Categorie archief: vrijeschool pedagogie

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het leerplan van klas 1

.
Voor een goed begrip van het leerplan, de leerstof e.d. is het zeer aan te bevelen de artikelen: Rudolf Steiner over het leerplan en Rudolf Steiner over het kind, de leerkracht, ontwikkeling, lesstof en leerplan eerst te lezen.

In de pedagogische voordrachten GA 293 – 311 is relatief maar weinig meegedeeld over de leerstof op zich. Veelal wordt de leerstof besproken in samenhang met de ontwikkeling van het kind.
Uit deze voordrachten volgt hier wat er over de leerstof van de 1e klas kan worden gevonden.

LEERSTOF VAN KLAS 1

Boetseren

klas 1 -6:
Da setzen wir noch fort, durchaus auch immer zu plasti­schen Formen hinführend, indem wir uns des Plastilins bedienen -wenn es zu haben ist; sonst kann man irgend etwas anderes benützen, und wenn es Straßenkot wäre, das macht nichts! -, um auch Formen­anschauung, Formenempfindung hervorzuholen.

Dan komen we ook nog bij plastische vormen en gebruiken we boetseerklei — als we dat tenminste kunnen krijgen, anders kan men iets anders gebruiken, desnoods modder, dat doet er niet toe! — om een voorstelling van en een gevoel voor vorm op te roepen.
GA 295/169
Vertaald/155

Heemkunde

Nun wird man zu dem eben Gesagten dasjenige hinzufügen, was das Kind anregen kann zum Nachdenken, indem man ihm Naheliegendes erklärt: dasjenige, was später geordneter auftreten soll in Geographie, in Naturgeschichte. Das erklärt man ihm, bringt es seinem Verständnis nahe, indem man an Bekanntes – an bekannte Tiere, an bekannte Pflan­zen, an bekannte Bodenkonfigurationen, an Berg, Fluß, Wiese – anknüpft. Die Schule nennt das Heimatkunde. Aber es handelt sich dar­um, daß man gerade im allerersten Schuljahr ein gewisses Aufwecken des Kindes gegenüber der Umgebung zustande bringt; ein Aufwecken des Seelischen, so daß es lernt, sich selber wirklich zu verbinden mit der Umgebung.

Aan dit alles voegt men dan nog toe datgene wat het kind kan aanzetten tot nadenken, doordat men vertrouwde elementen van de omgeving verklaart: dat wat later in de geografie, in de natuurlijke historie geordend behandeld wordt. Dat legt men uit, dat maakt men begrijpbaar, door uit te gaan van bekende dingen: bekende dieren, bekende planten, bekende bodemgesteldheden zoals berg, rivier en weide. Dat heet heemkunde op school. Maar het gaat er daarbij om, dat men juist in het allereerste schooljaar de kinderen in zekere zin wakker maakt voor de omgeving, dat de ziel gewekt wordt, zodat het kind leert zich werkelijk met de omgeving te verbinden.
GA 295/156
Vertaald/144/145

Euritmie en gymnastiek in ’t algemeen

Herausgeholt werden muß nun aus allem übrigen Künstlerischen das Turnen und die Eurythmie. Aus dem Musikalischen, und auch aus dem sonstigen Künstlerischen, muß das Turnen und die Eurythmie herausgeholt werden.

De gymnastiek en de euritmie moeten afgeleid worden uit de rest van het kunstzinnige. Uit de muziek en ook uit de andere kunstzinnige gebieden moeten de gymnastiek en de eurtimie worden afgeleid.
GA 295/173
Vertaald/158

Nun kommt uns im offiziellen Lehrplan eines zugute: da ist in den ersten drei Schuljahren überhaupt kein Turnen. Da beginnen wir also mit der Eurythmie. Und da wäre es schon sehr schön, wenn im ersten Schuljahre namentlich Eurythmie im Einklang mit dem Musikalischen getrieben würde, so daß tatsächlich die Anpassung an Geometrie und Musik in der Eurythmie besonders gepflegt wird.

Nu komt het officiële leerplan ons in één opzicht tegemoet: in de eerste drie jaar is er helemaal geen gymnastiek. Dan beginnen wij dus met euritmie. En het zou dan heel mooi zijn wanneer in de eerste klas vooral euritmie in harmonie met de muziek gegeven wordt, zodat er in de euritmie werkelijk een aanpassing tot stand komt aan geometrie en muziek.
GA 295/176
Vertaald/161

Es ist ein eigentliches Turnen für die zwei ersten Klassen verfrüht, dagegen sollten systematische Spiele mit ihnen getrieben werden. Dieses systematische Spielen müssen wir, sobald wir Luft atmen können, doch einführen, so daß in der 3. Klasse der Übergang gemacht werden könnte vom Spielen zum eigentlichen Turnunter­richt. Bewegung müssen die Kinder haben, richtige Bewegung.

Voor de eerste twee klassen is gymnastiek te vroeg, daarentegen moeten er bestaande spelen met hen worden gedaan. Deze spelen moeten we, zo snel mogelijk invoeren, zodat we in de 3e klas de overgang kunnen maken van het spel naar het eigenijke gymnastiekonderwijs, De kinderen moeten beweging hebben, echte beweging.
GA 300B/219
Niet vertaald

Unter Spielen verstehe ich Bewegungs­spiele.

Onder spel versta ik bewegingspel.
GA300B/220
Niet vertaald

Muziek

Dabei würde zu Hilfe kommen dasjenige, was ja im weiteren dann zu besprechen ist: jene Elastizität und Gefügigkeit, welche das Kind sich aus dem Gesangsunterricht heraus für seine Sprachorgane aneignen
wird, und es wird sich, ohne daß man das beabsichtigt, eine feinere Empfindung für gedehnte, geschärfte Laute und so weiter ergeben. Es braucht das gar nicht im Musikalischen beabsichtigt zu werden, wenn das Kind in das gehörmäßige Verständnis desjenigen eingeführt wird, was das Instrument im Musikalischen hervorbringt, zunächst in ein­facher und für das Gehör – wenn ich jetzt das Wort bilden darf, weil man ja doch nicht sagen kann «übersichtlich» – in «überhörlicher» Weise; man wird verstehen können, was ich meine: «überhörlich» ist dasjenige, was nun wirklich innerlich als eins in dem vielen erlebt wird, so daß sich einem nicht die Dinge überstürzen im inneren Aufnehmen.

Daarbij zou men gesteund worden door datgene wat verder nog besproken moet worden: die elasticiteit en soepelheid die het kind zich voor zijn spraakorganen eigen zal maken via het zingen. Zonder dat men daar nu specifiek op uit is, zal er een fijner gehoor voor lange, voor stemloze klanken enzovoort ontstaan. Dat hoeft helemaal niet een doel in de muzieklessen te zijn, het gebeurt vanzelf wanneer het kind luisterend begrip krijgt voor wat het instrument in de muziek voortbrengt. Dat gaat eerst op een eenvoudige en voor het gehoor – als ik nu een nieuw woord mag vormen, want men kan toch niet zeggen overzichtelijk – ‘overhoorlijke’ wijze. U zult wel begrijpen wat ik bedoel: ‘overhoorlijk’ is datgene wat innerlijk werkelijk als een eenheid beleefd wordt temidden van het vele, zodat je niet overspoeld wordt door de dingen die je opneemt.
GA 295/156
Vertaald/144

Da wird vor allen Dingen darauf gesehen werden müssen, wie auch das Musikalische in dem ersten Schuljahr möglichst aus dem Einfachen, Elementarischen hervorgeholt wird, und wie dann in das Kompliziertere übergegangen wird etwa vom dritten Schuljahr an. So daß nach und nach das Kind sowohl am Instrument – und namentlich am Instrument – wie auch im Gesanglichen dasjenige aufnimmt, was gerade bildnerisch, bildend für die Fähigkeiten des Kindes ist.
Herausgeholt werden muß nun aus allem übrigen Künstlerischen das Turnen und die Eurythmie. Aus dem Musikalischen, und auch aus dem sonstigen Künstlerischen, muß das Turnen und die Eurythmie heraus-geholt werden.

We moeten dan vooral nog zien hoe de muziek in het eerste schooljaar uit zo eenvoudig, zo elementair mogelijke elementen ontwikkeld wordt en hoe dat dan, ongeveer vanaf de derde klas, overgaat in meer gecompliceerde dingen. Zo neemt het kind geleidelijk aan via het instrument – met name door het instrument – als ook via het zingen in zich op, wat op dat moment vormend, vormgevend is voor de capaciteiten van het kind. De gymnastiek en de euritmie moeten afgeleid worden uit de rest van het kunstzinnige. Uit de muziek en ook uit de andere kunstzinnige gebieden moeten de gymnastiek en de euritmie worden afgeleid.
GA 295/173
Vertaald/158

Im ersten, zweiten und dritten Schuljahr wird man es ja im wesent­lichen zu tun haben mit einfachen musikalischen Verhältnissen. Und diese einfachen musikalischen Verhältnisse sollen so benützt werden, daß der Gesichtspunkt der ist: an dem, was man pädagogisch zurich­tet im Musikalischen, Stimmbildung und Gehör des Menschen, des wer­denden Menschen, heranzubilden. Also der Gesichtspunkt ist, das Mu­sikalische so zuzurichten, daß es geeignet ist, den Menschen zum rich­tigen Bilden des Stinimlichen, des Tonlichen, und zum richtigen Hören aufzurufen. Wir verstehen uns wohl darin.

In de eerste, tweede en derde klas zal men natuurlijk in wezen te maken hebben met eenvoudige muzikale gegevens. En deze eenvoudige muzikale gegevens moeten zo benut worden dat het gezichtspunt is: de vorming van de stem en het gehoor van de mens, van de opgroeiende mens, te stimuleren aan de hand van wat men pedagogisch in de muziek doet. Het gezichtspunt is dus, de muziek zo te benaderen dat ze geschikt is om de mens tot de juiste stemvorming en toonvorming en tot het juiste luisteren te brengen. U begrijpt wel wat ik bedoel.
GA 295/175
Vertaald/159-160

Niet-Nederlandse taal

Die fran­zösische und englische Sprache in ganz einfacher Weise schon heran­bringen an das Kind, wenn es eben in die Schule hereinkommt.

Frans en Engels geven we al op heel eenvoudige wijze zodra het kind op school is.
GA 295/160
Vertaald/148

Wir halten durchaus daran fest, das Englische und Französische ganz von Anfang an mit den Kindern in mäßiger Weise zu treiben. Nicht gouvernantenhaft, sondern so, daß sie die beiden Sprachen richtig schätzen lernen, und daß sie ein Gefühl bekommen für den richtigen Ausdruck in den beiden Sprachen.

We houden er absoluut aan vast om dadelijk vanaf het begin op bescheiden wijze Engels en Frans te geven. Niet gouvernanteachtig, maar zo dat de kinderen twee talen op hun waarde leren schatten en dat ze een gevoel krijgen voor de juiste manier van uitdrukken in beide talen.
GA 295/181
Vertaald/165

Die 1. Klasse hat täglich, je nachdem ob der Hauptunterricht um 8 oder um 101/4 beginnt, vorher oder nachher eine Stunde Englisch und Französisch. Das ist eventuell auf den Nachmittag zu verlegen, aber womöglich sollte es am Vormittag sein.

De 1e klas heeft dagelijks, al naar gelang of het hoofdonderwijs om 8u of om kwart over 10 begint, daarvoor en daarna een uur Engels en Frans. Dat kan ook naar de middag, maar zo veel mogelijk toch op de ochtend.
GA300A/67
Niet vertaald

X. und Y. berichten über den Sprachunterricht in der 1. Klasse.

Dr. Steiner: Sprachen werden um so leichter gelernt, und die Aus­sprache wird um so besser und reiner, je früher begonnen wird. Die Begabung für Sprachen nimmt mit zunehmendem Alter, vom sieben­ten Jahr an, ab. Deshalb muß man früh damit anfangen.
Chorsprechen ist sehr gut, denn die Sprache ist ein soziales Element. Im Chor läßt sich immer leichter sprechen als allein.

X. en Y. doen verslag van het taalonderwijs in klas 1.

Dr.Steiner: Talen worden des te makkelijker geleerd en de uitspraak wordt des te beter en zuiverder, hoe vroeger ermee begonnen wordt. Het vermogen om ze te kunnen leren neemt met het ouder worden af, vanaf het zevende jaar. Daarom moet je er vroeg mee beginnen.
Koorspreken is heel goed, want taal is een sociaal element. In koor spreken gaat makkelijker dan alleen.
GA300A/133
Niet vertaald

Im allgemeinen muß man sagen, daß das Kind in der 1. Klasse schon Sprachunterricht bekommt, und daß wir bis zum Ende der 3. Klasse den Sprachunterricht so treiben, daß das Kind am Sprechen spre­chen lernt. Und daß man vermeiden sollte für irgendein Wort oder eine Wendung, die das Kind sich anzueignen hat, auf die entspre­chende deutsche Übersetzung des Wortes zu sehen, sondern daß man darauf sehen soll, daß das Kind unmittelbar an das Ding anknüpft das Wort oder die Wendung. Man soll also, nicht wahr, nicht das fremd-sprachliche Wort auf das deutschsprachliche zurückführen, sondern auf die Sache und in der fremden Sprache bleiben. Das sollte man insbesondere bis zum vollendeten 3. Schuljahr durchführen. In die­ser Zeit dürfte gar nicht bemerkbar werden, daß es eine Grammatik gibt.

Over het algemeen moet je zeggen dat het kind in de 1e klas al taalles krijgt en dat wij tot het einde van de 3e klas dat zo doen dat het kind aan het spreken het spreken leert. En dat je moet vermijden om een of ander woord of een zinswending die het kind zich eigen moet maken, te letten op de daarbijhorende vertaling van het woord, maar dat je erop moet letten dat het kind meteen het woord of de zinswending bij het ding gebruikt. Je moet dus niet het andere-taalwoord terugbrengen naar het Nederlands, maar bij de zaak in de niet-Nederlandse taal blijven. Dit in het bijzonder, moet je doen tot het eind van de 3e klas. In deze tijd moet het helemaal niet duidelijk zijn dat er grammatica bestaat.

blz. 162

Bei dem Behandeln größerer Stücke muß man so vorgehen, daß man gar keinen Anstoß daran nimmt, daß das Kind eine Strophe oder ein Gedicht, wenn es auch nur mangelhaft die Sache versteht, rein dem Laut nach sich aneignet. Im Extrem kann es selbst der Fall sein, daß das Kind sich aneignet vier, sechs, acht Zeilen, die es nur behält wie Klänge. Das würde sogar unter Umständen sehr viel zur Beherr­schung der Sprache beitragen können, daß das Kind das, was es nur dem Klange nach sich angeeignet hat, erst aus dem Gedächtnis her­aus verstehen lernt. In den ersten drei Jahren ist Poetisches ganz entschieden dem Prosaischen vorzuziehen. Die Sache selbst läßt schon klar werden, daß im Grunde genommen auf das einzelne Jahr gar nicht abzutrennen ist, daß diese drei Jahre in vollständig gleicher Art behandelt werden können.

Bij het behandelen van grotere stukken moet je zo werken dat je er helemaal geen aanstoot aan neemt, dat het kind een strofe of een gedicht, ook wanneer het e.e.a. nog niet zo goed begrijpt, het puur op de klank leert. In een uitzonderlijk geval kan het zijn dat een vier, zes, acht regels leert die het onthoudt als klank. Onder bepaalde omstandigheden zou dat zelfs aan een betere beheersing van de taal kunnen bijdragen, wat het kind zich eigen heeft gemaakt met de klank, en dat pas vanuit het geheugen gaat begrijpen. In de eerste drie jaren verdient het poëtische heel beslist de voorkeur boven het prozaïsche. Uit de zaak zelf blijkt duidelijk dat het basaal zo is dat je na een jaar niet tot een afsluiting hoeft te komen en dat deze drie jaren volkomen hetzelfde kunnen worden gedaan. 
GA 300C/161-162
Niet vertaald

Da spielen vor allen Dingen die modernen fremden Sprachen die größte Rolle. Diese modernen fremden Sprachen werden, weil sie sich wirklich prak­tisch einleben sollen in das kindliche Leben, vom Eintritt der Kinder mit dem sechsten, siebenten Jahre an gepflegt, und sie werden so ge­pflegt, daß das Kind sich wirklich einleben kann in die fremde Spra­che, daß also beim Erlernen der fremden Sprache die Vermittlung durch die Muttersprache vermieden wird.

Dan spelen vooral de moderne vreemde talen de grootste rol. Deze moderne vreemde talen worden, omdat die zich praktisch moeten verbinden met het leven van het kind, vanaf het begin op zes-zevenjarige leeftijd gegeven. Ze worden zo gegeven dat het kind zich echt in de vreemde taal kan inleven. Dus wordt bij het aanleren van de vreemde taal het gebruik van de moedertaal vermeden.
GA 303/142
Vertaald/155-156

Rekenen

Sie wissen ja, die äußere Methodik schreibt vor, im ersten Schuljahr vorzugsweise die Zahlen im Zahlenraum bis 100 zu behandeln. Man kann sich an das auch halten, denn es ist ziemlich gleichgültig, wenn man bei den einfacheren Zahlen bleibt, wie weit man den Zahlenraum im ersten Schuljahr treibt. Die Hauptsache ist, daß sie, insofern Sie den Zahlenraum gebrauchen, die Rechnungsarten darin so betreiben, daß Sie eben dem Rechnung tragen, was ich gesagt habe: die Addition zuerst aus der Summe heraus, die Subtraktion aus dem Rest heraus, die Multiplikation aus dem Produkt heraus und die Division aus dem Quotienten heraus entwickelt. Also gerade das Umgekehrte von dem, was gewöhnlich gemacht wird. Und erst nachdem man gezeigt hat, 5 ist 3 plus 2, zeigt man das Umgekehrte: durch Addition von 2 und 3 entsteht 5. Denn man muß starke Vorstellungen im Kinde hervor­rufen, daß 5 gleich 3 plus 2 ist, daß 5 aber auch 4 plus list und so wei­ter. Also die Addition erst als zweites nach der Auseinanderteilung der Summe; und die Subtraktion, nachdem man gefragt hat: Was muß ich von einem Minuenden abziehen, damit ein bestimmter Rest bleibt und
168 vert/154

U weet dat de gewone methodiek voorschrijft om in de eerste klas bij voorkeur de getallen tot 100 te behandelen. Daar kan men zich ook aan houden, want het doet er niet toe hoe ver men gaat, wanneer men maar bij de eenvoudiger getallen blijft. De hoofdzaak is dat u binnen dat getallengebied de rekenbewerkingen zo hanteert dat u rekening houdt met wat ik heb gezegd: U leidt de optelling af uit de som, het aftrekken uit de rest, de vermenigvuldiging uit het produkt en de deling uit het quotiënt. Het omgekeerde dus van hetgeen gewoonlijk wordt gedaan. En pas nadat men heeft laten zien dat 5 gelijk is aan 3 plus 2, pas dan laat men ook het omgekeerde zien: door 2 en 3 op te tellen ontstaat 5. Men moet sterke voorstellingen in het kind oproepen, dat 5 = 3 + 2, maar ook 4+1 enzovoort. De optelling volgt dus altijd pas na het opdelen van de som; en de aftrekking pas nadat men heeft gevraagd: wat moet ik van dit of dat getal aftrekken om een bepaalde rest over

so weiter. Wie gesagt, daß man das dann mit den einfacheren Zahlen im ersten Schuljahr macht, ist selbstverständlich. Ob man nun gerade den Zahlenraum bis 100 oder bis 105 oder bis 95 benützt, das ist im Grunde nebensächlich.
Dann aber beginne man, wenn das Kind mit dem Zahnwechsel fer-tig ist, ja gleich damit, es das Einmaleins lernen zu lassen, und meinet-willen sogar das Einspluseins; wenigstens, sagen wir, bis zur Zahl 6 oder 7. Also das Kind möglichst früh das Einmaleins und Einspluseins einfach gedächtnismäßig lernen zu lassen, nachdem man ihm nur prin­zipiell erklärt hat, was das eigentlich ist, es prinzipiell an der ein­fachen Multiplikation erklärt hat, die man so in Angriff nimmt, wie wir das gesagt haben. Also kaum daß man imstande ist, dem Kinde den Begriff des Multiplizierens beizubringen, übertrage man ihm auch schon die Pflicht, das Einmaleins gedächtnismäßig zu lernen.

te houden enzovoort. Zoals gezegd: het spreekt vanzelf dat men dat in het eerste schooljaar met de meer eenvoudige getallen doet. Of men nu gaat tot 100 of 105 of 95, dat is in feite maar bijzaak.
Als het kind de tandwisseling achter de rug heeft, dan begint men onmiddellijk met de tafels van vermenigvuldiging, het een-maal-een, en wat mij betreft zelfs het een-plus-een; in ieder geval tot de 6 of 7. Het kind dus zo vroeg mogelijk het een-maal-een en een-plus-een simpelweg uit het hoofd laten leren, nadat men niet veel meer dan het principe heeft uitgelegd, aan de hand van de eenvoudige vermenigvuldiging, die men zo aanpakt als we hebben gezegd. Dus zodra men het kind het begrip van de vermenigvuldiging kan bijbrengen, draagt men het ook op om de tafels van vermenigvuldiging uit het hoofd te leren.
GA 295/169
Vertaald/155

In de 4e voordracht spreekt Steiner ook over het rekenen i.v.m. de temperamenten.
Daaraan is op deze blog apart aandacht besteed in een reeks artikelen.

Natürlich muß das Kind zählen lernen, aber das zunächst additive zählende Rechnen, das ist nichts, was sich vereinigen kann mit den inneren Organisationskräften des Kindes. Wir sind ja im Verlaufe der Zivilisation allmählich dazu gekommen, das Arbeiten mit Zahlen in einer gewissen synthetischen Weise zu behandeln. Wir haben eine Ein­heit, eine zweite Einheit, eine dritte Einheit, und wir bemühen uns, im Abzählen, im additiven Elemente das eine zu dem anderen hinzuzu­fügen, so daß dann das eine neben dem anderen liegt, indem wir zählen. Dafür bringt uns, wie man sich wird überzeugen können, das Kind nicht ein äußerliches Wiederholen der Einheit, sondern sie lag in der wiederum nicht das elementar Menschliche zum Zählen hin entwickelt. Das Zählen ging allerdings aus von der Einheit; die Zwei war aber nicht ein äußerliches Widerholen der Einheit, sondern sie lag in der Einheit darinnen. Die Eins gibt die Zwei, und die Zwei sind in der Eins drinnen. Die Eins geteilt, gibt die Drei, und die Drei sind in der Eins darinnen. Fing man an zu schreiben ins Moderne umgesetzt: eins, so kam man aus der Einheit nicht heraus, indem man zur Zwei kam. Es war ein innerlich organisches Bilden, indem man zur Zwei kam, und die Zwei war in der Einheit drinnen; ebenso die Drei und so weiter. Die Einheit umfaßte alles, und die Zahlen waren organische Gliederungen der Einheit.

Natuurlijk moet het kind leren tellen, maar het in eerste instantie additieve, optellende rekenen, is niet iets wat zich kan verenigen met de innerlijke organisatiekrachten van het kind. Wij zijn er in de loop van de beschaving immers gelei­delijk toe gekomen het werken met getallen op een bepaalde synthetische manier te behandelen. [Bordtekening 6] We hebben een eenheid, een tweede eenheid, een derde eenheid en we spannen ons in, bij het aftrekken, bij het additieve ele­ment het ene aan het andere toe te voegen, zodat dan het ene naast het andere ligt, doordat we tellen. Daarvoor toont het kind geen innerlijk begrip; je zult je daarvan kunnen overtui­gen. Weer heeft zich niet het elementair menselijke op deze manier tot het tellen ontwikkeld. Het tellen ging natuurlijk wel uit van de eenheid, de twee was echter niet een uiterlijk herhalen van de eenheid, maar die zat in de eenheid. De een geeft de twee, en de twee zitten in de een. De een gedeeld geeft de drie en de drie zitten in de een. Begon men te schrijven, in het moderne omgezet: een, toen viel men niet uit de eenheid wanneer men tot de twee kwam. Het was een innerlijk orga­nisch vormen wanneer men tot de twee kwam, en de twee zat m de eenheid; en precies zo met de drie enzovoort. De een­heid omvatte alles en de getallen waren organische geledingen van de eenheid.
GA 303/171
Vertaald/186

Schilderen

Wir lassen das Kind einfache, runde, eckige Formen, rein um der For­men willen, zeichnen, nicht, wie gesagt, um der Nachahmung eines Äußeren willen, sondern rein um der Formen willen. Und wir scheuen uns nicht, mit diesem Zeichnen einfaches Malerisches zu verbinden, in­dem wir die Farben nebeneinanderstellen; so nebeneinanderstellen, daß das Kind eine Empfindung bekommt, was es heißt, Rot neben Grün zu stellen, Rot neben Gelb zu stellen und so weiter.

We laten de kinderen eenvoudige, ronde, hoekige vormen tekenen, puur omwille van de vormen zelf en niet, zoals gezegd, om iets uiterlijks na te bootsen; louter omwille van de vormen zelf. En we schrikken er niet voor terug om aan dit tekenen eenvoudige schilderoefeningen vast te knopen; we zetten de kleuren naast elkaar, en wel zo dat het kind er een gevoel voor krijgt wat het betekent om rood naast groen neer te zetten, en rood naast geel enzovoort.
GA 295/155
Vertaald/143

( ) auch Malerisches zu betreiben, das um des Malerischen willen betrieben wird.

Ook zijn we gaan schilderen omwille van het schilderen zelf.
GA 295/169
Vertaald/155

Schrijven

Onderstaande citaten zijn niet los te zien van wat Steiner in zijn voordrachten over het schrijven en lezen in algemenere zin opmerkt:

Rudolf Steiner over: schrijven en lezen

Und aus dem, was wir so erreichen, können wir auf die Art, wie wir es in unserer Didaktik betrachtet haben, das Schreiben an das Kind heranbringen. Naturgemäß wäre es, wenn wir allmählich den Über­gang suchten von gezeichneten Formen zu der lateinischen Schrift. Falls wir in der Lage sind, die lateinische Schrift vorausgehen zu lassen, so sollten wir das durchaus tun, denn wir werden erst dann die lateinische Schrift in die deutsche überführen können. Und wir gehen dann, nach­dem das Kind gelernt hat, einfache Schriftformen, die es an Wörtern belebt, zu schreiben und zu lesen, über zu den gedruckten Buchstaben. Da nehmen wir wiederum zuerst natürlich die lateinischen und dann die deutschen.
Wenn wir rationell in diesen Dingen vorgehen, dann werden wir es im ersten Schuljahr dahin bringen, daß das Kind immerhin in ein­facher Weise das oder jenes aufs Papier zu bringen vermag, was man ihm vorspricht, oder was es sich selbst vornimmt, aufs Papier zu brin­gen. Man bleibt beim Einfachen, und man wird es dahin bringen, daß das Kind auch Einfaches lesen kann. Man braucht ja durchaus nicht darauf bedacht zu sein, daß das Kind in diesem ersten Jahr irgend etwas Abgeschlossenes erreicht. Das wäre sogar ganz falsch. Es handelt sich vielmehr darum, das Kind in diesem ersten Jahr so weit zu bringen, daß es gegenüber dem Gedruckten nicht gewissermaßen wie vor etwas ihm ganz Unbekannten steht, und daß es die Möglichkeit aus sich her-ausbringt, irgend etwas in einfacher Weise niederzuschreiben. – Das wäre, wenn ich so sagen darf, das Ideal für den Unterricht im Sprach­lichen und im Schreiben.

En uit wat we zo bereiken kunnen we de kinderen leren schrijven, zoals we dat in onze didactiek hebben behandeld.* Het zou het meest natuurlijk zijn om van de getekende vormen een geleidelijke overgang te maken naar het Latijnse schrift. Als we in de gelegenheid zijn om het Latijnse schrift eerst te behandelen, moeten we dat zeer zeker doen, want dan zullen we het Duitse schrift kunnen afleiden van het Latijnse. En nadat het kind heeft geleerd om eenvoudige lettervormen – in woorden tot leven gekomen – te schrijven en te lezen, gaan we over tot de gedrukte letters. En dan nemen we natuurlijk eerst weer de Latijnse en dan de Duitse letters.
Gaan we hierbij rationeel te werk, dan zullen we in het eerste schooljaar zo ver komen dat het kind in ieder geval op eenvoudige wijze het een of ander op papier kan zetten wat men voorspreekt of wat het zelf wil opschrijven. Men houdt het eenvoudig, en men zal zo ver komen dat het kind ook eenvoudige dingen kan lezen. Men hoeft er dat eerste jaar toch echt niet naar te streven dat het kind iets afrondt. Dat zou zelfs heel verkeerd zijn. Het gaat er veeleer om dat het kind in dit eerste jaar zo ver komt dat het gedrukte taal niet als iets volstrekt onbekends beschouwt en dat het zelf in staat is om iets op eenvoudige wijze op te schrijven. Dat zou, als ik dat zo mag zeggen, het ideaal zijn voor de lessen in taal en schrijven.
GA 295/155
Vertaald/144

*zie GA 294, vdr. 1 en 5
vertaald

blz. 149

( ) auf der anderen Seite ist ja noch nicht so furchtbar viel verloren, wenn ein Kind in der l. Klasse noch schlecht schreibt. Nicht wahr, alle Kinder dieser Art werden, wenn man es durchführen könnte, natürlich unendlich viel gewinnen, wenn man solche Übungen mit ihnen macht, wie ich sie dazumal inauguriert habe.
Wenn man sie so etwas machen läßt (Dr. Steiner zeigt eine Übung):
Reich die rechte Hand über den Kopf und ergreife dein linkes Ohr. -Oder wenn man solche Sachen zeichnen läßt, eine Spirale, die nach innen verläuft, eine Spirale, die rechts verläuft, und eine Spirale, die links verläuft, so gewinnen sie sehr viel. Solche Übungen, durch die sich die Kinder ins Denken hineinstellen

( ) aan de andere kant is er niet zo verschrikkelijk veel verloren, wanneer een kind in de 1e klas nog slecht schrijft. Niet waar, al zulke kinderen zullen, wanneer we zulke dingen kunnen doorvoeren, wanneer je zulke oefeningen met hen doet zoals ik die destijds ingevoerd heb.
Wanneer je zoiets laat doen (Dr.Steiner doet een oefening voor): Ga met je rechterhand over je hoofd en pak je linker oor vast. Of wanneer je dit soort dingen laat tekenen, een spiraal die naar binnen loopt, een spiraal die naar rechts verloopt en die naar links verloopt, dan bereik je veel. Dat soort oefeningen waardoor de kinderen moeten gaan denken.

blz. 150

müssen. Dann das Schreiben: es sind einige, die sehr schlecht schreiben, und es gibt eine ganze Menge, die erstklassig sind. Die Kinder werden nicht viel davon haben, wenn Sie sie anhalten, daß sie durch die Verbesserung der Schrift besser schreiben lernen. Finger geschickt machen! Dann lernen sie besser schreiben.
Ich glaube nicht, daß Sie es zuwege bringen, eine schlechte Schrift durch die Bemühungen nach dem besseren Schreiben besser zu machen. Sie müssen Bemühungen machen, daß die Kinder geschick­ter werden im Zeichnen von Formen. Wenn sie Klavier spielen würden, würden sie besser schreiben lernen. Es ist durchaus ein rich­tiges Apercu, daß dieses eigentliche schlechte Schreiben auftritt erst in der Zeit, wo die Spielsachen der Kinder so außerordentlich mate­rialistisch geworden sind.

Dan over het schrijven: er zijn er een paar bij die heel slecht schrijven en er is een grote groep die eersteklasser zijn. De kinderen zullen er niet veel aan hebben, wanneer je maar bezig blijft om door het verbeteren van het handschrift ze beter te leren schrijven. De vingers geschikt maken! Dan leren ze beter schrijven. Ik geloof niet dat je het voor elkaar krijgt om een slecht handschrift door die moeite te doen voor het betere schrijven, dit te verbeteren. Je moet er moeite voor doen dat de kinderen handiger worden bij het tekenen van vormen. Wanneer ze piano zou spelen, zouden we een beter leren schrijven.
En het is beslist een goede opmerking dat dit eigenlijke slechte schrijven zich pas in een tijd voordoet waarin het speelghoed van de kinderen buitengewoon materialistisch is geworden.

Es ist geradezu empörend, daß ein großer Teil der Spielsachen in Baukästen besteht. Der dürfte überhaupt kein Spielzeug sein, weil er atomistisch ist. Wenn das Kind eine einfache Schmiede hat, so muß das darauf ausgehen, daß das Kind sie hand­haben muß. Ich möchte für ein Kind ein Spielzeug haben, das sich bewegt. Das steht in der ,,Erziehung des Kindes”. Die Spielzeuge heute sind furchtbar schlecht, und daher lernen die Kinder nicht mehr Fingergeschicklichkeit und können schlecht schreiben.
Es würde ja genügen, wenn man solche Kinder – man kann es in der Schule nicht machen -, die schlecht mit der Hand schreiben, anhal­ten würde, ganz einfache Formen mit den Füßen zu machen. Das wirkt auf die Hand zurück. Mit den Füßen kleine Kreise zeichnen. Halbkreise, Dreiecke. Daß sie zwischen eine Zehe und die nächste einen Bleistift kriegen und Kreise machen müssen.

Het is best schokkend dat een groter deel van het speelgoed uit blokkendozen bestaat. Dat zou geen speelgoed moeten zijn, omdat het atomistisch is. Wanneer het kind een eenvoudige smidse heeft, dan is het gevolg dat het daarmee gaan spelen. Ik zou voor een kind speelgoed willen hebben, dat beweegt. Dat staat in  ‘de opvoeding van het kind in het licht van de antroposofie’. Het speelgoed van nu is vreselijk slecht en daarom leren de kinderen niet meer handig worden met de vingers en kunnen ze slecht schrijven. Het zou voldoende zijn wanneer je die kinderen – op school gaat het niet – die slecht met hun handen schrijven, een poos met de voeten eenvoudige vormen te laten maken. Dat werkt terug op de hand. Met de voeten kleine cirkels tekenen. Halve cirkels, driehoeken. Dat ze tussen de ene teen en de andere een potlood houden en cirkels moeten tekenen

Man kann es nicht leicht machen. Das ist sehr interessant. Es eignet sich schwierig an, aber es ist sehr interessant zu machen. Im Sande draußen würde ich es als ganz gut betrachten, mit den Zehen mit einem Stock Figuren in den Sand hinein machen zu lassen, das wirkt auf die Hand ungeheuer stark zurück. Oder ein Kind etwas aufheben lassen mit dem Fuße; ein Taschentuch mit dem Fuß aufheben statt mit der Hand, das wirkt sehr stark. Ich will nicht sagen, daß sie essen müssen mit den Füßen. Aber, nicht wahr, man darf es nicht systematisch machen. Man muß versuchen, nicht direkt auf die Schriftverbesserung zu sehen, son­dern sie geschickt zu machen im Zeichnen von Kunstformen. Symmetrie herauskriegen in einer komplizierten Form. (Zu Herrn Baumann:) Taktschlagen, das ist eine gute Sache für die Ausbildung der Verstandesformen und logischen Formen.

Dat is niet zo makkelijk. Het is zeer interessant. Je leert het moeilijk, maar het is erg interessant om het te doen. Ik zie het als iets zeer goeds om buiten in het zand met de tenen met een stok figuren in zand te laten maken, dat werkt zeer sterk terug op de hand. Of een kind iets laten optillen met de voet; een zakdoek met de voet pakken, i.p.v. met de hand, dat werkt sterk terug. Ik wil niet zeggen dat ze met hun voeten moeten eten. Maar, niet waar, je hoeft het niet systematisch te doen. Je moet proberen niet onmiddellijk op het verbeteren naarverbeteren van  het schrijven te kijken, maar ze met het tekenen van kunstvormen handig te maken. Symmetrie laten ontstaan in een gecompliceerde vorm.
(Tot de heer Baumann:} maat slaan is een goed ding voor de vorming van logische, verstandsmatige vormen.
GA 300A/149-150
Niet vertaald

Taal

Nun wäre es wichtig, daß man im ersten Schuljahr nicht viel tippt an Grammatik und so weiter. 

Verder is het belangrijk dat men in de eerste klas de grammatica en dergelijke nauwelijks aanroert.
GA 295/155
Vertaald/144

Und es wird gut sein, wenn man darauf sieht, insofern man Dichtungen be­handelt – kurze Gedichte -, daß man insbesondere im ersten und zwei­ten Schuljahr das Kind instinktiv Rhythmus, Reim, Takt erfühlen läßt, und daß man die innere Formung des Gedichtes, also was sich auf die inneren Schönheiten des Gedichtes bezieht, zur Empfindung bringt beim Kinde im dritten und vierten Schuljahr.

En het zal goed zijn als men er vooral in de eerste en tweede klas op toeziet dat men de kinderen instinctief ritme, rijm, maat laat aanvoelen wanneer men – korte gedichten behandelt, en in de derde en vierde klas het kind de innerlijke vorm van het gedicht, dus wat betrekking heeft op de innerlijke schoonheden van een gedicht, laat ervaren.
GA 295/156-157
Vertaald/145

Tekenenzie vormtekenen

GA 300A

X.    gibt einen Bericht über ihren Unterricht in der 1. Klasse.

Dr. Steiner: Mit Stiften zu zeichnen, ist nicht gut. Man sollte lieber Aquarellfarben nehmen zum Malen. Ölkreiden sind benutzbar.

X doet verslag over haar les in klas 1

Dr.Steiner: met potloden tekenen is niet goed. Om te schilderen kun je beter aquarelverf nemen. Oliekrijt is bruikbaar.
GA 300A/112
Niet vertaald

Vertellen

Aber ich glaube, es wird gut sein, wenn Sie sich überlegen, worin dasjenige bestehen muß, was Sie gewissermaßen in der Erzählungsstunde mit den Kindern zu pflegen haben. Die eigentlichen Unterrichtsstunden werden sich dann aus unseren allgemeinen pädagogischen Gesichtspunkten er­geben. Aber Sie werden für die Erzählungsstunden einen Stoff auf­nehmen müssen, der durch die ganze Schulzeit vom siebenten bis vier­zehnten Jahr an die Kinder im freien, erzählenden Tone wird heran-gebracht werden müssen.

Da wird es notwendig sein, daß in den ersten Schuljahren eben ein gewisser Märchenschatz zur Verfügung steht.

1.    ein gewisser Märchenschatz

Maar ik denk dat het goed is wanneer u zich bezighoudt met de vraag wat u in het verteluur met de kinderen moet doen. ( ) Maar voor de verteluren moet u onderwerpen hebben die de hele schooltijd door, van het zevende tot het veertiende jaar, aan de kinderen in vrije vorm verteld kunnen worden.

Daarvoor is het nodig dat u in de eerste schooljaren zoals gezegd een zekere schat aan sprookjes ter beschikking heeft. 

1.Sprookjes  (letterlijke vertaling: een bepaalde schat aan sprookjes)
GA 295/19
Vertaald/19-20

Da kommt ja zunächst für uns in Betracht, daß wir, wenn wir die Kinder ins erste Schuljahr hereinbekommen, geeignete Stoffe finden zum Vorerzählen und Nacherzählenlassen. An diesem Vorerzählen von Märchen, von Sagen, aber auch von äußerlich-realistischen Wirk­lichkeiten, und in dem Nacherzählenlassen bilden wir heran das eigent­liche Sprechen. Wir bilden heran den Übergang von der Mundart zur gebildeten Umgangssprache. Indem wir darauf sehen, daß das Kind richtig spricht, werden wir auch den Grund legen für richtiges Schrei­ben.
Wir werden parallel gehen lassen diesem Vor- und Nacherzählen die Einführung des Kindes in eine gewisse bildnerische Formensprache.

Het eerste is dan dat we, als we de kinderen in de eerste klas krijgen, geschikte stof moeten vinden om te vertellen en te laten navertellen. Aan de hand van dit vertellen van sprookjes, van sagen, maar ook van realistische verhalen uit de werkelijkheid, en door ze te laten navertellen, ontwikkelen we het eigenlijke spreken. We vormen de overgang van het dialect naar de beschaafde omgangstaal. Door erop te letten dat het kind goed spreekt, zullen we ook de basis leggen voor het correct schrijven.
Parallel aan dat vertellen en navertellen zullen we de kinderen invoeren in een zekere beeldende vormentaal.
GA 295/154
Vertaald/143

Erzählungen sollten nicht zu lang sein. Zu empfehlen sind in den unteren Klassen kürzere, präzise, überschaubare Erzählungen. Die Hauptsache ist, daß die Sache nachher sitzt. Es ist darauf zu sehen, daß nichts, was durchgenommen wird, rasch wieder aus den Kindern verschwindet, und das sollte nicht durch Wiederholung, sondern gleich durch die erste Darstellung erreicht werden.

Verhalen moeten niet te lang zijn. Aan te bevelen zijn voor de lagere klassen kortere, precieze, overzichtelijke verhalen. De hoofdzaak is, dat de zaak daarna zit. Je moet erop letten dat niets van wat je behandeld hebt, snel weer uit de kinderen verdwijnt en dat moet niet door herhalen, maar meteen door de eerste aanpak bereikt worden.
GA 300A/112
Niet vertaald

Es wird gefragt, ob man auch Märchen erzählen kann, in denen blutige Dinge vorkommen.
Dr. Steiner: Wenn das Märchen so wäre, daß die Absicht vorliegt, daß das Blut als Blut wirkt, dann wäre es unkünstlerisch. Bei Mär­chen kann nur entscheiden, daß es ein geschmackvolles Märchen ist. Da kann es nicht schaden, wenn auch Blut darin ist. Ich habe einer Mutter gesagt, wenn man es absolut vermeiden will, den Kindern von Blut zu reden im Märchen, so verzärtelt man sie so, daß sie später bei einem Blutstropfen in Ohnmacht fallen. Das ist eine Schädlichkeit fürs Leben. Man soll die Kinder nicht untüchtig machen fürs Leben dadurch, daß man einen solchen Grundsatz aufstellt.

Er wordt gevraagd of je ook sprookjes kan vertellen waarin bloedige taferelen voorkomen.

Dr.Steiner: Wanneer het sprookje de bedoelijng zou hebben dat het bloed als bloed werkt, zou het onkunstzinnig zijn. Voor een sprookje is het beslissend of het een kunstzinnig sprookje is. Dan is het niet zo erg dat er bloed in voorkomt. Ik zei tegen een moeder, dat als je per se wil voorkomen om een kind in een sprookje over bloed te praten, je ze dan zo vertroetelt dat ze later bij het zien van een druppel bloed flauw vallen. Dat is een nadeel in het leven. Je moet de kinderen niet niet ongeschikt maken voor het leven door zo’n regel op te stellen.
GA 300A/151
Niet vertaald

Nun, man mag denken wie man will über den geistigen Gehalt der äußeren sinnlichen Wirklichkeit, aber Gift ist es für den werdenden Menschen, wenn er gerade in der Zeit zwischen dem 6., 7. und dem 9. Jahre nicht gerade auf märchenhafte Art die Phantasie entwickelt bekommt. Ist der Lehrer selber kein Phantast, so wird er zunächst alles dasjenige, was er an das Kind über die Umgebung des Menschen heran­bringen will – das Kind unterscheidet sich ja noch nicht von der Um­gebung, das tritt erst später, im 9. Jahre ein -, alles das, was er ent­wickelt über Tier, Pflanze, über die übrige Natur, er wird es dem Kinde in Märchenform beibringen. Wenn man nur einmal sich damit vertraut machte, welch gewaltiger Unterschied darinnen liegt, ob man dem Kinde Märchen liest oder man solche Märchen selber erst aus­gestaltet! Ich bitte, lesen Sie noch so viel Märchen und erzählen Sie geleseneMärchen Ihren Kindern, sie wirken nicht so, als wenn Sie viel schlechtere Märchen selber ausgestalten und sie an die Kinder heran­bringen, und zwar weil der Prozeß des Gestaltens in Ihnen – das ist ja eben das, was ich meine mit dem Lebendigen – auf das Kind nachwirkt, weil er sich wirklich dem Kinde mitteilt. Das sind die Imponderabilien des Umgangs mit dem Kinde.

Nu mag je denken wat je wil over het geestelijke gehalte van de uiterlijke zintuiglijke werkelijkheid, maar het is gif voor de wordende mens in de tijd tussen het 6e, 7e en het 9e jaar wanneer het juist niet op sprookjesachtige manier zijn fantasie kan ontwikkelen. Is de leerkracht zelf geen fantast, dan zal hij vooral alles wat hij aan het kind over de omgeving van de mens wil leren (het kind onderscheidt zich dus nog niet van zijn omgeving, dat komt pas later, in het 9e jaar), alles wat hij maakt over dier, plant, over de overige natuur, hij zal het het kind bijbrengen in de vorm van een sprookje. Maakte men zichmaar eens vertrouwd met wat voor geweldig verschil het is of je het kind sprookjes voorleest of dat je zelf eerst zulke sprookjes ontwerpt. Ik vraag u, leest u nog zo veel sprookjes en vertel de gelezen sprookjes aan uw kinderen, ze werken niet zo, als wanneer u veel slechtere sprookjes zelf maakt en die aan de kinderen geeft en wel omdat het proces van het maken in u – dat is nu wat ik bedoel met het levendige – in het kind nawerkt, omdat het echt bij het kind aankomt. Dat is het imponderabele in de omgang met het kind.
GA 301/84-85
Op deze blog vertaald/84-85

zie ook: Rudolf Steiner over vertellen
.
vormtekenen

In de 4e voordracht brengt Steiner in het eerste uur dat de kinderen op school zijn, in contact met de 2 ‘oer’vormen: het rechte en het ronde. Zie Rudolf Steiner over de 1e klas

Wir lassen das Kind einfache, runde, eckige Formen, rein um der For­men willen, zeichnen, nicht, wie gesagt, um der Nachahmung eines Äußeren willen, sondern rein um der Formen willen. Und wir scheuen uns nicht, mit diesem Zeichnen einfaches Malerisches zu verbinden, in­dem wir die Farben nebeneinanderstellen; so nebeneinanderstellen, daß das Kind eine Empfindung bekommt, was es heißt, Rot neben Grün zu stellen, Rot neben Gelb zu stellen und so weiter.

We laten de kinderen eenvoudige, ronde, hoekige vormen tekenen, puur omwille van de vormen zelf en niet, zoals gezegd, om iets uiterlijks na te bootsen; louter omwille van de vormen zelf. En we schrikken er niet voor terug om aan dit tekenen eenvoudige schilderoefeningen vast te knopen; we zetten de kleuren naast elkaar, en wel zo dat het kind er een gevoel voor krijgt wat het betekent om rood naast groen neer te zetten, en rood naast geel enzovoort.
GA 295/155
Vertaald/143

Nun bitte ich zu beachten, daß wir bis zum sechsten Schuljahr die geometrischen Formen: Kreis, Dreieck und so weiter herausgeholt ha­ben aus dem Zeichnen, nachdem wir zuerst in den ersten Jahren das Zeichnen für den Schreibunterricht getrieben haben. Dann sind wir allmählich dazu übergegangen, aus dem Zeichnen, das wir für den Schreibunterricht getrieben haben, beim Kinde kompliziertere Formen zu entwickeln, die um ihrer selbst willen, um des Zeichnens willen be­trieben werden; auch Malerisches zu betreiben, das um des Malerischen willen betrieben wird. In diese Sphäre leiten wir den Zeichen- und Mal-unterricht im vierten Schuljahr, und im Zeichnen lehren wir, was ein Kreis ist, eine Ellipse ist und so weiter. Aus dem Zeichnen heraus lehren wir dieses. 

Ik wil u er nu op wijzen dat we tot aan de zesde klas de geometrische vormen, cirkel, driehoek enzovoort, hebben afgeleid uit het tekenen, nadat we in de eerste jaren het tekenen hebben gedaan ten behoeve van het schrijven. Dan zijn we er geleidelijk toe overgegaan om uit het tekenen dat we voor het schrijfonderwijs deden gecompliceerdere vormen te ontwikkelen, die om zichzelf, omwille van het tekenen zelf werden uitgevoerd. Ook zijn we gaan schilderen omwille van het schilderen zelf. In deze richting leiden we de teken- en schilderlessen in de vierde klas, en in het tekenen leren we de kinderen wat een cirkel is, wat een ellips is, enzovoort. We doen dat vanuit het tekenen.
GA 295/169
Vertaald/155

In den ersten Schuljahren den zeichnerischen Unterricht so, daß wir zuerst dem Kinde ein ge­wisses Empfinden an runden, an eckigen Formen und so weiter beibringen.

Aus der Form heraus entwickeln wir das, was wir dann für den Schreibunterricht brauchen. Wir vermeiden es am Beginne dieses elementarischen Zeichenunterrichts ganz, irgend etwas nachzuahmen. Vermeiden Sie es, soviel Sie nur können, das Kind zuerst einen Stuhl oder eine Blume oder irgend etwas nachahmen zu lassen, sondern brin­gen Sie ihm soviel als möglich Linienformen aus sich selbst hervor:
runde, spitzige, haibrunde, elliptische, gerade Formen und so weiter. Rufen Sie im Kinde das Gefühl hervor, was für ein Unterschied ist zwischen Kreisbiegung und Ellipsenbiegung. Kurz, erwecken Sie das Formengefühl, bevor der Nachahmungstrieb erwacht ist! Erst später lassen Sie das, was in den Formen gepflegt worden ist, auf das Nach­ahmen anwenden. Lassen Sie das Kind erst einen Winkel zeichnen, so daß es in der Form den Winkel begreift. Dann zeigen Sie ihm den Stuhl und sagen ihm: «Siehst du, da ist ein Winkel, und da ist noch einmal ein Winkel» und so weiter. Lassen Sie das Kind nichts nachahmen, bevor Sie nicht in ihm aus innerem Gefühl heraus die Form in ihrer Selbst-tätigkeit gepflegt haben, die dann später erst auch nachgeahmt wer­den kann. Und so halten Sie es auch noch, wenn Sie zur mehr selbstän­digen Behandlung des Zeichnens und des Malerischen und auch des Bildnerischen übergehen.

Nu tekenen we de eerste schooljaren zo, dat we de kinderen eerst een zeker gevoel bijbrengen voor ronde en hoekige vormen en dergelijke. Vanuit de vorm ontwikkelen we datgene wat we dan nodig hebben voor het schrijven. We vermijden het in het begin van deze elementaire tekenlessen absoluut om iets na te tekenen. Vermijdt u zo veel mogelijk om het kind eerst een stoel of een bloem te laten natekenen of wat dan ook. Laat u de vormen van de lijnen zo veel mogelijk uit zichzelf ontstaan: ronde, spitse, halfronde, elliptische, rechte vormen enzovoort. Roep in het kind een gevoel op voor het verschil tussen de kromming van een cirkel en die van een ellips. Kortom, wek het vormgevoel, voordat de drang tot nabootsing ontwaakt is! Pas later laat u datgene wat geoefend is aan de vormen toepassen bij de nabootsing. Laat het kind eerst een hoek tekenen, zodat het in de vorm de hoek begrijpt. Dan laat u een stoel zien en zegt: ‘Kijk, daar is een hoek, en daar is nog een hoek’ enzovoort. Laat het kind niets natekenen voordat u in het kind vanuit een innerlijk gevoel de vorm in haar eigen werkzaamheid hebt gewekt, die dan later pas ook nagebootst kan worden. En zo gaat u ook nog te werk wanneer u overgaat tot het tekenen omwille van het tekenen en ook tot het schilderen en boetseren als op zichzelf staande vakken.
GA 295/170
Vertaald/156

1e klas: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen

Het leerplan: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 1e klas

.

