Tagarchief: Elisabeth Kübler Ross

VRIJESCHOOL – Biografieën – Elisabeth Kübler Ross

.

Elisabeth Kübler Ross

Mijn vader* stierf toen ik zestien was. Onvoorbereid, onbewust, beleefde ik aanvankelijk een gevoel van bevrijding, en dan bedoel ik de bevrijding die hij beleefde om verlost te zijn van zijn zieke lichaam. Toen daarna de pijn en het verdriet van het gemis kwamen, wist ik daar geen raad mee. Flink zijn en niet huilen was het devies waarmee ik was groot gebracht. Jaren later vertelde ik met veel tranen het hele verhaal aan iemand die niet bang was om ‘pijnlijke’ vragen te stellen, en daarmee begon het bevroren verdriet te ontdooien. Daarna begon ik te lezen over sterven, het rouwproces. Het baanbrekende boek van Elisabeth Kübler Ross ‘Lessen voor levenden, gesprekken met stervenden’ heeft toen al veel voor mij betekend. Door het lezen en nadenken over zowel de praktische problemen (‘Moet ik de zieke vertellen dat hij stervende is?’) als de spirituele betekenis van de dood was ik veel beter voorbereid toen mijn moeder binnen drie maanden overleed, waardoor wij haar zo goed mogelijk konden begeleiden tot aan de poort van de dood. Werkende met rouwgroepen (dit zijn kleine groepen waarin mensen die hun partner of kind hebben verloren elkaar helpen om hun rouwproces, hun gevoelens te uiten, te herkennen en te accepteren) bleef ik met de vraag rondlopen hoe een synthese te vinden tussen het emotionele niveau in ons, dat vol tegenstrijdige gevoelens kan zitten van woede, angst, schuld en nog veel meer, en het spirituele niveau waarin we weten dat de dood de poort is naar de geestelijke wereld, waarin we onze dierbaren met vertrouwen kunnen laten gaan en waarbij het gevoel van bevrijding en diepe verbondenheid hoort, dat we kunnen voelen als we kijken naar het gezicht van iemand die pas gestorven is. Ontzag ook voor een groot mysterie waar je niet bang voor hoeft te zijn en wat op een wonderlijke wijze doet denken aan een geboorte.

Op zoek naar die synthese nam ik samen met ongeneeslijk zieke mensen, ouders die een kind verloren hadden, artsen, huisvrouwen, verpleegkundigen enzovoort, deel aan een vijfdaagse workshop die Elisabeth Kübler Ross enkele maanden geleden* hier in Nederland hield. Zij heeft ons die synthese voorgeleefd door beide niveaus in ons onvoorwaardelijk te accepteren en door ons veel te vertellen van haar eigen ervaringen.

Drieling

Elisabeth Kübler Ross wordt op 8 juli 1926 in Zwitserland geboren als een van een drieling. Erika en zij zijn identiek en piepklein, het zusje Eva heeft een normaal gewicht en ziet er heel anders uit. Zeer tegen de zin van de ziekenhuisstaf neemt moeder de kindertjes mee naar huis om ze zelf te voeden, dag en nacht om de twee uur, dus aan slapen komt zij nauwelijks toe. Het mondje van Elisabeth is te klein om bij haar moeder te kunnen drinken en daarom wordt zij met een poppenzuigflesje gevoed.

Als de drieling opgroeit trekken zij met hun gelijke kleertjes sterk de aandacht. Erika en Elisabeth lijken zó op elkaar dat zelfs de ouders ze vaak niet uit elkaar weten te houden. De kindertjes worden overal aangestaard en zelfs gebruikt voor reclame. Elisabeth trekt een knoop van haar jurk om het gemakkelijker te maken haar te herkennen. Wat is zij blij als iemand haar bij haar eigen naam noemt.

