VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (12-1-3)

.

Kinderen worden weleens ziek. Het is de taak van de ouders, vaak samen met de arts, om het kind weer te genezen. 
Dat is niet de taak van de school – ook m.i. niet die van de vrijeschool. ‘Gezondmakend onderwijs’ is wel een term die daar gebezigd wordt, maar wat ziekte betreft, gaat het er hier meer om dat aan de gezondheid van de kinderen geen afbreuk wordt gedaan, sterker: dat die laatste door het onderwijs wordt bevorderd.

Steiner heeft veel gesproken over de ontwikkeling van kinderen en zijn gezichtspunten vormen een grote basis voor het pedagogisch-didactisch werken op de vrijeschool.
Hij heeft in zijn pedagogische voordrachten ook een paar keer gesproken over de kinderziekten in samenhang met de ontwikkeling van het kind.

Ouders die zich hierin verdiepen kunnen enthousiast zijn voor deze ideeën of ze verwerpen. Dat is hun vrijheid. Evenals het hun vrijheid is om hun kind wel of niet te laten vaccineren. De school mag daarin nooit een stem hebben.
Dat er veel ouders zijn die voor deze ideeën enthousiast zijn, maakt dat er op de vrijescholen minder ingeënte kinderen zijn dan gemiddeld op andere scholen.

Dat leidt er vaak toe, dat de vrijescholen verweten wordt ‘antivax’ te zijn.
Dat is niet terecht. De school hoeft en heeft geen standpunt in te nemen: dat is aan de ouders.

Dat er op deze blog soms artikelen over dit onderwerp verschijnen, is geen propaganda vanuit de vrijeschool, maar dient als voorlichting over hoe er in antroposofische kring over kinderziekten wordt gedacht.

.

Edmond Schoorel, Weledaberichten nr. 165, Pasen 1995

.

DE ZIN VAN KINDERZIEKTES

.

Wat zijn ‘kinderziektes’? Het klassieke rijtje is kinkhoest, waterpokken, rode hond, bof, mazelen en roodvonk. Het zijn ziektes die je in de kindertijd doormaakt, als je er tenminste niet tegen ingeënt bent. Dat ze zich in deze eerste levensfase voordoen, komt doordat ze zo besmettelijk zijn: kom je ermee in aanraking en sta je er voor open, dan heb je het te pakken. Dat je ze na die periode niet meer krijgt, heeft te maken met de vatbaarheid: heb je de ziekte eenmaal doorgemaakt, dan ben je in principe immuun.

Je kunt kinderziektes ook benoemen als ‘alles wat een kind aan infectieziekten krijgt en waarbij het iets doormaakt wat het daarna niet meer hoeft te leren’. Dit is een wat bredere kijk, want het klassieke rijtje gaat al lang niet meer op: er bestaan tegenwoordig allerlei ‘nieuwe’ kinderziektes. Zo is er een pseudo-kink-hoest en zijn er allerlei vlekjesziekten die proberen na te doen doen wat de rode hond eigenlijk van plan was.

Deze pseudo-ziekten – het woord zegt het al – geven een slap aftreksel van de klassieke ziekte. Het is nogal een verschil of je anderhalve dag wat vlekjes hebt of flink aangedaan bent door de rode hond. Dat is kwalitatief een andere ervaring. Blijkbaar laten de kinderziektes zich niet zomaar aan de kant zetten, en is er sprake van een (essentiële) ervaring die een kind daardoor opdoet.

Een infectieziekte laat een kind niet onberoerd, daar blijft iets van achter in het immuunapparaat. Het immuunapparaat is het biologische geheugen en in die zin een uitdrukking van het ik, want je geheugen bepaalt wat en wie je bent. Het antwoord op de: vraag ‘wie ben ik’, wordt dus mede bepaald door de ervaringen op lichamelijk niveau. Wat zijn dan de ervaringen die de kinderziektes geven?

Bof

De kinderziektes verschillen enorm van elkaar, dat kan iedereen zien. Kenmerkend voor de klassieke kinderziektes is dat een kind even niet meer zichzelf is. Dat wat karakteristiek is voor het kind gaat eruit, wat karakteristiek is voor de ziekte komt erin. Een bof-kind bijvoorbeeld is even helemaal de bof: het heeft een onpersoonlijke bolle kop. Lachen, huilen, eten, het doet allemaal zeer. Het contact met de buitenwereld is dus behoorlijk verstoord. Aangedaan zijn de speekselklieren, soms de alvleesklier (buikspeekselklier) en de geslachtsorganen. Een ziekte dus die van buiten naar binnen gaat, over een centraal stuk van de spijsvertering. Anders gezegd, hoe treed ik mijn buitenwereld verterend tegemoet. Het strijdveld van de bof is: sta ik mijn mannetje ten opzichte van de buitenwereld, kan ik dat ‘behapbaar’ maken, heb ik slagkracht genoeg om de buitenwereld te verteren? Kan ik mijzelf tot uitdrukking, tot ontwikkeling brengen, doordat ik de buitenwereld opneem en omvorm, zodat deze tot mijn dienst wordt? De bof is het persoonlijk worden op fysiek niveau. De geslachtsorganen zijn in dit geval het gebied van ‘het later een geslachtsrijp herkenbaar mens worden’.

Kinkhoest

Kijk je naar de kinkhoest, dan krijg je een totaal ander verhaal. Het kind is niet zo erg ziek, maar de ziekte is wel erg hinderlijk: het duurt zes weken en ze hoesten maar door. Een ziekte met drama. En niet alleen voor het zieke kind met z’n indrukwekkende hoest- en stikbuien. Ook voor het gezin, dat uitgeput kan raken door wekenlange gebroken nachten. Niet ‘even flink koorts, snel er vanaf’, maar lang volhouden, geduld hebben, niet boos worden: een lange adem hebben. Vooral emotionele prikkels, zoals lachen, schrikken en huilen, roepen de hoestprikkel op. De kinkhoest is óók verbonden met ‘hoe sta ik in de wereld’ (dat zijn alle kinderziektes), maar nu niet ten opzichte van de fysieke wereld en de vertering, maar ten opzichte van de ademwereld. Het aangedane gebied, de longen, is het gebied waarin wij als mens het meest openstaan voor de buitenwereld. Diezelfde lucht die dan weer binnen, dan weer buiten is: het gaat hier om wisselwerking. Hier is het strijdveld ‘ben ik in staat om dat, wat op mij afkomt en mij beroert, te verwerken en daar iets tegenover te stellen’. Je ziet bij astma- of bronchitiskinderen vaak dat ze na de kinkhoest veel minder of soms helemaal geen last meer hebben: het longgebied is dan echt eigendom geworden.

In principe immuun:

Het immuunsysteem heeft het nodig om af en toe ‘opgefrist’ te worden. Dit gebeurt door in contact te komen met de ziekte. Omdat de kinderziektes steeds minder voorkomen, kan het gebeuren dat een doorgemaakte kinderziekte opnieuw optreedt als je er na (te) lange tijd weer mee in aanraking komt.

Waterpokken

Waterpokken is een betrekkelijk geringe klus. Kinderen zijn er wel heel kriebelig van: letterlijk en figuurlijk. Geen ziekte waarbij je je eens lekker laat vertroetelen, want de hele dag door ben je ongemakkelijk. Alles jeukt, kriebelt en is te warm. Ook hier is het kind geraakt, maar dan heel oppervlakkig: het beroert de huid. Het gaat hierbij om de irriteerbare, prikkelbare buitenkant van de ziel. Dus wat je waarneemt aan de buitenkant voordat het van binnen een indruk maakt. Waterpokken hebben als enige kinderziekte geen complicaties: het blijft totaal aan de oppervlakte. Je leert hier om het grensvlak van de ziel om te werken en van jezelf te maken. Als het kind te open is, kan het leren zich wat meer te sluiten en andersom: is het te gesloten, dan kan het zich wat meer openen. Tenminste, als de ziekte goed doorgemaakt wordt. Nogal wat eczeem-kinderen zijn na de waterpokken een tijd lang van hun eczeem af, óf ze krijgen het juist veel erger.

Roodvonk en mazelen

Roodvonk en mazelen kun je zien als oertegenstellingen binnen de kinderziektes. De kinderziektes geven het beeld van de strijd tussen aangeboren erfelijkheid en meegenomen eigen impuls. Die twee moeten met elkaar zaken gaan doen om te realiseren wat je van plan was op aarde. Mazelen en roodvonk zijn daarvan de duidelijkste polariteiten: twee ziekten met risicovolle complicaties.

De mazelen geven een grofvlekkige uitslag die van boven naar beneden ontstaat. Met een opgezwollen gezicht, een dikke keel, tranende ogen en een loopneus, is het een waterige bedoening. Kenmerkend is de immuundepressie. Na het doormaken van de mazelen ligt het immuunapparaat een beetje stil (dit kan acht weken tot een half jaar duren). Er is dus echt sprake van een onderdrukking: de mazelen maken letterlijk plaats voor iets anders. Roodvonk geeft een fijnvlekkige uitslag die van beneden naar boven ontstaat. Het ziet eruit alsof je verbrand bent (de huid vervelt ook na de roodvonk). Het is een acute, felle ziekte met hoge koorts.

In beide gevallen is er strijd (koorts). Echter bij de mazelen heeft het vloeistoforganisme de overhand, bij roodvonk het warmteorganisme. Het vloei-stoforganisme is de drager van de levensprocessen: het jezelf in stand houden, je weren tegen de invloeden van buitenaf. In die strijd overheerst de erfelijkheid. Bij de roodvonk overheerst juist datgene wat het kind zelf meeneemt. Het warmteorganisme is de drager van de eigen impulsen, van het ik: dat wat iemand zelf maakt van het leven. Dat is te zien aan de getekende koppen: mazelen-kinderen lijken allemaal op elkaar; roodvonk-kinderen zijn juist heel erg zichzelf. Een ouwelijke wijze blik hebben ze soms. De vraag is ‘krijg ik gerealiseerd wat ik in dit lichaam op deze aarde van plan was’. Roodvonk is de wegbereider voor wat je meeneemt van boven.

Vast organisme

Drager van vorm en gestalte (fysiek lichaam).
Mens als verschijning in de ruimte.
Bof.

Vloeistoforganisme

Drager van levensprocessen
(etherlichaam). 
Mens als verschijning in de tijd (ontwikkeling, biografie).
Mazelen.

Luchtorganisme

Drager van zielenroerselen en het vermogen om te bewegen (astrale lichaam) individuele uitingen van de menselijke ziel.
Kinkhoest en waterpokken (of beter: windpokken, zoals ze in Duitsland en België heten)

Warmteorganisme

Drager van wil en intensiteit (ik-organisatie, geest).
Uiting van de zelfbewuste ik.
Roodvonk.

.

Opvoedingsvragen: over [12] (kinder)ziekte; mazelen; allergie; inenten.

Opvoedingsvragenalle artikelen

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2797-2625

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 13 (13-5)

.

RUDOLF STEINER

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

GesamtAusgabe (GA) 293*
Vertaald*

Enkele gedachten bij blz. 192 – 193 van de vertaling*
.

ZINLOZE EN ZINVOLLE BEWEGINGEN

Na een soort inleiding op ‘geest buiten ons’ en ‘geest binnen ons’ komt Steiner op de bewegingen die in zijn ogen zinvol, dan wel zinloos zijn.
En wat ons onderwijs betreft: we moeten de kinderen zinvolle bewegingen laten maken.

Blz. 191   vert. 192

Sinnvoll tätig – diese Worte müssen uns auch schon durchdringen, indem wir Erzieher des Kindes werden.

 Zinvolle bezigheid – deze woorden moeten in ons klinken wanneer we kinderen gaan opvoeden.

Wann ist der Mensch sinnlos tätig? Sinnlos tätig ist er, wenn er nur so tätig ist, wie es sein Leib erfordert.

Wanneer is een mens zinloos bezig? Wanneer hij alleen zo bezig is als zijn lichaam het verlangt.

Sinnvoll tätig ist er, wenn er so tätig ist, wie es seine Umgebung erfordert, wie es nicht bloß sein eigener Leib erfordert.

Zinvol handelt hij, wanneer hij doet wat de omgeving van hem vraagt en niet alleen zijn eigen lichaam.

Dat lijkt mij een interessant criterium: zijn de bewegingen direct op mezelf gericht of op de buitenwereld?
Hier zou je uren over kunnen discussiëren: is je ramen zemen, je auto poetsen, je rozen snoeien, en ga zo maar door, zinvol, c.q. op de buitenwereld gericht?
En ‘op ons zelf gericht’? Moeten we dan denken aan de lichaamscultuur waarvan we kunnen spreken als we kijken naar hoeveel mensen er dagelijks met hun lichaam bezig zijn, gericht op dat eigen lichaam: om het fit, gezond, in vorm, jong e.d. te houden? En is dat ‘zinloos’?

We moeten goed in de gaten blijven houden dat zinvol en zinloos steeds bekeken worden vanuit wat ze voor de geest betekenen.

Alle mogelijke bewegingen die we maken zodat we ons met of in ons lichaam fit voelen: we lopen hard, we fietsen (hard), we gaan naar de sportschool of we zitten thuis op de hometrainer of bewegen mee met ‘Nederland in beweging’, die lichaamscultuur hoort in dit opzicht bij het zinloze.

En dan noemt Steiner voor het eerst een bewegingsvak, nl. de gymnastiek, het turnen.

Darauf müssen wir beim Kinde Rücksicht nehmen. Wir können auf der einen Seite die äußere Leibestätigkeit des Kindes immer mehr und mehr überführen zu dem, was bloß nach dem Leiblichen hin liegt, nach dem physiologischen Turnen, wo wir bloß den Leib fragen: Welche Bewegungen sollen wir ausführen lassen? –

Daar moeten we bij kinderen rekening mee houden. Enerzijds kunnen we de lichamelijke activiteit van een kind meer en meer sturen in de richting van puur lichamelijke beweging, van gymnastiek, turnen; daarbij wordt alleen het lichaam gevraagd welke bewegingen gedaan moeten worden.

We kunnen – nogmaals: zonder veroordeling – stellen dat alle door mij hierboven genoemde activiteiten op het lichaam gericht zijn. 
Wat het ‘turnen’ betreft: dat is vooral de gymnastiek uit Steiners tijd, natuurlijk.

In een encyclopedie uit 1963 wordt ‘gymnastiek’ zo beschreven:

GYMNASTIEK, methodisch geordende, opzettelijke lichaamsoefeningen.
In de klassieke Griekse cultuurperiode vond het woord gymnastiek zijn oorsprong. De oorspronkelijke betekenis is ‘naakt oefenen’. In de Griekse opvoeding waren nl. drie gebieden te onderscheiden: de grammaticale, de musische en de gymnastische of lichamelijke opvoeding. Hoe breed dit begrip dient te worden opgevat, blijkt uit een opsomming van de oefeningen die eronder vallen: lopen, springen, discus- en speerwerpen, worstelen (samen de klassieke vijfkamp vormend), voorts boksen, pankration (een combinatie van boksen en worstelen), zwemmen en balspelen.

De term gymnastiek komt in de Renaissance op bij de medicus Hieronymus Mercurialis (1530-1606), die in zijn beroemde werk De arte gymnastica (1569) teruggrijpt naar het Griekse opvoedingsideaal. Het spreekt vanzelf, dat de term gymnastiek bij hem dezelfde inhoud heeft als bij de Grieken. Dat is trouwens ook bij Gutsmuths nog het geval in zijn hoofdwerk Gymnastik für die Jugend (1793).

Na Gutsmuths is de term gymnastiek van inhoud veranderd. De inhoud is verengd doordat de lichamelijke opvoeding zelf enger geworden is onder invloed van de rationalistische, mechanistische opvattingen van de 19de eeuw over bewegingsleer, psychologie, en daarmede ook over de lichamelijke opvoeding. Door het werk van mannen als Spiesz, Maul (Duitse gymnastiek), Ling (Zweedse gymnastiek) en hun volgelingen is de term gymnastiek vernauwd tot het gebied van methodisch geordende, opzettelijke, geconstrueerde bewegingen, waarvan de vorm, de richting en de regelmaat nauwkeurig zijn voorgeschreven.

Als in het laatste kwart van de 19de eeuw de reactie komt op de gymnastiekpraktijk van die jaren, en deze zich uit in een op de Angelsaksische opvoeding geïnspireerde spelbeweging, blijft de term gymnastiek toch hoofdzakelijk beperkt tot het eenmaal zo in vaktaal gegroeide begrip. Nog altijd geldt het woord gymnastiek voor methodisch geordende, opzettelijke lichaamsoefeningen.
Maar sedert de jaren ’20 behoeven dit geen geconstrueerde bewegingen meer te zijn, doch worden daaronder evenzeer verstaan de natuurlijke, doelmatige bewegingen, zoals men die bijv. aantreft in de Oostenrijkse gymnastiek.
Bron: Elsevier De nieuwe WP – 1963

In die jaren 1960 studeerde ik voor mijn onderwijzersdiploma en de ‘extra aantekening gymnastiek’. 
Bij die aantekening ging het om twee aspecten: zelf in staat zijn met alle toestellen om te gaan en daarbij de basisvaardigheden te beheersen en het geven van spel.
Bij het beheersen van die toestellen ging het om een puur individuele prestatie gericht op: lichaamsbeheersing.

Die puur op het lichaam gerichte activiteit rekent Steiner – nog altijd vanuit de geest gekeken – tot de zinloze bezigheden.

In het spel ging het veel minder om het individuele, meer om het sociale: hoe win je met elkaar; is er een plan, een tactiek, naast de techniek van de spelbeheersing.

Wanneer is bij Steiner iets zinvol?

Turnen en euritmie

Zoals we weten maakt hij graag iets duidelijk aan de hand van tegenstellingen en dat doet hij hier ook, wanneer hij de genoemde lichamelijke gymnastiek tegenover een beweging plaats die doortrokken is van zinvolle inhoud, waar het lichaam zich naar richt, dus niet omwille van het lichaam, m.a.w. wat de lichamelijke beweging tot uitdrukking brengt: de lichamelijke beweging in dienst van – hier – de euritmie.

Und wir können die äußere Bewegung des Kindes hinführen zu sinnvollen Bewegungen, zu sinndurchdrungenen Bewegungen, so daß es mit seinen Bewegungen nicht plätschert im Geiste, sondern dem Geiste in seinen Richtungen folgt. Dann entwickeln wir die Leibesbewegungen hinüber nach der Eurythmie.

En anderzijds kunnen we de uiterlijke bewegingen van een kind sturen in de richting van zinvolle bewegingen, bewegingen die geheel en al van zin doordrongen zijn; dan dartelt het kind met zijn bewegingen niet in het geestelijke rond, maar volgt het de richtingen van de geest. Dan richten we de lichamelijke bewegingen op de euritmie.   

Dat alles vat Steiner dan samen en een belangrijke toevoeging is nu, dat het ‘met het lichaam bezig zijn’ opgenomen wordt in het geheel van de activiteiten op school: omdat de mens ritmisch leven moet:

Je mehr wir bloß leiblich turnen lassen, desto mehr verleiten wir das Kind dazu, eine übermäßige Schlafsucht zu entfalten, eine übermäßige Tendenz nach der Verfettung zu entfalten. Je mehr wir abwechseln lassen dieses Hinüberschwingen nach dem Leiblichen – was wir natürlich nicht ganz vernachlässigen dürfen, weil der Mensch im Rhythmus leben muß -, je mehr wir dieses Hinüberschwingen nach dem Leibe wiederum zurückschwingen lassen nach dem sinnvollen Durchdrungensein der Bewegungen wie in der Eurythmie, wo jede Bewegung einen Laut ausdrückt wo jede Bewegung einen Sinn hat: je mehr wir abwechseln lassen das Turnen mit der Eurythmie, desto mehr rufen wir Einklang hervor zwischen dem Schlaf- und Wachbedürfnis; desto normaler erhalten wir von der Willensseite her, von der Außenseite her das Leben auch des Kindes.

Hoe meer we een kind alleen lichamelijk laten turnen, des te meer brengen we het ertoe een bovenmatige behoefte aan slaap te ontwikkelen en een bovenmatige tendens om dik te worden. Toch moeten we de puur lichamelijke bewegingen natuurlijk niet volledig verwaarlozen, want de mens moet ritmisch leven. Hoe meer we afwisselen als in een pendelbeweging tussen het puur lichamelijke bewegen enerzijds en het betekenisvolle bewegen zoals in de euritmie anderzijds, waarbij iedere beweging een klank uitdrukt, waarbij iedere beweging zin heeft, des te meer stemmen we de behoefte aan waken en de behoefte aan slapen op elkaar af. Zo kunnen we ook van buitenaf, via de wil, het leven van het kind in evenwicht brengen.

Het is begrijpelijk dat Steiner hier de tegenstelling gymnastiek – euritmie neemt. Het turnen van zijn tijd was in zijn ogen verworden tot een puur lichamelijke training, terwijl in de euritmie ‘de geest’ een vooraanstaande plaats inneemt.

In de meeste gymlessen die tegenwoordig worden gegeven, is altijd wel een combinatie van ‘training’ en ‘spel’ te vinden.
En de vrijeschoolleerkracht zou in de gymlessen met dit aspect gedegen rekening kunnen houden.

Daß wir allmählich auch das Turnen bloß sinnlos gemacht haben, zu einer Tätigkeit, die bloß dem Leibe folgt, das war eine Begleiterscheinung des materialistischen Zeitalters.

Dat we langzamerhand ook van het turnen een zinloze bezigheid hebben gemaakt die puur het lichaam volgt, is een bijverschijnsel van het materialistische tijdperk.

Sport en darwinisme

Dan volgt er een kwalificatie over sport waarbij het gevaar bestaat dat je al lezend daaronder alle sport rekent.
Steiner vertrekt bij de gymnastiek van die tijd:

Daß wir es gar erhöhen wollen zum Sport, wo wir nicht bloß sinnlose Bewegungen, bedeutungslose, bloß vom Leibe hergenommene Bewegungen sich auswirken lassen, ( )

En dat we er ook nog sport van hebben gemaakt – waarbij we niet alleen zinloze, betekenisloze, louter lichamelijke bewegingen zich laten uitleven, ( )

Ik heb de zin hier even onderbroken, omdat er nu iets volgt, waar ik nog geen aanknopingspunten bij kan vinden.
Als we naar de gymnastiek als sport – dat heet nu nog steeds turnen – kijken, zien we een grote tendens naar perfectionering, naar een volledige lichaamsbeheersing. En het kijken naar bijv. zo’n perfecte oefening aan de rekstok, kan een gevoel van bewondering oproepen: dat je dat zo kan met je lichaam, maar daarbij is het ook niet moeilijk je voor te stellen dat het hier om mechanische, machine-achtige bewegingen gaat en dan kom je, als je verder denkt waar je dat in het leven nog meer ziet, uit bij de ….dieren. Waar wij als mens een belangrijk deel van ons leven voor moeten trainen, hebben de dieren van nature en doen het a.h.w. nóg mooier, nóg ge-olieder.
Dit komt vooral voor bij individuele prestaties.
En daarbij valt nog iets op: de snelheid.

In het dierenrijk is een lijst te maken van de snelheid van de dieren.
Wanneer we een lijst zouden willen maken van snelle mensen, komen we in de sport terecht: schaatsen, hardlopen, zwemmen, wielrennen, bijv.
Het gaat vaak om honderdsten! van seconden en dan is dit wellicht iets wat we – met Steiner – on-zin – zouden kunnen noemen.
Hoe bewonderingswaardig de prestaties op zich zijn!

( ) sondern auch noch den Widersinn, den Gegensinn hineinlegen – das entspricht dem Bestreben, den Menschen nicht nur bis zum materiell denkenden Menschen, sondern ihn herunterzuziehen bis zum viehisch empfindenden Menschen.

maar waar ook nog het aspect van de onzin, de ‘anti-zin’ bijkomt – dat stemt overeen met het streven om van de mens niet alleen een materialistisch denkend mens te maken, maar hem ook nog te degraderen tot een dierlijk voelend mens.

Het Duits heeft hier ‘viehisch’ dat vertaald is met ‘dierlijk’. Een synoniem is o.a. ‘beestachtig’ en ook ‘inhumaan’.
Zonder daar nu over uit te weiden, denken we toch snel aan het geweld rond voerbalwedstrijden.

Het is zeker niet zo dat we bij Steiner een zwart-witmening over sport aantreffen.
Wanneer hij in Engeland – Torquay – voordrachten houdt en er wordt gevraagd naar sport, antwoordt hij naar de actualiteit van plaats en tijd:

GA 311

Blz. 139  vert. 139

Nun kommt wieder die Frage, die ja jedesmal bei meiner Anwesen­heit in England, wenn irgendwie von Pädagogik die Rede ist, gestellt wird.

Wie soll man Turnunterricht treiben, und soll man in einer englischen Schule Sport treiben, zum Beispiel Hockey, Cricket und so weiter, und Wie?

Es ist durchaus nicht die Absicht der Waldorfschul-Methode, diese Dinge zu unterdrücken. Sie können schon betrieben werden, einfach weil sie im englischen Leben eine große Rolle spielen und das Kind ins Leben hineinwachsen soll. Nur soll man sich nicht der Illusion hingeben, daß das eine andre Bedeutung hat, als eben diese, daß man das Kind nicht weltfremd machen soll. Zu glauben, daß Sport rür die Entwickelung einen furchtbar großen Wert hat, das ist ein Irrtum.