1855-1740

.

VRIJESCHOOL – Schoolrijpheid (4)

De overgang op school van spelen naar leren is niet meer zo duidelijk gemarkeerd. Daardoor zou je bijna vergeten te kijken of het kind er wel aan toe is de kleuterfase definitief de rug toe te keren. De Rotterdamse huisarts Aart van der Stel beschrijft de ontwikkeling van een kind in de eerste zeven jaar. Aan de hand daarvan maakt hij duidelijk hoe je kunt merken dat een kind echt schoolrijp is.

Aart van der Stel, huisarts, Weleda Puur Kind, lente 1999, nr.3.
.

SCHOOLRIJPHEID

Vroeger ging een kind met zes jaar naar de lagere school. Nu gaat het naar groep drie. Dat lijkt hetzelfde, maar dat is schijn. Het drukt uit dat het bewustzijn vervaagt over het verschil tussen een kleuter en een lagere-schoolkind. Het doortellen van groep één naar groep drie en hoger wil ons doen geloven dat de overgang van de kleuterschool naar de basisschool geleidelijk gaat. Maar we doen onze aankomende basisscholieren onrecht aan als we niet bewust stilstaan bij de veranderingen die optreden rond het zesde, zevende jaar. Kinderen zijn niet allemaal op hetzelfde moment klaar voor de basisschool. Bij de een zal er met zes jaar al sprake zijn van een zekere uitgerijptheid, bij de ander pas met zeven. Om er een idee van te krijgen wanneer een kind schoolrijp is en wat je je eigenlijk bij het begrip schoolrijpheid moet voorstellen, moeten we goed kijken naar de ontwikkeling van een kind.

Staan en lopen

De ontwikkeling van het kind verloopt niet in een vloeiende lijn, maar in fasen.

In het eerste jaar is het kind vooral bezig met het ontwikkelen van zijn motoriek. Het leert zijn spieren onder controle te krijgen, zijn ogen te coördineren om naar één punt te kijken, zijn handjes te gebruiken om van alles vast te pakken en, het allerbelangrijkste, zijn beentjes te beheersen om ermee te staan en te lopen. Rond het eerste jaar is een kind in staat zijn lijfje te gebruiken zodat hij de wereld kan gaan verkennen. Dat betekent ook dat hij van alles gaat waarnemen.

Om goed te kunnen waarnemen moet je afstand nemen. Een schilderij bekijk je niet door je neus erin te begraven, maar door er een stukje vanaf te gaan staan. Doordat hij kan staan en lopen, kan het nu ook afstand nemen van de wereld om hem heen. Daardoor krijgt hij een steeds scherper beeld van de mensen en dingen, maar ook een helderder idee over zichzelf. Hij ervaart voor het eerst dat hij een apart wezen is, los van zijn omgeving. Dat is een unieke gebeurtenis. Niets is fantastischer voor ouders dan hun kind letterlijk te zien stralen als het voor het eerst staat en de sensatie van onafhankelijkheid ondergaat.

Spreken

Aan het eind van het eerste jaar gaat een kind experimenteren met de taal. Het gebrabbel maakt plaats voor het spreken van herkenbare woorden. De tot dan toe anonieme wereld wordt benoemd met bijpassende, al dan niet aan de eigen fantasie ontsproten namen. Taal wordt langzamerhand een instrument om de wereld mee te herkennen. Dat proces verfijnt zich voortdurend, de woordenschat wordt voortdurend groter en het kind kan zich steeds beter uitdrukken. Het kan nu ook laten zien wat er bij hem van binnen omgaat. Gevoelens van plezier, onbehagen, pijn of honger kunnen naar buiten worden gebracht omdat hij er woorden voor heeft. Het kind maakt nu dus contact met de wereld om hem heen en met zijn eigen binnenwereld. Als uitdrukking van dat nieuw verworven besef van zijn eigen gevoelsleven, kan een kind in deze fase soms eenkennig worden. De ontwikkeling van de taal bereikt in het derde jaar een hoogtepunt als hij in staat is in duidelijke, grammaticaal juiste zinnen te spreken. Het geeft kleur aan zijn taal en kan overal over meepraten. Het kind merkt dat hij door de taal verbanden kan leggen en gebeurtenissen begrijpen. Het begint grapjes te snappen en laat duidelijk merken dat het nadenkt over wat hij meemaakt.

Denken

Na lopen en spreken is denken de derde grote stap die het kind maakt. Het denken wordt het werktuig waarmee hij nog dieper in de wereld kan doordringen dan met de taal mogelijk was. Maar er gebeurt nog iets. In zijn derde levensjaar gaat het kind zich vroeger of later afvragen, ook al is het onbewust: wat is nu het verband tussen de dingen om mij heen, die ik kan waarnemen en benoemen, en mijzelf?

Dan doet het kind een enorme ontdekking, die vaak de eerste bewuste herinnering is aan de kindertijd: het ontdekt zijn ik. ‘Ik ben het die loopt, spreekt en denkt. Ik ben iemand!’ Nooit zal ik vergeten dat een van mijn kinderen in die fase plotseling verzuchtte: ‘Ik ben een mens’. Dit is in het kinderleven een heel belangrijk moment dat de eerste drie jaar van zijn ontwikkeling afsluit.
Van nu af draait alles in zijn leven om het besef een individu, een ik te zijn. Alles wat een kind verder doet, moet te maken hebben met het uitgroeien en verdiepen van dat ik-gevoel.

Spelen

Tot nu toe waren lopen, spreken en denken nog slechts vaardigheden. Het zinvol hanteren van die vaardigheden, naar eigen inzicht en vanuit de eigen wil, moet nog komen. Dat gebeurt in de tweede helft van de kleutertijd. Het kind gaat experimenteren met lopen, spreken en denken en het grappige is dat het die vaardigheden nu in omgekeerde volgorde afwerkt. De ontwikkeling van de drie jaren die eraan vooraf gingen spiegelt zich in de ontwikkeling van de drie jaren die erop volgen. Het ik-gevoel is het knooppunt.

Het denken wordt verkend in de ontwikkeling van de fantasie. Het kind, inmiddels een peuter, verandert willens en wetens iets in zijn omgeving en bestudeert het effect van zijn handelen. Dat noemen we spelen. In het spel staat niets vast. Alles staat in dienst van de fantasie, die niets anders is dan het praktisch gemaakte denken.

De volgende stap is het samenspel. In de peuterklas speelt elk kind nog een beetje voor zichzelf, maar in de kleuterklas begint het met andere kinderen te spelen. Dat maakt het spel leuker en spannender. Het sociale element voegt duidelijk iets aan het spel toe. Het sociale is in feite niets anders dan een intensivering van wat in het tweede jaar ontstond als spreken. In de kleuterklas oefent het kind zich in het spreken vanuit zichzelf, vanuit zijn ik.

In het laatste kleuterjaar gaat het spel wat tanen. Het heeft het open, toevallige karakter verloren en is doelgericht geworden. Het kind neemt de leiding op zich als de kleinere kinderen spelen. De grote kleuter wil iets te doen hebben en zich niet alleen door zijn fantasie laten vermaken. Het is moeilijk de oudste kinderen in de kleuterklas nog zinvol bezig te houden. Een kind van zes of zeven is, zoals kleuterjuffen dat noemen, letterlijk uitgespeeld. Het weet wat het wil en staat daarvoor. Deze fase doet denken aan het leren staan en lopen uit het eerste jaar, zij het dat het kind van zes niet alleen lichamelijk onafhankelijk is, maar dat die onafhankelijkheid zich nu ook uitstrekt tot zijn gedrag. De waarneming, die eerst was verbonden met het staan en lopen, richt zich nu op de eigen wil. En net als toen het voor het eerst stond, straalt ook nu het zelfbewustzijn van het kind af. Natuurlijk doet ieder kind het op zijn eigen wijze, maar in grote lijnen zal de ontwikkeling van kinderen in die eerste zes, zeven jaar ongeveer zo verlopen. Er zit systeem in de manier waarop een kind in zijn lijfje groeit. Spel is daartoe een belangrijke voorwaarde. Aan het spel dankt het kind zijn harmonische ontwikkeling en het goed begeleiden en voeden van de behoefte aan spelen is een van de belangrijkste taken voor ouders en leerkrachten.

Groeikracht

Op de basisschool gaat het kind heel andere dingen doen dan op de kleuterschool. Lopen, spreken en denken staan niet meer in het teken van de fysieke ontwikkeling en het leren kennen van de eigen binnenwereld, maar dienen het ontdekken van de wereld om hem heen. Daarvoor moet hij zich allerlei vaardigheden eigen maken, zoals leren lezen, schrijven en rekenen. En daar heeft hij veel energie voor nodig.

Je kunt je afvragen waar een kind die energie vandaag haalt.

Het antwoord is even ingewikkeld als eenvoudig: zijn groeikrachten. De krachten die hem de eerste jaren in staat stelden zich lichamelijk en motorisch te ontplooien, komen nu voor een deel vrij, want het lichaam is grotendeels voltooid en hoeft ‘alleen’ nog maar te groeien. Er is een overschot aan groeikracht. Door dat overschot kan een kind zich gaan verbinden met de wereld om hem heen en dat doet hij door te leren. Wil een kind dus op een zinvolle manier kunnen leren, dan moet het energie over hebben, en dat heeft het alleen als het die energie niet meer nodig heeft voor zijn lichamelijke ontwikkeling. Of een kind klaar is voor de overstap van de kleuterklas naar de basisschool, hangt dus van meer af dan van zijn intellectuele vermogens. Het kan heel goed zijn dat een kind de krant al kan lezen, maar er lichamelijk nog lang niet aan toe is zich helemaal aan het leren te wijden. En omgekeerd is het helemaal niet gezegd dat een kind dat zijn naam nog niet kan schrijven niet schoolrijp is. Het is de taak van de kleuterjuf om aan het eind van de kleuterschool samen met de ouders, en bij twijfel eventueel met de orthopedagoog of de schoolarts, te beoordelen of een kind in staat zal zijn op de basisschool zinvol te functioneren.

Het is de ervaring van veel artsen en leerkrachten dat er steeds meer kinderen zijn met problemen op school, variërend van dyslexie en motorische stoornissen tot verveling in de klas en concentratieproblemen. Een van de oorzaken daarvan is dat onze samenleving meer nadruk legt op activiteiten met je hoofd en zintuigen, dan met je ledematen. Kleine kinderen weten vaak al goed de weg op de computer en kijken veel naar de televisie.

De nadruk bij het kijken ligt op het hoofd. De rest van het lichaam is niet actief en zou er net zo goed niet kunnen zijn. Daardoor krijgen kinderen niet echt de kans om door spel en beweging hun lichaam in te groeien. En dat is nu juist het allerbelangrijkste voor een kind. Pas als het het proces van leren lopen, spreken en denken in de eerste zes of zeven jaar helemaal heeft afgesloten – en dan ook nog op een manier die bij zijn persoonlijkheid past – heeft het de energie over om zich echt op het leren te storten.

.

Schoolrijpheid: alle artikelen

Peuters en kleuters: alle artikelen

Spel: alle artikelen

.

1850-1735

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het kind, de leerkracht, ontwikkeling, lesstof en leerplan

.

Het staat vast dat er op een school moet worden geleerd.

Ook op de vrijeschool.

In het onderwijs wordt ook wel opgevoed. Op de meeste scholen zijn er gedragsregels, worden de kinderen aangespoord hun handen te wassen na toiletbezoek of enigszins beleefd de leerkrachten aan te spreken enz.

Ook op de vrijeschool.

En de scholen willen de leerlingen iets leren. Willen lesstof overbrengen. Welke lesstof en wanneer die aan de orde komt, staat beschreven in het leerplan van de scholen. Dat heette op zeker ogenblik ‘schoolwerkplan’.

Dat is op de vrijeschool niet anders.

Is er dan geen verschil?

Zeker wel! 

De leerstof die op scholen wordt onderwezen, is de leerstof waarvan men vindt dat kinderen die onderwezen moet worden, gewoon omdat je veel weten moet om verder te kunnen in het leven.

Dat laatste was voor Rudolf Steiner niet genoeg. Leerstof was voor hem niet een doel op zich. Hij maakte het ondergeschikt aan de ontwikkeling van het kind. 

Hij constateerde in de tijd dat in 1919 de eerste vrijeschool werd opgericht dat het onderwijs te veel een instituut was waarin overdracht van kennis op de eerste plaats stond.

Dat staat het nu nog.

Dat moet op de vrijebasisschool niet zo zijn:

221*
We kijken niet meer naar de (volledige) mens, maar naar wat de mens moet worden bijgebracht, wat hij moet weten en in zich moet hebben. ( ) Wij moeten weer oog krijgen voor de héle mens.

Wil een vrijeschool een vrijeschool zijn, dan zal het in de eerste plaats moeten gaan om deze hele mens

Die hele mens kan worden beschreven:

40
Het moet ons duidelijk zijn dat we de lesstof hoofdzakelijk gebruiken om op de wil, het gemoed en het denken van het kind in te werken, dat het er ons niet zozeer om gaat wat het kind in zijn geheugen vasthoudt als wel dat het kind de kwaliteiten van zijn ziel ontwikkelt

De leestof wordt vanuit deze optiek méér dan alleen kennisoverdracht: de lesstof wordt een middel om de ontwikkeling van het kind – van kleuter tot volwassene – te ondersteunen.

Het gaat om meer:

214
We moeten het kunstzinnige on­derwijs – zowel in de beeldende als in de muzikale kunsten – van meet af aan in de school verzorgen. Het abstracte mag er niet heer en meester zijn, maar het kunstzinnige moet er heersen. En vanuit het kunstzinnige moet het kind gebracht worden tot het begrijpen van de wereld.

En daarmee wordt van de leerkracht iets meer verwacht dan de overbrenger te zijn van kennis: hij moet een kunstenaar zijn.

190
Want opvoeden en onderwijzen kan de mens alleen maar, wanneer hij hetgeen hij vorm moet geven, moet organiseren, net zo begrijpt als de schilder die slechts schilderen kan, wanneer hij de natuur, het wezen van de kleur kent; de beeldhouwer alleen maar werken kan, wanneer hij de aard van het materiaal kent enz. Wat voor de andere kunsten geldt die met zichtbaar materiaal werken, zou dat niet gelden voor die kunst die met het meest edele materiaal werkt dat de mens maar in handen kan krijgen, met het wezen mens zelf, zijn wording en zijn ontwikkeling?

168
Wat heeft het voor zin om iedere keer weer te zeggen dat we niet alleen maar droog les moeten geven, niet alleen stof moeten bijbrengen die het kind moet weten, wanneer we geen kans zien deze stof zo te veranderen dat het direct opvoedingsmiddel wordt?

Daarmee komt het wezen van het kind centraal te staan:

226
Want wat is eerlijk gezegd eigenlijk het mooiste in de wereld? Dat is toch de mens in wording!

236
De wordende mens, de zich ontwikkelende mens is een van de grootste raadsels van het leven en een goede opvoeder moet in de praktische vorming van de wordende mens degene zijn die het raadsel oplost

Dan wordt er van de leerkracht wel een en ander gevraagd:

219
Voor iemand die niet alleen met zijn nuchtere, droge verstand naar de wereld kijkt, maar in staat is deze invoelend te kennen, is het opgroeiende kind een wonderbaarlijk raadsel; hoe dit iedere dag, iedere week, iedere maand en ieder jaar zijn innerlijk steeds meer in de buitenwereld tot uitdrukking brengt.

228
De leerkracht moet een ongekende eerbied voor het kind hebben en weten: iets uit de goddelijk-geestelijke wereld is naar de aarde gekomen. Dat wij dit weten, tot ons hart laten doordringen en van daaruit opvoeder worden, daar komt het op aan

180
De vrijeschoolleerkracht 
moet leren lezen in het meest wonderbaarlijke document van de wereld, in de mens

217
( ) waar is het boek waarin de pedagoog kan lezen wat pedagogie is? Dat zijn de kinderen zelf! Je moet uit geen enkel ander boek pedagogie leren dan uit het boek dat opengeslagen voor je ligt. Dat zijn de kinderen zelf. Daarom heb je een zeer grote interesse nodig voor ieder kind apart

231
Het zal er steeds op aankomen dat wij voor iedere leeftijd dat vinden wat door de ontwikkeling van de mens voor deze leeftijd zelf gevraagd wordt. En daarvoor hebben we nodig dat we de mens echt goed kunnen observeren, en een echte menskunde

‘Het kind centraal’ – ik leerde het vijftig jaar geleden al – dáár gaat het om. 

Maar hoe maak je dit waar; alleen door te zeggen dat het kind centraal staat, staat het automatisch nog niet centraal. 
Allereerst gaat het erom dat je goed kan waarnemen. M.a.w. zie je het kind.
Zie je het vanuit zijn onuitgesproken verlangen dat het ‘gezien wil worden?’

195
Voor opvoeding en onderwijs, wil het floreren, is het noodzakelijk dat je als opvoeder en leerkracht zo goed leert waarnemen dat je de gevoelsuitingen, de wordende gestalte van het kinderlijk organisme door de uiterlijke schijn heen begrijpt

Door het waar te nemen, leer je ook zien dat het kind van alles van ons onuitgesproken vraagt:

232
Het gaat erom dat je aan de natuur van het kind afleest wat je met hem moet doen 

53
( ) Uit de kennis van de menselijke levensfasen wordt het juiste leerplan ontwikkeld. Het kind zelf geeft ons aan, als we het werkelijk kunnen waarnemen, wat het op een bepaalde leeftijd wil leren

Vanuit vele gezichtspunten heeft Steiner over deze levensfasen gesproken. Ze vormen een belangrijk deel van zijn menskunde.

93
Zo kun je met een echte menskunde aan de ontwikkeling van de mens aflezen wat je van week tot week, van maand tot maand, van jaar tot jaar met het kind opvoedend en onderwijzend te doen hebt. Het leerplan moet een kopie zijn van wat je kan lezen in de ontwikkeling van de mens

205
We hebben een pedagogiek nodig die op menskunde, op het kennen van het kind, berust

Ontwikkeling van het kind, leerstof en leerplan

De inhoud van Steiners pedagogische voordrachten heeft vooral betrekking op de ontwikkeling van het kind.
De leerstof wordt beschreven in relatie tot deze ondersteuning bij de ontwikkeling.
Hij komt in deze voordrachten niet tot een kant-en-klaar leerplan voor alle klassen, het blijven leerplanaanwijzingen, waarbij de leerstof, lesstof gegroepeerd wordt om deze ontwikkeling, wat zijn neerslag vindt in het leerplan.

Wir haben ja, sowohl durch die allgemein päd­agogischen Betrachtungen wie durch die didaktischen Betrachtungen, die notwendigen Gesichtspunkte zu gewinnen versucht, um die Glie­derung des Lehrstoffes mit Rücksicht auf die Entwickelung des werden­den Menschen richtig betrachten zu können.

Zowel door de algemene pedagogische als door de didactische beschouwingen hebben we immers de nodige gezichtsounten proberen te vinden om een juiste indeling van de leerstof te kunnen maken, reikening houdend met de ontwikkeling van de opgroeiende mens.
GA 295/154
Vertaald/143
In de loop van de jaren na zijn dood in 1925 heeft het leerplan vastere vormen aangenomen. Ervaringen, resultaten van studies werden als gezichtspunten voor verdere leerplanontwikkeling geïmplementeerd. Het is niet meteen duidelijk wat van Steiner komt en wat door anderen is toegevoegd. 

Rudolf Steiner over de lesstof van klas 1


Wat hij over de verschillende leerstof zei, vind je via Rudolf Steiner: alle artikelen, zie onder.

.*de getallen verwijzen naar de volgorde waarin deze citaten als ‘wegwijzers‘ op deze blog zijn verzameld.

Rudolf Steiner: over het leerplan

Rudolf Steiner: algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle klassen

.

1846-1731

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 3 (3-8)

.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE
.

*GA 293
Vertaling

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken bij alle voordrachten.
De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

Nadat Steiner op blz. 57 over botten en zenuwen heeft gesproken [3-7], maakt hij nog drie ‘uitstapjes’ waarin botten en zenuwen een rol spelen.
Rachitis [nog niet oproepbaar] en het oog [nog niet oproepbaar] en op blz. 58 brengt hij botten en zenuwen in verband met het abstracte denken.

blz. 58 (vert)

Die Alten haben in ihrem Wissen immer eine Verwandtschaft gefühlt zwischen dem Nervenmark, der Nervensubstanz und dem Knochenmark oder der Knochensubstanz, und sie sind der Meinung gewesen, daß man mit dem Knochenteil ebenso denkt wie mit dem Nerventeil. Das ist auch die Wahrheit. Wir verdanken alles, was wir an abstrakter Wissenschaft haben, der Fähigkeit unseres Knochensystems. 

De mensen in de oudheid hebben in hun kennis altijd een verwantschap gevoeld tussen het zenuwmerg, de substantie van de zenuwen, en het merg in botten, de substantie van het bot. Ze waren van mening dat men evenzeer met de botten denkt als met de zenuwen. Dat is ook de waarheid. Alle abstrac­te wetenschap hebben we te danken aan het vermogen van ons botstelsel.

Steiner doet heel vaak uitspraken die we moeilijk kunnen verifiëren. Waar zouden we bv. ‘in de oudheid’ kunnen vinden wie ‘de mensen’ zijn die deze verwantschap gevoeld hebben en wat voelden ze dan en waaruit blijkt dat?

Hadden we tot nog toe de indruk dat het abstracte denken gebonden is aan het zenuwstelsel – de uitleg daarvan neemt een aanzienlijke plaats in in de 2e voordracht [bv. in 2-4], nu moeten we proberen te begrijpen dat het ook met het bottenstelsel samenhangt.

Ik heb al eerder opgemerkt dat Steiner telkens weer terugkomt op wat hij eerder en in ander verband al eens heeft besproken en dat hij, wanneer hij er dan weer op terugkomt, telkens een andere invalshoek kiest, andere aspecten belicht.
Zo komt dit onderwerp ook ter sprake in GA 128, voordracht 7, van 27 maart 1911.

Zo weten we inmiddels dat de drie psychische functies: denken, voelen en willen, hun lichamelijke uitdrukking vinden in het zenuw-zintuigstelsel, in ademhaling-bloedomloopstelsel en het stofwisseling-ledematenstelsel. [drieledige mens 2-8]

Alle activiteiten van deze psychische functies oefenen hun invloed uit op hun lichamelijke component; zijn er voor een (groot) deel afhankelijk van, beïnvloeden elkaar wederzijds.

In bovengenoemde voordracht behandelt Steiner het denken en hoe dit zijn invloed heeft op het fysieke lichaam.

blz. 132

Jedem denkerischen Vorgange entspricht ein Vorgang in unserem Organismus, ebenso jedem Gefühlsvorgange und ebenso jedem Vor-gange, der mit dem Ausdruck Willensimpuls bezeichnet werden muß. Gleichsam könnten wir sagen: Wenn in unserem Seelenleben etwas vorgeht, wird eine Welle angeschlagen, die sich bis hinunter in den physischen Organismus fortpflanzt. 

Bij ieder denkproces hoort een activiteit in ons organisme, evenzo bij ieder gevoelsproces en bij ieder proces dat met de uitdrukking van de wilsimpuls bestempeld moet worden. We kunnen dus zeggen: wanneer er in ons zielenleven iets plaatsvindt, wordt er een golf in beweging gebracht die zich tot in het fysieke organisme voortplant.

Nehmen wir zunächst den Vorgang des Denkens. Da ist es am besten, einen solchen Gedanken-prozeß ins Auge zu fassen, der wie das rein mathematische Denken oder ein ähnliches objektives Denken unsere Gefühle und unseren Willen unbeeinflußt läßt. Solche Gedankenprozesse, die denkerische Prozesse «in Reinkultur» sind, wollen wir zunächst ins Auge fassen. Was geht in unserem Organismus vor, wenn sich solche Gedanken-prozesse in unserem Seelenleben abspielen? Jedesmal, wenn wir den­ken, wenn wir Gedanken fassen, findet in unserem Organismus ein Prozeß statt, den wir vergleichen können – ich sage das nicht als Analogie, sondern als eine Tatsache, der Vergleich soll uns auf Tatsa­chen führen -, den wir vergleichen können mit dem Prozeß einer Kristallisation. Wenn wir in einem Glase Wasser haben, das bis zu einem gewissen Grade erwärmt ist, und darin irgendein Salz, Stein­salz zum Beispiel, aufgelöst haben und bringen nun durch Abküh­lung des Wassers dieses aufgelöste Salz zur Kristallisation, dann vollzieht sich der der Auflösung entgegengesetzte Prozeß. Wenn das Salz ganz aufgelöst ist, ist das Wasser durchsichtig. Wenn aber das Wasser wieder abgekühlt wird und der der Auflösung entgegenge­setzte Prozeß im Wasser sich vollzieht, dann wird das Salz wieder herauskristallisiert aus dem Wasser; es geschieht eine Salzrückbil­dung, eine Salzeinlagerung im Wasser. Der Prozeß stellt sich also so

Laten we eerst het denkproces nemen. Nu is het het beste naar een denkproces te kijken dat als een puur wiskundig denken of een soortgelijk objectief denken, niet van invloed is op onze gevoelens en onze wil. [ ] Wat gebeurt er wanneer dergelijke denkprocessen zich in ons zielenleven afspelen? Iedere keer als we denken, wanneer we gedachten formuleren, vindt er in ons organisme een proces plaats dat we kunnen vergelijken – ik zeg dit niet als een analogie, maar als een feit, de vergelijking moet ons bij de feiten brengen – met een kristallisatieproces.
Wanneer we een glas met water hebben dat een bepaalde warmte heeft en er zit zout in, steenzout bv. dat we opgelost hebben en we laten het afkoelen, dan komt het tot kristalvorming, er voltrekt zich een proces precies tegenovergesteld aan dat bij het opwarmen. Wanneer het zout helemaal opgelost is, is het water doorzichtig. Wanneer het echter weer afgekoeld wordt en het tegenovergestelde proces voltrekt zich, dan wordt het zout weer tot kristallen; er vindt zoutvorming plaats, een zoutafzetting in het water.

blz. 133

dar, daß wir sehen: In dem vorher warmen Wasser entsteht, wenn wir es abkühlen, ein Festes; es lagert sich im Flüssigen ein Festes ein, eine Salzablagerung. Wie gesagt, ich habe vorausgesetzt, daß durch die Angaben okkulter Resultate derjenige, der nur pedantisch im rein philiströsen Sinne die Tatsachen zugeben will, die von der Wissen­schaft registriert sind, zunächst schockiert werden kann.

Het proces doet zich zo voor dat wij zien: in het van te voren warm gemaakte water ontstaat, wanneer we het afkoelen, iets wat vast is; in het vloeibare zet zich iets wat vast is af, een zoutafzetting. [ ]

Ein ganz gleicher Prozeß spielt sich nun ab in unserem Organis­mus, wenn wir denken. Es ist der Prozeß des Denkens entsprechend einem Einlagerungsprozeß von Salzen, der ausgeht von einer Wir­kung unseres Blutes und der irritierend zurückwirkt auf unser Ner­vensystem, ein organischer Prozeß also, der sich abspielt an der Grenze unseres Blutes und unseres Nervensystems. Und geradeso, wie wir beim Anschauen des Wassers in dem Wasserglase das Aus­kristallisieren des Salzes beobachten können, so können wir sehen, wenn wir einen Menschen beobachten, der in der befriedigenden Lage ist zu denken, wie sich in der Tat – für das hellseherische Auge sehr genau übersinnlich wahrnehmbar – ein solcher Prozeß abspielt. So haben wir das physische Korrelat des Denkprozesses einmal vor unsere Seele hingestellt.

Een soortgelijk proces speelt zich af in ons organisme als we denken. Het is een afzettingsproces van zouten dat bij het proces van denken hoort, dat uitgaat van een werking van ons bloed dat irriterend terugslaat op ons zenuwsysteem, een organisch proces dus, dat zich afspeelt op de grens van ons bloed en ons zenuwsysteem. En net zoals we bij het kijken naar het water in het glas het kristalliseren van het zout kunnen zien, kunnen we, wanneer we naar een mens kijken die in de gelukkige omstandigheid van het denken verkeert, waarnemen hoe zich – voor de helderziende blik zeer nauwkeurig bovenzinnelijk waar te nemen – zo’n proces voltrekt. Nu hebben we ons het fysieke correlaat van het denkproces voor de geest gesteld.

Steiner geeft in deze voordracht ook aan wat voor lichamelijk correlaat voelen en willen hebben.

Voor het denken zegt hij dan:

Von der Salzablagerung bis zur Quellbar­keit und zur Erwärmung spielen sich diese Prozesse so ab, daß der ganze Organismus ergriffen wird oder auch, zum Beispiel beim denkerischen Prozeß, hauptsächlich ein Teil unseres Organismus, Gehirn und Rückenmarksystem. In der mannigfaltigsten Weise im menschlichen Organismus verteilt sind diese Prozesse, welche Folgen der Einwirkung der seelischen Prozesse sind.

[ ] bij het denkproces spelen zich de processen van de zoutvorming zich hoofdzakelijk af in de hersenen en het ruggenmergsysteem.
GA 128/132
Niet vertaald

Als Steiner hierboven aangeeft dat hij hier naar het denken kijkt wanneer het actief is bij wiskundig denken of objectief denken, zegt hij daar niet met zo veel woorden dat het Ik dan heel actief moet zijn.
Dat doet hij later in de voordracht wel:

blz. 139

Fassen wir die Sache noch von einem anderen Gesichtspunkt ins Auge. Wir wissen ja jetzt, daß alles, was wir als bewußte Denktätig­keit, die vom Ich bewirkt wird, bezeichnet haben, sich zum Aus­druck bringt durch eine Art von feinster Salzablagerung im Blut. Es gibt sich also das bewußte Denken zu erkennen durch eine Art von innerer Salzablagerung.

Laten we de zaak nog eens van een andere kant bekijken. We weten nu dat alles wat we de bewuste denkactiviteit genoemd hebben die van het Ik uitgaat, zich manifesteert door een soort fijne zoutafzettingen in het bloed. Het bewuste denken geeft zich te kennen door een manier van inwendige zoutafzetting.

In Theosofie merkt Steiner over het lichaam op:

Der Menschenleib hat einen dem Denken entsprechenden Bau. Dieselben Stoffe und Kräfte, die auch im Mineralreich vorhanden sind, finden sich im menschlichen Leib so gefügt, daß sich durch diese Zusammenfügung das Denken offenbaren kann. Dieser mineralische, in Gemäßheit seiner Aufgabe gebildete Bau soll für die folgende Betrachtung der physische Körper des Menschen heißen.
Der auf das Gehirn, als seinen Mittelpunkt, hingeordnete mineralische Bau entsteht durch Fortpflanzung und erhält seine ausgebildete Gestalt durch Wachstum.

Het menselijk lichaam heeft een bouw die bestemd is voor het denken. Dezelfde stoffen en krachten die ook in het rijk van de mineralen voorkomen, zijn in het menselijk lichaam op zo’n manier samengevoegd, dat het denken zich kan openbaren. Deze minerale bouw, die naar zijn functie is gevormd, wordt in het vervolg het fysieke lichaam van de mens genoemd. Dit samenstel van mineralen, dat de hersenen als middelpunt heeft, ontstaat door voortplanting en ontwikkelt zijn volledige gestalte door groei.
GA 9/18
Vertaald/33

Over deze minerale opbouw zegt hij dan verder:

Wir können daher also erwarten, daß da, wo aus dem Kosmischen heraus unser Knochensystem vorgebildet wird, so daß der Organismus die materielle Stütze bilden kann für den Menschen als denkerisches Wesen, wir auch den physischen Prozeß einer Salzablagerung finden müßten. Wir müßten also Salzablagerun-gen im Knochensystem finden können; und tatsächlich bestehen die Knochen zum Teil aus phosphorsaurem und kohlensaurem Kalk, also aus abgelagerten Kalksalzen.

We mogen dus verwachten dat daar waar vanuit de kosmos ons bottensysteem voorgevormd is zodat het organisme de stoffelijke steun kan vormen voor de mens als denkend wezen, we ook het fysieke proces van een zoutafzetting moeten kunnen vinden. We moeten dus zoutafzetting kunnen vinden in het bottensysteem en inderdaad: de botten bestaan voor een deel uit fosforzure en koolzure kalk, dus uit afgezette kalkzouten.
GA 128/139-140
Niet vertaald

In GA 212 benadert Steiner de botten vanuit het vierledig mensbeeld, nu in samenhang met de ‘aggregatietoestanden’ :

Wir können sagen: Das Ich greift in den Wärmezustand ein, der astralische Leib in den gasförmigen Zustand, der Atherleib in den flüssigen Zustand; nur das Feste bleibt unangetastet. Da geht es nicht herein. Den­ken Sie sich einmal das, wie es nun im menschlichen Organismus ist: Hier haben wir das Gehirn, aber das ist noch wässerig. Jetzt sind da darinnen feste Bestandteile. Da, sagte ich, geht das Seelische nicht herein. … Das, was wir Festes in uns haben, sind ja immer salzartige Ablagerungen. Un­sere Knochen sind nur Bestandteile solcher Ablagerungen. Aber in unse­rem Gehirn geschehen fortwährend ganz feine, sich immer wieder auflö­sende Ablagerungen. Ich möchte sagen: In unserem Gehirn ist immer die Tendenz vorhanden, sich einfach zu solchen Knochen zu bilden, das Ge­hirn ganz knöchern zu machen; es löst sich nur immer wieder auf, weil alles beweglich ist. Sodass, wenn wir gerade das Gehirn betrachten, da
haben wir also zunächst die Wärmezustände des Gehirns, da drinnen lebt die Luft, die fortwährend ein- und ausgeatmet wird, aber die ins Gehirn­wasser heraufspielt; der astralische Leib lebt darinnen. Wir haben das Gehirnwasser; der ätherische Leib lebt darinnen. Jetzt bekommen wir das Feste. Da kann das Seelische nicht herein. Es kann nicht herein, indem wir in uns Salze ablagern. … Bedenken Sie: Da stehen Sie als Mensch. Da haben Sie Ihren Orga­nismus. Da haben Sie in Ihrem Organismus die Wärme, das Gasförmige, das Flüssige: da kann Ihr Seelisches überall herein. Aber da ist etwas drinnen, in das IhrSeelisches nicht herein kann. Das ist so, wie wenn Sie hier allerlei Gegenstände haben, die vom Lichte bestrahlt werden, das Licht wieder zurückwerfen. Sie haben 

We kunnen zeggen: het Ik grijpt in in de warmtetoestand, het astraallijf in het gasvormige, het etherlijf in het vloeibare, alleen het vaste blijft onaangeroerd. Daar gaat niets in. Stel je voor hoe het in het menselijk organisme zit: hier zijn de hersenen, maar die zijn nog waterig. Nu zijn daar ook vaste bestanddelen. Ik zei dat daar de ziel niet in kan. En wat wij aan vaste stof in ons hebben, zijn steeds zoutachtige afzettingen. Onze botten zijn alleen maar delen van zulke afzettingen. Maar in onze hersenen worden steeds voortdurend heel fijne, steeds zoutachtige afzettingen, opgelost. In onze hersenen is steeds de tendens aanwezig om zich om te vormen tot dergelijke botten, het brein steeds botachtig te maken; maar steeds wordt dit opgelost, omdat alles in beweging is. Dus als we naar de hersenen kijken, hebben we daar allereerst de warmtetoestand van de hersenen, daar zit ook de lucht die voortdurend in – en uitgeademd wordt, die op het hersenwater werkt; daar leeft het astraallijf in. En dan hebben we het hersenwater waarin het etherlijf leeft. Nu nemen we het vaste. Daar kan de ziel niet in. Dat kan niet, omdat we daar zout afzetten.[ ] Dus je hebt in het organisme de warmte, het luchtachtige, het vloeibare: overal kan de ziel in. Maar we hebben iets, daar kan de ziel niet in. Daarbij is het net of we hier allerlei voorwerpen hebben die door het licht beschenen worden, het licht weer terugkaatsen. Je hebt

blz. 63

eine Spiegelfläche, da kann das Licht nicht durch, wird zurückgestrahlt. So haben Sie in sich Ihren festen Salzorganismus. Da kann das Seelische nicht herein, da wird das Seelische fortwährend zurückgestrahlt. Ja, wenn Sie das nicht hätten, so würden Sie zunächst überhaupt gar kein Bewusstsein haben können, denn das, was Sie nun in sich als Bewusstsein haben, das sind die von Ihrem Salzorganismus zurückgestrahlten Seelenerlebnisse.

een spiegelend vlak en daar kan het licht niet doorheen, dat wordt teruggestraald. Nu heb je in je een vast zoutorganisme. Daar kan de ziel niet doorheen, het wordt voortdurend teruggestraald. En wanneer je dat niet had, zou je absoluut helemaal geen bewustzijn kunnen hebben, want wat je als bewustzijn in je hebt, zijn de zielenbelevingen die door het zoutorganisme worden teruggestraald.

Diejenigen, die hineingehen in Ihr Ich, in Ihren gasförmigen Organismus, in Ihren flüssigen Organismus, die erleben Sie zunächst nicht. Erst weil überall das, was da in der Wärme, was in dem Gasförmigen, was in dem Flüssigen als Seelen-leben vor sich geht, ebenso wie die Lichtstrahlen vom Spiegel zurück-geworfen werden, am Salz zurückgeworfen wird, erst dadurch erleben Sie das, was Seelisches ist. Dadurch haben Sie diese innerliche Spiege­lung, die nun innen als Vorstellungen lebt.

De zielenbelevingen die je Ik binnengaan, je gasvormige, je vloeibare organisme die beleef je in eerste instantie niet. Pas als overal wat in de warmte, in het luchtachtige, in het vloeibare als zielenleven plaatsvindt, net zo als de lichtstralen door de spiegel teruggekaatst worden, door het zout teruggekaatst wordt, pas dan beleef je wat ziel is. Daarom heb je deze inwendige spiegeling die binnen in je als voorstelling leeft.
GA 212/62-63
Niet vertaald

Hier zijn we weer even terug in voordracht 2, voorstelling en spiegeling [2-2-2]

Wat de ziel beleeft – de zielenbelevingen- zijn in dit kader: denken, voelen en willen, waarbij nu de nadruk ligt op het denken als zielenkwaliteit. 
Via ‘een omweg’ hebben we nu meer zicht op de zin: alle abstracte wetenschap hebben we te danken aan het vermogen van ons botstelsel.

Leber merkt op: [7]

De zoutprocessen met hun mogelijkheid tot kristalliseren vind je niet alleen in het zenuwsysteem, maar in sterkere mate nog in het bottenstelsel; daardoor worden processen in gang gezet die meer dichtheid en vastheid veroorzaken. Deze verdichting, die steeds vergezeld gaat met ontvitalisering, hangt ook steeds samen met bewustworden. Zo gaat in de ontwikkeling van de mens tegelijk met groei ook vaak een sterke mineraliseringsimpuls gepaard, bv. bij het ontstaan van de blijvende tanden waarvan het tandglazuur niet alleen harder is dan dat van de melktanden, maar ook van dat bij de mensapen. Zowel de myelinevorming alsook de vorming van de tanden en het kalkvormingsproces van de botten betekenen – aldus Wolgang Schad [4] een steun voor het bewustzijn. Bij de botvorming is calciumhydroxilfosfaat ? betrokken en wanneer de structuur daarvan met röntgenstralen wordt onderzocht vertoont het een anorganische kristalstructuur.

Met de tandenwisseling en de eerste gestalteverandering ontstaat bij het kind dat het zich willekeurig iets kan gaan voorstellen, volgens Piaget/Inhelder [5]. Zijn denken verandert van een aanschouwelijk-symbolisch denken in het logisch concrete.
Ook met de groei-impuls bij de puber – die met een duidelijke lengtegroei gepaard gaat – verandert het intellectuele vermogen, voor zover het abstract logische operaties betreft en ontstaat de toenemende zelfstandigheid van het oordelen, de mondigheid [4]
Met de afsluiting van de groei van het skelet, ontstaat de persoonlijkheidsrijpheid.
Het gaat niet om rijpingsprocessen van de hersenen, maar om toenemende synthetiserende prestaties van het bewustzijn. [4]
Ook het actieve inzetten van het ledematenskelet opent bijzondere denkkwaliteiten: lichamelijke beweging kan, zoals de ervaring* leert, tot bijzondere gedachten en invallen leiden, zoals ook grote onderzoekers als bv. Helmholz of Gauß bevestigen. [6]

*Omdat ik een fervent wandelaar ben, kan ik deze zin bevestigen: al vele keren wist ik na een dagwandeling aan het eind van de dag een oplossing, een antwoord voor een probleem of op een vraag waarmee ik mij gedurende de wandeling bezighield.
Ik denk dat de wandelcoach – bewust of onbewust – van deze wijsheid gebruik maakt.

Wat betekenen deze gezichtspunten voor het onderwijs

Dat betekent voor het lesgeven aan jongere kinderen m.n., dat bij een teveel aan moeten ‘nadenken’ een ‘ontvitaliseringsproces’ actief is. Wat er is opgemerkt over ‘kristallisatie/zoutprocessen brengt Steiner elders in verband met het ontstaan van hoofdpijn. Klagen de kinderen over hoofdpijn? (Natuurlijk: is er voldoende zuurstof in de klas?) Dat te veel moeten nadenken, het ‘hoofdwerk’ gaat ten koste van de levenskrachten. En vanuit deze invalshoek worden we weer gewezen op het belangrijke feit dat er in de leerstof steeds iets ‘wordends’ moet zitten, iets beeldends, iets fantasievols; dat er daarbij met de ledematen geleerd kan worden. 

.

*GAGesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

[4] Schad ‘Die menschliche Nervenorganisation‘ 1, blz. 291
[5] Piaget ‘Die Psychologie des Kindes 
[6] Copei ‘Der fruchtbare Moment im Bildungsprozess
[7] Leber ‘Kommentar Allg. Menschenkunde‘ deel 1 blz. 444

.

Algemene menskunde: voordracht 3 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1845-1730

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 297 – voordracht 3

.

RUDOLF STEINER

BASISGEDACHTEN EN PRAKTIJK VAN DE VRIJESCHOOL

9 voordrachten, een bespreking en vragenbeantwoording tussen 24 augustus 1919 en 29 december 1920 in verschillende plaatsen [1]

GA 297: vertaling
Inhoudsopgave   voordracht   [1]  [2]  [4]  [5]  [6]  [7]  [8]  [9]
vragenbeantwoording bij de 5e vdr.;  vragenbeantwoording bij de 6e vdr.;
bespreking van pedagogisch-psychologische vragen; vragenbeantwoording bij de 9e vdr.

.

VORTRAG FÜR DIE ELTERN DER WALDORFSCHULKINDER Stuttgart, 31. August 1919 (abends)

Voordracht voor de ouders van de vrijeschoolkinderen, Stuttgart, 31 augustus 1919, ’s avonds

Mededeling van uitgeverij Nearchus:

Deze voordracht verscheen destijds (en werd in 1998 herdrukt) in een klein bundeltje onder de titel Vrijheid van onderwijs & sociale driegeleding, samen met een samenstelling van fragmenten van Rudolf Steiner (2017 in de vorm van een brochure uitgegeven onder de titel VRIJ om te worden wie je bent) en een artikel van Mouringh Boeke met daarin een voorstel voor nieuwe onderwijswetgeving.

Het plan is dat we Opvoeding en sociale verandering gaan heruitgeven, ook in de vorm van een kleine brochure.

.

[1] GA 297

[2] Voordracht 3 (Duits)
,

Rudolf Steineralle artikelen

.

1842-1727

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 297 vragenbeantwoording bij 5e voordracht

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com

RUDOLF STEINER

BASISGEDACHTEN EN PRAKTIJK VAN DE VRIJESCHOOL

9 voordrachten, een bespreking en vragenbeantwoording tussen 24 augustus 1919 en 29 december 1920 in verschillende plaatsen [1]

GA 297: vertaling
Inhoudsopgave   voordracht   [1]  [2]  [3]  [4]  [5]  [6]  [7]  [8]  [9]
vragenbeantwoording bij de 6e vdr.

Vragenbeantwoording bij de 5e voordracht. In de Duitse uitgave staat deze beantwoording onder de voordracht zelf. [2]

Inhoudsopgave van de vragenbeantwoording die hoort bij de 5e voordracht, Basel 25 november 1919

Blz. 147, 148: iemand die de voordracht heeft bijgewoond houdt een pleidooi voorf meer leven in de religie, filosofie, wetenschap en de kunsten.
Steiner antwoordt daarop:
Geesteswetenschap moet op elk gebied meer omvattende ideeën ontwikkelen
Blz. 149: de taak van de geesteswetenschap
in de kunst is men tot naturalisme vervallen; de natuur kun je niet imiteren; pogingen om daarbovenuit te komen: expressionisme
Blz. 151: door vastlopen van oude gezichtspunten: verlangen naar geesteswetenschap
Blz. 152: oprichting vrijeschool vanuit de geesteswetenschap; niet vanuit het geheugen iets aangeleerds doen, maar vanuit de levende realiteit (in de klas)
Blz. 153: pedagogie als scheppende kunst
Blz. 155: een hernieuwde geest is nodig om de problemen te kunnen oplossen

blz. 147

Kurze Diskussion mit Fragenbeantwortung

Herr Wachter: [. ] Wie es mir scheint, hatte Herr Dr. Steiner ganz richtig
erwähnt, daß in unserer [Zeit] Naturwissenschaft, Philosophie, Religion und man darf sogar auch sagen die modernen Künste, vollständig versagt haben. […] Warum haben diese versagt? […] – Und da glaube ich, daß der Haupt-grund des Versagens darinnen liegt, weil man eben die Naturwissenschaft, die Religion und die Künste in Abstraktum behandelt. Man hat die Religion wegen der Religion behandelt; man hat die Naturwissenschaft der Naturwis­senschaft zuliebe getrieben; man hat Pädagogik betrieben, nicht um die Kinder zu erziehen, nein, man hat die Kinder gequält der Pädagogik zuliebe. Hat man die Künste getrieben, um den Menschen das Leben zu verschönen? Nein, man hat die Künste getrieben gewissermaßen als kuriose Gedan­kenspiele, einfach der Kunst zuliebe. Und darinnen liegt, glaube ich, der

Korte discussie met vragenbeantwoording

De heer Wachter: [ ] Naar het mij lijkt, heeft Dr. Steiner geheel terecht opgemerkt, dat in onze tijd de natuurwetenschap, filosofie, religie en je mag ook wel zeggen de moderne kunsten, het volledig hebben laten afweten. [  ]  Maar waarom? [ ] En ik geloof dat het op een abstracte manier omgaan met de natuurwetenschap, religie en kunsten de voornaamste reden daarvan is. Men heeft de religie om de religie genomen; men heeft aan natuurwetenschap gedaan om wille van de natuurwetenschap; men heeft aan pedagogie gedaan, niet om kinderen op te voeden, nee, men heeft de kinderen met de pedagogie gekweld om wille van de pedagogie. Heeft men aan kunst gedaan om het leven voor de mens mooier te maken? Nee, men heeft aan kunst gedaan als curieus gedachtespel, alleen voor de kunst. En daarin ligt, geloof ik, de

blz. 148

Denkfehler, der beseitigt werden muß. Man müßte Religion ins Leben tragen, Naturwissenschaft anwenden im Leben und darinnen den Zweck der Naturwissenschaft sehen, daß man sie im Leben eben verwendet; den Schwerpunkt gerade darauf richtet, daß man die Kunst im Leben drinnen sieht, nicht vom Leben loslöst. Aber es ist deshalb absolut nicht notwendig, daß man diese Sachen alle wegschmeißt und sagt: «Sie bedeuten an sich nichts… ».
Denn eine falsche Anwendung der Sache beweist noch lange nicht, daß die Sache nichts wert ist. […] Und ich glaube, daß gerade die Geistes­wissenschaft, wie sie Herr Dr. Steiner in seinem Vortrag gebracht hat, dazu beitragen und in dieser Richtung sehr Gutes wirken kann, indem sie den Menschen zeigt: Ihr müßt Leben in die Sachen hineinbringen, und die Sachen nicht abstrakt bringen.

denkfout die vermeden moet worden. Men zou religie in het leven moeten brengen, natuurwetenschap gebruiken in het leven en het doel van de wetenschap zien in het toepassen daarvan in het leven; het zwaartepunt moeten leggen op de kunst die in het leven zichtbaar is, niet van het leven vervreemdt. Maar daarom is het absoluut niet nodig dat je alles overboord zou gooien en zeggen: ‘Het betekent toch allemaal niks…’ Want een verkeerde toepassing van de dingen is nog bij lange na geen bewijs dat die dingen niets waard zijn. [ ] En ik geloof dat juist de geesteswetenschap, zoals Dr. Steiner die in zijn voordracht heeft laten zien, daaraan heel goed kan bijdragen en in deze richting heel goed kan werken, wanneer ze de mensen laat zien: jullie moeten leven in de dingen brengen en ze niet abstract brengen.

