Tagarchief: Hildegard von Bingen

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Hildegard von Bingen (2)

.

Over Hildegard von Bingen, hoe werd er een aantal jaren geleden over haar gedacht in haar leefomgeving.

De ‘renaissance’ van Hildegard von Bingen

bazuin van God

Onder een golfplaten afdak, waar net genoeg ruimte is voor het stallen van drie Volkswagenbussen naast elkaar, slaat de firma Würth haar papier- en
dozenafval op. Links in de hoek is daartoe een roestige korf neergezet, en rechts ook. De afvalmanden staan aan weerszijden van een solide betonnen hok. Dat hok nu, voorzien van een zware houten deur met stevige gietijzeren klink, doet dienst als bovengronds portaal voor de middeleeuwse kelders die Franz Josef Würth, baas van Würth Büroland (beproefde reclamespreuk: ‘… denn es ist Ihr Geld’), twintig jaar* geleden als extraatje bij zijn nieuwe bedrijfspand vond.

Sindsdien is diezelfde Würth behalve succesvol verkoper van kantoorbenodigdheden vanzelf ook een beetje historicus en curator geworden. Precies op deze plek stichtte Hildegard von Bingen omstreeks 1150 haar klooster Rupertsberg. Het heet er nog steeds Am Rupertsberg.

Belangstellenden die door het Stadtisches Verkehrsambt van Bingen worden doorverwezen naar Würth in Bingerbrück, het stadsdeel aan de overzijde van de Nahe (een zijtak van de Rijn), worden doorgaans zoveel mogelijk buiten de deur gehouden. Maar vandaag is Herr Würth zelf aanwezig, niet te beroerd om de sleutel te halen die toegang verschaft tot de kelders, en ook nog een rondleidinkje te geven. Waar de administratieve afdeling van de firma is ondergebracht, was vroeger de kloosterkerk. Een arcade met daaronder vijf bogen (afbakening van het middenschip van de kerk) is bewaard gebleven en gerestaureerd. Voor de aanleg van de spoorlijn tussen Keulen en Mainz moest halverwege de vorige eeuw een flink gedeelte van de Rupertsberg mét resterende kloosterruïnes worden opgeblazen. Vanaf de parkeerplaats van Würth kijk je nu boven op de treinrails. Recht vooruit, aan de overkant van de Nahe, is het centrum van Bingen. Links, ver weg in de nevel, zie je flets de Rijn.

Een van de kelders blijkt keurig te zijn opgeknapt. is voorzien van tap en bar en wordt verhuurd als conferentieruimte. Om het historische belang van het schoongeschuurde gewelf nog meer te benadrukken, zijn aan de achterwand reproducties van miniaturen uit originele Hildegard-handschriften opgehangen. Dit zou de crypte moeten wezen waar in den beginne – dat wil zeggen: direct na haar dood in 1179 -de overblijfselen van Hildegard von Bingen werden bijgezet.

‘Bijna elke week komt er een bus met aanhangers voorrijden’ zegt Würth. ‘Overal komen ze vandaan: uit Zwitserland, België. Vorige week had ik bezoek van een Zweedse journaliste, de week daarvoor was er nog een onderzoekster uit Australië. Buiten Bingen is Hildegard veel populairder dan hier.’
Vóór 1998, het alras naderende* herdenkingsjaar (negen eeuwen na Hildegards geboorte) wil Würth de belendende kelders, de voormalige wijnkelders van het klooster die nu nog in gebruik zijn als opslagruimte, hebben omgebouwd tot vergelijkbare zaaltjes.
‘ Ze zouden een uitermate geschikte bestemming kunnen vormen voor het
belangwekkende Hildegard-congres dat staat gepland voor hetzelfde jaar. Uit de ganse wereld zullen mediëvisten, theologen en andere wetenschappers in Bingen bijeenkomen: ze zullen er hun licht laten schijnen over Die Grosse Rheinische Seherin {The Sybil Of The Rhine, Prophetissa Teutonica), naar wie in de literatuur ook wel wordt verwezen als Die Posaune Gottes (de bazuin van God), en – wat minder vroom – Die Mittelalterliche Krauternonne.

Niet dat Hildegard von Bingen verlegen zit om een mooi rond herdenkingsjaar, met de daaraan verbonden pr-stunts die haar naamsbekendheid zouden moeten opkrikken: 816 jaar na haar dood* is ze actueel als nooit tevoren.

