera. In de lijst van godinnen, nymfen, aardse vrouwen, welke kinderen van Zeus kregen, ontbreekt Iris. Blijkbaar was zij hem met haar vleugeltjes te vlug af!

Het christendom creëerde de engelen als hemelse boodschappers. In de Statenvertaling van Hebr. 1:14 staat: „zijn zij (de engelen) niet alle gedienstige geesten, die tot dienst uit gezonden worden”. En dat verklaart waarom de engelen baardeloos zijn. Immers, al wat „dienstbaar” was, zoals slaven, e.a. mochten nooit een baard dragen. Daarom hebben hogere wezens op de afbeeldingen wel een baard (God, Jezus, Heiligen). Ook Middeleeuwse keizers, koningen en allerlei hoge heren hebben een baard.

Het woord baard is zeer oud en in allerlei talen ongeveer gelijk: Ned. baard, D. Bart, Eng. bearth, Fr. Barbe, Lat. barba, It. barba. Russ. Boroda, Germ. bart. Het komt van een Indo-Germ. woord bhar = stekel, borstel. Men spreekt ook van de baard van een sleutel, van een bijl, en hellebaard (helle = steel), men zweert bij de baard van de profeet, men speelt om ’s keizers baard. Iemand iets in zijn baard wrijven, iemand de baard smouten, onze Heer een vlassen baard aan doen.

Het christendom kent (gewone) engelen, aardsengelen, beschermengelen, cherubijnen, sefarijnen, en zij hebben een naam. Vondel noemt in de „Lucifer”: Gabriël, Michaël, Lucifer, Apollion, Rafaël, Uriël, Ozias, Azarias, Maceda. Maar de Wederdopers beschouwden de engelen als vrouwelijk. In het „Wonderboek” van de Wederdoper D. Joris (1501 – 1556) komt een afbeelding voor van een naakte vrouwelijke engel, gekroond en met stralen krans, zwevend boven de bazuin van het laatste oordeel. En zij hebben gelijk! De Nederl. taal kent de engel als iets specifieks vrouwelijks. Men noemt alléén een vrouw een engel. Een man heet nooit een engel. Zelfs bestaat er geen vrouwelijke vorm engelin of engelster. Blijkbaar duidt het woord engel als zodanig iets vrouwelijks aan. Maar wel bestaat duivelin. De duivel is altijd mannelijk en op het heksenfeest op de Broeken in de Harz hebben de heksen sexuele gemeenschap met de duivel. Bekent een heks na folteren op de pijnbank sexuele gemeenschap met de duivel, dan werd zij levend verbrand.

De Ned. taal kent nóg een woord, dat zó vrouwelijk is, dat het geen vrouwelijke uitgang kent, nl. baker. Baken betekent verwarmen; koesteren. Een woord baakster of bakerin bestaat niet.

Beets zegt in 1845 in de „Camera Obscura”: ..De naam baker is een zonneklaar bewijs dat juist geen uitgang op „ster” vereischt wordt om de titularis van een bij uitnemendheid vrouwelijk ambt te kennen te geven. Vrouwelijker dan het hare is er wel geen”. En de tegenwoordige kraamverpleegster of kraamverzorgster is beledigd als men haar baker noemt, want ze weten niet wat het woord ‘baken’betekent. Daardoor sterft dit goede Holaandse woord uit. Dat Eva uit de rib van Adam gevormd is, kan de sterrenkunde wel verklaren. De zon is het maneelijke element, alle volkeren kennen een zonnegod. De zon bevrucht met haar stralen de aarde en brengt de oogst voor.t De maan móest wel vrouwelijk zijn, omdat de synodische omloopstijd van de maan gelijk is aan de cyclus van de vrouw. We vinden dit ook in Vondels Gysbregt: „Hy (Gozewyn), scheen een zon, zy (Klaeris) de klaere maen”.

Men ziet kort na NM een fijn sikkeltje, men dacht dat dit een stukje zon was, dat aangroeide tot de volle maan. Alzo was de (vrouwelijke) maan uit de (mannelijke) zon ontstaan. Neemt men nu voor de (mannelijke) zon het (mannelijk) element Adam en voor het fijne sikkeltje de rib van Adam, dan is het (vrouwelijk) element Eva uit de rib van Adam ontstaan.

=

Wat sleipt een staertstar al ellenden
En jammer na?
Ais Goden zulck een’ voorbo zenden,
Dan dient men dra
Dees sprinkmaer naer te speuren,
Te mercken uit
Wat bron het spruit.
Dat vleck en volck sal treuren.
Wij zagense als een roode roede
Ten Westen staen,
Van ’t Oosten; als een zwaert, dat bloedde,
En halve maen,
Dit lantschap dreigen, uit ons teken
Den Steenbock van
Den vader Pan,
Vergramt op deze streeken.

J. v. d. Vondel (1 587-1697), „Leeuwendalers”.

Sprinkmaer = oorsprong;
uit ons teeken: de steenbok is een aan Pan gewijd dier en is het wapen der Leeuwendalers.
Pan was een bosgod met ruig hoofdhaar, bokkepoten en hoorns. Blijkbaar was hij het prototype van de duivel, die ook van bokkepoten, hoorns en staart voorzien is. Overdag is Pan met de nymfen in de bossen, des middags slaapt hij en des avonds blaast hij op een herdersfluit met 7 of 9 rietjes. Zijn fluitspel veroorzaakt bij de mensen paniek, van Pan afgeleid. De nymfen ware schone meisjes, begeleidsters van Hermes, Dionysos, Artemis, Venus en Pan. Ze waren niet onsterfelijk, maar werden wel zeer oud. Men onderscneidde Najaden
(water-nymphen), Dryaden (boomnymfen), Oreiaden (bergnymfen), Nereiden zeenymfen} e.a.
Natuurlijk kop  Pan niet van de nymfen afblijven en hij verwekte bij de nymf Iynx een dochter Echo.  Zij was verliefd op de schone jongeling Narcissus, die haar versmaadde. Echo loste op tot een stem, de echo.
Seilenos was een zoon van Pan en een andere nymf.
Kastalia was een bronnymf. Zij werd door Apollon achtervolgd en zij stortte zich in een bron aan de Parnassus en loste daarin op.
Calypso was de nymf die Odysseus opnam en 2 kinderen van hem Kreeg.
Dafne (= laurier) werd ook door Apollon  achtervolgd en haar vader veranderde haar in een laurierboom.
Melissa, een nimf, vond de bereiding van honingdrank uit.
De begeleidster van Venus was de nymf Chloris (Flora), gemaiin van Zefyros (god van de westenwind). Zij deed de bloemen groeien.
De nymf Dione was de moeder van Venus, verwekt door Zeus.
De zanger Orfeus was gehuwd met de nymf Eurydike.

Het citaat van Vondel slaat op een komeet en men geloofde dat een komeet de voorbode was van oorlog, hongersnood, overstroming, aardbeving.

In 1975 is weer eens een komeet verschenen. Op 2 juli 1975 is de komeet van Kobayashi-Berger-Milon in de Waterman ontdekt als object 8ste grootte. Eind aug. 75 was m = 4 en was er een kleine staart zichtbaar. Op 5 sept. bereikte de komeet de kleinste afstand tot de zon: 63 miljoen km.

We zullen de tegenwoordige inzichten omtrent de kometen vermelden.

De kometen lopen in ellipsvormige banen om de zon en volgen de wetten van Kepler: de zon staat in één van de brandpunten. De ellips is zeer langgerekt. In het perihelium staat de komeet het dichtst bij de zon, in het afelium zeer ver weg. Daardoor worden de omloopstijden eeuwen en tientallen eeuwen. De planeten hebben deze banen soms veranderd in kleinere, waardoor de omloopstijden geringer werden. De komeet is een hoop stenen en stof, soms met grote rotsblokken er door en gas. Dit gas is ammoniak, methaan, koolmonoxyde, daar de temperatuur in het heelal bij het absolute nulpunt ligt, is alles bevroren. De totale massa van een komeet bedraagt 10 miljoen tot 10 biljoen ton (dat is niet veel, de Aarde weegt 6 quadriljoen ton) en de ruimte, welke de bevroren komeetmassa inneemt, is klein. Nadert de komeet de zon, dan ontdooit de massa. De zonnestraling werkt nu op de komeetatomen. Van de zon gaat de zonnewind uit, een stroom vrije elektronen en laadt de gasatomen van de komeet op en zij worden lichtend. Tegelijk sleurt de zonnewind de geïoniseerde atomen van de kop van de komeet af, zodat de staart ontstaat, welke dus aantoont dat de zonnewind werkt.

Jupiter

Op 3 dec. 1973 heeft een ruimtevaartuig op 132000 km boven Jupiter gezweefd en tal van informaties naar de Aarde geseind. Verschillende raadsels zijn nu opgelost, zoals de rode vlek. Deze was in 1878 ontdekt en de sterrekundigen fantaseerden er lustig op los om een verklaring te vinden.

Men dacht, dat de planeet daar gebarsten was en de gloeiende inhoud naar buiten kwam. Anderen dachten, dat Jupiter een planetoïde aangetrokken had, weer anderen onderstelden dat daar materie uitgeslingerd werd. Maar niets van alles was waar. Het ruimtevaartuig leerde dat de rode vlek een draaikolk, een cycloon, boven het wolkendek van Jupiter bleek te zijn met een lengte van 40.000 en breedte 13.000 km. In 1888, 1912, 1916, 1938, 1944 verdween de rode vlek geheel. Verder bleek Jupiter een draaiende bol waterstof te zijn zonder vaste schil en-mogelijk zonder vaste kern onder geweldige druk, dus zoiets als de zon. Boven J. ligt een dampkring van een 100 km dik. J. heeft een massa die 2½ x zo zwaar is als de massa van alle andere planeten samen. Het oppervlak van J. is 120 x dat der Aarde, het volume 1300 x de Aarde, het gewicht 318 x de Aarde, dichtheid 1,33 (Aarde 5,52). Afstand tot de Aarde 590-960 miljoen km, bij oppositie 13 okt. 1975 was dit 591 miljoen km. Afstand tot de zon. 778 miljoen km. waar de zonnestraal 44 min. over doet.

De omwentelingstijd is 9 u. 50 min. om de as, de dag duurt 9 u. 50 min. Het jaar duurt 11,862 jaar want de omloopstijd om de zon is 11,862 jaar. De horizontale diameter is 142800 km, de verticale 1 51000 km, verschil 9000 km, afplatting 1/15. Dit komt door de hoge omwentelingssnelheid van 13 km/sec. Het ruimtevaartuig mat 1000 km onder de toplaag van de dampkring een temperatuur 2000°C, op 25000 km diepte 1 1.000 °C en de kern zou een 30.000 °C zijn. Men onderstelt, dat bij het ontstaan van het zonnestelsel, 41/2 miljard jaar geleden, Jupiter nog veel heter was. Veel onderzoekers menen op goede gronden dat Zon en Jupiter een dubbelster gevormd hebben. Jupiter meet weliswaar 1/10 zonsdiameter, maar zulke ver houdingen komen meer voor bij dubbelsterren: Sirius B = 1/50 van Sirius A en B straalt nog, Procyon B is zeer klein t.o.v. Procyon A en straalt vij wel niet meer.

Het ruimtevaartuig loste ook de kwestie der gekleurde banden op. De witte zijn witte wolkenkammen tot 20 km boven de wolken, de oranje zijn wolkentroggen van 20 km diep. De dampkring is 100 km dik en er woeden orkanen en cyclonen. Hij bestaat uit 80% waterstof, 20% helium, iets ammoniak. Temperatuur dampkring-1 50 °C.

Mogelijk zijn er in de rode vlek en in de witte vlekken sterke elektrische ontladingen.

Manen.
Er zijn 12 manen, maar alleen lo (3300 km), Europa (2900 km), Ganymedes (5100 km), Callisto (4700 km) hebben de afmeting van een maan (maan Aarde 3476 km). De maan Amaltheia meet 140 km, Atlas 100 km, de manen VII-XII meten 19-20 km middellijn. Ganymedes toont als onze maan kraters. De temperatuur der manen bedraagt -145 °C. Op maan lo ligt methaansneeuw, welke verdampt als lo van de nacht in de dag komt. De helderheid is zo groot (Ganymedes m = 5,1; lo 5,5; Europa 5,7 en Callisto m = + 6,3) dat ze met het blote oog zichtbaar zouden zijn als zij niet zo sterk door Jupiter worden over-straald. Reeds in een kijker 30-40x kan men ze zien. Men laat de planeet uit het gezichtsveld lopen, ze worden dan beter zichtbaar. Galileo ontdekte in 1610 de 4 grootste manen. Maan V Amaltheia werd in 1892 ontdekt, maan VI Atlas en VII Herakles in 1904, maan VIII Proserpina in 1908, IX Cerberus in 1914, X Pro-metheus in 1938, XI Daedalus in 1951, XII Hephaistos in 1951.

Maan VIII, IX, XI, XII hebben een tegengestelde rotatie als Jupiter, dus retrogade beweging. De astrologen brachten Jupiter in verband met tin. Daar Jupiter zo helder is, gaf men hem de naam van de oppergod Jupiter, bij de Grieken Zeus geheten. Bij de naamgeving der manen heeft men een keuze gedaan uit de vele godinnen, nymfen, vrouwen, bij wie Zeus kinderen verwekte. Ook op Aarde verwekte Zeus kinderen. Bij de ritus van de heilige bruiloft met Zeus werden de Griekse meisjes met verdovende middelen in slaap gemaakt en werden door de Zeuspriesters, als plaatsvervangers van Zeus op Aarde, zwanger gemaakt. Wie waren nu de naamgeefsters van de manen?

IO was priesteres in een heiligdom van Hera, de jaloerse vrouw van Zeus. Zij kon niet hebben dat Zeus intieme relatie had met andere vrouwen. Toen IO een verhouding had met Zeus, veranderde Hera haar in een koe opdat Zeus geen zin meer in haar zou hebben. Zeus nam de gedaante van een stier aan en dekte de koe. Door de aanraking van Zeus werd IO weer mens. I0 baarde een zoon Epaphos (— aanraking). Een cultus van de Oude Grieken was het dekken van een heilige koe door een heilige stier. Dan werd de stier ritueel geslacht en opgegeten, dus niet aan de góden geofferd, zó dom waren de Grieken niet! Het herinnert aan de stiercultus der Egyptenaren: de Apisstier en de koegodin Isis, die dan IO werd.

Ook Europa herinnert aan de stiercultus, haar naam betekent „breed plat gezicht als van een koe”, en Homeros verklaart de naam Hera als „die met de koeienogen”. Europa was een aardse vrouw, die onder de kudden een witte stier ontdekte. Zij ging er op zitten en de stier ontvoerde haar naar Kreta, het land van de stierencultus en Zeuscultus. De witte stier was Zeus. Hij verwekte bij Europa twee zonen: Rhadamanthys en Minos. Deze Minos haalde zich de woede van Poseidon op de hals. Poseidon zond hem een stier om te offeren, maar Minos deed dit niet. Poseidon strafte hem met impotentie.