Nu komt weer de vraag die iedere keer wanneer ik in Engeland ben, wanneer er op de een of andere manier over pedagogie gesproken wordt, gesteld wordt.

Hoe moet je gymnastiekles geven en moet je op een Engelse school aan sport doen, bv. hockey, cricket enz. en hoe?

Het is absoluut niet de bedoeling van de vrijeschool deze dingen te onderdrukken. Die kunnen natuurlijk gedaan worden, eenvoudigweg omdat ze in het Engelse leven een grote rol spelen en het kind moet zijn plaats in het leven kunnen vinden. Je moet alleen niet de illusie koesteren dat het een andere betekenis heeft dan juist die dat je een kind niet wereldvreemd moet maken. Geloven dat sport voor de ontwikkeling een vreselijk grote waarde heeft, is een vergissing.

Afgezien van de woorden ‘vreselijk grote’, is er wel degelijk iets van waarde in de sportbeoefening te zien. Er bestaan zgn. ‘foundations’ die voor bijv. kansarme kinderen of sociaal nauwelijks meetellende kinderen die door de sport die ze met elkaar beoefenen, weer zelfvertrouwen krijgen of weer in het sociale worden opgenomen. Die waren er in Steiners tijd niet, dus is het geen wonder dat hij daar niet over spreekt.

Er hat nicht den großen Wert für die Entwickelung; er hat nur einen Wert, weil er eben eine beliebte Mode ist, und man soll durchaus das Kind nicht zum Weltfremdling machen und es von allen Moden ausschließen. Man liebt Sport in England, also soll man das Kind auch in den Sport einführen. Man soll nicht irgendwie sich philiströs gegen dasjenige stemmen, nun ja, was vielleicht philiströs ist.
Und in bezug auf das Eigentliche «wie das gelehrt werden soll», da wird ja außerordentlich wenig zu sagen sein, denn das ergibt sich bei diesen Dingen wirklich mehr oder weniger dadurch, daß man es vormacht und das Kind nachmachen läßt. Da auch noch besondere künstliche Methoden auszusinnen, das wäre doch etwas, was zu wenig sachgemäß wäre.

Die heeft geen grote waarde voor de ontwikkeling; die heeft waarde omdat het een geliefde gewoonte is en je moet een kind zeer zeker niet tot wereldzonderling maken en het van alles wat ín is, buitensluiten. In Engeland houden ze van sport, dus moet je het kind ook vertrouwd maken met sport. Je moet je niet op de een of andere manier kleinburgerlijk tegen de dingen keren, die misschien wel kleinburgerlijk zijn.
En met betrekking tot het eigenlijke ‘hoe moet je dat aanleren’ is buitengewoon weinig te zeggen, want dat gaat bij deze dingen min of meer dat je het voordoet en het kind het laat nadoen. Om daarvoor nog kunstmatige methoden te bedenken, zou toch iets zijn wat te weinig adequaat is.

Aansluitend volgen nog opmerkingen over het gymnastiekonderwijs die ook weer vanuit een bepaalde hoek belichten wat hierboven – dus in voordracht 13 – aan de orde komt:

Im Turnen, also Gymnastikunterricht – da handelt es sich danim, daß man tatsächlich aus der Anatomie und der Physiologie erfährt, in welche Lage irgendein Glied des Organismus gebracht werden soll, damit es der Leichtigkeit des Organismus dient. Da handelt es

Bij het turnen, dus gymnastiekonderwijs – daar gaat het erom dat je daadwerkelijk uit de anatomie en de fysiologie ervaart in welke positie een lichaamsdeel gebracht moet worden, opdat ’t het gemak van het organisme dient. Daar gaat het

blz.140:

sich darum, daß wirklich auch gefühlt werde, was den Organismus geschickt, leicht, beweglich macht. Und dann, wenn man das fühlt, dann handelt es sich auch nur ums Vormachen. Nehmen Sie an, Sie haben ein Reck. Gewöhnlich werden alle möglichen Übungen daran gemacht. Die fruchtbarste Übung am Reck wird gewöhnlich nicht gemacht. Sie besteht darinnen, daß man am Reck hängt, so einge­häkelt, und dann schwingt, und nun das Reck so erfaßt, wiederum zurück, wiederum erfaßt. Man springt ja nicht, sondern man hängt am Reck, fliegt durch die Luft, macht die verschiedenen Bewegun­gen, faßt das Reck so und so, und dadurch kommt eine Abwechslung in der Konfiguration der Armmuskeln zustande, die tatsächlich auf den ganzen Organismus in gesundender Weise einwirkt.
Man muß studieren, welche Bewegungen, welche inneren Be­wegungen der Muskeln auf den Organismus gesund wirken, und dann bekommt man heraus, welche Bewegungen man lehren soll. Und dann braucht man sie einfach vorzumachen; denn die Methode besteht da eben im Vormachen.

erom dat echt gevoeld wordt wat het organisme handig, licht, beweeglijk maakt. En dan, wanneer je dat voelt, gaat het erom dat voor te doen. Neem eens aan, je hebt een rek. Daaraan worden gewoonlijk allerlei oefeningen gemaakt. De vruchtbaarste oefening wordt gewoonlijk niet gemaakt. Die bestaat uit het hangen aan het rek, aangehaakt en dan zwaaien en dan het rek zo pakken, weer terug, weer pakken. Je spring niet, maar je hangt aan het rek, vliegt door de lucht, maakt de verschillende bewegingen en pakt het rek weer  en daardoor komt er afwisseling in de onderlinge stand van de armspieren tot stand die daadwerkelijk tot in heel het organisme op een gezondmakende manier werkt.
Je moet bestuderen welke bewegingen, welke innerlijke bewegingen van de spieren op het organisme gezondmakend inwerken en dan vind je welke bewegingen je moet aanleren. En dan hoef je die alleen maar voor te doen; want de methode is hier het voordoen.
GA 311/139-140
Op deze blog vertaald/139-140

Een ander aspect waar nog verder op ingegaan moet worden, is Steiners opvatting dat – let wel: overdreven beoefende sport – ‘praktisch darwinisme’ is:

Blz. 193  vert. 192

Übertriebene Sporttätigkeit ist praktischer Darwinismus. Theoretischer Darwinismus heißt behaupten, der Mensch stamme vom Tier ab. Praktischer Darwinismus ist Sport und heißt, die Ethik aufstellen, den Menschen wiederum zum Tiere zurückzuführen.

Overdreven sportbeoefening is de praktische uitwerking van het darwinisme. Theoretisch darwinisme wil zeggen dat men beweert dat de mens van de dieren afstamt. Darwinisme in de praktijk is sport en wil zeggen dat men een ethiek hanteert die de mens wederom tot het dier verlaagt.

En waarom is het belangrijk daarbij stil te staan:

Man muß diese Dinge heute in dieser Radikalität sagen, weil der heutige Erzieher sie verstehen muß, weil er sich nicht bloß zum Erzieher der ihm anvertrauten Kinder machen muß, sondern weil er auch sozial wirken soll, weil er zurückwirken soll auf die ganze Menschheit, damit nicht solche Dinge mehr und mehr aufkommen, welche eigentlich auf die Menschheit nach und nach wirklich vertierend wirken müssen. Das ist nicht falsche Askese, das ist etwas, was aus dem Objektiven der wirklichen Einsicht herausgeholt ist, und was durchaus so wahr ist wie irgendeine andere naturwissenschaftliche Erkenntnis.

Men moet dit soort dingen tegenwoordig wel zo radicaal uitdrukken omdat de opvoeder van nu ze moet begrijpen. Hij moet namelijk niet alleen kinderen opvoeden die aan hem worden toevertrouwd, maar hij moet ook sociaal werken, hij moet indirect een werking uitoefenen op de gehele mensheid, opdat er niet steeds meer van die dingen opkomen waar de mensheid werkelijk wel van moet verdierlijken. Dat is geen misplaatste ascese, dat berust op een objectief inzicht — even waar als ieder ander, natuurwetenschappelijk inzicht.

Een schoolvoetbalelftal?

Zoals je bijv. bij het aanleren van de letters een weg gaat van beeld, fantasie naar het kale, abstracte klanksymbool van de letter, waarbij de basis voor deze gedachten gevonden worden in de ‘Algemene menskunde’, zo kun je met deze menskunde ook tot een basis komen waarop je bijv. fundeert dat er op school (in de hogere klassen) ook een schoolvoetbalelftal is. Voetbal is in onze maatschappij niet weg te denken. Lees hierboven nog even het stukje over de sport in Engeland.
Het gaat er niet om de kinderen buiten de leefgemeenschap te plaatsen. 
Als het voetballen op school niet alleen de prestatie dient, maar ook het inzicht, het samen spelen, het sportief spelen, e.d. weten we dat we ons weliswaar  bevinden op het terrein van de beweging die naar het zinloze neigt wat de geest betreft, maar ook dat we ons onderwijs – als we het als vrijeschoolonderwijs geven – in ruime mate een tegenwicht biedt waarbij de bewegingen weer zinvoller zijn. 
Ik ga niet zo ver om te zeggen: geen euritmie, geen voetbal. Maar ik denk er weleens aan.

Apenheul on Twitter: "Dit weekend (7 en 8 april) is Apenheul weer geopend. En het wordt fantastisch weer voor een gezellig dagje uit met je vrienden of familie. Kom je ook slingeren

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
**Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

In Rudolf Steiner over euritmie staan opmerkingen over euritmie en turnen uit alle pedagogische voordrachten

Algemene menskunde voordracht 13alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeldalle beelden

2796-2624

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Nabootsing in beeld

.

Over het grote belang van nabootsing, over de diepe impact die deze op de ontwikkeling van een kind heeft, sprak Rudolf Steiner zich in diverse voordrachten uit.[1]

De uitspraken die hij daarover deed, staan vrijwel alle op deze blog.
Ik heb in verschillende artikelen foto’s geplaatst van kinderen die nabootsen.

Momenteel beschik ik over de volgende foto’s, maar zou die reeks graag uitbreiden. Dus stel ik sprekende voorbeelden zeer op prijs. Je kan ze sturen naar: vspedagogie@gmail.com

(start video door op afbeelding te klikken)

[1] Inhoudsopgave van de vindplaatsen

Meer over nabootsing op deze blog

Menskunde en pedagogie:

Steiner: Algemene menskunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2795-2623

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – sterrenkunde (1-1/24)

.

slangendrager met slang

In de slangendrager zagen de oude Grieken vooral de god van de geneeskunst, Asklepios die zijn in tempels en andere heiligdommen vereerden.
Aaklepios was een zoon van de lichtgod Apollo. Toen deze op een keer de knappe prinses Coronis, de dochter van de Tessalische koning Phlegyas aan de oever van de zee zich baden, werd hij verliefd op haar. Coronis beantwoordde de liefde van de god en gaf zich geheel aan hem.
Spoedig daarna moest Apollo zijn geliefde verlaten om naar Delphi terug te keren. Hij liet bij de prinses echter zijn boodschapper achter, een witte raaf die op haar moest passen. Coronis vond niet de kracht de god die ver van haar vandaan verbleef, trouw te blijven. Ze werd verliefd op een sterfelijk mens, op Ischys, een vreemdeling. Dat bleef voor de raaf niet verborgen. In de hoop rijkelijk beloond te worden, vloog hij naar Delphi, naar zijn meester en vertelde hem over de ontrouw van zijn geliefde.
Apollo werd meteen boos op de raaf als overbrenger van het slechte bericht, omdat hij bij de vreemdeling niet diens ogen had uitgepikt. En in plaats van een beloning waarop de raaf zo gehoopt had, veranderde Apollo zijn witte veren in zwarte. Sinds die tijd hebben alle raven zwarte veren en ze staan bekend als onheilsboden. 
Daarna richtte de woede van de god zich tegen de ontrouwe Coronis. Hij liet de straf over aan zijn zuster Artemis die afgunstig de eer van haar broer bewaakte en ze doodde Coronis met een pijl omdat ze in gebreke was gebleven.
Het lichaam van de prinses lag op een brandstapel en de vlammen laaiden al omhoog toen Apollo aan het kind dacht dat zij van hem ontvangen had en in haar schoot droeg. Hij haastte zich daarheen en trok het uit de vlammen waarin het geboren was. Dat zou in Epidauros zijn gebeurd, waar later het beroemde heiligdom van Asklepios gebouwd werd.
Apollo bracht het kind dat hij Asklepios noemde, naar Chiron, de wijze kentaur die in het bosgebergte van Pelikon huisde,  (→ sterrenbeeld Kentaur) zodat deze hem zou kunnen opvoeden. Chiron voedde de godenzoon op alsof het zijn eigen kind was. Hij ontmoette in hem een leergierige leerling aan wie hij alle kennis die hij in zijn  lange leven vergaard had, kon bijbrengen. Voor alles was dat de kennis over de verschillende geneeskruiden en hoe die bij ziekten konden helpen, wat de jonge Asklepios bijzonder interesseerde. De aanleg daarvoor had hij van zijn vader Apollo en spoedig was hij zo ver dat hij van zijn leermeester niets meer kon leren en hem zelfs in de kunst van het genezen overtrof.
Door zijn genezingen werd Asklepios in Griekenland spoedig bekend en beroemd, zodat men hem als vader van de geneeskunst beschouwde. Maar hij kon niet alleen zieken genezen, maar zelfs gestorven mensen weer in het leven terughalen. Van de godin Athena had hij twee glazen bloed van de Gorgo Medusa gekregen. Met het bloed uit haar linker zijde dat in het ene glas zat, werden de doden weer tot leven gewekt en met het bloed uit haar rechter zijde dat in het andere glas zat, kon een leven onmiddellijk worden gedoofd. Onder andere zou hij koning Tyndareos, Glaukus en Hippolytos, een zoon van Theseus weer tot leven hebben gewekt.
Deze macht over leven en dood werd Asklepios tot noodlot, want de goden konden niet lijdzaam toezien hoe iemand ingreep in wat op hun terrein hoorde. Hades, de heerser van het dodenrijk, klaagde Asklepios aan bij godenvader Zeus, dat hij de zielen uit zijn rijk wilde ontvoeren. Als behoeder van de kosmische harmonie moest Zeus wel ingrijpen. Met een dodelijke bliksemstraal deed hij Asklepios als straf voor zijn vermetelheid ter aarde storten. Tegelijkertijd plaatste hij hem aan de sterrenhemel als slangendrager om Apollo te verzoenen. 
De Grieken bouwden op de plaatsen waar hij werkzaam was geweest, heiligdommen waarvan de belangrijkste Epidauros, Kos, Knidos en Pergamon werden. Elk van de heiligdommen werd tegelijkertijd een therapeuticum waar zieken werden genezen. Iedere zieke moest zich eerst reinigen, baden en zalvingen ondergaan, mocht drie dagen geen wijn drinken en moest vasten. Daarna brachten de priesters hem in slaap in een daarvoor bestemde ruimte in de tempel, de tempelslaap, een genezende slaap. Plutarchus heeft ons meegedeeld dat de god geworden Asklepios zich in deze genezingsslaap aan de zieke vertoonde. Dat gebeurde vaak in de vorm van een slang die dan in een jongeling veranderde, zoals dat in beelden later tot uitdrukking is gebracht. Ook hoorde de zieke in die slaap vaak de naam van zijn ziekte die hij aan de priesters doorgaf zodat die een therapie konden vaststellen of hij ervoer in beelden onmiddellijk het geneesmiddel dat hem weer gezond zou kunnen maken.
In de heiligdommen van Asklepios, vooral dat in Epidauros, werden slangen gehouden die als heilig beschouwd werden. Op antieke beeldwerken draagt Asklepios soms een staf die door een slang omslingerd wordt. Deze staf staat bekend als ‘esculaap’, als symbool voor het beroep van arts.
Aesculapius is de naam die de Romeinen aan Asklepios hebben gegeven die ook door hen als god van de geneeskunst werd vereerd.

.

          Zo                                                           z                                                        zw
juni 1    1°°u*                                      juli 1  1°°u*                                  aug. 1  1°°u*
       15  24°°u*                                         15 22°°u*                                        15 20°°u*
*zomertijd

Het sterrenbeeld Slangendrager met slang komtt in juni tussen oost en zuidoost op, bereikt in juli in het zuiden het hoogste punt boven de horizon -beeld boven- en daalt in augustus naar het zuidwesten af, dan om 22°°u* 

Namen van de sterren:

Ras Alhague (Arabisch) = afgeleid van ‘hoofd van de slangendrager’.

Meer feiten

Sterrenkundealle artikelen

7e klasalle artikelen

.

2794-2622

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 13 (13-4)

.

RUDOLF STEINER

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

GesamtAusgabe (GA) 293*
Vertaald*

Enkele gedachten bij blz. 189-192 van de vertaling*

.

Uit alles wat Steiner in deze voordracht heeft gezegd [13-1; 13-2; 13-3] wil hij een conclusie trekken die voor ons als vrijeschoolleerkrachten meer inzicht moet geven in wat we met de kinderen doen, bijv. bewegen.

Blz. 189  vert. 189

Nun folgt aber daraus für die Behandlung des Menschen allerlei.

Nu heeft dit allerlei consequenties voor het omgaan met de mens.

Wenn der Mensch, sagen wir, körperlich arbeitet, so hewegt er seine Glieder, das heißt, er schwimmt ganz und gar im Geiste herum. Das ist nicht der Geist, der sich in ihm schon gestaut hat; das ist der Geist, der draußen ist. Ob Sie Holz hacken, ob Sie gehen, wenn Sie nur Ihre Glieder bewegen, indem Sie Ihre Glieder zur Arbeit bewegen, zur nützlichen oder unnützlichen Arbeit bewegen, plätschern Sie fortwährend im Geiste herum, haben es fortwährend mit dem Geiste zu tun.

Wanneer iemand bijvoorbeeld lichamelijk werk verricht, dan beweegt hij zijn ledematen, dat wil zeggen hij zwemt helemaal rond in het geestesgebied. Dat is niet de geest die in hemzelf gestuwd is, maar de geest buiten hem. Of u nu hout hakt, loopt of hoe dan ook uw ledematen beweegt voor een bezigheid, nuttig of nutteloos, voortdurend spartelt u dan rond in het geestesgebied, u heeft voortdurend van doen met het geestelijke.

Hier ligt verwarring op de loer: immers als we aan de tegenstelling hoofd – ledematen denken, gaan we er bijna automatisch vanuit dat het hoofd – rustpool – het geestelijk werk verricht: nadenken, studie e.d. en dat de ledematen – bewegingspool – het fysieke werk doen. We zijn in dit opzicht vertrouwd met de tegenstelling ‘hoofdwerk – handwerk’.

Die tegenstelling:

Blz. 189  vert. 190

Das ist sehr wichtig.

Die is heel belangrijk.

Ook denken en leren e.d. is geestelijk werk, maar hierbij hebben we te maken met de geest in ons, niet buiten ons zoals bij de ledematen.

Und wichtig ist ferner, sich zu fragen: Wenn wir nun geistig arbeiten, wenn wir denken oder lesen oder dergleichen, wie ist es dann? – Ja, da haben wir es mit dem Geistig-Seelischen zu tun, das in uns drinnen ist. Da plätschern nicht wir mit unseren Gliedern im Geiste, da arbeitet das Geistig-Seelische in uns (  )

En verder is het belangrijk dat we ons afvragen hoe het nu is wanneer we geestelijk werk verrichten, wanneer we denken of lezen of iets dergelijks. Hoe is het dan? – Ja, dan hebben we te maken met de geest en ziel die binnen in ons zijn. Dan spartelen we niet meer met onze ledematen rond in de geest, dan werkt het geestelijke in ons ( )

En uit de 2e voordracht weten we al dat dit denkwerk, deze spiegelende activiteit, een ‘oude’, een ‘verleden’-activiteit is die de zenuwen nodig heeft, deze materie waaruit het leven voor een groot deel verdwenen is (als we dit vergelijken met het bloed, dat in die voordracht aan de wil, aan de ledematen wordt verbonden.)

Als we de kinderen zonder enige fantasie leren lezen – dit is vanuit een iets andere optiek al aan de orde gekomen [voordracht 4 waarin ik naar deze video (tijd 4.44) verwees) is dat een vorm van geestelijk werk – Steiner vervolgt:

da arbeitet das Geistig-Seelische in uns und bedient sich fortwährend unseres Leiblichen, das heißt, es kommt ganz in uns in einem leiblich-körperlichen Prozeß zum Ausdruck.

dan werkt het geestelijke in ons en maakt daarbij ook voortdurend gebruik van ons lichaam, dat wil zeggen: het komt volledig tot uitdrukking in een lichamelijk proces.

In dit artikel bij de 1e voordracht sta ik stil bij de uitdrukking die Steiner in GA 294 gebruikt:het allerfysiekst Daarvan spreekt hij wanneer we de kinderen leren lezen.
En hier vinden we a.h.w. een vervolg daarop:

Da wird fortwährend drinnen durch dieses Stauen Materie in sich zurückgeworfen.

In ons wordt voortdurend door dat stuwingsproces materie in zichzelf teruggeworpen.

Over deze ‘stuwing’ gaat het in het voorafgaande in de voordracht.

Voor de vrijeschoolleerkracht is dit een van de wezenlijke gezichtspunten waarmee deze moet werken:
benader ik het kind via het hoofd of via de ledematen:

Bei der geistigen Arbeit ist unser Leib in einer übermäßigen Tätigkeit; bei der körperlichen Arbeit ist dagegen unser Geist in einer übermäßigen Tätigkeit.

Bij geestelijke inspanning [ik vul nu even ‘zwart-wit’* in abstract, intellectueel leren (lezen)] is ons lichaam overmatig actief, bij lichamelijke inspanning [gymnastiek, rennen, klimmen, in touw slingeren, bijv.] daarentegen onze geest.

Wir können nicht geistig-seelisch arbeiten, ohne daß wir fortwährend mit unserem Leib innerlich mitarbeiten.

We kunnen niet met onze geest en ziel werken zonder dat we innerlijk steeds met ons lichaam meedoen.

Wenn wir körperlich arbeiten, da ist höchstens, indem wir uns durch die Gedanken die Richtung zum Gehen geben, durch die Gedanken orientierend wirken, unser Geistig-Seelisches im Inneren beteiligt; aber das Geistig-Seelische von außen ist beteiligt. Wir arbeiten fortwährend in den Geist der Welt hinein. Wir verbinden uns fort während mit dem Geiste der Welt, indem wir körperlich arbeiten.

Wanneer we lichamelijke inspanning verrichten, dan hebben geest en ziel binnen ons daar hoogstens in zoverre deel aan, dat we met onze gedachten de richting van ons lopen bepalen, dat we onze gedachten ter oriëntering gebruiken. Maar de geest en ziel buiten ons zijn er actief bij betrokken. We werken voortdurend tot in het geestelijke van de wereld. We verbinden ons voortdurend met het geestelijke in de wereld wanneer we lichamelijk werk verrichten.

Körperliche Arbeit ist geistig, geistige Arbeit ist leiblich, am und im Menschen.

Lichamelijk werk is geestelijk, geestelijk werk is lichamelijk, aan en in de mens.

Het is begrijpelijk dat we deze tegenstelling die Steiner een paradox noemt, goed moeten kennen, want daarvan hangt veel af wat betreft hoe wij met de kinderen omgaan als we ze iets willen aanleren.

Dieses Paradoxon muß man sich an eignen und es verstehen, daß körperliche Arbeit geistig und geistige Arbeit leiblich ist im Menschen und am Menschen. Der Geist umspült uns, indem wir körperlich arbeiten. Die Materie ist bei uns tätig, rege, indem wir geistig arbeiten.

Deze paradox moet men zich eigen maken; men moet begrijpen dat lichamelijk werk geestelijk en geestelijk werk lichamelijk is in de mens en aan de mens. De geest omspoelt ons wanneer we lichamelijk werk doen. De materie is actief in ons bezig wanneer we geestelijk werk doen.

En dit alles is ook meteen een handvat voor hoe je de les indeelt; ook m.i. een kwestie van hygiëne, zelfs:

Diese Dinge muß man wissen in dem Augenblick, wo man verständnisvoll denken will über Arbeit, sei es nun geistige oder leibliche Arbeit, über Erholung und Ermüdung. 

Deze dingen moet men weten, wil men begrip kunnen hebben voor inspanning, geestelijk dan wel lichamelijk, voor ontspanning en vermoeidheid.

Blz. 191 vert. 191

Hij gaat daar verder op in, voor de volwassene. Maar je kan je ook wel afvragen: hoe is dat voor kinderen, wanneer we ze in de klas en op het plein veelvuldig laten bewegen. Zou dat voor hen ook gelden?

Man kann nicht verständig denken über Arbeit und Erholung und Ermüdung, wenn man nicht das wirklich verständig durchschaut, was wir eben besprochen haben. Denn denken Sie einmal, meine lieben Freunde, ein Mensch arbeite zuviel mit seinen Gliedern, er arbeitet zuviel körperlich, was wird denn das für eine Folge haben? Das bringt ihn in eine zu große Verwandtschaft mit dem Geiste. Es umspült ihn ja der Geist fortwährend, wenn er körperlich arbeitet. Die Folge davon ist, daß der Geist über den Menschen eine zu große Gewalt gewinnt, der Geist, der von außen an den Menschen herankommt. Wir machen uns zu geistig, wenn wir zuviel körperlich arbeiten. Von außen machen wir uns zu geistig.