Dat May, de plaatselijke boekhandel van Bingen, een plank kan vullen met recente titels die lichamelijke en geestelijke gezondheid prediken volgens de authentieke kruiden-, planten- en edelstenenleer van Hildegard (uit Causae et curae en Physica), zegt al genoeg.

Maar ook in kringen van feministisch angehauchte kerkgangers, priesters en theologen wordt Hildegard op handen gedragen. Helemaal op het toppunt van haar roem is ze in haar hoedanigheid van componiste.

Ze was abdis van twee kloosters, correspondeerde met collega’s, pausen, bisschoppen en keizer Friedrich Barbarossa, bedacht een (tot nu toe ontoegankelijk gebleven) – geheimschrift, schreef in het Latijn met behulp van haar secretaris Volmar twee heiligenbiografieën, een evangelie-exegese, verscheidene werken over natuur en gezondheid, en een trilogie met de weerslag van haar visioenen, waarvan het eerste boek, Scivias {Ken de wegen), geldt als haar standaardwerk: betreffende God, de mens en de kosmos in onderlinge samenhang. Tussendoor genas ze ook nog honderden zieken, predikte ze her en der en bemiddelde ze bij geschillen, terwijl ze bijna onophoudelijk werd getergd door zwaar lichamelijk ongemak.

Haar muzikale oeuvre omvat een moraliteitenzangspel, Ordo virtutum, en bijna tachtig liederen, die tezamen Symphonia harmoniae caelestium revelationum heten – waarmee duidelijk moge zijn dat de composities veeleer het resultaat waren van celestijnse influistering dan van menselijke arbeid. De muziek van Hildegard von Bingen, de Eerste Vrouwelijke Duitse Componist in de Geschiedenis, behoort op het moment* tot de best verkochte in het klassieke segment.

Vision, The Music of Hildegard von Bingen (1994), een strak staaltje van nieuw-zweverigheid (zeg maar: authentiek middeleeuwse gezangen opgetuigd met neo-Indiase klankfrutsels in een koele bedding van Japanse synthesizertechnologie), was door het Amerikaanse label Angel Records bedoeld als opvolger voor de turbo-hit Canto Gregoriano van de Spaanse monniken van Santo Domingo de
Silos. Vision schijnt het best aardig te doen, maar het zijn toch vooral de
Hildegard-cd’s van het ensemble voor middeleeuwse muziek Sequentia (op Deutsche Harmonia Mundi) die aanslaan, en niet alleen bij de hardcore-fans van oude muziek.

Meer dan een kwart miljoen exemplaren zijn wereldwijd verkocht van Canticles of Ecstasy (1994); de release van de nieuwste ‘Hildegard’, Voice of the Blood, ging onlangs zelfs gepaard met een STER-campagne op Nederland 3. En ook Sequentia is al in de ban van 1998: het Amerikaanse ensemble, dat in Keulen domicilie houdt, is vast van plan vóór het aanstaande herdenkingsjaar al haar werken op cd te hebben uitgebracht.

Hildegard von Bingen schreef aan het Gregoriaans ontleende (eenstemmige) antifonen, sequensen en responsoria op eigen Latijnse teksten, waarin zij – dankbaar gebruikmakend van de zeggingskracht van de metafoor – het zegenrijke van de Heilige Drie-eenheid, de Here Jezus, de Maagd Maria, de Heilige Ursula en diverse andere Zalige Lieden bejubelt. Opvallend in haar oeuvre is de veel voorkomende stijgende kwint, vooral aan het begin van een lied of een nieuwe strofe. Het ijl voortkabbelende, tot eenvormigheid neigende engelengezang zou de moderne, jachtige mens weer tot rust brengen. Daarmee verklaren de cd-verkopers het succes van de muziek.

De wereld ligt kan Hildegards voeten, maar in Bingen am Rhein is haar ster nog niet zo hoog gerezen dat een aan haar gewijd museum zonder slag of stoot, als een vanzelfsprekende besteding van gemeenschapsgelden, op de politieke agenda kan worden gezet. Hildegard is onderwerp van twist en strijd. Bij de onlangs gehouden Oberbürgermeisterwahl werd ze zelfs als verkiezingsthema opgevoerd.
‘Heel dom’, zegt Frau Schönfeld, prehistorica/archeologe, en betrokken bij de organisatie van het Hildegard-congres in 1998. Want door de verkiezingen is de museumdiscussie in een stroomversnelling terechtgekomen, en niemand is daarbij gebaat.

