VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 2 (2-9)

.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE
.

*GA 293

Vertaling

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken bij alle voordrachten.
De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

 

VOORSTELLING – BEELD                                       OUD EN NIEUW

VERLEDEN EN TOEKOMST

We hebben allemaal weleens meegemaakt, denk ik, dat we ons samen met een groep mensen in een slecht geventileerde ruimte bevonden. Op den duur krijg je moeite met je te concentreren. Luister je dan ook nog naar een saaie lezing, dan slaat een vorm van geestelijke vermoeidheid (we laten de vraag buiten beschouwing of de geest wel moe kan worden) toe: we gaan geeuwen, de oogleden worden zwaar en de kans op knikkebollen wordt steeds groter.
De fysische verklaring daarvoor luidt dat er te weinig zuurstof in de ruimte aanwezig is: die wordt al ademend door de groep ingeademd en ervoor in de plaats komt het koolzuur.
Te veel koolzuur heeft uiteindelijk een dodelijke werking. 

Als we rustig zitten, is onze ademhaling minder diep dan wanneer we bijv. hardlopen.
Dat geldt ook voor de kinderen in de klas. Als ze rustig zitten, nemen ze minder zuurstof op in hun bloed – door de minder diepe, en langzamere ademhaling – dan wanneer ze naar hartenlust op het schoolplein kunnen rennen.
Wanneer dan ook de ramen potdicht zijn, zal het koolzuurgehalte in hun bloed toenemen.
Veelvuldig in deze situatie verkeren, betekent eigenlijk  ‘met te veel koolzuur’ leven, met een stukje ‘op weg naar de dood’ – via het slaperig worden, de slaap, wat zich uit in het bleek worden en gaan we geeuwen:

mogelijk is het een spontane reactie op een onvoldoende doorbloeding of zuurstofvoorziening van de hersenen. Wanneer mensen vermoeid zijn of zich vervelen gaan ze vaak langzamer ademen, waardoor minder zuurstof de longen bereikt en het bloed meer koolstofdioxide (CO2) bevat. Door te gapen verbetert de longventilatie en krijgen we extra zuurstof naar binnen waardoor het zuurstofgehalte in het bloed verhoogt en het koolstofdioxidegehalte daalt.’ bron

Lesgeven wordt vanuit verschillende visies vooral gezien als ‘kennisoverdracht’.
En dat al jaren!
Ik herinner me levendig hoe de juf in de 1e klas – nu groep 3 – ons leerde lezen.
Op een bepaalde manier hoorden bij de klanken nog plaatjes: het befaamde leesplankje: aap, noot, mies. Juf liet de klank horen, wees het plaatje aan en wij moesten het nazeggen. De blokletter verscheen op het bord en wij moesten zeggen: dat is de ……

In deze methode is de werkwijze niet veranderd, slechts de plaatjes van ‘aap, noot, mies’ ontbreken.

Dat betekent vanuit de visie ‘Algemene menskunde’ dat ‘het beeld’ is verdwenen en dat betekent dat alleen de abstractie is overgebleven. Het plaatje dat hier wordt getoond is de abstractie drukletter. De kinderen horen eigenlijk alleen: dit is de – en dan volgt de klank van de letter.
Die moeten ze leren en onthouden. Met de voorstelling die wordt getoond, hebben de kinderen geen enkele verbinding: die had voor hen net zo goed anders kunnen heten, zoals dat bijv. in een andere taal het geval is.
Om zich die voorstelling eigen te maken en te onthouden, moeten ze niet alleen mooi
rechtop zitten, maar ook goed opletten, wakker erbij zijn.

Dat gebeurt met het spiegelende orgaan, de hersenen, die daarvoor zuurstof nodig hebben.
Maar door een verminderde ademhaling – zie boven – wordt deze niet optimaal aangevuld; de kans dat het bloed koolzuurrijker wordt, neemt toe. (De kans dat de kinderen gaan geeuwen dus ook)

Hoe anders moet dat zijn, wanneer de fantasie wordt ingeschakeld; wanneer een beroep wordt gedaan op de scheppende krachten; hoe anders wanneer een kind  kan bewegen, zich in moet spannen. Dan wordt de ademhaling dieper, meer zuurstof komt het lichaam binnen, dus ook in de hersenen.

En wanneer kinderen meegenomen worden in hun fantasie, wanneer ze geboeid raken door een verhaal bijv. is er veel meer aandacht: ze zijn er meer bij.
Meer bij betrokken.
Alsof je Arie Bos hoort zeggenAls de zenuwen niet onderbroken zouden zijn geweest, zouden wij niet ingeschakeld kunnen zijn in de werking van de hersenen. Daardoor zijn we er zelf bij. [2-7]

Ik wil hiermee niets bewijzen, alleen wijzen op. En als vraag meenemen: maakt het uit of we er via de voorstelling ‘bij zijn’ of via de beweeglijkheid van de fantasie of wat op een ander niveau hetzelfde is: via de beweging van de ledematen: veroorzaken deze nieuwe synapsverbindingen?
Komen we hier weer in de buurt van: ‘handen en intelligentie‘?

Vooral met deze voordracht wordt een menskundige basis gelegd voor de manier waarop we kinderen kunnen lesgeven. Een methode die we op verschillende manieren, al naar gelang ons standpunt, kunnen karakteriseren als: via het denken of via het doen; d.w.z. via de abstracte voorstelling of via de fantasie, of wel via het zenuwzintuigstelsel of het stofwisselings-ledematenstelsel, of wel via antipathie of sympathie.

Wat hier aan de hand is en onder [2-2] aan de orde kwam, vat Steiner op blz.  43 samen:

Sie werden daher auf Grundlage solcher Betrachtungen leichter einsehen, daß ein großer Unterschied ist zwischen der Willensbildung und der Vorstellungsbildung. Wirken Sie besonders auf die Vorstellungshildung, wirken Sie einseitig auf die Vorstellungsbildung, so weisen Sie eigentlich den ganzen Menschen auf das Vorgehurtliche zurück, und Sie wer- den ihm schaden, wenn Sie ihn rationalistisch erziehen, weil  Sie dann seinen Willen einspannen in das, was er eigentlich schon absolviert hat: in das Vorgeburtliche. Sie dürfen nicht zuviel abstrakte Begriffe in das einmischen, was Sie in der Erziehung an das Kind heranbringen. Sie müssen mehr Bilder darin einmischen. Warum? Das können Sie an unserer Zusammenstellung ablesen. Bilder sind Imaginationen, gehen durch die Phantasie und Sympathie. Begriffe, abstrakte Begriffe, sind Abstraktionen, gehen durch das Gedächtnis und durch die Antipathie, kommen vom vorgeburtlichen Leben. Wenn Sie also beim Kinde viele Abstraktionen anwenden, werden Sie fördern, daß das Kind sich besonders intensiv verlegen muß auf den Prozeß des Kohlensäurewerdens, Kohlensäurebildens im Blute, auf den Prozeß der Leibesverhärtung, des Absterbens. Wenn Sie dem Kinde möglichst viele Imagiaationen beibringen, wenn Sie es möglichst so ausbilden, daß Sie in Bildern zu ihm sprechen, dann legen Sie in das Kind den Keim zum fortwährenden Sauerstoffbewahren, zum fortwährenden Werden, weil Sie es auf die Zukunft, auf das Nachtodliche hinweisen. Wir nehmen gewissermaßen, indem wir erziehen, die Tätigkeiten, die vor der Geburt mit

U zult op basis van dergelijke beschouwingen gemakkelijker inzien dat er een groot verschil bestaat tussen de vorming van de wil en de vorming van de voorstelling. Werkt u voornamelijk op de vorming van de voorstelling, werkt u eenzijdig op de vorming van de voorstelling, dan wijst u ei­genlijk de hele mens terug naar het bestaan voor de geboorte; u zult hem schade berokkenen wanneer u hem rationalistisch opvoedt, omdat u zijn wil vastbindt aan hetgeen hij eigenlijk al afgesloten heeft: het bestaan voor de geboorte. U mag niet te veel abstracte begrippen opnemen in hetgeen u in de opvoeding aan het kind aanbiedt. U moet meer beelden gebruiken. Waar­om? Dat kunt u uit ons overzicht afleiden. Beelden zijn imagi­naties, zij gaan via de fantasie en de sympathie. Begrippen, abstracte begrippen zijn abstracties en gaan via het geheugen en de antipathie; zij komen van het leven voor de geboorte. Wanneer u nu bij het kind veel abstracties gebruikt, dan zult u dus bevorderen dat het kind in zichzelf het proces van kool- zuur-worden, van koolzuurvorming in het bloed bijzonder in­tensief moet stimuleren en dit is een proces van verharding van het lichaam, een sterfproces. Wanneer u het kind zoveel moge­lijk imaginaties bijbrengt, wanneer u het kind zoveel mogelijk ontwikkelt door in beelden te spreken, dan legt u in het kind de kiem voor een voortdurend behoud van de zuurstof, de kiem voor een voortdurend ‘worden’, omdat u het wijst naar de toe­komst, naar het leven na de dood.
Wij nemen in zekere zin met de opvoeding weer op, wat er voor de geboorte met

Blz. 44

uns Menschen ausgeübt werden, wieder auf. Wir müssen uns heute gestehen: Vorstellen ist eine Bildtätigkeit, die herrührt von dem, was wir vor der Geburt oder Empfängnis erlebt haben. Da ist mit uns von den geistigen Mächten so verfahren worden, daß Bildtätigkeit in uns gelegt wurde, die in uns nachwirkt noch nach der Geburt. Indem wir den Kindern Bilder überliefern, fangen wir im Erziehen damit an, diese kosmische Tätigkeit wieder aufzunehmen. Wir verpflanzen in sie Bilder, die zu Keimen werden können, weil wir sie hineinlegen in eine Leibestätigkeit.
Wir müssen daher, indem wir uns als Pädagogen die Fähigkeit aneignen, in Bildern zu wirken. das fortwährende Gefühl haben: du wirkst auf den ganzen Menschen, eine Resonanz des ganzen Menschen ist da, wenn du in Bildern wirkst.

ons mensen is gedaan. We moeten tegenwoordig onderkennen: het voor­stellen is een beeldactiviteit die haar oorsprong vindt in onze belevenissen voor de geboorte of conceptie. Toen hebben geestelijke machten zo aan ons gewerkt, dat we een beeldvor­mend vermogen hebben gekregen dat nog na de geboorte in ons nawerkt. Door kinderen beelden mee te geven, maken we er in de opvoeding een begin mee om deze kosmische werkzaamhe­den weer op te nemen. We planten beelden in de kinderen die tot kiem kunnen worden, omdat we ze in een activiteit van het lichaam planten. Wanneer we ons als pedagoog het vermogen eigen maken in beelden op het kind te werken, moeten we daarom het voortdurende gevoel hebben: je werkt in op de gehele mens, de gehele mens resoneert wanneer je met beelden werkt.
GA 293/43-44    
Vertaald/44-45

De voordracht wordt besloten met:

So haben wir uns zwei Begriffssysteme angeeignet: Erkennen, Äntipathie, Gedächtnis, Begriff – Wollen, Sympathie, Phantasie, Imagination; zwei Systeme, die uns dann im speziellen Anwenden für alles dienen können, was wir praktisch auszuüben haben in unserer pädagogischen Tätigkeit. 

Zo hebben we ons twee begripssystemen eigen gemaakt: kennen, antipathie, geheugen, begrip enerzijds en willen, sym­pathie, fantasie en imaginatie anderzijds; twee systemen die ons van dienst kunnen zijn, doordat we ze gericht toepassen in alles wat wij in de praktijk van onze pedagogische werkzaamheden moeten verrichten.
GA 293/45  
Vertaald/45

In Rudolf Steiner over schrijven en lezen, vind je veel terug van ‘voorstelling – beeld’.

In GA 302A karakteriseert Steiner weer vanuit andere gezichtspunten wat zuurstof en koolzuur voor de mens betekenen en wat dit voor het lesgeven betekent. [via ctrl+F en het woord sauerstoff in het zoekblokje kom je bij de betreffende passages.
In de vertaling vind je deze op de pagina’s:

Over de vertaling van GA 302A
.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 2: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1706-1600

.

.

VRIJESCHOOL – 8e -12e klas – meetkunde

.

Dit is een overzicht van onderwerpen die in de verschillende klassen van de bovenbouw aan de orde komen.
Of wellicht kwamen. Het is mij niet bekend hoeveel mogelijkheden de middelbare vrijescholen nog hebben om, door exameneisen, het vrijeschoolleerplan nog te kunnen uitvoeren.

MEETKUNDE KLAS  8 T/M 12

8e klas

In 7 weken periodeonderwijs kan heel wat gedaan worden. Meestal worden deze 7 weken verdeeld in 2 periodes van resp. 3 weken, bijv, één in de herfst en één in de lente voor zover dit roostertechnisch mogelijk is.

In de eerste periode komen de bekende meetkundige figuren aan de orde zoals vierkant, rechthoek, parallellogram, ruit, vlieger, trapezium waarvan de oppervlakte nu berekenbaar is zo ook van de driehoek.

De oppervlakte van een rechthoek is lengte x breedte.

Wat is nu de oppervlakte van een driehoek? Deze blijkt de helft van de basis x hoogte te zijn:

Hebben twee driehoeken dus dezelfde basis en dezelfde hoogte maar voor de rest zijn ze verschillend, dan is toch hun oppervlakte gelijk:

Verder komen aan de orde het meetkundig vermenigvuldigen van een figuur ten opzichte van een punt. Gelijkvormigheid van figuren vloeit hier als vanzelf uit voort:

Een begin wordt gemaakt met de ruimtelijke meetkunde door de vijf platonische lichamen knippend en plakkend van papier te maken.

In de tweede periode staan de “puntverzamelingen” centraal. Dit houdt het volgende in. Tot nu toe is een lijn een lijn, een cirkel een cirkel. Nu komt het moment om een lijn als een verzameling punten te zien die op een rij liggen. Zo is de cirkel te beschouwen als een verzameling punten die alle even ver van één centraal punt af liggen. Ais je alle punten neemt die even ver van een lijn L als van een punt P liggen dan krijg je een kromme die we de parabool noemen:

Alle punten die even ver van een centraal punt P liggen, vormen een cirkel

Alle punten die even ver van een punt P als van een lijn l af liggen vormen een parabool.

Op soortgelijke wijze kun je nu komen tot geheel nieuwe meetkundige figuren, nl. de ellips, de hyperbool, de cassinische curven met name de lemniscaat en de cirkels van appollonius. Dit alles wordt door de leerlingen met grote nauwgezetheid geconstrueerd.

Cassinische curven i.h.b. de lemniscaat

9e klas

Zoals in de periode Nederlands de tegenstelling sentimentaliteit – rationaliteit behandeld wordt zo wordt in de meetkunde het thema cirkel-lijn aangeroerd.

De omtrek van een cirkel blijkt 3 à 4 keer zo lang te zijn als zijn straal. Bij nadere bestudering blijkt het 3,14 keer zo lang te zijn. Maar ook dit getal blijkt niet nauwkeurig. Uit de geschiedenis is bekend dat reeds de oude Egyptenaren en de Grieken zochten naar dit getal, (het zgn. getal pi =  π). Het aantal decimalen waarin men kon vastleggen werd steeds groter totdat in onze tijd de computer in staat is tot op 1,  2 miljoen decimalen te berekenen. Met dit getal kunnen we ook de oppervlakte van een cirkel uitrekenen.

Verder maken we in deze periode kennis met begrippen als middelpuntshoeken, omtrekshoeken, booggraden, de stelling van Thales enz. dit alles in het kader van de cirkelmeetkunde:

Alle hoeken waarvan het hoekpunt op de omtrek van de cirkel ligt, zgn. omtrekshoeken, zijn alle even groot, omdat ze dezelfde cirkelboog snijden.

De platte meetkunde wordt nu verlaten en de ruimte-meetkunde, de stereometrie, wordt betreden. In de 8e hebben we de platonische lichamen geknipt en geplakt; nu worden ze getekend alsmede uitslagen ervan gemaakt. Onderlinge samenhangen worden ontdekt en samengevat in de stelling van Euler. Het begrip dualiteit krijgt inhoud. Ook de ontdekking van Keppler in de 15e eeuw dat ons planetenstelsel opgebouwd is volgens platonische lichamen wordt behandeld.

Kubus en achtvlak zijn onderling duaal, d.w.z. dat de kubus evenveel zijdevlakken als de oktaeder hoekpunten heeft en omgekeerd.

10e klas

De stereometrie wordt nu verder verkend. Lichamen met platte vlakken, kubus, blok, piramide, prisma laten we doorsneden worden door willekeurige platte vlakken. De doorsnijdingen kunnen we nauwkeurig construeren. Punt, lijn en vlak zijn de elementen waarmee we de fysieke ruimte ai denkende doordringen, parallel aan de natuurkunde waarin de fysische processen met name de mechanica nu denkend verkend worden. Ook de periode landmeten sluit hier goed op aan. Op de aarde staand van je omgeving een nauwkeurige plattegrond maken luidt hierbij de opdracht. Technische hulpmiddelen zijn meetlint en theodoliet (hoekmeter). Wiskundige hulpmiddelen zijn hierbij de goniometrie en de trigonometrie de z.g. driehoeksmeetkunde. Deze is in de algebraperiode en in de vaklessen flink geoefend om nu toegepast te kunnen worden.

Constructie ter bepaling van de doorsnijding van het scheve prisma door een vlak dat door de grondlijn en door P gaat.

We meten de hoeken A1, A2, B1 en B2 en de afstand tussen A en B en met de cosinusregel en de sinusregel zijn we in staat de afstanden tot het torentje en de antenne alsook de onderlinge afstand tussen beide te berekenen. Rekenmachientje toegestaan, waarna op schaal de plattegrond gemaakt kan worden.

11e klas

In de 11e klas wordt het assenkruis ingevoerd, ofwel het coördinatenstelsel, uitgevonden door de Fransman Descartes. Lijn, parabool, hyperbool, cirkel, figuren die we in de 8e klas als puntverzameling hebben leren kermen, zijn nu te vangen in een algebraïsch verband tussen 2 coördinaten, een formule. Algebra en meetkunde ontmoeten elkaar hier en het oplossen van vergelijkingen, ontbinden in faktoren, merkwaardige producten waarmee de leerlingen jarenlang gepijnigd zijn in de vaklessen, blijken hier zichtbaar gemaakt te kunnen worden en uiterst nuttig te zijn.

parabool                                                                                                      lijn

Y= X  – 4                                                                                               Y = X + 2

Snijpunten van parabool en lijn vinden we door gelijkstelling:
x2 – 4 = x + 2
verder uitwerken:

x2 – x – 6 = 0
(x + 2) (x – 3) = 0
x = 2           x = 3
↓                 ↓

y = 0          y = 5

Dus punt A ( -2,0)  en B (3,5) zijn de snijpunten van parabool en lijn.

Dezelfde bovengenoemde figuren komen ook weer te voorschijn als de kegelsneden behandeld worden. Daarmee wordt het volgende bedoeld.

Als we een kegel laten snijden door een plat vlak dan is de doorsnijding van dit vlak met de kegel een meetkundig figuur, welk figuur hangt af van de stand van het vlak t.o.v. de kegel. Hiermee wordt de “Griekse” meetkunde afgesloten

Verder is het streven om in deze klas een begin te maken met de projectieve meetkunde*

Omdat hier nog ervaring mee moet worden opgedaan, gaan we hier niet verder op in.

De 12e klas

De 12e klas zet als het goed is een kroon op een ontwikkeling die 12 jaar duurt. Van een meetkunde periode is echter niet meer sprake, wel van een
bouwkundeperiode, waarin veel meetkundige vaardigheid toegepast wordt.

De opdracht luidt namelijk: ontwerp je eigen huis.

Wel degelijk is er een wiskunde-periode dit jaar, doch deze weken worden gebruikt om ingewijd te worden in de geheimen van het differentiëren en integreren.

L. Bronkhorst, Karel de Grote College, Nijmegen, datum onbekend

.

Meetkunde: alle artikelen

.

VRIJESCHOOL  in beeld: meetkunde klas 6

.

1705-1599

.

VRIJESCHOOL – (Kunst)geschiedenis – Delphi

.

Onderstaande gezichtspunten over het Griekse Delphi kunnen je een beeld geven van een verleden waartoe we niet gemakkelijk toegang meer hebben. 
Wanneer je geschiedenis geeft in klas 5 of in de bovenbouw kan het helpen je in te leven en je inzicht in dit verleden te vergroten.
Voor mij zou het bezoeken van Delphi zonder deze achtergronden anders zijn geweest, dan kijkend vanuit de inhoud van dit artikel. 

DELPHI

Inspiratieplaats van sociale kunst in het oude Griekenland

Hij die de wereld op zijn grondvesten doet trillen, bliksems in het rond slingert en wolkenmassa’s samenbalt, hij, -Zeus-, liet volgens de Griekse mythologie, om het middelpunt der aarde te bepalen, twee adelaars uit tegengestelde richtingen van het heelal op elkaar toevliegen. De ontmoeting tussen de adelaars vond plaats op de zuidelijke helling van de Parnassus, in Delphi, de navel van de wereld. Daar woonde de draak Python, zoon van aarde-moeder Gaia. Vanuit de kloof verhief hij zich uit de opstijgende nevelsluiers die de Parnassus omhullen.

Toen Apollo, in Delos geboren, naar een plaats zocht om zijn tempel te bouwen, verbleef hij eens in Haliartos bij de bronnimf Thelpoussa, maar door haar misleid, verliet hij de plaats en bereikte bij Delphi de helling van de Parnassus. De door licht omstraalde God stootte hier op de Python en met zijn pijlen doodde hij de draak. Boven de kloof waar Python huisde, werd de tempel van Apollo opgericht. Vanaf deze tijd sprak hier Apollo, indien het gevraagd werd, door de mond van de Pythia.

De Pythische orakelspreuken werden het middel waarmee aan het staats-, volks-en familieleven van de Grieken gestalte werd gegeven en van waaruit de uitbreiding van hun cultuur naar Klein-Azië en het zuidelijke en zuidwestelijke Europa werd geleid. Wat zich in het sociale leven van de afzonderlijke Griekse volkeren als levensvorm moest openbaren, werd hier geïnspireerd. De onderlinge strijd van de Griekse volkeren werd vanuit Delphi langzamerhand beslecht en door de inauguratie van snarenspel en poëzie verlegd naar het gebied van de kunst. Zo werkte Apollo, de leider der muzen en de stichter van de Pytische spelen, waarin te zijner ere de pracht van de muzische wedstrijd werd ontplooid.

Dat is zo ongeveer wat heden ten dage over de ontwikkeling en de sociaal-kunstzinnige betekenis van Delphi in het oude Griekenland nog bekend is.

George Roux [1] heeft werkelijk zeer verdienstelijk alle overgeleverde details bijeen gebracht, geordend en op eigen wijze tegen elkaar afgewogen. Dit boek zou ieder, die zich nader bezig zou willen houden met het Delphische heiligdom, moeten lezen.

Wat de lezer echter niet zal vinden, is een overtuigende verbinding tussen de tastbare feiten en de inhoud van de Griekse godenleer.

Bij diegene, in wiens fantasie Delphi levend aanwezig is, zal het bezoek aan de geografische plaats een merkwaardig gespleten gevoel in de ziel veroorzaken. De aanblik van het door gouden avondzon overgoten monumentale landschap en de grootse steile rotswanden van de Phaedriadea, die ook nu nog, net als vroeger gloeien in het licht, wekt in de ziel iets als een vertrouwd gevoel van geborgenheid. Maar het reeds vóór onze tijd, op barbaarse wijze vernielde heiligdom, waarvan de brokstukken op zeer gebrekkige wijze geordend zijn, werken bevreemdend en halen de ziel in het heden terug.

De brede geasfalteerde verkeersweg, die het heiligdom doorsnijdt en het noordelijke Lamia, over de Parnassus heen, met het zuidoostelijk gelegen Levadia en verder met Athene verbindt, is een bode van de huidige civilisatie, die ook hier al de natuur geweld aandoet; een voortzetting van tempelvernietigende barbaarsheid in onze tijd. Het heiligdom maakt door de weg een verdeelde indruk. In het door de weg begrensde hoger gelegen gedeelte: het heilige gebied en het stadion; in het aan de overkant van de weg liggende lagere deel: het gebied van de ‘Athene Proneia’, de Athene-voor-de-tempel. Hier moet de Griekse wandelaar, komende van de haven Kirrha en door het dal van de bergbeek Pleistos omhoog stijgend, zijn voet gezet hebben op de drempel van het heiligdom.

Vanaf dit diepst gelegen geografische punt van het tempelgebied voerde de weg hem naar de bron Castalia waar hij, in een cultische handeling tegelijk met het stof ook de zonden van hoofd en voeten waste. Dan eerst betrad de bezoeker de heilige weg, die hem langs wijgeschenken en rotonden in het heilige gebied binnen voerde, dat door de heilige muur omsloten wordt. Tussen de tempel van Apollo en het theater eindigt deze weg. De eerst om de acht jaar, daarna om de vier jaar, georganiseerde Pythische Spelen, oorspronkelijk gehouden aan de oever van de Pleistos, ver beneden het Athene-Proneiagebied, worden later gehouden in het stadion, dat niet zo ver boven het heilige tempelgebied ligt als het heiligdom van Athene-Proneia daaronder.

De blik, gericht door het vermoeden, hier niet iets toevalligs voor ogen te hebben, deelt allereerst de drie gebieden van het Delphische heiligdom geografisch in: in de diepte, tegen de helling leunend, naar de beek Pleistos gewend, het heiligdom van de Athene-Proneia; midden op de helling, door de westelijke Phaedriadea omhuld, het heilige gebied met de Apollotempel en het theater; bijna boven aan de geëgaliseerde grond van het stadion, plaats van muzische en lichamelijke bekwaamheid.

De topografische schets geeft een indruk van de ruimtelijke samenhang van de drie architectonische delen, geeft echter geen beeld van de hoogteverdeling.

Op het heilige gebied, dat het middelpunt van het geheel vormt, valt architectonisch bijzonder de nadruk; het vormt het zwaartepunt van het gehele complex. Twee bouwwerken zijn erin tot een geheel verbonden: dieper gelegen, de tempel van Apollo; naar het stadion gekeerd, hoger gelegen, het theater. Wanneer men de blik richt op de ligging van beide bouwwerken ten opzichte van elkaar, dan beleeft de toeschouwer een gespannen-harmonische, maar niet symmetrische relatie. De assen van beide bouwwerken staan loodrecht op elkaar, het toneel van het theater ligt naar de lengtezijde van de tempel gekeerd. Beide liggen echter zo ten opzichte van elkaar verschoven, dat het symmetrievlak van het theater de tweede zuil van de lange zijde van de tempel snijdt, gerekend vanuit het westen. Deze onderlinge ligging van de beide bouwwerken verliest de toevalligheid die aanvankelijk gegeven lijkt, wanneer men let op de ligging ten opzichte van het stadion en van de tholos, de ronde tempel en het centrum van het Athene-Proneiaheiligdom: het middelpunt van de tholos, het middelpunt van tempel en theater, evenals de noordoostelijke hoek van het stadion liggen op een rechte lijn, die ook op de topografische schets werd getekend. Nu staat de middenas van de tempel echter niet loodrecht op deze rechte lijn en het symmetrievlak van het theater valt hier weer niet mee samen. Meet men de hoek die beide maken, dan komt men op 23½° (zie schets).

Dit kan nauwelijks toeval zijn. Hiermee ontstaat de opgave naar het kunstzinnige motief te zoeken dat de drie complexen van het gehele heiligdom tot een eenheid verbindt en waarvan de alle bouwwerken verbindende rechte lijn en de hoek van 23½° een uitdrukking zijn.

De polariteit, die tot uitdrukking komt in de spanning tussen de zo essentieel verschillende architectuur van tempel en theater willen we eerst nader bekijken.

Het motief van de polariteit schijnt aan alles, wat er hier te ontdekken valt ten grondslag te liggen, het lijkt het heilige gebied te beheersen. Zo valt uit de berichten van Pausanias op te maken, dat de tempel, waarvan de ruïne voor ons ligt, gewijd was aan twee goden, die met het wisselen van de jaargetijden ritmisch in- en uitgaan. Gedurende de lange zomertijd, negen maanden, is de zonnegod Apollo de heer van de tempel. Met het invallen van de winter trekt hij naar de Hyperboreeërs in het noorden en begint Dionysos zijn heerschappij. Zo moeten er twee grote jaarfeesten geweest zijn, die cultisch gevierd werden. Het ene: de intocht van Apollo, de god, die door licht omstraald uit de geest vervulde natuur de Griek tegemoet treedt, evenwicht en harmonie stichtend. Het feest van zijn jaarlijkse wedergeboorte werd in het vroege voorjaar, in de bloeiende natuur gevierd. Het andere: het feest van Dionysos vierde men aan het begin van de winter. Hij is de god, die in het binnenste van de menselijke ziel woont. Over hem zegt de Griekse mythologie veelbetekenend: – hij werd door de mens beleefd, als hij door de diepste diepte van zijn eigen ziel naar beneden heersende goden afdaalde, tot de goden van het schimmenrijk, waarin de doden leven. Wat aan driften en hartstochten in zielendiepte leeft, doet zich aan de ziel voor bij die afdaling en roept huivering en verschrikking op. Voor deze ontmoeting met Dionysos moet de mens zo voorbereid zijn, dat hij sterk in zichzelf weet te rusten. Dionysos onvoorbereid te zien zou betekenen, tegenover hem het onderspit te delven. Geheel anders treedt de Griekse ziel de zonnegod Apollo tegemoet, die het middelpunt vormt van de boven heersende kring van goden en die zij begroette, als zij door de zintuiglijke wereld de weg had gezocht tot de goden van de hogere geestelijke wereld. Aan hem kan zij zich zonder strenge zedelijke scholing overgeven, want Apollo sticht harmonie, vrede en evenwicht.