Rudolf Steiner: Was der verehrte Vorredner gesagt hat, erfordert ja von meiner Seite aus nicht ein weiteres Eingehen, denn das war ja nur der Hinweis auf einen besonderen Punkt, und zwar in einem Sinne, mit dem ich durchaus einverstanden sein kann.
Selbstverständlich wird gerade derjenige, der im Sinne der von mir hier gemeinten Geisteswissenschaft spricht, nicht der An­sicht sein, daß man dasjenige, was in der neueren Zeit hervorge­treten ist als Naturwissenschaft, als Philosophie, oder – ich bin vollständig einverstanden mit dem, was Herr Wachter gesagt hat
– auch in bezug auf die Künste, daß man das wegzuschmeißen habe aus dem Grunde, weil es in der Tat zu jenem Abwege geführt hat, von dem Herr Wachter gesprochen hat. Aber das soll gerade das Wesen der hier gemeinten Geisteswissenschaft sein, daß alle diese, durch gewisse naturwissenschaftlich notwen­digen Voraussetzungen des Lebens der letzten Jahrhunderte ein­seitig gewordenen menschlichen Betätigungen ihre Einseitigkeit aufgeben und in eine allgemeine Strömung des umfassenden Lebens einmünden. Sie werden ja, wenn Sie verfolgen, wie ich nicht nur geistes­wissenschaftliche Bücher geschrieben habe, sondern zum Beispiel den Werdegang der Philosophie in meinem Buch «Die Rätsel der Philosophie» beschrieben habe, wie ich versucht habe, das Wesen der Künste zu deuten, und was ich versuche jetzt in Dornach drau­ßen in dem Bau, der als Goetheanum, als Hochschule für Gei­steswissenschaft, auch in bezug auf seine äußere Ausgestaltung ein

Rudolf Steiner: wat de geëerde inleider heeft gezegd, vraagt van mij niet dat ik er verder op zou hoeven ingaan, want dit was toch een verwijzing naar een bijzonder punt, in die zin ben ik het er beslist mee eens. Vanzelfsprekend zal degene die hier spreekt vanuit de geesteswetenschap niet van mening zijn dat  wat de laatste tijd als natuurwetenschap, als filosofie, of – ik ben het helemaal eens met wat de heer Wachter heeft gezegd – ook m.b.t. de kunsten aan het licht is getreden, dat men daar afstand van zou moeten nemen omdat het inderdaad tot het dwaalspoor leidt waarover de heer Wachter heeft gesproken.
Maar het wezen van de hier bedoelde geesteswetenschap moet nu juist zijn dat al deze, door bepaalde natuurwetenschappelijk noodzakelijke premissen over het leven van de laatste eeuwen, eenzijdig geworden menselijke activiteiten, hun eenzijdigheid opgeven en in een algemene stroom van een omvattend leven uitmonden.
U zal, als u nagaat dat ik niet alleen maar geesteswetenschappelijke boeken heb geschreven, maar b.v. ook de ontwikkelingsgeschiedenis van de filosofie in mijn boek ‘De raadsels van de filosofie’, [3] hoe ik geprobeerd heb het wezen van de kunsten te duiden en wat ik nu in Dornach hierbuiten doe met het bouwwerk dat als Goetheanum, als hogeschool voor de geesteswetenschap, ook m.b.t. de uiterlijke vorm

blz. 149

Repräsentant der hier gemeinten Geisteswissenschaft sein soll -wenn Sie das verfolgen, werden Sie nicht von mir voraussetzen, daß ich irgendwie gegen dasjenige bin, was in Naturwissenschaft, in Philosophie, in den Künsten in der neueren Zeit hervorgetreten ist, sofern man es in seinen berechtigten Grenzen auftreten lassen will. Ja, ich möchte sagen, mir erscheint sogar die Einseitigkeit, die auf diesen Gebieten zutage getreten ist, wie etwas Notwendiges. Das Leben entwickelt sich in Gegensätzen. Und so können wir, wenn wir Geschichte innerlich betrachten, sehen, wie immer solche Perioden, in denen gewisse Betätigungen einseitige werden, ab­wechseln mit denjenigen Perioden, in denen diese Betätigungen wiederum einmünden in eine gewisse universelle, dem Leben ent­sprechende, dem Leben gerecht werdende Betätigung. Also gerade das Fruchtbarmachen naturwissenschaftlicher An­schauungen, das Fruchtbarmachen philosophischer Erwägungen und das Fruchtbarmachen dessen, was in den neueren Kunst-richtungen liegt, das ist dasjenige, was in der Geisteswissenschaft besonders zur Geltung kommen soll.

een representant van de hier genoemde geesteswetenschap moet zijn – wanneer u dat nagaat, zal u bij mij kunnen veronderstellen dat ik op de een of andere manier iets heb tegen wat er in natuurwetenschap, in filosofie, in de kunsten zich de laatste tijd heeft gemanifesteerd, voor zo verre men het binnen gerechtvaardigde grenzen wil laten gelden. Mij lijkt zelfs dat de eenzijdigheid die op deze gebieden aan het licht is gekomen, iets noodzakelijks is. Het leven ontwikkelt zich in tegenstellingen. En op deze manier kunnen wij wanneer we naar de innerlijke samenhangen in de geschiedenis kijken, zien hoe steeds zulke perioden waarin bepaalde activiteiten eenzijdig worden, worden afgewisseld met perioden waarin die activiteiten opnieuw uitmonden in een zekere universele, bij het leven horende en het leven rechtdoende activiteit.
Dus juist door de natuurwetenschappelijke gezichtspunten vruchtbaar te maken, de filosofische overwegingen vruchtbaar te maken en dat ook te doen voor wat er in de nieuwere kunstrichtingen leeft, is iets wat in het bijzonder voor de geesteswetenschap moet gaan gelden.

Nehmen wir zum Beispiel – um etwas, was im Vortrage weniger berührt werden konnte, herauszugreifen – manche neuere Kunst-richtungen. Gewiß, man kann über solche neueren Kunstrichtun­gen leicht spotten. Aber so unvollkommen gewisse Dinge, wie zum Beispiel die, die man heute expressionistische Kunstprodukte nennt, vor unsere Seele treten, so muß man doch sagen: sie sind im Grunde genommen nur die Antwort, nur die noch sehr anfängli­chen, manchmal täppischen Versuche, zu etwas zu kommen, das dem Leben wirklich gerecht wird. Wir sind in dem letzten Jahr­hundert in eine Art Intellektualität verfallen. Die Intellektualität ist unfruchtbar. Und im sozialen Leben und auch in der Kunst – was ist die Folge gewesen? Die notwendige Folge ist gewesen, daß, weil man sich doch hat künstlerisch betätigen wollen, man in den Naturalismus, in die bloße Nachahmung der Natur verfallen ist.
Ja, die bloße Nachahmung der Natur im absoluten Sinne kann niemals Kunst sein, weil, wenn jemand noch so stark nachahmt, was er äußerlich in der Natur sieht, er doch die Natur nie erreichen

Laten we eens iets nemen wat in de voordracht minder aan de orde kon komen, zoals sommige kunstrichtingen. Natuurlijk kun je makkelijk de spot drijven met zulke nieuwe richtingen. Maar zo onvolkomen bepaalde dingen, zoals b.v. wat men nu expressionistische kunstproducten noemt, er voor ons uitzien, dan moet je toch zeggen: die zijn in wezen slechts het antwoord, nog maar zeer aan het begin staande, soms stuntelige pogingen, om tot iets te komen wat het leven werkelijk dient. Wij zijn de laatste eeuw in een soort intellectualiteit vervallen. De intellectualiteit is onvruchtbaar. In het sociale leven en ook in de kunst – wat was het gevolg? Het noodzakelijke gevolg was, omdat men toch kunstzinnig bezig wilde zijn, dat men tot het naturalisme, tot het alleen maar nabootsen van de natuur vervallen is. Het alleen maar namaken van de natuur in een absolute zin kan nooit kunst zijn, al kan iemand nog zo goed nabootsen wat hij uiterlijk in de natuur ziet, hij kan toch nooit aan de natuur tippen.

blz. 150

wird. Es wird, wenn man einen Sinn dafür hat, einem die Natur immer noch besser gefallen, als dasjenige, was die Natur nachahmt.
Und es ist nun wirklich der Ausdruck – erlauben Sie, daß ich diese triviale Sache anführe – eines empörend schlechten Ge­schmacks, wenn einem Leute einen Apfel vorführen – ja, es kommt vor, ich habe es schon erlebt – und wenn er ihnen nun besonders in die Augen sticht, schön glänzt und so weiter, daß sie sagen: wie aus Wachs gemacht! Man kann sich nicht etwas empörend Täppi­scheres denken, als wenn jemand dasjenige, was ihm aus der Natur entgegentritt, mit irgendeinem Kunstprodukte, und sei es einem noch so guten Kunstprodukt vergleicht! Also schon aus dem Grunde, weil die wirkliche Natur doch nicht erreicht werden kann in der Kunst, muß der absolute Naturalismus abgewiesen werden. Etwas ganz anderes ist es, wenn in expressionistischer Weise verkörpert werden will, was der Mensch über das bloße Naturge­mäße hinaus erlebt, und sei es auch zunächst nur ungeschickt ver­körpert. Aber um zu erkennen, wie ungeschickte Keime weder überschätzt werden sollen noch auch unterschätzt werden sollen, muß man in der Tat einen offenen Sinn haben für dasjenige, was man heute durch ein Schlagwort vielfach ausdrückt, was aber doch namentlich mit Bezug auf das menschliche Leben nicht richtig verstanden wird.

Wanneer je er een zintujig voor hebt, zal je toch altijd meer aan de natuur beleven dan aan een geïmiteerde natuur.
En het is echt een bewijs – sta mij toe dat ik met dit triviale kom, van een bijzonder slechte smaak, als iemand een ander iemand een appel laat zien – maar het komt voor, ik heb het meegemaakt – dat die appel dan bijzonder opvalt, mooi glimt en zo, dat iemand dan zegt: ‘net of die van was gemaakt is!’ Je kan niet iets bedenken wat vreselijk stompzinniger is dan dat iemand iets uit de natuur ziet en dat dan met een kunstproduct vergelijkt, ook al is dat nog zo goed! Dus om reden dat de echte natuur niet tot stand komt in de kunst, moet het absolute naturalisme worden afgewezen. Iets heel anders is het, wanneer op een expressionistische manier vastgelegd gaat worden wat de mens méér beleeft dan alleen maar de natuur, ook al wordt dit eerst nog niet zo goed vastgelegd. Maar om te weten hoe niet geschikte kiemen noch overschat, noch ook onderschat moeten worden, moet je inderdaad open staan voor wat men tegenwoordig vaak met een loze kreet uitdrukt, wat echter toch vooral met het oog op het menselijk leven, niet goed begrepen wordt.

Es mag Ihnen wieder paradox klingen: ich gehöre gewiß zu den­jenigen, die Raffael auf das Allerhöchste bewundern. Aber ich möchte behaupten aus meiner Weltauffassung heraus: Heute hat nur der ein Recht, Raffael wirklich zu bewundern, der davon über­zeugt ist, daß, wenn heute einer so malen würde wie Raffael, ge­nauso malen würde, wie Raffael gemalt hat, das unzeitgemäß und unmöglich sein würde. Es würde keine Kunst sein, zu der wir uns heute als zeitgenössische Kunst bekennen könnten. Es mag para­dox klingen. Aber was im Laufe der Menschheitsentwicklung er­scheint, gehört zu der betreffenden Phase der Menschheitsentwick­lung hinzu. Man muß es mit der Entwicklung wirklich ernst mei­nen. Und so ist dasjenige, was sich namentlich seit der Mitte des 15. Jahrhunderts an Naturwissenschaft, Philosophie, an Künsten entwickelt

Het mag weer paradoxaal klinken: ik behoor zeker tot degenen die Rafael heel erg bewonderen. Maar vanuit mijn wereldbeschouwing moet ik zeggen: vandaag de dag heeft alleen degene het recht een echte bewondering voor Rafael te hebben die ervan overtuigd is dat wanneer er nu iemand zou zijn die zo zou kunnen schilderen als Rafael, dit niet met de tijd strookt en onmogelijk zou zijn. Het zou geen kunst zijn waar we als kunst van deze tijd voor open zouden kunnen staan. Het mag paradoxaal klinken. Maar wat in de loop van de mensheidsontwikkeling verschijnt, behoort bij die betreffende fase van de mensheidsontwikkeling. Ontwikkeling moet je serieus nemen. En op deze manier is wat zich m.n. sinds het midden van de 15e eeuw aan natuurwetenschap, filosofie, aan kunsten tot ontwikkeling is gekomen,

blz. 151

hat, es ist als, ich möchte sagen Erziehungsimpuls der sich entwickelnden Menschheit vollberechtigt gewesen, aber es ist heute in einem Stadium angelangt, in dem der andere Pol angestrebt werden muß. Wir mußten als Menschheit eine Weile durch die einseitige Naturwissenschaft gehen, damit wir, indem wir die Ge­danken dieser Naturwissenschaft aufnehmen, in uns zu der Seelen­stimmung kommen, die gerade dadurch hervorgerufen wird, daß man die Ohnmacht dieser bloßen naturwissenschaftlichen Gedan­ken bemerkt.
Diese Ohnmacht, die ruft im lebendigen Seelenleben die Gegen­kraft hervor: die Gegenkraft nach Geisteserkenntnis, nach Geistesanschauung.
Wenn man es mit dem Lessingschen Gedanken ernst nimmt, daß die Geschichte eine Erziehung des Menschengeschlechtes ist, dann kommt man gerade mit solchen Dingen am besten zurecht. Und so möchte ich in einem Schlußworte darauf hinweisen, daß man ja in der Tat heute noch bestimmte Gebiete hat, in denen es einem die Vorurteile des Menschen gestatten, wirklich dasjenige, was Geistes­wissenschaft bietet, überzuführen in unmittelbares Sozial-Päd­agogisches, das heißt überhaupt in äußere Wirklichkeits anschauung.

als opvoedingsimpuls voor de zich ontwikkelende mensheid volkomen op zijn plaats, maar het is nu in een stadium gekomen dat we naar de andere kant moeten streven. Als mensheid moesten we een tijd door de eenzijdige natuurwetenschap heen zodat wij, wanneer we de ideeën van de natuurwetenschap in ons opnemen, in een zielenstemming komen die opgeroepen wordt doordat we de machteloosheid ondervinden van alleen maar natuurwetenschappelijke ideeën. Deze machteloosheid roept in een levende ziel een tegenkracht op: de geest willen leren kennen, willen leren waarnemen.
Wanneer je de ideeën van Lessing serieus neemt dat de geschiedenis een opvoeding van het geslacht mens is, heb je daar het meest aan. En in mijn slotwoorden zou ik er dan op willen wijzen dat je inderdaad vandaag de dag nog verschillende terreinen hebt waarop de vooroordelen van de mensen het iemand toch mogelijk maken werkelijk uit wat geesteswetenschap biedt, over te brengen op het direct praktisch-pedagogische, d.w.z. in de uiterlijke waarneming van de werkelijkheid.       

Uns ist es möglich geworden, in dem Dornacher Bau äußerlich künstlerisch zur Anschauung zu bringen, in Formen auszudrücken, was uns innerlich belebt. Und es konnte – ich darf das ja wohl hier erwähnen – in der allerletzten Zeit wirklich der Versuch auf päd­agogischem Gebiete gemacht werden, eine Schule zu begründen. In Stuttgart hat sich unser Freund Emil Molt gefunden, der – auch darüber haben sich die Leute ja in Hohn ergossen – an ein moder­nes Industrieunternehmen, an die Waldorf-Astoria-Zigaretten­fabrik in Stuttgart, die Begründung der Waldorfschule angegliedert, angeknüpft hat, eine Einheitsvolksschule, die nun ganz auf dasjeni­ge aufgebaut sein soll, was für die pädagogische Entwicklung aus der Erfassung der Geistesanschauung, wie sie hier gemeint ist, er­folgen kann. Und ich muß sagen, es gehört zu dem Schönsten, was ich mir als Aufgabe setzen durfte, daß ich den pädagogischen Kurs für die Lehrerschaft dieser Waldorfschule halten konnte. In diesem

Voor ons is de mogelijkheid ontstaan in het gebouw in Dornach op een kunstzinnige manier zichtbaar te maken, in vormen tot uitdrukking te brengen wat we innerlijk beleven. En er kan – ik durf dat hier wel te vertellen – nog maar zeer kort geleden op pedagogisch gebied een poging worden gedaan een school op te richten. In Stuttgart vond onze vriend Emil Molt – ook daarmee heeft men de spot gedreven – dat hij bij een moderne industrie-onderneming, bij de Waldorf-Astoria sigarettenfabrik in Stuttgart, de oprichting van de Waldorfschool moest betrekken, er een scholengemeenschap aan moest verbinden die in zijn geheel gebaseerd moest zijn op wat voor de pedagogische ontwikkeling uit de opvattingen van de geestesbeschouwing zoals die hier bedoeld is, het gevolg kan zijn. En ik moet zeggen dat het tot het mooiste hoort wat ik mij maar als opdracht mocht stellen om voor de leraren van deze Waldorfschool de pedagogische cursus te houden.  In deze

blz. 152

Kurs konnte eine Pädagogik begründet werden, die nun auch wirk­lich seit dem 7. September, seitdem diese Schule begründet ist, von diesen Menschen unmittelbar im Schulleben angewendet wird, eine Pädagogik, die nicht dazu da sein will, Normen zu verwirklichen, von denen man sich vorstellt, daß sie den Menschen dressieren sollen, sondern eine Pädagogik, die aus einer wirklichen Erkenntnis des ganzen Menschen, das heißt des leiblichen, seelischen und geistigen Menschen, hervorgegangen ist, so daß es der Lehrer auf der anderen Seite tatsächlich schwerer hat als mit einer bloßen Normpädagogik.Wer einer Normpädagogik anhängt, Programme prägt, die ge­wisse Erziehungsgrundsätze geben, nun, der weiß, wie man unter­richtet. Derjenige aber, der aus dem unmittelbaren Leben heraus unterrichten soll, der kann, ich möchte sagen nur die Impulse be­kommen, um zu beobachten, was sich von Jahr zu Jahr, von Woche zu Woche, von Monat zu Monat in dem werdenden Menschen wirklich ergibt. Da muß man fortwährend, wenn es auch eine noch so große Klasse wäre, in lebendigem Verkehre sein, da muß man Verständnis dafür haben, was es heißt, nicht aus dem Gedächtnis heraus eine eingelernte Pädagogik zu üben, sondern in jedem Momente dem lebendigen Menschen gegenüber die individuelle Methode neu zu erfinden, die man gerade diesem lebendigen Menschen gegenüber anzuwenden hat.

cursus kon de basis worden gelegd voor een pedagogie die nu ook daadwerkelijk sinds 7 september, sinds de school werd opgericht, door deze mensen direct in het schoolleven toegepast wordt, een pedagogie die er niet wil zijn om normen te verwezenlijken waarvan men zcih voorstelt dat die de mens moeten dresseren, maar een pedagogie die uit een echte kennis van de hele mens, d.w.z. van de mens naar lichaam, ziel en geest, voortgekomen is, zodat deze pedagogie voor de leerkracht inderdaad moeilijker is dan de pedagogie als normpedagogie. Wie voorstander is van een normpedagogie, programma’s drukt die bepaalde basisregels voor de opvoeding bevatten, welnu, die weet hoe hij les moet geven. Degene echter die direct vanuit het leven les wil geven, die kan alleen maar de impulsen krijgen om waar te nemen wat er echt van jaar tot jaar, van week tot week, van maand tot maand met de wordende mens gebeurt. Dan moet je voortdurend, ook al is het nog zo’n grote klas, daarmee levendig kunnen omgaan, dan moet je weten wat het betekent, niet vanuit je geheugen een aangeleerde pedagogie uit te oefenen, maar op ieder ogenblik wat de levende mens betreft, opnieuw de individuele methode te vinden die je m.n. voor deze levende mens moet hanteren.

Dasjenige, was im Leben wirken soll, darf nicht auf dem Ge­dächtnis, nicht auf der Gewohnheit beruhen. Was uns ins Gedächt­nis eingeht und was wir gedächtnismäßig üben in unserer mensch­lichen Betätigung, was wir aus der Gewohnheit heraus üben, das wird unter allen Umständen zu etwas wie einer strohernen Schablone. Dasjenige, was aus dem Geistesleben hervorgeht, das kann niemals zu einer strohernen Schablone werden! Es hat Zeiten gegeben, gibt es bestimmt noch, in denen ich das­selbe Thema Woche für Woche hindurch vorgetragen habe. Ich glaube nicht, daß man mir nachsagen kann, daß ich einen einzigen Vortrag zweimal gehalten habe, daß ich jemals über dasselbe The­ma zweimal hintereinander genau gleich gesprochen habe, weil es

Wat in het leven werkzaam moet zijn, mag niet niet op geheugen, niet op gewoonte berusten. Wat in het geheugen terechtkomt en wat we vanuit het geheugen doen in onze menselijke activiteiten, wat wij uit gewoonte doen, wordt onder alle omstandigheden tot een droog sjabloon. Wat uit het geestesleven komt kan nooit een droog sjabloon worden!
Er was een tijd, die is er zeker nog, waarin ik dit thema week voor week in voordrachten aan de orde heb gesteld. Ik geloof niet dat men mij na kan dragen dat ik een bepaalde voordracht twee keer heb gehouden, dat ik ooit over hetzelfde thema twee keer achter elkaar precies hetzelfde heb gezegd, omdat het

blz. 153

sich, wenn es sich um das Sprechen aus dem Geiste heraus handelt, um das unmittelbar augenblickliche Produzieren handelt, weil es gar nicht möglich iSt, dasjenige, was aus dem Geiste heraus produ­ziert wird, im gewöhnlichen Sinne dem Gedächtnismäßigen anzu­vertrauen, weil das in unmittelbarem Leben sich fortwährend ent­wickeln muß. Wer aus dem Geist heraus wirkt, dem ist das bloße gedächtnismäßige Aufbewahren irgendeines geistigen Wissens un­gefähr so, wie wenn einer sagen würde: Ich esse heute nicht, denn ich habe ja vorgestern gegessen. Warum soll ich heute wieder es­sen? Mein Leib wird sich schon auf Grund dessen aufbauen, was ich vorgestern gegessen habe. – Ja, unser physischer Organismus ist in der fortwährenden Lage, daß er sich immer erneuert. Dem muß auch der Geist Rechnung tragen. In diesem lebendigen Leben muß auch der Geist drinnenstehen. Der wirkliche Geist muß jeder­zeit ein Schaffendes sein. So muß auch eine vom Geiste getragene Pädagogik eine fortwährend schaffende Kunst sein. Nicht eher wird Segen namentlich in das Volksschulwesen hin­einkommen, aber auch in das andere Schulwesen Heil hineinkom­men, bis die Pädagogik eine fortwährend lebendig schaffende Kunst wird, die von wirklicher Liebe und von jenen Imponderabi­lien getragen wird, von denen ich heute morgen gesprochen habe.

gaat om het spreken vanuit de geest, omdat het direct op dat ogenblik gaat om het weer te geven, omdat het helemaal niet mogelijk is om wat uit de geest weergegeven wordt op de gebruikelijke manier aan het geheugen toe te vertrouwen, omdat het in het directe leven zich voortdurend moet ontwikkelen. Voor wie vanuit de geest werkt, is het alleen maar met het geheugen onthouden van iets wat je geestelijk weet, ongeveer zo, als wanneer iemand zou zeggen:
Vandaag eet ik niet, want dat heb ik eergisteren gegeten. Waarom zou ik vandaag weer eten? Mijn lichaam wordt wel opgebouwd uit wat ik eergisteren heb gegeten. Ons fysieke organisme is voortdurend in een toestand waarin het zich steeds weer vernieuwt. Maar dat moet je ook van de geest zeggen. In dit zo levende leven moet ook de geest zijn. De echte geest moet ieder ogenblik scheppend zijn. Zo moet ook een pedagogie die door de geest gedragen wordt voortdurend scheppende kunst zijn. Er komt geen zegen in het onderwijs op school, eer de pedagogie een voortdurend levendige, scheppende kunst wordt die door echte liefde en door de onweegbare krachten waarover ik vanmorgen heb gesproken, wordt gedragen.

Und so könnten wir auf allen Gebieten sehen, wenn wir die Zeit dazu hätten, wie notwendig es ist angesichts der unbewußten und unterbewußten Forderungen der Menschheit in der heutigen Ge­genwart -, und in der nächsten Zukunft wird es noch notwendiger sein aus demjenigen, was man zu einem bequemen Programm­Wirken im Geiste machen möchte, überzugehen zu einem wirk­lichen, produktiven Erleben des Geistigen. Das wird weniger bequem zu erlangen sein als manches, was man heute Geistesleben nennt. Aber das wird eine sozial-pädago­gische Kraft sein, wie wir sie brauchen.
Und wenn es auf der einen Seite auch wahr ist, daß heute die Menschheit, nachdem sie sich so lange Jahre naturwissenschaftli­cher Denkweise hingegeben hat, direkt aus ihren innersten Seelen-bedürfnissen heraus verlangt nach einer unmittelbaren Geisterkenntnis,

En zo zouden we op elk terrein kunnen zien, wanneer we er de tijd voor zouden hebben, hoe noodzakelijk het is met het oog op de onbewuste en onderbewuste verlangens van de mensheid in de tijd van nu – en in de toekomst zal dat nog noodzakelijker zijn, van wat men met het verstand tot een makkelijk werkend programma zou willen maken, over te gaan op een werkelijk productief beleven van wat geest is. Dat is minder makkelijk te bereiken dan veel van wat men tegenwoordig geestesleven noemt. Maar het zal een sociaal-pedagogische kracht zijn zoals wij die nodig hebben.
En wanneer het enerzijds waar is dat de mensheid tegenwoordig, nadat deze zich jarenlang overgegeven heeft aan de natuurwetenschappelijke denkrichting, uit haar innerlijke behoeften naar een praktische kennis van de geest verlangt,

blz. 154

so ist es auf der anderen Seite wahr, daß die sozialen Forderungen nach einer geistigen Vertiefung schreien und daß, was den Gegenstand meines heutigen Themas bildete – «Geisteswissen­schaft als sozial-pädagogische Kraft» -, nicht etwas ist, was in einer willkürlichen Weise als Vortragsthema gedacht ist, sondern was abgelauscht ist dem, was die menschliche Entwicklung eigentlich aus der Gegenwart heraus sagt. Aber man muß sich dazu auch erst heranerziehen und heranbän­digen. Ich möchte da zum Schlusse doch noch auf etwas hinweisen, was der Gegenwart ganz besonders notwendig ist, weil heute jeder meint, aus den subjektivistischen Willensmeinungen heraus könne irgendein fruchtbares philosophisches Leben entstehen; ich möchte an einem Beispiele hinweisen auf die Art und Weise. wie heute Fragen erfaßt werden müssen. In einer süddeutschen Stadt – heute ist sie keine deutsche Stadt mehr – habe ich vor vielen Jahren einen Vortrag gehalten, in dem ich gesprochen habe über die «Weisheitslehren des Christentums». Da waren auch zwei Geistliche drinnen im Vortrag. Weil gerade in jenem Vortrage nichts vorgekommen ist, wogegen sie sich inhalt­lich wenden konnten, so traten sie nach dem Vortrag an mich heran und sagten: 

dat het dan aan de andere kant waar is, dat de sociale eisen om een geestelijke verdieping roepen en dat wat het onderwerp van mijn huidige thema vormt – ‘geesteswetenschap als sociaal-pedagogische kracht’ – niet iets is wat op een willekeurige manier als voordrachtsthema uitgedacht is, maar wat afgelezen is aan wat de menselijke ontwikkeling van de nu uitspreekt.
Maar daartoe moet je je eerst ontwikkelen en het beheersen. Dan zou ik tot slot toch nog op iets willen wijzen wat in de tegenwoordige tijd heel erg nodig is, omdat vandaag iedereen denkt dat je uit een subjectivistische mening iets kan willen om een of ander vruchtbaar filosofisch leven te laten ontstaan; ik zou een voorbeeld willen geven hoe tegenwoordig vragen gesteld moeten worden.
In een Zuid Duitse stad – nu is het geen Duitse stad meer – heb ik vele jaren geleden eens een voordracht gehouden over ‘wijsheidsleringen van het christendom’. Er zaten ook twee geestelijken bij de voordracht. Omdat er in de voordracht niets zat waartegen ze zich inhoudelijk te weer konden stellen, kwamen ze na de voordracht naar me toe en zeiden:

Gegen den Inhalt desjenigen, was Sie heute gesagt haben, haben wir gar nichts einzuwenden; aber daß Sie für Leute sprechen, die sich in diese Vorstellungsart hineinfinden, aus der heraus Sie sprachen, während wir für alle Menschen sprechen, das hätten wir doch zu der Sache zu sagen. – So sagten sie. – Ich sprach sie natürlich mit dem ihnen gebührenden Titel an. Artig muß man immer sein. Ich sagte: Sehen Sie, daß Sie glauben, Hochwür­den, Sie sprechen für alle Menschen, das finde ich natürlich und selbstverständlich, denn das liegt subjektiv nahe. Aber ob Sie glau­ben, ich spreche [nicht] für alle Menschen, das entscheidet gar nichts, insbesondere in der Gegenwart nicht, wo so sehr das einzel­ne Menschenleben drinnensteht in der sozialen Gesamtheit. Heute mussen wir lernen, uns unsere Aufgaben nicht durch unsere sub­jektive Willkür stellen zu lassen, sondern sie individuell aus der Objektivität und den objektiven Tatsachen zu entwickeln. Und da

Op de inhoud van wat u hier naar voren heb gebracht, hebben wij niets aan te merken; maar dat u voor mensen spreekt die zich thuisvoelen bij deze manier van zich de dingen voorstellen, zoals u dat doet, terwijl wij voor alle mensen spreken, dat willen we er toch nog wel over zeggen. Dat zeiden ze. Ik spreek hen natuurlijk aan met de naam die ze officieel hebben. Je moet altijd aardig zijn. Ik zei: Kijk, eerwaarden, u spreekt voor alle mensen en dat vind ik natuurlijk en vanzelfsprekend, want dat ligt subjectief dichtbij. Maar of u gelooft dat ik niet voor alle mensen spreek, betekent helemaal niets, vooral in deze tijd niet waarin het individuele mensenleven een plaats inneemt in het sociale geheel. Vandaag de dag moeten wij leren onze opdrachten niet door onze subjectieve willekeur te laten bepalen, maar deze individueel uit de objectiviteit en de objectieve feiten te ontwikkelen. En

blz. 155

frage ich Sie, Hochwürden, wenn Sie nun auch meinen, für alle Menschen zu sprechen, beobachten Sie die Tatsache: Gehen alle Menschen noch zu Ihnen in die Predigt? – Da konnten sie nicht «Ja» sagen! – Ja, sehen Sie, so sprechen die Tatsachen! Ich sagte ihnen, daß das nicht richtig ist, denn: für diejenigen, die nicht zu Ihnen in die Predigt gehen, für die spreche ich, für die, die heute nicht mehr zu Ihnen in die Predigt gehen. – Das ist dasjenige, was heute die Tatsachen lehren. Nicht nur auf einen Einwand hin lehren einen die Dinge, son­dern man muß die Tatsachen sehen, wie sie den Einwand machen. Das ist ganz natürlich, daß man sich einbildet, man spreche für alle Menschen. Es handelt sich aber heute darum, daß – während noch aus dem Bewußtsein heraus die große Mehrzahl der Men­schen dem widerstrebt, was gemeint ist mit eigentlichen gei­steswissenschaftlichen Impulsen – man doch weiß, daß im Unter­bewußten sich ankündigt, was wie ein Schrei wirkt auf den, der die Ankündigung verstehen kann: 0 machet dasjenige, was sich ver­einzelt hat nach Philosophie, Naturwissenschaft, nach den Kün­sten, nach der Religion, nach anderen Kulturzweigen, namentlich nach dem Sozialen, machet das wiederum zu einem Ganzen!

nu vraag ik u, eerwaarden, wanneer u nu ook van mening bent dat u voor alle mensen spreekt, neem dan eens dit feit: gaan alle mensen nog naar u toe in de preek? Toen konden ze geen ‘ja’ zeggen! Maar dat zijn wél de feiten. Ik zei hen dat het niet juist is, want: voor degenen die niet naar uw preek komen, voor hen spreek ik, voor hen die vandaag niet meer naar uw preek komen. Dat leren ons vandaag de feiten. Je leert de dingen niet door een tegenwerping, maar je moet naar de feiten kijken waarmee zo’n tegenwerping gemaakt wordt. Het is heel natuurlijk dat men zich inbeeldt voor alle mensen te spreken. Maar het gaat er vandaag om – terwijl de grote meerderheid van de mensen zich nog vanuit verzet tegen wat er bedoeld wordt met eigenlijke geestelijke impulsen – dat men toch weet dat in het onderbewuste zich aankondigt wat als een schreeuw werkt op degene die de aankondiging begrijpen kan: o, maak wat eenzijdig geworden is in filosofie, natuurwetenschap, de kunsten, de religie, in andere takken van cultuur, namelijk in het sociale, maak dat weer tot één geheel!

Aber ein Ganzes kann es nur werden, wenn wir es seinem Geiste nach verfolgen. Dann erst spricht uns aus allen Dingen nicht eine abstrakte, sondern eine konkrete Einheit an von dem wirklichen Geist, den wir in allen einzelnen Erscheinungen finden, wirklicher Geist, der eins ist in allem. Aber weil das Einheitliche ein konkretes Lebendiges iSt, kann es nicht erfaßt werden, wenn wir es bloß mit abstrakten Begriffen, mit einer Ideologie umspannen wollen. Wir müssen uns entschließen, den lebendigen Geist zu suchen. Den können wir nur suchen, wenn wir mit einer gewissen intellektuel­len Bescheidenheit die Brücke finden zwischen den im mensch­lichen Inneren schlummernden Kräften, die geistiger Art sind, und dem Geiste, der in der Natur, der im Menschenleben, der im gan­zen übrigen Kosmos außer uns lebt. Deshalb möchte ich auch in unserem Schlußwort noch einmal betonen: Dem muß Rechnung getragen werden, daß heute in den Tiefen der Menschenseele die

Maar het kan alleen één geheel worden, wanneer we daarbij naar de geest ervan zoeken. Dan pas spreekt er voor ons uit alles geen abstracte, maar een concrete eenheid van de ware geest die wij in alle apart staande verschijnselen vinden, werkelijke geest die een is in alles. Maar omdat die eenheid een concreet levend iets is, kan het niet begrepen worden, wanneer wij het alleen met abstracte begrippen, in een ideologie willen vangen. Wij moeten het besluit nemen de levende geest te zoeken. Die kunnen we alleen maar zoeken, wanneer we met een bepaalde intellectuele bescheidenheid die brug vinden tussen de in het menselijk innerlijk sluimerende krachten die van een geestelijke natuur zijn en de geest die in de natuur, die in het mensenleven, die in de hele verdere kosmos buiten ons leeft. Daarom wil ik ook in ons slotwoord nog een keer benadrukken: er moet rekening mee worden gehouden dat tegenwoordig in de diepten van de menselijke ziel het

blz. 156

Sehnsucht lebt, den Geist im Menschen mit dem Geist der Welt zu verbinden. Und in diesem Bündnisse zwischen Menschengeist und Weltengeist wird die Lösung von vielem liegen. was die Mensch-heit heute als brennendes Rätsel empfindet. Ich will nicht etwa den Glauben erwecken, daß man jedes Rätsel lösen kann. Aber die Menschheit ist auf dem Wege, Rätsel, die ihr immer aufgegeben werden, teilweise zu lösen. Und gerade in die­sem Teilweise-Lösen liegt der wahre Menschheitsfortschritt, indem man erkennt, wie Geist in allen Dingen lebt, wie dieser Geist uns leuchten kann, wenn wir den Geist in uns selbst erwecken. In die­ser Erkenntnis leben die größten, leben auch die bedeutsamsten sozialen Aufgaben der Gegenwart, und es wird heilsam sein, wenn die Erkenntnis davon sich in immer weitere und weitere Kreise verbreitet.

menselijk verlangen leeft de geest in de mens met de geest van de wereld te verbinden. En in deze verbinding tussen mensengeest en wereldgeest zal de oplossing liggen van veel van wat de mensheid tegenwoordig als brandende vragen beleeft.
Ik wil niet zoiets als een geloof wekken dat je iedere vraag zou kunnen oplossen. Maar de mensheid is op weg, raadsels die haar steeds worden gesteld, gedeeltelijk op te lossen. En juist in deze deeloplossingen ligt de echte vooruitgang van de mensheid, wanneer men erkent hoe de geest in alles leeft, hoe deze geest ons verlichten kan, wanneer we deze geest in ons zelf wekken. In deze kennis leven de grootste, leven ook de belangrijkste sociale opgaven van de tegenwoordige tijd en het zal heilzaam zijn wanneer de kennis daarvan in steeds grotere kringen steeds groter wordt.

.

[1] GA 297 Duits
[2] GA 297 5e voordracht Duits
[3] GA 18
Niet vertaald

.

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

.

1842-1728

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 297 – voordracht 5

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: vspedagogie voeg toe apenstaartje gmail punt com

RUDOLF STEINER

BASISGEDACHTEN EN PRAKTIJK VAN DE VRIJESCHOOL

9 voordrachten, een bespreking en vragenbeantwoording tussen 24 augustus 1919 en 29 december 1920 in verschillende plaatsen [1]

GA 297: vertaling
Inhoudsopgave   voordracht   [1]  [2]  [3]  [4]  [6]  [7]  [8]  [9]
vragenbeantwoording bij de 5e vdr.;  vragenbeantwoording bij de 6e vdr.;
bespreking van pedagogisch-psychologische vragen; vragenbeantwoording bij de 9e vdr.

5e voordracht, Basel 25 nov. 1919, [2]

DIE SOZIAL-PÄDAGOGISCHE BEDEUTUNG DER ANTHROPOSOPHISCH ORIENTIERTEN GEISTESWISSENSCHAFT 

De sociaal-pedagogische betekenis van de antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap

Inhoudsopgave 5e voordracht

Blz. 118 e.v.: sociale nood; sociale eisen
Blz. 119 e.v.: nergens een sociale impuls
Blz. 122 e.v.: de natuurwetenschap kan geest en ziel niet begrijpen
Blz. 123 e.v.: geesteswetenschap wél
Blz. 124: kritiek zegt: de geest kan zich niet ontwikkelen, de geesteswetenschap geeft de wegen daartoe aan
Blz. 125; 146: spiritisme,
Blz. 126: de geest van de mens leren kennen door waarnemen
Blz. 127: nabootsing
Blz. 128: autoriteit
Blz. 129 e.v: aanschouwelijkheidsonderwijs; trivialiteit; alleen leren wat begrepen kan worden; iets in een verhaal verpakken en daar zelf niet achter staan
Blz. 131: het onweegbare, imponderabele tussen leerkracht en leerling; te vroeg oordelen schaadt
Blz. 132 e.v: imaginatieve kennis, geïnspireerde kennis en intuïtieve kennis.
Blz. 134e.v.: imaginatieve krachten zijn sluimerende nabootsingskrachten, inspiratieve krachten zijn sluimerende autoriteitsgevoelens, intuïtieve kennis zijn de krachten die diep in het organisme weggezonken zijn na de tandenwisseling
Blz. 136: ieder kind is een raadsel
Blz. 137: geesteswetenschap komt uit de wezenlijke groeikrachten van de mens; ontwikkeling is omvorming van groeikrachten; geestelijke ontwikkeling brengt de mens verder
Blz. 138: wetenschap wil gevoel en wil uitschakelen;
Blz. 139 e.v.: daardoor verdwijnt het sociale;
Blz. 141: geestesleven impulseert ook gevoel en wil;
Blz. 142: met gezond verstand zijn de geesteswetenschappelijke mededelingen te volgen
Blz. 143 e.v.: de geesteswetenschappelijke inzichten kunnen tot een sociaal-pedagogische impuls worden
Blz. 144: sociale driegeleding
Blz. 145: de sociale vraag moet een mensheidsvraag worden

Basel, 25. November 1919

Die sozial-pädagogische Bedeutung der anthroposophisch orientierten Geisteswisschenschaft 

blz. 118

Daß die soziale Frage zu den brennendsten öffentlichen Angele­genheiten der Gegenwart gehört, das braucht man gegenüber den laut und deutlich sprechenden Tatsachen nicht erst zu beweisen. Aber für denjenigen, der diese laut und deutlich sprechenden Tat­sachen vorurteilslos zu beobachten vermag, kann es auch durchaus ersichtlich sein, wie in jene Forderungen, die sich als die sozialen heute geltend machen, nicht nur diejenigen Probleme hineinspielen, die man gewöhnlich unter dem Schlagwort der «sozialen» zusam­menfaßt, sondern viel, viel tiefere Menschheitsfragen.
Man dürfte erkennen, wie gewissermaßen herausspringen aus diesen sozialen Problemen diese tieferen Menschheitsfragen, wenn man auf die Beziehungen, auf die zunächst sich äußerlich offenba­renden Beziehungen des gegenwärtigen Geisteslebens und Geistes­strebens zu den sozialen Tatsachen sein Augenmerk wendet.
Da wird am auffallendsten sein, wie in weitem Umfange unser gegenwärtiges Geistesleben gerade den brennenden sozialen Forde­rungen gewissermaßen ohnmächtig gegenübersteht. Ich brauche nur auf zwei Erscheinungen im Wissenschaftsleben der Gegenwart aufmerksam zu machen, um diese Ohnmacht zu beweisen. Wir wissen ja, daß sich neben anderen wissenschaftlichen Zweigen im Laufe der neueren Kulturentwicklung auch so etwas wie eine Art von akademischer Sozial- oder Nationalökonomie herausgebildet hat. Es dürfte auch bekannt sein, wie die verschiedensten Schul­richtungen sich im Laufe der letzten Jahrhunderte, insbesondere des 19. Jahrhunderts, auf dem Gebiete der Nationalökonomie gel­tend gemacht haben. Man weiß, daß da eine merkantilistische Schu­le, eine physiokratische Schule und so weiter existiert haben, daß Persönlichkeiten gewirkt haben wie Adam Smith und so fort. Und man weiß, wie diese verschiedenen Strömungen sich auf der einen

De sociaal-pedagogische betekenis van de antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap

Dat het sociale vraagstuk tot de meest brandende maatschappelijke kwesties van de huidige tijd behoort, dat hoeft, wat de luid en duidelijk sprekende feiten betreft, niet nog eens bewezen te worden. Maar het kan voor wie in staat is deze sprekende feiten zonder vooroordelen te bekijken, vooral duidelijk zijn, dat bij die eisen die zich nu als sociale eisen doen gelden, niet alleen die problemen meespelen die men gewoonlijk onder het motto ‘sociaal’ samenvat, maar veel diepere mensheidsvragen.
Men móet wel erkennen hoe in zekere zin uit die sociale problemen deze diepere mensheidsvragen in het oog springen, wanneer je de blik richt op de verhouding, op de direct zich uiterlijk vertonende verhouding van het huidige geestesleven en geestesstreven t.o.v. de sociale feiten .
Het is toch wel heel opvallend hoe op grote schaal ons huidige geestesleven m.n. t.o.v. die brandende sociale eisen a.h.w. verlamd is. Ik hoef maar op twee verschijnselen te wijzen in de wetenschap van vandaag om deze onmacht te bewijzen. We weten dat zich naast andere takken van wetenschap in de loop van de moderne cultuurontwikkeling zich ook zoiets als een soort academische sociale- of nationale economie ontwikkeld heeft. Het mag ook als bekend verondersteld worden hoe de meest verschillende denkrichtingen, scholen, zich in de loop van de laatste eeuwen hebben doen gelden op het gebied van nationale economie. We weten dat er een mercantilistische* school, een fysiocratische school, enz. hebben bestaan; dat persoonlijkheden als Adam Smith** e.a. actief zijn geweest. En we weten hoe deze verschillende stromingen zich enerzijds

*een mercantilistische school, een fysiocratische school: terwijl het mercantilisme in het absolutistische Frankrijk van de 18e eeuw het bereiken van een algemene welstand door toedoen van de staat en de bevordering van industrie en handel nastreefden, zagen de fysiocraten in de landbouw de hoofdbron van de productie en de rijkdom.
**Adam Smith, 1723-1790, Britse filosoof en econoom. Geldt als de stichter van de ‘klassieke nationale economie’. Hij heeft als eerste de individualistische en liberale economische theorieën van de 18e eeuw als gesloten systeem gebracht. Hoofdwerk: «An Inquiry into the Nature and Causes of the Wealth of Nations« (1776), 

blz. 119

Seite Mühe gegeben haben, die sozialen Tatsachen, die im sozialen Leben wirkenden Antriebe zu verstehen, sich aber auf der andern Seite auch Mühe gegeben haben, gewissermaßen herauszufinden, wie in das menschliche Wollen – zum Beispiel in die verschieden­sten Staatswillen – hineingetragen werden kann, was als soziale Erkenntnis dem Menschen erblühen kann. Aber man mußte sehen, daß sich irgendein wirklich durchgrei­fend fruchtbares soziales Wollen aus den verschiedenen sozial-theoretischen Anschauungen nicht ergeben hat. Der deutlichste Beleg dafür ist ja die Gestalt, welche nach und nach die akademi­sche Nationalökonomie angenommen hat. Sie hat sich gewisser­maßen auf eine Art naturwissenschaftliche Betrachtung des sozia­len und des nationalökonomischen Lebens zurückgezogen, auf eine Art Beschreibung der sozialen Tatsachen. Und gerade die neuesten Bestrebungen auf diesem Gebiete sehen wir zwar in allerlei Be­schreibungen oder Beobachtungen von Statistiken und dergleichen ausmünden; aber wir sehen in alledem nirgends einen Impuls, der in das soziale Wollen wirklich übergehen kann, befruchtend für das soziale Wirken im öffentlichen Leben sein könnte.

moeite hebben gedaan de sociale feiten, de in het sociale leven werkende krachten te begrijpen, anderzijds ook moeite gedaan hebben, min of meer uit te vinden hoe de menselijke wil – bijv. in wat de staat wil, ondergebracht kan worden, wat als sociale kennis in de mens tot bloei kan komen. Maar men zou moeten inzien dat een of ander werkelijk van belang zijnde vruchtbare sociale wil niet uit die verschillende sociaal-theoretische gezichtspunten voortgevloeid is. Het duidelijkste bewijs daarvoor is wel de vorm die de academische nationale economie steeds meer  aangenomen heeft. Die heeft zich in zekere zin als een soort natuurwetenschappelijk waarnemen uit het sociale en nationaal-economische leven teruggetrokken, tot op een soort beschrijven van de sociale feiten.
En juist de nieuwste pogingen op dit gebied zien we dan weliswaar in allerlei beschrijvingen of het bekijken van statistieken e.d. uitmonden, maar we zien in dit alles nergens een impuls die tot een echt sociaal willen kan worden, die bevruchtend voor de sociale werkzaamheid in het publieke leven zou kunnen zijn.

So hat sich gerade auf diesem Gebiete die Ohnmacht der natio­nalökonomischen Betrachtungen gezeigt. Auf der anderen Seite sehen wir namentlich aus dem breiten Kreise des Proletariats soziale Ideen, soziale Zivilisationsforderungen herauswachsen.
Gewiß, man hätte viel zu sprechen, wenn man über die ge­schichtliche Entwicklung dieser, in ihrer heutigen Gestalt ja mehr als ein halbes Jahrhundert alten, sozialen Forderungen sprechen wollte. Hier soll nur auf ein Kennzeichen, ein Charakteristikum gerade dieser sozialen Forderungen besonders hingewiesen werden.
Dieses Charakteristikum möchte ich so ausdrücken: Nachdem auch nach dieser Richtung hin ältere Bestrebungen waren, Bestre­bungen, die sich nicht bloß auf die theoretische Betrachtung verlegt haben wie die akademische Nationalökonomie, sondern die sich schon auf Ziele des menschlichen Suchens nach einem sozialen Neuaufbau verlegt haben – man braucht nur zu erinnern an Fou­rier, an Saint-Simon, an Louis Blanc und so weiter -, trat allmählich

Zo toonde zich de verlamming op dit gebied van de nationaal-economische gezichtspunten. Aan de andere kant zien we ook met name uit brede kringen van het proletariaat sociale ideeën, sociale beschavingseisen opkomen.
Zeker, er is veel om over te spreken wanneer je over de historische ontwikkeling van deze, in de huidige vorm wel meer dan een halve eeuw oude, sociale eisen zou willen spreken. Hier zal alleen op een eigenschap, een karakteristiek iets wat deze sociale eisen betreft, gewezen worden.
Dit karakteristieke zou ik zo willen omschrijven: nadat ook in deze richting oudere zaken nagestreefd werden, pogingen die niet alleen betrekking hadden op theoretische gezichtspunten zoals de academische nationaal-economie, maar die al in de richting gingen van het menselijk zoeken naar een nieuwe, sociale opbouw – je hoeft Fourier*, Saint Simon**, Louis Blanc enz. maar te noemen  – kwam er

*François Marie Charles Fourier, 1772-1837, Frans sociaal hervormer, weerkte o.a. een sociaal systeem uit waarin door de producite-associatie landbouw en industrie werden vverbonden, waarbij de tussenhandel uitgeschakeld moest worden französischer Sozialteformer, arbei­tete u.a. ein soziales System aus, in dem durch die Produktivassoziation Land­wirtschaft und Industrie verbunden und jeder Zwischenhandel ausgeschaltet werden sollte.
**Glaude Henry de Saint-Simon, 1760-1825, werd ook als ‘religieus socialist beschouwd: hoofdwerken: «Catéchisme des industrielse (1823), »Nouveau Christianisme» (1825).
***Louis Blanc, 1811-1882, historicus en politicus, propageerde een kameraadschappelijk samengaan van arbeiders van gelijke beroepsgroepen voor een gemeenschappelijke productie (sociale werkplaats)
Over de sociale utopisten zie: GA 328, 03-02-1919; GA 330, 30-07-1919; GA 332A, 24-10-1919

blz. 120

ein ganz anderes Element in diesen Bestrebungen ein. Das kann man dadurch charakterisieren: In den breitesten Massen wie auch unter den Führern dieser breitesten Masse der sozialistischen Kulturkreise ist ein gewisses Mißtrauen, eine Antipathie herr­schend geworden gegen alles dasjenige, was aus dem Geiste heraus, aus dem Nachsinnen, aus dem menschlichen Wollen heraus zu einer Gesundung der sozialen Verhältnisse führen soll. Der Glaube ist entstanden: das alles trägt einen utopistischen Charakter -mögen auch führende Kreise, mögen auch diejenigen, die die geisti­gen Impulse der neueren Zeit in ihr Fühlen, in ihr Denken auf­genommen haben, noch so viel guten Willen haben, um soziale Umschwünge herbeizuführen; aus dem, was der Mensch ersinnen kann, aus dem, was aus dem guten Willen des Menschen stammen kann, ist es unmöglich, Impulse zu erzeugen, die in das praktische soziale Leben, in eine praktische soziale Neugestaltung wirklich eingreifen wollen. – Der Unglaube an den menschlichen Geist und seine sozialen Ideale, er ist in den breitesten Kreisen und in der Führerschaft dieser breitesten Kreise geradezu das Maßgebende geworden.
Dafür ist etwas aufgetreten, was ein außerordentlich Schwieriges ist.

een heel ander element bij dit streven. Dat kun je zo karakteriseren: in de breedste kringen en ook onder de leiders van deze grootste massa van de socialistische cultuurkringen is een zeker wantrouwen, een antipathie de boventoon gaan voeren tegen alles wat uit de geest, uit het nadenken, uit de menselijke wil moeten leiden tot het gezond maken van de sociale verhoudingen. Het geloof is ontstaan: dit alles heeft het karakter van een utopie – ook al hebben de leidende kringen, ook al hebben degenen die de geestelijke impulsen van de nieuwere tijd in hun gevoel, in hun denken opgenomen, nog zo veel goede wil om sociale omwentelingen dichterbij te brengen, uit wat de mens overdenken kan, uit wat uit de goede wil van de mens komen kan, is het onmogelijk, impulsen te ontwikkelen die in het praktische, sociale leven, in een praktische sociale hervorming daadwerkelijk willen ingrijpen. – Het ongeloof aan de menselijke geest en zijn sociale idealen is in de breedste kringen en bij de leiding van deze kringen doorslaggevend geworden. Daarvoor in de plaats is er iets gekomen wat buitengewoon moeilijk is.

