Hoewel het vieren van jaarfeesten een onderdeel is van wat op de vrijeschool gebeurt, geeft Steiner er in zijn pedagogische voordrachten geen aanwijzingen voor. Dat er over de jaarfeesten op deze blog van alles is te vinden, betekent niet dat alle achtergronden die hier worden gegeven voor iedere school in gelijke mate gelden. Bovendien is ‘school’ in dit opzicht te abstract. Het gaat om de mensen die er vorm aan geven. Omdat het bij de achtergronden om religieuze, spirituele of godsdienstige inhoud gaat, ligt het voor de hand dat iedere individuele leerkracht daarmee een bepaalde verbinding heeft – van een oppervlakkige tot een diepe.
De achtergronden die hier worden gegeven, zijn dus meer bedoeld als het schetsen van een sfeer waaruit de concrete vorm van een jaarfeest is voortgekomen.
OVER DE VIERLEDIGHEID VAN DE PAASBEREKENING
Hoe wordt de paasdatum berekend.
Stoffelijk
Om een antwoord te vinden dat ook een modern gewoon verstand kan
bevredigen, moet je de paasregel in zijn vierledigheid zien. Er is bij de berekening van de paasdatum namelijk sprake van vier feiten, die met elkaar samenhangen.
In de eerste plaats wordt Pasen altijd in het voorjaar gevierd (dus 1 maal per jaar). Dat is nadat de zon het zogenaamde lentepunt doorschreden heeft, ofwel precies in het oosten is opgegaan. Je moet je hiertoe even realiseren dat de zon normalerwijze niet in het oosten opgaat, maar elke dag op een andere plaats aan de horizon. ’s Zomers meer naar het noorden toe, ’s winters meer naar het zuiden. Slechts op twee ogenblikken per jaar komt de zon werkelijk precies in het oosten op, dat is (doorgaans) op 21 maart en omstreeks 21 of 22 september. Voor de aarde begint er op 21 maart een “nieuwjaar”, in die zin dat de dagen na dat ogenblik langer worden dan de nachten. De mensen tellen hun leeftijd naar dit soort ritme, namelijk naar jaren. (Alleen van zuigelingen zeg je, hoeveel weken of maanden zij oud zijn.) Als je zegt hoeveel jaar oud je bent, bedoel je de leeftijd van je stoffelijke lichaam. Het is dan ook schokkend als je van iemand die vijftig jaar oud is zegt, dat hij eigenlijk nog in de puberteit zit — je bedoelt daarmee dat hij innerlijk nog geen vijftig is. Verder is het in onze cultuur een heel opvallend feit dat we de historie rekenen naar het aantal jaren dat verlopen is sinds de geboorte van Christus. Of, om het preciezer uit te drukken: sinds de geboorte van Jezus van Nazareth, dus de geboorte van zijn stoffelijk lichaam. (De “Christus” werd volgens de oudste manuscripten van het Lukasevangelie pas bij de doop in de Jordaan geboren, dus toen Jezus bijna 30 jaar oud was).
Hier vindt men de eerste schakel van de berekening van Pasen: het fysieke feit dat er in het jaar op een bepaald ogenblik is te beginnen, namelijk 21 maart, de doorgang van de zon door het lentepunt, een kwestie die zich afspeelt tussen zon en aarde. Ik zou dit even een fysiek feit willen noemen, je kunt het tellen naar het ritme van ons stoffelijk lichaam. Later blijkt waarom.
Biologisch
De volgende schakel voor de berekening van de paasdatum is de stand van de maan. Deze heeft een heel eigen cyclus, die niet naar zonjaren wordt gerekend, maar naar volle manen. Een maancyclus duurt ruim 28 dagen. In de volksmond, in de huiselijke praktijk van ons leven, bij geestelijk gestoorden en in vele andere gebieden van ons bestaan, is dit ritme bekend. Slaapwandelaars worden “maanziek” genoemd; gedurende een bepaalde periode van haar leven is de als vrouw geïncarneerde mens met betrekking tot haar vruchtbaarheid aan dit ritme onderhevig. Het ritme van de maan regeert eb en vloed, beïnvloedt de landbouw (doordat de kwaliteit wordt bepaald door de stand van de maan ten tijde van het zaaien). Kortom: de maan is regent in de levenssfeer, heeft een diepe invloed op ons biologisch bestaan. Ik zou de maancyclus een biologisch ritme willen noemen, omdat er in de fysieke mens een soort biologische mens schuilgaat, een heel samenhangend complex van levensprocessen, die helemaal niet in een
jaarritme verlopen, maar in een maan(d)ritme. Het ritme van ons zogenaamde levens- of “etherlichaam” is 28 dagen.
Psychisch
Voor de derde schakel in de paasberekening moet je naar de week kijken. Het is immers de regel, dat de week waarin de paas-volle-maan valt, eerst voorbij moet zijn. Valt volle maan in het voorjaar bijvoorbeeld op een zondag of maandag, dan moeten eerst nog alle volgende dagen van de week voorbijgaan, voordat het Pasen kan worden. Het geldt ook hier, net als bij de twee voorgaande ritmen — jaar en maan(d) – dat zij eerst vervuld of “vol” moeten zijn: het nieuwe voorjaar moet zijn aangebroken, de maan moet vol zijn geweest, de week moet met al zijn zeven dagen voorbij zijn. Is “week” ook een objectief ritme?
Ons gehele openbare en persoonlijke leven verloopt in grote trekken in het week-ritme. Bij een dieper onderzoek blijkt, dat dit met de ziel van de mens samenhangt. Er zijn ook in het occultisme gegevens te vinden die de samenhang vertonen tussen de menselijke ziele-organen (lotos-bloemen) en de zeven planeten; gerekend van de onderste dezer zeven centra hebben zij de volgorde maan-mercurius-venus, zon (hart) mars-jupiter-saturnus. Het zielenleven van ons mensen zou naar alle waarschijnlijkheid in een
verschrikkelijke chaos raken, als we het zevendaagse leefritme zouden doorbreken. Bij de paasberekening is ook dit ritme betrokken, als het ritme van de zeven-dagen-week van de psyche.
Het Ik
Nu is er nog een vierde element voor Pasen nodig. Het feest wordt namelijk uitsluitend op zondag gevierd. Wat is dat voor een ritme? Bij enig nadenken ligt dat eigenlijk nog het meest voor de hand: elke dag begint niet alleen met een zonsopgang, maar ook met ons ontwaken. Welk deel van ons mensenwezen heeft de dag als ritme? Het ik, de onverwisselbare persoonlijkheid, die een eigen naam draagt en zichzelf met “ik” aanduidt. Het prototype van een echte “dag” is niet zomaar een dag, maar is de zondag. Niet opgevat als een gezellige luier-dag of een uitrust-dag, of zelfs als “het eind van de week”.
De opgave van dat “ik” is tweeërlei — aan de ene kant is het nodig om de zielenkrachten ermee te beheersen (of als een kleine koning in dat
koninkrijkje van de ziel te regeren), aan de andere kant de krachten die dat “ik” heeft, niet alleen aan de eigen levensonderneming (het ego) te wijden, maar er ook zelfoverwinningen mee te behalen en ze van tijd tot tijd aan een goed werelddoel weg te schenken. Het beste wordt een “ik” als het zich helemaal aan iets anders wijdt dan zichzelf (bijvoorbeeld mensen uit een brandend huis redden, of je voor een ideaal inzetten).
Het voorbeeld van deze hogere ik-kracht is Christus. Hij wordt het Ik van de gehele mensheid genoemd, en in het Johannesevangelie is in de hoofstukken 14 tot en met 17 na te lezen waarom dat zo is.
Nu hebben we echter een achtergrond voor de berekening van Pasen
gevonden, in overeenstemming met vier verschillende ritmen waaraan wij mensen aandeel hebben: in fysiek opzicht met het jaar – dat moet in het voorjaar nieuw begonnen zijn; in biologisch (of “etherisch”) opzicht met de maan(d) — er moet een volle maan verschenen zijn; in psychisch (of “astraal”) opzicht met de week – er moet een oude week voleindigd zijn; in inividueel opzicht moet er een zondag zijn aangebroken, als impuls voor ons “ik”.
Dat is de paasregel, die het feest van de opstanding bepaalt.
Opstanding waarvan? Van de mens, en wel van de gehele, vierledige mens naar lichaam, leven, ziel en geest.
Is dat alles? Het is heel veel, maar het is niet alles. Want de opstanding geldt ook voor de natuur, de levens-hernieuwing is ook werkzaam in planten- en dierenrijk, en in de aarde.
Opstanding geldt voor de hele aarde, en ook over de hele aarde; voor de elementen die onze planeet stof, leven, ademen warmte geven; voor alle landen, gebergten, oceanen.
Als je Pasen viert, kun je niet alleen aan je eigen provincie denken – Pasen geldt de hele aarde.
Op zondag 7 april 1974 was het echter nog niet overal op aarde bij het aanbreken van de nieuwe dag “volle maan” geweest. Op ongeveer de helft van de aarde, naar het oosten toe, kwam de volle maan op terwijl het daar al zondag was geworden: Daarom is het in kosmopolitisch opzicht een goede regel, die Pasen dat jaar op 14 april stelde. En daarmee ook de datum voor Hemelvaart èn voor Pinksteren in een groot verband plaatste, in een ritmisch, micro- én macrokosmisch verband, dat de hele mensheid en de hele aarde omvat.
.
(aantekeningen op basis van een artikel van J.E.Zeylmans van Emmichoven in Jonas 19 april 1974)
.
Hij was een man die een vermakelijke aanblik opleverde: een schedel, hoog en kaal als de koepel van een openbaar gebouw, een gezicht dat verhoudingsgewijs heel klein was, een ronde wipneus en een lange, golvende baard die niet bij zo’n eigenwijs gezicht scheen thuis te horen. Zijn lelijkheid was voor zijn vrienden een spreekwoordelijk mopje en hij van zijn kant deed er nog een schepje bovenop. Hij was een arm man die graag lanterfantte; steenhouwer van beroep, een tweederangs beeldhouwer. Maar hij deed geen slag werk meer dan nodig was om zijn vrouw en drie jongens in leven te houden. Hij praatte liever. En omdat zijn vrouw een helleveeg was met een griezelig scherpe tong, was hij het liefste van huis weg.
Deze houding van schalkse en min of meer voorgewende nederigheid bezorgde hem een geweldige voorsprong in een discussie. Ze maakte hem in feite tot een soort plaag. Voorgevende dat hijzelf de antwoorden niet wist te geven, kwam hij de mensen altijd met vragen aan boord als een officier van justitie, en hij bracht hen tot de vreemdste bekentenissen.
Socrates was de evangelist van het zuivere denken. Hij ging rond door de straten van Athene en predikte de logica, precies zoals vierhonderd jaar later Jezus door de dorpen van Palestina zou trekken en de leer der naastenliefde zou verkondigen. En als Jezus oefende hij, zonder ooit een woord op schrift te zetten, een invloed op de geest van de mensen uit die door geen bibliotheek vol boeken kon worden overtroffen.
Hij stevende gemeenlijk af op de meest vooraanstaande burger, een groot redenaar of wie dan ook, om te vragen of deze werkelijk wist waarover hij praatte. Gesteld dat een vooraanstaand staatsman zijn vaderlandslievende redevoering besloot met een tirade over de moed, over de glorie om te sterven voor zijn vaderland. Dan stapte Socrates op hem af en zei: “Vergeef me dat ik me ermee bemoei, maar wat bedoelt u precies met moed?”
“Moed, dat is in gevaar op je post blijven,” was dan het korte antwoord.
“Maar veronderstel dat de goede krijgskunst eist dat je je terugtrekt?” vroeg Socrates dan.
“O ja, dan ligt de zaak; anders. In dat geval zou je daar natuurlijk niet blijven.”
“Dan is moed dus niet afhankelijk van op je post blijven of je terugtrekken. Wat is moed dan volgens u wél?”
De redenaar fronste dan het voorhoofd. “U hebt me overbluft. Ik vrees dat ik het niet precies weet.”
“Ik evenmin,” zei Socrates dan weer. “Maar het zou mij verbazen als het iets anders is dan alleen maar je hersens te gebruiken. Dat wil zeggen: het redelijke doen, ongeacht gevaar.”
“Dat lijkt er al meer op,” zei iemand uit de menigte en Socrates keerde zich dan naar de nieuwe spreker.
“Zijn we het dan eens — voorlopig uiteraard, want het is een moeilijke kwestie — dat moed gelijk staat met een onwrikbaar juist oordeel? Moed is tegenwoordigheid van geest. En het tegenovergestelde in dit geval zou de aanwezigheid van gemoedsbewegingen zijn, in zulk een mate dat de geest wordt overstemd?”
Socrates wist uit persoonlijke ervaringen mee te praten over moed en zijn toehoorders wisten dat, want zijn koelbloedigheid en heldhaftigheid tijdens de slag van Delium was alom bekend, evenals zijn lichamelijk uithoudingsvermogen. En hij bezat ook geestelijke moed. Iedereen wist nog hoe hij zich geheel alleen te weer had gesteld tegen de volkshysterie na de zeeslag van Arginusae, toen tien generaals ter dood waren veroordeeld omdat ze verdrinkende soldaten niet gered hadden. Schuldig of niet schuldig, het was onrechtvaardig, had hij volgehouden, om mensen groepsgewijs te doen terechtstaan of te veroordelen.
Natuurlijk was het hierboven beschreven gesprek in zijn bijzonderheden denkbeeldig. Maar het toont het hoofdkenmerk aan waardoor de leer van deze beminnelijk lelijke en overtuigende man Socrates een keerpunt in de beschavingsgeschiedenis is geworden. Hij leerde dat de juiste handelwijze altijd die handelwijze is die door de geest wordt bestuurd, dat alle deugden in de grond neerkomen op overwinning van de geest over de emoties.
Socrates legde niet alleen voortdurend de nadruk op de morele betekenis van zuiver denken, maar zette ook de eerste grote stap om de mensen te leren hoe ze dat moesten doen. Hij ontwikkelde de idee van definitie der begrippen. Hij placht te zeggen: “Laten we voordat we beginnen te praten, vaststellen waarover we praten.” Dit was zonder twijfel al eerder gezegd in gesprekken van mens tot mens, maar Socrates maakte er een evangelie van.
Vóór Socrates hadden de Griekse filosofen drie geslachten lang de natuur en de sterren bestudeerd en in een schitterende intellectuele bloei het aanzien aan wat wij wetenschap noemen, gegeven. Socrates gebruikte de wetenschappelijke methode voor de studie van de levenskunst. In zijn dagen strekte de wonderbaarlijke wereld van Griekse stadstaten en van de Griekse cultuur zich uit rond het bekken van de Middellandse Zee en voorbij de Zwarte Zee tot de Russische kust. Griekse koopvaarders beheersten de handel in dat gebied. Onder het leiderschap van de grote handelsstad Athene hadden de Grieken juist de legers van Perzië verslagen. Van overal ter wereld begonnen nu kunstenaars, dichters, mannen der wetenschap en filosofen, studenten en leraren naar Athene te stromen. Rijke lieden van zo ver weg als Sicilië stuurden hun zonen uit om Socrates te volgen op zijn wandelingen, om te luisteren naar zijn merkwaardige betogen. De oude man weigerde daar iets voor te berekenen.
Alle grote filosofische stelsels die in de Griekse en later in de Romeinse wereld zijn ontstaan, beroepen er zich op van hem af te stammen. Plato was zijn leerling en Aristoteles was Plato’s leerling. We leven nog altijd in het Socratische erfdeel. De leer van Socrates zou wellicht niet zulk een diepe indruk op de wereld hebben gemaakt als hij er niet als een martelaar voor was gestorven. Het schijnt vreemd om een man ter dood te brengen wegens het “invoeren van algemene definities”. En toch: wie denkt aan wat die nieuwe techniek, als ze halsstarrig tot in de uiterste consequenties wordt gevolgd, aan aloude, gevoelsmatige overtuigingen kan toebrengen, is er niet door verrast. Socrates was voor zijn jonge en vooruitstrevende vrienden de zachtaardigste van alle mensen, maar hij moet door duizenden traagdenkende, ouderwetse lieden en zelfs door vele bedachtzame conservatieven zijn beschouwd als een verderfelijk fanaticus. Er waren twee formele beschuldigingen tegen Socrates: hij geloofde niet in de door de stad erkende goden en hij “bedierf de jongeren”.
Het is heden ten dage niet precies duidelijk wat de aanklagers hebben bedoeld, maar het staat vast dat de jonge mensen aan deze oude man waren verknocht. De aanlokkelijkheid van nieuwe inzichten, de aansporing om zelfstandig te denken, trokken hen tot hem aan, maar hun ouders vreesden dat ze revolutionaire dogma’s leerden. Daarbij kwam nog dat een van zijn studenten, de heethoofdige, onevenwichtige Alcibiades, tijdens de oorlog met Sparta naar de vijand was overgelopen. Dat was niet de schuld van Socrates. Maar Athene, lijdend onder de nederlaag, was op zoek naar zondebokken.
Socrates stond terecht voor een jury van 501 burgers en werd ter dood veroordeeld met een meerderheid van slechts 60. Waarschijnlijk hadden zeer weinigen verwacht dat hij zou sterven. Hij bezat bij voorbeeld officieel het recht om een lichtere straf voor te stellen en een stemming daarover aan te vragen. Als hij dat nederig, weeklagend en smekend had gedaan, zoals de gewoonte was, dan zouden meer dan 30 ongetwijfeld hun stem hebben gewijzigd. Maar hij hield eraan vast zich ook op dit punt verstandelijk te gedragen.
“Een van de dingen waarin ik geloof,” zei hij tegen de volgelingen die in de gevangenis bij hem kwamen en hem aanspoorden te ontvluchten, “is de heerschappij van de wet. Een goed burger, zoals ik jullie altijd heb verteld, is degene die gehoorzaamt aan de wetten van zijn stad. De wetten van Athene hebben me ter dood veroordeeld en de logische gevolgtrekking daaruit is dat ik moet sterven, als een goed burger.”
Dit moet zijn ongeruste vrienden als enigszins ziekelijk strijdlustig hebben getroffen. “Wordt de logica op die manier niet wat al te ver doorgedreven?” protesteerden ze. Maar de oude man bleef op zijn stuk staan.
Plato heeft Socrates’ laatste nacht op aarde beschreven in de dialoog Phaedo. Socrates bracht die nacht door zoals hij de meeste andere had doorgebracht: debatterend over filosofie met zijn jonge vrienden. Het onderwerp was: Is er een leven na de dood? Socrates was geneigd te denken van wel, maar hij toonde een ontvankelijke geest en luisterde aandachtig naar de tegenwerpingen van zijn studenten die het tegengestelde standpunt innamen. Tot het einde toe hield Socrates het hoofd koel en hij liet zijn denken niet door zijn gevoelens beïnvloeden. Hoewel hij binnen enkele uren moest sterven, zat hij bezadigd over de kansen op een toekomstig leven te betogen.
Toen het uur naderde, verzamelden zijn vrienden zich rond hem en bereidden zich in hun hart voor op de aanblik van hun leraar die de gifbeker dronk. Socrates liet die zelf halen, kort voordat de zon boven de bergen in het westen onderging. Toen de bewaker het ding binnenbracht, zei hij op kalme, zakelijke toon tegen hem: “U weet alles van deze dingen en u moet me vertellen wat ik moet doen.”
“U drinkt de kervel en dan staat u op en loopt wat rond,” zei de bewaker, “tot uw benen u zwaar gaan wegen. Daarna gaat u liggen en de verdoving zal naar uw hart trekken.”
Zeer weloverdacht en beheerst deed Socrates wat hem was bevolen, alleen pauzerend om zijn vrienden de les te lezen; ze snikten en schreiden, alsof hij niet wijs en juist handelde. Zijn laatste gedachte gold een kleine verplichting die hij had vergeten. Hij verwijderde de doek die over zijn gezicht was gelegd en zei: “Krito, ik ben een haan schuldig aan Asclepius . . . Zorg er vooral voor dat die wordt betaald.”
Daarna sloot hij de ogen en legde de doek weer terug, en toen Krito hem vroeg of hij nog een andere laatste wens had, gaf hij geen antwoord.
“Dat was het einde,” zei Plato die deze sterfscène in onvergetelijke taal heeft beschreven, “van onze vriend die van allen die we hebben gekend de beste, de rechtvaardigste en de wijste is geweest.”
Hij placht voor het licht werd op te staan, een haastig ontbijt te nuttigen: in wijn gedoopt brood, een hemd aan te schieten, daarover een grofgeweven mantel te gooien en weg te gaan, op zoek naar een werkplaats, een tempel of het huis van een vriend, een badinrichting of zomaar een bekend punt in de stad waar hij in discussie kon geraken. In de ganse stad waar hij woonde, gonsde het van discussies. De stad heette Athene en die man was Socrates.
Hij zag er niet alleen vermakelijk uit, maar hij had ook grappige manieren en denkbeelden waar hij weliswaar goedsmoeds, maar met een koppige vasthoudendheid aan vast hield. Een van zijn vrienden had het orakel van Delphi gevraagd wie de wijste man van Athene was. Tot aller verbazing had de priesteres deze leegloper, Socrates, genoemd. “Het orakel,” zei deze, “heeft mij de wijste man van Athene genoemd omdat ik de enige ben die weet dat hij niets weet.”
.
Hoewel het vieren van jaarfeesten een onderdeel is van wat op de vrijeschool gebeurt, geeft Steiner er in zijn pedagogische voordrachten geen aanwijzingen voor. Dat er over de jaarfeesten op deze blog van alles is te vinden, betekent niet dat alle achtergronden die hier worden gegeven voor iedere school in gelijke mate gelden. Bovendien is ‘school’ in dit opzicht te abstract. Het gaat om de mensen die er vorm aan geven. Omdat het bij de achtergronden om religieuze, spirituele of godsdienstige inhoud gaat, ligt het voor de hand dat iedere individuele leerkracht daarmee een bepaalde verbinding heeft – van een oppervlakkige tot een diepe.
De achtergronden die hier worden gegeven, zijn dus meer bedoeld als het schetsen van een sfeer waaruit de concrete vorm van een jaarfeest is voortgekomen.
OP ZOEK NAAR DE WARE KONING
Een koning Rood, wit, blauw,
De koning en zijn vrouw,
De koningen zijn dochtertje,
Koffiedik
Af ben ik
Een vader zegt dit rijmpje op voor zijn dochtertje, dat de vorige dag net drie jaar is geworden. Het kind heeft het versje vaker gehoord en aandachtig in zich opgenomen. Nu herhaalt ze ineens met iets van blijde verrassing in haar stem het laatste voord: Ik, ikke! Het is voor het eerst dat ze dit woord zo uitspreekt, bewust betrokken op zichzelf. Twee maanden later zegt ze over zichzelf: ‘Als Hieke groot is, is Hieke ook een koning!’
Er wordt een kind gedoopt. Ik zit met mijn dochtertje van twee jaar op schoot, nogal vooraan om alles goed te zien. Daar komt de priester binnen, een eerbiedwaardig man met zilverwit haar dat glanst boven het donkerpaarse priestergewaad. Het is ineens heel stil in de kerk, en in die stilte hoor ik mijn dochtertje dromerig fluisteren: ‘De koning!’
Wie van ons ziet nog een koning in deze tijd? Wel spreekt de taal van ‘een koninklijke gestalte’. Dat heeft dan niets te maken met de uiterlijke omhulling, maar met de uiterlijke houding die naar buiten toe zichtbaar wordt. Blijkbaar dragen we in ons mee het beeld van een ‘koning’, hoe een koning moet zijn, maar het ligt diep weggedoken in een niet-bewuste laag van ons bestaan. Het is er wel en het ‘werkt’ ook, want we kunnen er de ‘koning’ in een ander mens mee herkennen. Hoe moeten we ons dat voorstellen? Wat is eigenlijk een koning?
Nu roepen we de sprookjes te hulp. Dat kunnen we doen, omdat in de echte sprookjes een schat van wijsheid verborgen ligt die de meest fundamentele waarheden van het mens-zijn in beeldentaal uitspreekt. In gave en goed
afgeronde sprookjes als IJzeren Hans, De trommelslager of De trouwe Johannes wordt het koningschap bereikt via een lange, moeilijke weg vol beproevingen. In het verhaal van IJzeren Hans is het zelfs heel duidelijk dat het gaat om een innerlijk verworven koningschap. De held van het verhaal is immers van geboorte een koningszoon, en heeft als zodanig het recht geërfd om koning te worden. Hij draagt het als een belofte met zich mee, maar of die belofte in vervulling gaat, hangt van hem zelf af. Jarenlang duikt hij onder in een naamloos bestaan als om een rijpingsproces door te maken. Wijsheid, waardigheid, deemoed, inzicht in zichzelf en in anderen, bereidheid tot offervaardigheid en dienstbaarheid, moed, vlijt en tegenwoordigheid van geest: het zijn evenzovele voorwaarden om een waarachtig koningschap te bereiken.
Het begin
Het inzetten van de Lijdenstijd zoals dit gebeurt in de Christengemeenschap, als voorbereiding op Pasen, doet ons denken aan de vier adventszondagen voor Kerstmis. De heilige nacht van de geboorte van het kind Jezus ligt nu heel ver achter ons. Het licht dat ons toen omstraalde, en de warmte die toen om ons heen was, zijn we bijna vergeten. Het engelenlied van ‘Vrede op aarde’ klinkt als een zwakke echo in ons hart na. Er was een openheid naar boven toe, een stemming van vanzelfsprekende innigheid die we ons dankbaar herinneren als een geschenk uit de hemel. Iets van die warme innigheid, van die lang vervlogen kerststemming kunnen we nog ervaren iedere keer als we staan bij de wieg van een heel jong mensenkind. Iets van de heiligheid van de plaats waar Maria’s kind geboren werd, hangt in iedere babykamer, als het goed is. Diep-ernstig kunnen de ogen van zo’n jong kind je aankijken. Het is of daarachter een geheim verborgen ligt dat nog ontraadseld moet worden: het geheim van zijn toekomstig leven op aarde. Wie ben je? Met welk doel ben je hier gekomen? Ze slapen voornamelijk, deze hele jonge wiegekinderen. Ze zijn nog helemaal verbonden met de wereld waar ze vandaan gekomen zijn. Pas na 6 weken, na ongeveer 40 dagen worden ze langzaam wakker voor onze wereld, en ze doen dat met het eerste teken van menselijk contact: een stralende glimlach.
Deze paradijselijke sfeer kan nog heel lang om een kind heen zijn, als wij volwassenen er maar zuinig op zijn en het behoeden. Want als we dat doen dan is het of er in ons huis een bronnetje opborrelt met helder, fris water. En aan dit levende water kunnen we ons steeds weer laven, als we er rustig de tijd voor nemen, en ons niet laten voortjagen ‘door de dingen die gedaan moeten worden’. We gaan iets vermoeden van het geheim dat een jong kind in zich draagt, als we in de evangeliën lezen hoe Jezus eens kinderen plaatste in het midden van de twaalf discipelen en tot hen zei: ‘Wie niet het rijk Gods in zich opneemt zoals een kind het in zich draagt, kan er niet binnenkomen’ (Markus 10).
De weg
Na Kerstmis is het of we met reuzenschreden het groeiproces tot volwassenwording meemaken. In de Driekoningentijd schuift zich een donkere schaduw voor het licht. Koning Herodes staat daar en we kunnen er niet omheen. De drie Wijzen uit het Oosten vinden het Kind in Bethlehem. maar de vierde koning zoekt zijn weg door de wereld. Hij is een koningszoon met het ge-erfd recht om later koning te worden. Hij doet echter afstand van dit vanzelfsprekende recht en duikt onder in de anonimiteit, als mens onder de mensen. Aan het eind van zijn leven ontdekt hij dat zijn kiezen voor het mens-zijn tegelijk het ware koningschap betekent. De Koning die hij zocht, blijkt ook te zijn de ware Mens, als vervulde belofte. Het was het mede-lijden met de mensen die hij ontmoette op zijn lange lijdensweg, dat tenslotte deze ontdekking, deze ont-hulling mogelijk maakte. Je kan je op allerlei manieren voorbereiden op Pasen, maar voor ons volwassenen, opvoeders, verzorgers is er geen betere voorbereiding denkbaar dan het ‘mee-lijden’, het zich verdiepen in de lijdensgeschiedenis zoals deze beschreven wordt door de vier evangelisten. Direct, concreet lezen wat er staat, ieder jaar weer, of ernaar luisteren met open oren of erover spreken met anderen, zoals de Emmaüsgangers deden, ja zelfs erover zingen is een zinvolle en bevredigende voorbereiding.
Hoewel er in historische documenten vrijwel niets te vinden is over de gebeurtenissen in Palestina, zo centraal voor het christendom, is toch één ding duidelijk merkbaar. De personen die betrokken waren bij de veroordeling van Jezus van Nazareth kunnen geen van allen ‘kleine jongens’ geweest zijn. Het is of er een soort samentrekking is, van mensen die elk voor zich ‘groots’ waren op de plaats waar zij stonden, in de functie die zij vervulden.
Door alle evangeliën heen wordt steeds aangeduid dat alles op een bepaald ‘uur’ moest geschieden, zoals bijvoorbeeld in Johannes 7: ‘Toen zochten ze hem te grijpen, maar niemand sloeg de hand aan hem; want zijn uur was nog niet gekomen.’
Het is of het hele uitspansel met sterren en andere hemellichamen volgt wat hier gebeurt. Daarom is het ook niet anders denkbaar dan dat de machtige gestalte van de Christus in de mens Jezus ‘weerstanden op hoog niveau’ ontmoette. Het is of een Koning zich met ‘koningen’ moet meten.
Gestalten in de Stille week
Daar is als eerste Judas Iskariot. Als het gejuich en het rumoer van Palmpasen is verstomd, dan komt wat zelfs door de discipelen als een ‘anticlimax’ wordt beleefd: de gebeurtenissen van de Stille week. De teleurstelling die hen allen beving, culmineerde in het verraad van Judas. Eén moest het verraad plegen, één moest de ‘zondebok’ zijn. Het is of de profetische woorden van de hogepriester ook op Judas van toepassing zijn: ‘Het is beter voor u dat één mens sterft voor het Godsvolk dan dat geheel ons volk ten onder gaat’ (Joh. 11). Wat een ontzagwekkende gestalte moet dit geweest zijn, hij die de Mensenzoon verraden kon.
Dan is daar de hogepriester. De leiders van het Joodse volk hebben met hun gewapende dienaren Jezus gevangen genomen en voor de Hoge Raad gebracht, het hoogste rechtscollege. Er moeten getuigenissen tegen de aangeklaagde gevonden worden, opdat hij veroordeeld kan worden. De veroordeling zelf stond van tevoren vast. Maar zij vinden niets en de getuigenissen blijken niet te kloppen met elkaar. Tijdens al dat heen en weer praten heeft één persoon zich wat op de achtergrond gehouden, lijkt het. Nu treedt hij naar voren: ‘Toen stond de hogepriester op en trad in het midden’ (Mark. 14). Hij verbaast zich erover dat Jezus geen weerwoord heeft op alle getuigenissen. Maar misschien juist daardoor is hij de enige die er een vermoeden van heeft wat hier gebeurt en wie hier voor hem staat. De hogepriester stelt de enige vraag ‘op niveau’: ‘Zijt Gij de Christus, de Zoon van de Geprezene?’ Jezus zeide: ‘Ik Ben. En gij zult de Mensenzoon zien zitten ter rechterhand der Kracht en komen met de wolken des hemels.’ (Mark. 14). Het pleit voor de hogepriester dat er nu wel een antwoord komt. Jezus herkent in hem blijkbaar een waardig vertegenwoordiger van wat de joodse religie inhoudelijk nog betekende. Het woord ‘Ik Ben’ komen we ook tegen in het Oude Testament. Het was de heilige naam van de Godheid, die alleen in het allerheiligste van de tempel mocht worden uitgesproken. Die naam werd nu in volle openbaarheid uitgesproken en ten overstaan van iedereen. Juist omdat de diepste geloofsgeheimen voor deze hogepriester zo heilig waren, was hij zo diep geschokt dat hij zijn gewaad scheurde en Jezus betichtte van ‘godslastering’. Volgens de joodse wet was de beklaagde nu des doods schuldig.
Wat hier gebeurt, klinkt als een voorspel van wat beschreven wordt als gevolg van de kruisdood op Golgotha: ‘Toen scheurde het voorhangsel van de tempel in tweeën, van boven tot onder.’ (Mark. 15). Het geheim dat eeuwenlang in het verborgene was behoed en doorgegeven door ingewijde mensen, was openbaar geworden en voor de hele wereld zichtbaar. ‘De hoofdman, die tegenover hem stond en zag dat hij zó stierf, zeide: ‘Waarachtig, deze mens was een Gods-zoon’ (Mark. 15). Dat zegt een Romeinse hoofdman in functie, op wacht bij het kruis. Ook hij was blijkbaar niet ‘zo maar’ iemand, maar een man die meer zag dan anderen. Er is nog een vierde, die tijdens het proces markant gestalte krijgt door de wijze waarop hij Jezus tegemoet treedt. Dat is de landvoogd Pilatus, ook een Romein. De eerste vraag die hij Jezus stelt, is: ‘Zijt gij de Koning der Joden?’ Een merkwaardige vraag, want de Joden kenden geen koning in de gewone, bestuurlijke zin van het woord. Uit het antwoord van Jezus blijkt echter, dat Pilatus wat anders bedoelt: ‘Mijn Rijk is niet van deze wereld.’ (Joh. 18). De landvoogd blijft hem verder met deze titel benoemen, en hij schrijft later dezelfde woorden als opschrift boven het kruis: Koning der Joden. Na het eerste gesprek met Pilatus wordt Jezus overgeleverd aan de soldaten om te worden gegeseld. ‘En de soldaten vlochten een kroon van doornen en zetten die op zijn hoofd. Zij wierpen hem een purperen mantel om en traden op hem toe met de woorden: ‘Gegroet, Koning der Joden! En zij sloegen hem in het gezicht.’ (Joh. 19). Naar aardse maatstaven de karikatuur van een koning. Geen kroon van goud, maar een van doornige takken waaraan in plaats van rozen bloeddruppels bloeiden.
‘En wederom trad Pilatus naar buiten en zeide tot hen: ‘Ziet, ik breng hem openlijk voor u, opdat gij begrijpt dat ik geen schuld in hem vind.’ Jezus trad naar buiten met de doornenkroon en de purperen mantel. Pilatus sprak tot hen: ‘Ziedaar, de mens!’ (Joh. 19).
Het was dit beeld dat de dichter Chr. Morgenstern inspireerde tot de uitspraak:
Wenn die Rosen um deine Stirn, Mensch
kein Blutstropfen sind,
wirst du nicht wissen warum du lebst,
bleibst du ewig Kind, Mensch!
Op de derde dag
Als een koning werd Jezus van Nazareth ingehaald op de dag die wij nu Palmzondag noemen. ‘Hozanna de Zoon Davids! Gezegend die komt in de naam des Heren!’ Gejubel en gejuich begroetten een uiterlijk koningschap, waar het volk eeuwenlang naar had uitgekeken. In de week die daarop volgt, blijkt echter dat het gaat om een ander soort koningschap. Zo rumoerig als de intocht in Jeruzalem verliep, zo stil begint de Paasmorgen, acht dagen later. Zo stil als het ’s morgens vroeg kan zijn als de zon opgaat. De Opstanding is een begin, is in kiemtoestand. Het is een kiem die veel zorg en aandacht nodig heeft.
Pasen is geen “hemels geschenk’, maar een belofte: de belofte dat een innerlijk koningschap en een waarachtig mens-zijn mogelijk zijn geworden. Ofdeze belofte wordt vervuld, hangt mede van ons af.
.
Het is echt lenteweer, zonnig, we kunnen niet anders dan naar buiten gaan. De natuur staat op springen,de knoppen aan de bomen worden al dikker en wie onder de bomen onder de humuslaag in de grond krabt, ziet dat aan eikels, kastanjes en zaden al de eerste wortelvorming is begonnen, het begin van een nieuwe boom!
Op weg naar huis knip ik in de tuin wat kale, schijnbaar dode takken af. Er is nog niets aan te zien en ik vraag me af of de takken soms ver ingevroren zijn? Ik vergeet ze een beetje, ook al staan ze mooi te zijn in de blauwe glazen vaas.
En dan zie ik plotseling op weer zo’n mooie zonnige dag de zon schijnt warm in huis, dat het zwarte hout bezaaid is met prachtige piepkleine perzikbloesems. De bloemblaadjes hebben de kleur van een gezonde rozige babyhuid, een boeiend contrast met de doodgewaande takken. Onder een heldere Hollandse wolkenlucht komt de natuur steeds meer tot leven, de vroege bloeiers geven acte de presence.
Al genietend van de lente wordt de mens er zelfs al een beetje luchtig van; het geeft zin in nieuwe dingen, nieuwe plannen.
De spanning die we buiten opdoen is op school in het hele gebouw
tastbaar aanwezig. De jaartafels in de klassen bloeien op. In peuter- en kleuterklassen zijn we even in de ban van moeder Aarde en de wortelkindertjes: “Onder de grond, zo diep, zo diep. Wie weet er wat daar sliep?”
Dit zijn de eerste zinnen uit het boek van Alfred Listal “Van de Wortelkindertjes”.
In de lente, de paastijd, begint het boek zijn beeldverhaal over de
ontluikende en weer afstervende natuur.Veel ouders hebben de kunst van de juffies afgekeken en tot grote vreugde van de kinderen de bloemenkindertjes met lapjes en stukjes vilt ook thuis op een jaartafel laten verschijnen.
In alle klassen staan de houten kruisen klaar om versierd te worden met kleurig crêpepapier, beschilderde eieren, rozijnenslingers, een zelf gebakken broodhaantje en buxustakjes.
Met de palmpaasoptocht luiden we de stille week in en bezingen we het komende paasfeest.
De optocht is een herinnering aan de intocht van Jezus in Jeruzalem. De palmpasenstok brengt met zijn symbolische versiering het christelijke paasfeest en de vele voor-christelijke vormen van volksfeesten ter ere van het nieuwe leven in de natuur en de terugkomst van de zon samen. Het beschilderde ei, de haas, het lam en het paasvuur zijn symbolen die bij oude culturen van Germanen, Grieken, Egyptenaren, Chinezen en vele anderen zijn terug te vinden.
Zelfs nu nog wordt bv. in China een roodgeverfd ei in de wieg gelegd als symbool van geluk bij een nieuw geboren baby.
Het christelijk paasfeest is het feest van Dood en Opstanding.
Vroeger was dat het belangrijkste feest van het jaar.
In het Westen kreeg de mensheid steeds meer moeite met de opstandingsgedachte, het lege graf kon alleen een “wonder” zijn en die bestaan niet in het westerse denken.
Toch toont de natuur ons jaar in jaar uit het wonder van Pasen en kan ons motiveren tot het zoeken naar de moderne waarheid van het wonder. Het lezen over de lijdensweg van Christus, die voerde naar de dood op Golgotha, roept het machteloze gevoel op dat Christus zich niet verweerd heeft, de
kruisiging gewoon heeft laten gebeuren. Tegelijkertijd beleef je dat het aardse leven geen kans meer had en dat er alleen door het sterven heen een mogelijkheid tot “opstaan” was. Daarmee gaf hij de mensheid de gelegenheid nieuwe wegen te bewandelen, geïnspireerd door andere dan materiële waarden.
Als volwassene kunnen we ons betrokken voelen bij het lijden op Goede Vrijdag. Het luisteren naar de Matthaus-passion van J.S.Bach, die in deze tijd op vele plaatsen wordt uitgevoerd, brengt ons in de gemoedstoestand die bij de kruisiging past.
Jonge kinderen beleven dit nog niet, voor hen is alleen het levende een realiteit.
Bach heeft op geniale wijze gebruik gemaakt in zijn muziek van een jongenskoor. De lichtheid van de kinderzangstemmen tegen de dramatische klank van de twee grote koren, laten je tastbaar voelen dat Pasen, opstanding, onlosmakelijk verbonden is met de dood.
Zo geeft de geschiedenis van het leven van Christus moed om steeds aan iets nieuws te beginnen in het leven en het geeft vertrouwen, dat het goed is als daaraan vooraf in een mensenleven iets moet worden opgegeven.
Het vieren van Pasen in de vrijeschool gebeurt met de jongste kinderen met de beelden vanuit de natuur. De paashaas die zijn gekleurde eieren brengt, is het beeld voor de onzelfzuchtige mens, die zich opoffert voor het voortleven van anderen, overeenkomstig het gedrag van de haas in zijn leger in de vrije natuur.
Door alle klassen spelen de symbolen uit de zich vernieuwende natuur, uit het nieuwe leven in het ei, enz. de belangrijkste rol bij de viering. Vanaf de vierde klas kan ook over het leven van Jezus en het mysterie van Golgotha worden verteld. Duidelijk zal zijn dat daarbij de vernieuwende impulsen die Jezus aan de mensen gaf de boventoon voeren en dat zichtbaar wordt gemaakt dat zijn leven niet eindigde aan het kruis, maar juist voor ons nog begon.
Pasen, een tijd van vernieuwing en opbouw, een tijd om mensen enthousiast te maken voor het vrijeschoolonderwijs. Een onderwijs dat niet nieuw is, maar kinderen wellicht leert later een mens te zijn, die los van materiële verlangens vernieuwende impulsen aan de wereld schenkt!
Hier volgen een aantal belangrijke personen en hun uitvindingen die behoren bij de industriële revolutie:
Thomas Newcomen; James Hargreaves; James Watt;
Thomas Newcomen (1663-1729)
Newcomen maakte de eerste praktisch bruikbare stoommachine door het toepassen van condensatie in de cilinder, waardoor de druk van de
buitenlucht de zuiger terugdreef. Newcomen kan beschouwd worden als de voorloper van James Watt, wiens stoommachine pas werkelijk stoom tot een algemeen gebruikte krachtbron maakte.
Van Thomas Newcomens jeugd weten we niet veel meer dan dat hij in 1663 in Dartmouth, in Engeland, geboren werd. Later dreef hij in Dartmouth een handel in ijzerwaren. Hij wist van de hoge kosten die de paarden in de tinmijnen in Cornwall met zich meebrachten. De paarden werden daar gebruikt om de pompen in werking te houden, die de mijnschachten voor onderstroming behoedden. Newcomen besloot te proberen een
stoommachine te bouwen, die dat werk kon doen. Het gebruik van stoom als drijfkracht werd al in de 1e eeuw na Chr. beschreven door de Griekse geleerde Heron van Alexandrië, die een eenvoudige stoomturbine bouwde. Die bestond uit een bol die stond opgesteld op een as boven een stoomketel en die snel ronddraaide wanneer er stoom gedreven werd uit twee gekromde straalpijpjes. Nadien had niemand veel succes bij pogingen om stoomkracht te beteugelen, tot 1698. Toen kreeg de Engelse genie-officier Thomas Savery patent op zijn pomp, waarmee hij water kon omhoogwerken ‘door middel van de stuwende kracht van vuur’. Savery had daarbij gesteund op het onderzoek van de Franse natuurkundige Denis Papin, de eerste die had ingezien dat het mogelijk moest zijn om water omhoog te werken door in een afgesloten ruimte stoom te laten condenseren boven een zuigpijp. Savery zag de mogelijkheden die het door Papin ontwikkelde principe bood voor het oppompen van water uit kolenmijnen. De pompmachine van Savery bestond uit een stoomketel die verbonden was met twee vaten en met een stelsel van met de hand bediende kleppen. Er kon water mee opgepompt worden, maar tekortkomingen beperkten de bruikbaarheid ervan. Een van de gebreken was, dat het water niet meer dan zes meter omhooggewerkt kon worden.
Newcomen maakte, net als Savery, gebruik van de ideeën van Papin, vooral van de gedachte dat een zuiger die door de spanning van een hoeveelheid stoom werd opgesloten in een cilinder, in beweging werd gezet. Het kostte Newcomer meer dan tien jaar om de eerste praktisch bruikbare stoommachine ter wereld te bouwen. De machine bleek een groot succes, niettegenstaande het nadeel dat er vrij veel warmte, en dus energie, verloren ging bij het in beweging houden van de zuiger. Boven een stoomketel was een rechtopstaande cilinder opgesteld, waarin de stoom opsteeg en mét de zuiger een stang omhoogduwde, die op zijn beurt een zwaar balansjuk in beweging bracht.
Dat hield dan de pomp draaiende. Dan werd er wat water in de cilinder gespoten. Door de afkoeling condenseerde de stoom, waardoor een
gedeeltelijk luchtledig werd geschapen. De druk van de buitenlucht duwde de zuiger weer omlaag, terwijl het opgepompte water wegvloeide. Dit betekende dat de cilinder tijdens de opgang van de zuiger verhit moest worden en tijdens de neergang van de zuiger weer afgekoeld moest worden. Bovendien verzamelden zich dikwijls lucht en andere gassen in de cilinder, waardoor de machine tot stilstand kwam. Toch werden de machines van Newcomen niet alleen in Engeland, maar in heel Europa veel gebruikt voor het drooghouden van mijnen en voor het oppompen van water. Bovendien werden door het inbouwen van automatisch bediende kleppen – ook een uitvinding van Newcomen – de machines steeds betrouwbaarder. De – voor zover we weten – eerste Newcomen-machine die werd gebruikt, werd in 1712 gebouwd. De laatste van zijn machines waren tot kort na 1900 nog steeds in gebruik. Newcomen stierf op 5 augustus 1729 in Londen. Hij had een flinke stap gedaan in de richting van het gebruik van stoomkracht. Maar het was de vindingrijke geest van James Watt die, later in de 18e eeuw, de poorten wijd openzette voor de talrijke toepassingen van stoom als krachtbron. Mede daardoor werd de industriële revolutie mogelijk gemaakt.
De Newcomen-machine, bestaande uit een cilinder waarin een zuiger is opgesloten, die verbonden is met de rechterkant van het balansjuk. Aan het andere eind van het juk is een pompstang verbonden aan de zuiger van een waterpomp. Er werd stoom tot de cilinder toegelaten. Als door het gewicht van het pompmechanisme de zuiger in de cilinder omhooggegaan was, werd de stoomtoevoer afgesloten. Dan werd er koud water in de cilinder gespoten. Daardoor condenseerde de stoom en werd er een gedeeltelijk luchtledig geschapen. De druk van de buitenlucht duwde de zuiger dan omlaag, waardoor de pompzuiger omhoogging. Daarna werd er weer stoom in de cilinder gelaten, en herhaalde de gang van zaken zich.
Een Savery-Newcomen-machine, geïnstalleerd bij Dudley Castte in 1782. Omdat hun patenten gedeeltelijk met elkaar samenvielen, zetten de uitvinders samen een zaak op voor het fabriceren van machines voor het gebruik in mijnen.
James Hargreaves was een Engelse wever. Hij zette een van de eerste stappen naar de volledige mechanisatie van het spinnen, door de spinmachine uit te vinden.
In Europa waren vanaf de prehistorie tot in de middeleeuwen de belangrijkste werktuigen voor het spinnen van wol tot draden, het van een tegenwicht voorziene spinrokken en de spindel. In de middeleeuwen werd het spinnewiel ingevoerd vanuit India. Het spinnewiel bracht het
vervaardigen van garen een klein stapje dichterbij de mechanisatie. Tot in de 18e eeuw – en de nadering van de industriële revolutie – werden stoffen hoofdzakelijk vervaardigd door middel van het systeem van ‘uitbesteden’. Een stoffenfabrikant verstrekte ruwe wol, ruwe katoen of vlas aan spinners en wevers. Die maakten er balen stof van, die ze aan de koopman teruggaven. Ze werden betaald naar stukwerktarieven. Het geheel was dus grotendeels gebaseerd op huisindustrie.
Het spinnen van linnen door een Iers plattelandsgezin. Voor de invoering van de jenny en de mule werd al het spinnen en weven als huisindustrie bedreven.
Over Hargreaves’ tijd en plaats van geboorte en zijn eerste levensjaren is niets bekend. We weten alleen dat hij rond 1760 in het dorpje Standhill in Lancashire woonde. Hij was daar zo’n thuiswever, in het bezit van eigen spinnewiel en weefgetouw. Mogelijk heeft een tijdelijke betrekking bij een katoendrukkerij zijn technische vaardigheid verhoogd. In elk geval kwam in 1764 het idee van een spinmachine bij hem op. Hargreaves kwam op de gedachte dat één enkel wiel een aantal staande spindels moest kunnen aandrijven. Hij bouwde een proefmodel met acht spindels, waarop de draden gesponnen werden van een rij van acht spinrokkens. Alle acht draden konden met de spierkracht van één man of vrouw gesponnen worden. Een beperking lag in het feit dat het geproduceerde garen nogal grof was en niet zo sterk. Maar Hargreaves kwam met zijn uitvinding precies op het goede ogenblik, in de periode waarin het fabriekssysteem zijn intrede deed. Zijn uitvinding kwam dertig jaar na de invoering van John Kay’s schietspoel, die het weven versnelde door het mechaniseren van het heen en weer bewegen van de spoel door de schering. Het gebruik van de schietspoel had de vraag naar geschikte garens doen toenemen.
De spinning jenny, een van de machines die de industriële revolutie mogelijk maakten en het huidige industriële tijdperk inluidden. De vezels liepen in de jenny via een geleidebeugel naar de spindels, waarop ze gewonden werden. Verder rekte en twijnde de jenny de vezels tot draden.
Hargreaves begon zijn machines voor algemene verkoop te bouwen. Hij verbeterde ze zodanig, dat elk ervan tot dertig spindels kon hebben. Al gauw kreeg hij het aan de stok met de thuiswevers, die zich in hun broodwinning en hun onafhankelijkheid bedreigd voelden. Een groepje van hen brak in 1786 bij hem in en vernielde al zijn machines en werktuigen. Daarop verhuisde Hargreaves naar Nottingham, waar hij een compagnonschap sloot met een zakenman. Ze bouwden een fabriekje waarin de spinmachines gebruikt werden om garens te spinnen voor de textielindustrie.
Helaas stelde Hargreaves het aanvragen van patent op zijn spinmachine nogal lang uit. Pas in 1770 kreeg hij zijn patent. Een jaar na zijn dood – in 1779 – werd Hargreaves’ spinning jenny verbeterd door Samuel Crompton. De garens die met Cromptons machine (spinning mule) werden verkregen, hadden een treksterkte die vergelijkbaar was met die van met de hand gesponnen garens. Deze machine maakte ook gebruik van enkele principes van het zogenaamde waterframe, een oorspronkelijk door waterkracht aangedreven spinmachine die tien jaar daarvoor door Richard Arkwright ontwikkeld was. Met Cromptons ‘spinning mule’ kon één man tot 1000 draden tegelijk spinnen. Hoewel er rond 1812 zo’n 360 fabrieken waren die Cromptons uitvinding gebruikten, trok hij er zelf weinig profijt van. Hij had slechts 60 Engelse ponden ontvangen, omdat de fabrikanten in gebreke bleven hun beloften aan hem na te komen. Een door het parlement verstrekte subsidie van 5000 Engelse ponden maakte wel wat goed. Maar het meeste ervan stak hij in speculatieve ondernemingen die failliet gingen.
Samuel Cromtons spinning mule in werking. Deze machine was een verbeterde en uitgebreide versie van Hargreaves’ jenny en produceerde een fijnere en ook veel sterkere draad.
Het drietal: Hargreaves, Arkwright en Crompton, met Hargreaves als eerste, maakte door vindingrijkheid de enorme bloei van de textielindustrie in Noord-Engeland in de 19e eeuw mogelijk. Het is een deel van het proces van de industrialisatie, dat de geschiedenis is ingegaan onder de naam ‘industriële revolutie’.
0-0-0
Richard Arkwright 1732-1792
Arkwright, de Engelse uitvinder van onder andere door waterkracht aangedreven spin- en weefmachines, is waarschijnlijk nog het belangrijkst
geweest doordat met deze machines een enorme industrie op gang werd gebracht, die vele duizenden werk verschafte.
t Richard Arkwrighwerd in december 1732 geboren in Preston, in het graafschap Lancashire, als de jongste van een gezin met 13 kinderen. Hij begon zijn loopbaan als reizend barbier en pruikenmaker, waarbij hij alle uithoeken van zijn vaderland bezocht. In elk geval begon hij al in deze periode met zich door zelfstudie verder ontwikkelen. Dat zou hij tot zijn dood blijven doen. De fundamenten voor de mechanisatie van het weven en spinnen waren al gelegd door John Kay met zijn schietspoel en door James Hargreaves met zijn spinning jenny, een spinmachine. Arkwright wilde nog een stapje verder gaan door de mankracht voor de bediening van de machines te vervangen door een andere krachtbron. Met de hulp van een klokkenmaker – voor de technische moeilijkheden – ging hij aan de slag. In 1769 kreeg hij zijn eerste patent op zijn spinning frame, een spinmachine die niet met de hand bediend werd.
Arkwrights spinning frame, de eerste spinmachine die door een onafhankelijke krachtbron werd aangedreven. Ten slotte besloot Arkwright dat waterkracht hiervoor het geschiktst was. Daarna werd deze spinmachine water frame genoemd. De machine vormde een van de grondslagen van de moderne textielindustrie.
Omdat er in zijn geboortestreek Lancashire grote weerstanden waren tegen de mechanisatie, die uitliepen op rellen, richtte hij met een aantal andere zakenlieden een aantal fabrieken op in Nottingham en in Cromford. In het begin gebruikte hij paarden als krachtbron, maar in 1775 schakelde hij over op waterkracht. De machine raakte daarom bekend onder de naam water frame. De belangrijkste vernieuwing eraan was feitelijk het gebruik van cilinders voor het lostrekken van de vezels die naar de spindels gevoerd werden. Dit water frame was het model waarnaar alle latere spinmachines ontworpen werden. Het gebrek van Hargreaves’ spinning jenny, dat de gesponnen draad alleen als inslag gebruikt kon worden omdat de draad te zwak was om als scheringdraad voor het weefgetouw te kunnen dienen, was er ook mee overwonnen.
Arkwright was een van de eerste industriëlen. Hij verrichtte op grote schaal pionierswerk op het gebied van het fabriekssysteem. Daarmee legde hij de basis voor de niet meer te stuiten opmars van de industrialisatie tegen het eind van de 18e eeuw en in het begin van de 19e eeuw. In 1773, toen grove wollen stoffen uit de mode raakten, begon Arkwright met het vervaardigen van calicot, een fijne, witte, gemakkelijk te verwerken stof van katoen, waar onmiddellijk grote vraag naar was. Ruw katoen was inmiddels in grote hoeveelheden verkrijgbaar van de slavenplantages in West-Indië en het zuiden van Noord-Amerika. Binnen enkele jaren vormde het weven van katoen de belangrijkste industrie in het noorden van Engeland. Rond 1840, zo’n 50 jaar na Arkwrights dood, verzorgde deze industrie 40 procent van de totale Britse export. Er is veel kritiek op Arkwright uitgeoefend omdat hij uitvindingen van anderen zou hebben overgenomen en gebruikt. Maar het feit blijft dat hij die uitvindingen bruikbaar en winstgevend maakte en dat hij het hele systeem opbouwde waarin dat kon gebeuren. Na zijn eerste patent van 1769 verkreeg hij er nog meer, maar die werden voortdurend geschonden en aangevochten. Toen hij naar de rechtbank ging om zijn recht te halen, luidde het vonnis in zijn nadeel. In 1785 werden al zijn patenten nietig verklaard.