Andermaal kunnen wij de polariteit ontmoeten, als wij onze blik richten op de Pythia, door wier mond Apollo kon spreken. Zittend in het adyton van de tempel, vermoedelijk op de plaats waar de as van het theater de tempel snijdt, geeft ze wijze antwoorden, die zowel in Apollinische als ook in Dionysische zin uitgelegd kunnen worden. Een van de bekendste orakelspreuken gaf ze aan Croesus: “Wanneer gij de rivier de Halys oversteekt, zult ge een groot rijk vernietigen”. Dit kan men dan Apollinisch verstaan, wanneer de zielenhouding: “Van buitenaf treedt de wereld op mij toe”, wordt aangenomen. In dat geval zou Croesus erop opmerkzaam geworden zijn, dat zijn eigen rijk bedoeld werd. Hij heeft echter de orakelspreuk vanuit een Dionysische zielenhouding opgevat: “Ik treed vanuit mijn innerlijk de wereld tegemoet”. Slechts in de laatste van de gegeven orakelspreuken, een eeuw na Christus, vallen beide opvattingen tragisch samen:

“Zegt het de Heer: Vernield is de heilige plaats van gezegende kunst.
Phoibos Apoll’ heeft geen huis meer,
verwelkt is de profetische laurierboom.
Verdroogd is de bron,
verstomd zijn de murm’lende waat’ren.

Niet alleen het tempelgebeuren is tweeledig, ook voor de verhouding tussen tempel en theater geldt dit motief. De tempel, waarin zich op ademende wijze, het ritme van het jaar volgend het goddelijke gebeuren zich voltrekt, staat tegenover het toneel van het theater waarop het lot der mensen in voorbeelden wordt vertoond. Hier werden de grote drama’s van Aeschylus, Sophokles en Euripides opgevoerd.

Het lot der mensen, door de goden bestuurd, ontroert de harten van de toeschouwers, die met uitroepen en gebaren het noodlotsgebeuren op het toneel begeleiden. Volgens de mythe was Delphi al vroeger de woonplaats van Dionysos dan van Apollo. Er wordt in gesproken over vuuroffers op zijn altaar, en over nachtelijke feesten, waarbij dienaressen van Dionysos met fakkels in de hand in een wilde vaart door de bergwouden van de Parnassus trokken.

Misschien stond het altaar van Dionysos daar, waar later het theater gebouwd werd, het architectonisch jongste deel van het Delphische heiligdom. Later werd ten tijde van het Dionysosfeest midden op het toneel van het theater, vuur ontstoken, waar omheen de koren op ritmisch gezang schrijdend, het geboorte-uur van het lk-bewustzijn vierden, het feest van de zich individualiserende mens. Goddelijke wereldadem in de tempel en menselijk hartenvuur in het theater, een tweeheid, die zich uitspreekt in de architectonische polariteit van tempel en theater.

Een geheel andere indruk krijgt men van het complex van het Athene-Proneiaheiligdom. Het verbazingwekkendste bouwwerk is wel de tholos, hier het architectonisch jongste deel. Het ligt tussen twee oudere tempels in, die beide aan de Athene-Proneia gewijd zijn. De jongste diende nog voor cultische handelingen, toen de tholos in de 4e eeuw voor Christus opgericht werd. Ze is in de Dorische stijl gebouwd, had aan de buitenkant twintig zuilen, die zich om de ronde tempel bevonden. Merkwaardigerwijs vond men in het binnenste tien Korinthische halfzuilen. Zie reconstructie(s)

Het deel boven de met leeuwenkoppen bezette Gaison is niet te reconstrueren.

Het raadsel van de tholos komt in de grote Oudgriekse heiligdommen driemaal voor.

In Delphi en in Epidauros bestaat twijfel over de godheid, aan wie ze gewijd zijn. In Olympia is het zeker, dat in de tholos geen godheid vereerd werd. Een feit dat aanvankelijk vreemd aandoet, Pausanius vertelt, dat in de tholos van Epidauros de heilige slangen gehouden werden. Enige jaren geleden, toen de cellavloer van de tholos in Delphi nog niet dicht gegooid was, werd een vierkant gemetselde schacht ontdekt, precies in het centrum van de cella, die in de Griekse tijd, al dan niet afgedekt, hier eveneens een plaats geweest kan zijn, waarin slangen gehouden werden. Het slangenmotief is überhaupt nauw verbonden met de gestalte van Athene. Athene werd uit het hoofd van Zeus geboren. In het museum op de Acropolis in Athene bevindt zich een doek, waarvan de randen een slangenmotief vertonen. Een soortgelijke Athene bevindt zich in Napels. De Athene die door Phidias voor het Parthenon gemaakt werd, heeft slangen op de helm.

Over het symbolische gebruik van het slangenmotief in het oude Griekenland maakt Rudolf Steiner de opmerking, dat de Griekse mens hierin het uit de toekomst komen – het individuele intellect, de individuele gedachtekrachten gezien heeft. Hierdoor raakt de mens van de goden vervreemd, wordt hij op zichzelf teruggeworpen, aan de aarde geketend. Voor zo’n toekomst ervoer hij angst en huivering. Voor de cultische plaats, waar deze toekomstkrachten in de architectuur zichtbaar geworden zijn, stond de Griekse mens die vanuit Kirrha Delphi bereikte.

Het stadion, dat bijna ter hoogte van de Phaedriadea is gelegen, dicht bij de goden, is de plaats van de wedstrijden. Hier meet zich de een met de ander in het spel op de kithara, het snareninstrument van Apollo en in de poëtische voordracht die vooral hier in Delphi beoefend werd. Wedstrijden in gymnastische oefeningen, hardlopen en discuswerpen werden gehouden. Er moet hier onbezorgde levenslust, vreugde en impulsiviteit geheerst hebben. Een muurinscriptie, waarschijnlijk uit latere tijd, verbiedt zeker niet voor niets het meebrengen van wijn. Dit stadion, het best bewaard gebleven bouwwerk in Delphi, is aan beide lengtezijden en aan een van de twee korte zijden omgeven door tribunes, die aan 6000 mensen zitplaats bieden.

In het omgaan en leven met zulke gedachten, drong zich steeds sterker de indruk op dat het geheim, dat verborgen ligt in de harmonie van alle architectonische onderdelen van het Delphische heiligdom, één en dezelfde idee is, die zich in heel Delphi uitdrukt. Is de spanning, die tempel en theater verbindt, niet dezelfde die in de microkosmos, in het menselijke lichaam, tussen hart en longen tot uitdrukking komt?

Zijn het niet dezelfde vormkrachten die in het menselijk lichaam hart en longen gestalte geven en die aan de architectuur van tempel en theater ten grondslag liggen? Zoals de menselijke adem in de longen in- en uitgaat, zo gaan in de wereldadem Apollo en Dionysos in en uit de tempel van Delphi. Zoals de naar de omgeving toe zich openende long zich verhoudt tot het meer in het eigen organisme besloten liggende hart, zo verhoudt zich ook de voor de goden openstaande tempel tot het theater, waarin de tragedie van het menselijke lot in zijn oerbeeld wordt uitgebeeld.

Deze overeenkomsten tussen de hart- en longenorganisatie van het menselijk lichaam en het heilige gebied van Delphi riepen de vraag op, of de architectuur van Delphi niet evenzeer een evenbeeld van de macrokosmos zou kunnen zijn als het menselijk lichaam. De reeds genoemde hoek van 23½° waaronder tempel en theater ten opzichte van de hoofdas van het gezamenlijke heiligdom verschoven zijn, geeft daarvoor een aanwijzing. Het is dezelfde hoek waaronder in de macrokosmos de zon op- en ondergaat, in het menselijk lichaam het hart gelegen is ten opzichte van de hoofdas van het heiligdom staan. Tot zover de overeenkomsten.

Een duidelijke polaire verhouding is te vinden in de betrekking die het menselijk lichaam enerzijds, en het Delphische heiligdom anderzijds, tot de macrokosmos hebben. Terwijl het menselijk lichaam een door de goden en dus door de kosmos voor het menselijk Ik geschapen natuurlichaam is, is het Delphische heiligdom daarentegen een door de mensen voor de goden gebouwd cultuurlichaam. Het ene: woonplaats van de menselijke ziel, het andere: woonplaats van de goddelijke geest.

Ook de andere onderdelen van de Delphische architectuur kunnen zo gezien worden. Zoals het hoofd gedragen wordt door de romp, waarin tegenwoordig het individuele ik zich beleeft, zo wordt de Athene-Proneiatempel gedragen door het heilige gebied. Haar ronde tempel is een architectonisch beeld van de krachten van de geestelijke wereld, die de ronde vorm aan de menselijke schedel hebben gegeven. Zoals de in het hoofd levende individuele gedachtekrachten de mens aan de aarde ketenen, zo bevindt zich in het centrum van de tholos, ingelaten in de aarde, de slangenkuil. Bovendien ligt de tholos dichter bij de aarde namelijk, vanuit het heilige gebied in de richting van het dal gaande. Het stadion daarentegen is de hemel nabij, met de goden verbonden, zoals het onbewuste leven van de ledematen. Dit beeld werpt ook een licht op het wezen van het kunstzinnige en de gymnastische wedstrijden in het oude Griekenland. Ook hierbij ging het om een cultische handeling, een godsdienst. Zoals de Griek bij de aanblik van de rustende tholos zijn toekomstig intellect voelde oplichten en vermoedde dat dit deel van zijn wezen de goddelijke draad, de binding met de geestelijke wereld zou verliezen, zo ervoer hij in de bewegingen tijdens de oefeningen in het stadion de innig duurzame verbinding met de geestelijke wereld, die hem de zekerheid gaf, dat ook de toekomst daaraan niets zou veranderen. De idee van het menselijk organisme, dat zich drieledig in de lichamelijke gestalte uitspreekt, ligt ook ten grondslag aan de architectuur van het Delphisch heiligdom.

Maar de overeenkomst gaat nog een stap verder. Zoals de spraak het menselijk strottenhoofd tussen borst- en hoofdorganisatie vormt, zo vormt het water het ravijn van de Castalische bron in Delphi. Het bronhuis vertoont een merkwaardige stroming van het water, die uit de natuurlijke gegevens niet is te verklaren. De volgende tekening geeft een overzicht van de toestand. De onmiddellijk uit de rots ontspringende bron wordt achterlangs een uit de rots gehouwen wand buitenom het verzamelbekken gevoerd. Eerst vanuit de diagonaal tegenovergestelde zijde stroomt het bronwater in het bekken. Zoals het kraakbeenschild van het strottenhoofd ervoor zorgt dat de ademstroom niet in de mondholte terecht komt en deze van voor-onder naar achter-boven leidt, zo wordt ook het water van de Castalische bron in de holte van het waterbekken geleid, voordat het uit de geweldige kloof naar buiten komt, die de beide Phaedriadea scheidt, zoals de spraak uit de mond.

Topografische schets van de Castalische bron.

Geheel anders staat het met de blijkbaar sterk druipsteen vormende bron Cassotis, die zich tussen theater en heiligdom bevindt. Men kreeg onder de aarde vat op haar; werd langs de westelijke zijde van het theater gevoerd, in het adyton van de tempel binnen geleid en diende daar de cultische voorbereiding van de Pythia.

Alvorens ze de goddelijke inspiratie kon ontvangen, ging ze vanaf het Athene-Proneiaheiligdom op tot de Castalia en verrichtte daar de cultische wassingen. Ze brak de lauriertwijg af, betrad het adyton, nam plaats op de drievoet, kauwde op de taaie laurier, dronk van het water uit de Cassotis en ademde de dampen in die uitstroomden van het lichaam van de aardemoeder.

Zoals de mens door zijn strottenhoofd al sprekend de wereld bevrucht met wat als idee in zijn ziel geboren wordt, zo drukt zich in de gebeurtenis van lichamelijke geboorte door de tussen ledematen en borst gelegen organisatie uit, wat als fysiek lichaam, als omhulling van een naar de aarde afdalend ik dient. Ook deze polariteit lijkt in Delphi architectonisch verwerkelijkt en in de cultus toegepast te zijn. De werking van de Castalische bron die de ziel reinigt en door de kracht van de Cassotische bron die het lichaamsvuur ontsteekt, schept de Pythia de voorwaarden waaronder de twee geestelijke werelden, de achter de zintuiglijke wereld liggende Apollinische en de beneden de menselijke ziel liggende Dionysische, op vragen naar volks- en mensenlot kunnen antwoorden. Delphi heeft het organisme van de Griekse volkeren gevormd en ontwikkeld.

Het sociale organisme van het oude Griekenland had hier zijn broncentrum van inspiratie; architectonisch als cultische plaats op dezelfde wijze drieledig als het lichamelijke organisme van de mens.

Deze gedachte belicht ook het “Ken U zelve”, een overgeleverde kernspreuk van Delphi. Het drieledige heiligdom spreekt echter meer uit dan dit woord alleen. Het “Ken U zelve”behelst wat in het Athene-Proneiagebied architectonisch verwerkelijkt is. Het woord, dat zich in het heilige gebied van Delphi, in tempel en theater openbaart voor de aanschouwende mens, moet een ander geweest zijn. Het moet met de belevenis van het midden, met de harmonie tussen de beide polen samenhangen. Een woord als “houd maat” drukt uit, wat ook de architectuur zegt. Voor het stadion zou een inhoud te verwachten zijn die, tegengesteld aan het “Ken U zelve”, de verhouding van de mens tot de wereld uitdrukt. Zoiets als: “Vorm de wereld”.

Een opnieuw uitgegeven werkje van Carl Gustav Carus, de bekende arts en Goetheanist uit de eerste helft van de vorige eeuw [2], bracht de blijde verrassing, dat er werkelijk drie Delphische spreuken geweest zijn. De tweede spreuk: Van niets teveel” behelst het verwachte. De derde spreuk, de letter ypsilon, door enkele schrijvers met “Gij zijt” vertaald, was niet onmiddellijk te begrijpen. Wat immers, zo kon men zich afvragen, is de voorwaarde waaronder de mens de wereld kan vormen, om uit datgene wat door de goden in de natuur gegeven is, een verantwoorde cultuurschepping te maken. De krachten van Athene moeten zijn binnengegaan door de poort waar voor ze in de Griekse tijd nog bleven toeven. Dat was voor de Griek nog toekomst. Zoals de uitnodiging “Ken U zelve” op het herscheppen van de natuur. “Vorm de wereld” is de uitnodiging, waar wij in deze tijd voor staan. Want het vormen der wereld, dat niet tot de dood van de natuur mag leiden, stelt zelfkennis als voorwaarde. Hoe moet de mens de wereld vormen, als hij niet weet wat hij zelf is?

Pas de antroposofie verbindt beide. Zij is de methode, waardoor de mens van deze tijd zich in de zelfkennis als microkosmos kan begrijpen, voordat hij begint de wereld te vormen, naar het beeld van zichzelf en van de goden: drieledig!

Zoals de mens van deze tijd, die niet alleen de natuur om moet vormen, maar reeds voor de opgave staat, haar van de dood door de huidige civilisatie te redden, het ik in het hoofd beleeft, zo beleefde de Griek, in wie het zelfbewustzijn pas in “Gij zijt” op de aarde aangekomen was, het ik een verdieping lager in het organisme. Hij beleefde het tussen hart en longen. In het drieledige, door de Griekse cultuur geschapen godenlichaam van het Delphische heiligdom ligt deze plaats tussen theater en tempel, op de as, die het stadion, het theater en de tempel met de tholos verbindt. Hier stond de voor ons behouden gebleven, geweldige bronzen plastiek van de wagenmenner. Hij draagt een band om zijn voorhoofd, beteugelt de paarden en heeft de stola kruislings over zijn rug bevestigd. De mens tussen Apollo en Dionysos, op de geografische plaats die het Griekse cultuurtijdperk als de navel van de wereld beleefde. De plaats, van waaruit de geestelijke wereld het sociale leven van Griekenland inspireerde en tot ontwikkeling bracht. Wij, in onze tijd, die het ik in ons hoofd beleven, hebben de van buiten komende hulp van de goden niet meer, maar dragen in ons de kiemen, die ontwikkeld moeten worden, als wij dit werk zelf willen volbrengen.

[1] George Roux: Delphi – “Het orakel en de cultusplaatsen   (blz. 44)
[2]  C.G. Carus: Over de levenskunst volgens de drie opschriften van de tempel te Delphi”,

.

Artikel lijkt een bewerking – auteur onbekend – van een hoofdstuk uit ‘Die Quellen der Kunst, Thomas Göbel

.

Kunstgeschiedenis: alle artikelen

Geschiedenisalle artikelen

.

1704-1598

.

.

VRIJESCHOOL – (Kunst)geschiedenis – Epidauros

.

Onderstaande gezichtspunten over het Griekse Epidauros kunnen je een beeld geven van een verleden waartoe we niet gemakkelijk toegang meer hebben. 
Wanneer je geschiedenis geeft in klas 5 of in de bovenbouw kan het helpen je in te leven en je inzicht in dit verleden te vergroten.
Voor mij zou het bezoeken van Epidauros  zonder deze achtergronden anders zijn geweest, dan kijkend vanuit de inhoud van dit artikel. 

EPIDAUROS

het heilige centrum van imaginatieve geneeskunst in het oude Griekenland

De Griekse cultuur heeft ons een grote hoeveelheid archeologische voorwerpen nagelaten, die min of meer gerestaureerd, geordend, van commentaar voorzien en tentoongesteld, in de gehele wereld en vooral natuurlijk in Griekenland zelf zijn te bezichtigen. Daartoe behoren ook de architectonische overblijfselen van oude tempels, waarvan in het navolgende het heiligdom van de god Asclepios te Epidauros zal worden besproken.

Willen wij een antwoord zoeken op de vraag, hoe het uiterlijk van deze heiligdommen in de oudheid geweest kan zijn, dan kunnen geschriften uit de Romeinse tijd ons daarbij helpen. In dit verband zijn de reisberichten van Pausanias te noemen of de beschrijvingen van Plutarchus. Bij de laatste zijn ook aanduidingen over het verloop van rituele handelingen te vinden, maar deze berichten zijn schaars en als men naar de oorsprong van de rituelen vraagt, laten de historische bronnen ons helemaal in de steek.
Wij zijn hier op de beeldentaal van de mythologie aangewezen, die met ons eigen abstracte, niet-beeldende denken zo moeilijk valt te begrijpen. Hoe meer zich het voor ons begrijpelijke, in deze beeldentaal kleedt, als wij de berichten tot in de tijd van de mythologische periode terug vervolgen, hoe meer de teksten ervan spreken dat de goden in het leven van de mensen ingrijpen en de loop van het lot van enkelingen en volkeren besturen. Zich in overeenstemming te weten met bepaalde wezens van de geestelijke wereld was voor de mens van het oude Griekenland tot in de hellenistische periode een na te streven doel. Voor een dergelijke levenshouding ontbreekt ons het bewustzijn aan ervaring en begrip. Het constateren van dit feit maakt ons er echter op attent, dat er voor ons begrip van de Griekse cultuur twee niveaus bestaan. Het ene vinden wij bij het aanschouwen van de archeologische overblijfselen, het tweede in de mythologische beelden. Het eerstgenoemde niveau lijkt ons daarom begrijpelijk, omdat wij objecten voor ogen hebben die wij gewend zijn te onderzoeken. Dat het mythologische niveau en het andere echter elkaar niet dekken, zou ons voorzichtig moeten maken, want voor de oude Grieken waren immers de objectief waarneembare en de met de uiterlijke zintuigen niet te bevatten geestelijke wereld onafscheidelijk met elkaar verbonden. Voor ons zijn ze dat niet. Wat aan de Griek zich ongescheiden openbaarde, verbinden wij niet meer met elkaar. Als wij voor de zichtbare overblijfselen van de Griekse cultuur een enigszins juist begrip willen krijgen, moeten zij – niet op de oude, maar voor ons hedendaagse bewustzijn geschikte wijze – met een geestelijke wereld in verband gebracht worden. Want een volkomen misverstand zou ontstaan, indien men zou vergeten, dat de oude culturen in eerste instantie in deze dualiteit verschijnen. Indien men een begrip voor Epidauros wil ontwikkelen, is het dus nodig bij dat, wat aan materiële overblijfselen is bewaard gebleven, het geestelijke te voegen.

theater van Epidauros

Het heiligdom van Asclepios ligt aan de noordoostelijke kant van de Peloponnesos en vormt samen met Delphi en Olympia de hoeken van een ongeveer gelijkzijdige driehoek. Delphi ligt in het noorden, aan de punt van de gelijkbenige driehoek, op het vasteland tegen de achtergrond van het indrukwekkende hooggebergte van de zuidelijke Parnassos. Epidauros vormt de oostelijke punt van de driehoek en ligt in een landschap van zacht glooiende bergtoppen van een middelgebergte. Het Olympische heiligdom aan de westelijke punt ligt in de laagvlakte van het Alpheiosdal in de noordwestelijke Peloponnesos.

In de Griekse mythologie is Asklepios bekend als zoon van de zonnegod Apollo. Zijn moeder is de Thessalische koningsdochter Coronis. Het kind van Apollo onder haar hart dragend, wordt zij de God ontrouw. Vertoornd geeft Apollo aan zijn zuster Artemis de opdracht om Coronis met haar pijlen te doden. Op het ogenblik dat de ouders de dode dochter in het vuur verbranden, herinnert Apollo zich zijn zoon en redt hem uit het lichaam van de brandende Coronis. Hij brengt de jonge Asklepios naar het Peliongebergte naar de centaur Chiron, de grote opvoeder, die, zoals Pindarus zegt, vol liefde voor de mensen was. Volgens een andere, uit Epidauros stammende legende, baart Coronis haar kind heimelijk op de berg Myrtio bij Epidauros, die sindsdien de naam Titthio draagt, d.w.z. de berg waar gezoogd werd. Coronos legde hem daar te vondeling en hij werd door een geit gevoed en door een hond bewaakt, totdat hij gevonden werd door een herder, Aristenas, die zijn goddelijke afkomst herkent. Asklepios, god en mens tegelijk, wordt de genezer van ziekten. Geen andere god uit de kring der Griekse goden buigt zich met zo’n mildheid en met zo’n sterke wil om te helpen tot de mensen als hij. Weliswaar is uit sommige van de beschreven gevallen van genezing op te maken, dat hij bij gebrek aan belangstelling, onnauwkeurig en gebrek aan medewerking bij de hulp die hij biedt, met een zekere listigheid weet te straffen. Een vrouw bijvoorbeeld, die een zwangerschap wenst, helpt hij, maar zij kan gedurende drie jaar niet baren. Naar Epidauros teruggekeerd, moet zij zich door Asklepios laten zeggen, dat zij een kind had moeten wensen. Na het brengen van een offer mag zij haar kind baren. De gevallen van genezing werden in Epidauros op grote zuilen opgetekend en in het heiligdom opgesteld. Pausanias beschrijft, dat er in zijn tijd nog slechts zes zuilen aanwezig waren. Twee ervan werden gevonden, zij zijn in het museum van Epidauros tentoongesteld.

Laten wij ons thans tot de architectuur van het heiligdom van Epidauros wenden; de restanten en fragmenten en de bouwfundamenten, die nog bewaard zijn gebleven. Het gehele complex kreeg zijn definitieve vorm in de tijd van de hoogste bloei van het Hellenendom, in de periode toen Perikles in Athene heerste en de Griekse cultuur haar hoogtepunt overschreed. De naam van de architect die de ronde tempel, de tholos, ontwierp, is ons bekend, het was Polykletos de jongere.

Wij mogen verwachten dat de afzonderlijke bouwcomplexen niet willekeurig in het landschap werden neergezet, maar dat de sociale taak van het heiligdom, nl. de plaats van genezing voor de ziekten van de mens, ook in het geheel van de architectuur ligt verborgen. Laten wij de zieke volgen die van de haven, twee uur te voet, of van de istmus bij Korinthe komend, het heiligdom van Asklepios bereikt. Als men vóór de Propyleeën van het heiligdom staat, blijft al het andere voor het oog van de beschouwer verborgen. Slechts het theater zal, al naar gelang van het toenmalige boombestand, zichtbaar geweest kunnen zijn. Een opgeworpen heuveltje, dat door de architect bewust is aangebracht, verbergt het abaton, de zaal, waar Asklepios de zieken in hun slaap verschijnt. Verborgen blijft ook de tempel van Asklepios en de tholos, een merkwaardig rond bouwwerk. Pas wanneer de woorden die op de Propyleeën staan zich in de ziel van de intredende hebben gevestigd en de drempel van het heiligdom is overschreden, wordt het complex van gebouwen stapsgewijs aan hem onthuld. Pausanias heeft de woorden van de Propyleeën opgetekend:

“Rein, zij een ieder die de van wierook geurende tempel betreedt.
Rein zijn betekent, in gedachten het goddelijke koesteren.”

De reinheid van de peinzende ziel, zoals wij uit het motto van het heiligdom kunnen opmaken, moet wederom gevonden worden, want al het denken, voelen en willen dat de goden onwaardig is, ligt aan de ziekten van het lichaam ten grondslag. Dat lichaam en ziel een samenhang hebben, daarvan zijn wij ons ook bewust. Deze eenheid van lichaam en ziel werd echter in de Griekse cultuur au sérieux genomen. In het belangrijkste centrum van genezing werd alleen de terug verkregen reinheid van de ziel tot therapie van het lichaam.

Misschien laat zich het beeld dat men in de oudheid van de mens had, ontraadselen, wanneer wij trachten alles tot eenheid te brengen, wat voor de genezing van de mens in Epidauros architectonisch werd geschapen. Laten wij proberen daarbij in het oog te houden, dat voor het Griekse bewustzijn het uit de ziel komende het lichaam schaadt, wanneer het ongoddelijk wordt – echter het lichaam ook kan genezen, wanneer het zich weer met het goddelijke verbindt.

Epidauros is wel het meest vernielde heiligdom van het oude Griekenland. Alleen het theater bleef behouden

en de weinige noodzakelijke restauratiewerkzaamheden worden met een gevoel voor het mogelijke door Griekse archeologen uitgevoerd. Het is een van de weinige klassieke plaatsen die door de Grieken wordt uitgegraven. (Schets nr. 1 geeft de topografische situatie weer; houd er echter rekening mee, dat het noorden links beneden ligt).

Het opgerichte kleine museum biedt ondanks de bescheiden middelen die ter beschikking stonden een indruk van hetgeen er van architectuur eens voorhanden was. Bijzondere moeite werd besteed aan de restauratie van een sector van de tholos, die eens buiten de cella door 26 Dorische zuilen en binnen door 14 Korinthische zuilen werd gedragen. Onder de tholos bevindt zich een crypte, die als labyrint is gebouwd, bestaande uit drie cirkelvormige gangen, die naar verhouding goed bewaard zijn gebleven. In het midden daarvan werden de heilige slangen gehouden, zonder welke Asklepios niet goed denkbaar is. De overleveringen zeggen, dat aan Epidauros een van de heilige slangen werd gevraagd, wanneer in een stad of streek van het oude Griekenland een Asklepeion zou worden opgericht. Een gezantschap ging naar Epidauros en wanneer de god zijn toestemming gaf, brachten de afgezanten een van de heilige slangen terug, die de stammoeder van het slangengeslacht van het nieuwe Asklepeion werd.

Hier vele voorbeelden van een reconstructie. In dit artikel worden ze aangeduid met schets 2.

Zuidelijk van de tholos ligt het stadion, ten noordoosten ervan de tempel van Asklepios. Als men in het midden van de naar de tholos toegekeerde kant van de tempel gaat staan, is men verrast het midden van de tholos en de meest westelijke hoek van het stadion op een rechte lijn te zien liggen. Een blik op het kaartje bevestigt deze observatie. Men krijgt het gevoel dat met deze ontdekte ruimtelijke samenhang ook een culturele zou kunnen overeenkomen. Voordat wij op een dergelijk aspect ingaan, zal worden onderzocht, of niet nog meer ruimtelijke samenhangen tussen de genoemde bouwwerken: tempel van Asklepios, tholos, stadion en theater bestaan. De twee op een cirkelvormige plattegrond staande gebouwen zijn de tholos en het theater.

Als men de hoek meet tussen het middelpunt van de tholos, de meest oostelijke hoek van het stadion en het middelpunt van het theater, vindt men een waarde van 120°, de driedeling van de cirkel. De benen van deze hoek staan in een verhouding van 1:5. Het traject 1 is de afstand, middelpunt van de tholos – meest oostelijke hoek van het stadion. Traject 5 is de afstand tussen de meest oostelijke hoek van het stadion tot het centrum van het theater. Als men deze hoek zodanig om zijn hoekpunt draait, dat hij een tangent aan het theater vormt, vormt hij ook een tangent aan de tholos. Dus hebben de diameters van de tholos en ’t theater een verhouding van 1:5, ( zie hiervoor, alsmede voor de volgende beschouwingen, deze schets 3):

Een tweede keer is de hoek van 120° in de architectonische compositie te vinden, wanneer men het middelpunt van de tempel van Asclepios weer met de meest oostelijke hoek van het stadion en deze op de oostelijke zijde ervan met de meest zuidelijke verbindt. Draait men deze hoek zodanig om zijn hoekpunt dat het op de tempel gerichte been tot tangent aan de tempel wordt, dan zal het andere been tot diagonaal van het stadion worden. Op deze wijze zijn de vier bouwwerken zodanig tot elkaar gecomponeerd, dat de maten wederzijds van elkaar afhankelijk zijn. De middelen die de architect hiervoor heeft gebruikt, zijn de driedeling van de cirkel en de verhouding 1:5 van de lengtematen. Daarbij komt als een absolute lengtemaat een stadie, d.w.z. de lengte van het stadion. Indien deze afstand een gegeven is, dan bepaalt de ligging van de tholos op de rechte lijn tussen het stadion en de tempel, die wij de hoofdas van het heiligdom willen noemen, alle andere proporties. Hierdoor houdt de tholos de architectonische compositie van Epidauros in harmonie. Het lijkt derhalve wenselijk allereerst de betekenis van de tholos te begrijpen om te weten te komen wat de delen tot een geheel ordent, (schets 2 levert het materiaal voor de aanschouwelijkheid en schets 4 toont o.a. de plattegrond.)