Deze dingen moet men weten, wil men begrip kunnen hebben voor inspanning, geestelijk dan wel lichamelijk, voor ontspanning en vermoeidheid. Men kan niet verstandig denken over inspanning, ontspanning en vermoeidheid, wanneer men met zijn verstand niet werkelijk begrijpt wat we zojuist hebben besproken. Want, beste vrienden, werkt een mens te veel met zijn ledematen, te veel lichamelijk, wat voor gevolg zal dat hebben? Dat maakt hem te zeer verwant met het geestelijke. Immers, het geestelijke omspoelt hem voortdurend wanneer hij lichamelijk werk doet. Het gevolg is dat het geestelijke de mens te zeer in de macht heeft, althans, de geest die van buitenaf naar de mens toestroomt. We worden te geestelijk wanneer we te veel met ons lichaam werken. Van buiten maken we onszelf te geestelijk.

We zijn gewend wanneer we willen verklaren waarom een mens moet rusten na gedane (lichamelijke) arbeid, te zeggen dat hij moe geworden is; zijn energie verbruikt heeft en dat een maaltijd en de slaap dat weer herstelt.
Ik heb zelf de ervaring wanneer ik een dag heb gewandeld, dat ik die nacht diep, lekker slaap en de volgende morgen (meestal) fris en uitgerust opsta.
Ik krijg niet de indruk dat ik veel langer moet slapen dan anders en de verdere gevolgen die Steiner beschrijft, heb ik nog niet zo ervaren.

Die Folge davon ist: wir müßen uns zu lange dem Geiste übergeben, das heißt, wir müssen zu lange schlafen. Arbeiten wir zuviel körperlich, so müssen wir zu lange schlafen. Und zu langer Schlaf fördert wiederum zu stark die leiblichc Tätigkeit, die vom Brust-Bauch- System ausgeht, die nicht vom Kopfsystem ausgeht. Sie wirkt zu stark das Leben anregend, wir werden zu fiebrig, zu heiß. Das Blut wallt zu sehr in uns, es kann nicht verarbeitet werden in seiner Tätigkeit im Leibe, wenn wir zuviel schlafen. Demnach erzeugen wir die Lust, zuviel zu schlafen, durch übermäßige körperliche Arbeit.

Het gevolg is nu dat we ons te lang aan de geestelijke wereld moeten overgeven, dat wil zeggen, dat we te lang moeten slapen. Werken we te veel met ons lichaam, dan moeten we te lang slapen. En een te lange slaap bevordert weer te sterk de lichamelijke activiteit die uitgaat van het borst-buikstelsel, niet die van het hoofdstelsel. Dit maakt te levendig, we worden te koortsig, te heet. Het bloed kookt te veel in ons en de activiteit van het bloed kan in het lichaam niet verwerkt worden wanneer we te veel slapen. Desondanks krijgen we zin om veel te slapen door overmatige lichamelijke inspanning.

Nu komt Steiner op nog een groot verschil wat het bewegen betreft: de zinvolle en de minder zinvolle of zelfs zinloze beweging.
Steiners voorbeelden van ‘een trage’ (lees lui mens) en een ijverig mens vind ik iets minder geslaagd, omdat iemand die niet zo vlug is, ook zinvolle handelingen kan verrichten. M.i. is het duidelijker wanneer je naar de handelingen kijkt. 

De vraag die hier boven zweeft, is natuurlijk: wat zijn zinloze en zinvolle bewegingen. Ik zou daar niet zomaar een antwoord op kunnen geven. Steiner wordt er hieronder concreter over (blz. 192)
Het verschil betekent in ieder geval:

Als we ons niet te veel storen een ‘de trage’ en de ‘ijverige’ lezen we wel iets over de zinvolle en niet-zinvolle beweging:

Aber die Trägen, die schlafen doch so gerne und schlafen so viel; woher kommt denn das? Ja, das kommt davon her, daß der Mensch eigentlich gar nicht die Arbeit unterlassen kann. Er kann sie gar nicht unterlassen. Der Träge hat seinen Schlaf nicht davon, weil er zuwenig arbeitet, denn der Träge muß ja auch den ganzen Tag seine Beine bewegen, und irgendwie fuchtelt er doch mit seinen Armen herum. Er tut auch etwas, der Träge; er tut eigentlich, äußerlich angeschaut, gar nicht weniger als der Fleißige, aber er tut es sinnlos.

Maar nu zult u zich afvragen: hoe is dat met die trage mensen die toch zo graag en zo veel slapen? Hoe komt dat dan? Ja, dat komt doordat de mens eigenlijk nooit stopt met zich in te spannen. Hij kan dat ook niet. Dat trage mensen slaap hebben komt niet omdat ze zich te weinig inspannen; ook zij moeten de hele dag hun benen bewegen en op de een of andere manier laten ze hun handen ook nog wapperen. Ze doen wel wat, uiterlijk gezien niet eens minder dan ijverige mensen, maar zinloos.

Dus: zinvolle handelingen – op de buitenwereld gericht – en zinloze activiteiten. Die laatste zouden de mens slaperiger maken.

Der Fleißige wendet sich an die Außenwelt; er verbindet mit seinen Tätigkeiten einen Sinn. Und das ist der Unterschied. Sinnloses SichBetätigen, wie es der Träge tut, das ist dasjenige, was mehr zum Schlaf verleitet, als sinnvolles Sich-Betätigen.

Een ijverig iemand richt zich op de buitenwereld; voor hem heeft zijn handelen zin. Dat is het verschil. Zinloze activiteiten zoals langzame mensen ze hebben, maken iemand meer slaperig dan zinvolle activiteiten.

De reden is gelegen in:

Denn sinnvolles Sich-Betätigen läßt uns nicht nur im Geiste herumplätschem, sondern indem wir uns sinnvoll bewegen mit unserer Arbeit, ziehen wir den Geist auch allmählich hinein. Indem wir die Hand ausstrecken zu sinnvoller Arbeit, verbinden wir uns mit dem Geiste, und der Geist braucht wiederum nicht zuviel unbewußt arbeiten im Schlafe, weil wir bewußt mit ihm arbeiten.

Want door zinvol bezig te zijn, dartelen we niet alleen rond in de geesteswereld, maar door zinvol te bewegen bij ons werk nemen we ook het geestelijke geleidelijk in ons op. Wanneer we onze handen uitsteken om zinvol werk te doen, dan verbinden we ons met het geestelijke en dan hoeft de geest niet zoveel onbewust meer te werken in de slaap, omdat wij bewust met hem werken.

Blz. 192  vert. 192

Also nicht darauf kommt es an, daß der Mensch tätig ist, denn das ist auch der Träge, sondern darauf kommt es an, inwiefern der Mensch sinnvoll tätig ist.

Het komt er dus niet op aan dat men bezig is, want dat is iedereen, maar het gaat erom in hoeverre men zinvol bezig is. [de vertaling heeft hier voor ‘Träge’ -iedereen – gekozen en dat lijkt mij juist(er).
**GA 293/189-192

Steiner wordt nu concreter wat zinloos en zinvol betreft.
Dat heeft ook gevolgen voor de pedagogie.

Daarover in het volgend artikel.

***deze opmerking vraagt om allerlei nuances wat betreft de verschillende vakken.
Dat probeer ik later in een nieuw artikel.

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
**Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde voordracht 13alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2793-2621

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – de intelligentie van de handen [5-2]

.

Op deze blog plaatste ik in 2013 een vertaling van een artikel van E-M. Kranich: ‘De intelligentie van de handen‘ dat verscheen in het blad van de Duitse vrijescholen ‘Erziehungskunst’.
In de afgelopen 10 jaar is er nog weer meer bekend geworden over de samenhang van ‘ledematen en breinactiviteit.
In 2013 verscheen ook een studie over ‘hoe breinvriendelijk het vrijeschoolonderwijs‘ is. 

‘De intelligentie van de handen’ is het thema van Erziehungskunst van juli 2022

.

Henning Kullak-Ublick, Erziehungskunst Juli 2022

.

het hoofd heeft handen en voeten nodig
.

De voeten van Lisa verbazen zich sinds deze op blote voeten uit de auto is gestapt. Ze voelen iets koels, vettigs, vochtigs, zachts, op de een of andere manier iets ongewis. Dan vaster, puntiger, naaldachtig, warmer, steenachtig, dan weer zachter, droog, oneffen, ruw, warm, scherper omlijnd, a.h.w.
Onnoembaar vele contacten. En dan: ‘Oeps’, heet!’ en het hoofd geeft het signaal aan Lisa: ‘Lopen! Snel! Weg! Daar is het zachter, koel en nat…’
De voeten van Lisa hebben haar over de weg van de parkeerplaats over de bodem van het bos verteld, over de hete zomer en over het natte zand bij eb. Natuurlijk weet ze alleen wat haar voeten zeggen, omdat ze daarvoor begrippen heeft, maar zonder de informatie van haar voeten zou ze de vele begrippen niet eerst hebben kunnen vormen. Om te begrijpen heeft ze die nodig.

Lisa heeft ook nog twee handen en die behoren zonder twijfel tot de grootste wonderwerken van de evolutie.  Alleen degene die de hand begrijpt, kan de mens begrijpen. De tastzin, warmtezin, evenwichtszin en ‘kinesthetische zin‘, waarmee wij onze eigen bewegingen gewaarworden, zagen we al leren bij wat Lisa’s  voeten deden. In haar handen werkt dat nog veel diepgaander: omdat ze daarmee de wereld meteen voelt en actief vormgeeft, ontstaat er….intelligentie.

Wat vertelt dit meest gedifferentieerde bewegingsorgaan dat er eigenlijk bestaat, over ons zelf? Wat bij het schouderblad met de bovenarmbeenderen begint, wordt elleboog, met de ellepijp en spaakbeen die tot in het handgewricht in steeds fijner gedifferentieerde vingerkootjes verdeeld raken. Door de vele gewrichten, pezen en spieren zijn de armen en pas echt de handen niet tot enkele bewegingen beperkt, maar deze kunnen zich pas echt vrij bewegen. Het verschil met de dieren is dat wij onze duim over de andere vingers heen kunnen bewegen en zo kunnen wij niet alleen voorwerpen krachtig beetpakken, maar ook voorzichtig vastpakken en behandelen.

Als zuigeling al tastte Lisa met haar handjes om zich heen en ervoer daarbij de grens tussen zichzelf en de wereld. Ze leerde met haar vingertjes steeds genuanceerder te voelen wat deze over de aard van de dingen te vertellen hebben. Stap voor stap gaf de tastzin haar een bewustzijn van de wereld die om haar heen is. En terwijl haar ouders haar met hun handen vasthielden, op ontelbare manieren aanraakten, aankleedden, streelden of optilden, was er steeds een ontmoeting met haar ‘Ik’, dat bij al deze aanrakingen aanwezig en actief was. Tastend ervoer Lisa dat er een wereld is en zijzelf.

Slaapt u nog of breit u al?

De werkwijze van het moderne hersenonderzoek geeft in beeld gebracht er een gedifferentieerd beeld van hoe nauw het gebruiken van onze handen, van onze fijne motoriek en de ontwikkeling van de hersenen met elkaar verweven zijn. Als ‘neuroplastisch orgaan” ontwikkelen de hersenen zich in overeenstemming met alles wat wij met ons gevoel of lichamelijk doen, steeds verder. 
Italiaanse onderzoekers konden al na twintig minuten wat pingelen op een piano neurale veranderingen zien bij hun proefpersonen. En nadat twaalf personen die nog geen les hadden gekregen tien dagen lang, steeds 35 minuten hun tweehandige vingervlugheid op een keyboard hadden geoefend, vormden zich tussen hun linker- en rechterhersenhelft nieuwe verbindingen, zodat de rechtshandigen links en de linkshandigen rechts handiger werden. Beide helften werkten van toen af beter samen.

Op de vrijescholen leren de kinderen in de eerste klas al breien, in de tweede haken. De handen ontwikkelen bij deze activiteit een buitengewone intelligentie, omdat die uiterst gecompliceerde fijn-motorische bewegingen van de rechterhand precies afgestemd moeten worden op die van de linker zodat de ene steek op de andere volgt en er op het eind een mooi regelmatig breiwerk ontstaat. De handen worden intelligent. Eerst is er de wil om met de handen uit te voeren wat de leerlingen als eerste zich voorstellen, wat ook weer met tussenstappen op de hersengebieden, zoals de prefrontale cortex zijn invloed heeft, waar ons kennen complexe samenhangen vertoont. Wanneer een kind bij het breien leert om de gecompliceerde bewegingen van de rechterhand op de bewegingen van de linker af te stemmen, werkt het tegelijkertijd aan zijn wil en aan zijn hersenstructuren.

Rudolf Steiner beschreef deze samenhang een halve eeuw voor deze empirisch kon worden vastgesteld, op deze manier: ‘

Wanneer je weet dat ons intellect niet alleen maar gevormd wordt door direct met intellectuele vorming te beginnen, wanneer je weet dat iemand met onhandige vingers, niet zo’n goed intellect heeft, weinig beweeglijke ideeën en gedachten, terwijl degene die zijn vingers handig kan bewegen, in kan gaan op het wezenlijke van de dingen, dan zal je niet onderschatten wat het betekent de uiterlijke mens te ontwikkelen met het doel dat door met de uiterlijke mens dingen te doen, het intellect als gevolg zich ontplooit. [GA 301 blz. 80, op deze blog vertaald]

Zoals bij pianospelen is het oefenen van een nieuwe techniek een uiterst moeilijk proces dat vooral in het begin een hoge mate van aandacht vereist. 
Lisa moest zich eerst een voorstelling maken van wat ze wil doen en hoe ze daarbij haar handen moet bewegen. Haar voorstelling moet ze dan met haar wil tot in de vingertoppen brengen. Terwijl ze dat doet, tast en voelt ze zorgvuldig wat haar vingers tevoorschijn toveren – schoolt zo ook haar tast- en bewegingszin. Als Lisa al breiend een complexe samenhang creëert, werkt ze tegelijkertijd intensief aan haar wil en aan haar hersenstructuur.

Internet als neuronaal netwerk

Een blik op een heel ander net maakt het belang van de vakken handenarbeid en handwerken voor de toekomst van de kinderen van nu nog duidelijker: het internet heeft zich als een reusachtig neuraal netwerk over de hele wereld verspreid en verovert steeds meer gebieden van ons leven. Met tot op het minimale gereduceerde vinger- en ogenbewegingen kunnen wij in delen van seconden op een wel haast onuitputtelijke bron aan informatie teruggrijpen.
Concentratie wordt overbodig, omdat wij bij ieder trefwoord een enorm aanbod aan associaties – links – aangeboden krijgen die vandaaruit weer naar iets anders leiden enz. Ook dat werkt onmiddellijk door op ons brein, op ons kunnen, op onze wil, omdat vermogens die we niet benutten, verkommeren.

Het kenmerkende van het wonderbouwwerk hersenen is dat het door onze activiteit gevormd en verder ontwikkeld wordt. Terwijl Lisa breit, worden de complexe processen in haar hersenen afgedrukt die ze eerder zich heeft voorgesteld en met haar handen uitwerkt. Ze smeedt aan haar intelligentie en kan op volledig onverwachte situaties in het leven erop vertrouwen dat ze de samenhangen kent en vorm kan geven. Of ze deze intelligentie gebruikt bij natuurwetenschap of het doorzien van ecologische of economische samenhangen of voor andere mensen, is niet zo wezenlijk. Belangrijk is dat ze daadwerkelijk leert hoe je intelligent wordt. 
De intelligentie van de handen wordt voor de generatie van de ‘digital natives’ [jongeren die van kinds af aan zijn opgegroeid met online technologie. Geboren in het digitale tijdperk van computers, videospelletjes en het internet, zijn zij de ‘native speakers’ van de digitale taal.] een vraag voor het leven. Die vraag helpt hen, midden in de niet ophoudende informatiestroom, een actief middelpunt te creëren. Die vraag verbindt ons hoofd met de werkelijkheid en laat het gezond worden.

Het mooie breiwerk ontstaat omdat Lisa het steek voor steek opbouwt. Ze wil – en leert als beloning, denken.
In de »Anthroposophischen Leitsätzen«[GA 26] [Kerngedachten van de antroposofie] die Rudolf Steiner ons naliet, schreef hij kort voor zijn dood:

183 In het natuurwetenschappelijke tijdperk dat rond het midden van de negentiende eeuw begint, glijdt de cultuuractiviteit van de mensen geleidelijk af, niet alleen naar de onderste gebieden van de natuur maar onder de natuur. De techniek wordt ondernatuur.

184 Dat vereist dat de mens innerlijk een geestelijk inzicht ontwikkelt, waarmee hij zich even hoog in de bovennatuur verheft als hij met zijn ondernatuurlijke technische activiteit onder de natuur wegzinkt. Daardoor schept hij in zijn innerlijk de kracht om niet weg te zinken.’

De voor een deel remmende werkingen van (on-)sociale media zijn een tamelijk sterke aanduiding van dit potentiële wegzinken van de cultuur.

Het versterken van een actief innerlijk geestelijk inzicht’ begint zonder twijfel door het ernstig nemen van ons lichaam voor het inleven, begrijpen, ervaren van de wereld doordat wij met name onszelf eerst als zelfverantwoordelijk handelende, meevoelend en denkende mens (subject) kunnen zien.

Het is interessant dat ook het moderne cognitieonderzoek in toenemende mate spreekt over ‘embodied cognition’ [‘Belichaamde cognitie’ is de theorie dat vele kenmerken van cognitie, al dan niet menselijk, worden gevormd door aspecten/eigenschappen van het gehele lichaam van het organisme] dus de betekenis van het lichaam voor een begrijpen van de wereld dat op handelen betrokken is.
De psychiater en filosoof Thomas Fuchs heeft het in een zeer lezenswaardig boek ‘Verteidigung des Menschen‘ [verdediging van de mens] zelfs over het nieuwe paradigma van een ‘humanisme van de actieve, belichaamde geest’. 
De intelligentie van de handen, eigenlijk ons hele lichaam, is tot een existentiële vraag geworden die niet alleen maar voor het begrijpen van het leren, maar voor ons mensen zelf steeds belangrijker wordt.
Alleen als een belichaamd wezen kunnen we onze vrijheid winnen.

Deze tekst verscheen in een eerste versie van het boek »Jedes Kind ein Könner« von Henning Kullak-Ublick, Verlag Freies Geistesleben, Stuttgart 2017.

Auteur: Henning Kullak-Ublick, *1955, Waldorfpedagoog und auteur,Lid van de Haager Kreises – Internationale vergadering voor Steiner Waldorfpedagogiek – en spreker toezichthouder van de Freunde der Erziehungskunst Rudolf Steiners e.V.

.

Rudolf SteinerAlgemene menskunde

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2792-2620

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 304A – voordracht 4

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: vspedagogie  voeg toe apenstaartje gmail punt com

RUDOLF STEINER

GA 304A

 ANTHROPOSOPHISCHE MENSCHENKUNDE UND PÄDAGOGIK

9 openbare voordrachten gehouden tussen 25 maart 1923 en 30 augustus 1924 in verschillende steden.

Vertaling

ANTROPOSOFISCHE MENSKUNDE EN PEDAGOGIEK

In de Gesamt-Ausgabe GA 304A is geen inhoudsopgave weergegeven.

voordracht 1: Pädagogik und Kunst – Stuttgart 25 maart 1923
is uitgegeven bij uitgevrij Pentagon, samen met voordracht 2: Pädagogik und Moral -Stuttgart 26 maart 1923 – onder de titel: Pedagogie, kunst en moraliteit

Inleidende woorden bij een euritmieopvoering 27 maart 1923
Voordracht  [3]  [4]  [5]  [6]  [7]  [8]  [9]

(Eigen inhoudsopgaven)

‘Pädagogik’ kan worden vertaald met pedagogie én pedagogiek. De laatste is de ‘leer’ en de eerste ‘de praktijk’ van de opvoeding. Wat Steiner met ‘Pädagogik’ bedoelt, is het samengaan van beide. Daarom is het m.i. niet nodig in vertalingen van zijn pedagogisch werk daarin een onderscheid te maken. Ik gebruikte beide opvattingen door elkaar. Vandaar ook in de titel (pedagogie(k)

Je kan direct doorlinken naar de pagina. Woord met bredere s p a t i e.
(wordt aan gewerkt)

Blz. 77 e.v.: kloof tussen geest en praktijk van het leven; autoriteit van de (natuur)wetenschap;
Blz. 78: het kind wordt niet bereikt;
Blz. 79: geest ten grondslag aan lichaam; experimenteren; afstomping leerkracht;
Blz. 80: psychologie en ethiek; psychologie zonder ziel;

Blz. 77

Voordracht 4, Dornach 1 juli 1923   (deel 2 van 2)

WARUM EINE ANTHROPOSOPHISCHE PÄDAGOGIK?

Gestern abend versuchte ich zu zeigen, wie die tiefe Kluft, welche zwischen unserem ganz theoretisch gewordenen Geistesleben und der Lebenspraxis ist, den Zugang zu einer wirklichen pädagogischen Kunst für den Menschen der Gegenwart verhindert. Man nimmt die Dinge, die mit dieser Zeiterscheinung zusammenhängen, gewöhnlich nicht ernst genug, weil sie sich eigentlich gar nicht dem Verstande mitteilen, son­dern weil sie sich mitteilen im Verlaufe des Lebens dem Gemüte. Unsere Zeit ist aber so sehr geneigt, immer die Kundgebungen des menschlichen Gemütes, der menschlichen Empfindungen verstummen zu machen vor den Ansprüchen des Verstandes. Alles was den Menschen der Gegenwart so stark zwingt, die Wissen­schaft der Gegenwart, die eigentlich nur eine Naturwissenschaft ist, keine Seelen- und keine Geisteswissenschaft, als eine unbeschränkte, unfehlbare Autorität anzuerkennen, besteht eigentlich darin, daß der Mensch heute immerzu seinen Verstand zum Richter einsetzt gegenüber allem, was sonst aus der vollen Menschheit herauskommt. Der Lehrer aber, der ja auch herauswächst aus dem, was die ganze heutige Bildung geben kann über das Geistesleben, der also in seinen Empfindun­gen, in seinen Gefühlen, in der Schule wiederum aus demjenigen Schul­leben heraus wirken muß, das er durchgemacht hat, der fühlt schon, wenn er mit seinen Kindern zusammen ist, in seiner Seele, wie stark, wie intensiv der gestern abend angedeutete Abgrund wirkt.
Der Lehrer hat zunächst verschiedenes aufgenommen über die menschliche Seele, über die Art und Weise, wie die menschliche Seele wirkt. Darnach haben sich seine eigenen Empfindungen, ja seine Willensimpulse gestaltet. Namentlich aber hat sich darnach gestaltet die ganze Lebensstimmung, mit der er sein Lehramt antritt. Und dann muß er aus dem, was ihm heute ganz theoretisch über den Geist in seine Seele hineinergossen ist, wirken.
Man sage nicht: Ach was, Theorie! Man wirkt aus seinem vollen

Gisteravond probeerde ik te laten zien, hoe de diepe kloof die bestaat tussen ons geestesleven dat in zijn totaliteit zo theoretisch is geworden is, en de praktijk van het leven, de ingang naar een werkelijk pedagogische kunst voor de mens van deze tijd blokkeert. Men neemt de dingen die hiermee samenhangen meestal niet serieus genoeg, omdat die eigenlijk helemaal niet doordringen tot het verstand, maar omdat ze in het verloop van het leven tot het gevoel gaan spreken. Onze tijd is echter zo geneigd om maar steeds de signalen van de menselijke ziel, van het menselijk beleven te doen verstommen i.p.v. ze op het niveau van het menselijke verstand te tillen. Alles wat de mens van nu zo sterk dwingt om de wetenschap van nu, die in feite maar een natuurwetenschap is, geen wetenschap van ziel en geest, als een grenzeloze en onfeilbare autoriteit te erkennen, bestaat er eigenlijk uit dat de mens tegenwoordig steeds maar weer zijn verstand laat oordelen over alles wat de totale mensheid voortbrengt. De leerkracht echter die ook opgroeit met wat nu de algemene ontwikkeling geven kan wat het geestesleven betreft, die dus in al zijn belevingen, zijn gevoelens, op school weer moet werken met wat hij op school ervaren heeft, voelt, wanneer hij op school is samen met de kinderen, hoe sterk, hoe krachtig de afgrond waarover het gisteravond ging, van invloed is. De leerkracht heeft al van alles in zich opgenomen over de menselijke ziel, over de manier waarop die actief is. Dat vormde zijn eigen gevoelens, en ook zijn wilsimpulsen. En vooral zijn hele levensopvatting is daardoor gevormd, en daarmee begint hij zijn beroep van leerkracht. En dan moet hij werken met wat er in deze tijd allemaal als theorie in zijn gevoel terechtgekomen is. Er wordt niet gezegd: Wat nou, theorie! Men werkt helemaal vanuit zijn 

Blz. 78

menschlichen Herzen heraus, wenn man in der Schule steht: – Meine sehr verehrten Anwesenden, das ist abstrakt ganz richtig. Das kann man auch abstrakt in Worten aussprechen. Aber geradeso wie niemand sagen kann: Ich will mich ins Wasser hineinbegeben und trocken bleiben -, weil das ein innerer Widerspruch ist, ebensowenig kann heute dasjenige, was man auch in den Lehrerbildungsanstalten über die Seele, über den Geist durchmacht, so für die Seele wirken, daß diese Seele einen frischen, einen vollen Zugang zu den Kinderseelen hat. Denn wie man naß werden muß, wenn man ins Wasser hineinspringt, so muß man seelenfremd, geistfremd werden, wenn man sich die heutige Schulbildung aneignet.
Das ist eine Tatsache. Und gerade denjenigen, die die pädagogische Kunst üben wollen, müßte es heute eigentlich die erste Angelegenheit sein, diese Tatsache in ihrer vollen menschlichen Bedeutung zu durch­schauen.
Wenn der Lehrer mit dem, was er heute angeregt hat an Menschheitsgefühl, an Wille, mit den Menschen zu wirken und zu tun, aus seinen eigenen Bildungsstätten herauskommt und das nun anwenden will auf den werdenden Menschen, auf das Kind, dann fühlt er, als wenn das alles, was er in einer so theoretischen Weise sich angeeignet hat, was sein Herz nicht warm, seinen Willen nicht tatkräftig im Geiste gemacht hat, als wenn das alles ein Herumflattern um das Kind herum wäre, nicht etwas, was den Zugang zum Kind findet.

menselijke hart als men op school is: – zeer geachte aanwezigen, dat is abstract helemaal juist. Dat kun je ook abstract met woorden uitspreken. Maar zoals niemand kan zeggen: ik ga te water en wil droog blijven – omdat dit innerlijk met elkaar in tegenspraak is – net zomin kan vandaag de dag datgene wat men ook in onderwijsopleidingen over de ziel, over de geest ervaart, zo op de ziel werken dat deze een frisse, een volledige toegang tot de ziel van de kinderen krijgt. Want zoals je nu eenmaal nat moet worden, wanneer je in het water springt, zo moet je met je ziel en geest vervreemd raken, wanneer je je de huidige opleidingsvorming eigen maakt. Dat is een feit. En juist voor degenen die de pedagogische kunst willen uitoefenen, zou het tegenwoordig eigenlijk juist de eerste aangelegenheid moeten zijn, dit feit in zijn volle menselijke betekenis, te doorzien.
Wanneer de leerkracht met wat er vandaag aan stimulans in hem ontstaan is voor het meevoelen met de mensheid, voor de wil om met mensen te werken, te handelen, en wanneer hij dan zijn eigen opleidingsinstituut verlaat en dat dan wil toepassen op het kind, dan voelt hij alsof alles wat hij op zo’n theoretische manier zich eigen heeft gemaakt, wat zijn hart niet verwarmd heeft, geestelijk zijn wil niet daadkrachtig gemaakt, wat maar zo’n beetje wat ronddartelen om het kind is, niet iets is waarmee het kind bereikt wordt.

