VRIJESCHOOL – 6e klas – Natuurkunde – kleur (4-2)

.

Het moeilijke van schrijven over kleur is dat met woorden toch niet kan worden uitgedrukt wat kleuren voor beleving oproepen. Hoewel woorden een aanduiding blijven, wil ik toch proberen er iets over te schrijven om zo tot een beleving te komen van wat voor invloed kleuren op ons hebben.

De eigen waarneming en beleving van kleur, het onbevangen en wakker laten inwerken van kleur kan men zo ontwikkelen dat men ook voor allerlei fijne nuances oog gaat krijgen. Men gaat kleuren zien, waar men ze eerst niet waarnam. Zo kan men waarnemen, als men verschillende kleuren blauw naast elkaar legt, dat de ene kleur blauw naar het groen neigt en het andere naar violet. Dat in de ene kleur blauw geel meespeelt en in de andere rood. Vooral in deze tijd* van het jaar bloeien in de natuur de prachtigste kleuren op. De herfst tovert vanuit het zware groen de schitterendste goudgele, rode en bruine tinten te voorschijn. De esdoorns staan in vuur en vlam, de krent staat in een rode gloed. Het is alsof ze nog een laatste keer een herinnering aan de zomerwarmte willen oproepen, Maar het rood, het goudgeel en zelfs het groen tonen allemaal een schaduw. De kleuren hebben allemaal iets bruins. Vooral als men zich probeert te herinneren hoe de kleuren in het voorjaar waren – het prille groen – de tere heldere kleuren van de eerste bloemen, dan beleeft men nog duidelijker hoe anders de herfstkleuren zijn.

Zo beleef ik in het voorjaar in een beukenbos hoe teer en haast transparant het groen van de jonge blaadjes is. Al na een paar weken is de kleur donkerder geworden, het blad wordt steviger. Nu, in de herfst, is het groen zwaar en dicht. Waar het groen zich uit het blad terugtrekt, verschijnt een prachtig goudgeel en een gloeiend goudbruin. Zelfs als de bladeren allemaal gevallen zijn, houdt dit bruin iets lichtends.

Zo veranderen door het jaar heen de kleuren. In het voorjaar zijn ze pril en jeugdig, in de zomer is er een uitbundige veelheid van kleur. In de herfst wordt de helderheid van de kleuren gedempt door de sluier van bruin en violet, die als een schaduw van sterven over de kleuren wordt getrokken. En in de winter is er weinig kleur: zwart, bruin en grijs en het zware groen van de naaldbomen  overheersen.

Zoals men door het jaar heen andere kleuren waarneemt, zo kan men ook in een dag (als het weer meewerkt) verschillende kleurstemmingen beleven. Midden op de dag zijn de kleuren helder en duidelijk, soms is ’t licht zo fel dat de fijne nuanceringen verdwijnen, denk maar aan een overbelichte foto. ’s Nachts zijn er alleen duistere kleuren te zien. Bij zonsopkomst en zonsondergang tovert het licht het hele kleurenscala aan de hemel. Het diepe indigo-blauw wordt lichter. Op de wolken verschijnt.een zacht-purperviolette schijn en als de zon hoger komt, kun je alle kleuren van de regenboog zien.
Hoog de blauwe hemel, die haast onmerkbaar overgaat in zachtgroen geel, oranje en rood.

Behalve het waarnemen, van kleuren in de omgeving, kan het oog ook zelf kleuren oproepen. Als men intensief kijkt naar een helrood voorwerp dat in een geheel witte omgeving staat en dan de blik richt op een volledig wit vlak, dan verschijnt na enkele ogenblikken dezelfde vorm met een lichtend groenblauwe kleur. Het rode voorwerp heeft het oog aangezet tot het vormen van een tegenwicht; de complementaire kleur. Deze kleur, groenblauw in dit geval, vormt samen met het rood een harmonisch geheel. Dat wil zeggen dat de drie basiskleuren (primaire kleuren) er alle drie in voorkomen. Naast het rood in het groen, tevens het geel en het blauw. Zo vormt het oog als men lang naar groen kijkt ook rood. Als men naar oranje kijkt roept dat blauw op, geel roept violet op en omgekeerd.

Deze proeven met het oog beschrijft Goethe in zijn “Farbcnlehre” (kleurenleer)
Hij onderzoekt de verschijning en werking van kleuren. Door het waarnemen in de natuur komt hij tot een kleurencirkel, waarin ook de oerfenomenen waarop hij zijn kleurenleer baseert, zijn af te lezen. Op deze oerfenomenen wil ik hier niet ingaan, wel op de kleurcirkel zelf.

Daarin zijn de kleuren zó geplaatst,

– dat men rondgaand de hele regenboog doorloopt;
– dat de kleurenparen, die ik hiervoor noemde, tegenover elkaar staan (complementaire kleuren);
– dat de primaire kleuren in een driehoek staan;
-dat tussen deze primaire kleuren de mengkleuren staan
(secundaire kleuren)

Goethe deelt zijn cirkel in een positieve en een negatieve kant in. Ofwel een warme en een koude kant, een op je afkomende en een zich terugtrekkende kant. Daarbij zijn rood, oranje en geel de warme, actieve kleuren en groen, blauw en violet de koude, rustige kleuren.
Denk je eens in dat de hemel rood zou zijn, dat zou niet uit te houden zijn, je zou helemaal weg moeten kruipen. De blauwe hemel geeft ruimte.
Niet voor niets zie je “blauw” van de kou en staat de kachel “roodgloeiend” van de warmte. In onze taal komen deze kleurkwaliteiten tot uitdrukking. Met deze kleurkwaliteiten, de werking van kleuren op de zielsgesteldheid van de mens, de beleving van de kleurinwerking op het gemoed, werkt de kunstzinnige therapie. Het is een zoeken naar harmonie in de kleur en daardoor vinden van harmonie in het zielenleven. Een overgaan van de ene naar de andere kleur om zo een beweeglijkheid in de gevoelswereld te oefenen. Het is een omgaan met kleur, niet omdat al die kleurtjes zo leuk zijn, maar om een bewustzijn voor de kwaliteit van kleur te wekken. Het is het onbevangen kleuren gaan waarnemen en daarbij dat, wat de kleur te zeggen heeft, voor waar te nemen.

A.M.Muller, vrijeschool Zutphen, *nadere gegevens onbekend

.
Waarnemen van kleur

Natuurkunde klas 6alle artikelen

Goethe Kleurenleer

Kleurenleermeer

.

1721-1615

.

.

VRIJESCHOOL – Natuurkunde – kleur (4-1)

.

Het principe van Yang en Yin in de natuurwetenschap

Kleurenleer tussen licht en duister

Tao, dat gezegd kan worden, is niet het eeuwig Tao.
De naam, die genoemd kan worden, is niet de eeuwige Naam.
Onnoembaar is de oorsprong van hemel en aarde.

Zo begint het ongeveer 2500 jaar geleden door Lao Tse geschreven boekje, dat de naam draagt Tao Teh King. Dat is: het klassieke boek (king) over de eerste oorzaak, die alles schept (tao) en de deugd (teh). De namen voor hemel en aarde, deze noembaarheden kenden de Chinezen toen al lang onder de namen Yang en Yin.

Yang is vader hemel en Yin is moeder aarde. Tevens hadden de uit het eeuwig Tao zich uitsplitsende polariteiten Yang en Yin vele andere betekenissen in de menigvuldige ideeën en begrippen, waarin een initiërend beginsel zijn tegenstelling vond in een volgbeginsel.
Yin werd beschouwd als het medescheppend spiegelbeeld van Yang.

Zo stonden als Yang en Yin bijvoorbeeld tegenover elkaar: creativiteit en ontvankelijkheid; mannelijk en vrouwelijk; energie en inertie; kwantiteit en kwaliteit; onderwijzen en leren; vorst en onderdanen; zomer en winter; warmte en koude; dag en nacht; vader en moeder; licht en duisternis. Wat Yin voortbrengt is aangelegd door Yang en komt dus voort uit het samenspel van Yin met Yang.

Wie waarlijk wil weten hoe de Chinezen over de duizenderlei mogelijkheden van dit samenspel dachten, zal enige jaren moeten uittrekken, die hij minimaal nodig heeft om het Boek der Veranderingen, het 3000 jaar oude I Tjing, te bestuderen.

Zoals men wellicht weet, kwam de I Tjing in de vijftiger jaren naar Europa op initiatief van Carl Jung, nadat zijn leerling en medewerker Richard Wilhelm tussen 1913 en 1923 de enorme prestatie had geleverd de Chinese tekst in het Duits te vertalen. Zo bereikte in onze eeuw deze Oosterse, Chinese kosmologie het westen. In deze kosmologie ontstaan uit de Yang-Yin polariteit acht oer-drieledigheden, maar niet de ons vertrouwde en door Rudolf Steiner op de voorgrond geplaatste drieledigheid van Willen, Voelen en Denken.

Die is wel al te vinden in een westerse kosmologie van nog oudere datum, de Israëlitische esoterische wijsheid van de Kabbala.

Tao heet daar Kether, (de kroon). Uit deze kroon emaneren twee
scheppingsbeginselen: Chokmah, dat overeenkomt met Yang, en Binah, dat met Yin overeenstemt. Deze macrokosmische drie-eenheid spiegelt zich in een microkosmische, in drie scheppingskringen (in het Hebreeuws Sephiroth genaamd), die van het Willen, het Voelen en het Denken. Deze spiegelen zich nogmaals, om in de zevende kring de scheppingsvolheid te bereiken. Aan deze wijsheid hebben wij onze week van zeven dagen te danken en aan de tien Sephiroth, de drie macrokosmische en zeven microkosmische, ons tientallig stelsel.

De westerse natuurwetenschap, die met het tientallig stelsel alles wat zij berekenen kan uitrekent, is haar esoterisch uitgangspunt totaal vergeten. De westerse filosofie en de westerse natuurwetenschap stevenden voorbij aan de kabbalistische wijsheid, die door esoterische Joodse kringen werd behouden en behoed. Mensen, die heden ten dage iets van de Kabbala afweten, iets van de tien Sephiroth, iets van Chokmah en Binah, zijn nog schaars. Mensen, voor wie Yang en Yin reële betekenis gekregen hebben, zijn er meer.

Met deze laatste begrippen voor ogen is het niet moeilijk in te zien, dat er wat hapert aan de westerse natuurwetenschap. Zij is eenzijdig en daardoor onevenwichtig. Om het op zijn Chinees te zeggen: Zij is Yang-kennis zonder Yin! Want wat doet de natuurwetenschap?

Zij spitst zich erop toe om uit het natuurgeheel grootheden los te schillen die weegbare, meetbare, telbare, berekenbare energieën zijn, die voor de westerse civilisatie bruikbare materie opleveren. Een afzonderingstactiek dus, die haar doel tracht te bereiken met ingenieuze instrumenten en machines, die met behulp van een op kwantitatieve waarden ingestelde rekenkunde konden worden geconstrueerd.

De fysica is energiek op zoek naar fysische energie. Daarop is uiteindelijk alle informatie, die zij inwint gericht. Of zij nu per astronomie spiraalnevels achter de telescoop heeft, of de door haar zo betitelde moleculen, atomen, elektronen, protonen, neutronen, mesonen, enz. onder de microscoop, of zij een explosiemotor bouwt of een kernenergiebom vervaardigt, macrokosmische of microkosmische energie heeft de doelstelling, die tot en met de harttransplantaties van de medici, niet om de voorrang vraagt, maar deze opeist. Met andere woorden: Yang.

Yang en nog eens Yang. Yang-kwantiteiten.
Yin-kwaliteiten vallen buiten de natuurwetenschap. Maar niet buiten de natuur!

Goethe, die een ras-fenomenoloog was, schreef tussen 1791 en 1810 zijn 680 paragrafen tellende ‘Farbenlehre’, waarin hij op wetenschappelijk overtuigende wijze kon aantonen dat kleuren uit licht en donker — Chinees gezegd: uit Yang en Yin — ontstaan.

Dat de officiële natuurwetenschap met haar Yang-gerichtheid Goethes inzichten niet kon delen, en tot op de huidige dag niet deelt, is voluit begrijpelijk.

De westerse natuurwetenschap baseert zich, wat de kleurenleer betreft, nog steeds op een ontdekking van Isaac Newton, een proef uit 1672, die deze toen dertigjarige hoogleraar in de wis- en natuurkunde te Cambridge in zijn studeervertrek verrichtte. Dat de grote fysicus uit de proef die hij deed een wetenschappelijk onverantwoorde conclusie trok, moge zo meteen blijken.

Newtons prisma-proef

Newton liet in zijn geheel verduisterde kamer door een in de buitenmuur bevestigde convexe lens, zonlicht in een evenwijdige bundel door een prisma schijnen. Op een zorgvuldig bepaalde afstand van het prisma bevond zich een wit projectiescherm. Daarop verscheen toen een kleurenband: violet, donkerblauw, lichtblauw, groen, geel, oranje, rood. De conclusie luidde, dat de waargenomen kleuren dus door de lichtbreking van het prisma uitgesplitste componenten waren van het witte licht. Het witte licht bevat datgene, wat het prisma ons vertoont: de spectraalkleuren. Waar zit de door de natuurwetenschap niet ontdekte fout in de redenering? Dat zij Yin geen oog waardig keurt.

Dat Newton geen oog had voor het duister in het vertrek. Het dus is een voorbarigheid. De proef betreft waarneembaarheden: kleuren. De proef vindt plaats in het duister. Ook het duister is een waarneembaarheid. Dit mag dus bij een verklaring van de kleurenvorming niet op voorhand buiten beschouwing gelaten worden. Naar wetenschappelijke maat gemeten is dat willekeur uit een vooroordeel, dat het donker geen rol kan spelen, omdat het geen energie is!

Er bestaat een populair oordeel, dat je in het donker niets ziet, omdat het niets is. Het tegendeel is waar: in een verduisterd vertrek zie je geen omgrenzingen en geen voorwerpen, die daar misschien staan, doordat alles door de duisternis in een pikzwarte wade wordt gehuld. Dat zwart neem je heel goed waar. Het overstroomt je, het dringt in je, het zuigt je op. Je beleeft het door en door.

Onlangs zei een goede bekende van mij tegen een man, die op latere leeftijd blind was geworden: ‘Wat moet het ellendig zijn alleen maar zwart te zien!’ De man antwoordde: ‘Je vergist je. Vroeger zag ik zwart en wit en alle kleuren. Nu zie ik niets meer. Geen kleuren, geen wit en geen zwart. Ook geen zwart. Geen donker en geen licht: niets! Gek hè? Maar ik begrijp best, dat jij je dat niet voor kunt stellen.’

Goethes prisma-proef

In 1790 had Goethe aan zijn vriend Hofrat Büttner in Jena een paar prisma’s te leen gevraagd en gekregen. Hij vertrouwde Newton’s proefopstelling niet. Hij achtte die te gekunsteld en wilde er het zijne van weten. Maar Goethe, die ander werk onder handen had, kwam niet tot het experimenteren met een prisma, tot op het moment dat Büttner zijn apparaten terugvroeg. Dan gaat Goethe door een prisma naar de witte wand van zijn zonverlichte kamer kijken en ziet tot zijn verbazing, dat deze wit blijft Maar op het moment dat hij het prisma wendt naar een van de ramen van zijn werkkamer, verschijnen de allerhelderste kleuren, daar waar het doorlichte vensterglas aan de het raam onderbrekende donkere vensterspijlen grenst.

Hofrat Büttner zal nog lang op zijn apparatuur moeten wachten, want nu beginnen de eerste experimenten.

Hij ontdekt, dat het prisma beelden verschuift. Waar wit over zwart schuift verschijnt blauw. Waar zwart over wit schuift, anders gezegd, waar het prisma zwart op wit projecteert, ontstaat rood. Nauwkeuriger gezegd: er ontstaat rood, oranje en geel, al naar de reikwijdte van de overlapping van zwart over wit. Zo ontstaat, waar wit ver over zwart valt, ook violet.

Langs deze weg van een gelukkig toeval ontstonden al die experimenten, waarbij Goethe geen gevaar kon lopen, het duister, het zwart, te negeren.

Zo kon hij ook ontdekken, dat groen geen rechtstreekse spectraalkleur is, maar een mengkleur van geel en blauw. Hij ontdekte ook een andere in het Newtoniaanse spectrum niet voorkomende kleur, het incarnaat roze, dat het prisma kan laten ontstaan, als violet en rood samenvallen.

Wie de moeite neemt om op een wit vel papier met Oost-Indische inkt zwarte banen te schilderen, zodat hij witte en zwarte banen krijgt van bijvoorbeeld een halve tot anderhalve centimeter doorsnee, en deze dan gaat bekijken door een prisma (goede plastic prisma’s zijn niet duur), in helder daglicht, die kan een feestelijk gebeuren tegemoet ziet; hij ziet het hier aangeduide kleurengamma ontstaan. Hij kan ook intenser genieten van de opkomende en ondergaande zon, als hij er zich van bewust wordt dat deze, doordat zijn witte licht zich door duistere nevels een weg moet banen, geel oranje en rood wordt. En wordt ons de blauwe zomerdaghemel niet bevattelijker als wij beseffen, dat deze prachtige kleur zijn ontstaan te danken heeft aan het zonnelichtwaas in de dampkring, waar het duister firmament doorheenschemert?

In het rood voert Yang de boventoon en in het blauw Yin, zouden de oude Chinezen zeggen.

Rudolf Steiner en diverse van zijn leerlingen hebben in het voetspoor van Goethe veel geëxperimenteerd en gepubliceerd over de wording van kleuren en gesproken over hun innerlijke betekenis.

Wie daar meer over aan de weet wil komen, en niet opziet tegen een niet te moeilijk Duits, zou ik naar twee publicaties willen verwijzen:

Rudolf Steiner, Het wezen van de kleuren
H.O.Proskauer: Zwei Taschenbücher zum Studium von Goethes Farbenlehre,

Ik richt de aandacht op deze geschriften, omdat, nu in deze dagen het westers natuurwetenschappelijk Yang-geloof in Newtons kleurenleer eindelijk begint te wankelen, en de tijd daar is om een inzicht te verwerven langs fenomenologische weg van de kleurkwaliteiten. Dat wil uiteindelijk zeggen: van hun morele waarden! Die kent de huidige fysica niet. En die kan de westerse natuurwetenschap ook nooit leren kennen, omdat de moeder der kleuren in haar energieke aanpak van de natuur verduisterd wordt!

J.M.Bierens de Haan, Jonas 3, 10-10-1975

.

Natuurkunde klas 6: alle artikelen

.

Goethe Kleurenleer

Kleurenleer: meer

.

1720-1614

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – Kaspar Hauser (2)

.

Op de Wikipediapagina ‘Kaspar Hauser‘ wordt melding gemaakt van een DNA-onderzoek, waaruit zou blijken dat Kaspar Hauser niet het kind is van Karl van Baden en Stephanie de Beauharnais.

.

KASPAR HAUSER

In het vorige nummer van Jonas [hier te vinden] heeft Claartje Wijnbergh de levensloop van Kaspar Hauser beschreven. Nu zal worden getracht deze dramatische biografie in een groter kader te plaatsen. Een volgend artikel [niet op deze blog] zal deze motieven dan in verband brengen met de actuele politieke gebeurtenissen van onze eeuw.

Kort nog even de feiten: geboren op Michaëlsdag 1812 als Prins Max von Baden; direct verwisseld met een stervend kind en elders opgevoed; op zijn 3e levensjaar ingekerkerd en vrijwel volledig afgeschermd van zintuiglijke indrukken en menselijke contacten; Pinksteren 1828 (16 jaar oud) verschenen in Neurenberg als een halfmenselijk wezen; even voor Kerstmis 1833 (21 jaar oud) laaghartig vermoord.
Onthutsende feiten! Geen wonder dat over het hoe en waarom van deze zaak velerlei speculaties de ronde doen. Gewoonlijk houdt men het op een moerassige troonopvolgingsstrijd. Op de vraag waarom men hem dan niet direct heeft gedood, zou geantwoord kunnen worden: een luguber experiment met de mens.

Iets ‘experimenteels’ lijkt er inderdaad in te zitten, anders had men hem immers niet meer uit zijn kerker los gelaten. Maar ook de navolgende gedachtegang lijkt plausibel.
Het gaat hier om veel meer dan een simpele troonkwestie. ‘Men’ verwijdert Prins Max von Baden van zijn eigenlijke plaats en laat hem gedurende de eerste drie jaren van zijn leven ‘normaal’ opgroeien. Pas dan snijdt men hem af van elke verdere menselijke ontwikkeling.’Het moment geeft te denken. Eerst stelt men het zielegeesteswezen van deze mens in de gelegenheid om zich via de oer-stappen van het lopen, spreken en denken diep in zijn lichaam te incarneren. Om vervolgens zodanig in te grijpen dat zijn verdere incarnatie- en ontwikkelingsweg totaal wordt verkracht.

Maar hij sterft niet, mag niet sterven. Hij blijft gebonden aan zijn lichaam. Hem te doden was kennelijk te riskant. Immers, als men hem ‘gewoon’ had gedood, had zijn zielegeesteswezen de mogelijkheid gehad ofwel om zijn afgestopte impuls vanuit de geestelijke wereld verder gestalte te geven, ofwel om snel te reïncarneren. Kennelijk wilde ‘men’ iets afbreken. Iets wat van groot belang was voor de positieve ontwikkeling van de cultuur. Wat zou dit dan kunnen zijn?

Kaspar Hauser leefde in de tijd van de nagalm van de Franse revolutie. De idealen: vrijheid, gelijkheid en broederschap waren echter gesmoord onder Romeins machtscentralisme. Karl Heyer spreekt het vermoeden uit dat Max von Baden vanuit de geestelijke wereld de opdracht zou hebben gehad om aan deze idealen opnieuw kiemkracht en levenskans te geven. Hoe is deze suggestie te plaatsen? Dat het hier om een impuls van betekenis gaat, is af te lezen uit het feit dat Rudolf Steiner een maatschappelijke driegeleding lanceerde waarin we deze drie idealen terugvinden. Net zoals je in de mens onderscheid kunt maken tussen de functies van denken, voelen en willen, elk met z’n eigen karakteristieken, zo kun je ook in de ‘grote mens’, in het sociale organisme drie gebieden onderscheiden en onderzoeken op hun specifieke ‘ wetmatigheden.