(Duits: Hauptachse des Heiligtum = hoofdas van het heiligdom; süd – zuid; ost – oost)

De tholos die op oude inscripties ook thymele genoemd wordt, is een cirkelvormig bouwwerk, omgeven door een zuilengang die uit 26 zuilen van gewit tufsteen bestond. De muur van de cella bestond uit veelkleurige ornamenten, bloemen, meanders, holle lijsten, tandlijsten en fresco’s van de schilder Pausias, waarvan er twee door Pausianas zijn beschreven. Op een fresco was Eros afgebeeld, die boog en pijlen ter zijde heeft gelegd en naar een lier grijpt; op het andere fresco is de dronkenschap uitgebeeld, uit een glazen fles drinkend. Binnen de cella bevond zich een tweede zuilengang bestaande uit 14 Korinthische zuilen van marmer. Tussen de binnenste Korinthische zuilen en de wand van de cella bestaat het plafond uit een cassettenring die zich tussen de cellamuur en de door de Dorische zuilen gedragen architraaf door twee verdere cassettenringen voortzet. In elke cassette bevindt zich een bloesem die zich van cassettenring tot cassettenring van binnen naar buiten toenemend lijkt te openen. Deze bloemen van het cassetteplafond zetten een vormmotief voort dat zich aan de Korinthische zuilen in het binnenste van de cella bevindt. De kapitelen van deze zuilen zijn drieledig. Dicht bij de basis dragen de kapitelen bladmotieven, in het middelste gebied ziet men stengelvormen, die zich in spiraalvorm naar boven slingeren en in de nabijheid van de dekplaat verschijnen vier bloesems. Deze bloemvorm gaat klaarblijkelijk in het cassetteplafond over en zet zich voort tot in het plafond buiten de cella. Wie de overdreven vormen van de Korinthische zuilen uit de Romeinse tijd kent, zal verbaasd zijn te zien met welke eenvoud en schoonheid het Korinthische kapiteel hier gevormd is. Mij persoonlijk is geen poging tot een verklaring van deze merkwaardige tempel bekend. Als wij in onze beschouwing verder willen komen, moeten wij naar geschikte begrippen zoeken, die ons helpen het geheim van de tholos tenminste in een eerste aanzet te ontraadselen.

In zijn derde voordracht van de voor artsen gehouden cyclus “Geesteswetenschap en medische wetenschap”[1] herinnert Rudolf Steiner aan het vermogen van lagere diersoorten om verloren lichaamsdelen weer te vervangen of toch zodanig te compenseren, dat het organisme in al zijn functies weer wordt hersteld. Hij maakte deze opmerking om, overgaande op de mens, de vraag te behandelen wat bij hem uit deze regeneratie- en reproductiekrachten is geworden. Want de mens is immers niet in staat om een verloren orgaan opnieuw te vormen. Rudolf Steiner beschrijft dan hoe dat deel van het menselijk lichaam dat hij het vormkrachten– en/of etherlichaam noemt, over deze krachten beschikt. Daarmee wendt hij zich echter niet meer tot het lichaam, maar tot de ziel. In de cultureel scheppende krachten die in het denken, voelen en willen van de mens leven, kunnen de krachten weer worden gevonden, die aan het lichaam ontbreken. Met behulp van deze kan de mens op dezelfde wijze gedachten tot een geheel vormen als de regenworm het met zijn lichamelijk organisme kan doen. De gedachte ligt voor de hand dat de krachten die het lichaam mist, omdat zij als cultureel werkzame krachten ter beschikking van de ziel staan, de oorzaak van de ziekten van de mens zijn. Omdat de mens een geestelijke wezen is, mist hij in het lichaam krachten die hij zou moeten hebben om onder alle omstandigheden gezond te zijn. Vandaar dat de geest van de mens de oorzaak van zijn ziekte is.

De geciteerde geesteswetenschappelijke uitspraak van Rudolf Steiner kunnen wij nu verder differentiëren. Want al naar gelang van de graad van bewustzijn die de mens in de verschillende ledematen van zijn lichaam ontwikkelt, zijn aan deze levenskrachten onttrokken. In het gebied van de stofwisseling slaapt de ziel en heeft het lichaam de meeste levenskrachten. In het bereik van de borstkas droomt zij en daarom ontbreken aan het lichaam meer levenskrachten dan in het stofwisselingsgebied. In het hoofd heerst het wakkere bewustzijn, zodat daaraan de meeste levenskrachten zijn onttrokken. Het hoofd als drager van het wakkere bewustzijn is daarmee ook de pool waarvan in principe de ziekte uitgaat. Hier worden de levenskrachten nagenoeg geheel tot het cultureel werkzame instrument, het denken. Het zou verwonderlijk zijn als van het stuk bovenzinnelijke waarheid over de mens dat wij zo hebben leren kennen, de mens in het oude Griekenland geen bewustzijn zou hebben gehad. Het zou kunnen zijn dat het geweldige beeld van Prometheus die vastgesmeed is aan de rots van de aarde, de Kaukasus, en aan wiens lever de adelaar vreet, een weten van het beschreven feit in de oude beeldentaal van het toenmalige bewustzijn vertolkt. Wanneer dus een dergelijk weten in het Griekse bewustzijn heeft geleefd, dan zou Epidauros als centrum van geneeskunst ook de plaats zijn waar een dergelijk weten werd beoefend. Zulke gedachten doen de vraag rijzen of de tholos zich niet tot het geheel van het complex van Epidauros verhoudt als het hoofd tot het menselijk organisme. Men kan er over nadenken welke verhouding de wezensdelen van de mens tot elkaar in het hoofd hebben. In de omgeving van het hoofd ligt het waarnemingsbereik van de mens. Hier zijn de zintuigen werkzaam die wij de ‘lange afstandszintuigen’ zouden kunnen noemen. Door te zien en te horen omvat de ziel van de mens, van het hoofd uitgaande, meer dan alleen het eigen lichaam en de grens tot de omgeving. In deze omgevings-zielenruimte leeft het wakkere Ik van de mens. Het Ik leeft eveneens wakker in het binnenste van het hoofd, wanneer het gedachten vormt. De denkprocessen die de instrumenten van het Ik bij de vorming van gedachten zijn, blijken, zoals wij gezien hebben, de metamorfosen van de werkzaamheden van het vormkrachtenlichaam te zijn, dat niet alleen aan de levensprocessen van de mens, maar ook aan de levensprocessen van alle andere levende organismen ten grondslag ligt. In de plant vinden wij de levensprocessen het zuiverst werkzaam, omdat geen ander wezensdeel over de activiteiten heen werkt. Zoals de plant de vorming van haar gestalte door bloesems en vruchten bekroond en afsluit, wordt ook de werkzaamheid van het vormkrachtenlichaam in het menselijke hoofd door de vorming van gedachten bekroond, die de goden waardig, dus waar zijn, omdat zij zich vruchtbaar tonen. Door deze gedachte kan men een begrip voor de tholos krijgen. Het in de omgeving levende Ik, dat zichzelf als rechtop en door een centrum bekroond beleeft, vindt zijn uitdrukking in de Dorische zuilen van de buitenste gang van de tholos. De muur van de cella zelf zou met de grens van de binnenste en buitenste zielenruimte vergelijkbaar kunnen zijn. Het denken, cultureel scheppende processen van het vormkrachtenlichaam, komt overeen met de Korinthische kapitelen in het binnenste van de cella, die van daar, overgaande op het met bloemen versierde cassetteplafond, naar buiten treden in de omgevingsruimte. Wij zouden dus op deze wijze in de tholos een architectonische vorm voor ons hebben, die volgens wetten is gebouwd welke wij vinden, als wij de samenhang van het Ik en het etherlichaam (vormkrachten) in het menselijke hoofd in beschouwing nemen. Evenals de mens zich met het in de kosmos levende zich verbindt, wanneer hij waarheden, dus genezend op het lichaam werkende gedachten denkt, is de tholos met het kosmische middelpunt, de zon, verbonden.
Zijn middenas, die door het midden van de tholos en het midden van de celadeur is bepaald, is ten aanzien van de oost-westrichting met 23½º naar het noorden verschoven, dus met dezelfde hoek die de aarde tegenover de ecliptica vormt. Zie hiervoor schets 4.

Een opmerkelijk feit is nog te constateren, als men de ligging van de hoofdas van het heiligdom in de beschouwing betrekt. Deze halveert de hoek die tussen de as van de tholos en de noordelijke richting bestaat (33¼°).

Zoals de tholos in de ligging van zijn as een zonnemaat vertoont, is dit ook bij de tempel van Asklepios het geval. Zijn symmetrieas loopt parallel met die van de tholos en wijkt eveneens 23½º af. Nog andere bouwwerken binnen het heiligdom lopen parallel met deze richting, maar wij kunnen hier niet op meer dan de reeds genoemde ingaan.

De tholos staat voor ons innerlijk oog als een bouwwerk, dat de wetmatigheden van het hoofd openbaart, d.w.z. de wetmatigheden welke de oorzaak van ziekten zijn. Het is mogelijk dat wij hiermede de plaats hebben gevonden, waar de priester-artsen van Epidauros hun kennis van ziekten hebben toegepast. Hiervoor vormt de tholos de meest waardige achtergrond, omdat hij als architectuur openbaart, wat de daarin werkzame mensen op het gebied van kennis zoeken. Het door de heilige slangen bewoonde labyrint onder de tholos is een noodzakelijke aanvulling tot het verkregen beeld. Het is de plaats die qua niveau lager ligt dan die, waar zich de gedachten bevinden, die de goden waardig zijn. Hij komt dus overeen met het aan de aarde gekluisterde denken, dat de mens in een duister labyrint leidt, wanneer de verbinding met de kosmos verbroken is en de weg van de geest niet meer wordt verlicht. (Het heiligdom van Epidauros geeft aanleiding om de zeker veelzijdige realiteit en betekenis van het labyrint ook eens van deze kant te bekijken. Zo was het mogelijk, dat de -zoals wij heden ten dage zouden zeggen- naar de diagnose zoekende priester-arts, het beeld van de ziekte, die genezen moest worden in het centrum van het tholos-labyrint zag, omdat de wezens, die de ziekte zijn, de zieke loslieten en de tholos binnen trokken. Zoals alle genezing niet van het hoofd uitgaat, maar van het middengebied van de mens, dat door zijn ritmen een harmonie teweegbrengt tussen de hoofd-mens en de stofwisselingsmens, die de substanties voor de genezing levert, zo gaat de imaginatie van de therapie, het beeld van de medicijn, van Asclepios uit, die zijn woning in de tempel heeft genomen. Deze tempel is door zijn ruimtelijke ligging even onafscheidelijk verbonden met de tholos, als diagnose en therapie het, tenminste in het oude Griekenland, waren. Op hetzelfde moment – zo zou men kunnen denken – dat de ziekte zich imaginatief aan de priester openbaarde, verschijnt aan de in het abaton slapende zieke, Asklepios, die uit mildheid zijn tempel verlaat, in het abaton de zieke bezoekt en de genezende artsenij brengt. Teneinde de genezingsslaap in het abaton te mogen houden, moest de zieke onder aanwijzing van de priester door oefeningen in een muzische en gymnastische disciplines, die in het stadion plaats vonden, alsmede door het opbouwen van een gezond gevoelsleven zijn bijdrage tot de therapie leveren. In het theater, zoals men mag veronderstellen, leert de patiënt het gevoelsleven harmoniseren, wanneer hij de grote tragedies beleeft, die de lotgevallen van mensen als voorbeelden vertonen. Hij beleeft, hoe mensen, subjectief gezien zonder schuld, door de wil van de Goden in hun lot verward raken, om de krachten te verwerven die zij voor hun ontwikkeling nodig hebben. De zieke moest dus zelf bij zijn genezing meewerken. Hij moest werkzaam zijn in dat deel van zijn organisatie, dat voor het wakkere bewustzijn ontoegankelijk is. Hij werkte aan het ledematen- en stofwisselingssysteem door lichamelijke oefeningen en daar, waar krachten tot in het voelende bewustzijn, tot naar het hart stijgen, door het genietend beleven van de dramatische kunst. De priester en arts greep vanaf het hoofd door het mededelen van oefeningsinhouden in het verloop van de ziekte in, opdat Asclepios vanuit het ritmische middengebied van het heiligdom, de tempel, de imaginatie van de therapie kon geven, wanneer de zieke, door de oefeningen te verrichten, de voorwaarde voor de genezing had geschapen. Dat was klaarblijkelijk dan het geval, wanneer in de ziel van de zieke de gezonde harmonie tussen denken, voelen en willen zodanig was hersteld, als deze in het heiligdom van Epidauros architectonisch uitdrukking vindt. Wanneer deze toestand was hersteld, was de door de inscriptie op de Propyleeën genoemde eis vervuld en mocht de zieke Asclepios zijn offer brengen; de priester gaf toestemming tot de slaap in het abaton.

Het meest gebruikte en ook meest geschikte offer voor Asclepios was de haan. Zoals de mythologie overlevert, zijn haan en slang twee natuurbeelden die nauw met de werkzaamheid van Asclepios zijn verbonden. In het volgende zal een poging worden ondernomen ook deze twee beelden in onze huidige taal te vertalen. Hiertoe kan de natuurwetenschap vanuit een bepaald aspect bijdragen. De vogels, waartoe de haan behoort en de reptielen, waartoe de slang wordt gerekend, worden door de zoölogische systematiek samengevat tot de afstammelingen van de Sauriërs, de Sauropsiden. In tegenstelling tot alle andere diersoorten hebben de Sauropsiden één merkwaardigheid met de mens gemeen, die, omdat deze op het eerste gezicht profaan is, niet in deze samenhang lijkt te passen. Mensen en Sauropsiden scheiden in de urine niet alleen urinestof uit, zoals alle andere dieren ook doen, maar bovendien urinezuur. Urinezuur kan door sommige in de woestijn levende slangen zelfs in kristallijne vorm worden uitgescheiden. Dit is een indicatie dat urinezuur een stof is die zich graag wil kristalliseren. In de fysiologie weet men dat in het menselijk organisme een geheel chemisch systeem wordt opgebouwd dat de kristallisatie van urinezuur verhindert. Daarbij komt het feit, dat de mens een heel bepaalde en individueel verschillende spiegel van opgelost urinezuur in zijn organisme behoudt. Rudolf Steiner, naar wie nog eens mag worden verwezen, heeft in gesprekken artsen gestimuleerd de veranderingen in de afscheiding van urinezuur door denkprocessen te onderzoeken. Aan deze suggestie heeft G.Suchantke gevolg gegeven. [2] De toenmalige intentie was het verband van denkprocessen met de overwinning van kristallisatieprocessen te willen bewijzen. De denkkracht die door haar verbindende werkzaamheid begrippen samenvoegt, hangt samen met het ontbinden van natuurlijke substanties, d.w.z. van zouten. Zoals de opbouw van de menselijke lichaamsorganisatie erop berust dat natuurlijke substanties door de spijsvertering worden afgebroken en vernietigd, heeft ook de op denkprocessen gerichte culturele kant van de menselijke levensorganisatie klaarblijkelijk deze grondslag nodig. De in het hoofd aanwezige zenuwen zijn dan op dezelfde wijze het werkinstrument van het vormkrachtenlichaam bij deze werkzaamheid als de met darmen gevulde buikholte het instrument is van het vormkrachtenlichaam bij de natuurlijke processen. Evenals de spijsvertering niet alleen door de werkzaamheid van de darmen is beschreven, maar daartoe het voedsel nodig is, kunnen ook de denkprocessen niet alleen door de werkzaamheid van de hersenen worden beschreven. Pas wanneer wij de overwinning van de kristallisatiekrachten van het urinezuur er aan toevoegen, hebben wij de gehele grondslag van de denkactiviteit. Het licht dat de mens in het hoofd kan ontsteken, is zonder zijn op ontbindingsprocessen gebaseerde organische grondslag niet mogelijk.

De vogels en in het bijzonder de zangvogels hebben een transparant schedeldak. Speciaal de oogholten zijn toegankelijk voor het licht. Men weet tegenwoordig, dat het in de ogen en hersenen van de vogels schijnende zonlicht de klierwerkzaamheid van de hypofyse stimuleert. Dit geschiedt vooral door de lengte van de dag en zijn cyclische verandering in de loop van het jaar. Het zingen van de vogels in de lente, maar ook het trekinstinct van de trekvogels wordt op deze wijze gestimuleerd. De ochtendzang in het voorjaar begint precies op de minuut volgens de plaatselijke tijd. De merel b.v. begint 43-44 minuten voor zonsopgang, het roodborstje 34 minuten, de tortelduif 27 en de blauwkopmees 9½ minuten voor zonsopgang. Portmann geeft in zijn boek “Von Vögeln und Insekte”[3] waaraan deze cijfers zijn ontleend een beschrijving en samenvatting van hetgeen over de lentezang en zijn oorzaken met zekerheid kan worden gesteld. De vogels zijn met hun door de zon doorlichte hersenen natuurbeelden voor gedachten, de goden waardige gedachten, die de mens door zijn wil om te denken kan voortbrengen, De door de denkwilskracht in het binnenste ontstoken zon heeft voor haar schijnen evenzeer het correlaat van het urinezuur nodig, als de kosmische zon, wanneer deze door het transparante schedeldak het jubileren van de vogels uitlokt. Het urinezuur is de substantie, waardoor het geest-dragende wezen van de mens en het zielenwezen van de vogels zich voor het zonlicht ontvankelijk maken.

De slangen hebben hun schedel door de vorming van hoornsubstantie verduisterd. Alleen boven de pijnappelklier bevindt zich in het schedeldak een gat, misschien een aanduiding voor datgene wat bij hun val ter aarde verloren is gegaan. Dit gat in het schedeldak toont, dat de slangen volgens hun oorsprong voor het ontvangen van zonlicht zijn gevormd. Door zich van de inwerking van de zon af te sluiten zijn zij koud (wisselwarm) gebleven en hebben geen individueel warmte-organisme gevormd. De koude – zo kan men het zien – is de oorzaak dat de hoornsubstantie bij de slangen zich tot pantser heeft ontwikkeld, die het reptiel in zijn eigen organisme gevangen houdt en tegen de zonnewerking afschermt. Bij de vogels die over het warmte-organisme met de hoogste temperatuur in het gehele dierenrijk beschikken, heeft de hoornsubstantie zich tot veren omgevormd, is luchtig-licht tot drager van kleuren en tekeningen geworden, waarop is afgebeeld wat uit het zonlicht werd ontvangen. De koude, aan de duistere aarde gebonden slang, die uit oeroud, verloren gegane verwantschap met de vogelwereld het urinezuur als organische grondslag voor het ontvangen van het licht nog in het organisme draagt, is een natuurbeeld voor dat denken in het menselijke hoofd, dat de goden onwaardige, aan de aarde gekluisterde gedachten denkt. Dat zijn gedachten die voor het geestelijke deel van de wereld blind zijn, die geen genezend licht in het organisme ontsteken, die geen zielenwarmte voortbrengen. Zij leiden tot koude van de ziel en tot ziekte en vormen een zielenpantser, zoals de slang dit fysiek heeft. Zo is de slang een beeld van het materiegebonden denken. Het zich verwerven van deze wijze van denken is een ontwikkelings-historische noodzakelijkheid voor het mensdom. Hoe had de mens tot een individueel Ik, tot een zichzelf-leiden kunnen komen, als de goden hem niet hadden losgelaten? De loodrechte staf van Asklepios en de Dorische zuil van de tholos in Epidauros, zijn beelden van het vrije Ik, dat zonder de er omheen kronkelende slang niet tot zichzelf zou zijn gekomen. De staf omstrengeld door de slang, is een groots mythologisch beeld voor de zichzelf bewuste en derhalve aan ziekten blootgestelde mens.

Asklepios aanvaardt het offer van de haan, de vogel die op aarde heeft leren lopen, zonder, zoals zijn kraaien in de ochtend toont, de relatie met de zon te hebben verloren. Dit offer neemt Asklepios aan van degene die de werking van de ziekte, van de donkere zielenkrachten in zichzelf wil overwinnen.

“Kriton, wij zijn aan Asklepios een haan verschuldigd, ga en offer hem, vergeet het niet!”, dit zijn de laatste woorden van Socrates, toen hij de gifbeker reeds had gedronken; deze woorden verkrijgen hun oude klank, hun ware betekenis pas, wanneer wij ze tegen de hier geschetste achtergrond kunnen zien. Het door eigen schuld aan het lichaam toegevoerde vergif kan Asklepios geestelijk in de ziel genezen, wanneer de mens zelf de brug naar de geestelijke wereld niet wilde verliezen. Zo is ook voor Socrates de haan een natuurbeeld voor de kracht waarmee hij in het uur de geestelijke zon zocht.

De hedendaagse mens heeft zich zijn individuele Ik verworven, en de wereld van de goden verloren. Het aan zichzelf overgelaten mensdom heeft reeds te lang geaarzeld om de verloren draad weer aan te knopen, uit eigen kracht de weg terug te zoeken, om de goden als een vrij individu weer tegemoet te treden. Deze draad kan alleen daar weer worden aangeknoopt, waar zich iets goddelijks in het binnenste heeft gevormd, toen de goden in de buitenwereld verloren gingen. Dit is de kracht van het Ik, die warmte en licht in de gedachten kan brengen, opdat uit eigen kracht tot een kleurig verenkleed wordt wat anders slechts een koude slangenpantser is. Deze kracht van innerlijke verandering te oefenen en te scholen is een geneesmiddel voor de aan de ziel toegebrachte schade van onze tijd, zij is Asklepios in onszelf.

1. GA 312, de blz. is niet vermeld
Vertaald
[2] G.Suchantke: Über den Zusammenhang des Seelisch-Geistigen im Menschen mit seiner Leibesnatur, Natura, 1929/30
[3] Portmann: “Von Vögeln und Insekte”,(Uitg. Fr.Reinhardt,Basel,o.J.)

.
Artikel lijkt een bewerking – auteur onbekend – van een hoofdstuk uit ‘Die Quellen der Kunst, Thomas Göbel

.

Kunstgeschiedenis: alle artikelen

Geschiedenis: alle artikelen

.

1703-1597

.

.

.

VRIJESCHOOL – De ontwikkeling van het jongere kind (2-4)

.

In 1998 gaf de firma Weleda het blad ‘Puur kind’ uit. 
Daarin werd veel aandacht besteed aan het jongere kind – vanaf de geboorte tot een jaar of drie, vier.

Zoals het meestal gaat met artikelen die als basis antroposofische menskunde hebben, zijn die – ondanks dat ze al jaren geleden zijn geschreven – nauwelijks verouderd.
Natuurlijk staan er voor die tijd ‘actualiteiten’ in die dat uiteraard nu niet meer kunnen zijn.

Waar het echter gaat om ‘ontwikkeling’ en hoe we die op een goede manier = een gezondhoudende/gezondmakende kunnen ondersteunen, heeft die aan actualiteit niets ingeboet.

Weerbaar de winter in

Verkoudheid, gezwollen neusamandelen en oorpijn: zodra de bladeren gaan vallen, zijn ze present in het leven van het kleine kind. Vooral peuters lijken geen kans onbenut te laten om elkaar aan te steken. Wat kun je eraan doen – en wat moet je vooral niet doen – om je kind weerbaar de winter door te helpen?

Soms kun je er wanhopig van worden. De ene verkoudheid van je kind is nog niet over of de volgende kondigt zich met hangerigheid en een beetje verhoging alweer aan. Je vraagt je af waarom juist jouw kind toch voortdurend wordt aangestoken. Hoe komt het toch dat hij zo weinig weerstand heeft en zo slecht in zijn vel zit?

Ziek zijn is voor een klein kind eigenlijk heel normaal, zeker als je bedenkt dat je kind op zijn eigen manier bezig is om juist beter in zijn vel te komen. Iedere infectie die hij oploopt geeft hem de gelegenheid zijn immuunsysteem te oefenen en zijn weerstand en weerbaarheid op te bouwen. Als je zo tegen je zieke kind kunt aankijken, ligt het voor de hand dat je niet altijd meteen in de weer gaat met krachtige geneesmiddelen om de ziekte snel te bestrijden. Wat niet wegneemt dat je hem kunt proberen te helpen om zijn weerstand te vergroten. Daarvoor is het belangrijk uit te gaan van de aard van je kind.

Wisselbaden

Het niet zo beweeglijke kind dat eten een feest vindt en regelmatig een beetje zit weg te dromen, heeft vaak snel ontstoken amandelen, opgezette klieren en een snotneus. Het lijkt wel of de stofwisseling, die bij hem graag en veel aan het werk is, zich niet tot zijn buikje weet te beperken, maar zelfs tot in zijn koppie werkzaam is. Je kunt hem helpen die woekerende stofwisseling een beetje in het gareel te krijgen door hem zure voeding te geven; dus geen zoete melkproducten, maar yoghurt en karnemelk. Zo nu en dan een zoutbad helpt hem ‘er wat meer bij’ te zijn. (In het vorige nummer [op deze blog in dit artikel] kun je lezen over het hoe en waarom van therapeutische baden voor kinderen.)

De overwakkere spring-in-het-veld, die door zijn rusteloosheid snel een beetje buiten zichzelf is, heeft meestal een warm hoofdje maar koude voetjes. Zelfs als hij koorts heeft, zijn zijn voetjes nog koud. Weerstand opbouwen betekent bij zo’n kind: zorgen dat de warmte evenwichtiger over zijn lichaam wordt verdeeld. Dat kun je voor elkaar krijgen door zijn voetjes wisselbaden te geven. Daarvoor heb je twee bakken nodig, een badthermometer, een badhanddoek en een paar warme sokken.

Vul een bak met water van 38 graden waar het kind vijf minuten met zijn voetjes in gaat. Dompel ze vervolgens tien tellen in de andere bak die je hebt gevuld met koud water. Warm intussen het eerste badje op tot 40 graden en laat hem daar weer 5 minuten in. Tot slot gaat hij met zijn voetjes nogmaals tien tellen in het koude water. Droog ze goed af en laat je kind op dikke sokken wat rondlopen. Bij een heel ongedurig kind kun je aan het warme voetbad een dopje Lavendelbad toevoegen. Dan kun je er zeker van zijn dat hij met warme voeten naar bed gaat en lekker zal inslapen.

Voedingsbad

Als een kind werkelijk chronisch tegen ziek zijn aansuddert, kun je ook voedingsbaden overwegen. Een voedingsbad kun je eigenlijk altijd aan een kind geven als hij het om wat voor reden dan ook zwaar te verduren heeft. Bijvoorbeeld omdat hij verzwakt is na een kinderziekte als kinkhoest of een longontsteking, maar ook na schokkende ervaringen als een auto-ongeluk. Een voedingsbad mag nooit warmer zijn dan 37 graden.

Hoe maak je het? Aan het badwater voeg je een halve liter melk toe waarin een ei is losgeklopt. Snijd onder water een citroen in partjes en pers het sap eruit. Het water flink omroeren en het kind erin zetten.

Laat het 10 minuten lekker spelen met de citroenschillen, dep het droog en stop het onder de wol. Of het nu voor het middagslaapje is of ’s avonds voor het naar bed gaan, na een voedingsbad is absoluut bedrust nodig.

Voedingsbaden geef je meestal als kuur om de paar dagen met een totaal van zeven keer. Het is een ritueel dat in eerste instantie misschien wat wonderlijk overkomt, maar zulke baden hebben een zeer versterkende werking op het hele organisme.

Vitamines

Het geven van extra vitaminepreparaten is overbodig als een kind goede voeding krijgt. Alle kinderen hebben wel eens een periode dat ze niets eten. Dat is geen ramp.

Maar als dat langdurig het geval is kun je wel overwegen wat extra vitaminen te geven. Hetzelfde geldt voor de A-D druppeltjes. Op het consultatiebureau worden ze uit routine voorgeschreven ter voorkoming van rachitis. Dat is een begrijpelijke, maar ook een wat ongenuanceerde benadering. Een kind dat ’s zomers voldoende buiten is en ’s winters als hij buiten is zijn muts niet helemaal over zijn voorhoofd heeft getrokken zodat die aan het daglicht is blootgesteld, heeft geen extra A-D nodig.

Huisapotheek

Er zijn een paar milde geneesmiddelen waarvan het zinvol is ze in je huisapotheek te hebben, omdat ze je kind bij de opbouw van zijn weerstand kunnen helpen.

Anaemodoron zorgt ervoor dat het ijzer in de voeding beter door het lichaam wordt opgenomen. Dat is niet alleen goed voor slechte etertjes, maar ook voor kinderen die voortdurend verkouden zijn omdat ze vaak ook wat bloedarmoede hebben.