Hoewel Arkwright rechtstreeks verantwoordelijk was voor de vestiging van het fabriekssysteem, dat het ambacht van de thuiswevers en -spinners ondermijnde en uiteindelijk te gronde richtte, werd Arkwright algemeen erkend als een goede en loyale werkgever. Hij had eens 5000 werknemers in zijn fabrieken. Hij hield voortdurend in het oog dat deze mensen moesten worden voorzien van behoorlijke behuizing en goede
arbeidsomstandigheden. In ruil eiste hij wel de grootst mogelijke doelmatigheid en voortvarendheid. In 1785 was Arkwright de eerste die de nieuwe stoommachine van James Watt gebruikte om er de machines van een katoenfabriek mee aan te drijven. Dat gebeurde in zijn fabriek in Nottingham. In 1786 werd Arkwright in de adelstand verheven, en het jaar daarop werd hij benoemd tot sheriff van Derbyshire, waarin zijn woonplaats Cromford lag. Daar bouwde hij een kasteel – Willersbey Castle – als woning. Ook bekostigde hij de herbouw van de plaatselijke kerk, St. Mary’s church. Hij stierf op 3 augustus 1792 op Willersbey Castle.
Boven: klos- en draadtrekmachines
Onder: het bedrukken van de stof
Katoenfabriek tijdens de industriële revolutie:
Het schoonmaken van de vezels in een machine waarin rollen met draadtanden ronddraaien. Dit heet het kaarden.
James Watt 1736-1819
De Schot James Watt was de uitvinder van de moderne stoommachine. Hij veranderde en verbeterde reeds bestaande stoommachines zodanig, dat ze echt doelmatig werden. Het is wel zeker dat de industriële revolutie pas goed kon doorzetten, toen hij met zijn werk de noodzakelijke, doeltreffende krachtbron ter beschikking stelde.
James Watt werd op 19 januari 1736 geboren in Woodall, aan de rivier de Clyde in Schotland. Zijn vader was daar scheepsbouwer en -eigenaar. Omdat hij zwak van gezondheid was, kreeg hij zijn eerste onderricht thuis, van zijn moeder.
Wat later ging hij toch nog naar de middelbare school, waar hij vooral in de wiskunde uitblonk. Zijn eerste technische kennis vergaarde hij in de
werkplaats van zijn vader, waar hij zelf modellen bouwde van objecten als hijskranen. In 1755 ging hij naar Londen, waar hij in de leer ging om
instrumentmaker te worden. Twee jaar later keerde hij terug naar Schotland. Hij opende er binnen de universiteit van Glasgow een werkplaats voor het maken en repareren van instrumenten. In 1764 kreeg Watt van een klant een stoommachine ter reparatie in zijn werkplaats. Het was een exemplaar van de machine die in het begin van die eeuw door Newcomen uitgevonden was. Watt besefte dat er ontzaglijk veel energie verloren ging doordat de zuiger beurtelings verhit en afgekoeld moest worden. Hij ging zoeken naar een andere oplossing. Een jaar later had hij die gevonden. Hij liet de stoom niet meer in de cilinder zelf condenseren, maar in een aparte condensatiekamer, die met de cilinder in verbinding stond. Watt bouwde een demonstratiemodel van zijn machine, dat hij in 1769 patenteerde als ‘een nieuwe methode om het verbruik van stoom en brandstof te verminderen in vuurmachines’. Zijn vernieuwing leverde inderdaad een brandstofbesparing op van 75 procent. Zijn machine trok de aandacht van een ingenieur en fabriekseigenaar, Matthew Boulton, in Birmingham. Hij kocht een aandeel in Watts patent om de mogelijkheden van diens machine voor zijn fabriek onderzoeken.
In 1775 aanvaardde hij een compagnonschap met Boulton, wiens fabriek in Birmingham een grote naam had om de kwaliteit van haar metalen producten, van munten en knopen tot Sheffield-tafelgerei en zilverwerk. Al gauw werd Watts stoommachine er ook vervaardigd, waarbij ook deze onderneming voorspoedig opbloeide.
Kort nadat Boulton en Watt een compagnonschap waren aangegaan, namen ze een jonge technicus in dienst, William Murdock geheten. Met Murdocks hulp verkregen ze contracten voor het plaatsen van Watts machine in de tin- en kopermijnen van Cornwall. Ze vervingen daar vele van de oude Newcomen-machines, die daar al 50 jaar dienst hadden gedaan.
Watt werkte voortdurend aan het verbeteren zijn machine. Toen Boulton voorzag dat er in de industrie behoefte zou zijn aan een ronddraaiende as in plaats van een zuigerstang die beperkt was tot een recht op- en neergaande beweging, construeerde Watt het mechanisme dat in die verandering van soort van beweging voorzag: het planeetwiel. Vervolgens ontwikkelde hij de zuig-perscilinder, waarin de stoom beurtelings aan debeide zijden van de zuiger ingelaten wordt. Daardoor werd het vermogen van zijn machine sterk vergroot.
Verder ontwikkelde hij centrifugaal-regulateur, een onderdeel dat de snelheid van de stoommachine automatisch constant houdt door het regelen van de stoom toevoer. Verder ontwikkelde Watt ook nog een drukmeter.
Door de veelzijdige bruikbaarheid en het hoge rendement van Watts stoommachines, vonden ze een enorm aantal verschillende toepassingen toen de industrialisatie hand over hand toenam. Zo werden ze gebruikt in papierfabrieken, de meelindustrie, katoenindustrie, ijzerfabrieken en
ijzergieterijen, graanstokerijen en bij de aanleg van kanalen en andere waterwerken. Aan het eind van de 18e eeuw waren er bijna 500 machines
gebouwd.
Watt was toen een gefortuneerd man. Hij had in 11 jaar 76.000 pond aan rechten op zijn patent ontvangen. De erkenning kwam ook: in 1785 werden hij en Boulton gekozen tot lid van de Royal Society.
Nadat Watt met zijn vrouw wat door Europa had gereisd, trok hij zich terug in zijn buitenhuis in Heathfield. Daar werkte hij nog jaren in een
zelfgebouwde werkplaats op de vliering van zijn woning, waar hij ook nog zeer productief was. Hij maakte een machine waarmee borstbeelden en dergelijke beeldhouwwerken nauwkeurig gekopieerd konden worden. Verder nog een kopieerpers, die met behulp van een speciale inkt kopieën maakte. Hij stierf in zijn woning, op 25 augustus 1819. Hij werd begraven naast zijn compagnon, Matthew Boulton, in een kerk nabij Birmingham. In de Westminster Abbey in Londen werd een borstbeeld van hem geplaatst. De eenheid van elektrisch arbeidsvermogen, de watt, werd te zijner ere zo genoemd.
. Uiteraard zijn dit veel meer mineralen dan je ooit zou kunnen behandelen. Het gaat in de periode niet om enorme hoeveelheden, maar juist enkele waar je voldoende aandacht aan kan besteden. Ik had er zelf veel in mijn (papieren) verzameling en die wil ik hier toch weergeven. De wat gedateerd aandoende illustraties geven wel mooi de mogelijkheid op bord prachtig te tekenen. Uit dit boekje:
In de agaat hebben we de kiezelsubstantie niet in de strenge vorm, waarin ze bv. in het bergkristal optreedt voor ons, maar meer als een gestolde vloeistof, ze vormt hier zeer fijne lagen en geeft aan het mineraal een organisch aandoende vorm. Weledaberichten nr. 100, 04-1974 .
In de agaat verschijnt de kiezelsubstantie niet in de strakke vorm, zoals wij die bv. bij de bergkristal vinden, maar meer als een gestolde vloeistof. Van buiten is dit mineraal tot onaanzienlijke knollen verstard. De schoonheid van de ritmisch getekende en dikwijls sterk gekleurde lagen, die soms haast op organische vormen lijken, wordt pas zichtbaar, als men de bollen openmaakt en polijst. De bekendste vindplaatsen zijn in Idar-Oberstein en Brazilië.
(Weledaberichten nr.124 12-1981)
. De agaat dankt zijn naam aan de kleine rivier Agates in Sicilië. In zijn bedding werd deze siersteen ontdekt.
Agaat wordt op verschillende plaatsen gevonden, o.a. in Brazilië en Madagaskar; er zijn grote groeven in India.
Ook dichterbij: in de omgeving van Idar-Oberstein, Duitsland waar sedert de 17de eeuw een industrie ontstond voor het bewerken en slijpen van edelstenen, die daar gevonden werden.
De groeven rond Idar zijn inmiddels uitgeput geraakt. Maar nog steeds is dit schilderachtige stadje een middelpunt van handel en bewerking van kostbare stenen. Amateurs kunnen in de omgeving nog allerlei moois vinden voor hun verzamelingen.
Agaat is ontstaan in holle ruimten en kloven van rotsachtige gesteenten. Deze liepen vol met kiezelzuur, dat kristalliseerde na verdamping van het water.
Het gebeurde dikwijls dat zo’n holte in het gesteente niet helemaal gevuld werd in de loop van de tijd; er vormden zich dan binnenin prachtige zuiltjes van bergkristal en amethist.
Deze opgevulde holten werden geoden genoemd. In het Heimatmuseum te Idar-Oberstein zijn daarvan fantastisch mooie voorbeelden te bewonderen. Agaat is gewoonlijk mooi gelaagd en gestreept. De gestreepte tekening ontstond, doordat zich telkens weer een laag van een andere kleur over de vorige heeft afgezet. Het gevolg hiervan was het fascinerend kleurenspel van de verschillende lagen. .
Men noemt dat ritmische kristallisatie: eerst b.v. een gele band, naverloop van tijd een dikkere band, grijs, bruin, maar altijd in verrassende harmonie.
Agaat uit Brazilië. Originele hoogte 10,2 cm. Van buiten gezien is het een grote keisteen, maar deze is doorgezaagd en laat zien, hoe de gekleurde banden lopen.
Geslepen agaten. De rijkdom aan variaties is goed zichtbaar
vogel, gesneden uit agaat
Deze steen prijkte als achtste op het borstschild van de hogepriester Aaron.
Grieks: achatès Hebreeuws: schebo Exodus 28: 19
Hardheid: 7 Chemische formule: Si02
0-0-0
almandien
Almandien. Prachtige kristallen van ijzeraluminiumgranaat, („edele” granaat of karbonkel). Vooral in gneiss. Regulair.
0-0-0
amalgaam
0-0-0
amethist
Amethist is een variëteit van het bergkristal, die door sporen van zware metalen violet is gekleurd. Deze bijzondere kleur die van het teerste violet tot bijna in donkerpaars overgaat, heeft de mens steeds in verrukking gebracht. In de oudheid gold de amethist als een amulet tegen dronkenschap en ook zou het bezit ervan het vormen van verstandige gedachten bevorderen.
(Weledaberichten nr.110 12-1976)
(zelfde tekst als boven)
(Weledaberichten nr.121 09-1980)
.
0-0-0
analeim
Analeim. Tetragonale kristallen van een zeer samengesteld silicaat.
0-0-0
andalusiet
0-0-0
antimoon
Antimoon – in vroeger tijden door de alchemisten, ook nog door Paracelsus zeer gewaardeerd – is in de loop der laatste eeuwen vrijwel geheel in vergetelheid geraakt. Rudolf Steiner heeft door essentiële en uitvoerige aanwijzingen voor de arts weer een toegang tot dit metaal gewezen. Het vervult in de antroposofische geneeskunde een voorname rol. Het belangrijkste erts is het antimoniet, dat een fijnstralige structuur heeft. De belangrijkste vindplaatsen daarvan zijn in het Oostenrijkse Burgenland, Roemenië, China en Japan.
(Weledaberichten nr.103 12-1974)
Antimoniet is de bekendste zwavelverbinding van antimoon. In de stralenvormige, spitse, dikwijls ook haarviltachtige verschijningen komen vormgevende krachten tot uiting waarvoor het mineraal zich in hoge mate heeft opengesteld. Antomoon stond vroeger bij de artsen – ook Paracelsus – hoog in in ere, raakte echter in de loop van de tijd bijna geheel in vergetelheid. Rudolf Steiner heeft door nieuwe en hoogst wezenlijke aanwijzingen dit metaal weer toegankelijk gemaakt voor de arts. In de antroposofisch georiënteerde geneeskunst speelt het een belangrijke rol. De bekendste vindplaatsen liggen in het Burgenland, Roemenië,China en Japan.
(Weledaberichten nr.124 09-1981)
Antimoniet (antimoongians) is een verbinding van antimoon en zwavel. In de straalvormige, puntige structuren komen vooral de vormgevende krachten uit de omgeving tot uiting die bij het ontstaan van dit mineraal betrokken waren. De stift- of ook naaldvormige delen, die kenmerkend zijn voor antimoniet, hebben een metaalachtige glans en kunnen ook bonte aanloopkleuren vertonen. Reeds rond drieduizend jaar v. C. was antimoniet bekend als geneesmiddel. In de oudheid gebruikten de vrouwen antimonietpoeder om er hun wenkbrauwen en wimpers mee te verven. Naast andere antimoonverbindingen werd antimoniet tot in de tijd van Paracelsus als geneesmiddel toegepast. Later raakte het bijna geheel in vergetelheid. In de antroposofisch georiënteerde geneeskunst speelt het weer een belangrijke rol o.a. ter ondersteuning van de eiwitprocessen in het organisme. De belangrijkste vindplaatsen van dit erts zijn het Burgenland, China, Bolivia en Japan.
(Weledaberichten nr.132 04-1984)
0-0-0
apatiet
Het mineraal apatiet, (Calcium fluorfosfaat)is in bijna alle eruptieve gesteenten te vinden. De natuurlijke fosforzure kalk ondersteunt de krachten bij het vormen van de beenderen. In Weleda kalkvoedingszout 1 wordt hij, afwisselend met de kalk van oesterschelpen, die de substantie vormende krachten naar de beenderen voert, (Weleda kalkvoedingszout 2), toegediend ter ondersteuning van de kalkstofwisseling.
(Weledaberichten nr. 99, 12-1973) .
Dezelfde afbeelding met dit onderschrift: De apatiet, in ’t Grieks ‘de misleider’, heeft terecht die naam. Door de verschillende vormen waarin hij verschijnt heeft hij lange tijd de mineralogen misleid. Nu eens is hij glashelder, dan weer troebel of zelfs geheel ondoorzichtig. Hij kan ook allerlei kleuren vertonen: geelgroen, blauwgroen, violet en zelfs steenrood. Scheikundig bezien is de apatiet een calcium-fluor-chloor-fosfaat van wisselende samenstelling. Hij komt in bijna alle vulkanische gesteenten voor – grote hoeveelheden ervan worden gevonden in Noorwegen en Zweden. Apatiet kan als de drager van de fosfor in het minerale rijk gezien worden. Ook in de fijnere structuur van de beenderen komt apatiet voor. Hij is buitengewoon sterk en heeft een bijzondere relatie tot lichtprocessen. Daardoor is de apatiet een van de wezenlijke substanties voor de opbouw van het beenderstelsel en voor de opgerichte menselijke gestalte. In Weleda Kalkvoedingszout I ondersteunt de apatiet, die daarin met kalebasbloesem is verwerkt, de vormgevende krachten die het beenderstelsel nodig heeft. De kalk van oesterschelpen, die in verbinding met eikenschors een bestanddeel van Weleda Kalkvoedingszout II is. bevordert op zijn beurt de krachten die substantie vormen. Weleda Kalkvoedingszout I en Il wordt afwisselend ingenomen. De beide preparaten tezamen stimuleren de kalkstofwisseling.
(Weledaberichten nr. 116 12-1978) .
0-0-0
auripigment
0-0-0
bergkristal
De verwantschap met het licht, die bij de kwarts (kiezelzuur) zo sterk tot zijn recht komt, laat zich goed aflezen aan het bergkristal. Dit streng gevormde, heldere, geheel lichtdoorlatende kristal is als het ware een vertegenwoordiger van kosmische krachten in onze aarde. Zogezien verkrijgt het feit dat driekwart van de aardkorst uit kwarts en silicaten (kwartsverbindingen) bestaat, een bijzondere betekenis.
(Weledaberichten nr. 104 03-1975) .
Zelfde illustratie, andere tekst: De veelheid van stoffen en de rijkdom aan vormen van het minerale rijk worden duidelijk beheerst door de kiezel. Zelfs de laag van de aarde die het meest levend is, de humus, bevat kiezelige substanties als een wezenlijk bestanddeel. Tengevolge van de eigenschap van de kiezel om verschillende structuren op te bouwen, is er een groot aantal kristalvormen, die dikwijls op plantaardige vormen lijken. Bij de bergkristal daarentegen wordt het zuivere vormprincipe van de kiezel zichtbaar. Het wordt hier niet door de aanwezigheid van andere elementen beïnvloed, want siliciumdioxide, de zuurstofverbinding van silicium, is de enige bouwsteen. Het is stellig niet toevallig, dat de Grieken in de glasheldere bergkristal het oerbeeld zagen van al wat kristal is. De relatie van de kiezel met de zintuigen, de huid en het bindweefsel opent het perspectief voor de veelzijdige toepassing van dit mineraal in de therapie en bij de huidverzorging.
(Weledaberichten nr. 123 04-1981) .
Bergkristal. Zowel de gedaante van de aarde als de eigenschappen van de bodem worden in hoge mate bepaald door de grote verscheidenheid van kiezelverbindingen. Het metaal silicium is de grondslag voor alles wat kiezelhoudend is. Met andere metalen vormt het de zogenaamde silicaten, bijvoorbeeld veldspaat en glimmer. \ Als het silicium zich echter alleen met zuurstof verbindt, ontstaat siliciumdioxide, de stoffelijke basis voor alles wat kwarts is. Als daarin geringe hoeveelheden van alle mogelijke metalen worden opgenomen ontstaan de fraaigekleurde kwartsvariëteiten: violette amethyst, gele citrien, rozenkwarts, grijsbruine rookkwarts en de bijna geheel zwarte morion. De zuivere, glasheldere bergkristal is evenwel de bekroning en een beeld van het gelouterde minerale rijk. Hij heeft een bijzondere relatie met het licht, laat ook het chemisch actieve gedeelte van het licht, de zogenaamde ultraviolette stralen, ongehinderd door. Bij nadere bestudering van de kristalvorm kan men ook exemplaren vinden die elkaars spiegelbeeld zijn. Men spreekt dan van “rechtskwarts” en “linkskwarts”. Bekende vindplaatsen van mooi gevormde groepen bergkristal zijn de Alpen, Elba, Madagaskar en Minas Gerais in Brazilië. De duidelijke relatie van bergkristal met het licht wordt benut in de therapie van de naar de buitenwereld geopende zintuigen en van de huid.
Kwarts is het meest gewone en verbreide mineraal op aarde. Het beslaat ongeveer 12% van de hele aardkorst. Het meeste zand van de oceanen en van alle stranden bestaat uit korreltjes kwarts. Het is gesteentevormend in graniet, zandsteen enz.
De glasindustrie gebruikt grote hoeveelheden kwarts in de vorm van zand.
De stam waarvan het woord kwarts afkomt, is ‘hard’.
De kwartsgroep levert van alle mineralen de meeste edel- en sierstenen.
Een deel bestaat uit doorzichtige kristallen, het andere uit ondoorzichtige of hoogstens doorschijnende stoffen.
De mooi gekristalliseerde vormen van kwarts, zoals het glasheldere bergkristal, de donkere rookkwarts, de violette amethist, zijn in kloven en holten ontstaan.
Ook de rookgrijze tot donkerbruine en zwarte rookkwarts laat zich tot fraaie sierstenen slijpen. De belangrijkste vindplaats daarvan is in de Zwitserse Alpen
In de reinste, zuiverste, kreeg het kwarts de naam bergkristal. Het is zeer zuiver gekristaliseerd kiezelzuur. De Grieken dachten dat het versteend ijs was en noemden het Kristallos, wat betekent zuiver ijs, of helder ijs.
Later werd dit mineraal algemeen ‘kristal’ genoemd.
Er is zelfs een wetenschap mee verbonden, die heet kristallografie.
Uit een advertentie. Zo werkt het moderne horloge: Een heel klein (3 tot 5 mm) kwartskristal wordt door stroom van een batterijtjc tot trillen gebracht. Maar liefst 32.768 maal per seconde! De trillingen worden door een mini-motorlje (in wijzerhorloges) of door een electronisch circuit (in digitaal horloges) vertaald in tijd. Precisiegraad 99,9998%. Zo zit dat.
Bergkristal wordt microscopisch klein gevonden maar ook in kristallen tot een gewicht van vijf ton.
Het wordt vooral in Brazilië en Madagaskar gevonden, hoewel minder belangrijke vindplaatsen over de hele wereld verspreid zijn.
In de edelsteenslijperijen wordt het tot veelsoortige artikelen verslepen.
Kelken en ander vaatwerk, sierstukken voor kroonluchters enz. worden uit bergkristal geslepen.
In Openbaring 4 wordt een deur geopend en mogen we de hemel binnenkijken. Na de beschrijving van Hem die op de troon zit, lezen we in vers 6 dat vóór de troon een glazen zee was, aan kristal gelijk. Er worden twee stoffen genoemd: glas, een gefabriceerd product, en kristal, dat een in de natuur gevonden mineraal is, niet door mensenhanden gemaakt. De hier genoemde zee is een herinnering aan de zogenaamde koperen zee ten tijde van Salomo (1 Koningen 7 : 23), die diende om de onreinheid af te wassen. Dat is in de hemel niet meer nodig en daarom is het water veranderd in glas. In de hemel is alles rein en hoeft niets meer afgewassen te worden. En die zee is als kristal. Dit ziet ongetwijfeld op de verheven schittering en loutere schoonheid, die in overeenstemming is met de heilige natuur van God. Zo wijst ook het kristal van de rivier uit Openbaring 22 : 1 naar het Goddelijk karakter van deze rivier: ze gaat uit van God en van het Lam.
Bergkristal uit Brazilië. Originele hoogte 16,5 cm. Uit de verzameling van Hein Gaertner, ldar-Oberstein.
Van de berylgroep zijn vooral de smaragd en de aquamarijn bekend.
Het is aan te nemen dat we onder de bijbelse naam beryl de aquamarijn moeten verstaan.
In het oude Rome werden doorzichtige beryllen als een soort toneelkijker bij de circusvoorstellingen gebruikt. Zo is uit beryl de naam bril ontstaan.
Behalve voor een groep van zeer waardevolle edelstenen is het mineraal beryl belangrijk voor de winning van het gezochte lichtmetaal beryllium dat toegepast wordt in raketten, straaljagers en in de reactortechniek.
Beryl is de achtste steen van de fundamenten van het Nieuw Jeruzalem.
Goudberyl op bergkristal. Vindplaats: Minas Gerais, Brazilië. Originele grootte 15 bij 16 mm. Lengte van het kristal 9 mm. Verzameling Hein Gaertner.
Beryllen. De gele heet goudberyl, de groene heliodoor, de kleurloze gosheniet, de roze morganiet.
Beryl. Kristallen van beryllium-aluminiumsilicaat. Een der variëteiten is smaragd.
0-0-0
biotiet
Biotiet. Magnesia-ijzerglimmer. Eveneens belangrijk bestanddeel van eruptief-gesteenten, o.a. biotiet-graniet (ook in ons land).
0-0-0
bloedsteen
0-0-0
bruinijzersteen
0-0-0
cassiteriet (tinsteen)
Cassiteriet (tinsteen) is het belangrijkste tinerts, dat reeds in de oudheid werd gedolven. De Phoeniciërs haalden het van de ‘Cassiteriden’ de legendarische tineilanden. Dit zeer harde en zware metaal is meestal geelbruin tot bruinzwart, soms doorschijnend en een enkele keer zelfs kleurloos. Het wordt altijd in kwartsrijke granieten gevonden. Veel van zijn eigenschappen wijzen op een verwantschap met kwarts. Tin verbindt zich niet zoals alle andere zware metalen met de zwavel als partner, maar gelijk het silicium bij de kwarts, gaat het een verbinding met de zuurstof aan. De belangrijkste vindplaatsen zijn Achter-Indië en Bolivia. De therapeutische betekenis van het tin ligt vooral in zijn bemiddelende werking op processen in het menselijke organisme, die zich tussen het vloeibare en het vaste afspelen, zoals bv. in het kraakbeen het geval is.
(Weledaberichten nr. 129 04-1983)
Tin (Stannum) behoort tot de metalen die al in de vroege oudheid werden gebruikt. Een legering van koper en tin, het brons, heeft aan een heel tijdperk zelfs een naam gegeven. De Foeniciërs haalden het erts van de “Cassiteriden”, de sagenrijke tineilanden. De naam cassiteriet voor het belangrijkste tinerts, tinsteen, herinnert hieraan nog. Dit mineraal is meestal geelbruin tot bruinzwart en doorschijnend, in zeldzame stukken zelfs kleurloos. Men vindt het bijna uitsluitend in kwartsrijk graniet. Vanwege zijn hardheid en zijn groot gewicht komt tinsteen na oppervlakkige verwering veel voor in de bedding van stromend water. Het kan daar in zuivere toestand als zogenaamd zeeptin worden gewonnen. Veel eigenschappen van cassiteriet duiden op verwantschap met kwarts. Tin geeft niet zoals alle andere zware metalen de voorkeur aan zwavel als partner, maar gaat een verbinding aan met zuurstof, zoals silicium dat bij kwarts doet. In de bloeitijd van de tinertswinning waren het Ertsgebergte en Cornwall in Engeland de belangrijkste vindplaatsen. Tegenwoordig komt ongeveer 2/3 van de wereldproductie uit Zuidoost-Azië. In Bolivia, de op één na belangrijkste tinleverancier, wordt het in verbinding met zink, zilver en antimoon gevonden, niet in de vorm van zeeptin, maar als hydrothermale of subvulkane verschijning. De therapeutische betekenis van tin ligt vooral in zijn bemiddelende werking op de processen in het menselijke organisme die zich afspelen tussen het vloeibare en het vaste.
0-0-0
cerussiet
Cerussiet. Tetragon. kristallen van ’t belangrijke looderts Pb CO2
0-0-0
chrysoliet
Chrysoliet (letterlijk: goudsteen) noemt men de zeer heldere lichtgroene, ook goudgroene variëteiten van de olivien, die als siersteen zeer in trek is. Olivien zelf in zijn onedele vorm (ook wel peridoot genaamd) is een veel voorkomend mineraal, dat in magmatisch gesteente, basaltgesteente en ook in meteorieten voorkomt. Chrysoliet is een magnesium-ijzer-silicaat. Hoe meer ijzer het bevat, hoe meer kleur van groen naar geel, zelfs tot roodbruin overgaat. Chrysoliet is de enige edelsteen die ook in steenmeteorieten voorkomt. In de pallasiet van Krasnojarte in Siberië, die uit een merkwaardige verbinding van ijzer en chrysoliet bestaat, zijn grote korrels van dit mineraal gevonden. Het was mogelijk deze te verslijpen. Zo’n chrysoliet van hemelse oorsprong is zeldzaam. De belangrijkste vindplaats waar de mooiste exemplaren vandaan komen is het eiland St.John in de Rode Zee, daar werd deze edelsteen vermoedelijk al in de tijd der farao’s gevonden.
De naam komt van chrusos = goud en lithos = steen, dus goudsteen.
Er zijn grote doorschijnende exemplaren in olijf- en mosgroen.
Veel gemmologen (edelsteenkundigen) menen dat het hier gaat om de tegenwoordig in de handel zo genoemde peridoot.
3500 jaar geleden werden deze peridoten al gewonnen. De oudste vindplaats is het eiland Zebirget (of Sint John) in de Rode Zee.
De kruisvaarders brachten deze stenen mee naar huis.
Chrysoliet is de achtste steen van de fundamenten van het Nieuw Jeruzalem.
Peridoot. Andere namen hiervoor zijn chrysoliet, olivijn. Vindplaats Egypte. Orig. hoogte 19 mm.
In GA 96 zegt Steiner over chrysoliet:
Während sich in der Erdenevolution immer etwas Neues am Menschen gebildet hat, hat sich auch entsprechend Neues draußen in der Natur um ihn her gebildet. Zuerst entstand die Anlage des menschlichen Auges auf dem Sonnenplaneten. Der Ätherleib bildete sich als erstes heraus, und dieser hat wieder das menschliche physische Auge gebildet. Wie ein Stück Eis aus dem Wasser heraus gefriert, so sind die physischen Organe aus dem feineren Ätherleib heraus gebildet. Innen im Menschen bildeten sich die physischen Organe, draußen wurde die Erde fest. In jeder Zeit geht die Bildung eines Organs im Menschen und draußen in der Natur die Bildung bestimmter Konfigurationen parallel. Während im Menschen das Auge veranlagt wurde, bildete sich im Mineralreich der Chrysolith. Daher kann man sich denken, daß dieselben Kräfte, die draußen die Natur des Chrysoliths zusammenfügen, im Menschen das Auge bilden.
Hoewel er tijdens de evolutie van de aarde altijd iets nieuws is ontstaan in de mens, hebben zich ook in de natuur om ons heen overeenkomstige nieuwe dingen gevormd. Ten eerste ontstond de basis van het menselijk oog op de zonneplaneet. Het etherische lichaam was het eerste dat zich ontwikkelde, en dit vormde op zijn beurt het menselijke fysieke oog. Net zoals een stuk ijs bevriest door water, zo worden de fysieke organen gevormd vanuit het subtielere etherische lichaam. In de mens vormden de fysieke organen zich, terwijl daarbuiten de aarde stolde. In elke fase van de tijd vinden de vorming van een orgaan binnenin de mens en de vorming van specifieke configuraties in de natuur parallel plaats. Terwijl de basis van het oog binnenin de mens werd gelegd, vormde zich chrysoliet in het mineralenrijk. Daarom kan men zich voorstellen dat dezelfde krachten die de aard van chrysoliet in de natuur vormen, ook het oog in de mensheid vormen. GA 96/159 Niet vertaald
Chrusos = goud en prasos = loof of prei. Hij is doorschijnend, met een appelgroene kleur. Het groen wordt veroorzaakt door een spoor van aanwezig nikkel. Tegen het licht ziet hij er gewoonlijk wat wolkachtig uit, soms met bruine adertjes. De chrysopraas is een van de mooiste stenen van de kwartsgroep. Foutvrije chrysoprazen zijn zeldzaam en daardoor tamelijk kostbaar. Een fraaie kwaliteit komt uit Queensland, Australië. Deze steen vormde het tiende fundament van de eeuwige stad.
De diamant is wel de meest bekende en begeerde edelsteen. De schoonheid van de diamant is door de eeuwen heen als iets zeer bijzonders beschouwd.
Hij is de zesde steen van het borstschild van de hogepriester en de eerste bij de grondvesten van de heilige stad.
Zijn enorme hardheid, zijn lichtbrekend vermogen, de flonkering (het ‘spel’) trekt de mensen steeds weer aan.
Diamant is de enige edelsteen die slechts uit één element bestaat, namelijk uit koolstof.
Ook potloodgrafiet is zuiver koolstof; het enige verschil is dat de atomen bij diamant veel nauwer saamgebonden zijn. Wat een wonder is het, dat deze zwarte en vuile, waardeloze kool die uit de diepste diepten komt, samengeperst onder een druk van tienduizenden atmosferen en bij een temperatuur van duizend tot tweeduizend graden, met zijn fonkelende pracht tot dit prachtige gesteente wordt. De oorsprong van het woord diamant heeft de betekenis van ‘onoverwinnelijk’ ook ‘onverbiddelijk, onverzettelijk’.
Dit is het hardste materiaal van de aarde. Waar worden ze gevonden? Veelal diep onder de grond in kraterpijpen, soms wel aan de oppervlakte van de aarde, b.v. aan de rand van uitgewerkte kraters en vulkanen.
Vanaf de oudste tijden tot aan de achttiende eeuw waren in India de enige vindplaatsen van diamant. Nu kan men noemen Zuid-Afrika, Brazilië, Australië, Siberië, Siërra Leone, Zaïre.
Bij Kimberley in Zuid-Afrika begon men in 1866 met primitieve middelen te graven. Massa’s gelukzoekers uit alle landen stroomden toe na de ontdekking van de diamantvelden. Koortsachtig werd met handkracht gegraven en velen vonden een fortuin. Later werd alles georganiseerd en ontstonden grote maatschappijen die de mijnen aankochten.
Machtige graaf- en boormachines doen nu het voornaamste werk.
Een voorbeeld van een moderne werkwijze vindt men in Zaïre.
Daar is diamanthoudend grind, maar dit wordt bedekt door kilometers lange en brede lagen onvruchtbaar zand. De eerste opgave is, daar de ongeveer 20 m dikke laag zand weg te werken. Hiertoe heeft men automatisch bestuurde graafmachines, gecombineerd met bulldozers. Hun gewicht is meer dan 600 ton. Deze machines hebben een bereik van 54 m breedte en 15 m diepte. Per uur halen ze 450 m3 aarde weg.
Zo ziet men, dat tegenwoordig het diamant niet voor het opscheppen ligt. Men moet in het ene land 150 miljoen kg zand verplaatsen om 1 kg diamant te kunnen winnen, elders moet men ongeveer 8 miljoen kg gesteente verwerken met behulp van kostbare machines om 1 kg diamant te verkrijgen.
Een grote zorg voor de leiding is, dat er zo weinig mogelijk gestolen wordt. Van tijd tot tijd worden de werknemers doorgelicht, televisiecamera’s houden alle critieke zones in de gaten, terwijl electronische apparaten de uitrusting en machines beveiligen.
Diamant in moedergesteente. Vindplaats: Siberië, Prov. Yakutia bij Mirnyi. Zijde-lengte van de diamant. 3,5 mm. Verzameling Hein Gaertner. V
Grotere stenen stijgen in prijs niet proportioneel maar overproportioneel, zodat een grote steen van dezelfde kwaliteit we; drie tot vijfmaal zoveel kost.
De wereldproduktie van diamant is afhankelijk van de vraag en mede van de koers van de dollar. Een klein deel is maar geschikt: edelsteenkwaliteit. Het overblijvende deel wordt verwerkt voor industriële doeleinden, voor boorkoppen, glassnijders, steenzagen enz. tegen een prijs die vele malen lager ligt.
Diamonds are forever — diamanten zijn voor altijd – is een slagzin die waarheid bevat, als men tenminste niet verder gaat dan het bestaan van de aarde.
0-0-0
H.F, van Loon en Hans Drukkers in Panarama nr.50? -nadere gegevens onbekend .
ER IS GEROOFD, gemoord, gemarteld, bedrogen, maar ook gevleid en vaak bemind ter wille van diamanten. Alle denkbare menselijke emoties zijn door deze hardste, onvergankelijkste en schitterendste aller mineralen opgewekt — ook al bestaat hij uit niets anders dan wat koolstof en is hij chemisch gesproken dus gelijksoortig aan grafiet (dat wij kennen van de potloodstift) en aan houtskool.
Al heeft de diamant zijn bestaan te danken aan drie omstandigheden: een combinatie van koolstof, druk en hitte, het is toch een romantische gedachte voor iedere vrouw die een diamant draagt, dat hij gemiddeld zo’n twintig miljoen jaar oud is. Want zo lang heeft het mysterieuze rijk onder ons, het binnenste van de aarde waar wij eigenlijk maar zo bitter weinig van weten, nodig gehad om dat brokje koolstof te doen kristalliseren tot een diamant.
Gevolg hiervan is dan ook dat een diamant maar betrekkelijk zelden loepzuiver is — niet meer dan tien procent van alle sierdiamant. Betrouwbare diamantairs en juweliers lachen dan ook bitter, wanneer ze etalages zien van collega’s waarin „uitsluitend loepzuivere diamanten” worden aangeprezen. Het is, zo zeggen ze, met diamanten net als met de beaujolais uit de Bourgogne: „Iedere wijnhandelaar weet, dat nog geen tiende van alles wat als beaujolais wordt verkocht ook werkelijk uit die wijnstreek komt — en iedere diamantair weet, dat niets makkelijker is dan een leek diamant te verkopen als loepzuiver. Daarom is het zo’n enorme vertrouwenszaak en stelt het zulke hoge eisen aan het fatsoen van de handelaar.”
Een heel enkele keer probeert ook wel een klant de juwelier bij de neus te nemen. Bijvoorbeeld die keer dat bij de firma Bonenbakker een diamant geëtaleerd stond met de aanduiding: 5 ct, hetgeen natuurlijk betekende dat het gewicht van de diamant 5 karaat bedroeg. Maar een man kwam de winkel binnen en zei zonder blikken of blozen: „Die diamant wil ik kopen voor 5 cent, want daarvoor staat hij aangeprijsd! Hoewel een ongeschreven wet inderdaad wil, dat iedere winkelier moet verkopen voor de prijs die hij etaleert, heeft de desbetreffende meneer zijn diamant niet gekregen voor vijf cent. De waarde van de diamant lag dichter in de buurt van de vijftigduizend gulden!
De loepzuiverheid van een diamant is een zeer betrekkelijke zaak, want hij wordt bepaald door het menselijk oog, dat gebruik maakt van een tienmaal vergrotende loep en elk menselijk oog „ziet” nu eenmaal anders. De reden van de veel voorkomende onzuiverheid is, dat er bij de kristallisatie bijna hetzelfde is gebeurd als wanneer in de winter een emmer water bevriest: ook dan zetten alle onzuiverheden er zich in vast. Bij diamanten komt het herhaaldelijk voor, dat er stukjes andere kristallen in geborgen. zijn, granaten bijvoorbeeld’en soms ook andere diamanten of ongekristalliseerde stukjes koolstof. Men noemt dat de „insluiters”.
Wanneer u zou denken, dat zo’n insluiter de waarde van een diamant vergroot — want, zult u zeggen, het is toch leuk dat er in een diamant bijvoorbeeld een andere diamant zit — dan hebt u het mis. Het enige dat diamantbewerkers trachten te bereiken is die „onzuiverheid” eruit te zagen of te kloven.
De naam diamant stamt van het oud-Griekse „adamas”, dat „onoverwinnelijk” en ook „bikkelhard” betekende, omdat men eeuwenlang meende, dat diamant onverwoestbaar was. Niets is echter minder waar. Het kloven van diamant bestaat eruit het mineraal tussen hamer en aambeeld in talrijke stukjes te breken die door splijtvlakken zijn begrensd. De kunst is hem zó te splijten of te zagen dat de gewenste vorm wordt bereikt en ook zo, dat hij niet in tientallen stukjes uiteenvalt.
Diamant, zo dacht men vroeger ook, is bestand tegen elke vorm van hitte. Als bewijs haalde men aan, dat hij uit het binnenste van de aarde komt, waar immers onvoorstelbaar hoge temperaturen moeten heersen. Ook mis! Boven de 850 graden verbrandt diamant als eenvoudige steenkool. Aangezien hij werkelijk uit het binnenste van de aarde komt, kan men zich afvragen of daar wel zulke enorm hoge temperaturen heersen als men altijd heeft aangenomen.
Diamant heeft men door alle eeuwen heen gekend. Reeds in de Bijbel (Statenvertaling) komt het voor, in Exodus 39,11, waar sprake is van het borstschild van de hogepriester. De werkelijkheid is waarschijnlijk anders, want in die diamant op het schild was de naam van de stam gegraveerd, en vrijwel zeker is, dat men in die tijd nog niet wist hoe diamant ingegraveerd moest worden. Het zal een andere steen zijn geweest.
U merkt het wel: alles wat men denkt of aanneemt van de diamant, blijkt anders te zijn. Negen van de tien mensen aan wie u het vraagt, zullen te kennen geven dat diamant en briljant twee verschillende mineralen zijn. In werkelijkheid is de diamant de grondstof waarvan onder meer een briljant kan worden vervaardigd door er achtenvijftig facetten aan te slijpen. Men noemt dit wel de „ideale” vorm van de diamant, omdat aldus de grootste lichtbreking en derhalve de grootste schittering ontstaat.
Het „wonder” van de diamant is wel, dat hij, hoe klein ook, eenmaal geslepen zijn enorme glans en schittering behoudt. En klein kan een diamant zijn, tot 1/300ste karaat toe. Eén karaat is niet meer dan 0,2051 gram! Toch geldt een eenkaraats steen al als een behoorlijke steen, al is hij in doorsnee niet groter dan drie van deze gedrukte letters. Zijn prijs varieert dan ook van veertienhonderd tot vijfenveertighonderd gulden. Hetgeen helemaal niet wil zeggen dat een twee-karaats diamant het dubbele van dit bedrag kost. Nee, in dat opzicht is het met diamanten als met belastingen: er zit een enorme progressiviteit in. Naarmate een diamant groter is, wordt hij steeds onbetaalbaarder.
Heel grote diamanten zijn er de laatste tijden niet meer gevonden. Alle grote vondsten uit het verleden hebben een eigen naam gekregen om aan te tonen hoe bijzonder ze wel zijn. Hun levensgeschiedenis is even bekend als die van grote koningen en honderdmaal verhaald. Veelal is hun historie gedrenkt in bloed. Daarom vind ik het verhaal van Jonker zo aandoénlijk eenvoudig.
Tweeënzestig jaar oud was Jacobus Jonker en hij had weinig succes gehad met delven. Hij was vader van zeven kinderen. Op een avond na een hevige regenbui ging hij wandelen en zag een klomp steen liggen zo groot als een kippeëi. U of ik zouden er waarschijnlijk een schop tegen gegeven hebben, maar Jonker raapte hem op en veegde hem af aan zijn mouw. Tot zijn verbazing zag hij hoe de steen glinsterde. Toen hij hem de volgende dag verkocht aan een diamanthandelaar, kreeg hij er. . . 315.000 dollar voor! Hij werd als émeraude geslepen en weegt meer dan 125 karaat.
Voor elke jonge vrouw echter, die van haar verloofde of van haar man een ring krijgt met een paar briljantjes erin, een ring die niet meer gekost heeft dan een paar honderd gulden, hebben die stenen dezelfde glans, dezelfde geheimzinnige, magische schittering als die paar monsterstenen, waar vermogens voor van hand tot hand zijn gegaan en waar mensen het leven voor hebben gelaten. Want een diamant, zo zal de jonge vrouw bij zichzelf denken, is het symbool van de onvergankelijkheid, van de eeuwige liefde. Een diamant is voor altijd.
Misschien is het dan maar goed, dat zij niet weet, zoals u nu, van die hamer en dat aambeeld, en van het vuur boven 850 graden. . .
In al zijn pracht schittert een briljant en wijst met zijn scherpe onderkant naar een stuk ruwe diamant, dat gevangen zit in een brok zogenaamde blauwe aarde, het gesteente waarin diamant wordt aangetroffen. Helemaal onderaan een’kostbare armband, geheel met diamanten ingelegd. Rechts ziet men een metalen klem die gebruikt wordt bij het slijpen van diamant, terw ijl boven in de foto het speciale gereedschap te zien is waarmee ’s werelds % allergrootste diamant, de „Cullinan” (die nu tot de Britse kroonjuwelen behoort), werd gekloofd. Diamantair Louis Asscher zegt nu van die gedenkwaardige dag: „Toen mijn oom de „Cullinan” had gekloofd, was hij volkomen rustig. Hij is helemaal niet flauwgevallen, zoals de legende dat wil.”
0-0-0
Veiling Grootste zwarte diamant kost 3,7 miljoen euro
De grootste zwarte diamant ter wereld is verkocht voor omgerekend ruim 3,7 miljoen euro op een veiling van Sothe-by’s. Het veilinghuis had rekening gehouden met een bod tot ruim 6 miljoen euro op de zogenoemde Enigma, en daarmee viel de prijs toch wat tegen. De steen geldt sinds 2004 als de grootste natuurlijke zwarte diamant ooit gevonden. En vanaf 2006 noemt het Guinness Book of Records de Enigma de grootste geslepen diamant ter wereld. De Enigma weegt 555,55 karaat en overtreft daarmee het gewicht van zowel de beroemde Great Star of Africa (530,2 karaat) in de Britse koninklijke scepter als de Golden Jubilee (545,67 karaat) in de Thaise scepter. ANP 10-02-2022
0-0-0
dioptaas
Dioptaas is een zeldzaam mineraal, dat stralend smaragdgroene kristallen vormt. De interne kleurwerking lijkt bijna onnatuurlijk. Scheikundig gezien hebben wij hier te maken met een verbinding van kiezel en koper. Zowelde vormgevende krachten van de kiezel als ook de sterke relatie van het koper met de kleur is hier opvallend. Doordat hij relatief weinig hard is komt de dioptaas weinig als sieraad in aanmerking. Hij wordt echter wel in geneesmiddelen verwerkt. Dioptaas wordt in calcietgangen in de Kirgiezensteppe, in spletyen van de Dolomieten en in het Otavigebergte gevonden. Andere bekende vindplaatsen zijn Chili, Peru en Arizona.
(Weledaberichten nr.125 04-1982)
o-o-o
edelstenen
Vier maal C De waarde van edelstenen van hoge kwaliteit, vooral van diamanten, wordt bepaald aan de hand van vier testproeven. In het Engels noemt men dit de 4 x c, namelijk clean, carat, colour en cut, dat is: rein, karaat, kleur en slijpsel.
1. Clean of clarity = of ze rein, zuiver zijn, dus zonder foutjes. 2. Carat = hoeveel karaat ze zijn, of hoeveel ze wegen. 3. Colour = de kleur. 4. Cut = de snede of het slijpsel.
1. De reinheid of zuiverheid Een diamant moet loepzuiver zijn. Dit betekent dat bij tienvoudige vergroting geen scheurtjes, onzuiverheden of insluitsels te zien mogen zijn. Die foutjes kunnen ook kleine holten of luchtblaasjes zijn. In feite is er geen die bij sterke vergroting absoluut zuiver is. Duidelijke onzuiverheden verminderen het vermogen van de steen, de lichtstralen terug te kaatsen. Het klinkt wat vreemd wanneer we nu gaan beweren dat insluitsels in talrijke opzichten de waarde van een diamant kunnen vergroten. Toch is dit bij bepaalde insluitsels het geval. Zo’n edelsteen verschilt erdoor van al zijn broers. Ieder insluitsel is een welsprekend bewijs voor de geheimzinnige vorming van de steen en is uniek in zijn soort. Een insluitsel kan ook een klein gekristalliseerd exemplaar zijn, dat opgenomen is in een diamant die jonger is en later kristalliseerde. Dit is een glimp van de geheimzinnige diepten van de aarde.
2. Het gewicht of de grootte Het gewicht van diamanten wordt uitgedrukt in karaten. Een karaat is 1/5 gram (0,2 gram). Een karaat wordt weer verdeeld in 100 puntjes, zodat 1 puntje 2 milligram of 0,002 gram is. Stenen van 1 puntje worden nog geslepen en voor sieraden gebruikt. Karaat komt van het Griekse Karation, het zaad van de Johannesbroodboom. En dat was het varkensvoer dat de verloren zoon graag wilde eten (Lukas 15). Wij zouden zeggen: Moet nu zo’n karaat van 1/5 gram nog verdeeld worden in 100 punten? Ja, 1 punt van 2 milligram kan van grote betekenis zijn bij de prijsbepaling. Een briljant van 1/10 karaat heeft een doorsnee van 3 mm Een briljant van 1 karaat heeft een doorsnee van 6,5 mm. Een briljant van 5 karaat (1 gram) heeft een doorsnee van 11 mm. Bij edelstenen is karaat dus gewicht. Dit niet te verwisselen met goud. Bij goud geeft karaat het gehalte aan. Zuiver goud = 24 karaat. Dit staat dus geheel los van elkaar.
3. De kleur Veel kristallen hebben bijzonder mooie kleuren. Geen wonder, dat kleuraanduidingen als smaragdgroen, robijnrood, turkoois (turquoise), amethist-kleur, afgeleid zijn van de mineralenwereld. Fluoriet (vloeispaat) gaat gloeien wanneer het in een donkere ruimte wordt verwarmd. Veel mineralen beginnen bij bestraling met ultraviolet licht te fluoresceren: ze stralen met een fantastische gloed. Alexandriet is groen, bij kunstlicht paarsrood. De kleur van saffier wordt door kunstlicht ongunstig beïnvloed. Robijn en smaragd hebben daarentegen bij kunstlicht een bijzonder stralend uiterlijk. Diamanten zijn veelal kleurloos. De meest begeerde kleur is wit met een iets blauwe schijn, de zgn. blauwwitte kleur. Verder zijn er gele, rode, blauwe en groengekleurde diamanten en zelfs volkomen zwarte.
4. Het slijpen Grotere stukken zijn niet altijd geschikt voor bewerking. De vakman vindt het dan beter, er een aantal kleinere stenen van te maken. Daartoe moeten ze in twee of meer delen gezaagd worden. Vroeger werden ze gekloofd of gespleten en dat was een moeilijk en gevaarlijk werkje omdat ze daarbij wel in duizend stukjes verbrijzeld konden worden, wanneer met hamer en beitel een verkeerde klap gegeven werd.
Het kloven is langzamerhand vervangen door het zagen. Zagen gaat met kleine schijven, bestreken met diamantpoeder, vermengd met olijfolie, die met een snelheid van 5500 toeren per minuut ronddraaien. Het zagen gaat langzaam. Het duurt bij een één-karaats steen van 6 à 7 mm doorsnee 5 tot 8 uur.
Een werkplaats telt soms 100 machines, in rijen opgesteld. Een arbeider kan er 20 tegelijk bedienen.
Vroeger werden edelstenen ‘ruw’, zoals ze gevonden werden, gebruikt. Later werden ze gepolijst om kleur en glans beter uit te doen komen. Nu worden ze geslepen. Slijpen is specialistisch vakwerk dat in de loop van de eeuwen telkens verbeterd is. Het slijpen in kleine vlakken of facetten brengt pas de echte kwaliteiten van de edelstenen aan de dag.
Er zijn verschillende vormen van slijpsel, maar de briljant-vorm wordt het meest toegepast.
Deze heeft 57 facetten, die alle zo berekend en op elkaar afgestemd zijn, dat het beste resultaat bereikt wordt. Volgens nauwkeurig berekende hoeken wordt het licht in het inwendige van de steen herhaaldelijk teruggekaatst, waardoor het ten slotte naar boven uittreedt.
0-0-0
epidoot
Epidoot (pistaciet), een natrium-aluminium silicaat van ingewikkelde samenstelling. Zeer fraai, o.a. in Tirol.
0-0-0
fluoriet
Fluoriet (vloeispaat), een mineraal dat voornamelijk in kubusvorm kristalliseert, komt in alle kleurschakeringen van violet tot wit voor. Het heeft een karakteristieke relatie tot het menselijke organisme, vooral tot de tanden, beenderen en het bindweefsel.Het wordt daarom ook als geneesmiddel toegepast.
(Weledaberichten nr.98, o9-1973)
Vloeispaat (fluoriet) is bekend sinds er mijnbouw bestaat. Het is overal verbreid en vanwege zijn fraaie kleuren waarvan de scala van donkerpaars tot blauwgroen, geel en zelfs roze loopt, werd het vroeger door de mijnwerkers “ertsbloem” genoemd. Het mineraal is ontstaan uit gloeiende oplossingen of gasvormige toestanden. Vloeispaat komt in combinaties met tin- en loodertsen, toermalijn, topaas en apatiet voor. De kristalvorm van de kubus, die relatief groot kan worden, is bij vloeispaat dikwijls geheel zuiver. Vroeger werd hij gebruikt als toevoeging bij de verwerking van ertsen in hoogovens om moeilijk smeltbare slakken gemakkelijker vloeibaar te kunnen maken. Hierdoor is de naam vloeispaat ontstaan. Scheikundig is fiuoriet een verbinding van calcium en fluor. Het heeft een bijzondere relatie met de tand- en botvorming en is in het algemeen betrokken bij de opbouw van vaste weefsels. Vandaar dat de werking ervan hier therapeutisch wordt benut. Bekende vindplaatsen zijn o.a. het Zwarte Woud (Wolfach en Wieden), Wölsendorf in de Bayrische Oberpfalz en Freiberg in Saksen.
(Weledaberichten nr.135 04-1985)
0-0-0
gips
0-0-0
glimmer
Glimmer is een heel bijzondere groep te midden van de mineralen. De zo typisch vast omlijnde driedimensionale vormen in het mineralenrijk verdwijnen hier. Door zijn bijna onbegrensde mogelijkheid om in flinterdunne blaadjes te worden opgesplitst, brengt elk stuk glimmer ons in verbazing. De tendens, volledig in het platte vlak te verschijnen, herinnert aan de eigenschap van het blad in de plantenwereld. Glimmer is zeer verbreid en sinds de oudheid bekend. Men vindt dit mineraal niet alleen in oergesteente ingebed, maar ook in grote platen, zogenaamde “glimmerboeken”, die in de techniek worden gebruikt. Het lichte en in dunne lagen volkomen doorzichtige kaliglimmer muscoviet kwam vroeger in grote hoeveelheden uit Moskou, daaraan ontleent het zijn naam.
(Weledaberichten nr. 140 12-1986)
0-0-0
goud
Goud (lat. aurum)komt in de natuur bijna uitsluitend gedegen voor. Het edele karakter ervan verdraagt ook slechts het edele als partner. Het bevat dikwijls ook wat zilver, dat dezelfde kristalvorm heeft. Heel fijn verdeeld is het in kwarts te vinden, ook in arsenkies en in enkele andere zwavelertsen. Door zijn hoge soortelijk gewicht en zijn chemische onaantastbaarheid kan het bij de erosie van goudhoudend gesteente in rivieren als wasgoud voorkomen. Berggoud wordt het edele metaal genoemd dat gedolven wordt in de mijnen. In de Oudheid, toen nog een groot kosmisch verband beleefd kon worden, zag men in het wonderbaarlijke, altijd zuivere en glanzende metaal het aardse beeld van de zonnekrachten. Men beleefde het ook als gestold licht en gaf het een plaats in de mysteriën en de cultus, waar de mens zich eerbiedig naar de goddelijke wereld richtte. In de loop van de ontwikkeling degradeerden de mensen het goud tot een symbool van rijkdom en aardse macht. Zelden vindt men duidelijk gevormde kristallen. De octaëder-, kubus- of dodecaëdervormen zijn meestal ietwat veranderd en hebben afgeronde zijden. Maar juist deze kristalvormige verschijningen, waarin het vormgevende element zwakker wordt, kunnen de ware aard van het goud duidelijker openbaren. In de therapie wordt het goud in gepotentieerde vorm voornamelijk als geneesmiddel voor het hart toegepast.