De vrouw van Minos, Pasiphae, werd verliefd op deze stier. Daedalus maakte een kunstmatige koe, zij kroop er in en de stier dekte haar. Zij baarde de Minotaurus. Ganymedes was een schone jongeling, welke door een arend van Zeus naar de Olympos ontvoerd werd. Daar was hij schenk-kellner met eeuwige jeugd. Zeus gaf aan zijn vader een stel merries. Blijkbaar kenden de Grieken een paardencultus. Poseidon verschijnt ook vaak als hengst, godin Demeter als merrie. En men kende de Kentauren, half paard, half mens. Callisto was ook geliefde van Zeus ën de jaloerse Hera veranderde haar in een berin. Amaltheia was de nimf, die de pasgeboren Zeus op Kreta met geitemelk opfokte. Ook de geit wordt Amaltheia genoemd.
Atlas was een titaan, die de Aarde droeg en de tuin der Hesperiden bewaakte.
Herakles was een held, een buitenechtelijke zoon van Zeus en Alkmene. Hij was getrouwd met Hebe. Hij verrrichtte 12 heldendaden en werd op de Olympos opgenomen.
Proserpina (Gr. Persophone), was een dochter van Zeus en zijn zuster Demeter, Proserpina was godin van de onderwereld. Cerberus was een hond, bewaakte de toegang tot de onderwereld. Typhon had hem verwekt bij de slangenmaagd Echidna, een mensenetend monster. Zij was de moeder van Cerberus, Hydra, Chimaera. Prometheus was zoon van titaan Japetus en Themis, ook al een geliefde van Zeus. Prometheus gaf de Aardbewoners het vuur, geroofd van de bliksems van Zeus. Daedalus vervaardigde de kunstkoe voor Pasiphae. Toen Minos hem wegens het maken van de koe wilde straffen, vloog hij met zelf gemaakte vleugels naar Sicilië.

Hephaistos was de god van het vuur en smid. Hij was de zoon van Zeus en Hera. Wegens zijn lelijkheid slingerde Hera hem in zee. De zeegodin Thetis nam hem op en fokte hem op. Hephaistos was mank en mismaakt. Hij was de gemaal van Venus, maar die wilde niets van hem weten. Daarom smeedde hij twee gouden slavinnen.

Jupiter

Naam. Daar Jupiter zo helder is, gaf men hem de naam van de oppergod, welke bij de Grieken Zeus heette. Bij de naamgeving van de manen heeft men een keus gedaan uit de vele hele en halve godinnen, nymfen en aardse vrouwen, die liefjes van Zeus waren en bij wie hij kinderen verwekte.

Ook verwekte Zeus indirect kinderen op Aarde en wel door tussenkomst van zijn priesters als plaatsvervangers van de god. Bij de ritus van de heilige bruiloft met Zeus werden uitverkoren mooie Griekse meisjes door de Zeus-priesters zwanger gemaakt. (Ditzelfde gebruik kwam bij meerdere Germaanse stammen voor). We zullen nu de naamgeefsters bespreken, lo was een aards meisje, priesteres in een heiligdom van Hera, de gemalin en zuster van Zeus. Nu was de godenwereld een afspiegeling van de aardse Grieken en Hera was, als alle aardse vrouwen, jaloers op de liefjes van Zeus. Zij kón niet hebben dat Zeus intieme relaties had met andere vrouwen. Toen lo het liefje van Zeus was, veranderde de jaloerse Hera haar in een koe, hopende dat Zeus dan van een koe niets meer wilde weten. Nu nam Zeus de gedaante aan van een stier en dekte de koe. Door de aanraking van Zeus werd lo weer mens. lo baarde een zoon Epaphos (aanraking). Dit verhaal herinnert aan de stiercultus van de Oude Grieken. Dan werd een heilige koe gedekt door een heilige stier, en tot dank werd de stier dan door de priesters plechtig ritueel geslacht en door het volk opgegeten. Het herinnert aan de stiercultus van de Egyptenaren: de Apis-stier en de koe-godin Isis, welke dan lo werd. Ook Europa herinnert aan de stiercultus. Haar naam betekent „breed plat gezicht als van een koe” en Homeros verklaart de naam van de gemalin en zuster van Zeus, Hera, als „zij met de koeien-ogen”.

Ook wij kennen de aanduiding „met de kalfsogen” voor vrouwen.’ Alle lezers van de „Vacature” hebben in hun studietijd één van de belangrijkste stukken van de „Camera Obscura” van Beets van 1839 moeten lezen: de Familie Stastok, „er komen mensen op een kopje thee”. En wel wordt Mietje daarin aangeduid „met de kalfsogen” wat geen compliment was.

Europa was een aards meisje, die onder de kudden een prachtige witte stier ontdekte. Zij ging op de stier zitten en de stier, niemand minder dan Zeus, ontvoerde haar naar Kreta – hét land van de stierencultus en de Zeus-cultus. Zeus verwekte bij Europa twee zonen: Rhadamantys en Minos. Deze Minos haalde zich de woede van Poseidon, de god van de zee, op de hals, want Minos offerde geen stier aan Poseidon. De god strafte hem met impotentie. De vrouw van Minos, Pasiphae, was daar ook het slachtoffe van. Zij liet Daedalus een kunstkoe maken, Pasiphae kroop er in en de niet geofferde stier dekte haar. Zij baarde de Minotaurus. Poseidon verwekte bij Europa ook een zoon: Euphemos.

Ganymedes was een schone jongeling, welke de naamgever van de volgende maan is. Dat was toch geen liefje van Zeus, zal de lezer zeggen. Toch enigszins wel, homosexuele handelingen met jongens werden bij de Oude Grieken veel uitgeoefend. Zeus liet Ganymedes door een arend naar de Olympos ontvoeren. Daar moest hij als kelner de goden en godinnen dranken serveren en diende bij de goden nog voor wat anders ook. Zeus gaf aan Ganymedes’ vader als schadevergoeding een stel merries. Dat brengt ons op het spoor van de paardencultus van de Oude rieken.

In de godenverhalen is Poseidon soms veranderd in een hengst en zijn zuster, de godin Demeter, veranderd in een merrie. Poseidon verwekte nu bij zijn zuster Demeter een dochter en, hij in de gedaante van een hengst, zij als merrie, verwekte hij het paard Arcion. Demeter, de godin van de landbouw, was ook zuster van Zeus. Zeus verwekte bij haar een dochter Persephone en Zeus verwekte bij die dochter Persephone een zoon Dionysos, de god van de wijn.

We zien hier de incest broeder-zuster en vader-dochter. Maar de incest moeder-zoon was taboe en we zien dit in het verhaal van Oedipous. Hij was met zijn moeder getrouwd en had 4 kinderen bij haar. De goden sloegen hem met verderf. Bij de vele koninkjes van de Griekse stadstaatjes vinden we de incest broeder-zuster. Dat was overgenomen van het Oude Egypte. De farao was wettelijk verplicht met een zuster te huwen. De farao werd als goddelijk beschouwd en aangezien zijn zuster verwekt was door de goddelijke vader, mocht hij daarom alleen met een zuster trouwen. En zusters waren er genoeg, de farao’s hadden harems met vele vrouwen, bewaakt door gecastreerde mannen (de eunuchen) zodat de farao er zeker van was, dat de dochters door hemzelf verwekt waren en dus een goddelijke vader hadden. Dan herinneren aan de paardencultus de Kentauroi, tot de navel man, verder paard.

Een aardse man, tot de Olympos toegelaten, deed Hera oneerbare voorstellen. Als beschermvrouw van het huwelijk kon zij daarom er „ambtshalve” niet op ingaan. Zij toverde een wolk, die haar gedaante had. De man had gemeenschap met de wolk, die de Kentauroi baarde.

Callisto was ook een liefje van Zeus. Zij was nymf. De jaloerse Hera veranderde haar in een berin.

Amalthea was de nymf, die de pasgeboren Zeus op Kreta met geitenmelk opfokte. Ook de geit heet Amathea.

Atlas was een titaan, die de Aarde droeg.

Heracles was een held, een zoon van Zeus en Alkmene. Alkmene was de vrouw van Amphitryon en moeder van zijn zoon Iphikles. Toen haar man op krijgstocht was, naderde Zeus haar in de gedaante van haar man en Zeus verwekte bij haar Heracles. Toen haar man gesneuveld was, huwde Alkmene een zoon van Zeus, de rechter Rhadamantys.

Persephone (Proserpina) was een dochter van Zeus en zijn zuster Demeter en Zeus verwekte bij zijn dochter de god van de wijn Dionysos. Persephone was de godin van de onderwereld.

Cerberus was de hond die de toegang tot de onderwereld bewaakte, Typhon was hem verwekt bij de slangenmaagd Echidna. Zij was de moeder van Cerberus, Hydra en Chimaera.

Prometheus was de zoon van Themis, ook al een liefje van Zeus en de moeder van de 4 Horen, de godinnen van de jaargetijden.

Prometheus roofde voor de Aardbewoners het vuur van de bliksems van Zeus.

Daédalus vervaardigde de hiervoor genoemde kunstkoe van Pasiphae.

Hephaistos was de god van het vuur. Hij was smid. Hij was een zoon van Zeus en Hera. Wegens zijn lelijkheid wierp Hera hem in zee. De zeegodin Thetis viste hem op en fokte hem op. Hij was op „papier” de gemaal van Venus (Aphodrite) die niets van hem wilde weten en geen kind van hem wilde (wèl 3 van Mars, 1 van Hermes, 1 van Apolloon, 1 van Anchises, (een aardse man). Hephaistos smeedde twee gouden slavinnen, die als „vrouw” dienst deden.

We weten uit de Edda, het IJslandse „wetboek” en van de IJslandse sterrenkundige Oddi Gelgason (10e eeuw) enkele namen van de Germaanse hemel.

Deze namen zijn geheel vergeten, alleen de Duitse naam „Wagen” voor de Grote Beer herinnert er nog aan.

De Germanen namen een wereldes aan, deYggdrasil, welks stam tot de hemelpool reikt, dus de top van de es ligt bij de Poolster. Met zijn 8 takken vormde de wereldes een rad met 8 spaken.

De Kleine Beer heet „Vrouwenwagen” of „wagen van Frigg”, de gemalin van oppergod Wodan of Odin, De Grote Beer heet „Wodanswagen”, De Noorder-kroon heet de „Teen van Aurwandil”, de „ogen van de reus Thiazi” vormden de Tweelingen. De gordelsterren van Orion heetten naar de spoelvorm het „spinrokken van Frigg”. Het Zevengesternte zag men voor een troep „wilde zwijnen” aan.

De Melkweg heette „Iringsweg”. De Hyaden in de Stier vormden de „Kleine Wolfsmuil”, terwijl Andromeda, Pegasus en Zwaan samen de „Grote Wolfsmuil” vormden. Procyon in de KI. Hond heette de „Fakkeldrager”, Sirius in de Gr. Hond de „vlam van Loki”. Loki was de god van het vuur. Hij vormde met Wodan of Odin (lucht), Aegir (water) en Loki (vuur), een drie-eenheid, zoals in zoveel godsdiensten voorkomt. (Een andere drie-eenheid vormen Odin-Thor-Freyr).

En daarmede is onze kennis van de Germaanse namen uitgeput. De IJslanders zagen de planeten altijd laag boven de kim, want zover in het noorden loopt de ecliptica laag. We weten de Germaanse namen van de planeten niet, het is mogelijk dat ze geen afzonderlijke namen hadden omdat ze niet opvielen. Dat de Germanen zwijnen, wolfsmuil namen, komt omdat dit dieren waren die ze kenden. Een leeuw, dolfijn, schorpioen, giraffe, steenbok, enz. kenden ze niet. Deze dieren waren wel bij de Babyloniers e.a. oosterse volkeren bekend en gaven hun naam aan sterrenbeelden.

J.C.Alders in verschillende ‘Vacatures’ in de zeventiger en tachtiger jaren van de vorige eeuw.

.

7e klas sterrenkunde: alle artikelen

.

1278-1193

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – met kinderen sterren kijken (1-3)

.

vanaf 12 jaar

De weg van hemel naar aarde

In dit laatste artikel over kinderen en sterren zullen we proberen die
onderwerpen te vinden die voor het kind dat aan het begin van de puberteit staat van belang zijn. De gevorderde puber zal zelf zijn weg wel vinden als hij voldoende belangstelling heeft.
Het kind van dertien-veertien jaar staat op een grens. In een grensgebied sta je altijd tussen de dingen in, de situatie kan heel snel van de ene in de andere overgaan. Zo ook hier. Het kind zet zijn beslissende stappen om aardeburger te worden. De astronomische dingen waarvoor een kind van deze leeftijd zich interesseert zullen bijna evenveel met de aarde te maken hebben als met de hemel.

Hemel en aarde komen met elkaar in aanraking bij de horizon. Dat is dus een heel mooi beginpunt. We kunnen zowel ’s avonds als overdag waarnemingen doen. In de eerste plaats kunnen we kijken hoe de vier windstreken Noord, Oost, Zuid en West liggen. Met een kompas kun je daar gemakkelijk achter komen.

Als je dertien bent is een kompas een fijn bezit. Je kunt ook met behulp van je horloge en de zon het Zuiden vinden. Van daaruit kun je dan de andere windstreken vinden. Voor wie het niet wist: kleine wijzer op de zon richten, hoek tussen kleine wijzer en het cijfer twaalf in tweeën delen en je hebt het zuiden gevonden. Als je het heel precies wilt doen moet je er nog rekening mee houden dat het horloge niet de plaatselijke zonnetijd aanwijst, maar de Midden-Europese tijd. Eigenlijk gaat het horloge steeds veertig minuten voor.

Als je eenmaal weet hoe de horizon ligt t.o.v. de windstreken, kun je de hele dag volgen boven welk gedeelte van de horizon de zon zijn dagboog beschrijft. Als je dat op verschillende momenten in het jaar doet, kun je goed zien dat de zon niet altijd hetzelfde gebied van de horizon bestrijkt. Zomer en winter verschillen daarin enorm. Er blijkt een vrij groot gebied te zijn waar de zon in de loop van het jaar op kan komen; tussen noord-oost (zomer) en zuid-oost(winter). Precies in het Oosten gaat de zon maar twee keer per jaar op: aan het begin van de lente (21 maart) en aan het begin van de herfst (23 september). Boven de noordelijke horizon zul je bij ons de zon nooit aantreffen; boven de zuiderhorizon bereikt de zon altijd zijn hoogste punt.

Ook ’s nachts kun je allerlei interessante dingen aan en boven de horizon zien. Je kunt bijvoorbeeld zien dat boven de oostelijke horizon alle sterren schuin omhoog gaan, dat ze boven de zuiderhorizon grote bogen beschrijven, dat ze boven de westelijke horizon allemaal schuin naar beneden gaan en dat ze boven de noordelijke horizon grote cirkels beschrijven rondom de Poolster.