Het is zinvol om Kinfludo bij de hand te hebben als je kind vaak grieperig is. Geef het niet preventief, want het kan griep niet voorkomen. Maar is het eenmaal zover, dan kan het heel heilzaam werken.

Voor de hoest is er Hoestelixer of Echinacea hoestdruppels. En met een klein beetje Neuscrème kan je verkouden kind ook weer wat opgeluchter ademhalen.

.

Petra Weeda met dank aan George Maissan, huisarts, Weleda Puur Kind herfst 1998 nr. 2

.

Petra Weeda, Weleda Puur Kind nr.1, lente 1998

.
ontwikkelingsfasenalle artikelen

menskunde en pedagogiealle artikelen

opvoedingsvragenalle artikelen

*Dit is geen commerciële blog; onderstaande afbeeldingen zijn niet op verzoek van Weleda geplaatst.

Ik ben een groot deel van mijn leven al blij met Weleda! Van veel producten heb ik de weldadige werking mogen ondergaan. Maar ook onze kinderen, zolang ze thuis woonden. En op school. Hoe vaak heb ik geen builen, kneuzingen e.d. snel kleiner en minder pijnlijk zien worden door de niet genoeg te prijzen Arnicazalf, b.v.
Daarom, als een soort eerbewijs en tegelijkertijd een vorm van dankbaarheid dat het bestaat, zal ik in deze artikelenreeks over het jongere kind af en toe een genoemd product als afbeelding toevoegen.

1702-1596

.

.

VRIJESCHOOL – Kleuters – leren lezen?

Van tijd tot tijd is het kleuteronderwijs in het nieuws: meestal gaat het over ‘nog meer intellectueel onderwijs’.
Ondanks pogingen van andersdenkenden, prevaleert bij de beleidsmakers de gedachte dat ‘meer en vlugger en vroeger’ nodig is voor de (kennis)economie.

In de vrijeschoolpedagogie gaat het om een gezonde ontwikkeling van het kind.

Tientallen jaren geleden verscheen dit artikel n.a.v. ‘vroeger leren lezen’.

(Helaas ontbreekt er tekst, maar ook zonder deze, geeft het artikel genoeg achtergrondinformatie bij de vraag:)

Moet het proces van leren lezen worden vervroegd?

Wij worden in onze tijd* geconfronteerd met een nieuwe tendens in de kleuterpedagogie, namelijk een vervroegd toewerken naar leren lezen en schrijven, die veel ingrijpender is dan menigeen denkt.
Vanuit de verantwoordelijkheid, die men heeft als ouder, dient men zich bewust af te vragen: willen we dit of willen we iets anders?
Men is zich in de laatste jaren toenemend bewust van het belang van de eerste zes tot zeven levensjaren voor de ontwikkeling van de mens.
Men heeft er de aandacht op gevestigd, dat driejarige kinderen al kunnen leren lezen en rekenen (het schrijven komt wat later, maar werd in sommige experimenten door typen vervangen).
In Amerika hield men zich bezig met het probleem dat kinderen uit eenvoudiger milieus afkomstig, vaak een grote achterstand hebben in intellectueel opzicht, vergeleken bij hun leeftijdsgenoten uit andere milieus, al vóór de schoolleeftijd, en dat deze achterstand bij het ouder worden nog verder toeneemt.
Men ontdekte, dat de achterstand vooral veroorzaakt wordt, doordat minder stimulansen uitgaan van de omgeving, met name voor de taalontwikkeling.

Zo kwam men tot programma’s, om deze achterstand te bestrijden, waarbij men op de kleuterleeftijd al met reken- en taalonderwijs begon. Wat eerst een noodmaatregel was, ging men geleidelijk ook bij kinderen uit de meer stimulerende milieus toepassen en men slaagde erin om zo vele kinderen een intellectuele voorsprong van meerdere klassen op hun leeftijdsgenoten te geven.
Het lijkt aantrekkelijk: het maximaal gebruik maken van intellectuele leermogelijkheden van het kind.
Maar is wat hier gebeurt, ook werkelijk in het belang van het kind, ook bezien in het geheel van zijn levensloop?

Het meest treffende van het kleine kind (in tegenstelling tot de volwassene) is wel, dat het “alles totaal doet”: het gaat helemaal op in zijn spel, kan in overgave met open mond naar een verhaal luisteren; zonder terughouding komt zijn vreugde tot uitdrukking in zijn juichende stem en huppelende gang; een verdrietig kind is in zijn spontane huilen een en al verdriet. Het gezonde kind is volkomen verbonden met dat wat het waarneemt. Het beleeft de hele voor hem vatbare wereld nog in beelden; het is ingesteld op levendige, bewegende gestalten, waaraan het zich overgeeft in waarneming, die door zijn fantasievol beleven meteen gevuld zijn met een innerlijke werkelijkheid.
Van de sterke betrokkenheid van het kind bij wat het waarneemt, kan een volwassene nog slechts iets nabeleven, als hij zich als toeschouwer bij een voetbalwedstrijd, op kritieke momenten de neiging heeft om de beweging van de voetballer mee te maken.

Hoe ver dit gaat bij het kind, blijkt uit de geschiedenis van het driejarige meisje, dat wegens een gebrekkige manier van lopen naar een orthopedische kliniek verwezen werd:
Zij bleek haar gang overgenomen te hebben van haar vader, die een kunstbeen heeft.
Een ander kind van tien maanden oud werd wegens gebrek aan eetlust en braken opgenomen in een ziekenhuis. Zij had een eigenaardige houding; zij kon niet zitten en lag bij voorkeur met haar romp en uitgestrekte magere armen naar voren geklapt tussen haar dunne benen; zij had grote ogen en een gevoelige mond. Na drie maanden liefderijke verpleging was nog niets verbeterd.
Toen viel het op, dat haar houding een nauwkeurige nabootsing was van haar karikaturale speelgoedhaas, die zij altijd tegenover zich had liggen op de deken en die thuis, waar zij een vrij geïsoleerd bestaan leidde, haar enige speelkameraad was. Men verving dit dier door een vriendelijk, goedgevormd rechtopstaand lammetje. Na enige dagen al ging het kind goed eten en het ging ook spoedig staan (zonder dat er verder iets aan de behandeling was veranderd).

Men ziet hieruit, hoe het kind een en al zintuig is en tot in het lichamelijke kritiekloos nabootst, wat het waarneemt. Dit geldt niet alleen voor het zichtbare, maar ook voor wat bij ouders bewust of onbewust leeft.

Het kind bouwt in de eerste zeven jaar van zijn leven een heel nieuw lichaam op (de tandenwisseling geeft het tijdstip aan waarop dit tweede lichaam klaar is).

Hierin is alles wat het heeft waargenomen, zijn omgeving, “ingebouwd”. Dit geldt ook voor de hersenstructuur, die juist in deze levensperiode nog een intensief rijpingsproces doormaakt, waarin voor een belangrijk deel wordt bepaald, hoe de verschillende zintuigkwaliteiten zoals horen, zien, tasten, tot een voorstelling worden samengevoegd.

Als de krachten, die in de eerste kinderjaren intensief aan het werk zijn met de uitrijping van de fysieke lichamelijkheid, in het bijzonder de hersenen, hun werk tot een bepaalde afronding hebben gebracht, komen ze ten dele vrij voor omzetting in bewustzijnsdragende krachten. De hersencellen kunnen niet meer delen, hebben in die zin geen regeneratievermogen meer. We vinden dit regeneratievermogen terug op een ander niveau: in het vermogen om uit één gedachte een gedachtegang te vormen.
Geheugen en denkfuncties, allerlei leerprocessen worden mogelijk. Als dit proces tot een bepaalde graad is gevorderd, spreken we van schoolrijpheid.
Als we te vroeg een appel doen op deze krachten door een eenzijdig verstandelijke benadering van het kind, bijvoorbeeld door de ontmoeting met de levende werkelijkheid van het kinderspel te vervangen door die met de abstractie van de letters, en het werken daarmee, dan maken we ze te vroeg los uit hun organische werkzaamheid en kan het organisme minder goed uitrijpen! Het leerelement van het kleine kind is de nabootsing; de omgeving moet de nodige stimulansen geven. Een grote verantwoordelijkheid rust dus op hen, die de omgeving van het kind helpen vormen!
In de nabootsing dient het kind nog zoveel mogelijk als een geheel aangesproken te worden, zodat de kiemen van het voelen, denken en willen (die op latere leeftijd losser ten opzichte van elkaar komen te staan) nog ten nauwste met elkaar zijn verweven. Fundamenteel is de rustige sfeer van vertrouwen, die de grondslag is voor latere levensmoed.

Door het levend voorbeeld van de opvoeder (door een machine is dit niet te bereiken!) neemt het kind morele kwaliteiten in zijn beleven en doen op (dieper dan door van buiten opgelegde regels kan worden bewerkstelligd).

Van groot belang is, dat het kind zinvolle, te overziene en begrijpbare bezigheden van ouders en leerkrachten moet kunnen beleven, nabootsen en begrijpen, zo wordt intelligentie in samenhang met beleven en doen ontwikkeld. Door de vele bekende kinderspelen leert het kind al doende de wereld kennen (raakt zelfs vertrouwd met de wetmatigheden, die later in de natuurkunde worden uitgewerkt, zoals bij het knikkeren en bootje varen), en maakt een stuk motorische en zintuigontwikkeling door. Al spelend gaat het zich met zijn volle wezen inleven en thuis voelen op aarde: met zijn medemensen, planten en dieren; met aarde, water, lucht en vuur als de vier grondelementen waaruit onze wereld opgebouwd was in de voorstelling van de klassieke oudheid, maar ook nog voor onze kinderen; met de wisseling van de jaargetijden. Zo kan hij een levend mens worden, die in een ademende verbinding staat met de wereld en de scheppende werkelijkheid waar zij uit voortkomt (en niet verarmt tot een toeschouwersbewustzijn) .

In het vrije spel wordt de scheppende fantasie van het kind ontwikkeld. Het leert zich creatief in te zetten in allerlei situaties en met andere mensenkinderen sociaal wat tot stand te brengen.
Eenvoudig en natuurlijk spelmateriaal draagt bij tot innerlijke activiteit in het voorstellen en doen en bevordert, vooral als het van uiteenlopende grondstoffen gemaakt is, de zintuigontwikkeling (meer, dan wanneer alles wat het kind betast van plastic is).

Doordat het kind verhalen, bijvoorbeeld sprookjes, te horen krijgt, ontvangt het zinvolle beelden, waar het behoefte aan heeft, leert het de morele krachten van goed en kwaad kennen en neemt het een gedifferentieerde en gecultiveerde taal op. Het kind kan spelenderwijs de gehoorde verhalen uitbeelden en oefent zo zijn taalvermogen verder.
Door kunstzinnige activiteiten (zingen, schilderen, boetseren etcetera) komt het tot een dieper doorleven van de dingen en leert het zich beter, persoonlijker uitdrukken.
De intellectuele vermogens van het kind, zoals die onder meer in de taalrijkdom besloten liggen, komen op deze wijze wel degelijk ook tot ontwikkeling, alleen op de voor deze leeftijd passende wijze, ingebed in het totaalleven van het kind.

Wat betekent nu het lezen van letters voor het kleine kind? Het is niet een kinderlijke waarneming in de bovengeschetste zin, waarin het geheel kan opgaan, niet iets bewegends, vervuld van innerlijk leven, maar een starre vorm zonder inhoud, waar het zelf eerst een zin aan moet geven.
De vormende impulsen die hiervan uitgaan op het lichaam, in het bijzonder op  de hersenstructuur, zijn van andere aard dan die van alle bovengenoemde bezigheden van kinderen. Het kind heeft, als het gezond is zo’n overschot aan vitale krachten dat zijn lichamelijke gezondheid er niet merkbaar door wordt geschaad. Maar het is de vraag, of niet op veel latere leeftijd schadelijke gevolgen kunnen optreden bijvoorbeeld in de vorm van vroegtijdige aderverkalking. Het gevaar bestaat, dat het kind door het te vroege gebruik van lettersymbolen vervreemdt van de dingen der zintuigelijke waarneming, dat het verleert eerst de dingen goed te bekijken en hun volle concrete werkelijkheid in zich op te nemen, voordat het de plaatsvervangende lettertekens gaat gebruiken. Zo stelt het kind zich in op een wereld, die in plaats van bewegend en bezield, uiterlijk wezenloos is, waarmee men kan manipuleren en waar men zijn intellectuele structuren op heeft te drukken.

Correll noemt als merkbare effecten van het vroege leren lezen: de kinderen worden intelligenter, zij worden kritischer, gedistantieerder, het zielenleven dringt niet meer zo naar buiten. Wat de intelligentie aangaat, men moet rekening houden met de mogelijkheid, dat men later een prijs zal moeten betalen voor de roofbouw, die men heeft gepleegd, doordat men krachten die nog aan de vorming van de fysieke organen, in het bijzonder de hersenen, hadden moeten werken, vroegtijdig aan het werk heeft gezet voor intellectuele functies.

Wat de overige punten betreft: moet men daar zo blij om zijn? Tonen ze niet juist duidelijk hoe zeer het kleuterwezen geweld wordt aangedaan? Het gevoelsleven lijkt te verschralen en het valt te betwijfelen of de nieuw verworven trap van intelligentie gedragen wordt door een meer verinnerlijkt en sterk gevoelsleven, zoals normaliter de 6 à 7-jarige heeft.

Prof. Rümke zegt, dat hogere fasen van ontwikkeling op psychisch gebied alleen dan volwaardig tot ontplooiing kunnen komen, als de vorige fase niet te vroeg wordt verlaten. Het gevaar dreigt dat hier het begin wordt gemaakt van een onvoldoende samenhang tussen waarnemen-voorstellen-denken enerzijds, en voelen-beleven anderzijds, waar we in onze tijd al meer dan ons lief is mee geconfron­teerd worden.

In het vervroegd leren rekenen en eventueel schrijven schuilt eveneens deze tendens als hierboven t.a.v. het vervroegd leren lezen werd aangeduid.

De Nederlandse anatoom Bolk, en in zijn voetsporen de Bazelse bioloog Portmann, hebben erop gewezen, dat een van de wezenlijke kenmerken van de mens tegenover het dierenrijk de retardatie is, dat is verlangzaming van zijn ontwikkeling tot volwassenheid. Tegenover de vaak verbijsterend snelle groei tot zelfstandigheid van het dier is het een unicum dat een mensenkind pas na 1 jaar kan staan en zijn ‘nest’ kan verlaten; dat hij het presteert om dan nog 6 jaar het wisselen van zijn tanden uit te stellen, nog weer vele jaren nodig heeft voordat geslachtsrijpheid intreedt ? hier ontbreekt iets tot

(vol?)doende vermogen om werkelijk sociaal te handelen en om creatief bezig te zijn, ook nog als de krachten van de jeugd niet meer vanzelf stromen? Bij de vraag van het vervroegd leren lezen, schrijven en rekenen gaat het eromde verleiding van een misschien slechts tijdelijke winst aan intelligentie te weerstaan ter wille van het behoud van een gezonde kleutertijd als onontbeerlijke basis voor een gezonde en volwaardige menswording.
.

Joop van Dam, arts *nadere gegevens onbekend

.

peuters en kleuters: alle artikelen

schrijven en lezen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: peuters/kleuters

.

1701-1595

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 2 (2-4-1)

.

GA= Gesamt Ausgabe, (volledige uitgave): de genummerde reeks boeken en voordrachten van Steiner.

Duitse tekst
Vertaling

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken bij alle voordrachten.
De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

Blz. 40 – 44

Op blz. 34-36 gaat het om de belangrijke tegenstelling sympathie – antipathie. Dat kwam in [2-4] aan de orde. 
Op blz. 40 en verderop, blz. 41, gaat Steiner er weer op door. 

(Het (opnieuw) lezen van [2-4] zal zeker helpen om het volgende beter te doorzien.)

Nun merken Sie schon an dem, was ich jetzt hier entwickelt habe, daß eigentlich das Menschenwesen nur begriffen werden kann im Zusammenhange mit dem Kosmischen. Denn indem wir vorstellen, haben wir das Kosmische in uns. Wir waren im Kosmischen, ehe wir geboren wurden, und unser damaliges Erleben spiegelt sich jetzt in uns; und wir werden wieder im Kosmischen sein, wenn wir die Todespforte durchschritten haben werden, und unser künftiges Leben drückt sich keimhaf t aus in dem, was in unserem Willen waltet. Was in uns unbewußt waltet, das waltet sehr bewußt für das höhere Erkennen im Kosmos.

Nu merkt u al aan hetgeen ik hier ontwikkeld heb, dat het wezen van de mens eigenlijk alleen begrepen kan worden in samenhang met het kosmische. Want als we ons voorstellingen maken, hebben we het kosmische in ons. We waren in de kos­mos voordat we geboren werden en onze belevenissen van toen spiegelen zich nu in ons; en we zullen weer in de kosmos zijn wanneer wij door de poort van de dood zijn gegaan; ons toe­komstige leven wordt uitgedrukt in de kiem die werkt in onze wil. Wat in ons onbewust werkt, dat werkt – voor het hogere kennen zichtbaar – zeer bewust in de kosmos.
GA 293/40
Vertaling/40-41

Niet alleen in [2-4] vind je wat Steiner eerder uitwerkte, ook in [2-2] en [2-3]. 

‘Wat in ons onbewust werkt, dat werkt – voor het hogere kennen zichtbaar – zeer bewust in de kosmos.’

‘Het hogere kennen’: daarover werd gesproken in alles rondom [1-2], m.n.
[1-2-2]

Nadat iets gezegd is over de fysieke plaatsen in ons waar sympathie en antipathie met elkaar in wisselwerking zijn [2-7] gaat Steiner op blz. 41 verder:

Wir sind mit unserem Erleben in den Kosmos eingeschaltet. Ebenso wie wir Tätigkeiten entwickeln, die im Kosmos weiter zu verfolgen sind, so entwickelt wieder mit uns der Kosmos fortwährend Tätigkeiten, denn er entwickelt fortwährend die Tätigkeit von Antipathie und Sympathie. Wenn wir uns als Menschen betrachten, so sind wir wieder selbst ein Ergebnis von Sympathien und Antipathien des Kosmos. Wir entwickeln Antipathie von uns aus: der Kosmos entwickelt mit uns Antipathie; wir entwickeln Sympathie: der Kosmos entwickelt mit uns Sympathie.

Met ons beleven maken we deel uit van de kosmos. Zoals wij activiteiten ontwikkelen die in de kosmos verder gevolgd kun­nen worden, zo ontwikkelt omgekeerd de kosmos voortdurend activiteiten met ons, want de kosmos ontwikkelt voortdurend sympathie en antipathie. Wanneer wij mensen onszelf be­kijken, dan zijn wij weer een resultaat van de sympathie en antipathie van de kosmos. Wij ontwikkelen vanuit onszelf anti­pathie: de kosmos ontwikkelt met ons antipathie; wij ontwikke­len sympathie: de kosmos ontwikkelt met ons sympathie.

Inmiddels heeft Steiner op blz. 42 vanuit een lichamelijk standpunt over de drieledige mens gesproken, over hoofd, romp en ledematen. [2-8] blz. 42-43. 
Wanneer je in staat bent mee te bewegen met de vertrekpunten van Steiners uiteenzetting(en), is het niet zo moeilijk van de ene karakteristiek naar de andere over te gaan. 
De lichamelijke kant is overwegend de karakteristiek van de vorm:
hoofd (rond)
borst (naar het hoofd toe ronder wordend, naar de ledematen toe gestrekter wordend) 
ledematen (gestrekt)

Bij deze lichamelijkheid worden vaak als uitbreidende kenmerken, systeem en stelsel toegevoegd:
hoofd- zenuw-zintuigsysteem/stelsel
romp-ademhalings-bloedsomloopsysteem/stelsel, 
ledematen: stofwisselingssysteem/stelsel

Bij deze lichamelijke kant worden vaak de functies genoemd:
hoofd – denken
borst – voelen
ledematen – willen

Vanuit de ziel worden deze functies eveneens beschreven als:

denken – voelen – willen,

maar aangezien onze belevingen ziel genoemd kunnen worden, zijn ook onze belevingen: denk- gevoels- en wilsbelevingen. En omdat ziel ook genoemd kan worden als een complex van sympathie en antipathie, zijn ons denken, voelen en willen te zien als vormen van antipathie en sympathie.

Nu zijn we weer bij ‘met ons beleven maken we deel uit van de kosmos (waarin na de dood ons geest/zielenwezen weer terugkeert en ‘daar heersen sympathie en antipathie in hun zuivere gedaante’ (blz. 38).

Op blz. 43 laat Steiner de romp – hij kijkt nu naar de mens als fysiek gevormd wezen – buiten beschouwing en neemt het hoofd en de ledematen als tegenstelling. Dat hoeft ons niet te verbazen: immers denken – willen vormen een duidelijke tegenstelling. 
Het is de tegenstelling van de bedachtzame denker (Rodin) tegenover de druk bewegende – wilsactiviteit ontplooiende kinderen op het schoolplein; het is de tegenstelling van je terugtrekken op je kamer om in je ‘bovenkamer’ de dingen ‘op een rijtje te zetten’, tegenover je koffers pakken en een wereldreis gaan maken.
Er zijn talloze voorbeelden te vinden in de dagelijkse praktijk van het leven.

Wel verrassend is Steiners verklaring waaróm we twee stelsels – hoofd en ledematen hebben:

Nun fragt es sich: Warum haben wir den Gegensatz zwischen Kopfsystem
– lassen wir zunächst das mittlere System unberücksichtigt – und dem polarischen Gliedmaßensystem mit dem Unterleibssystem?
Wir haben ihn, weil das Kopfsystem in einem bestimmten Zeitpunkte
«ausgeatmet» wird durch den Kosmos. Der Mensch hat durch die Antipathie
des Kosmos seine Hauptesbildung. Wenn dem Kosmos sozusagen
gegenüber dem, was der Mensch in sich trägt, so stark «ekelt», daß
er es ausstößt, so entsteht dieses Abbild. Im Kopfe trägt wirklich der Mensch das Abbild des Kosmos in sich. Das rund geformte menschliche Haupt ist ein solches Abbild. Durch eine Antipathie des Kosmos schafft der Kosmos ein Abbild von sich außerhalb seiner. Das ist unser Haupt.
Wir können uns unseres Hauptes als eines Organs zu unserer Freiheit deshalb bedienen, weil der Kosmos dieses Haupt zuerst von sich ausgestoßen hat. Wir betrachten das Haupt nicht richtig, wenn wir es etwa in demselben Sinne intensiv eingegliedert denken in den Kosmos wie unser Gliedmaßensystem, mit dem die Sexualsphäre ja zusammengehört.
Unser Gliedmaßensystem ist in den Kosmos eingegliedert, und der Kosmos zieht es an, hat mit ihm Sympathie, wie er dem Haupt gegenüber Antipathie hat. Im Haupte begegnet unsere Antipathie der Antipathie des Kosmos, die stoßen dort zusammen. Da, in dem Aufeinanderprallen unserer Antipathien mit denen des Kosmos, entstehen unsere Wahrnehmungen. Alles Innenleben, das auf der anderen Seite des Menschen entsteht, rührt her von dem liebevollen sympathischen Umschlingen unseres Gliedmaßensystems durch den Kosmos.

Nu is de vraag: waarom is dat zo, dat we — we laten het middengebied in eerste instantie buiten beschouwing – twee tegengestelde stelsels hebben: hoofd en ledematen? Dat is zo omdat het hoofd op een bepaald moment ‘uitgeademd’ wordt door de kosmos. Bij de mens wordt het hoofd gevormd door de antipathie van de kosmos. Wanneer de kosmos als het ware van afschuw vervuld is ten aanzien van hetgeen de mens in zich draagt, en wel zozeer dat de kosmos het afstoot, dan ontstaat dit evenbeeld. De mens draagt werkelijk het evenbeeld van de kosmos met zich mee: het hoofd. Het rond gevormde hoofd van de mens is zo’n evenbeeld. Door een antipathiekracht van de kosmos creëert deze een beeld van zichzelf buiten zichzelf. Dat is ons hoofd. Wij kunnen van ons hoofd – als een orgaan om tot vrijheid te komen – gebruik maken, omdat de kosmos dit hoofd eerst van zich heeft afgestoten. We hebben geen juist idee van het hoofd, wanneer we denken dat het bijvoorbeeld net zo intensief verweven is met de kosmos als ons ledematenstelsel, waartoe ook het seksuele en alles wat daarmee samenhangt behoort. Ons ledematengebied is verweven met de kosmos; de kosmos trekt het aan, staat er in sympathie tegenover, zoals de kosmos tegenover het hoofd in antipathie staat. In het hoofd ontmoet onze antipathie die van de kosmos – die stuiten daar op elkaar. Daar waar onze antipathieën botsen op die van de kosmos ontstaan onze waarnemingen.0 Aan de andere kant heeft al het innerlijk leven van de mens zijn oorsprong in het liefdevol omarmen – in sympathie – van ons ledematengebied door de kosmos.
GA 293/41
Vertaling/43-44

0 Steiner gebruikt hier het woord Wahrnehmungen”; deze waarnemingsvoorstellingen onderscheiden zich van de waarnemingsbeelden Zoals de abstractie van de imaginatie

Dit is zeker een lastig te doorgronden onderwerp. De ‘afschuw’ van de kosmos, het ‘afstoten’ door de kosmos. 
Ik kan nog geen ander voorbeeld vinden, een gebeurtenis die wellicht iets identieks laat zien, dan de geboorte van een levend wezen: de moeder – die ik hier gelijkstel aan kosmos – stoot a.h.w. het kind – dat ik hier als ‘hoofd’ zie, af. (Dat het kind voornamelijk ‘hoofd’ is bij de geboorte, doet hier niet ter zake). Het hoofd is t.o.v. van de onbeholpen ledematen het meest ontwikkeld – heeft a.h.w. al een ontwikkeling doorgemaakt, weliswaar in het moederlijf (de kosmos) evenals de ledematen, maar het komt toch meer gevormd ter wereld.

Het is op een bepaalde manier ‘vrij’ van de moeder gekomen. 

Ons hoofd zou – door dit vrijworden van de kosmos – nu een orgaan voor ‘vrijheid’ kunnen worden. 
Dat de kosmos ons weer aantrekt vanuit sympathie, maakt dat we daar veel onvrijer zijn. Alles wat ons aantrekt, ons in de ban krijgt, benadrukt dat. Ook fysiek zie je dat: de wil – dat is fysiek de stofwisseling – kan niet zonder de aarde, de materie: wij zijn gedwongen om ons te voeden; we zijn afhankelijk van de natuur en van de natuurlijke krachten in ons. 

Ons hoofd zou dus een orgaan voor vrijheid kunnen worden. Dat wordt het niet wanneer onze antipathie de antipathie van de kosmos die ook nu nog in ons doorwerkt, blijft ontmoeten. Dan ontstaan er slechts ‘oude’ voorstellingen.
Dat kan het worden, wanneer we in staat zijn het nieuwe – de sympathie, dus de wilskrachten – in ons denken te brengen. We zagen al [2-3-2] dat dan het scheppende in het denken ontstaat – een nieuwe vrijheid.

De wil in het denken brengen is een nieuwe vrijheid scheppen.

Methodisch-didactisch betekent dat ‘kunstzinnig onderwijs‘.
.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 2: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1700-1594

.

.

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (58)

.

Een juf om blij van te worden.

Dat we van een juf ‘blij’ kunnen worden, is fijn.
Maar is het ook niet tekenend: we zouden toch van iedere juf blij moeten kunnen worden…….

IK HEB GEEN CITO-TOETS NODIG

Zegt Naomi Smits in Trouw, 06-06-2018

Ze neemt haar kinderen waar:
Het is stil in de klas: groep 3 luistert aandachtig. De meesten althans. Moos kijkt namelijk uit het raam, Joey ligt onder de tafel zijn gum te zoeken en Kelly kijkt paniekerig om zich heen. Dan roept Ties enthousiast door de klas: ‘Hee juf, ik heb een neef die Maarten heet!’

De juf worstelt met een probleem, twee problemen, eigenlijk: de kinderen van groep 3 moeten lang stilzitten en constant de aandacht er proberen bij te houden: dat is een hele opgave.

Maar zelf vraagt ze zich ook af wat het belang is van adaptief toetsen van zes-zevenjarigen.

‘Ik weet als leerkracht toch dondersgoed welke stof ze onder de knie hebben, waar ze in uitblinken en waaraan nog extra aandacht moet worden besteed? Ik heb daar geen Cito- of aanverwante toets, met veelal strenge normering, voor nodig. Zo’n toets is en blijft een momentopname en zo’n score blijft het hele jaar aan een leerling kleven. Sterker nog: op basis daarvan stoppen we de leerling in een hokje (lees: instructiegroep). Is dat wat we willen?’

Is dat wat we willen?

Was ik nog actief vrijeschoolleerkracht, dan riep ik: ‘Nee, dat willen wij niet!

En omdat wij ‘willen‘ ook nog inhoud kunnen geven, zou ik vervolgens roepen: ‘En we doen het ook niet!

Dat klinkt strijdbaar!

Maar wie in Michaëlstijd over strijd zingt en reciteert, doet dat ook over MOED.

Wil MOED geen frase blijven, dan moet je het op cruciale ogenblikken tonen.

.

Opspattend grind: alle artikelen

Michaël: alle artikelen

.

1699-1593

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (9-5)

.