(Weledaberichten nr. 122 12-1980) .
Goud (Aurum) is met zijn stralende kleur, zijn immuniteit tegenover alle uiterlijke invloeden en door zijn wonderbaarlijke glans het edelste metaal. Reeds in de oudste tijden kenden de mensen het goud. Het was voor hen materie geworden zonneglans van het goddelijke op aarde. Men ging er met diepe eerbied mee om. In de loop der tijden kwam er echter een verandering. Eens een cultisch element werd het een machtssymbool. De mens streefde ernaar – dikwijls in een soort van bezetenheid – dit edele metaal te bezitten. Omdat goud in de aarde bijna alleen maar gedegen voorkomt, zeer zwaar is en niet verweert, kan men in rivierbeddingen, die door gesteente stromen waarin goud voorkomt dikwijls kleine goudkorrels vinden. In Europa werd sinds oudsher goud uit de Rijn en de Rhone gewassen. In mijnen gedolven goud wordt “mijngoud”genoemd. Bekende vindplaatsen waren de Hohe Tauern (Oostenrijk, oostelijke Alpen). In de Middeleeuwen waren ook veel plaatsen in Silezië, zoals Goldberg, Löwenberg en Reichenstein van betekenis. In het midden van de vorige eeuw werden de grote goudvelden in Californië en Australië en ongeveer 100 jaar geleden het grootste exploratiegebied, Witwatersrand in Zuid-Afrika ontdekt. Goed gevormde kristallen – kleine octaëders – zijn bij goud hoogst zeldzaam. Meestal zijn de vlakken gekromd en de vormen veranderd. Net zoals bij koper en zilver bestaan er ook fijne boom-en veerachtige vormen, die bijna organisch lijken. De meest bekende stukken zijn de onregelmatige, ten dele met gaten voorkomende brokken, de zogenaamde nuggets, die soms meer dan 100 kg zwaar zijn. Goud wordt in gepotentieerde vorm in de antroposofische geneeskunst toegepast. Het stimuleert de hartfunctie en bemiddelt tussen opbouwende processen en afbrekende zenuw-zintuigprocessen. Het activeert de ziel en brengt de zielsprocessen in evenwicht. Door zijn evenwicht-scheppende functie is het goud ook de drager van de ik-organisatie in de mens. Twee uitspraken van Paracelsus, de grote arts en genezer, kunnen het wezen van het goud verduidelijken: “Het goud heeft de natuur van het vuur. Het draagt de zonne-energie, spoort de levensgeest aan, versterkt hart en bloed, bevordert de groei en schenkt lichamelijke kracht. Goud draagt ook de warmte die alles laat rijpen.”
“Het hart is de zon van de microkosmos, een vrucht van het goud, waardoor het wordt gevoed. Net zoals de zon invloed heeft op de aarde, zo werkt het hart op het lichaam.”
(Eckehard Wagner, Weledaberichten nr.143 12-1987)
0-0-0
Als laatste in de rij metalen die Weleda om hun bijzondere kwaliteiten in haar medicijnen verwerkt, komt goud aan de orde. Goud is vooral een metaal met grote tegenstellingen. De vorige metalen kun je rangschikken in paren die telkens twee tegengestelde principes vertegenwoordigen. Heeft lood met de dood en veroudering te maken, zo is zilver met leven en opbouw verbonden. Op dezelfde wijze kun je fenomenen vinden voor de tegenstelling tussen ijzer en koper en tussen kwik en tin. Goud heeft in die zin geen ander metaal tegenover zich, maar draagt louter tegenstellingen in zichzelf. De duidelijkste innerlijke tegenstelling van goud komt tot uitdrukking in de polariteit licht-zwaarte. De lichtkracht toont zich in de stralende glans die van goud uitgaat. Zo laat het goud van de torenspits van de Walburgiskerk in Zutphen het licht tot kilometers ver in de omtrek schijnen. En bladgoud laat een levendig groen licht door, terwijl in de vensters van de oude kathedralen het rood en het purper te danken is aan de minieme hoeveelheden goud die bij de vervaardiging van het glas zijn opgenomen. Tegenover deze lichtkwaliteit staat zwaarte: goud heeft het hoogste soortelijk gewicht van de behandelde metalen. Een goudstaaf is moeilijk te verplaatsen, je neemt hem niet zo maar mee!
Hemel en aarde Het gebruik van goud in de loop van de geschiedenis laat dezelfde tegenstelling zien. In de oude culturen had goud een cultisch-religieuze functie. Alleen de vertegenwoordiger van de goden, zoals de farao of de opperpriester, mocht zich met goud tooien. Goud was een teken van de werkzaamheid van de hemelse wereld van de goden. De beeltenis van goden werd dan ook op goud gedrukt. Bij het toenemen van de persoonlijkheidscultuur vervingen koningen de goden als afbeelding op de munten, die tevens betaalmiddel werden. Tegenwoordig is het bezit van goud een teken van aardse macht. Goud overtreft niet alleen in zwaarte de andere metalen. Het is ook het edelste metaal in de zin dat het niet roest (dat wil zeggen: wordt aangetast door zuurstof). Verder gaat het ook met bijna geen enkele andere aardse stof een chemische verbinding aan. Het is smeedbaarder dan zilver, erg plooibaar en kan tot één duizendste millimeter worden geplet, zonder dat het uit elkaar valt! 1 gram puur goud kan tot een ononderbroken draad van 2 kilometer lengte worden getrokken. De kracht van het goud uit zich dus enerzijds in het bij elkaar blijven en anderzijds in het zich ver kunnen uitbreiden.
Hart In het menselijke organisme vervult het hart een middelpuntfunctie. Het bloed uit het hele lichaam stroomt daar samen en vindt vervolgens via het bloedvatsysteem de weg weer terug naar de wijdste periferie. In het hart is de mens het meest bij zich zelf. Hij wijst op het hart als hij ik zegt. Moed, oftewel de kracht om overeind te blijven als de hele wereld je dreigt te overweldigen, heeft zijn fysiologische basis in het hart. Je ervaart jezelf dan helemaal in je middelpunt. Een andere kwaliteit is empathie: het vermogen om helemaal op te gaan in de ander en toch niet jezelf te verliezen. Ook dat is een hartenkracht. Goud als geneesmiddel kan deze hartenkrachten ondersteunen als ze op de proef worden gesteld. Het gepotentieerde goud biedt daarnaast ook steun wanneer het hart meer lichamelijke problemen heeft; dus bij een te sterke samentrekking (kramp), die zelfs tot een infarct kan voeren of een te ver gaande ontspanning die tot een te geringe werking van het hart leidt. Goud brengt de tegenstellingen in een harmonische wisselwerking. Daarom kan het, in verschillende potenties, aan de twee poorten van het leven werkzaam zijn. Bij de geboorte (bij dreigende abortus: goud in lage potentie) en bij het sterven: als de ziel moeite heeft het lichaam los te laten kan goud in hoge potentie dit proces harmoniseren. In een mens kunnen op grond van zijn constitutie depressieve, zwaarmoedige perioden zich afwisselen met opgewonden en overmoedige fasen. Ook bij deze polaire toestanden kan goud harmoniserend werken.
Innerlijk goud In het hart zijn samentrekken en uitbreiden als tegengestelde bewegingen in de tijd met elkaar verbonden. De ene beweging maakt de andere mogelijk. Op een soortgelijke manier kan de mens tegengestelde activiteiten harmonisch samenbrengen. Hij doet dan hetzelfde als wat goud en het hart doen. Hij maakt als het ware ‘innerlijk goud’. In de Middeleeuwen zei men: ora et labora (bid en werk). Dat hield in: afwisselend binnen en buiten actief zijn, hemel en aarde beide aan bod laten komen en tegelijkertijd harmonisch met elkaar verbinden. Elke tijd heeft voor dit ‘goud-gebaar’ zijn eigen woorden en werkwijzen. In onze tijd wisselen studie en het in de praktijk staan elkaar af. Waarneming en gedachte (over het waargenomene) hebben elkaar nodig om beide vruchtbaar te blijven. Het alleen en op jezelf zijn wordt gevolgd door het weer deel van de gemeenschap zijn. Hoe meer je op deze wijze tegenstellingen op een harmonische wijze kunt verbinden, hoe meer je innerlijk goud maakt, en hoe minder je het goud als medicijn nodig zult hebben.
(Joop van Dam, arts, Weledaberichten 178, najaar 1998)
Met karaat wordt het gewicht van diamant uitgedrukt (en van het goudgehalte van een goudlegering). Het Nederlands heeft karaat in de 15e eeuw overgenomen uit het Frans, dat carat op zijn beurt ontleend heeft aan het Arabische woord qirat, de naam van een lengtemaat en van een gewichtsmaat van exact 0,195 gram. Qirat zelf gaat terug op het Griekse woord voor het zaadje van de johannesbroodboom: keration. Die zaden, kortweg johannesbrood genoemd, hadden vrijwel altijd een gelijke lengte en een identiek gewicht en konden daarom dienen als gewichtjes. Wie 1 karaat aan diamantjes had, had het gewicht van één zaadje aan edelstenen. Toen er fijne meetinstrumenten kwamen, stapte men af van deze manier van wegen, en in 1907 werd het karaatgewicht vastgesteld op exact 200 milligram (0,2 gram). Meestal zijn diamanten echter veel lichter en wordt hun gewicht uitgedrukt in karaatpunten, waarbij 1 punt gelijkstaat aan 2 milligram.
Ton den Boon, Trouw .
GOUD EN ZILVER
De bewustzijnspool in de mens wordt door het lood (plumbum) ondersteund, dat o.m. het abstract denken aanzet, terwijl de levenspool door de zwavel (sulfur) gediend wordt, die de stofwisseling stimuleert en die het bewustzijn in slaap wiegt om het lichaam eens even te kunnen uitzwavelen.
Ook het zilver, beheerst door de Maan, dient de levenspool en staat dan ook eveneens tegenover de bewustzijnspool met het lood van Sarturnus, als tegenspeler.
Zilver verbindt zich ook graag met zwavel (een ei eet men niet met ’n zilveren lepeltje!) Zilver werkt tegen het lood in. In de natuur vindt men ze vaak bij elkaar! In de oceanen, de Maan-wateren, is veel zilver. En hoewel het in Amerika het meest gedolven wordt, verbruikt men het meeste zilver in China en India, de Maan-landen die duizenden jaren lang een Maan-cul-tuur in ere hielden, met weer-spiegelend en be-spiegelend denken.
Zilver spiegelt het zuiverst, zoals de Maan het zonlicht weerspiegelt en de Maan-mens de gedachten van ’n ander. Het is ook even gevoelig voor licht als de Maan (zilver-chloride en -bromide bij de fotografie!) en chloor-zilver neemt de kleur aan van ’t licht dat er op schijnt.
Zilver is koel als het maanlicht, het heeft geen warmte of energie uit zichzelf. Ook de Maan-mens moet de positieve waarden uit zijn omgeving of Zon-tegenpool halen en is daardoor zo extravert, moet ménsen zien!
Door haar koelheid geeft zilver zulk een zuivere klank (de klank-aether is de Maan-aether, die over de waterdamp, de nevels, gaat!): zilveren klokjes, belletjes en fluiten! Het geleidt warmte beter dan elk ander metaal (het zilveren lepeltje in het glas waarin men ’n warme drank schenkt!), maar het behoudt de warmte niet. Zo weerspiegelen Maan-Venus-mensen de liefde van een ander, bij goed aspect in schone klanken, zonder zelf lief te hebben.
Zilver is week (van 1 gram zilver kan men een draad van 2 km lengte maken!), evenals zulk een Maan-mens, die, kneedbaar en suggestibel, met zich laat sollen, zich in elke vorm van gedrag laat kneden en zo beinvloeden dat hij ’n echo wordt.
Hoe meer zilver het organisme van ’n mens bevat, hoe weker en zwakker hij is, willoos, suf en lui, doordat de levenspool de overhand neemt.
Bij werkelijke zilver-vergiftiging kan de huid geen licht meer verdragen, de ogen ontsteken, de maag (Maan-orgaan) raakt van de wijs, men gaat boeren als een baby en verlangt hevig naar zoet, evenals bij de zwavel, wat analoog is met de psychische behoefte aan warmte, hartelijkheid en liefde, zo bekend van het Maan-teken Cancer! Men voelt zich weer klein kind, is bang in een straat met hoge huizen of in een volle kerk of schouwburg, het is te machtig. De behoefte aan zoet is ook een uiting van het zwakke zelfbewustzijn, het afhankelijkheidsgevoel van de Maan-mens, want suiker is de stoffelijke onderlaag van het gevoel van eigenwaarde. Men heeft een gevoel of het hoofd uitzet!
Men voelt zich niet meer op z’n gemak en op z’n plaats op aarde, wil eigenlijk naar de Maan! Vaak heeft men dan ook opwellingen om een eind aan het aardse leven te maken.
Zilver in de vorm van homoeopatische Argentum nitricum (helse steen) herstelt dan de aardse evenwichtstoestand. Dit middel werkt links, aan de Maan-zijde! Het goud behoort bij de Zon en bij het teken Leo, het wordt ook ’t meest gedolven in Afrika, het werelddeel van de Leeuw, waar de negus van Abyssinië een levende leeuw bij zich heeft als zinnebeeld van de Leeuw van Juda!
Het goud voedt het hart, de zintuigen en het zenuwstelsel, het komt bij de mens zowel als bij moeder Aarde in de zenuwen, resp. de ertsaderen, voor. Door het goud uit de aarde op te delven, verzwakken wij Aarde’s zenuwstelsel. En waar gaat alle goud heen? In tegenstelling met het zilver gaat het westwaarts en verdwijnt opnieuw onder de grond in de kelders van Fort Knox, in de U.S.A. In wijzer tijden droeg men gouden kronen en oorijzers om de Zonnekracht aan te trekken, de grote Levenskracht! De kroning van een vorst stelt hem door het goud in speciale verbinding met de Zonnegod, wiens stedehouder op aarde hij voortaan behoort te zijn!
Het goud van de Zon wordt tegenwoordig wel door de allopathie aangewend tegen rheuma, d.i. tegen Saturnus, Leven tegen Dood.
De mens die teveel goud in zich heeft, een naar verhouding te sterke Zon, wordt heftig door een te groot gevoel van eigenwaarde: hij dult geen tegenspraak! Bij mannen vergroot en verzwaart zich de lever en bij vrouwen de baarmoeder, die twee organen van levens- en scheppingskracht. Het hart raakt van de wijs en de ogen worden lichtschuw: de zintuigen worden te gevoelig.
En evenals bij de zilver-vergiftiging voelt men zich niet meer thuis op aarde. Men wil naar de Zon! Men voelt zich hier onnut en denkt erover, een eind aan z’n aardse leven te maken. Men weent en bidt en is vertwijfeld, kan het evenwicht niet meer vinden van Geest en Stof.
Een dosis homoeopathisch goud (aurum) herstelt dan dit evenwicht.
De mensenziel kan op Zon, Maan en alle planeten afstemmen, maar zolang hij op Aarde is, moet het daar geldende evenwicht bewaard worden. Iemand met een zwakke, maar harmonisch geaspecteerde Zon drage veel goud, iemand met een dito Maan veel zilver. Eten, een Maan-functie, doen wij uiteraard liefst met zilveren eetgerei. De ring van onze harte-liefde zij van goud!
Melly Uyldert, Kaarsvlam 08-1956
goud
Hebreeuws: zahaav Grieks: chrusos Hardheid: 2,5 à 3 Soortelijk gewicht 19,3 Chemie: Au
Goud en zilver zijn geen edelstenen maar edele metalen, die nauw met edelstenen zijn verbonden. Goud is het beroemde en gezochte edelmetaal bij uitstek. Goud ligt opgestapeld in de nationale banken; dat is de eer van de natie.
Er is een oeroud verlangen van de mens naar goud. Dit is aanleiding geweest tot grote ontdekkingsreizen, ook tot misdaden en veel oorlogen.
De grootste klomp werd in 1869 in Australië gevonden en woog 70 kg. 1 kg goud is ± 5 x 5 x 2 cm, ongeveer de grootte van een luciferdoosje. Wanneer je iets over de prijs wil vertellen, vind je hier de actuele waarde.
Fijn goud is goud van 24 karaat. 18 karaats b.v. is 18/24 aan fijngoud. Tegenwoordig worden de staatskeurtekens in duizendsten aangegeven. Dan wordt 18 karaats 3A maal 1.000 = 750 duizendsten zuiver goud.
Goud is in zuivere toestand zeer week en kan uiterst dun geplet worden, tot 0,0001 mm, dat wil zeggen dat 100.000 van deze blaadjes op elkaar gelegd 1 cm dik zijn.
Men kan het tot zo’n dunne draad trekken, dat een lengte van 2 km maar 1 gram weegt.
Goud. Het wordt gevonden in plaatjes of kleine korrels, in het zand van beekjes (Skandinavië), in rivierbeddingen (Amerika). Goudaders vindt men ook in kwartsgangen en andere gesteenten. Hier een stuk gedegen goud, geplaatst op een klein tafeltje.
Goud trotseert alle aantasting door chemische stoffen en het is altijd vrij van bacteriën, doordat het een bacteriedodende werking heeft. Alleen koningswater, een mengsel van zoutzuur en salpeterzuur is in staat goud op te lossen.
Sinds in 1886 de Witwatersrand bij Johannesburg ontdekt werd, is er jaarlijks voor honderden miljoenen, om niet te zeggen voor miljarden aan goud geproduceerd.
De totale lengte van de mijngangen aldaar is 13.000 km, dat is ongeveer de middellijn van de aarde.
Amsterdam – Johannesburg b.v. is 9.000 km. De stalen kabels hebben bij een schachtdiepte van 3 km een eigen gewicht van 24.000 kg. Elke 130 m diepte wordt het er 1° Celsius warmer, dus op 4.000 m komt er 30° bij. Ruim 130.000 m3 ijslucht wordt er per dag in de mijngangen gespoten. (Deze gegevens kunnen wat verouderd zijn)
Al op de tweede bladzij van de Bijbel wordt over prima goud gesproken, tot de op één na laatste bladzij. We vinden dan dat ruim 300 maal het goud vermeld wordt.
Goudkristallen
0-0-0
granaat/karbonkel
Ex. 28:17 Hebreeuws: nofech Grieks: antrax
Hardheid: 6,5 a 8 Chemie: Mg,(Al2Be4)2
Deze steen werd in de middeleeuwen carbunkulus genoemd, dat betekent in het Latijn: kleine kool. Dit komt door zijn diep-gloeiend rood. Tegenwoordig is de naam almandijn of almandiet. De stenen zijn fraai wanneer ze doorzichtig zijn.
In de Statenvertaling is de derde steen van Aarons borstschild een karbonkel en de vierde een smaragd. Bij de Elberfelder Bibel is dit omgekeerd, dus de vierde een karbonkel. De vertaling van de namen der edelstenen heeft verschillende moeilijkheden opgeleverd. Toch hebben de Israëlieten destijds goed begrepen, welke stenen God bedoelde, toen Hij aan Mozes de opdracht gaf, het borstschild te maken. In later eeuwen ontstond verwarring doordat in de loop van de tijd veel edelsteennamen veranderd zijn. Vroeger meende men dat de kleur bepalend is voor een steen en dat bijv. alle groene stenen smaragd heten en alle gele stenen topazen zijn, maar dat klopt niet: de meeste stenen worden in verschillende kleuren aangetroffen. Voor de naam van een edelsteen is namelijk niet de kleur bepalend, maar de chemische elementen waaruit hij bestaat.
We kunnen immers ook niet zeggen: rode bloemen zijn rozen!
Door moderne instrumenten heeft men tegenwoordig vaste regels voor de naamgeving op kunnen stellen.
Granaat. Dit is een groep van mineralen. In het spraakgebruik verstaat men onder granaat de rode karbonkel, nu almandiet genoemd.
Granaat Fraai gekrist. silicaat. Halfedelsteen. Veel o.a. in gneiss. Regulair.
0-0-0
hessoniet
0-0-0
hoornblende
Hoornblende (amfibool). Mineralen van wisselende samenstelling, belangrijk als bestanddeel van kristallijne gesteenten. Ook in ons land.
0-0-0
hoornsteen
0-0-0
houtsteen
Hardheid: 6,5 Chemie: Si02
Houtsteen is versteend of verkiezeld hout. Het hout is bij versteende bomen vervangen door kiezelzuur, maar zó, dat de houtstructuur bewaard bleef. Alle organische bestanddelen werden door circulerend water opgelost en geleidelijk door deeltjes edele kiezelsteen vervangen.
Het wordt ook houtagaat genoemd omdat houtsteen zich gevormd heeft in een prachtig kleurenspel van grijs en lichtbruin, van rood, rose, geel en zelfs blauw en violet. Het komt alleen daar voor, waar fijnkorrelig materiaal, zoals klei of kalkslib, het hout kort na het afsterven bedekte en daardoor tegen ontbinding beschermde.
Arizona (U.S.A.) is de staat waar zulke versteende boomstammen worden gevonden. Veelal zijn de jaarringen nog duidelijk zichtbaar. De bomen liggen daar in grote ophopingen en zijn soms tot 65 m lang en 3 m dik. Men noemt deze streek ‘het versteende woud’ en heeft het in 1962 tot Nationaal Park verklaard.
Houtsteen of houtagaat. De jaarringen zijn zichtbaar.
0-0-0
hyacint/zirkoon
Hebreeuws: lesjem Grieks: huachinthos
Hardheid: 7,5 Chemie: Zr(Si04)
Genoemd in de Bijbel: Exodus 28: 19 Openbaring 21:20
De hyacint is de geelrode tot bruin- of oranjerode edelsteen van hoge kwaliteit, die nu zirkoon heet. In de kleur kan een menging zijn van rood, oranje en purper.
De zirkoon bezit uitstekende optische eigenschappen en heeft na de diamant de hoogste lichtbreking met als gevolg daarvan een hoge glans en zeer levendig vuur. Bovendien bezit de zirkoon een sterk, disperserend of kleurschiftend vermogen (dat is een uitspreiding van het licht in de kleuren van de regenboog).
Hij benadert de schittering van de diamant.
Belangrijkste vindplaatsen zijn Sri Lanka, Indo-China en Australië.
De hyacint is de zevende edelsteen van het borstschild. En hij siert het elfde fundament van het Nieuw Jeruzalem.
Zirkoon. De geelrode tot bruinrode variëteit van zirkoon heet hyacint
0-0-0
ijzerkiezel
0-0-0
ijzeruitslag
0-0-0
jaspis
Hebreeuws: jaspe Grieks: onuchion
Hardheid: 7 Chemie: Si O2
Genoemd in de Bijbel: Exodus 28:30 Openbaring 4: 3 21:11 , 18, 19
IJzerkiezel of jaspis behoort tot de ondoorzichtige en onzuivere kwartsvariaties. Ze zijn gewoonlijk geel, bruin of rood, soms verschillend getekend, ook wel met banden. De rode kleur ontstaat door een vermenging met klei en ijzer. Overal waar grind is, kan men deze steen overvloedig vinden. De zwerfstenen komen over heel de wereld voor, ook in Nederland met name in het Rijngebied.
Dit neemt niet weg, dat er fraaie exemplaren bestaan, die wel geen edel – maar toch siersteen genoemd kunnen worden.
Gedurende de renaissance werd jaspis aangevoerd uit Egypte en als siersteen verwerkt.
Jaspis is de twaalfde steen op het borstschild van de hogepriester.
Hij wordt ook genoemd als eerste steen van het Nieuw Jeruzalem. We zullen echter hier onder zien dat de dáár bedoelde jaspis een andere, schonere steen is.
In de oudheid was jaspis een verzamelnaam voor doorzichtige stenen.
Het is duidelijk dat in het Nieuwe Testament een andere steen aangeduid wordt dan de ondoorzichtige steen op het borstschild.uit Exodus 28.
In Openbaring 21:11 wordt de jaspis kristalhelder genoemd en ‘het kostbaarste gesteente’; daar wordt jaspis in vers 18 vergeleken met zuiver goud en zuiver glas. Kristalhelder betekent: doorzichtig. Hiermee kan niet de Oud-Testamentische en evenmin de tegenwoordige jaspis bedoeld zijn. De steen, nu onder deze naam bekend, behoort tot de ondoorzichtige, gekleurde stenen, niet helder, doch vetglanzend.
Allerkostbaarst is op hem niet van toepassing, daar hij niet tot de kostbare stenen behoort, maar tot die van lagere orde. Betrouwbare en gezaghebbende schrijvers zeggen: de Nieuw-Testamentische jaspis is de diamant, helder, doorzichtig. Helder, fonkelend, de opgevallen lichtstralen als in duizendvoudige pracht en kleurschittering terugkaatsend, beeld van heerlijkheid en majesteit.
Welke steen zou dit anders kunnen zijn dan onze diamant?
Daarom wordt de Zoon van God in de Openbaring vergeleken met een diamant.
0-0-0
kalaiet
0-0-0
kalkspaat
Kalkspaat of calciet is een zeer verbreid mineraal, dat ook gesteentevormend optreedt. In meer dan 800 verschillende kristalvarianten hebben wij hier te maken met een mineraal dat de grootste rijkdom aan vormen vertoont. — In de veelzijdigheid van het minerale rijk neemt de kalk een aparte plaats in. Voor het grootste deel zijn de kalkvormingen van de aarde van dierlijke oorsprong. Ook bij mens en dier speelt de kalk een rol van grote betekenis. Hij is het enige mineraal dat als calciet en apatiet de beenderen opbouwt en daardoor rechtstreeks deel heeft aan de stofwisseling van een levend wezen. De kristallen van calciet zijn dikwijls glashelder en kleurloos, kunnen echter ook geelachtig-bruinachtig gekleurd of melkachtig-troebel zijn. De mooiste stukken vindt men in omhullend gesteente ingesloten in ertsmijnen, bijv. in de St. Andreasberg in de Harz of in Freiberg/Saksen.
(Weledaberichten nr.118 09 1978)
.
0-0-0
kiezelzinkerts
Kiezel zinkerta. Bijzonder onzuiver mengsel . Onedele galmei Ook In ons land.
Graniet, het meest bekende oergesteente, ontleent zijn naam aan zijn korrelige structuur (Lat. granitam=korrelig). Als men nauwkeuriger kijkt, ziet men duidelijk drie kristallijne bestanddelen: kwarts, veldspaat en glimmer. Ondanks deze eenvoudige opbouw komt graniet in vele gedaanten voor. Een heel bijzonder en slechts tot weinig vindplaatsen beperkte verschijningsvorm is kogelgraniet. Hier vindt men om een kern heen in lagen gegroepeerd de componenten, die als omhullingen in het moedergesteente zijn ingebed. Uit de manier, waarop deze kogelachtige vormen elkaar wederzijds beïnvloeden, kan men beleven, hoe zich in oertijden die verharding van de minerale wereld uit een gelei-achtige, halfvloeibare massa heeft voltrokken.
(Weledaberichten nr.126 06-1982)
o-o-o
koper
Het koper vertoont in zijn voornaamste verschijningsvorm een bijzondere verhouding tot de zwavel. Alle belangrijke verbindingen zijn sulfiden. Door verwering worden de glanzend gekleurde carbonaten en oxyden gevormd. Onder bepaalde voorwaarden kan het zich daarbij ook gedegen afscheiden. In opgeloste vorm kan het in de kleinste ruimten van het gesteente binnendringen en dan ontstaan vaak boomvormige vertakkingen, zg. dendriten. Het meeste koper wordt in de V.S. en Chili gevonden. In de oudheid was het koper al een bekend en gewaardeerd metaal. De Phoeniciërs haalden het van het eiland Cyprus, wat ook tot de naam ‘Cyprisch erts’ heeft geleid.
(Weledaberichten nr.134 12-1984) .
koper Na ijzer is koper het meest voorkomende metaal in de aardkorst. Terwijl ijzer 4,7% van de bodem uitmaakt, komt er maar 0,01 % koper in voor. Deze verhoudingen weerspiegelen zich enigszins in de hoeveelheden waarin de beide metalen in het menselijk lichaam voorkomen: veel ijzer en weinig koper. IJzer en koper hebben echter in het lichaam veel met elkaar te maken.
Koper valt op door zijn schoonheid in alle kleuren van de regenboog: gedegen koperboompjes en koperklompen zijn warm rood, het koperkies goudgeel, groen het malachiet, blauw het azuriet enzovoort. In zijn kleurenrijkdom is koper verwant aan bloemen in de plantenwereld en aan vogels, vlinders of tropische vissen in de dierenwereld. In de cultuur speelt koper een rol vanaf het bronzen tijdperk (± 4000 vóór Christus). Belangrijke gebruiksvoorwerpen werden toen uit koper vervaardigd: schalen, sieraden, gongs vanwege de mooie klank, en ook wapens. Deze laatste werden pas door ijzer vervangen toen omstreek 1200 vóór Christus het ijzeren tijdperk begon. Maar nog tot in onze tijd maakt men dankbaar gebruik van de kwaliteiten van koper: bijvoorbeeld in bronzen sculpturen of in de rood koperen koepels van kerken (die al snel groen kleuren). En voor het maken van kaas in Zwitserland of het maïsgerecht polenta in Italië, gebruikt men grote koperen vaten, omdat deze zo onovertroffen de warmte van het eronder brandende houtvuur opnemen en naar de inhoud van het vat geleiden. Daarmee is naast schoonheid een tweede karakteristiek van koper genoemd: de omhulling waarbinnen zich een proces kan afspelen. De bemiddelende kwaliteit van koper, als derde karakteristiek, komt tot uitdrukking in het vermogen om warmte te geleiden. Het zijn vooral koperen buizen die elektriciteit geleiden. Verder blijkt koper op een bijzondere wijze samen te gaan met ijzer, als in een dynamo koperdraad en ijzeren staven om elkaar heendraaiend elektriciteit produceren.
Koper en ijzer in de mens Het samengaan van koper en ijzer in de mens levert een aantal opvallende fenomenen op. In het bloedserum, waarin de rode bloedlichaampjes drijven, blijken we ongeveer evenveel koper als ijzer te hebben. Alleen in de man is het ijzergehalte in het serum net iets hoger dan het kopergehalte, terwijl het koper in het bloedserum bij de vrouw het ijzer in hoeveelheid licht overtreft. Dit koperserumgehalte bij de vrouw neemt beduidend toe bij het fysiologische gebeuren dat alleen aan de vrouw is voorbehouden: de zwangerschap. Aan het eind van de zwangerschap zijn de serumkoperwaarden in het moederlijke bloed zelfs tweemaal zo hoog als aan het begin. Het groeiende kind wordt als het ware door een steeds dichter en groter wordende kopermantel van de moeder omhuld. In de vrucht zelf laat het bloed vanaf het midden van de zwangerschap het omgekeerde zien: het koperserumgehalte neemt af en zakt tot waarden die normaliter tijdens het leven niet voorkomen, terwijl het ijzergehalte juist voortdurend stijgt. In diezelfde tijd maakt het kind zijn eerste bewegingen; het wordt steeds zelfstandiger (hetgeen zich substantieel uitdrukt in de toenemende ijzerwaarden) en wordt ten slotte geboren. De kopermantel van de moeder is dan niet meer nodig. En bij kind en moeder wordt de ijzer-koperverhouding weer) normaal.
Mythologische karakterisering Deze karakteristieke verbinding van het koper met de vrouw en die van ijzer met de man is bekend uit de Griekse mythologie. Mars of Ares was een mannelijke god die voor zelfstandigheid opkwam; Venus of Afrodite een vrouwelijke godin die de schoonheid representeerde. Ze was tevens de verzorgster van de planten- en dierenwereld en schiep de ruimte waardoor iets anders geboren kon worden of tot zijn recht kwam. De verbinding tussen de ijzerkrachten en de koperkrachten in het menselijk lichaam komt ook op verrassende wijze tot uiting in de naamgeving van de bloedvaten. De slagaderen dragen de naam van Ares: arteriën. Door deze aderen stroomt het bloed met kracht van het centrum naar de vaatjes die aan de periferie van het lichaam zitten. Maar de mens heeft ook aderen die het bloed vanuit deze kleine vaten in de omtrek weer naar het centrum terugleiden. Deze zijn genoemd naar Venus: de venen. Via zijn longen ademt de mens zuurstof in, waarna het arteriële systeem de zuurstof door het hele lichaam verspreidt. De ijzerhoudende rode bloedlichaampjes nemen de zuurstof op en worden daardoor nog roder; ze verroesten als het ware. Vervolgens wordt de zuurstof vervangen door kooldioxide, waarna het veneuze systeem ervoor zorgt dat deze kooldioxide uit het lichaam naar de long wordt gebracht om te worden uitgeademd. IIzer heeft een affiniteit tot zuurstof, koper tot kooldioxide (C02). Zoals ijzer roestbruin wordt in combinatie met zuurstof, zo gaat koper in de koepels van kerken een chemische verbinding aan met koolzuur uit de vochtige lucht: het verkleurt van rood tot groen. Tot in de kleur ontstaat in de ijzer- en koperprocessen dus een polariteit!
Therapeutische mogelijkheden Als in het veneuze systeem stoornissen optreden (spataderen, aambeien) kan koper uitwendig als zalf of lotion, of inwendig (als gepotentieerd medicijn) werkzaam worden. Waar het lichaam ook buiten de bloedsomloop in de zwaarte dreigt te vallen, heft de omhullende, verwarmende kracht van koper het weer uit de aardse zwaartekracht. Men denke aan koperzalf bij koude en ‘platte’ voeten. De belangrijkste koperverbindingen zijn zwavelverbindingen: de grootste hoeveelheden koper worden ook gewonnen in vulkaanrijke gebieden. Beide gegevens, zwavel en vulkanen, wijzen op de relatie die het koper heeft met de stofwisselings- en warmteprocessen in de mens. Koper helpt bij de opbouwende processen in de spijsvertering en ontkrampt. Uit de ervaring in de artsenpraktijk blijken de verschillende metalen elk een affiniteit te hebben met een bepaalde levensfase. Koper is daarin het metaal dat met name in de vroege jeugd therapeutisch werkzaam kan zijn. Bij buikkrampen en koude voeten bijvoorbeeld helpen middelen met koper bij een betere verdeling van de warmte.
(Joop van Dam, arts, Weledaberichten 173, zomer 1997)
Wanneer je in de mineralogieperiode ook iets over de metalen wilt zeggen, zijn er allerlei gezichtspunten. Het gaat vooral om de fenomenologie en de vergelijking met bv. het ijzer als tegenstelling, uiteraard niet om alle medische aspecten.
Deze zijn van antroposofisch arts Huib de Ruiter*, Ita 03 2020
warmte-offensief
. Notities over koper
Substanties kun je technisch en biochemisch onderzoeken. Dan leer je ze al aardig kennen. Maar door met gevoel en aandacht kwaliteiten te benoemen, komt de ware aard en werkzaamheid van een substantie nog meer tevoorschijn. Dit keer verkennen we de kwaliteiten van koper (cuprum) als metaal, sporenelement en als homeopathisch geneesmiddel voor de spijsvertering, de nieren, bij krampen en warmte regulering. Hoe kan koper zo werken?
Klinkende kleur
Koper is naast goud het enige metaal met een kleur. Het heeft een warme kleur en houdt het midden tussen rood, roze en oranje. Verwarmingsbuizen en waterleidingen zijn vaak van roodkoper. Er bestaat ook geel koper, het zogenaamde messing. Dat is een legering met zink. Messing kan bij een bepaalde hoeveelheid zink goudkleurig zijn. Rood en geel koper zijn mooi om te zien, en om die reden altijd al voor siervoorwerpen gebruikt.
Koper met een beetje tin (10%) geeft brons. Brons staat aan het begin van iedere cultuur. Het was het eerste echt harde metaal en heel geschikt voor het smeden van wapens en gereedschappen, maar ook van siervoorwerpen en beelden. Brons werd in de klassieke Oudheid door Chinezen, Grieken, Etrusken en Romeinen toegepast. Omdat brons heel hard is, klinkt het mooi: klokken worden in brons gegoten en de koperblazers zijn niet weg te denken uit een orkest. De waarde van brons komt ook tot uitdrukking in het gebruik van bronzen munten. Bij sportwedstrijden is de medaille voor de derde plaats van brons.
Groei stimuleren of remmen
Deurknoppen waren vroeger vaak van messing. Ze waren niet alleen mooi, maar ook ontsmettend: bacteriën gaan dood van koper of messing. Tegenwoordig zit er helaas een synthetisch laagje over het messing. Een bronzen of koperen munt in bloemenwater remt de groei van bacteriën en algen. Voor hogere dieren is koper juist gunstig voor de groei en het gewicht. Bij kopergebrek worden dieren mager. Voor de mens is koper een noodzakelijk sporenelement. Het is onder andere nodig voor de bloedvorming. In oesters, noten en lever zit veel koper. Bij een chronische overdosis aan koperinname slaat dit metaal zich vooral op in lever, hersenen en nieren. Kennelijk heeft koper affiniteit met die organen.
Warmte
Een koperen voorwerp is niet alleen mooi om te zien, maar ook prettig om te voelen. Vergeleken met een koel metaal als ijzer voelt koper warm aan. Koper is het metaal dat warmte heel goed geleidt – daarom waren pannen en kruiken vroeger vaak van koper. Ook stroom wordt goed geleid: in elektriciteitssnoer vind je koperdraad.
Kleur en ziel
Koperertsen en mineralen als cupriet zijn uitgesproken kleurrijk. Hier zijn de meest bonte en sterke kleuren van het mineralenrijk te vinden. Vooral groen en blauw, maar ook rood, geel en purper, alle kleuren van de regenboog! Er zijn dieren met heel mooie kleuren, die aan koperkleuren doen denken. De pauw heeft blauwe, groene en koperkleurige veren. Bij de inktvis, de sepia, golven alle kleuren van de regenboog over zijn lijf als hij opgewonden is. Zoals bloemen kleur aan het leven geven, zo doen koper en zijn mineralen dat eveneens. Dat vinden we mooi, dat spreekt ons gevoel aan. Koper heeft met het kleurrijke van de menselijke ziel te maken.
Venus en Mars
In de menselijke psyche heeft het koper ook zijn uitwerking. Mensen die iets met koper hebben, zijn kunstzinnig, fijngevoelig en letten erop dat de dingen mooi zijn. Het zijn vaak vrouwen, want koper is een ‘vrouwelijk’ metaal dat met Venus, de godin van de liefde, van doen heeft. Het teken van mars, de god van de oorlog (en verbonden met ijzer) is het mannelijk teken. Deze twee planeten horen bij elkaar, net als man en vrouw en zijn tegelijkertijd in veel kwaliteiten tegengesteld aan elkaar. Het vrouwelijke element (niet te verwarren met het moederlijke van de maan) is meer ontvangend, luisterend, het mannelijke meer handelend, zich uitsprekend. Er zijn natuurlijk altijd uitzonderingen; het is een goed streven als mannen vrouwelijke eigenschappen ontwikkelen en vrouwen mannelijke eigenschappen.
Koper en ijzer hebben dus veel uitgesproken tegenstellingen. In de techniek worden ze juist samen gebruikt. IJzer daar waar een apparaat sterk moet zijn, koper waar het mooi mag zijn.
Koper is heel goed smeedbaar en heeft verder een eigenschap die erg behulpzaam is voor de instrumentenmaker: koper (of messing) voegt zich, het metaal ‘pakt’, bijvoorbeeld wanneer iets aangedraaid moet worden. IJzer is hard en stug en moet precies passen, anders gaat het niet.
Koperwerking in de mens
Hoe koper nu in het menselijk organisme werkt, is niet zonder meer uit bovenstaande af te leiden. Het is meer zo dat het er goed bij past. Allereerst werkt koper in homeopathische verdunning regulerend voor de gehele stofwisseling. Het verbetert de werking van de hele stofwisseling. Het belangrijkste koper-orgaan is de nier. In de nier vindt uitscheiding van water plaats (urineproductie). In de bijnier vindt een sterke opbouw plaats door anabole (opbouwende) steroïden, door hormonen als cortison en prednison. Hier is een opbouwende koperwerking herkenbaar. Een orgaan waar homeopathisch koper ook sterk werkt, is de lever. Daar vindt opbouw van vele lichaamsstoffen plaats, met name van eiwitten. Koper helpt bij de opbouw en vorming van eiwitten. Tijdens de zwangerschap stijgt het kopergehalte in de moeder, het ijzer wordt relatief minder. Een gebaar om het kind met warmte te ontvangen De lever heeft zijn aanvoer vanuit de darmen via de aderen, in medische term ‘venen’ genoemd. De venen hebben iets met ‘Venus’ te maken. Als de venen te veel uitzetten, zoals bij spataderen, dan kan een lotion met koper worden gebruikt: Lotio pruni cum cupro (Venadoron).
De sensitiviteit van de kopermens kan ook ontregelen en leiden tot spanning en verkramping. Dat kan bijvoorbeeld in de darmen zijn (spastische darm) of in de longen (astma of kinkhoest). Dan werkt een koperverbinding ontkrampend, bijvoorbeeld in de vorm van Cuprum aceticum druppeltjes, of als koperzalf op de nierstreek. Bij buikkramp is een inwrijving met koperolie heilzaam of een compres met kamille, een plant met koperkwaliteiten. Bij koude voeten geeft een koperinwrijving warmte en ontkramping.
Koper is warm, mooi, vriendelijk en een dankbaar geneesmiddel. Dat kan het zijn door de antroposofische wijze van kijken naar de natuur, de substanties en naar de relatie met het wezen van de mens.
*Huib de Ruiter is oud-huisarts van Gezondheidscentrum De Lemniscaat in Leiden. Hij bestudeert de werkzame eigenschappen van grondstoffen voor antroposofische geneesmiddelen. In Ita** deelt hij zijn bevindingen.
Koperlazuur, doch blauw van kleur. Belangrijk kopererts.
0-0-0
kopervitriool
0-0-0
korund
0-0-0
kwik Sinds kort staat het metaal kwikzilver in Nederland in een kwade reuk. In juli van dit jaar* werd bekend gemaakt dat het gebruik van kwik spoedig zal worden verboden, en wel omdat de kwikdampen die ontstaan bij het blootstellen aan lucht een gevaar vormen voor de gezondheid. Naast deze eigenschap van kwik – dat het verdampt in voor de mens giftige gassen – is het mineraal echter vooral bijzonder door het feit dat het vloeibaar is.
‘Kwik heeft een verborgen vlam’, zeiden de oude alchemisten, waarmee ze bedoelden dat kwik al bij normale temperatuur de toestand heeft die bij andere metalen pas ontstaat als ze door verhitting vloeibaar worden. Men kan vermoeden dat alle metaaladeren die men in verschillende soorten gesteente vindt, vroeger vloeibaar waren. Deze aderen worden dan ook niet voor niets zo genoemd: het metaal moet erdoor heen hebben gestroomd. Zo beschouwd heeft kwik als enige metaal een vroegere toestand kunnen bewaren, waarmee het, zou je kunnen zeggen, jong is gebleven. Daarnaast heeft kwik de opvallende eigenschap dat het nagenoeg alle andere metalen kan oplossen. Alleen ijzer wordt niet aangetast; vandaar dat ijzer een geschikt materiaal is om kwik in te bewaren. Kwik is bijzonder beweeglijk, zozeer zelfs dat we het niet kunnen vasthouden, het metaal glipt snel tussen de vingers weg en springt dan uiteen in vele kleine druppeltjes. Dat de mens zich van deze beweeglijkheid als eigenschap bewust is geweest, zien we aan de vogel die wij kwikstaart noemen: de kwikstaart draagt zijn naam met ere, want hij is net zo levendig en beweeglijk (zo ‘kwiek’), als het metaal waarnaar hij is vernoemd.
Verwantschap Kwik is verwant met water. Beide zijn de enige anorganische stoffen op aarde die vloeibaar zijn. Alle andere vloeistoffen, zoals petroleum, zuren of vloeibare gassen, komen voort uit oorspronkelijk levende planten of dieren. Zowel water als kwik vormen druppels. De aarde zelf is met zijn enorme wateroppervlak één grote druppel, terwijl we in het binnenste van de aarde zuivere, kleine kwikdruppels kunnen vinden. Water verdampt en breidt zich uit in de wijde omgeving en wordt daarna weer tot druppel samengetrokken: tot een regendruppel of de dauwdruppel van de nacht. Een druppel is afgesloten in zichzelf en tegelijk spiegelt hij de hele wereld rondom zich: in een dauwdruppel kun je jezelf en je omgeving gespiegeld zien. Een druppel is het samengaan van een centrum en de omgeving. Hij staat er als het ware midden tussenin. Ook kwik als metaal verenigt de grootste tegenstellingen in zich. Het spat uiteen in vele kleine bolletjes en vloeit daarna weer samen tot één grote druppel. Het verdampt gemakkelijk en stijgt dan op in de omgeving, en tegelijkertijd is het een van de allerzwaarste metalen! Het is dus ook lichtheid tegenover zwaarte.
Griekse mythologie De Engelsen noemen kwik ‘mercury’, afgeleid uit de Griekse mythologie, waarin we de god Mercurius vinden. Hij is de boodschapper die bemiddelt tussen de hemel en de aarde, zowel heen als terug. Deze god Mercurius is net zo beweeglijk als de planeet Mercurius aan de hemel en zorgt ervoor dat dingen worden verplaatst, bijvoorbeeld doordat hij iets van de plek waar er te veel van is naar een plek brengt waar er juist te weinig van is. Daarmee herstelt hij het evenwicht. Mercurius werd daarom gezien als de god van de handel (tevens van de dieven, die vooral voor illegale verplaatsing zorgden), maar ook van de artsen. Elke ziekte is immers op te vatten als een verstoring van het evenwicht tussen ‘hemel en aarde’. De mens kan te aards worden (koud, sclerotisch, te star in de ziel) of juist te hemels (koortsig, vorm verliezend, illusionair in de ziel). De arts helpt, als dienaar van Mercurius, het evenwicht te herstellen.
Medische toepassingen In het menselijk lichaam is er geen gebied waar zo duidelijk het vloeibaar worden en het druppels vormen te voorschijn komt als in het kliersysteem. Een bijzondere plaats nemen daarbij de klieren in het spijsverteringskanaal in, waar ongelooflijk veel beweging is. De peristaltiek kneedt en duwt de spijsbrei heen en weer. Het darmslijmvlies is ook in zijn vorm een en al beweging: het ligt in talloze plooien. Op deze plooien liggen weer uitstulpingen en op deze uitstulpingen weer microscopisch kleine darmvlokken. Beweging en een grote veelheid; je kunt er het gebaar van kwik in herkennen. In het gebied van de spijsvertering vindt de opname van het voedsel via de darmwand in het bloed plaats. Uit de klieren vanaf de mond tot en met de dunne darm worden grote hoeveelheden spijsverteringssappen aan het voedsel toegevoegd om het vloeibaar te maken en te verteren. In de dikke darm wordt een groot deel van deze vloeistof weer opgenomen. Kwik is een universeel gif voor het slijmvlies, met name van het spijsverteringskanaal. In gepotentieerde, dat wil zeggen in ritmisch verdunde vorm is het kwik echter juist in dit gebied een geneesmiddel. Te beginnen bij de amandelen en het mondslijm, daarna in het maagdarmkanaal en ten slotte in de dikke darm vindt men het terrein waarop het kwik bij een ontsteking als geneesmiddel kan werken. Naast de gevaarlijke werking, waarvan in het begin sprake was, kan kwikzilver dus ook zeer heilzaam zijn.
(Joop van Dam, arts, Weledaberichten 175, *winter 1997)
Na veldspaat is kwarts met ongeveer 13% het meest voorkomend bestanddeel van de vaste aardkorst. Maar niet alleen dit hoge percentage maakt indruk — ook de gevarieerde schoonheid van zijn verschijningsvormen als amethyst, rookkwarts, rozenkwarts, moriaan, citrien, tijgeroog is indrukwekkend. Kleurloze en onvertroebelde kwarts is de glasheldere bergkristal, die men als een zuivere uitdrukking van vormgevende krachten kan zien. Goethe beschouwde de bergkristal als de voleinding van al wat kwarts is. Iets heel bijzonder zijn de kleine, rondom gevormde en niet op een ondergrond ontstane kristallen, die het mooist voorkomen in het marmer van Carrara. De fraaiste bergkristallen komen uit Zwitserland (Gotthardgebergte), Ceylon, Madagascar en Brazilië.
(Weledaberichten nr.119 12-1979)
0-0-0
labradoriet
Labradoriet. Prachtig silicaatgesteente. waarvan de geslepen zijde veelkleurig schittert.
Lapis lazuli (azuursteen) betekent: blauwe steen. Azuur is: hemelsblauw.
Lapis = steen; van lazuli is afgeleid azuur of hemelsblauw.
Het is mogelijk dat in het Oude Testament onder saffier de lapis lazuli bedoeld wordt. Want in Job 28:6 staat: ‘De saffier heeft stofjes van goud.’ Ook Griekse schrijvers voor en na Christus spreken over ‘de saffier die met goud gestippeld is’.
Wat betekenen deze stofjes of stippels van goud?
Er is een mooie steen, met ook een mooie blauwe kleur. Deze heeft pyrietkorreltjes in zich, die bij polijsten van de steen een gouden kleur aannemen.
Dit is de lapis lazuli of lazuursteen.
Het ingesloten pyriet is zwavelerts of zwavelijzer, in de volksmond kattegoud.
Tijdens de woestijnreis van Israël schijnt de saffier nog niet bekend geweest te zijn. Wel zijn in de Egyptische koningsgraven veel sieraden gevonden van lapis lazuli, b.v. in het graf van Toetanchamon (1354 voor Christus).
Daar de lapis lazuli in de vorm van grote en zware stukken voorkomt, wordt de beeldspraak van Jesaja 54:11 duidelijker: ‘Ik zal u op saffieren grondvesten.’
Bij avond kunnen de sterren van het firmament vergeleken worden met pyriet-kristallen. Denk aan Exodus 24:9 en 10: ‘En zij zagen de God van Israël en onder Zijn voeten een werk als van saffierstenen, als de gestalte des hemels in zijn klaarheid.’
Zo ook Ezechiël 1:26 ‘En boven het uitspansel… was de gelijkenis van een troon, als de gedaante van een saffiersteen.’ Zie ook Ezechiël 10:1.
Wanneer we in het Nieuwe Testament komen, kunnen we rustig (in Openbaring 21) bij de fundamenten van de hemelse stad denken aan de echte, ons bekende saffier.
Zijn kleur is voldoende om ons zijn zinnebeeldige betekenis te laten zien.
Want hij doet denken aan het hemelsblauw van de tabernakel uit Exodus en aan de kleding van de hogepriester. Het is een hemelse kleur.
Dr. H. Rossier ziet in deze hemelsblauwe kleur de heerlijkheid van Jezus Christus als de Zoon van God.
De saffier staat in tegenstelling tot de smaragd: die is een symbool van aardse heerlijkheid.
Lapis lazuli, geslepen. Men ziet de zogenaamde ‘goudkorreltjes’, eigenlijk de pyrietkorrels.
0-0-0
lazuliet
0-0-0
leuciet
Leuciet. Fraai kristalliserend silicaat in eruptiefgesteenten, bijv. in basalt; de kristallen schijnbaa regulair, in werkelijkheid rombisch.
0-0-0
lood Als men een loden buis doorzaagt, tonen de uiteinden een typische metaalglans. Edele metalen zoals goud en zilver behouden deze glans, lood, als onedel (want oxiderend) metaal, wordt daarentegen snel weer grauw. Door de chemische reactie met zuurstof uit de lucht ontstaat dof uitslaande roest (loodoxide), die het eronder liggende zuivere lood afdekt.
Lood heeft een opvallende verhouding tot warmte. Het zeer weke lood wordt bij verwarming redelijk snel vloeibaar, maar geleidt de warmte nauwelijks. Niet alleen warmte wordt slecht geleid, ook elektriciteit; geluidstrillingen en radioactieve straling worden niet doorgegeven. Lood brengt deze activiteiten als het ware in zichzelf tot stilstand. Ook bij chemische reacties met andere stoffen treedt er een soort stilstand op: gevormde loodzouten in een oplossing zijn meestal onoplosbaar en zakken naar de bodem.
Toepassingen Pas in de Romeinse tijd begon men lood echt te gebruiken: als slingerkogels, bij de verzwaring van visnetten of voor het geleiden van water, waarvoor men loden buizen ging inzetten. Bij dakbedekking, maar ook bij transatlantische kabels sluit lood door oxidatie datgene wat binnen is af. Zo bedekken dekverven (menie, loodwit en dergelijke) zeeschepen en gaan het roesten van ijzer tegen. Loodschorten beschermen op röntgenafdelingen tegen radioactieve straling. Verder worden lijkkisten aan de binnenkant vaak met lood bekleed. Bij al deze toepassingen heeft men met afsluiten te maken: de binnenwereld wordt afgeschermd. Met de opkomst van de boekdrukkunst openbaarde lood nog een ander facet van zijn karakter. Door zijn weke vorm kon het gemakkelijk tot drukletters worden gegoten. Opnieuw is van een verdichting en afsluiting sprake. In een gedrukte tekst wordt een gedachte tot een aardse vorm verdicht en tevens gefixeerd. Het woord ‘potlood’ dankt zijn naam aan het feit dat de schrijfstift vroeger lood bevatte. Met het weke metaal werden (schrijf)sporen en gedachten op het papier vastgelegd. Samenvattend kun je zeggen: lood brengt de zwaarte van de aarde tot werkzaamheid, verdicht, brengt tot stilstand en sluit af. Je kunt dat een doodsproces noemen: in lood houdt de levende, bewegende wisselwerking met de wereld op.
Als je het metaal zo tot je hebt laten spreken, verbaast het niet dat de oude alchemisten lood ‘Vadertje dood’ noemden. In de Griekse mythologie was de god Chronos (bij de Romeinen Saturnus) drager van hetzelfde proces. Hij werd als een oude man afgebeeld, of zelfs als een skelet, die als attributen een zeis en een zandloper droeg. De zeis snijdt het stromende leven af, waardoor het sterft en de zandloper is teken van de sterfelijkheid, van de eindigheid van het leven.
Het menselijk organisme Het beeld van een loodvergiftiging stemt geheel met het voorgaande overeen. Normaliter bevat het lichaam geen lood. Als mensen (bijvoorbeeld door hun beroep) lood opnemen, doet zich een snel verval van levenskrachten voor. Ze gaan er doodsbleek uitzien, haren vallen uit, tanden gaan loszitten. Verder beginnen de bloedvaten voortijdig te verkalken, vertraagt de stofwisseling en treden er krampen op (vroeger saturnus-koliek genoemd). Kortom, een loodvergiftiging bewerkt een proces van vroegtijdig verharden en oud worden.
