VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 306 – voordracht 2

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com
.

GA 306: vertaling
Inhoudsopgave   voordracht [1]   [3]   [4]   [5]  [6]  [7]+ [8]
met drie vragenbeantwoordingen 18 april; 19 april; 22 april
en inleidende woorden bij een euritmie-opvoering
+vertaald bij Pentagon

RUDOLF STEINER

DE PRAKTIJK VAN DE PEDAGOGIE BEZIEN VANUIT GEESTESWETENSCHAPPELIJKE MENSKUNDE

Acht voordrachten, gehouden in Dornach van 15 tot 22 april 1923, met drie vragenbeantwoordingen en inleidende woorden bij een euritmie-opvoering

2e voordracht, 16 april 1923 [2]

Inhoudsopgave
(Aan deze inhoudsopgave heb ik meer trefwoorden toegevoegd dan in de Duitse boekuitgave staan) Kernthema van de voordracht: lopen, spreken, denken

Blz. 32 e.v.: kennis over het kind en de jongere mens;
Het begrijpen van het kind in hoe het zich levendig uit;
Blz. 33 e.v. De drie activiteiten in de eerste tijd van het leven: lopen, spreken, denken;
Blz. 35 e.v.: arm/hand – en beenbeweging i.v.m. maat, ritme, melodie:
de manier van lopen en de invloed op het spreken
Blz. 36: In het leren denken nemen we de dingen van de uiterlijke natuur in ons op.
Blz. 38:  spraakorganen bij mens en dier en het verschil
Blz. 39: Met de taal – wat er om ons heen gesproken wordt – nemen we met onze ziel de omgeving in ons op; talen leren maakt universeler
Blz. 40:  te weinig slaap of te veel en de manier van lopen en daardoor spreken;
Blz. 41: stotteren
Blz. 42: kind geheel zintuig
Blz. 43: ontwikkeling oog in embryonale stadium
Blz. 44: over zonde en erfzonde
Blz. 45: hersenen als afdruk
Blz. 46: invloed van de omgeving via ziel op bijv. klieren
Blz. 47: In het eigen maken van het statische en het dynamische worden de levensuitingen van het lot zichtbaar: vanuit zijn omgeving ontwikkelt het kind zijn geest;
Blz. 49: materialisme begrijpt materie niet

blz. 31

Wir wollen zunächst versuchen, einzudringen in das Wesen des her­anwachsenden Menschen mit Rücksicht auf die späteren Lebensalter, um dann daraus die pädagogisch-didaktischen Konsequenzen zu zie­hen.
Jene Menschenerkenntnis, auf die ich gestern hingedeutet habe, und die durch anthroposophische Forschung möglich ist, sie unter­scheidet sich doch ganz wesentlich von dem, was man aus heutigen wissenschaftlichen und sonstigen Bildungsvoraussetzungen über den Menschen wissen kann. Man möchte sagen: diese Menschenerkennt­nis, die aus dem heutigen Zivilisationsleben hervorgeht, stützt sich ja zumeist auf dasjenige, was am Menschen ist, wenn man von dem Geistigen und von einem Teil des Seelischen absieht. Sie stützt sich auf das Anatomische und auf das Physiologische, das gewonnen wer­den kann über den Menschen, wenn man ihii als Leiche hat. Sie stützt sich ferner auf das, was man über den Menschen wissen kann, wenn man zu Rate zieht die pathologischen Veränderungen, die am Men­schen durch Krankheit oder sonst vorgehen können, und was man daraus erschließen kann für das Wesen des gesunden Menschen.

Wij willen nu eerst proberen het wezen van de opgroeiende mens te doorgronden met het oog op de latere leeftijd om dan vandaaruit pedagogisch-didactische consequenties te trekken. De menskunde waarnaar ik gisteren verwees en die door antroposofisch onderzoek mogelijk is, is wezenlijk heel verschillend van wat men uit de huidige wetenschap weten kan of van wat als premissen door de academische wereld aangenomen wordt. Je zou kunnen zeggen: de menskunde die vanuit de moderne cultuur ontstaat, baseert zich meestal op wat je aan de mens ziet, wanneer je afziet van het geestelijke en van een deel van de ziel. Ze baseert zich op anatomie en op fysiologie die ontwikkeld kunnen worden over de mens wanneer men die als lijk voor zich heeft. Verder baseert ze zich op wat men over de mens kan weten, wanneer men pathologische veranderingen die een mens door ziekte of iets anders kan ondergaan te baat neemt en wat voor gevolgtrekkingen men daaruit kan maken voor het wezen van een gezond mens.

Man hat dann in seiner ganzen Seelenverfassung drinnen dasjenige, was man auf diese Weise gewinnen kann, und zieht dann seine Schlüsse auch für den im vollen Leben, in voller Lebensbewegung begriffenen Menschen.
Anthroposophische Forschung geht von vorneherein darauf aus, den Menschen in seiner Ganzheit zu erfassen, nach seinem leiblichen, seelischen und geistigen Wesen. Sie geht darauf aus, den Menschen sozusagen nicht durch eine innerlich abstrakte und tote Betrachtungs­weise zu erfassen, sondern durch eine lebendige Betrachtungsweise, die dem Menschen auch folgen kann, die durch lebendige Begriffe den Menschen in seiner von Geist und Seele und Leib gebildeten Wesen­heit auch in voller Lebendigkeit erfassen kann. Und dadurch kommt

Men heeft dan in zijn totale gevoel wat er op deze manier geleerd kan worden en men trekt dan zijn conclusies, ook voor de mens die in het volle leven staat.
Antroposofisch onderzoek gaat er bij voorbaat vanuit de mens in zijn totaliteit te zien, wat hij als lichamelijk wezen is, met een ziel en een geest. Ze begint er zo te zeggen, niet mee de mens te begrijpen door een innerlijk abstracte en dode manier van waarnemen die de mens ook kan volgen, maar door levende begrippen de mens in zijn wezen dat gevormd wordt door lichaam, ziel en geest juist in zijn volle levendigheid te begrijpen. En daardoor kom

blz. 32

man in die Lage, auch jene Metamorphosen des Menschlichen wirk­lich richtig anzusehen, die im Laufe des Lebens auftreten. Der Mensch ist ja sozusagen ein ganz anderer, je nachdem er die kindliche Ent­wickelung von der Geburt bis zum Zahnwechsel durchmacht, oder die Entwickelung von dem Zahnwechsel bis zur Geschlechtsreife -das ist diejenige, vor der wir gerade stehen, wenn wir das Kind in der Volksschule haben – und dann diejenige Entwickelung, welche auf die Geschlechtsreife folgt. Der Mensch ist in diesen drei Entwickelungen eigentlich ein ganz anderes Wesen. Aber die Unterschiede liegen so tief, daß man durch eine äußerliche Betrachtungsweise auf diese Un­terschiede eben nicht kommt. Und vor allen Dingen kommt man nicht darauf, jene innige Durchdringung von Leib, Seele und Geist, wie sie in den drei genannten Lebensaltern ganz verschieden ist, wirklich richtig zu beurteilen. Der Lehrende, der Erziehende darf ja nicht zuerst etwas theore­tisch lernen und sich dann sagen: Was ich theoretisch gelernt habe, das wende ich jetzt auf das Kind in dieser oder jener Weise an. Da­durch entfernt er sich von dem Kinde, er nähert sich nicht dem Kinde. Der Lehrer muß das, was er über den Menschen weiß, in eine Art hö­heren Instinkt hineinbekommen, so daß er in einer gewissen Weise instinktiv jeder Regung des einzelnen individuellen Kindeslebens ge­genübersteht. 

je in de gelegenheid ook iedere metamorfose van de mens werkelijk goed te zien die zich in de loop van het leven voltrekt. De mens is zo te zeggen een heel ander mens, al naar gelang hij de kinderlijke ontwikkeling van geboorte tot tandenwisseling doormaakt of de ontwikkeling van tandenwisseling tot de puberteit – dat is het kind dat we met name in de basisschool hebben – en dan de ontwikkeling die op de geslachtsrijpheid volgt. De mens is tijdens deze drie ontwikkelingen eigenlijk een heel ander wezen. Maar de verschillen zitten zo diep, dat je door een uiterlijke manier van kijken echt niet op deze verschillen komt. En met name kom je er niet toe dat intiemere doordríngen in lichaam, ziel en geest zoals dat in die drie levensfasen heel verschillend is, werkelijk juist te beoordelen. De leerkracht, de opvoeder mag niet eerst iets theoretisch leren en dan tegen zichzelf zeggen: ‘Wat ik theoretisch geleerd heb, pas ik nu zus of zo toe op het kind. Dan neemt hij afstand tot het kind, hij komt het kind niet nader. De leerkracht zou wat hij over de mens weet, als een soort hoger instinct moeten krijgen, zodat hij op een bepaalde manier instinctief tegenover iedere uiting van het individuele kinderleven staat.

Dadurch unterscheidet sich eben anthroposophische Menschenerkenntnis von jener, die heute üblich ist. Diejenige Men­schenerkenntnis, die heute üblich ist, führt h&hstens zur Erziehungs­routine, nicht aber zur wirklichen Erziehergesinnung und zur wirk­lichen Erzieherpraxis. Denn einer wirklichen Erzieherpraxis muß eine solche Menschenerkenntnis zugrunde liegen, die dem Kinde ge­genüber in jedem Augenblick instinktiv wird, so daß man aus der ganzen Fülle dessen, was einem am Kinde entgegentritt, dem einzel­nen Falle gegenüber weiß, was man zu tun hat. Wenn ich einen Ver­gleich gebrauchen darf, möchte ich so sagen: Nicht wahr, wir haben allerlei Theorien über das Essen und Trinken, aber wir richten uns im Leben im allgemeinen nicht nach dem, was theoretisch ersonnen werden kann darüber, wann man essen soll, wann man trinken soll. Man trinkt, wenn man durstig ist – das ergibt sich aus der ganzen

Daardoor is dus de antroposofische menskunde anders dan de huidige. De menskunde van nu leidt hoogstens tot opvoedingsroutine, maar niet tot een echte opvoedingsstemming en tot daadwerkelijke opvoedingspraktijk. Want aan een echte opvoedingspraktijk moet zo’n menskunde ten grondslag liggen die wat het kind betreft, ieder ogenblik instinctief wordt, zodat uit alles wat vanuit het kind naar je toe komt, je in ieder individueel geval weet, wat je moet doen. Wanneer ik een vergelijking mag maken, zou ik willen zeggen: het is toch zo dat we allerlei theorieën hebben over eten en drinken, maar over het algemeen houden we ons in het leven niet aan wat er theoretisch bedacht kan worden, wanneer je moet eten, wanneer je moet drinken. Je drinkt als je dorst hebt – dat komt vanuit de hele

blz. 33

Konstitution des Organismus heraus -, man ißt, wenn man hungrig ist. Daß das in einen gewissen Lebensrhythmus eingeschaltet ist, hat natürlich seine guten Gründe, aber der Mensch ißt und trinkt, wenn er hungrig und durstig ist; das ergibt das Leben selber. Nun muß eine Menschenerkenntnis, welche einer wirklichen Erziehungspraxis zugrunde liegt, im Menschen, wenn er einem Kinde gegenübersteht, so etwas erzeugen, wie etwa erzeugt wird das Verhältnis vom Hun­ger zum Essen. Es muß so natürlich sein, wie daß ich durch den Hun­ger ein gewisses Verhältnis zu den Speisen bekomme. So muß es ganz natürlich werden durch eine wirkliche, nicht nur in Fleisch und Blut, sondern auch in Seele und Geist eindringende Menschenerkenntnis, daß ich, wenn das Kind auftritt vor mir, etwas bekomme wie Hunger: Das hast du jetzt zu tun, jenes hast du jetzt zu tun! Nur wenn in die­ser Weise Menschenerkenntnis eine solche innere Fülle hat, daß sie instinktiv werden kann, dann kann sie zur Erzieherpraxis führen; nicht wenn man nach Versuchen eine Theorie darüber ausbildet, wie sich etwa die Leistungen in Gedächtnis, Aufmerksamkeit usw. ver­halten. Dadurch wird erst gedanklich intellektualistisch vermittelt zwischen den Theorien und der Praxis. Das kann aber durchaus. nicht stattfinden; dadurch veräußerlicht man alle Methodik, alle Erzie­hungspraxis.

constitutie van je organisme – je eet als je honger hebt. Dat dat ingebed is in een zeker levensritme, daar zijn goede redenen voor, maar de mens eet en drinkt wanneer hij honger of dorst heeft; dat brengt het leven zelf mee. Nu moet een menskunde die aan een echte opvoedingspraktijk ten grondslag ligt, in de mens, ten aanzien van een kind iets laten ontstaan, zoals de verhouding honger en eten ontstaat. Het moet zo natuurlijk zijn, als de manier waarop ik door honger een bepaalde verhouding tot eten krijg. Zo moet het heel natuurlijk worden door een echte menskunde die niet alleen doordringt tot vlees en bloed, maar ook een die doordringt tot de ziel en de geest, zodat ik, wanneer ik het kind voor me heb, sterk het verlangen voel: dit en dat moet je nu doen! Alleen wanneer op deze manier menskunde innerlijk zo rijkelijk aanwezig is dat die instinctief kan worden, kan ze opvoedingspraktijk worden; niet als je na experimenten een theorie vormt over zoiets als hoe het staat met de geheugenprestaties, aandacht enz. Daardoor leg je pas echt met je gedachten intellectualistisch een link tussen theorie en praktijk. Dat kan helemaal niet, daardoor maak je dat alle methodiek, elke opvoedingspraktijk van buitenaf komt.

Dasjenige also, was wir zunächst als Menschenerkennt­nis gewinnen wollen, das soll sein ein Erfassen des Kindes in seiner lebendigen Lebensregung.
Sehen wir da zunächst auf das in die Welt hineinwachsende Kind. Beobachten wir es zunächst ganz primitiv. Wir finden, daß das Kind dreierlei bald nach seinem Lebenseintritt sich aneignen muß, was für das ganze spätere Leben entscheidend ist. Das sind die Betätigungen, die das Kind sich aneignet für dasjenige, was wir so populär nennen: Gehen, Sprechen, Denken.
Sehen Sie, der deutsche Dichter Jean Paul – so nannte er sich sel­ber – sagte einmal: Der Mensch lernt in seinen drei ersten Lebens­jahren mehr für das Leben als in seinen drei akademischen Jahren. -Das gilt durchaus. Das ist so. Denn selbst wenn die akademische Lehrzeit noch so verlängert wird, so ist das Fazit für das Leben von dem, was man während der drei akademischen Jahre lernt, ein geringere

Wat we allereerst als menskunde willen ontwikkelen, is het wezenlijke begrijpen van een kind in zijn levensuitingen. Allereerst kijken we naar het kind dat opgroeit. Laten we het heel elementair waarnemen. Dan zien we dat het kind al gauw nadat het op de wereld is gekomen zich drie dingen eigen moet maken die voor de rest van zijn hele latere leven beslissend zijn. Het zijn de vermogens: lopen, spreken, denken.
De Duitse dichter Jean Paul *- zo noemde hij zich – zei eens: de mens leert in zijn eerste drie jaar meer in zijn leven dan in drie jaar op de universiteit. Dat is zo. Want ook al verleng je het aantal studiejaren op de universiteit nog zo, dan nog is de opbrengst voor het leven minder

*Jean Paul, (Friedrich Richter), 1763-1825. Zie zijn opvoedingsleer ‘Levana’ 1807

blz. 34

als dasjenige, was für das Leben erworben wird, während das Kind in der Betätigung ist, in der lernenden Betätigung für Gehen, Sprechen und Denken. Denn was heißt denn das nur: das Kind lernt Gehen, Sprechen und Denken? Sehen Sie, Gehen ist zunächst etwas, was wir im Leben so populär zusammenfassen. Es liegt aber darin unendlich viel mehr, als daß das Kind bloß vom Fortkriechen sich auf­richtet zu derjenigen Art von Gehen, die es sich später aneignet für das ganze Leben. In diesem Gehenlernen liegt das Einstellen des Menschen, das Orientieren des Menschen in der Weise, daß sich das ganze Gleichgewicht des eigenen Organismus und aller seiner Bewe-gungsmöglichkeiten einordnet in das Gleichgewicht und in die Be­wegungsmöglichkeiten des Weltenalls, soweit wir drinnenstehen. Wir suchen, während wir gehen lernen, die dem Menschen entspre­chende Gleichgewichtslage zum Weltenall. Wir suchen, während wir gehen lernen, jene eigentümlichen, nur beim Menschen auftretenden Verhältnisse zwischen der Betätigung der Arme und Hände und der Betätigung der anderen Gliedmaßen. Jenes Zugeteiltwerden der Ar­me und Hände zu dem seelischen Leben, während die Beine zurück­bleiben und dem körperlichen Bewegen weiter dienen, das ist etwas ungeheuer Bedeutungsvolles für das ganze spätere Leben.

dan wat voor het leven verworven wordt wanneer het kind bezig is, lerend bezig met lopen, spreken en denken. Want wat wil dat nu zeggen: het kind leert lopen, spreken en denken?
Lopen is vooral iets wat we in het leven populair als zodanig samenvatten.  Maar het betekent aanzienlijk veel meer dan dat het kind alleen maar vanuit het kruipen gaat staan om dan op die bepaalde manier te gaan lopen die het zich later eigen maakt voor zijn hele leven. In dit leren lopen ligt het positioneren van de mens, het oriënteren zodanig dat het hele evenwicht van het eigen organisme en al zijn mogelijkheden tot beweging invoegt in het evenwicht en in de  bewegingsmogelijkheden van het universum voor zover we daar deel aan hebben. We zoeken als we leren lopen de evenwichtspositie tot het universum die bij de mens hoort. We zoeken als we leren lopen de karakteristieke, alleen bij de mens voorkomende verhouding tussen de activiteit van de armen en de handen en de activiteit van de andere ledematen. Dat bij het zielenleven gaan horen van de armen en de handen, terwijl de benen achterblijven en voortaan ten dienste staan van het lichamelijk voortbewegen, dat is voor het verdere hele leven buitengewoon belangrijk.

Denn die Differenzierung in die Tätigkeiten der Beine und Füße und in die Tä­tigkeiten der Arme und Hände ist das Aufsuchen des seelischen Gleichgewichts für das Leben.. – Zunächst suchen wir das physische Gleichgewicht im Aufrichten – aber im Freiwerden der Betätigung der Arme und Hände suchen wir das seelische Gleichgewicht. Und noch unendlich viel mehr – was Sie ja nun selber sich ausführen kön­nen – liegt in diesem Gehenlernen, wobei wir, wenn wir diesen Na­men Gehenlernen gebrauchen, nur auf das Allerwichtigste sehen, und nicht einmal darauf im Grunde, sondern auf das, was für die Sinne äußerlich am Kinde hervortritt. Nun betrachten Sie dieses, was ich nun auch populär zusammenfasse in dem Namen Gehenlernen, man müßte eigentlich sagen: Die Statik und Dynamik des inneren Men­schen in bezug auf das Weltenall lernen: das ist Gehenlernen. Und sogar: Die physische und die seelische Statik und Dynamnik des Men­schen in bezug auf das Weltenall lernen, das ist Gehenlernen. Aber

Want de differentiëring in de activiteiten van de benen en de voeten en die van de armen en de handen, is het zoeken naar het gevoelsmatige evenwicht voor het leven. – Eerst zijn we op zoek naar het fysieke evenwicht als we gaan staan – maar met het vrij worden van de armen en de handen zoeken we het evenwicht van het gevoel. En nog oneindig veel meer – wat je alleen maar zelf kan doen – ligt in dit leren lopen besloten, waarbij wij, wanneer we het over leren lopen hebben, alleen naar het allerbelangrijkste kijken en in wezen nog niet eens fundamenteel, maar naar wat zich voor de zintuigen uiterlijk aan het kind te zien is. Denk eens na over wat ik nu ook populair samenvat met de woorden leren lopen; je moet eigenlijk zeggen: de statica en de dynamica van de innerlijke mens m.b.t. het universum: dat is leren lopen. En zelfs: de statica en de dynamica van het lichaam en de ziel m.b.t. het wereldal: dat is leren lopen. Maar

blz. 35

sehen Sie, indem sich auf diese Weise die Arme und Hände für das Menschliche von den Beinen und Füßen emanzipieren, tritt etwas an­deres auf: damit ist eine Grundlage geschaffen für die ganze mensch­liche Entwickelung. Diese Grundlage tritt äußerlich dadurch hervor, daß mit dem Gehenlernen der Mensch mit seinem inneren Rhythmus und Takt und auch mit dem ganzen Innern seines Wesens sich einfügt in die äußerlich sichtbare Welt.
Und so gliedert sich ein in die Entwickelung der menschlichen We­senheit ein sehr Merkwürdiges. Dasjenige, was mit den Beinen aus­geführt wird, das wirkt Dasjenige, was mit den Beinen aus­geführt wird, das wirkt in einer gewissen Weise so, daß es in das ganze physisch-seelische Leben des Menschen den stärkeren Zusam­menhang mit dem Taktmäßigen, mit den Einschnitten des Lebens hervorbringt. Wir lernen in dem eigentümlichen Zusammenstimmen zwischen der Bewegung des rechten und linken Beines uns ins Ver­hältnis setzen, möchte man sagen, mit dem, was unter uns ist. Dann lösen wir dasjenige, was in den Armen sich emanzipiert, eben von der Bewegungsbetätigung durch die Beine los: damit kommt in das Taktmäßige und Rhythmische des Lebens ein musikalisch-melodiöses Element hinein. Die Themen des Lebens, möchte man sagen, der In­halt des Lebens, er tritt auf in der Armbewegung.

wanneer op deze manier de armen en de handen zich om mens te kunnen zijn, emanciperen van benen en voeten, gebeurt er nog wat anders: daarmee is een basis gelegd voor de hele menselijke ontwikkeling. Die basis wordt uiterlijk zichtbaar doordat de mens wanneer hij leert lopen met zijn innerlijk ritme en maat en ook met zijn hele innerlijk zich voegt naar de uiterlijk zichtbare wereld.
En op deze manier komt er bij de ontwikkeling van het mensenwezen nog iets opvallends. Wat met de benen gedaan wordt, werkt op een bepaalde manier zodanig dat het totale fysiek-psychische leven van de mens een sterkere samenhang vertoont met alles wat maat is, met de belangrijke episoden in het leven. We leren met het karakteristieke op elkaar afgestemd zijn tussen de beweging van het rechter en het linker been  een verhouding te krijgen met wat er beneden ons is. Dan maken we los van de bewegingsactiviteit van de benen wat met de armen op zich komt te staan: dan komt er bij alles wat maat is en ritme in het leven, een muzikaal-melodieus element bij. De thema’s van het leven, de inhoud van het leven, komt vanuit de armbewegingen.

Und das wiederum bildet die Grundlage für dasjenige, was sich ausbildet im Sprechen-lernen; was äußerlich schon dadurch charakterisiert ist, daß der bei den meisten Menschen stärkeren Betätigung des rechten Armes die Ausbildung des linken Sprachorgans eben entspricht. Aus demjeni­gen, was Sie da sehen können beim lebendig bewegten Menschen an Verhältnissen eintreten zwischen der Beinbetätigung und der Arm­betätigung, aus dem bildet sich heraus das Verhältnis, das der Mensch zur Außenwelt gewinnt dadurch, daß er das Sprechen lernt. Wenn Sie hineinsehen in diesen ganzen Zusammenhang, wenn Sie hineinsehen, wie in dem Satzbildungsprozeß von unten herauf die Beine in das Sprechen wirken, wie in den Lautbildungsprozeß, also in das innere Erfühlen der Satzstruktur die Wortinhalte hineinsteigen, so haben Sie darin einen Abdruck dessen, wie das Taktmäßig-Rhyth­mische der Beinbewegungen wirkt auf das mehr Thematisch-Inner­liche der Arm- und Handbewegungen. Wenn daher ein Kind vorzugsweise

En dat vormt op zijn beurt de basis voor wat er gevormd wordt bij het leren spreken, wat uiterlijk gekarakteriseerd kan worden door het feit dat bij de meeste mensen de rechterarm sterker is en dienovereenkomstig de vorming van het linker spraakorgaan. Wanneer je die hele samenhang bekijkt, wanneer je kijkt naar hoe het proces van zinnen formuleren van onderop vanuit de benen doorwerkt in het spreken, hoe het proces van klankvorming, dus hoe in het innerlijke invoelen van de zinsstructuur daar de inhoud van de woorden bij komt, dan vind je daarin een afdruk van hoe alles wat maat en ritme van de beenbewegingen is, invloed heeft op het thematisch innerlijke van de arm- en handbewegingen. Wanneer dus een kind voornamelijk

blz. 36

stramm ist im regelmäßigen Gehen, wenn es nicht schlampig wird im regelmäßigen Gehen, sondern stramm sich hineinzulegen vermag ins regelmäßige Gehen, so haben Sie darin eine körperliche Unterlage, die ja natürlich, wie wir später sehen werden, schon aus dem Geiste herauskommt, aber als körperliche Unterlage in Erschei­nung tritt: die Unterlage für ein richtiges Abteilen auch im Sprechen. So daß das Kind mit der Bewegung der Beine lernt, richtige Sätze zu bilden. Sie werden sehen: wenn ein Kind schlampig geht, so führt es auch nicht richtige Intervalle zwischen Satz und Satz herbei, sondern alles verschwimmt in den Sätzen. Und wenn ein Kind nicht ordent­lich lernt harmonische Bewegungen mit den Armen zu machen, dann ist seine Sprache krächzend und nicht wohllautend. Ebenso wenn Sie ein Kind gar nicht dazu bringen, das Leben zu fühlen in seinen Fin­gern, dann wird es keinen Sinn bekommen für die Modulation in der Sprache.
Das alles bezieht sich auf die Zeit, während das Kind gehen und sprechen lernt. Aber Sie sehen noch etwas ganz anderes daraus. Sie sehen, wie sich im Leben manches durcheinandermischt, wie manches später auftritt, als es eigentlich dem inneren Zusammenhang nach auftreten sollte.

bij het gewone lopen dat nogal energiek doet, wanneer er bij dat regelmatige lopen niet iets willoos komt, maar er een stevige regelmatig gang is, dan heb je daar een lichamelijke basis, die natuurlijk, zoals we nog zullen zien, vanuit de geest stamt maar als lichamelijke ondergrond zich vertoont: de basis voor afgemeten te kunnen zijn, ook bij het spreken. Dus het kind leert met de beweging van de benen, goede zinnen te vormen. U zal zien: wanneer een kind willoos loopt, dan maakt het ook geen juiste scheiding tussen de ene en de andere zin, dan gaan ze in elkaar over. En wanneer een kind niet op een goede manier leert harmonische bewegingen met zijn armen te maken, dan is zijn spreken krassend, hees en niet welluidend. En wanneer je een kind niet zo ver krijgt, leven in zijn vingers te voelen, dan krijgt het geen gevoel voor de modulatie in het spreken.
Dit alles heeft betrekking op de tijd waarin het kind leert lopen en leert praten. Maar daar kun je nog iets anders uit opmaken. Namelijk hoe in het leven veel door elkaar loopt, hoe er later pas veel naar buitenkomt, van wat eigenlijk gezien de innerlijke samenhang, er al uit had moeten komen.

Sie sehen aber aus diesem inneren Zusammenhang, daß das richtige Verhältnis beim Menschen dadurch herauskommt, daß man zuerst auf das Gehenlernen sieht, und daß man womöglich versucht zu vermeiden, daß das Kind das Sprechen vor dem Gehen lernt. Es muß sich auf der Basis des Gehenlernens, des Armbewegenlernens in einer geordneten Weise das Sprechenlernen entwickeln, sonst wird die Sprache des Kindes nicht eine im ganzen Menschen fundierte Betätigung, sondern eine Betätigung, die bloß eben heraus­lallt.
Bei denjenigen Menschen, die zum Beispiel statt zu sprechen meckern, was ja sehr häufig vorkommt, ist eben nicht acht gegeben worden auf solche Verhältnisse, wie ich sie eben jetzt charakterisiert habe.
Das dritte nun, was das Kind dann auf Grundlage von Gehen und Sprechen zu lernen hat, das ist das immer mehr und mehr bewußte Denken. Das muß aber eigentlich zuletzt kommen. Das Kind kann nämlich nicht seiner Wesenheit nach das Denken an etwas anderem

Maar aan deze innerlijke samenhang zie je dat de juiste verhouding er bij de mens uitkomt doordat je eerst het leren lopen ziet en dat je zoveel mogelijk probeert te vermijden dat het kind leert spreken vóór het leert lopen. Het moet op basis van het leren lopen, het leren zijn armen te bewegen op een geordende manier, het praten ontwikkelen, anders wordt het spreken van het kind niet iets wat de hele mens als basis heeft, maar een activiteit die als onduidelijk praten naar buitenkomt. Bij mensen die bijv. i.p.v. echt te spreken dat met een beetje hoge, metaalachtige stem doen, wat vrij veel voorkomt, is er niet gelet op die verhoudingen die ik net beschreven heb.
Het derde wat een kind met als basis lopen en spreken moet leren, is  het steeds meer bewuste denken. Dat moet eigenlijk het laatst komen. Het kind kan nl. naar zijn aard het denken niet aan iets anders

blz. 37

lernen als an dem Sprechen. Das Sprechen ist zunächst ein Nachah­men des gehörten Lautes: indem der gehörte Laut von dem Kinde aufgenommen wird und das Kind zugrunde liegend hat jenes eigen­tümliche Verhältnis zwischen den Bewegungen der Arme und den Bewegungen der Beine, findet es Verständnis für diese Laute und ahmt sie nach, ohne zunächst mit den Lauten noch Gedanken zu ver­binden. Zunächst verbindet das Kind mit den Lauten nur Gefühle; das Denken, das dann auftritt, muß sich erst aus der Sprache heraus entwickeln. Die richtige Folge, auf die wir also sehen müssen bei dem heranwachsenden Kinde, ist: Gehenlernen, Sprechenlernen, Denken-lernen.
Nun muß man aber weiter eindringen in diese drei wichtigen Ent­wickelungsvorgänge beim Kinde. Das Denken, das am spätesten ge­lernt wird oder wenigstens werden soll, das Denken wirkt sich beim Menschen so aus, daß er eigentlich im Denken immer nur etwas hat wie Spiegelbilder der äußeren Naturwesen und äußeren Naturvor­gänge. Sie wissen ja schon, daß dasjenige, was der Mensch dann in seinem Leben zum Beispiel als moralische Impulse aufnimmt, nicht aus dem Denken kommt; das kommt aus jenem Kräftesystem, sagen wir des inneren Menschen, das wir als Gewissen bezeichnen. Wir werden später vom Gewissen noch zu sprechen haben. 

leren dan aan het spreken. Het spreken is in de eerste plaats een nabootsen van de gehoorde klanken; als de beluisterde klank door het kind opgenomen wordt en het kind beschikt over de bijzondere verhouding tussen de bewegingen van de armen en van de benen die eraan ten grondslag ligt, krijgt het begrip voor deze klanken en bootst ze na, zonder aanvankelijk met de klanken nog gedachten te verbinden. In het begin verbindt het kind met de klanken alleen gevoelens; het denken dat dan begint, moet zich uit het spreken zelf ontwikkelen. De juiste volgorde waarop we dus moeten letten bij het opgroeiende kind is, leren lopen, leren spreken, leren denken.
Nu moet je echter verder doordringen tot deze drie belangrijke ontwikkelingsprocessen bij het kind. Het denken dat het laatst wordt geleerd of tenminste geleerd moet worden, gaat bij de mens zo dat hij in het denken eigenlijk alleen maar zoiets heeft als spiegelbeelden van de uiterlijke natuur en van uiterlijke natuurprocessen. U weet al dat wat de mens dan in zijn leven bijv. als morele impulsen opneemt, niet vanuit het denken komt; dat komt uit die krachten van de innerlijke mens die we geweten noemen. We moeten het later nog over het geweten hebben.