Steiners idee van de ‘sociale driegeleding’ beperkt zich niet tot, wat je nog zou kunnen noemen, een abstractie indeling van een maatschappijstructuur waarin de vrijheid moet gelden voor of in het gebied van het geestesleven; de gelijkheid op het gebied van het rechtsleven en de broederlijkheid op het gebied van het economisch leven.
Hij heeft het ook niet gelaten bij deze abstractere indeling, maar is in detail ingegaan op wat – in het economisch leven bijv. ‘kapitaal’,  ‘arbeid’ betekent en hoe dit beloond moet worden.
In de jaren ’70 – ’80 van de vorige eeuw stonden zijn gezichtspunten veel meer in de belangstelling dan nu. In het tijdschrift ‘Jonas’ werd er in ieder nummer wel iets over geschreven.

De onderwerpen zijn in onze maatschappij nog steeds actueel: met name o.a. de beloning van het werk; de werkeloosheid; staken, basisinkomen.

Onder ‘arbeid’ [9] zullen de nog in mijn bezit zijnde artikelen daarover hier worden gepubliceerd.

Arbeid als unieke aarde-ervaring

Het economische leven is zo ingericht, dat arbeid als onkostenpost verschijnt in de bedrijfshuishouding. Daarmee is de arbeid binnengebracht in het krachtenveld van de onkosten reducerende activiteiten. Concurrentie, noodzaak van kapitaalrendement en zuinigheid met beperkte middelen, nopen elke onderneming ertoe haar onkosten te verminderen, zo mogelijk zelfs te elimineren.
Dit leidt onvermijdelijk tot uitstoten van mensen uit het arbeidsproces. Ik denk dat de werkloosheid van nu nog maar een klein voorproefje is, van hetgeen ons in de tachtiger jaren te wachten staat.
Wanneer deze uitgestotenen niet toegestaan wordt zinvol werk te doen dat nu blijft liggen omdat betaalde arbeidskrachten te duur zijn, en wanneer er geen alternatieve arbeidsbureaus verschijnen die deze mensen en deze arbeidsplaatsen bij elkaar brengen, dan zullen steeds meer mensen tot permanente vrije tijd veroordeeld zijn.

Nu kan men de vraag stellen of dat erg is.
Arbeid is toch een straf en de mensen zullen het toch alleen maar waarderen, wanneer ze niet meer hoeven te werken of, bij een gelijkmatige verdeling van het arbeidsaanbod, steeds minder hoeven te werken. Als de gemeenschap dit kan dragen en voor voldoende brood en spelen zorgt, is er dan nog sprake van een probleem?

Om deze vraag te beantwoorden, moeten we ons een beeld vormen van de situatie waarin de mensheid thans verkeert en de rol die de arbeid in die situatie speelt, of zou moeten spelen. We kunnen dat het beste doen door die situatie te karakteriseren vanuit een ontwikkelingsperspectief.

Steiners antroposofie geeft daartoe de mogelijkheid. Daarin wordt de
mensheidsontwikkeling beschreven als een proces van bewustzijnsontwikkeling. In dit proces treden twee hoofdlijnen naar voren. De ene is te beschrijven als een weg van een dromend, beeldend, mythologisch bewustzijn naar een wakker, zintuiglijk bewustzijn. Doordat de mens steeds meer incarneert in zijn aardse omhullingen, vervagen de mythologische beelden en ontwaakt hij voor de aardse zintuiglijke werkelijkheid.

De andere weg is te beschrijven als een weg van een Wij-bewustzijn naar een Ik-bewustzijn. Aanvankelijk was de mens ingebed in een bloedgemeenschap, een stamgemeenschap, een volk, een clan. Slechts enkelen konden zich, vooruit lopend op de anderen, daaruit losmaken en leiding geven. Stap voor stap voltrekt zich deze emancipatie, steeds meer mensen ontwikkelen hun Ik-gevoel, later hun Ik-bewustzijn, door zich los te maken uit erfelijke en traditionele banden.

Twee grote lijnen die de bewustzijnsontwikkeling van de mensheid kenmerken: incarnatie en emancipatie. De een hangt innig met de ander samen.
Wij leven nu in een tijd waarin deze ontwikkeling gevaarlijk door kan slaan.

De bewustzijnsziel – Steiners benaming voor dit ontwikkelingsstadium – kan zich verharden en inkapselen in materialisme en egoïsme. Het wakker worden voor de zintuiglijke werkelijkheid (de incarnatie), kan ontaarden in het geloof dat er alleen materiële werkelijkheid bestaat. Het vrijheidsbesef van het ontwakend Ik (de emancipatie), kan ontaarden in de illusie van de persoonlijke autonomie, in een egoïsme, waarin voor de medemens geen plaats is.

De bewustzijnsontwikkeling van de mensheid bevindt zich in een
drempelovergang. Hoewel het incarnatie- en het emancipatieproces voor velen nog niet tot het beleven van deze drempel geleid heeft, zijn de gevaren van materialisme en egoïsme zó zichtbaar, dat de noodzaak van een bewuste
drempelovergang zich met kracht aandient. Die overgang heeft te maken met een spirituele verdieping van het zintuiglijke bewustzijn, en met een sociale verwijding van het Ik-bewustzijn.

Antroposofie is in feite een weg in de richting van dit nieuwe bewustzijn. Uitgaande van de zintuiglijke waarneming, geeft zij aanwijzingen hoe deze waarneming, door een intensivering van het denken, als het ware tot imaginatie gedynamiseerd wordt. De in de natuur werkzame levensprocessen worden tot levende imaginaties, waarin het bewustzijn zich met de zelfde wakkerheid staande houdt, als in de zintuiglijke wereld. Op deze weg maakt het denken – zelf deel van deze scheppende levensprocessen -zich los van zijn gebondenheid aan de fysieke hersenen. Zolang deze gebondenheid het geval was kon dit denken zich alleen staande houden in gecontoureerde, statische voorstellingen. Door het excarnatieproces, losmaking van de fysieke gebondenheid, verwijdt het zintuigelijke bewustzijn zich tot een imaginatief.

Over de verdere stappen in dit bewustzijnsontwikkelingsproces (naar een inspiratief en een intuïtief bewustzijn) en hoe deze stappen samen hangen met een voortgaande excarnatie, zal hier niet gesproken worden. [2]

‘In-mancipatie’

Zoals de bewustzijnsontwikkeling bij de overgang van de drempel haar richting verandert van incarnatie naar excarnatie, zo verandert ze deze ook van
emancipatie naar ‘in-mancipatie’, men zou ook – om dit niet bestaande woord te vermijden – kunnen spreken van uittreden en invoegen.

Wat moeten we ons hier onder voorstellen?

In-mancipatie betekent, met behoud van het Ik-bewustzijn, het eigen
oordeelsvermogen en de persoonlijke privacy invoegen in een kleinere of grotere groep, teneinde daarmee samen een opgaaf te vervullen, bijvoorbeeld iets te maken, te verzorgen of te ontwikkelen. Het zoeken naar nieuwe zelf gekozen gemeenschappen, is een aanduiding van dit in-mancipatie streven. Wie voor de drempel terugdeinst, zal zijn bewustzijn niet verruimen door de zintuiglijke waarneming heen en met behoud van de daaraan ontwikkelde wakkerheid, maar hij zal terug vluchten in oude oosterse, die daardoor gekenmerkt worden, dat ze de zintuiglijke wereld als maya beleven en deze dus niet als uitgangspunt voor een scholingsweg nemen. Of hij zal met chemische en andere kunstgrepen het excarnatieproces forceren.

Wie voor de drempel terugdeinst, zal niet door de eenzaamheid van het Ik-beleven en met behoud van zijn zelfgevoel zich vrij invoegen in een groep, organisatie of nog groter verband en daaraan zijn Wij-bewustzijn scholen, maar hij zal zijn ik als het ware (gedeeltelijk) inleveren om de glans van het collectief op zich te voelen afstralen, om de veiligheid van het straf georganiseerde werkverband te ervaren, om de warmte van de kleine groep om zich heen te voelen.

Aarde

Wie het betoog tot nu toe gevolgd heeft, zal het niet ontgaan zijn dat de twee scharnierpunten tussen incarnatie en excarnatie enerzijds en emancipatie en in-mancipatie anderzijds, essentieel met de aarde te doen hebben. In het eerste geval gaat het om de fysiek-zintuiglijke waarneming, zoals die hier op aarde alleen mogelijk is.

In het tweede geval gaat het om arbeid met aardse substanties voor
aards-behoeftige mensen, zoals die alleen hier op aarde alleen mogelijk is.

We willen in het volgende gedeelte het thema incarnatie – excarnatie als zodanig loslaten en ons bezig houden met de sociale component van de bewustzijnsontwikkelingsweg: emancipatie – inmancipatie.
Omdat de twee wegen zo intiem samenhangen, zullen we zien dat de eerstgenoemde weg als het ware door de achterdeur van de laatstgenoemde weer binnenkomt.

Ontwikkelingsplek

We kunnen het beste met het thema van de inmancipatie en de aarde beginnen, door nog op een andere geheimzinnige samenhang van de twee wegen te wijzen. Het natuurwetenschappelijk denken is de bakermat voor het imaginatieve denken. Maar tevens heeft zij de weg geopend voor de techniek enerzijds en voor de oriëntatie op het stoffelijk-materiële anderzijds. In het verlengde daarvan ligt het moderne, op arbeidsverdeling berustende, de hele aarde omspannende economische leven. En het is de problematiek van dit werkleven, dat ons wijst op de noodzaak van de bewustzijnsontwikkeling langs de tweede van de genoemde wegen. In dit werkleven zijn wij zó aangewezen op elkaar, dat we een modern Wij-bewustzijn moeten ontwikkelen, op straffe van ondergang in een strijd van allen tegen allen.

Wanner wij de arbeid beschrijven als de ontwikkelingsplek voor een nieuw Wij-bewustzijn, dan komen we daarin drie maal de aarde tegen: substantieel, sociaal en spiritueel.

Wat de ontmoeting met de aarde in het substantiële betreft: het werkleven gebruikt en verbruikt altijd substanties. Pas langzamerhand begint er, door de milieurampen en door het besef van het opraken der grondstoffen, iets te groeien van het bewustzijn dat we met z’n allen leven van en op één aarde, misschien zelfs van het bewustzijn dat de aarde een levend organisme is, dat bij ons hoort. De vraag rijst: kunnen we ons werkleven zo inrichten, dat we deze gemeenschappelijke verantwoordelijkheid tegenover die ene aarde gestalte geven?

Op een andere wijze – als het ware door een sociaal transparant – komt de aarde in het gezichtsveld wanneer we het oog richten op de relaties tussen de mensen in het arbeidsproces. Aan de ene kant is er de relatie tot de consument, de afnemer, de gebruiker van diensten en producten. Deze is behoeftig. Dat kan hij alleen zijn omdat hij een aards wezen is, geïncarneerd in een aards lichaam. Ook voor de vervulling van de meest geestelijke behoeften, heeft hij aardse middelen nodig: een potlood om te schrijven, een muziekinstrument om op te spelen e.d. En voor de vervulling van die behoeftes, zijn we steeds meer op elkaar aangewezen. Een tijd lang hebben we ons economische leven nog zo kunnen inrichten, dat we ons weinig écht hebben hoeven te interesseren voor de behoeften van de ander. Het anonieme marktmechanisme plaatste zich daar tussen. Tevens konden we het ons in het Westen nog een tijd veroorloven, onze rijkdom op te bouwen op de armoede van de ontwikkelingslanden. Ik ben ervan overtuigd, dat we ons werkleven steeds bewuster zullen moeten gaan richten op de behoeftige medemens. En dat die medemens zich steeds bewuster zal moeten gaan afvragen, welke behoeften hij eigenlijk heeft, om als geestelijk wezen hier op aarde te leven. Naar mate de realiteit van de geestelijke wereld in het
bewustzijn doordringt, zal in het werkleven de oriëntatie op de aardebehoeften van de ander, steeds meer tot de vraag leiden: ‘Hoe kunnen de aardse behoeften (voeding, kleding, huisvesting e.d.) zó vervuld worden, dat voor de ander zijn weg tot de geest mogelijk wordt?’

De andere wijze waarop de aarde door het sociale transparant in het gezichtsveld verschijnt, is de relatie tot de collegawerker. De arbeidsverdeling betekent een indringende ervaring van onderlinge afhankelijkheid. Ieder heeft zijn eigen inbreng. Ook al zijn de functies gestandaardiseerd, in feite heeft ieder toch een unieke plaats, soms minder door wat hij doet dan wel door de wijze waarop hij het doet, de morele instelling waarmee e.d. En wanneer men zich een moment afvraagt, waardoor deze differentiatie veroorzaakt is, dan komt men op het verschil in aarde-ervaringen, niet alleen in dit leven, maar in alle voorafgaande levens.

Ik ben ervan overtuigd, dat arbeidsorganisaties steeds concreter rekening zullen moeten houden met de reële differentiatie tussen mensen. Dat betekent dat in de dagelijkse samenwerking – die steeds minder voorgeschreven zal kunnen worden – mensen concreet geconfronteerd zullen worden, met de verschillen in de aarde-ervaring die er bestaan tussen degenen, die in reële onderlinge afhankelijkheid zullen moeten samenwerken.

Wanneer wij de arbeid beschrijven als de plaats bij uitstek waarop wij een modern Wij-bewustzijn ontwikkelen, dan verschijnt daarbij nog op een derde wijze de aarde in het gezichtsveld. Niet alleen doordat wij door arbeid de aarde als levend organisme leren verzorgen, niet alleen doordat wij door arbeid relaties opbouwen met mensen, via hun aardse behoeften en hun aards gedifferentieerde capaciteiten, maar ook doordat het voor de geestelijke wereld steeds belangrijker wordt, hoe wij met aardse ervaringen – met name met die welke wij in arbeidssituaties opdoen – omgaan.

De aarde is een unieke werkplaats. Wij kunnen daar ervaringen opdoen die wij noch voor de geboorte, noch na de dood kunnen opdoen. Het is niet alleen voor mijn persoonlijke geestelijke ontwikkeling van belang hoe ik met deze ervaringen omga, maar ook voor de geestelijke wereld zelf. Nadat de hiërarchieën ons volledig ‘geëmaneerd’ hebben, uit zich hebben gezet, zijn zij voor hun eigen verdere ontwikkeling afhankelijk van wat wij aan hen als het ware aanreiken, aan bewust verwerkte aarde-ervaringen. Alleen hier kan het sterven, kan de dood ervaren worden. Maar dankzij het feit dat uit de geestelijk-hiërarchische wereld een wezen – het Christuswezen – zich tot in dit rijk van de dood geofferd heeft, kunnen wij als het ware aan elke aarde-ervaring een hoger licht ontworstelen. Werkelijk onderduiken in een aardse realiteit betekent altijd een sterfproces, maar dankzij de Christuskrachten in ons, kunnen die ervaringen tot opstanding komen, kunnen zij tot licht worden omgevormd. Dat licht betekent niet alleen maar bewustzijnsverwijding voor ons, maar ook reële ‘voeding’ voor een hogere wereld.

Zo kan er in de mens iets groeien van een verantwoordelijkheid tegenover de geestelijke wereld, met betrekking tot het omgaan met aarde-ervaringen, en dan speciaal met die unieke ervaringen die het arbeidsproces mogelijk maakt.

Ik vat nog even samen, op welke wijze de aarde in ons gezichtsveld verscheen bij het arbeidsproces: Wanneer we ons nu afvragen waarom al deze situaties een oefenveld voor de ontwikkeling van het Wij-bewustzijn zijn, dan is het antwoord hierop dat wij de andere mens nodig hebben – zijn informatie, zijn ervaring, zijn oordeel – om erachter te komen, wat het economisch proces voor de aarde betekent, of we echt inspelen op de behoeften van andere mensen, of we de differentiatie tussen de mensen creatief gebruiken, welk inzicht uit een ervaring kan oplichten.

De twee plaatsen waarop we de ander kunnen ontmoeten zijn de associaties en de werkgemeenschappen. In het overleg tussen producenten, handelaren en consumenten in een associatie, en in het overleg tussen de werkers in een werkgemeenschap, wordt het nieuwe Wij-bewustzijn geoefend. Steeds is het de aarde die ons helpt om de stap over de drempel te maken.

Nu is het begrijpelijk dat er ook krachten (wezens) werkzaam zijn, die willen verhinderen, dat de mens in dit arbeidsproces zich in de richting van een nieuw Wij-bewustzijn ontwikkelt. De mens heeft zulke weerstandskrachten ook nodig.

We kunnen deze tegenkrachten aan het werk zien en daardoor is het mogelijk hun strategie te beschrijven. Ze is op drie peilers gebouwd.

De eerste is de werkloosheid. Mensen wordt de mogelijkheid ontnomen voor elkaar te werken. In het begin van het artikel werd de vraag gesteld of dit erg is. Na al het voorgaande zal duidelijk zijn, dat in onze tijd het werkloos worden een fundamentele bedreiging is voor de menselijke biografie.

De tweede strategie-peiler is het feit dat arbeid tegen geld verkocht wordt. Het loon is de prijs die voor de arbeid betaald wordt. Loon maakt mensen
geld-gericht, in plaats van arbeid-gericht. Degene vóór wie men werkt verdwijnt uit het bewustzijn, en degenen mét wie men werkt worden sterk overbelicht, in de zin dat ze een politiek strijdobject worden (bijvoorbeeld de werkgevers tegenover de werknemers), of wel ‘broeders’ in de strijd (werknemers in één vakvereniging), ofwel concurrenten in de strijd om de promotie. In alle gevallen verdwijnt in feite de medemens uit het bewustzijn. De andere kant van deze kapitalistische medaille – het winststreven van de investeerder door concurrentie op een anonieme markt – leidt tot ondoorzichtige economische processen en steeds verder opgezweepte productiedriften. Beide zijn in scherp contrast met het verantwoordelijk en omzichtig omgaan met de aarde.

De derde peiler van de anti-strategie is, het verhinderen dat mensen van hun ervaringen leren. Het is verbijsterend, hóe weinig mensen van ervaringen (willen) leren. Men stuit daarbij op de grootste weerstanden. Het is alsof mensen aanvoelen dat het leren van een aarde-ervaring drempelkwaliteit heeft, dat het proces een pijnlijke confrontatie kan inhouden, dat het in feite door dood en opstanding heen gaat.

Het is mijn beroep mensen in samenwerkingssituaties te helpen, van hun ervaringen te leren opdat zij een stap in hun bewustzijnsontwikkeling kunnen doen. Zo’n terugblik op het eigen handelen, met de bedoeling ervan te leren, heet evaluatie.

Langs verschillende wegen probeert men zich aan zo’n evaluatie te onttrekken. De eerste ontsnappingsweg is door vast te stellen dat evaluatie niet nuttig is, omdat de ervaringen van gisteren niet relevant zijn voor het handelen van morgen. De wereld verandert snel. Het verleden is niet bruikbaar voor de toekomst.

De tweede ontsnappingsweg gaat als volgt: Een groep die regelmatig vergadert en over het verloop ontevreden is, is bereid tot evaluatie en neemt zich voor een deel van haar vergadertijd te reserveren voor een lerende terugblik. Die tijd blijkt er eigenlijk nooit te zijn. Er zijn nog zoveel agendapunten blijven liggen, de toekomst stelt ons zoveel vragen dat we ’t ons niet kunnen veroorloven nu de kostbare tijd te gebruiken om naar het verleden terug te kijken.

Bij de derde weg komt de groep inderdaad tot evaluatie, maar niemand is bereid in de spiegel te kijken en conclusies naar zichzelf toe te trekken. Het zondebok-mechanisme gaat werken. Allerwegen worden schuldigen gezocht.

We kunnen nog op andere verschijnselen wijzen die laten zien, hoe weinig onze samenleving geneigd is het excarnatieproces even zorgvuldig te verzorgen als het incarnatieproces.

Bij het incarnatieproces bereidt men zich voor op een te volbrengen taak, bij het excarnatieproces trekt men zich uit deze taak terug, en verrijkt zijn bewustzijn door de terugblik op het ervaringsproces. Er worden commissies met veel tamtam geïnstalleerd, maar worden ze ook ge-ëxstalleerd? Ze worden misschien wel opgeheven (ook dat soms niet!), en voor hun werk bedankt, maar vindt er in het licht van de ‘behoeftige klant’, een echte evaluatie plaats met betrekking tot het werkproces van de commissie? Mensen worden voor een functie geïnstrueerd, maar worden ze bij het verlaten er van ook ge-exstrueerd? Ze worden overgeplaatst, maken promotie, of worden met ruzie ontslagen. Maar worden de ervaringen in deze functie geëxpliciteerd?

We doen veel aan de voorbereiding van een project, maar verzorgen we ook de nabereiding? We zijn meesters in het structureren en opbouwen van organisaties, maar we zitten met de handen in het haar als het gaat om vorm-oplossen en afbouwen. We noemen dat dan saneren of ‘gesundschrumpfen’ maar een bewustzijnsoogst, zoals dat bij een echt excarnatie-proces het geval is, wordt niet binnen gehaald. Het is een smartelijk beleven, wanneer men ziet hoe op deze wijze kostbare aarde-ervaringen verloren gaan, naar de haaien gaan, of beter gezegd voor de draak zijn. De draak vreet zich zat aan onze aarde-ervaringen, en bouwt er zijn eigen anti-mensen-wereld mee op. Eigenlijk zouden we uit verantwoordelijkheid voor de geestelijke wereld, onze aardse intelligentie moeten gebruiken om onze aarde-ervaringen zó te doorlichten, dat we ze kunnen aanbieden aan Michaël. aeonen lang heeft Michaël de kosmische intelligentie beheerd. Terwille van de vrijheid van de mensen is ze hem ontvallen en is als aardse intelligentie in mensenbereik gekomen. Ze is het zwaard waarmee we de draak, die ons onze aarde-ervaringen wil wegnemen, kunnen verslaan. We kunnen met deze intelligentie onze aarde-ervaringen in het bewustzijns-licht tillen, waardoor ze voor Michaël bereikbaar worden. Hij kan ons dan de weg verlichten aan de andere kant van de drempel. Hij helpt ons dan de brug te bouwen die deze en gene zijde verbindt. Hoe dieper wij – als een slang – door het duistere rijk der aarde-ervaringen kruipen, en hoe meer wij elkaar helpen om deze slang met intelligentie te voeden zodat zij stralend en lichtend wordt, hoe meer zij tot een brug wordt die mensen de mogelijkheid biedt om aarde-wereld en geestelijke-wereld tot een levende eenheid te verbinden.


.

Lex Bos, Jonas 3, 06-10-1978

.

Sociale driegeledingalle artikelen waaronder vrijeschool en vrijheid van onderwijs

.

1698-1592

.

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (18)

Op vakantie met baby en peuter

Vakantie heb je als ouders hard nodig om tot rust te komen. Maar voor je baby hoeft het niet echt en ook je dreumes raakt er vaak nog door van slag. Consultatie-verpleegkundige Paulien Bom legt uit hoe je kunt vermijden dat je aan je reis een ‘was dat nou vakantie?’ gevoel overhoudt.

Het tijdschrift over vakanties met kleine kinderen staat vol met aantrekkelijke foto’s: bruine koppies, eigenwijze zonnebrillen, stoere petjes. Aanbiedingen van Texel tot Tunesië (met het hele gezin op kamelen door de woestijn), van Canada tot logeren bij de boer. Van heel ver, en waarschijnlijk ook duur, tot een klassieke strandvakantie op de Wadden. Wat me opvalt is dat de berichten over die vakanties met kinderen stuk voor stuk succesverhalen zijn, terwijl ik in mijn werk toch vaak verhalen hoor over heel wat minder geslaagde vakanties.

Dat behoort dus beslist ook tot de mogelijkheden, van die ‘eens maar nooit weer’ vakanties.

Transatlantisch vliegen 

Als ik het verhaal hoor van een gezin dat met een baby van zeven maanden en een driejarig meisje een week naar New York gaat omdat de vader daar voor zijn werk moet zijn, denk ik: dat is vragen om problemen. De moeder belde me een week na thuiskomst min of meer radeloos op. Ze had zich niet gerealiseerd dat het tijdsverschil voor zoveel problemen zou zorgen. De slaap van beide kinderen was totaal ontregeld en, omdat ze zelf ook redelijk aan haar eind was, compenseerde zij het wakker zijn van ’s nachts ook met slapen overdag. Zo werd het New-Yorkse ritme stevig in stand gehouden.

Het is niet zo moeilijk te voorspellen dat zo’n reis te veel gevraagd is voor een baby. Als je je realiseert hoeveel moeite, geduld en toewijding het kost om met je baby in een goed dag- en nachtritme te komen – en hoe goed hij gedijt als dat ritme is gevonden – dan ligt het niet voor de hand dat te gaan verstoren met een transatlantische vlucht. Bij het genoemde gezin heeft het weken geduurd voordat met name de baby weer lekker in haar vel zat en het oude ritme weer te pakken had. Als ik me – nog afgezien van het tijdsverschil – voorstel hoeveel indrukken er op een kind afkomen op zo’n grote reis en me vervolgens afvraag hoe een baby of peuter die allemaal een plek moet geven, dan zou ik helemaal niet aan zo’n reis beginnen.

Dag- en nachtritme

Ik wil hier een ander reisverhaal tegenover zetten. Een gezin met twee kinderen, waarvan de jongste vier maanden is, vliegt naar Australië om de grootouders daar te bezoeken. De moeder heeft het zo geregeld dat ze pas weer hoeft te gaan werken als de baby zes maanden is. Moeder en kinderen blijven zeven weken bij de grootouders, de vader voegt zich later bij hen. De reis is zwaar omdat de baby nauwelijks tot slapen komt. De eerste dagen in Australië is hij van slag en huilt veel. Daarna lijkt hij te wennen aan het nieuwe dag- en nachtritme en herkent zijn moeder in hem weer de vertrouwde makkelijke en gezellige baby. De grootouders genieten met volle teugen van hun kleinkinderen en ook voor de moeder is het een heerlijke tijd omdat ze veel zorg uit handen kan geven. Terug in Nederland is het weer flink wennen, maar gelukkig heeft de moeder voor ze aan het werk moet nog een week de tijd om de boel weer in het gewone ritme te krijgen. Dat blijkt net voldoende te zijn.

Het grote verschil met het vorige verhaal is de lengte van de reis. Ook deze baby moest twee keer van ritme wisselen, maar kreeg daar wel echt de tijd voor. Verder had deze reis een vanzelfsprekender plek binnen het gezin dan de reis uit het eerste voorbeeld: er wachtten aan het einde van de lange reis een tweede thuis en een opa en oma die ook een beetje recht hebben op hun nieuwe kleinkind.

Snel van slag

Veel vakantieleed kun je vermijden door jezelf bij het plannen van een reis af te vragen wie je met de voorgenomen vakantie een plezier wilt doen. Als dat de baby is, dan kun je in principe de vakantie het beste thuis vieren. Daar is de omgeving vertrouwd en daar gedijen baby’s in. Voor hem hoeft de wereld nog niet veel verder te reiken dan het huis en een blokje om. Als de vakantie niet voor de baby is, dan wellicht voor de andere kinderen in het gezin. Zijn die nog klein, dan zou ik nog steeds geen lange reis maken.

Maar het antwoord kan natuurlijk ook zijn dat de vakantie voor jouzelf als ouder is. Dat is zeer legitiem, want in de vakantie kun je je ontspannen en dat komt iedereen, dus ook je baby, ten goede. In dat geval is het van belang je in je kind in te leven en zijn gedrag een tijdje goed te observeren. Hoe reageert hij op bezoek en op uitstapjes? Rustig en onverstoorbaar, of juist druk en over zijn theewater? Hoe slaapt hij in een vreemd bedje? Hoe reageert hij op nieuwe gezichten? En hoe is het de dag na het bezoek of uitstapje? Slaapt hij even flink bij en kan hij er dan weer tegen, of is hij meer dan één dag van slag? Er zijn onverstoorbare baby’s en peuters die overal wel lekker in hun vel lijken te zitten. Maar er zijn ook kinderen die schrikkerig en snel van slag zijn. Ze hebben moeite zich in te stellen op veranderingen en laten dat merken door te jengelen, moeilijk in te slapen of door te slapen of door slecht te eten. Het in kaart brengen van het gedrag van je baby of peuter bij veranderingen, met name in de dagen erna, kan je helpen richting te geven aan je plannen en mede je reisbestemming bepalen.

Kamperen

Met onrustige, gevoelige baby’s zou ik kamperen bijvoorbeeld al gauw een te riskant plan vinden, omdat een tent alle geluiden en veel licht doorlaat. Kies, enthousiast geworden door de verhalen van anderen, vooral niet voor kamperen met een kleintje als je geen kampeerervaring hebt. Kamperen is, naast oergezond, ook inspannend. Als je dat niet gewend bent, en je moet ook nog ’s morgens vroeg aan de wandel omdat de baby anders de hele camping wakker huilt, dan kan met recht de vraag opkomen: is dit nou vakantie? Als er genoeg prettige momenten tegenover staan, kan het antwoord ‘ja’ zijn. Maar het is ‘nee’ als het kamperen gewoon te veel gevraagd is voor alle partijen.

Geslaagde vakanties met de kinderen behoren voor veel mensen tot de meest gekoesterde herinneringen. Na de vakantie blijken de kinderen vaak flink te zijn gegroeid en steviger op hun beentjes te staan. Allemaal redenen om wél op vakantie te gaan. En als je je gezonde verstand gebruikt en je aanpast aan zijn , behoeften, kan dat ook met een baby.