Toch is het verharden op bepaalde plaatsen in het lichaam nodig, zoals in de botten. Alleen met een stevig skelet kan de mens de zwaartekracht weerstreven en zich oprichten. Ieder mens gaat op volstrekt individuele wijze rechtop staan. Verder groeit door het verhardingsproces al vrij vroeg de fontanel van de schedel dicht. De mens sluit zich daarmee in zekere zin af. In dezelfde periode ontstaat ook de herinnering – een typisch menselijk vermogen; er ontstaat een binnenwereld. Herinneringen zijn nooit neutraal, je hebt er altijd het beleven ‘het was goed of niet goed’ bij. Oftewel, ze raken de morele wil. Lood vertegenwoordigt lichamelijk gezien een doodsproces, een aards worden. Innerlijk hoort daar een tegenproces bij: vrij worden van de aarde, zich oprichten en zichzelf innerlijk vervullen. Lood maakt zowel dit lichamelijke als het innerlijke gebeuren mogelijk.
Lood in de geneeskunde In het lichaam zijn de doodsprocessen en de levensprocessen met elkaar in evenwicht. Bij het waken – met name in het hoofd – staan de doodsprocessen op de voorgrond. De levensprocessen worden vooral in het onbewuste, slapende deel van het lichaam verzorgd; in de bloedsomloop en de spijsvertering. Bij bepaalde vormen van allergie kunnen de levensprocessen te sterk zijn. Ook kan bij kleine kinderen door krachtige stofwisseling het bewustzijn te dromerig zijn. In beide gevallen kan lood de doodskrachten en de bewustzijnsprocessen bevorderen. In de reguliere geneeskunde wordt lood om zijn dodende eigenschappen gebruikt: bijvoorbeeld in Burow-water om kiemen in een besmette huid te doden. Het belangrijkste toepassingsgebied van lood in de antroposofische geneeskunde is het sturen en controleren van de verdichtingskrachten in het lichaam. Wanneer het skelet plaatselijk of in zijn geheel te week blijft, wordt het verhardingsproces door lood in lagere potenties bevorderd. In hoge potentie kan lood het verhardingsproces juist tegengaan. Zo bevat een middel tegen aderverkalking naast honing en suiker lood in zeer verdunde vorm. Met andere woorden, zowel in situaties waarin het stervensproces te langzaam, als ook waarin het te snel gaat, kan lood regulerend werken.
(Joop van Dam, arts, Weledaberichten 176, voorjaar 1998)
Magnetiet (magneetijzererts). Magneetijzererts is een gemengd oxyde van twee- en driewaardig ijzer. Deze verbinding is eigenlijk “halfverbrand” ijzer zoals het kunstmatig bij het smeden van het gloeiende metaal ontstaat. De naam wijst er al op, dat dit ijzererts een sterk, natuurlijk magnetisme heeft. Reeds in de Oudheid werd het wonder ontdekt van de magnetische steen; veel werd erover geschreven. Behalve de grove, korrelig-dichte aggregaten worden er ook dofzwarte, metaalachtig glanzende kristallen gevonden, meestal in de vorm van octaëders. Magnetiet is over de hele aarde, tot in het hoge noorden, verbreid. Het behoort tot de oudste ijzerertsen. In fijne verdeling is het een bestanddeel van bijna alle magnetische gesteenten, bijv. ook van bazalt, waarvan de donkere kleur komt door het bestanddeel aan magneetijzererts. De bekendste vindplaatsen zijn in Kirunavaara (Lapland, Zweden). Hier bevinden zich de grootste ijzerconcentraties van de aardkorst.
(Weledaberichten nr.131, 12-1983)
Magnetiet (magneetijzererts, FeO, Fe203) ontleent zijn naam aan een krachtig, natuurlijk magnetisme. Het kan het oudste ijzererts worden genoemd, dat in grote hoeveelheden tot in het hoge Noorden in het gesteente voorkomt. Het optreden ervan in het moedergesteente en de vergezellende mineralen wijzen op toestanden van de aarde waarin de atmosfeer nog een geheel andere samenstelling dan tegenwoordig moet hebben gehad. Vandaar de merkwaardige verbinding van tweewaardig ijzer FeO met driewaardig ijzer Fe203, die eigenlijk een “half verbrand” ijzer is zoals dit kunstmatig bij het smeden van gloeiend ijzer ontstaat. Zijn belangrijkste metgezel apatiet, een calcium-fluor-fosfaat en het daarin zich bevindende sporenelement lood wijzen op een proces, dat zich binnen in het menselijke bot afspeelt: de vorming van het bloed. Daar is het ijzer nog niet “door-ademd”, het bevindt zich nog in een “plantaardige”-fase. Dienovereenkomstig is het magneetijzererts, als buiten de mens zich afspelend proces van mineraalvorming, ingebed in de met vele plantaardig-organisch lijkende mineralen doortrokken groensteen-formatie. Men mag daarom stellen, dat het magneetijzererts het minerale tegenbeeld oplevert van de primaire vorming van het menselijke bloed in het binnenste van de beenderen.
Malachiet is een veel voorkomend kopererts. De lichtende groene kleur en de nierachtige vorm maken hem tot een siersteen, die zeer gewaardeerd wordt. Malachiet wordt vaak vergezeld door de donkere azuurblauwe azuriet. In vroegere tijden was de malachiet als z.g. ‘schriksteen’ bekend, men nam aan dat de daarin aanwezige krachten kinderen voor dreigende gevaren beschermden.
(Weledaberichten nr. 101, 1974)
Malachiet wordt gevonden in knolvormige bollen. De breukvlakken vertonen banden en, als ze geslepen zijn, concentrische kringen. Zij glanzen in een heldergroene kleur als van smaragd. Doordeze eigenschappen is malachiet een veelgevraagde siersteen. Vanwege de bolvormige verschijning werd hij eertijds door de mijnwerkers ook wel “glaskop” genoemd. Malachiet kan ook in de gedaante van radiale, vezelige, op haren gelijkende kristallen met een zijde-achtige glans verschijnen. Scheikundig bekeken is malachiet een basisch kopercarbonaat, waaruit men gemakkelijk met behulp van koolstof gedegen koper kan winnen. Reeds in de Oudheid heeft men van deze eigenschap geprofiteerd. Maar ook in de geneeskunst kent men de betekenis van koper. Men kan bijv. door een bepaalde kopertherapie krampen in het stofwisselingsgebied tegengaan. Op grond van deze kennis wordt malachiet ook bij de farmaceutische bereiding van geneesmiddelen in de Weleda gebruikt. Vaak wordt malachiet in de natuur vergezeld door het donkerblauwe azuriet. Dit mineraal heeft bijna dezelfde scheikundige samenstelling als malachiet. In het gebied rondom Siegen en in de Harz heeft men fraaie exemplaren gevonden De grootste en meest bekende vindplaatsen ligge in de Oeral, in Cornwall en in Tsumeb (Namibië)
(Weledaberichtebn nr.137 12-1985)
.
Malachiet. Basisch kopercarbonaat. In Siberië. Kopererts en ter vervaardiging van kunstvoorwerpen.
0-0-0
meteoorijzer
Meteoorijzer. Het grootste hierboven afgebeelde stuk is een geslepen en geëtste plaat, afkomstig uit Bethanië in het zuiden van Afrika. Karakteristiek voor meteoorijzer is de kristallijne structuur, die echter door etsen (met een zuur) zichtbaar wordt. In tegenstelling tot het ‘normale’ voorkomen van ijzer, namelijk in ertsen, in de diepte van de aarde, ontstaat meteoorijzer, zoals de naam aanduidt, uit puur kosmische krachten.
(Weledaberichten nr.102 09-1974)
Meteoorijzer (Ferrum sidereum). Tot de verschillende vormen van ijzer die in sommige Weleda geneesmiddelen worden verwerkt behoort ook een zeer bijzondere ijzersoort. Deze is niet op de aarde ontstaan maar heeft een kosmische oorsprong. IJzer is een zeer verbreid element. De bruine kleur van de grond is bijvoorbeeld hieraan te danken, in de natuur vindt men echter alleen de roestbruine verbindingen en zouten van het ijzer. Het zuivere metaal treft men praktisch nergens aan. Een uitzondering is het meteoorijzer. Er zijn op vele plaatsen kleine en grote, soms vele tonnen zware exemplaren gevonden, die vroeger door de mensen vol eerbied werden bekeken.| In de oudere literatuur wordt dit “uit de hemel gevallen” ijzer zelfs “menslievend” genoemd, omdat er nooit iemand door een vallend stuk meteoorijzer zou zijn gewond. Meteoorijzer bevat behalve ijzer en nikkel nog een kleine hoeveelheid kobalt. Een kenmerk ervan is zijn grote hardheid en taaiheid, het is moeilijk te bewerken. Vroeger, toen men gelegeerd staal nog niet kon vervaardigen, was meteoorijzer de enige beschikbare grondstof. Het zwaard van Siegfried, de moedige legendarische held die geen vrees kende, was uit dit kosmische metaal gesmeed. Er bestaat een beproefde methode om zich van de echtheid van meteoorijzer te overtuigen: men slijpt het ijzer ergens een beetje glad, polijst die plek en bedruppelt die met een verdund zuur. Als het echt meteoorijzer is, worden er heel typerende lijnen zichtbaar, de zogenaamde figuren van Widmannstatten.
(Weledaberichten nr,1 42 09-1987)
0-0-0
meteoorijzer
Meteoorijzer is een materie van kosmische oorsprong die voortdurend als een heel fijne regen op de aarde neerdaalt. De meeste meteorieten die verbranden bij het binnentreden van de aarde-atmosfeer en slechts zelden vindt men op de aarde een groot stuk. In de oudheid werd het zeer harde en bijzonder taaie ijzer zeer hoog gewaardeerd. De grote helden die voor onoverwinlijk golden smeedden hieruit hun zwaarden. Wanneer men een stuk meteoorijzer slijpt, polijst en etst worden zeldzame structuren zichtbaar die voor dit kosmische ijzer typerend zijn, wat bij andere metalen niet het geval is.
(Weledaberichten nr.115 09-1978)
Meteoorijzer is een stof die van kosmische oorsprong is en voortdurend als een heel fijne regen op de aarde neerdaalt. Het gewicht van de aarde neemt dagelijks met ongeveer 1000 ton toe. De meeste meteorieten vergloeien wanneer ze de aardse atmosfeer binnenkomen. We vinden zelden een groot stuk op aarde. In de oudheid werd dit zeer harde en taaie ijzer zeer gewaardeerd. De grote helden, die als onoverwinlijk golden, smeedden hieruit hun zwaarden. Wanneer we een stuk meteoorijzer slijpen, polijsten en schoonetsen krijgen we merkwaardige figuren te zien die karakteristiek zijn voor dit kosmische ijzer en bij andere metalen niet worden aangetroffen.
(Weledaberichten nr. 156 04-1992)
[17-1] Over het ijzer in de mens Een artikel met eenzelfde strekking In diverse artikelen over Michaël wordt over het ijzer gesproken
meteorieten
Er zijn ook stenen die niet van de aarde stammen , maar uit de ruimte van het heelal om ons heen. Het is buitenaards gesteente, waarin vooral nikkel en ijzer zit.
Dagelijks komen er vanuit de ruimte ettelijke honderden tonnen in de richting van de aarde, weliswaar doorgaans van minimale afmetingen.
Men spreekt van meteoorsteen of ijzermeteorieten; het meest komen ijzermeteorieten voor. Er zijn vindplaatsen in alle werelddelen, gedeeltelijk door meteoorkraters aangeduid.
Wanneer we ’s avonds een ‘vallende ster’ of metoor zien moeten we bedenken dat er per etmaal meer dan een miljoen waargenomen kunnen worden.
Als een metoor in aanraking komt met de aardatmosfeer, wordt hij meteoriet genoemd.
Met een grote snelheid dringen kleine vaste lichamen uit de ruimte de atmosfeer binnen. Door botsing met de luchtdeeltjes worden ze sterk verhit.
We zien dan (het gebeurt op 90 a 100 km hoogte) gedurende een deel van een seconde een lichtende streep.
Als de meteorieten klein zijn, verdampen ze.
Soms zijn deze lichamen zeer groot.
In 1947 viel er een in de bergen van Siberië als een grote verblindende vuurbol. In Arizona (U.S.A.) en Australië zijn kraters geslagen van 1200 en 850 m middellijn. Dan treedt er een enorme explosie op, begeleid door schokgolven in de omringende aardkorst.
Er zijn thans meer dan 200 meteoriet-kraters bekend.
De ‘Long Island’ is een meteoriet met een gewicht van 564 kilo. De ‘Ranchito’ ijzermeteoriet heeft een geschat gewicht van 50 ton.
Meteoriet. Buitenaards gesteente. Vindplaats: DaI van Toluca, Mexico. Originele grootte: 7,3 bij 6,7 cm. Gewicht: 635 gram.
Door de meterorieten komen we iets te weten over de samenstelling van wat onze aarde omgeeft. Het blijken dezelfde grondstoffen te zijn die we hier al kennen. Dit is ook het geval met het materiaal dat men van de maan heeft meegebracht. Het waren geen edele stoffen. Er is reden om aan te nemen dat er behalve op aarde nergens edelstenen zijn.
0-0-0
molybdeenglans
0-0-0
muskoviet
Muskoviet. Kaliglimmer. Doorzichtig, zeer splijtbaar silicaat, veel voorkomende o.a. in granieten. Grotere platen worden gebruikt voor lampenglazen enz. enz.
0-0-0
natroliet
Natroliet. Bolvormige kristalgroepen (sferiten) van een samengesteld silicaat (rombisch).
0-0-0
oliveniet
0-0-0
onyx
Tussen de heldere bergkristal met zijn strenge, regelmatige vormen en de amorfe, nog waterhoudende melkachtig-troebele opaal zien wij de rijkdom aan verschijningsvormen van kiezelzuur. Min of meer in het midden van deze groep staan de agaten. Zij zijn opgebouwd uit lagen met verschillende kleuren die uit microscopisch kleine vezels bestaan. Pas met moderne methodes van onderzoek kon worden vastgesteld, dat ook deze minuscule kristallen dezelfde structuur als kwarts hebben. De onyx behoort tot deze groep van de agaten. Hij vertoont dikke lagen van meestal zwart-witte banden die uit cryptokristallijn kwarts bestaan (chalcedon). Vanwege de structuur en de gelaagdheid in licht-donker heeft men de onyx reeds in de Oudheid veel gebruikt voor de vervaardiging van cameeën. De onyx wordt, evenals dat bij de agaat in ’t algemeen het geval is, ook in amandelvormige brokken van verschillende grootte gevonden. De bekendste vindplaatsen zijn in Brazilië, India en in Idar-Oberstein.
Het woord opaal komt uit het Sanskriet: upala = edelsteen; een bewijs, dat de steen in de oudheid al bekend was.
De opaal bestaat evenals kwarts uit kiezelzuur, maar het is ongekristalliseerd met als gevolg een geringere hardheid.
Mooie opalen met een rijk kleurenspel rekent men tot de fraaiste edelstenen.
Vuuropaal. Mexico. Originele grootte 22 bij 35 mm. Verzameling Zoltan Buzas, München
De grondstof zelf is meestal kleurloos; de bonte kleuren, die het hele spectrum omvatten, ontstaan door interferentie van het licht (de wederzijdse werking van lichtstralen op elkaar). Het is hetzelfde verschijnsel (iriseren) dat men bij dunne olielaagjes op het water of bij zeepbellen kan waarnemen. Het is een regenboogkleurige schittering, die verandert met de gezichtshoek.
Hij is de zevende steen van het borstschild naar de Elberfelder Bibel (Exodus 28 : 19).
Van alle edelstenen is de opaal wel de geheimzinnigste. Alle kleuren van het zonnespectrum glanzen in een ondoorgrondelijke gloed vanuit zijn binnenste.
Plinius, Romeins schrijver eerste eeuw na Chr., kon hem in zijn ‘Natuurlijke historie’ al niet genoeg prijzen: ‘In hem is een zacht vuur als van een karbonkel, het glanzende purper van een amethist, het prachtige groen van de smaragd, het gouden geel van de topaas, het diepe blauw van de saffier, zodat alle kleuren in ongelofelijke mengeling glanzen.’
Niet alleen hier, maar bij andere wonderschone stenen, ook bij parels, is iets dat men wel genieten kan, maar dat niet onder woorden te brengen is.
Olivien (chrysoliet), fraai groen silicaat-mineraal, dat onder bepaalde omstandigheden in serpentijn over gaat. Halfedelsteen. O.a. in de Eifel.
0-0-0
parel
Grieks: margarites (van een stam, die glinsteren, schijnen betekent)
Chemie: ongeveer 10% organische bestanddelen, 3,5% water, rest calciumcarbonaat Hardheid: 3 à 4
Mattheüs 13:45, 46 Openbaring 21:21
Een parel geeft onvergelijkelijk fraaie en zachte kleurverschijnselen, die zich als iriskleuren aan het oog voordoen. Parels worden als zeer kostbaar beschouwd en op één lijn gesteld met de duurste edelstenen. De doorschijnende zachte glans, die de parel haar bijzondere bekoring verleent, noemt men de ‘luster’ of de ‘oriënt’ van de parel.
Parels worden door oesterachtige zeemossels gevormd uit parelmoer, de regenboogkleurige stof waarmee de binnenkant van hun schelpen bedekt is. De parelvormende zeeoesters zijn 8 cm in doorsnee, hun leeftijd gaat tot 13 jaar. Ze leven in de buurt van de zeekust tot op ca. 15 m diepte. Als nu een vreemd lichaampje, b.v. een zandkorreltje de schelp binnendringt, dan wordt de oester door dit vreemde bestanddeel geprikkeld (als een stofje in het oog). Zo’n binnengedrongen kerntje kan soms microscopisch klein zijn, maar de oester begint dadelijk de organische stof parelmoer af te scheiden.
Daaromheen komt radiaal een reeks kalkkristalletjes, waarop weer een uiterst dun laagje organische stof volgt. Deze concentrische opbouw duurt zo lang totdat het kerntje door de mossel zo ingekapseld is, dat zij geen hinder meer van het vreemde voorwerp ondervindt. Zo ontstaat een kogeltje – de parel. Zij is de draagster van de parelmoerglans. In principe zijn het dezelfde kleuren die ontstaan bij petroleum op het watervlak of de kleuren van zeepbellen.
De latijnse naam van deze pareloesterschelp is Pinctada Maxima. Met twee ingegroeide parels. Afkomstig uit Nieuw-Guinea. Grootte 14,3 x 13,7 cm. | Verzameling Hein Gaertner.
Men heeft berekend dat de vorming van grotere parels tot 10 jaar kan duren.
Veel van de opgeviste oesters bezitten helemaal geen parel, want slechts één op de 30 à 40 oesters levert een parel op. Andere daarentegen hebben er soms twee. Men heeft ook wel dozijnen kleine pareltjes in één oester aangetroffen.
De grootte van parels wisselt van speldeknop tot duivenei.
De grootste die bekend is, weegt 450 karaat. Ze heet ‘de ster van India’ en wordt bewaard in het Kensington Museum te London.
Er zijn fabelachtige sommen voor de mooiste parels betaald.
De duikers kunnen één tot drie minuten onder water blijven. Het is een moeilijk, heel ongezond en gevaarlijk werk, ook vanwege de haaien. Parelvissers worden meestal niet oud.
De belangrijkste vindplaatsen met de beste kwaliteiten (lichtrose en romig wit) zijn in de Perzische Golf, bij Sri Lanka en bij de Australische kust-aangetroffen.
0-0-0
0-0-0
perowskiet
Een titaanerts
0-0-0
pyriet
Pyriet in zijn natuurlijke vorm. Mineralen zijn voor de geschiedenis van de substantie van de aarde van grote betekenis: vorm, kleur, bijzonderheden van hun verschijning e.d. geven belangrijke aanwijzingen over de kosmisch-aardse processen waaruit ze ontstaan zijn en over de wijze waarop ze therapeutisch te gebruiken zijn.
Een robijn is rood; maar een kleur rood die eigenlijk niet met iets te vergelijken of aan te duiden is. Ze is volstrekt enig in de natuur. Om toch een vergelijking te kiezen: bij robijn is de beste kleur die van duivenbloed. Zulke dieprode robijnen komen uit Myanmar (vroeger: Birma) en zijn kostbaarder dan diamanten.
In de oudheid waren het al zeer begeerde stenen. Ook nu nog zijn ze heel hoog geschat.
De machtige vorsten van India voerden onder hun titels ook die van Koning der Robijnen. De grootste slijpwaardige robijn die ooit gevonden is woog 80 gram.
De robijn behoort, evenals de saffier, tot de korundgroep. Dit zijn na diamant de hardste edelstenen; hardheidsgraad 9.
Diamant staat met graad 10 bovenaan en is altijd nog 100 tot 140 maal harder dan robijn!
Korund wordt, ruw, in grote hoeveelheden gevonden, maar de grote massa is niet geschikt om als edelsteen te worden geslepen. Ze hebben ook teveel insluitsels. Ze worden fijn gemaakt en o.a. gebuikt voor amarilstenen, voor het slijpen van metaal enz.
Er zijn half-doorzichtige robijnen die in de richting van de as een zesstralige ster vertonen. Deze interessante verschijning heet asterisme en komt ook voor bij saffieren. Als deze stervorming fraai en goed zichtbaar is, spreekt men van een stersaffier en sterrobijn. Ze zijn als zeldzame spelingen van de natuur hoog in prijs. Het zijn reflectieverschijnselen, waardoor drie Iichtlijntjes optreden die elkaar kruisen en een zesstralige ster vormen, die over de steen schijnt te zweven. De oorzaak daarvan zijn kleine naaldjes, rutielkristallen in het inwendige van de steen.
0-0-0
roodguldigerts
0-0-0
rookkwarts
0-0-0
rubelliet
Rubelliet. Rode toermalijn, borium-houdend silicaatmineraal van ingewikkelde samenstelling.
De chemische samenstelling van de saffier is dezelfde als die van de robijn.
Het rood van de robijn wordt veroorzaakt door aanwezig chroom, de blauwe kleur van de saffier komt door geringe sporen van ijzer en titaan.
De mooiste saffieren zijn die uit Kasjmir (korenbloemblauw). Die uit Birma, Sri Lanka en Siam zijn lichter van kleur. De grootste werd gevonden in Opper Birma, een kristal van 63.000 karaat, d.i. 12,6 kg.
Er zijn saffieren (evenals robijnen) die schitteren als een zes-stralige ster als er licht op valt. Het zijn reflectieverschijnselen, waardoor drie lichtlijntjes optreden die elkaar kruisen en een zes-stralige ster vormen, die over de steen schijnt te zweven. De oorzaak daarvan zijn kleine naaldjes, rutiel-kristallen in het inwendige van de steen.
Saffieren zijn nog steeds zeer gezocht.
Hij schitterde als vijfde steen van het borstschild en als tweede van de goddelijke stad.
0-0-0
sardius
De sardis wordt door sommigen wel gelijk gesteld aan de robijn:
André Gibert schreef een artikelenreeks over ‘de edelstenen in de Bijbel’. Hij zegt: De sardis of sardius is de steen, die tegenwoordig robijn genoemd wordt. C.W. Wigram in zijn Hebr. Concordantie schrijft bij de odem: Kanttekening robijn. Dr. H. Rossier in zijn ‘De symbolische betekenis van de Openbaring’ zegt: ‘De sardius, anders genoemd robijn, een bloedrode edelsteen.’
Men werpt wel legen dat sommige edelstenen in oud-testamentische tijden nog niet bekend waren, maar dit is niet altijd overtuigend.
De sardis wordt als eerste edelsteen van het borstschild genoemd. Ook als zesde fundament van het Nieuw Jeruzalem.
De Hebreeuwse naam voor sardis is odem. Deze naam is nauw verwant met het bijbelse Adam. Het woord Adam kan vertaald worden door mens en is letterlijk rode (aarde).
Odem zit ook in de naam van Ezau, n.l. Edom = rood.
Robijn in zoïsiet. Uit Langido, Tanzania. Hoogte 14 cm. O Verzameling Hein Gaertner.
In de edelsteensnijkunst (graveren) krijgt men mooie resultaten met gelaagd materiaal. Dit zijn stenen met evenwijdige banden. Men noemt ze lagenstenen. Men combineert dan een lichtgekleurde laag met een donkere. Zo ontstaan meesterstukjes van graveerkunst.
De sardonix heeft witte lagen, afgewisseld door bruine. Hij is verwant met de onix (zoals hij heet in de Elberfelder Bibel O.T.
Bij onix (Grieks voor ‘vingernagel’ wegens zijn doorschijnende karakter) is een witte bovenlaag gecombineerd met een zwarte grondlaag.
Ze zijn beide lid van de kwartsfamilie.
Het is de elfde steen van het borstschild en de vijfde bij het Nieuw Jeruzalem.
We kunnen in de Bijbel over zijn hoedanigheid en betekenis niets vinden.
sardonix, Barzilië. Breedte 12 cm.
0-0-0
scheeliet
0-0-0
sideriet (ijzerspaat)
Sideriet (ijzerspaat) is een verbinding van het tweewaardige ijzer met koolzuur. De eigenschappen van dit mineraal zijn echter afhankelijk van het milieu. Heel jonge verbindingen, die nog niet met de zuurstof van de lucht in aanraking zijn gekomen, zijn gelei-achtig zacht en nog geheel wit; de verder voorkomende kleuren daarentegen zijn gelig, geelbruin of grijs. Als een stuk ijzerspaat een lange tijd ergens op een helling heeft gelegen, wordt het donkerbruin. ( In de oxydatiezone van de ‘Eiserne Hut’ verandert het totaal in het lichtbruine limoniet en de daarbij behorende kalk wordt afgescheiden in de fraaie op koraal gelijkende zogenaamde ijzerbloem). Naast de meestal grove en grof gevormde verschijningen vindt men ook mooie op andere mineralen gegroeide kristallen. Zij hebben een honinggele kleur en kunnen bovendien doorzichtig zijn. Bekende vindplaatsen zijn Neudorf in de Harz, Siegerland en Erzberg in Stiermarken. In de Weleda is sideriet een belangrijke grondstof voor vele ijzerpreparaten.
(Weledaberichten nr. 130 09-1983)
0-0-0
smaragd
Hebreeuws: bareketh Grieks: smaragdos
Exodus 28:18 Openbaring 4:3; 21:19
Chemie: Be3Al2(SiO3)6. Hardheid: 7,5
De smaragd behoort tot de merkwaardigste en schoonste edelstenen die we kennen. Zijn prachtig verzadigd groen is de kleur van de bomen, van het gras, de weiden; ook van nieuw leven, van hoop en verwachting. Bewonderen we bij andere stenen een schitterende majesteit, een hoge glans, een reinheid, een fonkelend vuur — bij de smaragd is het de ondoorgrondelijke diepte van zijn zachte en liefelijke kleur.
Smaragd werd als vierde edelsteen door Aaron gedragen op zijn hart en is ook de vierde van het Nieuw Jeruzalem.
Plinius schreef ruim 1900 jaar geleden: ‘We beschouwen het groen van de kruiden en bladeren met welgevallen, maar nog liever kijken we naar de smaragden, want hun groen is het schoonste van alles. Niets is voor de ogen zo goed als deze kleur; het doet weldadig aan en vermoeit niet. Zijn de ogen door inspanning vermoeid – door het kijken naar het groen in de natuur en naar smaragden worden ze weer gesterkt.’
Bij opgravingen bleek dat smaragden 2000 jaar voor Christus al bekend waren. Ze werden gevonden in de buurt van de Rode Zee – een verwijzing naar de onmetelijke rijkdommen van de Farao’s. Ook de smaragdmijnen van Cleopatra waren beroemd.
In het Brits Museum is een smaragd van 1385 karaat. In de ‘Weense schatkamer’ is een kruikje te bewonderen van 12 cm hoogte dat uit een enkel smaragdkristal gesneden is.
Een groot aantal historische smaragden komt uit de Inkaschatten. Het Kremlin in Moskou bewaart een kristal van 12 bij 25 cm.
De beste en kleurzuiverste komen uit Colombia, noordelijk van de stad Bogota.
Een volkomen transparante smaragd, vrij van insluitsels, is een grote zeldzaamheid. Overigens doen insluitsels bij smaragden niets af van hun waarde en zijn tevens een middel tot aanwijzing van de herkomst. Een smaragd is dus bijna nooit rein, maar juist de insluitsels vormen de eigenaardigheid van zijn schoonheid. Wanneer deze kleine scheurtjes en veelvoudige inlegsels door een loep bekeken worden, zien de ogen het afwisselingsrijke beeld van een tovertuin. Men kan eigenlijk het bekoorlijke lichtspel van een smaragd niet treffender karakteriseren dan met de in de edelsteenkunde gebruikelijke aanduiding ‘jardin’ of tuin. Het is deze’geheimnisvolle ‘jardin’ die hem boven de meeste edelstenen in de wereld verheft.
Smaragdgroen is de kleur die het meest op de voorgrond treedt bij de regenboog.
In Openbaring 4:3 ‘En rondom de troon was een regenboog, een smaragd gelijk.’
Smaragd. Een zeldzame vondst is het, wanneer beide einden vrij zijn. Meestal is één eind vergroeid met het moedergesteente. Dit laatste bestaat hier uit kwarts met pyriet. Vindplaats: Colombië. Totale hoogte 5 cm. Lengte van het smaragdkristal 2,7 cm.
0-0-0
sodaliet
Sodaliet is een weliswaar meestal kleurloos voorkomend mineraal, maar is vaak ook in een opvallend mooie blauwe kleur te vinden. Deze blauwe sodaliet wordt graag als siersteen gebruikt. Naar zijn structuur behoort sodaliet tot de aluminiumsilicaten en is daardoor verwant aan de veel voorkomende veldspaat. De blauwe kleur is in zoverre een bijzonderheid, omdat deze niet, zoals bij de kleuren van de andere mineralen, op het aanwezig zijn van een zwaar metaal duidt. Dit is ook bij de Lapislazuli het geval, die dezelfde formule heeft en waar uit men vroeger het kostbare ultramarijn blauw won. Sodaliet wordt ook bij de geneesmiddelbereiding gebruikt. De mooiste stukken komen uit Zevenburgen, Portugal en Groenland.
(Weledaberichten nr.133 09-1984)
0-0-0
spaatijzersteen
Spaatijzersteen. Hexagon. kristallen (of kristallijne massa’s van FeCO2. In fraaie, grote kristallen op Elba.
0-0-0
spiesglans
0-0-0
spijskobalt
0-0-0
steenzout
Steenzout is de typische representant voor de krachten van het zout. De kubusvorm die men vroeger beschouwde als uitdrukking van de werkzaamheid van de aarde, is er karakteristiek voor.
(Weledaberichten nr.97, 06 1973)
0-0-0
tijgeroog
0-0-0
tin Zoals je het karakter bij een mens kunt schetsen, zo kun je ook het karakter van een stof beschrijven. Je brengt alle eigenschappen, gedragingen en handelingen die op een typische manier met de stof te maken hebben in beeld en leest daaruit wat zijn karakter is. Welke acties en reacties zijn dan karakteristiek voor tin?
Een stang uit tin kun je buigen, want het metaal is relatief week. Bij het buigen hoor je een krakend geluid, dat de ‘tin-schreeuw’ wordt genoemd. Het ontstaat doordat de kristallen in het tin ten opzichte van elkaar verschuiven. Deze spanning tussen enerzijds het inwendig gevormd zijn en anderzijds de weke vervormbaarheid, komt bij geen ander metaal zo uitgesproken voor als bij tin. Als je tin boven 160 graden (Celsius) verhit, wordt het broos en valt het uiteen. Hetzelfde gebeurt wanneer het in een koude omgeving van minus 40 graden Celsius wordt gebracht: dan verbrokkelt het en wordt het tot poeder. Deze neiging tot verbrokkeling heerst dan nog zo sterk in het poeder, dat het zelfs ander tin kan ‘besmetten’ als je het poeder erop legt. Men noemt dit verschijnsel ‘tinpest’. Er zijn dus twee mogelijkheden: of het tin blijft week en vervormbaar, of het vervalt door hitte of kou tot poeder. Verhit je het metaal tot boven de 232 graden, dan wordt het vloeibaar. Dat blijftzo tot 2300 graden. Geen enkel ander metaal heeft zo’n lang traject tussen smelten en verdampen. Tin verzet zich dus als het ware tegen het te vast worden en het vluchtig worden. De weke, vaste vorm en het vloeibare horen bij hem.
Verbindende kracht Tin verbindt zich gemakkelijk met andere metalen en is dan ook zeer geschikt om legeringen mee te vormen. Bekend is het brons, dat meestal voor 93% uitkoper en 7% uit tin bestaat. Klokken of gongen die uit brons worden gegoten, klinken helderder en gevormder dan wanneer men alleen koper heeft gebruikt. Ook drukletters werden doorgaans uit een legering gemaakt van lood, tin en antimoon. Soldeer bestaat uit tin met wat lood. Door het soldeer verbind je twee metalen met elkaar, terwijl ze toch gescheiden blijven door het tin: het tin maakt een grensvlak tussen de te solderen delen. Datzelfde gebeurt met het zogenaamde vertinnen. Tin is als metaal vrij edel. Dat wil zeggen, het wordt niet snel aangetast door lucht of door vloeistoffen waarin zich chemisch werkzame stoffen bevinden. Daarom worden loden pijpen of koperen ketels soms met een dun laagje tin bedekt. Het meest bekend in dit opzicht is blik (in het Engels ‘tin’). Het ijzer van het blik is bedekt met tin: hier gaat het opnieuw om een grensvlak waardoor het ijzer wordt gescheiden van de vloeistof of de vochtige voedingsstof in het blik. Ten slotte kennen we sinds de oudheid de tinnen gebruiksvoorwerpen, zoals schalen, vazen en bekers. Deze werden niet gehamerd of gedreven, zoals bijkoperen gebruiksvoorwerpen veelal het geval was, maar altijd uit het gesmolten tin in de vorm gegoten. Samenvattend kun je zeggen: karakteristiek voor tin is zijn vormkracht die echter niet star, maar beweeglijk en veranderbaar is. Daarnaast fungeert tin alsschepper van grensvlakken; verbindend en toch uit elkaar houdend.
Zeus en Pallas Athene In verhouding tot bijvoorbeeld ijzer en koper komt tin slechts in kleine hoeveelheden voor, zowel in de aardkorst als in het menselijk lichaam. In de aarde vindt men het voornamelijk in samenhang met kiezelgesteenten, vaak in zigzag-vormige aderen; als een bliksem. In het menselijk lichaam tref je de kiezel vooral aan op grensvlakken, namelijk in de huid, maar ook daar waar de vliezen de lichaamsorganen omhullen: het longvlies, het hartvlies en het buikvlies. In de Griekse mythologie werd Mars of Ares met het ijzerproces en Venus met het koperproces in samenhang gebracht. Temidden van deze goden vindt men ook Zeus (bij de Romeinen Jupiter genoemd). Deze oergod was de schepper van de vormen. Hij bracht orde in het heelal en hield de dingen bij elkaar, maar ook naast elkaar. Hij werd ook wel de wolkenverzamelaar genoemd. Men denke aan de machtige plastiek van de cumuluswolken. Bij de beeldhouwwerken van Zeus valt in diens uitdrukkingvol gezicht vooral zijn voorhoofd op. Uit dit voorhoofd werd zijn dochter Pallas Athene geboren. Zij was de godin van de wijsheid, van het vermogen ideeën te vormen en de ene gedachte met de andere te verbinden. De vormende kracht kan in de stoffelijke wereld werken, maar ook in de innerlijke. Elke creatieve gedachte is eigenlijk een kortstondige plastiek. In Zeus (en Pallas Athene) vinden we de karakteristieken van het tinproces.
Therapeutische mogelijkheden Wanneer er een loodvergiftiging optreedt, gaat het lood naar de hardste delen van het lichaam, met name naar de botten. Bij een tinvergiftiging daarentegen gaat het tin naar de spieren, de hersenen en de lever; dus naar de wekere organen. Overeenkomstig aan deze verhoudingen heeft de therapie met tin in de antroposofische geneeskunde speciale toepassingsgebieden gekregen. Heel algemeen gezegd: tin helpt de mens bij het in beheersing houden van zijn vloeistoffen, bij het vormen van het vocht in de wekere delen van het lichaam. De lever bijvoorbeeld is een zeer waterrijk orgaan dat van zich uit zeer weinig plastiek heeft. Tin helpt de lever het midden te | houden tussen vormloosheid en verharding. Op dezelfde wijze kan tin ook in de hersenen een teveel aan water voorkomen, dat optreedt bij de neiging tot een waterhoofd. Verder werkt tin op plekken waar grensvlakken zijn en waar zich stoornissen in het vochtorganisme voordoen: bij vocht in het gebied van het longvlies, het hartvlies en het buikvlies. Ook gewrichten waar door middel van het kraakbeen de botten aan elkaar grenzen, zijn ontvankelijk voor tintherapie, evenals zwellingen door trauma’s of door afwijkingen aan het kraakbeen. In alle gevallen gaat het om de vormkracht van tin en zijn vermogen het vocht te beheersen.
(Joop van Dam arts, Weledaberichten 174, najaar 1997) .
Titaniet (sphen). Monokline kristallen van een titaanerts.
0-0-0
toermalijn
De geheimzinnige krachten die de toermalijn in zich verbergt komen niet alleen in zijn buitengewone kleurenrijkdom tot uiting, maar bij het wrijven en verwarmen van de stenen komen bij de toermalijn elektrische verschijnselen voor. De structuur van deze aan het licht verwante edelsteen is trigonaal, d.w.z. de driehoek ligt eraan ten grondslag. De mooiste exemplaren werden in Madagaskar en Brazilië gevonden.
(Weledaberichten nr 107 12-1975) .
De toermalijn neemt onder de edelstenen in veel opzichten een bijzondere plaats in. Hij vertoont eigenlijk de hele scale van kleuren. Eén kristal kan zelfs verschillende kleuren hebben, die afhankelijk van hoe men hem houdt ook de driedelige symmetrie van zijn opbouw laten zien. De meestal lange kristallen vertonen een ongewone polariteit: de beide uiteinden zijn totaal verschillend gevormd en de verbinding bestaat meestal uit een zeskantige zuil die in een driekantige overgaat. Men krijgt daardoor de indruk, dat de toermalijn zich in de ruimte oriënteert. De polariteit blijkt voorts door electrische verschijnselen, ladingen, die zowel door verwarmen als ook door te wrijven kunnen worden opgewekt. Scheikundig is de toermalijn een heel gecompliceerd samengesteld silicaat dat wel twintig elementen kan bevatten. De mooiste toermalijnen komen uit Ceylon, Madagascar en Brazilië. Voor bepaalde geneesmiddelen van de Weleda wordt de stralend donkerrode variëteit, de zogenaamde rubelliet, gebruikt.
(Weledaberichten nr. 120 04-1980)
.
Toermalijn (zwarte) o.a. in granaten. Dunne platen doen dienst in polarisatie-toestellen.
0-0-0
topaas
Topaas: in de spleten en holruimten van granietachtig oergesteente is een hele reeks edelstenen en zeldzame mineralen te vinden. Hierbij is ook de topaas die als siersteen zeer geliefd is. Hij heeft een bijzondere gloed, ook ongeslepen en een grotere hardheid dan de bergkristal. De topaas, een kleiaarde-fluor-silicaat, vinden we in de verschillende kleuren die de metalen hem geven. De meest voorkomende en meest bekende is de goudnuance die deze edelsteen door chroom krijgt. De blauwe topazen hebben hun kleur door het ijzer, de roodachtig gekleurde door vanadium, een aan het ijzer verwant metaal. Uit Mursinka in de Oeral kwamen hele mooie blauwe stenen die echter in zuiverheid en kleur overtroffen werden door enige zeldzame exemplaren uit het Fichtelgebergte, waar veel graniet is. In het uitgestrekte Rusland zijn ook roze en paars-blauwe stenen te vinden waarvan sommige heel groot zijn, tot een gewicht van 30 pond. Kamtschatka levert groene en de belangrijke Braziliaanse soorten die kleurloos, geel, roze-rood en blauw zijn, waarbij ook vaak exemplaren met vloeistofinsluitsels gevonden worden. De kleuren en de licht doorlaatbaarheid omgeven die zich in het donker der aarde vormende edelstenen met een geheimzinnige glans die door alle tijden heen de verbazing en de fantasie in de mens opgeroepen heeft.
(Weledaberichten nr.113 12-1977)
0-0-0
topaas
Hebreeuws: pitedah Grieks: topazion
Exodus 28:17 Openbaring 21:20
Chemie: Al2SiO4(F,OH)2 Hardheid: 8
De meeste schrijvers stemmen erin overeen dat dit de huidige topaas is met zijn rijke gele luister.
Pitedah betekent volgens deskundigen ‘de gele’. In de Griekse vertaling van het Oude Testament heet hij ‘topazion’ waar duidelijk ons woord topaas in zit.
Men verhaalt dat schipbreukelingen aan land gingen op een eiland in de Rode Zee en daar deze steen ontdekten. Het eiland en de steen doopten zij Topasos = gezocht en gevonden. De topaas straalde als tweede steen van het borstschildvan de hogepriester, was tevens negende van de heilige stad.
Er zijn grote kristallen bekend, die vele kilo’s wegen. Men heeft ze gevonden tot 30 kg.
485 mooie topaaskristallen zijn in de Engelse koningskroon verwerkt.
Deze doorzichtige steen is van een schitterend goudgeel. Hij heeft een levendig vuur en schittert als een zonnestraal.
Op het schiereiland Sinaï werd al ruim 2500 jaar voor Christus turkoois in de mijnbouw gewonnen. Tot in het begin van onze eeuw werden deze mijnen nog geëxploiteerd, nu zijn ze vrijwel uitgeput. De turkoois uit Sinai was van edelsteenkwaliteit. Vindplaatsen waren in het Westen van het schiereiland; transport naar Israël was dus goed mogelijk.
Turkoois is een van de weinige edelstenen die niet door sterke verhitting of persing ontstaan zijn, maar door langzaam sijpelen van water door de rotsen.
Ze kwamen ook uit Perzische mijnen, werden dan via Turkije vervoerd naar Europa; vandaar de naam.
De meest voorkomende kleur is groen – blauw. Daardoor is ‘turkoois’ een aanduiding geworden voor een groen – blauwe tint.
De raderen van Gods bestuur die Ezechiël zag, hadden de kleur van turkoois (Ezechiël 1:16). Ze gaven aan, dat alles op aarde geregeld wordt door de hemel, door God; ook al schijnt Zijn handelen voor ons nog zo onbegrijpelijk.
In Hooglied 5:14 zien we dat de schoonheid van de bruidegom bezongen wordt door de bruid. Gelovigen weten, dat deze bruidegom een beeld is van Christus en dat alle gelovigen op aarde Zijn bruid vormen. Ze zegt: ‘Zijn handen zijn als gouden ringen, gevuld met turkoois!’
Turkoois, uit de U.S.A. ⅓ verkleind. Midden: turkoois in gesteente. Links en rechts: geslepen exemplaren.
0-0-0
uraanpekerts
0-0-0
vermiljoen
0-0-0
vesuviaan
0-0-0
vivianiet
Vivianiet (blauwijzererts) is, scheikundig gezien, een verbinding van fosfor met ijzer. De kristallen zijn donkerblauw, glazig en meestal stengelvormig. Dikwijls komen ze voor in op egels lijkende bolvormen. De ondoorzichtige blauwe kleur is bij ijzerverbindingen zeldzaam. Uniek bij ijzerhoudende mineralen is evenwel als deze soms helder en doorzichtig zijn. Vivianiet is te zacht om als siersteen te dienen. De vorming ervan is secundair, d.w.z. er ontstaan door verwering en sedimentatie nieuwe verbindingen, waarbij het fosforzuur meestal van organische oorsprong is. Er zijn fossiele beenderen gevonden die een inslag van vivianiet vertonen. De bekendste vindplaatsen zijn Cornwall, Kameroen (met stukken tot een halve meter groot) en Waldsassen in Beieren. De verbinding van fosfor en ijzer- twee voor de menselijke stofwisseling en ademhaling levensnoodzakelijke substanties – wijst erop, dat dit mineraal, mits dienovereenkomstig toebereid, ook een werkzaam geneesmiddel in de therapie van de arts kan zijn.
(Weledaberichten nr. 138 04-1986)
0-0-0
vloeispaat
0-0-0
zilver
Zilver (argentum) is evenals het goud van oudsher met de mensheid verbonden en stond sinds de oudste tijden in het teken van de maan. Vanwege zijn uitzonderlijk reflecterende eigenschap is het zilver het oerbeeld van de spiegel. Oorspronkelijk een metaal met uitsluitend cultische betekenis werd het later voor munten gebruikt en tenslotte een hulpstof voor de fotografie. Zilver wordt niet alleen als zwavelverbinding, zoals de meeste andere metalen, gevonden, maar ook veelal in gedegen toestand. Men vindt dikwijls prachtige op haren en lokken lijkende vormen en op varens lijkende dendrieten. Het blinkende zilver gaat gemakkelijk een verbinding aan met zwavel. Dan ontstaat er een geel-bruine laag zwavelzilver, die zelfs geheel zwart kan worden. De bekendste vindplaatsen van gedegen zilver zijn Kongsberg in Noorwegen, Ffeiberg en Joachimsthal in het Ertsgebergte in Duitsland. Het merendeel van het geproduceerde zilver wordt echter verkregen door het roosten van loodglans dat altijd sporen van zilververbindingen bevat. Naast vele andere indicaties wordt gepotentieerd zilver toegepast om ontstekingsprocessen tegenezen.
(Weledaberichten nr,141 04-1987)
Het ïs een bekend ervaringsfeit dat de zon en de maan invloed hebben op wat er op de aarde gebeurt. Door zijn licht beïnvloedt de zon op beslissende wijze de groei van de plantenwereld, terwijl de seizoenen en de daarbij horende processen in de natuur corresponderen met de wisselende stand van de zon ten opzichte van de aarde. Wat de maan betreft: iedereen weet dat eb en vloed met de maan samenhangen. Minder bekend is dat ook voortplantingsritmen bij bepaalde lagere dieren de actuele maancyclus volgen – zoals de Paolo-worm en bepaalde vissoorten in de Stille Oceaan – en dat men voor het zaaien met de maanfasen rekening kan houden: vroeger een ‘boerenwijsheid’, thans door wetenschappelijk onderzoek geverifieerd.
In vroeger tijden werd naast de invloed van zon en maan ook nog rekening gehouden met de werking van andere hemellichamen op aardse gebeurtenissen. Shakespeare laat in zijn stukken meermaals zijn personages refereren aan de invloed van Mars en Venus op het verloop van de ontwikkelingen op het toneel. In de middeleeuwen werd een verband gelegd tussen planeten en organen (hart en zon, nier en Venus enzovoort) en zag men ook een samenhang tussen planeten en metalen. Om het zilver in zijn therapeutische werking te gaan begrijpen, wil ik op dit laatste verband kort ingaan.
Proeven met filtreerpapier In de jaren twintig en dertig van deze eeuw werden door de biologe Lili Kolisko proeven gedaan om meer inzicht te krijgen in de relatie tussen bepaalde planeten en specifieke metalen. Zij bracht daartoe metaalzouten in oplossing en hing hier stroken filtreerpapïer in, zodanig dat de onderkant van het papier net onder het oppervlak van de oplossing terechtkwam, waardoor de vloeistof door het papier kon worden ‘opgezogen’. Waarom dit oplossen van metaalzouten in water? Vaste stoffen zijn onderhevig aan de aardse wetmatigheden en worden daardoor onder andere door de zwaartekracht vanuit het middelpunt van de aarde aangetrokken. Vloeistof daarentegen zorgt dat er een ontvankelijkheid optreedt voor de periferie (bijvoorbeeld de zon en de maan). De planten, die voor hun bestaan water nodig hebben, staan door deze vloeistof ook open voor de perifere krachten: hierdoor groeien ze tegen de zwaartekracht in en kunnen de levensverschijnselen optreden.
Terug naar de proef: de in het filtreerpapïer opgetrokken metaalzouten lieten een regelmatig en telkens terugkerend patroon zien, al waren er variaties. De variaties die optraden bleken met de constellatie aan de hemel samen te hangen. Bij zonsverduistering bleek dat de oplossingen met goudzouten beduidend minder hoog waren ‘opgezogen’ dan bij normale zonnestand. Bij alle volgende zonsverduisteringen trad ditzelfde fenomeen op. De maan bleek een verbinding te hebben met het zilver. Deze samenhang toonde zich in de herhaling van karakteristieke beelden bij volle maan, nieuwe maan, afnemende en toenemende maanfasen.
Leven, licht, maan en zilver In de plantenwereld is zichtbaar hoe de ontplooiing en vormgeving van groeiprocessen samenhangen met het licht. In een korte formule gebracht: licht zorgt voor het leven. Een karakteristiek van zilver blijkt zijn verhouding tot licht te zijn. Er is geen metaalzout zo lichtgevoelig als zilverzout. Daarop berust de fotografie. De indrukken op de filmplaat worden vastgehouden door de chemische veranderingen die het licht in de zilververbindingen bewerkstelligt. Anderzijds heeft zilver het vermogen tot spiegelen. Geen ander metaal levert zulke goede spiegels als zilver, als het hemellichaam dat zich het dichtst bij de aarde bevindt, bemiddelt de maan de werking van alle andere, verder gelegen planeten. Het maanoppervlak reflecteert als een extra spiegel voor de aarde de werkingen van deze planeten en geeft ze door. Deze niet-aardse krachten, die uit de periferie komen, worden door de maan in de aardesfeer binnengeleid. Deze werkingen worden, zoals boven beschreven, zichtbaar in de levensverschijnselen: groei, opbouw, regeneratie en de reproductie (voortplanfing) als zodanig. Uit de medische ervaring blijkt nu dat ook zilver, als het metaal dat met de maan samenhangt, de levenskrachten bevordert.
Medische toepassingen Bij een te zwakke opbouw, ondervoeding en een gebrekkige vitaliteit, moedigt zilver met name bij kinderen de te zwakke levenskrachten aan. Als mensen langdurig chemische middelen hebben gebruikt (zoals pijnstillers), helpt zilver het organisme weer op te bouwen. De levensakker wordt als het ware opengeploegd. Door allerlei omstandigheden – zoals stress, een overvloed aan zintuigindrukken, zorgen, examens, of ook door de eigen constitutionele aanleg – kan iemand te weinig vitaal zijn. Door de zwakte in de levenskrachten kan ook de ziel futloos, droog en fantasieloos worden. Met behulp van zilver is het mogelijk een fysiologische basis voor een fris en productief zielenleven te scheppen. De ziel moet natuurlijk wel dit gezonder wordende instrument zelf bespelen! Verder kan zilver als medicament de vruchtbaarheid bij de vrouw bevorderen. (In de menstruele cyclus van de vrouw is het maanritme te herkennen.) Ten slotte: bij shocks raakt de verbinding van het innerlijk wezen van de mens met zijn lichaam losser, het kan zelfs zo ver gaan dat men flauwvalt. Ook het levenskrachtenorganisme wordt dan mee losgetrokken. Zilver is een beproefd middel bij de behandeling van shocks, omdat het helpt het levenskrachtenlichaam en het fysieke lichaam weer intensiever met elkaar te verbinden.
(Joop van Dam, arts, Weledaberichten nr. zomer 1998)
zie ook goud en zilver (bij goud)
0-0-0
zilver
Hebreeuws: kesef Grieks: argurion Soortelijk gewicht: 10,5 Hardheid: 2,5 ‘a 3 Chemie: Ag (Argentum)
Zilver is een van de ruim 100 elementen die we kennen. Het is harder dan goud, maar toch nog uitzonderlijk goed bewerkbaar. Het grootste deel van de wereldproductie (9500 ton per jaar*) wordt niet meer voor muntmetaal gebruikt, maar in de techniek en in de chemie, vooral voor fotografische doeleinden. (Zilver wordt gewogen in troy-ounces) In de Bijbel wordt veel over zilver gesproken, ongeveer 200 maal. Ook lezen we een twintigtal malen over zilverlingen of zilverstukken. In bijbelse tijden was zilver namelijk het betaalmiddel bij uitstek. Soms lezen we over zoveel honderd sikkelen zilver. De helft van een sikkel zilver moest een Israëliet betalen als hij 20 jaar werd en overging tot ‘de getelden van het leger’ (Exodus 30:11-16). Hij werd dan ‘meegeteld’. Laten we er goed op letten dat het zilver hier genoemd wordt ‘het zilver der verzoeningen’. Wilde men meegeteld worden bij Gods volk, dan moest er een verzoeningsprijs betaald worden. *jaartal onbekend.
Zilver. Vindplaats: Mexico. Originele lengte 2,6 cm. >
zilver
0-0-0
zinkblende
0-0-0
zinkspaat
Zinkspaat of galmei, vaak verontreinigd met allerlei bijmengsels. Belangrijk zinkerts. ook in Z.-Limburg.
0-0-0
zinkvaalerts
0-0-0
zwavel
Zwavel (Sulfur) vertoont in het mineralen rijk een sterke relatie met de zware metalen waarmee hij de belangrijkste, meestal mooi gekleurde, metaalachtig glanzende verbindingen, de sulfieten, vormt. Op enkele plaatsen echter, waar bijzondere omstandigheden dat mogelijk maken, komt de zwavel in gedegen, dat wil zeggen zuivere, door geen andere stoffen beïnvloede vorm voor. Wij zien dan stralend gele kristallen, die doen denken aan bevroren vuur. Door hun eigenschappen passen zij evenwel niet goed in de voorstelling die wij van een stabiel kristal hebben. Zwavel is een element dat slechts tegenstrevend de vorm van een kristal aanneemt; het lijkt alsof hetelke gelegenheid te baat neemt om zich van die meer aardse wetmatigheden te ontdoen. Het is bijvoorbeeld heel zacht en bros en men kan het zonder moeite vergruizen. Als men in een stukje zwavel knijpt en het bij zijn oor houdt, hoort men het duidelijk knerpen, waaruit de onstabiele structuur van dit mineraal blijkt. Maar niet alleen voor druk is het gevoelig. Deze “steen” is ook gemakkelijk ontvlambaar. Hij brandt dan met een klein helderblauw vlammetje – bij een mineraal wel een heel (ongewone eigenschap! Bij het verwarmen verandert op allerlei manieren de structuur van het kristal, tijdens dit proces wordt de zwavel eerst heel vloeibaar, daarna stroperig en taai om kort voor hetverdampen nog een keer uiterst vloeibaar te worden. Maar ook de kleur verandert: eerst heldergeel, dan honing- tot barnsteenkleurig, vervolgens donkerbruin tot bijna zwart om tenslotte oranje op te lichten. De mooiste zwavelkristallen wordon op Sicilië en op verschillende plaatsen in Spanje gevonden.Lousiana en Texas, in de Verenigde Staten hebben de rijkste vindplaatsen. Therapeutisch heeft de zwavel een duidelijke relatie met alle stofwisselings- en ontstekingsprocessen. Daardoor is hij een belangrijk medicament in de handen van de ervaren arts.