Vrijheid en cultuurleven:
alleen als er in de sfeer van de gedachten en de ideeën onvoorwaardelijke vrijheid heerst kan de cultuur bloeien; voor dit gebied geldt bij uitstek het ‘geen twee mensen zijn gelijk’; hier moet onbeperkte ontplooïngsruimte zijn voor het oer-individuele.

Gelijkheid en rechtsordening:
hier geldt het: ‘alle mensen zijn gelijk’ in de zin van gelijkwaardigheid en gelijke rechten hebben op een menswaardig bestaan.

Broederschap en economie:
daar waar de bestaansbasis van het leven wordt verzorgd, staat alles met alles in samenhang; vanuit de individuele talenten draag je bij tot het geheel, in grondrechtelijke gelijkheid neem je er aan deel.

Waar deze oerkrachten van het maatschappelijk handelen door elkaar worden geklutst, ontstaat chaos. In het groot wordt dit bijvoorbeeld duidelijk aan de oost-west-polarisatie. Het kapitalisme oefent via de machtsaspecten van de economie een knellende greep uit op het rechtsleven (klassenjustitie) en de cultuur (conditioneren en gelijkschakeling). Het communisme heeft zijn machtscentrum in het rechtsleven en dirigeert van daaruit economie en cultuur op dwingende wijze. In geen van beide systemen is plaats voor de mens. Voor kleinschalige voorbeelden zij verwezen naar de serie van Bos, Brüll en Henny. [1] Een menswaardige toekomst staat en valt met het serieus nemen van de sociale driegeleding. Het verder ontwikkelen en concretiseren ervan behoort tot wezenlijke opgaven van onze tijd.

De Franse revolutie is daarmee te zien als een kiem, als een eerste aanduiding van wat later in het Michaëlische tijdperk tot volle ontplooiing wil komen. Toen Rudolf Steiner de driegeleding in de wereld zette, was het Baden-Würtenberg waar het bijna tot een doorbraak is gekomen. Hetzelfde gebied waar Prins Max von Baden normaliter zijn intenties had kunnen realiseren. Als een vorst met een invloedrijke positie in de internationale politieke constellatie van die dagen.

Als Max von Baden kreeg hij geen kans. Maar als Kaspar Hauser heeft hij ondanks alles toch iets grandioos voor de mensheid gedaan, ook al lijkt het alsof het van buiten af aan hem is gedaan.
Ik doel hier op het pedagogische motief, dat door Claartje Wijnbergh is beschreven. En inderdaad, Kaspar Hauser moet een zeer bijzondere persoonlijkheid geweest zijn – ook zonder dit bizarre lot. De sensatiepers maakte hem natuurlijk tot een beroemdheid, maar Kaspar Hauser werkte ook door wat hij was. Goedwillende mensen waren diep onder de indruk van wat er van zijn wezen uitging. Zo iemand was Daumer (niet Danner), degene die hem van begin af aan in zijn hart heeft gesloten. Hij was het die K.H. opnieuw het leven heeft binnengeleid. Rudolf Steiner noemt Daumer een der laatsten uit de stroom der ware rozenkruisers; hij spreekt over hem als een moreel zeer hoogstaand mens. En deze Daumer heeft Kaspar Hauser herkend. Niet als een vorst met een belangrijke maatschappij-vernieuwende opdracht, maar als een individualiteit van het hoogste niveau. Maar een individualiteit zonder de geëigende instrumenten! Door een zwart-magische manipulatie is deze mens uit zijn baan geslingerd en ingekerkerd in een vernielde lichamelijkheid die hem tot gevangenis werd. Of toch niet? Waarom moest hij op zijn 21e alsnog worden gedood? Omdat het spel politiek te gevaarlijk werd? Of omdat een mens rond zijn 21e zijn eigenlijke ik-geboorte beleeft en dit bij een persoonlijkheid als Kaspar Hauser betekenen dat hij tóch zou gaan doorbreken? Met de Christusimpuls had hij zich immers reeds uitermate intens verbonden?

De hele 19e eeuw heeft het nog nagegonst. Politiek bleef het een heet hangijzer. Louche diplomatie moest de waarheid toedekken, totdat de bewuste troon niet meer bestond en de betrokkenen in het verleden waren verdwenen.

In onze eeuw groeide ook de belangstelling in de persoon van Kaspar Hauser. Van de voortreffelijke roman van Jacob Wasserman tot de degelijke beschouwingen van Pies Heyer. [2] En toen Rainer Fassbinder twee jaar geleden met zijn film over Kaspar Hauser kwam, stonden de kranten ineens weer vol over hem. Zeer oppervlakkig weliswaar, maar toch, hij leefde weer. Het is als een boodschap van onverwoestbaarheid van het hogere in de mens: de ware mens is niet klein te krijgen!

Als je de idealen van de Franse revolutie wil opvatten als serieus voorwerk voor het Michaëlische tijdperk, kun je het volgende opmerken. Tijd wordt gekenmerkt door wetmatigheden van ritme en spiegeling. Rudolf Steiner wijst erop dat je in een bepaald tijdsverloop elk tijdstip kunt nemen als spilpunt en dat je ten opzichte daarvan spiegelingen kunt uitvoeren die dan altijd onderlinge samenhang blijken te vertonen. Zelf past Rudolf Steiner dit nogal eens toe op het jaartal 1879. Het tijdstip waarop de aartsengel Michaël de leiding van de
cultuurontwikkeling op zich neemt. Als we nu de Franse revolutie (1789) spiegelen om 1879, dan komen we in 1969. De tijd van de studentenrevoltes! Begonnen in datzelfde Parijs (’68) omspoelt een vloedgolf van nieuwe vrijheidszin de aarde, van Berkley tot Tokio. Het establishment wordt ontmaskerd als repressief tolerant, de ketening van de vrije mens wil doorbroken worden. Het bankroet van de op economische machtsmiddelen gebaseerde consumptiemaatschappij lijkt volledig. Het ware beeld van de mens, met name het vrijheidsaspect, lijkt even door te breken. Over de hele wereld grijpen (jonge) mensen nieuwe idealen voor een menswaardiger samenleving; Michaëlische wil vlamt op. Maar het vuur dooft snel. De gezonde ideeën en oordelen om deze wilsimpuls op adequate wijze in het bewustzijn te verheffen, ontbreken. Herbert Marcuse, dé ideeënleverancier voor deze generatie, is fervent neo-marxist. In zijn ‘eendimensionale mens’ geeft hij een briljante analyse van de onder-drukkingstechnieken van de gevestigde orde. Maar het is pure afbraak; werkzame alternatieven geeft hij niet, evenmin als vele andere ‘vernieuwers’. De heilloze links-rechts-polarisatie, compleet met politiek georiënteerde moord en doodslag, is er het gevolg van. En nu, net als na de Franse revolutie, is alles weer gesmoord onder staatscentralisme. De Michaëlische impuls in de mensenzielen vindt wederom niet het juiste voertuig om de cultuur binnen te rijden. Dat is het kernthema van onze tijd. Aan de ene kant alom positieve intenties, mensen op zoek naar het menswaardige, op zoek naar geestelijke vrijheid en broederlijk samen werken.

Aan de andere kant toeslaand dirigisme, consumentenverslaving, automatisering, schaalvergroting – het uitschakelen van de mens. In termen van geestelijke wezens die dit impulseren: Michaël contra Ahriman, het licht tegen de duisternis.

In het lot van Kaspar Hauser zien we een welbewuste ingreep die te maken heeft met zowel grote politiek als zwarte magie. Zwarte magie omdat de machten achter de schermen deskundig misbruik maakten van occulte realiteiten (incarnatieblokkade etc.). Grote politiek omdat baanbrekende maatschappelijke impulsen werden afgestopt.

Ook de driegeleding van Rudolf Steiner werd op een beslissend moment teruggewezen. De recente studentenbeweging is allang weer ingepakt in mens-vijandige systemen. Van Kaspar Hauser tot nu hebben de machinaties van de zwarte lijn grondig effect gesorteerd.

In verschillende voordrachten waarschuwt Rudolf Steiner voor ‘de broeders van de duisternis’, die vanuit het Angelsaksische element via de werktuigen van politiek en economie drastisch ingrijpen in het wereldgebeuren. Hun macht is mede gebaseerd op een superieure deskundigheid inzake de geesteswetenschap.

Het is de verdienste van mensen als Gary Allen en Edward Griffin dat dergelijke manipulaties nu ook concreet zijn aan te wijzen.

In een volgend artikel zal[niet op deze blog]  worden getracht een aantal gegevens zodanig te ordenen dat het grote spel achter de schermen ook voor ons doorzichtig kan worden. Het zal daarbij van het grootste belang zijn om mogelijke antwoorden te vinden op de vraag: ‘wat kunnen gewone mensen daar nu aan doen?’

Maarten Ploeger, Jonas 5, 04-09-1977

.

[1] Jacob Wasserman Caspar Hauser
Pies, Heyer: Caspar Hauser
Fassbinder, film

H.P. van Manen, Kaspar Hauser
Paul Heldens: Kaspar Hauser

[2] Bos, Brüll, Henny: Maatschappijstructuren in beweging

.

Kaspar Hauser [1]

.

1719-1613

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – Kaspar Hauser (1)

.
Op de Wikipediapagina ‘Kaspar Hauser‘ wordt melding gemaakt van een DNA-onderzoek, waaruit zou blijken dat Kaspar Hauser niet het kind is van Karl van Baden en Stephanie de Beauharnais,

KASPAR HAUSER

Wij gaan ergens op bezoek: er is een kindje geboren. We kijken, wie er in onze vriendenkring bijgekomen is en begroeten de nieuwe aardeburger met een geschenk. Niet alleen wij hebben iets meegebracht, het kind zelf kreeg op zijn reis naar de aarde drie grote gaven mee: het vermogen tot lopen, spreken en denken. Het zijn gaven die alleen in de mensengemeenschap tot ontplooiing kunnen komen; wolfskinderen bijvoorbeeld lopen op alle vier de ledematen en stoten dierengeluiden uit.

De eerste weken is er alleen de glimlach, die hemelse glimlach, die even over het gezichtje trekt en langzaamaan tot een ontmoeting wordt tussen het kind en jou. Die eerste weken ga je met grote schroom naar het wiegje toe – want de nieuwe aardeburger is nog voor een groot deel hemelburger. En jij mag getuige zijn van een wereld, waar je anders nauwelijks toegang toe hebt. Je moet ook léren zien wat er te zien is. Je moet er aan wennen, om met andere ogen te kijken, andere zintuigen te gebruiken, als je naar een wiegenkind kijkt. En als je in je leven niet steeds weer gebruik maakt van de gelegenheid om even de glans van die andere wereld op te vangen, verleer je die kunst het onzichtbare te zien weer snel.

Na enkele maanden, voor de één wat later dan voor de ander, wordt het eerste geschenk zichtbaar: het kind gaat zich oprichten, beginnend met het zware hoofd. Een geheimzinnige wil doorstroomt het lichaam, dag in dag uit wordt nu gewerkt en geworsteld. Bij stukjes en beetjes wordt nu de ruimte veroverd. Wie kent niet het beeld van het kindje, dat zich vastklampt aan een stoel of de boxrand, tot het omvalt van moeheid, om onmiddellijk daarna wéér een poging te wagen?

Dan komt het ogenblik, waarop het eerste stapje gezet wordt. Het is een gebeurtenis, waarbij je in spanning toekijkt, waarbij je iets mee kan beleven van de triomf: de zwaarte werd overwonnen – een mensenkind staat opgericht tussen hemel en aarde als een vrije zelfstandige individualiteit, dat zijn levensweg op de aarde kan gaan.

De volgend fase breekt aan – een tijd van onvermoeibaar oefenen van geluidjes, van eindeloze klankgrapjes, tot, met een ongelooflijke reinheid en zuiverheid de eerste woordjes gevormd worden. Muziek zijn die eerste woorden, zonder zwaarte, zonder accent, zonder vertroebeling.
Na het leren lopen is er de tijd en de kracht voor het spreken. Het kind heeft nu de mogelijkheid om door middel van de taal verbindingen aan te gaan met de andere mens.
Nu kan op grond van het spreken het derde geschenk, het denken, tot ontplooiing komen. Je kan zien hoe het licht van het denken zijn intrede doet, hoe verbanden worden gelegd en vragen worden gesteld over die interessante wereld.

Als de eerste drie jaren voltooid zijn, gaat het kind ‘ik’ zeggen en krijgt het zijn eerste herinneringen. De mens heeft de gave gekregen zich denkend met de aarde te verbinden, maar ook de mogelijkheid om de weg tot de geestelijke wereld terug te vinden.

Wat moet het betekenen voor een mens als hem deze drie geschenken ontnomen worden? Als je als kind van 4 jaar in een hol wordt gestopt, zonder licht, zonder te kunnen staan, zonder mensen te spreken of te zien?

Tot nu toe hebben nasporingen onder andere het volgende opgeleverd:

Op 29 september 1812 werd een kind geboren, zoon van Karl van Baden en Stephanie de Beauharnais, pleegdochter van Napoleon. Na enkele dagen sterft de kleine troonopvolger, maar geruchten doen de ronde, dat hij in werkelijkheid het doodzieke kind van Blochmann, een lid van het personeel was, dat met de troonopvolger heimelijk verwisseld was. Tot zijn 4e jaar is de eigenlijke troonopvolger verzorgd geweest door een Franse hofdame op afgelegen kastelen. Toen moet hij omstreeks zijn 4e jaar in het hol zijn gebracht, waar hij leefde op water en brood, in het donker, met als enig gezelschap een houten paardje. Van tijd tot tijd smaakte het water bitter en viel hij in diepe slaap. Als hij ontwaakte, was hij verschoond en stond er opnieuw water en brood klaar.

Omstreeks zijn 16e jaar wordt hij uit het hol gehaald en na enige hardhandige oefening in lopen en spreken duikt lij plotseling in Neurenberg op: op Pinkstermaandag van het jaar 1828 staat daar een jongen, gekleed in een boerenkiel en met versleten laarzen aan, waar het bloed uit sijpelt. Hij wankelt over het stille plein en brabbelt onverstaanbare klanken. Het enige wat hij schrijven kan, is zijn naam: Kaspar Hauser.

Hij wordt naar de gevangenis gebracht – de enig juiste plek voor een boerenjongen die teveel gedronken heeft. Daar is hij al gauw een bezienswaardigheid voor het volk om de grimassen die hij maakt bij ruwe stemgeluiden, om de panische angst, als hij buiten fanfaremuziek hoort, om de naïviteit, waarmee hij naar de maan aan de hemel grijpt of naar de rode daken, die door het hoge vensterluik te zien zijn. Hij heeft een afschuw voor voedsel, behalve voor water en brood. Hij vertoont een lichte dronkenschap, als hem bier onder de neus wordt geduwd. Ook de autoriteiten komen kijken. De arts vindt merkwaardige fenomenen, zoals een geheel zachte voetzool, waarop nauwelijks gelopen is. In zittende houding met gestrekte benen is er zelfs geen papier onder het kniegewricht door te schuiven. Later blijkt, dat hij een boek kan lezen in het donker, metalen onderscheidt op de tast. Tot het moment dat hij vlees gaat eten, hebben de dieren een bijzondere relatie met hem, waaruit een groot vertrouwen spreekt. Men spreekt over hem als: het raadsel van zijn tijd.

De stad besluit hem een opvoeding te geven. Hij komt in huis bij Prof. Danner, een man, die Kaspar Hauser met grote liefde en eerbied voor zijn persoonlijkheid, opneemt en hem de wereld binnenleidt. Nauwgezet beschrijft Danner in uitvoerige protocollen, wat hij waarneemt en beleeft aan Kaspar Hauser. Hij beschouwt het als een uiterst verantwoordelijke taak ‘het kind van Europa’, zoals Kaspar Hauser al gauw genoemd wordt, op te voeden. Naast de ongewoon scherp ontwikkelde zintuigen, valt op hoe Kaspar Hauser een wonderbaarlijk goed geheugen heeft, zodat hij in korte tijd veel leert. De onschuld, reinheid en goedheid, die van hem afstralen, doen denken aan een paradijsachtig wezen – een Adam vóór de zondeval.

Als Kaspar Hauser voor het eerst de sterrenhemel ziet, is hij verrukt -wordt dan stil en moet huilen. Later zegt hij, dat een van de ergste dingen, die de man, die hem gevangen hield hem aangedaan heeft is: ‘dat ik de sterren niet mocht zien!’

Hij verwondert zich over kleine kinderen:‘Wat zijn dat voor kleine mensjes?’. Hij vraagt, wie de blaadjes aan de boom uitgeknipt heeft. Een godsbegrip heeft hij niet. ‘Heeft iedereen een vader en een moeder?’ En na de eerste bewuste blik in de spiegel, vraagt hij zich af: ‘Wie ben ik?’

Na de eerste moordaanslag, waarbij Kaspar Hauser verwond raakt, wordt er naar een ander tehuis voor hem gezocht. Na enkele omzwervingen komt hij tenslotte in huis bij een zekere Meyer, een uiterst droge, burgerlijke schoolmeester, die Kaspar Hauser in een streng regime van leren, werken, eten, slapen ‘opvoedt’. Ogenschijnlijk verduistert Kaspar Hauser’s wezen en wordt hij tot een simpele kantoorklerk. Innerlijk echter vindt hij de weg tot herinneringen en beelden, die diep in de ziel verborgen zijn. Hij heeft merkwaardige dromen, die hij in zijn dagboek optekent. Door de Catechisatielessen vindt hij de weg tot Christus. Op 17 december 1833 sterft hij aan de gevolgen van een nieuwe moordaanslag, verguisd door zijn tegenstanders, geliefd bij zijn vrienden.

In een tijd, waarin het materialisme hoogtij vierde, leefde dit ‘kind van Europa’. Door de ‘traagheid der harten’, zoals Jacob Wassermann in zijn beroemde roman schrijft, blijft Kaspar Hauser een raadsel voor ons.

Rond dit mensenkind is veel niet herkend, is er niet gestreden voor de ontplooiing van zijn persoonlijkheid, integendeel, zijn zijn vermogens beknot en verminkt. Hij werd tenslotte vermoord.

Je kan je afvragen, of dit ‘kind van Europa’ niet een waarschuwingssein is. Het is een lot, dat miljoenen kinderen kan wachten. Want zien onze kinderen in de grote steden de sterrenhemel nog? Weten zij, van wie ze afstammen – van goddelijke oorsprong of van de aap? Kennen zij hun vaders en moeders? En leren zij zichzelf kennen? Leven zij ook niet als op water en brood, gekooid en gekerkerd in een wereld, waar de krachten van het kind niet herkend worden?

Rudolf Steiner wees ons op de veranderingen in het tijdsbeeld aan het einde van de 19e eeuw. Hij leerde ons zien hoe de dageraad van een nieuwe tijd zich in de zielen van de mensen aankondigt.

De werking van de huidige tijdgeest, van Michael, wordt zichtbaar in veranderende opvattingen, in een kosmopolitisch wereldbeeld, in vernieuwende tendensen op velerlei gebied. Michael roept ons op, mee te werken een wereld, waar de mens de poorten van de geestelijke wereld weer geopend vindt. Rudolf Steiner gaf gehoor aan de wekroep van Michael, toen hij op de vraag van Emil Molt een nieuwe, Michaelische pedagogie inaugureerde, waarin het drieledige mensenbeeld centraal staat.

Maar wij allemaal kunnen de ‘traagheid des harten’ overwinnen en ieder op ons eigen werkterrein – thuis, in scholen, kantoren en fabrieken -, een omgeving scheppen waarin de mens mogelijkheden tot ontplooiing en rijping vindt, waar hij zijn eigen weg kan herkennen, in samenwerking met andere mensen en waar hij mee kan bouwen aan een wereld, waarin de geest werkzaam wil zijn.

Claartje Wijnbergh, Jonas 4, 21-10-1977

.

H.P. van Manen, Kaspar Hauser

.

Biografieën: alle artikelen

.

1718-1612

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Hildegard von Bingen (2)

.

Over Hildegard von Bingen, hoe werd er een aantal jaren geleden over haar gedacht in haar leefomgeving.

De ‘renaissance’ van Hildegard von Bingen

bazuin van God

Onder een golfplaten afdak, waar net genoeg ruimte is voor het stallen van drie Volkswagenbussen naast elkaar, slaat de firma Würth haar papier- en
dozenafval op. Links in de hoek is daartoe een roestige korf neergezet, en rechts ook. De afvalmanden staan aan weerszijden van een solide betonnen hok. Dat hok nu, voorzien van een zware houten deur met stevige gietijzeren klink, doet dienst als bovengronds portaal voor de middeleeuwse kelders die Franz Josef Würth, baas van Würth Büroland (beproefde reclamespreuk: ‘… denn es ist Ihr Geld’), twintig jaar* geleden als extraatje bij zijn nieuwe bedrijfspand vond.

Sindsdien is diezelfde Würth behalve succesvol verkoper van kantoorbenodigdheden vanzelf ook een beetje historicus en curator geworden. Precies op deze plek stichtte Hildegard von Bingen omstreeks 1150 haar klooster Rupertsberg. Het heet er nog steeds Am Rupertsberg.

Belangstellenden die door het Stadtisches Verkehrsambt van Bingen worden doorverwezen naar Würth in Bingerbrück, het stadsdeel aan de overzijde van de Nahe (een zijtak van de Rijn), worden doorgaans zoveel mogelijk buiten de deur gehouden. Maar vandaag is Herr Würth zelf aanwezig, niet te beroerd om de sleutel te halen die toegang verschaft tot de kelders, en ook nog een rondleidinkje te geven. Waar de administratieve afdeling van de firma is ondergebracht, was vroeger de kloosterkerk. Een arcade met daaronder vijf bogen (afbakening van het middenschip van de kerk) is bewaard gebleven en gerestaureerd. Voor de aanleg van de spoorlijn tussen Keulen en Mainz moest halverwege de vorige eeuw een flink gedeelte van de Rupertsberg mét resterende kloosterruïnes worden opgeblazen. Vanaf de parkeerplaats van Würth kijk je nu boven op de treinrails. Recht vooruit, aan de overkant van de Nahe, is het centrum van Bingen. Links, ver weg in de nevel, zie je flets de Rijn.