Enkele praktische adviezen

Als je je baby meeneemt de bergen in, kan de aanpassing aan de hoogte hem zwaar vallen. Een regel die de Nederlandse Bergsportvereniging hanteert is: veilig is een verblijf op maximaal 1500 meter. Te voet naar een hoogte van maximaal 2500 meter gaan is ook geen probleem. Een snelle stijging naar deze hoogte met een gondel of tandradbaan is onverstandig. Ook overnachten is op die hoogte niet aan te raden.

Neem een baby van onder de acht maanden niet in een stoeltje op de rug mee op wandelingen. Hou ook daarna de wandeltijden nog beperkt. Pas als hij goed los kan zitten, kun je ook langere tochten maken. Maak bij het kamperen gebruik van een reiswieg of een campingbedje en kijk of je daar overheen een wat donkerder hemeltje kan fabriceren. Het licht kan het inslapen aanzienlijk bemoeilijken en ervoor zorgen dat de baby zich bij het eerste ochtendkrieken al weer meldt.

Houd zoveel mogelijk vast aan vertrouwde rituelen, met name rond het eten en slapen. Dat geeft houvast en maakt het makkelijker bij thuiskomst de gewone raad weer op te pakken.

Laat als je gaat vliegen de baby tijdens het stijgen en landen aan de borst of de fles drinken, zodat hij de druk op de oren niet zo erg voelt. Als je intercontinentaal vliegt, is het raadzaam de baby in de dagen en nachten erna goed in de gaten te houden en de eerste nachten in dezelfde kamer te slapen. Dit in verband met een verhoogde kans op wiegendood.

En ten slotte: als je met een baby naar een warm land gaat, is schaduw het allerbelangrijkst. Zonnehoedjes, dunne beschermende kleding en parasols zijn bepaald geen overbodige luxe.
.

Paulien Bom, Weleda Puur Kind, nr.7 lente 2001

.

Opvoedingsvragenalle artikelen

.

1697-1591

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (50)

.

MOED

De zomer heeft haar zonnekracht volop gegeven. Hemel en aarde hebben elkaar in alle glorie en pracht aangeraakt. Nu trekken zij zich weer van elkaar terug: de eerste bladeren kleuren, bessen rijpen, noten vallen, de eerste vogels trekken weer weg… 29 september is de dag ter ere van aartsengel Michaël, de aartsengel die als opdracht heeft de mensheid te helpen om met moed en (ijzer)kracht in het leven te staan, rechtop, tussen hemel en aarde, en verbonden met de werelden om zich heen.

De jonge kinderen genieten van de oogst van Moeder Aarde. De oogst helpt hen om de eigen lichamelijkheid te voeden, opdat zij sterk mogen worden, om eerst letterlijk op eigen benen te gaan staan en later ook figuurlijk ‘op eigen benen’ het leven te leven.
De oudere kinderen strijden met de draak, tonen hun moed in de spelen die op deze feestdag gespeeld worden. Deze spelen vragen aan de kinderen om op het juiste moment een keus te maken en bijvoorbeeld toe te slaan om een stuk van de staart van de draak te bemachtigen. Ook zijn er de spelen waarin gevraagd wordt zo met elkaar samen te werken, dat gezamenlijk iets overwonnen of gewonnen kan worden.
Voor volwassenen kan de nazomertijd, met daarin het Michaëlsfeest, een tijd zijn van inkeer en vragen stellen.

In gesprek met mensen over de jaarfeesten, lijken sommige thema’s na verloop van jaren al zo vaak behandeld te zijn, dat zij wat ‘uitgekauwd’ over kunnen komen.
In schoolkranten en bladen staan (vaak prachtige) artikelen geschreven waarin we kunnen lezen, dat het Michaëlsfeest een feest van de moed is.

Natuurlijk ‘moeten’ wij als mens moedig zijn. Werkelijk stil staan bij wat moed is, blijkt toch moeilijk te zijn. Moed is volgens Wikipedia: “[…] de bereidheid de confrontatie met lichamelijke pijn, tegenslag en levensbedreiging, onzekerheid, angst en intimidatie aan te gaan en te doorstaan. Het is een van de vier kardinale deugden, een psychologisch kenmerk en een karaktertrek. Soms wordt er onderscheid gemaakt tussen lichamelijke moed en morele moed. Moed heeft betrekking op de angst en dreiging in de toekomst, maar bestaat vooral in het heden, het meest nabije raakpunt met de naaste toekomst, stante pede. De wil om in de toekomst moedig te zijn of in het verleden moedig te zijn geweest is veeleer denkbeeldig en laf. Moed is individueel en persoonlijk.
Het is geen geweten maar een besluit, geen mening maar een daad. Moed wordt soms een zaak van wils- of geestkracht genoemd, streven blij te zijn en wel te doen tegenover de hindernissen, die talloos zijn.”

Moed lijkt dus te maken hebben met iets dat nog komen gaat, wat vanuit de toekomst op ons toe komt maar ook met het heden verbonden is.

Jonge kinderen leven in het hier en nu. Zij kunnen zich nog moeilijk een voorstelling maken van de toekomst. Uiteraard kennen jonge kinderen ook angst voor het onbekende dat vanuit de toekomst naar hen toe komt: eerste verjaardagspartijtje, eerste zwemles, naar de grote school toe gaan… Zij hebben zich echter nog weinig of geen beelden kunnen vormen en ervaring op kunnen doen. Door levenservaring bouwen wij als mens onze verhouding tot het verleden en de toekomst op en oefenen zo de moed.

Moed gaat dus blijkbaar over iets dat vanuit de toekomst ons nadert in het heden. Het gaat over iets dat nog niet bestaat maar aan het worden is.

Mandela

In gesprekken over moed komt naar voren dat mensen zich vaak vergelijken met anderen die moediger zouden zijn dan zijzelf. In hun verhalen klinkt ontzag door en eerbied hebben voor die ander. Een schaduwkant van het hebben van ontzag voor een ander is dat wij als mensen ons zó gaan vergelijken met anderen dat we onszelf als klein, nietig en onvolmaakt gaan ervaren.

In de inauguratierede van Nelson Mandela wordt dit gevoel zo verwoord: [1]

“Onze grootste angst is niet dat we onvolmaakt zijn.
Onze grootste angst is dat we mateloos krachtig zijn.
Het is ons Licht, niet onze schaduw, dat ons het meest beangstigt.
We vragen onszelf:.”Wie ben ik om briljant te zijn, prachtig, talentvol, fantastisch?”
Maar wie ben jij om dat niet te zijn?
Je bent een kind van God.

Je onbelangrijk voordoen bewijst de wereld geen dienst. Er is niets verlichts aan je klein te maken, opdat andere mensen zich bij jou niet onzeker zullen voelen.
We zijn allemaal bedoeld om te stralen als kinderen.
We zijn allemaal geboren om de glorie van God die in ons is, te openbaren.
Die is niet alleen maar in sommige van ons, die is in iedereen!
En als wij ons Licht laten stralen, geven we onbewust andere mensen toestemming hetzelfde te doen.
Als wij van onze eigen angst bevrijd zijn, bevrijdt onze aanwezigheid vanzelf anderen.”

[Nelson Mandela 1994]

Nelson Mandela slaat een brug tussen onze eigen persoonlijke angsten en de medemensen. Alléén kunnen wij niet leven, wij hebben elkaar als mens nodig.

Daarnaast wijst Mandela op de wereld van het Licht en de grootsheid van de (geestelijke) wereld die ons angst kan inboezemen,

Michaëla Glöckler schrijft daarover het volgende in Moed als vaardigheid en taak:

“Veel mensen zijn tegenwoordig bang voor de geestelijke wereld. Ze zijn zich hun eigen morele onvolmaaktheid zozeer bewust, dat alleen al de gedachte om een volmaakt wezen in de ogen te moeten kijken onverdraaglijk is.

Maar dit gaat ook op voor mensen onderling. Zo gemakkelijk is het immers niet een ander, verder ontwikkeld dan jijzelf, eerlijk te erkennen. Ligt het niet méér voor de hand een punt van kritiek te zoeken, op grond waarvan je je van hem kunt distantiëren? Als we deemoedig zouden kunnen zijn, dan zouden we als ménsen met elkaar omgaan. Maar doordat we onszelf tot maatstaf maken voor de beoordeling van anderen, vormt het onmenselijke in onze samenleving tevens een indicatie voor ons gebrek aan moed. Want er is moed en zekerheid nodig om tegenover iemand die groter is dan jij je zelfbewustzijn niet te verliezen en je naast hem niet klein en onbevangen te voelen. Zo kan het een actuele opvatting van moed zijn, je onvolmaaktheid te aanvaarden omdat je weet dat het ik iets is dat wordt, dat zichzelf nog moet scheppen en zich niet hoeft te schamen dat het zijn volle kracht en energie nog niet ontplooid heeft. Er is moed nodig om je eigen onvolmaaktheid te verdragen. Daarom kun je mensen die het aan moed ontbreekt, helpen door ze liefde en vertrouwen te schenken en zo zelfrespect en zelfvertrouwen te versterken. Zowel het prijzenswaardige als het problematische moet, vanuit de wil elkaar in het leven bij te staan, openlijk ter sprake kunnen komen. Een dergelijk manier om met elkaar om te gaan, sterkt en bemoedigt het ik.”

Glöckler beschrijft de moed om elkaar liefde en vertrouwen te schenken en zo bij elkaar het gevoel van zelfrespect en zelfvertrouwen te sterken. Als ons dit lukt, dan weeft er tussen mensen een vertrouwensrelatie.

Lex Bos noemt een vertrouwensrelatie een wilsrelatie: “Een vertrouwensrelatie is in feite een wilsrelatie. Wanneer wij trouw blijven aan een eenmaal gemaakte afspraak, wanneer wij trouw blijven aan een partner met wie we getrouwd zijn, wanneer we trouw blijven aan een principe waarvan we de juistheid hebben ingezien, betekent dat in feite, dat we met die afspraak, met die partner, met dat idee een wilsrelatie zijn aangegaan. Met onze wil zijn we veel existentiëler verbonden dan met onze gevoelens of gedachten.

Onze wilsbesluiten zijn een directe uitdrukking van ons Ik. Daarom hebben vertrouwenscrises meestal zo’n existentieel karakter, daarom laat beschaamd of misbruikt vertrouwen zulke diepe wonden na. Het schenken van vertrouwen maakt kwetsbaar. Je wordt afhankelijk van degene aan wie je je vertrouwen hebt geschonken. Die kan het vertrouwen beschamen of ten eigen voordeel benutten. Daarom heeft vertrouwen met angst te maken, met onzekerheid hoe de ruimte die je de ander hebt geschonken door hem wordt opgevuld. En daarom heeft het ontwikkelen van vertrouwenskrachten met moed te maken.” (Lex Bos, Vertrouwen – Fundament voor een gezonde samenleving.)

Emil Bock verbindt de moed waar Michaël ons toe oproept met vertrouwenskrachten:

“Het Michaëlische ligt nooit in dat wat reeds bestaat of af is. Het ligt steeds in het wordende, in dat waarvoor nog gestreden moet worden, waarboven de ster straalt van een volmaaktheid die nagestreefd wordt. Michaël spreekt tot ons in een taal van wilsgezindheid. Hij wil niet dat de mensen zich passief of ontvankelijk opstellen. Hij zoekt naar die mensen die zélf datgene tot stand willen brengen wat zij zich voor de wereld wensen. De blik van Michaël gaat steeds naar de toekomst.

En in die toekomst zullen wij steeds meer tot de conclusie komen dat herstel van onze krachten niet meer van buitenaf zal komen, zelfs niet van de mooie natuur, maar dat onze verbruikte levenskrachten slechts verfrist en vernieuwd kunnen worden van binnenuit: door innerlijke inspanning, door innerlijke activiteit en arbeid.” (Emil Bock, Michaëlstijd: feest van het wordende.)

Jonge kinderen laven zich aan de herstellende krachten van buitenaf: een gezond leefritme, gezonde gewoonte-vorming en voeding, eerbied, natuurbeleving, het vieren van de jaarfeesten, nabootsingswaardige voorbeelden van de volwassenen. Oudere kinderen genieten eveneens van dit alles maar verrijken zich innerlijk ook middels de verhalen en het voorbeeld van de opvoeder die ‘met innerlijke inspanning, activiteit en arbeid’ zich zelf probeert te verfrissen.

Michaël wil ons bijstaan de weg naar de moed te gaan!

Michaëlstijd

Voel je niet de sterke, helende kracht
van de zonnige dagen der herfst?
’t Is Michaël, die spreekt in de stervende pracht,
in de kleurige gloed van de herfst.

Voel je niet de dankbaarheid, diep in je ziel,
voor de rijkdom en oogst van het jaar?
Voor het vruchtgeschenk, dat van de bomen nu viel,
voor het koren, zo goud en zo zwaar?

Voel je niet, dat Michaël van ons nu verwacht,
dat wij ook in de duistere tijd,
als de stormwinden woeden en lang is de nacht,
zijn tot werken en helpen bereid?

Voel je niet, dat nu in de Michaëlstijd,
in de zonnige dagen der herfst,
wij de krachten verzaam’len voor ’t werk en de strijd
van het nieuwe, nu komende jaar?

.

[1] Een aantal mensen meldde dat deze woorden niet van Mandela zijn, maar van Marianne Williamson; ook zou Mandela deze woorden niet hebben uitgesproken.

Literatuur

• Emil Bock, Michaëlstijd: leest van het wordende
• Lex Bos, Vertrouwen – Fundament voor een gezonde samenleving
•Michaëla Glöckler, Moed als vaardigheid en taak
•Nelson Mandela, inauguratierede, 1994
• Wikipedia

.
Loïs Eijgenraam

Dit artikel verscheen eerder in  VRIJE OPVOEDKUNST, herfst 2014.
Hier gepubliceerd met toestemming van de auteur.

.
Boeken van Loïs Eijgenraam

Michaëlalle artikelen

Michaëlsliederen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldMichaël       jaartafel

.
1696-1590

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 2 (2-8)

.

.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE
.

*GA 293

Vertaling

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken bij alle voordrachten.
De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

Blz. 41  en 43           vert.

 

DE DRIELEDIGE MENS

Steiner heeft in zijn leven bijzonder vaak gesproken over dit drieledige mensbeeld.
Bij de toehoorders van de voordrachten ‘Algemene menskunde’ mogen we ervan uitgaan dat zij al goed op de hoogte waren van de inhoudelijke kant.
En hoewel hij er weer wat gezichtspunten aan toevoegt, begint hij a.h.w. met een waarschuwing.

Met pedant wordt hier bedoeld een rigide indeling handhaven van iets wat in wezen niet te scheiden valt: de mens.

Nun sind wir ja als Menschen, indem wir uns äußerlich offenbaren, deutlich gegliedert in das Kopfsystem, in das Brustsystem und in das eigentliche Leibessystem mit den Gliedmaßen. Nun bitte ich aber zu berücksichtigen, daß diese Einteilung in gegliederte Systeme sehr leicht angefochten werden kann, weil die Menschen, wenn sie heute systematisieren, die einzelnen Glieder hübsch nebeneinander haben wollen. Wenn man also sagt: Man unterscheidet am Menschen ein Kopfsystem, ein Brustsystem und ein Unterleibssystem mit den Gliedmaßen, dann muß nach Ansicht der Menschen jedes System eine strenge Grenze haben. Die Menschen wollen Linien ziehen, wenn sie einteilen, und das kann man nicht, wenn man von Realitäten spricht. 

Nu zijn er bij ons mensen, in onze uiterlijke verschijningsvorm, drie stelsels te onderscheiden: hoofd, borst en het ei­genlijke lichaam met de ledematen. Maar ik verzoek u hierbij in aanmerking te nemen, dat deze indeling in afzonderlijke stel­sels zeer gemakkelijk aangevochten kan worden, omdat de mensen – wanneer ze tegenwoordig iets systematisch be­kijken – de afzonderlijke delen netjes naast elkaar willen heb­ben. Wanneer we dus zeggen: we onderscheiden bij de mens de drie systemen hoofd, borst en onderlichaam met de ledematen, dan moet —volgens de mensen —ieder systeem scherp be­grensd zijn. Wanneer de mensen indelen, dan willen ze lijnen trekken en dat kan niet wanneer men over realiteiten spreekt.

So gehen also die Teile ineinander, und wir haben es nicht so bequem mit den Gliedern, wie es die Pedanten haben möchten.

Zo gaan de delen in elkaar over en zo’n indeling is niet zo gemak­kelijk te maken als pedante mensen wel graag zouden willen.

Dat geldt uiteraard ook voor andere indelingen.

Hier is gekeken naar de buitenkant, dus naar de fysieke verschijningsvorm.
Een andere manier van benaderen is kijken naar de psychische verschijningsvorm en daarbij komt Steiner tot de indeling van denken, voelen en willen.
De geestelijke verschijningsvorm wordt ingedeeld in: wakker, dromen, slapen

Telkens zal Steiner een accent leggen: we zijn daar het meest……., maar we zijn het ook daar en daar, maar iets minder pregnant.

Met deze blik hoeft een schema dus niet ‘star’ te zijn. Steiner maakt er zelf ook vaak gebruik van. Een schema verheldert vaak, geeft overzicht, zeker als je Steiners opmerking te harte neemt, de tegengestelden op te zoeken

HOOFD                                         ROMP                          LEDEMATEN

denken                                              voelen                                   willen

rond                                tussen rond en gestrekt                     gestrekt

voorstellen        bew.z.z/verstandsz\gewaarwordingsz\  handelen

onstoffelijk                                                                                       stoffelijk

geest                                                                                                  materie

in/binnen                              binnen/buiten                                 buiten

 

Wir sind im Kopf hauptsächlich Kopf, aber der ganze Mensch ist Kopf, nur ist das andere nicht hauptsächlich Kopf.

In ons hoofd zijn we in de eerste plaats hoofd, maar de gehele mens is hoofd – alleen is de rest niet voornamelijk hoofd.

Denn wie wir im Kopfe die eigentlichen Sinneswerkzeuge haben, so haben wir über den ganzen Leib ausgebildet zum Beispiel den Tastsinn und den Wärmesinn; indem wir daher Wärme empfinden, sind wir ganz Kopf. Wir sind nur im Kopfe hauptsächlich Kopf, sonst sind wir «nebenbei> Kopf. Der Kopf setzt sich also fort; er ist nur im Kopfe besonders ausgebildet. 

Want we hebben wel in het hoofd de eigenlijke zintuigen, maar ver­spreid over het gehele lichaam vindt men bijvoorbeeld de tast­zin en de warmtezin; dat wil zeggen: wanneer we warmte ge­waarworden zijn we helemaal hoofd. We zijn alleen in het hoofd hoofdzakelijk hoofd, verder zijn we ‘ook nog’ hoofd. Het hoofd strekt zich dus nog verder uit; het is alleen in het eigenlijke hoofd bijzonder ontwikkeld.
Even verder: het hoofd is een beetje borst.

Ebenso ist es mit der Brust. Brust ist die eigentliche Brust, aber nur hauptsächlich, denn der ganze Mensch ist wiederum Brust. Also auch der Kopf ist etwas Brust und auch der Unterleib mit den Gliedmaßen. 

Net zo is het met de borst. De borst is de eigenlijke borst, maar alleen in hoofdzaak, want de gehele mens is wederom ook borst. Dus ook het hoofd is een beetje borst en ook het onderlichaam met de ledematen.

En weerDie Glieder gehen also ineinander über. 

De delen gaan dus in elkaar over.

Und ebenso ist es mit dem Unterleib.

En precies zo is het gesteld met het onderlichaam.

In voordracht 8 komt dit opnieuw aan de orde:

Blz. 122 – 124     vert. 119 – 120

Sie sehen gerade aus dem, was ich auseinandergesetzt habe, wie in der Welt und insbesondere in der menschlichen Welt alles in einem gewissen Sinne getrennt ist, wie aber das Getrennte auch wieder zusammenwirkt. Wir können den Menschen in bezug auf sein Seelisches nicht begreifen, wenn wir nicht das Seelische trennen, gliedern nach Denken oder denkendem Erkennen, Fühlen und Wollen. Aber nirgends ist denkendes Erkennen, Fühlen und Wollen rein vorhanden, immer wirken die drei ineinander zu einer Einheit, verweben sich.
Und so ist es in der ganzen menschlichen Wesenheit bis in das Leibliche hinein.
Ich habe Ihnen angedeutet, daß der Mensch hauptsächlich Kopf ist im Kopfteil, daß er aber eigentlich ganz Kopf ist. Er ist hauptsächlich Brust als Brustmensch, aber eigentlich ist er ganz Brustmensch, denn auch der Kopf hat Anteil an der Brustnatur und ebenso auch der Gliedmaßenmensch. Und auch der Gliedmaßenmensch ist hauptsächlich Gliedmaßenmensch, aber eigentlich ist der ganze Mensch Gliedmaßenmensch, aber auch die Gliedmaßen haben Anteil an der Kopfnatur und ebenso an der Brustnatur; sie nehmen zum Beispiel auch an der Hautatmung teil und so weiter.

Uit deze uiteenzetting kunt u opmaken dat alles in de wereld, en met name in de wereld van de mens, in zekere zin gescheiden is, en dat hetgeen gescheiden is ook weer samenwerkt. We kunnen de ziel van de mens niet begrijpen wanneer we de verschillende gebieden van de ziel niet scheiden en onderverdelen in denken of denkend kennen, voelen en willen. Maar nergens bestaan denken,
voelen en willen in hun zuivere vorm; ze werken alle drie in elkaar door en zijn met elkaar tot een eenheid verweven. En zo is het met het hele wezen van de mens, tot in het lichamelijke toe.
Ik heb u geschetst dat de mens in zijn hoofd voornamelijk hoofd is, maar dat hij eigenlijk overal hoofd is. Men is voornamelijk borst als borstmens, maar eigenlijk is men overal borstmens, want ook het hoofd heeft deel aan de aard van de borst; hetzelfde geldt voor de ledematenmens. Ook de ledematenmens is voornamelijk ledemaat, maar eigenlijk is de hele mens ledematenmens; evenzo hebben de ledematen deel aan de aard van het hoofd en de aard van de borst; de ledematen hebben bijvoorbeeld ook deel aan het ademen van de huid enzovoort.

Man kann sagen: Will man sich der Wirklichkeit nähern, insbesondere der Wirklichkeit der Menschennatur, dann muß man sich klar sein, daß alle Gliederung vorgenommen wird in einem Einheitlichen; würde man nur auf das abstrakt Einheitliche gehen, so würde man überhaupt nichts kennenlernen. Würde man niemals gliedern, so bliebe die Welt immer in einem Unbestimmten, wie in der Nacht alle Katzen grau sind. Menschen, die daher alles in abstrakten Einheiten erfassen wollen, sehen die Welt grau in grau. Und würde man nur gliedern, nur trennen, alles auseinanderhalten, so würde man nie-als zu einer wirklichen Erkenntnis kommen, denn dann würde nan nur Verschiedenes erfassen, und die Erkenntnis bliebe aus.
So ist alles, was im Menschen ist, zum Teil erkennender, zum Teil fühlender, zum Teil wollender Natur. Und was erkennend ist, das ist hauptsächlich erkennend, aber auch gefühlsmäßig und willensmäßig; was fühlend ist, das ist hauptsächlich fühlend, aber auch erkennend und willensmäßig, und ebenso ist es mit dem Wollenden. Dies können wir nun schon auf das anwenden, was wir gestern als die Sinnessphäre charakterisiert haben. Sie müssen, indem Sie ein solches Kapitel wie das, was ich jetzt bringen werde, begreifen wollen, wirklich, ich möchte sagen, alles Pedantentum ablegen, sonst werden Sie den krassesten Widerspruch vielleicht gerade mit dem finden, was ich im gestrigen Vortrag gesagt habe. Aber aus Widersprüchen besteht die Wirklichkeit. Wir begreifen die Wirklichkeit nicht, wenn wir nicht die Widersprüche in der Welt schauen.

Wil men de werkelijkheid benaderen, met name de werkelijkheid van de menselijke natuur, dan moet het duidelijk zijn dat iedere onderverdeling een onderverdeling is van een eenheid. Zou men zich alleen richten op die abstracte eenheid, dan zou men niets leren kennen. Zou men nooit indelen, dan zou de wereld altijd in het vage blijven, zoals in de nacht alle katten grauw zijn. Mensen die alles in abstracte eenheden willen begrijpen, zien de wereld alleen in grijzen. En zou men alleen maar indelen, alleen maar scheiden en alles los van elkaar zien, dan zou men nooit tot werkelijk inzicht komen, want dan zou men slechts verschillende elementen zien en het inzicht zou achterwege blijven.
Zo is alles in de mens deels kennend, deels voelend, deels willend van aard. Wat kennend is, dat is hoofdzakelijk kennend maar ook gevoelsmatig en wilsmatig; wat voelend is, is hoofdzakelijk voelend, maar ook kennend en willend, en zo is het ook met het willen.
(   )  dan moet u werkelijk iedere vorm van pedanterie afleggen, anders zult u de grootste tegenstrijdigheden vinden, misschien wel juist met wat ik gisteren heb gezegd. Maar de werkelijkheid bestaat uit tegenstrijdigheden. We begrijpen de werkelijkheid niet, wanneer we niet de tegenstrijdigheden in de wereld
zien.
In dit verband vind ik een vertaling met ‘tegenstellingen’ duidelijker.
GA 293/122-124
Vertaald/119-120  

In voordracht 10

Blz. 148/149  vert. 143-144

geeft Steiner nog een voorbeeld:

Man kommt eben nicht zurecht, wie ich Ihnen schon oftmals gesagt habe, wenn man nur schematisch eins ins andere gliedert. Man muß immer das eine mit dem anderen verweben, denn darin besteht das Lebendige. Wir sagen: Wir haben den Gliedmaßenmenschen, der besteht aus den Gliedmaßen. Aber 
sehen Sie, auch der Kopf hat seine Gliedmaßen. Wenn Sie sich den Schädel ordentlich ansehen, dann finden Sie, daß zum Beispiel angesetzt sind an den Schädel die Knochen der hinteren und der vorderen Kinnlade. Sie sind richtig eingesetzt wie Gliedmaßen. Der Schädel hat auch seine Gliedmaßen, und obere und untere Kinnlade sind als Gliedmaßen am Schädel angebracht. Sie sind nur am Schädel verkümmert. Sie sind richtig groß ausgebildet beim übrigen Menschen, am Schädel sind sie verkümmert, sind eigentlich nur Knochengebilde. Und noch einen Unterschied gibt es: wenn Sie die Gliedmaßen des Schadels betrachten, also obere und untere Kinnlade, so werden Sie sehen, daß es bei ihnen ankommt im wesentlichen darauf, daß der Knochen seine Wirksamkeit ausführt.

Het werkt echter niet — zoals ik u al zo vaak heb gezegd — wanneer men de verschillende delen slechts schematisch met elkaar in verband brengt. Men moet altijd het een met het ander verweven, want in het leven is alles met elkaar verweven. We zeggen: we hebben de ledematenmens en die bestaat uit de ledematen. Maar nu moet u weten dat ook het hoofd zijn ledematen heeft. Wanneer u de schedel nauwkeurig bekijkt, dan vindt u daaraan onder andere de boven- en onderkaak. Die zitten er net als ledematen aan. De schedel heeft ook zijn ledematen; de boven- en onderkaak zijn als ledematen aan de schedel bevestigd. Alleen zijn ze aan de schedel onderontwikkeld. Ze zijn tot volle wasdom gekomen aan de rest van de mens, maar aan de schedel zijn ze verkommerd – daar zijn ze eigenlijk alleen vormingen van het bot. En er is nog een verschil: wanneer u de ledematen van de schedel, de onder- en bovenkaak dus, bekijkt, dan zult u zien dat zich daarbij voornamelijk de werking van het bot manifesteert.