Verder zie je daar een heleboel sterren die nooit onder gaan. Dat cirkelen om de Poolster kun je erg mooi aan de Grote Beer zien, bijvoorbeeld als je ’s winters in de vroege avond gaat kijken en een paar uren later nog eens. Dan zie je al heel duidelijk dat het hele sterrenbeeld een stuk tegen de klok in gedraaid is. In het vorige stukje hebben we het al even gehad over het vinden van de Poolster met behulp van de Grote Beer. Hoe dat moet? De twee achterste sterren van het vierkant verlengen met vijfmaal hun onderlinge afstand.

sterrenkunde-11

Kinderen vinden het altijd erg fijn als ze iets kunnen maken, waar je een waarneming mee kunt doen. Zelfgemaakte instrumenten zijn altijd veel interessanter dan dure gekochte. Nu ze op een leeftijd gekomen zijn waar ze vast al iets van de vlakke meetkunde hebben geleerd, en dus een beetje om kunnen gaan met passer en geodriehoek, is het een goed moment om een eenvoudige zonnewijzer [2] te maken. Deze hoeft dan nog niet de maanden aan te kunnen geven. Zo’n zonnewijzer geeft de plaatselijke ware zonnetijd aan. Gemiddeld verschilt deze zo’n veertig minuten van de tijd die onze horloges aanwijzen, doordat wij hier in Nederland gewoonlijk de Midden-Europese middelbare zonnetijd als tijdaanwijzing toepassen. In de zomermaanden is dat tegenwoordig zelfs de Oost-Europese middelbare zonnetijd, deze verschilt een uur en veertig minuten met onze plaatselijke tijd.

Als je al deze dingen niet van te voren zegt, ontdekt het kind zelf dat er iets vreemds met de tijdaanwijzing aan de hand is. Je kunt nu aan het langzame verschuiven van de schaduw zien dat de zon zich aan de hemel verplaatst. De beweging van het licht wordt door de beweging van het duister – de schaduw -zichtbaar.

In de winter kun je ’s avonds een heel groot gedeelte van de dierenriem hoog aan de hemel zien staan. Dat geeft mooi gelegenheid om er op te wijzen hoe de planeten zich door deze sterrenbeelden bewegen. We doen dit door een paar maanden de maan te volgen. Bijvoorbeeld de maanden december en januari. Je kunt dan prachtig zien hoe de maan die twee keer vrijwel dezelfde weg, aflegt. Je moet daarbij ook opmerken dat de maan in die twee maanden niet elke keer in hetzelfde sterrenbeeld vol wordt. Hoe zou dat komen?

Vanuit deze vraag kom je op het ontstaan van de maanfasen. Je bent eigenlijk steeds geneigd om over schijngestalten te spreken, maar wat geeft daartoe aanleiding? Het denken! Je wilt verklaren waardoor de maan er de ene dag anders uitziet dan de andere. Het denken verklaart het niet zichtbare deel van de maan als schaduw, naar analogie van op aarde bekende verschijnselen. Je verplaatst daarmee denkend aardewetmatigheden naar de kosmos. Het ziet er misschien wat flauw uit, daar zo de nadruk op te leggen, maar het is toch erg belangrijk om je te realiseren dat je kijkend naar de schijngestalten van de maan, niet ziet wat je ziet, maar dat je ziet wat je denkt te weten: de maan is een don-dere bol met een door de zon verlichte kant en met een schaduwkant. En soms zie je.. .enz.

De verklaring van de maanfasen brengt je denkend op het ruimtelijk aspect van de kosmos. Een ruimtelijkheid waar je niets van kunt waarnemen. Daarmee kom je precies op het punt waar de puber zich bevindt: aan gewaarwording en waarneming van de wereld voegt zich het denkend leren begrijpen van de verschijnselen. Beeldentaal gaat langzaam over in begrippentaal.

Als je eenmaal op dit spoor zit, ligt het voor de hand dat ook zons- en maansverduisteringen ter sprake komen. Pas als we de ruimtelijkheid van de kosmos ingevoerd hebben, is het zinvol echt verklarend bij de eclipsen van zon en maan stil te staan.

Tenslotte wil ik nog wijzen op een gebied dat voor de dertien—veertienjarige ook erg interessant is: de navigatie. Juist in deze leeftijd komen de grote ontdekkingsreizen [1] aan de orde. Als je je voorstelt hoe de Poolster steeds hoger en hoger aan de hemel zal komen te staan als je van hier naar het Noorden reist. Als je op de Noordpool staat zal de Poolster precies boven je hoofd staan. Reis je van hier uit naar het zuiden, dan gebeurt het omgekeerde: de Poolster komt steeds lager aan de hemel te staan. Totdat je op de Evenaar bent aangekomen: dan verdwijnt hij onder de horizon. Aan de hoogte van de Poolster kan je dus afmeten hoe ver je van de Noordpool afbent (in graden gemeten). Dat wil zeggen dat je aan de Poolster kunt meten op welke breedtegraad je zit. Later kun je begrijpen dat je daar ook andere sterren voor kunt gebruiken als je maar precies weet waar die sterren aan de hemel staan ten opzichte van de Poolster. Ook op het zuidelijk halfrond kun je dus met behulp van de sterren je positie bepalen. Een kind dat zelf een zonnewijzer gemaakt heeft begrijpt ook iets van de tijdmeting op aarde. Het wordt dan vanzelfsprekend dat het niet overal op aarde even laat is op hetzelfde moment. Daardoor is het mogelijk ‘de andere helft’ van je geografische positie (de geografische lengte) te bepalen door je eigen plaatselijke tijd te vergelijken met de plaatselijke tijd van Greenwich. Ook voor de tijdmeting heb je de kosmos nodig. Het zijn de sterren die ons op aarde de weg kunnen wijzen!

We maken in deze leeftijdsfase een soort overkruising: om bepaalde verschijnselen aan de hemel te kunnen verklaren heb je aardse begrippen nodig, om op aarde de weg te kunnen vinden, om te weten waar je staat, heb je de sterrenhemel nodig.

We zijn nu aan het eind van onze eerste kennismaking met de sterrenhemel, zoals een kind die aan de hand van zijn ouders kan ervaren. Een ontdekkingstocht in verschillende fasen. De kleuter, het schoolkind, de beginnende puber. In de loop van de lagere schooltijd is het kind steeds een beetje minder hemelburger geworden, tot hij op aarde aangekomen is. Aarderijp geworden is, kun je zeggen. Dan sta je voor de taak op aarde je weg te vinden. Je zult moeten leren op welke plaats je staat in het leven, je zult de tijd waarin je leeft moeten leren kennen. Je thuis leren voelen in de tijd waarin je leeft en binnen de horizon om je heen, dat is een opgave waar je een leven lang mee bezig bent.

Staande op aarde, opkijkend naar de sterren kunnen we ons mens leren voelen: levend tussen de wereld die onder ons is en de wereld boven ons.

Rinke Visser, Jonas 15, 24-03-1978

.

Met kinderen sterren kijken: 5-7 jr      8-12jr

[1] Onder de vele biografieën ook ontdekkingsreizigers

[2] constructie (niet eenvoudige) zonnewijzer;  maanwijzer

7e klas – sterrenkunde: alle artikelen

1238-1156

.

.

VRIJESCHOOL – met kinderen sterren kijken (1-2)

.

leeftijd tussen  8 en 12jr.

STERRENWEGEN

In het vorige artikel hebben we ons bezig gehouden met de sterrenwereld en het kleine kind; nu willen we kijken naar de kinderen van de lagere schoolleeftijd en hun verhouding tot de sterren.

In de eerste plaats moeten we er ook nu weer van uitgaan dat de relatie van het schoolkind tot de natuur geen denkrelatie is, maar een gevoelsrelatie. Alles wat je aan het kind wilt vertellen over de natuurwereld, moet dus kunstzinnig-beeldend zijn, wil het er ook in zijn verdere leven wat aan hebben. Op de Vrije School krijgt het kind pas in de zesde klas te maken met de dode natuur: de mineralen en gesteenten. In dit gebied van de natuur zijn niet de wetten van het leven van toepassing, maar die van oorzaak en gevolg. Een eerste denkbenadering van de natuur dus, hoewel ook hier het beleven van de schoonheid van kleur en vorm een belangrijke plaats inneemt. Toch blijft het een dode wereld, waar je je als mens niet zo gemakkelijk in terugvindt. En daar blijkt het nu voor het lagere-schoolkind juist om te gaan: alle onderwijs moet het kind iets leren over de betrekking van de mens tot de wereld.

Wat moet je daarmee aan als het over de sterren gaat en kinderen van negen tot ongevveer dertien jaar? Je komt dan al gauw bij de sterrenbeelden terecht. Het vervelende is, dat zoiets vreselijk tegen kan vallen, als je iets heel moois denkt te gaan zien, terwijl het dan aan de hemel om puntjes blijkt te gaan die je door middel van streepjes met elkaar moet verbinden. En dan nog heb je geen beeld, alleen een soort beeldskelet.

Een goeie instap is het, die beelden te kiezen waar je echt iets in kunt zien. Daar komen een paar heel mooie dierenbeelden voor in aanmerking Het gaat maar om een paar. Je kind hoeft niet direct een levende sterrenatlas te worden. Het kan aan die paar beelden die het steeds weer terug kan vinden, geweldig veel beleven.
In de eerste plaats is er dat prachtige beeld de Zwaan*[8], dat in de zomernachten hoog over ons heen vliegt.

zwaan

Als je goed kijkt is het een echte zwaan, die daar met zijn enorme lichtende vleugelslag stil over ons heen ruist. Van de Zwaan*[8] wordt wel eens gezegd, dat hij het beeld van het menselijk bewustzijn is. De Zwaan, zo luidt het verhaal, was oorspronkelijk donker, onzichtbaar. Pas later werd hij wit. Komt ook het menselijk bewustzijn niet uit werelden van onbewustzijn tot het heldere denken dat in zijn hoogste vorm lichtkwaliteit heeft?

zwaan-2

Uit: Kleine Sternkunde-Verein für ein erweitertes Heilwesen

Als je het beeld van de Zwaan gevonden hebt, zie je ook meteen de Melkweg. Deze sterrenweg gloeit geheimzinnig op als het heel donker is geworden, ver van het stadslicht. Niet om veel bij te praten, wel om stil naar te kijken, want het zijn zeldzame ogenblikken als je in deze tijd de Melkweg ziet.

Een ander mooi beeld, leuk voor kinderen om te leren kennen is die lange sliert die daar langs de hemel kronkelt: de Slang*[15] met zijn driehoekige kop. Eerst wat moeilijk te vinden misschien, maar als je hem eenmaal kent spoor je hem steeds weer op. En dan is er natuurlijk de Draak die zich rondom de hemelnoordpool slingert. In veel verhalen ben je draken tegengekomen, maar dat er elke avond een boven je hoofd kronkelt, is nieuw! Stieren*[dierenriemteken 4] kunnen heel gevaarlijk zijn, ze stormen dan met bloeddoorlopen ogen op je af. Nou berg je dan maar. Met enorme horens komen ze aandenderen. Veiliger is het aan de hemel zo’n stier in de aanval te zien. Het rode oog kijkt je fonkelend aan. Hij kan in de wintermaanden de ene avond gevaarlijker zijn dan de andere. Dat kun je aan het fonkelen van zijn oog zien. Echt iets om zo nu en dan eens naar te kijken: hoe boos de Stier vanavond is.

Als een kind iets heeft gehoord van de prachtige verhalen uit de Griekse mythologie, dan is het toch wel erg leuk om die grote helden en heldinnen aan de sterrenhemel weer tegen te komen. Door de machtige goden daar geplaatst als beloning voor hun grote daden en als eeuwig lichtend voorbeeld voor de mensen. Dat kan je ook een gevoel van verbondenheid geven met die mensen van heel lang geleden. Zij keken op naar dezelfde beelden als die wij nu boven onze hoofden hebben. Ze staan soms zelfs zo aan de hemel dat ze ons hun geschiedenis laten zien als een groot beeldverhaal. Neem nu de held Perseus*[4] die de schone Andromeda*[3] het leven redde. Zie ze daar aan de hemel staan, alle betrokkenen uit dit verhaal: Andromeda, Perseus met het afgehakte hoofd van Medusa in zijn hand, de moeder van Andromeda: de ijdele Cassiopeia*[3] en haar vader Cepheus*[3]. Verder wil ik nog noemen als mooie beelden: Orion*[20] met zijn twee honden, de grote en de kleine, en Hercules*[12].

Een klasse apart is de bekende Grote Beer*[1]. Als sterrenbeeld is het niet zo moeilijk te vinden, als we ons tenminste beperken tot de zeven helderste sterren, die samen ook wel de Steelpan of de Wagen genoemd worden. Het hele beeld Grote Beer is echter veel groter, er horen nog een heleboel veel zwakkere sterren bij. Pas als je die erbij neemt kun je er een reusachtige lopende beer in zien. Als beeld spreekt het dus niet zo aan, als je alleen de bekende zeven sterren kent. Toch is het wel fijn als de kinderen deze sterrengroep leren kennenL je kunt er de befaamde Poolster mee vinden en als je die gevonden hebt, weet je precies waar het Noorden is. Voor de oriëntatie is het beeld dus erg belangrijk. In het volgende artikel komen we hier weer op terug.

Als je zo’n jaar of twaalf bent geworden heb je meestal al iets van de meetkunde geleerd. Je weet dan dat er vierkanten bestaan, rechthoeken, driehoeken enzovoort. Zulke figuren kun je ook aan de hemel terug vinden. Het is zelfs zo dat elk jaargetijde gekenmerkt wordt door zo’n meetkundige figuur aan de sterrenhemel. In de zomer wordt de zuidelijke hemel beheerst door een grote driehoek, de Zomerdriehoek, gevormd door de sterren Deneb in de Zwaan, Wega in de Lier*[8] en Altaïr in de Arend*[10].

De herfsthemel wordt gekenmerkt door het Herfstvierkant, gevormd door de sterren van Pegasus*[5], het gevleugelde paard. De winterhemel laat ons de imponerende Winterzeshoek zien, gevormd door de sterren Capella in de Waterman*[dierenriemteken 1], Castor en Pollux van de Tweelingen*[dierenriemteken 5], Procyon van de Kleine Hond*[19], Sirius van de Grote Hond*[19], Rigel in Orion*[20] en Aldebaran, het rode oog van de Stier*[dierenrienteken 4]. In de lente prijkt het Lentetrapezium aan de zuidelijke hemel, gevormd door de helderste sterren van het sterrenbeeld de Leeuw*[dierenriemteken 7]. Verder zou ik niet gaan met deze kinderen. Geen planeten, ook geen verduisteringen: dan kom je te snel op het ruimtelijke, en dat gebied zou ik liever voor de puberteit bewaren, waar de beweeglijke wereld van de planeten in de eigen ziel beleefbaar wordt, waar de wereld van licht en duisternis hun wereld wordt.

Op deze wijze vindt het kind heel geleidelijk de weg langs de sterrenhemel, hij krijgt er zijn vertrouwde plekje vanwaaruit de verkenningstochten kunnen worden voortgezet. Verder wil ik er voor de duidelijkheid nog even op wijzen dat niet alles wat er in dit stukje genoemd wordt, geschikt is voor iedere willekeurige leeftijd tussen negen en dertien jaar. De dierensterrenbeelden lijken me echt iets voor kinderen van de vierde klas [10 jaar], de mythologische beelden voor de vijfde klas [11 jaar] en de met de meetkunde samenhangende jaargetijdeveelhoeken voor de zesde klas [12].

Ook is het natuurlijk zo dat je je kind alleen maar wegwijs kunt maken als je zelf iets meer dan de Grote Beer aan de hemel kunt vinden. Het is niet mogelijk alle informatie daarvoor hier in deze artikelen te verwerken.

Rinke Visser, Jonas14, 10-03-1978

Deze artikelenreeks is vooral geschreven voor ouders die met hun kind(eren) op een bepaalde leeftijd naar de sterren willen kijken.