Of Oberbürgermeisterin Birgit Collin-Langen van de CDU, die als winnaar uit de bus kwam, Hildegard daadwerkelijk zo’n warm hart toedraagt als ze tijdens haar campagne deed voorkomen, moet nog maar blijken. Wel is duidelijk geworden dat velen in Bingen zijn gekant tegen een museumbestemming voor het gebouw aan de oever van de Rijn dat de Hildegard-lobbyisten hebben bestempeld als droompand – het is in 1898 in gebruik genomen door het elektriciteitsbedrijf. ‘Het is van 1898!’, zegt Schönfeld. ‘Dat is toch ongelooflijk. En heb je gezien hoe die straat heet? Museumstrasse! Terwijl daar nooit een museum is geweest.’

Belachelijk om op die plek een museum te beginnen, honen de cynici. Zodra de Rijn ook maar een beetje buiten zijn oevers treedt, kan niemand nog het pand bereiken. Anderen – de Groenen – menen dat met elke mark die wordt gespendeerd aan de prestigieuze Hildegard er één verloren gaat voor de armlastige jongerencultuur. Museumstraat 3 zou juist een prachtig adres zijn voor een geheel eigentijdse rocktempel!

Zoals de kaarten nu liggen, maakt de erfenis van Hildegard weinig kans op museaal onderdak in Bingen, en al helemaal niet voor 1998. Of de ijveraars voor een museum voor de dichter Stefan George (1868-1933), die eveneens uit de omgeving stamt, zouden een hoekje vrij moeten maken in het piepkleine onderkomen dat ze onlangs na jarenlang gesoebat toegewezen hebben gekregen.

Dat Hildegard evengoed tweedracht zaait onder haar voorsprekers, blijkt wel tijdens een korte nazit in de pastorie van de Rochuskapelle na afloop van de eucharistieviering op zondagochtend. Haar wonderlijke gaven komen ter sprake, en pastoor Von Karsenbrinck (die met een groep van veertig de Arbeitskreis zur Förderung der Hildegardtradition in Bingen vormt) doet verhaal van de genezing van de blinde jongen aan de oever van de Rijn, ten gevolge van het handje rivierwater dat Hildegard uit de losse pols in zijn gezicht gooide.

‘Dat is legendevorming’, wijst Schönfeld hem terecht. ‘Nou, het is officieel’, zegt de pastoor. ‘Het voorval wordt ook aangehaald in de papieren van de procedure die tot haar heiligverklaring had moeten leiden.’

Ook in Bingen zijn sommige aanhangers van Hildegard voor alles gelovigen, en anderen niet. Langs officiële weg is Hildegard nooit heilig verklaard; de kerkelijke ambtenaren van het bisdom Mainz die ‘haar geval’ rechercheerden in opdracht van paus Gregorius IX kwamen terug met te veel vaagheden en losse eindjes, waardoor het ontbrak aan bewijzen voor de meeste van haar wonderen. In de dagelijkse praktijk werd ze door het volk wel als heilige vereerd. Daaraan heeft ze de bijschrijving van haar naam in het Martyrologium Romanum te danken – 17 september is haar feestdag.

Op haar achtste werd Hildegard, jongste dochter van graaf Von Bermersheim in Alzey, overgedragen aan de zorg van Jutta von Sponheim, die aan het hoofd stond van de kleine vrouwenafdeling van het benedictijnse klooster op de Disibodenberg. Toen Jutta in 1136 overleed; kozen de nonnen unaniem voor Hildegard als haar opvolgster.

Even buiten het dorp Staudernheim, een half uur rijden van Bingen op de weg naar Idar-Oberstein, zijn de ruïnes van het klooster op de Disibodenberg nog te vinden. Van hier zou Hildegard met haar gevolg later naar de Rupertsberg in Bingen verhuizen. Het aantal zusters was tegen die tijd dermate toegenomen dat het onderkomen op de Disibodenberg te klein was geworden. Maar Hildegards verlangen naar een eigen klooster, onafhankelijk van het mannenklooster, was net zo goed een reden van vertrek.