Een van de kelders blijkt keurig te zijn opgeknapt. is voorzien van tap en bar en wordt verhuurd als conferentieruimte. Om het historische belang van het schoongeschuurde gewelf nog meer te benadrukken, zijn aan de achterwand reproducties van miniaturen uit originele Hildegard-handschriften opgehangen. Dit zou de crypte moeten wezen waar in den beginne – dat wil zeggen: direct na haar dood in 1179 -de overblijfselen van Hildegard von Bingen werden bijgezet.

‘Bijna elke week komt er een bus met aanhangers voorrijden’ zegt Würth. ‘Overal komen ze vandaan: uit Zwitserland, België. Vorige week had ik bezoek van een Zweedse journaliste, de week daarvoor was er nog een onderzoekster uit Australië. Buiten Bingen is Hildegard veel populairder dan hier.’
Vóór 1998, het alras naderende* herdenkingsjaar (negen eeuwen na Hildegards geboorte) wil Würth de belendende kelders, de voormalige wijnkelders van het klooster die nu nog in gebruik zijn als opslagruimte, hebben omgebouwd tot vergelijkbare zaaltjes.
‘ Ze zouden een uitermate geschikte bestemming kunnen vormen voor het
belangwekkende Hildegard-congres dat staat gepland voor hetzelfde jaar. Uit de ganse wereld zullen mediëvisten, theologen en andere wetenschappers in Bingen bijeenkomen: ze zullen er hun licht laten schijnen over Die Grosse Rheinische Seherin {The Sybil Of The Rhine, Prophetissa Teutonica), naar wie in de literatuur ook wel wordt verwezen als Die Posaune Gottes (de bazuin van God), en – wat minder vroom – Die Mittelalterliche Krauternonne.

Niet dat Hildegard von Bingen verlegen zit om een mooi rond herdenkingsjaar, met de daaraan verbonden pr-stunts die haar naamsbekendheid zouden moeten opkrikken: 816 jaar na haar dood* is ze actueel als nooit tevoren.

Dat May, de plaatselijke boekhandel van Bingen, een plank kan vullen met recente titels die lichamelijke en geestelijke gezondheid prediken volgens de authentieke kruiden-, planten- en edelstenenleer van Hildegard (uit Causae et curae en Physica), zegt al genoeg.

Maar ook in kringen van feministisch angehauchte kerkgangers, priesters en theologen wordt Hildegard op handen gedragen. Helemaal op het toppunt van haar roem is ze in haar hoedanigheid van componiste.

Ze was abdis van twee kloosters, correspondeerde met collega’s, pausen, bisschoppen en keizer Friedrich Barbarossa, bedacht een (tot nu toe ontoegankelijk gebleven) – geheimschrift, schreef in het Latijn met behulp van haar secretaris Volmar twee heiligenbiografieën, een evangelie-exegese, verscheidene werken over natuur en gezondheid, en een trilogie met de weerslag van haar visioenen, waarvan het eerste boek, Scivias {Ken de wegen), geldt als haar standaardwerk: betreffende God, de mens en de kosmos in onderlinge samenhang. Tussendoor genas ze ook nog honderden zieken, predikte ze her en der en bemiddelde ze bij geschillen, terwijl ze bijna onophoudelijk werd getergd door zwaar lichamelijk ongemak.

Haar muzikale oeuvre omvat een moraliteitenzangspel, Ordo virtutum, en bijna tachtig liederen, die tezamen Symphonia harmoniae caelestium revelationum heten – waarmee duidelijk moge zijn dat de composities veeleer het resultaat waren van celestijnse influistering dan van menselijke arbeid. De muziek van Hildegard von Bingen, de Eerste Vrouwelijke Duitse Componist in de Geschiedenis, behoort op het moment* tot de best verkochte in het klassieke segment.

Vision, The Music of Hildegard von Bingen (1994), een strak staaltje van nieuw-zweverigheid (zeg maar: authentiek middeleeuwse gezangen opgetuigd met neo-Indiase klankfrutsels in een koele bedding van Japanse synthesizertechnologie), was door het Amerikaanse label Angel Records bedoeld als opvolger voor de turbo-hit Canto Gregoriano van de Spaanse monniken van Santo Domingo de
Silos. Vision schijnt het best aardig te doen, maar het zijn toch vooral de
Hildegard-cd’s van het ensemble voor middeleeuwse muziek Sequentia (op Deutsche Harmonia Mundi) die aanslaan, en niet alleen bij de hardcore-fans van oude muziek.

Meer dan een kwart miljoen exemplaren zijn wereldwijd verkocht van Canticles of Ecstasy (1994); de release van de nieuwste ‘Hildegard’, Voice of the Blood, ging onlangs zelfs gepaard met een STER-campagne op Nederland 3. En ook Sequentia is al in de ban van 1998: het Amerikaanse ensemble, dat in Keulen domicilie houdt, is vast van plan vóór het aanstaande herdenkingsjaar al haar werken op cd te hebben uitgebracht.

Hildegard von Bingen schreef aan het Gregoriaans ontleende (eenstemmige) antifonen, sequensen en responsoria op eigen Latijnse teksten, waarin zij – dankbaar gebruikmakend van de zeggingskracht van de metafoor – het zegenrijke van de Heilige Drie-eenheid, de Here Jezus, de Maagd Maria, de Heilige Ursula en diverse andere Zalige Lieden bejubelt. Opvallend in haar oeuvre is de veel voorkomende stijgende kwint, vooral aan het begin van een lied of een nieuwe strofe. Het ijl voortkabbelende, tot eenvormigheid neigende engelengezang zou de moderne, jachtige mens weer tot rust brengen. Daarmee verklaren de cd-verkopers het succes van de muziek.

De wereld ligt kan Hildegards voeten, maar in Bingen am Rhein is haar ster nog niet zo hoog gerezen dat een aan haar gewijd museum zonder slag of stoot, als een vanzelfsprekende besteding van gemeenschapsgelden, op de politieke agenda kan worden gezet. Hildegard is onderwerp van twist en strijd. Bij de onlangs gehouden Oberbürgermeisterwahl werd ze zelfs als verkiezingsthema opgevoerd.
‘Heel dom’, zegt Frau Schönfeld, prehistorica/archeologe, en betrokken bij de organisatie van het Hildegard-congres in 1998. Want door de verkiezingen is de museumdiscussie in een stroomversnelling terechtgekomen, en niemand is daarbij gebaat.

Of Oberbürgermeisterin Birgit Collin-Langen van de CDU, die als winnaar uit de bus kwam, Hildegard daadwerkelijk zo’n warm hart toedraagt als ze tijdens haar campagne deed voorkomen, moet nog maar blijken. Wel is duidelijk geworden dat velen in Bingen zijn gekant tegen een museumbestemming voor het gebouw aan de oever van de Rijn dat de Hildegard-lobbyisten hebben bestempeld als droompand – het is in 1898 in gebruik genomen door het elektriciteitsbedrijf. ‘Het is van 1898!’, zegt Schönfeld. ‘Dat is toch ongelooflijk. En heb je gezien hoe die straat heet? Museumstrasse! Terwijl daar nooit een museum is geweest.’

Belachelijk om op die plek een museum te beginnen, honen de cynici. Zodra de Rijn ook maar een beetje buiten zijn oevers treedt, kan niemand nog het pand bereiken. Anderen – de Groenen – menen dat met elke mark die wordt gespendeerd aan de prestigieuze Hildegard er één verloren gaat voor de armlastige jongerencultuur. Museumstraat 3 zou juist een prachtig adres zijn voor een geheel eigentijdse rocktempel!

Zoals de kaarten nu liggen, maakt de erfenis van Hildegard weinig kans op museaal onderdak in Bingen, en al helemaal niet voor 1998. Of de ijveraars voor een museum voor de dichter Stefan George (1868-1933), die eveneens uit de omgeving stamt, zouden een hoekje vrij moeten maken in het piepkleine onderkomen dat ze onlangs na jarenlang gesoebat toegewezen hebben gekregen.

Dat Hildegard evengoed tweedracht zaait onder haar voorsprekers, blijkt wel tijdens een korte nazit in de pastorie van de Rochuskapelle na afloop van de eucharistieviering op zondagochtend. Haar wonderlijke gaven komen ter sprake, en pastoor Von Karsenbrinck (die met een groep van veertig de Arbeitskreis zur Förderung der Hildegardtradition in Bingen vormt) doet verhaal van de genezing van de blinde jongen aan de oever van de Rijn, ten gevolge van het handje rivierwater dat Hildegard uit de losse pols in zijn gezicht gooide.

‘Dat is legendevorming’, wijst Schönfeld hem terecht. ‘Nou, het is officieel’, zegt de pastoor. ‘Het voorval wordt ook aangehaald in de papieren van de procedure die tot haar heiligverklaring had moeten leiden.’

Ook in Bingen zijn sommige aanhangers van Hildegard voor alles gelovigen, en anderen niet. Langs officiële weg is Hildegard nooit heilig verklaard; de kerkelijke ambtenaren van het bisdom Mainz die ‘haar geval’ rechercheerden in opdracht van paus Gregorius IX kwamen terug met te veel vaagheden en losse eindjes, waardoor het ontbrak aan bewijzen voor de meeste van haar wonderen. In de dagelijkse praktijk werd ze door het volk wel als heilige vereerd. Daaraan heeft ze de bijschrijving van haar naam in het Martyrologium Romanum te danken – 17 september is haar feestdag.

Op haar achtste werd Hildegard, jongste dochter van graaf Von Bermersheim in Alzey, overgedragen aan de zorg van Jutta von Sponheim, die aan het hoofd stond van de kleine vrouwenafdeling van het benedictijnse klooster op de Disibodenberg. Toen Jutta in 1136 overleed; kozen de nonnen unaniem voor Hildegard als haar opvolgster.

Even buiten het dorp Staudernheim, een half uur rijden van Bingen op de weg naar Idar-Oberstein, zijn de ruïnes van het klooster op de Disibodenberg nog te vinden. Van hier zou Hildegard met haar gevolg later naar de Rupertsberg in Bingen verhuizen. Het aantal zusters was tegen die tijd dermate toegenomen dat het onderkomen op de Disibodenberg te klein was geworden. Maar Hildegards verlangen naar een eigen klooster, onafhankelijk van het mannenklooster, was net zo goed een reden van vertrek.

Hildegard was een slimme tante die avant la lettre al van netzworking wist: ze wist uiteindelijk de hardnekkige tegenstand van de abt van de Disibodenberg, wiens toestemming ze nodig had voor de verhuisplannen, te breken dank zij tussenkomst van hooggeplaatste figuren uit adellijke en klerikale kringen. Ze bleek bovendien te beschikken over de contacten die nodig waren om van het bestaande, schamele kloostertje op de Rupertsberg de comfortabele abdij te kunnen maken die het al gauw werd: met stallen, wijngaarden, korenvelden en riante tuinen vol geneeskrachtige planten en kruiden. De abdij groeide zelfs zo —voorspoedig dat Hildegard in de loop van de jaren langzaam maar zeker ging uitkijken naar een plek voor een dependance.
Die vond ze omstreeks 1165 aan de overkant van de Rijn, in Eibingen (een stadsdeel van Rüdesheim). Twee maal. per week maakte ze vanaf die tijd de oversteek om zich persoonlijk te vergewissen van de gang van zaken aldaar. De parochiekerk van Eibingen, waar de relikwieën van de heilige Hildegard worden bewaard, markeert de plaats van het klooster. Even buiten de bebouwde kom, tussen de uitgestrekte wijngaarden, ligt de moderne abdij van St-Hildegard (van 1904) – met magnifiek uitzicht over het Rijndal. Met de historische figuur heeft het klooster weinig uit te staan, toch is het een trekpleister voor Hildegard-toeristen die in de bijbehorende boek- en cadeaushop kaarsen, wijn,
kloosterlikeur, ansichtkaarten, meditatie-suggesties van Dorothee Sölle of Hilde-gard-cd’s van de schola van het St-Hildegardklooster inslaan. Hildegard-glas-in-lood-raamversieringen kosten 320 mark*. Hildegard-beelden (staf in de ene hand en boek, perkamentrol en inktpot met veer in de andere) variëren – afhankelijk van de grootte en kleurstelling – in prijs van zeshonderd tot zestienhonderd mark.

Hildegards ‘renaissance’ is een teken van luxe, zegt H. von Racknitz, wiens vrouw de hofstede onder aan de Disibodenberg van een oom erfde, compleet met kloosterruïne boven op de berg. Zij hebben geen tijd voor het consciëntieus bestuderen van ‘de Scivias’, het dikke boek dat Hildegard ‘hier boven op de berg’ schreef, al zouden ze nog zo graag willen.

‘Alleen wie het goed gaat, heeft zoveel tijd’, zegt hij onder het inschenken van een appellikeurtje van eigen oogst. ‘En sommige mensen gaat het zo goed dat ze ziek worden en dan ineens wonderen verwachten van Hildegard. Maar er zijn ook mensen die in dialoog treden met haar geschriften en de samenhang der dingen in de wereld weer willen zien. Dat is wat we van haar kunnen leren.’

In de zomer leidt hij complete reisgezelschappen rond over het beboste plateau met middeleeuwse muurresten, dat een natuurlijk decor lijkt voor de eerste de beste Wagner-opera. Nu het koud is en een weinig sneeuw de gang naar boven bemoeilijkt, blijft hij liever beneden.

Hij wordt bovendien aanstonds aan tafel verwacht. ‘Wij zijn landlui, en landlui eten om twaalf uur.’

Recente cd’s:

Hildegard von Bingen: Voice of the Blood. Sequentia, Deutsche Harmonia Mundi 77346 2.

Hildegard von Bingen: Canticles of Ecstasy. Sequentia, Deutsche Harmonia Mundi 77320 2.

Hildegard von Bingen. Schola der Benediktinerinnenabtei St Hildegard Rüdes-heim-Eibingen, Bayer Records 100 116. Vision. The Music of Hildegard von Bingen. Angel Records 55246 21.

.

Nicole Baartman, Volkskrant 29-12-1995

.

Hildegard von Bingen [1]

Biografieën op deze blog

.

1717-1611

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Hildegard von Bingen (1)

.

Hildegard von Bingen 1098-1179

bazuin van het levende licht

Hildegard von Bingen, een opvallende en intrigerende middeleeuwse vrouw. Ze was zieneres, arts, natuurkundige, dichteres en componiste.

Hildegard, een wonderbaarlijke vrouw die streefde naar liefde in de meest sublieme vorm.

De abdis Hildegard von Bingen (1098-1179) geniet in steeds bredere kring belangstelling. Het is de moeite waard de vraag te stellen naar het waarom van die ontwikkeling. Vooral sinds haar achthonderdste sterfjaar in 1979 is zij regelmatiger onder de schijnwerpers geplaatst dan voorheen en is het aantal publicaties over haar toegenomen. Voorop staat dat dit geheel en al past binnen de huidige tendens om grote vrouwen uit het verleden alsnog de plaats te geven die zij verdienen en dat er met name een groeiende belangstelling is voor creatieve en mystieke vrouwen. In niet alle gevallen blijkt wat vanuit dit streven onder het stof vandaan gehaald en opgepoetst wordt van even grote waarde. In het geval van Hildegard, die door haar tot dusver merendeels rooms-katholieke en theologisch geschoolde biografen wat in de verdrukking werd gebracht – verbijsterd als men was door zo’n veelomvattend, vrouwelijk talent – is dat zeer zeker wel het geval geweest. Dankzij een enigszins modieuze beweging is ‘een achterstand’ op algemeen cultuurhistorisch gebied ingehaald.

Tot voor kort werd Hildegard hoofdzakelijk als heilige, als Sint-Hildegardis benaderd en zelfs het meest recente onderzoek van betekenis was en is in handen van monialen, geleerde nonnen uit het Hildegardklooster te Eibingen. In tegenstelling tot hun voorgangers hebben zij ‘het erotische’ in het
wereldconcept van Hildegard niet geschuwd en daaraan aandacht gegeven in diverse toelichtingen op moderne uitgaven van haar werk. Deze ‘erotische’ levenshouding dient in de oorspronkelijke, platonische zin te worden uitgelegd. Haar vijftien boeken, driehonderd brieven, talrijke gedichten en een kleine tachtig muziekwerken getuigen in beginsel allemaal van hetzelfde: of Hildegard nu over de vissen in de Rijn, de structuur van de kosmos, een besmettelijke ziekte of muziek schrijft, zij getuigt van haar opgenomen zijn in het Al, haar verbondenheid met de oerkrachten van het leven, het mysterie dat zich in visioenen aan haar openbaart als de christelijke God, als iets dat tot haar spreekt met, zoals ze zegt ‘de stem van het levende licht’.

De muziek die zij zo van boven ‘ontvangt’ noemt ze ‘de klank van het levende licht’. Het licht klinkt in en door haar, en met deze kruising van zintuiglijke categorieën bevindt zij zich op het terrein dat wij heden ten dage omschrijven als synesthesie. Zelf noemt zij zich ‘de bazuinklank van het levende licht’. Zij is het instrument, de bazuin, die uit zichzelf niets vermag en uit zichzelf niet kan klinken en die alleen door adem (van God) geluid kan voortbrengen. Zij is in haar wezen en werk een instrument Gods. Maar wie zich de vrijheid permitteert haar niet enkel en alleen vanuit christelijke hoek te interpreteren (wat nauwelijks mogelijk is) zou voor wat dit aspect betreft ook kunnen zeggen dat ze getuigt van haar kosmische verbondenheid met de diepste essenties van het bestaan. Wat haar in de meest letterlijke zin beweegt is dus een erotische kracht, een allesomvattend en alles insluitend streven naar ‘het schone’, naar integratie, eenwording, genezing en ook naar dat wat in de zo courante term ‘heelwording’ ligt besloten. Liefde in de meest sublieme vorm.

Mystica

De hernieuwde en geprofaniseerde belangstelling voor Hildegard in kringen van de alternatieve leefgewoonten heeft haar vooral geprofileerd in haar hoedanigheid als arts en als deskundige op het gebied van kruiden. Naast dit eenzijdig gekleurde beeld werd een niet minder beperkte visie ontwikkeld van Hildegard als ‘onze eerste vrouwelijke componist’. Het is echter onjuist om haar anders te interpreteren en etiketteren dan met de enige omschrijving die al haar activiteiten (als arts, natuurkundige, briefschrijfster, dichteres en componiste) insluit, namelijk mystica.

Daarnaast is het ook van belang om te beseffen dat de al ingesleten en ten aanzien van haar ingeburgerde term componist als aanduiding van schrijver of schrijfster van muziek in de twaalfde eeuw (nog) niet mag worden gebruikt. Wat betreft haar scheppende muzikale activiteiten hoort Hildegard geplaatst te worden ‘in het beeld van haar tijd’. Dat wil in de praktijk zeggen: in schril contrast tot dat beeld en tot die context, omdat haar muziek en ook de bedoeling van haar muziek in het geheel niet past binnen welke twaalfde-eeuwse mode dan ook, of het zou de op diverse fronten groeiende hang naar verzelfstandiging, individualisering moeten zijn. Het enige dat Hildegard als ‘componist’ met haar collega’s uit haar eigen tijd gemeen heeft, met de troubadours en trouvères in Frankrijk en met de minnezanger in haar eigen land is het feit dat ook zij haar eigen teksten schrijft en dat haar muziek, althans in manuscript eenstemmig,
vocaal is geconcipieerd. Voor zover het Latijnse componere (samenstellen) op Hildegard betrekking kan hebben en voor zover ze het woord ook zelf gebruikt, duidt het op een veel bredere dan louter muzikale activiteit, namelijk het samenstellen of beter gezegd het herrstellen van een ‘oorspronkelijke’ eenheid (in Christus).

Dat Hildegard aan de muziek een zeer hoge kwaliteit toekent wanneer er van dit kosmische ‘herstel’ en op ‘de grote samenhang der dingen’ gerichte creativiteit sprake is, moet opgevat worden als heel veelzeggend. Zij noemt muziek niets minder dan ‘samenklank (symphonia) van de harmonie der hemelse openbaringen’. Zij volgt met die omschrijving eigenlijk tamelijk exact de opvatting van het begrip musica binnen het systeem van de middeleeuwse artes liberales: de zeven vrije kunsten, waarbinnen de muziek toendertijd tot het ‘wiskundepakket’ behoorde. En waarbinnen, althans wat betreft enkele aspecten ervan, de muziek gelieerd was met ‘de structuur van de kosmos’, de grote wetmatigheden die door middel van trillingsverhoudingen de hemellichamen ‘zoemend’ elkaar in evenwicht houden, overeenkomstig de in deze tijd verbreide idee van ‘de harmonie der sferen’. De diepste wetmatigheden binnen de kosmos zijn niet zichtbaar maar hoorbaar en uit te drukken in getalsverhoudingen. De kosmos klinkt en de harmonie is van een in hoge mate wiskunstige kwaliteit. De grondwet van het heelal ligt op het grensgebied van muziek en wiskunde.

Bron van jaloezie

Het is van belang om te benadrukken dat de muziek van Hildegard is geschreven vanuit een mystieke inspiratie en het is evenzeer van belang om het verband tussen mystiek en muziek, mystiek en kunst, respectievelijk mystici en kunstenaars te benadrukken. Bij allen is sprake van een verlangen naar het overschrijden van de grenzen van het ik, van een inspiratie, een receptieve, op de ‘binnenwereld’ gerichte houding en van een drang tot omvormen, transformeren van de puur zintuiglijke ervaring.

Hildegard schreef zevenenzeventig liederen en een allegorisch muziekspel (ordo virtutum: het spel der deugden) overgeleverd in diverse handschriften, waarvan een aantal alleen teksten geeft zonder aanduiding van muziek. Aan de liederen werd pas in 1913 voor het eerst enige aandacht gegeven in een facsimile uitgave ervan. Maar het echte onderzoek naar de karakteristieken van deze muziek, de transcriptie van de neumen en de vertaling van de bij de muziek horende teksten moest toen nog bijna een halve eeuw op zich laten wachten.

Een enorme vertraging werd veroorzaakt door het werk dat in de jaren vijftig verricht moest worden naar aanleiding van vele aantijgingen als zou het totale Hildegard-oeuvre een vervalsing zijn, de muziek incluis. Nadat de zusters uit het Hildegardklooster de echtheid van het werk en het auteurschap van Hildegard op wetenschappelijk onweerlegbare wijze hadden aangetoond, schaarden diverse deskundigen zich aan de zijde van de geleerde nonnen om – eindelijk – een ‘Kritische Ausgabe’ te verzorgen.