Und so geht eigentlich der Lehrer in die Klasse hinein, indem er, man möchte sagen, eine Scheidewand um sich aufrichtet, durch diese Scheide­wand nicht hindurchdringt bis zu den Seelen der Kinder, und nun gewissermaßen sich in der Luft betätigt, die außerhalb der Kinder ist, nicht mitfolgen kann in seiner Seele dem eingezogenen Atem, durch den die Luft in das Innere der Kinder kommt. Er fühlt sich außerhalb des Kindes stehend, gewissermaßen herumplätschernd in einem unbestimm­ten theoretischen Elemente außerhalb des Kindes.
Und wiederum, wenn der Lehrer alles das, was er heute durch unsere ausgezeichnete Naturwissenschaft lernt, das ihn in einer so gediegenen Weise hineinführt in die äußeren Naturdinge und Naturtatsachen, wenn er das alles nun in seinen Verstand, in seinen Kopf aufgenommen hat, dann fühlt er, daß er mit diesem erst recht nicht an das Kind herankommt,

En eigenlijk gaat de leerkracht zo de klas binnen alsof hij een scheidingsmuur opgericht heeft waardoor hij de ziel van de kinderen niet bereiken kan en in zekere zin in het luchtledige bezig is dat rondom de kinderen zich bevindt en in zijn ziel kan hij de inademing niet meebeleven waardoor de lucht in het kind binnenkomt. Hij voelt dat hij buiten het kind staat, in zekere zin maar wat doend buiten het kind om vanuit een vaag theoretisch aspect. En dan, wanneer de leerkracht alles wat deze tegenwoordig door onze geweldige natuurwetenschap leert, die hem op een zo gedegen manier bij de uiterlijke dingen in de natuur en bij de natuurfeiten brengt, dat met zijn verstand, met zijn hoofd in zich opgenomen heeft, dan voelt hij dat hij hiermee al helemaal het kind niet bereiken kan,

Blz. 79

denn das sagt ihm etwas über die Leiblichkeit des Kindes. Aber die Leiblichkeit, die Körperlichkeit, wir verstehen sie nicht, wenn wir nicht durch sie hindurchdringen zu dem Geist. In aller Körperlichkeit, in aller Leiblichkeit ist das Zugrundeliegende geistig. Und so kommt es, daß der Mensch, der heute an das Kind herankom­men will mit pädagogischer Kunst, äußerlich experimentierend an dem Leibe herumprobiert: Wie muß man den Leib behandeln, damit das Gedächtnis in der richtigen Weise ausgebildet wird? Wie muß man den Leib behandeln, damit die Aufmerksamkeit in der richtigen Weise geübt wird? – und so weiter.
Und da fühlt sich dann der Lehrer so ungefähr, wie wenn man jemandem, den man ins Licht führen wollte, zunächst vollständig die Augen verdeckende Brillen vor die Augen setzte. Wie etwas Undurchsichtiges wird die Menschenleiblichkeit selber durch diese Naturwissenschaft. Und so fühlt sich der Lehrer mit aller Natur­wissenschaft gerade nicht fähig, an das durchgeistigte natürliche Leben des Kindes heranzukommen.
Das wird heute noch nicht in der allgemeinen Zivilisation verstandesmäßig erörtert. Wo wird heute so gesprochen, wie ich eben jetzt gesprochen habe, über die Fremdheit, mit der wir um das Kind herumgehen, ohne eine wirkliche Menschenkenntnis, mit einer ausgezeichne­ten Naturerkenntnis, wo wird so gesprochen?

want dat zegt hem iets over de fysieke kant van het kind. Maar dat lichamelijke begrijpen we niet wanneer we daar niet doorheen kunnen komen tot bij de geest. Aan al het lichamelijke, het levende ligt iets geestelijks ten grondslag.
En zo komt het dat de mens die tegenwoordig met pedagogische kunst het kind wil benaderen, dat uiterlijk experimenteel fysiek wil doen. Hoe moet je lichamelijk te werk gaan zodat het geheugen op de juiste manier gevormd wordt. Of de aandacht op de juiste manier beoefend. Enz.
En dan heeft de leerkracht zo’n beetje het gevoel als iemand die men in een lichte ruimte wil brengen, maar die dan eerst een bril op moet zetten die de ogen helemaal afsluit. Door de natuurwetenschap wordt het lichamelijke van de mens zelf iets ondoorzichtigs. En daardoor voelt de leerkracht met al die natuurwetenschap zich toch niet in staat het natuurlijke leven van het kind waardoorheen de geest zich uit, te bereiken.
Vandaag de dag komt dat in de algemene beschaving met het nuchtere verstand nog niet naar buiten. Waar wordt er tegenwoordig zo gesproken als ik nu doe over dat niet-vertrouwde gevoel waarmee we met het kind omgaan, zonder een echte menskunde, met een voortreffelijke kennis van de natuur, waar hoor je dit?

Und weil nicht so gespro­chen wird, lädt sich das alles, was so in Worte gekleidet werden kann, in Gefühlen und Empfindungen ab. Und der Lehrer geht fast jede Stunde mit einem ganz kleinen Quantum von unbefriedigter Empfindung aus seiner Klasse heraus. Und diese kleinen Quanten von unbefriedigter Empfindung verhärten ihn, die machen ihn nicht nur lcirrderfremd, son­dern weltfremd, die lassen sein eigenes Gemüt kalt und nüchtern werden. So sehen wir, wie Frische und Leben und Beweglichkeit gerade aus jenem intimen Verkehr des Menschen mit dem Menschen schwindet, der zur Offenbarung kommt in dem Verkehr zwischen dem erwachsenen Lehrenden und Erziehenden und dem zu erziehenden, dem heranwach­senden Kinde. Diese Dinge muß man mit dem Gemüte auch verstehen, weil heute der Verstand, der nur an den äußeren Naturerscheinungen geschult ist, ich möchte sagen, noch zu grob ist, um diese intimen Dinge in all ihrer Feinheit zu begreifen.

En omdat er niet zo gesproken wordt, vlakt alles wat zo in woorden gekleed kan worden, af in gevoel en gewaarwording. En de leerkracht gaat bijna ieder uur met een beetje ontevreden gevoel z’n klas uit. En dat doet hem verharden, dat werkt niet alleen vervreemdend naar het kind, maar ook naar de wereld, maakt dat zijn eigen gevoel koud en nuchter wordt. Zo zien we hoe de frisheid, het leven en de beweeglijkheid met name uit de vertrouwde omgang van mens tot mens verdwijnt, wat tot uiting komt in de omgang tussen de volwassen leerkrachten en opvoeders en het opgroeiende kind dat opgevoed moet worden. Deze dingen moet je ook met je gevoel begrijpen, omdat tegenwoordig het verstand dat alleen door de natuurverschijnselen geschoold is, nog te grofstoffelijk is om deze innerlijke dingen in al hun verfijndheid te begrijpen.

Blz. 80

Und so sehen wir, daß alte Forderungen immer und immer wirderholt werden, wenn von pädagogischer Kunst gesprochen wird. Sie wissen ja wie die Pädagogik auf der einen Seite hergeleitet wird aus der Psycholo­gie, aus der Seelenkunde, und Sie wissen, wie auf der anderen Seite die Pädagogik hergeleitet wird aus der Ethik, aus der Erkenntnis der sittli­chen Menschenpflichten. Überall kann man, wo von pädagogischer Kunst geredet wird, heute hören, wie auf diesen zwei Grundsäulen begründet werden soll die pädagogische Kunst: auf einer Seelenkunde und auf einer Sittenkunde. Aber wir haben ja nur dasjenige, was Zwi­schen den beiden drinnen steht. Es gibt sich der Mensch einer schier unbegrenzten Illusion hin, wenn er glaubt, daß heute eine wirkliche Seelenkunde vorhanden sei. Immer wieder muß erinnert werden an das Wort, welches schon im 19. Jahrhundert geprägt worden ist: Seelen­kunde ohne Seele, weil die Menschen einfach nicht mehr zum Seelischen durchdringen. Was ist denn unsere heutige Seelenkunde? Es wird para­dox klingen, wenn ich zum Ausdruck bringe, was eigentlich unsere heutige Seelenkunde ist. Die Menschen haben aus ursprünglichen Instinkten heraus, aus einer in aller Menschheit in Urzeiten ausgebreite­ten hellsichtigen Erkenntnis der Geschichte, die primitiv bildlich, mythisch war,

En zo zien we dat oude vragen steeds weer herhaald worden als er over pedagogische kunst gesproken wordt. U weet natuurlijk dat de pedagogie enerzijds afgeleid wordt van de psychologie en anderzijds hoe de pedagogie afgeleid wordt van de ethiek, van de kennis over de morele plichten van de mens. Overal kan je als er over pedagogische kunst gesproken wordt, in deze tijd vernemen, hoe die pedagogische kunst op deze twee basispijlers moet rusten: op psychologie en ethiek. Maar we beschikken alleen over wat er zich tussen deze twee bevindt. De mens geeft zich aan een bijna onbegrensde illusie over, wanneer hij denkt dat we in deze tijd een echte psychologie hebben. Iedere keer moet weer in herinnering geroepen worden wat al in de 19e eeuw zijn stempel ging drukken: een psychologie zonder ziel. De mensen dringen eenvoudigweg niet meer tot de ziel door. Hoe staat het met de huidige psychologie? Als ik ga zeggen hoe het er met de huidige psychologie voorstaat, klinkt dat paradoxaal.
De mensen hebben vanuit een oorspronkelijk instinct, vanuit een brede helderziende kennis die de gehele mensheid in oertijden had van de geschiedenis die in primitieve beelden, in mythen

die aber trotz ihrer Primitivitat, trotz ihres mythischen Charakters eben in das Seelische hineindrang, eine Seelenkunde gehabt, sie haben gefühlt und empfunden, was das Seelische ist. Und in jener alten Zeit sind Worte geprägt worden, die sich auf das Seelische bezie­hen: Denken, Fühlen und Wollen. Aber heute haben wir nicht mehr jenes innere Leben, das uns diese Worte, Denken, Fühlen und Wollen, wirklich belebt. Was zeigt uns Anthroposophie gegenüber dem Denken? Nun, das Denken stattet uns als Menschen eben mit Gedanken aus. Aber die Gedanken, die wir im gewöhnlichen Leben heute innerhalb unserer gegenwärtigen Zivilisation haben, diese Gedanken zeigen sich uns so, wie wenn wir einem Menschen, den wir antreffen, nicht von vorne ins Antlitz sähen, sondern wie wenn wir ihn nur von hinten anschauten. Es ist ja nur die Rückseite desjenigen, was im Denken lebt, wenn wir so von Gedanken sprechen, wie wir heute innerhalb unserer Kulturzivilisation von Gedanken sprechen. Warum?

die ondanks dat, ondanks het mythische karakter toch doordrongen tot de ziel, een psychologie gekend, ze hebben gevoeld en ervaren wat ziel is. En in die oude tijden hebben zich woorden vastgezet die betrekking hebben op de ziel: denken, voelen en willen. Maar nu beschikken wij niet meer over dat innerlijke leven dat die woorden denken, voelen en willen werkelijk met realiteit vult.
Wat laat antroposofie wat het denken betreft, zien? Wel, het denken voorziet ons van gedachten. Maar die gedachten die wij in het dagelijks leven vandaag de daag in onze huidige beschaving hebben, die vertonen zich zo alsof we een mens die we ontmoeten, niet van voren in het gezicht zien, maar van achteren. Wanneer we over gedachten spreken zoals we dat nu in onze cultuur doen, hebben we het over de achterkant van wat er in het denken leeft. Waarom?

Blz. 81

Wenn Sie einen Menschen vor sich haben und Sie schauen ihn von hinten an, dann haben Sie eine gewisse Gestaltung. Aber Sie lernen ihn nicht erkennen von derjenigen Seite, in der er seinen eigentlichen physio­gnomischen Ausdruck hat. Sie lernen ihn nicht erkennen von der Seite, in der er nach außen offenbarend sein Seelenleben lebt. Wenn Sie die Gedanken so kennenlernen, wie es dem heutigen naturwissenschaftli­chen Zeitalter möglich ist, so lernen Sie das innere Menschenwesen von hinten kennen. Schauen Sie die Gedanken von der anderen Seite an, dann behalten die Gedanken Leben, dann sind die Gedanken Kräfte.
Und was sind denn diese Gedanken? Sie sind diejenigen Kräfte, die die Wachstumskräfte des Menschen sind. Nach außen sind die Gedanken abstrakt, nach innen, nach dem Menschen hin, sind dasjenige, wodurch das ganz kleine Kind größer wird, wodurch es aus seinen unbestimmten Gliedmaßen heraus bestimmte macht, die Gedankenkräfte Nach außen sehen wir nur tote Gedanken, wie dasjenige, was der Mensch nach rückwärts zeigt, nicht sein lebendiges Wesen offenbart. Wir müssen uns sozusagen auf die andere Seite des Gedankenlebens begeben, dann offenbart sich uns im Gedankenleben dasjenige, was von Tag zu Tag, indem das Kind seinen unbestimmten Gesichtsausdruck immer mehr und mehr zum Ausdruck seiner Seele macht, 

Wanneer er een mens voor je staat en u kijkt van achter naar hem, zie je een bepaalde gestalte. Maar je leert hem niet kennen van de kant waar hij zijn eigenlijke fysionomische uitdrukking heeft. Je leert hem niet kennen van de kant waar hij naar de buitenwereld zich uitend, zijn gevoelsleven vertoont. Wanneer je de gedachten zo leert kennen als dit in de huidige natuurwetenschappelijke tijd mogelijk is, leer je het innerlijke wezen van de mens vanaf de achterkant kennen. Kijk je vanaf de andere kant naar de gedachten, dan blijven die levend, dan zijn gedachten krachten. Want wat zijn deze gedachten? Het zijn die krachten die voor de mens groeikrachten zijn. Naar buiten toe zijn de gedachten abstract, naar binnen toe, naar het menselijke toe, zijn het krachten waardoor het heel kleine kind groter wordt, het zijn gedachtekrachten waardoor het vanuit zijn ongecoördineerde ledematen gecoördineerde vormt. Naar buiten toe zijn we alleen dode gedachten, zoals dat wat de mens naar achter laat zien, niet zijn levende wezen t0t uitdrukking brengt. We moeten ons naar de andere kant van het gedachteleven begeven, dan komt voor ons in het gedachteleven tot uitdrukking wat van dag tot dag, als het kind zijn ongevormde gezichtsuitdrukking steeds verder tot uitdrukking van zijn ziel brengt,

von innen nach au­ßen wirkt, was in den Blick übergeht, den Blick warm und feurig macht, was in die gerade ja noch im Leben vor sich gehende Formung der Nase übergeht, was aber auch die ganzen ungeordneten Bewegun­gen des Kindes zu geordneten macht, was innerlich lebt und sich regt, was wirkt und lebt in der ganzen Zeit, solange der Mensch überhaupt wächst.
Und wenn man anfängt also anthroposophisch das Gedankenleben anzuschauen, so ist es wirklich so, wie wenn man einen Menschen, den man bisher nur von hinten kennengelernt hat, nun beginnt von vorne anzuschauen. Alles Tote wird lebendig, das ganze Gedankenleben wird lebendig, wenn man anfängt, es nach innen hin anzuschauen.
Das hat man früher zwar nicht so erkannt, wie es heute der Anthropo­sophie möglich ist, aber man hat es gefühlt, man hat es mythisch zum Ausdrucke gebracht. Heute kann man es erkennen. Daher kann man es auch in die Lebenspraxis überführen. Daher kann man eine Kunst daraus

van binnen naar buiten werkzaam is, wat in de blik overgaat, de blik warm en vurig maakt, wat bijv. in het leven overgaat in de vorming van de neus, wat ook de heel chaotische bewegingen van het kind tot geordende maakt, wat innerlijk leeft en actief is, wat werkzaam is en levend, de hele tijd wanneer de mens groeit.
En wanneer je dus antroposofisch het gedachteleven begint waar te nemen, dan is het werkelijk zo alsof je de mens die je tot dan toe alleen maar van achter hebt leren kennen, nu van voren begint te zien.
Vroeger wist men dit niet zoals dit nu door de antroposofie mogelijk is, maar men voelde het, men bracht het mythisch tot uitdrukking. Tegenwoordig kun je het weten. En van daaruit kan je het in praktijk brengen. Vandaar dat je, wanneer je met het kind iets moet doen, er een kunst van kan maken

Blz. 82

machen, wenn man das Kind zu behandeln hat, wenn man richtig lebendig in diese Dinge eindringt.
Kennt man das Denken nur von seiner hinteren, von seiner toten Seite, dann kann man das Kind nur verstehen; lernt man das Denken von seiner vorderen, von seiner lebendigen Seite kennen, dann kann man dem Kinde so gegenüberstehen, daß man es nicht nur versteht, sondern daß man alle seine Regungen miterlebt, daß man Liebe hineingießt in alles, was das Kind darlebt. Von all dem ist ja nichts Lebendiges geblieben. Unsere heutige Zivili­sation hat nur das Wort Gedanke, nicht mehr die Sache. Wir sprechen ja nicht mehr von dem Inhalte der Seelenkunde; wir haben uns nur gewöhnt, die alten Worte weiter zu gebrauchen, und die Worte haben ihren Inhalt verloren. Noch mehr aber als für das Gedankliche hat in unserer Zeit die Sprache den Inhalt verloren für das Gefühlsmäßige oder gar für das Willensmäßige. Die Gefühle dringen aus dem Unterbewußten des Men­schen herauf. Der Mensch lebt in ihnen. Aber er schaut nicht in diese unterbewußten Tiefen hinunter; oder wenn er es tut, sieht er hinunter psychoanalytisch, dilettantisch.

als je op een goede manier in deze dingen doordringt.
Wanneer je het denken alleen maar ‘van achter’ kent, van zijn dode kant, dan kan je het kind alleen maar begrijpen; leer je denken vanuit de ‘voorkant’ dan kan je het kind zo benaderen dat je het niet alleen begrijpt, maar dat je alles van zijn beleven meebeleeft, dat je met liefde vult, wat het kind ons laat zien.
Van dat alles is niets sprankelends overgebleven. Onze beschaving heeft alleen het woord ‘gedachte’, niet meer die relatie. We hebben het niet meer over de inhoud van de psychologie; we hebben het tot gewoonte gemaakt verder de oude woorden te gebruiken en die woorden hebben hun inhoud verloren.
Maar nog meer dan voor het gedachteleven heeft de taal in onze tijd inhoud verloren wat het gevoel of juist wat de wil betreft. De gevoelens komen vanuit het onderbewuste in de mens naar boven. De mens leeft erin. Maar hij neemt die onderbewuste diepte niet waar; of wanneer dat al gebeurt, doet hij doet psycho-analytisch, amateuristisch.

Er wird nicht gewahr, was da als Seeli­sches in den Untergründen lebt, wenn er Gefühle hat. Auch für die Gefühle sind nur die Worte geblieben, und erst recht für das Wollen.
Wir müßten heute, wenn wir das bezeichnen wollten, was wir wissen von diesen Dingen, eigentlich gar nicht vom Willen reden, denn Wille ist für die heutige Zivilisation nur ein Wort; wir müßten sagen, wenn wir den Menschen sehen, er fängt an, seine Hand zu bewegen, seine Hand nimmt die Schreibfeder, die Schreibfeder wird über das Papier geschleift: wir müßten die äußeren Tatsachen der Bewegung beschreiben. Das ist heute noch so. Was da drinnen als Wille steckt, wird ja nicht mehr erlebt, das ist nur ein Wort.
Zu diesen Worten, aus denen das heute besteht, was man Seelenkunde nennt, wiederum die Sache zu finden, wiederum die Vorgänge zu finden, das ist die Aufgabe der Anthroposophie. Daher kann die Anthroposo­phie eine wirkliche Menschenerkenntnis liefern, während heute für unsere gegenwärtige Zivilisation das, was nur in Worten erlebt ist, sich wie ein Schleier hinbreitet über die wirkliche Tatsache der Psychologie.

Hij wordt, als hij gevoelens heeft, niet gewaar wat er aan gevoelens in de diepte leeft. Ook voor de gevoelens zijn de woorden overgebleven en dat geldt met name voor de wil.
Tegenwoordig zouden we wanneer we willen aangeven wat we van deze dingen weten, eigenlijk niet eens van ‘willen’ moeten spreken, want wil is voor de huidige beschaving alleen maar een woord. Wanneer wij de mens zien als die zijn hand beweegt, die hand pakt een pen, die beweegt zich over het papier: we zouden alleen de uiterlijke feiten over de beweging beschrijven. Dat is tegenwoordig nog zo. Wat van binnen aan wil aanwezig is, wordt niet meer ervaren, dat is slechts een woord. Om bij die woorden waaruit nu de psychologie bestaat, weer de relatie te vinden, weer de processen te vinden, dat is de opdracht van de antroposofie. Daarom kan de antroposofie een echte menskunde brengen, terwijl tegenwoordig voor onze beschaving, wat alleen maar in woorden wordt ervaren, zich als een sluier over de werkelijke feiten van de psychologie drapeert.

Blz. 83

Und interessant ist es, daß der eben verstorbene Fritz Mauthner eine «Kritik der Sprache» geschrieben hat, weil er gefunden hat, wenn die Menschen heute von seelischen Dingen, von geistigen Dingen sprechen, so haben sie doch bloß Worte. Fritz Mauthner hat nur den Fehler gemacht, daß er nur darauf aufmerksam gemacht hat: Die Gegenwarts­menschen haben bloß Worte, sie haben nicht Sachen, wenn sie über die Seele sprechen, und daß er nicht aufmerksam darauf gemacht hat, daß wiederum die Sachen gefunden werden müssen, weil bloß die Worte vorhanden sind.
Natürlich ist Mauthners «Kritik der Sprache» für die Naturwissen­schaft ein Unsinn, denn ich möchte einmal wissen, wenn einer ein heißes Bügeleisen angreift, ob er nicht die Tatsache vom Worte unterscheiden kann! Wenn er bloß ausspricht: Das Bügeleisen ist heiß, so brennt es nicht; wenn er es anrührt, da brennt es. In bezug auf alles Naturwissen­schaftliche weiß der Mensch – allerdings vielleicht nicht, wenn er durch Theorien ruiniert ist -, aber wenn er im vollen Leben steht, weiß er die Sachen von den Worten zu unterscheiden. Für die Psychologie hat das aufgehört. Die Menschen haben nur noch die Worte. Und solch ein Mensch wie Fritz Mauthner, der nun in dieser Beziehung ehrlich zu Werke gehen will, sagt: Verbannen wir doch überhaupt das Wort Seele.