Het gezin (er is nog één ouder broertje) is hecht, vrolijk en gezellig. Het chalet waar zij wonen staat op een zonnige helling, de tuin is groot, de alpenweiden vlakbij, ’s Zomers ruikt het naar hooi en ’s winters naar houtvuren. Binnen is alles netjes op z’n plaats, alles glimt en glanst, de geraniums bloeien op het balkon. Vader gaat elke dag met de trein naar Zürich (hij zit in de handel) en moeder wijdt al haar energie aan het huishouden en de moestuin. De kinderen werken vanzelfsprekend mee, de regels zijn duidelijk en er wordt absolute gehoorzaamheid verwacht. Omdat Elisabeth eigengereider en brutaler is dan haar zusjes, krijgt zij heel wat keren een pak slaag met de mattenklopper. Vieze voeten op het kleed of ruzie maken wordt gestraft met opsluiting in de kelder, een straf die Elisabeth welgemoed ondergaat want zij is graag alleen, zodat zij haar fantasie de vrije loop kan laten. Maar vader die zo streng kan zijn, blijft nooit lang boos. Vaak gaat hij dan aan de piano zitten en met zijn mooie bas zet hij een loflied op de bergen in, en al gauw zingt het hele gezin mee. Er wordt trouwens heel veel gezongen, vooral met Kerstmis, wat ieder jaar weer een hoogtepunt is, met de echte kaarsjes in de boom en het heerlijke gebak van moeder.

Als vierjarig kind is Elisabeth zó onder de indruk van een boek over Afrika, dat zij een taaltje bedenkt dat voor haar Afrikaans is en dat haar zusjes ook leren. Vlak na haar vijfde verjaardag komt een groep Afrikanen muziek maken in Zürich. Elisabeth weet ongezien met de trein mee te rijden en geniet intens van de Afrikaanse drums. Thuisgebracht door een familielid, die het verbaasde kind gevonden heeft, krijgt zij een flink pak slaag. Kort daarop krijgt zij een ernstige longontsteking. Wekenlang zweeft zij tussen leven en dood, achter glas geïsoleerd, samen met een stervend meisje van zeven jaar. Hoewel zij de kracht niet hebben om veel te praten is het gevoel van verbondenheid tussen de twee kinderen groot en wanneer het andere meisje sterft heeft Elisabeth daar vrede mee, hoewel zij de angst ziet in de ogen van de volwassenen. Uiteindelijk komt haar vader naast haar liggen om haar wat van zijn eigen bloed te geven. Met zijn krachtige warme stem belooft hij haar een negerpopje wanneer zij weer beter is. Dat wordt voor haar een begin van herstel, en na enkele weken keert zij naar huis terug met het negerpopje in de armen, het mooiste cadeau dat zij ooit gehad heeft en eindelijk iets wat haar zusjes niet precies hetzelfde hebben.

Omdat Eva veel contact heeft met moeder en Erika veel met vader voelt Elisabeth zich vaak eenzaam. Dan gaat zij naar haar konijntjes die zij knuffelt en streelt. Zo af en toe moet zij een van haar konijnen naar de slager brengen, buiten wachten, en het pakje vlees weer mee terug nemen. Onbeschrijfelijk is haar verdriet wanneer de slager haar vertelt dat haar zo juist geslachte lievelingskonijn over een paar dagen jonkies gehad zou hebben.

Elisabeth is een mager en erg actief kind, onmiddellijk fel partij kiezend voor ieder die in een onderdrukte positie verkeert. De dominee, die zijn eigen kinderen zo slaat dat zij nauwelijks kunnen zitten, maakt haar zo woedend, wanneer hij Eva onterecht straft, dat zij hem haar gebedenboek naar het hoofd slingert.

Van heel jongs af aan geniet Elisabeth intens van de schoonheid van de natuur, en zij deelt deze liefde met haar vader. Actiever en energieker dan haar zusjes, maakt zij met haar vader bijna ieder weekend grote bergtochten, van hütte naar hütte klimmend, ’s winters skiënd. Er is een rots, door bos omgeven die niemand ziet en waar Elisabeth vaak naar toe gaat, dat is haar ‘heilige plaats’ en spontaan strekt zij haar armen omhoog naar de zon in een soort ritueel dat voor haar volkomen natuurlijk is.

Dan komt de oorlog en Elisabeth hoort over de radio van de inval van de Duitsers in Polen en zij doet zichzelf de plechtige belofte dat zij de Polen zal gaan helpen zodra zij dat kan.

Wanneer de meisjes zestien zijn, beslist vader over hun verdere opleiding. Elisabeth mag bij hem in de zaak een opleiding in de handel volgen. Dat is het laatste wat zij wil, zij wil arts worden. Duidelijk zegt zij ‘nee’, woedend stuurt vader haar het huis uit, moeder helpt haar een dienstje te zoeken bij een weduwe in Frans-Zwitserland en enkele dagen later verlaat ze dapper het ouderlijk huis.