Over het ijzer in de mens waarin ook de zwavel wordt genoemd Een artikel met eenzelfde strekking In diverse artikelen over Michaël wordt over ijzer en zwavel gesproken
.De islam in het leerplan van de vrijeschool Anne Bakker over: de islam in de 6e klas, als onderdeel van een bredere visie: de islam in het vrijeschoolonderwijs, van kleuterklas tot achtste klas.
Vaderlandse Geschiedenis M.Mathijssen over: geschiedenis in de onderbouw. Een noodzakelijke aanvulling op de Romeinse geschiedenis van klas 6 (uitg. Paidos)
Epidauros Onbekend over: het heiligdom van Asklepios; ziekte in die tijd; genezing in die tijd; priester-arts; ziekte als discrepantie in denken, voelen, willen; tholos; plaatsbepaling; slangen; haan; denken en urinezuur;
11e, 12 klas: Omzien in verwondering Willem F.Veltman over: het conflict tussen Israël en de Arabische wereld; achtergronden vanuit een Bijbels verleden; de impuls van Gondishapur; wat kan de taak van Europa zijn
Een vloek over alle uitvindingen opent het laatste hoofdstuk. – Met het gezang der ijzeren engelen besluit het boek, ~ Daartussendoor wordt de geschiedenis van het ijzer verteld, – James Watt verdubbelt de rijkdom der wereld en laadt zich daarvoor een miljoen schulden op de hals. ~ De geschiedenis van een eerzuchtige Schot, – Roebuck en Boulton, ~ De ijzerman uit Birmingham sluit zich aan bij James Watt en de stoommachine wordt werkelijkheid, ~ De ijzeren Murdock bokst een weg voor de machine, – Het geheim van het parallellogram. -De Lords moeten niet in de meelmolen dansen. – Boulton vertelt een monarch waar de koningen naar verlangen en wat het lot der komende eeuwen zal bepalen. – James Watt sterft, ~ De ijzeren engelen halen de Guillotine omver en de herwaardering van alle waarden begint.
«Ik vervloek alle uitvindingen die ik gedaan heb. » Dit bittere woord was vele jaren lang het avondgebed waarmee Watt zich te ruste begaf en de spreuk waarmee hij de dag begon. Zijn uitvindingen hebben hem tenslotte toch nog tot een rijk man gemaakt. Voordien echter brachten zij hem vaak aan de rand van de afgrond en stortten zij hem telkens weer in vertwijfeling en schulden.
Dat het leven van James Watt zo heel anders verlopen is als dat der mannen, die voor hem aan de stoommachine gewerkt hadden, dat hij ondanks alle zorgen toch nog een rijk man werd, lag aan de veranderingen die er in de loop van de tijd plaatsvonden. De wereld en vooral Engeland bevond zich in een houtcrisis. Engeland, dat streed om zijn monopoliepositie, had ijzer nodig voor kanonnen en machines. Om ijzer te kunnen maken had men erts en kolen nodig. Het erts kon men desnoods nog wel bereiken, maar de kolen lagen onder het grondwater en het grondwater was niet meer uit de mijnen weg te krijgen. Dus nam men hout. De oude Engelse bossen werden zonder veel omslag omgehakt en tot houtskool verwerkt. Met de houtskool maakte men ijzer en met de ijzeren kanonnen streed Engeland op zee en overzee. De feodale patriotten verlangden in het parlement, dat er een einde zou gemaakt worden met de verwoesting van de bossen. Merry Old England vocht om zijn leven en verloor het. De oude gelukkige tijden der grondbezitters waren voorbij. Met de inheemse wol viel geen wereldpolitiek te maken. Als Engeland nog een wereldmacht worden en blijven wilde, moest het alle katoenmarkten controleren, men moest meer katoen kunnen spinnen dan de anderen. Daarvoor had men machines nodig. De machines hadden ijzer nodig en ijzer was krap.
De wolwevers verbonden zich met de feodale heren, de grondbezitters raakten hun schapenwol niet meer tegen de goede oude prijzen kwijt en de wolwevers zagen zich bedreigd door de machines. Als men een moordenaar opknoopte, die vroeger wever geweest was, richtte hij van af de trap van de galg een toespraak tot het volk. Hij bekende zijn zonden en bezwoer, dat hij geen moordenaar geworden zou zijn, als de crisis in de wolweverij niet was gekomen. Zo was hij tot een misdadiger geworden en verdroeg de smaad, in een katoenen hemd te worden opgehangen. « Hangt met mij ook maar de katoen op », zo legden de grondbezitters en de wolwevers die laatste
woorden van de stervende uit. Met deze pathetische wevers echter waren de oude tijden gestorven. Engeland moest door de houtcrisis heen, de strijd om de wereldmacht moest ten einde gestreden worden en daar het een strijd om ijzer en kolen was, kregen de industriëlen gelijk. Maar zij konden alleen dat gelijk houden, als het hun en de mijneigenaren gelukte meer ijzer te maken. Met de oude Newcomen-machines kon men niet zoveel water uit de mijnen halen als nodig was. En toen er een nieuwe uitvinding kwam opduiken, waarmee men beter water kon pompen, sprak het vanzelf, dat de industriëlen zich van haar moesten meester maken. Daar Watt er echter in geslaagd was, zijn uitvinding onder de bescherming van een patent te brengen, konden de industriëlen zijn uitvinding alleen gebruiken, als zij hem in hun winst lieten delen.
De vier gezichten van de ingenieur
Van Guericke tot Watt heeft het gezicht van de ingenieur heel wat veranderingen ondergaan, maar eerst sinds James Watt draagt het de trekken van de moderne tijd. Tot aan Otto von Guericke was de ingenieur tegelijk oorlogsgod en filosoof, een man, die wist hoe hij de wetten der mechanica moest toepassen en wapens kon maken. De burgemeester van Maagdenburg was een onafhankelijke, trotse burger, die het niet nodig had, zijn ontdekkingen voor zijn boterham te exploiteren. Toen echter de macht der Hanze gebroken en de rijkdom der oude steden voorbij was, behoorde ook de trotse positie der oude oorlogsingenieurs tot het verleden.
De ingenieur werd, zoals Denis Papin, een halve hofnar, een man die merkwaardig speelgoed kon maken en springfonteinen aanleggen. Daarna, toen de vorsten zagen, dat zij van handel in mensen en van belasting op suiker alleen niet meer leven konden, werd de ingenieur bevorderd van hofnar tot minister. De vorsten stichtten academies, waarvan zij initiatieven voor de economische ontwikkeling van hun landen verwachtten en in het vrije Engeland tenslotte groeide de ingenieur op tot de middelaar tussen natuurwetenschap en economie, zoals wij hem tegenwoordig kennen en die de industriële revolutie heeft ingeleid.
James Watt is het voorbeeld van deze ontwikkeling. Gedurende de eerste helft van zijn leven is hij de geleerde dromer, die een dwaze idee najaagt, dan wordt de dromer een ontdekker en tenslotte verandert de ontdekker en uitvinder in een ondernemer, in een medebezitter van de grootste machinefabriek die er toen ter wereld bestond.
Toen Watt zijn proefmachine klaar had, vermoedde hij al dat hem kwade tijden te wachten zouden staan en dat het er voor hem op aankwam, zo gauw mogelijk patent te nemen. Om de aanspraak op een patent te kunnen motiveren, moest hij de machine nog verder beproeven. Daartoe was vóór alles geheimhouding geboden. Zo werd de opgewekte verteller een wantrouwige zwijger. Hij vertrouwde alleen professor Black het geheim van zijn uitvinding toe. Black was een Schot zoals hij en een beproefde vriend. Hij had de mechanicus vaak kleinere en grotere sommen geld geleend en wat dat voor deze man betekende, kan men wel nagaan, als men hoort, dat hij, oud geworden, van zichzelf zei, dat het sparen van geld en het kapitalist worden hem veel plezier gedaan had.
Watt zei niet eens iets tegen zijn vriend Robison, die hem toch er toe had aangespoord zich met de stoom bezig te houden. Hij huurde in Glasgow een kelder, waarin hij zich opsloot met een oude loodgieter en een nieuw model bouwde. De loodgieter kon hem niet veel helpen en Watt, de fijnwerker, moest ook smid en slotenmaker spelen. Met zijn zaak kon hij zich niet veel meer bemoeien en toen Craig, zijn vennoot, stierf, hief hij de werktuigkundige werkplaats op en trok zich met een assistent, John Gardiner, in een verlaten pottenbakkerij, die ver van de stad gelegen was, terug. Ingespannen werkend bouwden zij beiden in twee maanden aan een stuk, alleen met behulp van een oude blikslager, een nieuwe, grotere machine. Maar ook deze voldeed nog niet aan de eisen van Watt. De cilinder van deze machine was niet uitgeboord, maar uit plaatijzer gehamerd en gesoldeerd. Met deze cilinder moest men omgaan als met een rauw ei, terwijl gedurende het werk aan de machine de oude blikslager stierf en Watt en Gardiner in de kunst om ijzer te hameren lang niet zo bedreven waren als deze man.
Een ideale kapitalist gezocht
De verborgen arbeid kostte veel geld en het duurde niet lang, of Watt had een schuld van duizend pond. Black, die hem ondanks zijn spaarzaamheid graag uit de brand hielp, overlegde, dat het voordeliger zou zijn, als men Watt in contact bracht met een financier. Die geldschieter moest echter geen gewone kapitalist zijn, maar een gentleman, die zijn partner zou weten te waarderen, het beste was natuurlijk een Schot. Professor Black had veel vrienden in de industrie. Toen hij ze allemaal had nagegaan, wist hij, dat alleen Dr. Roebuck de juiste man was. Roebuck, van huis uit een scheikundige en oprichter van een beroemde zwavelzuurfabriek, was niet alleen een succesvol ondernemer, maar ook een eerzuchtig patriot. Hij dacht er over na, hoe men Schotland rijk zou kunnen maken en vond, dat het goed zou zijn, de ijzerindustrie te bevorderen.
Met het grote vermogen dat hij als zwavelzuurfabrikant en als eigenaar van een porseleinfabriek had verworven, bouwde hij aan de rivier de Carron in Schotland een hoogoven. Deze hoogoven werd de kern van een geweldige ijzersmelterij. Dr. Roebuck had uit Engeland de beste smeden en metaalgieters bij elkaar gehaald, en de producten van zijn ijzersmelterij werden bijna zo beroemd als die van Birmingham. Voor zijn hoogovens had Roebuck kolen nodig en daarom had hij mijnen gekocht. Maar aan deze mijnen ontbrak weer een goede ontwateringsinstallatie.
Black schreef aan Roebuck. De stichter van de Carronmaatschappij zag onmiddellijk de mogelijkheden en richtte een brief aan Watt, waarin hij hem, met alle felheid waarover hij beschikte, ertoe aanspoorde, de machine zo gauw mogelijk klaar te maken. Roebuck zag al, hoe Schotland door die machine zou groeien. Watt antwoordde, dat hij moeilijkheden had met de cilinder. Roebuck vroeg om gedetailleerde tekeningen en toen probeerden de beste smeden en gieters van de Carronfabriek een zuiger en een cilinder precies zo te maken als Watt ze wilde hebben. De poging mislukte. Toen Watt het werkstuk zag, vond hij zijn plaatijzeren cilinder toch nog beter.
Dr. Roebuck was een man. die snel warm kon lopen voor een idee.
Daarenboven beschikte hij over het zeldzame vermogen, zijn geestdrift fris te houden. Toen James Watt door de mislukte cilinder van de Carronfabriek teleurgesteld en terneergeslagen was, monterde Roebuck hem weer op en stelde voor, hem en zijn werk zolang te financieren totdat de machine compleet zou zijn, zoals Watt ze hebben wilde.
Roebuck’s echtgenote zei later, dat Watt wel zijn eigen uitvinding zou hebben laten schieten, als Roebuck met zijn optimisme er niet geweest was. Daar zal wel veel waars in schuilen. Watt was lang niet meer zo van zichzelf overtuigd als eerst. Hij had zijn zaak eraan gegeven en de gedachte voor een ijdele plannenmaker gehouden te worden, drukte hem toch wel heel erg.
Tenslotte nam Watt het aanbod van Roebuck aan, maar hij maakte een beperking. Roebuck zou de proeven en de kosten voor het patent betalen, zijn levensonderhoud echter wilde Watt alleen verdienen. De grootmoedige Roebuck was te fijngevoelig om verder bij Watt aan te dringen en liet de stijfkop maar lopen, nadat hij een overeenkomst met hem was aangegaan, volgens welke hij alle kosten voor de machine op zich zou nemen en daarvoor voor twee-derden in de winst zou delen. Dat de machine geld zou opleveren, daar viel in de eerste tijd niet aan te denken. Roebuck was dus besloten, een zaak te financieren, die hij aanvankelijk voor een stokpaardje moest houden.
James Watt trok het land door en nam werk aan, waar hij het krijgen kon. Hij bouwde de Clydebrug bij Hamilton, bouwde kranen en haveninstallaties en verhuurde zich tenslotte als landmeter voor een jaarloon van tachtig pond. Langzaamaan verbeterden zich zijn omstandigheden. Hij slaagde erin, aandeelhouder in een kleine pottenbakkerij te worden en toen hij werk voor het Monklandkanaal aannam, waar hij de leiding had van honderd arbeiders, verdiende hij vierhonderd pond per jaar. Die pret duurde niet lang, want het werk aan het kanaal stokte. Watt werd ontslagen en moest tenslotte onder slechtere voorwaarden opmetingsarbeid verrichten bij de aanleg van het Kaledonische kanaal.
Terwijl hij ver van zijn gezin, in regen en mist en sneeuw en storm rondtrok, werkte men aan de Carronrivier verder aan de machine en telkens, als Watt maar even kon, bracht hij een vrije dag door bij Roebuck. Zij werkten samen aan de machine en dan haastte hij zich weer naar zijn waterpasinstrumenten terug en leefde een ellendig leventje, daar hij van zichzelf moest bekennen, dat hij nog liever voor een geladen kanon ging staan, dan een rekening op te zetten of een overeenkomst te sluiten, die hem verantwoordelijk maakte.
De ware ijzerman verschijnt
Intussen was er een nieuwe man komen opduiken, die voor het leven van Watt en voor de completering van de stoommachine van de allergrootste betekenis werd. Het was Matthew Boulton, een Engelsman uit Birmingham, een ijzerman in iedere betekenis van het woord. De Boultons waren in Birmingham, het vaderland der beroemde smeden en metaalgieters, zeer vooraanstaande mensen.
In Birmingham waren er al in de vijftiende en zestiende eeuw vermaarde messenmakers en metaalgieters geweest en hun traditie had zich in de zonen en nazaten voortgezet tot in de jongste tijd. Nergens waren betere ijzerdeskundigen te vinden en Matthew Boulton was de beste van allemaal. Zijn vader had een fabriek van metaalwaren bezeten, waarin hij als deelgenoot werd opgenomen toen hij nog maar zeventien jaar was, daar hij zijn vader bewezen had, dat zijn nieuwe inzichten in de fabricatie van horlogekettingen beter waren dan de oude methoden. Toen zijn vader stierf erfde Boulton een groot vermogen en trouwde hij met een rijke dame. Hij had niet meer behoeven te werken, maar het ijzerduiveltje liet hem niet met rust.
Boulton breidde allereerst de fabriek van zijn vader verder uit en zag toen in dat de uitbreidingsmogelijkheden daarmee ook uitgeput waren. Hij kocht het landgoed Soho, twee mijlen van Birmingham verwijderd en richtte daar een ijzerfabriek op die haar gelijke niet had. Achthonderd arbeiders waren bij Boulton aan het werk en twee waterraderen draaiden de walsen, poleerschijven en slijpstenen. Boulton maakte kunstwerken en de Sohofabrieken werden door hun kwaliteit en fraaiheid wijd en zijd beroemd. Hoe groter de fabriek echter werd, des te ontoereikender werd de waterkracht. Boulton zocht naar een stoommachine. Hij zelf had wel een idee, hoe een dergelijke machine moest werken en hij schreef daar ook over naar Benjamin Franklin. Maar overigens bleef hij ijverig rondkijken en toen hij hoorde, dat Dr. Roebuck in de Carron-fabrieken aan een machine bezig was, vroeg hij schriftelijk om inlichtingen daarover en kreeg toen de naam van James Watt te horen.
Van dat ogenblik af kenden Watt en Boulton elkaar. Zij correspondeerden. Maar hun poging om elkaar persoonlijk te leren kennen mislukte. Watt maakte een reis naar Soho. Boulton was juist afwezig, maar Dr. Small, een dokter die zich in Birmingham gevestigd en grote faam verworven had, een vriend van Boulton was en later ook met Watt in hartelijke relatie stond, liet de landmeter de beroemde ijzerfabriek zien. Watt viel van de ene verrukking in de andere. Hier zag hij eindelijk de geschikte smeden, waar hij zo naar verlangde, de wonderbaarlijke boormachines en alle hulpmiddelen waar men in de Carronfabrieken niet over beschikte. Toen Watt en Boulton elkaar eindelijk leerden kennen, kregen zij van stonde af aan een diepe sympathie voor elkaar en bleven van dat ogenblik af hun hele leven lang in nauw contact met elkaar.
Met Roebuck liep het slecht af. Wel had hij het patent voor de stoommachine in 1769 doorgezet en de patentakte, die James Watt daarvoor had opgesteld, wordt ook thans nog door iedere ingenieur met bewondering gelezen, omdat zij alle toepassingsmogelijkheden van de stoom vooruitzag en ook de hogedrukstoommachine omvatte en de uitzettingskracht van de stoom.
Die patentakte echter, met haar rijke, financiële mogelijkheden, was voor Roebuck dood kapitaal. Dat zou zo erg nog niet geweest zijn en hij zou het werk aan de machine ook verder financieel hebben gesteund als andere ondernemingen en telkens nieuwe stichtingen hem niet zo diep in de schulden gebracht hadden, dat hij tenslotte failliet ging. De geldzorgen van Roebuck maakten de zenuwachtige Watt hoe langer hoe melancholieker. Hij probeerde zich door arbeid uit zijn neerslachtigheid te redden en vond daarbij onder meer de kopieerpers uit. Maar het werd niet beter met hem en in de herfst van 1773, toen hij drie dagen lang door de regen had rondgelopen, kreeg hij ook nog bericht dat zijn vrouw was overleden.
Watt haastte zich naar huis, begroef zijn vrouw en bracht zijn kinderen bij familie. Toen hij vierendertig jaar werd, had hij geschreven : « Vandaag treed ik mijn vijfendertigste jaar binnen en ben voor de wereld nog voor geen vijfendertig cent van nut geweest. » Dat was in 1770 geweest. In 1773 stierf zijn vrouw en Roebuck ging failliet. Watt bleef nog een jaar bij de geruïneerde ondernemer. Boulton had Roebuck vierentwintighonderd pond geleend. Hij gaf de uitgeschakelde man er nog tweeduizend bij en nam als tegenwaarde daarvoor de rechten van Roebuck in de patenten van Watt.
Boulton schreef aan Watt, dat hij geen overdreven verwachtingen van de machine koesterde, maar aangezien hij als oud ijzerdeskundige geoefend was in de kunst van het experiment, wilde hij haar wel op haar « goudgehalte » onderzoeken. « Zij is nu een schaduw, alleen maar een idee, en het zal tijd en geld kosten, om er iets van te maken. »
Watt in het Lagerhuis
In het midden van 1774 verhuisde Watt naar Birmingham en de beide mannen, geholpen door Dr. Small die zij om raad vroegen, bestudeerden alles nog eens nauwkeurig en kwamen tot de overtuiging, dat de enige man, die de cilinder voor de machine kon gieten, John Wilkinson in Bersham was. Deze beroemde ijzergieter stond ook als constructeur van grote boormachines bekend. Het werk van Wilkinson was echter niet goedkoop en alvorens Boulton nieuw kapitaal stak in een onderneming, die hem al meer dan vierduizend pond gekost had, wilde hij gedaan krijgen, dat de patenttermijn, die op veertien jaar gesteld was, verlengd zou worden. Zes van de veertien jaren waren al verlopen, en daarom reisde Watt in het voorjaar van 1775, voorzien van wijze raadgevingen van Small en met geld van Boulton, naar Londen. Watt diende een verzoekschrift in voor de verlenging van zijn patent tot 1800 en werd op 28 februari 1775 in het Lagerhuis ontboden om zijn verzoek voor de afgevaardigden te motiveren. Voor politici had hij evenveel schrik als voor kooplieden. Hij noemde hen trage geesten. Maar het lukte hem toch hen voor zich te winnen. Tegen het verzoekschrift van Watt was door de vertegenwoordigers der mijneigenaren een heftig protest ingediend. Zij verklaarden de verlenging van het patent voor een monopolie en verlangden de spoedige vrijgave van de uitvinding. Watt zette in zijn antwoord de moeilijkheden uiteen, die hij moest overwinnen, en dat hij voor alle moeite, die hij tot nu toe voor het algemeen welzijn had gedaan, geen dank zou krijgen als men zijn patent niet verlengde. Het parlement stond hem daarop patentbescherming toe tot het jaar 1800. Doodgelukkig keerde Watt naar Birmingham terug en Boulton ontving hem met de treurige mededeling, dat Dr. Small gestorven was.
Wilkinson in Bersham verklaarde zich bereid, de cilinder voor de machine te gieten, als de firma Boulton en Watt de eerste machine voor hem zouden bouwen. Hij had een machine nodig voor de blaasbalgen die zijn hoogoven van lucht voorzagen. Boulton en Watt werden het met Wilkinson eens en de ijzergieter goot een cilinder van achttien duim, die alles overtrof wat er tot dan toe ooit aan cilinders gemaakt was. Hij boorde hem met een apart daarvoor geconstrueerde machine uit. In 1776 kwam de cilinder klaar en de eerste stoommachine kon gebouwd worden. Zij werkte zo wonderbaarlijk, dat de roem van de firma Boulton en Watt in midden-Engeland hecht gevestigd was. De machine voor Wilkinson was een zo krachtige propaganda, dat Boulton en Watt de bestellingen nauwelijks afkonden, die van alle kanten, van mijneigenaren en smelterijen binnenkwamen.
In Londen werd de triomftocht der machine een halt toegeroepen. Het ingenieursgenootschap in Holborn, waarvan de beroemde Smeaton de leider was, zei, dat er geen werktuigen en geen arbeiders waren, die in staat zouden zijn het gecompliceerde mechanisme der machine van Watt te bouwen en te bedienen.
Boulton beantwoordde deze woorden met de daad. Hij spoorde Watt aan in een Londense jeneverstokerij een stoommachine op te stellen en die machine werkte zo goed, dat Smeaton zijn tegenstand opgaf en voor het vervolg een vriend van Watt en Boulton werd.
Dit was de stoommachine:
De machine, vergeleken met het eerste proefmodel, was al zeer volmaakt. Watt had al gauw ontdekt, dat de buitenlucht, die op de zuiger drukte, de cilinder nog altijd teveel afkoelde en was er daarom toe overgegaan, de cilinder aan de bovenkant af te sluiten. Daarvoor werd een pakkingbus gebruikt, door welker bovenste opening de zuigerstang heen en weer kon bewegen. De buitenlucht kwam nu helemaal niet meer met de zuiger in aanraking. Niet meer de atmosfeer drukte de zuiger omlaag, maar de stoom, die Watt met een kracht van anderhalve atmosfeer van boven af in de cilinder liet stromen op het ogenblik dat zich onder de zuiger het vacuüm gevormd had. Door deze verbetering was de oude « Newcomen-vuur-en-lucht-machine » voorgoed tot een stoommachine geworden, want thans deed de kracht van de stoom, wat tot nu toe bij de atmosferische machine de lucht gedaan had.
Dit is de grote daad van dat ogenblik : de stoom werd niet alleen gebruikt om het luchtledig te vormen, maar ook voor de beweging van de zuiger. De precieze benaming van de machine luidt: « Watt’s enkelvoudig werkende stoommachine». De enkelvoudig werkende stoommachine tot een dubbele te maken vereiste slechts een stap. Er hoefde niets anders te gebeuren, dan ook de bovenste cilinderruimte op de condensator aan te sluiten, om zo afwisselend het luchtledig boven of onder de zuiger te veroorzaken. Later isoleerde Watt de cilinder niet meer tegen koude lucht met een houten mantel. Hij legde om iedere cilinder een mantel van plaatijzer. Tussen de ijzeren mantel en de cilinder bevond zich stoom.
Deze verbeteringen lijken heel eenvoudig, maar in werkelijkheid waren zij zeer moeilijk. De zuiger trok de balans omlaag. Naar boven stoten kon hij ze niet, omdat de verbinding tussen de balans en de zuigerstang een ketting was. De slappe ketting kon de stoot van de zuiger niet op de balans overdragen. De zuigerstang direct met de balans verbinden ging niet omdat de zuigerstang dan al bij de eerste stoot zou zijn gebroken. De zuigerstang gaat immers recht naar boven. Ieder punt van de balans echter beschrijft een cirkelboog. Er moest dus een schakel tussen de zuigerstang en de balans gevonden worden, die de rechte stoot van de stang op de balans zou kunnen overbrengen. Watt vond die schakel later. Het was zijn parallellogram.
Voorlopig echter voldeed de enkelvoudig werkende stoommachine aan alle eisen. In deze eerste vorm werd zij de redster van de mijnen in Cornwall. Deze eerste machines waren het, die men de « IJzeren Engelen » noemde of de « Zwarte Duivels ». Watt verbleef jaren achtereen in het mijndistrict van Cornwall, waar hij de ene machine na de andere bouwde, waar hij en zijn monteurs voortdurend tegen de vijandschap van de arbeiders hadden te vechten en waar hij gedurende de nachten dat hij niet door hoofdpijn geplaagd werd, de ene verbetering na de andere bedacht.
Toen kwam er een smid bij Boulton en Watt. Hij heette William Murdock. De firma stelde hem in dienst omdat hij « een hoed vol eigen ideeën » meebracht. Van eenvoudig arbeider werd Murdock tot eerste ingenieur en bedrijfsleider van de machinefabriek Boulton en Watt. Murdock is de man, die de eerste locomotief gebouwd heeft, die het planetenraderwerk uitvond en die ook een der eersten was die het gas voor verlichtingsdoeleinden gebruikte. Toen hij dood was werd hij naast Watt en Boulton in de kerk van Handworth bijgezet. Murdock, een reus van gestalte, was de zoon van een molenbouwer; hij had een gelijkmoedig temperament en bezat grote geestelijke gaven. Hij trad met een weekloon van vijftien shilling bij de firma in dienst, had jarenlang ondanks zijn grote prestaties slechts een weekloon van een pond en kwam toen, zodra hij bedrijfsleider van de machinefabriek werd, en zevenhonderd arbeiders onder zich had, tot een vast inkomen van duizend pond per jaar. Het is moeilijk te overzien, hoe Boulton en Watt in het mijndistrict van Cornwall alle moeilijkheden onder de knie gekregen zouden hebben als Murdock er niet geweest was. Waar de nieuwe machine in bedrijf gesteld werd, ontstonden er opstootjes, bestormingen en vechtpartijen. De « ijzeren Murdock » joeg alle aanvallers echter op de vlucht en tenslotte had hij een afrossysteem bedacht, dat tegelijk met de in bedrijfstelling van de machine werd toegepast.
Waar de boden van de nieuwe tijd, de machinebouwers van de firma Boulton en Watt, tegenstand ontmoetten, daar trad William Murdock naar voren en verklaarde, dat hij bereid was, met de sterkste onder de machinebestormers een partijtje te boksen gedurende zoveel ronden als men maar hebben wilde. Aan een dergelijk voorstel kan geen Engelsman weerstaan, ook als hij een machinebestormer is. Murdock bokste en won altijd. Meestal was één partij voldoende, maar af en toe moest hij drie- tot viermaal optreden, omdat er altijd nog waren, die de machine of Murdock te lijf wilden.
Murdock ging helemaal in de machine op. Als de andere machinebouwers, trots op het feit dat zij bij de beroemde firma Boulton en Watt werkten, zich in de herbergen verzamelden en in een bodemloze roes vielen, zat Murdock peinzend voor de machine. Op zekere nacht, toen hij vroeger was gaan slapen, klonk er een hevig kabaal uit zijn kamer en toen zijn vrienden gingen kijken om te zien wat er aan de hand was, lag Murdock slapend, maar hardop pratend op de grond. Hij was uit het bed gevallen en riep : « Jongens, de machine loopt! Ze loopt -! »
De mijnwerkers waren de vijanden van de machine. De ondernemers waren de vrienden van de ijzeren engelen, maar hun vriendschap was zeer eenzijdig. Zij bestelden de machine in massa, maar zij betaalden ze niet graag. Watt moest alle mogelijke listen verzinnen om aan geld te komen. De ondernemers zeiden, dat zij wegens hun schulden geen liquide middelen hadden en Watt stelde hun voor de machines met kolen te betalen. Daar verklaarden zij zich mee akkoord en Watt kwam met hen overeen, dat hij een derde van alle kolen zou krijgen, die zijn machines minder verbruikten dan de oude Newcomenmachines. Maar toen de mijneigenaren zagen, welke
geweldige kolenbergen zich ten gunste van Watt ophoopten kregen zij er weer genoeg van.
Hoe Watt met zijn machines de kolenproductie heeft doen toenemen, moge een getal aantonen. De machine haalde zoveel water uit de mijn, dat de schachten van de mijnen in Cornwall binnen korte tijd zes en dertig meter dieper konden aangelegd worden.
De geschiedenis van het ijzer
Wij laatgeboren kinderen van het technische tijdperk aanvaarden ijzer als iets vanzelfsprekends. Voor ons is een ijzeren brug iets heel gewoons en dat heel de aardbol met talloze ringen van spoorrails helemaal als het ware omsmeed is, lijkt ons nauwelijks het opmerken waard. De geweldige hangbruggen, die rivieren en zee-inhammen overspannen en die men vijftig (in 2014 honderd) jaar geleden nog als wereldwonderen beschouwde, zijn voor ons alledaagsheden geworden. Dat men schepen niet meer van hout, maar helemaal van ijzer maakt, dat de skeletten van onze huizen van ijzer zijn, dat men zelfs metselstenen van ijzer maakt, dat er overal ijzer is, waar wij ook kijken, vinden wij zo natuurlijk alsof het altijd zo geweest is.
Dat een Assyrische koning tweeduizendvijfhonderd jaar geleden een ijzerschat bewaarde, die hem kostbaarder voorkwam dan alle goud, lijkt ons onbegrijpelijk. Wij kunnen haast niet geloven, dat de held der Griekse sage Achilles om een klomp ijzer van veertig pond een andere held versloeg en toen juichte, omdat hij en de zijnen, herders en ploegers, nu zoveel ijzer hadden, dat zij vijf jaar lang niet meer naar de stad hoefden te gaan. Iedere ploegschaar, iedere lanspunt van ijzer was een kostbaarheid. En toen Alexander de Grote temidden van zijn met bronzen wapens uitgeruste krijgers zich opmaakte voor zijn tocht naar het Morgenland, droeg hij, de Koning, als enige een stalen helm. Alle anderen hadden slechts een helm van brons.
Wat het ijzer eens betekend heeft, kunnen wij misschien opmaken uit die regel van Homerus, waar de grijsaard zijn zoon, voordat het feestmaal der soldaten begint, het bevel geeft, de wapens van de muur te nemen : « Want ijzer trekt mannen aan ! »
Het ijzer trekt de man niet alleen aan, omdat men er de beste wapens uit maken kan, maar omdat er een geheimzinnige macht in schuilt. Al onze betekenissen voor ijzer en erts zijn terug te brengen tot het sanskriet-woord « Ayas ». Het betekent : het lichtende. Ayas heeft zich gesplitst in isen, eisarn, iron, jarn, hierro, ferrum en fer, dat zijn woorden voor ijzer, en in éren en ehern, wat hetzelfde betekent als eer.
De Indiërs hadden het al in de oudste tijden zo ver gebracht in de smeedkunst, dat zij in de vierde eeuw na Christus ter ere van
Tsjan-dragoepta II een smeedijzeren zuil van veertig centimeter doorsnee en zeven en een kwart meter hoogte oprichtten. Die zuil staat er nu nog en tot het begin van de negentiende eeuw beschouwden de mensen haar als de grootste merkwaardigheid. De zuil, die in Delhi staat en de Koetoebzuil genoemd wordt, weegt honderdtwintig centenaar en tot de Parijse wereldtentoonstelling van 1855 gold zij als het grootste ijzerblok ter wereld. Op de wereldtentoonstelling vertoonde de staalgieterij uit Bochum echter twee staalblokken van elk honderdvijftig centenaar en in 1861 verblufte Alfred Krupp de hele wereld door het feit, dat hij voor het smeden van zijn zware blokken gietstaal de stoomhamer « Fritz » gebruikte, die duizend centenaar woog. Vier jaren later waren er in Engeland en Amerika al stoomhamers van tweeduizend centenaar en in 1891 hadden de Bethlehemstaalwerken een smeedhamer van tweeduizendvijfhonderd centenaar. Het aambeeld daarvoor woog bijna vijftigduizend centenaar. Dat was de grootste hamer van de wereld. Na enkele jaren werd hij buiten
gebruik gesteld, omdat hij op slechte fundamenten stond en men ingezien had, dat smeedpersen dezelfde dienst deden als de stoomhamers en de grote aambeelden hoofdzakelijk ontstaan waren om de mensen te bewijzen hoe rijk de negentiende eeuw aan ijzer was.
In de Zuidzee en in Afrika wordt de bereiding van ijzer tegenwoordig nog als toverij beschouwd. Op vele plaatsen moeten degenen die ijzer bereiden zich onthouden van al wat onrein is. Zij moeten heilig en in onthouding leven als priesters, en dat het in de oudheid eveneens zo geweest is bewijst Isaias 44, vers 12 : « De smid neemt zijn gereedschap en maakt het vuur gereed. Met hamers geeft hij het beeld zijn vorm en werkt eraan met krachtige arm. Maar hij lijdt honger en raakt uitgeput, en drinkt ook geen water, al versmacht hij van dorst. »
Kettingen rond de kerken
De oude opvattingen over de heiligheid van het ijzer hebben zich ook in de christelijke godsdienst tot in de achttiende eeuw gehandhaafd. De katholieke kerk heeft een heilige, aan wie ijzer geofferd werd en waar er nu in de kerken van deze ijzerheilige teveel ijzer opgehoopt werd, lieten de priesters er kettingen van maken en die grote kettingen op stenen blokken om de kerk heen trekken. Zo vinden wij ook tegenwoordig nog veel kerken met ijzeren kettingen omgord en weten niet meer waar dat vandaan komt. IJzer omgeeft ons in overvloed en de gedachte dat de ijzerenring om de kerken heen de Boze zou hebben kunnen afschrikken komt ons onbegrijpelijk en als uit lang vervlogen tijden voor.
De voorname Spartanen en de vrije Romeinen droegen als teken van hun onafhankelijkheid ijzeren vingerringen. De wapens waar de Romeinen de hele wereld mee onderworpen hebben, de werpspietsen met de lange ijzeren punt, hebben zij aan de Etruskers te danken. De Etruskers waren al vroeg op de hoogte van de bereiding van ijzer. Met hen oefenden de Galliërs zich in de smeedkunst. Zolang de Romeinen aan het ijzer hebben vastgehouden, bleven zij machtig. Maar toen zij hun ijzeren vingerringen voor gouden ringen verwisselden, begon hun val. Brennus veroverde Rome en lachend wierp hij het zware ijzeren zwaard der Galliërs in de weegschaal; zo bepaalde het ijzer de hoeveelheid goud die er moest worden opgeleverd.
De Grieken hadden in hun sagen de smid Hephaestus of Vulcanus onder de goden opgenomen. Hij was gespierd en had een geweldig behaarde borst, maar dunne benen en een hoge rug. Bij de Germanen heet Hephaestus « Wieland ». Hij is een dwerg en smeedt het zwaard Mimung. Wieland heeft met de smid Aemilias gewed, dat Mimung de ijzeren wapenrusting van Aemilias glad zal doorsnijden. Voordat dit beproefd wordt, probeert Wieland zijn zwaard nog eens. Hij wil zien of het ook wol, die op de rivier drijft, glad kan doorsnijden. Dan zet hij de vijl op het zwaard, omdat de scherpte hem niet voldoet, hij vijlt het zwaard helemaal op, kneedt de spanen met meel en melk ondereen en geeft het deeg aan de mestvogels te eten. Van de mest smeedt hij een nieuw zwaard, vijlt het nogmaals op en geeft het andermaal aan de vogels te eten. Dan smeedt hij Mimung voor de derde keer, gaat achter Aemilias staan, legt heel zachtjes het zwaard op diens helm en snijdt helm, man en harnas netjes in twee helften. Aemilias merkt er intussen niets van. Hij heeft alleen het gevoel alsof er koud water over zijn lijf loopt. Maar als hij zich dan even beweegt valt hij in twee stukken.
In zijn « Geschiedenis van het IJzer » vertelt Otto Johannsen, dat ook de Arabische zwaardensmeden uit de Middeleeuwen zulke kunstjes kenden als Wieland en dat de smid het opgevijlde zwaard door de ganzen liet opeten, opdat het maagzuur de zachte delen van het ijzer zou vernietigen en alleen het beste staal zou overblijven.
Het ijzer was in die oude tijden zo kostbaar, omdat het erg moeilijk was, ijzer te maken. De heiligheid ervan valt af te leiden van de meteoorstenen. De mens zag het stuk van een ster uit de hemel op de aarde vallen en als hij die groet van de goden nader ging bekijken, zag hij dat er ijzer uit de hemel was gevallen. De meteoorstenen waren de enige grote stukken ijzer, die de mens kende. Zuiver ijzer vindt men zelden in de grond en waar de mens het in kleine stukken aantrof, bemerkte hij de verwantschap van het metaal met het uit de hemel gevallen erts en vereerde het als iets goddelijks. De Egyptenaren hebben in hun schilderwerken het ijzer altijd blauw voorgesteld. Blauw is de kleur van de hemel.
Als de mens ijzer wilde hebben, moest hij de ertshoudende stenen smelten. In het vuur en onder de hamer moest hij het ijzer van de slakken bevrijden. Daarom bouwde men ook hutten met ovens erin. die alleen dienden voor de ijzerbereiding. Maar welk een verschil ligt er tussen onze hoogovens en de ijzerhutten uit de oudheid, die er waarschijnlijk zo hebben uitgezien als die welke nu nog in de Zuidzee en in Afrika voorkomen.
Reeds vroeg zag de mens in, dat het niet goed is, steenkool en ijzererts samen te brengen of het ijzer met houtvuur te smelten. De zwavelgassen maakten het ijzer bros. Zo kwam men op de idee, het hout eerst in stapels te verkolen en dan de houtskool met het ijzererts in een oven te doen. Het houtskoolvuur moet worden aangeblazen om een hoge graad van warmte te verkrijgen. IJzer heeft een hoger smeltpunt dan koper.
De long als blaasbalg
De eerste blaasbalg was de menselijke long. De mens blies het vuur aan door een buis en later kwam men op de gedachte, dat een leren zak de lucht kan vasthouden. De leren zakken werden dan met de voeten betreden en wel afwisselend zo, dat zij eerst lucht inzogen en dan uitbliezen. Met zulke blaasbalgen hebben de Egyptenaren eeuwenlang gewerkt.
Waar men zich met de natuurlijke trek van het vuur behelpen moet, omdat er geen blaasbalgen zijn, daar wordt het ijzer niet zo goed. Men moet het, om de weke delen van het begeerde staal te scheiden, in de grond begraven en wachten totdat al het weke er uit geroest is. Dit langdurige, maar zekere proces hebben de Japanners gevolgd. Wie gauwer aan ijzer wilde komen, moest het met hameren reinigen. Daartoe neemt men de met kolen en slakken vermengde ijzermassa uit de afgekoelde oven, verhit de massa in een smidsvuur en slaat er zo lang met de hamers op totdat het onzuivere verdreven en het brosse vast geworden is.
Van deze primitieve techniek der ijzerwinning hebben de oude volkeren een hoogstaande en geheimzinnige kunst gemaakt, en thans nog leggen de negersmeden amuletten onder het aambeeld en rond de ijzeroven. Ondanks alle moeite en alle kunst, alle bezweringen en toverformules ten spijt, kon men toch maar weinig ijzer maken. Als de oven vierentwintig uren gebrand had, kwam er eindelijk een stuk ijzer uit, niet groter dan een suikerbiet.
Bezielde zwaarden
Doordat het ijzer zeldzaam was en moeilijk te vervaardigen, kwam het dat de mensen de smeden onder de goden plaatsten en het zwaard voor heiliger hielden dan de held. Wie ijzer bezat, kon andere mensen onderwerpen. Hij kon hen dwingen voor hem te werken. Met het hemelse ijzer echter, met het heldere, stralende Ayas kon de mens ook Satan tegemoettreden en al die afschuwelijke hellemonsters overwinnen, die de weg van de mens met hun giftige adem versperren en verpesten. Zo gaat Siegfried, de held, naar Mime, de smid ; de smid leert hem een zwaard te maken. Doordat hij een smid wordt, beter dan alle anderen, kan Siegfried een held zijn, groter dan alle anderen. Met het zwaard Nothung in de vuist, treedt Siegfried op de draak toe en velt hem.
De Franken vochten met slagbijlen, die zij « Franziska » noemden, de Saksers met een mes, dat « de Sakser » heette. De sakser werd in de strijd geworpen en de oude liederen verhalen ervan, hoe de vliegende messen de held de lokken van het hoofd maaiden. Het lievelingswapen der Germanen was echter het lange zwaard, Wieland’s « Mimung », Siegmund’s « Gram », die het aambeeld van Regin deed splijten, « Nothung » waarmee Siegfried de draak versloeg,
« Nagelin » van Beowulf en « Dürnhardt» waarmee Roland de rotsen van de Pyreneeën kliefde. Deze zwaarden waren niet levenloos, maar het waren door God bezielde wezens en werkelijk konden die wapens voor heilig gehouden worden, daar alleen de voornamen ze bezaten en wijl alleen de vorsten lange zwaarden mochten dragen.
De onvrije mocht geen ijzeren wapens hebben en Karel de Grote zwaaide de machtigste klink die er ooit bestaan heeft. Het lemmet was negentig centimeter lang en een griezelige sage vertelt, dat de keizer er het lichaam van de gevangenen mee mat en iedereen liet onthoofden, die van aan de heup tot de schedel langer was dan het zwaard.
Eerst kanonnen, dan machines
Zo heersten de groten dus over de kleinen met het ijzer en hun heerschappij werd pas gebroken toen er meer ijzer kwam. De waterraderen en het kruit hebben de geschiedenis van het ijzer een nieuwe prikkel en een andere wending gegeven. Met de molens, met de kracht van het water en van de wind, konden grotere blaasbalgen bewogen worden dan met de zwakke kracht van de mens. De grotere blaasbalgen wakkerden de houtskool tot grotere gloed aan. Men kon grotere ovens bouwen, « hoogovens » noemde men ze en de grotere hitte daarin leverde beter ijzer op. Het betere ijzer werd met de ontploffingskracht van het kruit over grote afstanden weggeslingerd. « De eerste kanonnen », zegt Conrad Matschoss, « schoten het saluut in van een nieuwe tijd. » Het kanon ruimde meteen de vele kleine heren op, die het leven der mensen onderdrukten, de wolven vraten elkaar op en alleen de sterksten bleven over. Zo werden de verhoudingen eenvoudiger. Achter de kruitdampen vernevelden de blinkende wapenrustingen van de ridders, hun burchten stortten ineen en de zwaarden roestten in de handen der dode heersers.
Wat vroeger het zwaard geweest was, dat werd tot een nieuwe god omgesmeed. Het gedreun der schilden en het gerinkel der wapens werd overstemd door het machtiger geluid der kanonnen en wie de meeste bezat, die bezat het recht en de ware godsdienst. Zoals in Europa de macht van de ridderschap voor de macht van de kanonnen ineenstortte, zo stortte voor de Europese kanonnen ook de heerschappij der gekleurde volkeren over het Morgenland ineen.
De Mohammedanen waren uitgetrokken met de zeven zwaarden van de profeet, om Azië aan zich te onderwerpen. Met hun stalen sabels kliefden de Khans de buiken van de Boeddhabeelden open en lieten goud en edelstenen uit het lichaam der goden rollen. Hoe beter wapenen de Mohammedanen smeedden, des te hopelozer werd de strijd der boeddhisten om hun vrijheid. De uiteindelijke overwinning der Moslems scheen reeds zeker, toen de Engelse kanonnen in Indië hun stem verhieven en alle andere strijders het zwijgen oplegden.
De Europese volkeren waren niet de enige, die grote smeltovens bouwden en in die smeltovens door blaasbalgen grote hitte konden verwekken. Ook de Chinezen bezaten hoogovens en ook het kruit hadden zij uitgevonden. Zij hadden het ijzer echter alleen nodig voor de ouderwetse, kinderlijke behoeften; zij maakten er sieraden van, zwaarden en ploegscharen en het kruit gebruikten zij om er kleurig vuurwerk van te maken.
De Europeanen echter goten kanonskogels van het ijzer dat uit hun hoogovens stroomde en gebruikten het buskruit om die kogels door de lucht te slingeren. In zijn verzameling Duitse spreekwoorden zegt Johann Agricola in 1528 : « De grote vesting diende tegen het geweld: bergkastelen, muren en stenen torens. Toen werden er buksen en gruwelijk geschut uitgevonden om de grote vestingen te kunnen vernielen. Nu maakt men bolwerken en grachten, zodat de buksen geen schade meer kunnen doen. Maar spoedig zal er wel weer een kunst komen, waardoor men ook de bolwerken kan vernietigen, opdat het spreekwoord bewaarheid worde, dat zegt: Wat mensenhanden maken, dat kunnen mensenhanden ook weer vernietigen. »
Het ijzer scheen zijn vroegere heiligheid verloren te hebben. Met de vloek kwam echter ook nieuwe zegen. De heren van de kanonnen moesten op hun hoede zijn, dat andere heren geen betere kanonnen maakten en met die kanonnen hun heerschappij zouden stukschieten. Daarom richtten de vorsten werkplaatsen voor de kanonnenbouw op. « De eerste werkplaatsen voor geschut », zegt Matschoss, « werden scholen voor de machinebouw. Hier leerde men voor het eerst in grotere omvang metalen te bewerken. In de boormolens van de kanonnenfabrieken stonden de eerste machines voor metaalbewerking; van daar uit werd die kunst vaak op stoommachines overgebracht. »
Het was een ijzergieter, John Wilkinson, die de eerste bruikbare stoommachine-cilinder goot. Wilkinson zou hem niet hebben kunnen gieten en boren, als hij van te voren niet eerst kanonnenlopen gegoten en geboord had en zich bij het smeden van wapens niet de grote kunst eigen had gemaakt, die thans de stoommachine ten goede kwam.
De eerste stoommachine dreef het blaasbalgwerk van een hoogoven aan. Wat vroeger het waterrad gedaan had, deed thans de stoom, en de stoom deed de balgen zo machtig bewegen, hij joeg de temperaturen zo hoog op, dat men niet alleen er toe kon overgaan, ook gietstaal naast gietijzer te bereiden, maar ook de steenkolen te veranderen in cokes en met deze cokes de hoogovens te stoken.
De stoommachines van Watt hadden, zoals we reeds zeiden, de mogelijkheid geschapen, de schachten der mijnen na korte tijd zesendertig meter dieper te graven. Binnen enkele jaren dus kon Engeland zijn kolen en ertsproductie vermeerderen met alles wat vroegere tijden sinds de grauwe dagen der sage via de mijnbouw der Romeinen tot in de achttiende eeuw aan kolen en erts opgeleverd hadden. Daardoor was Engeland in een paar jaren tijds rijker aan erts en kolen als alle andere volken der aarde. Deze snel gegroeide rijkdom heeft Brittannië een overheersende positie over alle andere naties der wereld verleend. Die overheersende positie werd het uitgangspunt van wat wij de industriële revolutie noemen en wat het aanschijn der aarde in de laatste honderdvijftig jaren zo fundamenteel heeft veranderd.
« Niet de ideeën der Encyclopaedisten », zo heet het in de « Geschiedenis van het ijzer », « hebben de Franse Revolutie veroorzaakt, want zij waren niet de oorzaak, maar werktuigen van de ineenstorting. De materiële zorg die op Frankrijk drukte, sinds Engeland de wereldmarkt door de uitvinding der mijntechniek en van de stoommachine beheerste, heeft Frankrijk de revolutie ingedreven. Niets heeft meer het ontstaan van grote eenheidsstaten in de hand gewerkt als de verbetering van het verkeer door de invoering van de spoorweg en thans is de wereldoorlog alleen maar een oorlog van de techniek geweest en gewonnen hebben de volkeren, die de rijkste technische middelen tot hun beschikking hadden. »
*
Angst voor gijzeling
De pogingen van de mijneigenaars in Cornwall om zich van het betalen der stoommachines van Watt af te maken, brachten Boulton en Watt in de grootste verlegenheid. Binnen enkele jaren drukte er op de machinefabriek een schuldenlast van bijna een miljoen, en daarbij deden zich nog andere teleurstellingen voor. Boulton twijfelde er niet aan, dat de mijneigenaren op zekere dag zouden moeten betalen en dat men hen, als het anders niet ging, door de staat kon laten dwingen. De tijd echter, die er verstreek vooraleer men zijn geld zou krijgen, moest Watt niet ongebruikt laten verstrijken.
Boulton drong er bij zijn vennoot op aan, een stoommachine met een draaiende beweging te maken. De gebruiksmogelijkheden van de op trekken berekende machine waren beperkt en pas als de stoom een rad kon doen draaien, zou zij in staat zijn om de oude water- en windmolens geheel te verdringen.
Watt was liever nog bij de pompmachines gebleven. Hij voorzag de talrijke moeilijkheden, die hij zou moeten overwinnen, om de op- en neergaande beweging van de balans in een draaiende beweging om te zetten. Hij was er zo terneergeslagen van, dat de firma telkens maar weer nieuwe schulden moest maken, dat hij het liefst helemaal niets meer gedaan had. Op het toppunt van zijn mismoedigheid schreef hij aan Boulton, dat hij weigerde nog nieuwe machines te ontwerpen, als Boulton het niet klaarspeelde, baar geld van de mijneigenaren te krijgen. « U moet het mij ten goede houden, als ik U zeg, dat ik geen pen meer op papier zal zetten om de nodige tekeningen voor nieuwe inrichtingen te maken, alvorens dat geschied is. Laat de gebruiksvoorwaarden matig zijn, zo mogelijk van te voren in geld uitgedrukt, dan zullen we tenminste genoeg ontvangen, om ons voor gijzeling te behoeden, want daar ben ik voortdurend als de dood voor. »
Boulton reisde naar Cornwall, nam eerst van een bankier nieuw geld op en kon vervolgens werkelijk een paar mijneigenaars tot geregelde betalingen bewegen. Zo werd er bij een machine in Chacewater een kolenbesparing van achtenveertigduizend gulden per jaar erkend en de firma een jaarlijkse betaling van veertienhonderd pond opgelegd. Twee andere machines brachten per jaar achthonderd pond op.
Die resultaten monterden Watt weer op en hij maakte zich op om aan de bewonderenswaardige arbeid te beginnen, waardoor de op- en neergaande beweging van de zuigerstang in een draaiende beweging zou worden omgezet. Hij verbond de zuigerstang door een parallellogram met de balans, en aan de andere kant van de balans bracht hij een drijfstang aan, die een krukas deed ronddraaien. De krukas droeg die omdraaiingen over op een wiel. Wij mensen van tegenwoordig bekijken de eerbiedwaardige machines van James Watt met verbazing en verwondering. Wij zien niet in, waarom Watt het zich zo moeilijk gemaakt heeft. Hij had immers de omweg over de balans helemaal niet nodig. Hij zou, menen wij, de balans hebben kunnen weglaten en de zuigerstang direct aan de drijfstang met een krukas hebben kunnen koppelen, zoals wij aan de moderne stoommachines plegen te zien.
Helaas bestonden die mogelijkheden voor Watt niet. Het weglaten is de allergrootste kunst en zelfs als Watt het van zichzelf had kunnen verkrijgen, de balans van zijn machine weg te denken, bleven er nog genoeg bezwaren over. Deze bezwaren waren onoverwinnelijk.
Als de zuigerstang het wiel direct, en alleen door een krukas daarmee verbonden, moest bewegen, zou Watt het wiel of de cilinder in de lucht hebben moeten ophangen. Dat durfde hij echter niet. De cilinder boven de krukas aan te brengen, zoals wij vanzelfsprekend zouden vinden, zou immers betekend hebben, dat men hem van zijn gemetseld voetstuk, uit zijn hechte verankering zou moeten losmaken. Daar durfde toen niemand aan denken. De cilinder, in welks inwendige zich de geheimzinnige processen voltrokken, kwam iedereen zo gevaarlijk, zo onberekenbaar en geheimzinnig voor, dat men hem in alle geval stevig wilde vastzetten. De machinebouwers zijn er daarom ook later nog liever toe over gegaan het vliegwiel in de hoogte te monteren, dan dat zij de cilinder van zijn veilige plaats verwijderden. De cilinder was nu eenmaal een griezelig voorwerp, waarvoor men in voortdurende angst leefde. De cilinder plat te leggen en de zuigerstang horizontaal of schuin naar de krukas te leiden, was toen eveneens ondenkbaar. Men wist niet, hoe men de eenzijdige wrijving van de zuiger in de cilinder zou moeten voorkomen.
Het parallellogram
Nu begrijpen wij waarom de balans gehandhaafd bleef en dat Watt liever het reusachtige werk ondernam de verticale beweging van de zuigerstang met behulp der wiskunde op de balans over te brengen. Zo vond hij het parallelogram.
Over het parallellogram van Watt is veel geschreven, maar weinig gezegd. De geschiedschrijvers der techniek stellen er zich mee tevreden ons te verzekeren, dat het een krankzinnige geschiedenis is. Maar wat die krankzinnige geschiedenis inhoudt vertellen zij niet. Wie voor wiskunde geestdriftig kan worden, verdiepe zich in de volgende alinea.