Interessant is dat de onlangs overleden Fritz Mauthner een ‘Kritiek op de taal’ heeft gespreven, omdat hij ontdekt had, dat wanneer de mensen tegenwoordig over psychologische zaken, over geestelijke onderwerpen spreken, toch alleen maar woorden gebruiken. Fritz Mauthner maakte alleen de fout door erop te wijzen dat de mens van nu alleen de woorden heeft, niet de zaken zelf, als ze over de ziel spreken en dat hij er niet op heeft gewezen dat die dingen weer gevonden moeten worden, omdat er nu juist slechts woorden zijn. Natuurlijk is Mauthners ‘Kritiek op de taal’ voor de natuurwetenschap onzin, want ik zou weleens willen weten, wanneer iemand een heet strijkijzer pakt, of die dan niet de daad van het woord kan onderscheiden! Wanneer hij alleen maar zegt: ‘Het strijkijzer is heet’, dan brand je je er niet aan; als je beetpakt wél. Wat de natuurwetenschap betreft weet de mens – misschien niet als hij door theorieën bedorven is – wanneer hij vol in het leven staat, de zaken wel van de woorden te scheiden.
Wat de psychologie aangaat, is dat voorbij. De mensen hebben alleen de woorden nog. En zo iemand als Fritz Mauthner die wat dit betreft eerlijk te werk wil gaan, zegt: laten we het woord dan maar in de ban doen.

Wir sehen, daß da innerlich etwas zum Vorschein kommt, das sich dann äußerlich offenbart. Sprechen wir also nicht von Seele, sondern, so meint Fritz Mauthner, sprechen wir, so wie man vom «Gewissen» spricht oder von «Geschwistern», von «Geseel», damit gar nicht mehr der Irrtum hervorgerufen werde, daß man es da mit etwas Realem zu tun hat, wenn man von der Seele spricht. Für die Gegenwartszivilisation hat Mauthner vollständig recht. Aber was wir brauchen, ist, wieder einzudringen in dasjenige, was Seele ist, für die Worte wiederum einen Inhalt zu bekommen.
Es ist trostlos, wie herumgeplätschert wird in diesen bloß in Worten lebenden Seelenerkenntnissen – wenn man da von Erkenntnissen spre­chen will -, wie da nicht berührt wird das Seelische, und wie daher die Leute sich den Kopf zerbrechen: Wirkt das Seelische auf den Körper? Wirkt der Körper auf das Seelische? Oder verlaufen beide Erscheinun­gen nur parallel miteinander? In solchen Dingen ist heute keine Einsicht

We zien dat er innerlijk iets tevoorschijn komt, wat zich dan uiterlijk vertoont. Als we niet over ziel spreken, maar, aldus Fritz Mauthner, spreken alsof we over ‘geweten’ spreken [Mauthner neemt Duitse woorden die met -Ge-beginnen  Gewissen, Gebrüder (broers of over Geseel],  ‘geziel’, zodat de vergissing niet meer gemaakt wordt, dat men het over iets realistisch heeft, als men over de ziel (Seele) spreekt. Wat de huidige beschaving betreft, heeft Mauthner helemaal gelijk. Maar wat we nodig hebben, is dat we weer doordringen tot wat ziel is, dat we voor de woorden weer inhoud verkrijgen.
Het is troosteloos hoe oppervlakkig er alleen maar met woorden wordt omgesprongen als het gaat om het levende kennen van de ziel – als je al van kennis wil spreken – hoe men niet komt bij dat wat ziel is en dat daarom de mensen het hoofd breken over: hoe werkt de ziel op het lichaam? Werkt het lichaam door op de ziel? Of verlopen beide verschijnselen parallel aan elkaar? Hier is tegenwoordig geen inzicht in,
.

Blz. 84

vorhanden, daher wird in einer ganz äußerlichen Weise herumdiskutiert.
Wenn man sich aber angewöhnt, in einer solch äußerlichen Weise über die Dinge herumzudiskutieren, dann verliert man den herzhaften Sinn, das enthusiastische Gemüt, das man als pädagogischer Künstler in die Schule hineintragen soll, ja, das man aus der Lebendigkeit der Zivilisa­tion heraus schon haben soll, wenn man als Eltern dem heranwachsen­den Kinde gegenübersteht.
Und so sagen wir: Pädagogische Kunst soll sich gründen auf die eine Säule, auf die Psychologie, auf die Seelenkunde. Aber wir haben keine Seelenkunde in der gegenwärtigen Zivilisation. Und was das Schlimmste ist, wir sind, weil wir keuchen unter der Autorität der bloßen Naturwis­senschaft, nicht ehrlich genug, uns das einzugestehen. Wir reden immer­fort vom Seelischen und haben es nicht mehr. Wir tragen diese Lebenslüge in die intimsten menschlichen Beschäftigungen hinein. Wir haben auf der anderen Seite den guten Willen, das soll voll anerkannt werden, bei allen denen, die heute von Erziehungs- und Unterrichtsidealen sprechen, die so reichlich die Welt mit Reformgedanken auf diesem Gebiete versehen. Aber wir haben nicht den großen Mut, uns zuzugeste­hen, daß wir erst zu einer wirklichen menschlichen Seelenkunde vor­dringen müssen, bevor wir heute den Mund aufmachen dürfen, um über Erziehungsreformen, über Erziehungskunst zu sprechen.

vandaar dat er heel oppervlakkig over wordt gediscussieerd.
Wanneer er echter een gewoonte ontstaat om zo oppervlakkig over deze dingen te discussiëren, gaat verloren wat van harte zou moeten gaan: het enthousiaste gevoel dat je als pedagogisch kunstenaar mee de school in moet nemen, waarover je vanuit een krachtige beschaving al zou moeten beschikken wanneer je als ouder te maken hebt met het opgroeiende kind.
En dus zeggen wij: pedagogische kunst moet met zijn basis rusten op de ene pijler, op de psychologie, op de kennis van de ziel. Maar die hebben we in onze huidige beschaving niet. En wat het ergste is, we zijn, omdat we zuchten onder de autoriteit van alleen maar natuurwetenschap, niet eerlijk genoeg om dit toe te geven. We praten maar over de ziel en die hebben we niet meer. We brengen die levensleugen in de meest intieme menselijke relaties in. Aan de andere kant zien we de goede wil, dat moet ook duidelijk gezegd worden, bij ieder die nu over opvoedings- en onderwijsidealen spreekt, die de wereld zo rijkelijk voorzien van vernieuwingsgedachten op dit gebied. Maar we hebben niet de grote moed te onderkennen dat we eerst vertrouwd moeten raken met een echte menselijke psychologie, waar we vandaag onze mond voor open durven doen om over opvoedingsvernieuwing, over opvoedkunst te spreken.

Denn wir entbehren – zunächst müssen wir es einsehen – der einen Grundsäule einer wirklichen Einsicht in das Seelenleben. Wir haben vom Seelenleben die Worte, die in grauen Vorzeiten geprägt worden sind, wir haben aber nicht mehr ein Erlebnis von der lebendigen Seele. Und die andere Grundsäule ist die Summe der Sittengebote. Hat man aber auf der einen Seite eine Psychologie in Worten, eine Psychologie ohne Seele, so hat man auf der anderen Seite eine Sittenlehre ohne göttliche Geistigkeit. Gewiß, den Leuten sind vielfach die alten Reli­gionslehren traditionell erhalten. Aber dasjenige, was die alten Reli­gionslehren haben, das lebt ja gerade so in den Menschen der Gegenwart, wie die in Worten totgewordene Seelenkunde lebt. Die Menschen bekennen sich zu dem, was ihnen als Dogmen oder als anderer religiös-geistiger Inhalt gegeben wird, weil das den alten Gewohnheiten ent­spricht, weil man hineingewachsen ist im Laufe der geschichtlichen

We missen – dat moeten we echt inzien – die ene pijler van een werkelijk inzicht in de ziel. We hebben woorden over de ziel die in een grijs verleden tot uitdrukking zijn gekomen, maar de levende ziel beleven we niet meer.
En die andere pijler is het totaal aan morele geboden. Maar als je enerzijds een psychologie hebt van woorden, een psychologie zonder ziel, dan heb je aan de andere kant een ethiek zonder iets goddelijk-geestelijks. Zeker is het zo dat de mensen nog in groten getale de godsdiensten traditioneel in ere houden.
Maar wat in die oude godsdiensten zit, leeft in de mens van nu, net zo als de in woorden gestorven psychologie. De mensen geloven wat hen als dogma’s of andere religieus-geestelijke inhoud aangeboden wordt, omdat het klopt bij de oude gewoontes, omdat men in de loop 

Blz. 85

Entwicklung der Menschheit in das, was so gegeben wird. Aber der lebendige Inhalt fehlt.
Und so haben wir eine Psychologie ohne Seele, so haben wir eine Ethik ohne göttlich-geistige Verbindlichkeit. Die Menschen sprechen zwar noch, wenn sie theoretisch sprechen, oder wenn sie ihre Gemütsbe­dürfnisse befriedigen wollen, in den Worten, die geblieben sind aus jenen alten Sittenlehren, durch die der Mensch die Absichten der Götter ausführen wollte, indem er ein sittliches Leben auf Erden führen wollte; die Menschen sprechen noch in Worten, die in jenen Zeiten geprägt worden sind, wo der Mensch gewußt hat: Was er in seinem sittlichen Leben auswirkt, das sind Kräfte wie die Naturkräfte, und die göttlic-geistigen Wesenheiten sind es, die diesen ethischen Impulsen, diesen sittlichen Kräften Realität geben. Das sagt der Mensch heute noch vielfach, indem er gewohnheitsmäßig in den Worten, die ihm frühere Religionen überliefert haben, lebt, aber indem er nicht mehr aufschauen kann zu der lebendig-göttlichen Geistigkeit, die den sittlichen Impulsen ihre Realität gibt.
Oh, meine lieben Freunde, wenn der Mensch heute ehrlich ist, ver­steht er denn noch dasjenige, was zum Beispiel in den Briefen des Paulus enthalten ist, wo ja geredet werden kann, daß der Mensch die Erwec­kung des lebendigen Christus in sich braucht, damit er nicht stirbt?

van de ontwikkelingsgeschiedenis van de mensheid gewend is geraakt aan wat er op die manier aangeboden werd. Maar de levende inhoud ontbreekt.
En zo hebben we een psychologie zonder ziel, zo hebben we een ethiek zonder dat die ons vanuit het goddelijk-geestelijke iets doet. Weliswaar spreken de mensen nog, als ze het er theoretisch over hebben of als ze hun zielenroerselen willen bevredigen, met woorden die overgebleven zijn van die oude ethiek waarmee de mens de bedoelingen van de goden wilde uitvoeren als hij een moreel leven op aarde wilde leiden; de mensen spreken nog met woorden die in die tijden zijn gebruikt waarin de mens wist: wat er in zijn morele leven naar buiten komt, zijn krachten zoals de natuurkrachten en het zijn de goddelijk-geestelijke wezens die deze ethische impulsen, deze morele krachten werkelijkheid verlenen. Dat zegt de mens van nu ook nog vaak als hij vanuit de gewoonte met de woorden die vroegere godsdiensten overgeleverd hebben, leeft, maar waarbij hij niet meer op kan kijken naar de levend-goddelijke geestelijke wereld die de morele impulsen tot werkelijkheid laat komen. Wanneer de mens vandaag de dag eerlijk is, begrijpt hij dan nog wat bijv. in de brieven van Paulus staat, waar gesproken wordt dat de mens de opwekking van de levende Christus in zichzelf nodig heeft opdat hij niet sterft?

Kann ein Mensch heute im vollen Umfange des Wortes fühlen, daß Unsittlichsein, keinen inneren Seelenzusammenhang haben mit den sitt­lichen Pflichten, ebenso etwas zu tun hat mit Tod und Leben der Seele, wie Gesundheit und Krankheit etwas zu tun haben mit Tod und Leben des Körpers? Versteht man heute noch geistig, daß die Seele sich nicht das Leben im Geiste, sondern den Tod im Geiste erwirbt, wenn sie nicht sich eingliedert in die Kräfte des sittlichen Lebens? Ist das noch ein lebendiges Wort, wenn Paulus davon spricht: Wenn ihr nicht habet das Wissen, die Erkenntnis von der Auferstehung Christi, so ist euer Glaube, eure Seele tot. Und indem ihr durch den Tod des Physischen geht, wird eure Seele angesteckt von dem Sterben des Physischen und fängt selber an, im Geistigen zu sterben? – Ist davon ein Verständnis vorhanden, ein inneres lebendiges Verständnis?
Und was das noch Schlimmere ist – wiederum hat unsere Zivilisation

Kan een mens van deze tijd in de volle omvang van het woord voelen dat immoraliteit geen innerlijke samenhang in de ziel kan hebben met de morele plichten, dat dit net zo te maken heeft met dood en leven van de ziel als gezondheid en ziekte te maken hebben met dood en leven van het lichaam? Begrijpt men tegenwoordig nog vanuit de geest dat de ziel niet het leven in de geest verwerft, maar de dood, wanneer deze geen deel wordt van de krachten van het morele leven? Is het woord nog levend als Paulus zegt: wanneer je niet weet dat Christus opgestaan is uit de dood, dan is je geloof, je ziel dood. (1. Kor. 15, 14.) En wanneer je door de dood van het fysieke heengaat, wordt je ziel dan meegenomen door het sterven van het lichaam en sterft die dan zelf in de geest? Heb je daar weet van, een innerlijk levend weten?

En wat nog erger is – en ook hier ontbreekt het onze beschaving

Blz. 86

nicht den Mut, sich diesen Mangel an innerem lebendigem Verständnis zu gestehen. Sie gibt sich zufrieden mit einer Naturwissenschaft, die nur vom Tod reden kann, die nicht von dem Leben der Seele reden kann, und hält aus bloßer Gewohnheit dasjenige aufrecht, was sich auf die Unsterblichkeit der Seele, auf die Auferstehung des Christus auf Erden bezieht. Und ist nicht selbst in die Theologie dieser materialistische Geist eingezogen? Sehen wir uns die modernste Form der Theologie an. Dasjenige, was die Menschen begreifen sollen: daß das Christus-Ereignis so in der irdischen Weltgeschichte drinnensteht, daß da ein Geistiges geistig beur­teilt werden muß, daß man nicht die Auferstehung nach dem Sinne der Naturwissenschaft verstehen kann, sondern nur nach dem Sinne einer Geisteswissenschaft, diese Einsicht haben die Menschen verloren, haben auch die Theologen verloren; sie sprechen nur von dem Menschen Jesus und können nicht mehr zu einem lebendigen Begreifen von dem leben­dig auferstandenen Christus gelangen, und verfallen im Grunde genom­men dem Verdikt des Paulus: So ihr nicht wisset, daß der Christus auferstanden ist, so ist euer Glaube tot. – Selbst der Glaube der modern­sten Theologie ist tot nach den eigenen Worten des Paulus.

aan moed dit gebrek aan innerlijk levend besef toe te geven. Ze is tevreden met een natuurwetenschap die alleen maar over de dood kan spreken, die niet over het leven van de ziel kan spreken en die vanuit de gewoonte voor ons overeind houdt wat betrekking heeft op de onsterfelijkheid van de ziel, op de opstanding van Christus op aarde. En is deze materialistische geest niet ook in de theologie terecht gekomen?
Laten we eens naar de modernste vorm van theologie kijken. Wat de mensen moeten begrijpen is: dat de daad van Christus zo’n plaats in de wereldgeschiedenis inneemt dat er iets geestelijks, geestelijk beoordeeld moet worden, dat men de opstanding niet begrijpen kan met de inhoud van de natuurwetenschap, maar alleen met de inhoud van de geesteswetenschap, dat inzicht hebben de mensen verloren, dat zijn ook de theologen kwijtgeraakt; zij spreken alleen over Jezus als mens en kunnen niet tot een levend begrijpen komen van de opgestane Christus en vallen dan in de grond van de zaak terug, op de boodschap van Paulus: als je niet beseft dat Christus opgestaan is, dan is je geloof dood. Zelfs het geloof van de modernste theologen is volgens dit woord van Paulus, dood.

Wenn es uns aber nicht gelingt, ungefähr zwischen dem siebenten und vierzehnten Jahre in dem Menschen durch jene Pädagogik, von der in der Anthroposophie gesprochen wird, den lebendigen Christus innerlich zu beleben, dann tritt der Mensch in das spätere Leben hinaus, ohne mehr sich ein Verständnis für diesen lebendigen Christus erwerben zu können. Dann muß er entweder ein Leugner des Christus werden oder ein solcher, der innerlich nicht ganz wahr ist, indem er den Christus traditionell festhält, aber eigentlich gar nicht die inneren Seelenmittel hat, um zu begreifen, wie durch das, daß der Christus auferstanden ist, indem der Mensch es miterlebt, indem es der Erzieher mit dem Kinde miterlebt, wie da der lebendige Christus im Herzen, in der Seele erweckt wird. Da kann er erweckt werden, und dadurch kann der Seele die Unsterblichkeit durch ihre Verbindung mit dem Christus gegeben wer­den. Da muß man aber erst ein geistiges Verständnis für die Unsterblich­keit haben. Da muß man erst dazu kommen, sich sagen zu können: Ja, wenn wir bloß die Natur anschauen, dann kommen wir zu Naturgesetzen,

Wanneer het ons echter niet lukt om ongeveer tussen het zevende en het veertiende jaar in de mens door die pedagogie waarover de antroposofie spreekt, de levende Christus innerlijk tot leven te wekken, dan gaat de mens later het leven in zonder zich meer een begrip voor deze levende Christus te kunnen verwerven. Dan moet hij ofwel een ontkenner van de Christus worden of iemand die innerlijk niet helemaal eerlijk is wanneer hij vanuit de traditie aan Christus vasthoudt, maar eigenlijk helemaal niet de innerlijke mogelijkheden van de ziel heeft om te begrijpen hoe door het feit dat Christus is opgestaan – als de mens dat meebeleeft, als hij dat als opvoeder met het kind meeleeft – hoe dan de levende Christus in het hart, in de ziel gewekt wordt. Daar kan hij worden gewekt en daardoor kan de ziel de onsterfelijkheid worden gegeven door de verbinding met de Christus. Maar dan moet je wel eerst een geestelijk besef krijgen van de onsterfelijkheid. Dan moet je eerst in staat zijn om te kunnen zeggen: wanneer we alleen maar naar de natuur kijken, dan ontdekken we de natuurwetten,

Blz. 87

die uns lehren, wie einstmals unsere Erde dem Wärmetod verfallen wird, wie einstmals alles auf Erden ersterben wird. Aber haben wir nicht den Einblick in die lebendige göttliche Geistigkeit, dann müssen wir glauben, daß unsere sittlichen Ideale mitsterben mit dem Wärmetod der Erde, daß sich alles in einen großen Friedhof verwandelt. Haben wir die Einsicht in die lebendige Geistigkeit, dann wissen wir, daß dasjenige, was als sittliche Impulse aus unserer Seele quillt, aufgenommen wird von der göttlichen Geistigkeit. Wie von uns der Sauerstoff der Luft aufge­nommen wird zu unserem Leben, so wird das, was wir sittlich tun, von der in der Welt lebenden göttlichen Geistigkeit aufgenommen und unsere Seele selber hinausgetragen über den Untergang der Erde in andere Welten hinein.
Das aber muß man lebendig aufnehmen können in seine Anschauung, in sein ganzes Seelenleben, wie man heute aufnimmt die Lehre von den Röntgenstrahlen, die Lehre von der Telephonie, die Lehre von dem Magnetismus und der Elektrizität; an die glaubt man, weil man innerlich lebendig damit lebt durch die äußeren Sinne. Man muß, damit man das richtige lebendige Verhältnis dazu hat, in diesen Dingen drinnen auch lebendig leben, sonst ist man in diesen Dingen wie ein Künstler, der weiß, was schön ist, der in trockenen abstrakten Verstandesbegriffen alles beisammen hat, was ein Kunstwerk schön machen soll, der aber keine Farben behandeln kann, der niemals den Lehm kneten kann und so weiter.

die ons voorhouden dat eens onze aarde de warmtedood deelachtig wordt, hoe ooit alles op aarde zal sterven. Maar als we geen inzicht hebben in de levende, goddelijke geest, dan moeten we wel aannemen dat onze morele idealen met de warmtedood van de aarde ook ten gronde zullen gaan, dat alles veranderd zal worden in één groot kerkhof. Als we inzicht hebben in de levende geest, dan weten we dat alles wat als morele impulsen uit onze ziel opborrelt, door de goddelijke geest wordt opgenomen. Zoals door ons de zuurstof van de lucht wordt opgenomen opdat we leven, zo wordt dat wat wij moreel doen, door de in de wereld levende goddelijke geest opgenomen en onze ziel zelf wordt opgenomen buiten de ondergang van de aarde, in andere werelden. Dit echter, moet je in je op kunnen nemen in je opvattingen, in je hele zielenleven, zoals je ook nu de kennis van de röntgenstralen, de kennis van de telefonie, van het magnetisme en de elektriciteit in je opneemt; daar geloven de mensen in omdat ze daar innerlijk-levend mee omgaan door de uiterlijke zintuigen. Je moet, wil je daar een innerlijke verbinding mee hebben, met deze dingen ook innerlijk wakker leven, anders ben je met deze dingen als een kunstenaar die weet wat mooi is, die op droge, abstracte verstands-begrijpelijke manier alles op een rijtje heeft wat een kunstwerk mooi moet maken, maar die niet met kleur kan omgaan, die in de verste verte geen klei kan kneden enz.

Wollen wir herankommen an den lebendigen Menschen, so müssen wir die Kräfte zu diesem Herankommen suchen in der lebendi­gen Geistigkeit selbst. Unserer gegenwärtigen Zivilisation fehlt aber die Geistigkeit. Das soll die zweite Säule der pädagogischen Kunst sein. Und so stehen wir heute als pädagogische Künstler vor dem Menschen mit einer bloßen naturwissenschaftlichen Gesinnung. Auf der einen Seite ist uns entfallen in eine bloße Summe von Worten die Seelenwelt, auf der anderen Seite ist uns entfallen wiederum in einer bloßen Summe von Worten die geistige Welt, die sittliche Welt, die höchstens noch in einer Summe von Zeremonien vorhanden ist. Wir wollen pädagogische Kunst auf Seelenkunde und Ethik gründen und haben nur eine Seelenkunde ohne Seele, eine Ethik ohne göttlich-geistige Verbindlichkeit. Wir wol­len vom Christus sprechen und müßten gerade, um richtig von Christus

Willen wij bij die wakkere mens komen, dan moeten wij de krachten zoeken die dat mogelijk maken in de dynamische spiritualiteit zelf.
In onze huidige beschaving ontbreekt echter die spiritualiteit. En dat zou de tweede pijler van de pedagogische kunst moeten zijn.
En in deze hoedanigheid staan wij vandaag als pedagogisch kunstenaar voor de mens met alleen maar de natuurwetenschappelijke opvatting. Aan de ene kant is ons door een optelsom van woorden de zielenwereld ontvallen, aan de andere kant is opok met een optelsom van woorden de geestelijke wereld, de morele wereld die hooguit nog uit een hoeveelheid plechtige handelingen bestaat.
Wij willen pedagogische kunst de basis geven van psychologie en ethiek en we hebben slechts een psychologie zonder ziel, een ethiek zonder dat het goddelijk-geestelijke ons raakt. We willen over Christus spreken en zouden om dat goed te kunnen doen,

Blz. 88

sprechen zu können, ein Seelisches haben, müßten, um richtig von ihm sprechen zu können, ein Göttlich-Geistiges haben. Denn haben wir beide nicht, so sprechen wir nur von dem Menschen Jesus, das heißt Von dem, der im physischen Leibe unter den Menschen gewandelt hat, wie andere Menschen herumwandeln. Will man den Christus erkennen, will man aus der Christus-Kraft heraus auch in der Schule wirken, dann braucht man nicht eine Seelenkunde in Worten, nicht eine Ethik in Worten, dann braucht man die lebendige Einsicht in das Leben und Wirken des Seelischen, dann braucht man die lebendige Einsicht in das Weben und Wirken der ethischen Kräfte in dem Sinne, wie die Naturkräfte wirken, als Realitä­ten, nicht bloß als konventionelle Gebote, denen man sich fügt aus Gewohnheit, sondern als Kräfte, in denen man leben will, weil man weiß, daß man stirbt im Geiste, wenn man nicht darinnen lebt, so wie man stirbt im Leibe, wenn einem das Blut erstarrt.
Diese Anschauungen in aller Lebendigkeit, sie mussen eben Lebensgüt werden gerade für die pädagogische Kunst. Sie müssen als etwas, was belebt, was innerlich bewegt, was aus einem Toten ein Lebendiges bildet, dasjenige durchdringen, was der Lehrer in seinem Gemüte zu tragen hat, wenn er erziehen, wenn er unterrichten will.

een ziel moeten hebben, zouden om goed over hem te kunnen spreken iets goddelijk-geestelijks moeten hebben. Want als we die twee niet hebben, dan spreken we alleen maar over Jezus als mens, d.w.z. alleen over degene die in een lichamelijke gestalte onder de mensen geweest is, zoals andere mensen onder elkaar zijn.
Wil je Christus leren kennen, wil je vanuit een christuskracht ook in de school werkzaam zijn, dan heb je geen psychologie van woorden nodig, niet een ethiek van woorden, dan heb je het wakkere inzicht nodig in hoe de ziel leeft en actief is, dan heb je inzicht nodig in de stromend-levende activiteit van de etherkrachten, in die zin zoals de natuurkrachten actief zijn, als werkelijkheid, niet alleen als conventionele geboden, waar men zich uit gewoonte naar voegt, maar als krachten waarin je leven wil, omdat je weet dat je in de geest sterft, wanneer je daar niet in leeft, zoals je sterft in je lichaam, wanneer je bloed zou stollen.
Deze gezichtspunten, in al hun vitaliteit, moeten een kwaliteit worden van het leven, m.n. voor de pedagogische kunst. Die moeten, als iets wat enthousiasmeert, iets wat innerlijk in beweging brengt, wat uit iets doods iets levends maakt, doordríngen wat de leerkracht in zijn ziel met zich mee moet dragen, wanneer hij opvoeden, lesgeven wil.