Wenn Sie die Gliedmaßen, die an unserem gesamten Leib angesetzt sind, also die eigentliche Wesenheit des Gliedmaßenmenschen ins Auge fassen, dann werden Sie in der Umkleidung mit Muskeln und mit Blutgefäßen das Wesentliche suchen müssen. Gewissermaßen sind unserem Muskel- und Blutsystem für Arme und Beine, Hände und Füße nur eingesetzt die Knochen. Und gewissermaßen sind an der oberen und unteren Kinnlade als Gliedmaßen des Kopfes ganz verkümmert die Muskeln und die Blutgefäße. Was bedeutet das? – Sehen Sie, in Blut und Muskeln liegt die Organik des Willens, wie wir schon gehört haben. Daher sind ausgebildet für den Willen hauptsächlich Arme und Beine, Hände und Füße. Das, was dem Willen vorzugsweise dient, Blut und Muskeln, das ist ja bis zu einem gewissen Grade genommen den Gliedmaßen des Hauptes, weil in ihnen ausgebildet sein soll dasjenige, was zum Intellekt, zum dcnkerischen Erkennen hinneigt. Wollen Sie daher studieren, wie sieh in den äußeren Leibesformen der Wille der Welt offenbart, so studieren Sie Arme und

Wanneer u de ledematen aan ons lichaam bekijkt, dus het eigenlijke wezen van de ledematenmens, dan zult u de essentie moeten zoeken in de omhulling met de spieren en bloedvaten. In zekere zin zijn de botten in onze armen, benen, handen en voeten alleen maar aanwezig ten behoeve van ons spier- en bloedstelsel. En in zekere zin zijn bij de boven- en onderkaak — als ledematen van het hoofd – de spieren en bloedvaten geheel onderontwikkeld. Wat betekent dat? De wil bedient zich van bloed en spieren, zoals we al gehoord hebben. Daarom zijn voor de wil hoofdzakelijk de armen, benen, handen en voeten gevormd. Bloed en spieren – de voornaamste dienaren van de wil – zijn tot op zekere hoogte onthouden aan de ledematen van het hoofd, omdat daarin ontwikkeld moet zijn wat naar het intellect, naar het kennende denkvermogen neigt. Wilt u dus bestuderen hoe de wil van de wereld zich in de uiterlijke vormen van het lichaam openbaart, bestudeert u dan armen en 

Blz. 149   vert.  blz. 144

Beine, Hände und Füße.
Wollen Sie studieren, wie sich das Intelligente der Welt offenbart, dann studieren Sie das Haupt als Schädel, als Knochengerüst, und wie sich dem Haupt angliedert obere Kinnlade, untere Kinnlade und auch anderes, was gliedmaßenähnlich aussieht am Haupte. Sie können nämlich überall die äußeren Formen als 0ffenbarungen des Inneren ansehen. Und Sie verstehen
nur dann die äußeren Formen, wenn Sie sie als Offenbarungen des Inneren ansehen.

benen, handen en voeten.
Wilt u bestuderen hoe de intelligentie van de wereld zich openbaart, bestudeert u dan het hoofd als schedel en kijkt u hoe het uit botten is opgebouwd en hoe aan het hoofd de boven- en onderkaak vastzitten – en ook andere delen die er als ledematen van het hoofd uitzien. U kunt namelijk overal de uiterlijke verschijningsvormen beschouwen als openbaringen van het innerlijk
GA 293/148-149
Vertaald/143-144      

In GA 296:

Blz. 70    vert. 81

Aber man muß sich entschließen dazu, diese Dreigliederung wirklich innerlich zu erfassen. Ich habe Sie wiederholt von den verschiedensten Gesichtspunkten aus darauf aufmerksam gemacht, wie der Mensch, so wie er vor uns steht, zerfällt in das, was er zunächst als Nerven-Sinnes-Mensch ist, was man populär so ausdrücken kann, daß man sagt: Zunächst ist der Mensch Kopfmensch, Hauptesmensch. Als zweites Glied der menschlichen Wesenheit, äußerlich betrachtet, haben wir denjenigen Menschen, in dem sich hauptsächlich die rhythmischen Vorgänge abspielen, den Brustmenschen; und dann, wie Sie ja wissen, zusammenhängend mit dem ganzen Stoffwechselsystem den Gliedmaßenmenschen, den Stoffwechselmenschen, in dem sich eben der Stoffwechsel als solcher abspielt. Dasjenige, was der Mensch als tätiges Wesen ist, das erschöpft sich äußerlich in der Bildgestalt, in der physischen Bild-gestalt des Menschen in diesen drei Gliedern der menschlichen Gesamtnatur.
Notieren wir uns einmal diese drei Glieder der menschlichen Gesamtnatur:

Men moet er echter toe overgaan deze drie­ledigheid werkelijk innerlijk op te vatten. Ik heb u meerdere malen vanuit heel verschillende invalshoeken laten zien dat de mens zoals hij voor ons staat, ingedeeld kan worden in wat hij allereerst als zenuw-zintuig-mens is, hetgeen populair uit­gedrukt wil zeggen: allereerst is de mens hoofd-mens. Als tweede lid van het menselijk wezen, uiterlijk beschouwd, heb­ben wij die mens waarin zich voornamelijk de ritmische pro­cessen afspelen, de borst-mens; en vervolgens, zoals u weet, in samenhang met het hele stofwisselingssysteem de leden-maten-mens, de stofwisselingsmens in wie zich de stofwis­seling als zodanig afspeelt. Datgene wat de mens als actief wezen is, leert men door en door kennen als beeldgestalte, als de fysieke beeldgestalte van de mens in deze drie geledingen van de totale menselijke natuur.
Laten wij deze drie geledingen van de menselijke

Blz. 71     vert. 82

Kopfmensch oder Nerven-Sinnes-Mensch, Brustmensch oder rhythmischer Mensch und dann Gliedmaßenmensch, im weitesten Sinne natürlich, oder Stoffwechselmensch.
Nun handelt es sich darum, daß man diese drei Glieder der menschlichen Natur in ihrem Unterschiede voneinander erfaßt. Das ist ja für den Menschen der Gegenwart unbequem, denn der Mensch der Gegenwart liebt schematische Einteilungen. Er möchte sich, wenn man sagt: der Mensch besteht aus Kopfmensch, Brustmensch, Glied­maßenmensch, am liebsten da einen Strich machen am Halse, was drüber ist, ist Kopfmensch. Dann möchte er sich wieder anderswo einen Strich machen, eine Linie ziehen, um den Brustmenschen zu begrenzen, und so möchte er die eingeteilten Glieder nebeneinander haben. Was sich nicht so schematisch nebeneinanderstellen läßt, dar­auf läßt sich der Mensch der Gegenwart nicht gerne ein.

vast houden: de hoofd-mens of zenuw-zintuig-mens, de borst-mens of ritmische mens, en dan de ledematen-mens, in de ruimste zin natuurlijk, of stofwisselingsmens.
Nu gaat het erom dat men deze drie geledingen van de menselijke natuur in hun onderlinge verschillen begrijpt. Dat valt voor de moderne mens niet mee, want die houdt van schematische indelingen. Hij zou, wanneer men zegt: de mens bestaat uit een hoofd-mens, borst-mens en ledematen-mens het liefst ter hoogte van de hals een streep trekken en denken: wat boven de streep staat is hoofd-mens. En dan nog ergens een streep trekken om de borst-mens te begrenzen, en zo zou hij de ingedeelde geledingen op een rijtje hebben. Wanneer iets niet zo makkelijk in een schema onder te brengen is, laat de moderne mens zich er niet graag mee in.

Aber so ist es in der Wirklichkeit nicht; die Wirklichkeit macht nicht solche Striche. Der Mensch ist zwar über den Schultern haupt­sächlich Kopfmensch, Nerven-Sinnes-Mensch. Aber er ist nicht allein über den Schultern Nerven-Sinnes-Mensch; zum Beispiel der Gefühls­sinn, der Wärmesinn sind über den ganzen Leib ausgedehnt, so daß der Kopf über den ganzen Leib wiederum reicht. Also man kann, wenn man so sprechen will, sagen: der menschliche Kopf ist haupt­sächlich Kopf. Und die Brust ist eben weniger Kopf, aber auch noch Kopf. Die Gliedmaßen oder alles, was Stoffwechselsystem ist, sind noch weniger Kopf, aber auch Kopf. So daß man also eigentlich sagen muß: der ganze Mensch ist Kopf, nur der Kopf ist hauptsächlich Kopf. Wollte man also schematisch zeichnen, so müßte man etwa, wenn man wollte den Kopfmenschen zeichnen, ihn so zeichnen (siehe Zeich­nung, helle Schraffur).
Der Brustmensch ist wiederum nicht bloß in der Brust, er ist hauptsächlich in den Brustorganen, in den Organen, in denen sich das Herz und der Atmungsrhythmus am deutlichsten ausdrücken. Aber die Atmung setzt sich auch in den Kopf hinein fort, die Blutzirku­lation in ihrem Rhythmus setzt sich in den Kopf hinein fort und in die Gliedmaßen. So daß man sagen kann: der Mensch ist Brust aller­dings in dieser Gegend; aber er ist auch hier – zwar weniger – Brust (siehe Zeichnung, mittlere Schraffur)

Maar zo is de werkelijkheid niet; de werkelijkheid kent zulke strepen niet. Boven de schouders is de mens weliswaar voorna­melijk hoofd-mens, zenuw-zintuig-mens. Maar hij is niet alleen boven de schouders zenuw-zintuig-mens; de tastzin en de warmtezin bijvoorbeeld zijn verspreid over het hele lichaam, zodat het ‘hoofd’ zich over het hele lichaam uitstrekt. Men zou, wanneer men dat wil, kunnen zeggen: het menselijk hoofd is voornamelijk hoofd. En de borst is weliswaar minder hoofd, maar ook nog hoofd. De ledematen, of alles wat stofwisselings­systeem is, zijn nog minder hoofd, maar ook hoofd. Dus ei­genlijk moet men zeggen: de hele mens is hoofd, alleen het hoofd is voornamelijk hoofd. Wanneer men een schematische tekening zou willen maken, dan zou de hoofd-mens ongeveer zó getekend worden (zie tekening onder, lichte arcering).
De mens is ook niet alleen in de borst een borst-mens maar is hoofdzakelijk borst-mens in de borstorganen; in die organen waarin het hartritme en het ademritme zich het duidelijkst ui­ten. Maar de adem zet zich ook in het hoofd voort, het ritme van de bloedsomloop zet zich voort in het hoofd en in de lede-
maten. Men kan dus zeggen: de mens is vooral in dit gebied borst; maar is ook hier – hoewel minder – borst (zie tekening, rode arcering) en hier ook minder borst. 

Blz. 72   vert. 83

und hier – wiederum weniger Brust. Also wiederum der ganze Mensch ist Brust, aber in der Haupt-sache ist das die Brust, das der Kopf.
Und wiederum der Gliedmaßen- und Stoffwechselmensch, ja er ist schon in der Hauptsache dieses (siehe Zeichnung, dunkle Schraf­fur); aber diese Gliedmaßen setzen sich wiederum so fort, daß sie weniger sind in der Brust, und am wenigsten im Kopfe.
Also ebenso wahr, wie man sagen kann: der Kopf ist Kopf, kann man sagen: der ganze Mensch ist Kopf. Ebenso wahr, wie man sagen kann: die Brust ist Brust, kann man sagen: der ganze Mensch ist Brust und so weiter. Die Dinge schwimmen ineinander in der Wirk­lichkeit. Und unser Begreifen ist so veranlagt, daß wir gerne so neben­einanderstellen die Teile, die Glieder. Dieses zeigt uns, wie wenig wir mit Bezug auf unsere Erkenntnisvorstellungen verwandt sind der äußeren Wirklichkeit. In der äußeren Wirklichkeit schwimmen die Dinge ineinander. Und wir müssen, wenn wir auf der einen Seite trennen: Kopf-, Brust-, Stoffwechselmensch, uns bewußt sein, daß wir dann die getrennten Glieder wieder zusammendenken müssen. Wir dürfen eigentlich niemals bloß auseinanderdenken, wir müssen immer auch wieder zusammendenken. Ein denkender Mensch,

En ook voor de ledematen-stofwisselingsmens geldt dat hij hoofdzakelijk hier huist (zie tekening, blauwe arcering); maar de ledematen zetten zich zó voort dat ze minder aanwezig zijn in de borst en nog minder in het hoofd.

Zoals men kan zeggen: het hoofd is hoofd, kan men ook zeggen: de gehele mens is hoofd. Zoals men kan zeggen: de borst is borst, kan men ook zeggen: de gehele mens is borst, enzovoorts. In werkelijkheid vloeien de dingen in elkaar over. En onze manier van begrijpen is zodanig dat wij de drie delen, de geledingen, graag in een rijtje zouden willen onderbrengen. Dat geeft aan hoe weinig onze begripsmatige voorstellingen aan de uiterlijke werkelijkheid verwant zijn. In de uiterlijke werkelijkheid lopen de dingen in elkaar over. Wanneer we de hoofd-, borst- en stofwisselingsmens van elkaar scheiden, moeten we beseffen dat wij daarna de gescheiden delen ook weer moeten samendenken. Eigenlijk zouden wij nooit alleen maar ‘uit elkaar moeten denken’, maar zouden wij ook altijd weer moeten ‘samendenken’. Een denkende mens die alleen uit

Blz. 73   vert. 83/84

der nur aus-einanderdenken wollte, der gleicht einem Menschen, der nur ein­atmen, nicht aber ausatmen wollte.
Damit haben Sie gleich etwas gegeben, was eintreten muß namentlich für das Denken der Lehrer der Zukunft; die müssen ganz besonders in sich aufnehmen dieses innerlich bewegliche Denken, dieses unschematische Denken. Denn nur dadurch, daß sie dieses unschematische Denken in sich aufnehmen, kommen sie mit ihrer Seele der Wirklichkeit nahe. Aber man wird der Wirklichkeit nicht nahekommen, wenn man nicht dieses Nahekommen von einem gewissen größeren Gesichtspunkte aus als Zeiterscheinung aufzufassen in der Lage ist. Man muß die Vorliebe, welche man gegen die Gegen­wart herein immer mehr entwickelt hat, sich an die Details des Lebens zu halten, wenn man Wissenschaftliches ins Auge faßt, man muß diese Vorliebe überwinden und muß dahin kommen, die Details des Lebens an die großen Lebensfragen anzuknüpfen.

elkaar wil denken, lijkt op een mens die alleen wil inade­men, en niet wil uitademen.

Daarmee heb ik u meteen gewezen op iets dat met name voor het denken van de leraren van belang is. Juist de leraren moeten dit innerlijk beweeglijke denken, dit niet-schematische denken, in zich opnemen. Alleen wanneer zij dit niet-schema­tische denken in zich opnemen, zal hun ziel de werkelijkheid nabij komen. Maar dat zal niet lukken, wanneer men dit niet vanuit een ruimere visie doet. Men moet de voorliefde, die tegenwoordig sterk ontwikkeld is, om zich in wetenschappe­lijk opzicht met de details van het leven bezig te houden over­winnen en men moet ertoe komen de details van het leven te verbinden met de grote levensvragen.

 

GA 296/70-73
Vertaald/81-84

GA 297

Blz.  251/252  vert. idem

Der Mensch ist ein dreigliedriges We­sen. Nur darf man sich nicht vorstellen, daß diese drei Glieder der menschlichen Wesenheit – Nerven-Sinnessystem, rhythmisches System, Stoffwechselsystem – nebeneinander liegen. Nein, sie liegen ineinander, und man muß sie auf geistig-seelische Art von­einander trennen, wenn man überhaupt das Wesen des Menschen durchschauen will; denn selbstverständlich müssen die Nerven  auch ernährt werden. Das Stoffwechselsystem spielt also auch in das Nervensystem hinein, spielt auch in die Organe des rhythmi­schen Systems hinein; aber die Organe des rhythmischen Systems dienen nur dem Willen, insoferne der Stoffwechsel in sie hinein spielt; dagegen insoferne sie eigentliche rhythmische Bewegungen repräsentieren, dienen sie dem Gefühlsleben. Und wiederum, wenn unser rhythmisches Wesen anstößt, wenn unser Atmungsrhythmus zum Beispiel auf dem Umwege durch das Gehirnwasser anstößt an unser Nervensystem, so entsteht die Wechselwirkung zwischen dem Gefühls- und Vorstellungsleben. Kurz, der Mensch ist ein komplizierteres Wesen, als man gewöhnlich glaubt.

De mens is een drieledig wezen. Maar je mag je niet voorstellen dat deze drie delen van het mensenwezen – zenuw-zintuigsysteem, ritmisch systeem , stofwisselingssysteem – naast elkaar bestaan. Nee, ze doordringen elkaar en je moet ze op een geestelijk-psychische manier van elkaar gescheiden houden, wanneer je inzicht wil krijgen in het wezen van de mens; want vanzelfsprekend moeten de zenuwen ook gevoed worden. Het stofwisselingssysteem komt ook het zenuwsysteem binnen, ook in de organen van het ritmische systeem maar de organen van het ritmische systeem dienen alleen de wil in zo verre de stofwisseling erin een rol speelt; in zo verre ze daarentegen de eigenlijke ritmische bewegingen representeren, dienen ze het gevoelsleven. En ook weer, wanneer ons ritmische wezen, wanneer ons ademhalingsritme bijv. contact maakt met ons zenuwsysteem via de omweg van het hersenwater, ontstaat de wisselwerking tussen het gevoels- en voorstellingsleven. Kortom, de mens is een gecompliceerder wezen dan men gewoonlijk denkt.
GA 297/251-252
Op deze blog vertaald/251-252

In de 2e voordracht van de Algemene menskunde geeft Steiner een nog iets concretere uiteenzetting over de stofwisseling die ook in het hoofd plaatsvindt, met name in de hersenen:

Daß der Kopf Unterleib ist, haben einige Physioiogen bemerkt, denn die sehr feine Ausbildung des Kopf-Nervensystems liegt eigentlich nicht in dem, was unser Stolz ist, im Gehirn, in der äußeren Hirnrinde, sondern die liegt unter der äußeren Hirnrinde. Ja, der kunstvollere Bau, die äußere Hirnrinde, ist gewissermaßen schon eine Rückbildung; da ist der komplizierte Bau schon in Rückbildung begriffen; es ist vielmehr schon ein Ernährungssystem im Gehirnmantel voriiegend. So daß der Mensch, wenn man das so vergleichsweise ausdrücken will, sich auf seinen Gehirnmantel gar nichts Besonderes einzubilden braucht; der ist ein Zurückgehen des komplizierteren Gehirns in ein mehr ernährendes Gehirn. Wir haben den Gehirnmantel mit dazu, daß die Nerven, die mit dem Erkennen zusammen- hängen, ordentlich mit Nahrung versorgt werden. Und daß wir das über das tierische Gehirn hinausgehende bessere Gehirn haben, das ist nur aus dem Grunde, weil wir die Gehirnnerven besser ernähren. Nur dadurch haben wir die Möglichkeit, unser böheres Erkennen zu entfalten, daß wir die Gehirnnerven besser ernähren, als die Tiere es könneii. Aber mit dem eigentlichen Erkennen hat das Gehirn und das Nervensystem überhaupt nichts zu tun, sondern nur mit dem Ausdruck des Erkennens im physischen Organismus.

Dat het hoofd ook onderlichaam is, hebben enige fysiologen opgemerkt, want de fijnste vormen van het hoofd-zenuwstelsel liggen eigenlijk niet in onze trots: de hersenen, de buitenste hersenschors, maar onder de buiten­ste hersenschors. Ja, de gecompliceerdere bouw van de buiten­ste hersenschors is in zekere zin al een degeneratie; daarin is de gecompliceerde bouw al aan het achteruitgaan. Veeleer is er sprake van een systeem voor de voedselvoorziening in de her­senschors. De mens hoeft zich dus, om dat zo maar eens uit te drukken, niets bijzonders in te beelden over zijn hersenschors; dat is een degeneratie van de gecompliceerdere hersenen tot hersenen die meer de voedselvoorziening regelen. We hebben de hersenschors onder andere ook opdat de zenuwen die met het kennen verband houden van voldoende voedsel worden voorzien. En dat we hersenen hebben die uitgaan boven en beter zijn dan die van de dieren, dat komt alleen doordat we de zenuwen in de hersenen beter van voedsel voorzien. Alleen doordat we de zenuwen in de hersenen beter van voedsel voor­zien dan de dieren hebben we de mogelijkheid ons hogere ken­vermogen te ontplooien. Maar met het eigenlijke kennen heb­ben de hersenen en het zenuwstelsel volstrekt niets te maken; ze hebben slechts te maken met de uitdrukking van het kennen in het fysieke organisme.
GA 293/42
Vertaling/41-42

Ik heb nog geen directe aanwijzingen gevonden in wat er al zo over de hersenschors is te vinden, dat het ‘een degeneratie’ zou zijn. Meestal vind je wél bij welke activiteiten van de mens deze hersenschors een rol speelt.
Over de voeding van de hersenen, de stofwisseling daarin, is ook niet meteen veel te vinden.
Wanneer we vanuit het antroposofisch mensbeeld over ‘stofwisseling’ spreken, weten we nu dat andere karakteriseringen ook meehelpen het fenomeen beter te begrijpen. Vaak wordt het in één adem genoemd met ‘wil’ en deze weer met ‘bloed en spieren’. 
Aan dat laatste moest ik denken toen ik las dat de stofwisseling in de hersenen onder bepaalde omstandigheden dezelfde is als in de spieren:

Eerder al was gevonden dat stofwisseling en hersendoorbloeding tijdens inspanning aan elkaar gekoppeld zijn. Tot ieders verrassing bleek de stofwisseling van de hersenen meer op die van spieren te lijken dan gedacht. Bij een krachtige inspanning neemt de hoeveelheid beschikbare zuurstof in de hersenen af, en wordt er dus minder glucose omgezet in energie. Spieren gaan in zo’n situatie melkzuur produceren als alternatieve brandstof, en dat geldt ook voor de hersenen.’

Interessant is ook de vraagstelling:

De opmerkelijke vondst werd half oktober 2008 in The FASEB journal gepubliceerd, het blad van de Federation of American Societies for Experimental Biology. ‘Hoe belangrijk deze ontdekking is, weten we nog niet. Maar het roept allerlei intrigerende vragen op’, stelt Van Lieshout. ‘Spieren houden het bij een verminderde toevoer van zuurstof langer vol dan het brein. De hersenfunctie neemt al af wanneer de hoeveelheid zuurstof op negentig procent zit. Dan kom je bij een universele vraag uit: waarom wordt iemand moe? Omdat je spieren niet meer meewerken, of omdat je hersenen de spieren niet langer kunnen aansturen?’
Bron: nemokennislink, art. niet meer aanwezig.

Ook de ledematenmens is voornamelijk ledemaat, maar eigenlijk is de gehele mens ledematenmens; evenzo hebben de ledematen deel aan de aard van het hoofd (blz. 122/e.v. zie boven)

Lees voor ‘ledematenmens’ ‘spier- en bloedmens’ en we zien in het onderzoek van bovengenoemde van Lieshout dat de mens hoofdzakelijk stofwisselingsmens is in de stofwisselings-ledematenmens, maar ook in het hoofd een ‘beetje’ stofwisselings-ledematenmens, zeg ‘bloed-spiermens’ is.

Leber zegt er nog het volgende over:

Speziell wird der Zusammenhang des Unterleibes mit dem Kopf betrachtet, weil daran die Nervenverhältnisse weiter erläutert werden können. Physiologen haben bemerkt, dass die feinste Ausgestaltung des Nervensystems, die nach Größe und Struktur höchst entwickelte Gehirnpartie, worin sich der Mensch von allen Tieren unterscheidet, die Großhirnrinde, eine besondere Verwandtschaft zum Unterleib aufweist. Einerseits erscheint das Großhirn in seiner makroskopischen Struktur dem Gedärm formverwandt, die Wölbungen und Höhlungen des freigelegten Gehirns erscheinen ähnlich dem bei geöffneter Bauchdecke sichtbar werdenden Bauchhöhleninhalt; das Gedärm erscheint, äußerlich gesehen, wie in den Kopf versetzt. Andererseits fällt auf, dass gerade die sichtbare Rindenschicht – sie erscheint grau und wird deshalb auch graue Masse (Griseum) genannt -, durch ihre hohe Vernetzung in der Cytoarchitektur zwar einen außerordentlich kunstvollen Bau aufweist, zugleich aber schon eine Rückbildung darstellt.
Dieser graue Hirnmantel wird von der so genannten weißen Masse (Album) unterlagert, die von Fasern gebildet wird, die in ihrem Verlauf alle Gehirnareale miteinander verbinden. Diese Faserbahnen weisen eher eine lineare Struktur auf, im Gegensatz zum vielfältigen Geflecht der grauen Masse. Hervorgerufen wird das weiße Aussehen durch die starke Myelinisierung der Fasern, d.h., die verbindenden Fasern haben eine sie umgebende kräftige, fettartige, weißliche Umhüllung.
Die Ernährung dieser Schicht ist erheblich geringer als die der Rindenschicht, der Assoziationsfelder. Der mittlere Glukoseverbrauch in den Assoziationsfeldern von 29 – 32 mmol/100 g/min bei ruhigem Wachzustand steigt    bei ruhigem Betrachten im visuellen Kortex auf 45 – 50 mmol/100 g/min    Zahlenangaben nach Heise 1987, oder im Striatum (Streifenhügel mit markhaltigen Fasern) auf 42 – 46 mmol/100 g/min.  in: Heckhausen(Hg.) 1987, S. 404
Während er in den hinteren Regionen der grauen Strukturen in der Schädelgrube nur 25 – 30 mmol/100 g/min beträgt, weist er in der weißen Substand einen bedeutend niedrigeren Wert auf, nämlich nur 15-22 mmol/100 g/min.

Den Grund für die Rückbildung gerade des Mantelteiles des Gehirns sieht Steiner darin, dass dieser Bereich den höchsten Stoffumsatz, den allerintensivsten Stoffwechsel aufweist. Es ist, als liege im Gehirnmantel schon ein Ernährungssystem vor. Der Mensch braucht sich darauf nichts Besonderes einzubilden, denn gerade in den Assoziationsfeldern der Rinde, seinem eigentlichen Reflexionsorgan, auf das er vor allem stolz ist und das er am höchsten entwickelt glaubt, liegt eine Rückbildung des komplizierteren Gehirns zu einem ernährenden Gehirn vor.
Die Rückbildung ist so zu verstehen, dass evolutiv etwas auftritt, was im Grunde der Nervennatur ferner steht: ein Organ, das stärker als die darunter liegende weiße Masse mit Stoffwechselprozessen verbunden ist. Damit wird bereits etwas von der reinen Nervennatur zugunsten des Stoffwechsels aufgegeben und eine stärkere Verbindung des Kopfes zum Unterleib hergestellt, als dies mit den darunter liegenden Schichten geschieht.
Der Gehirnmantel ist zweifellos der Teil des Gehirns, der am stärksten mit dem wachbewussten Erkennen zusammenhängt. Er muss aber besser ernährt werden als der andere Teil. Damit liegt hier eine über die tierische Entwicklung hinausgehende Entwicklung vor. An der reinen Nervenbildung gemessen, haben wir jedoch bereits eine Rückbildung.
Die im Vergleich zum Tier höhere Erkenntnisfähigkeit rührt von der besseren Ernährung des Gehirnmantels her. Erkennen und Denken werden nicht vom Gehirn hervorgebracht; dieses ist lediglich Werkzeug des Denkens im physischen Organismus.

In het bijzonder wordt er gekeken naar de samenhang van het onderlichaam met het hoofd, omdat daarmee weer meer verklaard kan worden hoe het met de zenuwen zit.
Fysiologen hebben opgemerkt dat de fijnste vormen van het zenuwsysteem, het naar grootte en structuur hoogst ontwikkelde deel van de hersenen, waarmee de mens zich van alle dieren onderscheidt, de hersenschors (Cortex cerebri), een bijzondere verwantschap vertoont met het onderlichaam. Enerzijds zien we dat de hersenschors in zijn macroscopische [met het blote oog] structuur qua vorm lijkt op de darmen; de welvingen, de holtes van de blootgelegde hersenen zien er ongeveer zo uit als de inhoud van de buikholte wanneer de buikwand open is; de darmen lijken wel, uiterlijk bekeken, als waren ze naar het hoofd verplaatst.
Anderzijds valt op dat m.n. het zichtbare schorsoppervlak – dat ziet er grijs uit en wordt wel de grijze massa genoemd – vanwege het dichte netwerk in de architectuur van de cyto [holte] weliswaar een buitengewoon kunstige bouw vertoont, tegelijk echter al een teruggang in ontwikkeling laat zien. Onder deze grijze hersenmantel ligt de zogenaamde witte hersenmassa die door uitlopers [neurieten] wordt gevormd die alle hersengebieden met elkaar verbinden. Deze uitlopers vertonen eerder een lineaire structuur, in tegenstelling tot het veelvoudige vlechtwerk van de grijze massa. Dat het wit lijkt komt door de sterke aanwezigheid van myeline rondom de uitlopers, d.w.z. dat die met een sterke, vetachtige witte stof zijn bekleed.

De voeding van deze laag is aanzienlijk minder dan die van de hersenschors, de asscociatievelden. Het gemiddelde glucosegebruik in de asscociatievelden van 29 – 32 mmol/100 g/min in een rustige wakkerheidstoestand loopt op. [4] In de visuele cortex tot 45 – 50 mmol/100 g/min  bij rustig kijken. Of in het striatum 42 – 46 mmol/100 g/min. Terwijl dit in de achterste gebieden van de grijze structuren in de schedelgroeve maar 25 – 30 mmol/100 g/min bedraagt, geeft deze in de witte substantie een aanmerkelijk lagere waarde aan, nl. maar 15-22 mmol/100 g/min.

Een mooie illustratie van de witten en grijze stof

Het achteruitgaan moet zo begrepen worden, dat er evolutionair iets plaatsvindt wat fundamenteel verder afstaat van de aard van de zenuwen: een orgaan dat sterker dan de daaronder liggende witte massa met stofwisselingsprocessen verbonden is. Daarmee wordt al iets van de pure zenuwnatuur ten gunste van de stofwisseling weggegeven en een sterkere verbinding van het hoofd met het onderlichaam gemaakt dan dat met de daaronder liggende lagen gebeurt.
Het hogere kenvermogen in vergelijking tot het dier komt door de betere voeding door de hersenmantel .
Kennen en denken worden niet door de hersenen voortgebracht; deze vormen alleen een instrument in het fysieke organisme om te denken.

In zijn boekMijn brein denkt niet, ik wel’, komt Arie Bos tot dezelfde conclusie, wat ook uit de titel van een uitgave voor jonge(re) mensen blijkt: Gebruik je hersens’

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

[4] Heckhausen

Algemene menskunde: voordracht 2: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen


.

.

.

 

.

1695-1589

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (49)

.

De Aartsengel Michael

 en de deugd van de moed

Door de opening naar de geestelijke wereld, welke Dr. Rudolf Steiner aan ons heeft gebracht, is het mogelijk om weer enige verbinding te gaan voelen met concrete, geestelijke wezens, welke in diepe zin met ons mens-zijn te maken hebben.