Es kommt je­denfalls aus seelischen Tiefen herauf und erfüllt erst das Denken aus seelischen Tiefen heraus; während das Denken, das wir uns als Kind aneignen, ganz deutlich zeigt, wie es eigentlich nur abgestimmt ist auf das Erfassen der äußeren Naturwesen und äußeren Naturvor­gänge, wie es bloß Bilder liefern will von Naturwesen und Naturvor­gängen. Dagegen in dasjenige, was mit dem Sprechenlernen auftritt, fließt noch etwas ganz anderes hinein. Mit dem Sprechenlernen ist im Grunde genommen die heutige Wissenschaft ja noch auf einem recht gespannten Fuße. Die heutige Wissenschaft hat ganz Großartiges zum Beispiel in bezug auf die Tierentwickelung gelernt, und dann vergleicht sie die Tierentwickelung mit dem Menschen und bekommt allerlei heraus, das sehr anerkennenswert ist; aber mit Bezug auf das, was im Menschen als Sprechenlernen auftritt, weiß die heutige Wissenschaft

Het komt in ieder geval vanuit de diepte van de ziel en vult van hieruit het denken; omdat het denken dat wij als kind ons eigen maken, duidelijk laat zien hoe het in feite alleen maar afgestemd is op het begrijpen van de uiterlijke natuur en de natuurprocessen, hoe het alleen maar beelden wil produceren van de natuur en die processen. Bij wat er daarentegen met het spreken plaatsvindt, komt nog iets heel anders. Met het leren spreken staat de huidige wetenschap op de keeper beschouwd, nog op gespannen voet. De huidige wetenschap heeft bijv. iets heel geweldigs m.b.t. de ontwikkeling van het dier gebracht en dan wordt de ontwikkeling van het dier vergeleken met die van de mens en men vindt van alles wat zeer de moeite waard is; maar van wat bij de mens het leren spreken is, weet de tegenwoordige wetenschap

blz. 38

auch mit Bezug auf die Tiere noch nicht richtig Bescheid. Denn es muß ja dabei eine bestimmte Frage vor allen Dingen beant­wortet werden. Der Mensch benutzt seinen Kehlkopf und die ande­ren Sprachorgane zum Sprechen. Die höheren Tiere haben auch diese Organe, wenn auch in einer primitiveren Weise. Wenn wir absehen von denjenigen Tieren, die nun zu gewissen Lauten kommen, die aber sehr primitiv sind, die sich nur bei einigen Tieren zu einer Art von Gesang dann entwickeln, wenn wir davon absehen, so kommen wir ja doch zu der Frage: Wozu sind eigentlich – ich frage nicht in einer schlecht teleologischen Weise, sondern in kausaler Weise-, wozu sind eigentlich der Kehlkopf und seine Nachbarorgane bei den Tieren aus­gebildet, da dieser ja deutlich zeigt, daß erst der Mensch diese Organe zum Sprechen verwendet? Beim Tiere sind sie ja noch nicht zum Sprechen verwendet, sie sind aber da – und sie sind sogar sehr deut­lich da. Wenn man vergleichende Anatomie treibt, so sieht man, wie auch schon in dem verhältnismäßig – in bezug auf den Menschen ver­hältnismäßig – stummen Tiere Organe nach dieser Richtung hin sich finden. Das ist durchaus schon so, daß es in einer gewissen Weise vorbestimmt das Menschliche enthält, und doch kommt das Tier nicht zum Sprechen. Was bedeuten also beim Tier der Kehlkopf und seine Nachbarorgane? 

ook met betrekking tot de dieren nog niet echt de weg. Want hierbij moet allereerst een bepaalde vraag worden beantwoord. De mens gebruikt zijn strottenhoofd en andere spraakorganen om te spreken. De hogere dieren hebben deze organen ook, zij dan in een eenvoudiger vorm. Wanneer we afzien van die dieren die tot bepaalde klanken komen die weliswaar zeer primitief zijn, die zich maar bij een paar dieren tot een soort gezang ontwikkelen, wanneer we daarvan afzien, komen we toch bij de vraag: waarvoor zijn eigenlijk – ik vraag dat niet alleen maar op een teleologische manier, maar op een causale manier – , waarvoor zijn eigenlijk strottenhoofd en de organen die erbij liggen bij de dieren gevormd, omdat toch blijkt dat deze organen pas bij de mens gebruikt worden om te praten? Bij het dier worden ze nog niet voor het spreken gebruikt, maar ze zijn er wel en ze zijn heel duidelijk aanwezig. Wanneer je vergelijkende anatomie uitvoert, zie je, hoe ook in de naar verhouding – in vergelijking met de mens – stomme dieren, er organen zijn die in deze richting gaan. Het is werkelijk zo dat dit op een bepaalde manier voorbestemd het menselijke bevat en toch komt het dier niet tot speken. Welke betekenis hebben bij het dier strottenhoofd en verwante organen?

Da wird eben eine ausgebildetere Physiologie einmal darauf kommen, daß die ganze tierische Form abhängt von der Bildung des Kehlkopfes und seiner Nachbarorgane. Wenn also ein Tier ein Löwe wird, so ist die Ursache davon in seinen oberen Brustorganen zu suchen; von da strahlen die Kräfte aus, die es zur Löwenform machen. Wenn ein Tier eine Kuh wird, so ist die Ursache zu dieser Kuhform gerade in dem enthalten, was beim Menschen Sprachorgan wird. Von diesen Organen strahlt die tierische Form aus. Es muß einmal studiert werden, damit man verstehen wird, wie die Morphologie eigentlich in Wirklichkeit zu gestalten ist, wie man die tierische Gestalt erfassen muß, wie gerade diese oberen Brustor­gane, auch indem sie in die Organe des Mundes übergehen, gestaltet sind. Denn von da aus strahlt.die ganze Form des Tieres. Der Mensch gestaltet diese Organe auf der Grundlage seines auf­recht gehenden und mit den Armen agierenden Wesens zu Sprachorganen

Een wat beter ontwikkelde fysiologie zal er wel een keer achter komen dat de hele dierenvorm afhangt van de vorming van het strottenhoofd en de erbij horende organen. Wanneer een dier een leeuw wordt, moet je de oorzaak daarvan zoeken in zijn boven gelegen borstorganen; vandaar uit stralen krachten die er de leeuwvorm van maken. Wanneer een dier een koe wordt, ligt de oorzaak van deze koeienvorm met name in dat wat bij de mens het spraakorgaan wordt. Vanuit deze organen straalt de dierlijke vorm uit.
Er zou bestudeerd moeten worden, zodat men zal begrijpen hoe de morfologie eigenlijk in werkelijkheid vorm moet krijgen, hoe men de dierenvorm op moet vatten, hoe juist de bovengelegen borstorganen, ook wanneer ze overgaan in het orgaan van de mond, gevormd zijn. Want van hieruit straalt de totale vorm van het dier. De mens vormt deze organen op basis van zijn wezen dat rechtop loopt en met de armen kan handelen, tot spraakorganen.

blz. 39

aus. Er nimmt, wenn wir bei der Gegenwart bleiben, dasje­nige auf, was an Laut und Sprache aus seiner Umgebung wirkt. Was nimmt der Mensch damit auf? Denken Sie, daß in diesen Organen die Tendenz liegt, den ganzen Organismus der Form nach zu bilden. Indem der Mensch also eine Sprache hört, die zum Beispiel leiden­schaftliich und zornig, jähzornig dahinpoltert, so nimmt er etwas auf, was das Tier nicht einläßt. Das Tier läßt sich nur formen vom Kehl­kopf und seinen Nachbarorganen; der Mensch aber nimmt das Zor­nige, Leidenschaftliche seiner Umgebung in sich hinein, es fließt ein in die Formen, bis in die äußersten Gewebestrukturen hinein. Wenn der Mensch nur Sanftes hört in seiner Umgebung, so fließt es bis in die Struktur seiner feinsten Gewebe, es fließt in seine Formen hinein. Gerade in die feinere Organisation fließt es hinein. Die gröbere macht der Mensch auch so ab wie das Tier, aber in die feinere fließt alles ein, was der Mensch mit der Sprache aufnimmt. Dadurch sind ja auch die feineren Organisationen der Völker gegeben: sie fließen aus der Sprache heraus. Der Mensch ist ein Abdruck der Sprache. Sie werden daher begreifen, was es bedeutet, daß in der Entwickelung die Men­schen allmählich dazu gekommen sind, verschiedene Sprachen zu ler­nen: dadurch wird der Mensch universeller. Diese Dinge haben ja eine ungeheure Bedeutung für die Entwickelung des Menschen.

Hij neemt, wanneer we bij het heden blijven, op, wat aan klank en spraak uit zijn omgeving werkzaam is. Wat neemt de mens daarmee op? Bedenk dat in deze organen de tendens ligt het hele organisme wat de vorm betreft vorm te geven. Wanneer de mens dus een spreken hoort dat bijv. nogal fel en boos, woedend tekeer gaat, dan neemt hij iets in zich op, wat het dier niet doet. Het dier laat zich alleen maar vormen vanuit het strottenhoofd en de organen die erbij horen; de mens echter neemt de boosheid, de felheid uit zijn omgeving in zich op, dat stroomt naar binnen in de vormen, tot in de uiterste weefselstructuur aan toe. Wanneer de mens alleen maar iets zachtmoedigs in zijn omgeving hoort, dan stroomt dat ook tot in de structuur van het fijnste weefsel, het stroomt in zijn vormen. Met name in de fijne organisatie komt het terecht. Het grovere behandelt de mens net zo als het dier, maar in het fijnere stroomt alles wat de mens met de spraak opneemt. Daardoor hebben ook de volkeren hun fijnere organisatie: die komt vanuit de spraak. De mens is een afdruk van de spraak {Sprache = zowel taal als spraak/spreken] Daarom zal u begrijpen wat het betekent, dat in de ontwikkeling de mens er langzamerhand toe gekomen is, verschillende talen te leren: daardoor wordt de mens universeler. Die dingen zijn van een ongelooflijke betekenis voor de ontwikkeling van de mens.

Nun, so sehen wir, wie während seiner ersten Kindheitszeit der Mensch ganz und gar innerlich bis in seine Blutzirkulation hinein ge­richtet, orientiert wird nach demjenigen, was in seiner Umgebung vorgeht – und daraus fließt dann das, was er als die Gedankenrich­tungen aufnimmt. Sehen Sie, was da beim Menschen geschieht durch das Sprechenlernen, möchte ich Ihnen ganzbesonders ans Herz legen zu beachten. Ich möchte es Ihnen daher in zwei Sätze prägen, die ge­wissermaßen diesen Unterschied von Mensch und Tier angeben. -Wenn das Tier zum Ausdruck bringen könnte das, was sein Formen betrifft, sein Gestalten betrifft mit Bezug auf die oberen Brustorgane, dann müßte es sagen: Ich bilde mich in Gemäßheit der oberen Brust-und Mundorgane zu meiner Gestalt und lasse in mein Wesen nichts ein, was die Gestalt modifiziert. – So müßte das Tier sagen, wenn es ausdrücken wollte, wie dieses Verhältnis ist. Der Mensch dagegen

Nu zien we hoe tijdens zijn eerste kindertijd de mens heel innerlijk tot in zijn bloedsomloop toe, zijn richting krijgt door wat er in zijn omgeving gebeurt – en daaruit komt dan tevoorschijn wat hij als gedachterichtingen opneemt. Kijk, wat er gebeurt bij de mens door het leren spreken, ik zou u na aan het hart willen leggen daar goed op te letten. Ik wil het daarom voor u in twee zinnen kernachtig samenvatten die dan dit verschil tussen mens en dier aangeven.
Wanneer het dier tot uitdrukking zou kunnen brengen, wat zijn vormen betreft, zijn gestalte betreft m.b.t. de hogere borstorganen, dan zou het moeten zeggen: ik vorm mij in overeenstemming met de hogere borst- en mondorganen tot mijn gestalte en laat in mijn wezen niets toe wat de gestalte verandert. – Dat zou het dier moeten zeggen wanneer het tot uitdrukking zou willen brengen hoe deze verhouding is.
De mens daarentegen

blz. 40

würde sagen: Ich passe meine oberen Brust- und Mund-organe den Weltvorgängen an, welche in der Sprache ablaufen, und richte darnach die Struktur meiner innersten Organisation. – Also nicht der äußeren Organisation, die entwickelt sich tierähnlich; aber der Mensch paßt gerade die innerste physische Organisation an das­jenige an, was in seiner Umgebung in der Sprache verläuft. Das ist von ungeheurer Bedeutung für das ganze Verständnis des Menschenwesens. Denn aus der Sprache heraus entwickelt sich wieder die Denkrichtung, und der Mensch wird dadurch eben ein Wesen, das in diesen ersten Jahren des kindlichen Lebens hingegeben ist an die Außenwelt, während das Tier in sich krampfhaft abgeschlossen ist. Nun sehen Sie, dadurch wird ja für den Menschen ungeheuer wich­tig die Art und Weise, wie er zuerst Statik und Dynamik, dann die Sprache, dann das Denken während der ersten Kindesjahre findet. Es wird ja ungeheuer wichtig. Das muß sich in der richtigen Weise aus­bilden. Sie wissen ja alle, daß das in verschiedenster Weise sich bei den Menschen ausbildet. Und wir müssen fragen: Wovon hängt denn das ab, daß diese Dinge in der richtigen Weise sich ausbilden? Ja, es hängt von mancherlei ab. Aber für dieses erste kindliche Alter ist das allerwichtigste, von dem es abhängt, daß das richtige Verhältnis be­steht zwischen Schlafens- und Wachenszeit;

zou zeggen: ik pas mijn hoger gelegen borst- en mondorganen aan aan de wereldontwikkelingen die in het spreken uitmonden en daarnaar richt ik de structuur van mijn meest innerlijke fysieke organisatie. Dus niet de uiterlijke organisatie, die ontwikkelt zich op een meer dierlijke manier; maar de mens past juist de meest innerlijke organisatie aan aan wat in zijn omgeving met het spreken gebeurt. Dat is van een heel bijzondere betekenis voor het hele begrip van het mensenwezen. Want vanuit het spreken ontwikkelt zich weer de denkrichting en de mens wordt daardoor dus een wezen dat zich in deze eerste jaren van het kinderleven overgeeft aan de buitenwereld, terwijl het dier zich daarvoor innerlijk gedwongen afsluit.
Voor de mens wordt daardoor zeer belangrijk de manier waarop hij tot het statische en dynamische komt, daarna tot de spraak, dan tot het denken gedurende die eerste kinderjaren. Dat wordt buitengewoon belangrijk. Dat moet zich op een juiste manier ontwikkelen. U weet allemaal dat zich dat op de meest verschillende manieren bij de mens ontwikkelt. En we moeten de vraag stellen: waar hangt het dan vanaf dat deze dingen zich op de juiste manier ontwikkelen? Ja, dat hangt van heel veel af. Maar voor deze eerste kindertijd is het  allerbelangrijkste, waarvan het afhangt of er een juiste relatie bestaat tussen het slapen en het wakker zijn;

daß wir also allmählich eine instinktive Erkenntnis gewinnen darüber, wie lange ein Kind schlafen und wie lange es wachen muß. Denn nehmen wir an: ein Kind schläft für seine Verhältnisse zuviel. Wenn ein Kind für seine Verhältnisse zuviel schläft, dann entwickelt sich – ich will Beispiele anführen -, es entwickelt sich in seiner Betätigung der Beine eine Art inneres Ansichhalten. Das Kind wird innerlich unwillig zu gehen, wenn es zuviel schläft. Es wird gewissermaßen träge in bezug auf das Gehen, und es wird dadurch auch träge in bezug auf das Sprechen. Das Kind entwickelt nicht die ordentliche Aufeinanderfolge, der Zeit nach, im Sprechen. Es spricht langsamer, als es nach seiner Organisa­tion eigentlich sprechen sollte. Wenn wir dann im späteren Leben einem Menschen begegnen, bei dem das durch die Schule nicht aus­geglichen worden ist, so werden wir manchmal verzweifeln, weil er uns immer zwischen zwei Worten die Gelegenheit gibt – nun, einen

dat we dus langzamerhand een instinctieve kennis opdoen over hoe lang een kind moet slapen en hoe lang het wakker moet zijn. Laten we eens aannemen dat een kind naar omstandigheden te veel slaapt. Als dat het geval is – ik zal voorbeelden geven –, komt bij de activiteit van de benen een soort innerlijke terughouding tot ontwikkeling. Het kind stribbelt innerlijk tegen om te lopen, wanneer het te veel slaapt. Het wordt in zekere mate traag wat het lopen betreft en het wordt daardoor ook traag in zijn spreken. Het kind ontwikkelt in het spreken niet het adequate verloop in de tijd. Het spreekt langzamer dan het eigenlijk zou moeten doen, gelet op zijn organisatie. Wanneer we dan op latere leeftijd een mens ontmoeten bij wie dat op school niet recht gezet is, zullen we nog weleens tot vertwijfeling gebracht worden, omdat hij ons tussen twee woorden de kans geeft – zeg maar, een

blz. 41

kleinen Spaziergang zu machen. Solche Menschen gibt es ja, die von einem Wort zum andern nur sehr schwer hinüberfinden. Wenn wir einen solchen treffen, dann können wir zurückschauen in seine Kind­heit, und wir werden finden: den haben seine Erzieher oder seine El­tern zuviel schlafen lassen in der Zeit, in der sich gerade das Gehen ausgebildet hat. – Aber nehmen wir an, das Kind schläft zuwenig; es wird also nicht in der richtigen Weise dafür gesorgt, daß das Kind seinen, für das Kind notwendigen, verhältnismäßig langen Schlaf hat. Dann bildet sich das im Innern so eigentümlich aus, daß das Kind seine Beine nicht ganz in seiner Gewalt hat. Statt zu gehen, schlen­kert es. Statt die Worte wirklich mit der Seele in ihrer Aufeinander­folge zu beherrschen, entfallen sie ihm; die Sätze werden so, daß die Worte auseinanderfallen. Es ist das etwas anderes wie das Nichtfinden des Wortes; da hat man zuviel Kraft, man kann nicht an das nächste Wort heran. Bei dem, was ich jetzt meine, hat man zuwenig Kraft; das nächste Wort wird gewissermaßen nicht mit dem fortlau­fenden Strom der Seele erfaßt, sondern man wartet und will in das nächste Wort einschnappen. Und wenn das zum besonderen Extrem führt, dann drückt sich das in einer stotternden Sprache aus. 

ommetje te laten maken. Er zijn van die mensen die moeilijk van het ene tot het andere woord komen. Wanneer we zo iemand ontmoeten, kunnen we naar zijn kindertijd kijken en dan vinden we: zijn opvoeders of zijn ouders hebben hem te veel laten slapen in de tijd waarin nu juist het lopen tot ontwikkeling is gekomen. – Maar laten we ervan uitgaan dat het kind te weinig slaapt; wanneer er niet op een goede manier gezorgd wordt dat het kind zijn, de voor het kind noodzakelijke lange slaap, krijgt. Dan ontwikkelt zich dat innerlijk zo merkwaardig dat het kind zijn benen niet helemaal in bedwang heeft. In plaats van te lopen, schommelt het. In plaats van de woorden daadwerkelijk met zijn gevoel te beheersen in hoe ze na elkaar komen, verliest hij er de greep op; de zinnen worden zo dat de woorden uit elkaar vallen. Dat is iets anders dan niet op de woorden kunnen komen; dan is er een teveel aan kracht, men komt niet bij het volgende woord. Bij wat ik nu bedoel heeft men te weinig kracht; het volgende woord wordt a.h.w. niet met de verder lopende stroom van het gevoel gepakt, maar men wacht en wil bij het volgende woord aanhaken. En wanneer dat extreem wordt, uit zich dat in een stotterend spreken.

Wenn man bei Menschen Anlagen zum Stottern findet, namentlich so in den Zwanziger, Dreißiger Jahren, dann kann man sicher sein: diese Kinder sind, während sie sprechen gelernt haben, nicht in der richti­gen Weise angehalten worden, genügend zu schlafen.
Daraus sehen Sie, wie durch Menschenerkenntnis die Grundlagen gegeben werden für das, was man zu tun hat. Nun sehen Sie hinein in diesen ganzen Menschenorganismus, wie er sich in den drei ersten Jahren der Welt anpaßt, wie er gewisser­maßen einfließen läßt die Statik und Dynamik seiner eigenen Bewe­gungsfähigkeit in dasjenige, was er durch die Gestaltung der Luft hervorbringt im Sprechen – und damit hängt noch vieles andere zu­sammen, was dann sich als eine Folge davon ergibt für das Denken. Sehen Sie sich das alles an und betrachten Sie nun in bezug auf das alles das Kind im Verhältnis zum erwachsenen Menschen, dann sehen Sie, daß in dem Kinde ein viel stärkeres Zusammenwirken stattfindet zwischen dieser inneren Dynamik, zwischen Gehen, Zappeln, Armebewegen,

Wanneer je bij een mens een aanleg tot stotteren opmerkt, met name wanneer hij in de twintig of dertig is, dan kan je er zeker van zijn: deze kinderen zijn, toen ze leerden spreken, er niet op een goede manier toe gebracht dat ze genoeg slaap kregen.
Hieraan kan u zien hoe door menskunde de basis gelegd wordt voor wat je moet doen. Nu ziet u in heel dit menselijk organisme hoe dit zich in de eerste drie jaren aan de wereld aanpast, hoe het in zekere zin in zich binnen laat komen het statische en het dynamische van zijn eigen bewegingsvermogen in wat het door het vormen van de lucht doet in het spreken – en daarmee hangt nog veel meer samen, wat dan als een gevolg daarvan blijkt voor het denken. Kijkt u daar eens naar en ook wat dit alles betreft naar het kind in zijn relatie tot de volwassen mens, dan ziet u dat in het kind een veel sterker samenwerken plaatsvindt tussen deze innerlijke dynamiek, tussen lopen, druk bewegen, armbewegingen,

blz. 42

Vorstellungen bilden. Das alles fließt beim Kinde viel mehr in eins zusammen als beim erwachsenen Menschen. Das Kind ist in dieser Beziehung noch im wesentlichen eine Einheit. Und das Kind ist auch in anderer Beziehung im wesentlichen mehr eine Ein­heit als der spätere erwachsene Mensch. Wenn wir zum Beispiel als erwachsener Mensch Zuckerl lutschen, was wir ja eigentlich nicht sollten, dann bedeutet das eigentlich nur eine Annehmlichkeit für die Zunge, für den Gaumen; weiter nach dem Körper hinein hört es auf. Das Kind ist in einer anderen Lage; da setzt sich der Geschmack viel weiter fort. Die Kinder sagen uns das nur nicht, und wir geben nicht acht darauf, aber da wirkt der Geschmack weiter fort. Viele von Ihnen werden gewiß schon einmal Kinder beobachtet haben, die besonders ihrem ganzen Organismus nach durchseelt, durchgeistigt sind – wie bei ihnen dieses Durchseeltsein und Durchgeistigtsein zum Ausdruck kommt. Es ist viel interessanter, bei einem lebhaften Kind, wenn es ein bißchen weiter weg ist von einem Tisch, auf dem etwas Süßes steht, die Arme und Beine anzusehen als etwa den Mund. Was der Mund sagt, ist ja schon mehr oder weniger selbstverständlich, aber wie das Kind die Begierde zum Beispiel in den Zehen entwickelt, in den Armen, wenn es so hinrudert zum Zucker, da können Sie deut­lich sehen: da geht nicht nur eine Veränderung auf der Zunge vor sich, sondern im ganzen Menschen.

het vormen van voorstellingen. Dat alles vloeit bij een kind veel meer als één samen dan bij de volwassen mens. Het kind is in dit opzicht echt nog een eenheid. En het kind is ook in ander opzicht echt nog meer een eenheid dan de latere volwassen mens. Wanneer we als volwassen mensen bijv. van de suiker snoepen, wat we eigenlijk niet zouden moeten doen, dan betekent dit eigenlijk alleen maar een pleziertje voor de tong, het gehemelte, verder het lichaam in houdt het op. Het kind bevindt zich nog in een andere toestand; de smaaksensatie gaat verder. De kinderen zeggen ons dat alleen niet en wij letten er ook niet op, maar de smaaksensatie gaat verder. Velen van u zullen zeker wel eens kinderen waargenomen hebben, die in het bijzonder wat hun organisme betreft, bezield zijn, esprit hebben – hoe dat bij hen tot uitdrukking komt. Het is veel interessanter, bij een levendig kind, wanneer het een beetje verder weg is van een tafel waarop wat zoets staat, naar de armen en benen te kijken dan naar de mond. Wat de mond zegt, is min of meer vanzelfsprekend, maar hoe bijv. het kind de begeerte in zijn tenen ontwikkelt, in zijn armen, wanneer het naar de suiker op weg gaat met roeiende bewegingen, dan kan u duidelijk zien: daar is niet alleen een verandering op de tong gaande, maar in de hele mens.

Da fließt das Schmecken in den ganzen Menschen hinein. Gehen Sie in alle diese Dinge wirklich un­befangen hinein, dann kommen Sie dazu, zu erkennen, daß das Kind
–    allerdings in den vorgerückten Jahren immer weniger, im ersten Erdenleben am meisten, aber im wesentlichen von der Geburt bis zum Zahnwechsel – in einem gewissen Sinne ganz Sinnesorgan ist, Sinnesorgarlisation ist. Was sich später in unsere Sinne geflüchtet hat an unserer Körperoberfläche, das lebt im Kinde im ganzen Organis­mus. Natürlich müssen Sie diese Dinge nicht grob nehmen, aber im wesentlichen sind sie schon vorhanden. Und sie sind so vorhanden, daß sie auch die äußere Physiologie einmal bei dem zunächst anschau­lichsten Sinnesorgan, bei dem Auge, wird nachweisen können.
Sehen Sie, es kommen zu mir öfters Leute, die fragen: Was kann man aus der jetzigen Wissenschaft heraus, sagen wir zu einer Dissertation

Het proeven stroomt door de hele mens. Wanneer je op al deze dingen echt heel onbevangen ingaat, dan kom je tot de kennis dat het kind – zeer zeker in de jaren die voorbij zijn steeds minder, in het begin van het leven het allermeest, maar voornamelijk van de geboorte tot de tandenwisseling – in zeker opzicht helemaal zintuigorgaan is, zintuigorganisatie. Wat zich later teruggetrokken heeft in onze zintuigen aan onze lichamelijke buitenkant, leeft in het kind in heel zijn organisme. Natuurlijk moet je deze dingen niet te grof opvatten, maar in wezen zijn ze wel aanwezig. En wel zo dat ook de uiterlijke fysiologie ze op een keer wel bij het meest direct aanschouwelijke zintuigorgaan, bij het oog, zal kunnen duiden.
Kijk, er komen wel vaker mensen naar me toe die vragen: wat kan vanuit de huidige wetenschap gezegd worden, bij een dissertatie bijv.,

blz. 43

– Dissertationen gehören ja auch zum Schulelend -, was kann man zu diesem Zweck besonders verarbeiten? Und denjenigen, die etwa Physiologen sind, rate ich heute etwas, was sozusagen in der Physiologie geradezu in der Luft liegt: sie sollen einmal beob­achten die Entwickelung des menschlichen Auges, wie es am Embryo auftritt und weitergeht, und dann sollen sie beobachten in dem ent­sprechenden Stadium den ganzen Embryo, wie er sich aus dem Keim heraus entwickelt. Sie werden einen merkwürdigen Parallelismus ge­rade zwischen  dem Auge und dem ganzen menschlichen Keim, wie er embryonal vorschreitet, finden. Nur wird man herausbekommen: das Auge setzt gewissermaßen später ein, überspringt die ersten Stadien, und der ganze Embryo kommt nicht bis zu dem Ende, zu welchem das Auge hinkommt, sondern hört früher auf. So daß sich da für die Embryonalphysiologie etwas ungeheuer Bedeutungsvolles ergeben wird. Man wird dazu kommen, wenn man die embryonale Entwicke­lung, so wie sie dann weiter vor sich geht, verfolgt, dieses Anfängli­che als ideale Stadien zu betrachten, die ganz nur im Ansatz vorhan­den sind im Keim und im Auge beim Embryo. Das Auge geht nur weiter, wird zum vollkommenen Sinn; der Embryo bleibt zurück und geht später zur Körperbildung über.

– dissertaties horen nu eenmaal ook bij de schoolellende -, wat kun je met het oog hierop in het bijzonder verwerken? En aan degenen die fysioloog zijn, geef ik tegenwoordig de raad van wat voor de fysiologie zo’n beetje in de lucht zit: u moet de ontwikkeling van het menselijk oog eens in ogenschouw nemen, hoe dat is bij het embryo en zich ontwikkelt en dan zal u waarnemen in het daarbij horende stadium van het hele embryo hoe dit zich vanuit een kiem ontwikkelt. U zal een opvallende parallel vinden tussen het oog en de hele menselijke kiem, zoals die embryonaal verder gaat. Maar men zal vinden: het oog begint in zekere zin later, slaat de eerste stadia over en het hele embryo komt niet tot een eind, waartoe het oog komt, maar houdt eerder op. Zodat daar voor de embryonaalfysiologie zich iets heel belangrijks voordoet. Men zal erop komen wanneer men de embryonale ontwikkeling zoals die dan verder verloopt, volgt, deze beginstadia als ideale stadia te zien, die in z’n geheel alleen maar als aanzet aanwezig zijn in de kiem en in het oog bij het embryo. Het oog alleen gaat verder, wordt een volkomen zintuig; het embryo blijft achter en gaat later over tot het vormen van het lichaam.

Aber beim Kinde liegt das noch vor, daß es in seiner ganzen see­lisch-geistigen Entwickelung dieses Ausgegossensein des Sinnenhaf­ten über den ganzen Körper hat. Das Kind ist in einem gewissen Sinne ganz Sinnesorgan, steht als solches der Welt gegenüber. Auf das muß fortwährend Rücksicht genommen werden bei der Erziehung und bei demjenigen, was überhaupt in der Umgebung des Kindes gemacht wird vor dem Zahnwechsel. Das mehr pädagogisch-didaktische Ele­ment werden wir ja noch zu besprechen haben. Erst wenn man da in der richtigen Weise hineinschaut, wird man sich gewisse Fragen, die sich an das Menschenwesen anknüpfen, recht beantworten können. Denn sehen Sie, es liegt eine Frage vor, die für den, der nun nicht nur äußerlich nach der bekannten Geschichte die Entwickelung der Menschheit betrachtet, außerordentlich bedeutungsvoll ist. Sie wis­sen ja, in früheren historischen Epochen der Menschheitsentwicke­lung hat man viel mehr von Sünde und von Erbsünde geredet, als

Maar bij een kind is het nog zo dat bij de hele ontwikkeling van zijn ziel en geest alles wat zintuigactiviteit is, over zijn hele lichaam uitgebreid is. Het kind is in zekere zin helemaal zintuigorgaan, als zodanig heeft het de wereld tegenover zich. Hiermee moet voortdurend rekening worden gehouden bij de opvoeding en bij hetgeen er zoal in de omgeving van het kind voor de tandenwisseling gedaan wordt. Het meer pedagogisch-didactische element zullen we nog moeten bespreken. Pas wanneer je hier op de juiste wijze waarneemt, zul je bepaalde vragen die over het wezen mens ontstaan, goed kunnen beantwoorden. Want ziet u, ik heb hier een vraag die voor iemand die niet alleen maar uiterlijk volgens het bekende verhaal de ontwikkeling van de mensheid beschouwt, buitengewoon belangrijk is.
U weet dat men in vroegere historische fasen van de mensheidsontwikkeling veel meer over zonde en erfzonde gesproken heeft, dan

blz. 44

man das heute tut. Nun möchte ich Ihnen jetzt keine historische Ab­handlung geben, aber ich möchte auf das hinweisen, was – nun nicht im populären Bewußtsein, da haben sich ja die Dinge manchmal et­was vergröbert-, aber was bei denjenigen, die diese Dinge so gelernt haben wie wir heute, wenn wir eben irgend etwas mehr wissenschaft­lich anschauen lernen, uns das für unsere heutigen Verhältnisse an­eignen. Für diese war Erbsünde im Menschen alles das, was aus den vererbten Eigenschaften kam. Was der Mensch also von seinen Vor­fahren hatte, das war die Erbsünde. Das ist der wirkliche Begriff der Erbsünde. Man hat diesen Begriff später sehr verändert nach denVor­stellungen, die man später gewonnen hat. Aber das direkt physisch Vererbte gibt in dem Menschen Anlagen, die zugrunde liegen dem, daß er sündhaft ist – so sagte man früher. Was sagt man heute? Heute sagt man: Man muß die vererbten Anlagen am meisten beob­achten, und man muß den Menschen so entwickeln, daß diese Anlagen vorzugsweise in Betracht kommen. Ja, wenn eine ältere Wissenschaft dafür ein Urteil abgeben sollte, so würde sie sagen: Na, ihr habt was Schönes gelernt durch den Menschheitsfortschritt; ihr habt gelernt den Grundsatz zu verfolgen, gerade das Sündhafte im Menschen her­anzubilden. – So müßten wir eigentlich im Sinne einer älteren Wis­senschaft sagen. 

tegenwoordig. Nu wil ik u geen historisch betoog voorschotelen, maar ik zou  graag wijzen op wat – maar niet populair gesproken, want zo zijn die dingen al vaak grotesk geworden -, maar op wat bij degenen die deze dingen zo geleerd hebben zoals wij tegenwoordig wanneer we dus iets meer wetenschappelijk leren kijken, ons dat voor onze huidige toestand eigen maken. Voor hen was erfzonde bij de mens alles wat uit de overgeërfde eigenschappen kwam. Wat de mens dus meegekregen had van zijn voorouders, dat was de erfzonde. Dat is het werkelijke begrip van erfzonde. Dit begrip is erg veranderd door de voorstellingen die men later kreeg. Maar wat direct fysiek erfelijk is, vormt in de mens een aanleg waaraan ten grondslag ligt dat hij zondig is – zo zei men dit vroeger. En wat zegt men nu? Men moet het meest kijken naar de overgeërfde aanleg en men moet de mens zo ontwikkelen dat deze aanleg allereerst in ogenschouw genomen wordt. Ja, als een oudere wetenschap daarover een oordeel zou moeten geven, dan zou dat luiden: Wel, jullie hebben wel wat moois geleerd door het zich verder ontwikkelen van de mensheid: jullie hebben geleerd om het principe te volgen dat wat zonde is in de mens te ontwikkelen. – Zo zouden we dat als de opvatting van een oudere wetenschap moeten formuleren.