5-7 jr        v.a. 12jr

Op de vrijeschool wordt in klas 7 – de eerste klas van de middelbare vrijeschool – een periode sterrenkunde gegeven.

*de namen met een asterisk zijn hier als sterrenbeeld te vinden; het cijfer verwijst naar het volgnummer daar.

7e klas – sterrenkunde: alle artikelen

Klaar Zicht

1237-1155

.

.

VRIJESCHOOL – met kinderen sterren kijken (1-1)

.

leeftijd 5 – 7jr

Sterrenwandelen met kinderen

Een paar jaar* geleden maakte ik voor het eerst met mijn** kinderen een echte nachtwandeling. Het was op Terschelling in de herfstvakantie. Het is dan niet zo laat donker. De kinderen huiverden buiten van spanning. Natuurlijk zagen ze niet voor het eerst de sterrenhemel. Daar hadden we te vaak voor gekampeerd. Maar nu gingen we speciaal voor de sterren…

In het begin waren geheimzinnige struiken spannender dan het hele heelal bij elkaar. Vreemde donkere vormen tekenden zich af tegen de lichtende sterrenhemel.

Na een tijdje waren ze een beetje vertrouwd geraakt met de nieuwe wereld waarin ze nu rondliepen. De stemmetjes waren van opgewonden-hoog tot eerbiedig-laag geworden. De blik ging nu meer en meer omhoog. Jupiter stond stralend boven de duinen. Hij zou ons gedurende de hele lange tocht begeleiden.

Als er geen bomen meer om ons heen zijn, blijven we stil staan. We kijken en luisteren. Merkwaardig, het lijkt alsof het verre geroep van een uil en het stille geflonker van de sterren bij elkaar horen. Het is heel stil. Dan, na lang zwijgen, zegt zacht een kinderstem: ‘God ziet ons’.

En daarmee geeft het kind aan hoe het zich voelt, daar lopend in de nacht onder de sterren. Het ziet niet de duizend verre lichtpuntjes, het kind ervaart de aanwezigheid van God. Een goddelijke wereld wordt boven onze hoofden zichtbaar. Een wereld van licht, waarin het kind zich veilig voelt. ‘God ziet ons’ is geen waarschuwing, het is een geruststellende ervaring.

Als we als volwassenen onze kinderen iets willen laten beleven van de sterrenhemel, is daar in principe maar één voorwaarde voor: dat wij het kind de gelegenheid geven ons iets van die lichtwereld te laten beleven. In wezen zijn de rollen dus omgekeerd! Als je die relatie tot de sterrenhemel hebt gekregen die het kind je wil geven, dan heb je meer geleerd dan veel moeilijke boeken waar kunnen maken. Je kunt je geen betere sterrengids wensen dan het kind. Diep in zijn wezen is hij nog zo vertrouwd met de kosmische wereld, geen namen en begrippen staan hem in de weg voor zijn belevingen. Maar hoe nu verder? Je kunt daar toch niet blijven stilstaan. Je wilt het kind toch graag wat meer van de sterrenhemel laten ervaren dan deze globale lichtbeleving. Hoe kun je dat nu het beste doen? Welke dingen kun je een kind vertellen waar het wat aan heeft? In een paar artikelen wil ik proberen vanuit mijn eigen ervaring met sterren en kinderen wat te vertellen.

De verleiding is zo groot om een kind van zes jaar allerlei sterrenbeelden aan te wijzen en te vertellen hoe ze heten: ‘Zie je die heldere ster daar? Nee die niet, die, die rooie. Als je nu een beetje naar rechts gaat….nee, andere kant op, je kijkt niet goed, kijk dan…dat beeld heet de Grote Beer!’ Je kind is dan gauw uitgekeken op de sterren Kinderen willen van het heel grote naar het steeds kleinere. Je maakt pas de stap naar het kleinere, als de grote totaliteit door hen opgenomen is.
Samen kijk je naar die hele grote hemel. Je draait een paar keer rond je as. Je staat een tijdlang met je hoofd in de nek naar boven te kijken. En je zegt niet te veel. De kinderen zien dan groepjes sterren, die volgens de atlas helemaal niet bij elkaar horen, maar die voor het oog wel erg mooi zijn. Kinderen maken hun eigen beelden. Dan zien ze daar allerlei mooie dingen in: een rode ster, of een ster die geweldig fonkelt, of twee heldere sterren die vlak bij elkaar staan. Je loopt dan verder, en als je wat later dan weer stil staat, zoeken ze hun eigen vondsten weer op. Hun ogen dwalen langs de hemel en dan, plotseling hebben ze het weer gevonden…

Zo gaat dat een paar keer op zo’n avond. Geweldig is het als er ergens een grote plas water is blijven staan van een regenbui die ’s middags is gevallen. Daar ga je in kijken.. .in peilloze diepten kijk je, daar heel ver onder je staan de sterren. Het water is zo diep als de hemel hoog is.. .Je moet dan, als de kinderen voorover gebogen staan vooral luisteren wat ze tegen elkaar zeggen. Ik heb de indruk dat dit soort wandelingen het meest zinvol zijn, als je met een paar kinderen gaat, liefst in leeftijd niet te ver uit elkaar liggend. Ze zeggen dan dingen die je erg kunnen helpen op zo’n tocht.

Het wordt al later, we lopen terug. Hé, wat is dat nou? ‘Zopas stond dat groepje sterren veel hoger boven de duinen dan nu en die sterren daar staan ook anders.. .Sterren bewegen…Niet zomaar kriskras door elkaar, ze bewegen samen… bewegen ze als de wolken? Waaien ze voorbij? Komen ze morgen allemaal weer terug? Waar gaan ze heen. Soms zie je een ster vallen. Die komt vast nooit meer terug. Waar blijft die dan? Allemaal vragen. En probeer daar nu maar eens het antwoord op te geven wat ze eigenlijk willen horen. Het lijkt wel iets op de vraag waar de kinderen vandaan komen. Kinderen stellen heel andere vragen dan je denkt. Ze willen ook heel andere antwoorden dan die je op het punt staat te geven. Het kind stelt zijn vragen vanuit de wereld waar het waar is dat God ons ziet als de sterren boven ons hoofd staan. Ze willen antwoorden die daar bij passen.

Kijken naar de maan.. .Schijngestalten heten nog niet schijngestalten. De maan is de ene week gewoon anders dan de volgende week. Zelden vraagt een klein kind hoe dat komt. Hij aanvaardt het dat de maan er niet altijd gelijk uitziet. Waarom zouden alle dingen ook elke dag gelijk moeten zijn. Wij als volwassenen vermoeden meteen een groot mysterie als iets veranderlijk blijkt te zijn. Voor de kinderwereld is verandering de gewone zijns-toestand van de dingen. Behalve uiteraard die dingen waaraan ze hun zekerheid ontlenen.

Als je wandelt loopt de maan met je mee. Je kijkt dan na een tijdje opzij, en hij is er nog. Je ziet hem boven de bomen, de huizen, of waar je maar bent, meelopen. De maan is als een vriend, hij loopt naast je.

Het zou jammer zijn als de kinderen de indruk kregen dat de sterren er alleen maar zijn als je met vakantie bent. Soms, als je ’s avonds vlak na het eten even buiten komt, zie je Venus prachtig helder, als een edelsteen onder de maansikkel hangen. Dat mag je je kinderen niet laten ontgaan. Mooie samenstanden zijn altijd indrukwekkend voor kinderen. In deze tijd komen de drie heldere planeten van west naar oost, Jupiter, Mars en Saturnus, die we tegenwoordig aan de zuidelijke hemel zien staan in de avonduren binnen kinderbereik. De maan loopt er langs, ze beurtelings een groet brengend.

De zonsondergang hoort natuurlijk ook helemaal in dit verhaal thuis! Daar kun je een hele tijd stil naar staan kijken. Een mooie halo om zon of maan is ook iets wat kinderen erg kan imponeren. En voor welk kind is het niet indrukwekkend als er links en rechts van de zon fel verlichte plekken te zien zijn, alsof er drie zonnen aan de hemel staan? En wie heeft er zijn kinderen al eens gewezen op die mooie maanboot die in het voorjaar ’s avonds ondergaat?

Dat waren zo een paar dingen die je met kinderen van vijf tot zeven jaar kunt doen: niets uitleggen, alleen kijkend voelen, en samen met je kinderen opkijkend naar de sterren, weten: ‘God ziet ons’.

**Rinke Visser, Jonas 13 *24-02-1978

.

7e klas – sterrenkunde: alle artikelen

Met kinderen sterren kijken:      8-12jr       v.a. 12jr

1235-1153

.

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – sterrenkunde (3-3)

.

EEN ZONNEKLARE MAANKAART

Kan de nieuwe maan in de herfst in de Ram staan?

Dat is een van de vragen waarop je -na het maken van de maankaart – zelf het antwoord kan vinden.

Donderdagavond 20 oktober*, 23.00 uur. Ik loop mijn tuin in om even te kijken naar een spoor van de voorspelde meteoorstroom in het sterrenbeeld Orion. Minutenlang neem ik in volle verbijstering een lichtspel waar dat maar zelden zó vol en indrukwekkend is. Ik zie maanhalo’s, lichtkringen om de maan in verschillende diameters, met bijmanen, nevenmanen en regenboogkleuren in wisselende intensiteiten. Als een koningin prijkt de bijna volle maan in het centrum van de fenomenen.

Des te treffender is dit alles voor mij omdat ik juist tevoren enkele uren intensief gebogen zat over de maankaart, die hierna beschreven wordt. Uren van zoeken en puzzelen hoe de ingewikkelde maanbewegingen in een eenvoudige draaibare kaart schematisch te vangen zijn. U weet uit eigen ervaring hoe lastig het is om de schijngestalte en de positie van de maan aan de hemel op een willekeurig moment van het jaar te voorspellen. Voor de zon is dat veel eenvoudiger. In de zomer hoog aan de hemel, van noordoost naar noordwest bewegend, in de winter laag aan de hemel, van zuidoost naar zuidwest bewegend en in lente en herfst daartussenin, van oost naar west bewegend. De maan doet aan de hemel in wezen hetzelfde als de zon, maar dan ongeveer dertien keer sneller, zodat in een maanmaand alle posities van hoog naar laag (en weer terug) doorlopen zijn. Maar daar komen dan nog de schijngestalten bij, die het totaalbeeld bemoeilijken.

In een kaart heb ik geprobeerd de schijngestalte, hoogte aan de hemel (tegen de achtergrond van de dierenriem), stijgen of dalen (tegen de achtergrond van de dierenriem), plaats van opkomst en ondergang te verwerken. En dat alles voor de vier seizoenen.

Benodigdheden:
blauw fotokarton van 15 bij 15 cm,
wit (of 1 gekleurd) fotokarton (of etalagekarton) van 25 bij 35 cm,
schaar (en eventueel Stanleymes),
passer en lineaal, potlood, pen en kleurmateriaal (verf of kleurpotlood) en
een kleine splitpen.

Werkwijze:
we beginnen met het witte karton. U tekent met de passer een viertal grote en een viertal kleine cirkels, zoals in tekening 1 is aangegeven. Het mooiste is om de grote cirkels in inkt te zetten. De vier kleine cirkeltjes worden uitgeknipt (of gesneden met een Stanleymes), zodat er vier meer dan duimgrote gaten ontstaan. Alles wat onder de horizon ligt kan een aardekleur krijgen, de rest wit blijven of een hemelkleur krijgen.

sterrenkunde-9

Bovenaan de hemelequator (een denkbeeldige hemelcirkel die precies door oost en west gaat), midden tussen de vier gaten komt de splitpen met daaraan vast een schijf van blauw fotokarton, de zon (vlakbij de onzichtbare sterrenkunde-10dingen van de maan in vier schijngestalten, de zon (vlakbij de onzichtbare nieuwe maan) en de namen van de vier seizoenen. Zie tekening 2 voor de maten. Door een uitsparing bovenaan het witte karton is de maanschijf eenvoudig en wel rechtsom draaibaar. Tevens verschijnt bovenaan de seizoensnaam. Het beste kunt u de blauwe schijf nog onbeschreven aan de splitpen hechten en dan door de vier gaten heen de desbetreffende tekeningen en teksten aanbrengen. Met gele verf of kleurpotlood kunt u de maan inkleuren, de zon met wit of oranje. De kaart is vorm- en kleurtechnisch naar eigen inzicht te verbeteren.

Gebruik:
als zonnekaart: u leest per seizoen de positie (in de dierenriem) van de zon af. In de zomer bijvoorbeeld doorloopt de zon de Tweelingenbaan van noordoost naar noordwest en hoog boven het zuiden. De zon ‘staat’ dan in het beeld Tweelingen. In de herfst ‘staat’ de zon in de Maagd en de dagbaan loopt van oost naar west. Enzovoort. De pijlen ‘dalen’ en ‘stijgen’ geven de beweging door het jaar heen weer.

Als maankaart. Nu geldt hetzelfde als bij de zon, alleen is de beweging veel sneller. De pijlen ‘dalen’ en ‘stijgen’ geven de beweging in een maand weer. Als voorbeeld de wintersituatie.

De volle maan staat hoog aan de hemel (in de Tweelingen) en beweegt van noordoost naar noordwest. De afnemende maan is laatste kwartier (waarvan de tekening, evenals die van het eerste kwartier, niet klopt met de werkelijkheid: een manco van deze kaart!) staat in de Maagd en loopt van oost naar west. De nieuwe maan staat samen met de zon in de Schutter en beweegt van zuidoost naar zuidwest. De eerste kwartiermaan staat in de Vissen en beweegt van oost naar west. Al draaiende zult u nog meer ontdekken. Zo kunt u aflezen of een schijngestalte een maand later hoger of lager aan de hemel zal staan. Dit is in werkelijkheid moeilijk en met de kaart makkelijk afleesbaar. Oefen uzelf door het stellen van vragen als: hoe ziet de hemelsituatie er in april uit en kan de nieuwe maan in de herfst in de Ram staan?

Willem Beekman, Jonas 7 *25-11-1983

7e klas – sterrenkunde: alle artikelen

7e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 7e klas

Willem Beekman:  Bij heldere hemel        meer

1234-1152

.

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – sterrenkunde (1-3)

.

MAAN, ZON EN DIERENRIEM

‘Siehst du den Mond dort stehen?
Er ist nur halb zu sehen
Und ist doch rund und schön.
So sind gar manche Sachen
Die wir getrost belachen,
Weil uns’re Augen sie nicht sehen.

Een poging tot vertaling:

Zie je de maan daar staan?
’t Is maar een halve maan
Die was toch rond voordien.
Zo zijn er vele zaken
Die wij belachelijk maken
Omdat onze ogen ze niet zien. ’

3e couplet van een gedicht van Matthias Claudius

Vijfenveertig jaar geleden liep ik met iemand, op weg naar een lezing die hij moest houden, door Amsterdam. We zagen de volle maan boven de huizen staan. Hij zei: ‘De maan staat in de Leeuw.’ Ik was zo geïmponeerd, dat ik niets zei, want ik wist toen niets over maan en sterren. Ik had geleerd, dat de maan ‘schijngestalten’ heeft en dat maan en planeten een baan langs de dierenriem beschrijven. Ook, dat we dit de zon zien doen, gedurende een heel jaar. En dat die dierenriem uit twaalf sterrenbeelden bestaat, in elk waarvan de zon ongeveer een maand lang ‘staat’, afhankelijk van de grootte van het sterrenbeeld.