Wir sprechen heute von der Seele, ob wir Gebildete oder Ungebildete sind, in toten Worten, das heißt, wir leben nicht in dem seelischen Leben, wir plätschern herum um das Kind, denn wir haben keinen Zugang zu seiner Seele. Wir leben heute in den toten Worten, wenn wir vom Geiste reden. Wir suchen mit allen möglichen experimentellen Mitteln an den Leib des Kindes heranzudringen. Er bleibt uns finster und stumm, weil hinter allem Leiblichen das Geistige ist. Aber das Geistige müssen wir in Lebendigkeit ergreifen, wenn wir es in Kunst überführen sollen, wenn es nicht bloß in abstrakten Gedanken erfaßt werden soll, die keine Wirkungskraft haben.
Geradeso wie überall gehört werden kann, die pädagogische Kunst ist auf den beiden Grundsäulen zu errichten, der Ethik auf der einen Seite, der Seelenkunde auf der anderen Seite, so hört man heute vielfach herbe Zweifel darüber äußern, wie eigentlich das Kind erzogen werden soll. Man weist darauf hin, frühere Zeiten haben das Kind so erzogen, daß sie

We spreken tegenwoordig over de ziel – of we opgeleid zijn of niet – met dode woorden, d.w.z. wij leven niet in het zielenleven, van ons uit doen we maar zo’n beetje met het kind, want we hebben geen toegang tot zijn ziel. We hebben alleen lege woorden wanneer we over de geest spreken. We proberen met alle mogelijke experimentele middelen tot het leven van het kind door te dringen. Dat blijft voor ons duister en gesloten, omdat achter al het lichamelijk-levende het geestelijke staat. Maar de geest moeten we op een actieve manier in ons opnemen, als we die naar de kunst willen overbrengen, als we die niet in abstracte gedachten willen begrijpen die geen actieve kracht hebben. Juist omdat je overal kan horen dat de pedagogische kunst gebouwd moet worden op twee pijlers, die van de ethiek aan de ene kant en die van de psychologie aan de andere kant, hoor je ook vaak de diepe twijfel over hoe het kind opgevoed moet worden. Er wordt op gewezen dat in vroegere tijden het kind zo opgevoed werd, 

Blz. 89

schon im Kinde den erwachsenen Menschen gesehen haben. Man hat recht. Wie haben die Griechen noch ihre Kinder erzogen? Sie haben eigentlich nicht viel Rücksicht darauf genommen, wie die Kinder, da sie noch Kinder waren, sich eigentlich darlebten. Hat man gesehen, daß sie nicht richtige erwachsene Griechen werden konnten, so setzte man sie ja in älteren Zeiten sogar aus. Das Kind als solches hatte überhaupt nicht eine Bedeutung, nur der erwachsene Mensch hatte eine Bedeutung. Und indem man das Kind erzog, handelte es sich darum, den erwachsenen Menschen nur zu berücksichtigen, alles am Kinde zu machen, was nur den erwachsenen Menschen berücksichtigt.
Heute ist man angelangt in einer Zivilisation, wo, wenn man es so ausdrücken darf – diejenigen, die auf diesem Gebiete Erfahrungen haben, werden das schon wissen -, wo die Kinder nicht mehr mitma­chen, wenn man sie nicht berücksichtigt, wo die Kinder innerlich sich sträuben, wenn man beabsichtigt, sie eigentlich nicht gelten zu lassen, sondern nur den Erwachsenen berücksichtigen will.

als zag men in het kind een volwassene. Daar heeft men gelijk in. Hoe hebben de Grieken hun kinderen nog opgevoed? Die hebben er eigenlijk niet veel rekening mee gehouden hoe de kinderen, omdat ze nog kind waren, leefden. Als ze ontdekten dat die geen gezonde volwassenen konden worden, dan zette men ze in die tijden buiten de gemeenschap. Het kind als zodanig was niet van betekenis, dat was alleen de volwassene. En als men het kind opvoedde, ging het erom alleen rekening te houden met de volwassene; alles met het kind te doen vanuit de volwassene.
Tegenwoordig zijn we in de beschaving zo ver dat, wanneer je het zo mag zeggen – degene die op dit terrein ervaringen hebben opgedaan weten dat wel – de kinderen niet meer meemaken dat er geen rekening met hen wordt gehouden, waar de kinderen innerlijk in opstand komen wanneer men de bedoeling heeft ze eigenlijk niet mee te laten tellen, alleen maar naar de volwassene te kijken.

Daher treten heute die Zweifel auf: Soll man so erziehen und unter­richten, daß man vor allem das Kind in der unmittelbaren Gegenwart als Kind behandelt, daß man das Kind unmittelbar ansieht, und nun dem Kinde eine solche Erziehung, einen solchen Unterricht angedeihen läßt, daß das Kind sich dabei befriedigt fühlt, oder soll man mehr Rücksicht darauf nehmen, in dem Kinde das zu erwecken, was das Kind einmal als Erwachsener sein muß? Ja, sehen Sie, solche Fragen treten auf, wenn man nur noch in der Lage ist, den Menschen von außen zu beachten, wenn man gar nicht mehr darauf kommt, in das menschliche Innere hineinzuschauen. Freilich, wenn man mit einem Verstande, der entweder schon an experimenteller Psychologie herangebildet ist, oder schon nur die Gesinnung hat, die dann zu experimenteller Psychologie kommt, wenn man mit einem solchen Verstande erzieht, ja, dann kommt man eben nicht an das Kind heran. Denn das Kind trägt noch nicht sein seelisches Sein an der äußeren Oberfläche, daß man es nur zu verstehen hat. Beim Erwachse­nen genügt es, wenn wir ihn bloß verstehen. Beim Kinde genügt es nicht, wenn wir es bloß verstehen. Mit dem Kinde müssen wir innerlich zusammenleben können. Wir müssen so das Menschliche lebendig in uns

Vandaar dat er nu die twijfel is: moet je zo opvoeden en onderwijzen dat je boven alles het kind in de huidige tijd als kind behandelt, dat je het direct ziet en het kind dan zo’n opvoeding geeft, zo’n onderwijs, dat het kind zich daarbij goed voelt, of moet je er meer de nadruk op leggen in het kind wakker te roepen wat het eens als volwassene moet zijn?
Dit soort vragen komt op, wanneer je alleen nog maar in staat bent om uiterlijk naar de mens te kijken. wanneer je er helemaal niet meer opkomt, in het innerlijk van de mens te kijken. Inderdaad, wanneer je met denkbeelden die of al door experimentele psychologie gevormd zijn of dat je door de overtuiging die je al hebt tot experimentele psychologie komt, wanneer je met die overtuiging opvoedt, dan bereik je echt het kind niet. Want het kind heeft wat het als gevoelswezen is, nog niet aan zijn buitenkant, dat je dat zomaar kan begrijpen. Voor de volwassene is het voldoende dat we hem simpelweg begrijpen. Voor een kind is dat niet voldoende. Met het kind moeten we innerlijk kunnen samengaan. We moeten het menselijke zo actief in ons

Blz. 90

aufgenommen haben, daß wir mit dem Kinde lebendig zusammenleben können. Bloßes Verstehen des Kindes nützt gar nichts. Aber wenn wir das können, wenn wir innerlich lebendig mit dem Kinde leben können, dann besteht für uns der Widerspruch nicht mehr, das Kind als Kind zu erziehen, oder den Erwachsenen im Kinde zu erziehen; dann wissen wir lebendig, daß wir dasjenige, was wir an das Kind heranbringen wollen, so heranbringen müssen, wie es das Kind selbst will, und dennoch den Erwachsenen im Kinde erziehen. Will denn das Kind in seinem innersten Wesen ein Kind sein? Dann würde es ja nicht mit der Puppe spielen, um nachzuahmen, wie der erwachsene Mensch zu dem Kinde eine Beziehung hat, dann würde ja das Kind nicht mit größter Freude, wenn irgendwo eine Werkstätte in seiner Nähe ist, mit den Arbeitern mitarbeiten in seiner Art, das heißt, mitspielen, aber das Spiel ist ihm ja rechter Ernst. Das Kind lechzt ja nur darnach, auf seine Art schon die Kräfte zu entwickeln, die die Erwachsenen entwik­keln, aber eben auf seine Art.
Verstehen wir den Menschen und verstehen wir dadurch auch das Kind, dann kennen wir auch die Art und Weise, wie das Kind in sein Erwachsensein hineinstrebt, nur daß es statt des wirklichen Kindes nun die Puppe nimmt.

hebben opgenomen, dat we met het kind actief samen kunnen leven. Het kind alleen maar begrijpen heeft helemaal geen zin.
Maar als we dat kunnen, als we innerlijk actief met het kind kunnen leven, bestaat voor ons die tegenspraak niet meer om het kind als kind op te voeden of de volwassene in het kind op te voeden; dan weten we, wakker, dat we wat we het kind mee willen geven, dat zo moeten doen als het kind het zelf hebben wil en dan toch de volwassene in het kind opvoeden. Wil het kind in zijn diepste wezen kind zijn? Dan zou het niet met poppen spelen om de volwassene na te bootsen, zoals de volwassene een band heeft met het kind; dan zou het kind niet met het grootste plezier, wanneer er ergens een werkplaats in zijn omgeving is, met de mensen die er werken, meewerken, op zijn manier, d.w.z. meespelen, want het spel is hem ernst. Het kind hunkert er alleen maar naar om op zijn manier al die krachten te ontwikkelen, die de volwassenen ontwikkelen, maar dan wel op zijn manier. Wanneer we de mens begrijpen en daardoor ook het kind, dan weten we ook de manier hoe het kind naar zijn volwassen-zijn streeft, maar dat het i.p.v. een echt kind, nu een pop neemt.

Wir wissen dann auch in bezug auf alles das, was wir heranzuerziehen, heranzuunterrichten haben, wie wir dem Kinde die größte Freude machen, wenn wir in der richtigen Weise in ihm den Erwachsenen erziehen, aber nicht auf unsere nüchterne, trockene Weise, wo uns selber die Arbeit zuwider ist, wo wir ächzen unter der Arbeit, sondern wenn wir in der richtigen Weise in ihm den Erwachsenen erziehen, so, daß die Arbeit innerlich wie ein zweiter Mensch entsteht, was beim Kinde macht, daß die Arbeit noch in das ernste Spiel hineinergossen ist. Wenn wir dies verstehen, innerlich lebendig verstehen, nicht in abstrakten Begriffen, dann lernen wir, überhaupt einen solchen Zweifel nicht mehr zu haben, ob wir nun den Erwachsenen im Kinde erziehen sollen, oder ob wir im Kinde das Kind erziehen sollen, dann schauen wir in dem jungen Kinde, wie der Keim des Erwachsenen in ihm ist. Aber wir reden jetzt mit diesem Keim des Erwachsenen nicht, wie wir mit einem Erwachsenen reden, wir reden eben, wie wir mit einem Kinde reden.
Dadurch ist es so, daß wenn wir nicht an die Menschennatur herankommen,

We weten dan ook wat betreft alles wat wij bij het opvoeden, het onderwijsgeven moeten doen, hoe wij het kind het grootste plezier kunnen doen wanneer we op de juiste manier de volwassene in hem opvoeden, maar niet op onze nuchtere, droge manier waarbij ons het werk zelf tegenstaat, waar we kreunen onder het werk, maar wanneer we op de goede manier in hem de volwassene opvoeden, zodat het werk innerlijk als een tweede mens ontstaan, wat bij het kind maakt dat het werk nog in het serieuze spel besloten ligt. Wanneer we dit begrijpen, innerlijk actief begrijpen, niet in abstracte begrippen, dan leren we die twijfel helemaal niet meer te hebben of wij nu de volwassene in het kind moeten opvoeden of dat we het kind in het kind moeten opvoeden, dan zien we in het jonge kind hoe de kiem van het volwassen-zijn in hem aanwezig is. Maar met deze kiem spreken we niet zoals we met een volwassene spreken, we spreken hoe we met een kind praten.
Daardoor komt het, dat wanneer we de natuur van de mens niet bereiken,

Blz. 91

sich uns überall auf der einen Seite die Begriffe hinstellen, die eigentlich nur Worte sind, und auf der anderen Seite die anderen Begriffe, die eigentlich nur Worte sind. Darüber soll eben gerade die Anthroposophie hinwegführen. Sehen Sie, man streitet heute über Mate­rialismus und Geistigkeit. Man sagt: Ja, den Materialismus muß man überwinden, man muß wieder zur Geistigkeit kommen. Aber Anthro­posophie ist etwas, für das überhaupt der Begriff der Materie, wie er heute in den Menschen spukt, allen Sinn verloren hat. Denn lernt man die Materie wirklich kennen, dann fängt sie an, bildlich gesprochen, durchsichtig zu werden und löst sich ganz in Geist auf.
Lernt man den Geist wirklich kennen, dann fängt er an, nicht bloß das abstrakte tote Gebilde zu sein, das heute der intellektualistische Mensch in sich hat, sondern ein innerlich Tätiges zu werden. Der Geist fängt an, selber die Summe der Wachstumskräfte zum Beispiel in dem werdenden Menschen zu sein. Alles wird innerlich regsamer und tätig. Der Geist wird schöpferisch, wird so dicht wie die Materie.Lernt man die Materie richtig kennen, so verwandelt sie sich in Geist. Lernt man den Geist richtig kennen, verwandelt er sich vor unserem Seelenauge in Materie, die dasjenige ist, was der Geist in seiner Schöpfer­kraft nach außen hin offenbart. Und die Worte Materie und Geist, einseitig gebraucht, hören auf einen Sinn zu haben. 

we aan de ene kant overal de begrippen vinden die eigenlijk alleen maar woorden zijn en aan de andere kan de andere begrippen die eigenlijk ook maar woorden zijn. En juist de antroposofie moet ons daarboven uithelpen. Er bestaat nu een dispuut over materialisme en geest. Men zegt: het materialisme dient overwonnen te worden, men moet weer naar de geest toe. Maar voor de antroposofie is het begrip van de materie zoals dat nu in de mens rondspookt, iets waarvoor deze alle zin verloren heeft. Want wanneer je de materie werkelijk leert kennen, begint deze, beeldend gesproken, doorzichtig te worden en lost helemaal in de geest op.
Wanneer je de geest werkelijk leert kennen, dan begint deze, niet alleen de abstract dode structuur te zijn, die de huidige intellectualistische mens in zich opgenomen heeft, maar dan begint die innerlijk actief te worden. De geest begint zelf als bijv. het totaal aan groeikrachten in de wordende mens te zijn. Alles wordt innerlijk actiever en beweeglijker. De geest wordt scheppend, wordt zo dicht als de materie.
Wanneer je de materie goed leert kennen, verandert deze in geest. Leer je de geest goed kennen, dan verandert deze zich voor ons zielenoog in materie die datgene is wat de geest in zijn scheppingskracht naar buiten toe laat zien. En de woorden materie en geest, eenzijdig gebruikt, verliezen hun zin.

Wenn wir aber anfangen, aus einer solchen Gesinnung heraus zu sprechen, dann reden wir vielleicht auch noch von Materie und Geist, weil die Worte einmal geprägt sind, aber wir reden ganz anders, indem wir das Wort Materie oder Stoff aussprechen, weil wir es gefühlsmäßig anders färben, wenn wir diese anthroposophische Erkenntnis haben, die ich gerade charakte­risiert habe.Das Wort Materie und Stoff bekommt einen anderen, geheimen Klang. Dieser geheime Klang aber wirkt dann auf das Kind, nicht der Inhalt des Wortes Materie.
Fühlen Sie einmal, wie in dem vollergriffenen Worte das menschliche Gemüt darinnen lebt! Nehmen Sie einen Menschen wie Fritz Mauthner, der gefühlt hat, daß eigentlich für das Seelenhafte nur noch Worte da sind, der wollte, daß man von «Geseel» sprechen soll. Nun, darüber lacht man vielleicht. Aber nehmen Sie an, dieselbe Methode setze man fort in das religiös-ethische, sittliche Gebiet hinein, wo unsere Taten

Wanneer we echter beginnen vanuit zo’n houding te spreken, dan spreken we misschien ook nog over materie en geest, omdat de woorden nu eenmaal die vorm hebben gekregen; we praten heel anders als we het woord materie of stof uitspreken, omdat we het gevoelsmatig anders kleuren, wanneer we deze antroposofische kennis hebben die ik net gekarakteriseerd heb. Het woord materie en stof krijgt een andere, unieke klank. Deze unieke klank echter werkt dan op het kind, niet de inhoud van het woord materie.
Voel eens hoe in dat volkomen begrepen woord het menselijk gevoel actief is! Neem eens een mens als Fritz Mauthner die gevoeld heeft dat er voor de ziel eigenlijk alleen maar woorden zijn, hij wilde over ‘Geseel’ spreken [zoiets dus als van ziel ‘geziel’ maken, -voel, ge-voel]. Misschien lacht men erom. Maar neem eens aan dat dezelfde methode voor het religieus-ethische, morele gebied gevolgd wordt, waar onze daden

Blz. 92

wirken, und ein Mensch macht aus derselben Gesinnung heraus eine Wortbildung – was kommt heraus? «Getue!» Sehen Sie, nach demselben Sprachgesetze wie das Wort Geseel habe ich Getue gebildet. Über das Wort Geseel wird man höchstens lachen; das Wort Getue empört. Denn wenn unser ganzer Handlungsinhalt ein Getue wird, so wird er etwas, was eigentlich empörend ist. Dies rührt nicht her von dem Inhalt des Wortes, dies rührt her von dem, was wir empfindend erleben beim Worte. Wir erleben empfindend ganz etwas anderes, wenn es sich darum handelt, Worte zu bilden, die ins Innere der Seele hineinführen: Geseel, oder ob es sich darum handelt, Worte zu bilden, die das bezeichnen, was den Menschen hinaus in die Außenwelt führt, was den Menschen dahin führt, wo die Taten des Menschen selber Naturereignisse werden. Spricht man da von Getue, dann wird die Sache empörend.
Aber jetzt bedenken Sie, wie auf der einen Seite die Worte so ineinanderlaufend liegen. Man spricht mit derselben Neutralität Stoff, Geist, Leib, mit derselben Neutralität Seele, man spricht mit derselben Neutralität Gehirn, die zwei Beine und so weiter. Es ist ja sozusagen geradezu das Ideal naturwissenschaftlicher Erkenntnis, daß wir alles ohne menschlichen Anteil sagen.
Wenn wir aber zu Worten kommen, die ohne menschlichen Anteil sind, dann werden die Worte tot.

werkzaam zijn en een mens maakt vanuit diezelfde houding een woordvorm – welke is dat dan? ‘Getue’! [van tun = doen; het ‘gedoen’]. Volgens dezelfde taalwet waarmee het woord ‘Geseel’ is gevormd, heb ik ‘Getue’ gevormd. Over het woord Geseel zal men hooguit lachen; het woord Getue roept ergernis op. Want wanneer alle inhoud van ons handelen Getue wordt, wordt dat iets wat eigenlijk ergernis oproept. [In het Duits is het iets van ‘heisa, wi zouden kunnen denken aan ons ‘gedoe’] Dat komt niet door de inhoud van het woord, maar door wat wij erbij beleven. We beleven er heel iets anders bij als het erom gaat woorden te vormen die naar het innerlijk van de ziel leiden: Geseel of dat het erom gaat woorden te vormen die beschrijven wat de mens naar de buitenwereld voert, wat de mensen brengt naar waar de daden van de mens zelf feiten worden. Als je daarbij over Getue spreekt, wordt het irritant. Maar bedenk nu eens hoe het aan de ene kant met de woorden is die zo achter elkaar gesproken worden. Men spreekt met dezelfde neutraliteit over stof, geest, lichaam, met dezelfde neutraliteit over ziel, over brein, over onze twee benen enz. Dat is om zo te zeggen toch het ideaal van de natuurwetenschappelijke kennis om alles te benoemen zonder het aandeel van de mens erin.
Maar als we dan bij woorden komen zonder een aandeel van de mens daarin, dan gaan die woorden dood.

Die abstrakten naturwissenschaftlichen Worte werden tot, wenn wir nicht mehr den menschlichen Anteil in sie hineingießen. Wir sprechen zum Beispiel in der Physik von einer Lehre vom Stoß. Wir können höchstens noch eine mathematische Formel aufschreiben, die wir aber auch nicht verstehen, wenn wir vom Stoß sprechen, ohne jene lebendigen Empfindungen, die wir haben, wenn wir selber stoßen. Dadurch bekommt allein das Wort Leben, daß wir wiederum das Menschliche in unsere Zivilisation hineintragen.
Dieses Menschliche hineintragen in unsere Zivilisation, das möchte Anthroposophie. Geht man durchs Leben lässig, gleichgültig, indem man einfach die äußeren Ereignisse durch die Technik ablaufen läßt, die ein Kind der so großartig fortgeschrittenen Naturwissenschaft ist, so geht es noch. Kommt man aber in diejenigen Gebiete herauf, wo der Mensch dem Menschen helfen soll als Arzt, als Lehrer, als Erzieher, dann geht es nicht. Dann wird die Notwendigkeit empfunden, wirkliche,

De abstracte natuurwetenschappelijke woorden worden levenloos als we niet het aandeel dat de mens erbij heeft, eraan toevoegen. We spreken bijv. in de fysica over een leer van de stof. Wij kunnen hooguit nog een wiskundige formule opschrijven, die we echter ook niet begrijpen wanneer we over stof spreken zonder de intense gewaarwording die we hebben als we ons eraan stoten. Er komt alleen leven in de woorden wanneer we weer het menselijke in onze beschaving brengen.
En dat wil de antroposofie. Ga je gewoontjes, onverschillig door het leven als je simpelweg de zichtbare resultaten van de techniek, die een kind is van de geweldig ontwikkelde natuurwetenschap, op z’n beloop laat, dan gaat het nog wel.
Kom je echter op dat gebied waar de mens de andere mens moet helpen als arts, leerkracht, opvoeder, dan gaat dat niet. Dan voel je de noodzaak, echte,

Blz. 93

lebendig gefühlte, gewollte Menschenerkenntnis zu haben, diese in der pädagogischen Kunst – man braucht sie nicht umzuwandeln – sich selber offenbaren zu lassen.
Deshalb ist es nicht irgendein Eigensinn, von dem wir sprechen, sondern es ist innere Zivilisationsnotwendigkeit, erst zu einer Men­schenkunde zu kommen, und dann von dem zu sprechen, was man braucht, um die heute noch unbewußten oder unterbewußten Erzie­hungsforderungen zu erfüllen.
Und wenn sich noch so viele Erziehungs-Reformvereine bilden, sie helfen nichts, wenn ihnen nicht vorangehen diejenigen Vereinigungen, diejenigen Menschengemeinschaften, die erst wiederum hinarbeiten auf eine lebendige Menschenerkenntnis, das heißt auf eine Seelenkunde mit einer wirklichen Seele, auf eine Sittenlehre mit einer wirklichen göttlich-geistigen Verbindlichkeit.

diep gevoelde, gewilde menskunde te hebben, deze in de pedagogische kunst – je hoeft die niet om te werken – zelf tot uiting te laten komen.
Daarom is het niet een of andere eigenzinnigheid waar we over spreken, maar over wat in de beschaving erg nodig is en dat is een menskunde te krijgen en er dan over te spreken wat we nodig hebben om de onbewuste of onderbewuste opvoedingseisen te vervullen.
En ook al worden er nog zoveel verenigingen voor opvoedingsvernieuwing gesticht, die helpen niets als deze niet worden voorafgegaan door verenigingen, mensengemeenschappen die allereerst aan een menskunde werken die leeft, d.w.z. een psychologie met een echte ziel, een ethiek met een echte goddelijk-geestelijke binding.

Diese Vereinigungen müssen das Banner vorantragen. Dann mögen hinten nachfolgen diejenigen, die wiederum auf den beiden Grundsäulen bauen wollen, die pädagogischen Vereinigungen, die da bauen wollen auf dem, was erst erbaut werden muß auf den Grundfesten einer realen Seelenkunde, einer realen Ethik, einer Seelenkunde, die nicht bloß in Worten redet, und einer Ethik, die weiß, daß dasjenige, was der Mensch sittlich vollbringt, in der göttlich-geistigen Welt verankert ist. 