Wir beobachten nur die historischen Vorgänge nach dem, was eben nun leider recht oberflächlich in den Geschichtsbü­chern verzeichnet ist; daher kommen wir nicht auf solche Sachen.
Derjenige, der nun hineinsieht in das, was ich heute geschildert habe: wie der Mensch sich in der Dynamik und Statik seines Wesens, im Sprechen, im Denken der Umgebung anpaßt, der wird auch eine richtige Einsicht bekommen, wieviel rein physisch vererbt ist, und wieviel von demjenigen abhängt, was in der menschlichen Umgebung sich abspielt, was viel mehr einfließt in den Menschen, als man ge­wöhnlich glaubt. Von manchem sagt man heute, der Mensch habe es von seinem Vater oder seiner Mutter geerbt, während er es in Wirk­lichkeit dadurch sich angeeignet hat, daß er die besondere Gehweise seiner Umgebung oder die Bewegung der Hände oder das Sprechen eben in der ersten Lebensperiode nachahmte. Die Hingabe an die Umgebung ist es, die vorzugsweise in Betracht kommt in der ersten

We kijken alleen maar naar de historische processen zoals die helaas slechts zeer oppervlakkig in de geschiedenisboeken opgetekend zijn; daarom komen we niet op zulke dingen.
Degene die inzicht heeft in wat ik vandaag geschetst heb: hoe de mens in het dynamische en statische van zijn wezen, in het spreken, in het denken zich aan de omgeving aanpast, zal ook een juist inzicht krijgen in wat puur fysiek geërfd is en hoeveel er afhangt van wat zich in de omgeving van de mens afspeelt, wat veel meer bij de mens naar binnengaat dan men gewoonlijk gelooft. Van velen zegt men tegenwoordig dat de mens het van zijn vader of moeder heeft, terwijl hij zich in werkelijkheid die aparte manier van lopen of de beweging van zijn handen of het spreken, dus eigen heeft gemaakt in de eerste levensfase, omdat hij vanuit zijn omgeving nabootste. Het is de overgave aan de omgeving die allereerst in aanmerking komt in de eerste

blz. 45

Lebensperiode, nicht die Vererbung. Die Vererbungstheorien haben ja auf ihrem Gebiet ganz recht, aber das muß eben auch so angesehen werden wie dasjenige, was ich gestern gesagt habe. Ich sagte: Wir gehen hinaus auf den Weg, er ist jetzt weich; wir drücken unsere Fußspuren ein. Jetzt kommt einer, der irdische Menschen nicht kennt, vom Mars herunter, und der erklärt jetzt: Nun ja, diese Fußspuren sind dadurch bewirkt, daß da unten in der Erde Kräfte sind; die drücken an einer Stelle den Boden etwas stärker, an einer anderen Stelle etwas weniger, dann konfigurieren sich die Spuren, so daß ge­nau so etwas entsteht wie ein Fußabdruck. – So etwa erklären aus vererbten Anlagen heraus und aus dem Gehirn heraus die Menschen das Seelenwesen. Gerade so wie die Fußspuren von außen einge­drückt sind, so sind in den Körper, besonders in das Gehirn und in die Nervenorganisation eingedrückt diejenigen Dinge, die aus der Umgebung herein im nachahmenden Leben erlebt werden im Gehen-lernen, Sprechenlernen, Denkenlernen.

levensfase, niet de erfelijkheid. De erfelijkheidstheorieën hebben op hun gebied helemaal gelijk, maar dat moet ook zo beschouwd worden als wat ik gisteren heb gezegd. Ik zei: we gaan naar buiten, op de weg, die is onverhard; we drukken er onze voetstappen in af. Nu komt er iemand die de aardse mens niet kent, van Mars en die geeft dan een verklaring:

Let op: deze voetsporen zijn ontstaan, omdat er beneden in de aarde krachten aanwezig zijn die op de ene plaats een sterkere druk op de bodem uitoefenen, op een andere plaats een beetje minder, dan vormen zich de sporen zodat het er precies zo uitziet als een voetafdruk. – Zo ongeveer verklaren vanuit erfelijke aanleg en vanuit de hersenen de mensen de ziel. Net zoals de voetsporen van buitenaf er ingedrukt zijn, zo zijn in het lichaam, met name in de hersenen en het zenuwstelsel ingeprent de dingen die vanuit de omgeving vandaan in het nabootsende leven beleefd worden bij het leren lopen, spreken en denken.

Es ist ja alles richtig, was die äußere, physische Psychologie sagt: das Gehirn ist ein deutlicher Ab­druck dessen, was der Mensch seelisch ist; aber man muß eben wis­sen, daß es nicht der Erzeuger des Seelischen ist, sondern der Boden, auf dem sich das Seelische entwickelt. Gerade so wenig wie ich gehen kann ohne Boden unter den Füßen, ebensowenig kann ich als irdi­scher Mensch ohne Gehirn denken, selbstverständlich. Aber das Ge­hirn ist nichts anderes als derBoden, in den das Denken und Spre­chen hineinkonfiguriert dasjenige, was Sie gerade aus der Welt her­aus, aus der Welt Ihrer Umgebung bekommen, nicht aus den vererb­ten Anlagen heraus.
Nun sehen Sie aber daraus, daß vor dem heutigen Menschen es in einer sehr starken Undeutlichkeit liegt, was da eigentlich vorgeht während dieser drei ersten nicht «akademischen» Lebensjahre. Da wird ja in einem höheren Maße der ganze Mensch konfiguriert und

Het klopt allemaal wel wat de uiterlijke fysieke psychologie zegt: de hersenen zijn een duidelijke afdruk van wat de mens als ziel is; maar je moet wel weten dat ze niet de maker van de ziel is, maar alleen de basis waarop de ziel zich ontwikkelt. Net zo min als ik kan lopen zonder grond onder mijn voeten, net zo min kan ik als aards mens zonder hersenen denken, vanzelfsprekend. Maar het brein is niets anders dan de bodem waarin het denken en spreken vormend opnemen wat u met name vanuit de wereld van uw omgeving aangereikt krijgt, niet vanuit de erfelijke aanleg.
Nu kan u echter daaruit wel de conclusie trekken dat het voor de tegenwoordige mens heel erg onduidelijk is, wat er eigenlijk gebeurt tijdens deze drie niet ‘academische’ levensjaren. Dan wordt de hele mens in een hogere mate gevormd en

blz. 46

verinnerlicht. Nun sagte ich schon: das Denken, das dann später auftritt, es wendet sich gegen die Außenwelt, es bildet Abbilder der Na­tur, der Naturdinge und Naturvorgänge. Aber dasjenige, was sich früher bildet, das Sprechen, das nimmt schon temperiert, nuanciert alles dasjenige auf, was geistig in der Sprache liegt, die auf den Men­schen wirkt, was seelisch auf den Menschen aus der Umgebung wirkt. Mit der Sprache nehmen wir auf, was wir uns seelisch aneignen aus der Umgebung. Die Seele des ganzen Milieus dringt in uns ein auf dem Umwege durch die Sprache. Und wir wissen, daß das Kind ganz Sinnesorgan ist, daß wirklich sich innere Vorgänge abspielen, indem diese Dinge als seelische Eindrücke da sind. So daß zum Beispiel, sa­gen wir, wenn das Kind in der Umgebung eines jähzornigen Vaters ist, der seine Worte immer ausstößt wie ein Jähzorniger, dann erlebt das Kind im Innern diese ganze seelische Eigentümlichkeit, die in der Formung der Worte durch den Jähzorn liegen; und das prägt sich in dem Kinde jetzt nicht nur dadurch aus, daß es auch seelisch wird, son­dern das Kind sondert dadurch, daß es jähzornige Ereignisse in der Umgebung hat, aus feinen Drüsen mehr Stoff ab, als es in einer nicht jähzornigen Umgebung absondern würde.

verinnerlijkt. Nu zei ik al: het denken dat dan later komt, keert zich tegen de buitenwereld, het maakt beelden van de natuur, van wat er in de natuur is en gebeurt. Maar wat eerder werd gevormd, het spreken, neemt al wat getemperd, genuanceerd alles op wat er geestelijk in de spraak aanwezig is, die op de mens inwerkt, wat psychisch op de mens inwerkt vanuit de omgeving. Met het spreken nemen wij in ons op wat wij ons psychisch eigen maken vanuit de omgeving. De ziel van het hele milieu dringt bij ons binnen via de omweg van het spreken. En we weten dat het kind helemaal zintuigorgaan is, dat zich daadwerkelijk innerlijke processen afspelen wanneer deze dingen als zielenindrukken aanwezig zijn. Zodat bijv, laten we zeggen, wanneer het kind in de omgeving van een opvliegende vader is, die zijn woorden steeds als een opvliegend persoon naar buiten stoot, dan beleeft het kind innerlijk heel deze psychische eigenschap waar het vormen van de woorden door opvliegendheid bijhoort; en dat zet zich in het kind niet alleen maar af door ook psychisch te worden, maar het kind scheidt, omdat het in zijn omgeving met opvliegendheid heeft te maken, uit fijne klieren meer stof af dan wanneer het in een niet opvliegende omgeving zou doen. 

Und seine Drüsen gewöh­nen sich an eine starke Stoffabsonderung. Das wirkt dann im ganzen Leben weiter, ob die Drüsen gewohnt worden sind, mehr oder weni­ger Stoff abzusondern. Dadurch kann der Mensch, wenn das die Schule später nicht zurechtrichtet, dazu veranlagt werden, gerade, wie man heute sagt, nervös zu werden für alles dasjenige, was in der Umgebung jähzorniger Äußerungen liegt. Sie sehen, da dringt in das Physische Seelisches unmittelbar ein. Sonst suchen wir überall in der Welt das Verhältnis des Seelischen und Physischen zu begreifen; aber auf die Tatsache, wo das Physische in der ersten Periode des Le­bens unmittelbar in seelischen Tatsachen sich äußert, darauf schauen wir gar nicht hin. Indem nun das Kind in die Statik und Dynamik seiner Umgebung hineinkommt, tut es unbewußt etwas außerordentlich Bedeutsames. Denken Sie nur einmal, wieviel Mühe es manche Menschen kostet, später in der Schule Statik und Dynamik zu lernen und sie anzuwen­den nur soweit man sie anwendet auf das Maschinelle! Das Kind tut

En zijn klieren raken gewend aan een sterke uitscheiding. Of de klieren eraan gewend zijn geraakt meer of minder af te scheiden, werkt dan het hele leven door. Daardoor kan de mens, wanneer de school dat later niet in evenwicht brengt, de aanleg krijgen, zoals men dat vandaag de dag zegt, nerveus te reageren op alles wat in de omgeving zich voordoet als opvliegendheid. Dat gaat meteen over in het fysiek-psychische. We zoeken dan wel overal in de wereld de relatie van de ziel en het lichaam te begrijpen, maar op het feit waarop het lichamelijke in de eerste periode van het leven zich direct uit in gevoelsfeiten, letten we helemaal niet. Wanneer het kind dan in de statische en dynamische sfeer van zijn omgeving komt, doet het onbewust iets buitengewoon belangrijks. Bedenk eens hoeveel moeite het kost bij veel mensen, statica en dynamica te leren en toe te passen alleen maar in zoverre men die toepast op het mechanische! Het kind doet

blz. 47

das unbewußt. Es gliedert wirklich Statik und Dynamik in sein gan­zes Menschenwesen ein. Und gerade aus anthroposophischer For­schung kann man ersehen, daß selbst das, was die gelehrtesten Stati­ker und Dynamiker ausdenken für die äußere Welt, ein Kinderspiel ist gegen dasjenige einer so komplizierten Statik und Dynamik, wie sie das Kind sich im Gehenlernen eingliedert. Das tut es durch Nach­ahmung.Daher werden Sie sehen, wie merkwürdig gerade auf diese Verhältnisse die Nachahmung wirkt. Dergleichen Beispiele können Sie viele im Leben sehen; ein Beispiel möchte ich Ihnen anführen. Da waren zwei Mädchen, sehr wenig im Alter unterschieden, die gingen nebeneinander. Der Fall trug sich in einer mitteldeutschen Stadt zu vor vielen Jahren. Wenn man sie nebeneinander gehen sah, dann tra­ten sie beide so auf, daß das eine Bein hinkte und unregelmäßig ging. Bei ganz gleichen Bewegungen hatten sie einen eigentümlich konfi­gurierten Unterschied zwischen einer lebendigeren Art des rechten Armes und der rechten Finger, und einem etwas abgelähmten Tra­gen des linken Armes und der linken Finger. Beide Kinder waren ge­naue Kopien voneinander; das jüngere Kind war richtig eine Kopie vom älteren Kinde. 

dat onbewust. Het geeft daadwerkelijk statica en dynamica een plaats in zijn wezen. En met name door antroposofisch onderzoek kun je zien dat zelfs wat de meest geleerde mens in statica of dynamica uitdenkt voor de uiterlijke wereld, kinderspel is in vergelijking met een zo gecompliceerde statica en dynamica als het kind bij het leren lopen in zich opneemt. Dat doet het door na te bootsen. Vandaar dat je zal zien hoe merkwaardig juist bij deze omstandigheden nabootsing werkt. Dergelijke voorbeelden kun je in het leven vaak tegenkomen; één voorbeeld wil ik geven. Er waren twee meisjes, weinig verschillend in leeftijd, die naast elkaar liepen. Het gebeurde vele jaren geleden in een stad in Midden-Duitsland. Wanneer je ze zo naast elkaar zag lopen, dan deden ze dat allebei zo dat het ene been hinkte en onregelmatig ging.
Bij geheel dezelfde bewegingen vertoonden ze een eigenaardig gevormd verschil tussen de rechter arm en de rechter vinger die levendiger waren en een ietwat stijvere linker arm en linker vinger. Beide kinderen waren het evenbeeld van elkaar; het jongere kind was echt een evenbeeld van het oudere.

Aber nur das ältere Kind hatte nämlich einen Beinschaden an der linken Seite; das jüngere war ein ganz gesundes Kind, das sich das alles nur angeeignet hatte, indem es nachahmend die falsche Dynamik des Schwesterchens aufnahm. – Solche Fälle kön­nen Sie überall im Leben finden, nur treten sie einem nicht in solchen extremen und groben Dingen entgegen, so daß man sie gleich sieht. In feineren Gestaltungen ist es überall im Leben vorhanden.Da wo Gehen gelernt, wo Dynamik und Statik angeeignet wird, da nimmt der Mensch aus seiner Umgebung den Geist auf. So daß man sagen kann: Im Denkenlernen eignen wir uns Dinge der äußeren Natur an. Im Sprechenlernen eignen wir uns das Seelische des Milieus an. Und in dem, was eigentlich zuerst der Mensch machen soll, indem er ins Er­denleben eintritt, eignet man sich aus der Umgebung den Geist an.Geist, Seele, Leib – Geist, Seele, Natur, das ist die Reihenfolge, wie die Welt des umliegenden Erdenlebens an den Menschen heran­tritt. Aber wenn wir aufnehmen das Seelische, so eignen wir uns mit diesem Seelischen zu gleicher Zeit im wesentlichen an unsere Sympathien

Maar alleen het oudere kind had namelijk aan de linkerkant een beenbeschadiging; het jongere was helemaal gezond, het had zich dit alles alleen maar eigen gemaakt, toen het nabootsend de verkeerde dynamiek van het zusje in zich opnam. Waar het lopen wordt geleerd, waar dynamica en statica eigen gemaakt worden, neemt de mens uit zijn omgeving de geest op. Zodat je kan zeggen: bij het leren denken maken we ons de dingen van de uiterlijke natuur eigen. Bij het leren spreken maken we ons de ziel van de omgeving eigen. En in dat wat eigenlijk pas de mens tot mens maakt wanneer hij in het aardse leven verschijnt, maak je je vanuit de omgeving de geest eigen. Geest, ziel en levende lichamelijkheid – geest ziel, natuur, dat is de volgorde waarin de mens met de wereld van het aardse leven om hem heen in contact komt. Maar wanneer we het psychische opnemen, maken we tegelijkertijd eigen wat onze sympathieën zijn,

blz. 48

und Antipathien im Leben. Sie fließen ganz unvermerkt ein. Die Art und Weise, wie wir sprechen lernen, ist zu gleicher Zeit die Art und Weise des Aneignens bestimmter Sympathien und Antipathien. Und das Kuriose ist: derjenige, der sich dafür ein richtiges Auge an­schafft, ein Seelenauge natürlich, der findet in der Art und Weise, wie das Kind auftritt, ob es mehr mit den Hacken oder mehr mit den Fuß­spitzen auftritt, ob es stramm auftritt oder schleicht, er findet in die­sem Äußerlich-Physischen den ganzen moralischen Charakter des Menschen für das spätere Leben vorbereitet. So daß wir sagen kön­nen:Mit jenem Geistigen, das wir aufnehinen, indem wir gehen ler­nen, fließt auch aus der Umgebung das Moralische ein. Und es ist gut, wenn man sich ein Auge dafür aneignet, wie ein Kind die Beine bewegt, das dann ein gutes Kind wird, und wie ein Kind die Beine be­wegt, das dann ein böses wird. Denn am meisten naturalistisch ist dasjenige, was wir durch das Denken in der Kindheit aufnehmen. Schon seelisch durchsetzt ist, was wir durch die Sprache aufnehmen. Und moralisch-geistig durchsetzt ist dasjenige, was wir durch die Statik und Dynamik aufnehmen. Das ist eben keine bloße Statik und Dynamik, wie wir sie in der Schule lernen, das ist eine aus dem Gei­ste heraus geborene Statik und Dynamik.

en antipathieën in het leven. Die komen heel ongemerkt binnen. De manier waarop we leren spreken, is tegelijkertijd de manier waarop we ons bepaalde sympathieën en antipathieën eigen maken. En het opmerkelijke is, degene die daar een goed opmerkingsvermogen voor ontwikkelt, een zielenoog natuurlijk, die ziet ook aan de manier waarop een kind loopt of het meer op zijn hielen, dan wel op zijn voorvoeten loopt of het stijf loopt of zich een beetje langzaam, a.h.w. heimelijk, voorzichtig beweegt, hij vindt in dit uiterlijk fysieke het hele morele karakter van de mens als voorbereiding voor het latere leven. Zodat we kunnen zeggen: Met dat geestelijke aspect dat we in ons opnemen wanneer we leren lopen, komt ook vanuit de omgeving de moraliteit naar binnen. En het is goed wanneer je een zienswijze ontwikkelt voor hoe een kind zijn benen beweegt, of het een goed kind wordt en hoe een kind zijn benen beweegt die dan een slecht kind wordt. Want het meest naturalistisch is wat wij door het denken in onze kindertijd in ons opnemen. Met ziel doortrokken is wat wij door het spreken opnemen. En moreel-geestelijk doortrokken is wat wij door statica en dynamica opnemen. Dat is niet alleen maar iets statisch of dynamisch, zoals we dat op school leren, het is statica en dynamica vanuit de geest geboren.

Es ist so ungeheuer wichtig, richtig auf diese Dinge hinzuschauen, um bei diesen Dingen nun nicht jene Psychologien zu bekommen, die zuerst auf das Körperliche begründet sind – wo man auf den ersten 30 Seiten das wieder abdruckt, was der Physiologe in ausführlichen Phy­siologien hat und dann die seelischen Erscheinungen daran anleimt, also das Seelische bezieht auf das Körperliche. Vom Geiste darf man ja nicht mehr sprechen, seitdem ein Konzil den Geist abgeschafft hat, seitdem gesagt worden ist: der Mensch besteht nicht aus Leib, Seele und Geist, sondern nur aus Leib und Seele, die Seele hat nur geistige Eigenschaften. Die Trichotomie wurde ja dogmatisch im Mittelalter verboten, aber die heutige «voraussetzungslose»Wissenschaft treibt Psychologie, indem sie gleich damit beginnt: Der Mensch besteht aus Leib und Seele. Sie weiß nicht, wie wenig voraussetzungslos sie ist, indem sie nur folgt der mittelalterlichen Dogmatik! Die erleuch­tetsten Universitätsprofessoren folgen derselben, ohne eine Ahnung

Het is van zo’n groot belang goed naar de dingen te kijken, om bij die dingen nu niet die psychologieën erbij te nemen die vooral gefundeerd worden door een lichamelijke kijk – waarbij men op de eerste 30 bladzijden weer afdrukt wat de fysiologie in uitvoerige fysiologieboeken heeft staan en daaraan dan de verschijnselen van de ziel vastplakt, dus de ziel op het lichaam betrekt. Over de geest mag niet meer gesproken worden sinds een concilie de geest afgeschaft heef*t, sedertdien gezegd wordt: de mens bestaat niet uit lichaam, ziel en geest, maar alleen uit lichaam en ziel, de ziel heeft alleen maar geestelijke eigenschappen. De trichotomie werd zelfs in de middeleeuwen dogmatisch verboden, maar de tegenwoordige wetenschap zonder vooropgezette uitgangspunten bedrijft psychologie door meteen te beginnen met: de mens bestaat uit lichaam en ziel. Die weet niet, hoe weinig zonder vooropgezette uitgangspunten ze is, wanneer ze slechts de middeleeuwse dogmatiek volgt! De briljantste universiteitsprofessoren nemen dat gewoon voor lief, zonder

*sinds een concilie de geest afgeschaft heeft, Het 8e oecumenische concilie in Constantinopel in het jaar 869.

blz. 49

davon zu haben. Man muß, um richtig in den Menschen hineinzuse­hen, den Menschen betrachten können nach Leib, Seele und Geist. Der Materialist begreift nur das Denken – das ist nämlich seine Tra­gik. Der Materialismus begreift am wenigsten die Materie, weil er am wenigsten den Geist darin sieht. Er dogmatisiert bloß: es gibt nur Materie und ihre Wirkungen; aber er versteht nichts davon, daß überall der Geist darinnen ist. Es ist das Eigentümliche, man muß, wenn man den Materialismus schildern will, die Definition aufstellen: Der Materialismus ist diejenige Weltanschauung, die nichts von der Materie versteht. Nun handelt es sich darum, daß man eben genau die Grenzen ken­nen muß, wo die körperlichen Erscheinungen sind, wo die seelischen Erscheinungen sind, wo die geistigen Erscheinungen sind, und wie eins in das andere überleitet. Und das ist ganz besonders notwendig gegenüber der kindlichen Entwickelung in der ersten Lebensperiode.

dat ze dat door hebben. Je moet, om op een juiste manier inzicht te krijgen in de mens, de mens kunnen zien naar lichaam, ziel en geest. De materialist begrijpt alleen het denken – dat is namelijk zijn tragiek. De materialist begrijpt het minst van de materie, omdat hij het minst de geest daarin werkzaam ziet. Hij zegt alleen dogmatisch: er is alleen maar materie en wat daarvan als werking uitgaat; maar hij begrijpt niets van het feit dat de geest overal aanwezig is. Het is zo merkwaardig dat je, wil je wat over het materialisme zeggen, de definitie moet formuleren: het materialisme is die wereldbeschouwing die niets van de materie begrijpt. Nu gaat het erom dat je wel precies de grenzen moet kennen van, waar de lichamelijke verschijningsvormen zijn, waar die van de ziel, waar die van de geest en hoe het ene in het andere overgaat. En dat is heel erg nodig voor wat betreft de kinderlijke ontwikkeling in de eerstge levensfase.

.
[1] GA 306 Die pädagogische Praxis vom Gesichtspunkte geisteswissenschaftlicher Menschenerkenntnis

[2] GA 306 voordracht 2 Duits
.

Rudolf Steiner over pedagogie

Rudolf Steineralle artikelen

.

1691-1586

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (48)

.

Michaelstijd, Michaelsfeest

Onze tijd is een periode in de geschiedenis van de mensheid, die de meest flagrante paradoxen vertoont. Wanneer we voorbeelden daarvan vinden, gaat wellicht een gedachte in ons opkomen, welke een richtlijn zou kunnen geven voor het vraagstuk, hoe we bewust kunnen bijdragen aan een verandering ten goede in de wereldsituatie, die heden immers zo onhanteerbaar en zonder uitzicht lijkt te zijn.

Voorbeeld

Er is een opvallende tegenspraak van verdeeldheid en eenwording, van eigengereidheid en saamhorigheid. In geen enkel voorafgaand tijdperk was er een zo grote onenigheid binnen kleine en grote groeperingen van mensen, tegelijkertijd met wat we in een bepaalde zin ‘globalisatie’ noemen.

Wanneer we ‘globalisatie’ als algemeen menselijke aarde-eenwording, en daartegenover ‘verdeeldheid’ als mondig-wording van de individuele mens herkennen, dan beseffen we, dat deze tendenties, schijnbaar zo tegengesteld, beide hun goed recht hebben en gelijkelijk tot positieve resultaten gebracht zouden moeten worden.

Als je deze paradoxale bewegingen in hun ontwikkeling volgt, begrijp je wel dat we hier niet met een natuurlijk, een mechanisch of chemisch proces te maken hebben, evenmin met krachtwerkingen van economische aard, maar met een psychisch-geestelijk proces.

Waar komt zo’n proces dan vandaan? Wie of wat is de ‘motor’ van dergelijke veranderingen in de mensheid?

leiding

Tot in de late Middeleeuwen waren er nog mensen in Europa die, puttend uit oude wijsheidsbronnen, een concreet antwoord daarop konden geven.
Een daarvan wil ik noemen. Het was een abt van een klooster in Duitsland. Zijn naam luidt: Johannes Trithemius van Sponheim (1462-1516). Deze Trithemius schrijft over historische tijdperken onder de geestelijke leiding van aartsengelen (hij noemt ze ‘intelligenties’) van de zeven planeten.1
Hij noemt ze ook bij naam met de bijbehorende planeet:

Michael – Zon
Gabriel – Maan
Raphael – Mercurius
Anael – Venus
Samael – Mars
Zachariel – Jupiter
Oriphiel – Saturnus

Elk van deze aartsengelen geeft leiding aan een tijdvak van ruim driehonderdvijftig jaren. Zij wisselen elkaar af, volgen elkaar op en wanneer de kring van zeven is gesloten, herhaalt zich de opeenvolging in dezelfde volgorde als voorheen. Deze is:

Michael – Zon (als planeet beschouwd)
Oriphiel – Saturnus
Anael – Venus
Zachariel – Jupiter
Raphael – Mercurius
Samael – Mars
Gabriel – Maan

Dus niet de volgorde van de weekdagen, maar de afwisseling van binnenplaneten en buitenplaneten, terwijl de serie begint met Michael, de Zon.

Het moderne, door Rudolf Steiner ontwikkelde spiritueel-wetenschappelijke onderzoek bevestigt deze overlevering, welke natuurlijk in de materialistische eeuwen, volgend op de Middeleeuwen, volledig was verdwenen.

Gelijke trekken

Wanneer je nu niet zo onverstandig bent deze mededeling over een geestelijke leiding van historische tijdvakken als fantasterij naast je neer te leggen, maar als je de zaak eens nader wilt bekijken, dan ontdek je kenmerkende trekken van een tijdvak, nieuwe kwaliteiten in de cultuur, in dit geval van Europa. Als je dan het overeenkomstige tijdvak van een gepasseerde serie van zeven beschouwt, vind je daar gelijke trekken.

De moderne spirituele wetenschap levert ons het inzicht, dat een Michael-(zonne-)tijdperk is ingetreden in het jaar 1879 AD en als we een hele serie teruggaan, komen we in het voorafgaande Michaeltijdperk, dat wil zeggen in de bloeitijd van de antieke Helleense cultuur. Het is ook de tijd waarin Gautama Boeddha in India leeft en andere grote wijzen in het Aziatisch gebied.

Als we de cultuur van Hellas als een geboortemoment beschouwen van wat nieuw in de mensheidsgeschiedenis gaat optreden, dan vinden we het ontstaan van een wetenschap die op het menselijke denken, op intellectualiteit berust. En een eerste vorm van expansie die saamhorigheid en niet onderdrukking betekent: de impuls van Alexander de Grote onder invloed van zijn leermeester Aristoteles. In het gigantische wereldrijk dat Alexander veroverde, stichtte hij overal ‘Alexandrieën’, cultuurcentra, waar de Griekse wetenschap als verbindend cultuurelement van west tot oost zich kon ontwikkelen. Je zou dit een kosmopolitische impuls kunnen noemen.

Daarvoor moest eerst het nationalistische, de tendens van ‘bloed en bodem’ (zo sterk in Sparta), worden overwonnen: de Griekse stadstaten verloren hun ‘nationale’ zelfstandigheid en gingen op in het Macedonische rijk.

Tegenwerkende krachten

Doch hierin werken tegenwerkende krachten die uit een voorafgaand tijdperk [2] stammen, en deze werken veelal in boosaardige zin. We denken aan de zogenoemde apartheid, aan het nazidom, aan alle nog overvloedig voorkomende verschijnselen van racisme en bekrompen nationalisme. We hoeven ook niet lang te zoeken om de metamorfose van een ‘Romeins’ overheersingselement te herkennen. Daar wil ik hier nu niet op ingaan.

Tussen twee Michaeltijdperken met interessante gelijksoortige kenmerken is echter ook een diepgaand verschil ten gevolge van de komst van Christus op aarde. Daarmee samenhangend is de leiding van deze aartsengel ook ingrijpend veranderd. Hij die tevoren de hemelse hoeder van de denkkracht was, heeft dit vermogen uit handen gegeven. Het is aan de menselijke vrijheid overgeleverd om in ons bewust de saamhorigheid als ‘globalisatie van de onzelfzuchtigheid’ na te streven. Aan ons ‘eigengereidsprincipe’ wordt dus een zware eis gesteld.

In de Griekse tijd waren de om de vier jaar gehouden Olympische Spelen de diep indrukwekkende, in absolute saamhorigheid gehouden, bovennationale ontmoetingen. Dat kon zo zijn, omdat de Griekse stammen, stadstaten, aan de bodem gebakken, eigengereide eenheden, toch allemaal dezelfde goden hadden. En deze goden hielden in zekere zin beschermende handen over dit heilige gebeuren. Griekse atleten die als overwinnaars uit de Olympische wedstrijden naar voren traden, werden in alle Griekse steden en koloniën geëerd, niet als nationale helden, doch als begunstigden-door-de-godheid, die immers bovennationaal was.

Michaelsfeest

Mijn gedachte is, dat we zouden moeten komen tot een mensheids-Michaelsfeest, bijvoorbeeld om de drie jaar, een ontmoeting van volken en individuen. Een feest niet zozeer om te presteren, maar om te ontvangen. Geen internationaal gebeuren, maar een algemeen-menselijk beleven door de ontmoetingen met het kleurrijk Andere, door muziek, dans, volkssprookjes en historische beelden van een volk, door schetsen van grote figuren in de kunst, literatuur, wetenschap, kernmotieven van offerbereidheid, van humor en hulpvaardigheid, van schoonheid, wijsheid en goedheid. Het hoeft niet allemaal rozengeur en maneschijn te zijn, het lijden is immers ook een intrinsiek element in het individuele lot van de mens en het groepskarma van een volk. Het moet wel waarheid zijn! Dit soort bijeenkomsten zou natuurlijk niet door overheidsinstanties, evenmin door nauwelijks doorzichtige federaties of commissies, of belangengroepsorganisaties georganiseerd of gemanipuleerd moeten worden. Wanneer in de verschillende landen zogenoemde
Europahuizen, waarvan er al enkele zijn, zich zouden vestigen en ontwikkelen, dan zou van deze ‘huizen’ de oproep tot een Michaelssamenkomst om de drie jaar kunnen uitgaan.

In deze huizen wordt gewerkt aan een nieuw denken, aan nieuwe gedachten en overeenkomstige werkwijzen betreffende natuur, opvoeding en onderwijs, land- en tuinbouw, geneeskunst en sociale structuren.

Daar moge de gezindheid zijn van een diepe religiositeit zonder kerkelijke beperkingen, een devotie en tolerantie van vooral veel humor als grondslag van een beweeglijke eigenwaardigheid. En het allerbelangrijkste: een onvoorwaardelijk streven naar waarheid.

1 Johannes Trithemius (1462-1516) abt van het Benedictijner klooster te Sponheim. Hij schreef onder andere: De septem intelligentiis libellus het boek over de zeven planeetgeesten.

2 Als we vanaf 1879 AD terugrekenen, een tijdperk van 354 jaar, dan zien we in dit Gabriel-Maan-tijdvak, waarin juist het bloed-, ras-, en volksgebonden principe zo duidelijk werkt, het ontstaan van Europese ‘naties’. Dit woord komt van (Latijn) nascor, natus, geboren worden.

W.F.Veltman, Dit artikel verscheen eerder in VRIJE OPVOEDKUNST, sept 2012.
Voor plaatsing op deze blog werd toestemming verleend.

.

Michaëlalle artikelen

Michaëlsliederen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldMichaël       jaartafel

.

1690-1585

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (47)

.

Michaël en het Christusbewustzijn

Wie is Michaël?

Michaël is van oudsher de belangrijkste aartsengel en de tijdgeest van onze tijd. Hij is de boodschapper van Christus. Hij is zijn ‘aangezicht’ of zoals Rudolf Steiner zegt: ‘Michaël is the ambassador of Christ’ (Uit: Michael, the messenger of Christ, Londen 2 mei 1913).