Maar hoe beleefden de mensen vroeger deze verschijnselen aan de hemel en hoe doen wij dat nu?

In de zestiende eeuw kende men deze gang van de zon langs de dierenriem zeer goed. Getuige daarvan zijn onder andere de zogenaamde ‘getijdenboeken’, al of niet met een kalender, waarop men zijn aantekeningen kon maken. Twaalf miniaturen beeldden de meest voorkomende werkzaamheden uit, die in de opeenvolgende maanden aan de orde waren: snoeien van vruchtbomen en wijnstokken, sprokkelen, ploegen, zaaien, hooien, maaien van koren, oogsten van wijndruiven, hoeden van zwijnen in eikenbossen, ter jacht rijden.

Sommige miniaturen toonden de behaaglijkheid binnenshuis in januari, het genot van een wandeling met zijn tweeën in het voorjaar, of een rit te paard (ook met zijn tweeën en op één paard!) in de wonderschone meimaand.

sterrenkunde-7

Uit: ‘Les très riches heures du Duc de Berry’

Boven de schildering van elk tafreel is uitgebeeld, in welk dierenriemteken de zon in die maand staat.

Er is zo’n getijdenboekje bewaard gebleven, getiteld: ‘Meister des Dresdener Gebetsbuch’, dat vervaardigd is door Friedrich Winklers, tussen 1470 en 1500 in Brugge. Ook is bewaard gebleven ‘Les très riches heures du Duc de Berry‘ (die leefde van 1340 – 1416) Daar hoort een geïllustreerde kalender bij, geschilderd door de gebroeders Van Limburg. Men ziet daar, boven elke schildering van de maand, de zonnewagen langs de hemelboog trekken met de dierenriemafbeeldingen. Gedeeltelijk zijn deze miniaturen als prentbriefkaarten in de handel.

sterrenkunde-8

Uit: ‘Les très riches heures du Duc de Berry’

De namen van de dierenriemtekens stammen uit een veel oudere tijd, uit een mythologisch tijdperk, dat aan het historische vooraf ging. In die tijd hadden de mensen het verstandelijk denken nog niet zo ontwikkeld als tegenwoordig. Zij beschikten over een soort beeld-bewustzijn. Zij namen gestalten van goden en andere wezens waar, die scheppend werkzaam waren in de natuur.
Elisabeth Mulder beschreef in het boekje ‘Zon, Aarde en Mens’, hoe we ons een voorstelling kunnen maken van de bewustzijnstoestand van bijvoorbeeld de oud-Perzische cultuur, zoals die blijkt uit documenten als de ‘Zendhvesta’.

De oud-Perzische mensheid aanbad een goddelijk lichtwezen: ‘Ormudz (of Ahura Mazdao) dat als tegenspeler de god van de duisternis had: Angromanyu (of Ahriman). Een citaat uit genoemd boekje:

‘Ahriman maakt het moeilijk voor de mens, het volle licht van Ormudz te verdragen en trekt als een gordijn het blauw van de hemel voor het licht van Ormudz. Maar de twaalf Amshaspands maken na elkaar twaalf openingen in dat blauw en zo kan de mens toch het volle licht van Ormudz deelachtig worden…’

‘De twaalf sterrebeelden werden beleefd als machtige engelwezens, die ieder een deel van de lichtkosmos openbaarden. Ahura Mazdao (betekent grote aura of grote wijsheid) was de gehele kosmos, door hemzelf geschapen en zijn kleed werd gevormd door lichtwezens, die tevens zijn eigen schepping waren’.

De vroegere mensheid nam aan de hemel die lichtwezens waar, verschillend van kwaliteit en karakter. De machtige invloed, die van hen uitging, herkende men op aarde in bepaalde dieren, maar dan afgezwakt zoals bijvoorbeeld in leeuw, ram en stier.

Een dergelijk waarnemingsvermogen is totaal verloren gegaan in ruil voor ons individuele verstand. Om de oude mythologische wijsheid te benaderen zou een ontwikkeling van een nieuw beeldbewustzijn nodig zijn.

Drs.F.H. Julius wijst een weg in deze richting in zijn boek: ‘De Beeldentaal van de dierenriem’. Hij beschrijft onder andere het voorkomen van die bepaalde dieren in de natuur, die ‘model staan’ voor het dierenriembeeld. Hij schildert de levensomstandigheden, het milieu, de gestalte, de levenswijze en speciale karakteristiek, en vele andere zaken. Het is een zeer waardevolle hulp om enig begrip te krijgen voor de scheppende machten van de kosmos.

Terwijl de zon een heel jaar nodig heeft om de baan langs de dierenriem te doorlopen voor onze waarneming, legt de maan die weg af in ruim 27 dagen, dit wordt de siderische maand genoemd. Als de maan dan op dezelfde plaats is aangekomen, is ondertussen de zon in een volgend sterrenbeeld te zien, want die staat ongeveer een maand in hetzelfde beeld om de zon in te halen, bijvoorbeeld van volle maan tot volle maan, duurt 2 dagen langer. De zogenaamde synodische maand duurt 29 1/2 dag.

Dat aarde, zon en maan met elkaar te maken hebben is genoegzaam bekend. De invloed van de maan op eb en vloed is daar een voorbeeld van. Van welke aard de maaninvloed op het plantenleven is, wordt op vele plaatsen onderzocht. Van biologisch-dynamische en antroposofische zijde zijn Dr.L. Kolisko en Maria Thun bekende onderzoeksters. Zij vermoedden, dat de kosmische invloed voornamelijk werkzaam was vóór en in het beginstadium van de ontwikkeling van de plant. Dus bij zaaien en planten, ja, zelfs bij grondbewerkingen vóór het zaaien!

Jarenlang is er op proefvelden dagelijks gezaaid en tenslotte vond Maria Thun, dat vier verschillende typen van plantenvormen bij eenzelfde plantensoort elkaar regelmatig afwisselden. Zij raadpleegde een sterrenkalender waarin onder andere de maanstand ten opzichte van de dierenriem was opgetekend.

Daar de maan in ruim 27 dagen langs 12 sterrenbeelden gaat – duurt de stand in één beeld soms 2, hoogstens 4 dagen, afhankelijk van de grootte van het dierenriembeeld. Nu viel te constateren, dat bij de overgang van de maan van het ene sterrenbeeld in het andere, de tijdens die periode gezaaide planten van type veranderden. Duidelijk onderscheidden zich 4 typen, waarbij telkens één speciaal element overheerste – ongeacht de plantensoort. Dit verschil uitte zich in:
a. een krachtige wortelontwikkeling
b. een goede ontwikkeling van stengel en blad
c. een overheersing van de bloei
d. een rijke vrucht- en zaadvorming

Voor Maria Thun begon er toen een klok te luiden: er bestaat een relatie tussen deze symptomen en de ‘elementenleer van de Grieken.’ Zij noemden de verschijningsvormen, waarin de aardse stoffen voor kunnen komen geen aggregatietoestanden: vast, vloeibaar, gasvormig. Zij noemden echter alles wat vast is: ‘aarde’, al het vloeibare: ‘water’, al het gasvormige: ‘licht’. Zij voegden daar nog een 4e toestand aan toe: de warmte, als overgang van de stoffelijke vorm naar de onstoffelijke.

Als bij de plant de wortelontwikkeling domineert wijst dit op een speciale
activiteit van de minerale en organische toestand van de grond, het ‘element aarde’.
Een goede blad- en stengelontwikkeling is het gevolg van de hoedanigheid van de sapstromen, het vervoer van de voedzame stoffen van de wortel naar de bovengrondse plantendelen en omgekeerd, door het element water.
Een rijke bloei wordt bevorderd door het toetreden van veel licht, door het element lucht.
En tenslotte komt een goede vrucht-en zaadvorming tot stand, als er voldoende warmte beschikbaar is.

De doordringing van de vier elementen: aarde, water, lucht en vuur brengen leven tot stand.

Als in de winter warmte en licht voor een deel verdwijnen, het water tot ijs wordt, de aarde verstart, is het uiterlijke leven ook verdwenen. Tot in het voorjaar weer licht en warmte de aarde toestromen, het water en de aarde op de juiste temperatuur brengen, zodat nieuw leven begint.

De klok luidt – maar waar hangt de klepel?

De vier ‘elementen’, aarde, water, lucht en warmte zijn dragers van een onzichtbare activiteit, van het leven Het leven verschijnt in een aardse gestalte en verlaat die na verloop van tijd weer. De aardse gestalte is tijdelijk, maar het ‘wezen’ is blijvend, nu eens zichtbaar, dan onzichtbaar. Het ‘wezen’ achter die gestalte is echter primair. De oorsprong van al het zichtbare is van geestelijke aard. Van geestelijke aard zijn ook de werkingen uit de kosmos, de zon is levenscheppend, de maan vooral groei bevorderend en de planeten veroorzaken onder andere de veelvuldigheid van verschijningsvormen.

Een oude overlevering deelt de 12 dierenriembeelden in 4 groepen van 3, die te maken hebben met warmte, lucht, water en aarde.

Zo heeft de leeuw een affiniteit tot warmte, de weegschaal tot lucht, de vissen tot water en de stier tot aarde. We kunnen met behulp van sterrenkalenders en sterrenkaarten door de jaren heen waarnemingen doen en ervaringen verzamelen. De gang van maan en zon aan de hemel volgen, dan is het niet zo onwaarschijnlijk, dat je bijvoorbeeld in augustus aanvoelt, hoe de kwaliteit van de leeuw samen met de zonnestralen de aarde bereikt, zodat onder andere granen en vruchten rijpen kunnen. Hoe de schorpioenzon in het najaar de natuur doet kwijnen en afsterven. Hoe in april en mei de ram- en stierzon het leven weer stuwkracht geeft.

Al deze dingen kunnen wij denkend benaderen en proberen ze te begrijpen. Met de praktische ervaringen op het gebied van land- en tuinbouw kunnen we werken. Ook een gevoelsmatige benadering is te verkrijgen, door zoveel mogelijk de sterrenhemel waar te nemen.

Waarom verheugen we ons iedere keer weer, als na nieuwe maan het smalle sikkeltje te zien is aan de westelijke avondhemel? Waarom volgen we
gefascineerd het wassen tot volle maan en vervult ons de steeds verder afnemende maan met een wat spijtig gevoel?

We horen al het luiden van de klok. Beseffen we dan, dat in de onzichtbare wereld de klepel hangt?

Mienke de Boer, Jonas 11, 26-01-1979

.

E.Mulder: ‘Zon, aarde en mens’

F.H.Julius ‘De beeldentaal van de dierenriem’

7e klas – sterrenkunde: alle artikelen

7e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 7e klas

plantkunde: alle artikelen

1233-1151

.

..

VRIJESCHOOL – 7e klas – sterrenkunde (3-2)

.

Een zonnewijzer maken kan ook heel goed in klas 6. Wanneer de kinderen in de meetkundeperiode hebben leren construeren en weten wat een lijn oprichten is, bijv. moet het lukken. Dan wordt de meetkunde ook ‘praktisch’. Ook tijdens de periode meteorologie kan het natuurlijk heel goed.
Er zijn verschillende modellen.

ZELF EEN ZONNEWIJZER MAKEN

Hoe laat is het echt ?

Hoe laat is het?’ Je kijkt op je horloge en je zegt: ‘Twee uur’. Een half uur later stelt weer iemand die vraag. Je kijkt weer op je horloge en je zegt: ‘Half twee’. Wat is dat nou? Dat kan toch niet! Dat kan wel, het moet zelfs: bij de wet geregeld!
Ja, zo is dat, de tijdsafspraken zijn bij de wet geregeld. Een raar idee eigenlijk. Is de tijd dan niet iets autonooms, iets waar je als mens gehoorzaamheid aan verschuldigd bent? Met de tijd kun je toch niet sjoemelen?

De boven beschreven situatie kan zich voorgedaan hebben in de nacht van 28 op 29 maart*, toen dit jaar de zomertijd inging. De klokken werden één uur vooruitgezet. Het gevolg daarvan is dat de zon, vergeleken met de klok, een uur later ondergaat dan zij volgens de oude regeling zou doen. Met andere woorden: het blijft langer licht, de avondpret kost minder energie.
Hoe zit dat nu als je de klok verzet, is het dan ook echt zo laat, of is er een ‘echte tijd’ die gewoon doorgaat, wet of geen wet?
Dat je in werkelijkheid de tijdstroom, wat dat dan ook mag zijn, niet terug kunt zetten, een stukje kunt laten overdoen, spreekt vanzelf. Als je de kalender een jaar terugzet, wordt er geen mens een jaar jonger! Verder is het heel begrijpelijk dat er wettelijke afspraken moeten zijn over de tijdsmeting en de tijdsaanduiding. Dat is juist nodig omdat je van zoveel verschillende uitgangspunten uit kunt gaan: de tijd gemeten aan de zonsomloop of gemeten aan de dagelijkse omloop van de sterren. In het ene geval spreek je van zonnetijd, het andere is de sterrentijd. Maar dan ben je er nog niet; doordat beide tijd ‘soorten’ gemeenschappelijk hebben dat ze gebaseerd zijn op de aswenteling van de aarde, is de tijdsaanduiding heel plaatsgebonden. Immers, als het op de ene plaats op aarde middag is, is het ergens anders nacht, avond of ochtend. Je zou voor elke plaats een andere tijd hebben, nauwkeuriger gezegd: alle plaatsen die op dezelfde meridiaan liggen zouden dezelfde tijd hebben. (Een meridiaan is een lijn die de noordpool en de zuidpool van de aarde met elkaar verbindt). Voor Nederland zou dat betekenen dat het in Zutphen later is dan in Haarlem. Op die manier wordt het heel lastig om een spoorboekje te maken! Vandaar dat men er op gekomen is de aarde in tijdzones in te delen.
Als we naar de ligging van Nederland kijken, zouden we in dezelfde tijdzone moeten liggen als Engeland. Maar sinds de oorlog hebben we in Nederland dezelfde tijd als de Midden-Europese landen. Door de invoering van de zomertijd komen we zelfs terecht bij de tijd van de Oost-Europese landen. Daarmee worden we dus nog verder van onze eigen tijd verwijderd.

Voor wie het leuk vindt op de hoogte te zijn van de tijdsverschillen, volgt hier de beschrijving van de constructie van een horizontale en een vertikale zonnewijzer, die de plaatselijke ware zonnetijd aangeeft. Als we het hele jaar door de aanwijzing van de zonnewijzer vergelijken met het horloge, kunnen we zien dat de verschillen niet constant zijn, maar dat ze, nog afgezien van die rare sprong naar de zomertijd, groeien en weer afnemen. De plaatselijke zonnetijd is heel bewegelijk!

De constructie
We kijken eerst naar tekening 1. Daarop zijn drie vlakken te zien, die loodrecht op elkaar staan: vlak H (Horizontaal), vlak Va (Vertikaal achter) en vlak Vz (Vertikaal zij). De vlakken H en Va worden respectievelijk de horizontale en vertikale zonnewijzer.

De lijn PQ is een lijn die evenwijdig aan de aardas loopt (hij is dus precies op de poolster gericht). Hoek PQS is 52° (bij ons).