Hildegard was een slimme tante die avant la lettre al van netzworking wist: ze wist uiteindelijk de hardnekkige tegenstand van de abt van de Disibodenberg, wiens toestemming ze nodig had voor de verhuisplannen, te breken dank zij tussenkomst van hooggeplaatste figuren uit adellijke en klerikale kringen. Ze bleek bovendien te beschikken over de contacten die nodig waren om van het bestaande, schamele kloostertje op de Rupertsberg de comfortabele abdij te kunnen maken die het al gauw werd: met stallen, wijngaarden, korenvelden en riante tuinen vol geneeskrachtige planten en kruiden. De abdij groeide zelfs zo —voorspoedig dat Hildegard in de loop van de jaren langzaam maar zeker ging uitkijken naar een plek voor een dependance.
Die vond ze omstreeks 1165 aan de overkant van de Rijn, in Eibingen (een stadsdeel van Rüdesheim). Twee maal. per week maakte ze vanaf die tijd de oversteek om zich persoonlijk te vergewissen van de gang van zaken aldaar. De parochiekerk van Eibingen, waar de relikwieën van de heilige Hildegard worden bewaard, markeert de plaats van het klooster. Even buiten de bebouwde kom, tussen de uitgestrekte wijngaarden, ligt de moderne abdij van St-Hildegard (van 1904) – met magnifiek uitzicht over het Rijndal. Met de historische figuur heeft het klooster weinig uit te staan, toch is het een trekpleister voor Hildegard-toeristen die in de bijbehorende boek- en cadeaushop kaarsen, wijn,
kloosterlikeur, ansichtkaarten, meditatie-suggesties van Dorothee Sölle of Hilde-gard-cd’s van de schola van het St-Hildegardklooster inslaan. Hildegard-glas-in-lood-raamversieringen kosten 320 mark*. Hildegard-beelden (staf in de ene hand en boek, perkamentrol en inktpot met veer in de andere) variëren – afhankelijk van de grootte en kleurstelling – in prijs van zeshonderd tot zestienhonderd mark.

Hildegards ‘renaissance’ is een teken van luxe, zegt H. von Racknitz, wiens vrouw de hofstede onder aan de Disibodenberg van een oom erfde, compleet met kloosterruïne boven op de berg. Zij hebben geen tijd voor het consciëntieus bestuderen van ‘de Scivias’, het dikke boek dat Hildegard ‘hier boven op de berg’ schreef, al zouden ze nog zo graag willen.

‘Alleen wie het goed gaat, heeft zoveel tijd’, zegt hij onder het inschenken van een appellikeurtje van eigen oogst. ‘En sommige mensen gaat het zo goed dat ze ziek worden en dan ineens wonderen verwachten van Hildegard. Maar er zijn ook mensen die in dialoog treden met haar geschriften en de samenhang der dingen in de wereld weer willen zien. Dat is wat we van haar kunnen leren.’

In de zomer leidt hij complete reisgezelschappen rond over het beboste plateau met middeleeuwse muurresten, dat een natuurlijk decor lijkt voor de eerste de beste Wagner-opera. Nu het koud is en een weinig sneeuw de gang naar boven bemoeilijkt, blijft hij liever beneden.

Hij wordt bovendien aanstonds aan tafel verwacht. ‘Wij zijn landlui, en landlui eten om twaalf uur.’

Recente cd’s:

Hildegard von Bingen: Voice of the Blood. Sequentia, Deutsche Harmonia Mundi 77346 2.

Hildegard von Bingen: Canticles of Ecstasy. Sequentia, Deutsche Harmonia Mundi 77320 2.

Hildegard von Bingen. Schola der Benediktinerinnenabtei St Hildegard Rüdes-heim-Eibingen, Bayer Records 100 116. Vision. The Music of Hildegard von Bingen. Angel Records 55246 21.

.

Nicole Baartman, Volkskrant 29-12-1995

.

Hildegard von Bingen [1]

Biografieën op deze blog

.

1637

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Hildegard von Bingen (1)

.

Hildegard von Bingen 1098-1179

bazuin van het levende licht

 

Hildegard von Bingen, een opvallende en intrigerende middeleeuwse vrouw. Ze was zieneres, arts, natuurkundige, dichteres en componiste.

Hildegard, een wonderbaarlijke vrouw die streefde naar liefde in de meest sublieme vorm.

De abdis Hildegard von Bingen (1098-1179) geniet in steeds bredere kring belangstelling. Het is de moeite waard de vraag te stellen naar het waarom van die ontwikkeling. Vooral sinds haar achthonderdste sterfjaar in 1979 is zij regelmatiger onder de schijnwerpers geplaatst dan voorheen en is het aantal publicaties over haar toegenomen. Voorop staat dat dit geheel en al past binnen de huidige tendens om grote vrouwen uit het verleden alsnog de plaats te geven die zij verdienen en dat er met name een groeiende belangstelling is voor creatieve en mystieke vrouwen. In niet alle gevallen blijkt wat vanuit dit streven onder het stof vandaan gehaald en opgepoetst wordt van even grote waarde. In het geval van Hildegard, die door haar tot dusver merendeels rooms-katholieke en theologisch geschoolde biografen wat in de verdrukking werd gebracht – verbijsterd als men was door zo’n veelomvattend, vrouwelijk talent – is dat zeer zeker wel het geval geweest. Dankzij een enigszins modieuze beweging is ‘een achterstand’ op algemeen cultuurhistorisch gebied ingehaald.