Michaël roept als boodschapper van Christus op tot levend denken, bewust handelen, moedig en liefdevol leven. Michaël betekent: ‘Wie is als God?’ Dat houdt een vraag in, een oproep en een uitdaging. Het lijkt me niet dreigend bedoeld, maar uitnodigend: kijk diep in jezelf naar je eigen goddelijkheid en laat deze Vonk zien aan jezelf en anderen; ontplooi je geestelijke kern, de tweede mens in jezelf. In Steiners ‘Michaëlsbrieven’ staat dat Michaël de meest zachte liefdeskracht vertegenwoordigt. Dat vind ik fascinerend: de aartsengel met het zwaard die vecht met de Draak en die onze harten ‘weegt’, kent de meest tedere en zachte liefdeskracht! Deze kwaliteiten sluiten elkaar kennelijk niet uit; integendeel: intense tederheid en kracht kunnen in spirituele zin goed samengaan. Om deze twee vermogens te verbinden is echter veel moed en authenticiteit nodig en dat is nu precies datgene wat van de mens anno 2013* gevraagd wordt.

Wat is het Christusbewustzijn?

In het esoterisch christendom en in de gnosis wordt gesproken over de goddelijke Vonk in elk mens. Als deze goddelijke vlam gaat branden als een vuur, verdwijnt het egoïsme en wordt de tweede mens in de ziel gewekt. Deze hogere mens is er altijd al, maar ‘slaapt’. Als deze tweede mens eenmaal gewekt is, kan een nieuw bewustzijn ontstaan, een hoger bewustzijn, waarin het goddelijke van de mens zich ontplooien kan. Ik noem dit bewustzijn het ‘Christusbewustzijn’.

Het Christusbewustzijn is een begrip dat al heel oud is

Het duidt op het hoogste universele bewustzijn dat er op de wereld bestaat. In de mens Jezus is dit bewustzijn tot volledige ontplooiing gekomen en daarom wordt Jezus ‘de Zoon van God’ genoemd. Bij de doop in de Jordaan daalde het Christuswezen, het hoogste Goddelijke Wezen, neer in de mens Jezus. Door de komst van Christus, de Logos, naar de aarde is voor elk mens dit goddelijk bewustzijn te bereiken. Christus bracht de volle liefde naar de aarde en verbond zich met het lot van de mensheid.

In vrijheid kan nu elk mens zijn of haar weg gaan naar dit hogere bewustzijn. De eerste stap is te beseffen dat we geestelijke wezens zijn en onze oorsprong derhalve te vinden is in de geestelijke wereld. Op aarde mogen we wonen, maar we zijn niet van de aarde!

Het gaat dus in deze tijd om het voorzichtig en vol liefde ontplooien van het hogere bewustzijn. Dat dit op een geleidelijke en verantwoorde manier moet gebeuren, is duidelijk: van de geboorte tot het volwassen worden moet deze ontwikkeling door ouders en leraren begeleid worden. Een rijk en zuiver gevoel, een helder zelfstandig denken en een sterke wil zijn kwaliteiten die in de opvoeding en het onderwijs voorop horen te staan. Later, in het voortgezet onderwijs kan daar bewustwording en zelfreflectie bijkomen, evenals het bewust ontwikkelen van sociale vaardigheden, die op eigen inzicht en moreel besef gebaseerd zijn.

v.d Weyden
Christus staat hoger afgebeeld dan Michaël

Het belang van de liefde

De belangrijkste opdracht die Jezus Christus aan de mensheid geeft, zijn enige ‘wet’, is het ontwikkelen van waarachtige liefde. De mensen moeten ‘geesten van de liefde en de vrijheid’ worden. Uiterst zinvol is daarom de vraag over welke vermogens iemand moet beschikken om een ander werkelijk te kunnen liefhebben. Deze vermogens wekken is dus ook de belangrijkste opgave die Michaël ons geeft. Ik citeer hier een uitspraak van Steiner:

“De mens die kan liefhebben, moet volledig zelfbewust zijn; hij/zij moet volkomen zelfstandig zijn. Geen enkel mens kan een ander liefhebben in de diepste zin van het woord wanneer deze liefde niet een vrije gift is aan die andere mens. Mijn hand houdt niet van mijn organisme. Alleen een wezen dat zelfstandig is, dat afgescheiden is van andere wezens, kan deze liefhebben. Daartoe moest de mens een Ik-wezen worden. Van het grootste belang voor het ontwikkelen van de liefde is dus het ontwikkelen van een zelfstandig Ik. (Uit: ‘Het evangelie naar Johannes’, blz. 55-56).”

De opvoeding van het zelfstandig ik

Uit bovenstaande blijkt hoe essentieel het is dat we de jeugd (en onszelf) opvoeden tot zelfstandigheid en vooral tot het zelfstandig en authentiek durven denken. Het ‘out of the box’ kunnen denken wordt steeds belangrijker, omdat het eigen ik hierbij in sterke mate betrokken is. Natuurlijk moet de jeugd kennis maken met de traditionele denkbeelden, maar de kroon op de opvoeding bestaat eruit dat het zelfstandig oordeelsvermogen gevormd wordt en dat de jonge mens een ‘vrijdenker’ kan worden, in het verlengde van zijn of haar eigen, goed ontwikkelde geweten. Het gaat er bovendien om de volledige vrijheid van de mens te ontwikkelen, niet alleen in het denken, maar in de hele mens: zijn denken, voelen en willen. Daar komt in onze tijd, de tijd van Michaël, nog een vierde vermogen van de ziel bij: het (zich) bewust kunnen worden.

Het gaat in de opvoeding echter niet alleen om het vergaren van kennis en wijsheid, het leren van het zelfstandig en levendig denken en het komen tot een zelfstandig oordeel, maar ook om het voeden van het gevoel, het verrijken van het gevoelsleven door bijvoorbeeld kunstzinnige activiteiten, toneel, koor of het luisteren naar verhalen met een diepe betekenis, zoals de verhalen uit de wereldliteratuur: van sprookjes tot Faust en van heiligenlevens tot de ridders van de Ronde Tafel en Parzival. Op latere leeftijd (17 à 18 jaar) moet ook ‘duistere’ literatuur aan de orde komen, zoals Dantes Divina Commedia, de werken van Dostojewski of de Faust van Goethe, waarin de mens worstelt met de grote innerlijke vragen van goed en kwaad. Deze verhalen en de gesprekken die er onlosmakelijk bij horen, voeden de ziel. Het is alsof de adolescent zelf dit alles doorleeft, alsof hij/zij de levenslessen leert die in deze machtige werken verborgen zijn. Ook het vormen in alle rust van de wil door de kunsten en de verschillende vormen van handvaardigheden is van groot belang. We leven nu eenmaal in een tijd waarin het gemak de mens dient en waarin alles instant is en snel verkregen kan worden. De maaltijd uit de magnetron staat zo op tafel, het antwoord op een bepaalde vraag is zo opgezocht op google en het werkstuk voor een of ander vak is snel bij elkaar gesprokkeld van internet. Allemaal niet erg en ook heel efficiënt op zijn tijd, maar iedereen moet wel leren zich diepgaand met iets bezig te houden. Het vlechten van een mand, het maken van een kruk of het inbinden van een boek zijn ambachten die zich prima lenen voor het oefenen van geduld, precisie en het opgaan in een opdracht. De wil wordt getraind en de handen worden snel, accuraat en ‘handig’. Schilderen en boetseren verdiepen het beleven van stilte en schoonheid, van het gedurende langere tijd bij jezelf kunnen zijn en blijven.

Het vrijeschoolonderwijs

De lezer begrijpt inmiddels wel, dat ik een pleidooi houd voor het vrijeschoolonderwijs, waarbij deze aspecten veel aandacht krijgen. Zelf geef ik al meer dan 35 jaar les in Nederlands, (wereld)literatuur en filosofie in de bovenbouw en ik ben ervan overtuigd dat het stap voor stap en diepgaand vormen van de eigen identiteit van het grootste belang is voor het ontwikkelen van een liefdevol bewustzijn. Op school en thuis moet je leren dat het belangrijk is dat je je kunt inleven in een ander en dat je respect hebt voor elkaar, dat iedereen zijn of haar gevoelens in alle volheid mag leren kennen en ontwikkelen en dat je plezier kunt beleven aan het zelf mooie, kunstzinnige dingen maken. Ook het bij de kinderen ruim aandacht besteden aan de manier waarop de dingen gedaan of gezegd worden, het leren opkomen voor het eigenbelang en het leren ‘sorry’ zeggen, zijn onmisbare uitgangspunten in elke opvoedingssituatie.

Mediteren in de klas?

Wat verder nodig is, is het zich kunnen verbinden met de stilte in het eigen innerlijk. Door meditatie komt een diepere verbinding tot stand met de wijsheid van jezelf en de kosmos. Op scholen zou in deze tijd aan het begin van elke dag heel goed door de leerlingen en leraren gemediteerd kunnen worden. Dit zou twee of drie minuten, aansluitend aan het zeggen van de ochtendspreuk, kunnen gebeuren.

Drie oefeningen voor het bewustzijn

In onze tijd is het vergroten van een (liefdevol) bewustzijn dus erg belangrijk. Er zijn hiervoor aparte oefeningen te doen, een soort ‘vingeroefeningen’, net zoals je die doet bij het goed leren pianospelen. Deze oefeningen zijn uitsluitend bedoeld voor leraren en opvoeders, omdat bij hen de basis voor de bewustzijnsziel al stevig genoeg is. Bij leerlingen kan beter in algemene zin en stap voor stap (passend bij de leeftijdsfase) aan bewustwording gewerkt worden. Hieronder geef ik drie oefeningen:

Het bewust vergroten van het inlevingsvermogen:

Maak jezelf vredig en stil. Ga desnoods eerst even mediteren of een kleine wandeling maken. Leef je dan ongeveer tien minuten vol liefde en met je hele hart in iemand in. Kies eerst een persoon van wie je houdt: Waar is hij of zij nu? Wat doet hij of zij? Wat voor een leven leeft die geliefde persoon eigenlijk? Blijf altijd in vrede en diepe stilte bij jezelf, maar richt je volledige aandacht op die ander. Dit vergt bewustzijnskracht, omdat je je niet mag verliezen in die ander. Het is ook niet de bedoeling dat je zijn of haar problemen tot de jouwe maakt. Kijk vol mededogen, maar besef dat het niet jouw problemen zijn. Als het je lukt een geliefde persoon op de juiste wijze in je bewustzijn te dragen zonder dat je jezelf opdringt en zonder dat je in de vrijheid van de ander treedt, kun je iemand nemen die verder van je weg staat. Dank na afloop in gedachten de ander en sluit in alle rust af. —De bewuste zelfoverwinning: Kies met liefde en met binnenpret (een knipoog naar jezelf en je makkers) iets van jezelf waarvan je vindt dat er verandering in moet komen. Probeer een zelfoverwinning te behalen en verander dat ‘vervelende karaktertrekje’ of die ‘vervelende karaktertrek’ zo goed mogelijk. Wees mild voor jezelf, maar probeer het elke dag opnieuw. Ook bij deze oefening wordt weer een sterk appel gedaan op de activiteiten van de bewustzijnsziel: Wat kies je uit? Wanneer gebeurt het? Welke weerstanden kom ik tegen? Probeer juist bij deze oefening je oordelen terug te houden. Vergeef jezelf direct als je het weer doet. Lach erom en probeer het opnieuw: op een dag lukt het je! Blijf mild en wees trots als het een keer lukt.

—De bewuste liefdevolle dood: Doe regelmatig iets uit liefde voor een ander of voor de wereld. Zorg ervoor dat je daad zo belangeloos mogelijk is. Als je dat moeilijk vindt, oefen je weer eerst op je dierbaren: verras hen en verwen hen eens exorbitant of op subtiele wijze. Zeg of schrijf eens aan je dierbaren dat je van hen houdt en vind het dan niet erg als er geen antwoord komt. Iemand moet ooit ergens beginnen, toch? Doe het niet omdat anderen je dan aardig vinden of omdat je er zelf beter van wordt. Doe het gewoon omdat liefdevol leven daarom vraagt. Het mag ook iets heel kleins zijn, als je het maar met bewustzijn doet.

Tot slot een (eigen) parafrase van een spreuk van Rudolf Steiner die de oproep van Michaël in mijn ogen prachtig verwoordt:

Wij, mensen van deze tijd,
moeten op de juiste manier leren luisteren
om de Roep van Michael te kunnen horen:
‘Mens, word wakker in de geest!’

Dit artikel verscheen eerder in VRIJE OPVOEDKUNST, herfst *2013

Hier geplaatst met toestemming van de auteur, Daniëlle van Dijk

Dit artikel is gebaseerd op haar boeken:
Het Christusbewustzijn; een moderne inwijdingsweg,
Maria Magdalena, vrouw naast Jezus; een zoektocht naar het verborgen christendom.
(Meer informatie op haar website): Daniëlle van Dijk,
danielle-vandijk@hotmail.com
(voor aanvraag van lezingen en deelname aan haar meditatiewerkplaats)

Interview met Daniëlle van Dijk

Rudolf Steiner:
GA 26 Leitsätze
Vertaald: Kerngedachten (Michaëlsbrieven)
GA 103 Das Johannesenvangelium
Vertaald

Michaëlalle artikelen

Michaëlsliederen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldMichaël       jaartafel

.

1689-1584

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (10-3)

.

Hebreeuwse legende, is te vinden in ‘Aus Michaels Wirken‘ van Nora von Baditz

.

michaël als redder van Izaäk
.

God stelde Abraham op de proef.
Een pottenbakker die zijn potten controleert, zoekt daarvoor niet de potten uit die losjes gebakken zijn, want zo gauw hij erop tikt, vallen ze uit elkaar, maar hij zoekt de beste uit die, hoeveel keer hij er ook op tikt, toch heel blijven.
Zo stelt de Heer ook niet de goddelozen op de proef, maar alleen de rechtvaardigen, zoals ook geschreven staat: ‘De Heer zal de rechtvaardigen op de proef stellen.’
Abraham dacht over zichzelf na en sprak: ‘Ik was heel blij en ik heb de anderen blij gemaakt en mijn God heb ik niet eens een stier of een ram aangeboden.’
Toen sprak de Heer: ‘Maar, als ik het je opdraag, offer je zoon voor mij, dan zou je niet aarzelen.’
En God sprak tot Abraham: ‘Neem je enige zoon, ga naar het land Moria en breng hem daar op een berg die ik je zal aanwijzen.’
Waarom wees de Heer hem niet meteen de offerplaats? Opdat deze hem daardoor liever zou zijn en dat hij voor ieder woord beloond zou worden.
Abraham sprak tegen de Heer: ‘Heer van alle werelden! Is een offer zonder priester mogelijk?’ Toen sprak God: ‘Ik ik heb het zo bestemd, dat jij de priester bent.’
Abraham nam het hout voor het brandoffer en droeg het zoals een mens zijn kruis op de schouder draagt.
Toen ze op de plaats aankwamen waarover de Heer had gesproken, begon Abraham het altaar te bouwen en bond zijn zoon Izaäk vast. Hij strekte zijn hand uit naar zijn mes en uit zijn ogen stroomden tranen van medelijden en die vielen op de ogen van Izaäk. En toch was zijn hart opgeruimd, omdat hij de wil van zijn schepper deed. En de engelen die erbij moesten zijn verzamelden zich in scharen en riepen: ‘Op de smalle paden zijn geen mensen meer.’
Toen sprak de Heer tot Michaël: ‘Waarom sta je daar? Laat Abraham het niet doen.’
Toen begon Michaël naar Abraham te roepen die met de offerande begon en riep luid, zoals een mens door angst schreeuwt: ‘Wat doe je!’
Abraham keerde zijn gelaat naar hem en Michaël sprak tot hem: ‘Doe de jongen niets aan.

In andere boeken staat het zo geschreven:

Op dit uur hief Abraham zijn ogen ten hemel en sprak: Heer der wereld! Wanneer ooit mijn kinderen in ellende voor u zullen staan, gedenk hen dan in dit uur waarin ik voor u sta.’

.

Michaëlalle verhalen

Boeken over Michaël en de herfsttijd

Michaëlalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeld: Michaël (bordtekeningen e.d.)  jaartafel, (ook herfst)

Michaëlsliederen

.

1688-1583

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (46)

.

ER ONTSTOND EEN STRIJD

‘ES ERHUB SICH EIN STREIT’

Dit keer een doorverwijzing naar de achtergronden van Bachs cantate nr. 19

Ook cantate 149 is een Michaëlscantate:

men bezingt met vreugde de overwinning

MAN SINGET MIT FREUDEN VOM SIEG

Cantate 149

Michaëlalle artikelen

Michaëlsliederen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldMichaël       jaartafel

.

1687-1582

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (45)

.

Michaëlstijdperk

– storm in de engelenweek

Herfst. De kinderen zingen gloedvolle Michaëlsliederen in de warme hal, buiten blijft het elke ochtend iets langer donker. Nog een paar najaarsstormen en er is niets meer over van de mooie zomertooi…

Ook in het groot stormt het. Sinds begin vorige eeuw lijkt er zelfs wel een grootscheepse verbouwing gaande. Een wereldherfst – waarbij oude vertrouwde vormen en normen als blaadjes van de bomen waaien. Wat gebeurt er allemaal? Waarom gaan de huidige veranderingen zo snel en zijn ze zo radicaal?

Vanuit de antroposofie kan je daar een interessant licht op laten schijnen met de
‘engelenweek’ – een kosmische kalender waarin elke ‘dag’ een heel tijdperk bestrijkt onder leiding van een aartsengel. Wij leven volgens die kalender nu in een Michaëlstijdperk – een stormachtige periode die een kanteling inhoudt voor de hele mensheid.
Fasten your seat belts!

In de westerse esoterische traditie spelen aartsengelen een belangrijke rol. Ze staan bekend als beschermers van helden, profeten en volken. Je kunt ze ook zien als levende, archetypische krachten die telkens een noodzakelijke inspiratie in de wereldcultuur brengen. Aartsengelen wisselen daarbij de wacht, zegt Rudolf Steiner.

Zeven in getal, ze volgen elkaar op als kosmische weekdagen. Om de ongeveer 360 jaar waait er een nieuwe wind, waardoor de mensheid een volgend ontwikkelingsstadium binnengaat.
Waar zitten we nu, op de engelenkalender? Gisteren was het nog maandag – onder Gabriël. Omdat de kalender terugloopt, net als het lentepunt, is het vandaag dus zondag.
Die begon aan het einde van de negentiende eeuw, met het aanbreken van een
stormachtige periode onder leiding van de aartsengel van de zon: Michaël.

Oversteek

De beurt is dus nu aan de aartsengel Michaël.
Na zo’n 2500 jaar, (zeven tijdperken van 360 jaar), is het weer zondag op de engelenkalender. Kosmisch gezien is de week dus weer rond.
Maar kosmische zondagen zijn alles behalve ingetogen en stil.
Een Michaëlstijdperk betekent onrust, verwarring, maatschappelijke omwentelingen, oorlogen en crisis, naast ‘messiaanse’ verwachtingen van een ‘nieuwe tijd’. We staan als mensen dan ook opnieuw voor een belangrijke oversteek.
Het gaat daarbij om een brug tussen twee schijnbaar tegenstrijdige werelden – om de stap van een beperkt materieel bewustzijn naar een groter spiritueel bewustzijn.
Tijdens de vorige kosmische zondag, 2520 jaar geleden, of ‘vorige week’ in aartsengeltermen, werd de roerige Michaëlsperiode gekenmerkt door grote volksverhuizingen, oorlogen, ineenstortende wereldrijken en ingrijpende bewustzijnsveranderingen.
De grote Griekse filosofen ontdekten het hoger menselijk kenvermogen, Boeddha vond de weg naar het mededogen en de verlichting en de grote profeten Jesaja, Jeremia en Daniël voorspelden de komst van de Messias. Alles stond in het teken van de verwachting van iets ‘nieuws en groots.’ In de rustige periode daarna (een Orifiëlperiode) werd in Palestina Jezus geboren. Hij plantte een universeel, menselijk liefdesbewustzijn, en daarmee ook de kiem van een maatschappelijke vernieuwing. Christus (hoogste genius van diezelfde Jezus) heropende vervolgens de poort naar de goddelijke bron voor ieder mens, ongeacht spirituele rang, afkomst of sekse. Ons wordende mensen-ik kon na een lange persoonlijke weg bewust bij de Vader terugkeren. Dat betekende, na het oplossen van de menselijke identiteit in Nirwana als hoogste mogelijkheid, weer een grote spirituele omwenteling.

Paradigma shift

Zoiets staat nu weer te gebeuren. Het Palestina van toen ligt vandaag echter in het innerlijk van de individuele mens. We wachten op de geboorte van ons hoger Zelf. Dit Zelf is onze ware identiteit, ons stralende ‘zonnewezen’ dat altijd in contact is gebleven met de goddelijke oerbron. Als die kern ontwaakt, gaan er ‘wonderen’ gebeuren. Dan loop je zomaar over je eigen donkere water en pak je je persoonlijke missie op, om te doen ‘waar je voor gekomen’ bent. Dat kan op alle gebieden, want in een Michaëlsperiode is er ontzettend veel vernieuwingswerk aan de winkel.
Niet dat het allemaal vanzelf gaat. Veel oude structuren uit de voorafgaande
Gabriëlperiode hebben zich ingegraven – en staan haaks op de nieuwe lijn. Een Michaëlstijdperk gaat dan ook over een ware paradigma shift. Enorme tegenstellingen moeten in korte tijd overbrugd worden. Van ego naar eco, van mechanisch kopiëren naar bewust initiëren, van breindenken naar een alomvattend spiritueel bewustzijn – dat is nogal wat. Het verschil tussen maan en zon komt aardig in de buurt als metafoor.
Denken en voelen zullen verbonden moeten worden door de vurige wil om samen te werken, met het oog op een nieuwe tijd.

Verbinden van hoofd en hart

Ons bewustzijn is dus onder druk een flinke transformatie aan het doormaken. We zijn op weg naar het waarnemen van de totale werkelijkheid. Die werkelijkheid omvat ook de wereld achter het direct zichtbare. De geestelijke dimensie kan je pas ervaren als eerst het innerlijke denkvermogen ontwikkeld is – wat iets heel anders is dan het intellect. Het intellect, gezeteld in het fysieke brein, werkt binair, met zwart-wit tegenstellingen – en verloopt automatisch over gebaande paden. Het is gebaseerd op zelfbehoud en daarmee op angst. Het levende denken onderzoekt moedig en aanschouwelijk het onbekende. Het kent de tegenstellingen, maar zoekt naar de verzoening daarvan in een hoger potentieel geheel. Dat vraagt onbevangenheid, respectvolle liefde en scheppingsvreugde, ongeveer zoals je dat (onbewust) bij kleine kinderen ziet. De wereld is hier geen blinde machine of wreed roofdier, maar een fijnzinnig en intelligent levend wezen. Een zinvol organisme waar je zelf deel vanuit
maakt.
De mens zal hoe dan ook een perspectiefomslag moeten omarmen nu de oude denkwijze naar de afgrond leidt. De Michaëlskrachten zijn onverbiddelijk als het om onze innerlijke groei gaat. Dan gaat desnoods de hele zaak op de schop. In ons eigen belang.

Michaël als kosmische change manager

En dat zien we nu dus ook gebeuren. De Michaëlische impuls gaat als een bazuinstoot door de wereld. Alles wat de menselijke toekomst niet waardig is, wordt onder onze ogen afgebroken en weggeblazen – de ernstige effecten van ons eigen eenzijdige gedrag.
De ecologische, economische, sociale en morele crises laten zien dat er iets niet klopt aan onze huidige paradigma’s.
Veel van wat in de afgelopen Gabriëlperiode materieel tot stand is gebracht aan intellectuele zekerheden, luxe, technische wildgroei en onevenwichtig verdeelde welvaart zal moeten worden losgelaten. Een abstract darwinistisch wereldbeeld, gebaseerd op biologische overlevingsmechanismes als het recht van de sterkste, staat op het punt te verkruimelen. Het puur mentaal georiënteerde bewustzijn staat binnenkort buiten met lege handen, zonder innerlijk vuur of voedsel voor de ziel.
Michaël wil voorkomen dat wij als mens vastlopen. Hij blaast ons dus uit ons lauwe bed en spoort met grote kracht aan tot handelen. Als hemelse aanvoerder is hij ook de aartsengel van de wil en de actie. Er moeten lichtende toekomstideeën verzameld en uitgevoerd worden. Maar zolang al dat ‘doen’ nog niet gekoppeld is aan innerlijk besef, zien we vooral veel activiteit – in tomeloze bouwwoede, reisgekte, handelkoorts, veranderdrift en vernieuwingszucht. De wereld heeft zichtbaar moeite met haar ommezwaai van een materialistisch naar een innerlijk ankerpunt, ook al is het Gabriëltijdperk allang voorbij. Daarbij gaat het niet om het wegwerpen van alles wat geleerd werd in het afgelopen tijdperk. Onze ontdekkingen op het wetenschappelijke, intellectuele en materiële vlak moeten echter gebalanceerd worden met het rijk van hart en ziel. Zo delen we bijvoorbeeld als mensheid onze lichamelijke afstammingslijn wel met het dier, maar geestelijk stammen we daar niet van af. Een cultuur die de dimensies van liefde en moraliteit fundamenteel uitsluit van de zogenaamde ‘werkelijkheid’, maakt uiteindelijk een beest of machine van de mens. De sociale toepassing van Darwin’s biologische ontdekkingen zijn het treurige gevolg van de eenzijdige gerichtheid op het stoffelijke.
Die schijnbare storm van tegenstellingen tussen het fysieke en het geestelijke kunnen we echter leren verzoenen. Nieuw land, vaag zichtbaar vanuit het tollende kraaiennest.

De waarheden van het verstand

Om naar nieuw land te kunnen navigeren in de storm moet je eerst weten waar je bent.
Onder leiding van Gabriël sloot de spontane toegang tot de hogere werelden zich, om de mens zelfstandig te leren denken. Deze begon – nu zonder de hulp van de ‘goden’ – zijn situatie eens goed onder de loep te nemen. Hij stond alleen, in een onttoverde wereld en werd als het ware wakker op het aardse plan. De natuurwetenschappen, die de wereld beschreven aan de hand van waarneembare verschijnselen, ontstonden, Newton liet het heelal zien als een mechanisch uurwerk, Darwins volgelingen stelden een evolutietheorie op die de mens in een rechte afstammingslijn met de aap plaatste.
Deze gedachten – want dat waren het – werden als harde feiten door het jonge bewustzijn omarmd. Alleen het fysieke bestond! In een Gabriëltijdperk lijkt de materiële wereld absoluut. Daardoor kan het intellect zich ontwikkelen, maar blijft het innerlijk begrip van de wereld beperkt tot het materiële. Zo raakte de mens geleidelijk gevangen in een schijnbaar onverschillige evolutie, binnen een zinloos en mechanisch heelal. Hij had vrij spel met zijn wetenschap, maar stamde plotseling af van het dier in plaats van de goden. Wat de mens vroeger vanzelfsprekend ‘God’ noemde viel zelfs helemaal uit elkaar – als hij nu naar de hemel keek, zag hij een koude, inktzwarte ruimte vol eeuwig draaiende bolletjes. Friedrich Nietzsche, de getergde filosoof van het nihilisme dat de nadagen van het Gabriëltijdperk kenmerkte, vatte de toestand samen met de droevige mededeling ‘God is dood’.
Zelfstandiger kon de mens niet worden.

De ontketende krachten van de wil

Zolang de poorten van de geestelijke wereld nog gesloten waren, bleven de materiële gedachten wat ze waren: gedachten. Maar bij de dageraad van het Michaëlstijdperk, rond 1880, werd de hemelpoort als het ware opnieuw geopend. Een enorme geestelijke kracht vloeide plotseling binnen in het wilsgebied van de mens. Een storm van gebeurtenissen was het gevolg en de heersende gedachten werden realiteit. In korte tijd veranderde de wereld van een dromerig dorp in een stampende, industriële metropool.
De wil is een ‘magisch godengeschenk’ dat ons in staat stelt daadwerkelijk onze eigen wereld te scheppen. Maar we ontketenen daarbij ook krachten die we nog niet in de hand hebben. Dat werd goed zichtbaar in de afgelopen eeuw. De materialistische denkbeelden die overal hadden postgevat waren relatief ongevaarlijk zolang het mensenverstand er nog niets mee kon doen. Michaëls wekroep zet de mens echter aan tot direct geïnspireerd handelen. Het is daarbij aan ons, waardóór we onze ontwaakte wil laten aansturen. Is je ideaal geworteld in vrijheid en de liefde of in controle en zelfzucht? In mededogen of in macht? Wat we de afgelopen eeuw vooral hebben gezien, is de koppeling van het koude, abstracte verstand aan de toekomstgerichte wil.
Die combinatie had de stormachtige ontwikkeling van de techniek tot gevolg, zonder oog voor de noden van de ziel of de aarde. Als de wil slechts materialistische denkbeelden in ons ontmoet, worden er ontmenselijkte werelden geschapen – die elkaar ook weer mechanisch vernietigen.
Intussen moet de mens als kleine tovenaarsleerling maar zien te overleven in zijn zelf opgeroepen hel.
Zo voltrokken zich de verschrikkingen van de twee wereldoorlogen, vervolgingen en genocide met als sinistere climax de atoombom. – een demonische, dodelijke versie van de zon; wetenschappelijke creatie van een inmiddels zélf occult geworden materialisme.
De technische mogelijkheden leidden de wereld tot de rand van de afgrond, waaruit uiteindelijk dit ‘beest’ oprijst. Tegelijk werden er ook diepe inspiraties in de wereld gebracht, die de mens weer naar zijn hogere natuur wendden.
Rudolf Steiner, een Michaëlische denker en doener pur sang, slaagde erin om te midden van de chaos die inspiraties in maatschappelijke hervormingen om te zetten, zoals de vrijeschool en de biologisch-dynamische landbouw.
De antroposofie is van oorsprong dus een vernieuwingsbeweging en is dat nog steeds, ondanks interne en externe ‘maankrachten’ die de nieuwe, levende stroom proberen tegen te houden.

Verzoeningskrachten

Als hoofd en hart elkaar in het menselijke midden echt ontmoeten en leren begrijpen, hoeven we de non-keuze tussen naïef geloof of een materialistisch wereldbeeld niet meer te maken. De verzoeningskrachten zullen het scheppingsfundament van de liefde steeds meer zichtbaar maken, ook sociaal, als levende spirituele ruimte tussen de mensen. Daarin kan veel goeds geschapen worden.
Het omploegen van de wereldakker is nu al een flinke eeuw gaande – en de kluiten zullen ons nog wel een tijdje om de oren vliegen. Op deze stormachtige zondag worden lichtkiemen in ons gezaaid. We worden opgeroepen om vanuit ons eigen, morele liefdesvuur te handelen. Dat vergt moed, maar de vreugde van het medescheppen is er niet minder om.
Dit is de zevende keer dat Michaël aan het roer staat van de opgroeiende mensheid.
Ook in die zin is deze tijd een sluitstuk. Het doek dat ons van de wereld van de geest scheidt is aan het scheuren. Maar er is niets om bang voor te zijn – Michaël is altijd de heraut van een nieuwe liefdesopenbaring.

Bron:
Het tijdperk van Michaël, de mens op de drempel naar en nieuwe tijd – Emil Bock, Uitgeverij Christofoor, 1986

(Quote Bock: ‘De aartsengel Michaël verschijnt als de grote, inspirerende genius van dit tijdperk. Door hem begint het doek te scheuren, dat ons van de wereld van de geest scheidt. Zo wordt langzaam de taak van de huidige mens herkenbaar: zonder vrees het innerlijke met het uiterlijke verbinden en in het religieuze leven niet meer voorbijgaan aan een helder denken.’)

DE ENGELENWEEK, wat is dat?
De aartsengelen, zeven in totaal, geven om de beurt gedurende ongeveer 365 jaar leiding aan de mensheid. Achtereenvolgens geven Michaël (zon), Gabriël (maan), Samaël (mars), Rafaël (mercurius), Zachariël (jupiter), Anaël (venus) en Orifiël (saturnus) een inspiratie-impuls die samenhangt met hun planeetsfeer. Als alle zeven aartsengelen hun ronde voltooid hebben is er 7 x 360 jaar verstreken, ofwel een astronomisch zonnejaar van 2520 jaar. Vele grote cultuurtijdperken hebben om en nabij die duur gehad.

Met toestemming van de auteur, Maritgen Matter.
Het artikel verscheen in ‘De Seizoener’, herfst 2013

.

Over het Michaëlisch tijdperk

Michaël: alle artikelen

Michaëlsliederen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

1686-1581

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (10-2)

.