Voor de constructie van het parallellogram ging Watt uit van het feit, dat elk der beide eindpunten van de balans een boog beschrijft. Als men die boogvormige beweging wil omzetten in een rechtlijnige, dan kan men een tweede hefboom met één arm in het verlengde van de eerste leggen, maar moet hem een beetje lager aanbrengen. Verbindt men nu de eindpunten der beide hefbomen door een stang, dan is er op de stang een punt te vinden, dat een bijna rechte beweging maakt. Op dat punt moet men de zuigerstang vastmaken. Men mag noch naar links noch naar rechts gaan, omdat alle andere punten meer of minder aan de cirkelbeweging van de beide hefbomen onderworpen zijn. De plaats van het punt hangt af van de lengteverhouding van de balansbalk en van de daaronder aangebrachte hefboom. Zijn de balk van de balans en de hefboom even lang, dan moet het punt in het midden liggen. In het parallelogram van Watt ligt het niet in het midden, omdat Watt de hefboom van één arm korter gemaakt had. Die nam minder plaats in.
Van deze omzetting in een rechte beweging kwam James Watt eindelijk tot zijn parallellogram. Het volgende had hij te overleggen :
Met de rechte beweging spaarde hij — door het wegvallen van de cirkelboog bij de balans — wel aan hoogte uit in het machinehuis. Maar wat hij in de hoogte uitspaarde, moest hij aan de zijkant weer toevoegen, omdat de ene hefboom te veel plaats nodig had. Dit bezwaar probeerde hij eerst op te vangen door deze hefboom korter te maken dan de balans. Helemaal tevreden was hij daarmee niet. Een tweede opgave die hij zich stelde, bracht hem tot het parallellogram. Hij wilde ook de aandrijving voor de condensator via een rechte beweging bewerkstelligen en kwam op de idee die rechte beweging met behulp van de pantograaf of tekenaap te verkrijgen. Dit is het vergrotingsinstrument voor de tekenaar, dat men gebruikt voor alles wat met parallellopende lijnen te maken heeft en dat James Watt welbekend was, daar hij zelf eens een vergrotingsapparaat had gemaakt. Zo vond hij door middel van de tekenaap het parallellogram en zag thans de mogelijkheid, om de ene hefboom veel dichter bij het middelpunt van de balans te kunnen brengen. Die hefboom hoefde alleen het binnenste, onderste draaipunt van het parallellogram te grijpen en kon zo de zuigerstoot op de balans overbrengen.
In het jaar 1808 schreef James Watt aan zijn zoon :
« De idee van het parallellogram ontstond op de volgende manier: Daar ik de dubbele kettingen of de getande stangen en getande bogen zeer ongeschikt vond, om de beweging van de zuigerstang op de hoekbeweging van de balans over te dragen, ging ik proberen of ik geen middelen en wegen kon vinden hetzelfde te verkrijgen door bewegingen rond assen. Na enige tijd viel mij te binnen dat, als AB en CD twee gelijke cirkelstralen zijn, die zich rond de middelpunten B en C draaien en door een stang AD met elkaar verbonden zijn, bij de beweging langs de curven van een zekere lengteer dezelfde en tegengestelde afwijkingen van de rechte lijn zouden zijn en dathet punt E een bijna rechte lijn zou beschrijven, evenals, wanneer de straal CD vanwege de doelmatigheid slechts halt zo groot zou zijn als AB, hetzelfde zou gebeuren, wanneer men het punt E dichter naar D toebrengt en hieruit werd de constructie, die men later de parallelbeweging genoemd heeft, afgeleid. »
Zo werkte het parallellogram aan de ene, de krukas aan de andere kant van de balans. James Watt beschouwde de krukas niet geschikt om gepatenteerd te worden en schrok er aanvankelijk voor terug ze te gebruiken. Hij wilde aan zijn machines zo mogelijk alleen maar onderdelen gebruiken die voor patent in aanmerking kwam. De krukasbeweging in de stoommachine toe te passen, zo zei hij op hoge leeftijd, vereiste niet meer uitvindersgeest dan er nodig is voor de gedachte om een broodmes te gebruiken bij het kaassnijden. « De ware uitvinder van dat mechanisme was de man, die het eerst een draaibank maakte om te trappen. Helaas is die man niet heilig verklaard. »
Zijn aarzeling is hem slecht bekomen. Een knopenfabrikant, James Pickard uit Birmingham, had er de lucht van gekregen, dat James Watt misschien een stoommachine met een krukas wilde maken. Pickard was niet zo fijngevoelig als Watt. Hij ging en probeerde patent te krijgen op de krukas, die reeds in de grijze Oudheid was uitgevonden. Het zal eeuwig een wonderlijk iets blijven, dat hij de krukas werkelijk gepatenteerd kreeg. In de machinefabriek van Soho stond men als van de bliksem getroffen, toen men van dat grappige patent van de knopenfabrikant hoorde en het duurde in alle geval twee jaren voordat de firma Boulton en Watt zich van haar verbazing hersteld had en in het begin van 1782 patent op vijf verschillende mechanismen aanvroeg, die alle geëigend waren om de krukas te vervangen en die eigenlijk niets anders bedoelden als het krukaspatent te omzeilen. In februari werd op de vijf mechanismen patent verleend. Waarschijnlijk deed men het alleen om zich voor het publiek door de eigenlijk noodzakelijke opheffing van het krukaspatent niet belachelijk te maken.
De regulator
Van de vijf mechanismen kozen Boulton en Watt het planetenraderwerk uit. Het is een heel schrandere en elegante manier om de as van een wiel door een tandradstel te bewegen. Het was geen vondst van Watt maar van William Murdock. Deze vond ook de eerste bakschuif uit voor de verdeling van de stoom, die later in de verbetering van Murray in alle machines van Watt werd ingebouwd. De bakschuif stond met de bekende regulateur in verbinding. Alleen de toepassing van deze regulateur, niet het van ouds bekende mechanisme zelf, is een inval van James Watt, James Watt kon pas op het idee komen de regulateur toe te passen, nadat hij de draaiende
beweging bij de stoommachine tevoorschijn had geroepen.
De regulateur heeft een as, die men loodrecht zo met de krukas in verbinding stelt, dat de beweging van deze laatste zich aan de as van de regulateur meedeelt. Haar toerental is afhankelijk van dat van het vliegwiel en even snel cirkelen twee kogels rond de as van de regulateur. Hoe sneller de machine loopt, des te verder worden die kogels uit elkaar geslingerd en openen tenslotte een ventiel die de stoom afknijpt. Smoorklep noemde James Watt die ventiel.
De eerste machines met draaiende beweging stelden Boulton en Watt op voor een Londense brouwerij, voor een meelmolen en toen voor een zagerij. Spoedig volgden er bestellingen voor suikerfabrieken in Westindië en zaagmolens in Amerika en zo verbreidde zich de roem van de machine met draaibeweging door de hele wereld. Alleen in Londen bleef men conservatief en weer was het Smeaton, die er openlijk twijfel over uitsprak, dat men de draaibeweging van het waterrad ooit door stoommachines zou kunnen vervangen. Boulton wilde die mening door een daad ontzenuwen en ontwierp het plan in Londen een grote stoommolen te bouwen. Hij wilde een naamloze vennootschap voor die onderneming oprichten, die hij groots wilde opzetten. Maar de molenaars, die met wind en water werkten dwarsboomden het plan. Zij wisten van het parlement gedaan te krijgen, dat de toestemming voor de vennootschap niet verleend werd. Maar Boulton liet de zaak niet los. Hij bepraatte zijn vriend en medevennoot Watt zo lang, totdat deze alle bezwaren opzij zette en Boulton zesduizend pond gaf. Boulton legde er uit zijn eigen kas nog twaalfduizend bij, ook een paar andere financiers namen deel en zo kon de molen zo groots opgezet worden als Boulton zich had voorgesteld. De beroemde Engelse architect Wyart ontwierp de bouwplannen. Watt bouwde de stoommachine en de maalderijmachines werden vervaardigd door de geniale Schotse molenbouwer John Rennie. Voor Boulton kan alles niet goed genoeg zijn en toen in het voorjaar van 1786 de machines voor het eerst begonnen te lopen, werkten zij niet naar zijn zin. Watt bevond zich op dat ogenblik in Soho. Boulton raasde tegen de monteurs en schreef aan Watt, dat hij zo gauw mogelijk zou overkomen. Watt kwam niet, maar vermaande zijn partner schriftelijk, koelbloedig te zijn. « Alvorens men begint te mopperen, moet men eerst bedenken, dat bij nieuwe, gecompliceerde en moeilijke dingen het vooruitziend vermogen van de mens ontoereikend is. Tijd en geld moeten besteed worden om iets te vervolmaken en de fouten ervan te vinden. » Zo retourneerde Watt zijn vriend de woorden, waarmee Boulton vroeger de machine begroet had : « Het zal tijd en geld kosten er iets van te maken. »
Boulton liet zich overtuigen, kalmeerde en kreeg pas weer ruzie met Watt toen de molen met grote praal zou worden geopend. Boulton had het voornemen gemaakt de besten uit de Londense society eens te laten zien, dat een stoommolen iets heel anders is dan de stoffige, met witte korsten overdekte watermolen. Bij hem blonk alles van zindelijkheid en de machines van Watt liepen volkomen geruisloos. Deze nieuwe feiten meende Boulton de society het beste te kunnen aantonen, door een gemaskerd bal in de molen te houden. De dames zouden dansen, terwijl de molen maalde en zo wilde
Boulton op een symbolische manier tot uitdrukking brengen, dat tegenwoordig de machine werkte en niet meer de mens. Watt kwam heftig tegen dat feest op : « Wat moeten gemaskerde hertogen, lords en ladies nu in een meelmolen doen ? We worden toch al van alle kanten met afgunst gadegeslagen en daarom kunnen we beter alles vermijden wat opzien baart en ons beperken tot de zaak zelf. »
De massa zong koralen
Toen de molen eindelijk in bedrijf gesteld werd, dwong zij ieders bewondering af. Smeaton, de oude molenbouwer, gaf zijn verzet tegen de machine van Watt voorgoed op en in Soho moesten er al gauw meer machines met draaibewegingen gemaakt worden dan andere. De Londense stoommolen liep vijf jaren. Op 3 Maart 1791 werd zij door onbekende machinebestormers in brand gestoken. Zij brandde tot de grond toe af. Het vuur lokte een geweldige mensenmenigte. Toen de muren van de gehate molen donderend omvervielen. begon de menigte koralen te zingen. Watt en Boulton hadden hun geld verloren.
Ondanks al die tegenslagen kwam er toch eindelijk ook financieel succes. Boulton had de weerbarstige mijneigenaren van Cornwall aangeklaagd en het gerecht dwong hen, als eerste aanbetaling aan Boulton en Watt zeshonderdduizend gulden te betalen. Van zijn deel kocht Watt zich een landgoed in Wales. Hij had ook een huis gebouwd bij Birmingham, het terrein eromheen gekocht en een mooi park daarvan laten maken. Bij het huis bouwde hij een kleine smidse en op de zolder richtte hij een laboratorium in. Hij was hertrouwd. Zijn tweede huwelijk was evenzeer met kinderen gezegend als het eerste. De zonen werden flinke mannen. Een van hen ging een overeenkomst aan met de zoon van Boulton. Beiden tezamen hebben het werk van hun vaders hoe langer hoe meer uitgebreid. De roem van de machinefabriek Boulton en Watt werd zelfs nog groter, toen in 1800 het hoofdpatent afliep. Tot dan toe was er in de machinefabriek namelijk al de tweede generatie van machineconstructeurs opgegroeid, die machines wisten te maken als niemand anders ter wereld.
Watt had een rustige levensavond. Maar de driftige Boulton rustte nog lang niet. Terwijl Watt zich aan de wetenschap wijdde en in de stilte van zijn studeerkamer de geschriften samenstelde, waardoor hij tot een der medegrondleggers van de nieuwe scheikunde werd en waarin hij de veronderstelling neerlegde en bewees, dat water geen ondeelbaar element is, wat voordien nog altijd een twistpunt geweest was, wierp Boulton zich telkens op nieuwe ondernemingen. Zijn stokpaardje was het muntwezen. De valsmunterij stond in die tijd in hoge bloei en Boulton stelde de regering voor, de muntstempels met stoomkracht te bedienen en door de geweldige kracht van de stoom de munten beter te stempelen om het de valsmunters op die manier minder gemakkelijk te maken. De regering ging slechts aarzelend op zijn plannen in en Boulton stortte zich in de Franse revolutie. Van de revolutionaire regering in Parijs kreeg hij opdracht voor nieuwe muntstempels en hij leverde ook koperen munten naar Rusland, Spanje. Denemarken en Calcutta. Zo bleef de rusteloze man voortdurend verstrikt in de gebeurtenissen van zijn tijd, bracht zichzelf door zijn waaghalzerij meermalen tot aan de rand van de afgrond, sprak de spaarcenten van zijn kinderen aan om nieuwe machines te maken en wist tenslotte uit al zijn ondernemingen toch nog een vermogen te putten. Boulton was in zijn oprechtheid, door zijn vaderlijke houding tegenover zijn arbeiders, door zijn stoutmoedigheid en in zijn mannelijke daadkracht een van de eerste moderne ondernemers. Zijn voorbeeld is helaas in de tijd der industriële revolutie slechts door weinigen geëvenaard.
Boulton was een trotse en indrukwekkende man. Toen hij voorgesteld werd aan de koning van Engeland, was het alsof Boulton ook een koning was.
« Wat maakt u eigenlijk ? » vroeg George III hem. Boulton: « Ik maak wat de Koningen zo graag wensen. » De koning : « En wat is dat dan ? » Boulton: « Macht, majesteit! »
In het Engels betekent « power » zowel macht als kracht. Toen hij bij een andere gelegenheid over de kracht van de stoommachine kwam te spreken, zei Boulton: « Ik heb in mijn machinefabriek niet alleen dat, wat heel de wereld zich wenst, maar ik heb ook in de stoommachine datgene, wat de werklieden van de wereld zal bevrijden. Met de kracht van de stoom zal er voor de beschaving meer gedaan worden, dan alle tijden tot nu toe hebben kunnen doen en de stoommachine zal meer dan iets anders beslissend zijn voor de komende tweehonderd jaren. »
De gezondheid van Watt was merkwaardigerwijze op zijn oude dag aanzienlijk beter geworden. Hij las veel, was onvermoeibaar bezig, al was het maar voor zijn plezier en hij overleefde zijn vriend Boulton, die in 1809 op eenentachtigjarige leeftijd was gestorven, nog tien jaren. Hoe Watt in zijn laatste jaren was, daarvan heeft de grote Walter Scott ons een getuigenis nagelaten. In het voorwoord tot zijn « Klooster » schrijft hij :
« Watt was niet alleen de diepzinnigste geleerde en degene, die met het gelukkigste resultaat uit zekere combinaties van getallen en krachten bruikbare conclusies had getrokken, hij nam niet alleen een der eerste plaatsen in onder degenen die zich onderscheidden door de algemeenheid van hun ontwikkeling: hij was ook de beste, de beminnelijkste mens. De enige keer, dat ik hem ontmoet heb, was hij door een klein gezelschap geleerden uit het noorden omringd… Daar zag en hoorde ik, wat ik nooit meer zou zien en horen. De montere, beminnelijke, welwillende grijsaard van eenentachtig jaar nam in alle vraagstukken op een levendige wijze deel; zijn kennis stond ter beschikking van iedereen, die er een beroep op deed. Hij stelde ieder voorwerp in het licht van zijn talenten en verbeeldingskracht. Onder de heren bevond zich ook een geleerde taalkundige; Watt onderhield zich met hem over de oorsprong van het alfabet, alsof hij de tijdgenoot van Kadmos geweest was. Toen een beroemde kunstkenner zich bij hen voegde, zou men gezegd hebben, dat de grijsaard zijn hele leven lang de studie der schone wetenschappen of de staathuishoudkunde beoefend had. Het zou overbodig zijn, te spreken over de exacte wetenschappen; die vormden een schitterende en speciale levenstaak; toen hij intussen met onze landgenoot Jedediah Cleisbotham sprak, zou men gezworen hebben, dat hij de tijdgenoot van Claverhouse en Burley, de vervolger der vervolgden was; dat hij werkelijk nauwkeurig het aantal geweerschoten geteld had, die de dragonders op de voortvluchtige Eedgenoten afgevuurd hadden. Wij kwamen tenslotte tot de ontdekking, dat geen roman van maar enige betekenis hem ontgaan was en dat de geestdrift van de beroemde geleerde voor deze soort geschriften aan levendigheid gelijkstond met het enthousiasme waarmee een modiste van achttien jaren van zulke romans kennisneemt. »
Een stoomschip kiest zee
In de zomer van 1819 werd Watt door zijn laatste ziekte overvallen. Hij stierf glimlachend en met een dankwoord tot God. In hetzelfde jaar waarin hij stierf, slaagde een stoomschip er voor het eerst in de oceaan over te steken.
In zijn laatste jaren had Watt, die zijn begaafdste zoon in de verwarring der Franse revolutie had verstrikt zien raken, zich niet meer om het gedoe van de wereld bekommerd. Hij zag niet, wat er uit zijn machine werd. Hij wist alleen, als hij het leven der ingenieurs van Otto von Guericke af tot in zijn eigen dagen overschouwde, iets anders en meer dan de meeste mensen. Hij zag, dat de mens, toen hij om God begon te strijden, de machines had uitgevonden. Hoe groter de wereld geworden was, des te hoger had God zich in zijn hemel teruggetrokken en hoe vertwijfelder de strijd der mensen om God werd, des te groter werden de machines. God had de mensen niet alleen gelaten in hun zorg. Hij had hun het geheim der ijzeren engelen geopenbaard.
Terwijl Watt de ijzeren engelen vervolmaakte, terwijl de mijnen van Cornwall door de machtige adem der nieuwe reuzen gered werden, overhandigde de Franse dokter Dr. Guillotin aan de Nationale Vergadering in Parijs een rapport over de uitvinding van een vallende bijl, waarmee men de mensen het hoofd kon afslaan. Toen Wieland zijn zwaard Mimung zachtjes door het corpus van Aemilias deed glijden, had deze het gevoel alsof er koud water over zijn lichaam stroomde. « De valbijl», zo zei Dr. Guillotin, « doet de delinquent geen pijn. Het verschaft hem alleen het gevoel van een lichte verfrissing rond de nek. »
IJzer trekt mannen aan, omdat zijn kracht van God komt. Was God in de guillotine ? Hij was in de ijzeren engelen !
Terwijl de mannen in Parijs er ruzie om zaten te maken, hoe men de deugd en de rede het beste kon dienen, en terwijl de tegenstanders elkaar over en weer onder de valbijl legden, terwijl het fluiten, sissen en neerslaan van deze bijl de afschuwelijke muziek werd van het Europese vasteland, stak van het eiland Engeland de werkelijke revolutie haar hoofd op. Zij kondigde haar komst aan in het gedreun der machines, in het snuiven van de stoom, in het stampen der balansen, met het geritsel der spinmachines en met het kraken van de weefgestoelten. De nieuwe revolutie rukte de guillotine omver en wierp de reusachtige Napoleon ter aarde. Zij was geroepen om het leven der mensen meer te veranderen dan alles wat tot dan toe de wereld had bewogen. Zij en niets anders heeft de herwaardering van alle waarden volbracht. Zij heeft vroegere ellende opgeruimd, nieuwe ellende verwekt en enkele mogelijkheden voorbereid voor het geluk, kansen die tot mijn, tot uw en tot ons aller geluk kunnen strekken, als wij de betekenis der ijzeren engelen juist weten te beoordelen.
.
Habsburg ligt geveld en een baron, die zijn stipendium verdienen moet, helpt het weer overeind, – Op zoek naar Papin, – Een arme man uit Dartmouth rechtvaardigt de kletsmajoor van Marburg. -Newcomen en Savery, – De goddelijke voorzienigheid verbetert de machine. ~ Smeaton maakt ingenieurs van de Engelsen, – De man met hoofdpijn. – De Schotten brengen door hun gierigheid de wereld in beweging. – Watt, de geschiedenis van een dromer en hongerlijder, -Wie geen slaaf wil worden, moet zich verbergen. – Tabakshandelaars bestormen een theater, ~ Op een wandeling wordt de stoommachine voltooid, – Wat is stoom eigenlijk ? – Watt vloekt en Trevithick houdt van zijn rijkdom slechts een zilveren spoor over. – Het model der eerste werkelijke stoommachine.
Het ging in het Oostenrijkse huis Habsburg verdraaid slecht. De afscheiding van de Spanjaarden van het Oostenrijkse Huis was de familie niet goed bekomen. De goudstroom uit de Nieuwe Wereld, die aanvankelijk onuitputtelijk scheen, mondde uit in Spanje. De behoefte der wereld aan edele metalen werd in Amerika gedekt en dat gebeurde allemaal in een tijd waarin de mijnen van Tirol, Karinthië en Hongarije hoe langer hoe minder erts opleverden. De kooplieden die de mijnbouw tot zo’n hoge bloei gebracht hadden, waren uitgestorven. Hun nakomelingen ontbrak het aan moed om iets te wagen. Zij legden de mijnen liever stil dan dat zij telkens nieuwe kapitalen in de uitzichtloze strijd tegen het water staken.
De Keizer was naar buiten nog wel altijd de heerser van Duitsland, maar zijn leenheren, die al lang tot zelfstandige vorsten geworden waren, lachten hem uit. Hij moest zich met smeekbeden voor hen buigen en toen Habsburg tegen de Pruisische Frederik wilde optrekken, kon de keizerin niet meer zoals vroeger de leen roepen, maar moest zij troepen huurlingen zenden. De kleine vorsten en feodale heren ontnamen het keizerschap stukje voor beetje van de macht en de strijd om de keizerlijke macht was een strijd om geld.
De schatkistbewaarders in Wenen zaten vertwijfeld voor de lege geldkisten en overlegden hoe men aan geld kon komen.
In Engeland en Frankrijk, waar men voor dezelfde rampen gestaan had, was het economische systeem van Colbert ingevoerd. Colbert, die voor Lodewijk XIV, de fantastische waterwerken van Marly had moeten laten bouwen, was door de verkwisting van het hof door de onmogelijkheid om uit de mijnen nieuwe inkomsten te trekken, op het idee gekomen het ambacht en de neringdoenden tot de grootst mogelijke inspanning aan te sporen, vrouwen, grijsaards en kinderen te laten werken en door de verpaupering van het volk door hongerlonen en lange werktijden goedkope exportartikelen te vervaardigen.
De binnenlandse markt van zijn land beschermde Colbert door hoge toltarieven, de uitvoer echter maakte hij gemakkelijk.
Men vond de indirecte belastingen uit. Op zout en suiker, op koffie en trouwens op alle genotmiddelen werd niet alleen invoerbelasting, maar ook nog een extra verbruiksbelasting gelegd. Het colbertisme, dat men in andere landen ‘mercantilisme’ noemde – een nieuw-Latijns woord voor een economisch systeem, dat op de handel gebaseerd is —, leidde tenslotte tot de sociale uitbarstingen, die een der oorzaken van de Franse revolutie zijn geweest. Voorlopig echter was de vorst ermee geholpen en het maakte het ook de kleine feodale heren, die het systeem navolgden, mogelijk een leven van pracht en praal te leiden. Ook de Oostenrijkse schatkistbewaarders voelden wel iets voor het nieuwe systeem. Maar toen zij het tenslotte wilden invoeren, lag Oostenrijk bijna al ter aarde. Nog meer dan waar ook was het keizerlijke kabinet en zijn geldgebrek het middelpunt van de economie. Daarom noemde men het mercantilisme in Oostenrijk Cameralisme, naar het Duitse woord « Kammer » voor kabinet.
Beschermeling van een filosoof In hun radeloosheid viel de ministers een akte in handen, die Leibniz nog kort voor zijn dood, op 14 november 1716. aan het Weense hof gericht had en waarin hij nogmaals de aandacht vestigde op de waterpomp van zijn vriend Denis Papin en op de Engelse machine van van Thomas Savery. Deze akte werd gecompleteerd door een andere mededeling, volgens welke in Hessen een « vuurzuigwerk » in bedrijf zou zijn. Dat apparaat stuwde weliswaar alleen het water voor de springfonteinen in Kassel op, maar het zou ongetwijfeld in staat zijn ook het water uit de mijnen te verwijderen. Het kabinet won in Kassel inlichtingen in. In Kassel verwees men de heren naar Engeland, waar Denis Papin was heengegaan.
Men schreef naar de gezant in Londen en toen er eindelijk bericht kwam, dat in Engeland inderdaad « vuurmachines » gebouwd werden, met behulp waarvan men het water de baas kon, gaf men de jonge baron Fischer von Erlach, de zoon van de beroemde bouwmeester der Karlskerk in Wenen, opdracht om te zorgen dat er zo’n machine in Oostenrijk kwam.
Fischer von Erlach, toen een jongeling van tweeëntwintig jaar, was eveneens een beschermeling van de grote Leibniz. Leibniz had de vorming van de jongeman mee helpen bepalen. Hij mocht studeren aan de Nederlandse en Duitse, aan de Italiaanse en Franse universiteiten en het Weense kabinet had hem « met het oog op » de aanbevelingen van de filosoof een stipendium verleend.
Fischer von Erlach is een der grootste Oostenrijkse ingenieurs geworden, en toen hij in 1721 uit Engeland terugkeerde, bracht hij wel geen machine mee, maar zoveel kennis, dat hij zelf machines kon bouwen. Ook had hij in Engeland een ingenieur voor de Oostenrijkse regering aangeworven. Deze ingenieur heette Isaak Potter en was een man, die uit de werkplaatsen van Thomas Newcomen kwam. Isaak Potter moet een broer gehad hebben, die eveneens ingenieur moet geweest zijn. Misschien is die broer de legendarische Humphrey Potter, die altijd zo graag Indiaantje wilde spelen en daarom de automatische stoomdistributie moet hebben uitgevonden. Als deze dus inderdaad door een Potter uitgevonden is, dan was deze niet een kind, maar deze volwassen ingenieur.
In Koningsberg, in Hongarije, in Wenen en later in Chemnitz bouwde Fischer von Erlach samen met Isaak Potter de ene vuurmachine na de andere. Toen Fischer von Erlach, nog geen vijftig jaar oud, op 29 juli 1742 stierf, was de Oostenrijkse mijnbouw of tenminste het belangrijkste deel daarvan gered. De stipendia die men de begaafde baron op aanraden van de filosoof ter beschikking had gesteld, hadden rijkelijk hun baten opgeleverd, de geldkasten in Wenen waren weer gevuld en Oostenrijk kon zijn erfopvolgingsoorlogen beginnen te voeren.
Er bestaat geen portret van Fischer von Erlach en onder zijn allongepruik was de adellijke ingenieur even onbekend gebleven als Denis Papin. In het Weense kabinet bevindt zich geen beschrijving van zijn werkzaamheden ook zijn vrienden hebben het in de verwarring en opwinding van de successieoorlogen vergeten, aantekeningen te maken. wij kennen zijn levenswerk alleen uit zijn machines. Een paar afbeeldingen daarvan hangen tegenwoordig in de Oostenrijkse musea. Doch al deze machines zijn gebouwd naar het beginsel van Thomas Newcomen.
Broederliefde der baptisten Newcomen is even arm gestorven als Papin. Toen hij zijn eerste stoommachine bouwde, was hij al negenenveertig jaar. Dat gebeurde in het in het jaar 1712.
Newcomen werd niet door genialiteit gedreven. Het was de reinste armoe die hem stimuleerde. In 1663 geboren in de afgelegen havenstad Dartmouth, had hij in Exeter de ijzerhandel geleerd en was later werktuigmaker en meestersmid.
Zoals Arkwright, de uitvinder van de spinmachine, als kapper met haarverfmiddeltjes het land afreisde en daarbij opmerkzaam werd op de behoefte der wevers aan garen, zo ging Newcomen, die een vrome Baptist was, van mijn tot mijn en verkocht zijn gereedschappen aan de arbeiders in de tinmijnen. Daarbij viel het hem op, hoe hopeloos de paardentredmolen was voor de drainering van het water en kwam hij op de gedachte een machine te construeren. Dat Newcomen geestelijk een wakker man geweest is, staat buiten kijf. Hoe hij zijn technische kennis verwierf en hoe hij op het geniale idee kwam, het beginsel van de atmosferische zuigermachine met de bijzondere stoomketel uit de Kasselse pompinstallatie te verbinden, weten wij niet.
Er bestaat geen portret van Thomas Newcomen en geen beschrijving van zijn persoon. Alleen een brief van zijn hand is bewaard gebleven, en toen hij op 5 Augustus 1729 in Londen stierf en in Bunhill Fields, het kerkhof der Baptisten, begraven werd, vermeldde men de begrafenis wel in het kerkelijk register, maar men duidde niet de plaats van het graf aan.
Toen Thomas Newcomen erover peinsde, hoe men een machine voor het drooghouden der mijnen met stoom zou kunnen doen werken, kwam de beroemde natuurkundige Hooke hem te hulp. Deze wees hem op de zuigermachine van Papin. Dat moet ongeveer in 1702 geweest zijn. In 1711 was Newcomen dan zo ver dat hij zijn eerste machine kon bouwen. Zijn vriend en geloofsgenoot John Cawleu, een meester glazenmaker, schoot hem het geld voor de machine voor. Newcomen verkocht de eerste stoompomp aan een steenkoolmijn in Wolverhampton bij Dudley Castle. Het voorkomen van die machine en haar duidelijke constructie maakte zo’n indruk op de technici van de achttiende eeuw, dat ieder het vanzelfsprekend vond in hoofdzaak zo te construeren als Thomas Newcomen het gedaan had.
De machine bestond uit vier belangrijke delen: ketel, cilinder, balans en stangenwerk. De balans was het middenstuk van de machine. Het is een dubbele hefboom, waaraan aan de ene kant de pompstang hangt en aan de
andere kant de zuiger.
De hefboom was zo uitgewogen, dat de zuiger bijna even zwaar was als de pompstang. Deze laatste was een klein beetje zwaarder, zodat zij door haar eigen gewicht de zuiger in de cilinder kon optrekken. Onder de cilinder was de stoomketel aangebracht. De hals van de ketel mondde direct in de bodem van de cilinder uit. Een draaibare schijf in de hals van de ketel zorgde ervoor, dat de stoomtoevoer regelmatig kon werken. Aan de bovenkant was de cilinder open en werd alleen door de zuiger afgesloten. Als degene die de machine bediende de stoomventiel opende, kon de zuiger door de pompstang naar boven getrokken worden, aangezien er dan stoom in de cilinder onder de zuiger stroomde. Dan sloot men de stoomkraan en koelde de cilinder van buiten af. Daartoe spoot men er water tegen met een slang. De stoom in de cilinder condenseerde dan, er ontstond een vacuüm en het gewicht van de buitenlucht drukte de zuiger in de cilinder terug. De zuiger trok de ene arm van de hefboom neer. Daardoor ging de andere arm naar boven en trok de pompstang en het water naar boven. Dan liet men weer stoom in de cilinder stromen en het spel begon van voren af aan.
De machine werkte heel moeilijk en langzaam, maar ook secuur. Zij werd als de grootste merkwaardigheid met verbazing bekeken en degenen die de machine bedienden golden als helden. De nadelen van de machine nam men op de koop toe, omdat men niet wist, hoe men ze kon voorkomen. Die nadelen waren: groot kolenverbruik en langzame loop.
Het gelukte niet de machine op hoge toeren te doen werken. Als de cilinder na het binnenstromen van de stoom gelukkig verhit was, moest hij met water weer worden afgekoeld. Dat duurde lang en nog langer duurde het voordat men hem weer verhit had. De machine maakte per minuut niet meer dan drie tot vier volledige bewegingen, waardoor het water omhoog kwam.
Newcomen verbeterde de machine eerst door een ijzeren mantel om de cilinder heen te bouwen. Nu ging de afkoeling van de cilinder gemakkelijker in haar werk omdat men het water niet meer met een slang tegen de cilinder hoefde te spuiten, doch het van een hoger gelegen reservoir in de ruimte tussen de ijzeren mantel en de cilinder kon laten lopen. Was de afkoeling tot stand gekomen, dan opende men in de bodem van de cilindermantel een kraan en liet het koelwater weglopen. Deze eerste verbetering bracht een merkwaardig toeval met zich mee. Op zekere dag begon de machine sneller te lopen en maakte, zonder dat men aanvankelijk begreep waarom, tien tot twaalf complete bewegingen per minuut. Er werkte toen een Zweedse ingenieur, Marten Triewald, bij Thomas Newcomen. De Zweed schreef in zijn dagboek, dat deze versnelling alleen te danken kon zijn aan de almachtige werkzaamheid Gods. Hij kon « onmogelijk iets anders geloven, dan dat deze gebeurtenis door een bijzondere beschikking van de voorzienigheid tot stand gekomen was ».
Wat was er in werkelijkheid gebeurd ?
Laten we een ogenblik terugdenken: Papin werd tot vertwijfeling gebracht, omdat hij geen arbeiders kon vinden, die het klaarspeelden een zuiger te maken, die precies in een cilinder paste. Ook Newcomen, de meestersmid, was zo handig niet. Maar hij vertwijfelde niet. Daar hij een praktisch man was, zag hij ervan af, de zuiger zo nauwkeurig te slijpen. Hij vond een ander middel, om de luchtdichtheid te bereiken. Hij wikkelde hennep om de zuiger heen. De hennep doordrenkte hij met een mengsel van paardenmest, grafiet en talk en wist te verkrijgen, dat de zuiger zonder moeite in de cilinder op en neer kon gaan en toch goed afsloot. Om de buitenlucht helemaal weg te houden, goot hij van boven water op de zuiger.
Het toeval nu, dat de machine plotseling sneller deed lopen, was een gietblaasje. Het water, dat altijd op de zuiger stond, had de wand van die luchtbel doen doorroesten en de atmosferische druk had het afsluitingswater in de cilinder geperst. Daar het met een fijne straal in de cilinder spoot, sloeg het onmiddellijk de stoom neer, het luchtledig ontstond nu met een ongelooflijke snelheid en zo was de condensatie door inspuiting ontdekt. De doorgeroeste gietfout derhalve, die het gaatje in de zuiger had veroorzaakt, kwam Marten Triewald als een beschikking van de voorzienigheid voor.
Toen Newcomen de « fout » gevonden had, begon hij de
binnencondensering, zoals men het neerslaan van de stoom door een
waterstraal die binnen in de cilinder ontspringt, noemt, regelmatig toe te passen. Boven aan de hefboom maakte hij een waterbassin vast en liet een buis van dat reservoir naar de bodem van de cilinder lopen. Was de cilinder nu gevuld met stoom, dan werd de waterkraan geopend. Het water sprong als een fontein in de cilinder omhoog en deed de stoom in een ommezien condenseren.
De automatische verdeler
De eerste moeilijkheid die zich bij de nieuwe binnencondensatie voordeed, was, dat er zich te veel water in de cilinder verzamelde.
Deze moeilijkheid werd overwonnen door in de bodem van de cilinder een afvoerbuis te maken. Een nieuwe moeilijkheid: die afvoerbuis in de bodem van de cilinder kon men niet met een ventiel dichtmaken, omdat men immers niet in de cilinder kon kijken om te zien, hoeveel water er nog in was. Dat had evenwel het nadeel, dat de zuiger, als hij voor de volgende beweging omhoog ging, het water uit de afvoerbuis weer opzoog.
Als er water in de cilinder was, kon de stoom er niets uitvoeren, omdat hij dan telkens zou blijven condenseren, zolang totdat hij het water verhit had.
Het duurde een hele tijd alvorens men die moeilijkheid had overwonnen. Eindelijk behielp men er zich mee, de afvoerbuizen tien meter lang te maken, zodat de zuiger in de stoomcilinder niet meer als waterpomp zou kunnen werken.
De laatste correctie, die de machine van Newcomen onderging, was de automatische stoomverdeling. In beginsel is zij het werk van ingenieur Brighton. Het begon met een drijflichaam, dat in een waterbuis op en neer ging. Deze buis liep van de stoomketel naar de waterleiding die in de cilinder uitmondde. Door de stoomdruk van de ketel steeg de waterzuil in die buis en drukte de drijver tenslotte tegen een hefboom. Deze hefboom opende op zijn beurt de kraan waardoor het water in de cilinder kon worden gespoten. Die drijver was geen nieuwe uitvinding. Ktesibios had er al gebruik van gemaakt voor zijn waterklokken. Nieuw was alleen, dat de drijver in beweging werd gebracht door een waterzuil, waarvan de hoogte weer afhankelijk was van de hoogte van de druk in de stoomketel. Als er in de stoomketel van de machine van Newcomen voldoende stoom ontwikkeld was, zodat men de kraan kon openen waarlangs de stroom in de cilinder kon stromen, dan draaide de machinist tegelijkertijd de kraan van de buis om, die in de ketel ingebouwd was. Als de stoom in de cilinder omhoogging, dan steeg ook de waterzuil en de drijver hief de hefboom voor het condenseringswater op dat ogenblik op, waarop de hele cilinder met stoom gevuld was. Het begin van de condensatie was dus afhankelijk van de druk in de stoomketel.
Het waterreservoir, waaruit men de cilinder voorzag van het koelwater, zat in de buurt van de balans, dus hoog boven de cilinder. De blik van de machinist ging afwisselend van de stoomventiel naar het waterreservoir. Daarbij zag hij voortdurend de balans zich bewegen. Het kan niet mogelijk geweest zijn, op het idee te komen, de zwaaiende balans te gebruiken om de machine zelf de bediening van haar kranen op te dragen. Misschien heeft men aanvankelijk touwen van de balans naar de ventielen laten lopen. Maar lang kan men zich daar niet van bediend hebben. In 1712 bouwde Newcomen de eerste machine en in 1718 al had ingenieur Brighton zijn automatische stoomregelaar klaar. Hij gebruikte geen touwen meer, maar stangen.
Alhoewel de eerste zelfstandige verdelers nog heel ingewikkeld geconstrueerd werden, werkten de machines toch al met twaalf en zestien toeren in de minuut. In 1720 werd in Londen voor het waterbedrijf van de stad een Newcomen-machine opgesteld, die het water van de Theems zevenendertig meter hoog oppompte. Deze machine maakte achttien tot twintig toeren in de minuut. In 1722 maakte Newcomen voor een grote kolenmijn in de buurt van Coventry een nog betere machine. Zij bespaarde het werk van vijftig paarden en verbruikte per jaar slechts honderdvijftig pond aan bedrijfskosten, terwijl het onderhoud van de paarden negenhonderd pond sterling gekost had.
Newcomen had gehoopt, dat de « vuur- en luchtmachine» niet alleen tot een zegen van de mijnen zou worden, maar ook van hemzelf. Hij wilde geen arme man meer zijn en toch moest hij het blijven. Toen hij de eerste successen met zijn machines behaald had, kwam de door de koning begunstigde Savery op de proppen en dwong Thomas Newcomen hem als deelgenoot op te nemen. Het verstrekkende patent van Savery omvatte niet alleen de mogelijkheid, water met behulp van vuur op te zuigen, maar het ook omhoog te brengen. Daardoor viel de machine van Newcomen onder zijn patent en de arme man uit Dartmouth kon zijn buikriem zo nauw laten als hij altijd geweest was.
Het optreden van Savery kwam de machine echter zeer ten goede. Savery bracht een hele staf van geschoolde ingenieurs mee. Newcomen hoefde alleen nog maar te zeggen in welke richting zijn gedachten gingen, dan werkten de vaklieden zelfstandig verder en brachten zodoende de machine hoe langer hoe meer tot ontwikkeling. Waarschijnlijk zullen de ingenieurs zich vaak wel eens ver boven Newcomen verheven gewaand hebben. Als dat zo is, dan was hun hoogmoed toch misplaatst, want toen Newcomen gestorven was, was het ook afgelopen met de verbeteringen van de machine. Die anderen ontbrak het nu eenmaal aan de scheppende geest, waarmee de vrome Baptist begenadigd was.
De man die ingenieurs maakte
Slechts een enkel man gelukte het, enkele verbeteringen te bedenken. Die man was ingenieur Smeaton, over wie James Watt later het grote woord sprak: « Hij heeft ons allen tot ingenieur gemaakt! »
Smeaton was een bekwaam wiskundige. Zijn machines muntten uit door grote elegantie en zuinigheid. Waar Newcomen zich had laten leiden door vermoedens en toevalligheden, daar wilde Smeaton zekerheid hebben. Hij was de eerste ingenieur na Papin, die de stoomdruk begon te meten en de cilinder van een machine in een logische verhouding stelde tot de omvang van de stoomketel.
Smeaton, die van huis uit bouwer van water- en windmolens was, begon zich pas dertig jaar na de dood van Newcomen met de « vuurmachines » bezig te houden. Hij vond de machines zoals Newcomen ze verlaten had. De machines van Newcomen werkten overal voordelig waar men voldoende brandstof had, bijvoorbeeld in kolenmijnen met voldoende afvalkolen. Waar men de brandstof echter eerst moest kopen, waren de machines niet economisch.
Newcomen vervaardigde de reusachtige cilinders van zijn machine van brons. Het brons heeft echter het nadeel dat het een te goede warmtegeleider is. Door de condensatie van de stoom koelde de hele cilinder af en moest telkens weer opnieuw verwarmd worden. IJzer is een slechte warmtegeleider, dus veel beter geschikt voor de cilinder. Smeaton bouwde voor zijn machines, waar het maar even kon, ijzeren cilinders, die hij zo nauwkeurig mogelijk liet uitboren. Daar hij zijn cilinders kleiner hield dan Newcomen en daar de zuigers dichter aansloten, werd er bij de machines van Smeaton geen stoom verspild.
De snuifklep
Smeaton verbeterde ook de afvoer van het koude water uit de cilinder. Hij schafte de lange waterpijpen af en liet het water door een zogenaamde snuifklep ontsnappen, die men vroeger slechts als luchtklep voor de cilinder gebruikt had. De snuifklep is een terugslaande klep, dus van een verend scharnier voorzien. Zij was aangebracht in een pijpje, dat in het onderste deel van de cilinder uitmondde. Als de zuiger in de cilinder zich naar beneden bewoog, drukte hij het water door de snuifklep weg en de klep sloeg terstond terug, als het water weggelopen was en maakte zodoende de cilinder weer luchtdicht. Omdat deze ventiel als zij door water of lucht
bewogen werd, een eigenaardig snorkend geluid maakte, noemde men ze snuifklep.
Smeaton maakte ook berekeningen over de grootte van de balans en ging er toe over, kortere te gebruiken dan zijn voorgangers.
Reeds bij de eerste machine van Newcomen was men op het idee gekomen om iedere slag van de pompzuiger niet helemaal te gebruiken. Want iedere slag was afhankelijk van de kracht van de stoom. Daar de stoomdruk onregelmatig was, waren ook de slagen onregelmatig. Begrensde men nu de slagen, dan was de hoeveelheid water, die er telkens werd opgepompt altijd gelijk. Deze begrenzing kon alleen verkregen worden door middel van de balans. Men kon niet toestaan, dat de armen van de hefboom zo ver naar boven of beneden zouden doorslaan al naar gelang de eventuele stoomdruk was. De balans moest in haar op- en neergaande beweging beperkt worden. Newcomen verkreeg die begrenzing van de slag door kettingen, die hij van de uiteinden van de balans af naar het dak van de machinekamer en naar de grond leidde. Daar de kettingen niet voldoende vastgezet konden worden, zonder het dak van de machinekamer aan instorten bloot te stellen, was deze manier van begrenzing van de slag uiterst gebrekkig en men kwam tenslotte op het idee. de balans op verende balken te laten neerkomen. Smeaton verbeterde deze vering. Eindelijk vond hij ook nog een vering uit voor de cilinder. Bij de eerste machines stond de cilinder hecht op een gemetseld voetstuk. Toen de zuiger al te woest in de cilinder neerkwam,
gebeurde het wel, dat de cilinder sprong of dat de ventielen los gingen en vaak ook dat het verbindingsstuk tussen cilinder en ketel kapotsprong.
Reeds vóór Smeaton was men ertoe gekomen, in het bovenste stuk van de ketel een licht verende koperen schuif te zetten. Deze moest de stoten van de zuiger onschadelijk maken. Smeaton deelde het verbindingsstuk tussen cilinder en ketel in twee delen. Tussen de twee stukken zette hij een verende mof. De cilinder echter zette hij niet, zoals zijn voorgangers, op een voetstuk, maar hing hem tegen de muur van de machinekamer in een raam van verende houten balken.
Met al die verbeteringen slaagde hij er in, de werking van de Newcomen-machine met vijfentwintig paardenkrachten te vergroten. Dat lijkt voor ons niet veel, maar voor de toenmalige tijd was het aanzienlijk veel, want terwijl Newcomen met zijn beste machine vijftig paarden kon vervangen, maakte de machine van Smeaton, alhoewel zij minder brandstof verbruikte, vijfenzeventig paarden overbodig.
De vuurmachine
De Duitse ingenieur Max Eyth heeft in zijn jeugd nog een verbeterde Newcomen-machine zien werken. De geweldige indruk, die zij op hem maakte heeft hij nooit vergeten. Toen hij zijn roman « De Kleermaker van Ulm » schreef, stichtte hij een monument voor de machine, door te schrijven: «Onderweg naar de machinekamer hoorden zij de doffe, geheimzinnige slagen van het monster met iedere stap duidelijker worden. Voor het huis leek de grond te beven, kettingen rinkelden, stangen rammelden; achter het machinehuis hoorde men water ruisen, alsof een forse beek over rotsen liep. Toen zij de hoge, zwak verlichte ruimte binnentraden, was het eerst moeilijk iets te onderscheiden. Een donker, vormloos ding, zoiets als de bovenkant van een reusachtige zuil, stond op een onderstel van ruwe stenen. Dat was de nieuwe cilinder, waar een blinkende, ronde stang uit naar boven schoot, om er dan weer in weg te zinken. De stang hing aan een zware ketting die heel hoog, bijna aan het dak van het gebouw, door een arm van zware houten balken naar boven getrokken werd, die zich langzaam en plechtig op en neer bewoog, maar bij iedere neerwaartse slag met een dreunend geweld op een onderlaag terechtkwam die in het metselwerk was vastgezet. Achter de stenen pijler, die het draaipunt van deze op een weegschaal lijkende dubbele arm droeg, hing, eveneens aan een ketting, de geweldige stang van een pomp, die in de onpeilbare diepte van een donkere schachtopening verdween. Aan de armen van de weegschaal hingen voor en achter de pijler nog meer stangen. Sommige daarvan trokken aan wonderlijk gevormde hefbomen of klossen, die soms de gang van de hoofdstang volgden, maar dan ineens, alsof zij kwaad waren, zelfstandige, onverwachte grijpbewegingen maakten. De stang aan de andere kant van de pijler zoog aan een kleine pomp, die in een kleine kuil verborgen was en met heftige stoten dampend water in een goot deed lopen, dat door een gat in de muur verdween.
Dat was dus de vuurmachine. Naast haar, in een plompe mantel van baksteen gemetseld, stond de stoomketel. Daarvoor stond een van zweet druipende, koolzwarte man. Als hij de deur van het vuur opende, om nieuwe kolen in de gloed te werpen, lichtte de hele ruimte met hefbomen en klossen, de blinkende zuigerstang en de zwarte kettingen in een vlammend rood licht op, zodat wild bewegende, bijna tastbare schaduwen in de hoeken van het donkere gebouw rondspookten. Maar het naargeestigste waren de geluiden van het monster.
Het was een gekraak en gesteun, geknal en gekraak ! Het siste en suisde, zuchtte en kreunde, nu eens hier, dan weer daar, alsof er in ieder hoekje een andere kobolt zat. Maar alles werd overstemd door de donderende slag daarboven, als de zware weegschaal op de onderlaag terechtkwam. Op die slag volgde er vijf seconden lang een plechtige stilte. Dan was het, alsof er iemand beneden op een ijzer klopte; langzaam, met tegenzin als het ware zette de weegschaal zich weer in beweging, onder in de schacht krasten de pompen en het angstaanjagende spel, het kreunen en zuchten, suizen en sissen, knallen en slaan begon opnieuw.
Wie denkt daar nog aan, als hij de spiegelblanke salon binnenkomt. waar tegenwoordig een stoommachine van duizend paardenkrachten met een nauwelijks hoorbaar zuchtje, zo niet volkomen geluidloos, haar reusachtig werk verricht? Zo echter zag het er uit en klonk het, toen de stoommachine in haar jonge jeugd voor het eerst haar ledematen begon te bewegen! »
Het zou vergeefse moeite zijn, deze schets nog te willen uitbreiden. Ieder onderdeel van de machine is hier beluisterd en alle geluiden zijn trouw weergegeven. Inderdaad was het geheimzinnigste bij de vuurmachine, als na de slag van de balans een beklemmende stilte intrad. Dat waren de seconden, waarin de cilinders van de pomp leegliepen, de stoomventiel geopend werd en het gewicht van de pompstang aan de balans als het ware op het idee scheen te komen, dat zij immers een heel klein beetje zwaarder was dan de zuiger en zij met tegenzin, steunend begon in de diepte te zinken en de zuiger naar boven te trekken.
Genie en vlijt
Toen op het einde van de negentiende eeuw in Engeland beweerd werd, dat James Watt de enige ware uitvinder van de stoommachine geweest was, kwamen andere geschiedschrijvers zo fel tegen die bewering op, dat zij in hun ijver, James Watt bijna alle verdiensten ten opzichte van de stoommachine wilden afstrijden. Sommigen zeiden zelfs, dat Watt alleen een genie genoemd was, omdat de eigenaar van de fabriek waarin de stoommachine van Watt gebouwd werd, te veel kapitaal in de zaak gestoken had. Om dat kapitaal te redden zou hij geweldig misbaar gemaakt hebben om de betekenis van Watt te kunnen opblazen en alle mensen inderdaad wijs te maken, dat er iets bijzonders aan de machine was. Volgens de mening van deze ijverige historici zou het genie van James Watt dus eigenlijk slechts een product van de reclame zijn.
James Watt
Gelukkig bezitten wij tal van onbevooroordeelde getuigenissen omtrent Watt. Niet alleen de patentakte van Watt zijn bewaard gebleven, maar iedereen die onbevangen is kan zich uit de talrijke beoordelingen der tijdgenoten een beeld van de werkelijke betekenis van deze man vormen. Door verscheidene documenten kan men zelfs heel precies het moment bepalen, waarop James Watt voor de eerste keer met het probleem van de stoommachine in aanraking is gekomen. Het was in 1759, dus in hetzelfde jaar waarin Smeaton zich voor het eerst met de machine van Newcomen bezighield. Watt was toen tweeëntwintig jaar en mechanicus aan de universiteit van Glasgow. Hij wist evenweinig van Smeaton als Smeaton van hem.
Het verschil tussen beide mannen is zeer groot. Smeaton, de molenbouwer, toch al een gerijpt man, was gewoon voor zijn dagelijks brood te werken. De jonge Watt is een hongerlijder en een dromer. Hij neemt alle opdrachten aan om zijn leven te rekken, maar daarbij gaat hij tot de grond van alle dingen. Als hij een scheepskompas moet maken, doet hij dat niet eerder, of hij moet eerst alle mogelijke litteratuur over scheepskompassen gelezen hebben die er bestaat. Als hij van een zijner vrienden hoort, dat er in Duitsland een boek van de schrijver Leopold verschenen is met de titel « Der Schauplatz der Maschinen », gaat hij Duits leren, alleen om dat boek te kunnen lezen. Als hij opdracht krijgt om een draaiorgel te maken gaat hij compositieleer studeren, en als men hem het model van de machine van Newcomen in zijn werkplaats neerzet, ziet hij al gauw, dat men de grondfouten van de machine niet uit de weg kan ruimen zonder in de constructie ervan in te grijpen.
De koele, praktische Smeaton werkt anders dan Watt. Hij aanvaardt de machine in haar grondtrekken als gegeven en onveranderlijk, hij meet alles zorgvuldig na en vindt met zekerheid ieder klein gebrek, iedere krachtverspilling en alles wat overbodig is. Het gelukt hem echter niet in het fundamentele door te dringen. Hij geeft zich ook helemaal de moeite niet om dat te doen. Hij is een ingenieur die het heel druk heeft en niet over de tijd, misschien ook niet over het talent beschikt om zich zó te concentreren, dat hij fundamentele, theoretische beschouwingen kan houden. Smeaton bezit een scherp verstand, hij is een zeer begaafd ingenieur, maar James Watt is een genie.
« Genie », heeft Goethe gezegd, « is vlijt ». Met dit harde woord wilde hij diegenen afstraffen, die doen alsof het genie alles maar in de schoot valt. Dat genie nog meer is dan vlijt, namelijk vlijt én de zeldzame gelukkige fundamentele gave om de vlijt productief te maken, heeft Goethe nooit willen betwisten. Het leven en de daden van James Watt zijn een bijzonder mooi voorbeeld voor de werking van het geniale.
Watt is een Schot. Dat moet men begrijpen en in gedachten houden als men hem wil doorzien. Schotten gaan door voor gierig. De gierigheid van Watt uitte zich allereerst in de pijnlijke liefde van de uitvinder voor het geld, in zijn correctheid, in zijn terneergeslagenheid als hij schulden moest maken en in de krenterigheid die hij nog tegenover zijn zoons aan de dag legde, toen hij al een zeer rijk man was.
Nog indrukwekkender echter komt die vrekkigheid tot uitdrukking, als Watt de grote dingen van het leven gaat overpeinzen. Dan wordt zijn gierigheid scheppend, dan vervluchtigen de Schotse moppen over de gierigaards en reiken hem niet eens meer tot de enkels. Toen Watt in de wijsheid van zijn ouderdom was, zeer in aanzien en met achter zich een succesvol leven, zei hij in een gesprek over de problemen van de mechanica: « Het is belangrijk te weten wat men niet nodig heeft om iets te maken. » De gierigheid van de Schotten, die in dit geweldige woord tot uitdrukking komt, reikt tot in de
wolken. Het is een vergeestelijkte gierigheid, die niets meer met kleinzieligheid uitstaande heeft. Die gierigheid is de grondtrek van de grootste uitvinding van James Watt en rechtvaardigt de eigenaardigheden van het merkwaardige volk in zijn geruite rokken op een snedige wijze.
James Watt was er trots op, een Schot te zijn. Van het parallellogram naar de rechtlijnigheid van de zuigerstang, hetgeen hij voor zijn grootste uitvinding hield zei hij: « Hiervan moet u zeggen, dat dit het werk is van een Schot. »
Op de beslissende ogenblikken van zijn leven werkt James Watt altijd met Schotten samen. In zijn jeugd valt de laatste gewapende opstand van de Schotten tegen de Engelse macht. De natie die dan samen met James Watt opgroeit ziet ervan af, haar eigen aard met het wapen in de hand te verdedigen. Zij brengt haar recht op een eigen geaard bestaan tot uitdrukking in een rij van grote daden van civilisatie. Het is een generatie van uitvinders en ondernemers. Zij is bezield van de eerzucht Schotland te maken tot een monster van modern denken en de stoommachine, die James Watt verbetert, dwingt niet alleen Engeland, maar ook alle andere naties in de ban van het Schotse denken.