Deze verenigingen moeten met de banier vooroplopen. Dan kunnen daarachter de mensen volgen die weer op de beide grondpijlers willen bouwen, pedagogische verenigingen die willen bouwen op wat pas gebouwd kan worden op het fundament van een echte psychologie die niet alleen maar met woorden spreekt en een ethiek die weet dat wat de mens ethisch doet, in de goddelijk-geestelijke wereld ligt verankerd.

.

Rudolf Steiner: pedagogische voordrachten

Rudolf Steineralle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2791-2619

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen – voedselallergie (4-8)

.

Katja Madrigal, met medewerking van Aart van der Stel, huisarts,
WeledaBerichten nr. 173, zomer 1997

.

Voedselallergie
.

Je geeft je kind iets onschuldigs als een glas melk en na enige tijd heeft het last van hevige diarree of van een merkwaardig eczeem. Voedselallergie is een vorm van overgevoeligheid die je vooral bij heel jonge kinderen ziet. Gelukkig is er wel wat aan te doen. En kijk je naar de achtergronden, dan blijkt al de narigheid soms ook een positieve kant te kunnen hebben.

Als je allergisch bent, ben je overgevoelig voor een bepaalde stof. Je lichaam reageert er heftig op, alsof het om een vijandige indringer gaat. Voedselallergie is een van de vele allergievormen waardoor de huidige mens wordt geplaagd. Vooral baby’s en peuters tot drie jaar hebben er last van: meestal krijgen ze flinke diarree of eczeem na het eten of drinken van bepaalde voedingsmiddelen. Het eczeem is ook bekend onder de naam dauwworm en kan optreden in een droge vorm (jeukende schilferplekken en pukkeltjes) of in een natte vorm (rode, jeukende zwellingen met afscheiding).

In de meeste gevallen zijn het melk en melkproducten waar een kind met voedselallergie slecht tegen kan. Maar ook eieren, pinda’s, vlees en vis, en in mindere mate citrusvruchten en chocola kunnen problemen veroorzaken. Waarom worden deze voedingsmiddelen door de ene baby zo slecht verdragen, terwijl de andere nergens last van heeft?

De overvolle brievenbus

Allergie is een uitdrukking van hevige afweer tegen iets dat van buitenaf komt. Het wijst op een verstoring in het omgaan met prikkels en indrukken. Je kunt dit vergelijken met een brievenbus waar dagelijks een enorme hoeveelheid papier in terechtkomt: reclamedrukwerk, de krant, het wijkblad, gevraagde en ongevraagde post. De meeste mensen sorteren bij het leeghalen een hoop die meteen weg kan, en daarnaast een stapeltje dat ze willen inkijken. Ze kiezen dus direct welke informatie ze uit het aanbod gaan gebruiken, en welke ze opzij willen leggen.

Bij mensen met aanleg voor allergie kan dit vermogen om te selecteren minder zijn ontwikkeld. Zij maken dan weinig onderscheid in alles wat van buiten komt, maar laten de totale lading aan indrukken ‘ongecensureerd’ binnen. Vervolgens zien ze geen andere mogelijkheid om zich ervan te bevrijden dan met heftige lichamelijke afweerreacties. Het is alsof ze begraven zijn onder een hoop ongewenste post, en daar alleen nog maar uit kunnen komen door wild om zich heen te slaan.

Je binnenwereld afschermen tegen datgene wat zich buiten je afspeelt en niet bij jou past, lukt beter naarmate je ouder wordt. Dan leer je jezelf als persoon te ervaren en bewuste keuzes te maken. Dit kan verklaren waarom allergieën op jeugdige leeftijd zoveel meer voorkomen dan later. Heel jonge kinderen zijn nog helemaal overgeleverd aan hun omgeving en daar zijn ze ook helemaal op ingesteld. Melk is na de moedermelk in feite hun eerste diepgaande kennismaking met de wereld. Als je vanuit deze benadering kijkt is het minder verwonderlijk dat juist melk bij kinderen met aanleg voor allergie problemen oplevert.

Grensvlak

Wie niet tegen aardbeien kan, wordt bijna zelf een aardbei: je huid ziet er door de uitslag dan net zo rood en gespikkeld uit. Net zo wordt een baby die niet tegen melk kan als het ware vloeibaarder door diarree te krijgen.

Alle voedselallergieën uiten zich aanvankelijk door diarree, in een later stadium door eczeem. Kenmerkend is verder dat allergieën zich altijd afspelen aan het grensvlak van het lichaam en zijn omgeving, namelijk de huid. Ook slijmvlies in bijvoorbeeld neusholtes, longen en het maag-darmstelsel kun je immers zien als huid die met de holtes mee naar binnen is gegaan en een andere vorm heeft gekregen. Ook dit wijst erop dat het gaat om een problematiek die te maken heeft met toelaten en grenzen stellen. Kun je hier nog niet zo goed mee omgaan, dan is een mogelijke lichamelijke reactie dat je organen in hun functioneren als het ware overdrijven. Bij diarree en nat eczeem bijvoorbeeld wordt het oneigene eruit ‘gespoeld’; bij droog eczeem maken de extra huidschilfers de huid als lichaams-begrenzing dikker.

Voedselallergie kan wel hinderlijk zijn, maar leidt gelukkig alleen in zeldzame gevallen tot echt grote problemen. Er zijn goede vervangende producten die je je kind kunt geven als het allergisch reageert op melkproducten en andere dierlijke eiwitten. Bovendien, als het opgroeit gaat de allergie in de meeste gevallen over of wordt op z’n minst een stuk minder heftig. Door een antroposofisch arts wordt ook wel het middel Lac Vaccae D30 voorgeschreven: een van de geneesmiddelen die aanleren om aardse substanties beter te verteren.

Om je allergische kind te ondersteunen bij het leerproces dat het doormaakt, is het belangrijk het te beschermen tegen een overdaad aan (nieuwe) indrukken. Bijvoorbeeld met een duidelijke, vaste dagindeling en een rustige plek waar het zich kan terugtrekken als er eens veel drukte in huis is. Ook helpt het als zijn omgeving zoveel mogelijk opgeruimd blijft, zodat die steeds dezelfde vertrouwde aanblik biedt. Totdat je kind daar zelf toe in staat is, is het raadzaam voor hem te selecteren wat het op een dag zoal te zien, te horen en te voelen krijgt. Daarmee geef je steeds een voorbeeld, en na verloop van tijd leert het kind zelf te kiezen.

Aangeboren aanleg

Aanleg voor allergie is een aangeboren gevoeligheid; het zit in je genen of niet. Maar of je ook daadwerkelijk last van allergische reacties krijgt, op welke leeftijd dat gebeurt en in welke vorm, ligt niet bij voorbaat vast. Wel lijkt het erop dat allergische problemen in onze huidige tijd vaker voorkomen dan vroeger, toen kinderen over het algemeen veel minder indrukken te verwerken kregen. Overigens heeft deze problematiek ook een andere, positieve kant. Kinderen met aanleg voor allergie zijn over het algemeen fijnzinnig, en hebben dikwijls een bijzonder groot inlevingsvermogen. Hebben zij de draai naar binnen eenmaal gemaakt en geleerd om met alles wat er van buitenaf op hen afkomt om te gaan, dan blijkt die grote gevoeligheid een rijk bezit, waarmee ze zichzelf en anderen veel te bieden hebben.

.

Opvoedingsvragenalle artikelen

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

2790-2618

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (4-7)

.

Jörgen Schmit*, WeledaBerichten nr. 157, september 1992

SOCIALE KRACHT

.

GEZONDHEID EN ZIEKTE IN DE VORMING VAN DE
SAMENLEVING
.

Hoe groter de mogelijkheden van de mens zijn, des te grotere opgaven kan hij op zich nemen. Hoe geringer deze mogelijkheden zijn, des te kleiner zijn de opgaven. Opgaven zijn er echter in elk geval.
Wij kijken in de wereld en ontdekken opgaven; hierdoor begint onze activiteit. Naarmate de opgaven groter zijn, zijn ook de problemen groter.
Wij hebben instrumenten nodig: wij kunnen alleen landbouw uitoefenen wanneer er genoeg land is, wanneer er huis en hof is, er voldoende dieren en werktuigen aanwezig zijn. Er zijn altijd voorwaarden verbonden aan een taak die wij op ons nemen; dit geldt voor alle werkgebieden. Wij hebben instrumenten voor de realisering en resultaten van het verrichte werk nodig. Daarbij leren wij een grote verleiding kennen, die wij nader willen bespreken.

Materialisme als geestelijke zwakte

Laten we aannemen dat iemand werk op zich neemt maar enigszins zwak is, innerlijk zwak. Wanneer hij geestelijk sterk zou zijn, zou zijn gehele bewustzijnsactiviteit zich binnen een polariteit ontwikkelen: aan de ene kant de ontplooiing van het eigen wezen in scheppende activiteit; aan de andere kant de inzet om taken op zich te nemen en helpend in de wereld te staan.

Nu is iemand echter enigszins zwak en klampt zich daardoor vast aan de middelen, de werktuigen en de producten. Deze ervaart hij om zo te zeggen als een verlengstuk van zijn eigen werkzaamheden, als iets van hem; hij wil ze voor zichzelf hebben. Deze neiging is in eerste aanleg in alle mensen aanwezig en zeker een teken van geestelijke zwakte. Wanneer iemand geestelijk sterk is, weet hij: dit is een instrument, een noodzakelijk middel, maar waar het om gaat is het ‘doen’.
Het gehele kapitalistische liberalisme is op geestelijke zwakte gebaseerd. We moeten dat onder ogen zien: materialisme, iedere vorm van materialisme is geestelijke zwakte. Ook wij zijn door deze zwakte getroffen. Wij vinden niet de noodzakelijke kracht in onze scheppende bezigheden, maar klampen ons vast aan de producten, het eigen lichaam, aan het geld. Wij zijn in eerste instantie zwak; de geestelijke kracht kan slechts langzaam groeien. Dan gaat onze aandacht uit naar ontplooiing van ons wezen en naar het waarnemen van behoeften, het op ons nemen van taken.

Oefengebieden: het wezen van de vrijheid en het wezen van de behoefte

Er liggen twee heel verschillende oefengebieden voor ons. Aan de ene kant het wezen van de vrijheid, van de sterk scheppende activiteit die het gebied omvat van het intiemste denken tot het zich uiten in het spreken en in de activiteit van de ledematen. De vraag is: wordt dit wezen van de vrijheid gerealiseerd, of komen wij terecht in de afhankelijkheid van uiterlijke machten die ons bepalen?

Aan de andere kant de behoeften en de wederzijdse hulp. Ik neem behoeften waar en probeer hieraan tegemoet te komen. Dat is de werkelijke situatie: wij zitten op aarde allemaal in hetzelfde schuitje, alle mensen. Illusie, onwaarheid, geestelijke zwakte, treden op waar iemand zich vastklampt, iets voor zichzelf wil behouden. Zwakte is altijd te begrijpen, maar is ook iets dat geleidelijk kan worden overwonnen door geestelijke kracht – door liefde! Liefde tot de medemens aan wiens behoefte je tegemoet komt enerzijds, en anderzijds liefde tot de daad die wordt gerealiseerd als een uitdrukking van het eigen wezen.

Het werk wordt echter belast door het feit dat we er loon, een betaling voor willen hebben. Wanneer we naar de twee kanten van de menselijke activiteit kijken, weten we één ding zeker, dat arbeid, voortkomend uit een dergelijke innerlijke overtuiging, nooit kan worden betaald, noch met één euro noch met een miljard. Ze is niet te betalen; datgene waarin een wezen zich uitdrukt kan niet worden betaald. Toch heeft ieder mens behoeften die in voldoende mate moeten worden bevredigd: voedsel, kleding, huisvesting.

De verslaving van de arbeid

Hierbij zien wij een wereldhistorische samenhang. Eens bestond er een grote hoeveelheid slaven en waren er anderen die over hen heersten. De slaven konden worden verkocht op de markt – als mensen, lichamen, arbeidskrachten. Pas in de 19e eeuw werd de slavernij afgeschaft. Hoewel wereldhistorisch overwonnen, leeft de slavernij tegenwoordig nog steeds voort. Vooral in de Middeleeuwen bestond er (om zo te zeggen) nog lijfeigenschap als een mildere vorm van slavernij. De lijfeigene kon door zijn heer niet meer worden verkocht, maar was gebonden. Hij mocht niet reizen waarheen hij wilde en moest bepaalde werkzaamheden uitvoeren en pacht betalen.

Laten we deze halve en de volledige slavernij in hun verhouding tot het wezen van de arbeid nader bekijken. In de situatie van volledige slavernij wordt de mens tot ding en als waar verkocht; er vindt geen ontmoeting plaats. In de situatie van de lijfeigenschap wordt de mens half tot voorwerp gemaakt. De lijfeigene werkt op de boerderij en op het land en de grondbezitter neemt de producten. Wat is de volgende stap?

De slavernij en de lijfeigenschap zijn overwonnen. Maar de bevrijding is nog niet voltooid. Nog steeds verschijnt het wezen van de arbeid niet als een ontmoeting van twee elkaar helpende wezens. Dit ‘tegemoetkomen aan de behoeften’ wordt betaald, tot waar gemaakt en verkocht. Dat is het laatste restant van de slavernij; niet de mens wordt verkocht, maar de arbeid.

De weg naar de toekomst leidt tot bevrijding van de arbeid opdat de motivatie zichtbaar wordt: wederzijdse hulp realiseren, voor de andere mens werken, de opgaven in de wereld op zich nemen en in deze activiteiten tegelijkertijd het eigen wezen tot uitdrukking brengen; ontplooiing van ons wezen in wederzijdse hulp. Dan ontstaat arbeid.

De bevrijding van de arbeid en van het innerlijk wezen van de mens zal naar de toekomst toe slechts langzaam plaatsvinden. Met een revolutionair, radicaal proces komen wij hierbij niet verder. Het is eerder iets groots dat zich in het macro-sociale gebied afspeelt, wat zich stap voor stap moet voltrekken. Het begin van dit proces ligt echter in het micro-sociale gebied. Wij kunnen individueel een innerlijke houding ontwikkelen waarin wij de arbeidsdeling en de betaling in gedachten loskoppelen. We zeggen dan tegen onszelf: ik doe wat ik doe omdat ik het graag doe en omdat ik de ander wil helpen. Het loon beschouw ik niet als een betaling voor mijn werk; ik neem het aan omdat ik een financiële basis nodig heb voor voeding, kleding, huisvesting enzovoorts. In ons eigen bewustzijn, in ons eigen micro-sociale gedrag begint de overwinning van deze zwakte.

In de huidige tijd vindt er een grote geestelijke strijd plaats om het ik van de mens. Het is een strijd om de individualiteit die zich gedurende de levensloop in het lotsverband tezamen met andere mensen ontplooit. Het gaat erom dat de mens wakker wordt voor het bewustzijn dat er diep in hem een wezen zetelt waarvoor al het aardse ‘materie’ en ‘stof’ is. In het lotsverband met andere mensen bevinden wij ons op een moeilijke weg, we gaan door misverstanden, ziekten en catastrofen heen. Maar de geestelijke individualiteit baant zich een weg. De belangrijke opgave van deze tijd is dit diepste innerlijke ik-wezen in onszelf en in de medemens te ontdekken in de levensloop en in de ontmoeting.

Individualiteit, de staat en de motivatie tot helpen

We moeten drie verschillende basiskwaliteiten ontwikkelen. We beginnen met het wezen van de vrijheid: bij het individu met al zijn kwaliteiten en belemmeringen die geoefend, respectievelijk overwonnen moeten worden. Loodzware lasten in mijzelf; dwang van buitenaf. De individualiteit op weg naar de vrijheid heeft altijd iets scheppends in zich. Energie en activiteit zijn voorwaarden voor vrijheid. Het individu is scheppend, is actief, gaat stap voor stap voorwaarts. Deze oefenweg begint in het micro-sociale gebied, bij ieder individu en wordt voortgezet op meso-sociaal gebied, dat wil zeggen in samenwerking en coöperatie en – wanneer het gelukt- verheven naar het niveau van de grote bloei van het vrije geestesleven, het macro-sociale gebied. De tweede basiskwaliteit is anders van aard. Het waarnemen van gelijke rechten is geen scheppende activiteit of wederzijdse hulp, maar is ontmoeting. We ontmoeten elkaar en besluiten bepaalde afspraken te maken waar we ons aan willen houden. Wanneer het om mensen gaat, wordt dit al moeilijk. Nog veel moeilijker wordt de verwerkelijking van gelijke rechten op het niveau van de staat. We hebben gekeken naar de wezenlijke rechten van de staat. Daartoe behoort zeker niet alles wat deze zich heeft toegeëigend. Door veel te veel op zich te nemen is de staat ziek geworden. Hij moet dus afslanken. Maar ook dat is niet voldoende, want de verworven vermagering mag niet blijvend zijn; ze moet steeds opnieuw ontstaan, want ook doelmatige en echte afspraken en wetten brengen, wanneer ze onveranderd en gefixeerd blijven bestaan, een nieuwe ziekte met zich mee die tot de dood leidt. Het wezen van de staat moet steeds opnieuw vanuit de ontmoeting worden opgebouwd. De derde basiskwaliteit is weer anders. Het is de motivatie tot wederzijdse hulp: de opgaven in de wereld en de behoeften van anderen waar te nemen en zich daarvoor in te zetten. Laten we het feit dat wij hiertoe in staat zijn vergelijken met de eerste basiskwaliteit. Aan de ene kant treffen we de vrije individualiteit die zich vanuit zijn diepste kern ontplooit, aan de andere kant het tegenovergestelde: ik zie in de wereld buiten mij een opgave en span me ervoor in. In het midden gebeurt noch het een noch het ander: er vinden ontmoetingen plaats.

We zien dus drie basiskwaliteiten die van elkaar verschillen; het zijn sociale vaardigheden die elkaar wederzijds oproepen. De een kan de ander niet vervangen. Wanneer iemand ontplooiing van zijn vrijheid nastreeft zonder zich te bekommeren om de behoeften van anderen en dus alleen aan zijn eigen ontplooiing werkt, is er op geen enkele manier sprake van ontmoeting, waardoor de ontplooiing uit zijn samenhang valt, onwaar is. Ook wanneer iemand de eerste twee genoemde vaardigheden oefent – ontplooiing van vrijheid en ontmoeting- maar de behoeften van anderen niet waarneemt, is er geen samenhang. Op de ware weg van de mens moeten alle drie de basiskwaliteiten worden ontwikkeld. Ze moeten worden gescheiden, zelfstandig worden gevat omdat ze sterk verschillen, en elke kwaliteit moet op alle drie de niveaus worden beoefend: op micro-sociaal, meso-sociaal en macrosociaal gebied.

Nu kan zich een moeilijke vraag voordoen. Hoe lang moet ik een vermogen op kleine schaal oefenen, voordat ik ermee naar buiten kan treden. Uiteraard moet er tegelijkertijd op alle drie niveaus worden gewerkt. Ik kan meteen en tegelijkertijd beginnen met het oefenen van alle drie de basiskwaliteiten. Wanneer ik echter het micro-sociale gedrag verwaarloos, dan ontbreekt de substantie. Zo komt het niet zelden voor dat de grote doelstellingen wel worden gezien, bijvoorbeeld de verbetering van de situatie in de derde wereld, maar dat men tezelfdertijd de naaste medewerkers tiranniseert. In dat geval zijn de eisen met betrekking tot hetgeen er moet gebeuren in de derde wereld – ook wanneer het inhoudelijk gezien juist is – louter frasen!

De gezichtspunten die daarbij in aanmerking moeten worden genomen moeten nu nog worden aangeduid. Er bestaat op micro-sociaal gebied een fenomeen wat ik ‘het juiste ogenblik’ zou willen noemen. Iedereen heeft dit in zijn leven wel eens waargenomen. Wanneer ik bijvoorbeeld een conflict met een ander mens heb, dan stapelt zich alles zodanig op dat ik het niet meer uithoudt en op een directe manier tot oplossing wil komen -en dan wordt het nog moeilijker! Waarom? Omdat ik het juiste ogenblik niet heb afgewacht! Het is niet voldoende om in gedachten de goede ”oplossing te hebben gevonden, te weten wat er gedaan zou moeten worden, wanneer dit niet op het juiste ogenblik gebeurt.

Het juiste ogenblik

Zo zijn er ook historische uren, vruchtbare momenten in de wereldgeschiedenis waarin iets gerealiseerd kan worden, indien het wordt opgepakt. Na de Eerste Wereldoorlog was er in Duitsland een chaos, een economische noodsituatie, regeringsmisère. Alles was open. Daarin plaatste Rudolf Steiner de driegeledingsimpuls omdat in een dergelijke situatie, waarin alles stroomt, het alleen aankomt op het bewustzijn van de mogelijkheid van de mensen tot vormgeven. Indertijd was dat het juiste ogenblik, was er een mogelijkheid om met een grote actie in te grijpen. Rudolf Steiner deed een uiterste poging om op dat ogenblik te doen wat essentieel was, namelijk de mensen bewust te maken van het feit dat het bij een nieuwe ordening van de sociale verhoudingen niet gaat om een kant en klaar model, maar om drie functies. De driegeledingsgedachte is geen utopie! Het enige wat behoeft te worden ontdekt zijn de krachten die een bepaalde richting aangeven, wetmatigheden die onder het oppervlak aanwezig zijn. Ze bestaan reeds, maar worden toegedekt doordat ze vanuit het verleden belast zijn en door ziekteverschijnselen. Het is niet zo eenvoudig als een model waarbij alles in het systeem wordt ondergebracht -geestesleven, rechtsleven, economisch leven- en dan uitstekend functioneert. Nee, er zou niets functioneren wanneer men eenvoudig een uitgedacht driegeledingsmodel in zou voeren en de mensen de drie vaardigheden niet ontwikkeld hebben en in de praktijk brengen.

Wanneer men zwak, krachteloos en innerlijk slap is, wenst men dat de driegeleding wordt ingevoerd. Deze idee kan echter niet centraal worden ingevoerd, maar moet door iedereen zelf worden gerealiseerd. Dat is het geweldige van deze idee. De driegeledingsimpuls was niet altijd op zijn plaats. Nu in de twintigste eeuw, past deze idee wel. Het gist onder het oppervlak en men wil niet zien wat er naar boven komt en zich uit in ziekteverschijnselen van het sociale organisme. Het is immers ook in het individuele leven van de mens zo, dat men ziek wordt wanneer men leed te verduren heeft. In ziekte uit zich een eenzijdigheid, wordt datgene zichtbaar wat zijn samenhang heeft verloren. De ziekte kan aanleiding zijn om wakker te worden. Iets dergelijks geldt ook voor de macrosociale verhoudingen. De ziekteverschijnselen in groter verband betreffen onszelf en tonen ons eigen ziektebeeld. Aan dit ziektebeeld moeten we echter wakker worden voor het ware wezen en moeten we de noodzakelijkheid van de drie verschillende vaardigheden inzien.
.

*Jörgen Smit was vanaf 1975 tot het einde van zijn leven bestuurslid van de Allgemeine Anthroposofische Gesellschaft in Dornach. Op 10 mei 1991 is hij in het 75e jaar van zijn werkzame leven na een kortstondige ziekte overleden. Door zijn vrijlatende maar steeds impulserende manier van werken heeft hij vooral bij de jongere generatie wezenlijke idealen gewekt. Als waardering van zijn levenswerk volgen hieronder de wezenlijkste passages uit een van de voordrachten die hij hield tijdens de jeugdconferentie van 8 tot 15 juli 1989 in het Goetheanum in Dornach.

.

Sociale driegeledingalle artikelen waaronder vrijeschool en vrijheid van onderwijs

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2789-2617

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – voedingsleer (6-3/3)

.

Peer de Smit, WeledaBerichten nr. 154, september 1991

.

WARMTE: KONINGIN VAN DE WERELD DER ELEMENTEN

.

Na de bijdragen over het water over de lucht volgt nu als derde essay over de klassieke vier elementen een bijdrage over de warmte. Misschien is het verwonderlijk dat dit element bij de herfst wordt ingedeeld en niet – wat meer voor de hand zou liggen – bij de zomer. Het omsmelten en bewerken van het harde minerale erts in het smidsvuur, is een oerbeeld dat nauw verbonden is met de herfst- en Michaëlstijd.