MICHAËL STELT DE OFFERVAARDIGHEID VAN MOZES OP DE PROEF

Een Hebreeuwse legende

Op een dag kwam er een duif haastig op Mozes, de grote profeet, toegevlogen en ze smeekte hem: ‘Genade, o profeet van God! Een havik zit me achterna, red mij!
Mozes gaf het bange dier een schuilplaats door het meteen onder zijn mantel te stoppen.
Toen kwam de havik aangevlogen en sprak de profeet aan: ‘Ach, Mozes, ik heb zo’n erge honger – ik heb voedsel nodig, mijn jongen ook -, en omdat je nu mijn buit afpakt, doe je mij een groot onrecht.’
‘Wel, havik’, antwoordde Mozes, ‘wil je van mij nu deze duif terug of wil je gewoon wat eten hebben? In het eerste geval moet ik je zeggen dat dit onschuldige dier bij mij bescherming zoekt en dat ik onder geen voorwaarde in zal stemmen met zijn dood. In het andere geval zal ik mijn best doen om je niet met lege handen naar huis te laten gaan.
Toen de havik geantwoord had dat het hem ging om wat voor voedsel dan ook, sneed Mozes van zijn heilige ledematen net zoveel vlees af als een duif weegt en hij wilde het juist aan de havik geven, toen deze tot hem sprak: ‘O, profeet van God, ik ben Michaël en wat je denkt te zien als een duif, is Gabriël. De reden dat we in deze gedaante naar je toe gekomen zijn, is om je grootmoedigheid en je edele gedachten te onderzoeken en kenbaar te maken.’

Met deze woorden verdwenen ze.

.

Deze legende is te vinden in ‘Aus Michaels Wirken‘ van Nora von Baditz

.

Michaëlalle artikelen

.

1685-1580

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 2 (2-7-2)

.

Enkele gedachten bij blz. 41 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Steiner:

Wir haben allerdings selbst in der leiblichen Offenbarung einen dreifachen Ausdruck dieser Sympathie und Antipathie. Gewissermaßen drei Herde haben wir, wo Sympathie und Antipathie ineinanderspielen. Zunächst haben wir in unserem Kopf einen solchen Herd, im Zusammenwirken von Blut und Nerven, wodurch das Gedächtnis entsteht. Überall, wo die Nerventätigkeit unterbrochen ist, überall, wo ein Sprung ist, da ist ein solcher Herd, wo Sympathie und Antipathie ineinanderspielen.

En nu zijn ons zelfs op drie plaatsen in ons lichaam de sym­pathie en antipathie geopenbaard. We hebben in zekere zin drie centra waarin sympathie en antipathie met elkaar in wisselwer­king zijn.

Het eerste centrum in het hoofd.

Een tweede – n0g zo’n sprong –  in het ruggenmerg:

Ein weiterer solcher Sprung findet sich im Rückenmark, zum Beispiel wenn ein Nerv nach dem hinteren Stachel des Rückenwirbels hingeht, ein anderer Nerv von dem vorderen Stachel ausgeht.

Ten tweede is er zo’n sprong in het ruggenmerg, bijvoorbeeld waar één zenuw de achterwortel van het ruggenmerg binnengaat en een andere de voorwortel uitgaat.

An drei Stellen unseres Organismus, im Kopf, in der Brust und im Unterleib spielt das hinein, da sind Grenzen, an denen Antipathie und Sympathie sich begegnen. Es ist mit Wahrnehmen und Wollen nicht so, daß sich etwas umleitet von einem sensitiven Nerven zu einem motorischen, sondern ein gerader Strom springt über von einem Nerven auf den anderen, und dadurch wird in uns das Seelische berührt: in Gehirn und Rückenmark. An diesen Stellen, wo die Nerven unterbrochen sind, sind wir eingeschaltet mit unserer Sympathie und Antipathie in das Leibliche; 

Op drie plaatsen in ons organisme – in het hoofd, in de borst en in het onderlichaam – speelt zich dat af, zijn er grenzen waar sympathie en antipathie elkaar ontmoeten. Met waarnemen en willen is het niet zo dat er iets van een sensitieve zenuw naar een motorische zenuw wordt omgeleid, maar er springt recht­streeks een stroom van de ene zenuw over op de andere en daardoor wordt in ons, in de hersenen en in het ruggenmerg, de zielenwereld aangeroerd. Op deze plaatsen waar de zenuwbanen onderbroken zijn, zijn wij met onze sympathie en antipathie verbonden met het lichaam;

Hoe ‘de sprong’ plaatsvindt in van de ene zenuw naar de andere, m.n. waar ‘één zenuw de achterwortel van het ruggenmerg binnengaat en een andere de voorwortel uitgaat’ heb ik nog niet zo duidelijk kunnen vinden als wat betreft ‘de sprong’ in het hoofd. [2-7-1]

Anatomisch zijn de voor- en achterwortel duidelijk aanwijsbaar:

Bouw van het ruggenmerg

1- witte stof
2 = centrale kanaal
3 = grijze stof
4 = achterwortel
5 = voorwortel
6 = ruggenmergszenuwknoop
7 = ruggenmergszenuw
8 = vetweefsel
9 = wervellichaam

Ook Leber geeft geen duidelijke uitleg over ‘de sprong’ bij de voor- en achterwortel, hoewel hij nog uitgebreid ingaat op veel anatomische bijzonderheden i.v.m. de opvatting van Steiner dat het astraallijf en het Ik van de mens ’s nachts anders functioneren dan overdag.

Ook voor de zenuwknoop – ganglion – geeft hij geen nadere toelichtingen die de woorden van Steiner zouden kunnen verduidelijken.
Het woord -ganglion- betekent ook: Een ganglion is een bobbeltje aan uw pols, vinger of voet. Dit is een uitstulping van de peesschede of van het kapsel van het gewricht. [bron]

Meer over de zenuwknoop.
Uit deze informatie blijkt niet overduidelijk dat het alleen om de plaatsen gaat die Steiner zo duidelijk onderscheidt: 3 plaatsen:
Ganglia bevinden zich overal in het lichaam, maar zijn geconcentreerd in de zintuigen en in de wervelkolom.

Wel blijkt uit de informatie dat een zenuwknoop een groep zenuwcellen is – het zijn neuronen en – die beschikken over een synaps – zodat de conclusie gerechtvaardigd lijkt, ook de ganglia de mogelijkheid van ‘de sprong’ toe te schrijven.
De opmerking van Steiner dat ‘de sprong’ zich op 3 plaatsen zou bevinden, moeten we wellicht anders lezen.
Er zijn vele ‘sprongen’, zoals de informatie al aangeeft: in het hele lichaam. Steiners 3 plaatsen lijken me te duiden op ‘geconcentreerd in hoofd, wervelkolom, tot in het gebied van het onderlichaam. (Je zou bijna geneigd zijn te zeggen: in hoofd, romp en ledematen als we de laatste beperken tot zijn component: stofwisseling-(ledematen).

Bos zegt in zijn artikelNu onstaat de vraag: waarom is de zenuwbaan onderbroken? Als de zenuwen niet onderbroken zouden zijn, zouden wij niet ingeschakeld kunnen zijn in het hele proces van de hersenenacitivteit. Alleen door het feit dat de impuls hier bij de plaats waar de onderbreking is, overspringt, zijn wij zelf aanwezig in de wereld, daardoor zijn wij zelf bij deze impuls aanwezig.

Mijn vraag zou nu zijn: zijn wij dan bij elke sprong in ons hele lichaam ‘aanwezig’. En in gelijke mate? Of krijgen we hier te maken met het drietal ‘wakker – dromen – slapen’, zodat het ‘erbij zijn’ afgezwakt wordt.

En als we ‘erbij zijn’: heeft dat invloed op welke transmitters er afgevuurd worden. Als ik schematisch zeg: als we erbij zijn in toestand A (bang, blij, opgewonden) worden er dan andere transmitters actief dan wanneer ik mij bevind in toestand B (onverschrokken, droevig, in alle rust). 

En wat kan zo’n vraag voor het pedagogisch-didactisch handelen betekenen.

Als ik een leerling iets aanleer, kan ik mij afvragen: ‘hoe is hij er nu bij’. Met sympathie, of met tegenzin. 
Kun je ook vragen of er verschil in afgevuurde transmitters zit bij ‘het met sympathie erbij zijn of met tegenzin’. En waar blijven die stoffen. Ligt hier een antwoord op de wonderlijke conclusie die Steiner trekt wanneer hij een ‘verkeerde’ opvoeding soms koppelt aan fysieke klachten op latere leeftijd?

Kortom: veel (onzinnige?) vragen? Op zoek maar weer!

.

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] 
GA 295
Praktijk van het lesgeven
.

.

Algemene menskunde: voordracht 2: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1684-1579

.

.

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsproblemen (4)

.

Joyce Honing en Petra Weeda, Weleda Puur Kind, nr.7 lente 2001
.

Springen en stampen om rustiger te leren bewegen
.

Aan de manier waarop een kind loopt is veel af te lezen.
Kleine belemmeringen in de beweging weerspiegelen vaak een ander probleem. Een goede manier om te doorgronden waarom je kind zich beweegt zoals hij doet, is het nabootsen van zijn loopbeweging. Het navoelen van zijn uiterlijke beweging kan verduidelijken wat je kind innerlijk beweegt.
Kindertherapeute Joyce Honing geeft voorbeelden uit haar praktijk.

Aan de hand van haar pappa komt Lotje de praktijk binnen. Lotje is een stevig blond meisje van bijna zes. Door de sterke bouw van haar lijfje lijkt Lotje alles in zich te hebben om veel te bewegen en actief te spelen. Maar het probleem is juist dat ze dat niet doet. Ze is heel erg verlegen, durft niet bij vriendinnetjes te spelen, gaat niet naar verjaardagspartijtjes en speelt niet buiten als het mooi weer is. Het liefst kruipt ze stil in een hoekje met haar barbies of een boekje. Het stoort haar ouders dat Lotje zich niet sociaal gedraagt en ze vinden het niet gezond dat ze geen plezier heeft met andere kinderen.
Als Lotje een mager, gevoelig kindje was geweest, zou ik haar ouders adviseren vrede te hebben met haar wat schuwe teruggetrokkenheid. Maar bij Lotjes lichamelijke gestel past die terughouding niet. Het lijkt erop dat haar iets dwars zit, maar ik vind daarvoor geen aanknopingspunten. Ze heeft het fijn op school, ze kan goed opschieten met haar jongere zusje en het gezin, waarin de vader
full-time moedert, is warm en veilig. Wel heb ik bij het binnenkomen gemerkt dat Lotje een beetje struikelend over de drempel kwam. Haar linkervoet blijkt sterk naar binnen gericht te staan. Als ze loopt draait het stevige linkerbeentje mee naar binnen en de rechterschouder naar achteren zodat haar lijfje wat scheef op haar heupjes komt te staan.

Voet- en teenspelletjes

Als ik een kind zie met een probleem waarvan me de oorzaak niet onmiddellijk duidelijk is, probeer ik vaak zelf een poosje te lopen zoals ik het kind heb zien doen. Door dat te doen kan je van binnenuit begrijpen met welk bewegingsgevoel dit kind in het leven staat. ’s Avonds loop ik thuis in de houding van Lotje. Wat me onmiddellijk opvalt is dat met zo’n sterk naar binnen gedraaide voet alle ritme uit het lopen verdwijnt en het een hortende beweging wordt. Mijn lichaam schommelt alsof ik iets zwaars draag. Ik deed met mijn kinderen een tikspelletje rond de tafel en merkte dat ik, ondanks mijn inmiddels opgedane behendigheid met de naar binnen gekeerde voet, telkens werd getikt en niet eens in staat was mijn jongste dochter af te tikken. Er bekroop me een gevoel van machteloosheid en de neiging om af te haken. Daardoor drong het tot me door dat er met Lotje waarschijnlijk op het sociale vlak niets mis is, maar dat ze door de constante belemmering in haar beweging teruggetrokken is geworden. Om haar terughoudendheid te overwinnen, zal ik samen met Lotje moeten proberen of we haar loopbewegingen wat vloeiender kunnen laten worden.

De eerst volgende keer dat ik haar zie laat ik haar met blote voetjes en de ogen dicht op een handdoek staan en wijs een voor een haar teentjes aan. Ik vraag haar die te benoemen, maar dat lukt haar niet. Ze heeft geen enkele verbinding met haar voetjes en teentjes.
Sindsdien doen we al weken voet- en teenspelletjes. Ik leg bijvoorbeeld een parcours van blaadjes papier als eilandjes over de grond. Lotje is de reus die met de ogen dicht tastend van eiland naar eiland stapt. Haar oogjes moeten nu bij wijze van spreken tot in haar grote teen zitten. We schrijven met de teentjes in zand, met een krijtje tussen de tenen op een groot vel papier en we doen evenwichtsspelletjes. Lotje begint plezier te krijgen in de spelletjes en ik zie dat haar gespannen schoudertjes zich iets gaan ontspannen. Lotjes ouders vonden het aanvankelijk maar vreemd dat ik bij een kind met een sociaal probleem bij de voetjes begin te werken. Maar intussen zien ook zij dat Lotje haar schuwheid – die in dit geval duidelijk werd veroorzaakt door een lichamelijke belemmering – begint te overwinnen nu ze zich langzaam aan wat soepeler en zekerder leert bewegen.

Achter je hoofd aan rennen

Bij veel opvoedings- of ontwikkelingsproblemen biedt beweging een beter aangrijpingspunt voor de therapie dan het psychisch uitdiepen ervan. Ook als het probleem ogenschijnlijk niets met een stoornis in de bewegingen te maken heeft. Zoals bij Vera.
Vera is een opvallend hip gekleed, vrolijk meisje van vijf met blonde krullen en heldere blauwe kijkers. Ze is erg onrustig. Zó onrustig dat haar moeder er radeloos van wordt en vreest dat haar dochter duidelijk een ADHD-geval is. Ik zie dat Vera bij het lopen met haar hoofdje naar voren neigt en dat haar beentjes het hoofdje nauwelijks kunnen bijhouden. Het is alsof ze voortdurend naar voren valt. Aanvankelijk wijt ik dat aan haar hoge plateauzolen, maar ook als ze schoenen en sokken uit heeft lopen haar beentjes hulpeloos en ongericht achter haar koppie aan. Terwijl we naar de fysio-therapieruimte lopen duikelt ze een paar passen voor me uit en bij het balspelletje dat ik met haar speel is ze onrustig en afwezig.

Als ik die avond thuis probeer te lopen als Vera, merk ik dat ik snel geïrriteerd raak en zelfs een beetje angstig word. Alsof ik onbetrouwbare grond onder de voeten heb. Vera’s moeder vertelt me dat haar dochtertje nogal een ‘luie’ baby was. Ze hebben flink met haar moeten oefenen en haar moeten belonen voor ze wilde gaan lopen. Dat verbaast me niet.

Eigenlijk loopt Vera nog steeds alsof ze dat niet zelf wil maar door een elastiekje aan haar hoofd wordt vooruitgetrokken. Haar buikje, benen en voetjes doen doelloos en druk mee in de bewegingen.

Vera zal moeten leren haar bewegingen te structureren door te merken dat ze minder chaotisch worden wanneer ze er een duidelijk doel mee heeft, wanneer ze beweegt omdat zij dat zelf wil. Om haar dat te leren voelen, vertel ik haar verhaaltjes over mieren, mollen en muizen. Ik vraag haar bij de mier haar linker-voetje te stampen, bij de mol haar rechtervoet en bij de muis een sprongetje te maken. De eerste keren dat we dit spelletje doen, springt en stampt ze op bijna ieder woord. Gaandeweg leert ze eerst een ogenblik te luisteren, even naar binnen te trekken en dan pas te doen. We hadden een week of zes nodig voordat Vera’s hoofdje minder naar voren ging neigen en haar bewegingen wat rustiger werden.

Olleke bolleke

Ook bij spraakproblemen merk ik vaak dat bewegingsspelletjes beter helpen dan het naspreken van woorden bij de logopedist. Daar leert een kind woorden uitspreken die niet van hemzelf zijn, terwijl het de taal juist moet kunnen vormen op een manier die past bij zijn bewegingen. De manier waarop een peuter of kleuter spreekt, hangt ook nog sterk samen met zijn lichamelijke gestalte. Over het algemeen spreekt een stevig, gespierd kind krachtig; een wat mager, gevoelig kind bedachtzaam; een speels vlindertje snel en een beetje onsamenhangend en het rustige kind met bolle wangetjes en een bol buikje langzaam, alsof hij ieder woord eerst voorproeft. Zo’n mollig kindje dat graag eet en zich wat traag beweegt, kan moeite hebben met de krachtige klank van een aantal medeklinkers. Vaak stromen de klanken ongevormd uit zijn mond. Dat kun je verbeteren door samen met je kind juist sterk gevormde bewegingen te maken en handspelletjes te doen zoals bijvoorbeeld Olleke, bolleke. Daarbij gaat het niet zozeer om het uitspreken van de moeilijke klanken, maar om het maken van stevige, dichte vuistjes die krachtig op elkaar worden gestapeld. Naarmate de vuistjes flinker worden gebald en de toren rechter wordt, zullen de medeklinkers vanzelf te voorschijn komen en de spraak steviger worden.

.
Meer over bewegen

Ontwikkelingsbelemmeringen: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

1683-1578

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (5)

.

de hedendaagse strijd van Michaël

Een rijke kindertijd is een bron van rijkdom voor het latere leven.
Feesten die op een mooie manier gevierd zijn, vormen herinneringen aan de kindertijd.
Oeroud zijn de feesten omtrent het keren van de zon in winter en zomer.
Kerst en Pasen werden belangrijke feesten voor het christendom. Met de prachtige gebruiken die in een beeld de zin verduidelijken, maken ze grote indruk op de ziel van het kind.
Het feest voor de herfst, die Michaëlstijd heet, is daarentegen nog een jong feest dat in wording is, omdat nu pas in de ziel van de mens de krachten ontstaan die tot een Michaëlsfeest kunnen uitgroeien. We moeten nog leren dit feest te vieren. Wat een opdracht voor opvoeders die dit toekomstige moeten voorbereiden!

De voorschristelijke feesten waren steeds verbonden met het leven in de natuur; de christelijke feesten horen meer bij het morele leven van de mensenziel. Voor het geestesleven van nu is het een verheven doel het moreel – geestelijke en het zintuiglijke natuurleven waarvan de samenhang voor het menselijk bewustzijn al zo lang gescheiden is, weer met elkaar te verbinden. Het zou een verdieping betekenen in de geschiedenis van het geestelijke wanneer feesten gevierd zouden kunnen gaan worden wanneer beide elementen meegenomen worden: het meeleven met de Christus in het verloop van het jaar en de werking van dezelfde goddelijkheid in de natuur.

De michaëlsdag op de kalender is 29 september.
Het beeld van de aartsengel die de draak overwint, is het grote oerbeeld voor een herfstfeest.
De Bijbel schetst hoe Michaël bij de opstand van de engelen de grote tegenwerker, die draak wordt genoemd, overwint en hem uit de geestelijke werelden verstoot. Hij leeft sindsdien in de zintuigwereld van de aarde als geestelijk wezen

Rudolf Steiner zet uiteen dat de opstandeling in de onschuldige, uiterlijke natuur die een spiegel is van het goddelijke, niet kan leven, maar dat hij een verblijfplaats heeft gevonden in het innerlijk van de mens.
En Michaël voert nu de strijd tegen de draak in het innerlijk van de menselijke natuur verder, wanneer de mens zich met hem (Michaël) verbindt.

De monnik in de middeleeuwen streedt door zelfkastijding en vasten tegen zijn eigen lagere natuur alsof het een draak was.
In de loop der tijden wordt niet alleen de mens anders, maar ook de engelen en de verleidende machten.
Wat kunnen we nu onder de gestalte van de draak verstaan?
Om een werkelijk antwoord op die vraag te krijgen, is het noodzakelijk in te zien dat de verleidingsmachten van twee kanten de mens proberen in hun greep te krijgen. Ze kunnen hem van binnenuit, vanuit zijn ziel bedriegen of van buitenaf, vanuit de zintuigwereld.
‘De begeerte is de wortel van alle kwaad’, zegt de Bijbel. Wie meer wil zijn, dan hij is, wordt eerzuchtig (het Duits heeft hier de woorden ‘Geiz’ en ‘Ehrgeiz’, wie maar wil hebben dan nodig is, zit vol begeerte. Ehrgeiz en Geiz bijv. zijn een uitdrukking van deze dubbele kans om verleid te worden.

De dubbele gestalte van de duivel is op veel middeleeuwse prenten nog te zien in bijv. de slang van het Paradijs die aan de bovenkant de gedaante van een vrouw aanneemrt, aan de onderkant die van een slang. Ook in oude spelen, waarin de duivel de naam Lucifer en Satanas draagt, komt die dubbele natuur tot uitdrukking, bijv. in het Reditiner Paasspel. Daarin wordt getoond hoe die twee elkaar sterker maken. Wanneer de verleiding van Satanas slaagt, zijn er voor Luifer ook nieuwe kansen in de strijd om de mensenziel. Uit het Oosten komen de namen Lucifer en Ahriman.
Heel vaak zijn de beide figuren niet duidelijk van elkaar te onderscheiden, heeft de ene trekken van de andere.
Wat hier in een beeld uitgedrukt wordt, kan psychologisch door waarneming door ieder mens gevonden worden die zelfkennis probeert te krijgen.

De verleiding van buitenaf door de zintuigen heeft er steeds meer toe geleid dat de mens die de wereld waarneemt de geestelijke kant van de natuur is gaan verliezen.
Tegen dit gevaar hoefden de mensen die in wat in de natuur werkzaam was, nog gnomen en elfen waarnemen, vroeger niet te strijden.
Voor nu ligt hierin een opdracht.
De wereldmacht die met de slang omschreven wordt, heeft zijn werking er steeds op gericht de mens uit het paradijs van zijn geestelijk thuis te verdrijven en hem alleen voor waar te laten houden  wat hij in de zintuigwereld ziet.
Nu vandaag de dag de uiterlijke kant van de zintuigwereld uit en te na onderzocht is, is het innerlijk van de natuur voor de beleving van de mens verloren gegaan. Er is heel veel inspanning nodig om de weg daartoe weer terug te vinden en bij de inspanning hoort moed.

Dat is heden de strijd van Michaël tegen de draak.

Vroeger konden de natuurwezens met de mens samenleven. Alle sagen spreken daarover. Zij hebben het samenleven met de mens nodig en krijgen daardoor deel aan geestelijk leven, dat zij alleen niet kunnen hebben. Zij vereenzamen sinds de mens ze niet meer beleven kan. Voor de mens zijn ze dood, maar daardoor zijn ze in de invloedsfeer van de draak gekomen.

Rudolf  Steiner beschrijft de draak in de mens als een ‘bovenzintuiglijk wezen in de wereld van de zintuigen’, dat door zijn bestaan naar zich toetrekt en ermee verbindt ‘wat uit de verten van de natuur naar de mens toestroomt als iets wat bovenzintuiglijk elementair is…., en in plaats dat de mens door wat hij in zijn ziel meedraagt, door zijn gevoel de elementairwezens, bijv. van de planten, verlost uit hun betovering, verbindt hij ze juist met de draak, laat hij ze in zijn lagere natuur met de draak ondergaan’.

Alles wat als een nieuw kennen van de natuur nagestreefd wordt, waarbij de mens niet alleen maar met zijn intellect, maar als totale mens actief is, is een deel van het grote streven, van die strijd die Michaël in de mens met de draak aangaat.
Rudolf Steiner beschrijft hoe de wezens in de wereld er in hun eenzaamheid aan toe zijn: ‘De lelie wanneer ze haar bladeren, met name haar bloembladeren uitvouwt, wacht eigenlijk op iets. Zij zegt bij zichzelf: ‘Er zullen mensen aan mij voorbijlopen, mensen die naar me kijken en wanneer er genoeg mensen hun blik naar me richten, zal ik – dat zegt de geest van de lelie – bevrijd worden van de betovering en kan ik mijn weg in de geestelijke wereld beginnen…..’

Overal in onze omgeving zijn deze elementairgeesten en die roepen eigenlijk naar ons: ‘Kijk toch niet zo abstract naar de bloemen en maak er toch niet van die abstracte beelden van, maar open je hart, je gevoel voor wat er aan geest en ziel in deze bloemen huist! Dat wil zo graag verlost worden uit een betovering, door jullie!
En het menselijk bestaan zou eigenlijk  een voortdurende verlossing moeten zijn van de betoverde elementairwezens in de gesteenten, planten en dieren.”

Ieder mens kan de waarheid van deze bewering ervaren. Die spreekt duidelijk uit wat invoelend de eigen ziel zegt.
Deze strijd van Michaël met de draak is in deze tijd alleen mogelijk, wanneer de mens eraan deelneemt door de manier waarop hij zijn kennis gebruikt. Op de mens en hoe hij zich geestelijk ontwikkelt, wachten eigenlijk alle wezens in de wereld. Wanneer de kennis van de natuur zich verruimd tot kennis van de geest, wordt het verlangen van de elementairwezens aan wie de mens dank verschuldigd is, vervuld.

De sprookjes zijn de beelden van de wegen die de ziel van de mensheid gaat. Het kan niet anders dan dat in veel sprookjes het michaëlsmotief zit.

Dat wordt hier duidelijk bij het sprookje van Sneeuwwitje.

De stiefmoeder heeft Sneeuwwitje, de mensenziel, uit het rijk van de koning, het geestesrijk, verstoten in het donkere bos van het aardse, lichamelijke leven. De jager, die in vele sprookjes als goede helper verschijnt, zorgt ook hier voor een goede wending van wat de koningin zo boosaardig voorstond. Hij doodt Sneeuwwitje niet, maar laat haar leven; d.w.z. op het aardse plan moet haar zelfbewustzijn bewaard blijven. Sneeuwwitje komt bij de dwergen.
‘Wie heeft er van mijn bordje gegeten? Wie heeft er van mijn brood genomen?’ In deze vragen komt tot uitdrukking hoe ieder mens leeft van wat de elementair wezens toebehoort. De dwergen houden van Sneeuwwitje die voor hen zorgt.
Maar de stiefmoeder kijkt in haar spiegel. De spiegel is het voorwerp dat van de natuur aan de zintuigen aanbiedt, wanneer je niet achter de sluier van de uiterlijke verschijningsvorm kan doordringen. Voor de dwergen die Sneeuwwitje nodig hebben, is de menselijke ziel het mooiste wat er voor hen bestaat. ‘O, koningin, u bent de mooiste hier’ (hier in het rijk van de zintuiglijke schijn), zegt de spiegel, ‘maar Sneeuwwitje over de bergen (dat is de grens van de twee werelden) bij de zeven dwergen (bij de elementairwezens) is duizendmaal schoner dan gij”.
De menselijke ziel wordt nog meer door de boze koningin, je kan ook zeggen door de slang of de draak, vervolgd. Eerst snoert de koningin haar in. Het beeld van de insnoering wil zeggen dat de grotere wereld van het zielenleven steeds meer in het lichaam samengedrukt wordt. Als gevolg daarvan valt Sneeuwwitje flauw en is ze blind voor het rijk van de elementairwezens.
Daarna wordt ze met de kam vergiftigd. Het haar duidt op een verbinding van het hoofd met de geestelijke wereld. Het kammen lijkt een beeld voor die kracht van het denken die alles uiteenrafelt (uitkamt) en ordent. Omdat de dwergen Sneeuwwitje en het samenzijn met een menselijke ziel nodig hebben, waarschuwen ze voor de boze koningin, die haar van hen wil scheiden.
Het beeld van het eten van de appel herhaalt op tere manier het Paradijsverhaal waarin nog duidelijk het bewustworden van het eigen lichaam en de zintuigwereld doorklinkt.
In het sprookje wordt de gang van zaken vanuit het beleven van de elementairwezens geschilderd voor wie Sneeuwwitje is gestorven, terwijl ze voor de zintuigwereld wakker wordt. De dwergen en de vogels, je kan ook zeggen heel de elementairwereld, knielt bij haar kist waarin het ‘dode’ Sneeuwwitje ligt. Dat is een indrukwekkend, schokkend beeld. Het is het beeld dat alle wezens in de wereld beleven sinds het denken van de mens intellectueel is geworden, sinds het ‘donkere tijdperk’ aangebroken is.
Met de draak die Michaël doodt, wordt meer het ahrimanische wezen bedoeld. In het Paradijsverhaal en in dit sprookje wordt meer de luciferische kant getoond. Omdat echter beide machten afhankelijk zijn van wat de andere bewerkstelligt, zit in het beeld van de koningin die zielenkracht die zoals de draak dat doet, de blik van de mens op het geestelijke in de natuur verduistert, zodat alleen de buitenkant zichtbaar is.

Michaël helpt de menselijke ziel de matheid van de kennis te overwinnen.
In het sprookje komt de koningszoon bij de glazen kist en verlost Sneeuwwitje van het gif van de appel.
De aartsengel Michaël bezit deze kracht omdat hij de draak overwonnen heeft.
Een overwinning op de draak komt in dit sprooje niet voor, omdat het verteld is vanuit het beleven van de elementairwezens.

Michaël is de bode van Christus.
In het sprookje gaat de koningszoon verder waar de jager mee is begonnen die Sneeuwwitje van de boze koningin redde en haar in het bos vergezelde en haar in de ware zin van het woord, het leven schonk.

.

Elisabeth Klein, Erziehungskunst jrg.18, nr.9/10 1954

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

.Sprookjes: alle artikelen

.

1682-1577

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (9-4)

.

We weten niet anders: als we in dienstverband werken, krijgen we daar geld voor.
Uit mijn kindertijd weet ik nog dat vader iedere zaterdag bij zijn baas het loonzakje ging halen en zelfs begin jaren ’70 van de vorige eeuw, werd ik op de Haagse vrijeschool ook zo uitbetaald. De administrateur, de heer Boele, zat in de leraarskamer waar je werd binnen geroepen – alleen – om je salaris, in een zakje, in ontvangst te nemen.

Steiner heeft in zijn idee van ‘sociale driegeleding’ ook veel uiteengezet over ‘kapitaal en arbeid’. Daarbij past eigenlijk geen ‘uurloon’.

In uiteenlopende artikelen, de meeste verschenen in het blad ‘Jonas’, probeerden verschillende schrijvers hun licht op dit aspect te laten schijnen.

Een artikel – vanuit weer andere motieven – over het basisinkomen stond op 7 juli 2018 in Trouws Letter en Geest.

Arbeid en inkomen

In het vooruitzicht van de verkiezingen* en onder druk van de bezuinigingsnoodzaak houden regering, politieke partijen en vakbeweging zich bezig met vraagstukken rondom het arbeidsbestel. Zijn er nieuwe wegen denkbaar? Is er fundamenteel iets mis? Of moet het systeem beter worden toegepast?

Van verschillende kanten klinkt een nieuw geluid: arbeidsloos inkomen, ontkoppeling van loon en prestatie. Emoties komen op. Kok (FNV) en Rietkerk (VVD) vinden elkaar in een krachtig afwijzen van dit alternatief. Zij zien het al voor zich: een massaal gedrang om de staatsruif en vervolgens potverteren aan de Costa Brava…!

Kunnen we ons een oordeel vormen over hetgeen hier aan de hand is? Er lopen verschillende lijnen door elkaar, dat maakt het zo verwarrend. Ik** zal proberen ze uit elkaar te halen.

De ene lijn is die vanuit de inkomensnivellering. De hoge inkomens worden afgetopt, de lage opgetrokken, tot ze steeds dichter bij elkaar komen. Naarmate dat gebeurt, voltrekt zich in feite een ontkoppeling van loon en prestatie. Ongeacht de bijdrage aan het economisch proces wordt het genivelleerde inkomen uitgekeerd aan de werkenden.

De voorstanders van deze tendens zullen zeker uit rechtvaardigheidsoverwegingen de niet-werkenden (invaliden, zieken, gepensioneerden, studenten) een inkomen willen uitkeren, dat dichtbij dat van de genivelleerde modale werker ligt.

Inkomensvorming heeft zich hierbij wel onttrokken aan economische prijsvormingsmechanismen, maar daarmee is het nog geen object van besluitvorming in het rechtsleven. Abstracte gelijkheid is nog geen rechtvaardigheid!

De uitschakeling van het prijsvormingsmechanisme brengt een andere groep in het geweer. Waar moet het heen wanneer we het arbeids-marktmechanisme uitschakelen? Wanneer niemand meer het vuilnis op wil halen (zelfs geen gastarbeider meer) dan wordt zo’n man schaars. Dan moet vanzelf de prijs voor deze arbeid omhoog gaan. Tot er mensen gevonden worden die bereid zijn het daarvoor te doen. En laat zo’n man dan rustig meer verdienen dan een hoogleraar. Als die jaloers is, laat hij dan vuil gaan ophalen.

Zoals de vorige groep de arbeidsproblematiek uit de sfeer van het economische leven haalt zonder deze echt tot inhoud van het rechtsleven te maken, zo haalt de laatstgenoemde groep terecht de arbeid uit de sfeer van het geestesleven. Het is een vorm van geestelijk egoïsme om van arbeid te eisen dat je je daarin kunt ontwikkelen, dat je daarin alles wat je ‘mee hebt gekregen’ uit kunt leven. Dat is slechts voor enkele beroepen weggelegd. Het merendeel van de werkzaamheden in het economische leven is – ondanks alle humanisering – toch door de arbeidsverdeling zo geworden dat de hogere mens daar moet zwijgen. Passende arbeid, arbeid die bij mijn niveau van ontwikkeling past, kan een hoogmoedig, elitair begrip worden.

Het is juist dat de arbeid in die zin uit de sfeer van het geestesleven wordt gehaald. Maar ook deze groep brengt de arbeidsproblematiek niet echt binnen het rechtsleven. De vraag hoe we de menselijke capaciteiten zo over te creëren arbeidsplaatsen verdelen, dat ieder tot zijn recht komt, wordt langs mechanistische weg ‘opgelost’.