Tot voor kort werd Hildegard hoofdzakelijk als heilige, als Sint-Hildegardis benaderd en zelfs het meest recente onderzoek van betekenis was en is in handen van monialen, geleerde nonnen uit het Hildegardklooster te Eibingen. In tegenstelling tot hun voorgangers hebben zij ‘het erotische’ in het
wereldconcept van Hildegard niet geschuwd en daaraan aandacht gegeven in diverse toelichtingen op moderne uitgaven van haar werk. Deze ‘erotische’ levenshouding dient in de oorspronkelijke, platonische zin te worden uitgelegd. Haar vijftien boeken, driehonderd brieven, talrijke gedichten en een kleine tachtig muziekwerken getuigen in beginsel allemaal van hetzelfde: of Hildegard nu over de vissen in de Rijn, de structuur van de kosmos, een besmettelijke ziekte of muziek schrijft, zij getuigt van haar opgenomen zijn in het Al, haar verbondenheid met de oerkrachten van het leven, het mysterie dat zich in visioenen aan haar openbaart als de christelijke God, als iets dat tot haar spreekt met, zoals ze zegt ‘de stem van het levende licht’.

De muziek die zij zo van boven ‘ontvangt’ noemt ze ‘de klank van het levende licht’. Het licht klinkt in en door haar, en met deze kruising van zintuiglijke categorieën bevindt zij zich op het terrein dat wij heden ten dage omschrijven als synesthesie. Zelf noemt zij zich ‘de bazuinklank van het levende licht’. Zij is het instrument, de bazuin, die uit zichzelf niets vermag en uit zichzelf niet kan klinken en die alleen door adem (van God) geluid kan voortbrengen. Zij is in haar wezen en werk een instrument Gods. Maar wie zich de vrijheid permitteert haar niet enkel en alleen vanuit christelijke hoek te interpreteren (wat nauwelijks mogelijk is) zou voor wat dit aspect betreft ook kunnen zeggen dat ze getuigt van haar kosmische verbondenheid met de diepste essenties van het bestaan. Wat haar in de meest letterlijke zin beweegt is dus een erotische kracht, een allesomvattend en alles insluitend streven naar ‘het schone’, naar integratie, eenwording, genezing en ook naar dat wat in de zo courante term ‘heelwording’ ligt besloten. Liefde in de meest sublieme vorm.

Mystica

De hernieuwde en geprofaniseerde belangstelling voor Hildegard in kringen van de alternatieve leefgewoonten heeft haar vooral geprofileerd in haar hoedanigheid als arts en als deskundige op het gebied van kruiden. Naast dit eenzijdig gekleurde beeld werd een niet minder beperkte visie ontwikkeld van Hildegard als ‘onze eerste vrouwelijke componist’. Het is echter onjuist om haar anders te interpreteren en etiketteren dan met de enige omschrijving die al haar activiteiten (als arts, natuurkundige, briefschrijfster, dichteres en componiste) insluit, namelijk mystica.

Daarnaast is het ook van belang om te beseffen dat de al ingesleten en ten aanzien van haar ingeburgerde term componist als aanduiding van schrijver of schrijfster van muziek in de twaalfde eeuw (nog) niet mag worden gebruikt. Wat betreft haar scheppende muzikale activiteiten hoort Hildegard geplaatst te worden ‘in het beeld van haar tijd’. Dat wil in de praktijk zeggen: in schril contrast tot dat beeld en tot die context, omdat haar muziek en ook de bedoeling van haar muziek in het geheel niet past binnen welke twaalfde-eeuwse mode dan ook, of het zou de op diverse fronten groeiende hang naar verzelfstandiging, individualisering moeten zijn. Het enige dat Hildegard als ‘componist’ met haar collega’s uit haar eigen tijd gemeen heeft, met de troubadours en trouvères in Frankrijk en met de minnezanger in haar eigen land is het feit dat ook zij haar eigen teksten schrijft en dat haar muziek, althans in manuscript eenstemmig,
vocaal is geconcipieerd. Voor zover het Latijnse componere (samenstellen) op Hildegard betrekking kan hebben en voor zover ze het woord ook zelf gebruikt, duidt het op een veel bredere dan louter muzikale activiteit, namelijk het samenstellen of beter gezegd het herrstellen van een ‘oorspronkelijke’ eenheid (in Christus).