Die Überzeugung ist aufgetreten, welche in diesen breitesten Kreisen geradezu als eine Selbstverständlichkeit empfunden wird, so sehr als eine Selbstverständlichkeit empfunden wird, daß ein Kampf dagegen etwas außerordentlich Schwieriges ist: Die Überzeugung ist aufgetreten, daß nur aus den ökonomischen Verhält­nissen, aus den Antrieben der äußerlichen, materiellen Produk­tionskräfte selber die Umgestaltung kommen könne, daß der menschliche Wille gewissermaßen ohnmächtig sei, daß er zu war­ten habe, bis die Produktionskräfte selber [sich] so gestalten, daß sie eine andere Konfiguration des sozialen Lebens herbeiführen.
Und es ist Gewohnheit geworden, von alledem, was aus dem Geiste erzeugt wird, wie von einer Ideologie zu sprechen, von etwas, was dem Leben gegenüber ohnmächtig ist, und nur von materiellen Verhältnissen, von den materiellen Umwälzungen als von etwas Realem zu sprechen, das gleichsam das Geistige wie

De overtuiging is ontstaan die in deze breedste kringen nu juist als een vanzelfsprekendheid ervaren werd, zo zeer als een vanzelfsprekendheid, dat het strijden daar tegen iets heel moeilijks is: de overtuiging heeft postgevat dat alleen uit de economische omstandigheden, uit de dwang van de uiterlijke materiële productiekracht zelf, de hervorming zou kunnen komen, dat de menselijke wil in zekere zin verlamd is, dat die moet wachten tot de productiekrachten zelf zo’n vorm zullen aannemen dat ze een andere structuur van het sociale leven dichterbij brengen.
En het is de gewoonte geworden om bij van alles wat vanuit de geest vorm krijgt, over een ideologie te spreken, over iets wat t.o.v. het leven verlamd is en alleen door de materiële omstandigheden, door het materiële omgooien als over iets reëels te spreken, dat het geestelijke a.h.w.

blz. 121

einen Rauch aus sich hervorbringt. Aus diesem Grunde spricht man von der materiellen Geschichtsauffassung: weil man nur in dem Materiellen, namentlich in den ökonomischen Vorgängen, das Reale sucht und dasjenige, was der menschliche Geist hervorbringt, als etwas ansieht, was wie ein Rauch aufsteigt, wie bloße Ideen sich in einer Art ideologischem Überbau ergeben aus dem, was die wirklichen, in diesem Falle die ökonomischen Vorgänge sind.
Und wenn man nun frägt: Kann man von dem Gesichtspunkte, von dem aus auf der einen Seite, ich möchte sagen theoretische Nationalökonomie nach dem methodischen Muster der naturwis­senschaftlichen Weltbetrachtung entstanden ist, oder kann man nach demjenigen, was durch solche durch und durch ehrlichen, aber aus dem Geistesleben der neueren Zeit heraus schaffenden Persönlichkeiten wie Saint Simon oder Louis Blanc und so weiter auf der anderen Seite gewollt ist – kann man aus dem, was von diesen zwei Seiten gewollt ist, wirklich so unbegreiflich finden, daß ein Unglaube an die geistigen Impulse entstanden ist?

vanuit zichzelf rook laat ontstaan. Daarom spreekt men van de materiële opvatting van de geschiedenis: omdat men slechts in het materiële, met name in de economische processen, de werkelijkheid zoekt en wat uit de menselijke geest komt, beschouwt men als iets dat als rook opstijgt, zoals enkel ideeën zich als een soort ideologische overkoepeling ontstaan uit iets, wat het echte, in dit geval de economische processen zijn. En wanneer je dan vraagt: kun je het vanuit het gezichtspunt, waaruit enerzijds, volgens het methodische patroon van de natuurwetenschappelijke wereldbeschouwing, theoretische staatseconomie ontstaan is, of kun je het volgens hetgeen aan de andere kant door zulke door en door eerlijke, maar uit het geestesleven van de nieuwere tijd werkende persoonlijkheden als Saint Simon of Louis Blanc enz. wilden – kun je het uit wat van deze twee kanten gewild wordt, werkelijk zo onbegrijpelijk vinden dat er ongeloof aan de geestelijke impulsen ontstaan is?

Nein, man kann es nicht. Man kann es vor allen Dingen nicht, wenn man sich den ganzen Grundcharakter des neuzeitlichen Geisteslebens vor Augen führt.
Dieser Grundcharakter des neuzeitlichen Geisteslebens, er ist allmählich, man möchte sagen etwas rein Abstraktes geworden, etwas geworden, was der äußeren Wirklichkeit lebensfremd und lebensfern gegenübersteht.
Immer wieder muß darauf aufmerksam gemacht werden, wie neuere Weltanschauungen aus dem, was Geistesleben der letzten Jahrhunderte geworden ist, allerdings auch Ethiken erzeugt haben, moralische Anschauungen erzeugt haben. Aber diese moralischen Anschauungen, haben sie die Kraft, die äußere Wirklichkeit zu durchziehen? Haben sie die Kraft, in der äußeren Wirklichkeit zu schaffen?
Weder die Wissenschaft noch die moralischen Anschauungen haben vermocht, eine wirkliche Brücke zu schaffen zwischen dem, was im Geiste des Menschen lebt, und demjenigen, was äußerlich in den materiellen oder in den Naturvorgängen liegt. Wir sehen, wie auf

Nee, dat kun je niet. Vooral niet, wanneer je je het totale basiskarakter van het geestesleven van de nieuwe tijd voor ogen stelt.
Dit basiskarakter is langzamerhand iets puur abstracts geworden, iets geworden wat levensvreemd is en ver van het leven af staat. Steeds weer moest erop gewezen worden, hoe nieuwere wereldbeschouwingen uit wat het geestesleven de laatste eeuwen geworden is, zeker ook ethische opvattingen gevormd hebben, morele gezichtspunten. Maar hebben deze de kracht deel uit te gaan maken van de uiterlijke werkelijkheid? Hebben ze de kracht iets in de uiterlijke werkelijkheid tot stand te brengen?

Noch de wetenschap, maar ook niet de morele gezichtspunten waren in staat een stevige brug te slaan tussen wat in de geest van de mens leeft en wat uiterlijk in het materiële of in de natuurlijke processen ligt. Wij zien, hoe op

blz. 122

diese Weise die Angelegenheiten der menschlichen Seele, die Ange­legenheiten des menschlichen Geistes durch lange Zeiten hindurch gewissermaßen das geistige Monopol, das Kulturmonopol derjeni­gen Gemeinschaften geworden sind, die dieses oder jenes Glaubens­bekenntnis zu dem ihrigen gemacht haben. Dadurch ist es allmählich dem wissenschaftlichen Streben ungewohnt geworden, sich mit Geist und Seele zu befassen. Man glaubt, auf der einen Seite recht frei von Vorurteilen zu sein, einer vollständig vorurteilslosen Wis­senschaft zu huldigen, wenn man sagt: Die äußeren wissenschaft­lichen Methoden können sich nur auf das äußerlich Sinnliche be­schränken; sie überschreiten sogleich die Grenze des menschlichen Erkennens, wenn sie sich auf seelisches oder geistiges Gebiet, wenn sie sich auf das übersinnliche Gebiet begeben.
Man glaubt vorurteilslos zu sein, und man folgt doch nur einer Kraft, die aus dem historischen Hergang sich ergeben hat.

deze manier wat de menselijke ziel, de menselijke geest bezighoudt, lange tijd in zekere zin het geestelijke monopolie, het cultuurmonopolie is geworden van gemeenschappen die een of andere geloofsovertuiging tot de hare hebben gemaakt. Daardoor is het voor het wetenschappelijk streven langzamerhand ongewoon geworden zich met geest en ziel bezig te houden. Men gelooft aan de ene kant wel vrij van vooroordelen te zijn, een volledig vooroordeelsloze wetenschap te huldigen, wanneer men zegt: de uiterlijke wetenschappelijke methoden kunnen zich alleen maar beperken tot het uiterlijk zintuiglijke; je gaat meteen buiten de grenzen van het menselijk kennen, wanneer die zich op psychologisch of geestelijk gebied, wanneer die zich op het bovenzintuiglijk gebied begeven.
Men gelooft vooroordeelsloos te zijn en men volgt toch alleen maar een impuls die ontstaan is uit een historisch verloop.

Diejenigen Bekenntnis-Gemeinschaften, welche durch die geschichtliche Ent­wicklung das Monopol hatten, aus alten Traditionen oder Ähn­lichem heraus Dogmen aufzustellen über das Wesen von Geist und Seele, über das Wesen der menschlichen Unsterblichkeit, die die Möglichkeit hatten, der äußeren Forschung zu verwehren, sich auf diese Dinge zu erstrecken, diese Bekenntnis-Gemeinschaften hatten ihren Druck ausgeübt auf diese äußere Forschung. So daß diese au­ßere Forschung sich früher einfach diesem Druck, diesem Gebot der Bekenntnisse fügte. Und nach und nach glauben die Wissenschaften, daß sie ihrer eigenen Vorurteilslosigkeit, ihrer eigenen Vorausset­zungslosigkeit folgen, weil ihnen nicht mehr bewußt ist, daß dasjeni­ge, dem sie eigentlich folgen, die alten Verbote der Kirche sind. Das auf der einen Seite mit Bezug auf unser Geistesleben, das sich rein auf die äußere sinnliche Wirklichkeit beschränkt und das mit seinen ge­wissenhaften Methoden, mit den Methoden, die gerade in der Naturerkenntnis in der neueren Zeit so große Triumphe gefeiert haben, nicht eingreifen kann in das Gebiet von Geist und Seele. Und so ist das Gebiet von Geist und Seele etwas Lebensfremdes gewor­den. Das Leben, die äußere Wirklichkeit, ist mit gewissenhaften Methoden erfaßt; was aber Geist und Seele betrifft, ist nach und nach

De geloofsgemeenschappen die door de historische ontwikkeling het monopolie hadden vanuit oude tradities o.i.d. dogma’s op te stellen over het wezen van geest en ziel, over wat de menselijke onsterfelijkheid is, die de mogelijkheden hadden het uiterlijk onderzoek af te wijzen, hun invloed daar te laten gelden, ze hebben druk uitgeoefend op het uiterlijk onderzoek. Zodat vroeger dit uiterlijk onderzoek zich eenvoudig schikte naar deze druk, dit gebod van het geloof. En langzamerhand geloven de wetenschappen dat zij hun eigen vooroordeelsloosheid, hun eigen onbevangenheid volgen, terwijl ze zich niet meer bewust is dat hetgeen ze eigenlijk volgen, de verboden van de kerk zijn. Dat enerzijds m.b.t. ons geestesleven dat zich puur tot de uiterlijk zintuiglijke werkelijkheid beperkt en dat doet met gewetensvolle methoden, met de methoden die juist voor de wetenschap van de natuur in de nieuwere tijd van die grote successen hebben gehad, niet tot een adequate verdieping komt van geest en ziel. En zo is het gebied van geest en ziel iets levensvreemds geworden. Het leven, de uiterlijke werkelijkheid, is met gewetensvolle methode begrepen; wat ziel en geest betreft, 

blz. 123

aller unmittelbar wirklich lebendigen Begriffe entkleidet. Und wer heute die gebräuchlichen, die angesehenen, die offiziellen Hand­bücher, Vortrage, wissenschaftlichen Betriebe der Psychologie und Ähnliches verfolgt, der wird finden, daß in alledem nichts steckt, aus dem Realität hervorsprudelt. Geistesleben ist etwas geworden, was mit dem Leben keine Verbindung hat.
So aber ist das, was einzig und allein als geistige Gesinnung zugrunde liegen könnte, wenn solche Menschen wie Saint Simon, Fourier oder Louis Blanc über das Soziale nachgedacht haben, un­fruchtbar geblieben, weil man das lebendige Eingreifen des menschlichen Geistes in die unmittelbare soziale Wirklichkeit nir­gends erfaßte. Man redete in Abstraktionen herum. Und so kann man sagen: man kann mit den Mitteln des gewöhn­lichen Geisteslebens gar nicht widerlegen, wenn auf der einen Seite gesagt wird, man könne nur nationalökonomisch die sozialen Tat­sachen beobachten und nicht in das menschliche soziale Wollen die Impulse hineinsenden, oder wenn auf der anderen Seite betont wird, aus dem geistigen Leben heraus selbst ergebe sich nichts, was zu einer wirklichen Gesundung der sozialen Verhältnisse führen könne, man müsse die Entwicklung den äußeren Produktionskräf­ten selber überlassen.

zijn deze steeds meer ontdaan van alle direct werkelijk levende begrippen. En wie tegenwoordig de gebruikelijke, gerenommeerde, de officiële handboeken, voordrachten, wetenschappelijke activiteiten van de psychologie e.d. volgt, zal vinden dat er niets inzit waar de werkelijkheid uit naar voren komt. Geestesleven is iets geworden wat met het leven geen verbinding heeft.
Zo is, wat aan het geestesleven enkel en alleen als geestelijke grondhouding ten grondslag had kunnen liggen toen dergelijke mensen als Saint Simon, Fourier of Louis Blanc over het sociale nadachten, onvruchtbaar gebleven, omdat men het levende ingrijpen van de menselijke geest in de directe sociale werkelijkheid nergens begreep. Men sprak in abstracties. Wanneer aan de ene kant gezegd wordt, dat je alleen nationaal-economisch de sociale feiten kan waarnemen en dat je de menselijke sociale wil geen impulsen kan geven, of wanneer aan de andere kant beweerd wordt, dat je de ontwikkeling over zou moeten laten aan de uiterlijke productiekrachten, kun je toch zeggen dat je met de middelen van het gewone geestesleven in het geheel niet kan weerleggen, dat er uit het geestesleven zelf niets komt, wat zou kunnen leiden tot een werkelijk gezondmaken van de sociale verhoudingen.

Das neuzeitliche Geistesleben ist abstrakt ge­worden. Das neuzeitliche Geistesleben ist gewissermaßen eine Ideologie geworden. Daher glauben weiteste sozialistisch orien­tierte Kreise, alles Geistesleben müsse eine Ideologie sein.
Das ist es, was gerade demjenigen schwer auf der Seele liegt, der zu jener Geisteswissenschaft sich bekennt, von der heute hier die Rede sein soll. Denn diese Geisteswissenschaft will nicht in dem­selben Fahrwasser laufen, in dem Geisteswissenschaft, ausgebrann­te Geisteswissenschaft, wie sie sich in der Neuzeit herausgebildet hat, läuft. Diese Geisteswissenschaft will die Menschheit wiederum zurückführen zum wirklichen Geist, zu dem Ergreifen des wirk­lichen geistigen Lebens, dem der Mensch ebenso angehört, wie er durch seinen Leib der äußeren physischen Wirklichkeit angehört, wie er durch seine materiellen Bedürfnisse der äußeren ökonomi­schen Wirklichkeit angehört.

Het moderne geestesleven is abstract geworden. Het is in zekere zin ideologie geworden. Daarom wordt er in de breedste socialistische kringen aangenomen dat alle geestesleven een ideologie moet zijn.
Dat druk degene die zich op de geesteswetenschap oriënteert waarvan hier sprake moet zijn, zwaar op de ziel. Want deze geesteswetenschap wil niet in hetzelfde vaarwater terechtkomen waarin de geesteswetenschap, de uitgebluste geesteswetenschap zit zoals die in de moderne tijd is geworden. Deze geesteswetenschap wil de mensheid weer terugbrengen naar de werkelijke geest, naar het begrijpen van het werkelijke geestesleven, dat net zo bij de mens hoort als zijn lichaam tot de uiterlijke fysieke werkelijkheid, als zijn materiële behoeften bij de uiterlijke economische werkelijkheid.

blz. 124

Aber sobald man von wirklichem Geiste heute redet, ich möchte sagen sobald man nur Miene macht, von wirklichem Geiste zu reden, dann kommt heute nicht nur Gegnerschaft, dann kommt heute Verhöhnung, jener Hohn, der alles solches geistiges Streben hinstellt als eine Zeiten-Phantasterei, wenn nicht als etwas Schlim­meres. Und wenn gar gesagt werden muß, dasjenige, was hier als Geist gemeint ist, könne nicht mit den gewöhnlichen Erkennt­niskräften erkannt werden, mit jenen Erkenntniskräften, die im all-täglichen Leben und die auch in der gewöhnlichen Wissenschaft unsere Führer sind, sondern wenn betont wird, daß zum Ergreifen, zum Erfassen des Geistes Erkenntniskräfte notwendig sind, die in der menschlichen Natur sonst nur schlummern, die erst erweckt werden müssen, ebenso sehr erweckt werden müssen wie die ge­wöhnlichen Erkenntniskräfte in dem heranwachsenden Kinde -dann begegnet man erst recht dem Unglauben der Gegenwart. Denn der Mensch der Gegenwart will nicht gelten lassen, daß es so etwas geben könne wie eine intellektuelle Bescheidenheit, daß es so etwas geben könne wie ein Weiterentwickeln des menschlichen Inneren, das zu entwickeln ist von unserer Kindheit, wo wir in­stinktiv, dumpf ins Leben hereintreten, um später auferweckt zu werden zum Handhaben der gewöhnlichen Erkenntniskräfte, daß fortgesetzt werden könne diese Entwicklung und daß sie nicht fortgesetzt wird, weil die neuere Geistesentwicklung sich gegen diese Fortsetzung der Entwicklung gestemmt hat.

Maar zodra je over de reële geest spreekt, zodra je maar aanstalten maakt om over de reële geest te spreken, komen niet alleen de tegenstanders, maar ook de spotters, met die spot die alle geestelijk streven neerzet als een mode-fantasterij, als het niet iets ergers is. En wanneer hier dan gezegd moet worden dat wat hier als geest bedoeld wordt, kun je niet met het gebruikelijke kennisvermogen leren kennen, met het vermogen dat in het dagelijks leven en ook in de gewone wetenschap onze gids is, maar wanneer benadrukt wordt dat je, wil je de geest leren kennen, een kennisvermogen nodig is dat in de menselijke natuur alleen maar sluimert en dat eerst geactiveerd moet worden, net zo zeer geactiveerd moet worden als het gewone kennisvermogen bij het opgroeiende kind – dan pas stuit je echt op het ongeloof van de tegenwoordige tijd. Want de mens van nu wil er niet aan dat er zoiets zou kunnen bestaan als een intellectuele bescheidenheid, dat er zoiets zou kunnen zijn als het verder ontwikkelen van het menseninnerlijk, dat we moeten ontwikkelen vanaf onze kindertijd, wanneer we instinctief, dof het leven betreden om later geactiveerd te worden om het gewone kennisvermogen toe te passen en dat deze ontwikkeling verder kan gaan en dat die niet verder gaat omdat de recente ontwikkeling van de geest zich tegen dit verder ontwikkelen verzet.

Nun soll hier nicht in einer unbestimmten Weise vom Geiste und seiner Wirklichkeit herumgesprochen werden. Leichter ist es heute, zu den Herzen, zu den Gemütern der Menschen zu spre­chen, wenn man in allgemeinen Phrasen von Geist und Geistigkeit redet – wie das vielfach geschieht aus der geistigen Entwicklung der letzten Jahrhunderte heraus -, als in so bestimmter Art von dem Geiste zu sprechen, wie es hier geschehen soll. Wenn man vom Geist spricht, so denkt ja jeder gleich an solch ein Abstraktum von Geist, an jenes Lebensfremde, das auch bewirkt hat, daß man zum Beispiel heute sagen kann, daß ein gewisses Richten nach dem Geiste populär geworden ist, von dem man sagen möchte: ihm ist

Nu wordt er hier niet op een vage manier over de geest en de realiteit daarvan gesproken. Het is vandaag de dag makkelijker de mens in het hart te raken, tot zijn gevoel te spreken, wanneer je met algemene frasen over de geest en het geestelijke praat – zoals dat nog al eens gebeurt door de geestelijke ontwikkeling van de laatste eeuwen, dan op zo’n concrete manier waarop dat hier moet gebeuren. Wanneer je over de geest spreekt, denkt iedereen meteen aan de abstractie van de geest, die ver van het leven af staat, dat ook tot gevolg had dat je b.v. tegenwoordig kan zeggen dat een bepaalde manier van met de geest bezig zijn, populair is geworden, waarbij je zou willen opmerken: 

blz. 125

der wirkliche Geist so fremd geworden, daß er diesem Geist zumu­tet, er begebe sich, um sich zu offenbaren, nur zuweilen auf «Gast­rollen» in das menschliche Leben herein.
Ich will Sie gewiß nicht lange mit solchen Dingen aufhalten, wie es der landläufige Spiritismus ist, dem auch neuere Gelehrte zum Opfer gefallen sind. Aber was ist schließlich dieser Spiritismus an­deres als der letzte dekadente Ausfluß des Strebens nach einem abstrakten Geistesleben! Ein wirkliches, konkretes Geistesleben muß als ein solches erfaßt werden, mit dem sich der menschliche Geist verbinden kann, mit dem man eingreifen kann bei jedem Schritt des Lebens in die äußere, in die physische natürliche, in die kosmische Wirklichkeit. So hat es mit wirklichem Geistesleben nichts zu tun, wenn Menschen mit irgendwelchen theatralischen Mitteln versuchen, mit Geistern in Kontakt zu treten, wie es bei spiritistischen Sitzungen geschieht oder wie es sonst von abstrakten Mystikern auf andere Weise angestrebt wird. Von Bemühungen um solche Gastrollen des Geistes ist hier nicht die Rede, eines Geistes, der im übrigen nichts zu tun hat mit der äußeren Wirklichkeit, der nur dazu hereingerufen wird, damit der Mensch einmal – ich möchte sagen als Eckensteher des Lebens – die Überzeugung da­von gewinne, es gebe einen Geist. 

de echte geest is voor de mens zo vreemd geworden dat hij deze geest ziet als iets wat af en toe om zich te laten zien een soort ‘gastrol’ in het mensenleven komt spelen.
Ik wil u niet te lang ophouden met de dingen zoals het gangbare spiritisme, waar moderne geleerden het slachtoffer van zijn geworden. Want wat is dit spiritisme anders dan het laatste decadente uitvloeisel van het streven naar een abstract geestesleven! En reëel, concreet geestesleven moet gezien worden als iets waarmee de menselijke geest zich kan verbinden, waarmee je handelen kan bij elke schrede in de uiterlijke, in de fysiek natuurlijke, in de kosmische werkelijkheid. En het heeft met een reëel geestesleven niets van doen, wanneer mensen met wat voor soort theatrale middelen proberen met geesten in contact te komen, zoals dat bij spiritistische seances gebeurt of zoals dit anderszins door abstracte mystici op een andere manier nagestreefd wordt. Van pogingen van de geest om dergelijke gastrollen te spelen is hier geen sprake, een geest die overigens niets te maken heeft met de uiterlijke werkelijkheid, die alleen maar opgeroepen wordt zodat de mens een keer – laat ik zeggen als buitenbeentje in het leven – erdoor van overtuigd raakt dat er een geest bestaat.

Von einem solchen Geist kann die Geisteswissenschaft, die hier gemeint ist, nicht sprechen. Sie kann nur sprechen von dem Geiste, der in Wahrheit in jedem materiellen Wirken, in jedem materiellen Geschehen drinnensteckt und mit dem der Mensch sich verbinden kann zur Beherrschung dieser äußeren Wirklichkeit. Daher werde ich vor allen Dingen von derjenigen Wirksamkeit des Geistes zu sprechen haben, auf die wir zuerst unsere Aufmerk­samkeit zu wenden haben, wenn wir sehen wollen, wie der Geist durch den Menschen selber im äußeren Leben wirksam gemacht werden kann. Wir werden unsere Aufmerksamkeit hinzuwenden haben auf die Art und Weise, wie der Geist allmählich sich heraus-entwickelt aus dem werdenden Menschen.
Selbst diese Anschauung des werdenden Menschen, dieses, ich möchte sagen völligen Rätsels der Welt, das wir in der Erziehung

Over zo’n geest kan de geesteswetenschap die hier bedoeld wordt, niet spreken. Die kan alleen maar spreken over een geest die in waarheid in iedere materiële werking, in iedere stoffelijke activiteit aanwezig is en waarmee de mens zich kan verbinden om deze uiterlijke werkelijkheid te beheersen.
Vandaar dat ik vooral over die werking van de geest moet spreken waarop we allereerst onze aandacht moeten richten, wanneer we zullen zien hoe de geest door de mens zelf in het uiterlijke leven actief gemaakt kan worden. We moeten onze aandacht richten op de manier waarop de geest zich stap voor stap ontwikkelt vanuit de wordende mens.
Zelfs deze blik op de wordende mens, dit immense wereldraadsel dat wij in de opvoeding

blz. 126

fortwährend zu lösen haben, selbst dieses Wunderrätsel vom wer­denden Menschen ist in eine gewisse abstrakte, nebulose Höhe ge­bracht worden in der neueren Zeit. Wir reden in der neueren Zeit viel von der Kraft, die wir in die Erziehung hineinlegen sollen. Vieles ist in der letzten Zeit entstanden an Versuchen, diese oder jene Erziehungsgrundsätze anzuwenden. Alle solchen Versuche werden scheitern. Sie werden sich als Dokumente des guten Willens ihrer Träger entpuppen, aber sie werden gegenüber den großen, gegenüber den intensiven Anforderungen unseres Lebens scheitern müssen, wenn sie nicht hervorgehen aus wahrer Erkennt­nis der menschlichen Wesenheit selber.
Diese menschliche Wesenheit selber aber erkennt man nicht, wenn man sie nur mit den Mitteln einer äußeren Wissenschaft oder mit den Mitteln der an der äußeren Wissenschaft gewonnenen Sin­nenbeobachtung und ihrer verstandesmäßigen Verarbeitung erken­nen will. Die menschliche Wesenheit enthüllt sich uns, indem wir uns die Fähigkeit aneignen, tatsächlich jenes geheimnisvolle Etwas zu erforschen, das sich, indem der Mensch hereintritt durch die Geburt oder Empfängnis ins physische Dasein, mit jedem Tage, mit jeder Woche, mit jedem Jahre enthüllt, wenn wir es nur zu beobachten verstehen. 

voortdurend moeten oplossen, zelfs dit wonderraadsel van de wordende mens is in een zekere abstractie, op mistige hoogte gebracht in de recente tijd. Wij praten in deze tijd veel over de impulsen die wij in de opvoeding moeten brengen. Veel is de laatste tijd ontstaan bij pogingen deze of gene onderwijsbasisregels te gebruiken. Al zulke pogingen zullen falen. Ze zullen documenten van de goede wil blijken te zijn van wie er verantwoordelijk voor is, maar zij zullen t.o.v. de grote, t.o.v. strenge eisen van ons leven moeten floppen, wanneer ze niet komen uit een echte kennis van het mensenwezen zelf.
Dit mensenwezen zelf echter leer je niet kennen, wanneer je dit alleen maar met de instrumenten van de uiterlijke wetenschap of met de instrumenten die het resultaat zijn van de uiterlijke wetenschap. Het wezen mens gaat tot ons spreken wanneer we ons het vermogen eigen maken, daadwerkelijk dit geheimzinnige ‘iets’ te onderzoeken, wat zich wanneer de mens door de geboorte of conceptie in het fysieke bestaan komt, iedere dag, iedere week, ieder jaar meer tot ons begint te spreken, wanneer we het maar goed zouden leren waarnemen.

Und da müssen wir, wenn wir eben nicht in dem Geiste abstrakt bleiben wollen, sondern auf die geistig konkrete Wirksamkeit in der äußeren Wirklichkeit gehen, da müssen wir ganz bestimmte Abschnitte zunächst im Leben des jugendlichen Menschen beobachten.
Diese Dinge werden heute viel, viel zu wenig gewürdigt. Jener Abschnitt, der sich deutlich beobachten läßt in der Zeit, in welcher der Mensch die Zähne wechselt, so um das sechste, siebente Jahr herum, bedeutet für den Kenner der Menschenwesenheit einen tief-gehenden Umschwung der ganzen menschlichen Natur. Wenn man das Seelenleben vor diesem Abschnitt prüft, wenn man ein Organ dafür hat, wirklich empirisch solche Sachen zu prüfen, wie man heute empirisch prüft in den Laboratorien oder in den physika­lischen Instituten oder der Sternwarte, dann findet man, daß der Mensch in der Zeit, die dem Zahnwechsel vorangeht, im wesentlichen

En dan moeten we, willen we nu niet in de geest abstract blijven, maar ingaan op de geestelijk concrete activiteit in de uiterlijke werkelijkheid, naar heel bepaalde fasen in het leven van de jeugdige mens kijken.
Aan deze dingen wordt tegenwoordig veel te weinig aandachtig besteed. De fase die zich duidelijk laat waarnemen in de tijd waarin de mens zijn tanden wisselt, zo rond het zesde, zevende jaar, betekent voor wie het mensenwezen kent, een diepgaande verandering van heel de menselijke natuur. Wanneer je het zielenleven vóór deze fase onderzoekt, wanneer je een orgaan hebt om deze dingen daadwerkelijk empirisch te onderzoeken, zoals men tegenwoordig empirisch in laboratoria onderzoekt of in natuurkunde-instellingen of bij de sterrenwacht, dan vind je dat mens in deze tijd waarin de tandenwisseling plaatsvindt,

blz. 127

ein Nachahmer ist. Was sein ganzes Wesen beherrscht bis zum siebenten Jahre, ist ein Leben in einem nachahmenden Ele­mente, eine Art selbstverständlicher naiver Hingabe an die Umge­bung. Bis in die Bewegung, bis in die Geste, bis in den Tonfall hinein lernen wir in den ersten sieben Jahren unseres Lebens alles durch Nachahmung, durch strengste Anpassung an dasjenige, was in unserer Umgebung ist.
Man kann solche Dinge in der Tat in extremen Fällen leicht beobachten. Unter den vielen Fällen, die einem dann entgegentre­ten, wenn man überhaupt für so etwas einen Sinn hat im Leben, will ich nur einen erwähnen. Ich könnte den einen verhundert­fachen. Ich kannte ein junges Kind, das hinkte; trotzdem ihm nicht das Geringste fehlte, hinkte es, und man konnte ihm das Hinken riicht abgewöhnen. Obwohl im Bein nicht die geringste Veran­lassung war zum Hinken, hinkte es. Und es hinkte aus dem Grun­de, weil ein älteres Geschwisterchen wirklich durch eine Beinkrankheit alle Veranlagung zum Hinken hatte! So drückt sich in einem extremen Falle dieses Nachahmungsprinzip des Menschen aus, das bis zum Zahnwechsel in seinem Leben herrschend ist. Aber man braucht es nicht in solchen extremen Fällen zu beobach­ten – man wird sogar leicht irregeführt, wenn man das tut -, son­dern man kann es beobachten, wenn man Anlagen hat für intime Kindeserkenntnis.

hoofdzakelijk een nabootser is. Wat heel zijn wezen beheerst tot aan het zevende jaar, is leven in het nabootsen, een soort vanzelfsprekend, naïeve nabootsing van de omgeving. Tot in de beweging, tot in het gebaar, tot in de tongval leren wij in de eerste zeven jaar van ons leven alles door nabootsing, door stringente aanpassing aan wat er in onze omgeving is.
Je kan dergelijke dingen inderdaad in uitzonderlijke gevallen makkelijk waarnemen. Van de vele voorvallen die je kan tegenkomen wanneer je in het leven voor zoiets een gevoel ontwikkelt, wil ik er wel één noemen. Die ene laat zich verhonderdvoudigen. Ik heb een jong kind gekend dat mank liep; hoewel het absoluut niets mankeerde, het liep hinkend en dat was het niet af te leren. Hoewel er in het been niets te vinden was wat het hinken kon veroorzaken, hinkte het. En dat deed het omdat een ouder zusje daadwerkelijk door een beenafwijking wel mank móest lopen! Zo komt in een extreem geval dit principe van nabootsing dat tot de tandenwisseling het leven beheerst, tot uitdrukking. Maar het is niet nodig het in zulke extreme gevallen waar te nemen – als je dat doet, word je vaak op het verkeerde been gezet – maar je kan het waarnemen als je talent hebt om het kind op een fijnzinnige manier te kennen.

Und dann, wenn dieser Zahnwechsel vorüber ist, dann treten für den wirklichen Beobachter ganz neue Kräfte in das seelisch-leiblich-geistige Leben des Menschen herein. Dann wird sich der Mensch nicht mehr bloß hinwenden an das, was in seiner Umgebung seine Sinne wahrnehmen, sondern dann wird er ganz besonders reif dazu, etwas in seinen Glauben, in seine Meinung hereinzunehmen, etwas, von dem er verspürt, daß es die Meinung, daß es der Glaube derjenigen ist, die ihm wegen ihres Alters, wegen ihres Auftretens in seiner Umgebung eine selbstverständliche Autorität sind.
Und diese Hingabe, diese selbstverständliche Hingabe an die Autorität, ist im Menschenleben drinnen wie ein Naturgesetz bis zu der Zeit, in der der Mensch geschlechtsreif wird. Will man in

En wanneer de tandenwisseling dan voorbij is, ontstaan er voor de goede waarnemer heel nieuwe krachten in het psychisch-mentale leven van de mens. Dan richt de mens zich niet meer alleen op dit wat zijn zintuigen in de omgeving waarnemen, maar dan is hij er helemaal klaar voor om iets in zijn vertrouwen, zijn mening op te nemen, iets waarvan hij voorvoelt dat het de mening, het vertrouwen is van degenen die door hun leeftijd, door hun manier van doen in zijn omgeving een vanzelfsprekende autoriteit zijn.
En deze toewijding, deze vanzelfsprekende toewijding aan  de autoriteit is in het leven van de mens een natuurwet tot aan de tijd waarin de mens in de puberteit komt. Wil je in

blz. 128

dieser Zeit auf das Menschenwesen sachgemäß wirken, dann muß man sich an dieses selbstverständliche Autoritätsprinzip wenden.
Wer nicht aus Vorurteilen heraus, nicht aus irgendeinem nahe­liegenden Rationalismus, sondern aus den Tatsachen heraus das Leben des jugendlichen Menschen beobachtet, der weiß, was es für das ganze Leben für eine Bedeutung hat, wenn man in der Tat als Kind in der Lage ist, zu einer Autorität, die als Autorität berechtigt ist, hinzuschauen. Wie sich die Gefühle gegenüber einer solchen Autorität im Menschen wandeln, das muß man nur beobachtet haben, nur beobachtet haben, was aus diesen der Autorität zu-gewandten Gefühlen im spateren Leben wird! Alles, was wir in wirklich freiem, unabhängigem, demokratischem Gefühl im Zu­sammenleben der Menschen entwickeln, alles, was wir uns aneig­nen an wahrer Menschenerkenntnis und Menschenachtung, es re­sultiert im Grunde genommen aus der richtigen, sachgemäßen Ent­wicklung unter der selbstverständlichen Autorität in der Zeit der Kindesentwicklung vom Zahnwechsel bis zur Geschlechtsreife.
Man sollte in diese Dinge nicht hineinpfuschen aus gewissen Programmen heraus, sondern sollte sich gerade auf diesem Gebiete einer rein empirischen Betrachtungsweise hingeben.

die tijd op een adequate manier van invloed zijn op het mensenwezen, dan moet je je op dit vanzelfsprekende autoriteitsprincipe richten.
Wie niet vanuit vooroordelen, niet uit een of andere voor de hand liggend rationalisme, maar uit de feiten het leven van de jeugdige mens waarneemt, weet wat het voor het hele leven betekent wanneer je als kind inderdaad in de positie verkeert op te kijken tegen een autoriteit, die die autoriteit waard is. Hoe de gevoelens voor zo’n autoriteit in de mens veranderen, dat moet je wel hebben waargenomen, wel waargenomen hebben wat uit de gevoelens die gericht waren op de autoriteit, in het latere leven komt! Alles wat we uit echt vrij, onafhankelijk democratisch gevoel in het samenleven met mensen ontwikkelen, alles wat we ons eigen maken aan echte mensenkennis en eerbied voor de mens, is in de aard van de zaak het resultaat van de juiste, ter zake zijnde ontwikkeling onder de vanzelfsprekende autoriteit in de tijd van tandenwisseling tot puberteit.
Je moet bij deze dingen niet oppervlakkig aanmodderen uit bepaalde programma’s, maar je zou je juist op dit vlak met een puur empirische onderzoeksmethode moeten inlaten.

Dann wird man empfinden, dann wird man finden, an was man zu denken hat, wenn man das Kind aus der Sorgsamkeit der Eltern – oder auch der Unsorgsamkeit, der Verziehung durch die Eltern – empfängt, die namentlich wirkte unter dem Nachahmungsprinzip, wenn man es hereinbekommt in das Schulleben, in jenes Schulleben, in dem man, wenn man wirklich sachgemäß wirken will, aus diesem Prinzip der Autorität heraus wirken muß. Aber man kann nur wirken, wenn man aus Menschenkenntnis heraus seine pädagogischen Maßnah­men, seine ganze Lehr- und Erziehungstätigkeit entwickeln kann.
Nun, wenn man nicht in der Lage ist, von Jahr zu Jahr, von Woche zu Woche zu beobachten, wie [jeweils] andere Anforderun­gen aus dem Zentrum des Kindes sich entwickeln, an die Oberflä­che dringen, denen man entgegenzukommen hat mit dem Lehrstoff und den Lehrmethoden, wird man nicht mit den Kräften der Ent­wicklung des Menschen wirken, man wird gegen sie wirken.

Dan zal je ervaren, zal je vinden waaraan je moet denken, wanneer je het kind toevertrouwd krijgt uit de zorgzaamheid van de ouders – of ook uit de niet-zorgzaamheid of verkeerde opvoeding door de ouders – die met name onder invloed stond van het nabootsingsprincipe als je het kind op school krijgt, op school waar je, als je werkelijk adequaat wil werken, met dit autoriteitsprincipe moet werken. Maar dat kan alleen als je vanuit de menskunde je pedagogische maatregelen, je hele onderwijs- en opvoedingsactiviteit kan ontwikkelen.
Nu, als je niet in staat bent van jaar tot jaar, van week tot week waar te nemen hoe zich in de kern van het kind andere vragen ontwikkelen, naar buiten willen komen, waarop je antwoorden moet met de leerstof en de leermethoden, dan werk je niet met de krachten van ontwikkeling van de mens, dan werk je die tegen.

blz. 129

Wenn man aber nicht weiß, wie die Autorität wirkt, wenn man nicht die intimen Wechselwirkungen kennt zwischen der Autorität und dem aufwachsenden Kinde, dann wird man gerade auf dem Gebiete der Unterrichts- und Erziehungstätigkeit nimmermehr für diese Jahre im lebenfördernden Sinne wirken können.
Ich möchte wiederum einzelnes Konkrete anführen. Aus gewis­sen Programmen, aus gewissen Vorurteilen heraus wird heute viel gesprochen vom Anschauungsunterricht. Anschauungsunterricht: das heißt, man soll dem Kinde alles einzeln zeigen. Und darinnen liegt sehr häufig auch die Anforderung, man soll ihm nur dasjenige zeigen, was man ihm vor Augen oder wenigstens vor seinem Verstande demonstrieren kann, so daß es aus seiner kindlichen Auffassung heraus alles gleich begreifen kann.
Man nehme nur einmal in die Hand, was heute vielfach als Handbücher zur Anleitung für solchen Anschauungsunterricht gilt. Gewiß, der Anschauungsunterricht ist in gewissen Grenzen sehr berechtigt; allein, gerade was in gewissen Grenzen berechtigt ist, führt zum Unheil, wenn es über die Grenzen hinausgeführt und angewendet wird. Dieser Anschauungsunterricht – man kann es, wie gesagt, aus den Handbüchern ersehen – führt sehr häufig zur äußersten Trivialität.

Maar wanneer je niet weet hoe autoriteit werkt, wanneer je niet de subtiele wisselwerkingen kent tussen de autoriteit en het opgroeiende kind, dan zal je vooral op het gebied van onderwijs en opvoeding nooit voor die leeftijd kunnen werken in de zin van dat het het leven verder brengt.
Ik wil weer een paar concrete voorbeelden geven. In bepaalde programma’s, met bepaalde vooroordelen wordt er tegenwoordig veel gesproken over het aanschouwelijkheidsonderwijs. Aanschouwelijkheidsonderwijs: d.w.z. je moet het kind allerlei dingen laten zien. En daar hoort vaak de eis bij dat je hem alleen moet laten zien wat hij met zijn ogen kan zien of tenminste toch zo dat hij het met zijn verstand kan oppakken, zodat hij door het begrip dat hij als kind heeft, alles meteen kan begrijpen.
Neem eens iets ter hand wat tegenwoordig vaak als handboeken gebruikt wordt om een dergelijk aanschouwelijkheidsonderwijs te kunnen gaan geven.
Zeker, het aanschouwelijkheidsonderwijs is binnen bepaalde grenzen zeer op zijn plaats, alleen, wat binnen bepaalde grenzen op zijn plaats is, leidt tot iets noodlottigs wanneer het de grenzen te buiten gaat en toegepast wordt. Dit aanschouwelijkheidsonderwijs – je kan het zoals gezegd uit de handboeken halen – leidt heel vaak tot de grootste trivialiteit.

Man sucht sich herunterzuschrauben zu dem­jenigen, was das Kind verstehen soll, zu demjenigen, wovon man glaubt, in seiner Einfalt einfach glaubt, daß es das Kind verstehen könne. Man berücksichtigt dabei aber nicht, was es im Leben des Menschen bedeutet, wenn man zum Beispiel, nun sagen wir fün­funddreißig Jahre alt geworden ist und sich plötzlich erinnert, aus irgendeinem  Lebensanlasse heraus, daß einem von einer verehrten Autorität vielleicht im siebenten, achten, neunten oder zehnten Jahre in der Schule etwas beigebracht worden ist. Das, sagt man sich, hast du dazumal nicht verstanden; du blicktest voll Hingabe zu der verehrten Autorität auf; du wußtest, wenn die verehrte Autorität es spricht, wenn sie es in deine Seele hereinleitet – du wußtest das instinktiv, du machtest dir das nicht klar, aber du empfandest es dazumal -, du wußtest: das ist etwas Wertvolles. Du nahmst es hin, vielleicht nur seinem Wortlaute nach, aber es lebte

Men probeert op een lager niveau te komen om het kind te laten begrijpen wat het begrijpen moet en waarvan men gelooft, naïef simpel gelooft dat het kind dat zou kunnen begrijpen. Daarbij heeft men niet in de gaten wat het in het leven van de mens betekent, wanneer je, laten we b.v. zeggen, vijfendertig jaar bent geworden en je je dan plotseling herinnert, doo een of andere aanleiding van iets, dat je iets door een geliefde autoriteit op school is bijgebracht toen je misschien zeven, acht, negen of tien jaar oud was.
Dat, zeg je bij jezelf, begreep ik toen niet, je keek vol toewijding tegen de vereerde autoriteit op en je wist, wanneer deze spreekt, wanneer je dat in je ziel meeneemt – dat wist je instinctief – dan is dat waardevol. Je nam het aan, misschien alleen maar wat de woorden betreft, maar het leefde

blz. 130

in dir nach noch jahrelang. Nach Jahren erinnerst du dich, jetzt, wo du reif dazu geworden bist, rufst du dasjenige, was du einstmals aufgenommen hast, dir in die Erinnerung. Dieses Zurückgreifen von dem Standpunkte der Reife aus auf dasjenige, was man in der Zeit der Unreife aufgenommen hat, auf bloße Autorität hin aufge­nommen hat, das ist nun ein Quell der Kraft. Und man weiß jetzt, was es bedeutet, daß man so etwas als Kind in der Jugend bei­gebracht bekam, wofür man erst in späterer Lebensreife, in der Erinnerung, das volle Verständnis finden kann: Lebendige Kräfte führen wir dadurch einem Menschen zu! Noch etwas anderes möchte ich anführen für das intime Walten zwischen der Erzieher-Autorität und dem Kinde. Man will gewisse Dinge der Jugend beibringen, und man sagt sich: Die Jugend, sie versteht ja natürlich nicht diese Dinge, die erst für ein späteres Lebensalter sind. Also kleidet man das für die Jugend in allerlei Vergleiche, in allerlei Sinnbilder ein. Wollen wir irgendein solches Sinnbild nehmen, das vielleicht jemand ausdenken könnte: Irgend jemand bildet das Sinnbild für die Unsterblichkeit aus, indem er sie sinnlich einmal dem Kinde vorführen will. Er sagt vielleicht: Mein Kind, hier hast Du eine Schmetterlingspuppe. In dieser Schmetter­lingspuppe, da ist das Tier verborgen drinnen. Das Tier wird aus-kriechen, der schöne Schmetterling tritt aus der Puppe hervor.

nog in je, na jaren. Na jaren herinner je je dat, nu je er aan toe bent, roep je je wat je ooit in je opgenomen hebt, weer in je op. Dat weer oppakken op het punt dat je eraantoe bent van wat je in de tijd toen je er niet aan toe was, alleen door je autoriteitsgevoel hebt opgenomen, is nu een bron die het vermogen heeft te werken. En nu weet je wat het betekent als je zoiets als kind in je jeugd bijgebracht bent, waar je pas in het latere leven aan toe bent, je herinnerend, dat je daarvoor het volle begrip kan vinden. We geven een mens daarmee een levendige krachtbron!
Ik wil nog iets te berde brengen voor wat er aan subtiels speelt tussen de opvoeder-autoriteit en het kind. Men wil de jeugd bepaalde dingen bijbrengen en men zegt dan: de jeugd begrijpt de dingen natuurlijk niet die pas voor een latere leeftijd zijn. Dus kleedt men dat dan voor de jeugd in allerlei vergelijkingen in, in allerlei symbolen. Laten wij een beeld nemen dat iemand misschien zou kunnen uitdenken: iemand maakt een of ander symbolisch beeld voor de onsterfelijkheid, als hij dat een kind eens een keer wil uitleggen. Dan zegt hij misschien: Mijn kind, hier heb je de cocon van een vlinder. In deze cocon zit dat beestje verstopt. Het diertje zal eruit kruipen, er komt een mooie vlinder tevoorschijn.

Nun geht man weiter und sagt: So wie in dieser Puppe der Schmetterling drinnen ist, so ruht in Deinem Leibe die unsterbliche Seele. Und wenn Du durch die Todespforte gehst, dann wird diese unsterbliche Seele in der geistigen Welt wie der Schmetterling er­scheinen. Erinnere Dich, wie hier in der physischen Welt aus der Puppe heraus der schöne Schmetterling hervortritt. Man kann solch ein Sinnbild bilden. Das Kind wird vielleicht etwas berührt davon. Allein, was durch ein solches Sinnbild er­reicht werden soll, wird doch nicht erreicht, wenn man als Erzieher bloß das Bewußtsein hat: Du bist gescheit, das Kind ist noch dumm. Du kleidest dasjenige, was das Kind noch nicht verstehen kann, in ein Bild. – Es gibt Imponderabilien im menschlichen Zu­sammenleben, ohne daß irgend etwas zwischen dem Verstand der

Nu gaat men verder en zegt: zoals in de cocon de vlinder zit, net zo zit in jouw lijf de onsterfelijke ziel. En wanneer je door de poort van de dood gaat, zal deze onsterfelijke ziel als de vlinder in de geestelijke wereld verschijnen. Denk eraan hoe hier in de stoffelijke wereld uit de cocon de mooie vlinder tevoorschijn komt. Zo’n symbool kun je maken. Dat raakt een kind misschien wel. Alleen, wat je door zo’n beeld zou willen bereiken, bereik je toch niet, wanneer je als opvoeder alleen de gedachte hebt: jij bent slim, het kind is nog dom. Jij kleedt wat het kind nog niet kan begrijpen, in een beeld. Maar waar mensen samenleven, spelen zich tussen hen onweegbare, imponderable dingen af, zonder dat ze dat begripsmatig van elkaar weten, ook tussen autoriteit en kind.

blz. 131

Autorität und dem Verstand des Kindes spielt. Im Unterbewußten wird etwas bewirkt, was ein Ergebnis der Ungläubigkeit des Leh­rers gegenüber seinem Bilde und dem Glauben, der sich durch das Bild bei dem Kinde entwickeln soll, ist.
Man muß eben nur beobachtet haben, wie anders solche Dinge wirken – ich werde jetzt etwas zunächst sehr Paradoxes sagen -, wenn man nun selbst daran glauben kann, daß das Bild von der Puppe und dem Schmetterling nicht ein bloßes Bild ist, wenn man sich klar darüber ist, daß nicht ich dieses Bild mache, sondern die schöpferischen Naturkräfte selber machen dieses Bild.
Dieses Bild ist von der einzig großen Künstlerin Natur, die ihr Göttliches in sich trägt, so geprägt, daß es auf einer niedrigeren Stufe dasselbe ausdrückt wie die Unsterblichkeit auf einer höheren Stufe. Wenn man, mit anderen Worten ausgedrückt, völlig an sein Bild glauben kann, wenn das nichts Ausgedachtes ist, wenn das für einen selbst innerlicher Glaube ist, dann wirkt in dem, wie man sich zu dem Kinde verhält, etwas in der Art, daß, wenn es in das Leben des Kindes in der rechten Weise eingreift, das Kind später ein echtes Bild für die Unsterblichkeit der eigenen Seele hat. Man soll nur ja nicht nach den äußeren Dingen urteilen, die man heute mit dem Autoritätsprinzip auch für dieses Lebensalter verbindet.

In het onderbewustzijn gebeurt iets wat het gevolg is van dat hij niet in het beeld gelooft en dat hij dat geloof in zijn beeld bij het kind moet ontwikkelen.
Je moet waargenomen hebben hoe anders deze dingen uitpakken – ik ga nu iets zeer paradoxaals zeggen – wanneer je er zelf in geloven kan dat het beeld van de cocon en de vlinder niet alleen maar een voorbeeld is, wanneer het je duidelijk is dat niet ik dit beeld maak, maar dat de scheppende natuurkrachten zelf dit beeld maken.
Dit beeld is door de unieke kunstenares natuur die haar goddelijkheid in zich draagt, zo gevormd dat het op een lager niveau hetzelfde uitdrukt als de onsterfelijkheid op een hoger niveau. Wanneer je, met andere woorden uitgedrukt, volledig in je beeld kan geloven, wanneer dat niets is wat uitgedacht is, wanneer dat voor jezelf innerlijk geloof is, dan werkt in alles waarmee je met het kind omgaat, iets op die manier dat het in het leven van het kind op de juiste manier van invloed is, dat het kind later een echt beeld voor de onsterfelijkheid van de ziel in zijn eigen ziel meedraagt. Je moet dus niet oordelen naar de oppervlakkige zaken die men tegenwoordig verbindt met het autoriteitsprincipe in deze leeftijdsfase.

Es ist zumindest noch ein sorgfältiges Studium von jenem Gesichtspunk­te aus, den ich gleich nachher besprechen werde, notwendig, um wirklich zu durchschauen, was da im Leben des Menschen waltet und angewendet werden muß in der Erziehung zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife.
Im Grunde genommen tritt erst nach der Geschlechtsreife in der menschlichen Natur die eigene Urteilsfähigkeit, das freie, unabhän­gige Verständigsein auf. Greift man früher zu diesem unabhängigen Verständigsein, appelliert man bei dem Kinde vor der Geschlechts­reife zu sehr an den Verstand, appelliert man nicht an dasjenige, was von Person zu Person durch Autorität übertragen wird, dann ertötet man vieles von dem, was sich gerade zwischen dem sech­sten, siebenten und vierzehnten, fünfzehnten Lebensjahre, also während der Volksschulzeit, in dem Kinde entwickeln will.