Ik denk dat de problematiek van de arbeid pas echt een aangelegenheid van het rechtsleven wordt, wanneer men inziet dat ze daar thuishoort. Dat inzicht kan ontstaan door de volgende overweging: het economische leven is dat deel van de samenleving, dat eigenlijk de hoogste sociale en morele impulsen vraagt. Het is immers het gebied waar we met ‘die ene aarde’ omgaan en waar we voor de behoeftige medemens werken. Alles wat in die sfeer aan anti-sociale krachten binnendringt werkt vernietigend op milieu en sociale structuren. ‘Maar de mens zit toch vol met antisociale krachten’ zal men zeggen. Dat is juist. Desondanks kan hij het bovengestelde inzien en uit dat inzicht voorzieningen treffen opdat in het economische leven alleen consumptiegoederen object van koop en verkoop, object van begeerte kunnen zijn.

Zulke voorzieningen maken het onmogelijk, dat de drie grote productiefactoren natuur, arbeid en kapitaal (goederen) zelf als koopwaar gaan circuleren, op de markt verschijnen, object van begeerte worden. Dat is de reden waarom arbeid geen koopwaar kan zijn, waarom het vaststellen van iemands inkomen alleen een aangelegenheid van het rechtsleven kan zijn. Wat een rechtvaardig inkomen is kan niet gedicteerd worden door iemands bijdrage aan het economische proces.

Maar wat rechtvaardig is kan evenmin een gevolg zijn van de toevallige schaarste van iemands capaciteiten. En daarmee zitten we aan de aankoppeling naar ‘de andere kant’, naar het geestesleven.

Wie zich mijn artikelen herinnert over de heilige driepoot van het arbeidsbestel, weet dat ik daar sprak over de drie componenten-capaciteiten – werk – inkomen -, en hoe deze hiërarchisch verknoopt zijn: een bepaald opleidingsniveau geeft toegang tot een bepaalde sport op de werkladder en deze geeft recht op een bepaalde salarisclaim.

Inkomen moet niet alleen van werk worden ontkoppeld, maar ook van opleiding. Zoals de eerste koppeling leidt tot een overwoekering van het economische leven, zo leidt de tweede tot een verarming van het geestesleven: mensen investeren in een opleiding om daarmee een betere positie op de arbeidsmarkt te verwerven. Door geforceerde eenzijdigheid bieden zij schaarse capaciteit aan en ontlenen daaraan een recht op hoger inkomen. Van echte interesse en ontwikkeling is dan geen sprake meer.

Alleen beide ontkoppelingen kunnen de arbeidsproblematiek tot een rechtsvraag maken. Dan zal het pas mogelijk zijn – maar anderzijds ook noodzakelijk – dat arbeid op een gezonde wijze zijn relatie aangaat met het economische leven en met het geestesleven. Met het economische leven door een reële oriëntatie op echte behoeftes van levende mensen. En met het geestesleven door de ontdekking dat arbeid een eminente scholingsweg kan betekenen, dat de evaluatie van een veelkleurig palet van arbeidservaringen een volwaardige bijdrage aan een persoonlijke ontwikkeling kan geven.

**Lex Bos, Jonas 22, *27-06-1980

.

Sociale driegeledingalle artikelen waaronder vrijeschool en vrijheid van onderwijs

.

1681-1576

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner

.

RUDOLF STEINER

Jaren geleden besteedde het tijdschrift ‘Intermediair’ aandacht aan de ‘ONDERWIJSKUNDIGEN VAN DE 20E EEUW’.

Daarom verscheen er ook een artikel over Rudolf Steiner.
Het werd geschreven door Dick Crum*. 

Het kwam waarschijnlijk tot stand in de jaren ’70 van de vorige eeuw. Waar Crum schrijft over ‘inrichting en organisatie van de vrijescholen’ en  ‘schoolorganisatie en structuurmodel’ geeft het artikel een beeld van hoe er in die jaren gedacht werd over wat de vrijeschool op dit gebied zou moeten worden. Bijv. het ‘republikeins besturen en het werken met mandaten’ of de salariëring in de vorm van een ‘maatschap’. Dit werd op maar een paar scholen experimenterend in de praktijk gebracht. Met de geringe aandacht voor de sociale driegeleding in de vrijeschoolbeweging kon dit geen succes worden. 

De naam van Rudolf Steiner als pedagoog is onverbrekelijk verbonden met de vrijescholen, een beweging tot onderwijsvernieuwing, die nu reeds meer dan vijftig** jaar in Nederland en in het buitenland bekendheid geniet.
In Nederland zijn er, behalve scholen voor kleuter-, basis- en voortgezet onderwijs, land- en tuinbouwonderwijs, ook een academie voor kunstonderwijs, een kort geleden** opgerichte vrije pedagogische academie en een erkende hogeschool, de Vrije Hogeschool te Driebergen***.
De vrijeschoolbeweging heeft hiermee haar uitlopers tot in het hoger beroepsonderwijs en in het tertiair onderwijs en onderscheidt zich hierdoor van andere stromingen van de onderwijsvernieuwing. Maar hierdoor niet alleen. Ook methoden, werkwijzen, leervakken, inrichting en organisatie van de scholen — en niet in het minst de opvattingen omtrent mens en maatschappij — zijn wezenlijk anders dan bij de overige vernieuwingswegen en bij het meer traditionele onderwijs. Behalve op het terrein van het onderwijs heeft Rudolf Steiner zich als wetenschapper en als hervormer, bewogen op tal van andere maatschappelijke gebieden.

Levensloop

Rudolf Steiner wordt in 1861 in Kraljevec geboren, aan de grens van Joegoslavië en destijds Hongarije, als zoon van een spoorwegbeambte. Hij studeert aan de Technische Hochschule te Wenen (natuurwetenschappen, later tevens literatuurgeschiedenis en filosofie), waar hij ln aanraking komt met Goethes natuurwetenschappelijke beschouwingen.

Op 21-jarige leeftijd verzorgt hij in het kader van Kürschers ’Deutscher Nationalliteratur” de volledige en gecommentarieerde uitgave van Goethes natuurwetenschappelijk werk. Het Goethe-Archiv in Weimar verzoekt hem mee te werken aan de grote zogenaamde ’Sophien-Ausgabe’.

Gedurende deze tijd promoveert hij op een filosofisch proefschrift (1) en werkt hij een kennistheoretische grondslag uit van Goethes werk: Erkenntnistheorie der Goetheschen Weltanschauung (2), Goethes Weltanschauung (3).
Steiner publiceert bovendien zijn belangrijkste wijsgerige werk: Philosophie der Freiheit (4) .
Vanaf 1897 werkt hij in Berlijn, als leraar aan de door Wilhelm Liebknecht
opgerichte ’Arbeiter-Bildungsschule’.
Ook in deze tijd verschijnen er meerdere publcaties, waaronder ‘Die Mystik im Aufgange des neuzeitlichen Geisteslebens (5).
In 1902 sluit Steiner zich aan bij de Theosofische Gesellschaft, met het centrum ln Adyar.

Vanaf het begin maakt hij het onderscheid van zijn ideeën met de toenmalige theosofische beweging zeer duidelijk: hij baseert de inhoud van zijn leer niet op de traditionele occulte overlevering, maar op de resultaten van eigen bovenzinnelijk onderzoek. ‘Niemand blieb im Unklaren darüber, dass Ich in der Theosofischen Gesellschaft nur die Ergebnisse meines eigenen forschenden  Schauens vorbringen werde….’ (6). .(Niemand bleef in het ongewisse over het feit dat ik in de Theosofische Vereniging alleen maar het resultaat van mijn eigen onderzoekend waarnemen naar voren bracht…)

In de Theosofische Gesellschaft treedt Steiner voor het eerst op 40-jarige leeftijd voor het voetlicht met resultaten van eigen bovenzinnelijke waarnemingen. Vanaf zijn vroegste jeugd kende hij, zo beschrijft hij in zijn autobiografie (7), naast de zintuigelijk waarneembare wereld, een geestelijke wereld, die hij op bovenzintuigelijke wijze kon waarnemen en onderzoeken. Hij ziet het als een opgave, deze geestelijke wereld die slechts met geestelijke waarnemingsorganen kan worden onderzocht, toegankelijk te maken en te baseren op de kennis-theoretische grondslag van de westerse wetenschappen en op opvattingen van consciëntieus wetenschappelijk onderzoek. Wel echter met dien verstande, dat hij duidelijk maakt, dat bijvoorbeeld een strikt empirische, eventueel positivistische werkwijze, aangewend op het onderzoek van deze geestelijke wereld, niet tot betrouwbare resultaten kan voeren. Dit ln tegenstelling bijvoorbeeld tot de pogingen van psychical research en parapsychologie.

In meerdere van zijn boeken beschrijft hij een weg tot kennisverwerving omtrent bovenzintuigelijk waarneembare gebieden, waarbij de onderzoeksmethode is
afgestemd op het te onderzoeken object. In zowel zijn kennistheoretische werk als in studies aangaande de methode van onderzoek — onder andere: Wie erlangt man Erkenntnisse der höheren Welten? (8) — werkt hij een systematische methode uit. Deze is in zichzelf logisch consistent en kan de toets van wetenschappelijkheid, in de zin van herhaalbaarheid en verifieerbaarheid van onderzoek, doorstaan.

Meer dan tien jaar werkt Steiner in de Theosofische Gesellschaft. In die tijd publiceert hij hoofdzakelijk de resultaten van zijn geesteswetenschappelijke studies (9, 10). Naast zijn werkzaamheden als regisseur schrijft hij thans zelf enige mysteriedrama’s (11), die onder eigen regie worden opgevoerd.
Vanaf het begin van deze ‘theosofische episode’ in het leven van Steiner werkt Marie von Sivers, met wie hij later zal trouwen, intensief op algemeen kunstzinnig, doch vooral op literair en dramaturgisch gebied met hem samen.
In 1912 inaugureert hij als alternatief voor bestaande bewegings- en balletkunsten een nieuwe bewegingskunst, die hij ’euritmie’ (12) noemt.

Eigen richting leidt tot conflicten

In 1913 voert de zelfstandige richting van de dan 52-jarige Steiner binnen de Theosofische Gesellschaft’ tot conflicten. Deze resulteren in een uitsluiting van hem en zijn aanhangers, waarna de oprichting van de Anthroposofische Gesellschaft plaats vindt. Hier zet Steiner zijn activiteiten voort. In
Zwitserland (Dornach) vindt in hetzelfde jaar de grondsteenlegging plaats voor het zogenaamde ’Goetheanum’ (13), een groot houten dubbelkoepelbouwwerk in een wat wij thans zouden noemen sterk alternatieve bouwstijl, bedoeld om ruimte te bieden aan de voortgezette antroposofisch kunstzinnige en wetenschappelijke activiteiten.

Gedurende de oorlog van 1914-18 werkt Steiner aan een uitbouw van wat hij kortweg met Antroposofie aanduidt. Na de Eerste Wereldoorlog neemt hij het initiatief tot een beweging voor sociale vernieuwing (14) in Duitsland, Zwitserland en Oostenrijk. Vele voordrachten in bedrijven (onder andere voor arbeiders van Bosch- en Daimler-Werke) en scholen worden door hem en een  groep medewerkers gehouden, naast de oprichting van een weekblad en contacten met leidende politici. Na enige tijd geeft hij deze actviteiten op.
Een directe nawerking echter is wel dat de arbeiders van de Waldorf- Astoriafabriek te Stuttgart aan Steiner en aan de directie van de fabriek, dr. Emil Molt, het verzoek richten tot het oprichten van een school voor de kinderen van deze arbeiders. Voor deze school geeft Steiner een in die tijd verrassend modern leerplan, hij leidt zelf de leraren op en werkt wekelijks met hen samen. De school kent een snelle opbloei en heeft na korte tijd meer dan duizend leerlingen.

Antroposofische geneeskunde

De laatste jaren van zijn leven, tot zijn dood in 1925, laten een onwaarschijnlijke activiteit zien. Naast een intensieve begeleiding van deze eerste ‘vrijeschool’ en naast voordrachtscycli in Zwitserland, Duitsland, Nederland (1922, 1924) Noorwegen, Frankrijk en Engeland, werkt Steiner samen met dr. med. Ita Wegman een antroposofische geneeskunde (15) uit. Deze geneeskunde, die thans door honderden artsen in Europa en elders in vele antroposofische klinieken en ziekenhuizen wordt beoefend, wordt in de door dr. Wegman en Steiner opgerichte antroposofische ‘kliniek’ te Arlesheim in Zwitserland in de directe medische praktijk ontwikkeld. Ook hier geldt het credo van Steiner: slechts op basis van de bestaande medische wetenschap wordt verder gewerkt.

De gezichtspunten uit geesteswetenschappelijk onderzoek zijn aanvulling en geven nieuwe en verder voerende gezichtspunten. Wie als medicus of verpleegkundige wil meewerken, heeft de gangbare beroepsopleiding gevolgd.

Zowel in de ‘kliniek’ in Arlesheim als in een in Jena opgericht orthopedagogisch instituut (‘Lauenstein’ genaamd) werkt Steiner gezichtspunten uit voor de behandeling van in hun ontwikkeling gestoorde kinderen. Deze worden op grond van antroposofische uitgangspunten op zijn aanwijzingen behandeld (16). Een groep orthopedagogen en medici neemt deze gezichtspunten op en werkt deze, onder de inspirerende leiding van Steiner verder uit. Thans bestaan meer dan honderd, van deze zogenaamde heilpedagogische instituten, vooral in de angelsaksische landen.

In deze tijd komt ook de biologisch-dynamische landbouw tot ontwikkeling (17). Een groep boeren en landeigenaren wendt zich tot Steiner met de vraag of de antroposofie ook voor de land- en tuinbouw vruchtbaar is te maken. Hier blijkt Steiner zijn afkomst uit het Oostenrijkse boerenmilieu niet te zijn vergeten. Hij geeft meerdere cursussen over akkerbouw, veeteelt, bemestingsleer en landbouwbedrijfsvoering, waardoor vanuit de antroposofie een ‘alternatieve methode’ tot ontwikkeling kan komen.

Tegenslagen zijn Steiner niet bespaard gebleven. Tegenstanders uit confessionele richtingen en vooral uit de kringen van politiek nationalisme in Duitsland richtten zich tegen hem. In de oudejaarsnacht van 1922 brandde het Goetheanum in Dornach, aan de bouw waarvan bijna 10 jaar was gewerkt, als gevolg van brandstichting af. Steiner ontwierp een nieuw bouwwerk, dit keer uit beton geconstrueerd. Hierin werd het definitieve centrum van de Antroposofische Beweging, die in 1924 internationaal werd geconstitueerd, gevestigd, met als kern een Freie Hochschule für Geisteswisschenschaft. In het laatste jaar van zijn leven volgen dan nog vele voordrachten, waarvan een kernstuk wordt gevormd door de voordrachten over concreet geesteswetenschappelijk onderzoek van reïncarnatie en karma (18).

Antroposofie

Uit het bovenstaande blijkt reeds, dat antroposofie door Steiner niet als een theorie werd bedoeld, of als een vrijblijvende ‘levensfilosofie’. Hij ziet de antroposofie als een basiswetenschap die direct in de praktijk van het maatschappelijk leven kan worden toegepast.

Het begrip ontwikkeling staat in de antroposofie centraal. En wel ontwikkeling van ds mens, van de wereld en van het menselijk kenvermogen. Steiner onderscheidt vier fasen van ontwikkeling van dit kenvermogen. (19).
De eerste fase is die waar met behulp van waarnemingen van de voorwerpen en  gebeurtenissen om ons heen kennis en inzicht wordt verworven. Vele stimuli werken op het zintuigsysteem, met als gevolg dat de mens zich een beeld kan vormen van zijn omgeving. Op grond van dit beeld komt de mens tot een begrip van wat hij heeft waargenomen. Het Ik van de mens is hierbij als de eigenlijke acteur te zien, die zich, op grond van waarnemingen, beelden en begrippen eigen maakt en op hun relevantie onderzoekt.
De vier elementen: waarneming |— beeldvorming — begripsvorming — activiteit van het Ik zijn in het wetenschappelijk denken uiteraard zeer bekend: de verwantschap met de cyclus: ’observe — guess — predict — check of de empirische variant: ‘observatie, hypothesevorming, toetsing, confirmatie’ (20) dringt zich onmiddellijk op.
Steiner duidt deze eerste fase aan als de fase van materiële kennis. De volgende fase is die van de imaginatie. Hierbij valt nu van de vier genoemde elementen (stimuli, beeld, begrip, Ik) het eerste weg. De imaginatieve kennis gaat uit van beelden die niet door stimuli en de zintuigen worden verkregen. Deze zijn echter even levend en ’concreet’ aanwezig als de beelden van de zintuigelijke wereld. Van de vier elementen blijven derhalve: beeld, begrip en Ik, zoals men deze ook. in de eerste fase, de fase van de materiële kennis, gewend is. Het is duidelijk dat de bekwaamheid, dergelijke beelden te scheppen, eerst verworven moet worden. Daartoe beschrijft Steiner een weg van meditaties en oefeningen (21).

De beperking, slechts beelden te hebben in en door de ons omringende wereld, valt hiermee weg. De fase van de imaginatieve kennis verschaft de mogelijkheden in een ‘wereld’ van beelden te leven.

Wanneer men thans terug ziet op Steiners tijd, is het begrijpelijk dat met name de wetensehappelijke wereld uit de jaren twintig weinig aandacht aan hem heeft geschonken. In onze tijd weten velen dat een dergelijke innerlijke beeldenwereld bestaat. Yoga, LS- drugs, gerichte trainingstechnieken uit de Gestalttherapie (22) tonen het bestaan van deze ‘wereld’ onloochenbaar aan. Daarbij is de weg die Steiner aangeeft, vergeleken met bijvoorbeeld de uit het oosten komende methoden, beslist moeilijk te noemen. Hij ziet het als een opgave de Europese cultuur en wetenschap verder te voeren en te integreren met de kennis en inzichten uit de bovenzintuigelijke wereld. Hiertoe kiest hij een weg die uitgaat van het individuele kenvermogen van de mens. Men kan zeggen: een typisch Europese weg, voortbouwend op de tradities van individuele verantwoordelijkheid en inzicht. Steiner legt er sterk de nadruk op, dat de antroposofische ontwikkelingsweg gegaan moet worden op individuele en zelfstandige wijze. Er is géén afhankelijkheid, noch van een guru, noch van medicamenten of van een trainer. De mens schept zich uit eigen kracht, door  versterking en oefening van het denkende kenvermogen, de beeldwereld van de imaginatieve fase.

Bij de volgende fase, de inspiratieve fase genoemd, vallen behalve de stimuli, óók de beelden weg. Hierdoor heeft de mens — op een zeer intensieve wijze — nog slechts met begrippen en Ik te maken. De begrippen worden hier niet meer in hun abstractheid ervaren zoals in de zintuigelijke wereld: als levende, omvattende vormprincipia kunnen ze worden gekend.
Bij de vierde fase, die van de intuïtieve kennis, blijft slechts de activiteit van het Ik als kennisbron over. De werelden van voorwerpen en stimuli, van beelden en van begrippen, zijn buitengesloten, het Ik neemt in een actief en direct identificatieproces andere wezens in hun essentie waar.

Mensheid als grondslag voor een pedagogiek:

De pedagogiek van Rudolf Steiner kan niet los worden gezien van zijn persoon en zijn overige werk. De antroposofie vormt een integrerend bestanddeel, zowel van de didactiek als van de methodiek. Ook gezichtspunten uit de antroposofische orthopedagogiek, medische wetenschap en euritmie zijn voor een goed begrip dikwijls onmisbaar.
Centraal echter staat uiteraard de vraag naar het mensbeeld dat in de vrijescholen wordt gehanteerd. Een aspect dat voor de pedagogische praktijk van betekenis is wordt gevormd door de verbinding van de drie orgaansystemen van de mens met de drieledigheid van: denken, gevoelsleven en wilsleven (23).

Als eerste orgaansysteem onderscheidt Steiner het zogenaamde zenuw-zintuigsysteem.
Dit wordt gevormd door de zintuigen in relatie tot het gehele zenuwstelsel. Dit zenuw-zintuigsysteem is in hoofdzaak in het hoofd van de mens gelokaliseerd. Da zintuigen zoals de gehoorzin-reukzin-smaakzin-evenwichtszin-gezichtszln, zijn in het hoofd ‘geconcentreerd’. Het systeem als zodanig strekt zich over het gehele lichaam uit. Tastzin en warmtezin zijn niet uitsluitend in het hoofd geconcentreerd. In direct verband met het zenuw-zintuigsysteem ziet Steiner het denken en het voorstellen.

Als tweede orgaansysteem noemt hij het zogenaamde ritmische systeem, het systeem van ademhaling en bloedsomloop. Evenals het denken een functionele samenhang heeft met het zenuwzintuigsysteem, heeft het ritmische systeem, een samenhang met een psychische component. Dit is het gevoelsleven.

Als derde orgaansysteem onderscheidt hij het zogenaamde stofwisselings-ledematen systeem. Dit systeem verhoudt zich polair tot het zenuw-zintuigsysteem. Waar voor het zenuw-zintuigsysteem en het denken rust, distantie en reflexie kenmerkend zijn, zijn dergelijke eigenschappen voor het stofwisselings-ledematensysteem als het ware tegenovergesteld: actie, betrokkenheid en dynamiek. De psychische component ervan is het wilsleven.

Schematisch:

zenuw-zintuigsysteem ↔ denken, voorstellen
ritmische systeem ↔ gevoelsleven van ademhaling en bloedsomloop
stofwisselings-ledematensysteem ↔ wilsleven

Dit betrekkelijk eenvoudige model van functionele psychosomatische samenhangen, als polariteitenmodel opgevat, heeft consequents als het wordt aangewend bij de operationalisering van onderwijsdoelen.
Sinds jaren laboreert ook het huidige onderwijs aan de overlading van leerstof. Pogingen om aan de eenzijdig cognitieve accentuering van onderwijsleerprocessen een eind te maken, zoals bijvoorbeeld ondernomen door Bildungstheoretici als Klaffki (24), of door Wagenschein met behulp van het exemplarisch onderwijs (25) hebben tot dusverre weinig effect gehad. Ook de uitgebreide pogingen (onder meer Bloom c.s., Möller e.a. (26)) om tot een inventarisering van ‘educational objectives’ te komen en vervolgens een evenwichtige keuze te maken bij een gerichte leerplanopbouw, hebben weinig.toepassing gevonden.

Evenwichtige ontwikkeling

Een van de uitgangspunten bij de leerplanopbouw in de vrijeschool is een evenwichtige ontwikkeling bij de leerlingen van de cognitieve-, emotionele- en wilscomponenten.
Alhoewel voor de jaren twintig zeer modern, kan men dit uitgangspunt thans overal aantreffen (27). De operationalisering ervan levert echter steevast problemen op. Dit niet in het minst door een veelal rigide gevoerde examenpraktijk, die een continue fixatie op de cognitieve leerdoelen met zich brengt. De vraag naar de operationalisering van deze leerdoelen kan ook worden geformuleerd als de vraag: ’Wat moeten er voor concrete pedagogisch-didactische maatregelen worden getroffen door kleuterleidsters, onderwijzers en leraren om op een effectieve wijze niet alleen de cognitieve, doch ook de emotionele en de wilsdimensies in het onderwijsleerproces op te nemen?’ Paradigmatisch weergegeven, komen de gezichtspunten van Steiner op het volgende neer:

1. In het gebied van de cognitieve onderwijs-leerprocessen zijn maatregelen werkzaam, die de leerstofinhoud betreffen, zoals
het ’aanbrengen’ van kennis, het aanspreken van het geheugen, het verwerven van inzicht. Ook het beeldende element en algemeen gesproken, aspecten van vormgeving sorteren hier effect.

2. In het ritmische en emotionele gebied kan een effectieve beïnvloeding en ontwikkeling slechts vanuit het terrein van de kunst en kunstzinnige activiteiten worden nagestreefd. Elementen van ritme, een herkenbare gevoelsrelatie met de wereld, met medeleerlingen en volwassenen, het kunnen ’ademen’ in het leven en in sociale relaties wordt door kunstzinnig onderwijs ontwikkeld en ondersteund.

3. In het wilsgebied — ook als psycho-motorisch gebied aangeduid — is een aanpak op zijn plaats die met de kenmerken van dit gebied rekening houdt, met actie, betrokkenheid en dynamiek. Hier wordt in de vrijescholen het bewegingsonderwijs aangewend.

Hiermee zijn een drietal gedifferentieerde principia geformuleerd voor de operationalisering van het algemene onderwijs- en ontwikkelingsdoel van de vrijescholen. Een opvatting, die zover gaat dat — in overeenstemming met het model — een derde van de tijd aan onderwijsmethoden, een derde aan kunstzinnig onderwijs en een derde aan bewegingsonderwijs zou moeten worden besteed is al te paradigmatisch. Grondslag voor pedagogisch-didactisch handelen is de onderlinge doordringing van de drie elemcnten, een doordringing derhalve van het inhoudelijke leerstofgebied mct kunstzlnnig- en bewegingsonderwijs, en omgekeerd. Hierbij is het middengebied van het polaire model het aanknopingspunt. Of concreet: het kunstzinnige element verbindt steeds het (noodzakelijk) inhoudelijke aspect van het te geven onderwijs met het wils- en actie-element en het aspect van de individuele betrokkenheid  van de  leerlingen. Kunstzinnig onderwijs staat nooit ’los’ van ’de rest’, in een apart gegeven ’vak’. Het kunstzinnig element doordringt als een dominante component het gehele onderwijs. Dit aspect was voor Steiner van centrale betekenis. Hij noemde de vrijeschoolpedagogie steeds:
Erziehungskunst, opvoedkunst – een sociale kunst, die zijns inziens naast de andere kunsten aanspraken op een volwaardige en erkende plaats zou mogen maken.

Inrichting en organisatie van de vrijescholen

Naast dergelijke antroposofische elementen. — in het voorgaande is een van de belangrijkste aangeduid (28) — gaf Steiner tal van kenmerken die de inrichting en organisatie van het schoolsysteem betreffen. Wanneer men het totale beeld van bet schoolsysteem thans vergelijkt met bijvoorbeeld de middenschoolconceptie, valt eerst op hoezeer hij zijn tijd vooruit is geweest. Vele aspecten van de middenschool worden in de eerste ’Freie Waldorfschule’ in Stuttgart gerealiseerd, zoals bijvoorbeeld:

— het afschaffen van het zittenblijven
— het werken met heterogene leergroepen
— het streng hanteren van het gelijkheldsprincipe bij het aanbieden van onderwijs- en ontwikkelingsmogelijkheden aan leerlingen uit onderscheidene milieus
— het opnemen van werkplaatsen voor chemie en voor (machinale) metaal- en houtbewerking
— stageperioden in industrie en bedrijf voor de zogenaamde middenklassen -(12-15 jarigen
–  het vervangen (voor alle leerlingen na het basisonderwijs) van iedere vorm van beroepsopleiding door een brede beroepsoriëntering
— het strikt afwijzen van het selectieprincipe in het onderwijs vóór het 21e (!) levensjaar van de leerlingen (29).

De belangrijkste kenmerken van het schoolsysteem zoals dat in de jaren 1919-1924 door Steiner, tezamen met de leraren van de eerste Waldorfschule werd uitgewerkt, zijn de volgende (30):

1. Afschaffen van het zittenblijven. De leerlingen worden in jaargroepen ingedeeld, waar zij steeds met leeftijdgenoten samen zitten. Slechts bij hoge uitzondering (bij duidelijke retardatie in de ontwikkeling, na langdurige ziekte, etcetera) zit een leerling in een ‘lagere’ leeftijdsgroep. De groepen hebben in principe een vaste samenstelling.
Rapporten met cijfers worden niet uitgereikt. Aan het eind van elk cursusjaar ontvangen de leerlingen een geschreven en gedetailleerd getuigschrift. Een gedeelte van deze geschreven beoordeling is voor henzelf bedoeld, een ander deel voor de ouders of verzorgers. In samenhang hiermee het selectie- en competitieprincipe uit de school geweerd. De overgang van de ene klas naar de andere geschiedt ‘automatisch’. Een probleem in de context van de bestaande schoolwereld vormde (en vormt nog steeds!) de examenproblematiek. Slechts als een uiterste compromis richtte Steiner een extra jaar in, nadat de leerlingen de Waldorfschule hadden doorlopen. Dit ter voorbereiding op de gangbare staatsexamens. Ook de vrijescholen in Nederland hebben deze opzet jarenlang volgehouden. Eerst na de invoering van de mammoetwet worden in een aantal vrijescholen ook schoolexamens afgenomen.

2. De school kent een longitudinale leerstofplanning vanaf de kleuterklas tot en met het laatste leerjaar van de bovenbouw. Met vele ‘gangbare’ leerplannen verschilt het vrijeschoolleerplan vooral betreffende de ‘aansluiting’ kleuter-basisonderwijs en basisonderwijs-VWO. De opzet van het eerste jaar van de basisschool zou men thans als ’speel-leerklas’ aanduiden. Met verschillende vakken uit het VWO, zoals wiskunde, scheikunde en natuurkunde wordt reeds in de vijfde en zesde klas van de basisschool begonnen. Het onderwijs in de vreemde talen richt Steiner in vanaf het zesde levensjaar, dat wil zeggen in de eerste klas van de ’Volksschule’.
Kenmerkend voor het gehele onderwijs is de afwezigheid van leerboeken. In principe geldt dit, afgezien van typische ‘lees’- en literatuurboeken, tot en met de eindklas van de bovenbouw, de 12e klas. Grote waarde wordt eraan gehecht dat het onderwijsleerproces een levend interactiegebeuren tussen docenten en leerlingen is. De noodzakelijke ’leer’stof wordt (ook in de basisafdeling) in dictaten en scripties vastgelegd. De eerste zeven à acht jaar van de basisschool wordt elke leergroep begeleid door een vaste klassenleerkracht, die — naast de activiteiten van ‘vakleerkrachten’ — de verantwoordelijkheid voor deze gehele periode draagt.

3. Leerstof als ontwikkelingsstof.
De leerstof wordt als ontwikkelingsstof gezien, is middel en nooit doel. Anders gezegd: de school kent evenveel doelstellingen als zij leerlingen binnen haar muren heeft. Een nadere specificering van het ‘raamplan’ voor een bepaald leerjaar vindt steeds plaats op grond van de specifieke behoeften en ontwikkelingstendenties van een leerling of een leergroep. De structurering van de leerstof over de totale duur van de schoolloopbaan van de leerlingen in het ‘raamleerplan’ is door Steiner opgezet op grond van twee uitgangspunten. Aan de ene kant de vaksystematische structuur van de leervakken. Aan de andere kant een door hem in extenso uitgewerkt ontwikkelingspsychologisch model. De grondslagen van dit model publiceerde hij reeds meer dan twaalf jaar voor de opening van de school in zijn boek: Die Erziehung des Kindes im Lichte der Geisteswissenschaft (31).

4. Verticale scholengemeenschap.
In de totale schoolgemeenschap zijn zowel kleuters, leerlingen ‘im Volksschulalter’ (de basisschoolleeftijd) en bovenbouwleerlingen opgenomen. De school is derhalve opgezet als een verticale scholengemeenschap. Deze opzet vergemakkelijkt de hantering van het longitudinale leerplan aanmerkelijk en geeft tevens een zekere oplossing voor de aansluitingsproblematiek kleuter-basis-, en basis-voortgezet onderwijs. Steiner maakt geen onderscheid tussen leerkrachten van de verschillende afdelingen. Een ‘horizontaal’ principe wordt vanaf het begin gehanteerd: noch financieel, noch anderszins (als schooldirectie bijvoorbeeld) is er sprake van geprivilegieerde en ‘minder’ bedeelden. De school is opgezet met als een kenmerk: ‘het teamverband van de lerarengroep en een gezamenlijke horizontale verantwoordelijkheidsspreiding. De salarissen van kleuterleidsters, academici en onderwijzers zijn gebaseerd op hetzelfde uitgangspunt en in principe gelijk. Als algemeen gezichtspunt voor de salariëring wordt, het behoeftensalaris ingevoerd. Principieel worden prestatie en beloning losgekoppeld. Het aantal uren les aan de school gegeven, noch enig diploma zijn bepalend. Bepalend is slechts: het totaal aan salaris te besteden en beschikbare bedrag enerzijds en de uitgaven, noodzakelijk voor levensonderhoud en overige behoeften van de individuele leraren anderzijds. De leraren bepalen zelf, in onderling overleg, de hoogte van het salaris. Dat hiermee een uiterst appèl is gedaan aan de teamgeest en aan het idealisme van het lerarencorps behoeft geen betoog. Het principe is echter, ook na de dood van Steiner, aangehouden en door de later gestichte scholen overgenomen. In Nederland is een praktische uitwerking ervan dikwijls dat de betrokken docenten (doch soms ook conciërge en administratief ‘personeel’), als een soort maatschap een stichting oprichten. Daarnaar maken zij hun subsidiesalarissen over, waarna herverdeling naar eigen criteria kan plaats vinden.