Dat Hildegard aan de muziek een zeer hoge kwaliteit toekent wanneer er van dit kosmische ‘herstel’ en op ‘de grote samenhang der dingen’ gerichte creativiteit sprake is, moet opgevat worden als heel veelzeggend. Zij noemt muziek niets minder dan ‘samenklank (symphonia) van de harmonie der hemelse openbaringen’. Zij volgt met die omschrijving eigenlijk tamelijk exact de opvatting van het begrip musica binnen het systeem van de middeleeuwse artes liberales: de zeven vrije kunsten, waarbinnen de muziek toendertijd tot het ‘wiskundepakket’ behoorde. En waarbinnen, althans wat betreft enkele aspecten ervan, de muziek gelieerd was met ‘de structuur van de kosmos’, de grote wetmatigheden die door middel van trillingsverhoudingen de hemellichamen ‘zoemend’ elkaar in evenwicht houden, overeenkomstig de in deze tijd verbreide idee van ‘de harmonie der sferen’. De diepste wetmatigheden binnen de kosmos zijn niet zichtbaar maar hoorbaar en uit te drukken in getalsverhoudingen. De kosmos klinkt en de harmonie is van een in hoge mate wiskunstige kwaliteit. De grondwet van het heelal ligt op het grensgebied van muziek en wiskunde.

Bron van jaloezie

Het is van belang om te benadrukken dat de muziek van Hildegard is geschreven vanuit een mystieke inspiratie en het is evenzeer van belang om het verband tussen mystiek en muziek, mystiek en kunst, respectievelijk mystici en kunstenaars te benadrukken. Bij allen is sprake van een verlangen naar het overschrijden van de grenzen van het ik, van een inspiratie, een receptieve, op de ‘binnenwereld’ gerichte houding en van een drang tot omvormen, transformeren van de puur zintuiglijke ervaring.

Hildegard schreef zevenenzeventig liederen en een allegorisch muziekspel (ordo virtutum: het spel der deugden) overgeleverd in diverse handschriften, waarvan een aantal alleen teksten geeft zonder aanduiding van muziek. Aan de liederen werd pas in 1913 voor het eerst enige aandacht gegeven in een facsimile uitgave ervan. Maar het echte onderzoek naar de karakteristieken van deze muziek, de transcriptie van de neumen en de vertaling van de bij de muziek horende teksten moest toen nog bijna een halve eeuw op zich laten wachten.

Een enorme vertraging werd veroorzaakt door het werk dat in de jaren vijftig verricht moest worden naar aanleiding van vele aantijgingen als zou het totale Hildegard-oeuvre een vervalsing zijn, de muziek incluis. Nadat de zusters uit het Hildegardklooster de echtheid van het werk en het auteurschap van Hildegard op wetenschappelijk onweerlegbare wijze hadden aangetoond, schaarden diverse deskundigen zich aan de zijde van de geleerde nonnen om – eindelijk – een ‘Kritische Ausgabe’ te verzorgen.

Dat het noodzakelijk is geweest om het betreffende onderzoek naar het auteurschap te doen plaats vinden is een teken aan de wand en spreekt boekdelen omtrent de argwaan die in de loop der eeuwen binnen de
wetenschapstradities is gevoeld, gekweekt en gekoesterd ten opzichte van een geniale, non-conformistische vrouw. Een vrouw die zich tijdens een groot deel van haar leven weliswaar mocht verheugen in de goodwill van de allerhoogste kerkelijke instanties, de paus en diverse bisschoppen, maar die op het niveau van haar meest directe ‘broeders’, getuige de briefwisseling met haar klerikale buurt- en streekgenoten, een bron van jaloezie en ergernis is geweest. Men zou zich in dit verband kunnen afvragen waarom niemand ooit op het idee gekomen is om de aan Hildegards allergrootste collega, de mysticus Bernardus van Clairveaux, toegeschreven werken op het auteurschap te gaan onderzoeken, of om te betwijfelen of zijn talrijke brieven eigenlijk wel echt door hem geschreven zijn.