Bij de weduwe heeft zij een afschuwelijke tijd. Zij moet werken van ’s morgens zes tot ’s avonds twaalf. Zij besluit de dag met het brengen van een kopje thee naar mevrouw en haar minnaar. De drie kinderen, waar zij voor moet zorgen, betekenen tenminste nog een beetje menselijke warmte. Zij krijgt zo weinig te eten dat zij vaak staat te zwaaien op haar benen, maar haar trots verbiedt haar om hierover ook maar te reppen in haar opgewekte brieven naar huis.

Na een paar maanden geeft mevrouw een groot diner. Na de afwas zit Elisabeth uitgeput aan de keukentafel de restjes op te eten als een vriendelijke oude man binnen komt, die zich voorstelt als professor Fouché. Belangstellend vraagt hij wat een intelligent meisje als zij hier doet. Met trillende lippen vertelt zij hoe zij hier terecht is gekomen en dat zij eigenlijk medicijnen wil studeren. Hij geeft haar zijn naamkaartje en belooft haar te helpen een baantje te vinden als laboratoriumassistente.
Vijf dagen later vertelt madame haar dat professor Fouché is gestorven.

Op kerstavond wordt een grote kerstboom gebracht en Elisabeth helpt de kinderen met versieren. Als madame dat ziet stuurt zij Elisabeth streng terug naar de keuken. Dit is voor Elisabeth de laatste druppel en zij besluit weg te lopen, maar zij heeft maar een paar francs. Diep in de nacht verlaat zij stilletjes het huis en kan nog net een kaartje naar Genève betalen, waar zij een zuster van madame opbelt die haar in huis neemt, verkleumd en hongerig.

Werkkampen

Eenmaal weer thuis blijft Elisabeth weigeren om bij haar vader te komen werken. Vader geeft toe en zij gaat werken als laboratoriumassistente in de afdeling dermatologie van het ziekenhuis. Zij is net achttien als daar, ten gevolge van de invasie in Normandië, een niet aflatende stroom vluchtelingen uit Frankrijk aankomt, die juist in haar afdeling ontluisd en opgevangen moet worden. Zij werkt van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat en voelt zich in haar element. Na een paar weken is zij zo bleek en mager dat haar ouders haar verbieden op zondag ook nog te gaan werken. Zij bedenkt een smoes, zegt dat zij naar haar vrienden gaat, gaat tóch naar de vluchtelingen en zegt later thuis: ‘dat zijn toch mijn vrienden?’

Na de oorlog is haar verlangen om te helpen in de getroffen gebieden zo sterk dat zij de professor, voor wie zij werkt, vraagt haar verlof te geven de hele zomer weg te gaan. Zo werkt zij enkele jaren achter elkaar ’s zomers in werkkampen in Frankrijk, België en Polen. In die kampen ontmoet zij jongens en meisjes uit alle landen die gedreven worden door hetzelfde idealisme en dezelfde werkkracht. Elisabeth werkt meestal als kok, en wat is het moeilijk om iedere dag weer wat eten bij elkaar te scharrelen, ’s Avonds zingen zij om het kampvuur volksliedjes uit de verschillende landen.

In Polen bezoekt zij het concentratiekamp Maidanek. Het eerste wat zij ziet is een wagon, vol met schoentjes van kinderen die vergast zijn. Door de verlaten barakken dwalend staart zij ontroerd naar de wanden die vol gekrast zijn met laatste boodschappen. Tot haar verbazing ziet zij dat er talloze vlinders getekend zijn, voor haar het symbool van hoop en bevrijding. (Later zal zij, aan het bed van een doodziek kind zittend, vaak een tekening van een vlinder maken en vertellen hoe die vlinder de hemel in vliegt, terwijl hij de cocon als een lege huls achterlaat). Die zomer in Polen werkt zij met twee meisjes in een soort eerste-hulp-post en elke dag verzamelen zich tientallen uitgehongerde mensen voor het schamele hutje om hulp te vragen aan de ‘dokters’, maar de hulpmiddelen en medicijnen zijn volslagen ontoereikend.