Door de stoommachine van James Watt zijn de bewoners der wereld zo rijk geworden, zoals zij nooit hadden kunnen dromen. Watts grootste uitvinding, de condensator, is ontstaan doordat de gierige Schot er niet overheen kwam, dat de machine van Newcomen zo krankzinnig veel stoom vermorste. Pas toen aan deze verspilling een eind gemaakt was, werd de stoommachine de uitvoerster van de grote revolutie, die zich in de moderne tijd heeft voltrokken.
Een levendig verteller
James Watt werd op 19 januari 1736 in Greenock geboren. Het land van sagen en zangen, van doedelzakspelers en dagdromers, het vaderland der romantische opstandelingen, der roversliederen, de eeuwige voedingsbodem van een mateloze mannelijke trots liet in dit kind al zijn eigenaardigheden groeien. Als James Watt niet zijn hele leven lang machines had moeten bouwen, zou hij zeker dichter geworden zijn. Walter Scott, de grote dichter, roemde het verteltalent van de uitvinder. Dit literaire talent demonstreerde zich al zeer vroeg en toen hij eens als veertienjarige bij een tante in Glasgow op bezoek was, beroofde hij de familie van de slaap, omdat hij iedere avond verhalen begon te vertellen. De jongen vertelde zo spannend en boeiend dat iedereen aan zijn lippen hing en niemand waagde het, naar bed te gaan, uit vrees het einde niet te horen. Tenslotte bracht de tante de jongen vroeger dan afgesproken was naar Greenock terug, omdat zij door de vele nachtwaken overspannen en ziek geworden was. Zijn plezier in het fantaseren van verhalen bleef Watt tot op hoge ouderdom bij.
In zijn club wachten zijn medeleden iedere avond erop, dat de grijsaard zijn zetel bij het vuur zou schuiven om een verhaal te vertellen. Hij sprak zo vlot en vlug, dat niemand ooit durfde denken, dat Watt zijn verhalen al vertellende bedacht. Toen hij eens begon te haperen en vaker dan anders in zijn snuifdoos greep, vroeg een van de clubleden: « Vandaag vertelt u zeker iets wat u zelf verzonnen hebt? » — « Die vraag », antwoordde Watt, « verbaast mij. Sinds jaren breng ik nu mijn avonden al in uw midden door en heb nog nooit iets anders gedaan, dan u verhalen te vertellen, die ikzelf bedacht heb. »
Helaas heeft James Watt er nooit toe kunnen besluiten zijn verhalen op te schrijven. Het enige literaire gedenkteken, dat hij heeft nagelaten, zijn zijn brieven. Zij staan vol beeldspraak en gelijkenissen en hun talrijke Latijnse citaten alsook uit andere talen bewijzen de rijke kennis van de man die alles wat hij wist zich zonder hulp had eigen gemaakt.
James Watt was de man met hoofdpijn. Die kwaal heeft hem zijn hele leven lang geplaagd en liet pas op latere leeftijd na. Zijn hoofdpijn verhinderde hem toen hij klein was regelmatig de school te bezoeken en later heeft hij de grote werkstukken van zijn leven telkens weer dagenlang moeten onderbreken, omdat de hoofdpijn te erg was en zij hem het denken onmogelijk maakte.
Om de pijn te doen afnemen was hij al vroeg in zijn leven verplicht lange wandelingen te maken. Gedurende die tochten kreeg hij vaak de beste ideeën, en ook de grootste vondst van zijn leven, de uitvinding van de condensator schoot hem te binnen toen hij op de wandeling was. De wandelaar met de hoofdpijn is een goed voorbeeld voor de bewering van Aristoteles, dat de mens alleen iets verstandigs invalt als hij gaat wandelen.
Een vermogen in de vingers
De lievelingsbezigheid van Watt was het hengelen. Aan de ruisende beek gezeten, « koel tot aan het hart», gehuld in de dichte nevel van zijn vaderland en met alleen het gekrijs der vogels boven zich, heeft de uitvinder de gelukkigste uren van zijn leven gekend. Hij was een beschouwend mens, die graag rustig geleefd zou hebben. Zijn genie echter en de treurige omstandigheden waarin hij zich lange tijd bevond, dwongen hem telkens tot nieuwe ondernemingen en pas op hoge leeftijd vond hij wat behagelijkheid en vrije tijd.
De vader van de uitvinder was een rechtschapen en arme man. De inwoners van Greenock maakten hem vanwege zijn rechtschapenheid burgemeester. Ook de grootvader, een zoon van een landbouwer uit het graafschap Aberdeen, was al burgemeester van Greenock geweest. De grootvader had zich in de tijd der revolutie onder Karel I naar Greenock begeven. Het ligt aan zee en die grootvader kon in die plaats gemakkelijker een bestaan vinden dan ergens anders. Hij was leraar in wis- en scheepvaartkunde. Zijn zoon, de vader dus van de uitvinder, heette eveneens James en was timmerman en scheepsbouwer. Zijn werkplaats lag in een bocht van de zeekust. Het bleek dat men in Greenock wel een man had kunnen gebruiken die de theorie van de scheepvaart kon onderrichten, maar geen
scheepstimmerman. De vader moest de zaak dus al gauw over een andere boeg gooien. In zijn werkplaats werden scheepslieren gemaakt, meubels en doodkisten. Ook had hij een voorraad van katrollen, pompen en kanonaffuiten. Af en toe hield hij zich ook bezig met zakelijke speculaties, maar het geluk was hem niet goed gezind.
Zijn vijf kinderen verloor hij allemaal op zijn zoon James na. James was het vierde kind, het vijfde kwam om, gedurende een reis naar Amerika. James was zo zwak, dat men hem in het oude Sparta beslist niet in leven gelaten zou hebben. Op school gold hij voor dom en achterlijk. Hij wist eerst de welwillendheid van zijn leraren te verwerven toen hij in de wiskundeklas kwam, waar hij uitstekend voldeed. De ruwheid van zijn speelgenoten was oorzaak dat de jongen zich hoe langer hoe meer in zichzelf keerde. Door de vele onderbrekingen van het schoolbezoek als gevolg van de hoofdpijnen hield zijn vader hem tenslotte thuis om te werken. Hij maakte een kleine draaibank voor hem in zijn werkplaats. Aan deze draaibank en aan de bankschroef zat hij het liefst. De arbeiders van zijn vader hadden zo’n grote bewondering voor zijn handigheid dat zij gezegd moeten hebbe : « Die jongen heeft een vermogen in zijn vingers. »
De vroegrijpe ontwikkeling van de knaap viel ongetwijfeld toe te schrijven aan zijn zucht om van buiten te leren. Balladen en prozastukken, die hem bevielen, las hij zo lang dat hij ze van buiten kende. Overdag ging hij met zijn vader om en ’s avonds met zijn moeder en de boeken.
De Schotse opstand tegen de Britse heerschappij vlamde nog in zijn kinderjaren op en de bewapende troepen der Hooglanders kwamen ook naar Greenock. Al heel vroeg werd de jongen zich derhalve de traditie van zijn voorvaderen bewust. De overgrootvader was in een gevecht van de presbyteriaanse verbondenen tegen de koninklijke troepen om het leven gekomen en de grootvader gold voor de overheid, vanwege zijn protestantisme als een « weerbarstige schoolmeester ».
Onder de vele boeken, die Watt in zijn kindertijd gelezen heeft, bevond zich ook het tweedelige werk van ’s Gravezande « Elementen der Natuurfilosofie ». Daarin stonden de toen bekende wetten der mechanica, van de lucht en de stoomdruk, alsook die van het licht en de elektriciteit, verlucht met talrijke plaatjes.
Om te beseffen welke indruk dit werk op de gevoelige jongen maakte, moet men zich kunnen voorstellen welk een plezier men in die tijd had in het experimenteren. De ontwikkelde volwassenen deden toen wat tegenwoordig de kinderen doen. Zij namen vlijtig elektrische proeven, zij gingen de samenstelling van het witte licht uit bonte kleuren na en hadden er plezier in als zij erin slaagden de proeven van Otto von Guericke te herhalen. Iedereen probeerde de nieuw uitgevonden barometer te krijgen en een verrekijker te bezitten. Zo bloeiden de exacte wetenschappen ook in de spelletjes die op vrije avondjes door de volwassenen gedaan werden en de zestienjarige James Watt verraste zijn vader en diens knechts ermee, dat hij hun op zekere dag een elektriseermachine demonstreerde, die hij volgens de beginselen van Otto von Guericke gebouwd had.
Watt had tot zijn veertiende jaar de handelsschool van Greenock bezocht en toen nog vier jaren in een gymnasium doorgebracht, waar hij Latijn en Grieks leerde en zijn wiskundige kennis verdiepte. In die tijd had de Schotse Lord Napier van Merchiston de logarithmen ingevoerd en daardoor de wiskunde uitgebreid. Watt moest beslissen, welk beroep hij zou kiezen. Hij zou graag dokter geworden zijn. Zijn hoofdpijnen hadden hem al vroeg met de geneesheren in aanraking gebracht. De geneeskunst had toen juist nieuwe perspectieven gekregen. De microscoop was uitgevonden en de wereld van de kleine levende wezentjes ging open voor de ogen van de mens. In de jeugd van Watt valt ook nog de ontdekking van Trembley, dat de zoetwaterpoliep die een centimeter groot is zich in tien stukken laat snijden zonder haar leven te verliezen en dat ieder stukje een nieuwe poliep wordt. Daarmee was de wereld van de cellen ontdekt en de mensen schiepen nieuwe hoop voor hun strijd tegen de ziekten.
Tegen zijn eigen zoon heeft Watt later gezegd, dat hij zeker dokter geworden zou zijn, als hij er tegen had gekund het lijden van de zieken aan te zien. Zijn gevoeligheid en ongetwijfeld ook het geldgebrek van zijn vader hielden hem van de studie in de medicijnen af. Daar zijn vader wenste, dat de jongen iets zou doen, dat boven de bekwaamheid van een scheepstimmerman uitging en dat tegelijkertijd in overeenstemming was met de gegeven omstandigheden, nam James Watt het besluit, het vak van mechanicus te leren. In Greenock was geen meester te vinden en dus verhuisde de jonge James op zijn achttiende jaar naar zijn verwanten in Glasgow. Behalve door de beroemde universiteit was deze stad toen alleen bekend door haar tabakshandelaren en haar domheid. Zij had slechts twee hoofdstraten die elkander kruisten, en het enige plezier der kooplieden in hun scharlakenrode rokken bestond hierin, dat zij ’s avonds hun gepoederde haren en de hanenveren van hun hoeden in deze straten lieten bewonderen en dan bij elkaar kwamen om een geweldig goed glas te drinken.
Toen er in de stad, waarvan de huizen nog met stro bedekt waren, eens een toneelgroep binnentrok, voelden de kooplieden zich zodanig in hun godsdienstige gevoelens gekwetst, dat zij het toneel bestormden en de spelers verjaagden.
Watt heeft later als mechanicus van de universiteit zeer lang in Glasgow gewoond, maar zijn eerste poging, er een meester te vinden en als leerling in Glasgow te wonen, mislukte. Wel kwam hij in de leer bij een man, die zich opticien noemde. Deze man handelde echter ook in violen en spinetten en was vooral knap in het maken van vishengels en netten. Voor iemand die graag hengelt is het erg belangrijk te weten hoe het riet gespleten moet worden, maar daarvoor was Watt niet naar Glasgow gekomen.
De hoogleraar Dr. Dick voor wie de jonge Watt een aanbevelingsbrief had, gaf hem de raad, naar Londen te verhuizen en dus reed de jongeling in gezelschap van een oude kapitein achttien dagen lang over land totdat hij in Londen was.
In Londen bemerkte hij spoedig, hoe moeilijk het voor hem zou zijn, een leermeester te vinden. De meesters in de mechanica verlangden indertijd, dat een leerling zeven jaar in de opleiding zou zijn. Deze voorwaarde kon Watt niet vervullen. Dan had hij immers ook medicijnen kunnen gaan studeren. Daar hij aanvankelijk geen leermeester kon vinden, ging hij naar een klokkenmaker, een oom, gratis in dienst en hielp hem klokken te repareren. Intussen oefende hij zich in het graveren. Zijn vader had gedurende die tijd thuis wat geld kunnen overleggen en de jonge Watt ging een overeenkomst aan met een echte meester-werktuigkundige, Morgan geheten. De meester verplichtte zich, tegen een leergeld van twintig guinjes en eigendomsrecht op de gemaakte werkstukken, James Watt een jaar lang in de kunst van de instrumentenconstructie te onderrichten.
Liever reumatiek dan Indië
Morgan moet werkelijk een meester in zijn vak geweest zijn, want reeds na een maand was James Watt in staat, een uitstekende hoekmeter te maken. Op het einde van het jaar leverde James Watt zijn meester een sector van messing af. Dit gold voor een der moeilijkste dingen die men van een bekwaam instrumentmaker kon verlangen en dat Watt al na een jaar meester was, vindt niet alleen zijn oorzaak in zijn bijzondere bekwaamheid maar ook in het feit, dat hij de nachtelijke uren gebruikte en overigens nauwelijks van zijn plaats in de buurt van de winkeldeur wegging. In een van zijn brieven uit die tijd schreef hij, dat ’s nachts, als hij zijn bed opzocht, zijn handen erg beefden en dat hij last had van kou, hoesten en reumatiek. Hij zat echter liever op zijn tochtige plaats bij de deur van de winkel, dan dat hij naar buiten ging. Op de eerste plaats was daardoor zijn leven goedkoper — hij gaf toen nog slechts acht shilling in de week uit en op de tweede plaats was hij op straat niet veilig. In die tijd immers trokken er werftroepen door de straten en dwongen de jonge mannen ertoe matroos te worden. Het lot, aan de Oost-Indische Compagnie of aan een Amerikaanse planter verkocht te worden en op de katoenvelden te moeten werken, bedreigde toen iedereen, wiens papieren niet helemaal in orde waren. Wie zich voor de Lord-mayor niet kon legitimeren, werd overzee gezonden, en Watt kon zich niet legitimeren, omdat hij zich op een ongeoorloofde leerlingsplaats bevond.
Na zijn jaar leertijd ging Watt om van zijn kwellende hoest af te komen, voor een paar weken naar Schotland terug. Gedurende zijn wandelingen kwam hij op het idee, dat hij zich eigenlijk als mechanicus in Glasgow zou kunnen vestigen. De oude pianostemmer en hengelmaker zou hij daardoor niet veel last aandoen en voor zichzelf zou het voordelig zijn, wijl er immers in Glasgow geen behoorlijke instrumentmaker bestond.
Met een paar honderd gulden op zak, die zijn vader hem had gegeven, keerde hij in de herfst van 1756, nauwelijks twintig jaar oud, naar Glasgow terug en werd door de gildemeesters uitgelachen, toen hij hun verzocht, zich als werktuigkundige in hun midden te mogen vestigen. De gildemeesters motiveerden hun bezwaar tegen Watt door op te merken, dat hij geen zoon van een burger was en geen behoorlijke opleiding had genoten. Iedereen, die aan de broodkorf zit, probeert een ander er natuurlijk verre vandaan te houden.
Niet te slim willen schijnen
De professoren van de universiteit redden de jonge mechanicus ervoor met schande overladen weer te moeten vertrekken. Het gebied der Universiteit was een vrij gebied en door privilegies beschermd tegen ieder ingrijpen van de overheid. De professoren ruimden voor James Watt in de zomer van 1757 een kleine ruimte in in het gebouw van de universiteit, waar hij zijn werkplaats mocht inrichten. Later stonden zij hem ook toe dit vertrek door middel van een deur te verbinden met een ander en dit laatste vertrek kwam op straat, uit en had een winkelraam. In die werkplaats verbeterde Watt de instrumenten van de universiteit en nam overigens alle opdrachten aan, die hij krijgen kon. Hij bouwde violen, klarinetten, draaiorgels en tenslotte zelfs orgels.
Zijn werkplaats werd tot een geliefkoosd trefpunt van de geleerde wereld van Glasgow. Daar troffen de professoren elkaar met hun beste studenten, rookten er hun pijp, wisselden nieuwtjes uit en probeerden de jonge werktuigkundige bij zijn werk te helpen of hem van zijn werk af te houden. Voor de veelzijdige Watt was deze omgang heel prettig, en alhoewel hij toen nog niet zo geleerd was, wonnen de professoren in alle aangelegenheden der mechanica toch zijn raad in. De later zo beroemd geworden professor Robison, toen student in Glasgow, heeft ons een beschrijving nagelaten van zijn eerste ontmoeting met Watt, waarin hij erkent, hoezeer hem de kennis van de mechanicus verblufte.
« Ik was ijdel genoeg om te denken, dat ik het in de studie van de wiskunde en mechanica ver gebracht had, en was pijnlijk getroffen toen ik bemerkte, dat Watt veel meer wist dan ik. Maar zijn plezier in zulke dingen maakte dat een praatje daarover met iedereen een genot voor hem was. Met een aangeboren charme ving hij mijn nieuwsgierigheid op en moedigde hij mij aan tot nadere kennismaking met hem. »
Op een andere plaats zegt Robison : « Ik heb veel van de wereld gezien, maar ik moet bekennen, dat ik nooit een tweede ontmoet heb, wiens superioriteit iedereen erkende en voor wie zij zo’n genegenheid hadden. Want zijn superioriteit ging schuil onder de meest beminnelijke oprechtheid en hij was bereid, altijd de verdiensten van anderen te erkennen. Hij had zelfs het liefst, als hij dingen, die in werkelijkheid slechts uitwerkingen van zijn eigen aanwijzingen geweest zijn, kon toeschrijven aan de scherpzinnigheid van een vriend. »
In 1759 vroeg Robison de aandacht van James Watt voor de idee, een wagen door een stoommachine te doen besturen. Watt, die toen nog niet veel van stoom begreep, ging toch bereidwillig op de plannen van zijn vriend in en vervaardigde uit blik het model van een dergelijke wagen. Hij werkte echter niet en het zou Watt plezier gedaan hebben met zulke dingen niets meer te maken te hebben, omdat hij zich wegens zijn gebrek aan kennis niet zeker erbij voelde. Tenslotte, omdat Robison telkens maar weer over de stoommachine sprak, ging Watt eens naar Dr. Black, professor in de scheikunde in Glasgow, die toen juist bezig was met studies over waterdamp. Watt liet zich door hem zoveel over de aard van de stoom vertellen, als Black zelf wist. Black heeft later en bijna tegelijkertijd met James Watt de latente, dat wil zeggen, de verborgen warmte in stoom ontdekt, maar toen was hij nog maar aan het begin van zijn arbeid en wat hij de mechanicus kon vertellen, was niet veel.
Men heeft al aan het voorbeeld van Heron gezien, dat iemand, die stoom-automaten bouwt, niet bepaald hoeft te weten, wat stoom is. Heron was van mening, dat de stoom lucht was, die door het vuur uit het water was verdreven. Tegen deze mening, die meer dan vijftienhonderd jaar lang opgeld gedaan heeft, stelde Denis Papin een nieuwe opvatting. Deze zei, stoom is een door het vuur veroorzaakte bijzonder elastische vorm van water. Die mening was juist en kwam met die van Heron alleen in dit opzicht overeen, dat vuur in staat is, de vaste natuur van iedere stof te veranderen. Boyle had er Papin op gewezen, dat het kookpunt van iedere vloeistof hoger is, naarmate de druk die er op rust sterker is.
Deze nieuwe inzichten had een zo eenvoudig man als Thomas Newcomen niet kunnen volgen. Hoe hij over de stoom dacht, blijkt wel uit het boek, dat de Zweedse ingenieur Marten Triewald over de stoommachines van Newcomen geschreven heeft. Newcomen en Triewald waren de oude mening van Heron toegedaan, dat niet het water de kracht heeft zich uit te zetten, maar alleen de lucht. Stoom was niets anders, zo leerden Newcomen en Triewald, dan uitgezette lucht, die door het vuur uit het water verdreven was.
Dr. Black was weer op de gedachten en waarnemingen van Boyle en Papin teruggekomen en formuleerde zeer nauwkeurige waarnemingen. Hij sprak met nog groter duidelijkheid uit, wat Papin nog aarzelend gezegd had: stoom is een gas, damp en stoom zijn hetzelfde. Waterdamp is de door vuur veroorzaakte gasvorm van het water.
Black spoorde James Watt aan, dezelfde proeven te nemen als hij zelf gedaan had en beval hem aan daarvoor het model van de Newcomen-machine weer in elkaar te zetten, dat in de universiteit aanwezig was.
Zo begonnen toen in Glasgow de onderzoekingen naar de natuur van de stoom, die weliswaar niet door Black en Watt ten einde gebracht zijn — pas in het midden van de negentiende eeuw voltooiden andere geleerden dit werk — maar die toch tot verrassende en revolutionaire resultaten leidden.
Stoom is onzichtbaar
Als wij tegenwoordig in een wetenschappelijk naslagwerk het hoofdstuk « stoom » doorlezen, wordt ons een rij van feiten meegedeeld. Deze feiten zijn zo talrijk, dat wij ze nauwelijks kunnen overzien en onthouden. Als het ons bij het lezen van glasheldere resultaten al zo vergaat, hoe moet het toen dan de beide mannen te moede geweest zijn, die stap voor stap in het nieuwe gebied doordrongen en van wie de een bij zijn werk door de hevigste hoofdpijn geplaagd werd!
Men stelle zich zelf maar eens op de proef. Men vrage aan een mens van onze eeuw volkomen argeloos, wat eigenlijk stoom is. Als hij ons al antwoord geeft, zal hij zeggen, dat stoom dat witte walmende goedje is, dat uit een hete theeketel opkringelt. Als wij hem nu zeggen, neen, dat is geen stoom, maar alleen de waternevel, die zich door de koude van de lucht uit de eigenlijke, onzichtbare stoom vormt, zal hij grote ogen opzetten. Om het nog duidelijker te zeggen: als stoom uit een ventiel stroomt, dan is de stoom niet dat witte, maar dat onzichtbare kleine stuk tussen de witte nevel en de uitmonding van de ventiel. Dat men de stoom niet zien kan, wordt nog duidelijker als men naar het peilglas van een stoomketel kijkt. De ketel staat onder druk, hij voert voortdurend stoom naar de cilinder en als men de stoom zou kunnen zien, zou er toch boven het water in het peilglas een witte nevel moeten hangen. Maar men ziet daar niets, alleen maar een schijnbaar lege ruimte. Zo ziet men, dat men niets ziet en dat dit, wat men niet ziet, stoom is.
Stoom is een gas, waarvan het ontstaan niet onmiddellijk van de verhitting van een vloeistof afhangt. Iedere vloeistof verdampt voortdurend, alleen noemt men de verdamping zonder verhitting vervluchtiging. Wat wij de stoomvorming noemen, treedt in alle geval pas bij het kookpunt van de vloeistof op. Als een vloeistof verdampt, dan verdwijnt zij niet, dat wil zeggen, zij lost zich niet op in het niets, maar zij gaat over in haar gasvormige toestand.
Het model van de Newcomen-machine stelde erg teleur. Nadat Watt haar gerepareerd had, zag hij, dat de machine niet eens een behoorlijke slag kon maken, alhoewel de stoomketel in verhouding tot de werkelijke machine buitengewoon groot was. Watt probeerde van alles en kwam evenals Smeaton op de gedachte, dat het beter zou zijn, ijzeren cilinders te nemen inplaats van de bronzen, die deel van de machine uitmaakten, Maar veel beter werd de machine daardoor niet en Watt ging nu terug tot het werk van Denis Papin. Hij schafte zich een Papinse pot aan. Op de veiligheidsklep van die pot zette hij een kleine cilinder met een zuiger en begon een reeks proeven te nemen, die hem tot dezelfde overtuiging brachten als Papin, namelijk dat er stoom bestaat van hoge spanning, die veel sterker is dan de kracht van de atmosfeer. Uitgerust met deze ervaring zou Watt een hogedrukstoommachine hebben kunnen bouwen. Hij overwoog dit plan ook, maar gaf het toen weer op, omdat hij van mening was, dat men nooit boven anderhalve atmosfeer druk zou mogen uitgaan. Een sterker druk zou ketel en cilinder uit elkaar doen springen en hogedrukstoommachines zouden derhalve tot een voortdurende bedreiging van de mensheid worden. Toen veel later een mechanicus in Londen een hogedrukstoommachine samenstelde en in zijn winkelraam liet lopen, noemde Watt hem openlijk een misdadiger.
Trevithick sterft in ellende
Deze man intussen was de geniale Trevithick. Hij bouwde locomotieven en redde met zijn hogedrukstoommachine de Peruaanse zilvermijnen van overstroming. De hogedrukmachine werkt zonder condensator. Zij laat de zuiger niet door de atmosfeer, maar door de druk van de stoom bewegen. Als de stoom zijn werk gedaan heeft, ontsnapt hij in de lucht.
Toen Watt vernam, dat Trevithick een druk van vier atmosfeer toepaste, zei hij, dat hij er in zijn stoommachine wel acht wilde gebruiken, maar dat hij niemand zou aanraden die machine te bedienen. In zijn toorn tegen Trevithick ging Watt zo ver, dat hij het Lagerhuis tegen de machinebouwer ophitste. Hij zei, dat Trevithick verdiende opgehangen te worden. De hogedrukmachine heeft zich echter tegen de inzichten van James Watt in gehandhaafd. Dat kon zij echter pas, toen men met behulp van de stoommachine van Watt voldoende erts kon winnen en de ijzertechniek zo ver ontwikkeld was, dat men voldoende stevige cilinders kon gieten die tegen de hoge druk bestand waren. Alle spoorweglocomotieven zijn hogedrukstoommachines. Zo heeft Trevithick toch gelijk gekregen, maar de vloek, die James Watt hem naar het hoofd slingerde, is op merkwaardige wijze in vervulling gegaan. Wel werd de machinebouwer niet opgehangen, maar hij stierf in ellende. Peruaanse bezitters van zilvermijnen zagen zijn machine in Londen. Zij haalden Trevithick naar Peru. Trevithick werd door de Peruanen met zilver overladen, maar hij raakte verstrikt in de warboel van de Peruaanse revolutie, verloor al zijn rijkdommen en kwam na een avontuurlijke vlucht over het Andesgebergte bij de Oceaan. Zijn enige rijkdom bestond uit een zilveren spoor aan zijn laars. Hij stierf in Londen zo arm, dat zijn vrienden een inzameling voor hem moesten houden, wilde hij niet als een hond-begraven worden.
De zachtmoedige Watt was zo heftig tegen Trevithick geweest, omdat hij niet wilde, dat men een zo gevaarlijk ding als stoom van hoge spanning zou gebruiken, zonder de natuur daarvan doorgrond te hebben. Hij ging daarom bij zijn eigen onderzoekingen weer een stap terug. Papin had de drukverhoudingen in zijn kookpot nooit precies kunnen bepalen. Watt stelde zich dit tot taak en zijn methode was zeer vindingrijk.
Hij deed in een glazen kolf een beetje water en kitte in de mond van de kolf een glasbuisje vast, dat bijna tot op de bodem van de kolf reikte. Uit de op die manier gesloten kolf konden lucht en stoom dus alleen door de buis ontwijken. Hij verhitte de kolf in een oven zo lang, dat al het water verdampt was en ook de lucht door de warmte en meegesleurd door de waterdamp de kolf verlaten had. De kolf scheen nu volkomen leeg te zijn, maar Watt wist, dat stoom eigenlijk een onzichtbaar gas is. Hij sloot de buis dus af, toen de laatste druppel water verdampt was, en hield de glazen kolf toen in een koude luchtstroom. Dat hoeven wij ons niet voor te stellen als een
ingewikkeld proces. Hij hield de kolf eenvoudig buiten het vensterraam. Daarbij nam hij waar, dat het onzichtbare gas door de koude weer in nevel en in water veranderde.
Toen woog hij de kolf, woog het uit de stoom door koude weer gecondenseerde water en vergeleek die cijfers met het gewicht van de met water gevulde kolf van vóór het experiment. Op die manier berekende hij, « dat een bepaalde hoeveelheid water bij verandering in stoom zich tot het achttienhonderdvoudige van zijn inhoud kan uitzetten. »
Bij zijn proeven met het Newcomenmodel was het Watt opgevallen, dat het ingespoten water voor de condensatie zeer snel heet werd, ook als de zuiger van de machine stilstond, dus als er geen druk op het water werd uitgeoefend, maar er alleen hete stoom in de cilinder stroomde.
Ook dit feit was voor Watt vervolgens een voorwerp van diepgaand onderzoek. Daarbij ontdekte hij de latente warmte van de stoom.
Het wonder van de verborgen hitte
Voor zijn onderzoekingen plaatste Watt twee waterketels naast elkaar. De ene bleef koud, de andere verhitte hij. Toen verbond hij beide ketels door middel van een gebogen glasbuis. De stoom uit de verhitte ketel werd op die manier in het koude water geleid. Dit zette Watt zo lang voort, totdat de stoom uit de kokende ketel het water in de koude ketel eveneens aan het koken gebracht had. Toen woog hij beide hoeveelheden water en stelde vast, dat het water dat eerst koud geweest was en waar de stoom in gevoerd was, met een zesde van zijn eigen gewicht was toegenomen. Dit leverde de stelling op: water, in stoom veranderd, is in staat het zesvoudige van zijn eigen gewicht aan gewoon water op kookhitte te brengen.
Achter die stelling lag evenwel nog een ander geheim verborgen. Het lag opgesloten in de vraag: Hoe kan kokend water alleen door de stoom te laten overbrengen het zesvoudige van zijn eigen gewicht aan het koken brengen, zonder zelf het kookpunt te overschrijden ?
Een enkel woord ter verduidelijking: we vullen een ketel met water, zetten er een thermometer in en leggen er een vuur onder aan. Het kwikzilver in de thermometer zal gaan stijgen tot aan het kookpunt en dan blijven stilstaan, ook als het kokende water al in stoom overgaat. Deze stoom is in staat zesmaal zoveel water aan het koken te brengen. Zijn temperatuur moet dus ver boven het kookpunt zijn. Nemen wij echter de thermometer uit het kokende water en houden wij hem in de stoom, dan blijft het kwik ook dan voortdurend op dezelfde hoogte. Bij het verdampen neemt het water derhalve grotere hoeveelheden warmte op en behoudt toch dezelfde temperatuur. Die warmte is latent, dat wil zeggen verborgen.
Daar Watt zich het wonder van de verborgen warmte niet kon verklaren, ging hij weer eens naar het laboratorium van zijn vriend Dr. Black. Hij vertelde Black van zijn waarnemingen. De professor hoorde hem glimlachend aan, stond toen op, haalde een boek uit zijn kast en legde het voor Watt op tafel. Het was een voordrachtenboek van Black en bevatte een voordracht over latente warmte. De professor was bij zijn werk tot precies dezelfde resultaten gekomen als Watt. Black had evenwel in de andere richting gewerkt. Hij had proeven genomen met ijs en bevonden, dat een zekere gewichtshoeveelheid ijs van nul graden Celsius in dezelfde gewichtshoeveelheid water van 80 graden Celsius smelt en dat dan de temperatuur van de beide hoeveelheden vloeibaar water nul graden is. Deze proef vulde hij aan met nog een andere. Een gewichtshoeveelheid water van nul graden met dezelfde hoeveelheid water van 80 graad levert gemengd een gemeenschappelijke temperatuur op van 40 graden. Daar mocht hij uit afleiden dat de uit het ijs voortgekomen hoeveelheid water 80 warmte-eenheden in zich had opgenomen, zonder dat die verborgen warmte zich direct – dus met een thermometer – liet meten.
Watt keerde weer naar zijn werkplaats terug en experimenteerde verder. Hij had nu al enkele feiten over de natuur van de stoom doorgrond, die tot dan toe onbekend geweest waren. Deze kennis alleen echter deed de Newcomen-machine geen haartje sneller lopen. Watt kende de uitzettingskracht van de stoom. Hij kende de verborgen warmte en kon toch niet bewerkstelligen, dat deze eigenschappen in de Newcomen-machine nuttig effect opleverden. De stoom verspilde zijn kracht bij de verwarming van de cilinder. Was de cilinder goed verwarmd, dan werd hij door het condenswater weer afgekoeld. Aan dit eeuwige wisselspelletje gingen krankzinnige hoeveelheden stoom verloren.
Over de Newcomen-machine ging toen in Engeland een mare rond, die de op spaarzaamheid bedachte Watt uit het hart gegrepen was. Zij luidde: « Om een mijn met een vuurmachine droog te houden, heeft men een ertsmijn nodig om de machine te maken en een kolenmijn om ze te verhitten ».
Watt tobde maar rond in zijn werkplaats, zonder dat hij ook maar iets opschoot. Om de boeken, die er over de stoom bestonden, te kunnen lezen, had hij drie talen geleerd: Italiaans, Frans en Duits. Om de proeven met de stoom te kunnen nemen, had hij zijn nachten opgeofferd en alle geld uitgegeven dat hij bezat. Zes jaren waren er met zijn studies verlopen, en zijn vrienden waren van mening, dat de mechanicus zich in een hopeloze situatie had vastgebeten. Watt kon zich evenwel niet meer uit zijn gedachten losmaken. Hij was melancholisch geworden en zei eens: « Ik kan niets anders meer denken dan de machine. »
Slechts één mens kon Watt uit zijn melancholie tijdelijk bevrijden. Dat was zijn nicht, die hij in 1764 gehuwd had, wier vrolijk temperament hem betoverde en die hij de mooiste brieven schreef. Deze vrouw stond hem dapper ter zijde en uiterlijk gezien ging het Watt niet slecht. Hij had zich, om al zijn krachten aan de machine te kunnen wijden, een man gehuurd, die de boeken voor hem bijhield en door wiens handigheid de werkplaats tot bloei gekomen was. Watt bood deze flinke Craig deelgenootschap aan en hij heeft zich die grootmoedigheid nooit berouwd. In 1765 werkte de inrichting met zestien gezellen.
Een vruchtbare wandeling
In dat gedenkwaardige jaar kreeg de uitvinder gedurende een wandeling de verlossende gedachte. Daarover bericht hij zelf :
« Op een zondagmiddag had ik buiten Glasgow een wandeling gemaakt. Toen ik mij halverwege tussen het Hirtshuis en de Arnsbron bevond en mijn gedachten natuurlijk toefden bij de proeven waar ik juist mee bezig was om warmte in de cilinder te sparen, kwam net op dat gedeelte van de weg de gedachte bij mij op, dat daar stoom een elastische damp is, hij zich moet uitzetten en in een van te voren luchtledig gemaakte ruimte storten; ik overlegde, dat ik alleen een met verdunde lucht gevulde ruimte in een
afzonderlijk vat hoefde te maken en van dit vat uit een verbinding te maken met de cilinder. Dan zal de stoom uit de cilinder in de luchtledig gemaakte ruimte trekken en de machine kan werken. »
Uit deze grondgedachte ontwikkelden zich voor Watt in verloop van twee dagen al de revolutionaire verbeteringen die hij aan de stoommachine heeft aangebracht.
Hij beredeneerde, dat de stoom alleen spaarzaam te gebruiken was, men de cilinder niet voortdurend dwong af te koelen en dan weer heet te worden, maar als men hem voortdurend warm hield, zodat hij geen stoom kon doen condenseren. Dat was op eenvoudige manier te bereiken door de beschermende cilindermantel, die bij Newcomen altijd met koud water gevuld was, met stoom te vullen. Maar zover durfde Watt pas later te denken. Voorlopig ging hij er toe over, het koude water uit de stoomcilinder te verbannen. Hij overwoog, dat men van de cilinder een buis naar een ruimte zou lijden. Die ruimte moest men vervolgens in verbinding stellen met een luchtpomp. Als men nu met de luchtpomp in die ruimte een luchtledig verwekte, zou de stoom uit de cilinder in die ruimte storten en in de cilinder een vacuüm achterlaten. De buitenlucht drukte de zuiger dan weer in de cilinder omlaag. Van de bodem van de cilinder kon de zuiger dan weer meteen naar boven gaan, omdat nu immers de cilinderwand niet meer opnieuw verwarmd hoefde te worden. Zo zou de ene slag op de andere kunnen volgen. De machine zou heel goedkoop werken en daarbij de prestaties van de machine van Newcomen veelvoudig overtreffen. Niet zestien slagen in de minuut was het ideaal, maar zestig.
Zo volgde de ene gedachte de andere op en toen Watt zich er toe zette een kleine proefmachine te bouwen, had het nieuwe zich al zo ver in zijn hoofd ontwikkeld, dat hij de machine op de volgende manier maakte :
Van de stoomketel D uit ging een buis omhoog. Zij leidde naar de cilinder. De cilinder Z was echter niet meer boven, maar naast de stoomketel aangebracht. De verbindingsbuizen tussen stoomketel en cilinder werden vertakt en kwamen boven en beneden in de cilinder uit. De zuigerstang St kwam bij de proefmachine niet boven uit de cilinder doch beneden. Twee stoomleidingen kwamen dus in de cilinder uit, een derde leidde naar buiten en verbond de cilinder met het vat K, waarin het luchtledig tot stand gebracht moest worden. Dit vat was met een pomp P verbonden. De pomp en het luchtledig werden in een kuip geplaatst, waar zich koud water in bevond. Dit moest het luchtledige vat zo laag gekoeld houden, dat de stoom, die uit de cilinder in het vacuüm terechtkwam, onmiddellijk neergeslagen werd en er ruimte ontstond voor nieuwe stoom. Het gecondenseerde water werd door de pomp, die het luchtledig maakte, naar buiten gepompt.
De proefmachine had vier ventielen. In elke tak van de stoomleidingen zat er een, de derde scheidde de cilinder van het vacuüm en de vierde ventiel bevond zich aan de zuigerstang. Watt had deze stang namelijk in de lengte doorboord. Die doorboring diende om het water uit de cilinder te laten, dat zich toch nog uit stoom mocht hebben gecondenseerd. Aan de zuigerstang hing Watt een gewicht van achttien pond.
Eerste seconden van een nieuwe tijd
De proefmachine bouwde Watt in enkele dagen tijds van blik en messing. Zij bestaat thans nog en staat in het Wetenschappelijk Museum in Londen.
Voor wie thans in de geschiedenis terugblikken, is het moeilijk de
koortsachtige haast opnieuw mee te beleven waarmee James Watt werkte en de nerveuze spanning mee te voelen, die hem vervulde, toen hij de machine voor de eerste maal ging verhitten. Toen er stoom in de ketel verwekt was, sloot de mechanicus allereerst de kraan, die de luchtpomp en het vacuüm van de werkcilinder scheidde en opende de stoomkraan, die de bovenste buis van de vork gesloten hield. Hij zelf heeft uit zijn geheugen deze eerste seconden beschreven. Daar hij zijn mededeling daarover neerschreef toen hij al heel oud was, is er natuurlijk weinig meer in te bespeuren van de opwinding die zich toen van hem meester had gemaakt.
« De stoom werd in de cilinder toegelaten en kwam al spoedig door de holte van de zuigerstang en bij de ventiel van de condensator – zo heette later het vacuüm – naar buiten. Toen aangenomen kon worden dat de lucht verdreven was, werd de stoomkraan gesloten en de zuigerstang van de luchtpomp omhooggetrokken; zij maakte daardoor van de condensator een ruimte met verdunde lucht. Nu werd de kraan naar de condensator geopend, de stoom schoot in de ruimte met verdunde lucht en werd gecondenseerd. Onmiddellijk daarop ging de zuiger van de cilinder omhoog en hief zodoende het gewicht van achttien pond op, dat aan het benedeneinde van de
zuigerstang gehangen was. De condensatorkraan werd gesloten, de stoom opnieuw in de cilinder toegelaten en het proces herhaald; de hoeveelheid verbruikte stoom en het opgeheven gewicht werd vergeleken en, afgezien van het feit dat er geen stoommantel en buitenbekleding was aangebracht, was de uitvinding compleet, voor wat betreft de besparing van stoom en brandstof.
Vlak daarop werd een groot model met een houten beschermingsmantel rond de cilinder gebouwd; de proeven die daarmee genomen werden bevestigden de verwachtingen, die ik koesterde en toonden het voordeel der uitvinding zonder enige twijfel aan. — Bij deze tweede machine werd de werkcilinder met zijn uitmonding naar boven gericht en de machine werd van een balans en van de andere apparaten voorzien, die bij de vroegere machine gebruikelijk waren, want het omkeren van de cilinder of beter gezegd, alleen van de zuigerstang in het model was immers alleen maar een middel geweest, om de nieuwe uitvinding gemakkelijker te kunnen proberen; bij grote machines zou daar veel bezwaar tegen bestaan. »
.
a. vertelstof:
Land- en volkenkunde, verhalen, middeleeuwse riddersagen, het Finse Kalevala-epos.
b. spreken:
Spraakoefeningen, klassegesprek, spreekbeurt, temperamentsoefeningen, reciteren van gedichten, voordragen van prozastukken.
c. schrijven:
Zuiver schrijven*, goed gestelde zakenbrieven.
d. lezen:
Moeilijker stukken door stillezen opnemen en inhoud in vragende vorm weergeven.
e. spelling en interpunctie:
Moeilijke dictees. Vervolmaking interpunctie.
f. grammatica
Behandeling van de samengestelde zin.
Nauwkeuriger behandeling van voornaamwoorden en voegwoorden.
Het kind moet door de taal de goede uitdrukkingen kunnen hanteren, die een wens, een verwondering, een gevoel van verbazing, ook van bewondering, kortom een gehele configuratie van gevoelens uitdrukken. Vergelijken van een wenszin met een bewonderzin om de plastiek van de taal te beleven.
g. opstellen:
Onderwerpen uit natuurkunde en biologie nauwkeurig weergegeven.
h. stijloefeningen:
In vier temperamentstijlen kunnen spreken en schrijven. In de Nederlandse literatuur voorbeelden bestuderen.
Iets over de zevende klas
Verwondering Kunstzinnige uitbeelding van verwondering als ondersteuning van het uitdrukken van de taal.
De leerkracht laat met klei of plasticine eenvoudige, menselijke gestalten boetseren. De stand van het lichaam, en vooral de armen en handen worden zeer goed bekeken, vervolgens in de klei uitgedrukt.
Als tegenstelling: de houding van de wensende zin. Men ziet, dat de verwondering iets heeft, dat men met teruggaan, achteruitgaan zou kunnen vergelijken. De wens daarentegen heeft iets van vooruitgaan. Het midden tussen deze twee houdingen is de gebedshouding: men wenst iets in eerbiedige terughouding.
De samengestelde zin Wanneer de zevende klassers het leven vanuit hun ontwikkelingsfase intellectueel gaan benaderen, is het toch duidelijk, hoezeer gevoelsmatige kleuring, hevige impulsen van lust en onlust met dit intellectuele gepaard gaan. Alles wordt persoonlijk opgenomen, mateloos vereerd of veracht. Daarom gaan we juist die bewonderende en wensende zinnen doen. Maar tot de samengestelde zin komen?
Het merkwaardige is, dat men de bijzin niet erg op prijs stelt. Misschien omdat men zich dan op glad ijs begeeft? Misschien omdat men dan deftig lijkt? Of is het omdat vele leerkrachten roepen: ‘Wees kort! Druk je eenvoudig uit! ‘Ja, toch is de bijzin vaak milder dan één woord. Rudolf Steiner wees er wel op, dat de uitspraak ‘daar staat een bleke man’ voor het kind een abstracte hamerslag is. Het toehorende kind wordt zacht aangeraakt door te zeggen: ‘daar staat een man, die bleek is’.
De bijzin is vaak mooier. Vergelijk eens: “s Morgens ging ik op pad’ met: ‘Toen de morgen aanbrak, ging ik op pad’. De laatste zin is mooier.
Denkt men, dat een bijzin maar bijzaak is? Het tegendeel is vaak waar! Wat denkt u van: ‘De dag was aangebroken, toen plotseling de vulkaan met een vreselijk lawaai uitbarstte’. De hoofdzaak staat vaak in de bijzin.
De bejaarde profeet begaf zich naar het gebergte in een grot.
De profeet, die al bejaard was, begaf zich, omdat hij naar de eenzaamheid verlangde, naar het gebergte, waar een grot was gelegen. Het wordt een hele sport voor de zevende klasser om een bijvoeglijke bepaling uit te breiden tot een bijvoeglijke bijzin en een bijwoordelijke bepaling uit te werken tot bijwoordelijke bijzinnen. Ook een condensering, de omgekeerde weg, is spannend. Men beleeft dan ook, hoeveel wezenlijke dingen worden verborgen in de verkorting. ‘Nadat hij de belangrijke zaak gedurende de dagen, die hij in de woestijn had doorgebracht, zorgvuldig had overwogen, besloot hij de beslissing, waarvan zoveel afhing, te forceren.’
‘Na zorgvuldige overweging van de belangrijke zaak besloot hij de gewichtige beslissing te forceren.’ Men kan er ook een raadsel van maken:
Omdat………………………………………. kon hij ’s nachts niet slapen (of zij)
Als…………………………………………….. zal ik je wel krijgen!
Opdat ………………………………………. vond hij de paraplu uit (of zij).
Hoewel………………………………………. kreeg hij toch hoofdpijn (of zij).
Stijloefeningen Beschrijf de gevoelens van de inwoners van Jerusalem bij het naderen van het Kruisvaardersleger in vier temperamenten.
1. Ah! de Christenhonden! We zullen ze! Allah verdelge hen!’
2. ‘Jaja, daar komt het leger rustig aanzetten, ze zetten hun tenten op, ze gaan hun paarden verzorgen, zouden ze goed eten bij zich hebben, dan zou ik de stad nu meteen graag overgeven, dat spaart veel bloed.
3 .’O wee, daar komen, heb ik ’t niet gezegd, machtige legers, die zonder twijfel blaken van vechtlust, omdat zij, hoewel ze veel moeilijkheden gehad schijnen te hebben, aan het einddoel zijn gekomen, zodat wij, arme leden van het Oude Volk zeker weer het kind van de rekening zullen worden. God beware ons!’
4. ‘O kijk eens! Dat zijn nu de Franken! Ze hebben vrolijke vlaggetjes aan hun speren. Alles is van ijzer aan ze, zelfs hun wil, hihihi, tenminste, dat zeggen ze. Zouden ze ons, vrouwen, kwaad doen? Welneen, we kunnen hoogstens slavin worden en dat waren we al.’
Toneel In principe speelt de gehele klas mee, niet alleen de begaafden.
De leerstof geeft het kind de mogelijkheid op deze leeftijd kennis te maken met de ontdekkingsreizen en het nieuwe bewustzijn, wat zich baan breekt in de zielen van de 15e eeuw. Het spel behandelt de lotgevallen van Columbus.
Eerste tafereel (Kamer van Columbus’ schoonvader. Kaarten, boeken, instrumenten liggen her en der. Columbus ontvangt een zeeman. Felipa, Columbus’ vrouw zit op een zetel)
Columbus:
Vertel, vertel, wat zag je toen?
Zeeman (gebarend):
Kap’tein Columbus ‘k zei het al
We lagen met de storm vlak achter.
De masten kraakten en het want
Stond strak, de wind floot in de touwen.
Het water spatte voor de boeg,
Het scheepsvolk stond te hozen.
Maar ik keek uit, het weer was helder
En bij San Jago!
Columbus:
Nu, wat toen?!
Zeeman:
Toen zag ik land, zowaar ‘k hier sta
Een streep in het Westen
Columbus:
Was ’t geen wolk?
Zeeman:
Ik zei U toch, dat ’t helder was.
Columbus:
Goed, goed! (maakt een aantekening)
En hoeveel mijlen, denk je
Joeg ’t schip in westelijke richting?
Zeeman:
De storm dreef ons drie volle dagen
Naar ’t Westen, reken dus maar uit.
(Columbus maakt aantekening)
Toen viel de nacht, de storm bedaarde
En wij hernamen d’oude koers.
Columbus:
Bedankt, bedankt — hier, voor je moeite (geeft geld)
Zeeman:
God zal ’t je lonen, kapitein.
(af),
Columbus (tot Felipa):
Felipa, hoorde gij ’t verhaal
Van deze zeeman? — hij zag land,
Een onbekende kust in ’t Westen.
Felipa (staat op)
Ik hoorde het heel goed, mijn vriend
En ik verheug mij met U samen,
’t Is een bewijs van Uw vermoedens.
Columbus:
Felipa, heeft Uw vader nooit,
De eerbiedwaardige Perestrello,
Gesproken van een vaart naar ’t Westen?
Felipa:
‘k Herinner mij, dat hij vertelde,
Kort voor zijn dood in Porto Santo
Hier eens in deze zelfde kamer,
Dat bij zijn meester Hendrik kwam,
Een schipper, die ’t geheimzinnig eiland
Antilia had aangedaan…
Het spelelement komt ook bij de grote kinderen van de lagere school niet te kort!
.
Het kind van het twaalfde jaar tot de geslachtsrijpheid
De ontwikkeling van het kind Het laatste gedeelte van de tweede zevenjaarperiode wordt gekenmerkt door een intensivering van het denk- en voorstellingsleven. De hoogtepunten van de gemoedsperiode (of fantasieperiode) zijn voorbij.
Een denken kondigt zich aan, dat het volwassen denken met logische en theoretische functie gaat benaderen en op normale wijze rijp wordt voor abstracties.
Lichamelijk is er iets te zien, wat deze ontwikkeling als het ware ondersteunt: de vulling van de romp gaat geleidelijk over in een strekking van de ledematen. Het kind heeft een zeker evenwicht hervonden, het wordt geboeid door de geweldige mogelijkheden die de zintuiglijke waarneming biedt om de wereld te leren kennen. Innerlijk is er iets, wat het kind vooral wil: het wil de waarheid omtrent de wereld leren kennen. Ook fysiologisch is er veel aan de hand. De overschrijding van de twaalfjaargrens is zeker even belangrijk als die van het 9e jaar was. Wat is namelijk het geval? Veel sterker dan voor die tijd begint het kind zich te verbinden met zijn skelet.
Het jongere kind beweegt zich met een vanzelfsprekende gratie door zijn spiersysteem, dat gevoed wordt door de ritmisch circulerende bloedstroom. Maar tegen het twaalfde jaar ‘pakt’ de jonge mens zijn skelet. Van de spieren gaat het via de pezen tot de botten. De bewegingen verliezen ritme en gratie, zij worden hoekig, onhandig en willekeurig. Het kind komt in de zogenaamde ‘vlegeljaren’ en het weet niet, wat het met zijn ledematen beginnen moet.
Maar nu het geestzielewezen van het kind zich sterker met het mechanische van het skelet verbindt, kan het ook alles met nut en zonder schade opnemen, wat in het leven en in de wetenschap aan mechanische wetmatigheden onderworpen is.
Een hele rij van nieuwe vakgebieden gaat voor het kind op dat moment een rol spelen: meetkunde, algebra, natuurkunde, mechanica, scheikunde, perspectieftekenen.
Het kind wil de wereld in deze mechanische wetmatigheden aan fenomenen leren kennen, het waargenomene doordénken en daaruit conclusies trekken. De wereld moet ‘waar’ voor hem zijn!
Het Nederlandse taalonderwijs In de lagere klassen is zorgvuldig voorbereid als beeld: de woordsoorten, de zinsdelen en de opbouw van een zin. In de zesde klas kan men tot een zekere afsluiting komen. De woordsoorten kunnen veel abstracter behandeld worden en — met het oproepen van herinnering aan de vroegere beelden, die echt geen praatjes voor de vaak waren — nu met hun volwassen naam genoemd worden. Het wordt duidelijk, dat er tien woordsoorten zijn:
De denk- en voorstellingsmatige groep: zelfstandig naamwoord met lidwoord, telwoord en de vervangende naamwoorden.
Polair daartegenover de wilsmatige groep: werkwoorden met voorzetsels en voegwoorden.
Daartussen de gevoelsmatige groep: de tussenwerpsels in het midden. Dan de bijvoeglijke naamwoorden die aansluiten bij het voorstellingsmatige groepje woordsoorten en de bijwoorden die meer op de wilsmatige groep gericht zijn.
In de zesde klasse kan de enkelvoudige zin behandeld, geoefend en ontleed worden.
Verder tracht de leerkracht het stijlgevoel van het kind te wekken in de eerste plaats door het gebruik van de ‘modi’ of ‘wijzen’:
Wens, bede, aansporing, bevel.
Dit geschiedt al sprekend en ook in het schrijven.
De naamvallen worden verbonden met de zinsdelen.
Ook wordt stijlgevoel gewekt door het redeneren, want van het Middeleeuwse trivium is nu niet meer zozeer de schoonheid van de retorica als wel de waarheid, de redeneerkunst van de dialectica aan het woord. De juiste stijl wordt ook beoefend in het schrijven van brieven en kleine, overzichtelijke zakenopstellen, waarvan de inhoudelijke stof al vanaf de derde klasse is voorbereid.
Lees- en vertelstof zijn aan de Grieks-Romeinse mythologie en aan de volkenkunde ontleend. De opstellen moeten karakteristieke dingen uit de biologie en de natuurkunde beschrijven.
De samengestelde zin wordt behandeld, ook onder- en nevenschikkend zinsverband. Het kan duidelijk zijn dat het hoofddoel voor de klassen VI en VII dus is: Het overtuigend spreken en het kritisch luisteren.
Leer en ontwikkelingsdoelen voor de klassen VI en VII.
— Het overtuigend spreken, beschrijven, met inachtneming van de temperamenten.
— Het dialectische in de taal beoefenen (discussie).
— Sociale vaardigheid: redeneren, discussiëren, goed leren luisteren.
— Duidelijke uitspraak ontwikkelen.
— Duidelijk schrijven, helder en eenvoudig.
— Een stilleesstuk verstandelijk opnemen en de inhoud kunnen weergegevn.— Zakelijk en efficiënt schrijven (zaken- en andere brieven).
— Juiste onderscheiding van spreek- schrijfstijlen, bij de gelegenheid passende stijl vinden en uitdrukken in woord en geschrift.
— Grammaticaal de woordsoorten in iedere zin kunnen onderscheiden en benoemen.
— De zinsdelen en bijbehorende naamvallen onderkennen, benoemen en hanteren.
— De juiste uitdrukkingswijzen vinden en hanteren voor het gevoelsmatige in de taal.
— Een voldoende onderlegd zijn in de spelling van woorden (ook vreemde woorden).
De leerstof van klasse VI.
a. vertelstof:
Verhalen uit de Romeinse mythologie. Middeleeuwse sagen, biografieën van grote figuren tot ± 1100. Verhalen uit volkenkunde.
b. spreken:
Klassengesprek, vertellen, spreekbeurt, spraakoefeningen, gedichten reciteren met beweging.
c. schrijven:
Zuiver schrijven oefenen.*
d. stillezen:
Zinvol opvatten van het gelezene.
e. spellingsoefeningen en interpunctie:
Moeilijke dictees.
f. grammatica
Opwekking van stijlgevoel door het gebruik van de modi of wijzen, vooral van het conjunctivische (voorwaarde, aansporing, wens, verlangen) in woord en geschrift. Behandeling enkelvoudige zin met naamvallen.
g. opstel:
Duidelijke, zakelijke verhandelingen en brieven.