Dat het noodzakelijk is geweest om het betreffende onderzoek naar het auteurschap te doen plaats vinden is een teken aan de wand en spreekt boekdelen omtrent de argwaan die in de loop der eeuwen binnen de
wetenschapstradities is gevoeld, gekweekt en gekoesterd ten opzichte van een geniale, non-conformistische vrouw. Een vrouw die zich tijdens een groot deel van haar leven weliswaar mocht verheugen in de goodwill van de allerhoogste kerkelijke instanties, de paus en diverse bisschoppen, maar die op het niveau van haar meest directe ‘broeders’, getuige de briefwisseling met haar klerikale buurt- en streekgenoten, een bron van jaloezie en ergernis is geweest. Men zou zich in dit verband kunnen afvragen waarom niemand ooit op het idee gekomen is om de aan Hildegards allergrootste collega, de mysticus Bernardus van Clairveaux, toegeschreven werken op het auteurschap te gaan onderzoeken, of om te betwijfelen of zijn talrijke brieven eigenlijk wel echt door hem geschreven zijn.

Het is niet eenvoudig om een indruk van Hildegards muziek te geven omdat zij zich, zoals gezegd, ook wat betreft dit creatieve aspect van haar persoon nogal aan de heersende normen heeft onttrokken. De liederen, waarvan een opvallend groot aantal aan Maria is gewijd en waarvan enkele teksten erg moeilijk toegankelijk, zeer ‘hermetisch’ zijn, werden in gregoriaanse notatie overgeleverd en dragen voor een deel ook binnen het liturgische repertoire passende aanduidingen zoals antifoon, responsorium, hymne en sequens. Vaak echter vertonen deze liederen nauwelijks enige overeenkomst met wat men in strikte zin onder deze vormen placht en pleegt te verstaan.

Hildegard schreef deze melodieën ter aanvulling op de bestaande liturgische gezangen zoals die dagelijks in haar eigen klooster ten gehore werden gebracht. Het hoofdkenmerk ervan, dat door elke zelfs oppervlakkige toehorende luisteraar wordt opgemerkt, is de enorme ambitus (soms in de orde van anderhalf octaaf). Hieruit moet worden geconcludeerd dat Hildegard op de Rupertsberg te Bingen kon beschikken over een uitzonderlijk geoefend koor, en dat de zangpraktijk in haar klooster op een even indrukwekkend niveau gestaan moet hebben als de miniatuur – en schrijfkunst die – eveneens onder haar leiding – gericht was op het ‘in beeld brengen’ respectievelijk het in woorden weergeven van haar visioenen van de ‘heilsgeschiedenis’ van de mens, de oorsprong en de ondergang van het leven, de dag des oordeels, de kerk en vele andere thema’s.

Vermogen tot zien

Zoals met meer grote persoonlijkheden uit de middeleeuwen het geval is, en in tegenstelling tot wat opgaat voor vele grootheden van recenter datum, is het vrijwel onmogelijk om directe verbanden te leggen tussen Hildegards leven en haar oeuvre. Een uitzondering geldt hier voor de honderden brieven waarin zij een voortdurende dialoog voerde met talrijke, al dan niet vooraanstaande, tijdgenoten. Onder hen waren de pausen Eugenius en Anastasius, een bekend wereldheerser als Frederik Barbarossa, aartsbisschoppen, bisschoppen, maar ook veel lagere functionarissen in de klerikale of seculaire wereld. Vanuit een duidelijke behoefte aan wat wij heden ten dage zouden omschrijven als engagement maar vooral uit de roeping van ‘de stem van het levende licht’ heeft Hildegard van zich laten horen, bemoedigend, vermanend, al naar gelang de aard van de situatie.

Voor haar overige geschriften is een poging tot koppeling van haar biografie aan haar werk niet aan de orde. Wat zich hier doet gelden is onze geconditioneerdheid op premissen uit de Romantiek, waarin haast vanzelfsprekende dwarsverbindingen tussen de mens, zijn leven en zijn werk aan te geven zijn. Dergelijke dwarsverbindingen kunnen in andere cultuurtijdperken, met name de middeleeuwen, niet gemaakt worden. Dit houdt echter niet in dat er in het leven van Hildegard geen hoogtepunten aan gegeven kunnen worden, of dat haar biografie niet de moeite waard zou zijn. Integendeel, maar hij staat los van haar geestelijke nalatenschap. De enige, zeer belangrijke melding van biografische aard in haar eigen tekst is te vinden in het begin van haar visioenentrilogie die opent met het Liber Scivias, het boek ‘ken de wegen’, waar zij zegt dat zij tweeënveertig jaar en zeven maanden oud was toen ‘de hemel openbarstte in een vurig licht’, en toen zij, in een flits de diepste betekenissen van de christelijke doctrine doorschouwde. In diverse brieven meldt zij echter dat zij dit vermogen tot zien al vanaf haar kinderjaren bezat. Het beangstigde haar omdat zij – hier bedient zij zich wellicht van een cliché – immers ononderwezen en ongeletterd was, te meer nog beklagenswaardig’ in haar hoedanigheid als vrouw’, zodat zij zich als het ware verpletterd voelt door ‘het weten’ dat tot haar doordringt vanuit de hemel.

Met nadruk herhaalt ze in brieven, onder meer aan Bernardus van Clairveaux, dat ze bij dit proces van zien nooit in extase is, maar geheel bij zinnen. Ze ziet slapende en wakende, zegt ze; zowel overdag als ’s nachts. Ze ziet niet met haar lichamelijke ogen, maar met de ogen van haar ziel. Als een verterende vlam beroert het vermogen haar ziel, en wat haar aldus ‘overkomt’ is zó overweldigend dat het haar ziek maakt, of ook klachten aan haar ogen bezorgt die pas verdwijnen wanneer ze aan haar opdracht om neer te schrijven wat ze zag, voldaan heeft. De gedeeltelijke blindheid waarvan ze melding maakt moet misschien in overdrachtelijke zin worden geïnterpreteerd: ze is ziende blind…

De Kosmosmens, visioen van Hildegard von Bingen. Hildegard zelf zit links
onder.
.

Bloeiend klooster

Wanneer men probeert Hildegard te vergelijken met andere mystici uit de loop der tijden ofwel zich tracht te bezinnen op de vraag waarom zij een mystica genoemd moet worden dan is opvallend dat zij in tegenstelling tot vele collega’s nergens getuigt van een ontmoeting, een metafysisch of lichamelijk beleven van de goddelijke aanwezigheid. Hildegard voelt zich bovenal kosmisch instrument: het goddelijke spreekt in haar en door haar terwijl ze daarvan zelf deel uitmaakt.

Seksuele aspecten die bijvoorbeeld bij de dertiende-eeuwse Hadwijch of de zestiende-eeuwse Teresa van Avila een rol spelen in het ondergaan van een confrontatie met een goddelijk persoon, spelen bij Hildegard geen rol. Zij is niet minder extatisch van toon in het registreren van haar ‘beelden’, die voor ons nauwelijks nog zijn te verstaan dan haar mystieke zusters, maar zij baadt minder in lichamelijke gevoelens, is rationeler. Ze legt zo helder mogelijk getuigenis af en voegt daarbij – wat geheel uniek is – ook nog eens de uitleg die ‘de stem van boven’ haar geeft omtrent haar visioenen. Een uitleg die ons weinig verder helpt in het werkelijk doorgronden van wat zij ziet. Om deze tekens, acht eeuwen geleden geschreven en geschilderd, beter te verstaan dan nu mogelijk is, zou een diepgaand, gecombineerd iconologisch-dieptepsychologisch onderzoek moeten worden verricht. Zolang dit niet is geschied, is een niet door theologische condities bepaalde verklaring van Hildegards visioenen onmogelijk, hoe intrigerend ze ook zijn wanneer de leek er voor het eerst mee geconfronteerd wordt.

Een van de meest in het oog springende biografische feiten is gelegen in de moeizame wijze waarop zij zich, alweer gedreven door ‘de stem’, met de onder haar gezag ressorterende nonnen los maakte van het mannelijke kloostergezag. Rond 1150 besloot zij een zelfstandig vrouwenklooster te stichten en verliet de mannelijke Benedictijnen voor wie haar nonnen land dienden te bewerken. Met hulp van de aartsbisschop van Mainz (opvallend is, zoals gezegd, dat Hildegard vrijwel steeds de hogere clerus aan haar zijde weet te krijgen en met de lagere conflicten heeft) verwerft zij landerijen te Bingen. (De voormalige ‘standplaats’ van haar vrouwenafdeling was het klooster op de Disibodenberg, nabij Böckelheim.) Na deze escapade en vooral nadat het Hildegard is gelukt om met haar bloeiende klooster in het middelpunt van de belangstelling te komen, blijven er spanningen tussen de kloosters te Disibodeberg en Rupertsberg. Vanuit de voormalige vestigingsplaats van de vrouwelijke monialen blijft de abt proberen hen weer onder zijn gezag terug te krijgen.
Zonder succes.
Hildegard zoekt zelfs nog verdere expansie. Een aantal jaren na de conflictueuze kloosterverhuizing annexeert zij leegstaande gebouwen, oorspronkelijk bezit van Augustijner monniken, aan de andere kant van de Rijn te Eibingen en sticht daar een soort filiaal dat zij wekelijks te paard bezoekt. Het is dit klooster te Eibingen waar het voornaamste Hildegardonderzoek nog steeds in volle gang is en het zijn de hier wonende en werkende nonnen die haar werk al gedeeltelijk uitgaven, haar muziek transcribeerden, op de plaat uitbrachten en die, naar het zich laat aanzien ook in de komende jaren in het Hildegardonderzoek althans in veelzijdigheid niet voor hun voorgangster zullen onderdoen.

Literatuur: Hildegard, een vrouwelijk genie in de late middeleeuwen. – Etty Mulder. Uitg. Ambo.
.

Etty Mulder, Jonas 5, 29-10-1982

.

Biografieënalle biografieën

.

1716-1610

.

.

VRIJESCHOOL – Spel (4-1)

.

KINDERSPELEN EN JAARGETIJDEN
.

Een overstelpende fantasie in vorm- en kleurencombinaties spreidt zich ieder jaar weer, vooral in het voorjaar met al zijn bloemen en bloesems, voor onze ogen uit. In iedere plantenfamilie is een rijkdom van vorm, die zich in iedere soort weer anders openbaart.

Wat in een plant het meest in verschijning treedt, is enerzijds het groeien en bloeien en anderzijds het verwelken. Geweldige groeikrachten kunnen uit een eikel een reus van een boom laten ontstaan. Uit iedere bladknop komen ieder jaar weer een aantal bladeren en zo vermenigvuldigt zich 100-, ja 1000-voudig het geheel der bladeren, zo komen b.v. bij een linde uit één knop 5 nieuwe bladeren. En hoeveel knoppen zal hij hebben? Ieder jaar in de herfst vallen deze bladeren weer af en verwelken. Een geweldige dood vaart omstreeks november door de plantenwereld. De groeikrachten die zich in het voorjaar op zo’n grandioze wijze in de planten hebben geuit trekken zich nu weer terug. Leven- en doodskrachten werken in de natuur voortdurend en wisselen elkaar af.

Ook wij mensen zijn ingeschakeld in deze grote stroom van levens- en doodskrachten, opbouwende en afbrekende krachten.

Het kind is in de eerste plaats in de opbouwende stroom ingeschakeld, de grijsaard leeft in het “verwelken”. Als men het kind gadeslaat, dat aan het bouwen is met gewone blokken hout, dan ziet men hoe als een natuurlijke behoefte het verlangen optreedt het ontstane kunstwerk, dat echter veel gevoel voor evenwicht en juiste verhoudingen kan vertonen, dit bouwsel weer overhoop te gooien. De vreugde van het overhoop gooien, is uiterlijk gezien vaak groter dan de vreugde van het opbouwen. Spanning en ontspanning zijn hier de elementen, die het spel beheersen.

Ik heb een tijdlang een kind meegemaakt dat een opgetrokken bouwwerk niet in elkaar wilde gooien. Hoe men het ook probeerde, dit van het kind gedaan te krijgen, het lukte niet. Ik wilde er achter komen, wat er gebeurde, als men dit toch deed. Het kind scheen een innerlijke smart of pijn te ervaren, want het begon te huilen, wat het overigens zelden deed. Het is haast overbodig te vermelden, dat dit een ziek kind was.

Opbouwen en afbreken, dit zijn de natuurlijke levenselementen van een gezond kind. Waar dit niet in harmonische opeenvolging kan gebeuren, wordt het kind ziek.

Overigens treedt dit element bij allerlei spelletjes zeer gevarieerd op.

Neemt men b.v. een van de allerbekendste kringspelen “In Holland staat een huis”. Alle kinderen vormen eerst een kring. Nu wordt de heer gekozen, hij staat in het midden, de vrouw, het kind enz., de kat en de koe, allen komen in het midden te staan, tot de hele kring is opgelost en naar het midden is verdwenen. In het tweede deel van het spel wordt iedereen uit het huis gejaagd zodat nu de een na de ander weer in de kring terugkeert, weer in de kring is opgenomen,. Cirkel wordt middelpunt, middelpunt wordt cirkel… het is één grote ademhaling wat zich daar in de beweging van buiten naar binnen en van binnen naar buiten afspeelt. Nadat dit gebeurd is, wordt ook nog het hele huis verbrand. En wat is het einde van dit spel? … en we bouwen het huis weer op…!

HET VOORJAAR en het ontkiemen en ontspruiten der planten

Ieder jaar verschijnt prompt, nog vóór alle planten uit de aarde te voorschijn komen, het knikkeren (soms nog een keer in de herfst). Er zijn streken waar de meisjes met bonen spelen op dezelfde wijze als hier met knikkers.

En de jongens? De knikkers worden naast elkaar geplaatst in een rij, en met een grotere knikker, die meestal uit lood is gegoten (dat gieten doe je dan zelf) uit de rij gemikt. Bij een voltreffer rollen alle knikkers naar alle richtingen uiteen. Je kunt het wel zelf aanvoelen: het is een spannender gebeuren dan het spel van de meisjes (de bonen in een kuil rollen). Het heeft iets van dat open scheuren b.v. van de kastanjeknoppen, dat soms in één nacht kan gebeuren, na een zachte voorjaarsregen. – Iets later, wanneer de hele natuur zich vol ontplooit, komt het touwtjespringen van de meisjes, dat zeer ritmisch verloopt: ook heden ten dage nog een geliefd spel. Het kan door kinderen van verschillende leeftijd worden gespeeld, in ’t bijzonder door de iets oudere meisjes met verschillende variaties, aangepast aan de concentratiemogelijkheden. Is het niet alsof er in de machtige groei-atmosfeer, die overal in deze tijd buiten aanwezig is en in het opkomen van duizenden plantenkiemen zichtbaar wordt, een verborgen transformator schuilt? Het zich losmaken van de aarde bij het springen is een bevrijdend gebeuren. Eigenlijk hoort hier ook het hinkelen bij, waarover ik in het vorige verslag alleen een aspect beschreven heb. Het is een oeroud spel, dat in veel variaties voorkomt.

IN DE ZOMER zijn het de reidansen, die in vroegere tijden in vele landen door jong en oud gedaan werden in de tijd vóór de langste dag van het jaar.

Het is steeds weer een opvallend gebeuren hoe het ene of het andere volk deze dansen tot uiting brengt. Een meer oostelijk volk zal zijn “volksdansen” met een sterk cholerische inslag en daarbij de liederen veel meer consonantisch ten gehore brengen. Een ander volk, b.v. de Grieken zullen hun dansen veel harmonischer in wijde kringen, waarbij deze in wisselende ritmen een grote ademhaling vormen van systole en diastole, ten tonele brengen. Deze spelen kan men ook tegenwoordig met veel vreugde zien dansen. Met hun zeer gevarieerde aankleding wordt door verschillende kleuren in de volksdracht het karakter van deze landstreken onderstreept.

Het feest van dc zomerzonnewende in de voor-christelijke tijd en later het SINT- JANSFEEST worden gevierd wanneer de zon het hoogste aan de hemel staats als de dagen niet willen eindigen en de nacht heel kort is. Er zijn nog vele streken waar nog heden op de bergen en heuvels vuren worden ontstoken, als het ware om de toch al zo korte nacht nog te verlichten. De langste dag wordt met de kortste nacht en de daarop volgende dag tot één grote dag verbonden (dag-nacht-dag).

Zelf heb ik in deze tijd tijdens een tocht naar huis, ’s avonds vóór het donker worden, vele kleine lichtjes zien zweven en dansen. Het zijn de ‘Johanneskevertjes’, die vooral aan de rand van het bos hun reidansen uitvoeren. Het is een. fascinerende gewaarwording wanneer je dit nooit te voren hebt gezien. – Een andere keer heb ik in juni ’s morgens vroeg bij het opkomen van de zon de roze flamingo’s hun wonderlijke dans zien uitvoeren. Het is een even schoon als in zijn soort wonderlijk gebeuren.

Volgens een bericht van een ooggetuige voeren ook de olifanten op open plekken in het oerwoud bij maneschijn midden in de nacht wonderlijke dansen uit.
U begrijpt wel dat deze dansen van de juni-kevertjes, de flamingo’s en die van plompe olifanten in hun karakter heel verschillend zijn.

Bij het hoog oplaaien van het vuur worden meestal liederen gezongen die bij deze feestdag horen. St.-Jansliederen en oude zonnewende-liederen. Daarna werden stropoppen, ook wel eens st.-janskruid in het vuur gegooid als
zinne
beeld voor het verbranden van persoonlijke slechte eigenschappen (en wie zal die niet hebben?), die door het louterende vuur worden opgenomen en verbrand. De genezende kracht van het st.-janskruid zal daarbij helpen. Met het “over het vuur springen” dat de moedkrachten oproept, wordt dit mooie jaarfeest afgesloten.

VLIEGEREN IN DE MICHAËLSTIJD

De herfst brengt weer andere spelen, bij voorbeeld het vliegeren. Na een hete zomer is het loslaten van de vliegers bij de opkomende winden een bijzonder geliefd spel. Wat een gewaarwording! je ziet ook de vaders meedoen: wat is het heerlijk met je vader erop uit te trekken om te vliegeren! Nu eens je blik te richten, niet alleen naar de aarde… om dubbeltjes te zoeken, maar nu gericht naar boven, naar de hemel. Wat zou dat goed zijn voor een melancholische jongen. Wat een hoogte kan zo’n vlieger bereiken! Aan de rand van Amsterdam heb ik er vaak naar gekeken, hoe dan het snoer, het touw van de vlieger door een stuk papier werd getrokken en dan in ijltempo langs het touw omhoog zweeft, totdat het uiteindelijk terecht komt bij de vlieger, die dan alle ‘berichten verzamelt’. Dit ‘briefschrijven’ is een ware ‘luchtpost’. – Het zelf maken van de vlieger gaat aan deze luchtvaart vooraf, want de handvaardigheid hoort nu eenmaal bij het spel.

DE TOLLEN
Wanneer de bladeren van de bomen vallen, alle zaden van de planten neergevallen zijn en door de aarde zijn opgenomen, de plantensappen weer teruggaan naar de wortels in de aarde, de aarde als het ware weer inademt, dan verschijnen in zonnige herfstdagen de tollen, die dan in wijde kringen of in spiralen ‘onvermoeid’ over de grond dansen, (in verschillende streken worden de tollen ook Tanzer genoemd.) De speler moet steeds actief met zijn zweep in beweging blijven, zodat de tol niet ‘moedeloos’ omvalt.

Buiten wordt het in het bos al kil en bij het wandelen aldaar krijg je ieder ogenblik een spinnendraad over je gezicht, een akelige gewaarwording. ‘Hoe komt dat zo?’ vraag je je dan af… De spinnen zijn bezig zich uit de bomen aan draden neer te laten, om op de aarde gekomen, zich in te graven om daar in een of ander holletje zich voor hun winterslaap tegen de kou te verbergen. De spiralende draaibewegingen (boorbewegingen) van de tol, zijn ze niet een beeld voor de kosmische krachten, die nu terugkomen en zich weer verbinden met de aarde? Die uit de hemelsferen neerdalende kosmische krachten hebben nu de opgave de aarde voor te bereiden op een nieuwe zomer. Dit gebeuren wordt in de sprookjeswereld tot het beeld van het nijvere smeden van de kabouters .

Nog laat in november, wanneer alleen nog enkele plat op de grond groeiende planten kantachtige rozetten vormen, die streng uitgeciseleerd zijn en meer een kristalachtig dan een plantachtig karakter hebben, of nog later wanneer sterk kosmische werkingen nog duidelijker op aarde zichtbaar worden: de eerste sneeuwkristallen, dan wordt een soort meetkundig spelletje gespeeld: van een touwtje worden de uiteinden aan elkaar geknoopt en zo tot een cirkel gevormd. Met beide handen wordt dit touwtje op de vingers vastgehouden, door overnemen ontstaan velerlei speelvormen en variaties.

De kinderen zijn vol van deze spelletjes, en wie zou hieraan ook niet willen meedoen? Deze spelen hebben een internationaal karakter en zijn als zodanig niet de uitvinding van een enkeling, maar volksspelletjes, die gevarieerd, naar gelang van verschillende klimaten, over wijde gebieden verspreid zijn.

Er zijn nog veel meer spelen, die ik had moeten beschrijven, ik heb hier alleen de doe-spelen aangehaald. Voor de winter binnen in de verwarmde huiskamer worden dan de denkspelen, dammen, halma, schaken en vele andere spelen gespeeld.

Daarnaast nemen de gezelschapsspelen een belangrijke plaats in, ze worden meestal in de familiekring met vrienden gespeeld en hebben een
gemeenschapsvormende sociale opgave te vervullen.

A.J. Miedaner, vrijeschool Zeist, nadere gegevens onbekend. In de reactieruimte: zie aanvullende informatie over de schrijver.

.

Spel: alle artikelen

Aftelversjes  bikkelen   hinkelen   touwtjespringen

 vliegeren

.

1715-1609

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (9-6)

.

Oneigenlijke polarisering in het arbeidsbestel

werkgever / werknemer

Iedereen kent de vraagstelling: werk je voor jezelf of voor een baas? Je bent in dienstverband bij een ander of je bent zelfstandig. Beide situaties zeggen iets over de rechtspositie.