Er is op zijn minst nog een zorgvuldige studie nodig van dit gezichtspunt, dat ik straks nog zal bespreken om werkelijk te doorzien wat daar in het leven van de mens gebeurt en gebruikt moet worden in de opvoeding tussen de tandenwisseling en de puberteit.
In de aard van de zaak ontstaat pas na de geslachtsrijpheid in de menselijke natuur het eigen oordeelsvermogen, het vrije, onafhankelijke vestandig zijn. Doe je eerder een beroep hierop, appelleer je bij het kind vóór de puberteit te zeer aan het verstand, appelleer je niet aan wat van persoon tot persoon door de autorteit overgedragen wordt, dan maak je veel kapot van wat nu juist tussen het zesde, zevende jaar en het veertiende, vijftiende, dus gedurende de basisschool, in het kind tot ontwikkeling wil komen.

blz. 132

Nun müssen wir vorher fragen: woher kommen dem Erziehen­den diese Einsichten in die Kräfte, die er bei dem Kinde verwenden soll, wenn es zunächst noch ein Nachahmer ist, dann in der Zeit zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife und dann in dem Lebensalter nach der Geschlechtsreife? Man kann spotten, man kann heute höhnen über dasjenige, was die Geisteswissen­schaft meint, wenn sie davon spricht, daß besondere Kräfte, höhere Erkenntniskräfte in der menschlichen Natur gebildet werden müs­sen, damit man das Geistige erkennen kann, auch wenn es als Gei­stiges so wirkt, wie ich es jetzt beschrieben habe für die verschie­denen Lebensalter des Menschen.
Ich habe in meinem Buche «Wie erlangt man Erkenntnisse der höheren Welten?» im einzelnen beschrieben, wie man sich diese höheren Erkenntniskräfte aneignet; desgleichen im zweiten Teil meiner «Geheimwissenschaft» und in anderen Büchern. Ich habe gezeigt, wie der Mensch, indem er gewissermaßen das gewöhnliche alltägliche Erkennen und das gewöhnliche wissenschaftliche Er­kennen als einen Grund und Boden betrachtet, durch drei Stufen höherer Erkenntnisse aufsteigen kann, die ich – stoßen Sie sich nicht an Namen, man braucht eben gangbare Namen – genannt habe: die imaginative Erkenntnis, die inspirierte Erkenntnis und die intuitive Erkenntnis.

Vooraf moeten we vragen: waar komen voor de opvoeder deze inzichten in de krachten die hij bij het kind wil gebruiken, vandaan, wanneer het eerst nog een nabootser is, dan in de tijd tussen de tandenwisseling en de puberteit en dan in de leeftijd daarna? Je kan de spot drijven, er nu honend over doen wat de geesteswetenschap bedoelt, wanneer deze zegt dat bijzondere krachten, hogere kenvermogens in de menselijke natuur ontwikkeld kunnen worden, zodat je het geestelijke kan kennen, ook wanneer dit geestelijk zo werkt, als ik nu heb beschreven voor de verschillende levensfasen van de mens.
Ik heb in mijn boek ‘De weg tot inzicht‘* in detail beschreven hoe je je deze hogere kenvermogens eigen maakt; eveneens in het tweede deel van mijn ‘Wetenschap van de geheimen der ziel‘** en in andere boeken. Ik heb laten zien hoe de mens als hij in zekere zin het gewone alledaagse kennen en het gewone wetenschappelijke kennen als een vaste basis neemt, hij door drie niveau’s van hogere kennis op kan klimmen, die ik – erger u niet aan de naam, je hebt nu eenmaal gangbare namen nodig – genoemd heb: imaginatieve kennis, geïnspireerde kennis en  intuïtieve kennis.

*GA 10

 **GA 13,hoofdstuk de kennis van de hogere werelden, over de drie niveau’s van hogere kennis
GA 12, de drie opstellen over deze kennis die oorspronkelijk als tussenopmerkingen waren gedacht voor GA 10

Die imaginative Erkenntnis eignen wir uns an, wenn wir ganz besondere Meditationen machen, systematisch, so wie ich es in den genannten Büchern beschrieben habe, indem wir das Denken über jenen Grad hinaus schulen, den es für das gewöhnliche Leben und für die gewöhnliche Wissenschaft erreicht. Diese imaginative Er­kenntnis gibt uns zunächst die Möglichkeit, in unserem  Seelenleben Bilder zu entwickeln, aber Bilder, die nicht Raumesbilder, die nicht Phantasiebilder sind, sondern Bilder, welche die Repräsentanten sind einer geistigen Wirklichkeit.
Man lernt erkennen, daß schließlich alles dasjenige, was der Mensch für das gewöhnliche Leben und für die gewöhnliche Wissenschaft an Ideen, an Vorstellungen, an Übermittlung von Sinneswahrnehmungen entwickelt, allerdings gebunden ist an die

De imaginatieve kennis verkrijgen we wanneer we heel bijzondere meditaties doen, sytematisch, zoals ik het in de genoemde boeken heb beschreven, wanneer we het denken een niveau hoger scholen dan het voor het gewone leven en voor de gewone wetenschap bereikt. Deze imaginatieve kennis geeft ons eerst de mogelijkheid in ons zielenleven beelden te ontwikkelen, maar beelden die geen ruimtelijke beelden zijn, die geen fantasiebeelden zijn, maar beelden die een geestelijke werkelijkheid representeren.
Je leert dat uiteindelijk alles wat de mens voor het gewone leven en voor de gewone wetenschap aan ideeën, aan voorstellingen, aan het overdragen van zintuigwaarnemingen ontwikkelt, nu eenmaal gebonden is aan de

blz. 133

menschliche Leiblichkeit. Aber man lernt, indem man immer mehr und mehr dazu übergeht, das Denken, die Denkkraft in einer me­ditativen Tätigkeit in sich zu steigern, allmählich das Seelenleben von dem bloßen Leibesleben loszulösen. Und man steigt zunächst auf zu einer imaginativen Erkenntnis, die nur in Bildern besteht, die uns aber Realität vorführt in dem Momente, in dem wir uns so weiterentwickeln, wie ich es in den genannten Büchern beschrieben habe. Wenn das inspirierende Element aus den geistigen Welten, die ebenso um uns herum sind wie die physische Welt, hereinspricht, dann erfüllen sich diese Bilder, für deren Auffassungsfähig­keit wir uns zuerst geeignet gemacht haben, für uns mit Wirkungen aus der geistigen Welt.
Und steigen wir auf zur intuitiven Erkenntnis, so treten wir den geistigen Wesenheiten so gegenüber, wie wir hier in der physischen Welt physischen Wesenheiten gegenübertreten. Ich kann das heute nur andeuten, muß auf die Bücher verweisen, die ich angeführt habe, sowie auf zahlreiche Vorträge, welche ich auch hier in Basel gehalten habe und wobei ich diese Dinge im einzelnen beschrie­ben habe. 

menselijke lichamelijkheid. Maar je leert, als je er steeds maar weer ertoe overgaat het denken, de denkkracht in een meditatieve activiteit in je te doen toenemen, het zielenleven stap voor stap van het alleen maar lichamelijke los te maken.
En dan kom je op het niveau van een imaginatief kennen dat alleen uit beelden bestaat dat echter de realiteit meebrengt op de ogenblikken waarop wij ons zo verder ontwikkelen zoals ik het in de genoemde boeken heb beschreven.
Wanneer het inspirerende element uit de geestelijke werelden die net zo om ons heen aanwezig zijn als de stoffelijke wereld, zich kenbaar maakt, vullen zich deze beelden waarvoor we eerst het vermogen hebben eigen gemaakt om deze in ons op te nemen, met wat vanuit de geestelijke wereld werkt.
En als we de intuïtieve kennis bereiken dan komen we zo tegenover de geestelijke wezens te staan, zoals wij hier in de fysieke wereld tegenover fysieke wezens staan. Ik kan dit nu alleen maar aanduiden, moet op de boeken wijzen die ik genoemd heb, alsook op de talloze voordrachten die ik ook hier in Basel heb gehouden en waarbij ik deze dingen tot in detail heb beschreven.

Wenn der Mensch wirklich aufsteigen kann zu dem, was ich hier nenne imaginative, inspirierte und intuitive Erkenntnis, so ist das keine Phantasterei, Träumerei – so spricht die Geistlosig­keit unserer Zeitgenossen noch, wenn man ihnen von diesen Erkenntnisstufen spricht; höchstens, wenn sie guten Willens sind, sagen sie: «Nun ja, Auswüchse einer krankhaften Phantasie!» Aber man braucht nur auf die wirklichen Grundlagen dieser höheren Erkenntnis hinzuweisen, und das will ich heute tun. Indem ich mich beziehe auf die Charakteristik, die ich sonst gegeben habe, möchte ich hinweisen auf die eigentliche Quelle dieser höheren Erkenntnisse. Wo liegen in der menschlichen Natur diese Kräfte, die entwickelt werden müssen im Leben, damit der Mensch in die geistige Welt hineinsehen kann?
Bedenken Sie nur: bis zum Zahnwechsel hat der Mensch gewisse Kräfte in sich, die ihn zu einem nachahmenden Wesen machen, Kräfte, die später gewissermaßen sich rückbilden. In unserem heutigen gewöhnlichen und sozialen Leben finden diese Kräfte,

Wanneer de mens werkelijk verder kan komen tot wat ik hier imaginatieve, inspiratieve en intuïtieve kennis noem, dan is dat geen fantasterij, dromerij – dat zegt de geesteloosheid van onze tijdgenoten nog steeds, wanneer je tegen hen over de trappen van kennis spreekt; en hooguit wanneer ze van goede wil zijn, zeggen ze: ‘Nou ja zeg, woekeringen van een ziekelijke fantasie!’
Maar je hoeft alleen maar op de reële basis van deze hogere kennis te wijzen en dat zal ik nu doen. als ik mij beperk tot de karakteristiek die ik net heb gegeven, door te wijzen op de eigenlijke bron van deze hogere kennis.
Waar zitten in de natuur van de mens deze krachten die ontwikkeld moeten worden in het leven zodat de mens in de geestelijke wereld kan zien?
Denk eraan: tot aan de tandenwisseling heeft de mens een bepaalde kracht in zich die hem tot een nabootsend wezen maakt, krachten die later in zekere zin minder worden. In ons huidige gewone en sociale leven, worden deze krachten,

blz. 134

möchte ich sagen, keine Verwendungen. Sie werden rückgebildet. Aber sie bleiben mit der menschlichen Natur verbunden.
Und wiederum die Kräfte, die zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife wirken, die da aus dem Seelisch-Leiblichen heraus jene Hinneigung zum Autoritätsprinzip bewirken, diese Kräfte, die ich Ihnen charakterisiert habe in dem Wirken im Sinne von Imponderabilien zwischen dem Erzieher und dem zu Erzie­henden, diese Kräfte sind reale Kräfte des Kindesalters; sie werden später zurückgebildet. Und noch von der Geschlechtsreife bis in die Zwanzigerjahre hinein haben wir als Menschen solche Kräfte, welche später zurücktreten.
Es ist ja heute allerdings schon eine seltenere Erscheinung, was wir den Idealismus der Jugend nennen, was wir diejenigen Antrie­be der Jugend nennen, die Ideale hinstellen, lebensvolle Ideale, so wie sonst nur für den späteren Menschen das äußere reale Leben empfunden wird. Aber dieselben Kräfte sind es, die erst nach der Geschlechtsreife unsere eigentliche Urteilsfähigkeit begründen, diese Kräfte sind es, die zur besonderen Ausbildung gebracht wer­den müssen, wenn der Mensch geschlechtsreif geworden ist. Diese Kräfte werden nach dem zwanzigsten, einundzwanzigsten, zwei­undzwanzigsten Jahre wiederum zurückgebildet. 

laat ik zeggen, niet aangesproken. Ze worden zwakker. Maar ze blijven met de menselijke natuur verbonden.
En dat is ook zo met de krachten die tussen de tandenwisseling en de puberteit werken, die daar vanuit het lichamelijk-psychische de neiging tot het principe van de autoriteit veroorzaken, deze krachten die ik voor u heb gekarakteriseerd in hun werking bij het imponderabele tussen de opvoeder en de opvoedeling, deze krachten zijn reële krachten van de kinderleeftijd; later gaan deze achteruit. En nog vanaf de geslachtsrijpheid tot we twintig en ouder zijn hebben wij als mensen dergelijke krachten die dan later achteruit gaan.
Tegenwoordig zien we veel minder wat we het idealisme van de jeugd noemen, wat wij de impulsen voor het idealisme van de jeugd noemen, het formuleren van idealen, levensechte idealen, zoals anders alleen door de mens later het uiterlijke reële leven ervaren wordt. Maar het zijn dezelfde krachten die pas na de puberteit een basis vormen voor ons eigenlijke vermogen om te kunnen oordelen, dat zijn die krachten die op een bijzondere manier ontwikkeld moeten worden wanneer de mens geslachtsrijp is geworden. Deze krachten nemen na het twintigste, eenentwintigste, tweeentwintigste jaar ook weer af.

So wie in den letzten Jahrhunderten das menschliche Leben sich einzig und allein zur Entwicklung der intellektuellen Fähigkeiten, der äußeren wissenschaftlichen Fähigkeiten, der äußeren Naturbe­obachtung und sozialen Beobachtung entwickelt hat, so werden zunächst diese Kräfte, die in den drei ersten Lebensaltern des Men­schen wirken, zurückgebildet. Sie können wieder heraufgeholt werden. Und nichts anderes ist es, was heraufgeholt wird nach Anleitung meines Buches «Wie erlangt man Erkenntnisse der höheren Welten?» aus den Tiefen der Menschennatur für das ima­ginative Erkennen, als jene Seelenkräfte, jenes Geisteswirken, die nach der Geschlechtsreife bis in die Zwanzigerjahre hinein den Menschen eigentlich als solchen geistig-leiblich bilden. Was zu­rücktritt, wird wieder hervorgeholt von dem Geistesforscher. Es wird wieder hervorgeholt, damit es ins Bewußtsein herauftritt,

Zoals in de laatste eeuwen het menselijke leven zich enkel en alleen in de richting van de intellectuele vaardigheden, de uiterlijk wetenschappelijke vaardigheden, de uiterlijke natuurwaarneming en sociale waarneming ontwikkeld heeft, zo gaan nu die krachten die in de eerste drie levensfasen van de mens actief zijn, achteruit. Ze kunnen weer gewekt worden.
En niets anders dan die zielenkracht, dat werken van de geest die na de puberteit tot in de jaren dat je twintig bent de mens als zodanig geestelijk-fysiek vormen, is het, wat door mijn boek ‘De weg tot hoger inzicht’ uit de diepten van de mensennatuur voor het imaginatieve kennen gewekt wordt,  Wat achteruit gaat wordt door de onderzoeker van de geest weer gewekt. Het wordt weer gewekt zodat het in het bewustzijn komt,

blz. 135

während es sonst zurückgetreten ist. Da entwickelt es dann die imaginative Erkenntnis.
Schwieriger ist schon, dasjenige hervorzuholen, was im Men­schenleben vom Zahnwechsel bis zur Geschlechtsreife gewirkt hat, die Kräfte, die wiederum zurückgetreten sind im späteren Leben, die, ich möchte sagen tiefer drinnenstecken in dem Organsystem. Auch sie können durch solche Übungen, wie ich sie beschrieben habe in den genannten Büchern, heraufgeholt werden in das Bewußtsein. Dann erweisen sich diese Kräfte als identisch mit unbekannten, durch keine äußere Wissenschaft aufstellbaren Naturkräften, die gerade im Menschen aber wirken. Dann lernen wir diese Kräfte beherrschen. Dann bringen sie uns gewisse Geistgeheimnisse der Umgebung durch eine inspirierte Wissenschaft in unser Bewußtsein herein. Nicht erfundene Kräfte, nicht irgend et­was, was im Leben nicht vorhanden ist, sondern gerade, was sich in wichtigsten Entwicklungsjahren des Menschen als wirksam er­weist, das wird durch die Geistesforschung wiederum heraufgeholt, um zur Grundlage für Einsichten in die geistige Welt zu werden.
Am schwierigsten hervorzuholen – weil sie eigentlich schon für die Beobachtung verborgen bleiben – sind diejenigen Kräfte, die tätig sind in der menschlichen Natur und später ganz verschwin­den.

terwijl het toch achteruit is gegaan. Dan komt de imaginatieve kennis tot ontwikkeling.
Moeilijker is het al om wat in het mensenleven vanaf de tandenwisseling tot aan de puberteit werkzaam was, naar boven te halen, de krachten die in het latere leven ook achteruit zijn gegaan, die dieper in het organisme zitten. Ook deze kunnen door de oefeningen zoals ik ze heb beschreven in de genoemde boeken, opgeroepen worden in het bewustzijn. Dan zullen deze krachten dezelfde blijken te zijn als onbekende, door geen uiterlijke natuurwetenschap op te stellen natuurkrachten die echter juist in de mens werkzaam zijn.
Dan leren we deze krachten beheersen. Dan onthullen zij bepaalde geestesgeheimen in het bewustzijn, van de omgeving door een geïnspireerde wetenschap. Geen uitgedachte krachten, niet op de een of andere manier iets wat in het leven niet aanwezig is, maar juist wat in de belangrijkste ontwikkelingsjaren van de mens actief blijkt te zijn, dat wordt door geestelijk onderzoek weer opgehaald om tot de basis voor de inzichten in de geestelijke wereld te worden.
Het moeilijkst weer tevoorschijn te roepen – omdat die eigenlijk voor de waarneming verborgen blijven – zijn die krachten die werkzaam zijn in de menselijke natuur en die later helemaal verdwijnen.

Es sind dies die Kräfte, die in der menschlichen Natur zwi­schen der Geburt oder sagen wir sogar der Empfängnis und dem Zahnwechsel tätig sind und im Heraustreiben der bleibenden Zäh­ne sozusagen ihren Abschluß, ihren Schlußpunkt finden. Diese Kräfte ziehen sich ganz in das organische System des Menschen zurück, können aber ebenfalls herausgeholt werden, nachdem wir die anderen Kräfte herausgeholt haben. Dann sehen wir, daß – indem wir diese Kräfte erfassen – wir uns mit unserer Wesenheit, die uns eigentlich den Lebensanstoß gegeben hat, nun verbinden. Wir rollen gewissermaßen das Leben nach dem siebenten Lebensjahre nurmehr ab. Den eigentlichen Anstoß aus der tiefsten Seele heraus, die wir als Geist erkennen, wenn wir sie heraufholen, den empfangen wir in dem ersten Lebensabschnitt; wenn wir das aus unserem Bewußtsein heraufbringen, was sonst zurückgetreten

Het zijn die krachten die in de menselijke natuur tussen de geboorte of ook zelfs de conceptie en de tandenwisseling werkzaam zijn en in het tevoorschijn komen van de blijvende tanden zogezegd tot afsluiting komen. Deze krachten trekken zich helemaal terug in het orgaansysteem van de mens, kunnen wel weer gewekt worden, nadat we die andere krachten hebben gewekt.
Dan zien we – wanneer we deze krachten begrijpen – dat wij ons verbinden. met ons wezen dat ons eigenlijk de impuls om te leven gegeven heeft.
In zekere zin wikkelen we het leven na het zevende jaar min of meer af. De eigenlijke impuls vanuit het diepst van de ziel die wij als geest kennen wanneer we die ontwikkelen, krijgen we in onze eerste levensfase; wanneer we uit ons bewustzijn ontwikkelen, wat anders achtergebleven

blz. 136

ist, dann empfangen wir die intuitive Erkenntnis. Dann verbin­den wir uns nicht nur mit unserem eigenen Wesen, sondern dann verbinden wir uns mit etwas, wogegen allerdings unsere gewöhnli­chen Gedanken Absurditäten sind, wir verbinden uns mit etwas, was einerlei ist mit dem Wesen der Welt. Dann erkennen wir den Geist in uns im Zusammenhange mit der Geistigkeit der Welt.
Der Erzieher, welcher im Sinne der Geisteswissenschaft sich Menschenkenntnis erwirbt, er blickt, indem er den werdenden Menschen vor sich hat, auf dasjenige hin, was aus dem Geiste her­aus diesen werdenden Menschen bildet. Er kommt mit seinen Bil­dungsmitteln diesem werdenden Menschen entgegen. Der im Sinne der Geisteswissenschaft wirkende Pädagoge hat nicht eine Pädago­gik im Auge, die, wie es heute normal ist, nach abstrakten Regeln einen Zögling heranbilden soll; für ihn ist der einzelne Zögling ein Rätsel. Für ihn ist dasjenige, was im einzelnen Zögling sich auslebt, etwas, das mit jedem Tag, mit jeder Stunde lebendig gelöst werden muß. Aber indem sich der Erzieher die Anschauung dieses leben­dig wirkenden Geistes im lebendig sich entwickelnden Menschen aneignet, nimmt er in sich eine Wirklichkeits-Erkenntnis auf, die nicht in Begriffen, nicht in abstrakten Gewohnheiten bleibt, sondern die seinen Willen mit Geistigkeit durchdringt. 

zou zijn en dan ontvangen we de intuïtieve kennis. Dan verbinden we ons niet alleen met ons eigen wezen, maar dan verbinden wij ons met iets waarbij vergeleken onze eigen gewone gedachten absurditeiten zijn, wij verbinden ons met iets wat één is met de wereld. Dan kennen wij de geest in ons in samenhang met het geestelijke van de wereld.
De opvoeder die in de zin van de geesteswetenschap menskunde verkrijgt, kijkt als hij de wordende mens voor zich heeft, naar wat vanuit de geest deze wordende mens vormt. Hij komt met de middeleen die hij voor de vorming heeft, deze wordende mens tegemoet. De pedagoog die werk in de zin van de geesteswetenschap heeft geen pedagogie op het oog die, zoals dat tegenwoordig gebruikelijk is, volgens abstracte regels een opvoedeling iets bij moet brengen; voor hem is de individuele leerling een raadsel. Voor hem is wat in de individuele leerling leeft, iets wat iedere dag, ieder uur levendig opgelost moet worden. Maar als de leerkracht zich het waarnemen van deze levend werkende geest in de zich levendig ontwikkelende mens eigen maakt, neemt hij een kennis in zich op die werkelijkheid is, die niet in begrippen, niet in abstracte gewoontes blijft steken, maar die zijn wil met het geestelijke doordringt.

Er wird wirklich eine Erkenntniskraft entwickeln können, er wird ein Erkenntnisweiser, und er wird daraus eine Pädagogik entwickeln, die unmittelbar Leben ist, weil sie aus Menschenkenntnis, aus der Erkenntnis des vollen, ganzen Menschen hervorgeht.
Geisteswissenschaft, anthroposophisch orientiert, wie sie hier ge­meint ist, sie ist nichts anderes, als was aus den Kräften geschöpft wird, die in den geistigen Entwicklungsstadien des Menschen die eigentlich wirksamen sind. Nicht aus rgendeiner Phantastik heraus, nicht aus irgend etwas heraus, was in einem Menschen auftreten kann oder nicht auftreten kann, wird der Quell für die Entwicklung der höheren Geisteskräfte geholt, sondern aus dem bewußten Auf­nehmen dessen, was gerade in den gesündesten Wachstums- und Lebenskräften in den drei ersten Lebensaltern des Menschen wirkt. Indem wir Geistesforscher werden, erheben wir ins Bewußtsein zu

Hij zal inderdaad een vermogen ontwikkelen om kennis te verkrijgen, hij zal iemand worden met wijsheidsvolle kennis en hij zal daaruit een pedagogie ontwikkelen die direct leven is, omdat deze uit menskunde, uit de kennis omtrent de volle, totale mens stamt.
Geesteswetenschap, antroposofisch georiënteerd, zoals die hier is bedoeld, is niets anders dan wat uit de krachten gehaald wordt die in de geestelijke ontwikkelingfasen van de mens de eigenlijk actieve zijn. Niet vanuit een of andere fantasterij, niet uit iets wat in een mens wel of niet plaatsvindt wordt de bron voor de ontwikkeling van de hogere geesteskrachten gevonden, maar uit het bewust opnemen van wat m.n. in de meest gezonde groei- en levenskrachten in de drie eerste levensfasen van de mens werkzaam is. Als we onderzoekers van de geest worden, brengen we onze kennis van de wereld en de mens op een hoger niveau, wat onze ontwikkeling, onze menswording vooruit helpt.

blz. 137

unserer Erkenntnis der Welt und des Menschen herauf, was unser Wachstum, unsere Menschwerdung eigentlich bewirkt.
So verwandt ist Geisteswissenschaft mit dem geistig-seelischen Werk- und Rüstzeug des Erkennens. Deshalb ist Geisteswissen­schaft nicht etwas, was bloß von unserem Verstande aufgenommen wird. Weil es hervorgeholt ist aus den Wesens- und Wachstums­kräften unseres ganzen Menschen, durchdringt es unseren ganzen Menschen, unser Gemüt und unseren Willen. Es wird elementare Menschenkraft in uns. Denn Unreife, Unbewußtheit sind Begriffe, welche vor diesem Walten des Geistes im Menschen ihre Berechti­gung verlieren. Man darf nicht sagen, der Mensch verliere seine instinktive, elementarische Kraft, wenn er den Geist bewußt ent­wickelt – nein, die Naivität geht mit, und gerade dieselbe elemen­tare Kraft, die sonst nur im instinktiven Wirken vorhanden ist, ist auch vorhanden, wenn man in dieser Weise vom Geiste wirklich durchdrungen ist. Da geht Geistiges über, wirklich über in die Wesenheit des Lehrenden, in die Wirksamkeit des Lehrenden, des­jenigen, der unter der Jugend sozial-pädagogische Kraft zu entwik­keln hat.

Zo verwant is geesteswetenschap met het mentaal-psychische instrument van de kennis. Vandaar dat geesteswetenschap niet iets is wat alleen maar door ons verstand opgenomen wordt. Omdat het tevoorschijn is gehaald uit de wezenlijke krachten, de groeikrachten van ons totale menszijn, doordringt het onze hele mens, ons gevoel en onze wil.
Het wordt tot een elementaire menselijke kracht in ons. Want er niet rijp voor zijn, onbewustheid, zijn begrippen die voor deze activiteit van de geest in de mens hun grond van bestaan verliezen. Je mag niet zeggen dat de mens zijn instinctieve, elementaire kracht verliest wanneer hij bewust de geest ontwikkelt – nee, de naïviteit gaat mee en juist diezelfde elementaire kracht die anders alleen maar in de instinctieve werking aanwezig zou zijn, is er ook wanneer je op deze manier de geest
werkelijk in je doordringt. Dan heeft ook het wezen de leraar daadwerkelijk deel aan de geest in het wezen van de leraar, zit in het werken van de leraar, van degenen die onder de jeugd sociaal-pedagogische impulsen moeten ontwikkelen.

Denn was Geisteswissenschaft ist, stammt aus demselben Quell, aus dem der Mensch selber herauswächst. Und Sich-Ent­wickeln ist nur die Umwandlung unserer Wachstumskräfte.
Das sind Dinge, denen die Menschheit heute vielfach so gegen­übersteht, wenigstens ihrem eigenen tieferen Prinzipe nach so ge­genübersteht, wie sie etwa der modernen Naturwissenschaft gegen­übergestanden hat zu der Zeit, als Kopernikus und Galilei sie inauguriert haben. Aber ebenso sicher, wie dasjenige, was dazumal als eine Absurdität von den weitesten Kreisen angesehen worden ist und heute für diese zu einer Selbstverständlichkeit geworden ist, so sicher wird die Erkenntnis von den drei vorhergehenden Lebensaltern und ihren Grundkräften und der Umwandlung zu Imagination, Inspiration und Intuition in der Geisteswissenschaft eine Selbstverständlichkeit werden. Unser Zeitalter aber, das bemerken kann, wie das neuere Gei­stesleben – ich habe das an zwei Beispielen ausgeführt – ohnmäch­tig geworden ist gegenüber dem sozialen Leben und sozialen Wollen,

Want wat geesteswetenschap is, borrelt uit dezelfde bron op, waaruit de mens zelf groeit. En zich ontwikkelen is alleen maar de omvorming van onze groeikrachten.
Dat zijn dingen waartegen de mensheid tegenwoordig vaak te hoop loopt, tenminste wat haar eigen diepere principes betreft, zoals ongeveer de moderne natuurwetenschap dat deed in de tijd toen Copernicus* en Galilei** die in de wereld brachten. Maar net zo zeker als datgene wat toen als een absurditeit werd gezien, voor de meest uiteenlopende kringen tegenwoordige een vanzelfsprekendheid geworden is, zo zeker zal de kennis van de drie voorbijgaande levensfasen en de basale krachten daarvan vanzelfsprekend worden. Onze tijd echter, wie kan waarnemen hoe het modernere geestesleven – ik heb dat aan twee voorbeelden laten zien – machteloos staat tegenover het sociale leven en het sociale willen,

*Nikolaus Kopernikus, 1473-1543, humanist, mathematicus, astroonom, arts, jurist. Grondlegger van de nieuwe astronomie.

**Galileo Galilei, 1564-1642, o.a. ontdekker van de pendel- en talloze astronomische wetten

blz. 138

unser Zeitalter sollte Sympathie und Interesse entwickeln, wenn gezeigt werden kann, daß es nicht nur die abstrakte, lebens­fremde und lebensferne Geisteswissenschaft gibt, die sich in den letzten Jahrhunderten heraufentwickelt hat, sondern eine Gei­steswissenschaft, die aus der Umwandlung der Wachstumskräfte selber hervorgeht, die den lebendigen Geist ergreift, der nicht bloß Gastrollen gibt im Leben, sondern der im Leben auftritt, im Leben wirkt und mit dem sich der menschliche eigene Geist so verbinden kann, daß er ihn entwickeln kann als sozial-pädagogische Kraft. Warum – legen wir uns diese Frage noch einmal vor -, warum findet denn diese neuere Zeit so wenig die Möglichkeit, dasjenige, was sie an Ideen aufnimmt, was sie an Ideen entwickelt, in soziales Wollen umzuwandeln? Warum ist es denn gekommen, daß ein sol­cher Unglaube eingetreten ist gegenüber der Macht des Geistes, daß man nur von Ideologie spricht? Nun, die Zeit, die wir eben hinter uns haben, ist die Zeit, in der die großen Triumphe der Naturwissenschaft eingeleitet wer­den sollten. Diese großen Triumphe der Naturwissenschaft konnten nur dadurch eingeleitet werden, daß der Mensch zu­nächst absah von dem, was in ihm selber ist, und sich dem Wirken und Weben der äußeren Natur mit allem seinem Metho­dischen hingab.

onze tijd zou sympathie en interesse moeten ontwikkelen wanneer getoond kan worden dat er niet alleen maar abstracte, levensvreemde en ver van het leven staande geesteswetenschap bestaat die zich de laatste eeuwen ontwikkeld heeft, maar een geesteswetenschap die uit de omvorming van de groeikrachten zelf ontstaat, die bezit neemt van de levendige geest, die niet alleen maar een gastrol in het leven speelt, maar die in het leven aanwezig is, in het leven werkzaam en waarmee de eigen geest van de mens zich zo kan verbinden, dat hij hem ontwikkelen kan als sociaal-pedagogische kracht. Waarom – laten we deze vraag nog een keer stellen – waarom vindt deze nieuwere tijd dan zo weinig mogelijkheid om in sociale wil om te vormen wat die aan ideeën opneemt, wat die aan ideeën ontwikkelt? Waarom is het dan gekomen dat een dergelijk ongeloof ontstaan is voor wat betreft de kracht van de geest, dat men slechts van ideologie spreekt?
Wel, de tijd die nu dus achter ons ligt, is de tijd waarin de grote successen van de natuurwetenschap moesten beginnen. Deze grote successen konden alleen plaatsvinden omdat de mens aanvankelijk afzag van wat er in hem zelf zit en zich uitleverde aan het reilen en zeilen van de uiterlijke natuur met al de bijbehorende methoden.

Gerade derjenige, der Geistesforscher ist, wird die Gewissenhaftigkeit, die Exaktheit der naturwissenschaftlichen Methode der neueren Zeit und auch die Fruchtbarkeit des Wir­kens dieser Methode auf ihren Gebieten anerkennen. Er wird sich durchaus nicht in einer bloßen unverständigen Kritik über das begrenzte und eingeschränkte Naturwissen ergehen. Aber eine Erfahrungstatsache muß geltend gemacht werden, die heute deshalb nicht beobachtet wird, weil man von der einen Seite aus vollberechtigt die Aufmerksamkeit darauf wendet, wie sehr die naturwissenschaftlichen Methoden geeignet sind, ein richtiges Bild des äußeren Naturwirkens oder wenigstens ein Bild des äußeren Wirkens der Natur zu geben; da ist man dann nicht geneigt, zu fragen: Ja, wie wirkt denn aber dieses Bild, das auf solche Art entsteht, nun auf das ganze Wesen des Menschen ein?

Juist degene die de geest onderzoekt zal het gewetensvolle, de exactheid van de natuurwetenschappelijke methode van de nieuwere tijd en ook het resultaat van de werking van deze methode op haar gebied erkennen. Hij zal zich beslist niet met alleen maar onverstandige kritiek over de begrensde en beperkte kennis van de natuur uitlaten. Maar een ervaringsfeit moet aan de orde gesteld worden dat tegenwoordig vandaaruit niet opgemerkt wordt, omdat men aan de ene kant geheel gelegitimeerd de aandacht schenkt aan hoe zeer de natuurwetenschappelijke methoden geschikt zijn een goed beeld van de uiterlijke natuur of op zijn minst een beeld van de uiterlijke activiteit van de natuur te geven; dat men dan niet van plan is te vragen: Ja, maar hoe werkt dan dit beeld dat op een dergelijke manier ontstaat, in op het hele wezen van de mens?

blz. 139

Der Mensch ist in der Naturbeobachtung und in der Erkenntnis der Naturgesetze an das nur hingegeben, was seine Sinne glauben und was sein Verstand bearbeitet. Da schließt er bewußt alles das aus, was aus seinem Gemüts- und Willensleben kommt. Dafür aber greift dasjenige, was er als Naturwissen sich aneignet, auch nicht auf sein Willensleben und auf sein Gemütsleben über. Daher kommt es, daß mit einem gewissen Rechte manche Menschen, die sich vorurteilslos die ganze Sachlage ansehen, anders reden über die Natur­wissenschaft und ihre Wirkung als diejenigen, die eben – wie gesagt, von der einen Seite ist das durchaus berechtigt – sich nur an die Betrachtung der großen Triumphe der Naturwissenschaft hingeben.
Was wir als Naturbild durch die naturwissenschaftliche Metho­de gewinnen, hat etwas Schicksalhaftes, gerade, wenn wir unseren Blick auf die menschliche Wesenheit selber lenken; es ist etwas, was nur unseren Verstand erfüllt, was nicht unseren Willen ergreift. Wenden wir daher die naturwissenschaftliche Methode auch nur in populärem Denken oder in wissenschaftlichem Denken auf das soziale Leben an, flutet uns gewissermaßen das soziale Leben her­aus, es fällt heraus. 

De mens is bij het waarnemen en bij het kennen van de natuurwetten alleen gericht op wat zijn zintuigen geloven waar te nemen en wat zijn verstand daarmee doet. Hij sluit daarbij bewust alles uit wat vanuit zijn gevoels- en wilsleven komt. En daarbij komt, dat wat hij zich aan kennis over de natuur verwerft, niet overspringt op zijn wilsleven en op zijn gevoelsleven. Vandaar dat met een bepaald recht van spreken veel mensen zonder vooroordelen naar een ander kijken, anders over de natuurwetenschap en de uitwerking daarvan spreken, dan degenen die zich nu net – zoals gezegd, enerzijds is dat helemaal te rechtvaardigen – alleen maar richten op wat ze bij de grote successen van de natuurwetenschap zien.
Wat wij aan natuurbeeld door de natuurwetenschappelijke methode winnen, heeft iets wat met het lot heeft te maken, wanneer wij onze blik op het mensenwezen zelf richten; het is alleen maar iets wat ons verstand bevredigt, wat onze wil niet raakt. Als we dan de natuurwetenschappelijke methode ook slechts met dit populaire denken of met wetenschappelijk denken op het sociale leven willen toepassen, stroomt in zekere zin het sociale leven weg, het valt erbuiten.

Wie irgend etwas, das kleinkörnig ist, durch ein Sieb fällt, so fällt uns das wirkliche soziale Leben aus unserer Betrachtung heraus, wenn wir nur mit naturwissenschaftlicher Methode daran gehen. Wir brauchen doch nur zu sehen, wie stren­ges, kausales naturwissenschaftliches Denken durchaus in dem Augenblicke versagt – ich will Ihnen ein empirisches Beispiel dafür anführen -, in dem es sich auf das soziale oder überhaupt auf das äußerliche gesellschaftliche Gebiet begibt. Es gibt vielleicht kein Buch, das auf einem viel angefochtenen Gebiete exaktes natur-wissenschaftliches Denken so schön entwickelt wie das Buch des bekannten Biologen Oskar Hertwig «Das Werden der Organis­men, eine Widerlegung der Darwinschen Zufallstheorie». Man kann nur im höchsten Sinne loben, was da mit diesem Buche an Charakteristik naturwissenschaftlicher Einsichten in das Entwick­lungsgebiet versucht worden ist.
Kurze Zeit, nachdem dieses Buch von Oskar Hertwig erschie­nen ist, ließ Oskar Hertwig auch eine Schrift erscheinen über soziale,

Zoals een te klein zaadje door een zeef valt, zo valt voor ons het echte sociale leven buiten onze waarneming, wanneer we alleen maar de natuurwetenschappelijke methode willen toepassen. We hoeven alleen maar  kijken naar hoe het strenge, causale natuurwetenschappelijke denken het vooral op het ogenblik laat afweten – ik zal u een empirisch voorbeeld geven – waarop het zich op het sociale of vooral ook op het uiterlijk maatschappelijk terrein begeeft.
Er bestaat wellicht geen boek dat op een veel bekritiseerd gebied van het exact natuurwetenschappelijk denken al zo ver is als het boek van de bekende bioloog Oskar Hertwig* ‘Het ontstaan van de organismen, een weerlegging van de toevalstheorie van Darwin.’ Je kan alleen maar de hoogste lof hebben voor wat er met dit boek voor het karakteriseren van de natuurwetenschappelijke inzichten op het gebied van ontwikkeling, is geprobeerd.
Kort nadat dit boek van Hertwig was verschenen, publiceerde hij ook een geschrift over sociale,

*Oskar Hertwig, 1849-1922, anatoom en bioloog. Na een tienjarig professoraat in Jena leidde hij vanaf 1888 het anatomisch-biologische instituut in Berlijn.
Rudolf Steiner wijst in boeken en voordrachten steeds weer op het werk van Hertwig waarin deze zich tegen de evolutietheorieën van Darwin verzet. «DasWerden der Organismen. Eine Widerlegung von Darwins Zufalltheorie», Jena 1916; Zur Abwehr des ethischen, des sozialen, des politischen Darwinismus»,Jena 1918.
Voor deze twee boeken zie Steiner: GA 67, 15-04-1918; GA 174B, 23-04-1918; GA GA 182, 30-06-1918; GA 329, 02-04-1919, hierin een concreet voorbeeld voor wat hier staat. 

blz. 140

rechtliche und Staatsfragen, Gesellschaftsfragen überhaupt. Man kann sich etwas Dilettantischeres und Unzulänglicheres nicht denken als diesen Spaziergang eines ausgezeichneten Biologen in das Gebiet, welches wir mit dem Begriff des sozialen Lebens um­spannen!
Solche Beispiele ließen sich verhundertfachen, vertausendfachen. Sie alle zeigen, was man aber auch unmittelbar beobachten kann: daß gerade die beste Hingabe an naturwissenschaftliche Erkennt­nisse bewirkt, daß wir unser Bewußtsein mit Ideen erfüllen, die wirklich der Inhalt einer Ideologie sind, die nicht wirklich unser Gemüt und unseren Willen durchpulsen können. Gemüts- und willensunfruchtbar bleiben diese Ideen.
Nun möchte ich ausdrücklich betonen, daß ich in der Betrachtung solcher Dinge nicht den verkehrten Weg zu gehen beabsichtige. Ich möchte durchaus nicht behaupten, daß die allgemeine populäre Denkweise der weitaus größten Menge der heutigen Menschen etwa ein Einfluß naturwissenschaftlicher Denkweise ist.

juridische en staatskundige vragen, maatschappelijke vragen dus. Je kan je iets wat meer amateuristisch en ontoereikender is dan deze wandeling van een uitstekend bioloog in het gebied van wat wij samenvatten als het sociale leven, niet indenken.
Je kan honderden van die voorbeelden geven, duizenden. Ze laten allemaal zien wat je direct al kan zien: dat met name de toeneiging tot de natuurwetenschappelijke kennis tot gevolg heeft dat wij ons bewustzijn met ideeën vullen die daadwerkelijk de inhoud van een ideologie zijn, die niet werkelijk ons gevoel en onze wil kunnen impulseren. Gevoels- en wilsonvruchtbaar blijven deze ideeën.
Nu zou ik nog willen benadrukken dat ik bij het beschouwen van dergelijke dingen niet de bedoeling heb om de verkeerde weg in te slaan. Ik wil ook echt niet beweren dat de algemene populaire manier van denken van de veruit grootste groep van de tegenwoordige mensen beïnvloed is door de natuurwetenschappelijke manier van denken.

0 nein, im Ge­genteil, die letzten Jahrhunderte haben eine gewisse populäre Denk­weise heraufgebracht – wer Geschichte wirklich studiert, nicht nach dem, was bloß eine «fable convenue» ist, sondern sie wirklich stu­diert, kann sehen, wie seit drei bis vier Jahrhunderten sich das Leben der Menschen, namentlich das soziale Leben der Menschen bis in die bäuerlichsten Kreise hinauf gewandelt hat. Und dasjenige, was als naturwissenschaftliches Denken hervorgetreten ist, das ist nur, ich möchte sagen der äußere Exponent, der  äußere Ausdruck dessen, was das menschliche Seelenleben überhaupt ergriffen hat. Ich möch­te das Leben der Menschen, das Denk- und Empfindungsleben der Menschen nicht etwa einen Ausfluß nennen naturwissenschaftlicher Gesinnung und Wissensbereiche, sondern umgekehrt: ich möchte in der naturwissenschaftlichen Gesinnung und Wissensrichtung nur das äußere Zeichen, die Offenbarung für das sehen, was allgemeine Gesinnung des Menschen ist, allgemeine Stimmung dem Leben und der äußeren Wirklichkeit gegenüber.
Was sich so herausgebildet hat, das ist eben gerade die Grundlage für ein lebensfremdes Geistesleben. Nimmt man dagegen auf, was

Zeker niet, integendeel, de laatste eeuwen hebben een bepaalde populaire manier van denken gebracht – wie de geschiedenis echt bestudeert, niet volgens wat alleen maar een ‘fable convenue’ is, maar werkelijk bestudeert, kan zien hoe sinds drie, vier eeuwen het leven van de mensen, m.n. het sociale leven tot op het platteland veranderd is. En wat als natuurwetenschappelijk denken opgekomen is, is alleen het topje van de ijsberg, de uiterlijke uitdrukking van wat het menselijke zielenleven werkelijk aansprak. Ik zou het leven van de mensen, het gedachte- en gevoelsleven van de mens niet zoiets willen noemen als een gevolg van een natuurwetenschappelijke gezindheid en kennisrichting, maar omgekeerd: ik zou in de natuurwetenschappelijke gezindheid en kennisrichting slechts het uiterlijke teken willen zien, de openbaring voor wat algemene gezindheid van de mens is, de algemene gezindheid tegenover het leven en de uiterlijke werkelijkheid. Wat zo ontstaan is, is nu juist de basis voor een levensvreemd geestesleven. Neem je daarentegen

blz. 141

die Grundlage für die hier gemeinte anthroposophisch orientierte Geisteswissenschaft ist – ich habe ja gezeigt, wie diese Geisteswis­senschaft nur die Umwandlung gerade der Wachstums- und Bilde-kräfte des Menschen ist -, nimmt man das auf, kann man sich dazu erheben, in diesen Dingen eine wirkliche Welt zu sehen, dann geht dasjenige, was wir so aufnehmen mit dem Wissen vom Geistigen, wiederum über in unsere Gemüts-, in unsere Willenskräfte. Und die­ses ist der einzige Weg zu einem wirklichen sozialen Wollen, den es als einen gesunden für die Menschheit der Gegenwart und der nächsten Zukunft geben kann: Dieses soziale Wollen durchpulsen mit der Erkenntnis, die aus dem Geistigen heraus kommen kann.
Man sage nur ja nicht: Jeder Mensch kann ohne weiteres irgend­wie das erlangen, was da gemeint ist, was die Entwicklung höherer Geisteskräfte ist; das soll hier auch gar nicht behauptet werden. Gewiß, es ist so, nur wenige Menschen werden dazu kommen, die Geheimnisse des geistigen Lebens durch das unmittelbare An­schauen der höchsten geistigen Tatsachen oder hoher geistiger Tatsachen selbst zu erkennen. 

in je op wat de basis voor de hier bedoelde antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap – ik heb laten zien hoe deze geesteswetenschap slechts de omvorming is van m.n. de groei- en vormkrachten van de mens – wanneer je die in je opneemt, kan je op een hoger niveau komen om deze dingen in een werkelijke wereld te zien, dan gaat wat wij zo in ons opnemen met de kennis van het geestelijke, weer naar onze gevoels- naar onze wilskrachten. En dit is de enige gezonde weg naar een werkelijk sociaal willen, die er voor de mensheid van nu en de nabije toekomst kan bestaan: dit sociale willen impulseren met de kennis die vanuit de geest kan komen. Nu moet je niet zeggen: ieder mens kan zonder meer daar komen wat hier bedoeld wordt met de ontwikkeling van hogere geestelijke krachten; dat wordt hier ook helemaal niet beweerd. Zeker is het zo, alleen weinig mensen zullen er toe komen om de geheimen van het geestelijk leven door het directe waarnemen van de hoogste geestelijke feiten of de hogere geestelijke feiten zelf te leren kennen.

Denn dieses Erkennen, das ist er­stens verbunden oder gebunden an eine gewisse innere Mutigkeit, an eine gewisse innere Tapferkeit. Man muß den menschlichen Willen, die menschlichen Denkkräfte, alle menschlichen Seelen-kräfte so entwickeln, daß sie über das Maß der gewöhnlichen Stär­ke hinausgehen, damit diese Seelenkräfte etwas ergreifen können, was vor dem gewöhnlichen Erfassen der Menschen ganz vorbei­huscht, was er nicht wahrnimmt: die geistige Welt. Man muß ge­wissermaßen das Feinste ergreifen unter Aufwendung der allertä­tigsten Kräfte. Der Geist tritt einem zunächst nicht so entgegen, wie einem eine äußere Wirklichkeit entgegentritt. Der Geist tritt einem entgegen, wie man sich mit ihm verbindet, wie man in sei­nem eigenen Schmerz und wie man Lust und Leid empfindet. Das ist dasjenige, was durch die eigene Seele flutet, aber etwas sehr Reales ist. So empfindet man, erlebt man und erkennt man das Geistige im Durchfluten durch die eigene Seele; nur weiß man, daß es nicht etwas bloß Subjektives ist wie Lust und Leid. Es ist so intim an die Seele gebunden wie Lust und Leid und Freude und

Want dit kennen, is ten eerste verbonden of gebonden aan een zeker innerlijke moed, aan een bepaalde innerlijke dapperheid. Je moet de menselijke wil, de menselijke denkkrachten, alle menselijke zielenkrachten zo ontwikkelen, dat die sterker worden dan ze gewoonlijk zijn, zodat deze zielenkrachten iets kunnen bereiken wat aan het gewone begrijpen van de mens totaal voorbijgaat, wat hij niet waarneemt: de geestelijke wereld. Je moet in zekere zin het meest subtiele begrijpen, met gebruikmaking van de alleractiefste krachten. De geest komt je tegemoet, als je je met hem verbindt zoals je dat doet met je eigen verdriet en als je plezier en pijn ervaart. Dat stroomt door je eigen ziel, maar is toch heel reëel. Zo ervaar je, beleef je en leer je het geestelijke kennen in hoe het door je eigen ziel stroomt; alleen weet je dat het niet iets is wat alleen maar subjectief is, zoals  plezier en verdriet. Het is zo intiem met de ziel verbonden als plezier en verdriet en vreugde en

blz. 141

Schmerz, aber es ist etwas, was als ein Fremdes, Geistgemäßes in unsere Seele hereinströmt. Dem ist man zunächst nicht angepaßt. Der Mensch ist angepaßt an ganz anderes, äußeres Leben. Daher muß er, indem er ein Leben in sich aufnimmt und um sich herum wahrnimmt, an das er nicht angepaßt ist, dieses Leben in Leid und Schmerzen aufnehmen. Niemand kommt in die geistige Welt hin­ein, der sich diesen Eingang nicht erkämpft, Schritt für Schritt durch Leiden und Schmerzen. Das bezieht sich aber zunächst nur auf die Erforschung der geistigen Welt. Dagegen muß man sagen, daß die Fähigkeiten, zu begreifen, was der Geistesforscher mitteilt, nur an den gewöhnlichen, gesunden Menschenverstand gebunden sind. Der Geistesforscher ist nicht darauf angewiesen, daß er den Leuten bloß die Versicherung gibt, er sei ein wahrheitsliebender Mensch und sehe und schaue dasjeni­ge, wovon er als dem Geistigen spricht, sondern der Geistesfor­scher kann so sprechen, daß der Mensch aus dem gesunden Menschenverstand heraus die Art und Weise verfolgen kann, wie er seine Gedankengänge aufbaut, die er allerdings aus der geistigen Anschauung heraus aufbaut, denen man es aber anmerken kann, daß sie dieselbe innere Logik haben, die wir an der äußeren sinn­lichen Wirklichkeit erlernen.

smart, maar het is iets wat als een vreemd iets, als iets van de geest in onze ziel stroomt. Daar ben je in het begin nog niet aan toe. De mens is wel aangepast aan een heel ander, uiterlijk leven aan. Daarom moet hij, als hij een leven in zich opneemt en om hem heen waarneemt waar hij nog niet aan toe is, dit leven met pijn en verdriet opnemen. Niemand komt de geestelijke wereld binnen die geen strijd levert voor deze toegang, stap voor stap door lijden en pijn. Dat betreft echter allereerst nog maar het onderzoeken van de geestelijke wereld.
Daarentegen moet je zeggen dat de vermogens om te begrijpen wat de onderzoeker van de geest meedeelt, slechts aan het gewone, gezonde mensenverstand gebonden zijn. De onderzoeker is er niet op aangewezen dat hij de mensen alleen de verzekering geeft dat hij een waarheidslievend mens is die ziet en schouwt waarover hij als iets geestelijks spreekt, maar dat hij zo kan spreken dat de mens vanuit zijn gezonde mensenverstand de manier kan volgen hoe hij zijn gedachtegangen opbouwt die hij vanuit de geestelijke waarneming opbouwt, waarvan je kan zeggen dat ze dezelfde innerlijke logica hebben als die wij aan de uiterlijke werkelijkheid leren.