Tenslotte is er nog een vierde vlak getekend: vlak E (Equatoriaal vlak). Dit vlak staat loodrecht op PQ en het gaat door de snijlijn van vlak Va en H. In dat vlak is een cirkel te zien met middelpunt R. R is tevens het snijpunt van PQ met vlak E.

sterrenkunde-4

We moeten ons voorstellen dat de zon in 24 uur rondom PQ loopt. De schaduwlijn van PQ loopt dan op vlak E in 24 uur rond. Daarop berust het ontwerp van de zonnewijzer. Het probleem is alleen: hoe laat je nu de schaduwlijnen op H en Va de uren aangeven? Daarvoor moeten we de uurlijnen cconstrueren. Eerst zouden we de cirkel E in 24 partjes van 15º moeten indelen, maar dat doen we niet, dat is te veel werk. We construeren maar een aantal uurlijnen, de rest laat zich dan spiegelbeeldig vinden of hebben we niet nodig.

In tekening 2 ziet het er wat ingewikkeld uit, maar dat valt erg mee. In de eerste plaats zien we dat alle vlakken uit tekening 1 hier ook op staan, alleen zijn ze nu allemaal neergeklapt, zoals je een doos kunt opensnijden en alle zijkanten neerklappen.

Nu kunnen we er in construeren met geodriehoek en passer.

Wat die vlakken betreft is er één probleempje: vlak E en H vallen in tekening 2 samen. We moeten dus bij het tekenen steeds gaan bedenken in welk vlak we aan het werk zijn.

sterrenkunde-5

Voor onze zonnewijzer is het voldoende als we de uurlijnen van 4-20 uur tekenen.

Vóór iemand met de uiteindelijke constructie voor zijn of haar zonnewijzer begint, lijkt het me verstandig de constructie eerst eens te oefenen, ook met het oog op de maten die de zonnewijzer moet krijgen. Die zijn natuurlijk helemaal vrij, maar het is goed eerst de onderlinge verhoudingen te leren kennen.

We beginnen met de cirkel vanuit R om te cirkelen. Daarna trekken we een middellijn door R. Deze middellijn snijdt in S de cirkelomtrek. Door dit punt trekken we de raaklijn r. Daarna trekken we de twee andere aangegeven raaklijnen loodrecht op r: raaklijn r(1)  en raaklijn r(2)

Nu passen we, uitgaande van RS steeds hoeken van 15º af. Dat doen we aan de rechterkant anders komen er teveel lijnen door elkaar te lopen. We passen 8 hoeken af en trekken heel dun de stralen. De eerste 3 trekken we door tot lijn r. We vinden dan de punten 13, 14 en 15. Deze punten zijn straks direct bruikbaar voor de uurlijnen.

Van de andere punten beschrijf ik alleen de constructie van de 16-uurlijn, de 18-uurlijn en de 20-uurlijn. De andere gaan net zo.

De 16-uurlijn. We nummeren op de cirkel na 15 door: 16(1), 17(1), 18(1), 19(1), 20(1). Nu trekken we door het punt 16(1) en middelpunt R een middellijn. We vinden dan op lijn r2 het punt 4(1)

Nu moeten we even naar het linker bovendeel van de tekening kijken. Dat is de neergeklapte zijde Vz. Als projectie van het vlak E zien we hier een lijntje E(1). De hoek tussen E(1) en r is 38° . Trek E(1). Daarop moeten we punt R(1) tekenen (vanuit R (middelpunt cirkel) loodrecht op r(2), = 6(1), dan vanuit T de straal. T-6(1) omcirkelen naar E) = R(1) Door R(1) trekken we nu P(1) Q(1), hoek P(1) Q(1) T is 52°

We gaan nu weer verder met de constructie van de 16-uurlijn. Punt 4(1) hadden we gevonden op r(2). Nu zetten we de punt van de passer weer in T en cirkelen T-4(1) om naar E(1) en vinden daar punt 4(2). Vervolgens trekken we een lijn door 4(2)//P(1) Q(1). Het snijpunt met r cirkelen we weer naar beneden naar r(2): punt 4. Punt Q vinden we door eerst Q(1) naar lijn r(2) om te cirkelen, en daarna vanuit het nu gevonden punt een loodlijn op te richten. De tekening spreekt verder voor zich.

Als we nu 4-Q trekken hebben we de 4-uur-lijn, trekken we deze lijn verder door naar r(l), dan hebben we ook de 16-uurlijn. Spiegelen we 4 naar r, dan hebben we de 20-uurlijn. De 18-6 uurlijnen vinden we heel eenvoudig: daarvoor hoeven we alleen een lijn door Q//r te trekken.

De nog ontbrekende lijnen laten zich op analoge wijze construeren. (vergelijk de 16-uur-lijn.

Door alle lijnen spiegelbeeldig te tekenen, krijgen we de overige uurlijnen (links, 7 uur en 8 uur en boven 9 uur, 10 uur en 11 uur).

Dit is de horizontale zonnewijzer (tekening 3a), die in de tuin of in de kamer kan worden opgesteld. De richting van de 12-uurlijn moet exact noord-zuid zijn.sterrenkunde-63a

De vertikale zonnewijzer volgt uit de tekening (tekening 3b, zie tekening 2 boven de r-lijn). Deze kan tegen een muur (uitsluitend op het zuiden) worden opgesteld. De aanwijzer PQ moet op de poolster gericht zijn.

Je kunt ook een combinatie van beide maken. Als  materiaal kun je karton nemen (alleen geschikt voor binnenshuis) of triplex. De schaduwgever kan of een staafje zijn (PQ) of een driehoekig stukje karton of hout (heel dun) De schaduwrand van de schuine zijde is dan de zonnewijzer.

Literatuur:
Zonnewijzers aan en bij gebouwen in Nederland -J.G. van Cittert-Eymers. Uitgeverij Thieme. Niet meer te verkrijgen, alleen in bibliotheken.

Rinke Visser, Jonas 17, *17-04-1981

7e klas – sterrenkunde: alle artikelen

7e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 7e klas

1232-1150

.

.

VRIJESCHOOL – Sterrenkunde – alle artikelen

.
Niet alle artikelen zijn per se voor de 7e klas.
Ook de inhoud is niet altijd uitsluitend als lesstof bedoeld, maar als achtergrondkennis voor de leerkracht.

[1-1] Sterrenbeelden: Grote Beer e.a. (voor op het bord).

Sterrenbeelden
Bijzonderheden, waaronder de legende over het ontstaan van dit sterrenbeeld.

[1-1/1] De Grote Beer
[1-1/2] De Kleine Beer
[1-1/3] Cassiopeia
[1-1/4] Andromeda
[1-1/5] Cepheus
[1-1/6] Perseus
[1-1-7]
Walvis
[1-1-8] Adelaar, Arend en Pijl
[1-1/9] Boötes
[1-1/10] Dolfijn
[1-1/11] Draak (Pooldraak, Slang)
[1-1/12] Eridanus
[1-1/13] Voerman
[1-1/14] Hercules/Herakles
[1-1/15] Hydra, Waterslang, Raaf, Beker
[1-1/16] Kleine en Grote Hond
[1-1/17] Lier
[1-1/18] Noorderkroon
[1-1/19] Orion, Haas
[1-1/20] Pegasus
[1-1/21] Schip Argo
[1-1/22] Zwaan
[1-1/23] Centaur, Wolf
[1-1/24] Slangendrager met slang

[1-1/26] Leeuw             dierenriem 1
[1-1/27] Maagd            dierenriem 2
[1-1/28] Weegschaal    dierenriem 3
[1-1/29] Schorpioen     dierenriem 4
[1-1/30] Boogschutter  dierenriem 5
[1-1/31] Steenbok         dierenriem 6
[1-1/32] Waterman       dierenriem 7
[1-1/33] Vissen              dierenriem 8
[1-1/34] Ram                dierenriem 9
[1-1/35] Stier               dierenriem 10
[1-1/36] Tweeling       dierenriem 11
[1-1/37] Kreeft            dierenriem 12

[1-2] Astrologie en astronomie
Willem Beekman over: verschil beeld en teken

[1-2-2] Astrologie, astronomie, astrosofie
Rinke Visser over: het verschil

[1-3] Maan, zon en dierenriem
Mieneke de Boer over: hoe de dierenriem ooit beleefd werd; samenhang zon, maan en tekens met de plantenwereld; de 4 elementen

[1-4] De jaargetijden aan de sterrenhemel
Rinke Visser over: Grote Beer als baken; zomerdriehoek; herfstvierkant; lentetrapezium; winterzeshoek

[1-5] Kometen reinigen de kosmos
Willem Beekman
over: de komeet van Halley; op fresco, tapijt van Bayeux; ijzer en cyaan, Steiners visie.

[1-5-1/1] Een teken aan de hemel – een teken aan de wand
C.v.Gleich
over: het leven van Halley; over de komeet; Bayeux; 

[1-5-1/2] Een teken aan de hemel – een teken aan de wand 
C.v.Gleich over: Steiners gezichtspunten over het wezen van deze komeet; de verdere uitbreiding van het materialisme; Ahriman; Solowjov; anti-christ;

[1-6] De binnenkant van de continue beweging
Annet Schukking
over: beleving van het draaien om de zon; betekenis van de beleving; verander(en)de opvatting over kosmos; ritmen: grote en kleine; 25920 jaar; beleving van de zon; drievoudige zon

[1-7] En tóch beweegt ze
Over de slinger van Foucault; wiskundige bewijzen

[2-1Een periode sterrenkunde
Voorbeeld van een 3-weekse periode

Kleine impressie van werk uit een 7e klas van een Duitse vrijeschool (zolang de link blijft bestaan)

[2-2] Astronomie in de vrijeschool
Rinke Visser over: aspecten van de periode

[2-3Sterrenkunde 7e klas
Sjoerd Adema over: enkele aspecten van de periode

[2-4] De zeven planeten en de zeven dagen van de week
Hans ter Beek
: periodeverslag klas 7 over: planeten en dagen van de week – hun sfeer’

[2-5] De behandeling der sterrenkunde voor 13-jarige kinderen
D.J. van Bemmelen
over: het wezen van het 13-jarige kind; belangstelling voor de wereld; dit voeden met leerstof: sterrenkunde; leren vanuit het bewegen, bewegend voorstellen; dierenriemkaart

[3-1] De dansende dierenriem
Willem Beekman over: de dierenriem; hoe je een dierenriemkaart maakt

[3-2] Hoe laat is het echt?
Rinke Visser over:  zomer- en wintertijd; hoe je een zonnewijzer maakt
zie ook: ritme

[3-3] Een zonneklare maankaart
Willem Beekman over: de bewegingen van de maan; hoe je een kaart maakt om die te volgen
.
[3-4] De zon
Willem Beekman
over: de zon; de verschillende manieren om deze waar te nemen; zwart gat; halo, corona

[3-5] Bewegingen van de zon en de maan
Jan Diek van Mansvelt over: hoe komt de zon op, hoe gaat deze onder; idem voor de maan; beschrijving zonder oordeel (fenomenologisch); wat zou het voor de mens kunnen betekenen?

[4] Grondslag voor een nieuwe astrologie
Leo de Lahoussaye
over: belang van waarnemen; zenith; Ptolemeus; Bacon; natuurwetenschap; astrologie; horoscoop, de beperkingen door eigen wilsontplooiing; sterrenbeeld en sterrenteken (zie 1-2); verschuiving lentepunt i.v.m. dierenriem;

sterren kijken (vanaf 12jr)

7e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 7e klas

In het blad Vrije Opvoedkunst verschenen verschillende artikelen over sterrenkunde.

.

1231-1149

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – sterrenkunde (3-1)

DE DANSENDE DIERENRIEM

Sterrenbeelden zijn er vele, zowel grote als kleine. Een aantal daarvan zijn altijd zichtbaar vanuit onze positie op aarde, andere nooit of maar gedeeltelijk. Tot de laatste groep behoren de beelden van de dierenriem. Wanneer je een verbindingslijn langs die twaalf tekens legt, zie je dat die denkbeeldige cirkel zich op een bijzondere wijze door de hemel beweegt.

Dit ‘dansen’ van de dierenriem, en daarmee het verschijnen en verdwijnen uit ons blikveld, wordt zichtbaar in deze zelf te maken draaibare dierenriemkaart.

Een zestal jaren ervaring in het maken en gebruiken van deze kaart heeft de bruikbaarheid en de eenvoud laten zien. Eerst een stukje hemelachtergrond om de kaart te doorzien. Alle sterrren zijn opgenomen in de grootse beeldentaal van de sterrenbeelden. Daaronder bevinden zich bekende, zoals Grote Beer, Orion en Stier en wat minder bekende, zoals Giraffe, Jachthonden en Zuidervis. Als je alle sterrenbeelden van ‘onze’ hemel bekijkt (op 52 graden noorderbreedte) dan zijn er een paar hoofdgroepen te onderscheiden op grond van zichtbaarheid aan de nachthemel.

1. De groep altijd zichtbare beelden, in de astronomie circumpolair genoemd: Grote Beer, Kleine Beer, Cassiopeia, Draak, Cepheus.
Deze beelden zijn eeuwig boven de horizon en gaan dus nooit onder. Met andere woorden: het zijn de voor ons meest vertrouwde hemelwachters.

2. De groep gedeeltelijk zichtbare beelden. Deze gaan ieder etmaal onder en komen weer op. Kenmerkend is dus een ritmische afwisseling tussen zichtbaar en onzichtbaar, waarbij sommige beelden (Perseus, Zwaan, Lier) vooral op zijn en andere beelden (Grote Hond, Walvis, Haas) vooral onder.

3. De groep nooit zichtbare beelden, die dus niet boven onze horizon verschijnen. Dit zijn beelden die horen bij zuidelijker breedtegraden, zoals het zuidelijk halfrond: Zuiderkruis, Toekan, Passer etcetera. Ze verschijnen nooit on onze waarneming en het daaruit voortvloeiende bewustzijn.

Zoals bekend bewegen alle zichtbare beelden zich van oost naar west, in cirkelvormige banen en de zichtbaarheid wordt bepaald door boven besproken wetmatigheid en de positie van de zon. Orion is bijvoorbeeld in de zomernachten niet zichtbaar, wel in de winternachten. Alleen de circumpolaire sterrenbeelden weten zich aan de overstraling van de zon te onttrekken.

Binnen de groep partieel zichtbare beelden neemt de dierenriem een speciale plaats in. Deze twaalf beelden zijn van oudsher in een bijzonder daglicht gesteld, omdat we ze mogen beschouwen als het toneel waarop zon, maan en planeten hun bewegingsspel vertonen. Altijd staan de dwaalsterren in een beeld van de dierenriem, nooit daarbuiten: Venus in Perseus en Zon in de Zwaan zijn dan ook onmogelijkheden.

Hoewel de afzonderlijke dierenriembeelden voldoen aan de voor ieder sterrenbeeld geldende bewegingskarakteristieken, geldt dat niet voor de riem als geheel: de denkbeeldige verbindingslijn van alle twaalf beelden, de zogenaamde ecliptica, is een hemelcirkel met een eigenaardige beweging die het beste omschreven kan worden als ‘dansen’. Een combinatie van springen en schuiven. U zou het eens kunnen proberen, deze combinatie, om dan spoedig te ontdekken dat er niets anders dan dansen uit resulteert.