Overal waar warmte werkzaam is, komt de wereld in beweging: wat in rust is, komt van zijn plaats; vaste vormen verliezen hun stabiliteit en substanties moeten van toestand veranderen. IJsblokken, smeltwater en waterdamp laten stadia zien van een veranderingsproces dat door warmte op gang wordt gebracht. Weer en wind, groei en bloei, de wording van de wereld: overal waar er ook maar iets ontstaat of wil veranderen, zijn warmte en vuur de stuwende krachten. Anders dan de drie grovere elementen, die minder verwant zijn met de warmte naarmate ze een vastere structuur hebben, onderscheidt de warmte zich door haar zuivere, opofferende werking. In tegenstelling tot haar tegenpool de koude, ontplooit ze haar wereldscheppende dynamiek. Bij de gebeurtenissen rondom de geboorte vormt de warmte een beschermende omhulling, waar aan de grens met de bovenzinnelijke wereld een geestelijk wezen zich stoffelijk wil vormen. In het Bijbelse scheppingsverhaal ligt over de nog niet gescheiden, ongevormde aardmassa’s een broeiende warmte die is doordrongen van Goddelijke scheppingskracht. Afkoeling, verstarring en verdichting bepalen de evolutie van de in het begin nog vormbare warmte-aarde en geven haar uiteindelijk een vaste en zichtbare vorm. Omgekeerd metamorfoseren vuurkrachten de gevormde dingen zó, dat deze terugkeren naar het rijk van het vormloze, het niet geschapene en lossen zij de wereld der dingen op in een niets; een niets dat tegelijkertijd alles is, omdat het alle mogelijkheden van aardse vormgeving in zich heeft. In het oervuur van de goddelijke Logos zag de Griekse filosoof Heraclitus de oorsprong van alle zich eeuwig vernieuwende dingen. Verheven boven de ruimte en onzichtbaar ontsluit de warmte een overgangsgebied tussen de materiële en de immateriële werkelijkheid, waar het stoffelijke vergaat en ontstaat. In de herfst, als de bossen als het ware in vlam staan en het vegetatieve leven verdorrend afsterft, trekt de plant zich in een onzichtbare wereld terug. Aan de drempel van de dood vormt zij echter in het zaad een micro-organisme van samengebalde warmtekracht, van waaruit ze in staat is om zich geheel te vernieuwen. Van oudsher heeft men in het vuur een zinnebeeld gezien voor loutering van de ziel en wedergeboorte van de geest. Herboren stijgt de vogel Phoenix op uit de as: een vuurmetamorfose, die door de dood voert en verbonden is met de radicale vernietiging van een oude levensvorm. Polair aan de steeds door het verleden bepaalde verschijningsvorm van de vaste materie is in het vuur een toekomstgericht en verjongend principe werkzaam. Warmtekrachten en vuurkrachten zijn zuiver krachten van de vooruitgang. Prometheus, de vooruit denkende – zo vertelt ons de Griekse mythe – heeft het hemelse vuur op aarde gebracht om de mensen te bevrijden van de leiding door de goden en hun ik-bewustzijn te ontsteken. In vuur gesmolten ijzer, gesmeed tot gereedschap of wapen, maakte de mens tot heerser over de natuurrijken. Hoogovens, stoommachines en verbrandingsmotoren legden de. basis voor de technisch-industriële revolutie van de moderne tijd.
Warmteproductie en energiecentrales zijn middelpunt geworden in onze naar energie hunkerende beschaving. Maar ook de warmte die in onze stofwisseling ontstaat, het wilsvuur van onze ziel, gedachteflitsen en vurig enthousiasme behoren tot de krachten die voortdurend aan de toekomst van ons aardse leven werken.

Van alle elementen is de warmte het meest ongrijpbare en toch staat het ons wezen het meeste na. Niet alleen aan onze buitenkant, maar ook innerlijk kunnen we warmte en koude ervaren. Omdat de warmte overal doorheen dringt en elke fysieke scheiding opheft, worden we door de warmte één met onszelf en één met de wereld. Dat maakt dit element tot het eigenlijke medium en voorbeeld van een sociaal organisme, dat vrije individualiteiten vormt. Nergens verenigen wij ons sterker met de geestelijke wereld dan waar wij in vuur en vlam staan voor haar grote mensheidsidealen. Alleen in onszelf en door het menselijke ik kan de kosmische gave van de warmte zich omvormen tot de morele kracht van de liefde die bergen verzet. We leven in een tijd die vaak uitzichtloos kan lijken. Egoïstische koude overheerst. Er is moed voor nodig om toch voor de medemens en de toekomst van mens en aarde warm te lopen. Het is deze moed die Rudolf Steiner met zijn levenswerk steeds opnieuw in de mensen wilde laten ontvlammen:

”lk zou graag ieder mens uit de kosmische Geest laten ontbranden, zodat hij wordt als een vlam en vurig de kern van zijn wezen ontplooit.”

(”lch möchte jeden Menschen / Aus des Kosmos Geist entzünden / Dass er Flamme werde / Und feurig seines Wesens / Wesen entfalte”).

.

Menskunde en pedagogiekover warmte nr. 11

.

7e klas: voedingsleer: alle artikelen

7e klasalle artikelen

Vrijeschool in beeld7e klas

.

2788-2616

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – voedingsleer (6-3/2)

.
Zie de inleiding bij een artikel over de kwaliteit van de aarde. Die is in zekere zin in deze tijd problematisch; dit geldt ook voor de lucht. Het kan haast niet anders of die problematiek zal in een 7e (of hogere) klas aan de orde (moeten) komen. Niet om de leerlingen met een negatief wereldbeeld op te zadelen, maar juist om vanuit een ‘puur beschouwde kwaliteit’ een gevoel op te roepen voor wat juist, althans beter is, voor hun toekomst.
.

Peer de Smit, WeledaBerichten nr. 154, september 1991

.

LUCHT: ELEMENT TUSSEN “NIET MEER” EN “NOG NIET”
.

In het vorige nummer van de Weleda Berichten is Peer de Smit begonnen met een serie artikelen over de vier elementen. Zijn eerste bijdrage ging over het water als levensdrager. Zijn tweede artikel gaat over het element lucht dat door zijn onzichtbaarheid nog vanzelfsprekender als een gegeven aanvaard wordt, maar in zijn ritmisch pulseren een zeer gevoelig organisme vormt en als een steeds kostbaarder wordende bron van alle leven moet worden gezien.

Waar we ook zijn, waar we ook heen gaan, wij worden door lucht omgeven en doordrongen. Wij leven in lucht en ademen haar in; ze houdt ons in leven. Ons bewustzijn vindt zijn basis in de ritmische afwisseling van inademing en uitademing; al ademend ervaren we onszelf als bezielde wezens.
Jahweh blies de mens eens zijn levensadem in en wekte het ik-bewustzijn, zo vertelt ons de Hebreeuwse mythe.
Pneuma in het Grieks, Atma in het Indiaas en Odin in het Germaans duidden zowel lucht als adem, en ook de goddelijke Geest die daarin werkzaam is, aan. In beweging gebrachte lucht is een van de belangrijkste elementen bij het ontstaan van het weer. Het is een complex van rondom de aarde pulserende en circulerende stromingen die op elkaar inwerken en waardoor we op de meest directe manier met de aarde als geheel zijn verbonden. Onze gezondheid hangt af van lucht en weersgesteldheid. Ze beïnvloeden onze gemoedstoestand en zijn zelf uitdrukking van een zielenstemming. Processen in de atmosfeer enerzijds en de ademhaling waarin onze zielenroerselen zich uiten anderzijds, vertonen een verwante dynamiek**. 

De lucht is een rijk van het vluchtige en het onbestendige; een gebied tussen “niet meer” en “nog niet”; een medium van de tegenwoordigheid van de geest. Wat “in de lucht hangt” kan elk moment zichtbaar worden. De toekomst is bij ons als gevoel van verwachting al in de luchtsfeer aanwezig. Maar ook het verleden dat ons niet meer aangaat, klinkt erin na. De lucht is wat betreft het principe van haar innerlijke structuur geheel gebaseerd op polaire drijfkrachten. Lucht ontwikkelt haar dynamiek tussen warm worden, afkoelen, uitzetten en samentrekken. Ze wordt gekenmerkt door zeer grote flexibiliteit en vormbaarheid, impulsiviteit en zelfs explosiviteit. Een zichtbare uiting van dit rijk dat zich eeuwig vormt en omvormt, is de dramatiek van de wolkenlucht waartoe niet alleen donder en bliksem, maar ook het etherische wonder van de regenboog behoren. Nooit zijn we meer met het luchtelement verbonden, dan wanneer in de zomer de geur van bloemen de atmosfeer vervult en de verwarmde lucht ons met lichaam en ziel naar buiten lokt. Lucht is het element van de lichtheid, dat ruimte geeft aan dansbewegingen. In beweging gebracht, laat de lucht ons tonen en klanken horen. De taal, die door lucht gedragen wordt, gaat van ziel tot ziel. Of het nu gaat om onaangename of welluidende klanken, om stank of welriekende geuren: wat ons via de lucht bereikt, dringt diep bij ons naar binnen. En toch willen we ons niet geheel op het element lucht verlaten. Wat “uit de lucht gegrepen is”, zo zeggen we, “zit niet goed in elkaar” en zal snel weer “vervliegen”. Een zaak die “alleen maar lucht is”, zo krijgen we dan te horen, kan net zo min een betrouwbare basis zijn als de spreekwoordelijke “luchtkastelen”, waar luchthart en windbuil komen en gaan. Zonder lucht zou er geen lied, geen bevrijdend gezang zijn. Zonder luchtige invallen geen nieuwe impulsen, geen verandering. We hebben een luchtige sfeer nodig om beweeglijk te blijven en te veranderen. We hebben het bevleugelende element nodig om de zwaarte van het aardse leven aan te kunnen.

*Peer de Smit: geboren in 1953 in Mannheim. Ooit schipper op de Rijn tussen Basel en de Noordzee. Later toneelopleiding in Zürich. Hoofdzakelijk geëngageerd bij het “Schauspielhaus” in Zürich. Thans in de omgeving van Stuttgart actief als schrijver en toneelspeler.

.

**Zie bijv. Algemene menskunde  voordracht 1

7e klas: voedingsleer: alle artikelen

7e klasalle artikelen

Vrijeschool in beeld7e klas

.

2787-2615

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (72)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

.

zomer

Dit boek heeft geen tekst, maar wél mooie illustraties waarop van alles is te zien. Weer een goed voorbeeld van een boek dat zich uitstekend leent om met het jongere kind, de peuter, al vertellend, je fantasie de vrije loop te laten. Je kan van alles aanwijzen en laten (her)benoemen: een weldaad voor de woordenschat en dus taalontwikkeling.
Een jongen en meisje laten een bootje varen; ze spelen op het strand.

Gerda Muller

Uitgeverij Christofoor

Boek

Leeftijd: v.a. 3jr

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

.

2786-2614

.

.

.

VRIJESCHOOL – ‘Breinvriendelijk’ onderwijs

.

De term ‘breinvriendelijk onderwijs‘ had ik nog niet eerder gezien, tot ik het boek van

Schmidt, Klaus Peter: Neurodidaktik und Waldorfpadagogik: Gemeinsamkeiten und Differenzen am Beispiel der Freien Waldorfschule Kreuzberg, Hamburg, Diplomica Verlag GmbH 2013

tegenkwam.
Nu pas, terwijl het al in 2013 is verschenen.
Het is mij niet bekend of het in vrijeschoolkringen in Nederland opgevallen is.

9783842895591: Neurodidaktik und Waldorfpädagogik: Gemeinsamkeiten und Differenzen am Beispiel der Freien Waldorfschule Kreuzberg (German Edition)

Het is een onderzoekstudie met als doel aan het voorbeeld van de vrijeschool Kreuzberg, Duitsland, uit te zoeken in hoeverre de vrijeschoolpedagogie gemeenschappelijke kenmerken heeft met neuro-didactische leerconcepten en of er verschillen zijn.

Conclusie

Uit de studie blijkt dat een belangrijk deel van de vrijeschoolpedagogie in de praktijk neuro-didactisch gefundeerd kan worden. 

De ritmisch opgebouwde schooldag en een doordacht leerplan en ingepaste bewegingen houden rekening met de belangrijke afwisseling van in- en ontspanning dat voor het brein zo belangrijk is en wat tevens de aandacht van de leerlingen ondersteunt.
Het periodeonderwijs biedt de mogelijkheid tot vakoverstijgend leren dat meer op een geheel is gericht en dat van neuro-didactische zijde wordt verlangd om te bevorderen dat te onderscheiden kennisvelden met elkaar een netwerk vormen.

De nadruk dat er een betrokken, vertrouwde band moet bestaan tussen leerlingen en leerkrachten is eveneens in lijn met een neuro-didactisch gefundeerde pedagogie, omdat positieve emoties een van de belangrijkste voorwaarden zijn voor duurzaam leren.
De voorbeeldfunctie van de leerkracht die op de vrijeschool wordt gevraagd, houdt rekening met de neuro-didactische kennis dat mensen veel voorbeelden en vooral hun waarden- en normenbesef impliciet leren.

Dat de vrijeschool als scholengemeenschap gedacht is waarin ‘blijven zitten‘ niet voorkomt en waar in het algemeen wordt afgezien van selecteren naar prestatie, is breintechnisch gunstig, omdat ervaringen met anders begaafde mensen zowel de oplossingsgerichte alsmede sociale vaardigheden bevordert. 
Positief onderstreept kan hierbij ook worden dat kinderen met een beperking in de vrijeschool Kreuzberg zijn opgenomen.

Het afzien van cijfers geven en zittenblijven voorkomt bovendien de grote prestatiedruk en de angst bij leerlingen die vaak de oorzaak zijn van leerblokkades.

Vooral de uitgesproken musisch-kunstzinnige opvoeding op de vrijeschool is neuro-didactisch in overeenstemming. Kunst, euritmie en toneelspel zijn niet alleen met positieve gevoelens verbonden, maar maken ook mogelijk dat zelfwerkzaamheid ervaren wordt, die het zelfbeeld van de leerling sterker maken. De euritmie moet nog apart worden genoemd omdat deze zowel beweging als ontspanning in de dag met zich meebrengt en daardoor mede de gezondheid en de cognitieve ontwikkeling van de leerling ondersteunt.

Nog een hersenvriendelijk element van het vrijeschool-pedagogisch leerconcept is dat er verschillende practica buiten school in zijn opgenomen die het mogelijk maken dat er ervaringen worden opgedaan in zelfwerkzaamheid en de ervaring die van neurowetenschappelijke kant zo belangrijk wordt gevonden dat de zin van bepaalde leeronderwerpen duidelijker wordt en een ruimte creëert om in het sociale leven te leren.

Het gebied van de handvaardigheid en het praktische leven is op basis van de fijn-motorisch gestuurde patronen en de daarmee samengaande cognitieve prestatieverhoging eveneens in overeenstemming met een breinvriendelijke pedagogie.

Daarbij bieden de vrijescholen hun leraren ook nog veel vrijheden wat betreft de keuze van onderwijsinhoud- en methoden en daarmee een uitstekend kader voor hersenvriendelijke leervormen.

Desondanks zijn er ook duidelijke verschillen tussen de vrijeschoolpedagogie en de neuro-didactische concepten die vooral samenhangen met de oriëntatie op Steiners antroposofische ‘menskunde’. Het model van de leeftijdsfasen van Steiner en sommige daarvan afgeleide pedagogische gevolgen zoals met name het 8-jarige klassenleraarschap en het overheersende frontaalonderwijs, zijn niet verenigbaar met de neurowetenschappelijke kennis wat betreft aanpassingsvermogen en periodiciteit.
Een hersenvriendelijk onderwijs zou de leerlingen een verschillend leerstofaanbod moeten doen, passend bij hun individuele ontwikkeling en vooral ruimte scheppen voor zelf-organiserend leren. Dat wordt op de vrijeschool m.n. in de eerste 8 schooljaren niet genoeg onderkend.

Natuurlijk werd in dit onderzoek niet de hele vrijeschoolpedagogie geanalyseerd. 

Nog een interessant aspect waarover je vanuit neuro-didactisch perspectief  controversieel zou kunnen discussiëren, is de afkeer van de media op de vrijeschool.
Het exemplarisch onderzoek geeft er desondanks toch een verklaring voor, waarom de vrijescholen een grote toeloop kennen: ze brengen op vele terreinen een breinvriendelijk leren. Om als duidelijk neuro-didactisch schoolmodel te kunnen worden gekwalificeerd, zouden de vrijescholen zich echter sterker los moeten maken van de steinernormen en op zijn minst die gezichtspunten die bewezen hersenonvriendelijk zijn, om moeten werken. 

Ze schijnen echter op de goede weg te zijn: de wil om te veranderen is zichtbaar en het toenemend academischer en wetenschappelijker worden van de vrijeschoolpedagogie gaat gepaard met een kritische reflectie op de bestaande praktijk.

Het is wenselijk dat zowel de academische opvoedingswetenschap als mede ook andere belangrijke vertegenwoordigers van officiële schoolsystemen, evenals de educatieve beleidsmakers sterker de dialoog met de vrijescholen zouden beginnen en niet vooringenomen zouden onderzoeken welke specifieke vrijeschoolelementen zinvol zijn.

Sommige ideeën van de vrijeschoolpedagogie zijn of door de vrijescholen zelf of door de algemeen pedagogische ontwikkelingen al wel in het openbare schoolwezen doorgedrongen: zo is er ondertussen ook meer ritme waar er de hele dag school is, in een paar scholen is het handvaardigheidsonderwijs als leerstof geïntroduceerd en toenemend zie je specifiek spel als eigen schoolvak. In Nordrhein-Westfalen werd een proef gehouden met het leren buiten school: ‘de school open’.

Ondanks deze voorbeelden is het openbare schoolwezen nog ver verwijderd van hersenvriendelijk leren om leren in die omvang in praktijk te brengen als de vrijescholen doen.
Daarvoor namelijk, is een grondige omwenteling van uitgangspunten nodig bij de beleidsmakers om de toenemende economisering van het onderwijs een halt toe te roepen en eveneens de holistische ontwikkeling van de kinderen op de voorgrond te plaatsen.

.

Rudolf Steiner: wegwijzers – met kernachtige uitspraken over opvoeding en onderwijs

Rudolf Steiner: Algemene menskunde

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2785-2613

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kleuterklas – spel

.

Dieuwke Hessels, vrijeschool Facebookgroep (juni 2022)

.

ochtendspel, einde schooljaar

.

Onderstaand versje was ooit
de aanleiding voor mij om een
ochtendspel te maken voor
het einde van het schooljaar…de oudste kleuters mochten nog één keer het helpertje van de dag zijn en in het middelpunt staan die dag,
voor mij als leidster werd het
een feestje om dit dagelijks te
doen, bedenkend in welke
fase het kind was, het kind nu
is en na de zomervakantie
gaat staan: het afsluiten van
de kleuterperiode.

Stevig stap ik op de aarde
Wil hier werken, wil hier leven,
Wat ik in de hemel gaarde,
Wil ik nu aan mensen geven.

Het gedichtje is geschreven door Lena Struik.

Een ander ochtendspel dan anders, aangezien gedeeltes afhankelijk zijn gemaakt aan het helpertje van de dag, al lezende zul je dat wel ontdekken.

**lied met lier, kan ook zonder
Speel eerst zin voor en dan zingen, zonder lier alleen zingen
. = 1 tel – = 2 tel

*douchen……ja in bad gaan dat kan ook nog….

* vrij naar een Amerikaans liedje

Kringspel:

Eén kind huppelt in de kring in tegenovergestelde richting van de hand-in-hand huppelende kinderen in de kring. Bij het derde couplet neemt het kind iemand uit de kring bij de hand en samen huppelen ze verder tot het einde van het lied.

.

Met toestemming van de auteur, waarvoor dank!

.

Peuters-kleuters: alle artikelen

Spel: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: kleuters

.

2784-2612

.

.

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – sterrenkunde (37)

.

KREEFT

Van afbeeldingen uit Egyptische tempels weten we dat de Egyptenaren op de plaats van ons dierenriemteken Kreeft hun heilige kever Scarabaeus zagen die ze op ontelbare amuletten, zegels e.d. afbeeldden. Voor hen was het een bijzondere vorm waarin de zon verscheen en als een symbool van vernieuwing.
De oude Grieken zagen in dit sterrenbeeld de kreeft die de godin Hera aan Herakles (→ Herakles) schonk terwijl deze met de Lernaïsche slang vocht (→Hydra).
Koning Eurystheus had de held Herakles als tweede opdracht gegeven de slang van Lerna te doden. In het begin vocht Herakles tevergeefs met het negenkoppige slangenmonster. Voor elke kop die hij eraf sloeg, groeiden er uit de bloedende wond twee of drie nieuwe en de held had al zijn aandacht nodig om de giftige beten af te weren.
De godin Hera was Herakles vanaf zijn geboorte slecht gezind. Ze vervolgde hem, omdat hij een zoon van haar echtgenoot Zeus was uit een verbinding met een sterfelijk wezen. Maar alle hindernissen die zij Herakles in de weg legde, bleken voor hem beproevingen van zijn kracht en versterkten zijn zelfvertrouwen. Zo ging het ook met de strijd tegen de Hydra van Lerna. Hera wilde hem bij de Hydra afleiden, zodat hij een ogenblik niet goed zou opletten, zodat deze hem dan een dodelijke beet zou kunnen geven. Ze liet uit het moeras een grote kreeft tevoorschijn komen die van achter op de held toeliep en hem met zijn scharen in zijn hiel kneep. Herakles draaide zich echter niet naar de kreeft om, wat de bedoeling van Hera was, maar vertrapte hem door met een geweldige stamp van zijn voet naar achter uit te halen. Het zou Hera geweest zijn die de kreeft als sterrenbeeld vereeuwigd heeft.

Voor de Romeinen was de open sterrenhoop Praesepe een kribbe vol hooi waar twee ezels bij stonden, de zuidelijke en de noordelijke ezel en die sterren heten nu ook nog zo. Krib en ezel zouden door Zeus tot sterren zijn gemaakt. Waarom, dat weten we niet.

Het is opmerkelijk dat er niet meer legendarische verhalen over het sterrenbeeld Kreeft bestaan. Misschien wel omdat zijn sterren niet zo opvallen. 
Wanneer we mogen aannemen dat het fixeren van de sterren niet toevallig is, maar vanuit een hogere wijsheid plaatsvond, dan komen we het geheim zeker op het spoor, wanneer we ons nog meer bezighouden met de kreeft als dier. 
We willen daarom hierna een paar gedachten over het karakteristieke van de kreeft toevoegen, zodat ons het sterrenbeeld vertrouwder wordt.

De kreeft leeft in het water en ademt door kieuwen als een vis. Af en toe zwemt hij ook, maar overdag houdt hij zich liever schuil in zijn hol onder een steen of een soortgelijke schuilplaats en pas als het duister begint te worden gaat hij op zoek naar voedsel. Tientallen jaren geleden waren onze beken, rivieren en zeeën rijk aan kreeften. Wie tegenwoordig een kreeft wil waarnemen, moet nu naar een dierentuin. 
Als je een kreeft voor je hebt, valt allereerst zijn pantser op. Dit omsluit het dier als een harnas. Kop en borstdeel zijn star, terwijl het achterdeel samengesteld is uit beweeglijke ringen. De lange voelsprieten tasten al het onbekende af. Slechts langzaam beweegt de kreeft zich met zijn buigzame poten voorwaarts, de grote scharen als een wapen voor zich uit. 
Als er een vijand nadert of ander gevaar dreigt, trekt de kreeft zich onmiddellijk in een schuilplaats terug. Dat is een wezenlijk kenmerkend verschil met het gedrag van vissen. Die richten zich voortdurend op het stukje wereld dat ze voor zich hebben en laten de wereld achter zich voor wat die is. Kreeften daarentegen, bewegen zich voorzichtig voorwaarts, houden hun scharen in de aanslag en vluchten zo snel als mogelijk in blind vertrouwen terug naar de wereld achter hen. 
Ook het sterrenbeeld Kreeft beweegt zich aan de hemel schijnbaar teruggaand.
Het ademhalingsproces van  de kreeft en de vis is verschillend. Het ademwater van de kreeft stroomt door een spleet aan de achterkant van het borstpantser naar binnen en voor bij een opening dichtbij de kop weer naar buiten. De ademstroom bij de vis laat zich vergelijken met onze inademing, die van de kreeft met ons uitademen, want hij stoot zijn adem naar voren weg. 
Om te groeien verwisselt de kreeft van tijd tot tijd van huid, hij moet zijn stijve pantser afleggen. Dit wijze proces gaat zo: de kreeft gaat vasten waardoor zijn pantser losser komt te zitten. Tegelijkertijd zet hij vanuit zijn huid kalk af in een daarvoor bestemde ruimte in zijn maag en slaat dat daar op. Dat duurt zo lang, tot er in het borstpantser een scheur ontstaat. Nu bevrijdt het dier zich uit zijn behuizing en houdt zich een tijd verborgen, want zonder pantser is het volledig weerloos. In deze tijd groeit de kreeft en vernieuwt de afgebroken delen. Dan zet hij in zijn huid weer kalk af, bouwt een nieuw pantser om zich heen en leidt zijn leven weer als vanouds. 
Wat een merkwaardig wezen is de kreeft toch! Op aarde en als sterrenbeeld!
.

Zo                                                                   z                                                         zw
febr.   1    24°°u                                   mrt.    1   22°°u                             apr.  1  21°°u*
          15   23°°u                                              15  21°°u                                     15  20°°u*

*zomertijd

De zwak schitterende sterren van het sterrenbeeld Kreeft zijn alleen bij een heldere sterrenhemel buiten de grote stad te zien. We vinden het tussen het sterrenbeeld van de Leeuw en dat van de Tweelingen in maart hoog aan de hemel in het zuiden, in april in het zuidoosten en in mei naar het westen toe dalend, alles aan de avondhemel.

Namen van de sterren:

Acubens (Arabisch) = schaar (van de kreeft)
Asellus Australis (Latijn) = zuidelijke ezel
Asellus borealis (Latijn) = noordelijke ezel
Presepe (Latijn) = kribbe

Meer feiten

Sterrenkundealle artikelen

7e klasalle artikelen.

.

2783-2611

.

.

.

.