Daher kann der gesunde Menschen­verstand, wenn er nur nicht eingeengt ist durch die entgegen­gesetzten Vorurteile, darüber urteilen, ob der Geistesforscher Un­sinn spricht oder ob der Geistesforscher durch die Art und Weise, wie er spricht, erkennen läßt, daß ihm die geistige Welt wirklich offen ist, daß er in sie hineinschaut. Damit aber ist das, was durch den einzelnen Geistesforscher in das soziale Leben hineingebracht wird, selbst eine sozial-pädagogi­sche Kraft.
Bequemen sich die Menschen dazu, sich Verständnis anzueig­nen, jene Gabe des gewöhnlichen gesunden Menschenverstandes, durch die man die überzeugende Kraft von dem empfindet, was die Geisteswissenschaft als die wahre Wirklichkeit des Menschen zu enthüllen versteht, so entwickeln sie ganz andere soziale Kräfte. Kräfte, welche die Menschen zueinander führen und in die Struk­tur

Vandaar dat het gezonde verstand, wanneer dit maar niet gevangen zit in tegenovergestelde vooroordelen, erover oordelen kan of de onderzoeker van de geest onzin spreekt of dat hij door de manier waarop hij spreekt, je duidelijk maakt dat voor hem de geestelijke wereld werkelijk geopend is en dat hij daarin kan waarnemen. Daarmee is echter wat door de individuele onderzoeker in het sociale leven gebracht is, zelf een sociaal-pedagogische kracht.
Als de mensen zich ertoe zouden bekwamen zich die gave eigen te maken  met het gewone gezonde mensenverstand te begrijpen, waardoor je de overtuigende kracht ervaart van wat de geesteswetenschap als de reële werkelijkheid van de mens kan onthullen, dan zouden zich heel andere sociale krachten ontwikkelen die de mensen bij elkaar brengen en die in de structuur

blz. 143

des sozialen Organismus hineinbringen würden, was auf eine andere Art nicht hineinzubringen ist, so, wie sie in der Vergangen­heit der drei bis vier, fünf letzten Jahrhunderte und in der Gegen­wart geworden ist. Kräfte, welche ein intimeres Erkennen zwischen Mensch und Mensch bilden würden, ein Eingehenkönnen auf den anderen Menschen, ein Aufkeimen wirklicher sozialer Impulse. Das ist es, was gerade durch jenen Verkehr der Menschen ange­wandt werden kann, der sich auf der Grundlage der wirklichen geistigen Erkenntnis und alles dessen, was damit zusammenhängt, entwickelt. Die Menschen werden fühlen, was an sozial-pädagogi­scher Kraft in das soziale Wollen übergehen kann, wenn sie dazu kommen, dasjenige, was zunächst den Wachstums- und Werdebedingungen des Menschen entnommen ist, nun auf den lebendi­gen sozialen Organismus auszudehnen. Dann erst wird man verste­hen, daß soziale Organismen zum Wesen des Menschen gehören. Man wird hineintragen können in das Volksleben, in den sozialen Organismus, was man erst als die Erkenntnis des im natürlichen Organismus wirksamen Geistes gefunden hat.

van het sociale organisme zouden brengen wat op een andere manier niet mogelijk is, zoals die structuur in de laatste drie, vier, vijf eeuwen en in het heden geworden is. Krachten die een fijngevoeligere kennis zouden ontwikkelen van mens tot mens, een kunnen ingaan op de andere mens, een opbloeien van daadwerkelijke sociale impulsen. Wat op basis van de echte geestelijke kennis en van alles wat daarmee samenhangt zich ontwikkelt, kan juist gebruikt worden door hoe de mensen met elkaar omgaan.
De mensen zouden voelen wat er aan sociaal-pedagogische kracht over zou kunnen gaan in sociale wil wanneer ze ertoe zouden komen wat aan de groei- en wordingsvoorwaarden van de mens ontleend is, nu op een levend sociaal organisme over te laten gaan. Dan pas zal men begrijpen dat sociale organismen bij het wezen van de mens horen. In het volksleven kan men dan binnenbrengen, in het sociale organisme, wat men allereerst gevonden heeft als de kennis van de geest die in het natuurlijke organisme werkzaam is.

Nicht eher wird man zu einer wirklichen sozial-pädagogischen Kraft kommen, bis man in der Lage sein wird, seine sozial-pädago­gische Kraft aus den Antrieben, aus den Impulsen der geistigen Erkenntnis heraus zu schöpfen!
Woraus kommt es aber denn, was der Mensch verstehen wird, indem er die geisteswissenschaftlichen Erkenntnisse verstehen wird? Es kommt doch aus dem, was den Menschen vom kleinen Kinde leiblich und geistig zum erwachsenen Menschen gemacht hat und was sich nur rückgebildet hat. Der Mensch braucht das nicht brach liegen lassen, er braucht es nur anzuwenden; er braucht seine eigentliche Menschenwirksamkeit nur auch in der äußeren sozialen Ordnung wirklich anzuwenden, dann entwickelt sich auf der einen Seite, wie ich gezeigt habe, eine wirkliche sozial-pädagogische Kraft in der Jugenderziehung. Dann aber entwickelt sich auch in dem Umgang zwischen Mensch und Mensch jenes unaussprechba­re, aber sehr real vorhandene Walten eines Erziehungsmomentes, das im menschlichen Verkehre, im menschlichen Umgange selbst

Niet eerder kom je tot een werkelijke sociaal-pedagogische kracht, dan wanneer je in staat zal zijn, je sociaal-pedagogische kracht uit de drijfveren, uit de impulsen van de geestelijke kennis te halen!
Waar komt het vandaan wat de mens zal begrijpen, als hij de geesteswetenschappelijke kennis zal begrijpen? Dat komt toch uit wat de mens van een klein kind lichamelijk en geestelijk heeft gemaakt tot volwassene en wat achteruit gegaan is. De mens hoeft dat niet braak te laten liggen, hij hoeft het alleen maar te gebruiken; hij hoeft zijn eigenlijke menselijke activiteit alleen maar daadwerkelijk ook in de uiterlijke sociale orde te gebruiken, dan komt aan de ene kant, zoals ik heb aangetoond, een werkelijke sociaal-pedagogische kracht bij de opvoeding van de jeugd tot ontwikkeling. Dan komt ook in de omgang tussen mens en mens die onuitsprekelijke, maar zeer reëel aanwezige activiteit van een opvoedingsmoment tot ontwikkeling  dat in de menselijke omgang, zelf

blz. 144

iegt. Wenn wir verstehen werden, was aus der Persönlichkeit uns entgegentritt, von der wir heute glauben, es sei der ganze Mensch, wenn wir verstehen werden, was Geheimnisvolles in jedem Men­schen liegt, was in jedem Menschen so liegt, daß er über sich selber hinauswächst mit seinem Unter- und Überbewußten, dann wird in dem menschlichen Verkehre selbst eine sozial-pädagogische Kraft liegen. Dann werden die Menschen so miteinander in Verkehr tre­ten, daß das Dasein des einen durch das Dasein des anderen erhöht und getragen werden kann. Kurz, nicht bloß für die Jugenderzie­hung, für das ganze Menschenleben erfließt aus der Erkenntnis des Geistes heraus sozial-pädagogische Kraft.
Sehen Sie, die Idee des dreigliedrigen sozialen Organismus ist wahrhaftig nicht aus irgendeinem Programm heraus entstanden -wie so viele soziale Ideen. Bei meinem letzten Vortrage, den ich hier in Basel über die soziale Frage halten durfte, habe ich das bereits erwähnt. Die Idee des dreigliedrigen Organismus ist aus einer neuen Geistesrichtung heraus entstanden, aus einer Geistes­richtung, die auf der einen Seite der gegenwärtigen Menschheit noch sehr wenig sympathisch ist, nach der sie sich aber, ich möchte sagen mit allen ihren unterbewußten Sehnsüchten und Trieben gerade sehnt und danach lechzt.

ligt. Wanneer we zullen begrijpen wat ons uit de persoonlijkheid tegemoet komt van wie we geloven dat een echt mens is, wanneer we zullen begrijpen wat er voor raadselachtigs in ieder mens besloten ligt, wat in ieder mens zo aanwezig is dat hij boven zichzelf uitstijgt met zijn onder- en bovenbewustzijn, dan zal in de menselijke omgang zelf een sociaal-pedagogische kracht liggen. Dan zullen de mensen zo met elkaar omgaan, dat het bestaan van de een door het bestaan van de ander beter wordt en gedragen kan worden.
Kortom, niet alleen voor de opvoeding van de jeugd, maar voor het hele mensenleven komt uit de kennis van de geest sociaal-pedagogische kracht voort.
Ziet u, de idee van de sociale driegeleding is waarachtig niet uit een of ander programma ontstaan – zoals zo veel sociale ideeën. In mijn laatste voordracht* die ik hier in Basel over de sociale vraag mocht houden, heb ik dat al aangeduid. De idee van de sociale driegeleding is uit een nieuwe geestelijke richting ontstaan, uit een geestesrichting waarvoor aan de ene kant de tegenwoordige mensheid nog weinig sympathie heeft, waarnaar ze echter ook, zou ik zeggen, met al haar onderbewust verlangen en streven juist zo verlangt en naar hongert.

*Bij mijn laatste voordracht die ik hier: GA 329, 09-04-1919

Denn viel mehr, als die Menschen das in ihrem Bewußtsein glauben, haben sie in ihrem Unterbewuß­ten die Sehnsucht nach dem Geistigen. Wir sehen heute, wie in allen möglichen Formeln und Formen und Forderungen sich das­jenige kleidet, was die Menschen sozial wollen. Wenn man dasjeni­ge angreifen will, was die Menschen uns aus gutgemeinten Willens­kräften heraus, aus richtigen, berechtigten Bedürfnissen heraus als soziale Forderungen entgegentragen, so kann man es in der Regel doch nicht erfassen, nicht so erfassen, daß daraus eine wirklich aufbauende Arbeit entstehen könnte.
Das ist geradezu charakteristisch, und es ist sehr merkwürdig, wie auch diejenigen Menschen, die jahrzehntelang an Ideen, an Programmen gearbeitet haben für einen sozialen Aufbau, wie diese all ihr Denken, all dasjenige, was sie aus ihrem Geistesleben heraus gearbeitet haben, heute versagend finden.

Want veel meer dan de mensen in hun bewustzijn geloven, hebben ze in hun onderbewuste het verlangen naar de geest. We zien tegenwoordig hoe in alle mogelijke formuleringen en vormen en eisen gekleed wordt wat de mensen op sociaal gebied willen. Wanneer je in wil gaan op wat de mensen ons met goedbedoelde wilskracht, uit juiste, te rechtvaardigen behoeften als sociale eisen voorhouden, kan je daar in de regel toch niet op ingaan, niet zo op ingaan dat daaruit een daadwerkelijk opbouwende activiteit kan ontstaan.
Dat is nu juist zo kenmerkend en het is zeer merkwaardig, hoe ook de mensen die tientallen jaren lang aan ideeën, aan programma’s gewerkt hebben voor een sociaal bouwwerk, hoe deze hun gehele denken, alles wat ze uit hun geestesleven gehaald hebben, tegenwoordig tekort vinden schieten.

blz. 145

Es ging neulich durch die Zeitungen ein Brief eines bekannten Sozialrevolutionärs, der es durch Jahrzehnte war, Kropotkin, ein Brief an Georg Brandes, worinnen er die trostlosen Verhältnisse des europäischen Ostens darlegt, worin er in seiner Art die ganze europäische Situation schildert und worinnen er zuletzt schreibt: Ja, das einzige, auf das wir hoffen können, ist, daß man uns Brot und Werkzeuge gibt, um Brot zu erzeugen.
Dahin ist nun ein Sozialrevolutionär gekommen, der Jahrzehnte hindurch nachdenkt, nachzudenken versuchte, wie die Welt zu gestalten ist, damit die Werkzeuge in der richtigen Weise herbeige­schafft werden können, die Brot erzeugen sollen, damit das Brot so erzeugt wird, daß die Menschheit wirklich ernährt werden kann. Zuletzt ist der abstrakte Schrei nach Brot und Werkzeugen ent­standen! – Unglaube an die abstrakte Geistigkeit, an seine eigene bisherige Geistigkeit!

Laatst stond er in de kranten een brief van een sociaal-revolutionair die dat al jaren was, Kropotkin*, een brief** aan Georg Brandes, waarin hij de troosteloze omstandigheden van Europa’s oosten beschrijft, waarin hij op zijn manier de hele Europese situatie schetst en waarin hij tot slot schrijft: Ja, het enige waarop we hopen is, dat men ons brood en productiemiddelen geeft om brood te produceren.
Tot zover is nu een sociaal-revolutionair gekomen die tientallen jaren lang nadenkt, probeert na te denken hoe de wereld vorm te geven zodat de productiemiddelen op de juiste manier voorhanden kunnen zijn, die brood moeten produceren, zodat het brood zo geproduceerd wordt, dat de mensheid daadwerkelijk gevoed kan worden. Uiteindelijk is de abstracte roep om brood en productiemiddelen ontstaan! – Ongeloof aan de abstracte onstoffelijkheid, aan zijn eigen spiritualiteit tot dan toe!

*Pjotr Alexejewusch Kropotkin, 1842-1921, Russisch revolutionair en anarchist, beolangrijk geograaf. Het zette tegenover Darwins ‘strijd om het bestaan’, het principe van ‘wederzijdse hulp’ («Gegenseitige Hilfe in der Entwicklung», 1902) Kropotkin woonde tot de Eerste Wereldoorlog in Londen.

**een brief van Kropotkins aan Georg Brandes: Max Nettlau maakt in zijn werk «Anarchisten und Syndikalisten» (Topos Verlag Vaduz 1984), Teil I, S. 300, de opmerking: P.Kropotkin schreef in 1898 een brief aan Georg Brandes, die gepubliceerd werd in het ‘politiek dagblad’ (Kopenhagen. Deze brief hing samen met de moord op keizerin Elisabeth van Oostenrijk door Luigi Luccheniop 10 september 1898 in Genève, waardoor de anarchistische wereld in twee delen spleet (voor- en tegenstanders van geweld). Het is zeer de vraag op Rudolf Steiner hier (in 1919) deze brief bedoeld, maar er is geen tweede brief van Krop.tkin aan Brandes bekend.

***Georg Brandes,1842-1927, eigenlijk Morris Cohen, Deens criticus, litera­tuurhistoricus ed biograaf, woonde lang in Duitsland; vertegenwoordiger van een verlichte, positivistische wereldbeschouwing; wegbereider van de realistische Scandinavische literatuur (Ibsen, Hamsun).

Man wird durchschauen müssen, daß das moderne Leben in dem Schrei nach Brot ja auch nichts anderes hat als den Schrei nach Geistigkeit; denn nur aus einem Ergreifen des wirklichen Geistes können diejenigen sozialen Wollenskräfte kommen, welche in der richtigen Weise Werkzeuge und Broterzeugung in das Leben hineinstellen. Es handelt sich nicht darum, heute nach Programmen zu schrei­en, sondern es handelt sich darum, in der richtigen Weise sich an die menschlichen Anlagen, an die menschliche Betätigungskraft zu wenden. Das heißt aber, den Menschen in der richtigen Weise zu erkennen, damit er an den richtigen Ort im Leben gestellt werde und in der fruchtbarsten Weise für Ernährung der Familie, für das ganze Leben seiner Mitmenschen wirken könne. Zu einer Menschheitsfrage im umfassendsten Sinne müssen wir die soziale Frage machen. Eher wird in ihr kein Heil sein. Erst, wenn wir erkennen, daß wir die soziale Frage nur dann ganz haben, wenn wir aus ihr den Geist heraus empfinden, erst dann kann für diese soziale Frage Heil kommen. Aus einer neuen Geistesrichtung ist dasjenige entstanden, was wir insbesondere für die Dreigliede­rung des sozialen Organismus anstreben aus der Erkenntnis heraus.

Je zal moeten doorzien dat het moderne leven in de roep naar brood en productiemiddelen ook niets anders heeft dan de roep naar spiritualiteit; want alleen door de werkelijke geest aan te grijpen kunnen die sociale wilskrachten ontstaan die op een goede manier productiemiddelen en broodproductie in het leven brengen. Het gaat er niet om nu om programma’s te roepen, maar om op de juiste manier je te richten op de vermogens van de mens, op de menselijke kracht actief te kunnen zijn. Dat betekent echter dat je de mens op de juiste manier leert kennen zodat hij in het leven zijn juiste plaats krijgt en op de meest productieve manier voor het voedsel van de familie en voor het hele leven van zijn medemens kan werken. Wij moeten de sociale vraag tot een mensheidsvraag in de meest omvattende betekenis maken. Eerder zal er geen heil in te vinden zijn. Pas wanneer we leren inzien dat wij de sociale vraag in zijn totaliteit pas hebben wanneer wij daaruit de geest ervaren, pas dan kan er voor deze sociale vraag een oplossing komen. Uit een nieuwe geestelijke richting is ontstaan wat wij in het bijzonder nastreven voor de driegeleding van het sociale organisme* vanuit de kennis.

*Driegeleding van het sociale organisme: zie Steiner: ‘De kernpunten van het sociale vraagstuk (1919)  GA 23, in het bijzonder het voorwoord bij de 4e druk 1920; verder ‘Opstellen over de driegeleding en de tijd van 1915-1921, GA 24 en de serie: Bijdragen aan de G(esamt) A(usgabe) van Rudolf Steiner, band 24/2527/2888106

blz. 146

Die Forderungen, die uns heute, trotzdem sie berechtigt sind, so nebulos entgegentreten, sie haben unterbewußt eine Berechtigung, denn in diesen Forderungen lebt unbewußt auch schon die Sehn­sucht nach dieser neuen Geistigkeit. Und in alledem, was man als dekadente Erscheinungen kennt in dem Streben nach Geist, drückt sich nur das, ich möchte sagen noch ungeschickte Hinstreben der Menschen nach dem Geiste aus. Gewiß, es ist eine der dekadente­sten Erscheinungen das Anschauen des Geistes auf die Weise, wie es zum Beispiel im Spiritismus oder in falschen mystischen Rich­tungen gepflogen wird. Denn diese dekadenten Richtungen sind hervorgegangen aus einer jahrhunderte-, ja man könnte in diesem Falle sagen jahrtausendealten Erziehung, durch die der Mensch nicht gelernt hat, in der Wirklichkeit selber den Geist zu suchen, in der Wirklichkeit, der er angehört. In abstrakte Höhen ist das Stre­ben nach dem Geiste dadurch hinaufgetragen worden, daß nut dogmatische Monopole sich dieses geistigen Strebens bemächtigen wollen.

De zweverig eisen die ons vandaag, ondanks dat ze gerechtvaardigd zijn, zo onder ogen komen, zijn onderbewust gerechtvaardigd, want in deze eisen leeft onbewust ook al het verlangen naar deze nieuwe spiritualiteit. En in alles wat je als decadent verschijnsel ziet in het streven naar geest, komt alleen het nog ongeschikte streven van de mensen naar geest tot uitdrukking.  Zeker, een van de meest decadente verschijnselen om naar de geest te kijken is de manier waarop dat b.v. in het spiritisme of in verkeerde mystieke richtingen gedaan wordt.* Want deze zijn ontstaan ten gevolge van een honderd jaar, ja misschien kan je wel zeggen duizenden jaren oude opvoeding waardoor de mens niet geleerd heeft in de werkelijkheid zelf de geest te zoeken, in de werkelijkheid waartoe hij behoort. In abstracte hoogten is het streven naar geest terecht gekomen, het wil met een dogmatisch monopolie dit streven naar de geest voor zich opeisen.

*Manfred Kyber schetst in zijn boek “«Einführung in den Okkultismus« (Stuttgart 1923)” in het hoofdstuk: ‘spiritisme en hypnose….” Het verschil tussen spiritisme en helderziendheid alas volgt: ‘U  moet zich het verschil ongeveer zo voorstellen: op bevindt zich op de begane grond en u wil dezekerheid hebben dat er op de 1e etage ook een kamer is en dat deze bewoond is en er net zo uitziet. U kan nu een ladder neerzetten en een klein gat in het plafond slaan; daar steekt u uw hand doorheen en pakt een voorwerp weg, dat voor u inderdaad het bewijs is dat de eerste verdieping bestaat en bewoond wordt, maar om gevolgtrekkingen te maken over de bewoners zou te onzeker en te riskant zijn.
Zo gaat het bij het spiritisme en de verschijnselen die daarbij horen. U kan nu anderzijds, wanneer u krachtig en handig genoeg bent, het gat in het plafond zo vergroten dat u uw hoofd erdoor kan steken en uzelf op zijn minst een klein beetje op de eerste etage begeven. Een verder persoonlijk omhoog klauteren naar nog meer etages hoort bij het proces waarbij de hogere ontwikkeling van de mens in het geestelijke plaatsvindt. Maar ook een eerste blik op de eerste etage is altijd nog oneindig veel zekerder en staat meer open voor conclusies en waarnemingen dan een of ander voorwerp naar beneden halen.
Het tweede proces lijkt op helderziendheid dat op weg is naar de geestelijke wereld, daarheen zich verder ontwikkelend. Het spiritisme isw dus de laagste waarnemingsmogelijkheid van een bovenzintuigelijke wereld en daarmee ook die het meest voor vergissingen openstaat.’ Vergelijk dit thema in GA 243

Die hier gemeinte Geisteswissenschaft will geltend machen, daß dieselben Kräfte, die äußerlich die Natur ergreifen können, auch in das geistige Leben eindringen können, wenn sie sich weiter entwik­keln, so wie ich es heute wieder geschildert habe. Dann wird man nicht nach einem abstrakten Geiste streben, nach einem Geiste, der, ich möchte sagen nur zur Befriedigung des menschlichen Bewußt­seins in Gastrollen erfaßt werden soll, sondern nach einem solchen Geiste, der in der Wirklichkeit drinnen ist, der mit dem materiellen Leben eines ist. Denn nicht dadurch erkennen wir den Geist, daß wir die Materie als bloße Materie anschauen und sagen: «Aber das ist ja bloße Materie, der Geist ist irgendwo anders.» – Nein, denn wer den Geist sucht durch abstrakte Formulierungen und meint, er sei nur auf dem Wege des Spiritismus zu suchen, ich möchte sagen in den Ecken des Lebens, der hat noch keine richtige menschliche Beziehung zu dem Geiste hergestellt.
Eine richtige menschliche Beziehung zu dem geistigen Leben haben wir nur dann hergestellt, wenn wir nach einem solchen Geiste gehen, der in dem, was wir um uns herum in der Natur und

De hier bedoelde geesteswetenschap wil tot gelding brengen dat dezelfde krachten die je uiterlijk de natuur laten begrijpen, ook door kunnen dringen tot het geestelijke leven, wanneer ze verder ontwikkeld worden, zoals ik vandaag opnieuw geschetst heb. Dan ga je niet naar een abstracte geest streven, naar een geest die slechts ter bevrediging van het menselijke bewustzijn in een gastrol begrepen moet worden, maar naar zo’n geest die in de werkelijkheid zit, die een eenheid vormt met het materiële leven. Want we kennen de geest niet doordat we de materie alleen als materie zien en zeggen: ‘Maar dit is toch gewoon materie, de geest is ergens anders…’ Nee, want wie de geest zoekt door abstracte formuleringen en denkt dat hij die langs spiritistische weg moet zoeken, in de uithoeken van het leven, heeft nog geen echte menselijke relatie tot de geest tot stand gebracht.
Die hebben we alleen tot stand gebracht, wanneer we naar zo’n geest streven die we in de natuur rondom ons heen en

blz. 147

insbesondere im Menschenleben selbst – in der Jugend, im späteren sozialen Zusammenhang, in alle dem, was da äußerlich, sogar im ökonomischen Leben um uns herum ist – erblicken, den Geist walten wissen, aber so suchen, daß wir uns mit dem Geisteswalten verbinden. Eine richtige Geistessuche wird nur das sein, wo der Mensch den Geist ergreifen will, indem er den in ihm selbst wal­tenden Geist liebt und eine Brücke schlägt zwischen der geistigen Wirklichkeit in sich und der geistigen Wirklichkeit in der Welt. Nur durch einen solchen Geist und nur durch das Wissen eines solchen Geistes kann jene sozial-pädagogische Kraft entwickelt werden, die wir wirklich für das Menschenleben schon der Gegen­wart, insbesondere aber auch für dasjenige der nächsten Zukunft brauchen.
Daher kann man immer wiederum nur sagen: Mögen die dun­keln unterbewußten Sehnsüchte, die in menschlichen Herzen, in menschlichen Gemütern leben, hell auflodern im bewußten Leben der Seelen, damit die Menschheit finde gerade in dem Zeitalter, in dem die soziale Frage so brennend geworden ist, die wirkliche geistige Kraft der Welt, mit der sich die geistige Kraft im Innern des Menschen verbinden kann. Denn aus diesem Bunde zwischen Weltengeist und Menschheitsgeist wird die beste Quelle der sozial­pädagogischen Kraft für das menschliche Leben erfließen.

vooral in het mensenleven zelf – in de jeugd, in de latere sociale samenhang, in alles wat er uiterlijk, zelfs in het economische leven rondom ons aanwezig is – waarnemen, weten dat de geest daar werkzaam is, maar zo zoeken dat wij ons met deze werkzaamheid verbinden. Een echt zoeken naar de geest is het alleen wanneer de mens de geest wil aangrijpen als hij de geest die in hemzelf werkzaam is liefheeft en een brug slaat tussen de geestelijke werkelijkheid in zichzelf en in de geestelijke werkelijkheid in de wereld. Alleen door zo’n geest en alleen door het weet hebben van zo’n geest kan die sociaal-pedagogische kracht ontwikkeld worden die wij daadwerkelijk voor het mensenleven in deze tijd, in het bijzonder ook voor de naaste toekomst nodig hebben.
Vandaar dat je steeds weer alleen maar kan zeggen: mogen de onderbewuste verlangens die in de menselijke harten, in de menselijke gevoelens leven, duidelijk oplichten in het bewuste zielsleven zodat de mensheid juist in de tijd waarin de sociale vraag zo brandend geworden is, de werkelijke geesteskracht van de wereld kan vinden waarmee de geestelijke kracht in het innerlijk van de mens zich kan verbinden. Want uit dit samengaan van wereldgeest en mensheidsgeest zal de beste bron stromen voor de sociaal-pedagogische kracht voor het menselijke leven.

De voordracht wordt nog gevolgd door een vragenbeantwoording (nog niet oproepbaar).
.
[1] GA 297 Duits
[2] GA 297 5e voordracht Duits

.

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

.

1836-1722

.

.

VRIJESCHOOL – Het leerplan – Rudolf Grosse

.

In zijn boek ‘Erlebte Pädagogik’ schrijft de – inmiddels overleden Zwitserse vrijeschoolleerkracht Rudolf Grosse – een verhandeling over het leerplan van de vrijeschool.
In eerdere bijdragen over het leerplan kwamen aspecten aan de orde zoals: waarop is dit leerplan gebaseerd; hoe vast ligt het; is er sprake van ‘herhaling van (mensheids) fasen’ e.d.
Hier en daar is het artikel door mij bewerkt. Het origineel in Duits wordt onder integraal weergegeven.

OVER HET LEERPLAN VAN DE VRIJESCHOOL

De vrijescholen drukken een bepaald aspect van wat specifiek bij hun school hoort uit, door de bijkomende omschrijving: ‘scholengemeenschap voor 4 – 18-jarigen’ [1]

Wie als kleuter op school komt, kan er zonder een breuk in de pedagogisch-geestelijke leiding tot aan de twaalfde klas naar toe.

De geachte dat de mens uit de geestelijke wereld komt bij de geboorte, zich als klein kind verbindt met het fysieke lichaam en hiervan bij het opgroeien steeds meer bezit neemt om zijn geest daardoor rijper, bewuster en meer geschikt dan voorheen te maken, tot het stervensproces de onsterfelijke individualiteit weer van het lichaam losmaakt – deze gedachten hebben de richtlijnen van een leerplan in zich.

Eerste klas

Wat is – zo moeten wij ons afvragen – het eigene van een kind in vergelijking met de volwassene? Dit, dat het nog een vreemde is op aarde en dat wij voor hem stap voor stap een verhouding de aarde als een thuis voor hem makens, terwijl zijn ziel nog in een geestelijke beeldenwereld thuis is. Wij noemen deze wereld de sprookjeswereld die in de gestalten van koningszoon en prinses, van slaap en verandering, van dier en toverij, van opdrachten, raadsels en beproevingen het leven van de ziel zelf vertelt en het kind een innerlijke wegwijzer laat beleven hoe je stap voor stap sterker moet worden om op aarde alle verleidingen te weerstaan. Wie dus de zevenjarige wil geven wat op zijn lijf geschreven is, die moet alles wat de eersteklasser bijgebracht moet worden: letter, cijfers, schilderen en handwerken, euritmie en blokfluiten uit de stemming en beweging van de sprookjes halen. De nog voor de aarde ongewone ziel grijpt deze beelden aan en lijft ze in bij het kennen en kunnen op een manier dat het een levend eigendom wordt.

In de tweede klas wil de ziel meer. Zij weet al meer wie ze is. Ze zoekt naar lering hoe de ziel het dier, de plant en de zwakke kan ontmoeten. De legenden, hoe de mens met hulp van de lichtkrachten een overwinnaar kan worden van het boze, een temmer van het wilde, een omvormer van de dierlijke krachten, dat is het ene. De spiegel van de morele krachten in de fabels de andere kant. Daarbij komt nog dat schrijven, lezen en rekenen wat moeilijker worden, de dingen die de brug naar het leven van de volwassene vormen.

En in de derde klas, tussen het negende en het tiende jaar wordt de belangrijke stap in het leven gezet. De Bijbelse geschiedenis verhaalt in grote beelden de wording van de mensheid die alles bevatten wat op de weg van het aardebewustzijn doorgemaakt moet worden, tot aan de tocht door de woestijn onder leiding van Mozes waarbij oude krachten uit Egypte overwonnen moeten worden en nieuwe voor de toekomst onder harde omstandigheden geleerd moeten worden. Dat is een diep ingrijpende zielenvorming voor het kind. Daarnaast komt het beginnende onderwijs over de praktische dingen in het leven: het leven van de boer, het bewerken van de akkers, het oogsten van graan dat meel wordt, het bakken van brood, steeds vergezeld van leerstof die met de realiteit heeft te maken. Het enthousiasme van mijn derdeklassers toen ik met hen naar de bakker ging en in de bakkerij iedereen deeg mocht kneden; in de gloeiende oven kijken en het gare brood eruit halen, was kostelijk en een absoluut hoogtepunt voor de leerbehoefte. Rudolf Steiner eiste zelfs dat ieder kind aan een voor hem aangepaste ploeg een vore door de aarde zou trekken, dat het in de praktijk moest leren de specie voor de bakstenen klaar te maken en steen op steen te metselen zodat juist op deze leeftijd door het doen, door de aanpak zelf het materiaal ter hand te kunnen nemen en de gereedschappen, iets in de ziel opengaat wat een relatie schept tot een zinvolle inzet.
Daar gaat een diepgaande werking vanuit.
Het leerplan van de vrijeschool hecht er de grootste waarde aan dat de school er alles aan doet om de jeugd tot praktische mensen op te voeden. In die processen waarbij de handen zijn betrokken, ligt het geheim verborgen hoe de mens een direct verstand, een abstracte oordeelskracht en een directe relatie tot het bestaan krijgt. Want het gevaarlijkste is voor het zielenleven de abstractie, is het gevangen raken in onrealistische voorstellingen, is het los komen te staan van de levensprocessen – een neiging die in de mensen zit en die hen tot onpraktische en zweverige vreemdelingen op aarde maakt.
Nu zou je tot in detail kunnen aantonen, hoe het leerplan verdergaat, van heemkunde naar aardrijkskunde en mineralogie, naar volkenkunde en klimatologie. Parallel daaraan wordt de mythologie van de Germanen en Grieken, de geschiedenis van de Indiërs, Perzen, Egyptenaren, Romeinen tot aan de tijd van nu behandeld. Wie zou daaraan niet herkennen dat het onderwijs alles herbeleven laat in het ontwaken van het kinderlijke bewustzijn wat de mensheid als zodanig door heeft moeten maken? Het is genoeg wanneer je daarop gewezen hebt en een beetje samengevat zegt: op z’n 10e is het kind een ‘Germaan’, dan ‘een Griek’; dan beëindigt het de volksverhuizing van het oosten tot aan de Middellandse Zee en wordt als 12-jarige een Romein, in het dertiende een ridder en kloosterbroeder, een Columbus die Amerika ontdekt, en trekt als veertienjarige met Napoleon naar Rusland en is met de puberteit in zijn eigen tijd aangekomen.

Dat de denkkrachten door de meetkunde en de wiskunde uitstekend ontwikkeld kunnen worden, net als het waarnemen van proeven bij natuur- en scheikunde, laat naast het voorafgaande zien dat er een wetmatig samenspel is van de vakken, dat er een diepe verwantschap zit m.b.t. het feit dat de mens een wezen is dat enerzijds de hoogste ontwikkeling doormaakt, wanneer hij het geheim van de tijd leert begrijpen en net zo wanneer hij het geheim van de ruimte leert doorgronden. Het zijn in de wereld twee stromen waarin wij ons moeten inleven en die wij moeten leren tot een hogere eenheid te brengen.
De zgn. geesteswetenschappelijke vakken zoals geschiedenis, literatuur, filosofie, godsdienst enz. staan lijnrecht tegenover de natuurwetenschappen zoals natuur- en scheikunde, aardrijkskunde enz. net zoals binnen- en buitenwereld, zoals tijd en ruimte. Daartussen bevindt zich de mathematisch-geometrische discipline en de kunst als wegen tot de tijdloze waarheden.

Doordat het leerplan een afspiegeling is van het wezen van de mens is het niet om het even hoe de leraar dit brengt. Daarvan hangt de harmonie of de disharmonie van de wordende mens af.
Zoals aan het begin  van het schoolleven de twee stromen nog uit een geestelijke eenheid ontspringen die een  grandioze wereld van oerbeelden – we spreken van het rijk van de sprookjes – genoemd kan worden, hoe die zich dan in twee grote stromen met een eigen loop splitsen – maar desondanks levendig met elkaar in contact blijven – en tot slot weer als hoogtepunt en tegelijkertijd als afsluiting tot een eenheid gebracht moeten worden, die een samenvatting van al het menselijk streven en weten in een wereldbeschouwing betekent, zo moet de jonge mens zelf zich in dit leerplan begrijpen en kunnen spiegelen. Hij zou na twaalf jaar les zichzelf moeten kunnen begrijpen en een zelfbeeld gekregen moeten hebben: hoe hij een wezen in de ruimte is en tegelijkertijd in de tijd.

Voor de leerkracht is het doorzien van het leerplan het fundament voor een zekere leiding van het onderwijs en de leerling.
De weg en de opbouw zowel de maatstaf voor het pedagogisch-psychologisch oordeel liggen in het leerplan. Wanneer alles wat er inzit in een diagram aanschouwelijk wordt gemaakt en ingedeeld, komen daar nog veel meer samenhangen uit.
Laten we eens kijken naar de gang van de ziel wanneer die op aarde komt, wat zich in de kleuter- en basisschoolleeftijd voltrekt, dan komen wij tot de vaststelling dat deze gebeurtenis terug te zien is in het leerplan. Het spiegelt in de volgorde van de vakken wat de ziel op weg naar de aarde innerlijk als geestelijke-zielenadem nodig heeft.
Pas wanneer de jonge mens met het doormaken van de geslachtsrijpheid zover is dat lichamelijk alle processen hebben plaatsgevonden die tot rijpheid voor de aarde zorgen, kunnen wij de leerling als een persoonlijkheid beschouwen die nu bij de wetmatigheden van de aarde aangekomen is, deze ook begrijpt en er wat mee kan doen.
Het onderwijs moet vanaf dit tijdstip radicaal een ander karakter krijgen. Dat bestaat daaruit dat voortaan op een steeds strengere manier het element van het denken in het onderwijs zit en alles ondernomen moet worden om op adequate manier door oefenen de jonge mens daarmee vertrouwd te maken. Heel die ontwikkeling kan door het beeld van de parabool uitgedrukt worden.

Het leerplan als uitdrukking van de zielenrijping van de leerling: vanaf de schoolrijpheid van de eersteklasser tot aan de aarderijpheid van de middelbare scholier tot aan de Ik-rijpheid van de zelf verantwoording afleggende individualiteit (met trefwoorden aan de hand van vertelstof en geschiedenisonderwijs

Wanneer deze parabool van het geestelijk rijpingsproces met het schema van de lichamelijke ontwikkeling samen genomen wordt, drukken beide het aspect uit van een ‘geestelijke antropologie’, zoals dit aan het leerplan ten grondslag ligt.

De hier weergegeven ‘geestelijke antropologie’ moet je eerst leren lezen om misverstanden te voorkomen die een dergelijk schema kan veroorzaken.

Want net zoals het fysieke lichaam ‘op zich’ alleen niets betekent, maar in de wereld zichtbaar maakt wat de individualiteit geleidelijk vanuit de geestkracht als fysieke gestalte zichtbaar maakt, net zo moet je het leerplan als een psychisch-mentale werkelijkheid begrijpen.
Wat de individuele leerling in het onderwijs beleeft, ga je zien als een geïndividualiseerd leerplan in hem.

Het leerplan wordt hier gezien als ‘plaatsvervanger’ voor de geest van de cultuur.

Wanneer je naast de tekening van de lichaamsgestalte bij de leeftijden, de groei, ook de leerstof plaatst die bij deze leeftijd hoort, krijgt dit lichamelijke een soort omhulling.
Ik [phaw]zou die inhoud willen noemen de cultureel-geestelijke erfenis van het bestaan tot nog toe. De verworvenheden van de tijd, waaraan onze kinderen deel hebben doordat ze ze op school eigen maken.

Grosse ziet verder nog een samenhang tussen de eerste klas en de zevende, de tweede en de zesde, enz.
Volgens hem is die gescheiden lesstof toch een soort eenheid die in de ziel van het kind pas vol tot ontplooiing komt, als de leerkracht dit goed aan de orde stelt.

In de eerste klas wordt het schrift uit het beeld ontwikkeld. In de zevende klas komt dit motief op een hoger niveau terug bij de behandeling van de monnik- en kloostercultuur: het schrijven van de monniken en het kleurig vormgeven van de hoofdletters..
Het vertellen van sprookjes in de eerste klas, ditzelfde in de zevende klas bij de Arabische cultuur (1000 en één nacht).
Het aanleren van de cijfers in de eerste – de herkomst van de Arabische cijfers uit het Arabisme in de zevende.
De legenden en fabels in de tweede – de rol van de dieren in de legende van het Oosten en in de sagen van de zesde klas. Het vormtekenen in de tweede – datzelfde bij het tekenen van planten en in de meetkunde in de zesde. De landbouw, de Bijbels geschiedenis, de persoon Noach in de derde klas – Gilgamesj, de cultuur en de landbouw in het Nijldal in de vijfde klas.

De leraar moet deze samenhangen kennen, zodat deze innerlijke opbouw kan werken.

Hij neemt daar het beeld van de zevenarmige kandelaar voor:

[1] Het Duits heeft ‘basis- en middelbare school’. Er bestaan in Nederland geen vrijescholen meer die basis- en middelbare school onder één dak hebben.

.

Meer over het leerplan bijHaeckel en het leerplan  nr. 12

Rudolf Steiner over het leerplan
.

Vom Lehrplan der Freien Waldorfschule

Die Waldorfschulen drücken einen bestimmten Aspekt ihrer Schuleigenart dadurch aus, dass sie als Untertitel folgende Bezeichnung tragen:

«Einheitliche Volks- und Höhere Schule».

Wer als Erstklassler in die Schule eintritt, kann sie ohne einen Bruch in der pädagogisch-geistigen Führung bis zur zwölften Klasse oder bis zum Übergang in die Hochschule besuchen.

Einheitlich ist die innere Führung, ist der pädagogische Impuls, ist der aus einem Guss bestehende Lehrplan, bei dem das eine in das andere übergeht und in geistiger Übereinstimmung und architektonischer Fügung sich ergänzt und eine harmonische Ganzheit ergibt. Dieser Aufbau und innere Zusammenhang ist ein Hauptgrund, warum der Schulgeist den jungen Menschen so günstig zu beeinflussen vermag. Keine Zerrissenheit der weltanschaulichen Grundlagen, wie sie üblicherweise heute besteht, verwirrt den heranreifenden Schüler. Der heute weitverbreitete Agnostizismus, durch den Zweifel und Skeptizismus gesät werden, hat seine Wurzel nicht zuletzt in mancher Widersprüchlichkeit und Unlogik, die entdeckt wird, wenn man die Aussagen verschiedener Gebiete wissenschaftlicher Forschung, etwa in Biologie, Chemie, Physik, miteinander vergleicct.

Allerdings ist es auch oft die Absicht mancher Lehrer, die Schüler zum Zweifel hinzuführen, in der Meinung, dadurch den jungen Menschen zu eigenem Denken anzuregen. Da aber so mancher Naturwissenschafter nicht über eine Denkausbildung verfügt, die ihn philosophischen Fragen und Lebensproblemen gegenüber kompetent erscheinen liesse, und da die wissenschaftliche Ausbildung immer weniger an eine fundierte Erkenntnistheorie heranführt, besteht auf diesem Sektor der Jugendbildung eine echte Notlage.

Der anthroposophisch geschulte Lehrer besitzt in den Entwicklungsgedanken der Geisteswissenschaft, die das kosmische Werden eng verbinden mit dem Werden des Menschen, eine feste Grundlage, die es ihm ermöglicht, das geistige Band zwischen allen Bildungsfächern zu erkennen und im Unterricht aufzuzeigen. Man könnte mit Fug und Recht von einer gemeinsamen «Ursprache» der Wissenschaften sprechen, ob es nun die Natur- oder die Geisteswissenschaften betrifft – immer führt sie zum Quell aller Fragen zurück, zum Menschen.

Der Gedanke, dass der Mensch aus der geistigen Welt herausgeboren wird, sicb als kleines Kind mit dem physischen Leib verbindet und ihn im Heranwachsen durchdringt, um dann als Erwachsener an der Menschheit mitzuarbeiten, seinen Geist dadurch reifer, bewusster und fähiger als vorher zu machen, bis der Sterbeprozess die unsterblicbe Individualität wieder vom Leibe löst – dieser Gedanke tragt bereits die Richtlinien eines Lehrplanes in sich, wie er sich am inkarnierenden und exkarnierenden Menschen herausbildet.

Was ist – so müssen wir uns fragen — das Eigene des Kindes im Vergleich mit dem Erwachsenen? Dieses, dass es der Erde gegenüber noch ein Fremdling ist, und wir ihm nach und nach ein Verhaltnis zur Erdenheimat aufbauen müssen, wahrend seine Seele noch in einer Geistesbilderwelt zu Hause ist. Wir nennen sie die Märchenwelt, die in den Gestalten von Königssohn und Prinzessin, von Schlaf und Verwandlung, von Tier und Zauberer, von Aufgaben, Rätseln und Prüfungen das Leben der Seele selbst erzählt und das Kind in einer inneren Wegweisung erleben lässt, wie man nach und nach stark werden muss, um auf der Erde gegen alle Anfechtungen sich halten zu können. Wer also dem Siebenjährigen das ihm Angemessene geben will, der muss alles, was dem Erstklässler beigebracht werden soll: die Buchstaben, die Zahlen, das Malen und Stricken, die Eurythmie und das Flötenspielen aus der Gesinnung und Bewegung der Märchenwelt holen. Zu solchen Bildern greift die der Erde ungewohnte Seele und verleibt sicb das Können und Lemen in einer Weise ein, dass es lebendiges Eigentum wird.
In der zweiten Klasse begehrt die Seele mehr. Sie ergreift sich selbst schon besser. Sie sucht nacb der Unterweisung, wie die Seele dem Tier, der Pflanze und dem Bedrobbcben begegnen kann. Die Legenden, wie der Mensch mit Hilfe der Lichtkräfte ein Sieger über das Böse, ein Zähmer der Wildheit, ein Verwandler der Tierkräfte wird, ist das eine. Die Spiegelung der moralischen Kräfte in den Fabeln das andere. Dazu kommt die Steigerung des Könnens im Schreiben, Lesen und Rechnen, Dinge, welche die Brücke zum Dasein der Erwachsenen bilden.

262

Und in der dritten Klasse, zwischen dem neunten und zehnten Lebensjahr, wird der entscheidende Schritt in die Welt hinein getan. Die biblische Geschichte erzählt in grossen Bildern das Werden der Menschheit, Bilder, die alles enthalten, was auf dem Wege zum Erdenbewusstsein durchgemacht werden musste, bis zur Wüstenwanderung unter der Führung des Moses, wo alte Kräfte aus Agypten überwunden und neue für die Zukunft in härtester Erziehung erworben werden sollten. Das ist eine tief einschlagende Seelenbildung im Kinde. Dem stellt sich zur Seite der nun einsetzende Unterricht über die praktische Welt: das Leben des Bauern, die Bestellung des Ackers, die Gewinnung von Korn und Mehl, das Backen von Brot, immer begleitet von wirklichkeitsgemässen Unterweisungen. Der Enthusiasmus meiner Drittklässler, als ich mit ihnen zu einem Backer in die Backstube ging, jedes den Teig kneten, die geformten Laibe im glühenden Ofen sehen und die fertigen Brote mit heimnehmen durfte, war köstlich und entschieden ein Höhepunkt des Lernendürfens. Rudolf Steiner forderte sogar, dass jedes Kind an einem ihm angepassten Pflug eine Furche durch den Boden ziehen, dass es praktisch lernen sollte, den Mortel für die Backsteine zuzubereiten und Stein auf Stein zu mauern, damit gerade in diesem Alter durch das Tun, durch den Griff, das Handanlegen am Material und am Handwerkszeug etwas in der Seele aufbricht, was eine Beziehung zum sinnvollen Zupacken schafft. Das übt eine in die Tiefe gehende Wirkung aus. Der Waldorflehrplan legt das grösste Gewicht darauf, dass die Scbule alles unternehme, um die Jugend zu praktischen Menschen zu erziehen. In diesen Vorgangen des Handanlegens ist das Geheimnis verborgen, wie der Mensch eine direkte Vernunft, eine unverbildete Urteilskraft und ein unmittelbares Verhältnis zum Dasein bekommt. Denn das Gefährlichste für das Seelenleben ist die Abstraktion, ist das Eingesponnensein in unreale Vorstellungen, ist das Isoliertsein von den Lebensvorgängen – eine Neigung, die dem Menschen innewohnt und ihn zum unpraktischen und illusionären Fremdling auf der Erde macht.

Nun könnte man bis ins einzelne zeigen, wie der Lehrplan weiter-
263

schreitet, von der Heimatkunde zur Geographie, zur Geologie und Mineralogie, zur Völker- und Himmelskunde. Parallel dazu wird die Mythologie der Germanen und Griechen, die Geschichte der Inder, Perser, Ägypter, Griechen, Römer bis zur Jetztzeit behandelt. Wer würde daran nicht erkennen, dass der Unterricht alles nacherleben lässt im Erwachen des kindlichen Bewusstseins, was die Menschheit als solche hatte durchmachen müssen ? Es genügt, wenn man darauf hingewiesen hat und abgekürzt etwa sagen kann: im zehnten Jahre ist das Kind «Germane», dann «Grieche»; dann absolviert es die Wanderung vom Osten bis ans Mittelmeer und wird als Zwölfjähriges ein Römer, im dreizehnten Jahr ein Ritter und Klosterbruder, ein Columbus, der Amerika entdeckt, und zieht als Vierzehnjähriger mit Napoleon nacb Russland und ist mit der Geschlechtsreife in seiner eigenen Gegenwart angekommen.

Dass die Denkkräfte durch die Geometrie und Mathematik hervorragend ausgebildet, die Beobachtung in den Experimenten von Physik und Chemie besonders geschult werden, zeigt zu dem Vorigen hinzu, dass ein gesetzmässiges Zusammenspiel der Fächer vorliegt, das einen tiefen Bezug zum Menschen ausspricht: dass der Mensch ein Wesen ist, welches einerseits die höchste Entwicklung durchmacht, wenn es das Geheimnis der Zeit erfassen lernt und ebenso, wenn es die Geheimnisse des Raumes ergründen kann. Es sind zwei Weltenströmungen da, in die wir uns einzuleben haben und die wir lernen müssen, in uns zu einer höberen Einheit zu bringen.

Die sogenannten geisteswissenschaftlichen Fächer wie etwa Geschichte, Literatur, Philosophie, Religion steben den naturwissenschaftlichen, der Physik, Chemie, Geographie usw. diametral gegenüber, so wie Innen- und Aussenwelt, wie Zeit und Raum es tun. Zwischen ihnen bewegt sich die mathematisch-geometrische Disziplin und die Kunst als Wege zu den zeitlosen Wahrheiten.

Dadurch, dass der Lehrplan ein Abdruck der Wesenheit des Menschen ist, ist es nicht gleichgültig, wie der Lehrer ihn durchführt. Es hängt davon die Harmonie oder Disharmonie des werdenden Menschen ab.
264

So wie beim Anfang des Schullebens die zwei Strömungen noch aus einer geistigen Einheit entspringen, die eine grandiose Welt der Urbilder – wir sprechen vom Reich der «Märchen» – genannt werden kann, wie sie sich dann in zwei grosse Ströme mit eigenem Lauf trennen – aber trotzdem lebendig miteinander in Beziehung stehen – und zum Schluss wieder als Höhepunkt und gleichzeitig als Abschluss zur Einheit geführt werden müssen, die eine Zusam-menfassung alles menschlichen Strebens und Wissens in einer Weltanschauung bedeutet, so sollte der junge Mensch selber sich in diesem Lehrplan erfassen und spiegeln können. Er sollte nach zwölf Jahren Unterricht zu einem Selbst-Verstehen und einem Selbst-Erfassen hingeführt worden sein: wie er ein Raumeswesen und ein Zeitenwesen zugleich ist.

Für den Lehrer ist das Durchschauen des Lehrplanes das Fundament für eine sichere Führung des Unterrichtes und der Schüler. Der Weg und der Aufbau sowie das Mass für das pädagogisch-psychologische Urteil liegen im Lehrplan vor. Wenn alles, was er enthält, in einem Diagramm zusammengetragen und gegliedert wird, ergeben sich noch viele weitere Zusammenhänge.

Betrachten wir das allmáhliche Heruntersteigen der Seele, so wie es sich im Kindes- und Schüleralter abspielt, dann kommen wir zur Feststellung, dass dies Geschehnis seinen entsprechenden Ausdruck im Lehrplan findet. Er spiegelt in der Aufeinanderfolge der Unterrichtsfácher das wider, was die Seele in ihrer Annáherung an die Erde innerlich wie eine geistig-seelische Atemluft benötigt.

Erst wenn der junge Mensch mit dem Durchmachen der Geschlechtsreife seine übergeordnete und alle Leibesvorgänge umgreifende menschliche Erdenreife erhalten hat, können wir den Schüler als eine Persönlichkeit betrachten, die nun in der Erdengesetzmässigkeit «angekommen» ist, sich in ihr auszukennen bemüht und zu bewegen versteht.

Der Unterricht muss von dieser Reifestufe an fast schlagartig einen anderen Charakter bekommen. Das besteht, darin, dass fortan in immer strengerer Weise das Element des Denkens den Unterricht durchzieht, und alles unternommen werden muss, um in ange-
265

messener Weise durch Übung den jungen Menschen damit vertraut zu machen. Diese ganze Entwicklung kann durch das Bild der Parabel ausgedrückt werden.