De vraag voor wie ik eigenlijk werk is met geen van beide aangereikte alternatieven te beantwoorden. In een tijd van wereldwijde arbeidsverdeling is het enige correcte antwoord: ik werk voor de behoeften van een medemens. Toch is deze vraagstelling, in de vorm van de twee genoemde mogelijkheden, karakteristiek voor onze tijd. De consument is uit het zicht verdwenen en de arbeidswereld zelf is uiteengevallen in twee kampen: zij die in dienstverband werken, de zogenaamde werknemers, en zij die als zelfstandige, als ondernemer, als manager leiding geven: de zogenaamde werkgevers.

Het sociaal-economische leven, en daarmee het politieke leven in wijdere zin, is gekleurd door deze tegenstelling: werkgever-werknemer, ofwel kapitaal-arbeid. Een polariserende belangentegenstelling die tot sociaal ontwrichtende arbeidsonlusten, stakingen, loon-prijs-spiralen, bedrijfssluitingen en dergelijke voert. Hoe is dat zo gekomen en in welke richting is een positieve ontwikkeling mogelijk?

Wanneer we in dit artikel ingaan op de kloof in het arbeidsbestel moeten we wel bedenken dat deze slechts een van de verschijningsvormen is van de vele kloven die deze wereld doortrekken: tussen oost en west, tussen producent en consument, tussen industrielanden en grondstoflanden, enzovoort.

Al die kloven beginnen te ontstaan sinds met het begin van de nieuwe tijd (zestiende eeuw) de moderne natuurwetenschap opkomt. Aan die natuurwetenschap ligt een heel nieuw denken ten grondslag: het onderscheidend, analyserend, ja-nee en zwart-wit denken. Dat denken en het soort wetenschap waartoe dat denken leidt, maakt techniek en industrie mogelijk en levert ons de uiterlijke welvaart waar we zo moeilijk weer afstand van kunnen doen. Sociaal gezien werkt dit denken als een splijtzwam. Het verstoort natuurlijke sociale verbanden, maakt mensen tot object, plaatst ze tegenover elkaar en ordent ze in technocratische systemen.

In het natuurwetenschappelijk denken plaatst de mens zich als toeschouwer; als onderzoeker buiten de natuur. Hij maakt de natuur tot object. Zo leert hij de natuur beheersen, manipuleren, uitbuiten. Deze natuurwetenschap is alle levensgebieden zodanig gaan doordringen dat ook haar grondhouding alom aanwezig is. Voor de werkgever is de werknemer object, voor de producent is de consument een afzetkanaal, voor de industriële landen is de derde wereld grondstofleverancier.

Wij staan nu voor de taak om in al deze polariserende sociale velden zelf een midden te scheppen. Dat vraagt om een nieuw denken, een denken in samenhangende gehelen, een denken dat steeds beide polen kan omvatten.

‘Caput’-alisten en ‘proles’-tariërs

Over het ontstaan van de kloof in het arbeidsbestel valt het volgende te zeggen. Tot aan het begin van de industriële revolutie is het economische leven hoofdzakelijk van agrarische aard. Daarnaast is er handel en ambachtelijke productie. Techniek speelt een geringe rol. De arbeid speelt zich af in directe wisselwerking met de natuur, het materiaal, het product. De samenleving had het karakter van een standenstaat, zeker niet zonder ‘politieke’ spanningen, maar toch nog gedragen door een zekere natuurlijke, geaccepteerde sociale orde. Een totaal nieuwe situatie ontstaat op het moment dat menselijke intelligentie zich op het arbeidsproces richt; geestkracht en vernuft worden aangewend om arbeid te delen, te organiseren, te mechaniseren. Dit leidt tot samenballing van grote groepen mensen die tot object worden van deze organiserende intelligentie. In fabrieken staan de machines, staan de lopende banden, staan de intelligente arbeidssystemen centraal.

Dit alles is resultaat van het denken van het hoofd, Latijns ‘caput’. In dit nieuwe aspect van het ondernemingsgebeuren leeft de ‘caput’-alist zich uit. Voor degene die dit soort bijdrage niet kan leveren blijft niets anders over dan zijn werkkracht te leveren. Hij noemt zich proletariër. Dat komt van het Latijnse ‘proles’: nakomeling. Het enige wat hij bezit is zijn reproductie-vermogen, zijn vitale kracht. Zo begint de onderneming als het ware menskundig uiteen te vallen in hoofd en leden, in ‘caput’-alisten en ‘proles’-riërs, in een bovenpool en een onderpool, in mensen die hun arbeidskracht op de natuur, de stof, de materie aanwenden (steeds meer met hulp van machines en mensen die hun geestkracht aanwenden om de arbeid intelligent te organiseren).

Nu is ieder mens – zij het in verschillende mate – tot beide soorten arbeid in staat. En ook arbeidskundig is het niet zo dat er door een organisatie een streep loopt, links waarvan alleen arbeidskracht op natuur aangewend zou worden en rechts geestkracht op arbeid.

Eigendomsverhoudingen

Het verschijnen van de ‘caput’-alist op het arbeidstapijt zou op zichzelf nog niet hebben hoeven leiden tot polarisatie van het arbeidsbestel. Een andere factor heeft daartoe bijgedragen, namelijk de eigendomsverhoudingen. Ten tijde van de opkomst van de moderne industrie was het Romeinse recht het algemeen geldende. Dat recht kende een onderscheid in publiekrecht en privaatrecht. Wat nu het eigendomsrecht betrof kende men eigenlijk maar twee objecten: grond en gebruiksgoederen. De grond was eigendom van de kerk of van de vorst, die het kon uitlenen of in erfpacht geven. Al het andere kon object van particulier eigendom zijn. Het ‘ius utendi et abutendi’ (het recht om te gebruiken en te misbruiken) was een belangrijke verworvenheid in het Romeinse rijk.

Met de industriële revolutie treden totaal nieuwe objecten de rechtssfeer binnen: machines, fabrieken, industriële complexen, patenten, markten en dergelijke. Op dat moment zou ook het rechtsleven een stap in haar ontwikkeling hebben moeten maken. Dat gebeurt niet. De nieuwe economische wijn wordt in oude juridische zakken gegoten. Productiemiddelen worden – evenals tafels en stoelen – tot object van privaatrecht: men kan ze bezitten, verkopen, verhandelen en ze voor persoonlijke doeleinden gebruiken en eventueel misbruiken. Dat geldt zowel voor de persoonlijke ondernemer als voor een groep aandeelhouders die tezamen een onderneming bezitten. Als later Marx deze situatie aan de kaak stelt als oorzaak van alle sociale ellende, wordt in het oosten de andere mogelijkheid gekozen die het Romeinse recht biedt: de staat wordt eigenaar van alle productiemiddelen. In wezen maakt dat geen verschil.

Wanneer de ‘nieuwe’ ondernemer-industrieel zich eigenaar mag noemen van een fabriek en van de daaruit voortvloeiende winsten, ligt het voor de hand dat de proletariër, die zijn arbeidskracht aanbiedt, zich eveneens eigenaar waant van dit ‘goed’. Zoals de ondernemer het rendement van zijn eigendom zo hoog mogelijk probeert op te voeren, zo probeert de arbeider dat ook. Hij probeert zijn arbeidskracht zo duur mogelijk te verkopen. Vroeger werd de hele mens verkocht. Nu alleen nog maar de arbeidskracht.

Morele krachten en sociale vaardigheden

Zo leiden beide vormen van kapitalisme (staatskapitalisme in het oosten, privé-kapitalisme in het westen) tot een polarisering in het arbeidsbestel, een menselijk, sociaal en organisatorisch uiteenvallen van twee belangengroepen: de haves en de have-nots, de werkgevers en de werknemers, de bureaucratische leiders en de beambten, de verantwoordelijke (dat wil zeggen aan het kapitaal verantwoording verschuldigde) managers en de cao-werkers.

Deze polarisering leidt er toe dat de oude standenstaat in een nieuw gewaad voortleeft. Ook geeft hij voeding aan anti-sociale impulsen die op zich zelf een natuurlijk gevolg zijn van de emancipatie van groepen en individuen, maar die juist uit het economische leven gebannen zouden moeten worden.

In het economische leven werken we – door de arbeidsverdeling – voor elkaar. In ons handelen zijn we door die arbeidsverdeling al altruïst. Uit dat gebied zouden de anti-sociale impulsen van de zich emanciperende mensen zorgvuldig moeten worden uitgebannen. Het wekken van de morele krachten en de sociale vaardigheden, waardoor mensen het ‘objectieve altruïsme’ van het economische leven ook leren willen en kunnen, is alleen mogelijk in een werkelijk vrij geestesleven. Op dat aspect van de sociale driegeleding kan in dit artikel niet verder worden ingegaan.

Het scheppen van de sociale inrichtingen, de afspraken, de wetten die het mogelijk moeten maken dat de gepolariseerde situatie tot een levende polariteit wordt waarbij de polen elkaar niet dialectisch bestrijden, maar in echte dialoog met elkaar komen, is een taak voor het rechtsleven.

Een werkplaatsje

Om een idee te krijgen van wat we ons hierbij kunnen voorstellen volgt nog een korte beschrijving van een fictief, concreet geval.
Jan neemt het initiatief een werkplaatsje voor kinderspeelgoed te beginnen. Hij leent geld bij de bank. Een kring geïnteresseerden heeft het krediet door een persoonlijke borgstelling gedekt. Veel meer dan het minimumloon blijft er voor Jan en voor de eerste medewerkers die zich met het initiatief verbinden niet over. Zij treden niet in dienst bij Jan, maar associëren zich als vrije medewerkers. Zij maken onderling een afspraak over hun rechten en plichten, met name over het minimuminkomen dat zij elkaar in deze beginfase toestaan uit de gemeenschappelijk verworven inkomsten.

Als de onderneming groeit en er meer kapitaal moet worden aangetrokken, wordt een stichting opgericht, die de productiemiddelen ‘bezit’. Op de balans is het vermogen min of meer in evenwicht met de uitstaande schulden. De juridische eigenaar kan zich met dit ‘bezit’ op geen enkele wijze persoonlijk verrijken. Deze heeft alleen het recht – en de plicht – er op toe te zien dat bekwame mensen met het productiemiddel werken. Door de neutralisering van het eigendom kan nu ook risicodragend kapitaal worden aangetrokken voor verdere investeringen. Het zal de verstrekkers geen macht over de onderneming verschaffen, hoogstens een extra vergoeding wanneer de zaken goed gaan.

De medewerkers overleggen met elkaar – en maken daarover steeds opnieuw harde afspraken – welk deel van de bruto inkomsten zij als gemeenschappelijk inkomen zullen beschouwen en volgens welke criteria zij deze pot zullen verdelen. Daarbij kunnen zowel behoefte, arbeidsduur, prestatie, als onder-nemerskwaliteiten een rol spelen. Wat als rechtvaardige beloning beleefd wordt, kan alleen door de betrokkenen – c.q. hun vertegenwoordigers – worden bepaald.

Er bestaat in deze situatie geen werknemerschap, c.q. dienstverband. Alle medewerkers verbinden zich persoonlijk tot een vorm van medewerkerschap. Sociale verzekeringen kunnen persoonlijk bij externe instanties worden ondergebracht of middels een gemeenschappelijk opgerichte eigen voorziening worden geregeld. Bij dit alles blijven grote verschillen bestaan in het soort bijdrage dat de medewerkers leveren (met geestkracht arbeid organiseren of met arbeidskracht materiaal bewerken en alle mengvormen daartussen), in de mate van identificatie met en trouw aan de onderneming, en in deskundigheid. Deze verschillen kunnen echter constructief tot gelding worden gebracht in het overleg binnen de onderneming, in de dialoog tussen de polen. De voorwaarde voor deze dialoog is geschapen doordat noch door het bezit van productiemiddelen, noch door het collectief looneisen stellen van de werknemers, macht kan worden uitgeoefend.

Of binnen deze voorwaarden de dialoog ook werkelijk constructief verloopt en de onderneming slagvaardig blijft, wordt natuurlijk mede bepaald door de sociale vaardigheden en de persoonlijke inzet van de medewerkers. Het blijkt dat nieuwe initiatieven, waar met bovenbeschreven nieuwe sociale vormen ervaring wordt opgedaan, even zovele oefenplaatsen zijn voor deze vermogens.

Volgende kloven

Ten slotte nog een kort perspectief, dat ik niet verder heb kunnen uitwerken in het bestek van dit artikel. Wanneer langs de boven beschreven weg binnen de onderneming geen sprake meer kan zijn van uitbuiting van de ene groep door de andere, wanneer met andere woorden de kapitaal-arbeid kloof is overbrugd, wacht de volgende kloof: die tussen producent en consument. Waarom zouden de werkers van een onderneming niet samen de consumenten kunnen uitbuiten? Ook de overbrugging van deze kloof vraagt om nieuwe inrichtingen. Rudolf Steiner noemt ze in zijn driegeledingsgeschriften associatief. Ook naar de kant van de grondstof-leveranciers hebben deze hun betekenis (kloof industrielanden – derde wereld).

En dan rest de grootste kloof te overbruggen: waarom zou het geassocieerde economische leven niet gemeenschappelijk het geestesleven (bijvoorbeeld onderwijs, wetenschap, gezondheidszorg) uitbuiten, knechten, voor zich gebruiken? De overbrugging van deze kloof verwijst naar een stroom van vrije schenkingsgelden die uit de winsten van de ondernemingen naar het geestelijke culturele leven vloeien. Opdat van daaruit het economische leven weer opnieuw met begaafdheden en capaciteiten bevrucht kan worden.

.

Lex Bos, Jonas 15, 18-03-1983

Sociale driegeleding: alle artikelen    kapitaal – arbeid onder nr. 9

.

1714-1608

.

.

VRIJESCHOOL – 6e/7e klas – Natuurkunde – licht (3-4)

.

Om licht te kunnen karakteriseren zijn de vorige artikelen  [3-1]  en [3-2]  een goede hulpbron. 
Er is nog veel meer over ‘licht’ te vertellen. [3-3]
Hieronder een ouder artikel, waarin nog interessante gezichtspunten. 
Het onderzoek staat niet stil en sommige bevindingen van toen, moeten wellicht weer wat worden genuanceerd.

De mens kan het daglicht niet missen

Daglicht heeft een belangrijke invloed op het functioneren van mens en dier. De intensiteit van het licht, de lengte van de dag en de seizoensgebonden verschillen daarin hebben invloed op de „biologische klok’’ en op de ritmische levensprocessen die deze klok stuurt.

Is het moderne leven onder kunstlicht, dat het natuurlijke ritme verstoort, daarom schadelijk voor de mens? Niet meteen ( ) Toch blijft het daglicht voor de mens onmisbaar.

Tijdens de industriële revolutie werd een toenemend aantal gevallen van een typische kinderziekte waargenomen die later bekend werd als de Engelse ziekte. Deze uitte zich in een zwak bottenstelsel, waardoor de benen en de rug van de kinderen krom groeiden. De oorzaak van de ziekte was aanvankelijk onbekend, zodat artsen niets konden doen om het groeiend aantal zieke kinderen te genezen. Men merkte op dat de Engelse ziekte vooral in dichtbevolkte industriegebieden voorkwam, waar weinig zonlicht was. Later bleek dat de ziekte eenvoudig te genezen was door de kinderen aan zonlicht bloot te stellen.

De Engelse ziekte is een van de voorbeelden waardoor onder medici het besef groeide dat zonlicht voor het lichaam van aanzienlijk belang is. Zonlicht is straling die bestaat uit elektromagnetische golven met uiteenlopende golflengten. De hele korte golven vormen ultraviolette straling. Het ultraviolet ligt net onder de grens van de zichtbare straling. De kortste zichtbare golven geven violet en blauw licht, de iets langere zijn groen, geel of oranje en de langste golven die we nog kunnen zien zijn rood. In het natuurlijke daglicht komen al deze golflengten meestal in een zodanige verhouding voor dat wij wit licht zien.

Naast door de golflengte wordt licht gekenmerkt door intensiteit. In onze normale omgeving varieert de intensiteit sterk, in de eerste plaats door de draaiing van de aarde om haar as. Hierdoor is het elk etmaal ’s nachts donker. Tijdens de omloop van de aarde om de zon zijn er in de loop van het jaar bovendien verschillen in daglengte. Terwijl rond de evenaar de daglengte vrij constant is, zijn in de Noord- en Zuidpoolgebieden de daglengteverschillen tussen winter en zomer soms zo extreem dat de zon een etmaal lang niet ondergaat of opkomt.

Zonnig

Ook het weer beïnvloedt de hoeveelheid licht die wij zien. De intensiteit op een zonnige dag is ongeveer tien maal groter dan bij bewolking. Toch is op een bewolkte dag de lichthoeveelheid altijd nog circa honderd maal groter dan in een kamer met kunstlicht. Van de grootte van deze verschillen zijn we ons maar nauwelijks bewust.

Hoewel we goed kunnen zien onder al deze lichtomstandigheden is het de vraag hoe licht andere functies van ons lichaam beïnvloedt. Deze vraag was het thema van het congres „Medische en biologische invloeden van licht”, dat vorige week* door de New Yorkse Academie van Wetenschappen werd georganiseerd.

De Engelse ziekte, die vooral voorkwam in verstedelijkte gebieden met straten en huizen waar weinig licht door kon dringen, is een sprekend voorbeeld van de gevolgen van tekort aan zonlicht. Hoewel het al meer dan 60 jaar bekend is dat de ziekte hierdoor ontstaat, bleek op het congres dat men het waaróm pas onlangs is gaan begrijpen.
Ultraviolette straling van de zon zet de biologische grondstof voor vitamine D in de huid om in vitamine D3. Het bloed brengt vitamine D3 naar de lever en de nieren waar de uiteindelijk biologisch werkzame vorm van vitamine D gemaakt wordt. Dit vitamine D zorgt ervoor dat de darmen calcium opnemen wat vooral bij groeiende kinderen noodzakelijk is voor de botvorming.

Er zijn meer processen in de huid die onder invloed van zonlicht staan. Bij zonaanbidders is natuurlijk het verbranden en bruin worden bekend. Een huidpigment, melanine, veroorzaakt de bruine tint om de huid tegen nog meer zonlicht te beschermen. Het bruin worden is een normale functie van de huid. Op het congres in New York rapporteerde men hoe daarentegen ook huidziekten als psoriasis en huidallergieën met zonlicht geheel onder controle gebracht kunnen worden.

Leukemie

Een zeer opmerkelijk resultaat werd gebracht door Dr. R. Edelson van de
Columbia Universiteit in New York, die licht gebruikt bij de behandeling van leukemie. Hij zei: „Bij immuunziekten zoals leukemie is het zelden of nooit mogelijk de ziekte te genezen door de oorzaak weg te nemen. Het enige wat we kunnen doen is de ziekte onder controle brengen en zo het leven van een patiënt te verlengen”.

Bij leukemie gebeurt dit vaak met chemotherapie, die aanzienlijke bijwerkingen heeft. Deze bijwerking probeert Edelson te omzeilen door de natuurlijk in het lichaam voorkomende stof, 8-methoxypsoraleen, te binden aan een medicijn. De combinatie van beide stoffen heeft in het lichaam geen enkele invloed maar kan werkzaam gemaakt worden door het plaatselijk in de huid met ultraviolet licht te activeren. Zo wordt de rest van het lichaam gespaard van schadelijke bijwerkingen. Bij de eerste leukemiepatiënt, die met deze lichttherapie werd behandeld, had Edelson onlangs aanmerkelijk succes.

Fluctuaties in de lichtintensiteit die veroorzaakt worden door de beweging van de aarde hebben grote gevolgen voor de manier waarop mensen en dieren hun bezigheden in de tijd indelen. In de evolutie heeft zich een biologische klok ontwikkeld die ervoor zorgt dat dieren op die momenten actief zijn die voor hen — om uiteenlopende redenen. — het meest gunstig zijn. Deze klok staat in verbinding met de ogen, zodat hij de wisselingen van dag en nacht waarneemt en bovendien de daglengte kan meten. Onderzoekers van de Groningse en Leidse Universiteit lieten in New York zien hoe dit in zijn werk gaat.

Door veranderingen in de daglengte te meten is de klok in staat om het organisme op de jaargetijden voor te bereiden. De biologische etmaalsklok kan dus ook seizoensritmen tot stand brengen. Dit is een bijzonder belangrijke functie, omdat er tegelijk met de veranderingen in daglengte ook grote veranderingen in temperatuur en in de beschikbare hoeveelheid voedsel optreden. Deze laatste twee factoren vereisen een aanzienlijke aanpassing van de meeste diersoorten. De meest in het oog lopende aanpassingen zijn wel de vogeltrek en de winterslaap.

Dr. I. Zucker van de Berkeley Universiteit in San Fransisco liet op het congres zien dat het lichaamsgewicht van Canadese veldmuizen afneemt als in de herfst de dagen korter worden en dat hun vacht wel twee maal zo dik wordt. De geslachtsorganen van de hamster worden kleiner zodat de dieren zich niet meer kunnen voortplanten in het ongunstige winterseizoen.

Zucker vatte zijn bevindingen als volgt samen: „De daglengte is bepalend voor seizoensgebonden aanpassingen in lichaamsgewicht, temperatuurregulatie en voortplanting bij muizen. Deze aanpassingen (…) worden alle geregeld door de daglengte, wat de overlevingskansen van verschillende kleine zoogdieren vergroot”. Onderzoekers van de Rijksuniversiteit Groningen, die de jaarritmiek bij veldmuizen in de Lauwersmeer bestuderen, bevestigen hoezeer deze dieren hun gedrag aan de seizoenswisselingen aanpassen.

Zelfmoord

Bij mensen zijn zowel psychologische als biologische jaarritmen waargenomen onder meer in groeisnelheid, agressie en het aantal verkrachtingen. Het sterftecijfer bereikt op het Noordelijk halfrond zijn hoogtepunt rond januari. Zelfmoordpogingen en bevruchtingen komen het meest in de vroege zomer voor. Bij de evenaar zijn jaarritmen vrijwel afwezig, terwijl ze op het Zuidelijk halfrond 6 maanden verschoven zijn ten opzichte van het Noordelijk halfrond.

Dr. Aschoff van het Max-Planck-Instituut voor gedragsfysiologie in Duitsland stelt dat hoewel sociale en culturele factoren de jaarritmen beïnvloeden, een biologische basis voor deze ritmen onmiskenbaar is, gezien hun kenmerkende en stabiele samenhang met de jaargetijden. Dus ook bij de jaarritmen van mensen blijkt de daglengte van belang.