Het is niet eenvoudig om een indruk van Hildegards muziek te geven omdat zij zich, zoals gezegd, ook wat betreft dit creatieve aspect van haar persoon nogal aan de heersende normen heeft onttrokken. De liederen, waarvan een opvallend groot aantal aan Maria is gewijd en waarvan enkele teksten erg moeilijk toegankelijk, zeer ‘hermetisch’ zijn, werden in gregoriaanse notatie overgeleverd en dragen voor een deel ook binnen het liturgische repertoire passende aanduidingen zoals antifoon, responsorium, hymne en sequens. Vaak echter vertonen deze liederen nauwelijks enige overeenkomst met wat men in strikte zin onder deze vormen placht en pleegt te verstaan.

Hildegard schreef deze melodieën ter aanvulling op de bestaande liturgische gezangen zoals die dagelijks in haar eigen klooster ten gehore werden gebracht. Het hoofdkenmerk ervan, dat door elke zelfs oppervlakkige toehorende luisteraar wordt opgemerkt, is de enorme ambitus (soms in de orde van anderhalf octaaf). Hieruit moet worden geconcludeerd dat Hildegard op de Rupertsberg te Bingen kon beschikken over een uitzonderlijk geoefend koor, en dat de zangpraktijk in haar klooster op een even indrukwekkend niveau gestaan moet hebben als de miniatuur – en schrijfkunst die – eveneens onder haar leiding – gericht was op het ‘in beeld brengen’ respectievelijk het in woorden weergeven van haar visioenen van de ‘heilsgeschiedenis’ van de mens, de oorsprong en de ondergang van het leven, de dag des oordeels, de kerk en vele andere thema’s.

Vermogen tot zien

Zoals met meer grote persoonlijkheden uit de middeleeuwen het geval is, en in tegenstelling tot wat opgaat voor vele grootheden van recenter datum, is het vrijwel onmogelijk om directe verbanden te leggen tussen Hildegards leven en haar oeuvre. Een uitzondering geldt hier voor de honderden brieven waarin zij een voortdurende dialoog voerde met talrijke, al dan niet vooraanstaande, tijdgenoten. Onder hen waren de pausen Eugenius en Anastasius, een bekend wereldheerser als Frederik Barbarossa, aartsbisschoppen, bisschoppen, maar ook veel lagere functionarissen in de klerikale of seculaire wereld. Vanuit een duidelijke behoefte aan wat wij heden ten dage zouden omschrijven als engagement maar vooral uit de roeping van ‘de stem van het levende licht’ heeft Hildegard van zich laten horen, bemoedigend, vermanend, al naar gelang de aard van de situatie.

Voor haar overige geschriften is een poging tot koppeling van haar biografie aan haar werk niet aan de orde. Wat zich hier doet gelden is onze geconditioneerdheid op premissen uit de Romantiek, waarin haast vanzelfsprekende dwarsverbindingen tussen de mens, zijn leven en zijn werk aan te geven zijn. Dergelijke dwarsverbindingen kunnen in andere cultuurtijdperken, met name de middeleeuwen, niet gemaakt worden. Dit houdt echter niet in dat er in het leven van Hildegard geen hoogtepunten aan gegeven kunnen worden, of dat haar biografie niet de moeite waard zou zijn. Integendeel, maar hij staat los van haar geestelijke nalatenschap. De enige, zeer belangrijke melding van biografische aard in haar eigen tekst is te vinden in het begin van haar visioenentrilogie die opent met het Liber Scivias, het boek ‘ken de wegen’, waar zij zegt dat zij tweeënveertig jaar en zeven maanden oud was toen ‘de hemel openbarstte in een vurig licht’, en toen zij, in een flits de diepste betekenissen van de christelijke doctrine doorschouwde. In diverse brieven meldt zij echter dat zij dit vermogen tot zien al vanaf haar kinderjaren bezat. Het beangstigde haar omdat zij – hier bedient zij zich wellicht van een cliché – immers ononderwezen en ongeletterd was, te meer nog beklagenswaardig’ in haar hoedanigheid als vrouw’, zodat zij zich als het ware verpletterd voelt door ‘het weten’ dat tot haar doordringt vanuit de hemel.