In vroegere tijden (sterker en duidelijker naarmate we verder teruggaan in het verleden van de Middeleeuwen tot in de culturen van de Oudheid), was deze verbinding aanwezig, zonder dat men ook maar de geringste twijfel hieromtrent koesterde. Men achtte het bestaan van ‘deugden’ als leidraden die de ‘goden’ ons in de ziel, in de levensgewoonten inlegden.

Dat is met de sterke opkomst en overheersing van het materialisme in de 19e eeuw (in de zin van de geest-ontkenning) min of meer verdwenen. Maar naarmate wij grondiger en in algemene zin de ‘geestelijke wereld’ weer au sérieux gaan nemen door de moderne geesteswetenschap genaamd antroposophia, kunnen we weer gaan denken en spreken over concrete, geestelijke entiteiten (bijvoorbeeld werkend uit de planetenregionen) welke geestelijke, psychische eigenschappen in ons oproepen, behoeden en versterken.

En dan verbaast het ons ook niet, als we menselijke psychische eigenschappen als samenhangend met ons planetenstelsel gaan herkennen.

In de grandioze cultuur van het antieke Hellas vinden we al een zekere methodische beschouwingswijze van wat we kortgezegd de menselijke deugden noemen.
In deze antieke deugdenleer ontmoeten we dadelijk al het grondmotief van een drieledigheid, kort gezegd de deugden van het hoofd, van de ‘middenmens’ en van de regio van de organen in de buik en de ledematen. Als ‘structuur’ van het deugdenstelsel.

Nu is het opvallend, dat de volken die na tijden van overstroming en verijzing het Europese continent dat zich uit een oudere geografische toestand ontwikkelt, gaan bewonen (Kelten, Germanen en Slaven), sterke overeenkomst vertonen, met name in het feit, dat de ‘middendeugd’ welke zij beschouwen en zelfs waarnemen, gelegen is in de borst, in het hart. Deze middendeugd is de moed.

Guido Reni’s impressie van aartsengel Michael (De abdij van Mont Saint-Michel)
.
Het is niet onbegrijpelijk dat zij als hun belangrijkste deugd de harte-deugd van de moed beschouwen.

Strijdend, bezield door deze hartekracht (deugd), worden het continent en de eilanden van Europa bezet door volken, die een ‘zonne-leiding’ ervaren. Er wordt verteld dat de binnentrekkende Germaanse stammen heel duidelijk een geestelijk wezen waarnemen, dat hen over de Alpen naar het zuiden dirigeert.

We zouden kunnen zeggen: een zonneaartsengel die vanuit Azië over de Oeral, maar ook vanuit noordelijke, noord-westelijke zijde naar die plekken wijst, waar deze stammen ‘Europese’ vestigingen gaan vormen.

Het is al in zeer vroege, christelijke geschriften te vinden, dat deze naar het zuiden gedirigeerde Germaanse stammen dit hoge zonnewezen ‘Michael’ de aartsengel noemen. Ik denk dat we mogen zeggen, dat het nog steeds de zonnekracht is, die in ons hart de kracht wekt van de zonnedeugd moed.

In de jaren die ik als leraar in de Vrije School werkte, werd het Michaelfeest (29 september) ook altijd gevierd met als thema de harte-kracht van de moed.

In de oude liederen van Europese volken wordt Michael als de moedige strijder bezongen.

Laten we niet vergeten dat Michael de kosmisch-goddelijke held is van de deugdkracht van de moed, welke zetelt in ons hart.

.

W.F.Veltman, Dit artikel verscheen eerder in VRIJE OPVOEDKUNST, sept 2016.
Voor plaatsing op deze blog werd toestemming verleend.
.

Michaëlalle artikelen

Michaëlsliederen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldMichaël       jaartafel

.

1694-1588

.

.

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (57)

.

HAARLEMMER OLIE?

Ooit konden we lezen dat een vrijeschoolbovenbouwdirecteur (ja, het is één woord) over ‘het vrije’ in ‘vrijeschool’ zei:

,,Het vrije staat voor dat we leerlingen willen opvoeden tot vrije mensen, die zelfstandig zijn en zelf hun verantwoordelijkheid nemen’.

Maar ook in Haarlem bestaat er een uitleg van ‘het vrije’:
‘Het woord ‘vrije’ betekende oorspronkelijk ‘staand in de werkelijkheid, nieuwsgierig, dynamisch en niet-voor-één-uitleg vatbaar’. Net als bij bijvoorbeeld bij de Vrije Universiteit, de Vrije Academie en vrije beroepen.’

100 jaar geleden, is lang geleden.

Vrijescholen en sociale driegeleding werd geen succes.

Toch zijn er gelukkig nog mensen die het wél weten:

Afdelingsleider Janoes Vermeijden van de Waldorf-afdeling van het Grotius in Delft:

En dat vrij? Dat staat voor vrij van al te veel overheidsbemoeienis.’

Steiner:

Je zou goed moeten nadenken over iets dat aangeeft dat dit scholen zijn, vrij van de staat. Zonder de staat, de oprichting van de school zonder de staat, dat dit duidelijk wordt uitgedrukt. Dit kan alleen worden uitgedrukt door een neutrale benaming. Wij hebben dit in de Waldorfschool uitgedrukt door middel van “vrij”. De benaming “Vrije Waldorfschool” was goed voor het begin. [ ] Dit principe van het zonder de staat, van het vrije, moet worden uitgedrukt.
GA 300A/185
Op deze blog vertaald

.

Opspattend grind: alle artikelen

.

1693-1587

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 306 – inhoudsopgave

.

RUDOLF STEINER

DE PRAKTIJK VAN DE PEDAGOGIE BEZIEN VANUIT GEESTESWETENSCHAPPELIJKE MENSKUNDE

Acht voordrachten, gehouden in Dornach van 15 tot 22 april 1923,
met drie vragenbeantwoordingen 18 april; 19 april; 22 april
en inleidende woorden bij een euritmie-opvoering
[1]

Inhoudsopgave 1e voordracht Dornach, 15 april 1923

ERSTER VORTRAG, Dornach, 15. April 1923 9
Was muß geschehen, damit die Pädagogik wiederum Herz bekommt?
Das intellektualistische Zeitalter ist zu einer einseitigen Betrachtung des
Menschen gelangt. Sie stützt sich auf das, was man vom Menschen hat,
wenn man vom Geistigen und einem Teil des Seelischen absieht. In dem,
was heute aus der naturwissenschaftlichen Weltanschauung herauskommt,
stecken viele Elemente einer unwirklichen Seelenverfassung.
Wir brauchen lebendige Begriffe, mit denen wir an den Menschen herankommen.
Der ganze menschliche Lebenslauf muß für die Erziehungsund
Unterrichtspraxis ins Auge gefaßt werden.

Inhoudsopgave 1e voordracht, Dornach, 15 april 1923

Wat moet er gebeuren wil de pedagogiek weer hartekracht krijgen?
Het intellectualisitsche tijdperk is tot een eenzijdige opvatting over de mens gekomen.
Ze baseert zich op wat je van de mens overhoudt, wanneer je afziet van de geest en van een gedeeltelijk zielenleven.
In wat er tegenwoordig uit de natuurwetenschappelijke wereldbeschouwing komt, zitten veel elementen van een onrealistische kijk op de ziel,
We hebben levendige begrippen nodig, waarmee we de mens kunnen benaderen.
De hele menselijke lefvensloop moet voor de praktijk van opvoeding en onderwijs in ogenschouw worden genomen.

Inhoudsopgave 2e voordracht 16 april 1923

Die Erkenntnis des Kindes und jüngeren Menschen.
Das Erfassen des 
Kindes in seiner lebendigen Lebensregung.
Die drei Betätigungen des 
ersten Lebensalters: Gehen, Sprechen, Denken.
In der Aneignung von 
Statik und Dynamik liegen die Lebensäußerungen des Schicksals: aus der Umgebung eignet sich das Kind den Geist an.
Mit der Sprache nehmen 
wir auf, was wir uns seelisch aus der Umgebung aneignen.
Im Denkenlernen 
eignen wir uns die Dinge der äußeren Natur an.

Bij de vertaling staat een uitgebreidere inhoudsopgave dan in het Duits:

Blz. 32 e.v.: kennis over het kind en de jongere mens;
Het begrijpen van het kind in hoe het zich levendig uit;
Blz. 33 e.v. De drie activiteiten in de eerste tijd van het leven: lopen, spreken, denken;
Blz. 35 e.v.: arm/hand – en beenbeweging i.v.m. maat, ritme, melodie:
de manier van lopen en de invloed op het spreken
Blz. 36: In het leren denken nemen we de dingen van de uiterlijke natuur in ons op.
Blz. 38:  spraakorganen bij mens en dier en het verschil
Blz. 39: Met de taal – wat er om ons heen gesproken wordt – nemen we met onze ziel de omgeving in ons op; talen leren maakt universeler
Blz. 40:  te weing slaap of te veel en de manier van lopen en daardoor spreken;
Blz. 41: stotteren
Blz. 42: kind geheel zintuig
Blz. 43: ontwikkeling oog in embryonale stadium
Blz. 44: over zonde en erfzonde
Blz. 45: hersenen als afdruk
Blz. 46: invloed van de omgeving via ziel op bijv. klieren
Blz. 47: In het eigen maken van het statische en het dynamische worden de levensuitingen van het lot zichtbaar: vanuit zijn omgeving ontwikkelt het kind zijn geest;
Blz. 49: materialisme begrijpt materie niet

Inhoudsopgave 3e voordracht 17 april 1923

DRITTER VORTRAG, 17. April 1923 50
Im ersten Lebensabschnitt ist das Kind als Ganzes Sinnesorgan, Nachahmung
ist ihm Naturgesetz. Religiöse Hingabe an die Umgebung. Erweiterung
des Lebenskreises durch Gehen, Sprechen, Denken. Herantreten
des künstlerischen Elementes durch die Sprache. Nicht das Logische,
sondern das Bildhafte will das Kind haben. Für das zweite Lebensalter ist
die Hingabe an die Autorität Naturgesetz. Mit dem Zahnwechsel tritt auf
die Entwicklung des Gedächtnisses aus der durchseelten Gewohnheit.
Ineinanderwirkung von Atmungs- und Blutzirkulation im rhythmischen
System während des 9. und 10. Lebensjahres; damit zugleich ein Erfassen
des Musikalischen. Geschlechtsreife. Wesen des rhythmischen Systems.

Bij de vertaling staat een uitgebreidere inhoudsopgave dan in het Duits:

Blz. 50 e.v.:  lopen, statica en dynamica
Blz. 50/51 e.v.: in de eerste fase van zijn leven is het kind helemaal zintuig, nabootsing is voor hem een natuurwet.
Blz. 52 e.v.: religieuze overgave aan de omgeving, lichamelijke religie,
liefde en religie
Blz. 53 e.v.: paard van mijnheer van Osten en het imponderabele|
Blz. 54 e.v. :leren lopen en levenslot,
Blz. 55 e.v.: vergroting van de leefomgeving door lopen, spreken, denken.
spreken en astraallijf, denken en etherlijf,
Blz. 56 e.v.: (door hele vdr.) tandenwisseling
Blz. 58 e.v.:Niet wat logisch is, wil een kind, maar wat beeldend is.
Blz. 59 e.v.: spreken, door het spreken ontstaat het kunstzinnige element.
Blz. 60 e.v.: in de tweede fase is de toewijding aan de autoriteit een natuurwet, woord belangrijk bij beeldend onderwijs
Blz. 62 e.v.:Met de tandenwisseling begint de ontwikkeling van het geheugen vanuit een bezielde gewoonte. verschil ziekte bij kind en volwassene (hoofd – stofwisseling)
Blz. 63 e.v.:Het op elkaar inwerken van ademhaling en bloedcirculaite in het ritmische systeem tijdens het 9e en 10e levensjaar; daarmee tegelijkertijd het ontstaan van het muzikale
Blz. 65: belangrijk: band leerkracht-leerling
Blz. 66: leren schrijven zonder beelden, beeldenschrift
Blz. 67: spel en ernst, volwassene en kind van elkaar vervreemd,
Blz. 68 e.v.: geslachtsrijpheid, astraallijf en spraak, jongens stemwisseling, meisjes andere organen,
Blz. 69 e.v.: ziekte bij kind en volwassene: (hoofd-stofwisseling zie 62), migraine, zenuw-zintuigsysteem en stofwisselings-bewegingssyteem, over onvermoeibare ritmische systeem,
Blz. 70: vermoeidheid bij leerlingen: te weinig ritmische en beeldende activiteit
Blz. 71: geestelijke grondhouding van de leerkracht/opvoeder

Inhoudsopgave 4e voordracht 18 april 1923

VIERTER VORTRAG, 18. April 1923 72
Die Bedeutung des Spieles im Nachahmen. Die Umwandlung des Spieles
in Arbeit. Das Schreiben aus dem malenden Zeichnen. Zur Methodik des
Lesenlernens. Über die Sprache. Vokale und Konsonanten. Die großen
Lebensabschnitte und das 9. Lebensjahr. Ich und Umwelt. Erster Naturkundeunterricht. Pflanzenkunde muß ausgehen von der Anschauung des
ganzen Erdenwesens. Betrachtung des Tierreiches als eines auseinandergefalteten Menschen.

Blz. 72: het belang van nabootsen
Blz. 73: levensuitingen van het kind verder begeleiden
Blz. 74 e.v.: programma van eisen is nog geen vernieuwingsbeweging
Blz. 75: het gaat om praktische menskunde
Blz. 76 e.v.: spel en arbeid; spel en ernst
Blz. 78: matjes vlechten, staafjes leggen i.p.v. nabootsen wat volwassene doet; taak van de kleuterschool
blz. 79: de lappenpop en de kant-en-klare pop; fantasie; lezen;
blz. 80: schrijven; letters vanuit het beeld (met voorbeelden);
Blz. 81: schrijven vóór lezen; schrijven is veel meer iets van de hele mens dan lezen
Blz. 82: door deze methode leren de kinderen later lezen; onderwijs is hygiënisch van invloed
Blz. 83 e.v.: mens: fysiek vasr; etherisch stromend; astraal lucht; Ik warmte
Blz. 84 e.v.: spelmethode (Buchstabier-) klankmethode, normaalwoordenmethode (Normalmethode)
Blz. 85 e.v.: klank
Blz. 86 e.v.: waf-waf-theorie; bim-bamtheorie
Blz. 87 e.v.: verschil kloinker-medeklinker
Blz. 88: sympathie – klinker; antipathie – medeklinker
Blz. 89 e.v.: kleine leeftijdsfase(n): rond het 9e jaar
Blz. 90: definities; 9-jarige geen onderscheid Ik en omgeving
Blz. 91 e.v.: vóór het 9e jaar: alles beeld; erna andere beschrijving van bijv. planten en dieren;  plantkunde volgens bepaalde systematiek: daarmee begrijp je niets van de plant
Blz. 92: voor het kind moet plantkunde de eenheid van aarde en plant benadrukken; aanschouwelijkheidsonderwijs: wat laat je zien
Blz.93: als ‘zijnde’ is er groot verschil tussen kristal en plant; dierenrijk is een uitgebreide mens: leeuw, olifant, giraffe
Blz. 94: dier: eenzijdigheid t.o.v. mens. Dingen die de kinderen van hun natuur uit willen horen.

Inhoudsopgave 5e voordracht 19 april 1923

FÜNFTER VORTRAG, 19. April 1923 
Orientierung des Lehrers innerhalb des Gefühlslebens des Kindes zwischen dem 7. und 14. Jahre. Das Wesen der Autorität. Das Willensartige im Kind.
Der Unterschied im Erleben des Bildhaften vor und nach dem 9. Jahr.
Das künstlerische Element im Unterricht. Die Eigentümlichkeit der
menschlichen Wesensglieder in bezug auf den Lebenslauf; ihre Zusammenhänge.
Nach dem 12. Jahr entwickelt sich der Sinn für den Kausalitätsbegriff.
Das Kind wird reif für Mineralogie, Physik und kausale Geschichtsbetrachtung.
Die Schädlichkeit des zu frühen Urteilens. Wesen der Krise ums
9. Jahr. Farbenperspektive und seelische Geschmeidigkeit. Lesen lernen.
Übergehen des Wissens in das Können.

Blz. 95. Het oriënteren van de leerkracht op het gevoelsleven van het kind tussen het 7e en het 14e jaar.
Het wezen van de autoriteit.
Het belang van een vanzelfsprekende autoriteit voor het latere leven.
Blz. 96. De autoriteit tussen het 7e en 9e jaar en de verandering daarna.
Wil en innerlijk beeld.
Het wilsmatige in het kind door bijv. kleur ondersteunen.
Blz. 97. Beelden aanleren heel belangrijk tussen 7 en 9 jr.
Het verschil daarvan vóór het 9e en daarna.
In de jaren bij het beeldende blijven. Bijv. bij plant- en dierkunde.
Blz. 98. De mens als synthese van het dierenrijk.
Het gaat om de beleving die doorwerkt tot in het latere leven.
Blz. 99. Vóór 7e jr. fysiek- en etherlijf nog één; met tandenwisseling: geboorte etherlijf.
Ziel te veel gebonden aan het lichaam
Blz. 100. Noodzakelijkheid inzicht te hebben in psychologie en fysiologie.
Psycho-analyse: dilettantisme in het kwadraat’.
Blz. 101. Rond het 9e jaar en tussen 9 en 12: beeldend onderwijs.
Blz. 102. Geboorte van de verschillend wezensdelen.
Fysieke drukt, etherische zuigt.
Blz. 103. Ether als negatieve materie.
Wet van behoud stof en kracht onwaar.
Blz. 104. Astraallijf zuigt tijd. Brengt ons terug naar het verleden.
Wat je het kind leert, gaat z’n hele leven mee.
Blz. 105. Kind niet alleen bijbrengen wat het begrijpt. Het begrijpen komt veel later (35e jr)
Blz. 106. Zeg nooit: ‘Dat begrijp je nog niet.” Zoek beelden.
Geen scherp omlijnde begrippen.
Causaliteit vanaf het 12e jaar, daarvoor schadelijk.
Blz. 107. Kind wordt rijp voor causaliteit bij mineralogie, natuurkunde en geschiedenis.
Vóór deze tijd: geschiedenisbeelden die sympathie, dan wel antipathie opwekken.
Blz.  108. Te vroeg oordelen komt in etherlijf – zonder liefde; in astraallijf met liefde, astraallijf is drager van de liefde.
Blz. 109. Causaliteit mens – dier te begrijpen. Moet sterke beleving zijn.
Overgang van 9e à 10e jaar. (Steiner gebruikt hier het woord ‘Rubicon‘ niet.)
Blz. 110. In deze overgang stelt kind een onuitgesproken vraag aan de opvoeder;
Kind onderzoekt leerkracht op ‘echtheidsgehalte’.
Blz. 112. Ga jezelf niet ‘bewijzen’.
Blz. 113. Kleur laten beleven: blauw wijkt, rood/geel komt dichterbij: ontwikkeling kleurperspectief – belangrijk voor levendige begripsvorming e.d. Samenhang. Voorbereiding tekenperspectief.
Vlot lezen en kleurperspectief.
Blz. 114. Niet overladen met kennis: kennis moet vaardigheid worden. Geheugen niet overbelasten.

Inhoudsopgave 6e voordracht 20 april 1923

SECHSTER VORTRAG, 20. April 1923 115
Das Verhältnis des einzelnen individuellen Menschen zu dem sozialen
Wesen der gesamten Menschheit. Die drei Urtugenden. Dankbarkeit, Liebe,
Pflicht und ihre Entwicklung. Das Hereintragen eines seelischen Atmens
in die Schule: Ernst und Humor. Der Lehrer braucht eine umfassende,
ihn durchseelende Lebensauffassung. Erziehen und Heilen. Erziehung als
Selbsterziehung. Selbstlosigkeit des Lehrers. Erziehung als soziale Tat. Institutionen sind das Unwesentlichste in der sozialen Entwicklung. Die zwei
Leitsätze für wahrhaft soziales Wirken.

Blz. 115. De verhouding van het individu tot het sociale.
Leerkracht vertegenwoordigt het sociale en geeft het door.
De drie deugden: dankbaarheid, liefde, plicht.
Blz. 117. Tussen geboorte ne tandenwisseling: dankbaarheid en religieus gevoel.
Dankbaarheid en liefde.
Blz. 119. Contact met de ouders.
Tussen tandenwisseling en puberteit: autoriteit en liefde.
Blz. 120. Liefde is meer dan het seksuele aspect; liefde in het algemeen voor alles;
De liefde ontwaakt.
Blz. 121. De liefde voor de natuur ontwaakt rond het 12e jaar.
Blz. 122. De ziel van de leraar moet ademen; het onderwijs moet attractief zijn; humor.
Lesvoorbereiding.
Blz. 123. De waardering van het lerarenberoep.
Omvattende blik op het leven nodig.
Blz. 124. Opvoedingsvraagstuk is sociaal vraagstuk,
Opleiding van leraar en zelfopvoeding.
Geen radicale vernieuwing, maar waarvoor nu de tijd rijp is.
Doctor kunnen worden zou eigenlijk op een andere grondslag moeten gebeuren, bewijs leverend dat je iets kan.
Blz. 125. Samenhang opvoeden en genezen.
Blz. 126. Morele kracht wortel in liefde.
Tussen geboorte en tandenwisseling: nabootsing zinvolle gebaren – voorwaarde voor dankbaarheid.
Blz. 127. Voor het kind vanaf de tandenwisseling tot aan de puberteit is ook wat in zijn omgeving wordt gedaan, niet alleen wat er gesproken wordt een taal die iets betekent.
Attitude van de leraar.
Blz. 128. Lesgeven met boek in de hand.
Blz. 129, Belang van goede voorbereiding, voorkomt o.a. brutaliteit.
Tussen puberteit en volwassenwording ontstaat de mogelijkheid om in wat de omgeving doet, het handelen te zien.
Blz. 130. Liefde voor het werk, plicht.
Blz. 131. Kinderen niet zo willen maken als je zelf bent (er kunnen genieën onder zitten!)
Opvoeding is zelfopvoeding.
Blz. 132. Twee gebeden voor de leerkracht.
Voor het sociale leven is van belang: liefdevolle toewijding bij het eigen handelen en met begrip ingaan op de handelingen van de ander.

Inhoudsopgave 7e voordracht 21 april 1923

SIEBENTER VORTRAG, 21. April 1923 135

Van deze 7e voordracht zal hier geen vertaling verschijnen, aangezien deze is uitgegeven door uitgeverij Pentagon: Motivatie en kompromissen in de vrijeschool  (zie alfabetisch in fondslijst)

Notwendigkeit eines Kompromisses gegenüber den Forderungen des modernen Lebens, besonders nach dem 12. Jahr.
Aus der naturgemäßen 
Menschheitsentwicklung entfaltet sich auf Grundlage der Dankbarkeit und Liebefähigkeit die dritte Grundtugend: die Pflichtmäßigkeit.
Vom 12. Jahre 
an, und namentlich nach der Geschlechtsreife, muß die Erziehung übergehen in das Praktische.
Für Knaben und Mädchen Unterricht im Stricken, 
Nähen, Weben, Spinnen, Buchbinderei; Handhabung einfacher Verrichtungen der mechanisch-chemischen Technologie im Kleinen.
Ein Durchseelen 
und Durchgeistigen des Leibes wird dadurch erreicht.
Zeitliche 
Schwierigkeiten wegen der Forderungen des Abiturientenexamens.
Das 
Tragische des Materialismus.

De noodzaak van een compromis wat betreft de eisen van het moderne leven, in het bijzonder na het 12e jaar.
Door de van nature gegeven mensheidsontwikkeling ontplooit zich op basis van dankbaarheid en liefde de derde basisdeugd: de plicht.
Vanaf het 12r jaar, vooral na de puberteit, moet de opvoeding overgaan op het praktische.
Voor jongens en meisjes les in breien, naaien, weven, spinnen, boekbinden; verrichten van kleine activiteiten op het gebied van mechanisch-chemische techtniek in het klein.
Daarmee wordt een bezieling en doorgeestelijken van het lichaam bereikt.
Problemen van nu bij de eisen van het eindexamen.
De tragiek van het materialisme.

Inhoudsopgave 8e voordracht 22 april 1923

ACHTER VORTRAG, 22. April 1923 154
Eine im Sinne der vorgebrachten Ideen versuchte Schulführung.
Körperliches, 
Seelisches und Geistiges muß in gleichmäßiger Weise berücksichtigt werden.
Das Unterrichten und Erziehen als Hygiene und Therapie.

Das Ineinandergehen und -wirken des Nerven-Sinnes-Systems, des rhythmischen Systems und des Ernährungs-Bewegungs-Systems.
Kinderkrankheiten 
des ersten Lebensalters.
Das zweite Lebensalter ist das gesündeste, 
weil alles vom rhythmischen System ausstrahlt und dieses nicht ermüdet.
Einzelheiten in Beispielen.
Die Lehrerkonferenzen als Lebensblut der 
Schule.
Der Schularzt.
Der religiöse und christliche Grundimpuls der 
Schule. Anwendung der Evangelien.
Behandlung der Temperamente.

Lebendiges Begreifen.
Aus dem Geist der Schule soll alles Einzelne fließen.

Epochenunterricht, Sprachunterricht, Turnen, Eurythmie.
Das 
Hinordnen des ganzen menschlichen Organismus auf das Musikalische.
Waldorfschul-Pädagogik als Menschheitspädagogik.

Blz. 154: tot de tandenwisseling: zenuw-zintuigsysteem Zenuw-zintuigsysteem: hoofd.
Blz. 155. Ritmische systeem: borst; stofwisselingssyteem: bewegingsorganen.
Kinderziekten ontstaan vanuit hoofd; mzaelen door nabootsen van drift in de omgeving.
Blz. 156 innerlijke onwaarachtigheid werkt negatief op kind; werking op gal.
Blz.  157 tussen tandenwisseling en puberteit: gezondste leeftijd door ritmisch systeem.
Kinderziekten hier van buitenaf.
Na de puberteit vanuit bewegings- en stofwiselingsorganen.
Melancholie en suiker; lever.
Blz. 158. Sanguinisch temperament: geen suiker, stimuleert de lever.
Blz. 159. Lerarencollege ziel en geest v.d. school.
Blz. 160. Meisjes- en jongensklas, meer meisjes anders dan meer jongens.
Droom, dromen.
Blz. 161. Schoolarts noodzakelijk voor patholgisch-therapeutische aanpak.
Blz. 163. Karakteristiek bij de 4 evangeliën.
De 4 temperamenten; in groepen bij elkaar: zelfopvoeding.
Blz. 164. Ieder orgaan heeft een tegenorgaan in de hersenen.
Tegenstelling jeugd-ouderdom.
Blz. 167. De ene opvatting (een cursus) ondersteunt de andere.
Als leerkracht: alles nog te leren.
Blz. 168. Zelfvertrouwen en vertrouwen op God; bescheidenheid; einthousiasme.
Periodeonderwijs.
Blz. 169. Andere talen vanaf klas 1. Het kunstzinnige.
Blz. 170. Muziek; de werking in de ritmen op zenuw- ademsysteem.
Blz. 171. Inzichten geven enthousiasme.

FRAGENBEANTWORTUNG 18 APRIL 1923

Vragenbeantwoording 18 april 1923, bij de 4e voordracht

Blz. 175.e.v.: Kind: lichamelijk-religieuze instelling onder 7 jr.
Hoe moet je godsdienstonderwijs vormgeven.
Religieuze is aangeboren.
Blz. 176. e.v.: Verschil in religieuze beleving onder de 7: lichamelijk en boven de 14: denken; daartussen: gevoel.
2e fase: beelden werken op het gevoel: sympathie en antipathie.
Blz. 177: beelden als voorbereiding voor een eigen religieus oordeel na de puberteit.
Blz. 178: in elk vak iets religieus; in elk vak zit christendom;
Vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school; antroposofie levert de menskunde, geen antroposofie.
Blz. 179: Ontstaan godsdienstonderwijs op de vrijeschool.
Alle vragen bekijken vanuit pedagogische gezichtspunten.

FRAGENBEANTWORTUNG 19 APRIL 1923

Vragenbeantwoording 19 april 1923, bij de 5e voordracht

Blz. 181: muzikaal oordeel ontstaat; teruglopen van muzikaal geheugen.
Blz. 182: ontstaan van bewuster luisteren naar stem en instrument.
Kinderen waarnemen bij hun plastische activiteiten.
Blz. 183: muzikaal oordeel belangrijk, muziek niet té diep in het gevoel.
Blz. 184: vragen wat je al weet: hypocriet?
Imponderabele.
Blz. 185: antwoorden van kind zijn interessant.
Blz. 186: lesgeven met boek in de hand: voor het kind is dit onwaarachtig.

FRAGENBEANTWORTUNG 22 APRIL 1923

Vragenbeantwoording 22 april 1923, bij de 8e voordracht

Blz. 186: Kunnen er ook in andere landen vrijescholen bestaan? Ja! De vrijeschool is pure pedagogie.
De inhoudsopgave van blz. 186-191 is hier te vinden.
Blz. 191 e.v.: aat over de herbouw van het Goetheanum en het opzrichten van een vereniging voor vrijjescholen in Zwitserland
Blz. 191/192: grote onvrijheid in Rusland
Blz. 192  e.v.: kritiek op de antroposofie, onwaarheden, de laksheid waarmee ze verdedigd worden;
.

Verwijzingen
Deze worden bij de vertaling per bladzijde weergegeven.
.

[1] GA 306: Die pädagogische Praxis vom Gesichtspunkte geisteswissenschaftlicher Menschenerkenntnis

Steineralle pedagogische voordrachten
.

Steineralle artikelen op deze blog

.

1692-1586

.

.

.