Deze ecliptica is het beste voor te stellen door met de hand aan onze nachthemel de achtereenvolgende beelden te verbinden: van Ram naar Stier naar Tweelingen enzovoorts. De gemiddelde lijn die ontstaat is tevens de verzameling van alle plekken aan de hemel waar ooit in de historie zon- en maansverduisteringen (zogenaamde eclipsen, vandaar de naam ecliptica) zijn opgetreden. Dat betekent dat de zon altijd op deze ecliptica staat en nooit daarbuiten, waarmee per definitie een gemiddelde zonnebaan is aangegeven.

Dierenriem in 4 seizoenen
Kijken we naar de winternachthemel, dan zien we van de dierenriem de Tweelingen hoog boven het zuiden, in het westen geflankeerd door Stier en in het oosten door Kreeft. In de zomernachten zien we laag boven het zuiden de Schutter, geflankeerd door Schorpioen (westwaarts) en Steenbok. Door vergelijkbare waarnemingen te doen in lente- en herfstnacht krijgen we hetvolgende overzicht:

winter 22 december (middernacht)

Kreeft-Tweelingen-Stier lente 21 maart (middernacht)

Weegschaal-Maagd-Leeuw zomer 21 juni (middernacht)

Steenbok-Schutter-Schorpioen

herfst 23 september (middernacht)

Ram-Vissen-Waterman Tussen Tweelingen en Schutter, die de hoogste en laagste positie aan de hemel innemen, bezitten Maagd en Vissen een gemiddelde plaats. Door de seizoenen heen zien we de dierenriem (en daarmee ook de ecliptica) op en neer bewegen ten opzichte van de horizon; een een soort springen.

Kijken we nu naar de punten van opkomst en ondergang aan de horizon, dan ontstaat een ander beeld. In de wintermiddennacht komt de Maagd op in het oosten en gaan Vissen onder het westen. In de zomernacht is dat precies omgekeerd. Daartussen verschuiven de plaatsen over de horizon: in de lente komt de schutter op in het zuidoosten en gaan de Tweelingen onder in het noordwesten. De ecliptica is westwaarts verschoven! In de herfst komen de Tweelingen op in het noordoosten en gaat de Schutter onder in het zuidwesten. Een verschuiving in oostelijke richting! Door de seizoenen heen betekent dat een voortdurend heen en weer schuiven over de horizon.

Deze twee bewegingen vatten we met behulp van de draaibare kaart in één beeld samen.

De kaart

Benodigdheden: wit foto- of etalagekarton 30 x 25 cm, plastic folie (zo dik mogelijk) 15 x 15 cm, 1 kleine splitpen, 12 kleine zelfklevende etiketjes, 2 beschermringetjes, passer, schaar, lineaal, potlood en balpen.

Eerst bewerken we het karton (figuur 1).

sterrenkunde-2

Bepaal daarvan het midden en trek met de passer zeven cirkels met de volgende stralen: 41, 43, 49, 62, 76, 87, en 92 mm. Dit moet nauwkeurig gebeuren, evenals de volgende handelingen, want daar hangt de bruikbaarheid van de kaart vanaf. Verdeel deze cirkels in 12 gelijke segmenten en 30º, zoals spaken in een wiel. Trek de lijnen alleen door in het gebied van de cirkels, niet tot het middelpunt. Trek met een passer de horizoncirkel,uitgaande van punt A. Nu zijn ook de punten oost en west bepaald.

De middelste van de 7 cirkels, waar oost en west op liggen, heeft een speciale betekenis en heet hemelequator en is door een aparte kleur aan te geven. Het gebied binnen de horizoncirkel kan ook het beste gekleurd worden en er kan een mensenfiguurtje verschijnen die de zuidhemel aan het waarnemen is. Dat bent u. Plak een beschermringetje aan weerszijden van het kartonmiddelpunt.Bepaal nu eerst het midden van het folie (figuur 2), trek een cirkel met straal van 67 mm en knip deze uit. Dit is een lastig werkje, omdat de passer niet ‘pakt’ op het folie. Daartoe kan de potloodpunt vervangen worden door een stalen passerpunt zodat de cirkel wordt ingekrast. Het uitknippen moet nauwkeurig gebeuren zodat de schijf echt rond wordt en geen platte kanten vertoont. Bepaal nu een punt 25 mm van het middelpunt verwijderd en steek daar de splitpen door (eerst voorwerken met een hete breinaald bijvoorbeeld). Steek de splitpen ook door het kartonmiddelpunt en draai het folie zo, dat de rand daarvan door oost en west gaat en zo hoog mogelijk boven de horizon uitsteekt.
Trek nu met een balpen (potlood, Rotring en dergelijke werken niet) op het folie de lijnen over die op het karton de spaken vormen. Doe dit vanaf de folierand tot aan de splitpen. Plak op deze lijnen vlak tegen de rand de etiketjes en teken daarop de symbolen van de dierenriembeelden.

De Maagd staat nu bij het oosten en de Vissen bij het westen. Na enig afwerken en verfraaien (het karton kan ook gekleurd zijn) is de de kaart klaar.

sterrenkunde-3

De werking laat zich al doende makkelijk doorzien, maar een paar aanwijzingen zijn wellicht nuttig. De rand van het folie vormt de ecliptica. Door het folie een maal geheel rond te draaien wordt zichtbaar hoe de springende beweging boven het zuiden ten opzichte van de horizon verloopt en hoe de ecliptica heen en weer schuift over de horizon rondom de punten oost en west. De wat wiebelende totaalbeweging die zo ontstaat heb ik met ‘dansen’ omschreven. U ziet nu ook de betekenis van de cirkels op het karton: ze geven de banen aan van de dierenriembeelden. De buitenste is de Tweelingenbaan, de binnenste de Schutterbaan en de middelste de baan van de Maagd en de Vissen. Ieder etmaal beschrijft een beeld deze baan in zijn geheel, zodat één ronddraaiing van het folie de dierenriemdans van een etmaal weergeeft. Het verschuiven over één segment van 30º graden komt overeen met twee uur, zodat met enig schatten de kaart een aardig overzicht geeft van de veranderingen, die de ecliptica in een etmaal ondergaat.

De standen van de vier seizoenen (en alle overgangen daartussen) laten zich makkelijk interpreteren. Bijvoorbeeld in de lentenacht, 21 maart om 24 uur: de Schorpioen komt op in het zuidoosten, de Tweelingen gaat onder in het noordwesten. Daartussen prijkt de Maagd boven het zuiden, geflankeerd door de heldere Leeuw (westwaarts) en de kleine en zwakke Weegschaal (oostwaarts). De totale ecliptica helt naar het westen over en doet ten opzichte van de overige sterren scheef aan.

In de zomermiddernacht bijvoorbeeld loopt de ecliptica van oost naar west, maar bereikt een geringe hoogte boven de horizon bij de Schutter. De kaart kan ook gebruikt worden als zonnekaart, maar dan spreken we over de daghemel. De Tweelingenbaan is dan de baan van de zon op 21 juni, de Maagdbaan op 23 september, de Schutterbaan op 22 december de Vissenbaan op 21 maart, als de zon het lentepunt bereikt. Al spelende en kijkende zult u ongetwijfeld nog meer ontdekken.

Willem Beekman, Jonas 5, 26-10-1984

.

H.Keller-van Asten: Sterne schauen dich an

.

7e klas – sterrenkunde: alle artikelen

7e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 7e klas

Willem Beekman:  Bij heldere hemel        meer

1230-1149

.

.

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – sterrenkunde (2-3)

.

STERRENKUNDE 7E KLAS

Wanneer je je in de adventstijd bezig houdt met sterrenkunde is het onvermijdelijk, dat ook de vraag naar de ster uit de kerstverhalen vanuit de klas komt.

Om dit verschijnsel uit te leggen is het noodzakelijk de hele sterrenkunde vanuit een ander gezichtspunt dan de natuurwetenschappelijke te benaderen.

Zouden we dit namelijk doen, dan zouden we zeer veel exacte gegevens vinden en te weten komen, maar de sterren en planeten niet echt leren kennen. Net zo min als we een mens vanuit een serie exacte gegevens over gewicht, maat, diameter ed. leren kennen.

Daarom is geprobeerd te spreken over hetgeen de Zon, de Maan, Mercurius, Venus, Mars en andere planeten voor ons betekenen. Voor velen is dat, wat de Zon betreft, vrij duidelijk.

De Zon schenkt ongelooflijk veel: warmte en licht, die ons in samenwerking met de Aarde voedsel schenkt als stoffelijke zaken, en als geestelijk goed: vriendelijkheid en liefde.

Ook de Maan is ons beter bekend dan we vermoeden. We hoeven maar te kijken naar de weekdagen, naar eb en vloed. Ook in ons mensen is hij werkzaam als we kijken naar het ritme van de vrouw, dat verbonden kan worden met het ritme van het wassen en afnemen van de Maan.

Moeilijker wordt het als we kijken naar Venus en Mars.

Toch kunnen we ook deze planeten leren kennen. Neem als uitgangspunt bijvoorbeeld hun astronomische tekens:  Mars en Venus. Beide tekens zijn ons ook bekend als mannelijk symbool ♂ (Mars) en vrouwelijk symbool ♀ (Venus).

Vanouds her wordt Mars met het ijzer verbonden. Het ijzer, dat weer verbonden kan worden met het mannelijk aspect en met kracht.

In ons bloed vinden we het ijzer terug. Je zou kunnen zeggen: “We vinden Mars in ons bloed”. Hebben we te weinig “Mars” in ons bloed dan schrijft de arts ons ijzer- of staalpillen voor.

Venus wordt van oudsher met koper verbonden. Het koper toont kwaliteiten van bescherming, omhulling en verbinding (deurbeslag, electrische bedrading). Kwaliteiten, die ook als een vrouwelijk element gekenmerkt kunnen worden. De moederlijke bescherming is toch anders dan de vaderlijke.

Ook koper (Venus) is in het bloed terug te vinden. Aangetoond is, dat de vrouw iets meer koper in het bloed heeft dan de man terwijl dit bij ijzer juist andersom is.

Kijken we op deze wijze naar de planeten en sterren dan is het wellicht mogelijk ook de staartster te leren kennen en begrijpen, zoals de Wijzen uit het Oosten. Aangenomen wordt, dat de Wijzen een staartster (komeet) gezien hebben.

In het volksgeloof werd de staartster als een teken beschouwd voor “iets dat gebeuren gaat’. Veelal als een kwaad teken.

De Wijzen uit het Oosten zagen het als het lang verwachte teken voor een blijde, grootse gebeurtenis.

S.Adema, nadere gegevens onbekend

.

7e klas – sterrenkundealle artikelen

7e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 7e klas

1229-1148

.

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – sterrenkunde (2-2)

.

ASTRONOMIE in de vrijeschool

Nu de sterrenwacht van de school* klaar is, is er een goede gelegenheid nog eens terug te komen op het vak sterrenkunde. Daartoe wil ik als voorbeeld nemen de periode astronomie zoals die in de 7e klas gegeven is.

We zijn begonnen met het spreken over en het in kaart brengen van onze horizon. Terwille van de gemeenschappelijkheid zijn we naar de nieuwe Spaarnebrug getogen en hebben van af dat hoge punt de ons omringende horizon getekend. Het bespreken van de windstreken en het construeren van een kompasroos sloot hierbij aan.

Bij het tekenen van de horizon was al gauw gebleken dat hier verschillende mogelijkheden voor waren: de horizon als rechte lijn met boven de lucht en daaronder het land, of als gesloten cirkel met of het land binnen de cirkel en de lucht erbuiten, of omgekeerd; een cirkel als begrenzing van de halve hemelbol. Het punt dat recht boven je hoofd was, het zenit, kwam dan op de tekening als middelpunt van de cirkel. We konden op deze kaart van de lucht de plaats van de wolken intekenen en die van de zon, verder kon je er op aangeven waar de zon opkwam en waar hij onderging, met daarbij getekend de weg die de zon langs de hemel aflegde.

Zo kwamen we op de dagbeweging van de zon, het ritme van dag en nacht. We hebben niet alleen gesproken over de dagbeweging van de zon in onze streken, maar eveneens over de tropen en de poolstreken.

De wetmatigheden van de dagelijkse zonnebeweging geven de mens de mogelijkheid om een klok te maken waarop je de plaatselijke ware zonnetijd kunt aflezen: de zonnewijzer. Alle kinderen hebben een gecombineerde horizontale en verticale zonnewijzer gebouwd.

De dagelijkse beweging van de zon hebben we leren begrijpen door de dagbeweging van de hele sterrenhemel. We hebben daarbij ook gezien dat boven elk van de “vier horizonen” (noordelijke – oostelijke -zuidelijke – westelijke horizon) de sterren bewegingen maken die voor dat hemelgebied karakteristiek zijn.

Als sluitstuk van de periode hebben we, uitgaand van de manieren waarop de maan zich aan ons vertoond, gesproken over de bewegingen van de maan t.o.v. zon en aarde.

Voor de 7e klas heeft het behandelen van deze elementen uit de astronomie een aantal kanten: de kinderen werden zich bewust van een aantal verschijnselen die ze al lang kenden, maar nog nooit goed hadden waargenomen. Verder blijkt dat kosmische wetmatigheden op allerlei wijzen in ons leven inspelen. Dat je als mens niet alleen te maken hebt met de onmiddellijke omgeving van de aardse natuur: stenen, planten en dieren, maar dat er een kosmische wereld is die hier op inspeelt. Het verleggen van de horizon dus. En daarmee sluit het direct aan op het geschiedenisonderwijs waarvan ook het verleggen, verruimen van de horizon het thema is: de ontdekkingsreizen.

Tenslotte blijkt voor de kinderen juist bij dit vak al heel gauw dat er een groot verschil is tussen de wereld van de fenomenen en de interpretatie van die fenomenen. Leef je je in het fenomeen in dan kun je je verbonden voelen met de jouw omgevende wereld, ga je de verschijningswereld interpreteren dan beleef je de scheiding van jouw en die wereld. Beide moeten we kunnen, maar we moeten ons er wel steeds van bewust zijn waar we ons bevinden: in de wereld van de verschijnselen of die van de gedachte over die verschijnselen.

sterrenkunde-1

*Rinke Visser, *vrijeschool Haarlem, datum onbekend

7e klas – sterrenkunde: alle artikelen

7e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 7e klas

1228-1147

.

.

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – sterrenkunde

.

ASTRONOMIE EN ASTROLOGIE

De kloof tussen beeld en teken

Tot voor twee duizend jaar was er eenheid tussen astronomie en astrologie in het denken van de waarnemers van die tijd. Daarna is er een controverse ontstaan die steeds groter is geworden.
Willem Beekman beschrijft de kern van deze splitsing via het astrologische begrip beeld en het astronomische begrip teken.

In de Volkskrant van 7 januari ’84 verscheen een artikel met als titel ‘Waarom krijgt de evolutie elke 26 miljoen jaar de hik?’. Daarin werd beschreven, dat in de aardlagen door fossielen een exact uitsterfritme getoond wordt van 26 miljoen jaar. Geologen en biologen kunnen niet anders dan de verklaring daarvoor in de kosmische ruimte zoeken: uitbarstingen van de zon, asteroïdeninslag, invloeden vanuit het melkwegstelsel of nog onbekende krachten.