Der Lehrplan als Ausdruck der seelischen Reifung des Schülers: von der Schulreife des Erstklässlers zur Erdenreife des Mittelschülers bis hin zur « Ich-Reife» der sich selbst verantwortenden Individualiteit (in Stichworten an Hand des Erzähl- und Geschichtsstoffes).Wenn diese Parabel des geistigen Reifeprozesses mit dem Schema der Körperentwicklung auf Seite 253 zusammengebracht wird, dann drücken beide den Aspekt einer «geistigen Anthropologie» aus, wie er dem Lehrplan zugrunde liegt. [zie hierboven 1e tek.]
266
267: 2e tek.

Die hier dargestellte «geistige Anthropologie» muss man erst lesen lernen, um den Missverständnissen zu entgehen, die ein derartiges Schema vielleicht erzeugen kann.

Denn so wie der physische Leib allein «für sich» gar nichts bedeutet, sondern dasjenige in der Welt der Sichtbarkeit zeigt, was die Individualität nach und nach aus ihrer Geisteskraft als physische Gestalt hinstellt, genauso muss man den Lehrplan als eine seelisch-geistige Wirklichkeit verstehen, die ebenfalls nach und nach im Heranwachsenden Gestalt annehmen will. Das Unterrichtserlebnis des einzelnen Schülers führt dann zur Individualisierung des Lehrplanes in ihm. Wenn wir den rechten Blick hatten, könnten wir am Menschen zweierlei sehen: einmal die Individualität des Betreffenden, also sein geistiges Wesen, und zum andern den in ihm Leib gewordenen Lehrplan. Denn auch der «Lehrplan», hier als Stellvertreter für den Geist der Kultur verstanden, arbeitet an der Erscheinung des Menschen mit, nicht grob und auffällig, sondern fein und zart in der Physiognomie, in der Gestik, im Imponderablen der Persönlichkeit.

Wenn man daher neben die Zeichnung der Körpergestalt zu den Jahreszahlen des Alters, des reifenden Wachstums, auch den für dieses Alter entsprechenden Unterrichtsstoff dazuschreibt, dann bekommt der Körper eine aus dem Geistesstoff des Unterrichts gewobene Hülle, und der Lehrplan erhält dadurch etwas, was man mit «Lebensalter» bezeichnen kann. Man liest an diesem ab, wie sehr und für welches Alter er an der Menschwerdung des Schülers beteiligt ist. Der Lehrer sieht dann auch ganz spontan ein, wie dasjenige, was er beispielsweise in der ersten Schulklasse durchnimmt, kein isoliertes Tun ist, das wie etwas Statisches irgendwo in der Seele stehenbleibt, sondern dass dieser Stoff der ersten Klasse einen geistigen Ruf nach der nun notwendig gewordenen Ergänzung in einer höheren Stufe ertönen lässt, der zu einer Beglückung wird, wenn der Lehrer in der siebten Klasse dasjenige tut, was innerlich zusammenhängt mit dem in der ersten Klasse einst Durchgenommenen. Genauso ergeht es dem Stoff in der zweiten Klasse, der erst eine seelische Ganzheit wird oder eine seelische Auf-
268

erstehung durchmacht, wenn die sechste Klasse ihre Melodie hinzufügt und alles als Klang mit hineinnimmt, was früher in der zweiten Klasse geboten worden ist.

Diese Rhythmik im Anlegen und Geben des Unterrichtes in den unteren Klassen und dann dessen tiefverborgenes Weiterschwingen in der Seele, bis es in oberen Stufen wieder auftaucht und erwartet, dass es vom Lehrer erkannt und im neuen Stoff einverwoben und höhergehoben wird, ist eines der vielen Unterrichts-geheimnisse, von denen Rudolf Steiner spricht. Wird in der Schule darauf Rücksicht genommen, dann bekommt das Innere des Schülers eine Steigerung seiner Seelenkräfte, die immer mehr zur Geltung kommt, je mehr ihr rhythmischer Charakter, der zu einer Seelenarchitektur hinstrebt, erkannt wird. Das einprägsame Schema für diese Gesetzmässigkeit ist das Bild eines siebenarmigen Leuchters: [3e tek. met als onderschrift:]

Der Zusammenhang des Unterrichtsstoffes im Bereich der unteren Klassen im Sinne des geistigen Spiegelungsgesetzes

Beispiele mogen diese Zusammenhange verdeutlichen:
In der ersten Klasse wird die Schrift aus dem Bilde beraus entwickelt. In der siebten Klasse steigt dieses Motiv wiederum auf bei der Behandlung der Mönchs- und Klosterkultur: das Scbreiben der Mönche und das maleriscbe Ausgestalten der Inkunabeln. Das Märchenerzählen in der ersten Klasse, dasselbe als Beispiel
269

arabischer Kultur («1000 und eine Nacht») in der siebten Klasse. Das Lernen der Ziffern in der ersten – die Herkunft der arabischen Zahlen aus dem Arabismus in der siebten Klasse. Die Legenden und Fabeln in der zweiten Klasse – das Auftreten des Tieres in den Legenden des Orients und in den Sagen in der sechsten Klasse. Das Formenzeichnen in der zweiten Klasse – dasselbe beim Pflanzenzeichnen und der Geometrie in der sechsten Klasse. Der Ackerbau, die Biblische Geschichte, die Gestalt des Noah in der dritten Klasse – die Gilgamesch-Sage, die Kultur und der Ackerbau im Niltal in der fünften Klasse usw.

Der Lehrer wird seinen Unterricht so anlegen, dass er diesen Zusammenhang für sich bewusst im Auge behalt, damit ein innerer Aufbau zur Wirkung kommt.

Wer jahrelang mit dem Waldorf-Lehrplan arbeitet, dem enthüllt sich gerade durch die Praxis seine geistige Tragkraft. An ihm hat der Lehrer zunächst die so nötige Wegleitung für sein Tun. Er deutet auf die seelische Reife des Schülers, der in einem bestimmten Alter eine bestimmte Welt-Kenntnis aufnehmen muss, damit das harmonische Einleben in das Leben gewährleistet wird. Denn jedes Alter braucht sein Welterlebnis und sein Verstehen des Daseins. Und es ist ganz gewiss so ernst wie nur möglich zu nehmen, dass die Schule jedem Schüler zu jedem Zeitpunkt seiner Entwicklung das Richtige zu geben hat. Nicht als Stückelung, als Addition von Bildungs-Partien darf der Lehrplan vorgestellt werden. Wer den Schulanfang mit seiner Welt der Urbilder vor sich hat, wird in Bewunderung erkennen, wie der Schüler am Ende seiner Schulzeit in der zwölften Klasse wiederum auf einer höheren Stufe einmündet in die Region der Urbilder. Es fügen sich die in zwei getrennten Richtungen sich ausbreitenden Erkenntnisgebiete – die der Zeit und die des Raumes, die der Geisteswissenschaft und die der Naturwissenschaft — wiederum zusammen, indem als Zusammenfassung aller Daseins- und Welträtsel das Bild des Menschen vor dem Erkenntnisblick des reifen jungen Menschen steht, ein Bild, an dem er sein ganzes Leben lang arbeiten darf, das ihm Aufgabe, Ziel und Führung zugleich sein kann.
270

Rudolf Grosse, Erlebte Pädagogik, 2e opl. 1975

.

1834-1720

.

.

VRIJESCHOOL – Het leerplan – Caroline von Heydebrand (1-1)

.

Kort na het overlijden van Rudolf Steiner in maart 1925 verscheen voor de eerste keer een schriftelijke weergave van het leerplan van de vrijeschool.
Die werd samengesteld door Caroline von Heydebrand die vanaf het begin in 1919 aan de vrijeschool in Stuttgart was verbonden. Zij had ook de begincursus – GA 293, 294 en 295 – bijgewoond en de vele lerarenvergaderingen met Rudolf Steiner (GA 300abc). 
In de jaren 1919 – 1925 tekenden zich de contouren van een leerplan af dat nadien in grote lijnen hetzelfde is gebleven.
Dat betekent echter niet dat het ‘achterhaald’ zou zijn. In velerlei opzichten zijn de ideeën nog altijd even verfrissend en laten ruimte voor ontwikkeling.

Caroline von Heydebrand, Mitteilungsblatt, okt. 1925
.

OVER HET ONTSTAAN EN GEBRUIK VAN HET LEERPLAN

De vrije Waldorfschool die in het jaar 1919 door Dr.h.c. Emil Molt in Stuttgart werd opgericht, kreeg haar geestelijke basis van de pedagogische leider, Dr. Rudolf Steiner. Hij schonk de school en het lerarenteam vanuit zijn antroposofie een volheid aan gezichtspunten over de kennis van de wordende mens. 
Uit deze geesteswetenschappelijk gefundeerde menskunde leidde hij alle details van de methodiek en de didactiek, van de onderwijs- en opvoedkunst af. 
Alleen de wordende mensennatuur en haar wetmatigheden konden in eerste instantie bepalend zijn voor wat het kind in iedere leeftijdsfase moest leren. 
Aan het wezen van de opgroeiende mens werd afgelezen wat voor dit wezen geschikt is.
Wat Dr. Rudolf Steiner aangaf voor de manier waarop de zogenaamde leerstof over de verschillende klassen van de vrijeschool moest worden verdeeld, was altijd het laatste deel van de beschouwingen die het wezen van de individuele ontwikkelingsfasen van het kind tot onderwerp hadden. Hierbij werden leerplanuiteenzettingen a.h.w. als losse voorbeelden gegeven; dit of dat gebied zou het kind in overeenstemming met zijn ontwikkeling in deze of in die klas moeten keren kennen. Dergelijke voorbeelden konden de leraren in hun praktisch werk aan de school vervolgens uitbreiden en verder ontwikkelen vanuit eigen kennis.

Zo is er een leerplan ontstaan dat vooral verre staat van allerlei programma’s en dogmatiek.
Ook wat hier volgt over de verdeling van de leerstof over de verschillende klassen, moet daarom niet dogmatisch, niet als een starre wet beschouwd worden.

Het ideale leerplan moet het zich veranderende beeld van de wordende mensennatuur op de verschillende leeftijdsfasen beschrijven, maar zoals ieder ideaal staat dit tegenover de volle werkelijkheid van het leven en moet zich daarnaar voegen.

Bij deze werkelijkheid hoort veel: de individualiteit van de leraar die voor de klas staat; de klas zelf met al het eigene van iedere leerling; de tijd in de huidige geschiedenis en de bepaalde plaats op aarde waar de school, waar het leerplan verwezenlijkt moet worden met de daar geldende schoolwetten en de overheid.
Al deze aspecten zijn van invloed op het ideale leerplan en maken veranderingen noodzakelijk en het begrip daarvoor en de opvoedingsvraag die aan ons door het wezen van de opgroeiende mens wordt gesteld, kan alleen beantwoord worden, wanneer het leerplan op zich beweeglijk is en vormpotentie heeft.

In iedere school die met de antroposofische pedagogiek werkt, is het eeuwige beeld van het echte wezen mens als oerbeeld werkzaam, maar in de details van de uitwerking van de opvoedkunst zich omvormend, al naar gelang deze school bijv. in Duitsland, Nederoland, Engeland, Zwitserland, enz. staat.

De schets van het leerplan van de vrijschool die hier geprobeerd wordt te geven, kan alleen dán helemaal worden begrepen, wanneer je rekening houdt met de menskunde die het als basis heeft, zoals die in het werk van Dr. Rudolf Steiner te vinden is. 

Bij het begin van belangrijke leeftijdsfasen van het kind is geprobeerd met een paar voorbeelden en enige uitleg, heel korte, schetsmatige inkijkjes in deze menskunde te geven. Met de inhoud van een leergebied hangt het ‘hoe’ van het lesgeven zo direct, zo onlosmakelijk samen, dat er ook steeds weer opmerkingen van methodische aard bij het alleen maar weergeven van wat in het kader van het leerplan doorgenomen wordt, ingevlochten zijn. 
Ook dat kan voor sommigen misschien een stimulans zijn; wij hebben de opdracht de methodiek van de op zich staande onderwijsvakken na elkaar adequaat aan te geven. In het werk van Dr. Rudolf Steiner kun je daarover het wezenlijke vinden.

Een paar vakken die voor sommige opvoeders misschien nieuw en eigenaardig lijken, zijn wat uitvoeriger aan bod gekomen dan andere om in ieder geval aanstippend met een paar voorbeelden aan te geven dat het er in de vrijschoolpedagogie niet om gaat dat de kinderen wat de inhoud betreft iets anders leren, als ergens anders, maar hetzelfde op een andere manier. En ook bij een andere aanpak komt het er voor ons niet zo op aan, ambitieus het verschil aan te geven met andere pedagogische doelen. Wij zien onze opdracht niet in een negatieve kritiek, wij zien onze wezenlijke opgave veel meer, bij alles wat we opvoedend en onderwijzend doen, in het zoeken naar kennis en inzicht van wat in het wezen van de mens ons de basis voor ons doen geeft. 
De door Dr. Rudolf Steiner geïnaugureerde bewegingskunst, de euritmie, die op de vrijeschool door de pedagogische betekenis ervan een verplicht vak is, kan door de verschillende oefeningen, zoals die in het leerplan gegeven zijn, natuurlijk alleen voor iemand begrijpelijk worden die ze kan zien of al doende zelf heeft leren kennen. De aanwijzingen voor het euritmieleerplan blijven op die manier voor wie die niet kent, vreemd, zoals voor iemand die geen wiskunde kent de leerplanaanwijzingen voor de diverse disciplines daarvan. Maar wellicht zijn ze voor sommige opvoeders een stimulans zich meer met het leerplan bezig te houden, wat we voor het kunstzinnige, morele en gezondmakende voor het kind van het allergrootste belang achten. 

Wat gymnastiek en euritmie betreft heeft Dr. Rudolf Steiner het leerplan niet meer kunnen maken; kort voor zijn laatste ziekbed nog heeft hij bepaalde bedoelingen uitgesproken. De op de vrijeschool gebruikte gymnastiek heeft wel de basale aanwijzingen van Dr. Rudolf Steiner gekregen, de oefeningen die in het leerplan worden beschreven heeft hij niet zelf aangegeven. Ze zijn in de praktijk van het lesgeven tot stand gekomen, voor het grootste deel na zijn dood. Hij hechtte niet zoveel waarde aan de balspelen bij het gymmen zoals die tegenwoordig algemeen geaccepteerd zijn. (Voetbal is op het schoolplein verboden; het is slecht voor de lichamelijke, psychische en mentale ontwikkeling in de schooljaren).

Ook al komen in de schets van het leerplan noodzakelijkerwijs de aparte vakken aan bod, dan moet er steeds de nadruk op worden gelegd, dat de klassenleerkracht ze sterk samenhangend behandelt, zodat het kind de wereld niet in aparte kennisgebiedjes uiteengelegt, ervaart. Zo zal de leraar, om een voor de hand liggend voorbeeld te nemen, in de periode aardrijkskunde de geschiedenis van het gebied dat hij aan de orde stelt erbij betrekken, de flora en fauna, de cultuur enz. en tot een organisch geheel maken. Een hulp voor de leerkracht is dat hij als klassenleraar in de acht klassen tussen tandenwisseling en puberteit al het hoofdonderwijs mag geven, dus altijd het overzicht heeft over alle leergebieden. Ieder leervak wordt op de vrijschool in perioden van vier, vijf, zes weken iedere morgen de eerste twee uren als hoofdonderwijs gegeven van acht tot tien. Dit periodeonderwijs en het feit dat de leerkracht die alle hoofdvakken geeft zijn klas de hele schooltijd vanaf het 6e tot het 14e jaar begeleidt, geeft hem de mogelijkheid, niet alleen de veelheid van de leervakken samen te vatten, maar ook uit de totale leerstof door de jaren heen, zo goed als mogelijk, een soort totaalkunstwerk te maken dat voor hem heel bevredigend is, voor de kinderen en hun leven echter een schat aan kracht en gezonde zekerheid in het leven.

Aan wie in deze leerplanschets het leergebied ‘godsdienst’ mist, moet het volgende worden gezegd. Het is voor een echt religieus gevoel vanzelfsprekend dat met elke leerstof het bewustzijn van het kind gewekt kan worden dat het geestelijke in alles een rol speelt, alles doordringt wat in de wereld bestaat. Dat dit in ons spreken leeft. Leeft in wat het kind in de aardrijkskunde over de aarde leert. In geschiedenis. Wanneer wij leraren proberen, zo houdt Dr. Rudolf Steiner ons voor, de levende geest overal te voelen, dan zullen we het nodige enthousiasme vinden deze levendige geest ook aan de kinderen mee te geven. En wanneer we de leergebieden die er zijn niet zouden mogen gebruiken om de jonge mens te laten zien hoe de geest erin werkzaam is, dan wordt ook het religieuze onderwijs tot een verzorgingstehuis van het materialisme. Kan de goddelijke geest echter zichtbaar worden in elk leerstofgebied, dan kan ook het feitelijke religieuze onderwijs vruchtbaar zijn en realistisch. Het godsdienstonderwijs wordt op de vrijeschool overgelaten aan de kerkgemeenschappen. Hun vertegenwoordigers geven het in de schoollokalen van de school met een eigen leerplan en eigen methodiek.Voor kinderen voor wie hun ouders dat willen, wordt een zgn. ‘vrij christelijk godsdienstonderwijs’ gegeven door de leerkrachten van de vrijeschool zelf; dit onderwijs is volgens de methodiek van de vrijeschool en volgt in het leerplan wat de kindernatuur in elk levensjaar nodig heeft voor een gezonde ontwikkeling.

Dr. Rudolf Steiner had steeds als grootste wens dat de vrijeschool die door hem pedagogisch werd geleid met de grootste kracht en zekerheid in de volheid van het leven zou moeten staan, zoals dat nu eenmaal is. In het leerplan moet niets zitten wat vreemd is aan het leven, dat moet het kind niet meekrijgen. De leerkrachten die samen zijn gekomen door de gezamenlijke toewijding aan de leider van de school, aan het opvoedkundig werk, willen een voorbeeld zijn en zijn kracht in zich laten werken en zij zullen hun dankbarheid voor het leerplan dat hij hen schonk, dat wortelt in een menskunde vanuit de geest, zo laten blijken, dat zij dit leerplan met begrip, met liefde voor vrijheid, met verantwoordelijkheidsgevoel vol leven en vruchtbrengend in stand houden binnen het werk van de aan hen toevertrouwde school. 
Wij opvoeders kunnen echter de voorschriften ook van het beste leerplan alleen dan met succes opvolgen, wanneer wij onszelf een menskunde eigen maken waarvan de vrucht de liefde is die de ziel van de leraar en het kind verbindt.
Dan worden voorschriften inzichten en plicht daden uit liefde. 

.

Het leerplan en Ernst Haeckel: in Menskunde en pedagogie onder nr. 12

Rudolf Steiner: over het leerplan

Rudolf Steiner: alle artikelen

.

1828-1714

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 3 (3-7)

.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE
.

*GA 293
Vertaling

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken bij alle voordrachten.
De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

De mededeling van Steiner dat de lichamen van de gestorven mensen, of deze nu begraven worden of gecremeerd is om het even, voedsel vormen voor de aarde waardoor deze niet sterft, is er weer een waartoe je bijna geen toegang krijgt. En er komen allerlei vragen op je af: wat gaat er dan van het zich ontbindende lijk over in de aarde en hoe; heeft het dan iets te maken met de micro-organismen; maar wat dan als de as van de gecremeerde ergens wordt uitgestrooid; wat zit er dan nog in die as. Of moeten we daar nog anders naar kijken.
Steiner heeft er wel voordrachten aan besteed [4] om dit verder uit te leggen.

Aan de andere kant hoeft het ons als principe ook weer niet zo te verbazen. De aarde heeft voortdurend meststoffen nodig om vruchtbaar te kunnen blijven, m.a.w. om op een bepaalde manier het leven in stand te houden en door te geven.

Hoe het ook zij en wat er ook gebeurt, altijd zal ons lijf – ik gebruik bewust het woord ‘lichaam’ niet, maar ‘lijf‘ om de mogelijkheid te hebben op ‘leven’ te duiden – wanneer het door de overige wezensdelen is verlaten, tot dood lichaam, een lijk worden, tot stoffelijkheid die zijn vorm verliest nu de etherkrachten, de vormkrachten, de levenskrachten, de stoffen niet meer als compositie bij elkaar houden.

Dus vóór de stoffen weer teruggaan naar de stoffelijke wereld, nadat de band van de compositie is verdwenen en de ont-binding begint, bevinden deze stoffen zich in een geheel van vormkrachten. Deze opbouwkrachten – door Steiner soms ‘de architect’ genoemd – laten de mens – als we ons hier tot hem beperken – daadwerkelijk in een compositie verschijnen.

Steiner heeft heel veel uitspraken gedaan om aan te geven dat in de materie de geest werkzaam is, dat de materie een uitdrukking is van de geest:

Das Leibliche kann nur gefaßt werden, wenn es als eine Offenbarung des Geistigen und auch des seelischen aufgefaßt wird.

Het lichamelijke kan slechts begrepen worden wanneer men het beschouwt als een openbaring van de geest en ook van de ziel.
GA 293/91    
Vertaald/90

Man sieht nicht, wie alles Physische aus dem Geistigen heraus plastiziert wird, und wie alles Geistige im Grunde ge­nommen in diesem physischen Leben gleichzeitig sich offenbart nach der anderen Seite als ein Physisches

Men ziet niet in hoe al het stoffelijke vanuit de geest gevormd wordt en hoe al het geestelijke eigenlijk zich gelijktijdig manifesteert als iets fysieks.
GA 301/238
Op deze blog vertaald/238

Alles Stoffliche ist zugleich Geistiges.
Al het stoffelijke is tegelijkertijd geestelijk.
GA 302/24
Menskunde en opvoeding/23

Meer bij: Rudolf Steiner wegwijzers  vanaf  105 met verdere verwijzing.

Wanneer we het drieledig mensbeeld nemen met de duidelijke onderscheiding in hoofd, romp en ledematen, komt de compositie a.h.w. naar je toe:

de diametrale tegenstelling tussen het ronde hoofd en de radiale ledematen, met daartussenin de ritmische opbouw van de ribben die naar boven toe verdichten en a.h.w. ‘hoofd’ willen worden, naar beneden zich verwijden, zelfs ‘zwevend’ worden en daarmee aangeven eigenlijk bij de ledematen te willen horen, is daarmee de uitdrukking van de denkende, voelende en willende mens of zo je wil van de zenuw-zintuig-, ritmische- en wilsmens:

En deze drieledigheid is ook op andere plaatsen in/aan het lichaam te vinden:

In het boek ‘Der dreigliedrige Mensch‘ vind je daar veel voorbeelden van.

In het dagblad Trouw verscheen een hele reeks artikelen van wetenschapper (natuur- en sterrenkunde) Ylva Poelman over bionica.
De kop van het artikel luidt telkens:

Over hoe vernuft van de natuur leidt tot technische hoogstandjes‘.

Haar boek heeft als titel: ‘De natuur als uitvinder‘.

De gedachte daarachter is dat miljarden jaren evolutie mooie oplossingen voor technische problemen heeft opgeleverd, waar mensen inspiratie uit kunnen halen voor het oplossen van hun eigen technische problemen.’

Steiner wijst op de wespen die al veel eerder dan de mens in staat waren papier te maken:

Sie alle kennen Papier. Sie wissen, die Menschen haben das Papier, das wir heute haben, erst vor vier bis fünf Jahrhunderten erfunden. Früher hat man alles mögliche andere, Pergament und so weiter zum Schreiben verwendet. Aber das sogenannte Lumpenpapier, das hat ja die zivilisierte Menschheit erst vor vier bis fünf Jahrhunderten entdeckt. Vorher konnte man auf Leder und so weiter schreiben. Wie konnte man das entdecken? Das konnte man nur dadurch entdecken, daß man gewisse Substanzen in einer bestimmten Form zusammengemischt hat. Vielleicht war einmal einer von Ihnen in einer Papierfabrik. Das Papier ist zuerst flüssig, wird verfestigt und so weiter. Also es wird auf eine rein künstliche Weise, durch allerlei chemische und mechanische Mittel hergestellt.
Sie werden vielleicht nicht nur Papier gesehen haben, sondern auch ab und zu ein Wespennest.

U kent allemaal het papier. U weet dat de mens het papier dat we nu hebben, pas vier tot vijf eeuwen geleden uitgevonden heeft. Eerder gebruikte men van alles, perkament enzo om te schrijven.
Maar het papier van lompen gemaakt, dat heeft de beschaafde mensheid pas vier, vijf eeuwen geleden ontdekt. Je kon ook op leer schrijven. Hoe is dat ontdekt? Dat kon men alleen ontdekken door bepaalde stoffen op een bepaalde manier door elkaar te mengen. Misschien bent u weleens in een papierfabriek geweest. Het papier is eerst vloeibaar, wordt steviger enz. Maar het wordt puur op een kunstmatige manier gemaakt, op allerlei chemische en mechanische manieren.
U zal misschien niet alleen papier hebben gezien, maar ook weleens een wespennest.

Solch ein Wespennest ist ungefähr so aufgebaut (es wird gezeichnet): Es steht irgendwo auf, dann geht es so herum, daß die Wespen hereinfliegen können. Grau ist es, nicht weiß, sondern grau, aber es gibt ja auch graues Papier.
Dieses Wespennest, das ist richtiges Papier! Wenn man frägt: Was ist das chemisch, woraus das Wespennest gemacht ist? – so ist es nach der chemischen Zusammensetzung ganz genau dasselbe wie das Papier. Es ist richtiges Papier.
Nun, die Wespen machen ihre Nester nicht erst seit vier bis fünf Jahrhunderten, sondern wahrhaftig seit Jahrtausenden! Daraus würden Sie sehen: die Wespen haben das Papier viel früher hergestellt als die Menschen. Das ist einfach auch eine Tatsache. Das Wespennest ist einfach aus Papier. Wenn die Menschen schon vor Jahrtausenden etwa den schlauen Gedanken gehabt hätten: wir wollen einmal nachschauen, aus was die Wespennester bestehen, so wären sie schon zum Papier gekommen. Aber die Chemie war dazumal noch nicht so weit.

Zo’n wespennest is ongeveer zo gebouwd: (er wordt een tekening gemaakt, maar die is niet afgedrukt). Het staat ergens op, dan gaat het zo, dat de wespen naar binnen kunnen vliegen. Het is grijs, niet wit, maar er is ook grijs papier.
Dit wespennest is alleen maar papier! Wanneer je vraagt: wat is het chemische waaruit het wespennest gemaakt is? dan is het qua chemische samenstelling hetzelfde als papier. Het is puur papier.
Maar de wespen maken niet sinds een eeuw of vier, vijf hun nesten, dat doen ze echt al duizenden jaren! Daaraan kun je zien: de wespen hebben het papier veel vroeger gemaakt dan de mens. Dat is simpelweg een feit. Het wespennest is puur papier. Wanneer de mensen al duizenden jaren geleden op de slimme gedachte waren gekomen: we zullen eens kijken waaruit de wespennesten bestaan, dan hadden ze al papier kunnen hebben. Maar de chemie was nog niet zo ver.

Het gebruik van de woorden ‘vernuft’, ‘uitvinder’, ‘voorbeelden om inspiratie uit te putten’, wijzen in de richting van ‘een plan’, een compositie, al is de stilzwijgende, dus bijna vanzelfsprekende gedachte dat de ideeën die in de natuur te vinden zijn, daar ‘door toeval’ zijn gekomen.

Ik zeg altijd: als het zo toevallig is, dan had het vast ook anders kunnen zijn. Noem mij een paar andere mogelijkheden. Maar die heb ik nog nooit gehoord.

Steiner:

Ja, da müssen Sie doch sagen: In der Natur waltet Verstand. –
Und Sie können, wenn Sie die Natur wirklich studieren, überall diesen waltenden Verstand finden. Und über Ihren eigenen Verstand
werden Sie dann bescheidener denken, denn der ist erstens nicht so
groß wie der Verstand, der da in der Natur waltet, zweitens aber ist
er nur so etwas wie ein bißchen Wasser, das man aus einem See geschöpft und in eine Kanne getan hat. Der Mensch ist nämlich in
Wirklichkeit eine solche Kanne, die den Verstand der Natur auffaßt.
In der Natur ist überall Verstand, alles ist überall Weisheit. Derjenige, der nur dem Menschen für sich selbst Verstand zuschreibt, ist
ungefähr so gescheit wie einer, der da sagt: In dem See draußen oder in dem Bach soll Wasser sein? Das ist Unsinn, da ist kein Wasser
drinnen. In meiner Kanne allein ist Wasser, die Kanne hat das Wasser hervorgebracht. – So denkt der Mensch, er bringe den Verstand
hervor, während er ihn nur aus dem allgemeinen Meere des Verstandes schöpft.

In de natuur heerst verstand. – En je kan, als je de natuur werkelijk bestudeert, overal dit werkende verstand vinden. En over je eigen verstand ga je dan bescheidener denken, want het is ten eerste niet zo groot als de geest, die in de natuur heerst, ten tweede is het echter slechts zoiets als een scheutje water dat je uit zee hebt geschept en in een kan gedaan. De mens is namelijk in werkelijkheid als een kruik die het verstand van de natuur bevat. In de natuur is overal verstand, alles is wijsheid. Degene die slechts de mensen zelf verstand toeschrijft, is ongeveer net zo slim als iemand, die zegt: In de zee of de beek zou water zijn? Dat is onzin, daar is geen water in. Alleen in mijn kan zit water, de kan heeft het water voortgebracht. – Zo denkt de mens, dat hij het is die het verstand te voorschijn brengt, terwijl hij het slechts uit de algemene zeeën van het verstand put.
GA 220/149-150  
Hier vertaald  Gedeeltelijk vertaald bij Pentagon

De compositie ‘drieledige mens’ zien we vanaf de buitenkant, maar ook inwendig vinden we ‘vernuft’, ‘wijsheid’ terug.

In een willekeurige atlas van het menselijk lichaam, kun je bijv. aantreffen:

De beenderen hebben hun buitengewone stevigheid vooral te danken aan de manier waarop ze gebouwd zijn. Het dijbeen dient bijvoorbeeld als steunpilaar, aangezien het ons hele lichaam draagt. Als we een ingenieur een pilaar zouden laten ontwerpen die dezelfde taak heeft als ons dijbeen, dan zou de ingenieur in de pilaar steun- en treklijnen tekenen, die net zo lopen als de bindweefselbundels (benige deeltjes) in de kop van het been.’ [5]

Ingenieur

Het is interessant dat hier over een ‘ingenieur’ wordt gesproken. Die het net zo gemaakt zou hebben zoals het bot zich als bouwwerk vertoont.

Dat betekent niet meer of minder dan dat aan de bouw van dit bot intelligentie wordt toegeschreven. (De intelligentie van de ingenieur, of wie het vóór hem heeft uitgedacht)

De ingenieur komt tot zijn model door allerlei berekeningen en het volgen van bepaalde bouwkundige wetten!

Dan kan je er eigenlijk niet omheen de vraag te stellen: wie of wat is dan die ‘ingenieur’ die dit bot in deze vorm ontworpen heeft.

Steiner:

Wenn jemand eine Uhr auseinandernimmt und nachdenkt, nach welchen Gesetzen sie zusammengefügt ist, dann muß er annehmen, daß der Uhrmacher die Teile der Uhr zuerst nach diesen Gesetzen zusammengefügt hat. Niemand sollte glauben, daß man aus einer Welt, die nicht nach Gedanken gebaut gestaltet und geformt ist, irgendeinen Gedanken herausfinden kann. Alles was wir herausfinden über die Natur und ihre Geschehnisse, ist nichts anderes, als was zuerst in diese Natur und ihre Geschehnisse hineingelegt sein muß.
Es ist kein Gedanke in unserer Seele, der nicht zuerst draußen in der Welt gewesen ist.

Als iemand een klok uit elkaar haalt en nadenkt volgens welke wetten deze samengesteld is, dan moet hij aannemen dat de klokkenmaker de onderdelen van de klok eerst volgens deze wetten samengevoegd heeft. Niemand mag geloven dat men uit een wereld die niet volgens gedachten ontworpen en gevormd is, een gedachte halen kan. Alles wat wij ontdekken over de natuur en haar gebeurtenissen is niets anders, als wat eerst in deze natuur en haar gebeurtenissen gelegd moet zijn. Er is geen gedachte in onze ziel, die niet eerst buiten in de wereld geweest is.

Zuerst muß man den Glauben und das Vertrauen haben an die Wirklichkeit, an die Realität der Gedanken. Aus einem Glase, in dem kein Wasser ist, kann man kein Wasser herausschöpfen; aus einer Welt, in der keine Gedanken sind, kann man keine Gedanken herausholen. Es ist das Absurdeste, anzunehmen, daß alle Gedanken nur in uns selber sich abspielen. Niemand sollte glauben, daß er aus einer Welt, die nicht nach Gedanken gestaltet und geformt ist, irgendeinen Gedanken herausholen könne. 

Het eerste wat aanwezig moet zijn bij iemand die een werkelijk praktisch denken wil ontwikkelen, is dat men geloof en vertrouwen heeft in de werkelijkheid, in de realiteit van de gedachten. Wat betekent dat? Uit een glas waarin geen water is, kan men geen water halen. En uit een wereld, waarin geen gedachten zijn, kan men geen gedachten halen. Het is het meest absurde als men gelooft, dat de hele som van onze gedachten en voorstellingen alleen in onszelf aanwezig is.
GA 57/251
Niet vertaald  Hier als citaat vertaald

Ich habe Ihnen zum Beispiel einmal gesagt, wie ein Oberschenkel beim Menschen aussieht. Während er beim Biber wirklich noch nicht so ist, sieht ein Oberschenkel beim Menschen wie ein außerordentlich feines, schönes Kunstwerk aus. Da sind Balken (siehe Zeichnung);

Ik heb u als voorbeeld eens gezegd, hoe een bovenbeen er bij de mens uitziet. ( ) die ziet er bij een mens als een buitengewoon precies mooi kunstwerk uit. Er zijn balkjes:

die sind ganz kunstgemäß gebaut. 

die geheel als kunstwerk zijn gebouwd.
GA 348/246
Vertaald bij Pentagon

De stoffen die we in de minerale wereld vinden en daar aan de daar heersende wetten gehoorzamen, vinden we terug in het menselijk lichaam. In hun vaste vorm – hun ‘zijnde’ bieden ze het lichaam de stevigte, steun en bescherming.
De nog jonge, buigzame broze botten van het jonge kind worden steviger en sterker om ten slotte in de ouderdom weer brozer te worden in het proces van aardser worden: de verkalking.
Knokig en knekelig zijn ze a.h.w. een beeld van de dood zoals de man met de zeis ook wordt afgebeeld; we zien de knekels op de piratenvlag en met Halloween wordt de dood eveneens uitgebeeld met het geraamte: de minerale verdichting en verstarring.
Maar in het levende lijf is eigenlijk alleen de buitenkant compact vast beenweefsel (substantia compacta). Meer naar binnen vinden we de mergholte met vetweefsel (geel beenmerg). De eindstukken zijn met kraakbeen bedekt en binnenin opgevuld met een poreus netwerk van beenbalkjes (sponsachtig beenweefsel; substantia spongiosa). In de holle ruimten tussen de balkjes bevindt zich het rode beenmerg (bloedvormend weefsel).

Bovenarmbeen. (Uit: Platzer 1975, blz.. 21)

Dwarsdoorsnede van het dijbeen aan de bovenkant. Hier is duidelijk de sponsachtige structuur zichtbaar.
Daarnaast: trek- (M) en drukkrachten (R) in de dijbeenkogel.

Is het reëel de vraag te stellen waar deze in de botten ‘opgeslagen’ wijsheid, intelligentie, dit vernuft blijft, wanneer deze materie aan zichzelf wordt overgelaten wanneer het leven is geweken, bij de dood. 
Is dat allemaal op slag ‘gewoon weg’ of….
Moeten we misschien zoeken in de richting van een morfologisch veld? Dat daar de ‘overdracht’ plaatsvindt naar de aarde en deze zo voor ‘sterven’ behoedt?

In hoofdstuk 2 kwam de tegenstelling zenuw-bloed al aan de orde.
Bij het karakteriseren kwam naar voren dat de zenuwen i.t.t. het bloed, nauwelijks levend kunnen worden genoemd.

Op blz. 57 belicht Steiner het net weer van een andere kant:

Nu lijkt er weer even sprake van een 2-ledig (fysiek) mensbeeld: 

Wie walten also diese todbringenden Kräfte in der menschlichen Natur? Sie walten so. daß der Mensch alle diejenigen Organisationen durch sie hervorbringt, die in der Linie vom Knochensystem bis zum Nervensystem liegen.

Hoe werken deze doodsprocessen in de natuur van de mens? Ze werken zo dat de mens daardoor alle stelsels tot ontwikkeling brengt die liggen in de lijn van botten tot zenuwen.

Een duidelijke verwijzing naar de doodskrachten en naar de levenskrachten:

Was die Knochen und alles, was mit ihnen verwandt ist, aufbaut, das ist ganz anderer Natur als dasjenige, was die anderen Systeme aufbaut. In uns spielen die todbringenden Kräfte herein: wir lassen sie, wie sie sind, und dadurch sind wir Knochenmenschen. In uns aber spielen weiter noch die todbringenden Kräfte herein: wir schwächen sie ab, und dadurch sind wir Nervenmenschen. –

De botten en alles wat daarmee verwant is worden door iets heel anders opgebouwd dan de andere stelsels. De doodsprocessen werken in ons door: we laten ze zoals ze zijn en daardoor hebben wij mensen botten. De doodbrengende krachten werken echter nog verder in ons: we zwakken ze af en daardoor hebben we zenuwen.

Was ist ein Nerv? Ein Nerv ist etwas, was fortwährend Knochen werden will, was nur dadurch verhindert wird, Knochen zu werden, daß es mit nicht knochenmäßigen oder nicht nervösen Elementen der Menschennatur in Zusammenhang steht. Der Nerv will fortwährend verknöchern, er ist fortwährend gedrängt abzusterben, wie der Knochen im Menschen immer etwas in hohem Grade Abgestorbenes ist. Beim tierischen Knochen liegen die Verhältnisse anders, er ist viel lebendiger als der menschliche Knochen. – So können Sie sich die eine Seite der Menschennatur vorstellen, indem Sie sagen: Die todbringende Strömung wirkt im Knochen- und Nervensystem. Das ist der eine Pol.

Wat is een zenuw? Een zenuw is iets wat voortdu­rend bot wil worden, maar daarin alleen tegengehouden wordt doordat ze in verband staat met elementen die niet tot de botten of zenuwen behoren. De zenuw wil voortdurend verharden tot bot, heeft voortdurend de drang af te sterven, zoals de botten in de mens iets zijn wat in hoge mate afgestorven is. Bij de botten van dieren ligt dat anders: die zijn veel levender dan de botten van mensen. — Zo kunt u zich de ene kant van de menselijke natuur als volgt voorstellen: de stroom van de doodsprocessen werkt in het bot- en zenuwstelsel. Dat is de ene pool.

Die fortwährend Leben gebenden Kräfte, die andere Strömung, wirkt im Muskel- und Blutsystem und in allem, was da- zugehört. Nerven sind nur deshalb überhaupt keine Knochen, weil sie mit dem Blut- und Muskelsystem so im Zusammen- bang stehen, daß der Drang in ihnen, Knochen zu werden, den daß Blut und Muskel wirkenden Kräften entgegensteht. Der Ncrv wird nur dadurch nicht Knochen, weil ihm Blut- und Muskelsystem entgegensteht und sein Knochenwerden verhindert. 

bron

De andere stroom, de krachten die voortdurend leven geven, werkt in het spier- en bloedstelsel en in alles wat daarbij hoort. De enige reden dat zenuwen geen botten zijn is dat ze zo samenhangen met het bloed en de spieren, dat de drang om bot te worden tegenwerking ondervindt van de krachten die in bloed en spieren werken. De zenuw wordt geen bot, enkel en alleen doordat het bloed- en spierstelsel een tegenkracht uit­oefent en de botvorming verhindert.
GA 293/56
Vertaald/55

Nog niet zo lang geleden werden er in het beenmerg bloedvaatjes ontdekt 
In een artikel daarover van 25-01-2019 staat o.a.:

Volgens professor Sys heeft men de haarvaten niet eerder gezien omdat ze erg klein zijn, op een schaal van micrometers. Het is enkel dankzij moderne beeldvormingstechnieken en microscopisch onderzoek dat de onderzoekers hebben kunnen aantonen dat de doorbloeding complexer is dan gedacht. “Het bot blijkt volledig doorbloed te worden, het is een soort zeef met heel kleine gaatjes.’

‘De ontdekking zal helpen om betere behandelingen te vinden voor een aantal aandoeningen, zo zei Sys. Nu is het zo dat bij bepaalde behandelingen voor ontkalking of uitgezaaide gezwellen in het bot,  het bot zeer hard wordt. Blijkbaar gaan bij die behandelingen veel van die gaatjes dicht, waardoor er minder zuurstof aangevoerd wordt en het bot sneller zal breken.’

De 2-ledige mens is dus a.h.w. met twee begrippen uitgebreid: de bot-mens en de spier-mens.

We hadden als karakteristiek al:

zenuw                                                                          bloed
nu:
bot                                                                                spier

ook al:
denken                                                                        doen
begrip                                                                          fantasie                                        definitie                                                                       karakteristiek       

Voor de pedagogie tekent zich ook nu weer af: kinderen moeten kunnen doen, het moet wordend, met fantasie, levend zijn, alvorens het verstarren moet in begrip en definitie, waarin denkend de leerstof wordt onthouden.

In de voordracht die op dezelfde ochtend waarop deze voordracht 3 van de Algemene menskunde wordt gehouden volgt, komt Steiner op deze thematiek terug met voorbeelden uit de praktijk van het lesgeven.

Het betreft hier het tekenen:

Dann muß man sich selber sehr stark damit durchdringen, daß das bloße Zeichnen schon etwas Unwahres hat. Das Wahrste ist das Emp­finden aus der Farbe heraus, etwas unwahrer ist schon das Empfinden aus dem Helldunkel heraus, und das Unwahrste ist das Zeichnen. Das Zeichnen nähert sich als solches schon durchaus jenem abstrakten Ele­ment, das als Ersterbendes in der Natur vorhanden ist. Zeichnen sollten wir eigentlich nur so, daß wir uns dabei bewußt werden: wir zeichnen im wesentlichen das Tote. Mit Farben malen sollten wir so, daß wir uns dabei bewußt sind: wir rufen aus dem Toten das Lebendige hervor. -Was ist denn schließlich die Horizontlinie? Wenn wir einfach einen Bleistift nehmen und die Horizontlinie hinzeichnen, so ist das ein Abstraktes,  ein Ertötendes, Unwahres gegenüber der Natur, die immer zwei Strömungen hat: das Tote und das Lebendige. Wir schälen die eine Strömung heraus und behaupten, das sei Natur. Wenn ich aber sage, ich sehe ein Grünes, und ich sehe ein Blaues, die sich voneinander schei­den, dann wächst die Horizontlinie aus dem Aneinandergrenzen der Farben heraus, dann sage ich eine Wahrheit. So werden Sie allmählich darauf kommen, daß die Form der Natur wirklich aus der Farbe her­aus entsteht, daß daher das Zeichnen ein Abstrahierendes ist. Von sol­chen Dingen sollte man eine gute Vorstellung, eine gute Empfindung schon in dem heranwachsenden Kinde erzeugen, weil dies sein ganzes Seelenwesen belebt und in ein richtiges Verhältnis zur Außenwelt bringt. 

Dan moet men heel goed tot zich laten doordringen dat in het simpele tekenen al een element van onwaarheid schuilt. Het meest waar is het ervaren vanuit de kleur, iets minder waar is al het ervaren vanuit het licht-donker en het minst waar is het tekenen. Het tekenen komt als zodanig al dicht bij het abstracte dat als sterfproces in de natuur aanwezig is. Wij zouden eigenlijk alleen zo moeten tekenen, dat we ons daarbij bewust worden dat we in feite het dode tekenen. We zouden met kleuren zo moeten schilderen dat we ons daarbij bewust zijn dat we uit het dode het levende te voorschijn roepen. Wat is bijvoorbeeld de horizonlijn?

Als we gewoon een potlood pakken en een horizon tekenen, dan is dat abstract, dood, onwaar vergeleken bij

de natuur die altijd twee stromingen heeft: het dode en het levende. We lichten er de ene stroming uit en beweren dat dat de natuur is. Maar wanneer ik zeg: ik zie groen en blauw die zich van elkaar scheiden, dan groeit de horizon uit het grensvlak van beide kleuren. Dan spreek ik een waarheid uit. Zo zult u er geleidelijk aan op komen dat de vorm van de natuur werkelijk ontstaat uit de kleur en dat het tekenen daarom abstract is. Van zulke dingen zou men al in het opgroeiend kind een goede voorstelling moeten opwekken, een goed gevoel voor zoiets, omdat dit zijn hele zielswezen tot leven wekt en in een juiste relatie tot de buitenwereld brengt.
GA 294/41
Vertaald/51

Hier toegepast bij het tekenen van bomen, in een plantkundeles:Christien Kordes, leerlinge in mijn klas 1975, 11 jaar. Ze overleed in 2024.
.

*GAGesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

[4]
GA 168/12f.    
GA 181/204  
GA 181/229
GA 229/28ff  

[5] Het menselijk lichaam
Uitg.Christoph Columbus Verlags AG, Clarus. 1977, blz. A14

.

Algemene menskunde: voordracht 3: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikele

.

1826-1712

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het leerplan

.

Het leerplan van de vrijeschool is in grote trekken gebaseerd op de opvattingen van Rudolf Steiner over de ontwikkeling van kinderen.
Leerstof zag hij in de eerste plaats niet als doel op zich, maar als een middel om kinderen te ondersteunen in die ontwikkeling. 
Voor sommige vakken, of aspecten van vakken gaf hij gedetailleerde aanwijzingen, maar veel is er van wat nu gangbaar is op een vrijeschool in de loop van de jaren ontstaan. 
Op grond van allerlei aanwijzingen en gezichtspunten zijn vooral vanaf de jaren 1960, maar ook al ver daarvoor, artikelen en boeken verschenen over hoe een vak gegeven zou moeten/kunnen worden, uiteraard ook over vrijeschoolzaken in het algemeen.
De serie ‘Menschenkunde und Erziehung‘ omvat vele banden met de meest uiteenlopende onderwerpen.

Hier volgen van Rudolf Steiner (algemene) uitspraken over het leerplan uit zijn pedagogische voordrachten GA 293-311.
Voor uitspraken van Steiner over de verschillende vakken en andere onderwerpen: zie  Rudolf Steiner 

De lijst is niet compleet en ik heb een voorlopige indeling gemaakt van de onderwerpen die met grote regelmaat terugkomen. Waarvan je misschien wel mag zeggen dat het de pijlers van het leerplan zijn of de rode draad die er doorheen loopt.

ONTWIKKELING

‘Ontwikkeling’ is m.i. een van de sleutelwoorden: het leerplan is afgelezen aan de ontwikkeling van het kind;
aflezen is leren waarnemen
het leerplan is hulp bij de ontwikkeling
menskunde is de bron

GA 297

( ) wir wollen innerhalb unserer Waldorfschule den Lehrstoff so be­nützen, daß er auf jeder Stufe des Unterrichts nicht zur Übermitt­lung eines äußeren Wissens dient, sondern daß er dient dem Wei­terkommen der menschlichen Entwicklung des Zöglings mit Bezug auf die Willens-, Gemüts-, und Verstandesbildung.

( ) wij willen op onze vrijeschool de leerstof zo gebruiken dat die op ieder niveau van het onderwijs niet dient om uiterlijk weten over te dragen, maar dat deze dient om met de menselijke ontwikkeling van de leerling verder te komen wat betreft de wils- gevoels- en verstandsvorming.
GA 297/19
Op deze blog //vertaald/19

Sie sehen, aus der Menschenerkenntnis der Lebensalter heraus entwickelt sich der wahre Lehrplan. Das Kind selbst sagt uns, wenn wir es wirklich beobachten können, was es in einem Lebens­alter lernen will.

Uit de kennis van de menselijke levensfasen wordt het juiste leerplan ontwikkeld. Het kind zelf geeft ons aan, als we het werkelijk kunnen waarnemen, wat het op een bepaalde leeftijd wil leren.
GA297/53
Op deze blog vertaald/53

Es handelt sich darum, daß tatsächlich nicht nur die Lehrmetho­de, sondern vor allen Dingen auch der Lehrplan, die Lehrziele ge­schöpft werden können aus einer lebensvollen Beobachtung des werdenden Menschen.

Het gaat erom dat in feite niet alleen de leermethode, maar vooral ook het leerplan, de leerdoelen ontleend kunnen worden aan een levensecht waarnemen van de wordende mens.

Ohne die Beobachtung dieser dem Menschenleben zugrundelie­genden Gesetzmäßigkeiten kann es keine wirkliche pädagogische Kunst geben.

Zonder de waarneming van de wetmatigheden die aan het leven van de mens ten grondslag liggen kan er geen werkelijk pedagogische kunst ontstaan.
GA 297/167
Op deze blog vertaald 167

Diese pädagogische Kunst will genau angepaßt sein demjenigen, was sich im Menschen heraufentwickelt. Und dem sollte auch abgelesen werden dasjenige, was wir den Lehrplan, die Lehrziele nennen. Was gelehrt und wie gelehrt wird, es soll durch­aus herausfließen aus Menschenerkenntnis.

Deze pedagogische kunst wil zich exact aanpassen aan wat in de mens tot ontwikkeling wil komen. En daaraan moet ook worden afgelezen wat wij het leerplan, de leerdoelen noemen. Menskunde moet per se de bron zijn voor wat en hoe er onderwezen wordt.
GA 297/174
Op deze blog vertaald/174

Die Geisteswissenschaft liest also aus der beobachteten Ent­wicklung des Kindes den Lehrplan ab.

De geesteswetenschap leest dus uit de waargenomen ontwikkeling van het kind het leerplan af.
GA 297/194
Op deze blog vertaald/194 

Das (alles wat besproken is met tandenwisseling) öffnet den Blick zur Betrachtung des werdenden Menschen, des Kindes: wie die Seele des Kindes sich immer mehr und mehr ausgestaltet im äußeren Leibe. Und das durchfeuert den Willen, in der pädagogisch richtigen Weise an dieses werdende Kind heranzu­gehen. Da erlangt man dann die Fähigkeit, sich zu sagen, wie das werdende Kind eigentlich steht zu dem, was ihm dargeboten werden soll.