Op grond van dit inzicht is op het Nationale Instituut voor Geestelijke Volksgezondheid van de Amerikaanse regering een therapie ontwikkeld om de jaarlijks terugkerende „winterdepressie, waaraan tal van mensen lijden, te genezen. Deze aandoening, die pas sinds enkele jaren ten volle wordt onderkend, kenmerkt zich door een diepe neerslachtigheid, prikkelbaarheid en een sterk verminderde behoefte aan sociaal contact. Bovendien eten en slapen de patiënten in deze maanden overmatig.

De behandeling bestaat hieruit dat patiënten ’s morgens en ’s avonds aan sterke belichting worden blootgesteld. Op deze manier proberen de Amerikaanse psychiaters de korte winterdag kunstmatig te verlengen’. Tijdens de behandeling geven de patiënten een aanzienlijke verbetering te zien.

In tegenstelling tot dieren is de mens door het gebruik van vuur, olielampen, kaarsen en met name de elektrische verlichting nooit volledig afhankelijk geweest van het daglicht. Het is echter een betrekkelijk recente gewoonte om een groot deel van de dag onder kunstverlichting door te brengen. Daarom is het belangrijk om na te gaan hoe dit de lichtafhankelijke functies van de huid en de biologische ritmiek beïnvloedt.

Kunstverlichting verschilt in meerdere opzichten van natuurlijk licht: de verdeling van golflengten is anders en de lichtintensiteit is veel lager. Bovendien zijn we met kunstverlichting minder onderhevig aan veranderingen in de daglengte.

Een vergelijking van de jaarritmen bij de mens over de laatste honderd jaar laat zien dat de ritmen steeds minder uitgesproken zijn geworden. Dit is misschien een gevolg van te lage lichtintensiteiten binnenshuis, maar ook het terugdringen van de invloed van de daglengte door het altijd beschikbare kunstlicht kan een rol spelen. Jaarritmen zijn het meest uitgesproken in gebieden met weinig industrialisatie en verstedelijking. Het lijkt er dus op dat de sterkte van de ritmen afneemt naarmate we ons meer kunnen onttrekken aan de natuurlijke belichting in onze omgeving.

Geen van de deelnemers van het congres rapporteerde echter dat deze tendens schadelijk zou zijn. Mensen zijn immers veel minder dan dieren afhankelijk van grote lichamelijke aanpassingen om de winter te overleven.

Kunstlicht verschilt bovendien van daglicht doordat er een andere verdeling van golflengten is. De gevolgen van een langdurig verblijf in kunstlicht op de aanmaak van vitamine D is onderzocht op een onderzeeboot waar de bemanning drie maanden in door moest brengen. De bemanningsleden die geen extra vitamine D tabletten kregen vertoonden een aanzienlijke afname in de hoeveelheid vitamine D. Dit heeft gevolgen voor de sterkte van de botten.

Heupbreuk

Uit ander onderzoek bleek dat bijna alle mensen die met heupbreuken in het ziekenhuis worden opgenomen te weinig vitamine D hebben. Mensen die niet of nauwelijks buitenkomen, zoals veel bejaarden, zouden daarom geholpen zijn met extra vitamine D tabletten. Het is de vraag of dit alle problemen oplost.

Dr. M. Holick, die werkzaam is aan de Harvard Universiteit, heeft onlangs een nieuw type vitamine D in de huid gevonden, dat net als het bekende type ook door zonlicht geactiveerd wordt. De functie van dit nieuwe vitamine D is nog onbekend maar het staat wel vast dat we dit noch via ons voedsel, noch door middel van klassieke vitamine D tabletten binnen krijgen.

Omdat de mens beter dan dieren in staat is de invloeden van de
seizoenwisselingen op te vangen, heeft het leven onder kunstlicht geen nadelige invloed op de door de biologische klok geregelde levensprocessen. Toch blijft een zekere dosis „echt” licht nodig voor andere lichtafhankelijke functies, zoals de aanmaak van vitamine D in de huid.

Joke Meijer, destijds studente neurobiologie en deelneemster aan de conferentie, Volkskrant 10-11-1984

.

Uiteraard zijn alle mogelijke onderzoeken voortgezet:

Leukemie en vitamine D

Meer info over genoemde onderzoeken en wetenschappers via Google

.

Natuurkundealle artikelen

.

1713-1607

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 2 (2-10)

.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE
.

*GA 293
Vertaling

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken bij alle voordrachten.
De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

Blz. 44-45     vert.

In de 1e voordracht [blz. 21/22] zegt Steiner over het kind dat wordt geboren: ‘het is een voortzetting van het leven vóór de geboorte’het is nu een ander leven, want het kind is op aarde gekomen. De dood noemt hij de geestelijke voortzetting van het fysieke leven.

blz. 21/22 [vert.]

Wanneer de mens fysiek geboren wordt, sterft hij voor de geestelijke wereld en wanneer hij fysiek sterft, wordt hij voor de geestelijke wereld geboren.

Het fysieke bestaan hier is een voortzetting van het geestelijke leven en dat wij hier door opvoeding moeten voortzetten wat zonder ons toedoen door hogere wezens is vervuld.

Onze pedagogie zal pas de juiste stemming ademen, wanneer we ons van het volgende bewust worden: hier in dit mensenwezen dien je door jouw handelen voort te zetten, wat hogere wezens voor de geboorte hebben gedaan.

In de 2e voordracht krijgt dit een vervolg:

Wir nehmen gewissermaßen, indem wir erziehen, die Tätigkeiten, die vor der Geburt mit uns Menschen ausgeübt werden, wieder auf. 

Wij nemen in zekere zin met de opvoeding weer op, wat er voor de geboorte met ons mensen is gedaan.

Da ist mit uns von den geistigen Mächten so verfahren worden, daß Bildtätigkeit in uns gelegt wurde, die in uns nachwirkt noch nach der Geburt.

Toen hebben geestelijke machten zo aan ons gewerkt, dat we een beeldvor­mend vermogen hebben gekregen dat nog na de geboorte in ons nawerkt.

Indem wir den Kindern Bilder überliefern, fangen wir im Erziehen damit an, diese kosmische Tätigkeit wieder aufzunehmen. Wir verpflanzen in sie Bilder, die zu Keimen werden können, weil wir sie hineinlegen in eine Leibestätigkeit.
Wir müssen daher, indem wir uns als Pädagogen die Fähigkeit aneignen, in Bildern zu wirken. das fortwährende Gefühl haben: du wirkst auf den ganzen Menschen, eine Resonanz des ganzen Menschen ist da, wenn du in Bildern wirkst.

Door kinderen beelden mee te geven, maken we er in de opvoeding een begin mee om deze kosmische werkzaamhe­den weer op te nemen. We planten beelden in de kinderen die tot kiem kunnen worden, omdat we ze in een activiteit van het lichaam planten. Wanneer we ons als pedagoog het vermogen eigen maken in beelden op het kind te werken, moeten we daarom het voortdurende gevoel hebben: je werkt in op de gehele mens, de gehele mens resoneert wanneer je met beelden werkt.

En wij gaan verder met of nemen weer deze kosmische werkzaamheden op, door dit beeldvormend vermogen niet te laten verkommeren, maar we voeden dit door de kinderen beelden te geven.

Beelden zijn nog geen begrippen, werken niet alleen op de voorstelling. Ze geven ruimte – je kan er bij fantaseren; ze kunnen op allerlei manieren op je gevoel werken: je blij maken, maar je ook met antipathie vervullen; je aanzetten tot activiteit en spreken daarmee de wil aan.
Dat is het werken op de ‘hele mens’. ‘De hele mens resoneert mee, wanneer je met beelden werkt.

En net zoals Steiner de 1e voordracht afsluit met een soort oproep om je houding in de klas, voor de klas en naar de kinderen, naar het kind te bepalen, zo doet hij hier aan het eind van deze 2e voordracht ook een soort oproep:

Dieses in das eigene Gefühl aufnehmen, daß man in aller Erziehung eine Art Fortsetzung der vorgeburtlichen übersinnlichen Tätigkeit bewirkt, dies gibt allem Erziehen die nötige Weihe, und ohne diese Weihe kann man überhaupt nicht erziehen. 

Wanneer men dit in het eigen gevoel opneemt: dat men in elke opvoeding een soort voortzetting bewerkstelligt van de werkzaamheden die geestelijke machten voor de geboorte verricht hebben, dan verleent dat elke opvoeding de wijding die nodig is, en zonder deze wijding kan men volstrekt niet opvoeden.
GA 293/44
Vertaald/44

Deze gedachten kunnen een bepaalde stemming in je oproepen van grote eerbied voor het kind, van grote betrokkenheid bij zijn jonge leven.
Immers, uit deze opvattingen blijkt dat we met bijzondere wezens hebben te maken, zoals wij allemaal zijn. Door onze individualiteit, door ons Ik,zijn we  geestelijke wezens; geen hogere dieren of naakte apen, geen klomp genen of een brein, maar uit een wereld gekomen wezens die op aarde hun weg gaan en met wie wij een tijdje mogen optrekken.
En tijdens die begeleiding moeten we ze geven wat ze voor die weg nodig hebben.

Op opvoedkundig gebied, op schoolgebied is er veel wat ze kunnen meegeven.

De inhoud van dit vele vinden we o.a. in de pedagogische voordrachten van Rudolf Steiner.

Als steun voor het in jezelf wakker roepen van die benodigde stemmen, deed Steiner ‘tussen de regels’ vele uitspraken:

Man muß gerade mit dem arbeiten, was in den Tiefen unten in der Menschennatur sich abspielt, wenn man erziehend und unterrichtend arbeiten will.

Wil men als opvoeder en pedagoog werken, dan moet men juist werken met dat wat zich diep in de menselijke natuur afspeelt.
GA 293/75   
Vertaald/75

Die uitspraken staan hier als ‘wegwijzers‘.

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.
.

Algemene menskunde: voordracht 2: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1712-1606

.

.

 

VRIJESCHOOL – 6e/7e klas – Natuurkunde – licht (3-3)

In de 6e en/of 7e klas van de vrijeschool komt in het vak natuurkunde ‘licht’ aan de orde.
Hier enige wetenswaardigheden, gesignaleerd door Piet Vroon

.

licht

Wat heeft licht met ons doen en laten te maken 

Veel licht werkt kortdurende topprestaties en het voeren van harde
onderhandelingen in de hand. Hoe minder licht, hoe humaniserender u gaat denken. Van dat laatste worden wij blijkens proefnemingen ook minder gauw moe. De hoeveelheid licht beïnvloedt tevens de manier waarop wij elkaar in ander verband bejegenen. Men heeft de helft van een groep bloeddonors na de aderlating in een zee van licht gezet en de andere helft in een schaars verlichte ruimte. De leden van de laatste groep hadden de neiging bij elkaar te gaan zitten en te gaan kwekken, terwijl de in letterlijke zin verlichten met barse gezichten gingen zitten lezen.

De lichthoeveelheid heeft ook invloed op de stemverheffing: de conversatie in de gangen die lesruimten in de zulo’s met elkaar verbindt, kan met vele decibels worden getemperd door wat lampen te slopen. Wat de geluidshinder betreft zouden we dus moeten terugverlangen naar de energiecrisis toen de ene televisiepersoonlijkheid na de andere ons aanraadde Derde Wereld-peertjes te kopen.

Een gematigde hoeveelheid licht is niet alleen aangenaam, het wordt allemaal nog beter als de boel langs indirecte weg waarneembaar is. Mensen werken graag in zo’n omgeving maar gaan, zoals aangestipt, hun stembanden sparen en zij schrikken zich een beroerte van de telefoon en ander ongerief. Het is dus blijkbaar altijd wat.

Een modern probleem met verlichting is overigens dat TL-buizen flikkeren met een frequentie die u net niet kunt zien. Niets aan de hand dus, maar dit interfereert op een vervelende manier met de beeldschermen waarop wij van alles en nog wat schijnen te moeten ontwaren. Daar moet dus ook weer iets op gevonden worden.

Natuurlijk is het licht ook in de medische wereld doorgedrongen. Er schijnen mensen te zijn die tijdens de herfst en de winter buitengewoon chagrijnig worden, hetgeen wel een depressie wordt genoemd. Zeer fel licht zou deze ramp kunnen afwenden. Hoe dat werkt is niet helemaal duidelijk. Sommigen beweren dat neerslachtigheid indirect te maken heeft met de pijnappelklier die bij dieren overduidelijk gevoelig is voor licht. Felle lampen zouden deze klier aanzetten tot de productie van een in dit verband tamelijk heilzaam hormoon.
Anderen zeggen dat depressieve mensen in het zonnetje moeten worden gezet omdat hun dag-nachtritme is verstoord, wat door middel van veel licht zou kunnen worden bijgesteld. Ook kennen we allemaal het ritueel om gele zuigelingen onder een blauwe lamp te leggen. Deze zou heilzaam zijn voor de afbraak van het vele bilirubine, maar waarom dat werkt weet niemand. Wie zegt daar dat alternatieve geneeswijzen niet deugen omdat we niet weten waarom het eventuele effect tot stand komt?
Aardig is ook de vraag waarom operatiekamers, alsmede de kleding van de aldaar werkzame personen als regel groen zijn gespoten. Als u langdurig naar een bloedbad staart en vervolgens de ogen op een witte wand richt, ziet u een groen nabeeld. Dat is niet zo leuk, maar een dergelijk nabeeld is uiteraard onzichtbaar tegen een groene achtergrond.

Wat de woonkamer betreft kunt u de schijnbare grootte door middel van kleuren variëren: een blauwe kamer lijkt groter dan een rode. Dat komt misschien omdat we scheef door onze pupillen kijken, met als gevolg dat het oog als een prisma werkt dat verschillende kleuren in een verschillende mate breekt. Dat een rode kamer ook geschikt is voor het nemen van risico’s van allerlei aard, zal bekend zijn.

Een uitgesproken dom voorbeeld van het gebruik van kleuren heb ik meegemaakt toen ik nog iets nuttigs deed en de zeeën bevoer. Men zette de brug van een schip ’s nachts vaak in rood licht om de donkeraanpassing van het oog optimaal te maken. Minder optimaal was dan wel eens het navigeren. Een bureaucraat had namelijk bedacht dat je de zeekaarten het best met rode, en dus onzichtbare, lijnen kon bedrukken.

.

Gedeelte van een artikel van Piet Vroon, Volkskrant, Het hele artikel is hier te vinden.

.

Natuurkundealle artikelen

.

1711-1605

.

.

.

VRIJESCHOOL – 6/7e klas – Natuurkunde – licht (3-2)

.
In de 6e en/of 7e klas van de vrijeschool komt in het vak natuurkunde ‘licht’ aan de orde.
Omdat verschijnselen zo veel mogelijk fenomenologisch benaderd worden, is onderstaand artikel een hulpmiddel voor de leerkracht het fenomeen ‘licht’ dieper te doorgronden. Tevens geeft het een heldere uitleg over de samenhang waarnemen – denken.

Wat doet het licht

In september of oktober, soms vroeg, soms later, begint het loof te verkleuren. Als een van de eerste laat de Afrikaanse eik op de hei zijn spits gezaagde bladeren vlammend rood worden. Daarna verkleurt de kroon van de witte berkenboom tot goudgeel. En later pas (dit jaar* was het begin november) is de grond bedekt met de geel-bruine beukenbladeren, met daartussen het eikenloof.

De boom stond, tijdens de zomer, met al zijn duizenden bladeren in het licht, leder blad heeft zonnelicht opgenomen. In het blad werd het tot substantie, zoals in een orgaan stoffen worden opgenomen en verwerkt.
Hoe kan licht tot stof worden?
Dat is evenzeer een geheim als hoe een mens uit voedingstoffen energie wint. De gecompliceerde processen, die van licht tot stof optreden, kunnen slechts gedeeltelijk chemisch-stoffelijk worden vastgesteld. In het loofblad, dat licht heeft opgenomen, bevindt zich zetmeel. Ook hier moeten echter tussen licht en zetmeel overgangen zijn, waarvan pas het zetmeel chemisch gemeten kan worden.
Zodra in het voorjaar het bleke sprietje van de bloembol boven de aarde aan het licht komt, wordt het groen. Kleuren horen bij het licht. Misschien is groen een verschijnsel in de metamorfose van licht tot zetmeel.
(Wetenschappelijk geldt chlorofyl als de drager van het groen dat in ieder bladdeel bij de lichtopname is betrokken).

Waaraan kunnen wij de herfst zien komen?

Bijvoorbeeld doordat het licht verandert. Het is alsof de achtergrond donkerder wordt. Inmiddels begint de boom zich stilletjes terug te trekken van al zijn bladeren, er groeit een scheiding tussen bladsteel en tak, die geen water meer doorlaat.
Daarna kunnen wij zien hoe het groen dat de plant als een levenskleed draagt, wordt weggetrokken; daaronder verschijnen de kleuren van het licht zelf: geel en rood. Het lichtproces, steeds aanwezig, maar in het blad verborgen, wordt in de herfst even zichtbaar. De bomen dragen verwerkt zonnelicht in hun kruinen. Hun goudgeel of vlammend rood stamt uit de kwaliteit van het licht dat zij hebben opgenomen. Of zoals men in het Duitse tijdschrift ‘Kosmos’ in een artikel over herfstkleuren kan lezen: anthocyanen, stoffen waardoor de kleur rood tot stand komt, ontstaan onder een licht van bepaalde golflengte (anders dan carotine, de stof voor geel).
Verder geeft het genoemde artikel met zijn chemisch onderzoek een bewijs voor onze ontdekking van het zichtbaar geworden lichtproces.
Het zegt: ‘de herfstkleur ontstaat niet uit een chemische omzetting van chlorofyl, want carotine en anthocyanen zijn al in het groene blad aanwezig. Maar zij komen pas te voorschijn als het chlorofyl wordt afgebroken of als het suikergehalte in het blad toeneemt.’ (Hierbij moet worden vermeld dat het zetmeel in het blad ’s nachts tot suiker wordt omgezet). ‘In het afgevallen blad, aldus het artikel, is nog veel suiker te vinden, maar geen zetmeel meer.’
Alleen in de vorm van suiker kan ‘lichtsubstantie’ aan het water in de aarde worden doorgegeven. Wat je weet, kun je ook zien: ieder blad valt, een kleurrijk verschijnsel, op de grond.
Het brengt iets mee voor de aarde. In de herfst lopen wij over een goudgeel en groen lichtende grond. Het is het licht dat uit de verte kwam toen wij ons ’s zomers naar de zon keerden.
Boven ons, in de boomkruinen, is het opnieuw zichtbaar geworden en voor onze ogen naar de aarde gedaald.
De geur van de vermolmde bladgrond op een regenachtige novemberdag laat ons weten dat de aarde aan een vernieuwingsproces onderhevig is.

Anders denken

‘Het licht is in de aarde getrokken’ — terwijl wij het denken, voelen wij het ook (zie het hoofdartikel in Jonas 2).[niet op deze blog] Hoe ontstaat zo’n gedachte, die ons als een meditatie kan vervullen?

Eerst zijn het de Afrikaanse eik in het vlammend rood, de berkenboom met zijn goudgele kroon enz., die als herinneringsbeelden de herfsttijd weer in ons oproepen. Wat wij elkaar mededelen zijn begrippen (geel, kroon). We ervaren dat ze met waarneming zijn vervuld. Hoe nauwkeuriger wij de goudgele berkenboom hebben waargenomen, des te rijker is het begrip ‘gele kroon’ voor ons.
Maar ik zie toch eerst ‘boom’ en pas dan ga ik hem nauwkeurig bekijken?
Ja, dat komt omdat het begrip bij de eerste waarneming (het eerste ‘ogen-blik’) al mee naar binnen schiet. Maar is het dan niet te zien dat je éérst waarneemt? Ja, bijvoorbeeld bij een kind. Als het voor het eerst iets ontdekt, komt het ons daarna om het daarbij passende begrip vragen.
Of, als wij zelf voor een onbekend verschijnsel staan; dan gaan wij ook naar de verklaring ervan zoeken.

Laat ons nog even terugkijken naar wat wij hebben gedaan: de boom in de zomer: het blad heeft zonlicht opgenomen en tot substantie laten worden, zoals een orgaan stoffen opneemt en verwerkt. Het is onze denkactiviteit, die de verschillende begrippen zo bij elkaar voegt, dat er een bepaalde verhouding, een gedachte ontstaat. Ons denken vraagt (naar de weg van licht tot zetmeel), het vergelijkt (met de spijsvertering) en wint daaruit een volgende gedachte, zoals: ‘de overgang van niet-stof tot stof kan alleen gedeeltelijk op chemische weg worden vervolgd, terwijl er nog wel kwaliteiten kunnen worden waargenomen (groen)’. Zodoende haalt ons denken de verschillende begrippen bij elkaar en kijkt of zij een eenheid worden. Daardoor kan ons denken ineens waarnemen wat achter het verschijnsel schuilgaat. In ons geval: het gele herfstblad toont het licht-proces, dat zich in het blad steeds heeft voltrokken.

Het denken is als een licht in ons, het laat de dingen te voorschijn komen.

Wel hebben wij hier nog niet stap voor stap bij elkaar gevoegd wat een ‘feit’ pas wetenschappelijk kan rechtvaardigen. Maar wij hebben het verschijnsel ‘in zijn geheel’ te pakken: de boom in het zomerse licht, de boom in zijn herfstkleed, onder de boom de lichte grond — wij hebben dit als één enkel beeld op ons laten inwerken, als een fenomeen, en daaruit gelezen: de idee van het nederdalende licht. Wij hebben het fenomeen nader onderzocht aan de hand van veranderingen die het blad ondergaat, om te zien of deze idee zich ook in de verschijnselen uitdrukt. Net zoals men in de wetenschap de ‘these’ stelt, als de richtlijn volgens welke de verschillende fenomenen worden verzameld en met de ‘these’ worden geconfronteerd. En waarom is het resultaat over de herfstkleuren in ‘Kosmos’ anders dan het onze? Omdat de idee niet tot de werkelijkheid wordt gerekend.

Men bleef daar bij de chemisch aan te tonen feiten staan en zag deze niet meer in het geheel van waaruit zij werden gehaald. En toch zijn zij beide, idee én feitenkennis, door dezelfde activiteit van ons denken tevoorschijn gekomen. Omdat wij onze activiteit daarbij beleven, geloven wij dat de gedachte niet uit de wereld maar uit ons komt en daarom steunen wij alleen op ‘objectief aan te tonen’ feiten. Terwijl de feiten een gehéél vormen met de idee en aantonen waar wij als denkend mens de idee onvoldoende hebben herkend. De verhouding van het denken tot de mens en tot de wereld is een levensvraag . .