Op een nacht ligt Elisabeth buiten te slapen. Zij wordt wakker van een zacht kreunen. Naast haar zit een moeder met haar doodzieke kind op schoot. De moeder vertelt dat zij drie dagen en twee nachten met haar driejarige Janek op de arm is komen lopen om de hulp te vragen van de ‘dokter’. Elisabeth herkent meteen aan de hoge koorts en de raspende ademhaling de symptomen van tyfus en verdrietig zegt zij dat zij niet helpen kan, zij hebben geen medicijnen.

Na een lange stilte zegt de moeder: ‘Dokter, je moet het leven redden van dit kind want hij is de laatste van mijn dertien kinderen. Janek is de enige die de gaskamers van Maidanek heeft overleefd’.
De enige hoop is het ziekenhuis in Lublin, dertig kilometer verder. Samen gaan zij op weg, om de beurt het kind dragend. Als zij eindelijk het ziekenhuis bereiken weigert de dokter het stervende kind op te nemen. In een mengelmoes van Duits en Pools schreeuwt Elisabeth hem woedend toe hoe onmenselijk zij hem vindt en de dokter geeft toe. Over drie weken kan de moeder terug komen, het kind zal dan óf begraven zijn, óf gered. Terug in de kliniek werkt de moeder mee en ’s nachts slapen zij onder dezelfde deken. Na drie weken is zij weg. Na nog een week vindt Elisabeth bij het ontwaken een zakdoek met aarde. Er is een briefje bij: ‘van de moeder van Janek, het laatste kind van de dertien, dat jij gered hebt, een beetje gewijde Poolse aarde.’

Aan het einde van de zomer gaat Elisabeth op weg naar huis. Een militair vliegtuig heeft opdracht haar mee te nemen naar Berlijn, een belangrijke Zwitserse, die opvallend goed werk heeft gedaan in Oost-Europa’.
Ze kijken wel verbaasd als een kinderlijk meisje in versleten kleren, en met al haar bezittingen in een rugzakje, aan boord stapt. In Berlijn moet zij de ‘muur’ passeren, en een moedige vrachtwagenchauffeur vouwt haar op in een kistje, timmert het deksel dicht en adviseert haar niet te ademen als er controle komt. Na acht uur mag zij uitstappen maar zij kan zich niet meer bewegen. Die nacht krijgt zij tyfus, ligt doodziek in een bos, verliest telkens het bewustzijn. Een oud sprokkelvrouwtje vindt haar. In een ziekenhuis zweeft zij tussen dood en leven, na een maand zet de dokter haar zelf op de trein naar Basel.

Het volgende jaar gaat Elisabeth weer naar een werkkamp dit keer in Italië (‘als je maar niet in je hoofd haalt om naar een land achter het ijzeren gordijn te gaan’ waarschuwt haar vader haar). Iets eerder terug dan verwacht, wordt Elisabeth gevraagd twee kinderen naar Warschau te brengen. Zij vertrekt meteen, laat een briefje thuis achter. Na een paar dagen komt zij terug, vrolijk trekt zij aan de bel, maar haar vader gooit de deur or haar neus dicht, woedend dat zij
ongehoorzaam is geweest. Zij is dan 22 jaar. Verbijsterd zwerft Elisabeth over straat. Dan ontmoet zij haar vriendin Cilly, die juist nog een klein kamertje weet in het huis waar zij zelf ook een kamer huurt. De volgende ochtend, als vader weg is, haalt Elisabeth wat van haar spulletjes op. Moeder huilt, maar kan niet tegen vader op; hij eist van Elisabeth een excuus. Elisabeth kan dat niet want zij heeft voor haar eigen geweten niets fout gedaan. Trouwens, zij vindt het heerlijk om op eigen benen te staan en niet langer als een klein kind gecommandeerd te worden.