Mij troffen hierin twee aspecten, ten eerste de recente vanzelfsprekendheid waarmee aardse fenomenen vanuit de kosmos verklaard worden en ten tweede de naief-mechanistische verklaringswijze. Het is verheugend dat er ook in de moderne natuurwetenschap ruimte wordt gemaakt voor kosmische invloeden. Tot enkele tientallen jaren geleden was dat gevaarlijk taboe-gebied, waarin je als wetenschapper risico’s liep bespot te worden, maar sinds de opkomst van de exobiologie (jaren zestig), wordt daar anders over gedacht. De Helio-biologie met de Russische grondlegger Tsitsjevski voorop, voegt zich daarbij, met uitspraken die er niet om liegen: het grootste deel van hart- en vaatziekten zou verklaard kunnen worden uit de relatie tussen ons lichaam en de zon! Tijdens eens per elf jaar optredende maximum zonnevlekkenactiviteit worden in Rusland speciale ziekenzalen ingericht om de groeiende stroom van onder andere hartinfarcten te kunnen opvangen. Een staaltje van doortastende medische vooruitziendheid. Ook opkomende jonge wetenschappen als de biometeorologie en ritmologie maken ruimte voor het onderzoek naar relatie: aards leven en kosmisch ritme, want één ding is heel duidelijk geworden: het ritme-aspect staat centraal.

Aan de andere kant krijg je te maken met de al genoemde mechanistische verklaringswijzen. Langstrekkende planeten, dubbele zonnen, deeltjesstraling, inslagen van kometen in de aarde, planetoïden, die rakelings de aarde passeren, botsingen, ontploffingen, kortom een compleet oorlogsgeweld wordt met het gemak van een ordinaire sciencefictionfilm ingevlochten in een poging de vaak verrassende verschijnselen te reduceren tot herkenbare mechanica, zodat jongens en meisjes met een ontwakend technisch bewustzijn het gemakkelijk begrijpen, het gretig opnemen en met fantasie verder ontwikkelen. Een aantal computerspelletjes en bioscoopfilms wijst met nadruk in de hier geschetste richting. Deze aardse-technische projectie in de hemelruimte is al veel eerder zichtbaar geworden. Tijdens de industriële revolutie, werd duidelijk, dat steenkool een soort goud was, energiebron nummer één. Interessant is de toen nog onbekende relatie tussen de zon en steenkool: het zonlicht en de zonnewarmte verdichten zich langs eeuwenlange weg tot steeds hardere plantenmassa (hout) en in de aarde tot steenkool, die als metamorfose van de zonnewerking op aarde beschouwd mag worden. Bedoeld is hier het assimilatie-proces van groene planten, waarbij uit zonlicht, warmte, lucht en water eerst suikers dan zetmeel en ten slotte hout gevormd worden.

Toen het denken zich richtte op de aard (!) van de zon, kon het antwoord dan ook niet uitblijven: de zon is een gigantische miljoenen tonnen zware steenkoolbol, waarvan de verbranding de ons geschonken energie oplevert. Berekeningen leerden, dat de zon nog globaal duizend jaar te branden had, een waarlijk korte tijd. Deze steenkooltheorie is, wellicht mede daardoor, toen verlaten. Maar hetzelfde gebeurt nu in onze eeuw.

Nadat Niels Bohr, Deens fysicus aan het begin van deze eeuw, en anderen de grootste energiebron in atoomkernen ontdekten, werd de zon spoedig tot beheerste kernbom gepromoveerd. Nu is dat enigszins gewijzigd in een kernreactor, waarin kernfusie en -splitsing naast elkaar een onuitputtelijke hoeveelheid energie over geruststellend lange tijd blijven geven. Wie weet welke verklaring er voor de zon wordt ver-zon-nen in de volgende eeuw, wanneer nog andere energiebronnen zijn ontdekt.

Deze causaal mechanistische verklaringswijzen hebben twee belangrijke voordelen, althans, dat wordt gesuggereerd. Enerzijds wordt alles vanuit aardse omstandigheden verklaard en hoeft er geen ruimte gemaakt te worden voor het bovennatuurlijke (zo staat het in bovengenoemd artikel), anderzijds kan als geruststelling het toevalselement geïntroduceerd worden, want aan al dat buitenaards gedoe is geen touw aan vast te knopen.

De impasse waarin de astronomie mijns inziens verkeert is ook van toepassing op het andere gebied van sterrenkundig onderzoek, de astrologie. Daar heerst een polair soort denken, waarin het receptmatige opvalt. Wanneer je onder het teken boogschutter geboren bent, dan heb je ‘dus’ bepaalde eigenschappen. Planeetconstellaties voegen daar dan zeer specifieke kwaliteiten aan toe, zodat een horoscoop ontstaat. Met alle waardering voor de echte, serieuze en bekwame astroloog-horoscopist (een waardering die ik ook heb voor de dienovereenkomstige astronoom), merk ik toch een receptuur-denken, waarin ‘het werk’ ver overheerst boven het ‘hoe werkt het?’ en ‘wat is de achtergrond van de werkingen?’ Een soort verklaringsonmacht is het misschien eerder dan onwil. Tegenover elkaar staan nu de technische, causaal-analytische verklaringsdrang, met toeval en aardse projectie aan de ene kant, en de uitblijvende verklaringstendens, met ‘het is zo’-karakter en hemelse projectie in aardse omstandigheden aan de andere kant.

De controverse tussen het astronomisch en astrologisch denken is in de laatste duizenden jaren steeds groter geworden en dat zal nog doorgaan. De kern daarvan kom je op het spoor via het begrippenpaar beeld en teken: beide gebruikt voor het indelen van de dierenriem (de zodiak). Wanneer we de twaalf beelden van de zodiak aan de hemel bekijken, ontdekken we aanzienlijke grootteverschillen. De maagd bijvoorbeeld beslaat een hemelstuk van ongeveer 45°, de weegschaal daarentegen nog geen 20°. Dientengevolge zal de zon in haar tocht dóór de dierenriem langer in de maagd staan (6 weken) dan in de weegschaal (2,5 week). Zo heeft ieder beeld een eigen grootte en bepaalt zodoende de verblijftijd van zon, maan en planeten. De groottebepaling van de beelden geschiedt aan de hand van de ecliptica, een gemiddelde verbindingslijn van de beelden en tevens de gemiddelde zonnebaan door het jaar heen: een hemelcirkel van 360°. Dit is het astronomische begrip beeld.

Daarnaast bestaat het astrologische begrip teken: een indeling van de ecliptica in 12 gelijke stukken van 30°, die samen de cirkel sluiten en die dezelfde namen dragen als de dierenriembeelden. Ieder teken krijgt daardoor evenveel be-teken-is onafhankelijk van zijn grootte: er is in dit opzicht geen verschil tussen de maagd en de weegschaal. Deze tekens staan los van de gang van de zon door de dierenriem, maar zijn bepaald op vaste tijdstippen in het jaar, zodat je op 5 februari geboren wordt onder het teken waterman, terwijl astronomisch het beeld steenbok is, omdat de zon daar dan in staat.

Het verschil tussen beeld en teken was rond het begin van de jaartelling niet zo duidelijk aanwezig. Toen vielen de beelden nagenoeg samen met de 30°-segmantatie van de ecliptica. In de afgelopen 2000 jaar is er een verschuiving opgetreden van het lentepunt over ongeveer één beeld aan de hemel. Het lentepunt is de plaats op de ecliptica waar de zon staat op 21 maart, het
lentebegin. Door een kleine pendelbeweging van de aardas verandert onze positie ten opzichte van de sterrenhemel (dus ook de dierenriem) gestaag, maar in een mensenleven is dit nauwelijks merkbaar: het lentepunt verschuift l° per 72 jaar.
Toch wist de Griekse astronoom Hipporchos (circa 150 v.C.) hier al van, ondanks de beperkte instrumentaria van die tijd. Over enkele honderden jaren zal dit lentepunt in het beeld waterman zijn aangekomen, een paar duizend jaar geleden stond het in de ram. Tegenwoordig is het verschil tussen beeld en teken over de ecliptica gerekend, opgelopen tot één beeldbreedte.

Wanneer we kijken naar de sterrenwijsheid van 2000 jaar geleden (en ook daarvoor) dan valt de eenheid op tussen astronomie en astrologie in het denken van de waarnemers van die tijd. Er was eigenlijk geen verschil. Sterrenkundige fenomenen spraken een directe beeldentaal, voor het toenmalige schouwende bewustzijn, waarin verleden, heden en toekomst gelezen konden worden. De sterren-magiërs (zoals de beroemde drie koningen) waren priester-koning-astronoom-astroloog, dat wil zeggen ze berekenden overstromingen, oogsten, kalenders en allerlei praktische maatregelen aan de hand van al dan niet instrumentale waarnemingen, maar stelden ook horoscopen op en toekomstvoorspellingen op grond van bijzondere innerlijke vermogens, waar we nu nog maar weinig in onszelf van herkennen Interessant is dan de scheiding die beide richtingen treft, parallel aan de verschuiving die de hemel toont. Astronomen bestaan naast astrologen, de kloof groeit met het onbegrip tot op de huidige tijd waarin de scheiding compleet is geworden: het beeld en het teken liggen vanaf nu helemaal naast elkaar. Natuurlijk treden er in de historie mensen op die beide benaderingen nog in zich verenigen zoals Tycho Brahé en Johannes Kepler (rond 1600), maar het wordt moeilijker.

De bewustzijnsverandering van de mens kan worden opgevat als een afspiegeling van de kosmische verandering/verschuiving van het lentepunt. Let wel: afspiegeling, niet oorzaak. Want het causaliteitsbegrip lijkt me ontoereikend om dergelijke fenomenen te benaderen: er is sprake van parallelliteit,
beeldovereenkomst.

Toch moet het zin hebben gehad om 2000 jaar geleden de ecliptica te fixeren. Astrologische uitspraken worden daar nog steeds (mede) op gebaseerd. De hemelsituatie van toen staat namelijk in het licht van het Christusleven. Datgene wat zich toen anspeelde is voor de mensheid als geheel, maar ook voor de individuele mens en zijn levenslot van de meest centrale betekenis. Mensheid en kosmos hielden hun adem in, toen Christus (als hemelgezant) in de aardse omstandigheden verscheen. Alles richtte zich op die ene mens als in een brandpunt. Christus, ook de heer van het lot genoemd, gaf dé vernieuwingsimpuls voor de mens.
Zo begrijp ik de astrologische teken-benadering als een reflectie, een herinnering aan die oergebeurtenis, waardoor het mensenlot zijn signatuur krijgt (horoscoop).
Wat ontvangt dan zijn signatuur uit het astronomisch beeld-begrip? Met andere woorden waar werken zon, maan en planeten in de aardse omstandigheden? Het antwoord hierop vinden we overvloedig geïllustreerd in de moderne literatuur over ritmologie, biometerologie en in de resultaten van de biologisch-dynamische landbouw (onderzoekingen van Maria Thun, neergelegd in de zaaikalender): het werkingsgebied, het schouwtoneel voor kosmische invloeden is in de levende natuur te vinden. Daarin werken de ritmes van de maan, de bewegingsdynamiek van de planeten en de tocht van de zon door de dierenriem. Vergelijken we beide wegen, dan leidt dat tot een opvallend resultaat:

astronomie astrologie

De hierin zichtbare kloof tussen mens en natuur heeft een kosmische achtergrond. De mens vervreemdt steeds meer van de levensprocessen om hem heen, de ingrepen in en de bedreigingen van de natuur nemen explosief toe en we staan voor de vraag: hoe verder? Is de kloof te overbruggen.
Om deze vraag enigszins te benaderen, wenden we onze blik naar de inzichten van de grote fenomenoloog Goethe. (Een uitstekende beschrijving van de betekenis van Goethes denkwijze voor de astronomie en een uiting daarvan is te vinden in: Planetensphären, Planetenkörper, John Meeks, Dornach 1979.)
In ‘Wilhelm Meisters Wanderjahre’ ontmoet Wilhelm twee mensen die hem twee aspecten van de wereld laten zien. De ene is een astronoom, die hem door een telescoop de planeet Jupiter laat zien, met manen die voor het blote oog onzichtbaar zijn. Hij raakt daardoor vreselijk in verwarring omdat zijn beleving van de sterrenwereld op grond van de directe hemelaanschouwing niet strookt met de telescoopwaarneming. Er is een onoverbrugbare kloof.
Ik herken dat gevoel sterk: wanneer je aan de avondhemel van nu, Jupiter ziet staan in het grote verband van de planeten eromheen (Venus, Satumus, Mars) ontstaat een stemming van eerbied en wijsheid; Jupiter als het wijsheidsgesternte, die in zijn bewegingspatroon een eigen kosmische taal spreekt. De kleur, de grootte, de beweging, de relatie met andere sterren en planeten vallen allemaal weg wanneer je je blikveld in een telescoop vernauwt tot de directe omgeving van een planeetschijfje met roodbruine banden op het oppervlak en een paar manen eromheen. Geweldig ontluisterend! Maar toch fascinerend om de hemelruimte in te kunnen duiken en de geheimzinnige wereld ‘achter de lichtpunten’ tot openbaring te brengen. Goethe laat Wilhelm Meister dan uiteenzetten hoe moeilijk het is om je innerlijk oordeelsvermogen in evenwicht te houden met het vertekende telescoopbeeld. Je hebt een hoge innerlijke cultuur nodig, slechts aan weinigen vergund, om je waarheidsgevoel overeind te houden tegenover het opgeblazen zintuiggeweld. Sterrenkijkers en alle moderne apparatuur doen een appèl aan de mens om deze innerlijk hoge cultuur te ontwikkelen en zich niet te laten vangen door de verleidingen die de technische benadering in zich draagt.

De andere ontmoeting heeft Wilhelm met een sprookjesachtige vrouw Makaria, die een intuïtieve verbinding met de sterrenwereld heeft. Zij heeft een relatie met de Venusplaneet en weet dat er achter de fenomenen een diepere waarheid ligt, waarin het bewegingsspel van planeten op kunstzinnige wijze benaderd kan worden.

Deze beide benaderingen nu vragen om een synthese om daarmee de impasse te doorbreken: een soort huwelijk tussen de astronoom en Makaria, waardoor het analytisch-exacte bevrucht wordt door het synthetisch-kunstzinnige, en de mens met zijn volle ‘sinnlich-sittliche’ moraliteit zich verbinden kan met de hemel.

Wat wij in deze tijd weer zouden kunnen leren, is het zien en verstaan van de beeldentaal die de sterren en planetenwereld wil uitspreken. Daarmee bedoel ik niet alleen het herkennen van de sterrenbeelden en de verhalen die daarmee samenhangen, maar ook de taal die Jupiter spreekt bij zijn tocht door de dierenriem in relatie met de zon. Het patroon van lussen en bogen dat door Venus aan de hemel gevormd wordt weer leren lezen en herkennen als kosmische afspiegeling van een zelfde taal in de plantenwereld. Het begrijpen van de zaaikalender uit de kwaliteiten van de dierenriembeelden in relatie met de maan, enzovoort. Een heel nieuw gebied van fenomenologisch onderzoek ligt hier vóór ons, waarover de laatste jaren steeds meer publikaties verschijnen en waaruit blijkt, dat de mens, de dieren- en plantenwereld de microkosmos zijn, waarin zich de macrokosmos om ons heen als in een miniatuur (hiëroglyfe)
afdrukt.

Willem Beekman, Jonas 4 12-01-1984

.

Willem Beekman:  Bij heldere hemel        meer

7e klas – sterrenkunde: alle artikelen

7e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 7e klas

.

1104-1025

.

.