Zinsstructuur in beelden uitdrukken. Wij gaan door met de structuur van een zin in beeld te brengen.
Wij onderscheiden de gewone onderwerp — gezegde — zinnen,
de onderwerp — naamwoordelijk gezegde — zinnen en
de onderwerp — gezegde lijdend — en meewerkend voorwerpszinnen.
Het verduidelijken, ja versieren van de zinnen met bepalingen wordt met veel aandacht beoefend. De bepalingen zijn als het ware toegangen tot de bijzinnen van de samengestelde zin. Er ontstaan mooie structuurtekeningen van zinnen.
De slimme Odysseus redde zijn makkers het leven door een list in het hol van de eenogige reus.
Ontleding van zo’n zin, waarbij de gevallen (naamvallen) al opgeschreven zijn, laat zien, hoezeer de bepalingen kleur aan de zin geven.
Een eenvoudig ontledingsspel kan nog heel lang worden gedaan. Er worden weer specificaties gebruikt. Onderwerp en gezegde staan naast elkaar. Daarnaast de voorwerpen.
In principe staat de bijvoeglijke bepaling te buigen naar het onderwerp, de bijwoordelijke bepaling bij het gezegde, maar zij moeten zich snel verplaatsen om te buigen naar bijvoorbeeld een zelfstandig naamwoord in het naamwoordelijk gezegde.
Een klasgenoot leest (of improviseert) langzaam een zin. Het onderwerp staat op, het gezegde stampt, de voorwerpen duiken in elkaar. De gebaren zijn naar keuze.
Bij een lijdende zin gaat het lijdend voorwerp naar de stoel van het onderwerp, hij krijgt de hoed van het onderwerp op en gaat op de stoel zitten.
Zinsdelen gedramatiseerd. Een zinsdelenspel geeft meer uitleg over het wezenlijke van de zinsdelen, die men, zeven in getal met bijpassende kleuren, als de zeven planeetgoden van Rome zou kunnen aanduiden.
Men doet dat echter niet. In de plaats daarvan komt een tikkeltje ironie in het spel. De zinsdelen hebben als een persoon hun hebbelijkheden. Zo’n onderwerp wil graag naar voren dringen (Mars!), een lijdend voorwerp wil graag iets ondergaan, maar klaagt toch (Maan).
In hun woorden overdrijven de zinsdelen. De kinderen weten heel goed, dat een lijdend voorwerp niet steeds lijdt. Wanneer onderwerp, gezegde, lijdend en meewerkend voorwerp zijn uitgesproken, treden drie gestalten op, de bepalingen, die als volgt spreken:
Bepalingen (wijzend naar de vier O., G., L.V. en M.V.)
in koor:
‘Met deze vier, ja zeker! maak je al een zin.
Maar och! Wat is ’t nog een begin!
Wat heeft de zin nog weinig kleur!
Wat heeft hij weinig smaak of geur!
Wat is hij kort, wat is hij vaag,
Wat is hij in de taal een plaag!
Aan alle rijkdom van het leven
Kan onze wijsheid uiting geven.
Wij zijn het, die de keus bepalen, Wat uit die rijkdom valt te halen!
Bepalen kunnen wij, en denken
Om rijkdom aan de zin te schenken!’
Bijvoeglijke bepaling (in blauw gekleed, komt naar voren, spreekt bedachtzaam):
‘Sinds de grijze oertijd kan ik mij bezinnen:
Wat toch breng ik mij wel over hen te binnen?
Wat weet ik van Onderwerp en Voorwerpen te zeggen
om iets van hun ware wezen uit te leggen?
Uit de oneindig vele herinneringen
wil’k bepalen goede keuze van de dingen.
En dan voeg ik mij er rustig bij. Onderwerp en Voorwerp zijn begrijpelijk door mij!’
Bijstelling (in het Groen, ietsje opdringerig):
‘Kijk uit! Bij het bepalen
ben ik een heel speciale…!
Zijn onderwerp of voorwerp klaar?
Ik weet er altijd nog een paar,
voor het geval je niet goed voelt,
wat er met hen wel werd bedoeld.
Al vlei’k mij vriendelijk tegen hen aan,
‘k Moet wel tussen twee komma’s staan
Ik stel mij bij hen, ieder weet,
dat ik dan ook bijstelling heet.
Bijwoordelijke bepaling (in het oranje, statig stappend):
‘Met wijde blik kom ik aangeschreden.
Met wijsheid treed ik in het heden.
Ik overzie de omstandigheden,
de tijd, de plaats en ook de reden. Meestal van voorzetsel voorzien
kan ik ’t gezegde hulpe biên.
Maar ook zo menig ander woord
Wordt door mijn hulp pas goed gehoord!’
Stijlgevoel verbonden met toneelspel Een dankbaar onderwerp wordt voor deze oefening gevonden in de Romeinse verhalen en geschiedenis.
Spel over de strijd tussen Patriciërs en Plejebers. (Het toneel is op de Heilige Berg te Rome).
Marcus Balbus:
O, wat een droeve dag!
O, was ik maar gebleven!
Wie zou hier kunnen helpen?
Ons einde is nabij!
Gaius Postumus:
Kom, kom, wees wijs!
Wees niet onnodig somber.
Zij hebben ons óók nodig.
Marcus:
Ach, wat, jij ziet de dingen veel te rooskleurig.
Was koning Romulus maar hier!
Gaius:
Koning Romulus was zo hardvochtig, dat in een donkere nacht hij werd vermoord.
Marcus:
Wat? Nooit vond men zijn lichaam!
Gaius:
Neen, hij werd door de edele senatoren in honderd stukjes gesneden! Elk nam een klein stuk mee en verborg het goed.
Marcus:
Ik dacht, dat hij ten hemel was opgevaren!
Gaius:
Komaan, zijn ziel misschien. Maar zeker niet zijn lichaam. Houd moed!
Men weet, dat de Patriciërs de Plebejers weer naar Rome kregen met de beroemde fabel van ‘De maag en de ledematen’.
Wel kregen de Plebejers het recht de volkstribunen te benoemen, die in de Volksvergadering de door de senatoren gemaakte wetsontwerpen konden verbieden met hun veto! (= ik verbied).
Nu het lichaam van de taal enigszins verkend is in de drie leerjaren van klas I, II en III, nu komt eigenlijk de ware ziel in de taal te voorschijn. Een ‘gewaarwordingsziel’, die als hoogste ontwikkelingsmogelijkheid de schoonheid heeft. Schoonheid is de grote leermeesteres van de nog primitieve gewaarwordingsziel!
Weer kan men denken aan de middeleeuwse zeven vrije kunsten. De middelste van de eerste drie (het trivium) is de retorica, het schone spreken, de Taal als kunstzinnig beleefbare activiteit, nadat de structuur en de elementaire vormleer (grammatica) zijn behandeld en geoefend.
Natuurlijk wordt ook de grammatica verder gestructureerd en behandeld. Want nu pas kan het kind door zijn ik-beleving een nieuwe afstand en mogelijke verhouding tot de dingen krijgen, dus ook tot de eigen taal. Ook krijgt het kind een verhouding tot detijd, het krijgt nu pas een perspectief-achtige mogelijkheid tot tijdsbeleving (wat was vóór, wat is na, wat is gelijktijdig). Ook een verhouding tot het persoonlijke (wat is het verschil tussen een ik-zelf, de naaste en de andere in de verte).
Het is nodig, dat het kind ook het poëtische gaat hanteren, zowel in de gesproken, als in de geschreven taal. Het hoofddoel van de klassen IV en V is in deze leeftijdsfase derhalve het mooie spreken en het verzorgde schrijven.
Leer- en ontwikkelingsdoelen — Het gebruiken van de grammatica als on-egoïstische ik-ontwikkeling: zekerheid en zelfbewustzijn in en door de taal. — Mooi spreken, vertellen, navertellen (met honorering van de temperamenten).— Bevordering van sociale vaardigheid: met en tegen elkaar spreken, goed luisteren. — Juiste en mooie uitspraak. — Verzorgd schrijven, wat vorm en inhoud betreft. — Mooi lezen, goede toon, voordracht. — Het maken en verstaan van eenvoudige poëzie; allitererend, rijmend en metrisch. — Het declameren en reciteren van allitererende en metrische poëzie, juiste toon, tempo, maat, ritme, frasering. Mooi en zakelijk schrijven, verbinding van schoonheid, grammaticale juistheid en sociale vaardigheid.
a.vertelstof: De vertelstof wordt voornamelijk gekozen uit de sagen van de Klassieke Oudheid. De eerste geschiedenisperioden met de cultuurhistorie van de Oosterse, theocratische volken en de Grieken maken ook mogelijk de literaire bronnen en de schat van mythen en sagen van Hindoes, Perzen, Egypte, Babylon, als vertelstof te nemen. Behalve de verrijking en verinnerlijking van de ziel geven deze verhalen grote thema’s die ook voor later van belang zijn. Bhagavat Gita, Avesta, Gilgamesj-epos behoren tot de ontwikkeling van de gehele mensheid. Op deze leeftijd is het kind zeer ontvankelijk voor de lotgevallen van de Griekse helden. Het kind wordt voorbereid op de tweede metamorfose van het denken (van beeldend denken naar abstractie) waaraan het toe zal zijn op het 12e jaar. De Griekse cultuur maakt dezelfde stap door van zijn mythen (beeldbewustzijn) tot filosofie (abstract bewustzijn).
b.spreken: Declamatie, alliteratie, stafrijm.
c.schrijven: De oefeningen worden voortgezet. Alles wat wordt opgeschreven, moet een mooie* afwerking hebben, duidelijk en ook als ornament bruikbaar zijn.
lezen: Sagen van de klassieke oudheid.**
e. spelling en interpunctie: Vervolmaking van spelling van werkwoordsvormen.
f. grammatica: Het is van belang, dat het kind bij de werkwoordsvormen van de 4e klas nu ook leert hoe verschillend het is, of men zal eten of dat men gegeten zal worden. De bedrijvende en lijdende vorm van het werkwoord worden behandeld en grondig mondeling en schriftelijk geoefend.
Het kind kan nu de taal redelijk mondeling en schriftelijk hanteren. Het is echter alles nog vrij onpersoonlijk. Het gehoorde en gelezene moet het kind op deze leeftijd niet alleen vrij weer kunnen geven maar het moet een orgaan ontwikkelen om te onderscheiden wat het verschil is, tussen eigen mening, of die van een ander. En wanneer er iets medegedeeld wordt, wat het kind zelf denkt, gezien of gehoord heeft, is dat iets heel anders dan wanneer hij dat alles van anderen gehoord heeft. In verband daarmee zal het kind leren zich uitdrukken in indirecte of in directe rede. Daarom zal het ook nodig worden de leestekens als hulpmiddel hierbij, goed te leren plaatsen.***
g. opstel en brieven: Het opstel krijgt meer en meer reliëf als vertelling, of als verslag, als verhandeling, naar gelang een verhaal, een beschrijving van iets dat gebeurd is, of een verhandeling over een onderwerp van meer abstracte aard wordt gehouden. Het schrijven van brieven wordt voortgezet en er wordt vooral gekeken naar de structuur en de inhoud in verband met het doel en de geadresseerde personen.
Griekse cultuur De mythologische beelden van de Griekse cultuur werken verder aan de verinnerlijking van het kind, dat in zijn elfde levensjaar is gekomen.
In plaats van de heldhaftige stampende stafrijmen komen thans de ritmisch-vloeiende, door het lierspel begeleide hexameters (zesvoetige ritmen) en pentameters (vijfvoetige ritmen). Zij schilderen een ander soort heldhaftig leven, dat echter evenwichtig en ook schoon moet zijn.
De hexameters: lang — kort — kort en dit zes maal met een cesuur of insnijdende adempauze, vertellen de grootse avonturen, daden en belevingen op harmonieus-rustige wijze.
Het evenwichtig ritme 1 ademtocht op 4 polsslagen is in deze hexameter als oerbeeld te vinden. De kinderen lopen op dit ritme.
Ook korte spreuken worden in een distichon (1 hexameter met 1 pentameter) uitgedrukt en de kinderen moeten ook zelf proberen zich zo uit te drukken.
Het boeiende van de hexameter is, dat één niet-betoonde lange aan het eind van de versvoet kan worden vervangen door twee korte en omgekeerd.
Deze versmaat kan ook pedagogisch gebruikt worden:
Zó als een zwïjg-za-me héld//zich vóor-be-reidt om te strij-den Zó maakt-de zwij-gen-de klas// zich op om krach-tig te wér-ken.
In de Griekse gedichten moet men in tegenstellingen leven. Sympathie en antipathie, majeur en mineur, uitbreiding en samentrekking, het wisselt elkaar steeds af, evenals het kind evenwicht moet zoeken tussen de oude, met nieuwe ogen geziene wereld buiten en de nieuwe, als eigen beleefde wereld van binnen.
Actief en passief Bij die tegenstellingen behoort ook die tussen actief en passief. Filosofisch gezien begint de Griekse cultuur daarmee. Wie verinnerlijkt, kan zich ook gaan voorstellen wat het is om de handeling van jezelf door toedoen van een ander te ondergaan.
In de bekende tien categorieën van Aristoteles zijn de negende en tiende categorie die van ‘doen’ en ‘ondergaan’. De mens heeft deel aan beide. Hij kan doen, hem kan ook iets gedaan worden.
Men kan leren zich in de ander te verplaatsen. Een historisch voorbeeld was de (nu nog) goed bekende tragedie van de Perzen. Griekenland sloeg de Perzische vijand af, maar de dichter Aeschylus wekte medegevoel en medelijden voor de verslagen vijand, een volkomen nieuw iets, dat ook veel waardering bij de Atheners vond.
Het kind moet af van de verkeerde voorstelling, dat het passief iets negatiefs en verwerpelijks zou zijn.
Wie werd er niet ter wereld gebracht, werd gevoed, gewassen, gekleed? Werd beschermd, geknuffeld, geleid, opgevoed?
Een actief- en passief spel kan er als volgt uitzien:
Drie hoofdtijden en drie samengestelde tijden vormen een mooie zeshoek. Elke hoek wordt bezet door een of meer kinderen. Zij hebben elk een ‘spiegelbeeld’ naar binnen. De binnenkinderen geven om beurten de passieve tijden van hetzelfde werkwoord:
Ik word gevoed, ik ben gevoed, ik werd gevoed, ik was gevoed, ik zal gevoed worden, ik zal gevoed zijn. Dit wordt met luide stem geroepen.
Nu komen de buitenkinderen: eerst roepen zij op hun beurt: Ik voed, ik heb gevoed, ik voedde, ik had gevoed, ik zal voeden, ik zal gevoed worden.
Dan telkens een passieve tegenover een actieve — ‘Ik voed!’ ‘Ik word gevoed’ en zo verder. Daarbij worden uitstralende, of invouwende bewegingen met de armen gemaakt.
Directe en indirecte rede Het verschil tussen directe en indirecte rede?
Spelend ontstaan twee toneelgroepen, die hun teksten in directe en indirecte reden zeggen. Bij voorbeeld: de eerste groep luid en krijgshaftig: ‘Daar komt de vijand! Grijpt uw wapenen!’
De tweede groep (rustig): Zij zeiden, dat de vijand aankwam en dat zij hun wapenen moesten grijpen (als registrerend). Een heel leuk spel: indirecte rede omzetten in directe rede. Twee aan twee tegenover elkaar. Indirect: De kapitein brulde, dat de matrozen onmiddellijk de zeilen moesten reven. Direct: De kapitein brulde: ‘Matrozen, reeft de zeilen! Onmiddellijk!’
Maar de oefeningen behelzen een nieuwigheid op taalgebied van subtiele aard. De kinderen moeten zich, zoals elke toneelspeler, in een ander verplaatsen.
Daarbij moet onderscheiden worden tussen de eigen mening van de spreker (schrijver) en die van een ander: Hoe voert een kind een historische figuur ten tonele? Hij stelt hem voor en spreekt iets, wat de historische figuur in werkelijkheid gezegd zou kunnen hebben. Een goede oefening in fantasie-ontplooiing bovendien.
Naamvallen Een derde grammaticale nieuwigheid is het gaan leren van de naamvallen. Alle woordsoorten worden gekend en nu wordt het zaak in de zin bewust te gaan onderscheiden, welke woorden in groepen bij elkaar horen om de structuur van een zin te vormen.
Er zijn in het Nederlands vier gevallen, waarin woorden in een zin kunnen voorkomen.
Het eerste geval: Een woord of een groep woorden geeft aan waarover de zin eigenlijk gaat. Meestal is dit woord (of deze groep) drager van de handeling (actief of passief) en via die handeling een andere groep woorden (of woord) daarbij betrekkend. Is dat woord een woord, dat die handeling ondergaat noemt men dat volgens traditie een vierde geval.
Het vierde geval: Eerste en vierde geval zijn door het handelingswoord nauw verbonden. Als eerste geval gelden óók die woorden die via een zijns (toestands)-woord met de handelende in het eerste geval verbonden zijn: ‘gekoppeld’, vandaar de term koppelwerkwoord. Het koppelwerkwoord verbindt twee woorden (of woordgroepen) in het eerste geval.
Het derde geval: geeft aan waarheen iets ten gevolge van de handeling van het eerste geval gaat.
Het tweede geval: geeft aan waar vandaan iets al of niet door de handeling van het eerste geval (of vierde geval) komt.
Die vier gevallen zijn als het ware huizen, waarin elk woord kan wonen. De gevallen veranderen niet, wel de woorden die onder het geval vallen of uit de voordeur van het huis te voorschijn komen.
De moeilijkheid met tweede en derde geval is, dat zij met voorzetsels worden omschreven (tweede geval ‘van’), (derde geval ‘aan’).
Technisch behoort in het Nederlands na ieder voorzetsel (praktisch) een vierde naamval te staan.
Onder een tweede geval kan een woord in een vierde naamval komen te staan.
De kinderen knippen vier gestalten uit een vel karton. Vier gaten ontstaan. Een zin wordt in woordgroepen vertoond voor de bijpassende gaten (gevallen).
De kinderen zien dat bijna ieder woord in het eerste geval kan staan. Het is een soort omgekeerd schimmenspel.
Het vervolgens opschrijven van de zinnen maakt een vastlegging mogelijk, waarbij het nummer van het geval boven het woord komt te staan.
[aan de hoed is meewvw. dus 3]
Het leren van naamvallen is een omstreden onderwerp. Zij, de naamvallen, zijn niet te zien. Dus bestaan zij niet? Het is bovendien niet waar. Bij de voornaamwoorden ziet men wel degelijk naamvallen. Het is voor kinderen beter de algemeenheid te horen en te beschouwen dan een stel onbegrijpelijke uitzonderingen te leren.
Bovendien leren de kinderen talen, die duidelijk zichtbare naamvallen hebben (Duits 4, Russisch 6, Pools 7, Fins 11, Latijn 6, Grieks 5) nu of later.
Men vergeet ook, dat het spelend beoefenen van de gevallen en naamvallen in de zin nog met het gemoed, dus veel blijvender wordt opgenomen in de 5e klasse.
Het is van groot belang geen zinsontleding in brokjes te beginnen, voordat de naamvallenleer goed is opgenomen in het gemoedsleven én in het bewustzijn.
De gevallen zijn primair, niet het benoemen van de zinsdelen. Maar de zo moeilijk gevonden zinsontleding heeft eigenlijk pas zin en verloopt gemakkelijker als de naamvallen bekend zijn.
Toneel Het aantal toneelspelen is groot, dat de onderwerpen uit de Griekse mythologie bewerkt en aanbiedt. Bijvoorbeeld:
1.De schaking van Persefone 2.De daden van Herakles 3.De toorn van Achilles 4.Prometheus geboeid 5.Odysseus en Kirke
Uit het laatste spel een klein citaat.
Odysseus is met zijn makkers geland op Aeaea, het tovereiland van de schone tovenares en zuster van de zon Kirke, heerseres over levenskrachten en vormveranderingen. Odyseus’ makkers zijn door de vrouw Kirke in zwijnen veranderd. Odysseus gaat zijn makkers zoeken. Hij ontmoet Hermes, de bode der goden. Hermes geeft Odysseus een kruid, dat zijn mensenkracht (ik-kracht) versterkt.
Kirke: Treed binnen, gij vreemd’ling ei, wees toch mijn gast.
Odysseus: Zeer gaarne, o schone, geniet ik het gastrecht, door U aan een vreemd’ling zo minzaam geboden.
Kirke: Hier! neem van deez’ spijs Het bekome U wel Een teug van deez’ wijn En… word een zwijn!
Odysseus: Neen! Kirke. Een Mens blijf ik!
Kirke: Wie zijt gij? O, wee Mijn macht is weerstaan!
Odysseus: Ja, Kirke, en meer nog Ik wreek nu mijn makkers. U treft nu mijn zwaard!
Kirke: O, neen, edele held Ik doe al wat gij wenst.
Odysseus: Bevrijd dan mijn makkers Die gij hebt betoverd.
Kirke: Kom volg mij dan spoedig Zij zijn in de stal…
Koor: Dus komen zij aan in der zwijnen verblijfplaats De held ziet zijn makkers als borst’lige zwijnen Zij wroeten met snoeten in vunzige modder. Zij grommen en knorren en vuil is hun huid!
Odysseus: O makkers. Welk leed! Hoe moet ik U weerzien!
Kirke: Gij die daar rondwroet, Herneemt Uw gestalte, Wordt nu weer mens!
Koor: Zo richten zij zich Langzaam weer op En krijgen terug hun mensengestalte.
Alle makkers: O vrijheid, o geestkracht! Een mens ben ik weer! Heb dank, Odysseus. Wij danken U zeer!
Odysseus: Alleen aan de goden past onze dank!
Kirke: Komt nu in mijn paleis Ik zal U onthalen op vorst’lijke wijs!
Nimmer in de ruim 400 jaar die verstreken zijn sedert de geboorte van hun schepper hebben Shakespeares personages tot zovelen gesproken, of zoveel betekend als in onze dagen. Op de sombere kantelen van het twaalfde-eeuwse kasteel Lourije-nac in Joegoslavië zet de geest van Hamlets vader zijn zoon tot wraak aan; diep in Sowjet-Rusland, in Tasjkent, wurgt de jaloerse Moor de schuldeloze Desdemona. Aan de andere kant van de wereld reizen Australische acteurs met een bus de binnenlanden af, met niet meer rekwisieten dan een kroon en een stuk of wat zwaarden. Inheemsen in Zuid-Rhodesië [nu Zimbabwe] voeren Macbeth op, daarbij uitgedost als Zoeloekrijgers met staarten en veren.
In de schouwburgen, tenten en schoollokalen van ieder land, waar ook maar de zon ondergaat en het doek rijst, spreken Shakespeares figuren een universele taal des harten, waarvoor elk mens openstaat — ongeacht in welke taal de tekst wordt gezegd, hetzij in voorbeeldig Engels, hetzij in een vloeiende of gebrekkige
vertaling. En nergens lijken ze zo op hun plaats als in de drie Stratfords — in Engeland, Canada en de Verenigde Staten.
Engelands Stratford-upon-Avon, het oudste, in 1882 gestichte en nog steeds in gebruik zijnde Shakespeare-toneel, geeft jaarlijks zo n 391 000* plaatskaarten af. Stratford in Ontario, dat in 1953 is begonnen, heeft sindsdien meer dan twee miljoen toeschouwers gelokt, wat een bruto recette van zeven miljoen dollar heeft opgeleverd. Het Amerikaanse Stratford, in Connecticut, verwachtte voor het seizoen 1964 zo’n 258 000 liefhebbers. Te oordelen naar de verkeersstromen in de richting van de drie Stratfords, stelt het hedendaagse publiek de criticus Maurice Morgann in het gelijk, die in 1 774 over Shakespeare schreef: “Het is juister om te zeggen dat wij van hem bezeten zijn dan dat wij hem bezitten.”
De grote hiaten in onze kennis omtrent Shakespeares leven hebben voedsel gegeven aan het bizarre streven van pseudogeleerdcn om aan te tonen dat Shakespeare zijn stukken niet zelf heeft geschreven, dat hij een stroman was voor Sir Francis Bacon of Edward de Vere, de 17de graaf van Oxford; of Christopher Marlowe; of Sir Walter Raleigh; of koningin Elizabeth; of zelfs ’s dichters vrouw Anne Hathaway. Amateur-geheimschriftkundigen hebben in Shakespeares geschriften verborgen codes menen te ontdekken die de ware auteurs zouden aanduiden. Aan dit alles ligt een eigenaardig soort snobisme ten grondslag — de opvatting dat iemand van eenvoudige afkomst en met een geringe opleiding niet een zo groot genie geweest kan zijn. Deze theorieën zijn op velerlei wijze weerlegd, maar de sterkste tegenargumenten vormen, afgezien dan nog van historische gegevens, de toneelwerken zelf; die stijl, dat is Shakespeare, wiens leven en werk niet van elkaar zijn los te denken.
De jonge William was overigens van betere afkomst en had waarschijnlijk een heel wat grondiger schoolopleiding gehad dan de anti-Shakespeare-theoretici gewoonlijk willen toegeven. De Shakespeares waren boeren uit Warwickshire, maar Williams vader, de eerzuchtige John Shakespeare, verhuisde naar Stratford en werd daar handschoenmaker. Hij was een van de officiële bierproevers van de stad, en toen William vier jaar was trok John het scharlakenrode ambtsgewaad van opperschout of burgemeester aan. De jongen ging vermoedelijk naar Stratfords King’s School — zonder twijfel met tegenzin, want de scholen maakten in die tijd lange dagen (van 7 uur ’s morgens tot 5 uur ’s middags en in de zomer dikwijls nog later), hadden als hoofdvak Latijn en spaarden de roede niet.
Rondtrekkende toneelgezelschappen kwamen in Stratford voorstellingen geven. Bekoord door hun wereld van schone schijn trok Shakespeare — hij was toen nog geen dertig — naar Londen en sloot zich bij een toneelgezelschap aan. Al spoedig had William succes als acteur en als toneelschrijver. Hij schreef vlot — het viel zijn uitgevers op dat zijn manuscripten bijna nooit doorhalingen vertoonden. De motieven waarop Shakespeare zijn stukken baseerde, waren voor hem, wat potten voor tovenaar Merlijn betekenden — elke geleende kom, of die nu uit de Kronieken van Holinshed of de Levens van Plutarchus afkomstig was, kon dienen om zijn toverdranken in te mengen. Londen verafgoodde hem.
In de stad, die inmiddels voor Shakespeare een open boek was geworden, begon een zekere onrust merkbaar te worden. Na de ondergang van de Spaanse Armada, in 1588, beheerste Engeland de zeeën en dat had tot gevolg dat de mensen zichzelf als het ware vol verbazing stonden aan te gapen: “Welk een meesterwerk is de mens! Hoe edel door de rede! Hoe oneindig rijk aan vermogens! Van vorm en in beweging, hoe bewonderenswaardig en expressief! In zijn optreden, hoe gelijk een engel! Van begrip, hoe gelijk een god!” Maar hoezeer de mens ook was gefascineerd door het leven, de dood was voor hem geen onbekende. Londen werd door epidemieën geteisterd. Het leven was een hachelijke zaak, maar men aanvaardde het met een overmoedig lachje. Shakespeare hield een vergrootglas voor de geest van zijn tijd en zette het Globe Theatre in gloed met zijn “Muze van Vuur”.
Nadien heeft ieder tijdperk getracht, Shakespeare in een eigentijds keurslijf te wringen. Aan de hand van een historisch overzicht van de steeds wisselende aankleding van Shakespeare-stukken kunnen wij, zoals de dichter T. S. Eliot heeft gezegd, tevens de geschiedenis van de westerse beschaving gevoegelijk nagaan. Orson Welles stak zijn Julius Caesar in een soort fascistisch uniform. Moskou bracht Hamlet ten tonele als een militaire samenzwering tegen de koning. In New York werd Koning Lear in een bezetting van uitsluitend vrouwen gegeven.
In sommige gevallen geven deze bizarre opvoeringen aanstoot, maar daarom behoeven ze nog niet in strijd te zijn met de geest van de schrijver. En dat ze zowaar mogelijk zijn, komt doordat Shakespeare tijdloos is. En hij zegt alles. Protestanten, katholieken, agnostici, zij allen wedijveren om hem als een der hunnen te beschouwen. Hetzelfde geldt voor aristocraten, voorvechters van de democratie, optimisten en pessimisten.
Wat heeft Shakespeare in enig ontwricht tijdsbestek tot de wereld te zeggen? Hij keert die wereld niet de rug toe en heeft evenmin medelijden met zichzelf. Hij bezingt ’s levens wereldse genietingen; hij verheerlijkt de liefde, spijs en drank, muziek, vriendschap, een goed gesprek en de steeds wisselende, maar
onveranderlijke schoonheid der natuur. In Shakespeare is de gerijpte mens aan het woord, wiens levenservaring is gekristalliseerd tot nuchter denken en een grote wijsheid.
Echter, de mens is ook “de edelste geur der stof” en “dulden moet de mens zijn heengaan uit de wereld als zijn aankomst”.
Shakespeares tragische held moet de onverdraaglijke gedachte onder ogen zien dat hij zonder hoop op vergelding moet sterven. Terwijl hij zijn noodlot tegemoet gaat, denkt de toeschouwer: “De Heer zij me genadig, daar gaat een beter mens dan ik ben.” Wat het publiek tot tranen toe aan de tragische held bindt, is de hoedanigheid die hen in wezen scheidt: adeldom.
Bij minder begaafde toneelschrijvers berust die adeldom vaak op de schoonheid van de taal, maar fraaie verzen zonder meer komen wellicht niet verder dan het oor. Shakespeare spreekt tot de ziel. Hij kon met de taal doen wat hij wilde; het beeldend vermogen van zijn woorden is onbegrensd. Hij omvatte werelden in enkele lettergrepen. “Te zijn of niet te zijn” is ’s mensen grootste zorg, gevat in ’s mensen kleinste en eenvoudigste woorden.
De adembenemende overgangen in Shakespeares stukken brengen een mens tot aan de rand van de eeuwigheid en zetten hem dan weer terug in het gewone leven. Neerziende op de dode Cordelia, roept de door smart overmande Lear uit: “Wat! Hond en paard en ratten hebben leven, en gij geen ademtocht?” In zijn diepste wanhoop (“Gij komt niet weder”) zegt hij dan vijfmaal achtereen het indrukwekkende “Nimmer!” Dan breekt zijn opgekropte, ondraaglijke zielesmart in het simpele verzoek: “Ach, maak dien knoop hier los.” Niemand behalve Shakespeare zou het hebben aangedurfd die twee regels op elkaar te laten volgen.
Shakespeare leeft voort, doordat het laatste woord nog niet over hem is gezegd en ook wel niet gezegd zal worden. Zijn scheppingen zijn even ondoorgrondelijk als het leven zelf; zijn figuren blijven een onuitputtelijke bron van raadselen. Na Christus, Napoleon en Shakespeare zelf is er over Hamlet meer geschreven dan over wie ook. Toch is het enige wat met zekerheid valt te zeggen, dit: dat Hamlets leven tegelijk zijn eigen tragedie was, zoals het leven van ieder mens ieders eigen tragedie is. Elk tijdperk en elk mens in zijn “zeven levenstrappen” wordt weerkaatst in Shakespeares universele spiegel. De hartstocht en de poëzie klinken na in de ruimten van de geest en zullen, waarachtiger dan “der trouwe kindsheid”, ten eeuwigen dage blijven voortklinken.
.
Nu het lichaam van de taal enigszins verkend is in de drie leerjaren van klas I, II en III, nu komt eigenlijk de ware ziel in de taal te voorschijn. Een ‘gewaarwordingsziel‘, die als hoogste ontwikkelingsmogelijkheid de schoonheid heeft. Schoonheid is de grote leermeesteres van de nog primitieve gewaarwordingsziel!
Weer kan men denken aan de middeleeuwse zeven vrije kunsten. De middelste van de eerste drie (het trivium) is de retorica, het schone spreken, de taal als kunstzinnig beleefbare activiteit, nadat de structuur en de elementaire vormleer (grammatica) zijn behandeld en geoefend.
Natuurlijk wordt ook de grammatica verder gestructureerd en behandeld. Want nu pas kan het kind door zijn ik-beleving een nieuwe afstand en mogelijke verhouding tot de dingen krijgen, dus ook tot de eigen taal. Ook krijgt het kind een verhouding tot detijd, het krijgt nu pas een perspectief-achtige mogelijkheid tot tijdsbeleving (wat was vóór, wat is na, wat is gelijktijdig). Ook een verhouding tot het persoonlijke (wat is het verschil tussen een ik-zelf, de naaste en de andere in de verte).
Het is nodig, dat het kind ook het poëtische gaat hanteren, zowel in de gesproken, als in de geschreven taal. Het hoofddoel van de klassen IV en V is in deze leeftijdsfase derhalve het mooie spreken en het verzorgde schrijven.
Leer- en ontwikkelingsdoelen — Het gebruiken van de grammatica als onegoïstische ik-ontwikkeling: zekerheid en zelfbewustzijn in en door de taal.
— Mooi spreken, vertellen, navertellen (met honorering van de temperamenten).
— Bevordering van sociale vaardigheid: met en tegen elkaar spreken, goed luisteren.
— Juiste en mooie uitspraak.
— Verzorgd schrijven, wat vorm en inhoud betreft.
— Mooi lezen, goede toon, voordracht.
— Het maken en verstaan van eenvoudige poëzie; allitererend, rijmend en metrisch.
— Het declameren en reciteren van allitererende en metrische poëzie, juiste toon, tempo, maat, ritme, frasering.
— Mooi en zakelijk schrijven, verbinding van schoonheid, grammaticale juistheid en sociale vaardigheid.
Leerstof, Middelen, Werkvorm Klasse IV
a.vertelstof: Godenverhalen en heldensagen uit het Noors-Germaanse taalgebied.
De onzekerheid van het kind, dat zich als een IK’ beleeft, wordt in hoge mate gesteund door de verhalen, die steeds weer over ‘moed’ gaan. De Noorse held strijdt, omdat het zijn plicht is Odhin bij te staan tegen de reuzen en monsters die het gouden Asgard zullen overvallen: strijd tegen leugen (Fenriswolf), egoïsme (Midgardslang) en dood (Hella). De Noorse held overwint zelden, hij gaat onder, maar zijn moed blijft in de schone zangen van barden, en minstrelen bewaard als lichtend voorbeeld. Het kind werd door de verhalen uit het Oude Testament: ‘uitdrijving uit het Paradijs’, de “tocht door de woestijn’, het ‘worden van een eigen volk’ reeds voorbereid op de moeilijkheden van de volgende kleine levensfase.
b.spreken: Moeilijker spraakoefeningen, vertellen en navertellen. Klasgesprek. Toneelspelen, declameren, raadsels oplossen en in de juiste bewoordingen opgeven. De schone en krachtige regels met stafrijm oefenen en ook zelf improviseren.
c.schrijven: Het schone* schrijven oefenen. Zich in de taal grammatikaal en wat spelling aangaat duidelijk en zuiver uitdrukkken. Nieuw is het schrijven van zakenbrieven en andere brieven.
d.lezen: Lezen van moeilijker verhalen en gedichten. Voordracht oefenen. Lezen van Noorse verhalen.
e.spelling en interpunctie: Schrijven van de werkwoordsvormen (‘tragedie der werkwoordsvormen’)
f. grammatica: Zorgvuldige behandeling van de werkwoordstijden in heden, verleden en toekomst. Bewustzijn wekken, hoe de verandering van de werkwoordsvorm samenhangt met tijd en onderwerp. Vooral tot een sluitende behandeling van alle woordsoorten komen. Bij de adjectieven en adverbia de trappen van vergelijking behandelen en oefenen.
Dit moet alles op kunstzinnige wijze geschieden en het spelelement moet overal aanwezig zijn.
De taal moet in zijn plastiek, zijn vormkracht gevoeld worden en in zijn onderdelen goed worden bewustgemaakt. Het is van groot belang die woorden zorgvuldig te bekijken en te leren gebruiken, die de betrekking tussen allerlei woorden vaststellen, vooral die met de werkwoorden (voorzetsels).
De taal kan uit zijn voorzetsels bestudeerd worden.
g. opstel: Behalve de cultivering van het briefschrijven, hetgeen ook een soort opstel is, wordt ook nog aparte aandacht besteed aan het navertellen van verhalen. Kort vertellen, langer vertellen, uitvoerig vertellen. Een onderwerp wordt bepaald (uit de vertelstof of andere leerstof b.v. de dierkunde) of vrij ter keuze aan de kinderen overgelaten.
Hoe gaat het toe?
Iets over de vierde klasse Grammatica De vierde klas heeft in zijn taalperioden nogal wat grammaticale dingen te verwerken. Al die woordsoorten, al die tijden. Hoe doen we dat op speelse wijze?
De verhalen uit de Noorse mythologie spreken de kinderen op die leeftijd zeer aan. Odhin, de vader der goden en mensen, offerde zich op, hing zichzelf aan de Wereldboom, werd ingewijd in de geheimen van het heelal. Hij bracht de mens de ‘runenwijsheid’, het mysterie van de taal en de kennis van het heelal. Een schitterend beeld uit de Voluspa (— de zieneres spreekt) over het ontstaan van de wereld:
Een Es weet ik staan Yggdrasil heet hij, hoog en met helder
heilvocht begoten. Vandaar komt de dauw
in de dalen gevallen,
aan de bron van Urd staat hij eeuwig groen.
De kinderen declameren die knorrige strofen uit de Edda, klappen of stampen op de allitererende klanken — let wel, de klinkers worden met een h-achtige ademstoot gesproken en rijmen dus ook op elkaar — want dit is geen zwak eindrijm, maar een knoestig beginrijm.
Die boom, daar begint alles. Hij wordt door de gehele groep getekend, vellen papier die aansluiten en langs de wand van de klas worden opgehangen. Ga er eens voor staan!
‘Ik’ is vlakbij, de stam. ‘Jij’, iets verder, een tak; ‘hij’ nog verder, nog een tak. Ik (stam), jij – t, hij – t. Zo komen de personen en werkwoordsvormen te voorschijn. Ik speel, jij speel – t, hij speel – t. Dit wordt mondeling grondig bij de boom geoefend; tenslotte getekend en opgeschreven.
Tijden van het werkwoord Nog iets uit de Voluspa. Wie zitten aan de voet van de Wereld-Es? Drie vrouwengestalten. Nornen heten zij. De een kijkt terug, de ander kijkt omhoog, de derde kijkt borend in de toekomst.
Bij de Wereld-Eswerken
Drie wijze vrouwen;
Zij weven het weefsel
van leven en lot voor lijf en leden
bij goden en mensen:
Urd weet wat was Werdandi wat nu is,
maar Skuld wat zijn zal.
Drie meisjes spelen voor de Nornen. Zij hebben een blauw (Urd), geel (Werdandi) en rood (Skuld) jurkje aan van crêpe-papier.
Een werkwoord of doewoord wordt door een groep kinderen genoemd, b.v. ‘strijden’.
Urd zegt deftig: ‘ik streed’. Nu kunnen vele variaties gemaakt worden.
Of de zes personen door zes kinderen laten declameren, of de Norne zelf alle personen te laten zeggen, of iedere Norne om beurt de personen laten zeggen.
Wernandi zegt opgewekt: ‘ik strijd’, Skuld merkt dreigend en krachtig op: ‘ik zal strijden’.
De kinderen krijgen er niet gauw genoeg van.
Men kan ook Urd achteruit laten gaan, Wernandi laten staan en Skuld naar voren laten stappen.
Dit toneelspel draagt bij niet tot kennis van de tijden in de eerste plaats, maar tot een kwalitatieve beleving, waaruit de heldere kennis als eindresultaat naar voren springt.
Het is allerminst voorgeschreven, die drie Nornen, maar het verband met de tijdsbeleving dringt zich op.
Woordsoorten Een nieuwe ingang voor de behandeling van woordsoorten vanuit het voorzetsel.
Het voorzetsel brengt ons innerlijk in beweging. Sommige uitdrukkingen met een voorzetsel hebben werkwoordkarakter: ‘aan dek!’ ‘te wapen’ ‘naar huis’. Voorzetsels stellen verhoudingen tussen allerlei woorden vast.
Weer kijken wij naar de Wereld-Es.
‘In zijn top zit een adelaar, met een havik tussen de ogen. ‘Aan de voet zijn de drie Nornen, met elkaar. Onder de wortels huist een boze draak. Langs de stam van Yggdrasil rent Ratatosk, de eekhoorn,
die uit de top naar beneden gaat om het woord van de adelaar tot de draak te brengen.
Alles ziet Heimdal, de godenwachter op de Bifrostbrug,
de regenboog, die van de Hemel naar de Aarde loopt.
Heimdal redt Freya’s sieraden die Loki,
de ondeugende vuurgod, trachtte te stelen.
Heimdal ziet Loki als vlo onder de deken op het bed van de beeldschone Freya springen om haar sieraad uit het paleis te ontvreemden.
Zo ontstond een taalspel: Heimdal kreeg zijn woord en zijn strofe:
Ik, Heimdal de Wachter, Bij, in op of aan… ben overal achter,
heb alles verstaan.
Ik waak bij de brug,
de hoorn in de hand
en blaas mijn boodschap Over het land!
Voorzetsel is Heimdal woord.
Zo wordt Odhin het zelfstandige naamwoord, Freyr het voornaamwoord, Frigga het bijvoeglijk naamwoord en Freya het bijwoord.
Door dit godenspel wordt de kennis van de woordsoorten bevorderd en ook de woordontleding mogelijk gemaakt. Wat, Goden? Ja zeker, deze leven in de ziel van de kinderen in de vierde klas. Zij zijn goede bekenden.
Een taalspel Typisch voor de Noordelijke volken was het elkaar opgeven van raadsels.** Ook bij de Keltische volken kwam dit voor. Eerst wordt verteld, hoe de Goden dit hanteerden. Bij alle raadsels is Odhin, als taal-godheid en inspirator voor de Noordelijke volken in het geheim betrokken.
Het oerbeeld ligt in het lied van Wafthrudnir, de wijze reus, die door Odhin, vermomd als zwerver werd uitgedaagd. Het gaat dan eerst om het weten van namen.
Wafthrudnir:
‘Zeg mij nu, Gangradr,
Als gij van de vloer
U meten wilt met mij:
Hoe heet het Ros, Dat den radenden goden
Uit ’t oosten opvoert de nacht?’
Odhin:
‘Hrimfaxi heet
Die den heiligen goden
Uit ’t oosten opvoert de nacht! Daar druipen ’s morgens
Van zijn bit de druppels.
Vandaar komt de dauw
In de dalen!’
Dan is de beurt aan Odhin. Wafthrudnir weet alles, behalve de laatste vraag: Nu weet Wafthrudnir wie zijn tegenstander is:
‘Ik mat met Odhin al mijn weten
De wijste echter waart gij!
Langzamerhand komen er ook echte raadsels, zoals:
‘Wie rijden gezamenlijk naar het gevecht, zij hebben tien voeten, één oog en één staart?’ (de eenogige Odhin op zijn achtvoetige ros Sleipnir)
Of: ‘Vier hangen, vier gaan / twee wijzen de weg / twee weren de honden / één die vaak vuil is, sjokt er achteraan, kun je het raden?’ (een koe)
De voorliefde voor raadsels van de vierdeklasser is niet zo verwonderlijk. Eerst was hij in een geheel ingeschakeld: alles voelde hij aan en accepteerde het. Na zijn ik-beleving kan dat zo niet meer. Hij wil de vervreemde buitenwereld exact gaan verkennen en er uiterlijk iets van weten.
Hij wordt zich zelf een raadsel: Wat is de verhouding tussen de binnenwereld van hemzelf en de buitenwereld? Elk goed raadsel heeft die subjectief-objectief-kant. Bij het raadsel van de koe kan men de objectief-uiterlijke kant aan de koe zelf waarnemen, maar dat de raadselmaker deze dertien delen van de koe als wezens of personen ziet, die bepaalde dingen doen, dat is de misleidende subjectieve mededeling.
Toneel De Noors-Germaanse mythologie levert in de verzen van de Edda zelf al uitstekende stof. Zeer geliefd is het z.g. ‘Hamerlied‘ van Thor.
De boze Thursenreus, koning Thrym, steelt Thors hamer Mjölnir. Hij wil deze alleen teruggeven, wanneer de schone Freya met hem wil trouwen. De goden willen Freya niet afstaan, maar Thor zelf wordt verkleed als bruid. Komische situaties doen zich aan Thryms hof voor: Thrym:
Eén ding ontbrak mij:
Freya als bruid!
Koor:
En eindelijk viel
de schemering.
Men zette zich
aan de avonddis.
Toen at Thor
Een vette os.
Een achttal zalmen
en alle toespijs.
Hij dronk daarbij
Drie vaten mede!
Toen zeide Thrym
de Thursenkoning:
Thrym:
‘Wie zag een bruid
Ooit gretiger bijten?
Nooit zag ‘k een bruid
Gretiger bijten!
Noch ook een meisje Meer mede drinken!’
Koor: De slimme dienstmaagd
Zat aan de dis
En zij sprak
Tot Thrym de reus:
Loki:
‘Acht dagen lang
At Freya niet
Zo reikhalsde zij
naar ’t Reuzen land!’
Koor:
Thrym vond het fijn,
tilt op de sluier
om de bruid te kussen,
maar hij deinst terug:
Thrym:
‘Hoe vrees’lijk fonk’len
Freya’s ogen,
Als vlammend vuur
Zo brandt haar blik!’
Loki:
‘Acht nachten lang
Sliep Freya niet.
Zo reikhalsde zij
naar ’t Reuzen land!’
Tenslotte krijgt Thor de gestolen hamer in handen bij de huwelijksvoltrekking. Dan maakt hij korte metten met het gehele reuzengebroed. Zo kreeg dan Thor zijn hamer terug.
De taalperioden in de vierde klas vormen een hoogtepunt voor het gehele schooljaar!
**het kunnen ‘begrijpen’ van een raadsel vraagt toch een bepaald abstract denkvermogen. De meeste kinderen in klas 4 (10 jaar) hebben dit nog niet.
Gevraagd bv. ‘waar zit de meeste vis’ antwoord(d)en ze steevast: in de (Noord)zee. Het antwoord ‘tussen de kop en de staart’ vonden sommigen zelfs ‘gek’.
Mijn ervaring is dat er in de 5e klas ‘ineens’ wel dit nodige abstracte denkvermogen is. Dan is het erg leuk om bv. bij de pauzeboterham iedere dag een raadsel op te geven en de andere dag het antwoord te vragen en/of te geven. De kinderen komen dan ook vaak met leuke raadsels aan (waarbij ik de ‘flauwe’ in een aparte categorie onderbracht)
De kinderen spreken in koor, per temperament, of individueel. Zij steunen elkaar, totdat een of een paar het durven.
Drie razende rode ridders rijden door het groene gras
De rollende r, natuurlijk gegeven bij Italianen, Grieken en Indonesiërs is soms heel moeilijk voor de stugge Hollandse tong.
De voorbereiding is ook al merkwaardig: Dgdie gdazende gdode gdidders en zo voort (gd – r) Zo zijn er vele spraakoefeningen.
Knaap de knappe kapper knipt en kapt knap.
Steeds sneller, dat is een goede spreeksport.
’t Is nacht
de wacht
komt stormende op
Gij knapen,
de vijand. Daar
is lijfsgevaar
Te wil, te weer.
Te wapen!
Ik sloeg hem zulk nen daverslag
als dat hij plat
ten aarden lag
en vim meer en roerde noch vâmc.
De snee lag op de daken
De snee lag achter ’t land.
Langs wegen, landen, straten
’t Was snee al dat men vand
Al snee… ’t was snee al dat met vand.
De Vlamingen, vooral Gezelle, hebben bijzonder goede gedichten gemaakt, die geschikt zijn voor kinderen. Speelse oefenstof!
Schrijven in verbonden lopend schrift*
Daar beginnen ze mee door vormen te trekken, die door hun ritmische beweging voorbereiden op het lopende schrift. De vertelstof is het Oude Testament. Toen de Israëlieten in Egypte waren, zagen zij, dat schrijven een heilige zaak was. Ook de spelling krijgt een stoot in de goede richting: eerbied voor het geschreven woord is weliswaar een Egyptische aangelegenheid, maar onze kinderen kunnen daarvan best iets gebruiken.
Lezen en leestekens Voor het lezen moeten de leestekens geleerd worden. Vele zijn er al eens gezien, maar nu moet het totaal der leestekens worden waargenomen. Waarom niet ook hiervan een spel gemaakt?
Leestekenspel Een of twee kinderen stellen leestekens voor. Zij dragen grote punten, haakjes en zo voort voor zich uit.
Zo zegt de punt, die zich met een dikke buik voor de woorden opstelt:
Ho! Je ziet toch wel dat je niet verder kunt? Ik ben een hele grote dikke, vette PUNT.
Elk kind is vele keren elk leesteken geweest en verheugt zich op de ontwikkeling van het spel.
Woorden:
‘Waarom ligt er nog geen sneeuw?
Waarom heet een mus geen spreeuw?
Waarom moeten we alles weten?
Wie heeft aan de suikerpot gezeten?
Vraagteken zegt geheimzinnig:
Het vragen wel staat jullie vrij!
Maar antwoord krijg je niet van mij!
Woordsoorten De grammatica richt zich nu op een globale indeling van de woordsoorten.
Een spel van Adam, de eerste mens, die van de Schepper zelf het vermogen kreeg in woorden te spreken.
De Schepper zelf sprak het scheppende woord, dat de aardse wereld in leven riep.
De kinderen oefenen graag die indeling van het woordenspel.
Adam: de naamgever van de dingen. Eva: de schone spreekster over de kwaliteiten van alles, de hoedanigheden. Later komt het engelwoord, ook wel Kaïns woord genoemd, dat de handelingen aangeeft. Over het wezen van Kaïn moet men niet de Bijbel alleen raadplegen. In de Israëlitische legenden is Kaïn de vuurgeest, die stamvader werd van alle handwerkers, kunstenaars en technici.
Adamwoorden zijn de NAAMwoorden, Evawoorden zijn de HOEwoorden, Kaïnwoorden zijn de DOEwoorden. Het woordenspel loopt uit op een aantal gebaren: bij het Adamwoord worden de armen gekruist, bij het Evawoord de armen heen en weer bewogen, bij de Kaïnwoorden wordt een sprong gemaakt, of er wordt gestampt. Indrukwekkend is het ogenblik, waarin de drie woordsoorten in het scheppingverhaal zelf te voorschijn komen. Eerst werd door de Elohim geschapen (doe-woord), daarna zagen zij pas hoe het was, het was goed (hoe-woord) en ten slotte werd pas de naam gegeven, hij noemde het DAG (het naam-woord). Men zou met recht kunnen zeggen, dat de Elohim (dus God zelf) de grammatica door hun scheppend woord hebben ingevoerd.
De mens, bemerkt het kind, is daarom naar Gods beeld geschapen, opdat hij ook het scheppende woord kan hanteren. Een groots perspectief aan het eind van de drie lagere klassen.
Toneel Toneelspel is gekozen uit de rijkdom van de Oud-Testamentische verhalen: de geboorte van Mozes.
Een stoel is tot gouden troon gemaakt. De farao zit er op, de hoge kroon met de gouden uraeusslang diep in het voorhoofd. Hovelingen staan rondom en heffen een lofzang op de farao aan.
De farao spreekt:
Laat mijn raadgevers komen
Bekwaam in de uitleg van dromen, (de bediende brengt drie wijze mannen)
Dienaar:
Bileam, de zoon van Beor, uit het land der twee stromen
Hiob, uit Uz
En Jithro de Midianiet
(raadgevers buigen)
Farao:
Luister naar wat ik zag
Toen ik dromend nederlag
Een weegschaal, wonder mooi gesmeed;
Eén der schalen met goud bekleed,
Die droeg het gans Egypteland.
Uit stro gevlochten aan de kant
Als een vogelnest zo fijn
Daar lag een kindeke fijn
Die schaal van stro
Schijnbaar zo licht
Was veel zwaarder in gewicht
Dan de gouden schaal!
Verklaar mij deze dromentaal.
Bileam:
Hoedt U voor dat kleine kind!
Farao:
Moet ik bang zijn voor een kind?
Bileam:
Hoedt U voor de bevrijder van Israël
En vernietig hem snel!
Zo gaat het door. De Farao beveelt de kindermoord.
De kinderen leven zeer mee, ook als de mopperende en klagende Israëlieten opkomen, die stenen moeten maken. De vertelstof voor de derde klas is een grootse vertelstof. Mozes kan men niet wegdenken uit de mensheidsontwikkeling.
*Het is m.i. niet zo dat het verbonden schrift pas in klas 3 aan de orde ‘mag’ komen. De kinderen zijn a.h.w. de maatstaf voor het tijdstip: hoe is hun motoriek. De 1e klas is DE gelegenheid om deze te oefenen. Maar bv. een ‘wakkere’ 1e klas – met wellicht veel ‘oudere’ leerlingen, kent na driekwart jaar de meeste (beeld)letters wel. En als de klanken bij de letters goed ge- en herkend worden is er geen enkel bezwaar om de alfabetnaam te noemen en de drukletter onder de aandacht te brengen.
Er bestaat geen eenduidigheid in de vrijescholen over ‘wel of niet schrijven van de drukletter=blokletter.
Steiner: ‘Zo zullen we uit het tekenen eerst de geschreven vormen van de letters ontwikkelen, dan de gedrukte. (1)
En: ‘Dan zullen we op het bord tekenen hoe de afzonderlijke letters er als drukletter uitzien. Dan zullen we het kind leren overschrijven. Het kind zal dus niet leren lezen zonder dat het met de hand navormt wat het ziet, ook de drukletters. (2)
Maar ook: ‘ ( ) dat het lezen van de drukletters afgeleid wordt uit het lezen van geschreven letters. We zullen dus proberen de overgang te vinden van het tekenen naar het schrijven, van het schrijven naar het lezen van het geschrevene en van daaruit naar het lezen van gedrukte tekst. (3)
Ik ben van mening – met anderen waaronder Audrey Mc.Allen – dat de drukletter NIET geschreven hoeft te worden. Waarom zou je, als die een jaar later weer ‘afgeleerd’ moet worden ten gunste van het lopend schrift. Tijdverlies – niet economisch – en een beetje bedrog, vind ik persoonlijk. Van de kinderen alles eisen voor een goede en nette blokletter om vervolgens er niet meer naar om te kijken – op schrijfgebied dan.
Dat betekent dat je eind 1e, maar zeker begin 2e met het lopend schrift kan beginnen.