Medicijnenstudie

Haar droom om medicijnen te studeren is sterker dan ooit. Maar zij heeft geen geld en geen eindexamen. Na een jaar sparen kan zij de opleiding volgen voor het examen. Overdag werkt zij acht uur in een oogkliniek.
’s Nachts leert zij. Na een jaar slaagt zij voor het examen, en vader neemt haar weer in genade aan: ‘die Elisabeth is wel jong, maar ze is net zo koppig en taai als ik!’
Toch moet zij haar hele medische studie zelf betalen, en zo leeft zij de komende jaren: overdag een baan, ’s nachts studeren. Intussen hebben Elisabeth en haar vriendin Cilly heel wat gezellige avonden waarop zij vaak buitenlandse studenten uitnodigen en er wordt heel wat muziek gemaakt en gezongen. Maar voor ‘vriendjes’ heeft Elisabeth geen tijd. Tot zij in de snijzaal Emanuel Ross leert kennen, een Amerikaan die in Zürich studeert. Aan het eind van hun studie is hun vriendschap zo hecht dat zij willen trouwen. Maar hun beeld van de toekomst is totaal verschillend. Elisabeth wil naar ‘donker Afrika’, in de voetsporen van Albert Schweizer. Manny piekert daar niet over, hij wil terug naar Amerika. ‘Ik ga niet naar Amerika’, zegt Elisabeth, ‘nooit, nooit, nooit’. De beslissing wordt uitgesteld omdat zij een jaar eerder afstudeert dan Manny. Zij geniet ervan om een huisartsenpraktijk te doen op het platte land. In die tijd groeit het gevoel in Elisabeth dat zij, ondanks haar persoonlijke antipathie, naar Amerika geleid wordt en dat het haar daar ook duidelijk zal worden waarom.

Getrouwd vertrekken Manny en Elisabeth naar New York. Elisabeth vindt het er vreselijk. Cocktail-parties, plastic kerstboomlichtjes, opgemaakte verpleegsters die over het hoofd van de patiënt heen babbelen over hun vriendjes, vervullen haar met ontzetting. Zij besluit zich te specialiseren in kindergeneeskunde, en zij wordt aangenomen op voorwaarde dat zij de eerste twee jaar geen kinderen zal krijgen. Wanneer zij zwanger blijkt te zijn gaat het plan niet door, en krijgt zij een baan in een oud vervallen psychiatrisch ziekenhuis. Wanneer zij enkele weken later een miskraam krijgt is haar leven tóch door dit ongeboren kind in de richting van de psychiatrie geleid.

Het lijkt een wanhopige opgave om op te roeien tegen de stroom van vuil, verwaarlozing, shock en chemische therapie, maar uiteindelijk lukt het haar het vertrouwen van de staf en de patiënten te winnen en weet zij talloze hervormingen door te voeren.

In de volgende jaren krijgen Elisabeth en Manny twee kinderen, Kenneth en Barbara. Een lief meisje uit Zwitserland, dat bij hen inwoont, neemt de zorg voor de kinderen over wanneer Elisabeth werkt.

Wanneer zij een paar jaar later als psychiater in een groot ziekenhuis in Chicago werkt, trekt zij zich meer en meer het lot van de ongeneselijk zieke patiënten aan; zij is diep verontwaardigd over de kille en onmenselijke manier waarop stervende mensen alleen worden gelaten. Eenzaam liggen zij daar, omringd door de knapste apparatuur, worstelend met hun angst, hun onzekerheid, hun zorgen. Als Elisabeth rustig naast hen komt zitten en vraagt: ‘hoe gaat het nou eigenlijk?’, voelen de patiënten dat hier een mens is die niets gek vindt en die zelf niet bang is en die rustig de tijd neemt om naar hen te luisteren. Wanneer zij dan vraagt of de mensen het goed vinden om de studenten in de collegezaal mee te laten luisteren, zodat zij kunnen leren wat er in een ernstig zieke omgaat, stemmen de meesten daarmee in. En zo praat zij met honderden stervende mensen, terwijl de studenten en verplegenden in een propvolle zaal achter een screen (een spiegel waar je van één kant doorheen kan kijken) ademloos luisteren.

Na het gesprek geeft Elisabeth alle aandacht aan de gevoelens van de toehoorders en praat zij met hen over hun vragen. De patiënten vertrouwen haar en houden van haar omdat zij een echte band met hen heeft en erg veel voor hen over heeft. Zo gaat zij, na een lange dag hard werken, altijd nog even bij de stervende mensen langs. Zij weet dat ’s nachts, zo tussen 12 en 4 uur de eenzaamheid het grootst is, en heel wat nachten heeft zij aan het bed van een zieke gezeten. ‘Als je me nodig hebt, kan je me altijd roepen’, en zo is zij dan ook werkelijk daar, als het moment van sterven is aangebroken.