Met nadruk herhaalt ze in brieven, onder meer aan Bernardus van Clairveaux, dat ze bij dit proces van zien nooit in extase is, maar geheel bij zinnen. Ze ziet slapende en wakende, zegt ze; zowel overdag als ’s nachts. Ze ziet niet met haar lichamelijke ogen, maar met de ogen van haar ziel. Als een verterende vlam beroert het vermogen haar ziel, en wat haar aldus ‘overkomt’ is zó overweldigend dat het haar ziek maakt, of ook klachten aan haar ogen bezorgt die pas verdwijnen wanneer ze aan haar opdracht om neer te schrijven wat ze zag, voldaan heeft. De gedeeltelijke blindheid waarvan ze melding maakt moet misschien in overdrachtelijke zin worden geïnterpreteerd: ze is ziende blind…

De Kosmosmens, visioen van Hildegard von Bingen. Hildegard zelf zit links
onder.
.

Bloeiend klooster

Wanneer men probeert Hildegard te vergelijken met andere mystici uit de loop der tijden ofwel zich tracht te bezinnen op de vraag waarom zij een mystica genoemd moet worden dan is opvallend dat zij in tegenstelling tot vele collega’s nergens getuigt van een ontmoeting, een metafysisch of lichamelijk beleven van de goddelijke aanwezigheid. Hildegard voelt zich bovenal kosmisch instrument: het goddelijke spreekt in haar en door haar terwijl ze daarvan zelf deel uitmaakt.

Seksuele aspecten die bijvoorbeeld bij de dertiende-eeuwse Hadwijch of de zestiende-eeuwse Teresa van Avila een rol spelen in het ondergaan van een confrontatie met een goddelijk persoon, spelen bij Hildegard geen rol. Zij is niet minder extatisch van toon in het registreren van haar ‘beelden’, die voor ons nauwelijks nog zijn te verstaan dan haar mystieke zusters, maar zij baadt minder in lichamelijke gevoelens, is rationeler. Ze legt zo helder mogelijk getuigenis af en voegt daarbij – wat geheel uniek is – ook nog eens de uitleg die ‘de stem van boven’ haar geeft omtrent haar visioenen. Een uitleg die ons weinig verder helpt in het werkelijk doorgronden van wat zij ziet. Om deze tekens, acht eeuwen geleden geschreven en geschilderd, beter te verstaan dan nu mogelijk is, zou een diepgaand, gecombineerd iconologisch-dieptepsychologisch onderzoek moeten worden verricht. Zolang dit niet is geschied, is een niet door theologische condities bepaalde verklaring van Hildegards visioenen onmogelijk, hoe intrigerend ze ook zijn wanneer de leek er voor het eerst mee geconfronteerd wordt.

Een van de meest in het oog springende biografische feiten is gelegen in de moeizame wijze waarop zij zich, alweer gedreven door ‘de stem’, met de onder haar gezag ressorterende nonnen los maakte van het mannelijke kloostergezag. Rond 1150 besloot zij een zelfstandig vrouwenklooster te stichten en verliet de mannelijke Benedictijnen voor wie haar nonnen land dienden te bewerken. Met hulp van de aartsbisschop van Mainz (opvallend is, zoals gezegd, dat Hildegard vrijwel steeds de hogere clerus aan haar zijde weet te krijgen en met de lagere conflicten heeft) verwerft zij landerijen te Bingen. (De voormalige ‘standplaats’ van haar vrouwenafdeling was het klooster op de Disibodenberg, nabij Böckelheim.) Na deze escapade en vooral nadat het Hildegard is gelukt om met haar bloeiende klooster in het middelpunt van de belangstelling te komen, blijven er spanningen tussen de kloosters te Disibodeberg en Rupertsberg. Vanuit de voormalige vestigingsplaats van de vrouwelijke monialen blijft de abt proberen hen weer onder zijn gezag terug te krijgen.
Zonder succes.
Hildegard zoekt zelfs nog verdere expansie. Een aantal jaren na de conflictueuze kloosterverhuizing annexeert zij leegstaande gebouwen, oorspronkelijk bezit van Augustijner monniken, aan de andere kant van de Rijn te Eibingen en sticht daar een soort filiaal dat zij wekelijks te paard bezoekt. Het is dit klooster te Eibingen waar het voornaamste Hildegardonderzoek nog steeds in volle gang is en het zijn de hier wonende en werkende nonnen die haar werk al gedeeltelijk uitgaven, haar muziek transcribeerden, op de plaat uitbrachten en die, naar het zich laat aanzien ook in de komende jaren in het Hildegardonderzoek althans in veelzijdigheid niet voor hun voorgangster zullen onderdoen.

Literatuur: Hildegard, een vrouwelijk genie in de late middeleeuwen. – Etty Mulder. Uitg. Ambo.
.

Etty Mulder, Jonas 5, 29-10-1982

.

Biografieënalle biografieën

.

1136

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.