5 Periodenonderwijs.
Voor een gedeelte van de vakken (onder meer rekenen, moedertaalonderwijs, aardrijkskunde, biologie, kunstgeschiedenis) is het periodenonderwijs ingevoerd in plaats van de bekende urentabel van het lesrooster. Hierbij wordt een vak in blokuren vijf à zes weken achtereen gegeven. Steiner heeft de grootste bezwaren tegen versplintering van aandacht en energie door het urensysteem. Een docent die — op zijn best — drie à vier uur per week een klas heeft, kan hierin veel minder zorg dragen voor een geconcentreerde en continue leergang dan gedurende het periodeonderwijs. Met name echter voor het concentratievermogen van de leerlingen zelf is het van groot belang dat zij niet, dag in dag uit, een veelheid van ternauwernood op elkaar aansluitende inhouden te ‘verwerken’ krijgen. Ook voor het ontstaan van een sociale gemeenschap van docent en leerlingengroep zijn voorwaarden in ruimte en tijd onmisbaar. Deze voorwaarden zijn met het gangbare urensysteem niet gegeven. Het periodesysteem maakt een concentratie mogelijk op een enkel vak, waarbij docent en leerlingen ‘één’ leergroep kunnen vormen. De andere uren van de dag, nadat de bloklessen van de periode zijn beëindigd, zijn zo mogelijk lessen waarin geen andere leerinhouden dienen te worden opgenomen. Dit zijn dan lessen in dramatiek, handvaardigheid, euritmie en gymnastiek, alhoewel een aantal vakken, zoals de vreemde talen, hierop een uitzondering vormen.

6. Kunstzinnig onderwijs.
Op de centrale betekenis van kunstzinnig onderwijs in de vrijescholen werd al gewezen. Het uitgangspunt hierbij is vooral om rekenen, aardrijkskunde, biologie, wiskunde op kunstzinnige wijze te geven. Kunstzinnig niet alleen wat betreft de vormgeving in kleur, beweging of gebaar, doch voor alles ook als een vorm van sociale creativiteit en oorspronkelijkheid. Het streven geldt steeds opnieuw de intensieve interactie tussen leraar en leerlingen. Deze interactie dient niet traditioneel bepaald te zijn, noch door voorschriften en regels van inrichting, noch door een van tevoren vastgelegde leerinhoud. Het eigenlijke creatieve moment is steeds de ontmoeting van leraar en leerling, hieruit komt de vorm van het te geven onderwijs voort. Normen van esthetische schoonheid, ‘verantwoorde’ compositie etcetera zijn binnen deze conceptie van kunstzinnig onderwijs weliswaar niet verboden. Zij kunnen echter steeds slechts situatief worden gehanteerd.

Schoolorganisatie en structuurmodel

De interne organisatiestructuur die in 1919 werd ingevoerd zouden wij thans een horizontale noemen. Ook op dit punt was Steiner zijn tijd vooruit. Geruime tijd poogde de lerarengroep een gedemocratiseerde structuur te hanteren. Dat deze democratisering toen reeds radicaler was dan soms in de jaren zestig, blijkt onder meer uit de gekozen salariëringsopzet. Na enige tijd echter bleek de plenaire besluitvorming een te hoog gestelde eis te zijn en het roer werd enige graden gewend: ’Republikanisch, nicht demokratisch’(32) wordt het devies voor de interne samenwerkingsstructuur. Een hoofdkenmerk van dit republikeinse model is het zogenaamde mandatensysteem. De plenaire vergadering kiest voor de duur van een, door de vergadering vast te stellen, periode functionarissen die met een omschreven delegatie worden belast. Een dergelijk mandaat (bijvoorbeeld beheer en inkoop leermiddelen, aanname en ontslag van leraren, voorzitterschap van de leraarsvergadering) wordt vervolgens autonoom door de verschillende functionarissen beheerd. Een verschil met de daaraan voorafgaande gedemocratiseerde structuur is de wijze van besluitvorming. Door de functionarissen genomen beslissingen zijn in de plenaire (vergadering niet herroepbaar. Wél heeft de vergadering de bevoegdheid alle argumenten en feiten rond iedere beslissing te vernemen. Met deze inrichting werden de voordelen van de democratische opzet (zoals openheid van beleid, toegankelijkheid en openbaarheid van bestuur) gecontinueerd. Het nadeel van de voor de school dreigende onbestuurbaarheid werd ontlopen. Aan de vervulling van de  mandaten zijn voor de betrokken functionarissen geen financiële voordelen verbonden. Wel wordt indien gewenst gezorgd voor een vermindering van het aantal lesuren.

De vrijescholen hebben het republikeinse model overgenomen en ten grondslag gelegd aan de verdere interne structuur. (33) Dikwijls is de dagelijkse leiding van de school ook gedelegeerd aan een kleinere beleidsgroep. Op het eerste gezicht kan deze beleidsgroep worden vergeleken met de gangbare ‘directie’. De interne organisatiestructuur wordt verder gekenmerkt door een indeling in drie functionele subsystemen. (34)
Als eerste: het pedagogisch-didactische systeem. Hieronder wordt alles begrepen, dat met de taakuitvoering van leraren in hun klassen, in contacten met ouders etcetera te maken heeft. Door middel van dit taakuitvoerende systeem is de school productief, realiseert deze de doelstellingen van de school.
Een volgend subsysteem wordt gevormd door het conceptuele- en ontwikkelingssysteem. Hieronder valt al hetgene, dat een bijdrage levert tot inzicht in de doelstellingen en grondconcepties van de school: individuele- en groepsstudie van de docenten, leerlingbesprekingen, leerplanbesprekingen en leerplanrevisie, klassenbesprekingen enzovoort. Het eerste subsysteem is gericht op de ontwikkeling van de leerlingen, het tweede expliciet op de ontwikkeling van de docenten.
Terwille van het inbrengen van de resultaten en nieuw ontwikkelde inzichten in het taakuitvoerend systeem van de school is een flexibele en volgzame organisatie van de school een eerste vereiste.
Het derde subsysteem is daarom het intern-organisatorische systeem, dat ‘republikeins’ van opzet is. Dit laatste staat als het ware tussen de beide vorige systemen in. Het maakt mogelijk dat nieuwe inzichten in de praktijk verwezenlijkt kunnen worden. De naam Freie Waldorfschule (vrijescholen) doelt in dit verband op vrijheid van de staat, vrijheid van externe voorschriften voor de inrichting van het onderwijs, waardoor immers de zo noodzakelijke beweeglijkheid en volgzaamheid aan het intern-organisatorische subsysteem wordt ontnomen. Het eigene van de Waldorfschule wordt gezien in het feit, dat nieuwe ideeën en inzichten in de school, ’aan de basis’, door de leraren, worden ontwikkeld en direct toegepast in en getoetst aan de praktijk. De behoefte aan zelfbestuur, aan een grote mate van autonomie is geen hobby van de leraren, doch vloeit logisch voort uit de functionele opbouw van het structuurmodel. Het is duidelijk, dat elke invloed van de staat en van de economie op het onderwijs wordt afgewezen. Evenals overigens een innovatieopzet, die resultaten van wetenschappelijk onderzoek op basis van deze wetenschappelijkheid geldig
verklaart tot invoering op grote schaal! Als vernieuwings-’strategie’ ziet Steiner slechts een werkwijze, waarin door docenten, op grond van hun specifieke mogelijkheden in relatie tot de specifieke behoeften van leerlingen creatieve oplossingen worden gezocht.

Maatschappijopvatting en actuele betekenis

De huidige betekenis van de vrijescholen voor de Nederlandse onderwijssituatie kan naar twee zijden worden gemeten. Enerzijds kan de vraag worden gesteld welke bijdrage de basisfilosofie en de inrichting van het schoolsysteem kan leveren aan de huidige ontwikkelingen. Dit zowel op beleidsniveau in het kader van onder meer de middensehoolexperimenten of de integratie van kleuter-basisonderwijs. Van de ervaring die de vrijescholen sinds tientallen jaren hebben opgedaan zou in veel ruimer mate dan thans het geval is, geprofiteerd kunnen worden. Uitgangspunten voor een middenschoolopzet zijn onder meer het aanbieden van onderwijsleersituaties voor individuele ontplooiing en sociale bewustwording op intellectueel, sociaal, artistiek en technisch gebied, het aanbieden van gelijke en optimale kansen, bevordering van externe democratisering door het opvangen van milieuspecifieke factoren en het uitstellen van beroepskeuze. Deze factoren liggen in de vrijescholen reeds lang ten grondslag aan de onderwijs-leersituatie. Wat dit aangaat, is er tot nu toe opvallend weinig interesse getoond van de zijde van onderwijsresearch en wetenschap.

Aan de andere kant is de vraag naar de maatschappelijke betekenis van het schoolstelsel van belang.

De vrijescholen baseren zich ook hier op opvattingen die stoelen op antroposofische uitgangspunten. Deze maatschappijopvatting is bedoeld als een ’Drltter Weg’, een ‘derde weg’, een alternatief zowel voor kapitalistische als marxistische opvattingen.

In het totale maatschappelijke leven worden drie delen onderscheiden: een geestelijk-cultureel leven, een (politiek georiënteerd) rechtsleven en een economisch leven. Deze drie gebieden, die elkaar uiteraard doordringen en in onophoudelijke wisselwerking met elkaar staan zouden autonoom beheerd moeten worden.

Economisch leven

Voor het economisch leven geldt het principe van de onderlinge afhankelijkheid, als consumenten onderling, in de producenten-consumentenrelatie etcetera. Dit kan voeren tot associatieve verbanden van producenten en consumenten. Hierdoor behoeven producenten niet meer voor een anonieme markt te produceren, die zij via marketing en reclamecampagnes ‘rijp’ moeten maken voor hun product.
Werkgevers-werknemerstegenstellingen, zoals die door de kapitalistische productiewijze en financieringsgrondslag steeds zullen blijven voortwoekeren, worden opgeheven door het principe van eigendom van productiemiddelen en grond af te schaffen. Hier ligt Steiners alternatief voor de marxistische opvattingen, die het eigendomsprincipe aanhouden, doch het eigendom aan ‘allen’, in casu aan de staat willen toewijzen. Evenals lucht, licht, wind, etcetera geen eigendom zijn, doch desalniettemin ‘aanwezig’ zijn, is uitgangspunt dat de algehele natuurgrondslag geen eigendom zou moeten zijn doch in beheer zou moeten worden gegeven aan de producentenpopulatie van een bedrijf. Aldus kan de reële afhankelijkheid uit het economisch leven, tot even reële broederlijkheid en socialisme uitgroeien. Diegenen, die de leiding krijgen van dergelijke
producenten-consumenten associaties zijn, zonder directe inmenging vanuit het rechtsgebied, verantwoordelijk voor het totale economische leven.

Rechtsleven

Het rechtsleven wordt gezien als een uitvloeisel van het gelijkheidsprincipe, op grond waarvan ieder in het maatschappelijk leven moet kunnen participeren. De onderlinge verhoudingen van mensen, het totaal aan afspraken en regelingen waardoor het maatschappelijk systeem zijn coherentie verkrijgt, behoort op basis van het rechtssysteem te functioneren. Een duidelijke beperking aan het politieke- en rechtsleven wordt gezien in het feit, dat dit rechtsleven niet ingrijpt in het economische, noch in het geestelijk-culturele leven.

Anderzijds dient ook het politieke- en rechtssysteem niet te worden beheerst door belangen uit het economische leven of uit het culturele gebied. Het kernprincipe van dit rechtsleven wordt gevormd door een centraal democratisch uitgangspunt, waardoor aan het principe van gelijkheid ’recht’ wordt gedaan.

Gsestelijk-cultureel leven

Het derde gebied, het geestelijk-culturele leven, wordt in de ontwikkeling naar de toekomst bevorderd, indien hieraan het principe van de vrijheid ten grondslag wordt gelegd. Hoewel de vrijheid van onderwijs hierin een belangrijke component vormt, geldt dit vrijheidsprincipe uiteraard voor alle sectoren uit het culturele gebied: religie, pers, kunstuitingen, wetenschapsbeoefening etcetera. Invloeden uit het politieke- en rechtsgebied zijn noodzakelijkerwijs op het gelijkheidsprincipe gebaseerd. Zij werken ais uniformerende, nivellerende tendenties. Bovendien stoelen de regelingen voor onderwijs, kunst, dagbladpers etcetera steeds op het rechtvaardigheidsbeginsel, dat in het rechtsleven op haar plaats is, echter in het culturele leven een uitwerking heeft met een onontkoombare bureaucratische fixatie.

Dergelijke regelingen krijgen bovendien het karakter van systeemdwang wanneer zij direct gekoppeld worden aan de noodzakelijke economische grondslag (subsidie voor kunst, onderwijs, pers) en als voorschriften, tevens subsidievoorwaarden, worden geformuleerd. Aan deze maatschappijopvatting (waarin drie ‘vertrouwde’ principes: vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid centraal staan) ontlenen de vrijescholen ongetwijfeld ook heden een zeer actuele betekenis. Sinds vanuit onze politieke democratie een model voor de bestuursvorm van universiteit en hogeschool is gegeven, waarin de principes uit het rechtsleven zijn geformaliseerd en vastgelegd, is de discussie rond de vraag naar vrijheid van onderwijs en onderzoek in een nieuwe fase gekomen. Beheersvormen, middelentoewijzing, planning, professionele managers, rendement, selectie en beroepsvoorbereiding zijn aspecten die voordien in het economische systeem en in het bedrijfsleven de daar noodzakelijke efficiency en effectiviteit dienden te realiseren. Hiermee worden thans wetenschappers in hun onderzoek- en onderwijsactiviteiten, middels een onontkoombare wetgeving geconfronteerd. Of anders gezegd: kenmerken uit het economische- en het rechtsleven worden meer en meer bepalend voor de ruimte en vrijheidsmarge voor ontwikkelingen binnen het tertiair onderwijs. Hiermee is echter slechts een ontwikkeling zichtbaar geworden die in het kleuter-, basis- en voortgezet onderwijs reeds haar beslag had gekregen.

De vrijheid van onderwijs is in deze laatste onderwijssectoren minimaal. Zoals bekend zijn er voorschriften voor de omvang van de leerstof, gedetailleerde aanwijzingen voor de inhoud ervan en voor het tempo van leerstofverwerking, examenpakketten met een impact op de toekomstige beroepskeuze. Dit geldt reeds op het 15e en 16e jaar bij de pakkettenkeuze. Er is controle vanwege de inspectie op de taakuitoefening van de leerkrachten, er zijn bevoegdheidseisen, aanstellingsvoorsehriften etcetera etcetera. Rigide eisen, vanwege de overheid gesteld aan het functioneren van de jeugd en aan de richting van hun ontwikkeling, dienen garanties te bieden voor het functioneren van de toekomstige maatschappij. Leerkrachten zijn aangesteld om deze garanties via voorgcschreven werkwijzen te honoreren.

De ’vrijescholen’ hebben, tot in de naamgeving toe, tegen een beïnvloeding van het onderwijs vanuit de economische- en vanuit de algemene rechts- en politieke sfeer stelling genomen. Deze stellingname is weinig agitatorisch geweest. Het zwaartepunt ligt blijkbaar voor hen meer in het realiseren van vrijheid van onderwijs in concrete onderwijsinstellingen dan in het strijden voor principes.

*Drs. D. H. Crum begon zijn loopbaan als onderwijzer bij het openbaar lager onderwijs en was daarna een aantal jaren werkzaam als leraar aan de vrij school te Haarlem. In 1966 voltooide hij zijn studie opvoedkunde en onderwijskunde aan de Universiteit van Amsterdam en was daarna enige jaren medewerker aan het Kohnstamm Instituut voor onderwijsresearch van dezelfde universiteit. Sinds 1971 is hij medewerker aan het NPI, Instituut voor Organisatie Ontwikkeling, te Zeist. Gegevens van letere jaren onbekend
**datum van het artikel onbekend, maar verschenen in de jaren ’70 van de vorige eeuw, lijkt aannemelijk

***voor actuele adressen: vereniging van vrijescholen
adressen van staatsvrije vrijescholen

Noten

1. GA 3 Wahrheit und. Wissenschaft, 1881
Vertaald
2. GA 2 Grundlinien einer Erkenntnistheorie der Goetheschen Weltanschauung
3. GA 6 Goethes Weltanschauung
4. GA 4 Philosophie der Freiheit
Vertaald
5. GA 7 Die Mystiek im Aufgang des neuzeitlichen Geisteslebenang,
6. GA 28 Mein Lebensgang
Vertaald
7. vgl. J. Hemleben: ’Rudolf Steiner’, Rowohlt Taschenbuch, 1963, pag. 66 e.v.
Vertaald
8. GA 10 Wie erlangt man Erkenntnisse der höheren Welten?
Vertaald
9. o.m.: GA 9 Theosofie,
Vertaald
10. GA 11 Aus der Akasha Kronik
11. GA 14 Vier Mysteriendramen
Vertaald deel 1; deel 2
12. o.m.: GA 279 Eurythmie als sichtbare Sprache
13. o.m.: GA 286 Wege zu einem neuen Baustil)
gedeeltelijk vertaald
14. GA 23 Die Kernpunkte der sozialen Frage ln den ‘Lebensnotwendigkeiten der Gegenwart und Zukunft
Vertaald
15.GA 27 I. Wegman, R. Steiner: Grundlegendes für eine Erwelterung der Heilkunst naeh geisteswissenschaftlichen Erkenntnissen
16. GA 317 Heilpadagogischer Kursus
Vertaald
17. vgl. J. Hemleben, pag. 136 zie noot 7
18. in: GA 235-240 Esoterische Betrachtungen karmischer Zusammenhange
Vertaald
19. In: GA 12 Die Stufen der höheren Erkenntnis
gedeeltelijk vertaald
20. vgl. o.m. A. D. de Groot: Methodologie, ’s-Gravenhage, 1961
21. GA 10 ‘in: Wie erlangt man Erkenntnlsse der höheren Welten, zie noot 8
22. o.m. Perls, Goodman, Hefferline: Gestalt therapy, excitement and growth ln the human personality, Nederlandse uitgave:(niet gevonden)
23. o.m. GA 293 R. Steiner, Allgemeine Mcnschenkunde
Vertaald  zie Algemene menskunde alle artikelen
24. W. Klafki, Das padagoglsche Problem des Elementaren und die Theorie der kategorialen Bildung, Weinhem, 1963
25. vgl. C. Mommers, De plaats en de betekenis van het exemplarisch onderwijs in de didactiek, ’s-Iiertogenbosch, 1967
26. C. Möller, Technik der Lernplanung, Weinheim,. 19G9
27. R. Steiner, Allgemeine Menschenkunde zie noot 23
28. vgl. D. H. Crum, De onbekende Vrije Scholen, Ond. en Opv. 1970.3,
29. o.m. GA 192 R. Steiner, Vorträge über Volkspädagogik
Vertaald
30. vgl. D. H. Crum, zie noot 28
31. (waarschijndelijk) GA 300A, B, C
32. vgl. E. Lehrs, Republikanisch, nicht demokratlsch, in Mitteilungen aus der anthroposofischen Arbeit, 10.3
Vertaald (met enkele andere artikelen)
33. vgl. A. H. Bos, D. Brüll, A. C. Henny, Maatschappijstructuren in beweging, Zeist’,1 1973.
34. D. Brüll, o.c., pag. 98, De structuur van de Geert Groote School.

.

Rudolf Steiner: alle artikelen

100 jaar vrijeschool: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: alle artikelen

.

1680-1575

.

.

VRIJESCHOOL – Zintuigen – bewegingszin (9/5-3)

.

Bewegen:

Je baby kon al lopen voordat hij werd geboren.
Bewegen is gewoon, vooral voor kinderen.
Toch vraagt iedere ouder zich wel eens af of zijn kind niet te weinig beweegt. Of juist te veel.

Een interview met een eigenzinnig denker over de oorsprong van beweging.

‘Als je in dit landschap een embryo ziet, ben je op de goede weg.’
Deze woorden* staan onder de foto waarmee de website van dr. Jaap van der Wal opent. Van der Wal is embryoloog en het embryo staat dan ook centraal op zijn site. De bemoedigende woorden waarmee hij je als bezoeker van de site toespreekt, kun je ook wel gebruiken, want zijn opvattingen over de oorsprong van het menselijke bewegen zijn op zijn zachtst gezegd ongebruikelijk. Behalve embryoloog is Jaap van der Wal ook bewegingswetenschapper en promoveerde hij in 1988 op de door hem ontwikkelde ideeën over beweging en hoe je als mens je eigen bewegingen kunt waarnemen. Hij spreekt daarbij zelfs over een ‘bewegingszintuig’.

Van der Wal:
‘De bewegingswetenschapper en de embryoloog in mij groeien steeds meer naar elkaar toe. Het draait bij allebei om beweging. Op beide fronten torn ik voortdurend aan het gangbare idee dat het lichaam primair iets stilstaands is dat vervolgens in beweging kan worden gebracht vanuit het hoofd. Als je het embryo bestudeert – en de moderne bewegingstheoriën bevestigen dat inmiddels – merk je dat er van meet af aan beweging is. Beweging is dus primair en stilstand is secundair.’

Als je zwanger bent voel je je baby natuurlijk regelmatig een stompje of trapje geven. Maar je hebt het hier over een ander soort bewegen?

‘Ja, heel anders. De foetus beweegt door reflexen. Maar als je verder teruggaat in de ontwikkeling van het embryo, zie je dat de wijze waarop het lichaam gestalte krijgt op zichzelf één en al beweging is. Veel mensen denken dat je voor het eerst adem haalt als je net geboren bent. Of dat je je aan de spijlen van de box moet optrekken om voor het eerst rechtop te staan. Dat past bij de gedachte dat je eerst een lichaam hebt waarmee je vervolgens gaat leren ademhalen, staan en lopen. Maar het embryo ademt, staat en loopt al! Het doet dat in de vorming van zijn gestalte.

Je kunt dat goed zien aan het ontstaan van de longen. Aanvankelijk heeft het embryo nog helemaal geen borstkas. Daar is ook geen ruimte voor als je opgerold zit. Maar dan gaat het zich strekken en richt het zich op. Daar komen geen spieren aan te pas, dat is pure groeibeweging. Tijdens het strekken ontstaat de borstkas en dan gebeurt er iets prachtigs: in een soort ademhaling ontvouwt zich vanuit de keel een long en die long vult de hele borstkas. Geen wonder dat je daar later zo goed mee kan ademen, want dat orgaan is onstaan door een inademings-beweging.

Je ziet het ook aan het ontstaan van handen en voeten. Je voeten groeien van  meet af aan van je lichaam weg in een soort steungebaar, terwijl de handen naar het lichaam toe groeien in een grijpgebaar. Je krijgt gestalte door wat in je lichaam beweegt en niet door bewegingen die je mét het lichaam maakt. Beweging krijgt je baby in zijn lijfje mee. Langzaam maar zeker zal hij leren die bewegingen te laten aansluiten bij zijn bedoelingen. Dat is de essentie van het menselijke bewegen: het als een ruiter te paard richting geven aan datgene wat in jou beweegt.’

Hoe leer je als kind die samenhang aan te brengen tussen je bewegingen en je bedoelingen?

‘De foetus beweegt nog helemaal vanuit reflexen. Gaandeweg moet de baby leren zijn bewegingen te gaan sturen. Dat begint al als hij zijn handjes niet meer toevallig ziet langskomen, maar zijn armpjes gericht beweegt omdat hij iets wil pakken. In dat leerproces is ritme essentieel. Een vertrouwd ritme geeft een kind de nodige structuur en houvast om zich in de ruimte te leren bewegen. Liedjes waarbij handen en voeten meedoen, bewegingsspelletjes, het rondduwen van de trappers op zijn driewieler, alles waarbij beweging telkens op dezelfde manier terugkeert, helpt hem om zijn bewegingen steeds meer te bemeesteren. Als ze de basisschoolleeftijd hebben bereikt, zullen de meeste kinderen de steun van het ritme niet meer nodig hebben om zich vrij te kunnen bewegen.’

Met zijn grote bos witgrijze krullen is Jaap van der Wal zelf het toonbeeld van dynamiek. Zijn passie voor de bewegende mens werkt aanstekelijk. Als ik hem vraag of het goed is om je kind te stimuleren in het leren staan en lopen, roept hij haast verontwaardigd uit dat dat helemaal niet nodig is.

‘Bewegen kan je kind, dat kon het al voor de geboorte. Het gaat erom dat hij leert zijn bewegingen in te voegen in zijn innerlijke ontwikkeling. Dat betekent dus dat hij in de box opnieuw de strekkende beweging maakt die hij als embryo al maakte, maar nu bewust, omdat die beweging past bij zijn intentie te gaan staan. Als hij dat helemaal op eigen kracht voor elkaar krijgt, dan straalt de triomf uit zijn oogjes.
Natuurlijk kun je je baby stimuleren bij het leren lopen, ook als hij daar uit zichzelf nog niet de neiging toe heeft, want hij heeft nog een heel plastisch lijfje. Je kunt hem in een babybouncer zetten en dan loopt hij. Zijn beentjes kennen die reflex. Maar je ontneemt hem dan wei de vreugde die hij ervaart wanneer hij uit eigen beweging de eerste stappen zet. Dat doet hij pas wanneer hij daar ook geestelijk klaar voor is. Staan en lopen zijn dus niet alleen lichamelijke verworvenheden. Ze hebben ook een geestelijke dimensie. Daarvan kun je iets ervaren bij mensen die door een lichamelijke handicap niet kunnen staan en lopen. Vaak kun je daarbij het gevoel krijgen dat ze innerlijk wel degelijk zeer rechtop staan.
Je kunt het ook bespeuren als je probeert je eigen bewegingen nauwkeurig waar te nemen. Als jij bijvoorbeeld een kopje koffie wil pakken, komen je spieren in werking en gooi je je hand als het ware in de richting van het kopje. Onderweg stuur je die hand razensnel bij en hij komt precies op het goede moment en op de juiste plek bij het kopje aan. Maar met je geest was je al bij dat kopje voordat je hand er was. Het reiken naar het kopje is een geestelijk gebaar en je lichaam zorgt ervoor dat die reiking in je hand wordt ingevoegd.
Dat is precies waar het opgroeiende kind voortdurend mee bezig is: met het leren invoegen van het geestelijke gebaar in zijn lichamelijke motoriek. Eigenlijk groeit een kind niet op of uit, maar groeit het in. Bij dat ingroeien speelt het bewegingszintuig een belangrijke rol.’

Kun je meer vertellen over dat bewegingszintuig ?

‘Het bewegingszintuig zit over het hele lichaam verspreid. Je neemt er voortdurend mee waar wat er in je beweegt, hoe je beweegt en waar je naar toe wil met je beweging. Maar ook waar je staat wat betreft je intenties en je doelen. Hoe bewuster je met deze waarnemingen omgaat, hoe harmonieuzer je bewegingen zullen worden. Tot voor kort leek het vast te staan dat beweging uit het hoofd komt, dat als een soort marionettenspeler prikkels uitzendt waardoor onze spieren gaan bewegen. In de moderne bewegingswetenschap gaan we ervan uit dat het hoofd nodig is om te kunnen bewegen, maar dat dit niet wil zeggen dat beweging daar ook zijn oorsprong vindt. Beweging is gewoon een gegeven en het kind ontwikkelt het vermogen om die beweging steeds bewuster te sturen.

Je kunt een idee krijgen van de werking van het bewegingszintuig als je kijkt naar wat er gebeurt als je je peuter roept terwijl hij uit zijn bekertje drinkt. Hij draait zijn hoofd naar je om, maar tegelijkertijd kiepert het bekertje uit zijn hand. Het bewegingszintuig neemt dan het draaien van het hoofdje waar en er ontstaat automatisch een tegenbeweging in de armpjes. Dat gebeurt over twee jaar niet meer. Dan kan hij zijn bewegingen beter waarnemen en bewuster laten aansluiten bij zijn bedoeling: namelijk zowel naar zijn mamma kijken als zijn bekertje limonade in zijn hand houden. Je kunt het ook zien bij kleine kindjes die op de fiets zitten. Vaak word ik een beetje benauwd als ik dat zie. Want die beentjes vinden het heerlijk om ritmisch rond te trappen, maar ondertussen rijden de auto’s toeterend langs en roept mamma voortdurend:  ‘Kijk uit!’ Dat hoofdje wordt dus alle kanten uitgetrokken en de handjes aan het stuur maken allerlei tegenbewegingen omdat het bemeesteren van de motoriek nog niet helemaal is voltrokken. Het verkeer is dan gewoon een te harde leerschool.

Veel ouders maken zich wel eens zorgen dat hun kinderen te weinig bewegen, bijvoorbeeld omdat ze veel achter de computer zitten.

De computer hoort bij het kind van nu zoals het lichtknopje bij de generatie van mijn grootvader. Maar er ligt inderdaad wel een gevaar voor de gezonde ontplooiing van het bewegingszintuig. Dat gevaar is er eigenlijk alleen als je de eenzijdigheid ervan niet onderkent. Als je kind achter de computer zit beweegt er niets, behalve het vingertje aan de muis. Zelfs zijn ogen staan stil, want er is – laten we ons daarover geen illusies maken – geen enkele diepte in de virtuele wereld. En als jonge kinderen hun bewegingen, hun spel en hun sprongen alleen nog maar virtueel maken, mag je je wel afvragen wat ze mentaal aan bewegingskwaliteit ontwikkelen. Hoe zal het gaan met het staan, het lopen en het springen in zijn geest? Hoe zal hij zich als sociaal wezen, als denkend en beminnend wezen gaan ‘bewegen’.

Uit het oogpunt van beweging kun je inderdaad niet anders dan constateren dat de computer verarmend werkt, maar je kunt er ook voor zorgen dat het niet doorslaat naar die eenzijdigheid. Het heeft dan overigens niet zoveel zin om van je kind te verlangen dat het na het zitten voor het beeldscherm gaat voetballen of turnen omdat beweging nu eenmaal zo gezond is. Dan begin je aan de verkeerde kant. Beweging krijgt dan een element van prestatie in zich en dat hoort niet bij de wereld van het jonge kind. Spel kent die prestatiegerichtheid niet.

Wanneer je je kind een omgeving aanbiedt waarin hij als vanzelfsprekend gaat spelen, dan heft hij uit zichzelf die eenzijdigheid op.

Er zijn ook kinderen die te veel bewegen. Hoe kun je daarmee omgaan?

De zintuigen zijn de poorten waardoor de baby wakker wordt voor de wereld om hem heen. De indrukken die hij opdoet werken in het eerste levensjaar heel direct op zijn lijfje in. Sommige kinderen hebben extreem gevoelige zintuigen. Ze registreren alles en hun zintuigen raken overbelast: ook het bewegingszintuig. Het hyperactieve kind kan door die overbelasting zijn bewegingen niet meer zo goed waarnemen. Er beweegt te veel in hem. Wanneer je je kind wilt helpen met zijn hyperactiviteit om te gaan, sta je – zoals eigenlijk bij alle opvoedingskwesties – voor een keuze. Of je manipuleert het organisme door van buiten af in te grijpen (in dit geval bijvoorbeeld met ritalin) of je zoekt naar de gezonde vermogens in het kind zelf van waaruit je corrigerend kunt werken. Er is bij je overactieve kind sprake van een tekortschieten – en dat kan allerlei oorzaken hebben – in het bemeesteren van zijn bewegingen. Als je je dan fixeert op het oplossen van het bewegingsprobleem, zul je snel gefrustreerd raken. Want je kunt je overactieve kind nu eenmaal niet leren rustig op een stoel te zitten. Maar er zijn altijd gebieden te vinden waarop je kind wel kan laten zien dat hij zichzelf kan sturen. Om daarbij te kunnen aanknopen, zul je bijna een therapeutische houding naar hem moeten ontwikkelen. Soms moet je beslissingen nemen die niet voor de hand liggen. Bijvoorbeeld door je kind te laten paardrijden of op vioolles te doen terwijl zijn vriendjes juist allemaal op voetballen zitten. Het geven van een ritalinpil is natuurlijk makkelijker. Maar je ontneemt je kind dan wel de kans de ruiter, die ook in hem verscholen zit, zelf te wekken.

*de website heeft een verandering ondergaan

Petra Weeda, Weleda Puur Kind 7 lente 2001

.

Zintuigen: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Ontwikkeling: alle artikelen

.

1679-1574

.

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (1-2)

.

Broertje of zusje op komst

Met de komst van een tweede kind verandert de structuur van je gezin vaak ingrijpend.
Wanneer je rondom de bevalling dan ook even niet zo sterk in je schoenen staat, kan een jengelende peuter je snel te veel zijn. Wat gebeurt er eigenlijk met een peuter als zich een broertje of zusje aandient?
Peuterjuf Joyce Honing neemt een kijkje achter de schermen van het jonge gezin.

De moeder van Sharon is hoogzwanger van haar tweede. Ze vertelt me stralend dat alles klaar is voor de baby. Ze verheugt zich op de laatste maand, waarin ze zich in alle rust kan voorbereiden op de bevalling.
Een paar dagen later zie ik haar langzaam en dromerig het schoolplein op lopen met Sharon aan de hand. Ik sta voor het raam van het peuterklasje en zwaai naar ze. Sharon zwaait terug en trekt aan haar moeders arm om haar te wijzen op juffie die zwaait. De moeder glimlacht naar haar, maar haar blik is niet bij het kind en niet bij de juf, maar ergens ver weg. Sharon voelt dat die glimlach niets te maken heeft met wat zij haar mamma te zeggen heeft. Ze trekt woedend haar hand los, geeft een fikse stomp op de dikke buik van haar moeder en rent het klasje in. Haar moeder is zeer ontdaan. Ze begrijpt niets van deze reactie. De laatste dagen gedraagt Sharon zich vaker zo onmogelijk. Vreemd, want ze was toch juist zo blij over de komst van het nieuwe kindje.