Licht in de mensen

‘Het zonlicht uit de ruimte is de aarde binnengetrokken.’ — Laten we deze gedachte even op ons inwerken, dan voelen wij ons getroost. Meer nog: onze wil wordt erdoor aangesproken. Als de aarde zich ‘naar binnen keert’ en innerlijk werkzaam wordt om het nieuwe jaar voor te bereiden, dan kunnen wij ons aangespoord voelen, ook zelf innerlijk waakzaam te worden.

Door de achteloosheid van de mens gebeurt er veel met de aarde. Geen reden om aan te nemen dat er ook door zijn aandacht veel met haar zou kunnen gebeuren! Als in ons geen licht kan binnen dringen — zou de aarde daarvan leed kunnen ondervinden?

Waarom wacht een mens erop, dat hij in zijn beste mogelijkheden wordt herkend? Dat een medemens hem liefdevol blijft waarnemen en hem tegelijkertijd toch vrijlaat, omdat hij alleen vanuit zichzelf de zaak voor elkaar moet krijgen?

Hoe is het mogelijk dat mensen deze liefde kunnen voelen, erop hopen, daarvan schenken? Omdat in ons datgene werkzaam kan worden, waarop de gehele mensheid rust. Vaak herkent zij niet van wie het uitgaat. Men kan het als ‘scheppen’ ervaren, dat wil zeggen: steeds opnieuw moet het worden geboren.

Licht wil liefde worden in de mens. Als wij ons vrij kunnen maken, kunnen in de nachten tussen Kerstmis en Epifanie, de ‘twaalf heilige nachten’, waarin het licht en de liefde nabij zijn, mens en aarde van binnenuit nieuw worden.

.

Cordula Zeylmans, Jonas, 19-12-1970

.

Natuurkundealle artikelen

.

1710-1604

.

.

VRIJESCHOOL – 6e/7e klas – Natuurkunde – licht (3-1)

.

In de 6e en/of 7e klas van de vrijeschool komt in het vak natuurkunde ‘licht’ aan de orde.
Omdat verschijnselen zo veel mogelijk fenomenologisch benaderd worden, is onderstaand artikel een hulpmiddel voor de leerkracht het fenomeen ‘licht’ dieper te doorgronden.

licht

Licht is de zon, te fel om in te kijken. Het licht kan niet direct gezien worden, wel indirect via voorwerpen. Licht, waar is het? Als er geen voorwerpen zijn dan is er geen ‘zien’. In een lege ruimte is er geen licht zichtbaar. Het is er zwart, donker. Alleen de zon is zichtbaar. Tussen de voorwerpen is niets. Toch zijn ze licht. Licht is van voorwerp tot voorwerp. Als het donker wordt verlies je de voorwerpen, het contact. De afgrond begint. Het zoeken naar houvast. Licht kan overstralen; het maakt dingen kleiner, verder weg maar ook detailrijker. Het onderdeel gaat spreken. Licht kan onderstralen; het maakt voorwerpen groter, dichterbij, maar ook armer. De contouren gaan spreken. Licht is overal tegelijk, kent geen grenzen. Het verblindt, vernauwt de pupil, doet samentrekken. Licht is ongrijpbaar, weegt niets. Is warm noch koud. Het maakt je meestal ‘licht’. Het tilt op, het zuigt, het trekt. Het trekt aan planten. Het trekt planten de grond uit, naar zich toe. Het vormt. Planten vormt het. Het vormt planten in de aarde, het plant vormen in de aarde.
Licht dwingt soms door stoffen heen, meestal niet. Het laat contouren zien, structuren, vormen. Doorvallend licht laat materie verdwijnen, geeft het glans van bijna niets te zijn. Een boomblad, doorvallend licht.

Twee soorten licht: Indirect en lichtzelf of beter geformuleerd: Opvallend licht en direct licht (dit is bijna alles. Alle voorwerpen, dieren, planten, mensen).
Doorvallend licht (dunne voorwerpen, bladeren, water, een mineraal, een kristal).
Licht wordt steeds meer geremd, gevangen: Lucht, water, mineralen, bladeren, dichte voorwerpen.
Waar vind je direct licht in de natuur, waar komt het vandaan? Van de zon, de sterren, de planeten (heel soms), van vallende sterren, van vulkanen, van vuurvliegjes, van de lichtende zee, van het vuur.
De zon laat ons niet alleen, de maan houdt het contact. Soms ook niet, maar dan komen sterren lichten als vertrouwenslichten, als houvast. Zelfs wolken houden het licht vast, heel weinig maar. Het is nooit helemaal donker, altijd is de zon er, direct of indirect.
Is licht rechtlijnig? Je kunt het bewegen. Ieder voorwerp beweegt licht, door het overal heen te sturen. Een voorwerp sproeit licht alom, wordt zelf stralend, een zon in het klein, zo zijn er ontelbare zonnen.
Een kristal beweegt licht door het te ‘breken’. Is het dan stuk? Nee, het gaat elders heen, het vermenigvuldigt zich, het voegt zich samen. Mijn ooglens kan dat ook. Het licht wordt gevangen in mijn oog, in de ruimte van mijn oog. Even in mijn hoofd gevangen. Ik krijg daar een geweldige wereld voor terug; een wereld van voorwerpen, vormen, contouren, details. Vang ik het licht, of vangt het mij? Ik vang het door mijn ogen te openen. Licht wordt gevangen, een activiteit. Ik werp mijzelf om het licht, de voorwerpen, de wereld.

Licht is in beweging, in ritme. Grote en kleine ritmes, regelmatige en onregelmatige ritmes. Een wolk voor de zon, een verduistering. Dag en nacht, ochtendschemering en avondschemering.
Ochtend: Het licht schiet de wereld in, duwt zich binnen. Avond: Het licht ontglipt, trekt zich terug, weg naar boven. Winter en zomer, Kerstmis en St. Jan. Verschil van licht, kwaliteitsverschil, intensiteitsverschil. Groeiend licht in het voorjaar, stijgende zon. Krimpend licht in het najaar, dalende zon.

Maar ook de maan draagt een ritme als zonnegeschenk, afnemen en wassen, nieuw en vol. Wel een andere kwaliteit dan zonlicht. Krachtelozer, transparanter, nadenkender, bespiegelender. Licht staat nooit alleen. Het komt samen met lucht op aarde. Waar licht is, is lucht (niet andersom). Het breekt door de wolken, breekt ze open, duwt ze vaneen. Doorlichte lucht.
En het water? Het is transparant, laat licht door, maar soms niet. Spiegelende vlakken, rimpelingen, glinsteringen. Spel van het water en licht. Spel op grensvlakken. Wervelend, flonkerend, speels, schitterend. Doorlicht water, oplichtend water.

Begeertig zuigt de zwarte aarde het licht op. Verovert het totaal, schijnbaar onberoerd. Het speelt er niet mee, het doet in zijn innerlijk iets met de kwaliteit van het licht, maar houdt het geheim. Aarde slokt het op, water speelt ermee, licht laat het zichzelf zijn, vuur geeft het zelfs terug. Vuur schenkt licht. Tussen verteren en schenken werken de elementen met licht.

Dan is er nog kleur! En innerlijk licht, zielelicht!

Nieuwe kwaliteiten dienen zich aan. Nieuwe vergezichten, diepere lagen, een andere taal.

.

Willem Beekman, Jonas 23, 14-07-1978

.

Natuurkunde: alle artikelen

.

1709-1603

.

.

VRIJESCHOOL – Biografieën – Elisabeth Kübler Ross

.

Elisabeth Kübler Ross

Mijn vader* stierf toen ik zestien was. Onvoorbereid, onbewust, beleefde ik aanvankelijk een gevoel van bevrijding, en dan bedoel ik de bevrijding die hij beleefde om verlost te zijn van zijn zieke lichaam. Toen daarna de pijn en het verdriet van het gemis kwamen, wist ik daar geen raad mee. Flink zijn en niet huilen was het devies waarmee ik was groot gebracht. Jaren later vertelde ik met veel tranen het hele verhaal aan iemand die niet bang was om ‘pijnlijke’ vragen te stellen, en daarmee begon het bevroren verdriet te ontdooien. Daarna begon ik te lezen over sterven, het rouwproces. Het baanbrekende boek van Elisabeth Kübler Ross ‘Lessen voor levenden, gesprekken met stervenden’ heeft toen al veel voor mij betekend. Door het lezen en nadenken over zowel de praktische problemen (‘Moet ik de zieke vertellen dat hij stervende is?’) als de spirituele betekenis van de dood was ik veel beter voorbereid toen mijn moeder binnen drie maanden overleed, waardoor wij haar zo goed mogelijk konden begeleiden tot aan de poort van de dood. Werkende met rouwgroepen (dit zijn kleine groepen waarin mensen die hun partner of kind hebben verloren elkaar helpen om hun rouwproces, hun gevoelens te uiten, te herkennen en te accepteren) bleef ik met de vraag rondlopen hoe een synthese te vinden tussen het emotionele niveau in ons, dat vol tegenstrijdige gevoelens kan zitten van woede, angst, schuld en nog veel meer, en het spirituele niveau waarin we weten dat de dood de poort is naar de geestelijke wereld, waarin we onze dierbaren met vertrouwen kunnen laten gaan en waarbij het gevoel van bevrijding en diepe verbondenheid hoort, dat we kunnen voelen als we kijken naar het gezicht van iemand die pas gestorven is. Ontzag ook voor een groot mysterie waar je niet bang voor hoeft te zijn en wat op een wonderlijke wijze doet denken aan een geboorte.

Op zoek naar die synthese nam ik samen met ongeneeslijk zieke mensen, ouders die een kind verloren hadden, artsen, huisvrouwen, verpleegkundigen enzovoort, deel aan een vijfdaagse workshop die Elisabeth Kübler Ross enkele maanden geleden* hier in Nederland hield. Zij heeft ons die synthese voorgeleefd door beide niveaus in ons onvoorwaardelijk te accepteren en door ons veel te vertellen van haar eigen ervaringen.

Drieling

Elisabeth Kübler Ross wordt op 8 juli 1926 in Zwitserland geboren als een van een drieling. Erika en zij zijn identiek en piepklein, het zusje Eva heeft een normaal gewicht en ziet er heel anders uit. Zeer tegen de zin van de ziekenhuisstaf neemt moeder de kindertjes mee naar huis om ze zelf te voeden, dag en nacht om de twee uur, dus aan slapen komt zij nauwelijks toe. Het mondje van Elisabeth is te klein om bij haar moeder te kunnen drinken en daarom wordt zij met een poppenzuigflesje gevoed.

Als de drieling opgroeit trekken zij met hun gelijke kleertjes sterk de aandacht. Erika en Elisabeth lijken zó op elkaar dat zelfs de ouders ze vaak niet uit elkaar weten te houden. De kindertjes worden overal aangestaard en zelfs gebruikt voor reclame. Elisabeth trekt een knoop van haar jurk om het gemakkelijker te maken haar te herkennen. Wat is zij blij als iemand haar bij haar eigen naam noemt.

Het gezin (er is nog één ouder broertje) is hecht, vrolijk en gezellig. Het chalet waar zij wonen staat op een zonnige helling, de tuin is groot, de alpenweiden vlakbij, ’s Zomers ruikt het naar hooi en ’s winters naar houtvuren. Binnen is alles netjes op z’n plaats, alles glimt en glanst, de geraniums bloeien op het balkon. Vader gaat elke dag met de trein naar Zürich (hij zit in de handel) en moeder wijdt al haar energie aan het huishouden en de moestuin. De kinderen werken vanzelfsprekend mee, de regels zijn duidelijk en er wordt absolute gehoorzaamheid verwacht. Omdat Elisabeth eigengereider en brutaler is dan haar zusjes, krijgt zij heel wat keren een pak slaag met de mattenklopper. Vieze voeten op het kleed of ruzie maken wordt gestraft met opsluiting in de kelder, een straf die Elisabeth welgemoed ondergaat want zij is graag alleen, zodat zij haar fantasie de vrije loop kan laten. Maar vader die zo streng kan zijn, blijft nooit lang boos. Vaak gaat hij dan aan de piano zitten en met zijn mooie bas zet hij een loflied op de bergen in, en al gauw zingt het hele gezin mee. Er wordt trouwens heel veel gezongen, vooral met Kerstmis, wat ieder jaar weer een hoogtepunt is, met de echte kaarsjes in de boom en het heerlijke gebak van moeder.

Als vierjarig kind is Elisabeth zó onder de indruk van een boek over Afrika, dat zij een taaltje bedenkt dat voor haar Afrikaans is en dat haar zusjes ook leren. Vlak na haar vijfde verjaardag komt een groep Afrikanen muziek maken in Zürich. Elisabeth weet ongezien met de trein mee te rijden en geniet intens van de Afrikaanse drums. Thuisgebracht door een familielid, die het verbaasde kind gevonden heeft, krijgt zij een flink pak slaag. Kort daarop krijgt zij een ernstige longontsteking. Wekenlang zweeft zij tussen leven en dood, achter glas geïsoleerd, samen met een stervend meisje van zeven jaar. Hoewel zij de kracht niet hebben om veel te praten is het gevoel van verbondenheid tussen de twee kinderen groot en wanneer het andere meisje sterft heeft Elisabeth daar vrede mee, hoewel zij de angst ziet in de ogen van de volwassenen. Uiteindelijk komt haar vader naast haar liggen om haar wat van zijn eigen bloed te geven. Met zijn krachtige warme stem belooft hij haar een negerpopje wanneer zij weer beter is. Dat wordt voor haar een begin van herstel, en na enkele weken keert zij naar huis terug met het negerpopje in de armen, het mooiste cadeau dat zij ooit gehad heeft en eindelijk iets wat haar zusjes niet precies hetzelfde hebben.

Omdat Eva veel contact heeft met moeder en Erika veel met vader voelt Elisabeth zich vaak eenzaam. Dan gaat zij naar haar konijntjes die zij knuffelt en streelt. Zo af en toe moet zij een van haar konijnen naar de slager brengen, buiten wachten, en het pakje vlees weer mee terug nemen. Onbeschrijfelijk is haar verdriet wanneer de slager haar vertelt dat haar zo juist geslachte lievelingskonijn over een paar dagen jonkies gehad zou hebben.

Elisabeth is een mager en erg actief kind, onmiddellijk fel partij kiezend voor ieder die in een onderdrukte positie verkeert. De dominee, die zijn eigen kinderen zo slaat dat zij nauwelijks kunnen zitten, maakt haar zo woedend, wanneer hij Eva onterecht straft, dat zij hem haar gebedenboek naar het hoofd slingert.

Van heel jongs af aan geniet Elisabeth intens van de schoonheid van de natuur, en zij deelt deze liefde met haar vader. Actiever en energieker dan haar zusjes, maakt zij met haar vader bijna ieder weekend grote bergtochten, van hütte naar hütte klimmend, ’s winters skiënd. Er is een rots, door bos omgeven die niemand ziet en waar Elisabeth vaak naar toe gaat, dat is haar ‘heilige plaats’ en spontaan strekt zij haar armen omhoog naar de zon in een soort ritueel dat voor haar volkomen natuurlijk is.

Dan komt de oorlog en Elisabeth hoort over de radio van de inval van de Duitsers in Polen en zij doet zichzelf de plechtige belofte dat zij de Polen zal gaan helpen zodra zij dat kan.

Wanneer de meisjes zestien zijn, beslist vader over hun verdere opleiding. Elisabeth mag bij hem in de zaak een opleiding in de handel volgen. Dat is het laatste wat zij wil, zij wil arts worden. Duidelijk zegt zij ‘nee’, woedend stuurt vader haar het huis uit, moeder helpt haar een dienstje te zoeken bij een weduwe in Frans-Zwitserland en enkele dagen later verlaat ze dapper het ouderlijk huis.

Bij de weduwe heeft zij een afschuwelijke tijd. Zij moet werken van ’s morgens zes tot ’s avonds twaalf. Zij besluit de dag met het brengen van een kopje thee naar mevrouw en haar minnaar. De drie kinderen, waar zij voor moet zorgen, betekenen tenminste nog een beetje menselijke warmte. Zij krijgt zo weinig te eten dat zij vaak staat te zwaaien op haar benen, maar haar trots verbiedt haar om hierover ook maar te reppen in haar opgewekte brieven naar huis.

Na een paar maanden geeft mevrouw een groot diner. Na de afwas zit Elisabeth uitgeput aan de keukentafel de restjes op te eten als een vriendelijke oude man binnen komt, die zich voorstelt als professor Fouché. Belangstellend vraagt hij wat een intelligent meisje als zij hier doet. Met trillende lippen vertelt zij hoe zij hier terecht is gekomen en dat zij eigenlijk medicijnen wil studeren. Hij geeft haar zijn naamkaartje en belooft haar te helpen een baantje te vinden als laboratoriumassistente.
Vijf dagen later vertelt madame haar dat professor Fouché is gestorven.

Op kerstavond wordt een grote kerstboom gebracht en Elisabeth helpt de kinderen met versieren. Als madame dat ziet stuurt zij Elisabeth streng terug naar de keuken. Dit is voor Elisabeth de laatste druppel en zij besluit weg te lopen, maar zij heeft maar een paar francs. Diep in de nacht verlaat zij stilletjes het huis en kan nog net een kaartje naar Genève betalen, waar zij een zuster van madame opbelt die haar in huis neemt, verkleumd en hongerig.

Werkkampen

Eenmaal weer thuis blijft Elisabeth weigeren om bij haar vader te komen werken. Vader geeft toe en zij gaat werken als laboratoriumassistente in de afdeling dermatologie van het ziekenhuis. Zij is net achttien als daar, ten gevolge van de invasie in Normandië, een niet aflatende stroom vluchtelingen uit Frankrijk aankomt, die juist in haar afdeling ontluisd en opgevangen moet worden. Zij werkt van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat en voelt zich in haar element. Na een paar weken is zij zo bleek en mager dat haar ouders haar verbieden op zondag ook nog te gaan werken. Zij bedenkt een smoes, zegt dat zij naar haar vrienden gaat, gaat tóch naar de vluchtelingen en zegt later thuis: ‘dat zijn toch mijn vrienden?’

Na de oorlog is haar verlangen om te helpen in de getroffen gebieden zo sterk dat zij de professor, voor wie zij werkt, vraagt haar verlof te geven de hele zomer weg te gaan. Zo werkt zij enkele jaren achter elkaar ’s zomers in werkkampen in Frankrijk, België en Polen. In die kampen ontmoet zij jongens en meisjes uit alle landen die gedreven worden door hetzelfde idealisme en dezelfde werkkracht. Elisabeth werkt meestal als kok, en wat is het moeilijk om iedere dag weer wat eten bij elkaar te scharrelen, ’s Avonds zingen zij om het kampvuur volksliedjes uit de verschillende landen.

In Polen bezoekt zij het concentratiekamp Maidanek. Het eerste wat zij ziet is een wagon, vol met schoentjes van kinderen die vergast zijn. Door de verlaten barakken dwalend staart zij ontroerd naar de wanden die vol gekrast zijn met laatste boodschappen. Tot haar verbazing ziet zij dat er talloze vlinders getekend zijn, voor haar het symbool van hoop en bevrijding. (Later zal zij, aan het bed van een doodziek kind zittend, vaak een tekening van een vlinder maken en vertellen hoe die vlinder de hemel in vliegt, terwijl hij de cocon als een lege huls achterlaat). Die zomer in Polen werkt zij met twee meisjes in een soort eerste-hulp-post en elke dag verzamelen zich tientallen uitgehongerde mensen voor het schamele hutje om hulp te vragen aan de ‘dokters’, maar de hulpmiddelen en medicijnen zijn volslagen ontoereikend.

Op een nacht ligt Elisabeth buiten te slapen. Zij wordt wakker van een zacht kreunen. Naast haar zit een moeder met haar doodzieke kind op schoot. De moeder vertelt dat zij drie dagen en twee nachten met haar driejarige Janek op de arm is komen lopen om de hulp te vragen van de ‘dokter’. Elisabeth herkent meteen aan de hoge koorts en de raspende ademhaling de symptomen van tyfus en verdrietig zegt zij dat zij niet helpen kan, zij hebben geen medicijnen.

Na een lange stilte zegt de moeder: ‘Dokter, je moet het leven redden van dit kind want hij is de laatste van mijn dertien kinderen. Janek is de enige die de gaskamers van Maidanek heeft overleefd’.
De enige hoop is het ziekenhuis in Lublin, dertig kilometer verder. Samen gaan zij op weg, om de beurt het kind dragend. Als zij eindelijk het ziekenhuis bereiken weigert de dokter het stervende kind op te nemen. In een mengelmoes van Duits en Pools schreeuwt Elisabeth hem woedend toe hoe onmenselijk zij hem vindt en de dokter geeft toe. Over drie weken kan de moeder terug komen, het kind zal dan óf begraven zijn, óf gered. Terug in de kliniek werkt de moeder mee en ’s nachts slapen zij onder dezelfde deken. Na drie weken is zij weg. Na nog een week vindt Elisabeth bij het ontwaken een zakdoek met aarde. Er is een briefje bij: ‘van de moeder van Janek, het laatste kind van de dertien, dat jij gered hebt, een beetje gewijde Poolse aarde.’

Aan het einde van de zomer gaat Elisabeth op weg naar huis. Een militair vliegtuig heeft opdracht haar mee te nemen naar Berlijn, een belangrijke Zwitserse, die opvallend goed werk heeft gedaan in Oost-Europa’.
Ze kijken wel verbaasd als een kinderlijk meisje in versleten kleren, en met al haar bezittingen in een rugzakje, aan boord stapt. In Berlijn moet zij de ‘muur’ passeren, en een moedige vrachtwagenchauffeur vouwt haar op in een kistje, timmert het deksel dicht en adviseert haar niet te ademen als er controle komt. Na acht uur mag zij uitstappen maar zij kan zich niet meer bewegen. Die nacht krijgt zij tyfus, ligt doodziek in een bos, verliest telkens het bewustzijn. Een oud sprokkelvrouwtje vindt haar. In een ziekenhuis zweeft zij tussen dood en leven, na een maand zet de dokter haar zelf op de trein naar Basel.