Reportage

Op een dag vraagt een team van het tijdschrift ‘Life’ of zij een reportage mogen maken van een gesprek met een stervende. Als de oude man, die had toegezegd mee te werken, die nacht gestorven blijkt te zijn, vraagt Elisabeth een jong meisje, Eva, die aan leukemie lijdt. Het artikel met de foto’s van Eva, die zo rustig over haar naderende dood praat, roept een storm van reacties op. De artsen in het ziekenhuis, van wie Elisabeth tóch al niet veel collegiale steun had gekregen, zijn woedend, en één zegt verbitterd: ‘Ik had gehoopt dat ons ziekenhuis beroemd zou worden om de uitstekende geneeswijze van kanker, en nu maakt zij ons beroemd om onze stervende patiënten!’ Zij verbieden dat patiënten nog langer ‘voor publiciteit’ mogen worden gebruikt, en daardoor wordt het verdere werk eigenlijk onmogelijk gemaakt.

Aan de andere kant heeft het artikel tot gevolg dat duizenden mensen over heel Amerika gegrepen worden, hun situatie herkennen en eindelijk iemand vinden die hun verdriet zal begrijpen, die ze om raad kunnen vragen. Het taboe rond de dood is doorbroken. In een stroom van brieven storten de mensen hun hart uit, nodigen haar uit voor lezingen, vragen haar hun stervende familieleden te bezoeken. En zo wordt zij van de ene dag op de andere een beroemdheid, altijd op weg om volle zalen toe te spreken, om werkbijeenkomsten te leiden. Tussendoor vindt zij het heel normaal om uren in het vliegtuig te zitten om iemand in de laatste uren bij te staan. Haar privéleven, (en zij vindt het zó heerlijk om thuis te zijn) heeft zij volkomen opgeofferd voor de vragen om hulp, die als een constante stroom op haar afkomen. Alleen de zondag tracht zij voor zichzelf te houden.

Het meeste aandacht geeft Elisabeth de laatste jaren aan stervende kinderen. Zij helpt de ouders om hun kind zo mogelijk uit het ziekenhuis te halen en thuis te verplegen, liefst in de huiskamer, voor het raam en met de poes op bed.

Voor Elisabeth is de hulp vanuit de geestelijke wereld heel reëel en heel nabij. Zij vertelt daar graag over. Op een keer stond zij op een vliegveld op het punt om de controle door te gaan, toen een jong echtpaar haar achterna kwam rennen en om een gesprek vroeg: zij hadden zojuist gehoord dat hun kind kanker had. Elisabeth denkt: ‘O, had ik maar één uur om met deze mensen te praten!’ en op dat moment zegt een stem door de luidspreker: ‘Het vliegtuig van San Francisco heeft één uur vertraging.’ En zo zijn er talloze voorbeelden: een vliegtuig dat niet kan landen vanwege de mist, brengt haar juist op die plaats waar zij op dat moment erg nodig is, zij krijgt geld als zij niets meer heeft (zij vraagt nooit één cent van de patiënten),‘toevallige’ ontmoetingen blijken een belangrijke betekenis te hebben.

Honderden, duizenden mensen heeft Elisabeth begeleid tot aan de poort van de dood. Zij kan met haar volle bewustzijn door die poort heen gaan. Zo weet zij dat ieder mens aan de andere kant ontvangen wordt door diegene die voor hem of haar het meest betekent. Dat zal voor de één Christus zijn, voor de ander de eigen beschermengel, of iemand waarmee je je heel diep verbonden voelt, een dierbaar familielid of een goede vriend. Zij zegt dit met zo’n grote zekerheid dat er een diepe troost vanuit gaat voor allen die hier achter blijven.

*Bepke Engelhard, Jonas 3, *02-10-1981

Boeken van Elisabeth Kübler Ross:

Lessen voor levenden, gesprekken met stervenden;
Intens leven en sterven
Over de dood en het leven daarna
Over rouw
Levenslessen
Dood;
Leven tot we afscheid nemen.
De cirkel van het leven

Elisabeth Kübler Ross

.

Biografieën op deze blog

Vertelstof: alle artikelen

.

1627

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

Advertenties