Kleine tiran

Als juf maak je het natuurlijk regelmatig mee dat een peuter een broertje of zusje krijgt. Voor de peuter betekent dat vaak een vrolijke en opwindende tijd. Het hele gezin komt in beweging om de nieuwe baby te ontvangen: de babykamer wordt ingericht, de wieg bekleed, luiers worden gewassen en gevouwen en de peuter wordt bij alles betrokken. Voor hem is dit alles een feest, want beweging is zijn element. Dan breekt de laatste zwangerschapsmaand aan. Vaders zijn opgelucht dat alles in orde is en moeders tevreden dat ze de rust krijgen die ze zo vlak voor de geboorte hard nodig hebben.

En dan slaat de peuter om als een blad aan de boom. Hij wordt lastig, gilt om het minste geringste en maakt een drama van eten en slapen. Hij voelt feilloos aan dat hij niet meer de gebruikelijke aandacht van zijn moeder krijgt en weet ook, zoals Sharon met de klap op haar moeders buik liet zien, waar die aandacht wel naar toegaat. Er wordt een kleine tiran in hem wakker, die de aandacht van zijn moeder koste wat kost naar buiten wil trekken.

Veel kan je aan deze situatie niet veranderen, want hoe dichter bij de bevalling komt, hoe meer ruimte je innerlijk nodig hebt voor de enorme gebeurtenis die de komst van een kind is. Het enige wat je kunt doen is het liefdevol gadeslaan van de kleine tiran in de wetenschap dat zowel hij als jij nu even niet anders kunnen.

Verwondering

Vaak gaan ouders ervan uit dat hun peuter, die zo vol vreugde meedeed met alle voorbereidingen, zich net als zij erg op de komst van een broertje of zusje verheugt. Maar een klein kind kan zich nog niet echt verheugen op iets dat het niet kent. We zijn, in ons enthousiasme om het geheim van het in de buik groeiende wezentje te begrijpen, geneigd de peuter van alles uit te leggen en hem mee te nemen naar het maken van de echo in het ziekenhuis. ‘Kijk,’ zegt de dokter, terwijl hij op de monitor wijst. ‘Kijk, daar klopt het hartje’. Maar een peuter weet nauwelijks waar zijn eigen hartje zit en in plaats van dichter bij zijn ongeboren broertje of zusje te komen, ervaart hij vervreemding.

Precieze uitleg maakt de wereld voor het kind niet begrijpelijker. De essentie – en ook de schoonheid – van de kindertijd ligt juist in de verwondering over het mysterie waarvan hij zelf laagje voor laagje de sluiers afhaalt. Een gezonde ontwikkeling betekent dan dat een kind antwoord vindt op vragen op het moment dat het daaraan toe is. Tot die tijd mogen zon, maan en sterren een hemels geschenk zijn en mag een baby door de engelen of de ooievaar worden gebracht.

Baby bij de vuilnis

Voor de peuter is het het beste als de bevalling ver buiten zijn bewustzijn om plaatsvindt. De meeste peuters kunnen het lijden van hun moeder niet aanzien. Ze zullen woede voelen naar de baby omdat die hun moeder pijn heeft gedaan. Bovendien oriënteert een klein kind zich nog helemaal op zijn ouders en kan het geen afstand nemen van de emoties en de onzekerheid die nu eenmaal onvermijdelijk bij een bevalling horen.

En dan is hij er eindelijk, de baby. De peuter kijkt in de wieg en is teleurgesteld. Want hadden zijn ouders hem niet verteld hoe leuk hij met het kindje zou kunnen spelen? Nu ziet hij daar een klein, onbekend wezentje liggen dat alleen maar slaapt of huilt. De peuter zal tijd nodig hebben om helemaal vanuit zichzelf van de baby te gaan houden. Veel ouders zijn teleurgesteld als ze merken dat dit niet zonder problemen verloopt.

Zo vertelde een vader ontzet dat hij op een ochtend vroeg wakker werd en zijn dochtertje op de overloop aantrof met de baby in haar armen. Buiten klonk het geluid van de vuilniswagen. ‘Pap,’ zei ze, ‘ik zet de baby maar bij de vuilnisbak, want hij brengt zoveel rommel in huis’. Dat is een schokkende, maar rake observatie van de peuter. Ritme en regelmaat zijn in de eerste maanden na de geboorte ver te zoeken, alles is nog een beetje rommelig.

Door het moeilijke gedrag van de peuter begin je als ouder al snel te twijfelen aan je pedagogische kwaliteiten, en aan het verlies van je greep op het dagritme beleef je een onvermogen het gezin draaiende te houden. Je vraagt je vertwijfeld af hoe die moeders met tien kinderen dat vroeger deden, want jij bent al doodmoe van twee.

Moment voor jezelf

Soms kan het goed zijn te bedenken dat het appèl dat kinderen tegenwoordig op hun ouders doen ook werkelijk een stuk groter is dan vijftig jaar geleden. Peuters en kleuters van nu zijn veel wakkerder en uitgesprokener aanwezig. Het liefst loopt een peuter als een schaduw achter zijn moeder of vader aan om te zien wat deze aan het doen is. Dan werkt het niet als je tegen hem zegt dat hij nu lekker moet gaan spelen terwijl jij aan het werk gaat. Hij speelt pas als hij genoeg voeding voor zijn spel heeft gevonden, en die haalt hij vooral uit het meedoen met de dagelijkse bezigheden van zijn ouders. Maar zeker een moeder die net een baby heeft gekregen, valt het vaak zwaar weer terug te komen in het patroon van dagelijkse dingen. Door de bevalling zit ze even wat minder stevig in haar vel. Ze heeft het gevoel alsof ze nog niet helemaal met beide voeten op de grond staat

.Vaak vertellen moeders dat hun dagen zo gevuld raken door de eisen die de kinderen aan hen stellen dat ze, als ze eindelijk een moment voor zichzelf hebben, niet weten wat ze ermee moeten doen. In zo’n geval kan het helpen als je je iedere ochtend voorneemt om twee momenten op de dag naar eigen keus in te vullen. Daar laat je je door niets van afbrengen, ( ook al huilt de baby en is de luierwas groter dan anders. Voorwaarde is natuurlijk dat de keuzen in principe haalbaar zijn. Kleine stappen werken beter dan grote. Het is bijvoorbeeld niet zinvol meteen een studie op te pakken, ’s Avonds kijk je dan terug op de dag om te zien of je ook werkelijk hebt gedaan wat je jezelf had voorgenomen. Als het lukte, sterkt dat het gevoel weer greep te krijgen op de dagen. Lukte het niet, dan kun je proberen er achter te komen waardoor het je uit handen is gevallen. En zodra je wat vastere grond onder de voeten krijgt, kun je ook voor je peuter weer extra aandachtspunten inbouwen.

.
Joyce Honing, Weleda Puur Kind, nr.3 1999

.

Opvoedingsvragenalle artikelen

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

.

1598

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 2 (2-7-1)

.

Wat de kleur in de tekst betreft:
groen is tekst van Steiner
zwart/schuin is tekst van anderen
zwart/recht is vertaald door mij
blauw is mijn tekst

Enkele gedachten bij blz. 41 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

DE SPRONG IN DE ONDERBROKEN ZENUWEN

Wir haben allerdings selbst in der leiblichen Offenbarung einen dreifachen Ausdruck dieser Sympathie und Antipathie. Gewissermaßen drei Herde haben wir, wo Sympathie und Antipathie ineinanderspielen. Zunächst haben wir in unserem Kopf einen solchen Herd, im Zusammenwirken von Blut und Nerven, wodurch das Gedächtnis entsteht. Überall, wo die Nerventätigkeit unterbrochen ist, überall, wo ein Sprung ist, da ist ein solcher Herd, wo Sympathie und Antipathie ineinanderspielen.

En nu zijn ons zelfs op drie plaatsen in ons lichaam de sym­pathie en antipathie geopenbaard. We hebben in zekere zin drie centra waarin sympathie en antipathie met elkaar in wisselwer­king zijn.

Ten eerste is er in ons hoofd zo’n centrum, waar door het samenwerken van bloed en zenuwen het geheugen ontstaat. Overal waar de activiteit van de zenuwen onderbroken is, over­al waar een sprong is, daar is zo’n centrum waar sympathie en antipathie met elkaar in wisselwerking zijn.
GA 293/40
vertaald/41

Toen ik dit in 1970 las, had ik geen flauwe voorstelling van deze ‘sprong’, bijv. En tijdens het werken aan deze voordracht in de pedagogische vergadering heb ik nooit iemand hier een bredere verklaring voor horen geven.
Toch was daarover ook tijdens Steiners leven al iets bekend. 

Pas met de vlucht die het hersenonderzoek de laatste decennia heeft genomen, is er veel meer duidelijk geworden.

Oud-antroposofisch huisarts Arie Bos, schrijver van o.a. ‘Mijn brein denkt niet, ik wel’, en ‘Gebruik je hersens’, schreef een artikel ‘Kneedbare hersenen‘ waarin hij naar Steiner verwijst, een voordracht van 2 december 1917 (GA 179/14, waarin Steiner al over ‘een sprong’ spreekt. 

Bos: De Spaanse histoloog (weefselonderzoeker) Ramon y Cajal zag dankzij een nieuwe manier van kleuring van hersenweefsel dat hersenen niet, zoals tot dan toe gedacht, uit een aaneengesloten netwerk van zenuwvezels bestond, maar dat de op elkaar volgende zenuwen elkaar net niet raken. Consternatie alom! De verbinding die de geleiding van de elektrische prikkel van de ene zenuw naar de andere moet verzorgen bestaat dus uit een spleet (synaps)! Niemand die toen nog snapte wat daar aan de hand was, laat staan wat de verreikende betekenis van deze vondst was. Al had Ramon y Cajal blijkbaar al wel een idee toen hij in een lezing zei dat “mentale oefening bijdraagt aan de ontwikkeling en de groei van zenuwen in de hersenen”. Het werd in de jaren tachtig een stuk duidelijker, dankzij onderzoek op de zeeslak.’

Ik heb niet kunnen vinden of Steiner het werk van Cajal of diens tijdgenoot Golgi, kende.

De huidige techniek maakt het mogelijk dat we ons een voorstelling kunnen maken van – hier – de opening, de synaps, tussen twee zenuwbanen:

Stefan Leber behandelt in zijn boek dit onderwerp uitgebreid en citeert Schmidt/Thews: ‘Physiologie des Menschen’  blz. 45:

Leber:
Untersucht man das Gehirn und damit das zentrale Nervensystem
(ZNS), fallen zwei Tatsachen auf. An seiner Oberfläche erscheint es wie gefaltet; nachembryonal nimmt die Furchung (Sulci) zu, die Wölbungen (Gyri) treten immer plastischer hervor. Diese Oberflächenschicht besteht aus Nervenzellen (Neuronen), die einerseits Reize empfangen, andererseits Reize an andere Zellen weiterleiten, allerdings selektiv, also keineswegs unverändert. Dabei kann eine einzige Zelle unzählige Berührungen mit anderen Zellen eingehen (bis zu 10.000 sind bei einer Zelle gezählt worden). Jede dieser Berührungsstellen bildet so etwas wie eine Sprungstelle, Synapse genannt. Denn der Impuls oder Reiz läuft als elektrisches und damit mess- bzw. ableitbares schwaches Potenzial entlang der Nervenausläufer; am Ende, an der Synapse, verschwindet dieser Impuls und wird in einen chemischen Vorgang verwandelt: Transmittersubstanzen werden von der Synapse in den flüssigkeitsgefüllten Synapsenspalt abgegeben und lösen in der anliegenden Synapse (dem Ausläufer einer anderen Zelle oder gelegentlich auch der eigenen) wieder einen chemischen Prozess aus, der wiederum nach der Synapse längs des Ausläufers zu einem elektrischen Impuls führt. Hensel 1966, S. 71. Nun ist es so, dass die Impulse längs der Neuriten unverändert entlang laufen, dass aber an ihnen mehrere Informationsströme verbunden werden (Vermaschung) eine räumliche und zeitliche Speicherung stattfindet eine Verstärkung oder Drosselung, d.h. Umformung des Informationsgehaltes erfolgt. In alle Sinnesnerven sind solche Sprünge eingeschaltet, je nach Sinnesorgan verschieden. Desgleichen finden sich in den eigentlichen Verarbeitungszentren im Gehirn zahlreiche Synapsenbildungen, von denen schon gesprochen wurde. Auch die von den so genannten motorischen Zentren ausgehenden Efferenzen sind unterbrochen.

Wanneer je de hersenen onderzoekt en daarmee het centrale zenuwstelsel, vallen twee dingen op. De oppervlakte lijkt geplooid; na het embryonale stadium worden meer groeven gevormd, de windingen worden plastischer. Deze oppervlaktelaag bestaat uit zenuwcellen (neuronen) die enerzijds prikkels ontvangen, anderzijds prikkels aan andere cellen doorgeven, in ieder geval selectief, dus geenszins vastliggend. Daarbij kan een enkele cel talloze contacten met andere cellen aangaan (tot wel 10.000 zijn er bij één cel geteld). Ieder van deze contactplaatsen zijn gevormd als een soort sprongplaats, synaps genoemd. Want de impuls of prikkel loopt als elektrisch en daarmee meet- resp. afleidbaar zwak potentieel via de zenuwuitlopers; aan het eind, bij de synaps, verdwijnt deze impuls en wordt omgezet in een chemisch proces: transmitterstoffen worden door de synaps afgegeven in de vloeistof in de synapsspleet en roepen in de aangrenzende synaps (de uitloper van een andere cel of soms ook van de eigen uitloper) weer een chemisch proces op, dat opnieuw naar de synaps via de uitlopers tot een elektrische impuls leidt.
Nu is het zo dat die impulsen onveranderd langs de neurieten lopen, maar dat ze wel met meerdere informatiestromen verbonden worden (netwerken), er een ruimtelijke en tijdelijke opslag plaatsvindt of een meer of minder sterk worden, d.w.z. omvorming van de informatie-inhoud volgt. In alle zintuigzenuwen zijn dergelijke sprongen ingeschakeld, bij elk zintuigorgaan verschillend. Op een zelfde manier vind je in het eigenlijke verwerkingscentrum in de hersenen talrijke synapsverbindingen, waarover al werd gesproken. Ook de vanuit de zgn. motorische centra uitgaande efferente zenuwen zijn onderbroken.

Schema van de chemisch synaptische overdracht. Het actiepotentiaal in de zenuwvezels depolariseert de pre-synaptische zenuweinden. Daardoor komt het vrij worden van transmitterstof op gang die zich door de synaptische spleet verspreidt en die zich aan de receptoren van de post-synaptische cel kan binden. De binding veroorzaakt het openen van membraankanalen waar specifiek ionen doorheen kunnen stromen en een post-synaptische potentiaalverandering veroorzaken

Leber haalt dan Steiner aan uit dezelfde voordracht waaruit Bos hierboven citeert:

Nun entsteht aber die Frage: Warum ist der Nervenstrang unterbrochen? – Er ist unterbrochen aus dem Grunde, weil wir, wenn er nicht unterbrochen wäre, nicht eingeschaltet wären in den ganzen Vorgang. Nur dadurch, dass gewissermaßen der Impuls hier an der Unterbrechungsstelle überspringt … sind wir selbst drinnen in der Welt, dadurch sind wir bei diesem Impuls dabei. Würde er einheitlich sein, würde nicht hier eine Unterbrechung sein, so wäre das ganze ein Naturvorgang, ohne dass wir dabei wären.

Nu onstaat de vraag: waarom is de zenuwbaan onderbroken? Als de zenuwen niet onderbroken zouden zijn, zouden wij niet ingeschakeld kunnen zijn in het hele proces van de hersenenacitivteit. Alleen door het feit dat de impuls hier bij de plaats waar de onderbreking is, overspringt, zijn wij zelf aanwezig in de wereld, daardoor zijn wij zelf bij deze impuls aanwezig.

Of, met de woorden van Bos:
Als de zenuwen niet onderbroken zouden zijn geweest, zouden wij niet ingeschakeld kunnen zijn in de werking van de hersenen. Daardoor zijn we er zelf bij.

Leber:
Steiner wendet sich gegen die allgemeine Vorstellung, eine Wahrnehmung werde zum Gehirn geleitet und dort umgeschaltet, wodurch die Bewegung als Antwort auf den Eindruck zu gelten habe; mit anderen Worten: an der Synapse könne die intendierte Bewegung auf den «motorischen» Nerven übergehen und durch diesen auf die Muskulatur übertragen werden. Vielmehr wird – so Steiner – der Bewegungsimpuls schon am Beginn des afferenten Nervenabschnittes mit der sich dort bildenden Vorstellung verbunden.

Steiner verzet zich tegen de algmene voorstelling dat een waarneming naar de hersenen geleid wordt en daar verandert, waardoor de beweging het antwoord op de indruk zou zijn; m.a.w. bij de synaps zou de bedoelde beweging op de ‘motorische’ zenuwen overgaan en door deze overgeleid worden naar de spieren. Veel eerder – aldus Steiner – wordt de bewegingsimpuls al aan het begin van het afferente zenuwdeel met de zich daar vormende voorstelling verbonden.

Leber:
Wenn ich also beispielsweise an einem Baum einen Apfel hängen sehe und die Hand ausstrecke, um ihn zu pflücken, ist gleichsam schon in dem Apfel der Bewegungsablauf enthalten, der von der Hand vollzogen werden muss. Es werden also schon am Apfel Vorstellungs- und Bewegungsimpuls zu einem Einheitlichen.

Wanneer ik dus bijv. een appel aan een boom zie hangen en mijn hand uitstrek om die te plukken, zit de afloop van de beweging die mijn hand moet maken,  a.h.w. al in de appel. Dus in de appel worden voorstellings- en bewegingsimpuls tot eenheid.

‘Wenn ich eine Hand bewege, dadurch veranlasst, dass ein äußerer Sinneseindruck auf mich gemacht worden ist, dann liegt der Impuls, dass diese Hand bewegt wird, vereinigt von der Seele mit dem Sinneseindruck, schematisch dargestellt, schon bereits hier», d.h. am Ort des Sinneseindrucks 

Wanneer ik mijn hand beweeg, veroorzaakt doordat iets van buitenaf op mijn zintuigen werkt, ligt de impuls dat mijn hand zich beweegt, door mijn ziel met de zintuigindruk tot eenheid gemaakt, schematisch voorgesteld al hier’ d.w.z. op de plaats van de zintuigindruk. [In onderstaande tekening bij a]

Leber:
Dieses Geschehen wird einheitlich in der gesamten Nervenbahn, das heißt prä- und postsynaptisch wahrnehmend «gespiegelt»;

Deze activiteit wordt in z’n geheel in de totale zenuwbaan, d.w.z. pre- en post-synaptisch waarnemend ‘gespiegeld’.

in Rudolf Steiners Worten: :

In de woorden van Steiner:

Und dasjenige, was geleitet wird, wird auf den ganzen sensitiven Nerven und den so genannten motorischen Nerven entlang geleitet von a bis zu b. Das ist nicht so, dass der Sinneseindruck erst bis zu c geht und dann von da aus einen Befehl gibt, damit b dazu veranlasst werde – nein, wenn ein Willensimpuls stattfindet, lebt das Seelische schon befruchtet bei a und geht durch den ganzen unterbrochenen Nervenweg durch.

En wat geleid wordt, wordt langs de gehele sensitieve zenuwen en de zgn. motorische zenuwen geleid van a naar b. Het is niet zo dat de zintuigindruk eerst naar c gaat en dan vandaaruit een bevel geeft, zodat b actief wordt – nee – wanneer er een wilsimpuls is, is de ziel al impulserend bij a en gaat door de hele onderbroken zenuwweg heen.’

Leber:
Wie der Bewegungsimpuls unmittelbar in die Muskulatur eingreift, entzieht sich dem Bewusstsein, denn was in der Nervenbahn sich abspielt, ist ja nur eine gewissermaßen gespiegelte Wahrnehmung des Geschehens, nicht die Veranlassung der Bewegung. Der Muskel kommt nicht durch Nervenimpulse, sondern durch den Astralleib in Bewegung.

Hoe de bewegingsimpuls direct in de spieren ingrijpt, onttrekt zich aan het bewustzijn, want wat zich in de zenuwbaan afspeelt, is alleen maar een gespiegelde waarneming van wat er gebeurt, niet de aanzet tot de beweging. De spier komt niet door de zenuwimpuls, maar door het astraallijf in beweging.

Wenn wir eine Vorstellung mit einem Willensimpuls zusammen formen in a, so wird dieser Impuls von a aus weitergeleitet. Indem er von c auf d [die Synapse] überspringt, schwächt sich das Ganze so ab für unser Bewusstsein, für unser bewusstes Erleben, dass wir das Weitere, was wir nun in uns erleben, die Erhebung der Hand und so weiter, nur mit der geringen Intensität des Bewusstseins erleben, die wir sonst auch im Schlafe haben. Wir sehen das Wollen erst wiederum, wenn die Hand sich bewegt, wenn wir wieder von einer anderen Seite her eine Sensation haben. 

Wanneer we een voorstelling vormen samen met een wilsimpuls in a, dan wordt deze impuls van a uit verder geleid. Wanneer hij van c op d [de synaps] overspringt, wordt het geheel voor ons bewustzijn, voor ons bewuste beleven zoveel zwakker dat we wat er nog komt, wat we in ons zelf beleven – het uitstrekken van onze hand  enz. – slechts de geringe intensiteit van het bewustzijn beleven, die we anders ook in de slaap hebben. We zien de wil pas weer, wanneer de hand zich beweegt, wanneer we van de andere kant uit iets beleven.

Steiner wiederholt dann noch einmal, dass wir eigentlich nur mit demjenigen Teil unseres Wesens, welcher vor den Synapsen liegt, wachen; was dahinterliegt, also der post-synaptische Teil wird von uns «verschlafen».

Steiner herhaalt dan nog een keer dat we eigenlijk alleen met dat deel van ons wezen dat vóór de suynapsen ligt, wakker zijn; wat erachter ligt, dus het post-synaptische deel wordt door ons ‘verslapen’.

Es folgt eine entscheidende Formulierung: 

Er volgt een doorslaggevende formulering:

«Und alles dasjenige, was nun unter der Nervenunterbrechungsstelle liegt, wird von der geistigen Welt heraus direkt gebildet, geschaffen.»

En alles wat maar onder [wat hij met ‘unter’ bedoelt is mij niet helemaal duidelijk] de zenuwonderbreking ligt, wordt direct vanuit de geestelijke wereld gevormd, geschapen.
GA 179/12-17
Niet vertaald

Wenn Sie verfolgen, sagen wir zum Beispiel einen Nerv, der von irgendeiner Stelle des Leibes nach dem Rückenmark geht, so finden Sie für jeden solchen Nerv auch einen anderen, oder wenigstens annähernd für jeden solchen Nerv auch einen anderen, der irgendwoher wiederum zurückführt irgendwohin. Die Sinnesphysiologen nennen das eine einen sensitiven Nerv, das andere einen motorischen Nerv. – Uber den Unsinn dass es sensitive und motorische Nerven gäbe, habe ich ja des öfteren schon gesprochen. Aber das Wichtige ist, dass eigentlich jede ganze Nervenbahn an dem Umfang des Menschen entspringt und wiederum zum Umfang [gemeint ist die Körperperipherie, etwa die Haut] zurückgeht, aber irgendwo unterbrochen ist, wie ein elektrischer Draht, wenn er einen Funken überspringen lässt. Das ist eine Art Uberspringen, ein sensitives Fluidum von dem so genannten sensitiven bis zu dem sogenannten motorischen Nervenanfang. Und an den Stellen – solche Stellen sind sehr viele, in unserem Rückenmark zum Beispiel, und in anderen Partien unseres Leibes – sind auch die Raumesstellen, wo der Mensch sich nicht allein selber angehört, wo er dem Weltenall angehört. Wenn Sie alle diese Orte miteinander verbinden, dazu auch die Ganglien des Sympathikus nehmen, dann bekommen Sie diese Grenze, auch leiblich-physiologisch diese Grenze. Sodass Sie sagen können: Sie halbieren gewissermaßen den Menschen – es ist dieses mehr als die Hälfte – … und betrachten ihn wie ein großes Sinnesorgan, betrachten das Aufnehmen durch die Sinne überhaupt als die Sinnesempfänglichkeit, das Verarbeiten durch den Verstand als eine weitere feinere Sinnestätigkeit, das Entstehen der Erinnerungsbilder als Nachbilder, die aber bleibend sind für das Leben zwischen Geburt und Tod, weil aufgestoßen wird, wenn die Erinnerung sich bildet, an dem Weltenäther. Unser eigener Äther stößt an den Weltenäther auf, und es finden Auseinandersetzungen zwischen uns und dem Weltenäther statt.
Der andere Teil des Menschen ist der, welcher gewissermaßen zu seinem Endorgan die Gliedmaßen hat. …

Wanneer we bijv. een zenuw volgen die van de een of andere plaats in het lichaam naar het ruggenmerg loopt, vind je voor elk van die zenuwen ook een andere, of tenminste bijna voor elk van die zenuwen, ook een andere die ergens weer naar elders loopt. De zintuigfysiologen noemen dat een sensitieve zenuw, de andere een motorische.
Over de onzin dat er sensitieve en motorische zenuwen zouden bestaan, heb ik het al vaker gehad. Maar het belangrijke is dat eigenlijk iedere totale zenuwbaan aan de buitenkant van de mens ontspringt en daar weer naar terugkeert, [bedoeld wordt de lichaamsperiferie, dus de huid] maar ergens onderbroken is, zoals een elektriciteitsdraad, wanneer die een vonk over laat springen.
Dat is een vorm van overspringen, een sensitief fluïdum van de zgn. sensitieve naar het zgn. motorische zenuwbegin. En op die plaatsen – die zijn er heel veel, bijv. in ons ruggenmerg en in andere delen van ons lichaam – bevindt zich ook de ruimte waar de mens niet alleen zichzelf behoort, maar waar hij ook bij het wereldal behoort. [Hier krijg ik sterk de indruk dat het dezelfde plaats betreft die Steiner in GA 179 beschrijft en dus de synapsspleet zou zijn – de plaats ‘waar we er zelf bij zijn‘.]
Wanneer je al deze plaatsen met elkaar verbindt, daarbij ook de gangliën [ganglion (een oudere definitie): een opeenhoping van zenuwcellen waarin de prikkels van het aanvoerend deel van de zenuw door de ganglioncellen worden overgenomen en door het afvoerend deel van de zenuw verder geleid. In de Algemene menskunde wordt ook het woord Ganglien gebruikt en vertaald met ‘zenuwknoop’.] van de sympathicus neemt, dan krijg je die begrenzing, ook lichamelijk-fysiologisch. Zodat je zou kunnen zeggen: je halveert de mens in zekerer zin – het is wel meer dan de helft -en beschouwt hem als een groot zintuigorgaan, zie het in zich opnemen door de zintuigen vooral als het ontvankelijk zijn van de zintuigen; het verwerken door het verstand als een verdere fijnere zintuigwerking, het ontstaan van de herinneringsbeelden als nabeelden, die echter blijvend zijn voor het leven tussen geboorte en dood, omdat we, wanneer de herinnering gevormd wordt, in aanraking komen met de wereldether [aufstossen = er tegenaan stoten, op botsen, raken, maar ook ontmoetenOnze eigen ether ontmoet de wereldether en er vindt uitwisseling tussen ons en de wereldether plaats. [auseinandersetzen = o.a. zich uitvoerig met elkaar bezighouden].
Het andere deel van de mens is het deel dat in zekere zin als eindorgaan de ledematen heeft….
GA 194/128ff
Vertaald (geen gebruik gemaakt van de vertaling)

Hoewel het moeilijke materie blijft, lijkt het erop dat we toch een stukje ‘dichterbij’ komen wat betreft de opmerking van Steiner: 

Zunächst haben wir in unserem Kopf einen solchen Herd, im Zusammenwirken von Blut und Nerven, wodurch das Gedächtnis entsteht.

Ten eerste is er in ons hoofd zo’n centrum, waar door het samenwerken van bloed en zenuwen het geheugen ontstaat.

De plaats waar geheugen ontstaat zou dus – dat blijkt uit wat hierboven naar vorenkomt – de synapsspleet te zijn, ‘waar we er zelf bij zijn’, waar onze ether de wereldether ontmoet.
Dat zou dan het ‘fluïdium’ zijn: dat wat zich tussen de synapsen bevindt. Dan zou daar ook bloed aanwezig moeten zijn.

Leber bevestigt dit:

Die Begegnung von Blut und Nerv erfolgt physiologisch im Synap-
senspalt. Während sonst, wie schon dargestellt, eine Blut-Hirn-Schranke vgl. S. 239 besteht – die fetten Hüllschichten der Nervensubstanzen weisen das Wässrige (Blut) ab -, wird der Synapsenspalt von einem feinen Flüssigkeitsfilm ausgefüllt, der, auch wenn er keine Zellen aufweist, physiologisch als Blut zu betrachten ist. Blut und Nerv berühren sich hierdurch unmittelbar; damit kann sich der vergangenheits- und der zukunftsorientierte Mensch in die dort zum Bewusstsein gelangenden Vorgänge einschalten. Im Kopfbereich hat man es mit dem Bewusstsein zu tun:
Hier hat der Träger des Bewusstseins seinen Sitz, während der Wachzeiten ist der Mensch hier eingeschaltet, bewusst teilnehmend und erlebend anwesend.

Het samengaan van bloed en zenuw vindt fysiologisch plaats in de synapsspleet. Terwijl in het andere geval bloed en zenuw van elkaar gescheiden worden – de vettige hulsellagen van de zenuwsubstantie houden het waterige bloed af – bevindt zich in de synapsspleet een dunne vloeistoffilm die, ook al zitten er geen cellen in, fysiologisch als bloed beschouwd moet worden. Bloed en zenuw komen hierdoor direct met elkaar in contact; zo kan de mens die zich op het verleden en op de toekomst richt deel hebben aan de daar tot bewustzijn komende activiteiten. In het gebied van het hoofd heb je te maken met bewustzijn:
Hier heeft de drager van het bewustzijn zijn plaats, tijdens de wakkere uren is de mens hier ingeschakeld, bewust deelnemend en meebelevend aanwezig.

Zie over de synaps

Gezien de ingewikkeldheid van alles, beweer ik zeker niet dat het zo is zoals ik hier bij elkaar zet. Ook voor mij is dat vrij nieuw. En alles roept weer nieuwe vragen op: hoe is het bijv. met de opmerking van Leber dat de synaps gevuld is met ‘bloed’, zij het dan in een heel bijzondere vorm. Wat zegt de wetenschap daarover: ik heb het nog niet kunnen vinden.De antipathie die Steiner in dit verband noemt, zien we in een vorm van wakker, voorstelling, geheugen; de sympathie is minder duidelijk, gekoppeld aan het willen, waarvan hier wordt gezegd dat de impuls na ‘de sprong’ voor ons bewustzijn snel ‘slaperiger’ wordt.

Kun je aanvullen, uitbreiden? Je bent van harte uitgenodigd.

Wat bijv. als je je afvraagt wat er voor belangrijks moet gebeuren in de synaps wil het mogelijk zijn dat daar geheugen ontstaat. Welke elektrische vonken moeten overspringen van ‘de ene naar de andere kant’. Dan vraag je eigenlijk: welke neurotransmitters moeten dan worden geactiveerd. Maar wie activeert die en waardoor? Doen wij dat zelf als ‘Ik’. 
Dat is wel het antwoord van Bos: 

In 2003 publiceerde de neurowetenschapper Joseph Ledoux zijn boek ‘The synaptic Self’, waarin hij tot op de laatste molecuul uitlegt wat er gebeurt in de synapsen. Elke ervaring die wij hebben of zelf veroorzaken zorgt ervoor dat bepaalde synapsverbindingen worden versterkt en andere verzwakt, zodat die ervaring als het ware zich een nieuwe weg baant in het zenuwnetwerk van de hersenen. Er ontstaan nieuwe circuits. Hij gaf zijn boek dan ook de ondertitel ‘Hoe onze hersenen worden wie wij zijn’ mee. Dat is andere koek dan automatisch reageren. Hij zegt eigenlijk dat wij zelf onze hersenen vormgeven. Dat wordt de plasticiteit (‘kneedbaarheid’) van de hersenen genoemd. Ramon y Cajal had dat al voorzien: wij kunnen dat zelf actief doen.

En laten wij bij de opvoeding, bij het lesgeven de kinderen niet van alles ervaren. Om welke ervaringen gaat het dan en maakt het iets uit hoe iets wordt ervaren? Of op welke leeftijd?

En als we dat zelf actief kunnen doen, hoe laten we dan in de opvoed- of onderwijssituatie de kinderen dit actief doen?

Dus: op zoek naar antwoorden op deze vragen!

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] 
GA 295
Praktijk van het lesgeven
.

.

Algemene menskunde: voordracht 2: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1676-1571

.