Het volgende jaar gaat Elisabeth weer naar een werkkamp dit keer in Italië (‘als je maar niet in je hoofd haalt om naar een land achter het ijzeren gordijn te gaan’ waarschuwt haar vader haar). Iets eerder terug dan verwacht, wordt Elisabeth gevraagd twee kinderen naar Warschau te brengen. Zij vertrekt meteen, laat een briefje thuis achter. Na een paar dagen komt zij terug, vrolijk trekt zij aan de bel, maar haar vader gooit de deur or haar neus dicht, woedend dat zij
ongehoorzaam is geweest. Zij is dan 22 jaar. Verbijsterd zwerft Elisabeth over straat. Dan ontmoet zij haar vriendin Cilly, die juist nog een klein kamertje weet in het huis waar zij zelf ook een kamer huurt. De volgende ochtend, als vader weg is, haalt Elisabeth wat van haar spulletjes op. Moeder huilt, maar kan niet tegen vader op; hij eist van Elisabeth een excuus. Elisabeth kan dat niet want zij heeft voor haar eigen geweten niets fout gedaan. Trouwens, zij vindt het heerlijk om op eigen benen te staan en niet langer als een klein kind gecommandeerd te worden.

Medicijnenstudie

Haar droom om medicijnen te studeren is sterker dan ooit. Maar zij heeft geen geld en geen eindexamen. Na een jaar sparen kan zij de opleiding volgen voor het examen. Overdag werkt zij acht uur in een oogkliniek.
’s Nachts leert zij. Na een jaar slaagt zij voor het examen, en vader neemt haar weer in genade aan: ‘die Elisabeth is wel jong, maar ze is net zo koppig en taai als ik!’
Toch moet zij haar hele medische studie zelf betalen, en zo leeft zij de komende jaren: overdag een baan, ’s nachts studeren. Intussen hebben Elisabeth en haar vriendin Cilly heel wat gezellige avonden waarop zij vaak buitenlandse studenten uitnodigen en er wordt heel wat muziek gemaakt en gezongen. Maar voor ‘vriendjes’ heeft Elisabeth geen tijd. Tot zij in de snijzaal Emanuel Ross leert kennen, een Amerikaan die in Zürich studeert. Aan het eind van hun studie is hun vriendschap zo hecht dat zij willen trouwen. Maar hun beeld van de toekomst is totaal verschillend. Elisabeth wil naar ‘donker Afrika’, in de voetsporen van Albert Schweizer. Manny piekert daar niet over, hij wil terug naar Amerika. ‘Ik ga niet naar Amerika’, zegt Elisabeth, ‘nooit, nooit, nooit’. De beslissing wordt uitgesteld omdat zij een jaar eerder afstudeert dan Manny. Zij geniet ervan om een huisartsenpraktijk te doen op het platte land. In die tijd groeit het gevoel in Elisabeth dat zij, ondanks haar persoonlijke antipathie, naar Amerika geleid wordt en dat het haar daar ook duidelijk zal worden waarom.

Getrouwd vertrekken Manny en Elisabeth naar New York. Elisabeth vindt het er vreselijk. Cocktail-parties, plastic kerstboomlichtjes, opgemaakte verpleegsters die over het hoofd van de patiënt heen babbelen over hun vriendjes, vervullen haar met ontzetting. Zij besluit zich te specialiseren in kindergeneeskunde, en zij wordt aangenomen op voorwaarde dat zij de eerste twee jaar geen kinderen zal krijgen. Wanneer zij zwanger blijkt te zijn gaat het plan niet door, en krijgt zij een baan in een oud vervallen psychiatrisch ziekenhuis. Wanneer zij enkele weken later een miskraam krijgt is haar leven tóch door dit ongeboren kind in de richting van de psychiatrie geleid.

Het lijkt een wanhopige opgave om op te roeien tegen de stroom van vuil, verwaarlozing, shock en chemische therapie, maar uiteindelijk lukt het haar het vertrouwen van de staf en de patiënten te winnen en weet zij talloze hervormingen door te voeren.

In de volgende jaren krijgen Elisabeth en Manny twee kinderen, Kenneth en Barbara. Een lief meisje uit Zwitserland, dat bij hen inwoont, neemt de zorg voor de kinderen over wanneer Elisabeth werkt.

Wanneer zij een paar jaar later als psychiater in een groot ziekenhuis in Chicago werkt, trekt zij zich meer en meer het lot van de ongeneselijk zieke patiënten aan; zij is diep verontwaardigd over de kille en onmenselijke manier waarop stervende mensen alleen worden gelaten. Eenzaam liggen zij daar, omringd door de knapste apparatuur, worstelend met hun angst, hun onzekerheid, hun zorgen. Als Elisabeth rustig naast hen komt zitten en vraagt: ‘hoe gaat het nou eigenlijk?’, voelen de patiënten dat hier een mens is die niets gek vindt en die zelf niet bang is en die rustig de tijd neemt om naar hen te luisteren. Wanneer zij dan vraagt of de mensen het goed vinden om de studenten in de collegezaal mee te laten luisteren, zodat zij kunnen leren wat er in een ernstig zieke omgaat, stemmen de meesten daarmee in. En zo praat zij met honderden stervende mensen, terwijl de studenten en verplegenden in een propvolle zaal achter een screen (een spiegel waar je van één kant doorheen kan kijken) ademloos luisteren.

Na het gesprek geeft Elisabeth alle aandacht aan de gevoelens van de toehoorders en praat zij met hen over hun vragen. De patiënten vertrouwen haar en houden van haar omdat zij een echte band met hen heeft en erg veel voor hen over heeft. Zo gaat zij, na een lange dag hard werken, altijd nog even bij de stervende mensen langs. Zij weet dat ’s nachts, zo tussen 12 en 4 uur de eenzaamheid het grootst is, en heel wat nachten heeft zij aan het bed van een zieke gezeten. ‘Als je me nodig hebt, kan je me altijd roepen’, en zo is zij dan ook werkelijk daar, als het moment van sterven is aangebroken.

Reportage

Op een dag vraagt een team van het tijdschrift ‘Life’ of zij een reportage mogen maken van een gesprek met een stervende. Als de oude man, die had toegezegd mee te werken, die nacht gestorven blijkt te zijn, vraagt Elisabeth een jong meisje, Eva, die aan leukemie lijdt. Het artikel met de foto’s van Eva, die zo rustig over haar naderende dood praat, roept een storm van reacties op. De artsen in het ziekenhuis, van wie Elisabeth tóch al niet veel collegiale steun had gekregen, zijn woedend, en één zegt verbitterd: ‘Ik had gehoopt dat ons ziekenhuis beroemd zou worden om de uitstekende geneeswijze van kanker, en nu maakt zij ons beroemd om onze stervende patiënten!’ Zij verbieden dat patiënten nog langer ‘voor publiciteit’ mogen worden gebruikt, en daardoor wordt het verdere werk eigenlijk onmogelijk gemaakt.

Aan de andere kant heeft het artikel tot gevolg dat duizenden mensen over heel Amerika gegrepen worden, hun situatie herkennen en eindelijk iemand vinden die hun verdriet zal begrijpen, die ze om raad kunnen vragen. Het taboe rond de dood is doorbroken. In een stroom van brieven storten de mensen hun hart uit, nodigen haar uit voor lezingen, vragen haar hun stervende familieleden te bezoeken. En zo wordt zij van de ene dag op de andere een beroemdheid, altijd op weg om volle zalen toe te spreken, om werkbijeenkomsten te leiden. Tussendoor vindt zij het heel normaal om uren in het vliegtuig te zitten om iemand in de laatste uren bij te staan. Haar privéleven, (en zij vindt het zó heerlijk om thuis te zijn) heeft zij volkomen opgeofferd voor de vragen om hulp, die als een constante stroom op haar afkomen. Alleen de zondag tracht zij voor zichzelf te houden.

Het meeste aandacht geeft Elisabeth de laatste jaren aan stervende kinderen. Zij helpt de ouders om hun kind zo mogelijk uit het ziekenhuis te halen en thuis te verplegen, liefst in de huiskamer, voor het raam en met de poes op bed.

Voor Elisabeth is de hulp vanuit de geestelijke wereld heel reëel en heel nabij. Zij vertelt daar graag over. Op een keer stond zij op een vliegveld op het punt om de controle door te gaan, toen een jong echtpaar haar achterna kwam rennen en om een gesprek vroeg: zij hadden zojuist gehoord dat hun kind kanker had. Elisabeth denkt: ‘O, had ik maar één uur om met deze mensen te praten!’ en op dat moment zegt een stem door de luidspreker: ‘Het vliegtuig van San Francisco heeft één uur vertraging.’ En zo zijn er talloze voorbeelden: een vliegtuig dat niet kan landen vanwege de mist, brengt haar juist op die plaats waar zij op dat moment erg nodig is, zij krijgt geld als zij niets meer heeft (zij vraagt nooit één cent van de patiënten),‘toevallige’ ontmoetingen blijken een belangrijke betekenis te hebben.

Honderden, duizenden mensen heeft Elisabeth begeleid tot aan de poort van de dood. Zij kan met haar volle bewustzijn door die poort heen gaan. Zo weet zij dat ieder mens aan de andere kant ontvangen wordt door diegene die voor hem of haar het meest betekent. Dat zal voor de één Christus zijn, voor de ander de eigen beschermengel, of iemand waarmee je je heel diep verbonden voelt, een dierbaar familielid of een goede vriend. Zij zegt dit met zo’n grote zekerheid dat er een diepe troost vanuit gaat voor allen die hier achter blijven.

*Bepke Engelhard, Jonas 3, *02-10-1981

Boeken van Elisabeth Kübler Ross:

Lessen voor levenden, gesprekken met stervenden;
Intens leven en sterven
Over de dood en het leven daarna
Over rouw
Levenslessen
Dood;
Leven tot we afscheid nemen.
De cirkel van het leven

Elisabeth Kübler Ross

.

Biografieën op deze blog

Vertelstof: alle artikelen

.

1708-1602

.

.

VRIJESCHOOL – Wetenschap

.

Aan de grens van de kennis begint het leven

De moderne natuurwetenschap wordt in toenemende mate door de methodes van de zogenaamde exacte natuurwetenschappen gevormd en dienovereenkomstig bepaald — met als voornaamste vertegenwoordigers de fysica en de chemie.
Rangschikken we de methodes die worden toegepast om de doelstellingen van het wetenschappelijk onderzoek te bereiken, dan tekenen zich drie door interne samenhangen verbonden groepen af, een trilogie van methodes.

Allereerst is er de mechanistisch-deterministische zienswijze: daarmee tracht men de natuur terug te brengen tot de causaliteit van natuurkundig-chemische wetten en haar als een mechanisme te zien.

In het systematisch-reproduceerbare experiment — de eigenlijke en laatste ‘instantie’ van de moderne natuurwetenschap — wordt geprobeerd de mechanistisch-deterministische voorstelling in het laboratorium als een proefmodel, als apparaat te laten ontstaan. Alleen wat in het experiment systematisch-reproduceerbaar kan worden voortgebracht, wordt binnen het bereik van de chemie en de fysica als wetenschappelijk bewezen beschouwd. Al het andere geldt als hypothesen, die overigens — en wel naar gelang de experimentele moeilijkheden toenemen — steeds meer bladzijden in de vaktijdschriften vullen.

De derde methode kan het beste worden omschreven als het differentieel-causale principe-, ze brengt tot uitdrukking, dat de mathematiek een instrument van toepassing moet zijn. Het blijkt, dat de natuurkundige wetten kunnen worden beschreven met differentiaalvergelijkingen, waarvan de integratie wordt nagestreefd om te komen tot registratie van afmetingen in ruimte en tijd.

Het is goed nota te nemen van het feit, dat de voornaamste methode, het systematisch-reproduceerbare experiment (de moderne natuurwetenschap is een ervaringswetenschap), een tweesnijdend zwaard is: het dient namelijk zowel tot middel als tot grens van de kennis. Wat men tijdens het experiment niet kan laten ontstaan, ligt buiten het bereik van de kennis van de chemie en fysica, dus van de moderne natuurwetenschap. Haar vertegenwoordigers staan onder de reële dwang van de maakbaarheid; door de uitsluitendheid, waarmee de moderne natuurwetenschap de voor de chemie en fysica succesrijke methodentrilogie op de hele wereld wil toepassen, is ze materialistisch geworden. Oorzaak voor het geloof aan deze eenzijdigheid zijn voor een groot deel de op de kennis van fysisch-chemische wetten berustende successen van de techniek. Daarmee werd een civilisatie geschapen, die zich in een dergelijke reële dwangpositie bevindt, nu de technocraten beweren dat alles maakbaar is.

Met uitsluitend fysisch-chemische processen kan geen leven worden voortgebracht, het laat zich er alleen door beïnvloeden en…vernietigen. Het is een experimenteel bewezen feit: we kunnen alles wat we weten op het gebied van de chemie en de natuurkunde bij elkaar optellen, zoveel als we maar willen, nooit ontstaat er ergens een levend wezen. Er bestaat geen differentiaal van het leven, die zich tot de afmeting van een levensvorm zou laten integreren. Het systematisch-reproduceerbare experiment als middel tot kennis in de moderne natuurwetenschap toont dus aan, dat de grens van het bereik van haar kennis daar loopt, waar het leven begint. Natuurlijk zijn er zeer vele hypothesen, die streven naar een uitsluitend fysisch-chemische verklaring van het leven. Maar let wel: het gaat daarbij uitsluitend om hypothesen en niet om experimenteel bewezen feiten. Een beoefenaar van de wetenschap, die de kennistheorie ernstig neemt, kan op de vraag ‘wat is leven?’ alleen maar een wetenschappelijk antwoord geven: de wetenschap weet niet, wat leven is.

De materialistische beoefenaars van de natuurwetenschap, die geloven aan de vergelijking ‘leven is chemie plus fysica’ zijn het slachtoffer van een kennistheoretische drogreden. Men kan namelijk alle fysisch-chemische meetinstrumenten, die er maar bestaan, aan alle levende wezens aanleggen, altijd wijzen ze een bij dat instrument passende meetwaarde aan. Daaruit mag echter niet de conclusie worden getrokken, dat fysisch-chemische processen voor het leven toereikend zijn. Deze metingen en het onvermogen om leven te doen ontstaan in het laboratorium bewijzen iets anders: fysisch-chemische processen zijn noodzakelijk, maar niet voldoende voor het bestaan van een levend wezen. Door de mogelijkheid gebruik te maken van het differentieel-causale principe zijn op het gebied van de chemie en de fysica vele dingen berekenbaar. Maar iets kunnen berekenen betekent nog absoluut niet, dat men dat iets dan ook kan begrijpen; dat moet in de eeuw van de computer in alle duidelijkheid worden gezegd. Een voorbeeld: met behulp van de gravitatiewet kunnen de banen van planeten, satellieten of ook projectielen zeer nauwkeurig worden berekend. Wat echter ondanks deze berekeningen niet kan worden begrepen, is het wezen van de gravitatie. Geen enkele fysicus kan zeggen, wat deze kracht nu eigenlijk is, die de appel op de aarde doet vallen. Men geeft dit ‘iets’ een naam: gravitatieveld of veld der zwaartekracht. Er zijn zelfs wetenschapsmensen, die zeggen dat de zwaartekracht ten enenmale iets mystieks is. —

Een juiste berekening kan, wat het leven betreft, zelfs vernietigend zijn; bijvoorbeeld de juist berekende kogelbaan van een projectiel, dat een stad treft. Aangezien op het gebied van het leven fysisch-chemische processen slechts deelaspecten zijn van een mechanistisch-deterministisch en differentieel-causaal niet registreerbare totaliteit, is bij de toepassing van exact-natuurwetenschappelijke methodes op het leven terughoudendheid op zijn plaats. Bijzondere voorzichtigheid is geboden bij extrapolaties, die, uitgaand van fysisch-chemische metingen, als basis voor medische overwegingen dienen. Levensfuncties, in het bijzonder die van de mensen, kunnen alleen door generaties-lange ervaringen ook wetenschappelijk worden verklaard.

De verleiding is natuurlijk groot, tijd te besparen door datgene wat in de toekomst zal gebeuren met de in de chemie en natuurkunde beproefde methodes te berekenen. Zulke extrapolaties zijn echter — zoals de begrensdheid van de kennis van de moderne natuurwetenschap aantoont — alleen toelaatbaar op het gebied van het niet-levende (en soms met succes). Een bijzonder problematisch gebied bij de toepassing van de mathematica om fysisch-chemische processen te beschrijven is de statistiek-, des te verwonderlijker, dat de geneeskunde vaak juist een royaal gebruik daarvan maakt.

In verschillende landen was en is sprake van een wetsontwerp, dat alleen die medicamenten toelaat, waarvan de werking met fysisch-chemische methodes meetbaar is. Nu zijn echter gezondheid en ziekte kwaliteiten van dat fenomeen, dat nu juist met de kwantiteiten van de chemie en de fysica niet te doorgronden is: het leven. Bij een dergelijke wetgeving zouden onvermijdelijk die geneesmiddelen, die ziekte met leven genezen, de natuurgeneesmiddelen, verboden worden. Ook de homeopathische geneesmiddelen zouden dan worden uitgesloten, aangezien de concentraties van de werkzame stoffen meestal fysisch-chemisch niet meetbaar zijn — hoewel de artsen melding kunnen maken van vele miljoenen genezingsgevallen.

Het bewijs wordt dan gevormd door een ervaring, opgedaan door vele generaties heen, een ervaring die een mechanistische – deterministisch niet vatbaar feit opbrengt. Dit is begrijpelijk, want de zich hierbij openbarende fenomenen liggen buiten het bereik van de fysische en chemische kennis. Ze daarom te ontkennen zou dogmatisch zijn en daarom onwetenschappelijk. Het gevaar bestaat, dat ten gevolge van de overschatting van synthetische farmaceutische producten een rijke schat van onvervangbare natuurgeneesmiddelen tegelijk met degenen, die daarvan weten, in het graf daalt. Een vooruitstrevende geneeskunde blijft niet koppig aan het een of ander vasthouden, maar zou juist op weloverwogen wijze natuurlijke en synthetische geneesmiddelen moeten toepassen.

Ook op het gebied van de profylaxis — dus bij maatregelen ter voorkoming van ziekte en tot behoud van de gezondheid — is een extrapolatie van statistische metingen problematisch. Zo is bijvoorbeeld bij de omstreden cariës profylaxis door fluoridering van het drinkwater wetenschappelijke terughoudendheid op zijn plaats. Buitengewoon bedenkelijk is daarbij het feit, dat het om een medicatie onder dwang gaat. Wie ervan overtuigd is, dat fluor zijn tanden beschermt, kan fluortabletten of chocolade met toevoeging van fluor eten (een tip voor de producenten van snoepgoed). Je zou daarbij aan Orwell kunnen denken en je kunnen afvragen, voor welke andere diensten de drinkwaterleiding van een stad gebruikt zou kunnen worden. Een regering, die op dergelijke wijze zorgt voor het welzijn van de bevolking, zou in de geest van Frederik de Grote — ‘Rust is de eerste plicht van de burger’ — uit de waterkraan psychofarmaca met librium- of valiumwerking kunnen laten geven. Dit zou, wat de dwangmaatregel betreft, ten opzichte van de drinkwaterfluoridering geen principieel, maar alleen een gradueel verschil zijn.

Met het systematisch-reproduceerbare experiment als voornaamste middel van kennis van de moderne natuurwetenschap wordt degenen, die geen andere kennisbronnen laten gelden, in de reële dwangpositie van het maakbare van een materialistische wereldbeschouwing gebracht. Met uitsluitend fysisch-chemische methodes zijn echter alleen machines, apparaten en chemische substanties maakbaar. Welke machines kunnen worden gebouwd? Alle machines, die niet in tegenspraak zijn met de wetten van de chemie en de natuurkunde. Met de wetten van het leven mag een machine zonder meer in tegenspraak zijn. Iedere machine, die wat betreft haar grootte (bijvoorbeeld atoomcentrales of supertankers) of haar aantal (bijvoorbeeld auto’s of televisietoestellen) mateloos is, is in tegenspraak met de wetten van het leven, omdat al het leven aan strenge maten is gebonden. De vraag, of een machine of een chemische substantie goed is of slecht, is niet steekhoudend, beslissend is de maat bij de toepassing.

Het gefascineerd zijn door de techniek laat vele mensen geloven dat degenen, die in staat zijn om vliegtuigen, camera’s en telefoons te bouwen, in principe ook bekwaam zijn om vogels, ogen en oren voort te brengen. Maar vliegtuigen beleven hun vlucht niet, camera’s en telefoons zien en horen niet. En nog iets heel wezenlijks: vogels, ogen en oren ontstaan zonder medewerking van de mens — geen enkele machine ontstaat zo maar vanzelf. Machines moeten door mensen worden gemaakt; zijn door de geest bestuurde handen produceren haar uit de mineralen van de aardkorst. Daarom is geen enkele machine (met inbegrip van de computer) zekerder dan de mensen, die haar bouwen en exploiteren.

De bedreiging van het leven door de moderne natuurwetenschap en de daaruit voortgekomen techniek is duidelijk geworden. De oorzaak ligt in de pretentie, het leven met de wetten van de levenloze materie te begrijpen en in de hand te krijgen. Een dergelijke beschouwingswijze is een materialistische. Ze vooronderstelt de prioriteit van de materie, de geest is slechts een product (een soort emanatie) van de stoffelijke vorm hersens. Maar zelfs bij de veronderstelling ‘In den beginne was de waterstof’ is de prioriteit van de materie onhoudbaar. Om ook maar één enkele waterstofatoom voort te brengen, zijn er fysische wetten nodig, waaraan het waterstofatoom gehoorzaamt. Wetten echter zijn altijd iets geestelijks; chemie en fysica — als ze ten einde worden gedacht — bewijzen de prioriteit van de geest. Een natuurwetenschap, die de natuur liefheeft en haar niet als middel tot het doel beschouwt, kan de gevaren van het materialisme aan; de moderne natuurwetenschap moet dat worden, wat ze eigenlijk is — een geesteswetenschap.
.

Max Thürkauf, Jonas 2, 28-09-1977

(Een uitvoerige beschrijving van deze gedachten is te vinden in: Max Thürkauf: Sackgasse Wissenschaftsglaubigkeit. Strom Verlag, Zürich 1975)

1626

Menskunde en pedagogie:

Antroposofie en wetenschap

Anderen over wetenschap

.

1707-1601

.

.

.