Dit (alles wat besproken is n.a.v. de tandenwisseling) opent de blik om op de wordende mens, het kind in te gaan: hoe de ziel van het kind zich steeds meer in het zichtbare lichaam ontplooit. En dat doorgloeit de wil om op de pedagogisch juiste manier met dit wordende kind te werken. Dan ontstaat het vermogen te zeggen hoe het wordende kind zich verhoudt tot wat hem geboden moet worden.
GA 297/209
Op deze blog vertaald/209

Was für die Erziehungskunst nicht genug stark hervorgehoben werden kann, das ist, daß man ja nicht dem Unfuge folgen darf, die wissenschaftlichen Kategorien in das Schulleben hineinzubringen. Es sind ja leider schon die Schulbücher der niederen Volksschul­klassen heute vielfach so zusammengestellt, daß ihr Inhalt heraus­genommen ist in seiner Struktur, in seiner Richtung aus den wis­senschaftlichen Büchern. Aber Botanik, Zoologie und so weiter sollten dem Kinde nicht so beigebracht werden, wie wenn man glauben wollte, es sollte ein Botaniker oder Zoologe werden; son­dern gerade, weil man annimmt, es solle ganz gewiß kein Botaniker oder Zoologe werden, nicht so, daß man ihm alle Rosinen schon vorsetzt, sondern so, daß man diejenigen Anlagen verwendet, die das Kind gerade hat, denen man dann zum Durchbruch verhilft

Wat voor de opvoedkunst niet sterk genoeg benadrukt kan worden, is dat je niet de slechte gewoonte mag volgen om ‘de’ wetenschap in het schoolleven te halen. Helaas zijn de leerboeken van de lagere basisschoolklassen tegenwoordig heel vaak al zo geschreven dat de inhoud qua structuur uit wetenschappelijke literatuur is gehaald. Maar plantkunde, dierkunde enz. moeten niet zo aan een kind worden gegeven alsof het botanicus of zoöloog zou moeten worden, niet zo dat je alles wat belangrijk is voor z’n neus zet, maar zo dat je de aanleg die een kind al heeft, helpt zich te ontplooien.
GA 297/230
Op deze blog vertaald/230

Und wie­derum so, daß man nicht bei dem abstrakten Grundsätze bleibt, man solle die Individualität ausbilden, sondern man muß diese Individualität wirklich beobachten können von Woche zu Woche.

( ) lesgeven: En dan wel weer zo dat je niet stilstaat bij de abstracte beginselen dat je de individualiteit moet vormen, maar dat je de individualiteit daadwerkelijk van week tot week kan waarnemen.
GA 297/262
Op deze blog vertaald/262

GA 297a
Und aus den Untergründen der menschlichen Natur, aus dem, was sich bilden, was sich von Woche zu Woche, von Jahr zu Jahr entwickeln will, wird der Lehrplan einer solchen Schule gewonnen, wie es die Waldorfschule ist. Dieser Lehrplan ergibt sich ganz aus der Erkenntnis der Wesenheit des Menschen. Er ist kein abstrakter Lehrplan, sondern er ist etwas, was der Pädagogik dieser Schule zugrunde liegt wie das Malenkönnen dem Maler, das Bildhauen demjenigen, der als Plastiker tätig sein will.

En vanuit de diepere lagen van de menselijke natuur, uit wat van week tot week, van jaar tot jaar tot ontwikkeling wil komen, wordt het leerplan samengesteld zoals we dat op de vrijeschool hebben. Dit leerplan is in zijn totaliteit het resultaat van de kennis over het wezen mens. Het is geen abstract leerplan, maar een leerplan dat aan de pedagogie van deze school ten grondslag ligt, zoals het kunnen schilderen voor de schilder, het beeldhouwen voor wie als beeldhouwer wil werken.
GA 297a/59
Op deze blog vertaald/59

In der Erkenntnis der besonderen Anforderungen der Lebensab­schnitte liegt die Grundlage für einen sachgemäßen Lehrplan.

In het kennen van wat de specifieke levensfasen vragen, ligt de basis voor een adequaat leerplan
GA 298/13
Vertaald

Wir haben ohnedies die Sache so, daß am Vormittag der Unterricht, soweit es tunlich ist, erteilt wird, der sich an Geist und Seele wendet. An den Nachmittagsstunden ist das Eurythmisch-Künstlerische. Es ist der Unterricht bis in die Tagesstunden hinein so gelegt, daß es dem Lebens­alter, dem Wesen des Kindes entspricht

We hebben het zonder meer zo dat we ’s ochtend de lessen geven, voor zover het te doen is, die zich richten op geest en ziel. ’s Middags euritmie en kunstzinnige vakken.
Het onderwijs wordt zo over de daguren verdeeld dat het past bij de leeftijd, bij het wezen van het kind.
GA 298/141
Vertaald

Wenn man seinem Geiste die Konfiguration gibt in dieser Weise zu denken, werden bestimmte Kräfte in der Lehrerindivi­dualität in bezug auf die Entwickelung des Kindes sehend.

Wanneer je met je geest probeert in deze samenhangen [die de antroposofie laat zien] te denken, ontstaan er in de individualiteit van de leraar bepaalde krachten om de ontwikkeling van een kind te zien.
GA 301/75
 Op deze blog vertaald/75  

[ ] den Lehrplan aus der Natur des sich entwickelnden Kindes abzulesen.

( ) dat je het leerplan kan aflezen aan de natuur van het zich ontwikkelende kind.
GA 301/76
Op deze blog vertaald/76 

 Verfährt man so, daß man genau dasjenige treibt, was die Natur des Kindes will, dann kommt man an den Menschen so heran, daß man in ihm entwickeln kann, was ihm dann für das ganze Leben fruchtbar werden wird.

Ga je zo [het aanleren van de letterbeelden] te werk dat je precies doet wat de natuur van het kind verlangt, dan bereik je de mens zo, dat je in hem iets tot ontwikkeling brengt, wat voor zijn hele leven vruchtbaar kan zijn.
GA 301/81
Op deze blog vertaald/81 

Nun müssen wir uns aber klar sein darüber, daß die Tatsache, daß wir gerade die Volksschulzeit einteilen müssen in drei Epochen, uns ja die Grundlage für das Ablesen des Lehrplanes und das Ablesen der Lehrziele gibt.

Nu moeten we echter wel weten dat het feit, dat we nu juist de basisschooltijd moeten indelen in drie fasen, ons de basis geeft voor het aflezen van het leerplan en het aflezen van de leerdoelen.
GA 301/81
Op deze blog vertaald/81 

Diese drei Zeit­punkte, das 9. Lebensjahr, das 12. Lebensjahr und das 14., 15. Lebens­jahr, also dasjenige, das ungefähr den Abgang von der Schule bedeutet, sie sollten bei der ganzen Einrichtung des Lehrplanes und bei der Ge­staltung der Lehrziele eigentlich das Maßgebende sein.

Deze drie tijdstippen, het 9e, het 12e en het 14e, 15e jaar dat dan min of meer betekent dat je de school verlaat, moeten bij de totale inrichting van het leerplan en bij het stellen van de leerdoelen eigenlijk maatgevend zijn,
GA 301/121
Op deze blog vertaald/121 

Es kommt ja wahrhaftig bei der Erziehung des Menschen darauf an, daß wir die Kräfte, die in der menschlichen Wesenheit alle veranlagt liegen, wirklich alle aus dem Menschen herausholen. Wir werden uns, wenn wir in der richtigen Weise so etwas anschauen, sagen: Eigentlich müssen wir den ganzen Lehrstoff und das ganze Erziehungsleben dazu ver­wenden, um diese Kräfte, die in der menschlichen Wesenheit verborgen liegen, wirklich zur Offenbarung zu bringen. Nicht handelt es sich darum etwa, die kindlichen Kräfte dazu zu verwenden, dies oder jenes aus den Einzelheiten des Wissens aufzunehmen, sondern darum, gerade dasjenige, was wir gewissermaßen als Wissensschatz an das Kind heranbringen, so zu verwenden, daß nur durch die Wirkung dieses Wissensschatzes die Kräfte aus der kindlichen Natur herausgeholt wer­den. Das werden wir nicht tun, wenn wir nicht Rücksicht darauf neh­men, wie anders die leiblich-seelische Kindesnatur geartet ist bis zum
9. Jahre, bis zum 12. Jahre und so fort.

Bij de opvoeding van de mens komt het er werkelijk op aan dat wij alle krachten die in het mensenwezen aangelegd zijn, daadwerkelijk uit de mens tevoorschijn halen. We zullen, wanneer we dit juist bekijken, zeggen: eigenlijk zouden we de hele leerstof en al het opvoeden moeten gebruiken om deze krachten die in het mensenwezen verborgen zitten, werkelijk eruit te laten komen. Het gaat niet om zoiets als de kinderlijke krachten te gebruiken om dit of dat aan losse weetjes aan te leren, maar om wat wij als schat van kennis aan het kind aanbieden, dat zo te doen, dat alleen door de werking van die kennisschat de krachten uit de kinderlijke natuur gehaald worden.
Dat doen we niet, wanneer we geen rekening houden met hoe anders de kinderlijke natuur is wat betreft lichaam en ziel tot het 9e, tot het 12e, enz.
GA 301/121
Op deze blog vertaald/121

Man versuche nur einmal in diesem Sinne zu unterrichten, und man wird sehen, welchen Wert ein solches Unterrichten für das Gemüt des Kindes hat. Es verwandelt sich solches Erkennen durchaus in Empfin­dung. Der Mensch wird unter dem Einfluß eines solchen Erkennens nach und nach bescheiden. Der Unterrichtsstoff wird wirklich als Er­ziehungsmittel verwendet. Was nützt es denn, wenn wir immer wieder sagen, wir sollen nicht bloß trocken unterrichten, nicht bloß dem Kinde Wissensstoff beibringen, wenn wir keine Möglichkeit haben, den Wis­sensstoff so umzuwandeln, daß er unmittelbar Erziehungsmittel wird?

Der Unterrichts­stoff muß eben zum Erziehungsmittel gemacht werden.

Probeer eens op deze manier [zoals gegeven voor dierkunde] les te geven en je zult zien wat voor waarde dit heeft voor het gevoelsleven van het kind. Dit soort kennis metamorfoseert zeer zeker in invoelen. De mens wordt onder invloed van dit kennen geleidelijk aan bescheiden. De lesstof wordt inderdaad als opvoedingsstof gebruikt. Wat heeft het voor zin om iedere keer weer te zeggen dat we niet alleen maar droog les moeten geven, niet alleen stof moeten bijbrengen die het kind moet weten, wanneer we geen kans zien deze stof zo te veranderen dat het direct opvoedingsmiddel wordt?

De lesstof moet juist tot opvoedingsmiddel worden gemaakt.

GA 301/129
Op deze blog vertaald/129 

Sie werden gesehen haben, wie Geisteswissenschaft gerade darauf hinarbeitet, allen Unterrichtsstoff zu gleicher Zeit als Erziehungsmittel zu verwenden. Der Unterrichtsstoff wird seiner wissenschaftlichen Form entkleidet und so an das Kind herangebracht, daß aus diesem überall, ich möchte sagen, die auf die Entwicklung bereitenden Kräfte herausgeholt werden.

U zal hebben gezien hoe geesteswetenschap er nu juist naar toewerkt alle lesstof tegelijkertijd te gebruiken als opvoedkundig middel. De lesstof wordt ontdaan van zijn wetenschappelijke vorm en zo aan het kind aangeboden dat de krachten die op ieder gebied op ontwikkeling wachten, uit hem naar boven gehaald kunnen worden.
GA 301/152
Op deze blog vertaald/ 152 

Und so führen wir die Kinder von Stufe zu Stufe, indem wir alles aus der Natur des Kindes heraus entwickeln. Bis auf den Lehrplan hin kann tatsächlich der werdenden Natur des Kindes alles abgelesen werden, was mit ihm zu geschehen hat. Dazu gehört eben anthroposophische Men­schenkenntnis.

En zo begeleiden we de kinderen van fase naar fase, door alles vanuit de natuur van het kind te ontwikkelen. Tot aan het leerplan aan toe kan kan daadwerkelijk alles aan de wordende natuur van het kind afgelezen worden, wat er met hem gedaan moet worden. Maar, daar heb je antroposofische menskunde voor nodig.
GA 304/111
Niet vertaald

So kann man ablesen an der Menschenentwicklung aus wahrer Menschenerkenntnis heraus dasjenige, was man von Woche zu Woche, von Monat zu Monat, von Jahr zu Jahr mit dem Kinde erzieherisch und unterrichtend zu vollbringen hat. Der Lehrplan muß sein eine Kopie desjenigen, was man in der Menschenentwicklung lesen kann.

Zo kun je met een echte menskunde aan de ontwikkeling van de mens aflezen wat je van week tot week, van maand tot maand, van jaar tot jaar met het kind opvoedend en onderwijzend te doen hebt. Het leerplan moet een kopie zijn van wat je kan lezen in de ontwikkeling van de mens.
GA 308/41
Op deze blog vertaald

wordt vervolgd

Rudolf Steiner: alle artikelen

.
1823-1709

.

.

VRIJESCHOOL – Haeckel en het leerplan – samenvatting (12-8)

.

Pieter HA Witvliet

Tekst in groen van Steiner – zwart de vertaling; in blauw van mij

Haeckel?

In zijn ‘Lexicon antroposofie‘ schrijft Henk van Oort:

Biogenetische grondwet – geformuleerd door de Duitse filosoof Ernst Haeckel (1834-1919).

‘De ontwikkeling van de mens van kiemcel tot volwassenheid is een verkorte herhaling van de reeks vormen en toestanden die zijn voorgangers hebben doorlopen vanaf het allereerste begin van de schepping tot op dit moment. Anders gezegd: ‘De ontogenese is de herhaling van de fylogenese.’

Rudolf Steiner onderschrijft dit principe en hanteert deze gedachte bij het ontwerp van het leerplan van de *vrijeschool. In de achtereen­volgende leerjaren doorloopt de leerling de bewustzijnsfasen die de mensheid als geheel ook heeft doorgemaakt.’

Helaas geeft van Oort geen GA-bron waarin Steiner dit onderschrijft en waar hij deze gedachte hanteert bij het ontwerp van het leerplan. 

GA 55 voordracht 8, blz. 135/136 (vertaling) zou een bron kunnen zijn. Daarin zegt Steiner: 

Die lemurische und atlantische Epoche wiederholt der Mensch bis zum siebenten Jahre.

De Lemurische en Atlantische tijd herhaalt de mens tot zijn zevende jaar.

Lemurië en Atlantis worden door Steiner vaak ‘Epochen’ – fasen genoemd, zodat voor bovenstaande zin terecht gelezen kan worden: ‘Die fasen herhaalt de mens tot zijn zevende jaar.’

Tegelijkertijd wordt er een ontwikkelingsfase van het kind bij genoemd, de eerste van de drie die een van de belangrijkste uitgangspunten vormen voor het vrijeschoolonderwijs.

Dus lijkt het alleszins gerechtvaardigd om van Oort gelijk te geven.

Geen Haeckel

GA 55 is uit 1907. Wanneer 12 jaar later, 1919, de vrijeschool wordt opgericht en Steiner zijn 3 basiswerken voor de vrijeschoolpedagogie geeft: GA 293, 294 en 295 – de verslagen van de voordrachten in de cursus voor de eerste leerkrachten van 21 aug – 6 sept.- wordt daarin, wanneer het over het leerplan gaat, met geen woord over ‘ontwikkelingsfasen van de mensheid en het kind’ gerept. 
Sterker nog: op 31 aug. 1919 – die dag is er geen cursus – houdt Steiner 2 voordrachten: ’s middags voor de leerkrachten en ’s avonds voor de ouders*. In de middagvoordracht zegt hij:

Unsere wissenschaftliche Gesinnung ist stolz auf ihre Erfah­rungs- und Beobachtungsmethode. Und diese Erfahrungs- und Be­obachtungsmethode hat ja auf naturwissenschaftlichem Felde zu großen Triumphen geführt. Allein, im Grunde genommen haben in der Gegenwart recht viele, die gerade dem Erziehungswesen nahe­stehen, schon herausgefühlt, daß aus dieser Erfahrungs- und Beob­achtungsmethode Gesichtspunkte für das Erziehen nicht zu finden sind. Solche von einer gewissen Seite her einsichtigen Menschen haben sich gefragt: Was machen wir in den aufeinanderfolgenden Lebensepochen des Kindes, um die Entwicklungskräfte, die in die­sen aufeinanderfolgenden Lebensepochen des Kindes herauskom­men, richtig zu benützen? Man braucht nur auf einzelnes hinzu­weisen, dann wird man finden, daß solche Sehnsucht, das Kind seiner Entwicklung nach wirklich kennenzulernen, bei Pädagogen eigentlich schon da ist, daß sich aber diese Pädagogen aus der ge­genwärtigen wissenschaftlichen Gesinnung heraus solchen Fragen gegenüber gewissermaßen nicht zu helfen wissen. Da brauche ich nur darauf hinzuweisen, daß zum Beispiel schon im Jahre 1887 der Pädagoge Sallwürk auf das folgende aufmerksam gemacht hat. Er sagte sich:

‘De wetenschap is trots op haar methode van empirie en waarneming. En deze methoden hebben op natuurwetenschappelijk gebied tot grote triomfen geleid. Maar op de keeper beschouwd hebben heden ten dage nog al wat mensen die zich betrokken voelen bij de pedagogie al gemerkt dat uit deze ervarings- en waarnemingsmethoden geen gezichtspunten voor de opvoeding zijn te halen. Mensen die er op een bepaalde manier verstand van hebben, hebben zich afgevraagd: ‘Wat moeten we in de op elkaar volgende levensfasen van het kind doen om de ontwikkelingskrachten die in deze fasen manifest worden op de juiste manier te benutten?’
Je hoeft maar op een paar dingen te wijzen om te ontdekken dat zo’n verlangen om een kind in zijn ontwikkeling ook werkelijk te leren kennen, bij pedagogen wel aanwezig is, dat deze pedagogen echter met hoe de wetenschap van nu is daarvan geen antwoorden krijgen die zouden kunnen helpen.
Ik hoef er maar op te wijzen dat bijvoorbeeld al in 1887 de pedagoog Sallwürk zei:

Die Naturwissenschaft hat zum Beispiel herausgefun­den, daß in der Entwicklung der Organismen ein gewisses Gesetz herrscht, das der jüngst verstorbene Ernst Haeckel bezeichnete als das «biogenetische Grundgesetz». Nach diesem biogenetischen Grundgesetz entwickelt sich während des Embryonallebens der einzelne Mensch so, daß er die Stammesentwicklung der Tierreihe verfolgt. Während der embryonalen Entwicklung ist der Mensch in den ersten Wochen einem niederen Tier ähnlich und steigt dann hinauf, bis er sich zum Menschen entwickelt. Die individuelle Entwicklung ist eine kurze Wiederholung einer langen Entwick­lung in der Welt draußen. Nun haben sich die Pädagogen gefragt: Sie sehen, es ist das Bemühen schon da, nicht einfach darauflos zu erziehen, sondern einen Gesichtspunkt zu finden gegenüber der Entwicklung des werdenden Menschen. Da war es naheliegend, zum Beispiel zu sagen: Nun, die ganze Menschheit hat durchge­macht die Zeit der Urkultur; dann sind solche Kulturen darauf gefolgt, wie wir sie geschichtlich überliefert haben in den alten orientalischen Kulturen; dann folgte darauf das Griechentum, das Römertum, dann die Entwicklung des Mittelalters und so weiter bis in die neuere Zeit hinauf. Konnen wir für den einzelnen indi­viduellen Menschen sagen, daß er als Kind in der Kindheit die menschliche Urkultur und dann weitere Stufen der menschlichen Entwicklung wiederholt hat?

‘De natuurwetenschap heeft gevonden dat in de ontwikkeling van de organismen een zekere wetmatigheid heerst, wat de pas gestorven Ernst Haeckel genoemd heeft: ‘de biogenetische wet’. Volgens deze wet ontwikkelt de individuele mens zich gedurende zijn embryonale toestand zo, dat hij de evolutierij van de ontwikkeling der dieren volgt. Tijdens de ontwikkeling als embryo lijkt  de mens de eerste weken een lager dier  dat zich tot een mens ontwikkelt. De ontwikkeling van de enkeling is een korte herhaling van een lange ontwikkeling in de wereld. Nu vroegen die pedagogen zich af. Geldt zoiets dergelijks ook voor de ontwikkeling van het individuele kind m.b.t. de geest en de ziel. En kan de opvoedingswetenschap ergens een ondersteuning vinden in een wetmatigheid die als deze biogenetische wet wordt gekopieerd.’

Kijk, men doet moeite om er niet zomaar op los op te voeden, maar een gezichtspunt te vinden t.o.v. de ontwikkeling van de wordende mens. Dan ligt het voor de hand om bijv. te zeggen: wel heel de mensheid heeft de tijd meegemaakt vanaf de oercultuur; daarna zijn andere culturen gekomen die via de geschiedenis tot ons zijn gekomen als oriëntaalse culturen; daarop volgden dan de Grieken, de Romeinen, daarna de Middeleeuwen enzovoort, tot in de moderne tijd. Kunnen wij voor de individuele mens nu zeggen dat hij als kind de oercultuur van de mens en dan de andere fasen van de menselijke ontwikkeling herhaald heeft.

Er waren nóg een paar pedagogen die zich met bovengenoemde vragen bezighielden, maar tot de conclusie moesten komen dat de huidige wetenschap (van die tijd) geen houvast bood voor een leerstofprogramma, gebaseerd op de gedachten zoals Haeckel die formuleerde.
Steiner vervolgt:

Sie können mit Recht gegenüber solchen Bestrebungen und in der Diskussion über solche Bestrebungen sagen: Ja, sollte man sich als Erzieher nicht lieber auf den Standpunkt der gesunden Menschenempfindung stellen, statt sich von einer abstrakten Wis­senschaft her diktieren lassen zu müssen, was für die Entwicklung des werdenden Kindes nötig ist? Und Sie haben recht mit einem solchen Einwand. Denn dieser Einwand ergibt sich auch, wenn man die Sache etwas tiefer und gründlicher betrachtet. Er ergibt sich deshalb, weil in der Tat, wenn man nichts hat als diejenige Wissenschaft, die auf den Methoden des gegenwärtigen Natur-erkennens aufgebaut ist, aus den Abstraktionen, die man durch sie gewinnt, nichts für die Entwicklung des Menschengeistes und der Menschenseele gewinnen kann. Man strebt vergeblich, wenn man nach so etwas strebt. 

U kunt met recht over die pogingen en ook over de discussie over zulke pogingen zeggen: moet je je als opvoeder niet liever op het standpunt stellen van op een gezonde manier de mens aanvoelen, in plaats van zich door een abstracte wetenschap te laten voorschrijven wat er voor de ontwikkeling van een opgroeiend kind nodig is? En met zo’n tegenwerping hebt u gelijk. Want dit bezwaar komt ook naar voren wanneer je de zaak wat dieper en grondiger beschouwt. Dit bezwaar ontstaat doordat men inderdaad niets heeft dan de wetenschap die op de methoden om de huidige natuur te kennen stoelt; niets dan de abstracties die men er uithaalt, en zo niets voor de ontwikkeling van de menselijke geest en de menselijke ziel krijgt. Je streeft er tevergeefs naar, wanneer je zoiets wil bereiken.

Dus: Kunnen wij voor de individuele mens nu zeggen dat hij als kind de oercultuur van de mens en dan de andere fasen van de menselijke ontwikkeling herhaald heeft:
Je streeft er tevergeefs naar, wanneer je zoiets wil bereiken.

Und gerade hier zeigt sich die Notwendigkeit, eine neue Menschenkunde aufzubauen als Grund­lage für eine wirkliche Erziehungskunst der Zukunft. Die landläu­fige Wissenschaft hat gar nicht die Untergründe für eine solche Menschenkunde. Sie müssen gewonnen werden durch die Erkennt­nis des Menschengeistes und auch des Werdens des Menschengeistes innerhalb der Menschheitsgeschichte. Man muß viel weitere Gesichtspunkte haben, als die gegenwärtig auf Naturwissenschaft hin orientierte Wissenschaft hat.

En met name hier zie je de noodzaak om een nieuwe menskunde te ontwikkelen als basis voor een reële opvoedkunst van de toekomst. De huidige wetenschap heeft voor zo’n menskunde de basis niet. Die moet verkregen worden door de kennis van de menselijke geest en de menselijke ziel en over de wording van de menselijke geest binnen de geschiedenis van de mensheid. Je zult veel ruimere gezichtspunten moeten hebben dan de wetenschap van nu, die zich op de natuurwetenschap oriënteert.

Van Haeckel is zeer zeker te zeggen: ‘de wetenschap van nu, die zich op de natuurwetenschap oriënteert’. Die wetenschap heeft de basis niet voor de menskunde die Steiner op het oog heeft en waarbij het gaat omde wording van de menselijke geest binnen de geschiedenis van de mensheid.

Deze wording is, concluderend vanuit het bovenstaande’ dus niet: ‘heel de mensheid heeft de tijd meegemaakt vanaf de oercultuur; daarna zijn andere culturen gekomen die via de geschiedenis tot ons zijn gekomen als oriëntaalse culturen; daarop volgden dan de Grieken, de Romeinen, daarna de Middeleeuwen enzovoort, tot in de moderne tijd.’

Wanneer Steiner in deze voordracht klaar is met zijn opmerkingen hierover, gaat hij verder met – en dat is m.i. niet toevallig – het beschrijven van de ontwikkelingsfasen van het kind, zonder terug te vallen op ontwikkelingsfasen van de mensheid.

Dat echter, is in tegenspraak met wat hij 12 jaar geleden heeft gezegd, wanneer hij het kind van 0 – 7 de Lemurische en Atlantische fase laat herhalen.
Zonder te weten wat hij in GA 297 heeft gezegd, ligt het voor de hand je af te vragen hoe het dan met de na-Atlantische fasen zit. Wie zich verdiept heeft in Steiners opvattingen over de wording van de mensheid, is ze tegengekomen: de Oer-Indische, Oer-Perzische, Egyptisch-Babylonische, Grieks-Romeinse en de nieuwere tijd na 15oo, het zgn., 5e na-Atlantische cultuurtijdperk waarin we ons nu zouden bevinden. 

Nog geen jaar later vinden we een antwoord in GA 301, 4e vdr. van 23 april 1920:

Es ist gefragt worden, wie sich die Entwickelung des Kindes, so wie ich sie versucht habe wenigstens zunächst zu skizzieren, wie sich diese Entwickelung des Kindes bis zum 7. Jahre, dann bis zum 14., 15. Jahre verhält zu dem, was sich etwa für die Entwickelung ergibt aus dem biogenetischen Grundgesetz Ernst Haeckels heraus.
Sie wissen ja, dieses biogenetische Grundgesetz besagt für die äußere naturwissenschaftliche Betrachtung der Welt, daß sich, wenn wir beim Menschen bleiben, in der menschlichen Embryonalentwickelung die Stammesentwickelung wiederholt, daß gewissermaßen die Ontogenie

De vraag was, hoe de ontwikkeling van een kind, zoals ik die min of meer wat geprobeerd heb te schetsen, de ontwikkeling van het kind tot het 7e jaar, daarna tot het 14e, 15e jaar te vergelijken is met de ontwikkeling zoals die uit Haeckels* biogenetische grondwet volgt.
U weet dat deze biogenetische grondwet beweert voor de uiterlijke natuurwetenschappelijke opvatting van de wereld, dat wanneer we bij de mens blijven, zich in de ontwikkeling van het embryo van de mens, de ontwikkeling van de stam herhaalt, dat in zekere zin de ontogenese

eine Wiederholung der Phylogenie ist. Der Mensch ist in der Zeit von der Konzeption bis zu der Geburt nach und nach in einer solchen Ent­wickelung, daß er die verschiedenen Tierformen, von den einfacheren bis zu den komplizierteren, bis herauf zum Menschen eben durchmacht. Dieses für die naturwissenschaftliche Weltanschauung außerordentlich bedeutungsvolle Gesetz – ich kenne sehr gut seine Ausnahmen, seine Grenzen – aber gerade derjenige, der das kennt, muß es ein sehr be­deutungsvolles naturwissenschaftliches Gesetz nennen -, das hat man versucht, auch auf die geistig-seelische Entwickelung des einzelnen Menschen im Verhältnis zur ganzen Menschheit geltend zu machen. Man ist dadurch auf eine ganz falsche Fährte gekommen.

een herhaling van de fylogenese is. De mens is in de tijd vanaf de conceptie tot aan de geboorte na elkaar in zo’n ontwikkeling dat hij de verschillende diervormen, van de meest eenvoudige tot de gecompliceerdere, tot aan de mens doormaakt. Deze voor de natuurwetenschappelijke wereldbeschouwing buitengewoon belangrijke wet – ik ken de de uitzonderingen en de grenzen ervan – en juist degene die dat weet moet het een zeer belangrijke natuurwetenschappelijke wet noemen – heeft men geprobeerd ook te laten gelden voor de ontwikkeling van geest en ziel van de individuele mens t.o.v. de hele mensheid.
Men is daardoor in verkeerd vaarwater terechtgekomen.

Dus: ‘Is de ontwikkeling van een kind, zoals ik die min of meer wat geprobeerd heb te schetsen, de ontwikkeling van het kind tot het 7e jaar, daarna tot het 14e, 15e jaar te vergelijken met de ontwikkeling zoals die uit Haeckels biogenetische grondwet volgt.’
En: ‘men heeft geprobeerd [de wet van Haeckel] ook te laten gelden voor de ontwikkeling van geest en ziel van de individuele mens t.o.v. de hele mensheid.’
Antwoord
:

Men is daardoor in verkeerd vaarwater terechtgekomen

Steiner bevestigt de wet van Haeckel voor de lichamelijke ontwikkeling van de mens van kiemcel tot geboorte!
(En niet, zoals van Oort beweert, van kiemcel tot volwassenheid!)

Wodurch würde man einen Parallelismus finden können zwischen der seelisch-geistigen Entwickelung des Menschen und zwischen diesem biogenetischen Grundgesetz? Doch nur dann, wenn man sagen könnte:
das kleine Kind, wenn es seinen irdischen Lebenslauf beginnt, macht gewissermaßen Urzustände des Menschengeschlechts durch. Wächst es heran, so macht es Zustände späterer Entwickelungsepochen der Menschheit durch und so weiter. Es wiederholt die kindliche Ent­wickelung die Entwickelung des ganzen Menschengeschlechtes.

Waardoor zou je een parallel kunnen trekken tussen de ontwikkeling van de menselijke ziel en geest en tussen deze biogenetische wet? Toch alleen dan, wanneer je zou kunnen zeggen:
Het kleine kind, wanneer het zijn aardse levensloop begint, maakt dus oertoestanden van het mensengeslacht door. Wordt het groter, dan maakt het toestanden door van latere ontwikkelingsfasen van de mensheid enz. De ontwikkeling van het kind herhaalt de ontwikkeling van heel het geslacht mens.

So etwas kann man als ein Phantasiegebilde aufstellen, aber es entspricht dies keiner Wirklichkeit; und erst Geisteswissenschaft ist in der Lage, auf diesem Gebiete sich der Wirklichkeit zu nähern. Wenn man den mensch­lichen Embryo verfolgt von der ersten, zweiten, dritten Woche – so­weit man es heute schon kann, bis zu seinem Reifwerden -, so sieht man da die Andeutungen der aufeinanderfolgenden, immer vollkom­mener werdenden Formen, die Fischgestalt und so weiter. Wenn man dagegen im Kinde die ersten Entwickelungsjahre beobachtet, so sieht man nichts von einer Wiederholung von irgendwelchen Urzuständen der Menschheitsentwickelung, oder im weiteren Fortgang, von folgen­den Epochen der Menschheitsentwickelung.

Zoiets kun je als een fantasieproduct formuleren, maar het is niet in overeenstemming met de werkelijkheid; pas de geesteswetenschap is in staat op dit gebied de werkelijkheid te benaderen. Wanneer je het menselijk embryo volgt vanaf de eerste, tweede, derde week – voor zover men dit tegenwoordig [1920] al kan, tot het helemaal volgroeid is – dan zie je daar de aanduidingen van de op elkaar volgende, steeds volmaakter wordende vormen, vissengestalte enz. Wanneer je daarentegen bij het kind de eerste jaren van zijn ontwikkeling waarneemt, zie je niets van een herhaling van een of andere oertoestand van de mensheidsontwikkeling.

Da müßte man in die kindliche Entwickelung Kräfte und Vorgänge hineinträumen, wenn man so etwas finden wollte. Es war ein schöner Traum, als Leute, wie der Pädagoge Wolf oder andere geltend gemacht haben, Kinder ma­chen gewissermaßen die Zeiten der wilden Barbarenzeit durch, dann gibt es gewisse Knabenzeiten, wo man die persische Kulturzeit durch-macht und so weiter. Schöne poetische Bilder können dabei heraus­kommen, aber Unsinn bleibt es, denn es entspricht eine solche Schil­derung durchaus nicht einer wahren Wirklichkeit! 

Dan moet je wat met krachten en processen voor je uit zitten te dromen, wanneer je zoiets wilt vinden. Het was een mooie droom, toen mensen, zoals de pedagoog Wolf en anderen, opperden dat kinderen op een bepaalde manier de tijd van de wilde barbaren doormaken en dan bij de jongens een bepaalde tijd waarin ze de Perzische cultuur doormaken, enz. Mooie, dichterlijke beelden kunnen ontstaan, maar het blijft onzin, want tegenover zo’n schildering staat zeker geen echte werkelijkheid!

Steiner wijst de idee van die herhaling dus nogal krachtig af
Zoiets kun je als een fantasieproduct formuleren; voor je uit zitten dromen; is een mooie droom; Mooie, dichterlijke beelden, maar het blijft onzin.

Als de wet van Haeckel dan volgens Steiner niet kan gelden voor de lichamelijke ontwikkeling vanaf de geboorte, dan toch wellicht voor de mentaal-psychische ontwikkeling. Herhaalt het kind of de mens dan in geestelijk-cultureel opzicht de ‘fasen van de mensheidsontwikkeling’. 
Steiner komt nu inderdaad met ‘zijn’ ontwikkelingsfasen: Oer-Indisch enz. Maar om die vraag te kunnen beantwoorden:

Da muß man schon in der Lage sein, das menschliche Leben in seiner vollen Realität zu schauen, wenn man das Entsprechende im Geistig-Seelischen für das biogenetische Grundgesetz finden will. Und da zeigt sich der Geistes­wissenschaft, daß man nicht an den Anfang des Lebens sehen darf, sondern an das Ende des Lebens blicken muß. 

Je moet in staat zijn om het menselijk leven in zijn volle werkelijkheid te overzien, wil je de voor de biogenetische grondwet een daartegenover passende component voor geest en ziel vinden. En dan laat de geesteswetenschap zien dat je niet mag kijken naar het begin van het leven, maar dat je naar het einde moet kijken. 

So wie sich in bezug auf äußerliche Körperlichkeit im Embryonalleben Rudimente der Stammesentwicke­lung zeigen, so zeigen sich merkwürdige innere Erlebnisse, die der Mensch hat nach dem 35., 40., 45. Jahre, ( )

Net zoals met betrekking tot de zichtbare lichamelijkheid in het embryo rudimenten zijn te zien van een evolutionaire ontwikkeling, zo vertonen zich opmerkelijke innerlijke belevingen die de mens heeft na het 35e, 40e, 45e jaar ( )
Was er nog enige twijfel of Haeckel dan misschien toepasbaar is op een mentaal-psychisch of geestelijk cultuur niveau, of er sprake kan zijn van een mentaal-psychische of geestelijk culturele recapitulatie, dan neemt zijn opmerking die volledig weg: 

Während für das Physische im biogenetischen Grund­gesetz der Anfang des Lebens als Wiederholung erscheint dessen, was in der Stammesentwickelung durchgemacht wurde, wachsen wir gerade heute hinein in das, was die Urmenschheit durchgemacht hat, indem wir die Rudimente im Alter betrachten.

Terwijl wat het fysieke betreft in de biogenetische grondwet het begin van het leven als een herhaling verschijnt van wat in de evolutieontwikkeling doorgemaakt werd, komen wij terecht in wat de oermensheid doormaakte als we de resten daarvan beschouwen als we op leeftijd zijn.

Dus a.h.w. een ‘omgekeerde recapitulatie.

Hij zet het zelfs nog in een schema:

So daß wir sagen können:
1.    Kulturstufe: wirkliche Erlebnisse bis über das 48. Jahr
2.    Kulturstufe: wirkliche Erlebnisse bis über das 42. Jahr
3.    Kulturstufe: wirkliche Erlebnisse bis über das 35. Jahr
4.    Kulturstufe: wirkliche Erlebnisse vom 28. bis zum 35. Jahr.

Zodat we kunnen zeggen:

1e cultuurfase: werkelijke belevingen tot boven het 48e jaar
2e                  —                   —                                              42e
3e                  —                   —                                              35e
4e                  —                   —               vanaf het 28e tot 35e

We mogen m.i. wel de conclusie trekken, willen we iets zinvols over de achtergronden van het leerplan zeggen, we dan de wet van Haeckel buiten beschouwing moeten laten.

Bewustzijnsverandering – bewustzijnsontwikkeling

Wanneer Steiner over de wording van de mensheid spreekt, over evolutie, over de ontwikkeling van de wereldgeschiedenis, zal hij vrijwel altijd spreken over ontwikkeling van het bewustzijn. Dat deze ontwikkeling gekenmerkt wordt door veranderingen in de geestesgesteldheid van de mens of van mensengroepen. 

En hoe vaak horen we niet dat de mensen ‘er anders over zijn gaan denken’. Je zou, als je wat eenzijdig wil karakteriseren, kunnen zeggen dat de geschiedenis een aaneenschakeling is van veranderende opvattingen, meningen, gezichtspunten. En die geschiedenis is ver weg, maar ook heel dichtbij. Hoeveel standpunten hebben zich de laatste tientallen jaren niet gewijzigd – als publieke opinie. Hoeveel mondiger is de mens niet geworden; hoeveel zelfstandiger. 

Interessant genoeg kun je je dit ook afvragen voor jezelf. Als je terugkijkt op je jeugd: hoeveel mondiger ben je niet geworden, hoeveel zelfstandiger; hoeveel meningen die je had, heb je bijgesteld. Kortom, ook wij zijn voortdurend in  bewustzijnsontwikkeling. 

En bij sommige denkers is de vraag gerezen of de (bewustzijns)ontwikkeling van de mens parallellen vertoont met de (bewustzijns)ontwikkeling van de mensheid.

Nu is ‘mensheid’ in dezen een veel te abstract begrip. Wie of wat bedoel je precies. Kun je in dit opzicht wel spreken van ‘de’ mensheid. Is dat alleen de ‘beschaafde’ mensheid en wat moeten we dan verstaan onder ‘beschaafd’. Hoort de stam waarvan hier sprake is: ‘In november 2018 werd een Amerikaanse missionaris gedood door leden van de geïsoleerde stam. [*],  er niet bij of.. en wie bepaalt dat. Opmerkelijk is (niet) dat de leden van deze (en andere) stammen een totaal ander bewustzijn van ‘de dingen’ hebben dan wij. 

Maar hebben kinderen dat ook niet? Met hoeveel vanzelfsprekendheid nemen ze de (sprookjes)beelden in zich op; toveren ze het vloerkleed om tot zee en waarschuwen je in hun spel er niet op te stappen omdat je anders verdrinkt. Hoeveel voorbeelden kunnen we niet geven uit onze jeugd van onze ‘goedgelovigheid’. 
Is het primitieve van ons, te vergelijken met het primitieve van mensen die nu leven en als mensen tot ‘de’ mensheid behoren. 

Wat het leerplan van de vrijeschool betreft, zou je enigszins voorzichtig kunnen stellen, dat met de schoolrijpheid bij het kind de behoefte ontstaat zich met de psychisch-mentale stroom, die de mensheid door de eeuwen en de millennia verder heeft gebracht, te verbinden. Het bewustzijn van de mens heeft zich trapsgewijs ontwikkeld en is veranderd, waarbij niet alleen maar nieuwe inzichten werden gewonnen, maar ook oude vermogens verloren gingen.
Ook de verschillende stappen in de ontwikkeling van kind naar volwassene zijn bewustzijnsstappen.

Daaruit komen verscheidene behoeften voort op mentaal-psychisch vlak en mogelijkheden tot begrijpen, waaraan het leerplan van een vrijeschool tegemoet probeert te komen. [vertelstof 4]

Wanneer over bovengenoemde aspecten wordt geschreven en er worden voorbeelden gegeven, is het niet verwonderlijk dat dit meestal voorbeelden zijn uit de vertelstof en of de geschiedenisleerstof van de vrijeschooljaarklassen. Daarin kan met niet al te veel moeite een geestesgesteldheid van de mensen ‘toen’ worden afgelezen. Dat zou m.i. ook kunnen met de ontwikkeling van o.a. beeldhouw- en schilderkunst, met muziek – de liederen van Hildegard von Bingen klinken toch heel anders dan de muziek van Schönberg – en er zijn studies naar bijv. de grottekeningen zoals die o.a. bij Lascaux zijn gevonden en hun samenhang met hoe kinderen in hun eerste jaren tekenen. 

In genoemde GA 55 zegt Steiner:
Vom Zahnwechsel bis zur Geschlechtsreife wird die Ent­wicklungsepoche wiederholt, in der große geistige Lehrer in der Menschheit auftraten. Die letzten von diesen waren Buddha, Plato, Pythagoras, Hermes, Moses, Zarathustra und so weiter. Damals wirkte die geistige Welt noch mehr in die Menschheit hinein. In den Heroensagen wird uns dies bewahrt. Jener Geist der alten Kulturepochen muß daher dem Schulunterricht in diesen Jahren zugrunde liegen.

Vanaf de tandenwisseling tot aan de puberteit wordt de ontwikkelingsfase herhaald waarin de grote geestelijke leiders van de mensheid werkzaam waren. De laatsten van hen waren Boeddha, Plato, Pythagoras, Hermes, Moses, Zarathustra enz. Toen werkte de geestelijke wereld nog meer op de mensheid in. In de heldensagen is dit voor ons bewaard gebleven. Deze geestesgesteldheid van de oude cultuurperioden moet daarom aan het schoolonderwijs in deze jaren ten grondslag liggen.

In sprookjes en mythen vinden we een bepaalde ‘geestesgesteldheid’ die je ook aantreft op een bepaalde leeftijd van het kind, op een bepaalde manier. En zo vind je ook in de verschillende leeftijden ‘geestesgesteldheid’ bij de kinderen die het hun mogelijk maakt bovengenoemde ‘geestelijke leiders’ te begrijpen of er een bepaalde belangstelling voor te hebben, een bepaalde affiniteit, gevoeligheid voor die periode waarin ze leven.
Aan de opsomming kun je wel aflezen dat ook hier geen chronologische volgorde wordt gegeven, dat de namen niet verbonden kunnen worden aan opeenvolgende na-Atlantische cultuurperioden.

Sommige aspecten in de belevingswereld van een kind hebben soms iets weg van wat er ooit in de mensheidsontwikkeling plaatsvond.

Het gevaar van ‘fasen’

Dat is per se niet hetzelfde als ‘het kind herhaalt fasen,’ als we fase vastleggen onder een naam die Steiner aan de na-Atlantische culturen gaf of aan geschiedkundige perioden zoals de bloeitijd van Griekenland of de Middeleeuwen. Kortom: waarbij we jaartallen kunnen geven. 
Als we ‘fase’ gebruiken in de zin van ‘een tijd (zonder jaartallen) van voorbijgaande aard’, kan het wel, vooropgesteld dat we vooral letten op de affiniteit die een kind heeft voor een bepaalde culturele erfenis of culturele verworvenheid. Ik raad het gebruik echter af omdat het te snel leidt tot concrete, vastgelegde chronologische tijden.

Wat het leerplan vooral is:

Het leerplan van de vrijeschool is een neerslag van de leerstof, waarvan Steiner ook zei dat deze een hulpmiddel is om de ontwikkeling van het kind te ondersteunen, niet in de eerste plaats een doel op zich:

Der Unterrichtsstoff wird wirklich als Er­ziehungsmittel verwendet. Was nützt es denn, wenn wir immer wieder sagen, wir sollen nicht bloß trocken unterrichten, nicht bloß dem Kinde Wissensstoff beibringen, wenn wir keine Möglichkeit haben, den Wis­sensstoff so umzuwandeln, daß er unmittelbar Erziehungsmittel wird?

De lesstof wordt inderdaad als opvoedingsstof gebruikt. Wat heeft het voor zin om iedere keer weer te zeggen dat we niet alleen maar droog les moeten geven, niet alleen stof moeten bijbrengen die het kind moet weten, wanneer we geen kans zien deze stof zo te veranderen dat het direct opvoedingsmiddel wordt?

Der Unterrichts­stoff muß eben zum Erziehungsmittel gemacht werden.

De lesstof moet juist tot opvoedingsmiddel worden gemaakt.
GA 301/129
Vertaald op deze blog

Sie werden gesehen haben, wie Geisteswissenschaft gerade darauf hinarbeitet, allen Unterrichtsstoff zu gleicher Zeit als Erziehungsmittel zu verwenden. Der Unterrichtsstoff wird seiner wissenschaftlichen Form entkleidet und so an das Kind herangebracht, daß aus diesem überall, ich möchte sagen, die auf die Entwicklung bereitenden Kräfte herausgeholt werden.

U zal hebben gezien hoe geesteswetenschap er nu juist naar toewerkt alle lesstof tegelijkertijd te gebruiken als opvoedkundig middel. De lesstof wordt ontdaan van zijn wetenschappelijke vorm en zo aan het kind aangeboden dat de krachten die op ieder gebied op ontwikkeling wachten, uit hem naar boven gehaald kunnen worden.
GA 301/152
Vertaald op deze blog
.

Door bovengenoemde affiniteiten, ‘gevoelige perioden’ is het soms zinvol om het kind een culterele verworvenheid op een soort gelijke manier te laten verwerven als de manier waarop deze gemeengoed is geworden. 
Voor de gezonde ontwikkeling van de fantasie, voor de op de toekomst gerichte wilskrachten vond Steiner het belangrijk kinderen beeldend en fantasievol les te geven om o.a. ook een verbinding te leggen tot de abstracte wereld van bijv. de letters. Met de kale letter heeft het kind geen relatie, wel met het beeld waaruit de letter ontstaat. In de cultuurgeschiedenis van de mensheid vinden we in Fenicië en Egypte hoe de letters ook uit beelden abstracter worden. Kennelijk was het daar een ‘natuurlijke’ gang van zaken: van beeld naar abstractie. Ook voor een kind van zeven blijkt het een ‘natuurlijke’ gang van zaken te zijn waar het plezier aan beleeft en waarbij het met vreugde leert, menskundig is dat: i.p.v. de doodse intellectualiteit, het gebied van de zenuwen, nu het gebied van de bloedskrachten, de levensbrengende krachten of m.a.w.: i.p.v. stenen eerst het brood; eerst het vuur, dan de sintels.

Deze Fenicische of Egyptische gang van zaken op een soortgelijke manier met kinderen doen, is NIET het hetzelfde als ‘de kinderen herhalen de Fenicisch-Egyptische fase.’
Een vastpinnen op een fase is veel te deterministisch. Roept – zie boven – de jaartallen op en eist dan een chronologisch vervolg. Maar dat is er niet. Want in dezelfde klas waarin het kind op een ‘soort (Egyptische) cultuurhistorische manier’ de letters leert, leert het ook rekenen, maar niet op Fenicische of Egyptische manier. Iets ‘Egyptisch’ kan er tevoorschijn komen in het leren rekenen met breuken in klas 4. [De geesteswetenschap leest dus uit de waargenomen ontwikkeling van het kind het leerplan af. [Haeckel en het leerplan 6]
.

Het is niet mogelijk zonder grote gekunsteldheid voor alle vakken die op de vrijeschool de leerstof vormen, neergelegd in het leerplan, te stellen dat dit is opgebouwd n.a.v. door kinderen te herhalen ontwikkelingsfasen van de mensheid.

*voordracht van 31 aug. 1919 vertaald in ‘Vrijheid van onderwijs en sociale driegeleding’ uitg. Nearchus.
.
Over Haeckel en het leerplan:
Menskunde en pedagogie     onder nr. 12
.
Rudolf Steiner over: schrijven en lezen  over historische letterbeelden onder nr.2

.

1822-1708

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 306 – beantwoording van vragen (3)

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com
.

GA 306: vertaling
Inhoudsopgave   voordracht [1]  [2]  [3]  [4]  [5]  [6]  [7]+ [8]
Vragenbeantwoording 1  vragenbeantwoording 2
inleidende woorden bij een euritmie-opvoering

+vertaald bij Pentagon   

RUDOLF STEINER

DE PRAKTIJK VAN DE PEDAGOGIE BEZIEN VANUIT GEESTESWETENSCHAPPELIJKE MENSKUNDE

Acht voordrachten, gehouden in Dornach van 15 tot 22 april 1923, met drie vragenbeantwoordingen en inleidende woorden bij een euritmie-opvoering
[1]

Inhoudsopgave: (ontbreekt in de boekuitgave)

Vragenbeantwoording 22 april 1923, bij de 8e voordracht

Blz. 186: Kunnen er ook in andere landen vrijescholen bestaan? Ja! De vrijeschool is pure pedagogie. 
De inhoudsopgave van blz. 186-191 is hier te vinden.
Blz. 191 e.v.: aat over de herbouw van het Goetheanum en het opzrichten van een vereniging voor vrijjescholen in Zwitserland
Blz. 191/192: grote onvrijheid in Rusland
Blz. 192  e.v.: kritiek op de antroposofie, onwaarheden, de laksheid waarmee ze verdedigd worden; 

blz. 186

FRAGENBEANTWORTUNG, Dornach, 19.April 1923

Frage: Kann man die Waldorfschul-Praxis auch in anderen Ländern ein­führen ; zum Beispiel in der Tschechoslowakei ?

Im Prinzip ist es möglich, die Waldorfschul-Pädagogik überall ein­zuführen, denn sie ist reine Pädagogik, bloße Pädagogik. Das We­sentliche der Waldorfschul-Pädagogik im Unterschied von vielen anderen pädagogischen Strömungen, die heute bestehen, ist ja das, daß eben die WaldorfschulPädagogik rein pädagogisch ist. Nicht wahr, heute gibt es ja Menschen die sagen: Wenn man einen Menschen or­dentlich erziehen und unterrichten will, muß man ihn in ein Lander­ziehungsheim tun; in der Stadt geht es nicht. Ein anderer fordert diese äußeren Bedingungen, der andere jene. Der eine sagt: das In­ternat ist das richtige für die Erziehung, der andere sagt: die Fami­lienerziehung ist die richtige. All diese Dinge fallen in der Waldorfschul-Pädagogik
.

VRAGENBEANTWOORDING, Dornach 22 april 1923 (n.a.v. de 8e voordracht)

Kunnen er ook in andere landen vrijescholen bestaan?

In principe is het mogelijk om overal met de vrijeschoolpedagogie te beginnen, want die is pure pedagogie, alleen pedagogie. Het wezenlijke van de vrijeschool in vergelijking met veel andere pedagogische stromingen die er nu bestaan is, dat de vrijeschool geheel pedagogisch is.
Tegenwoordig zijn er mensen die zeggen: wanneer je een mens naar behoren opvoeden en les wil geven, moet je hem naar een internaat sturen; in de stad gaat het niet. De een stelt deze uiterlijke voorwaarden, de ander weer andere. De een zegt: het internaat is het juiste voor de opvoeding, de andere zegt: opvoeding in het gezin is het beste. Al deze gezichtspunten vallen bij de vrijeschoolpedagogie weg.

weg. Ich will jetzt gar nicht streiten gegen diese Dinge, sie mögen von dem einen oder anderen Gesichtspunkte aus ihre Berechtigung haben. Aber die Waldorfschul-Pädagogik ist eben reine Pädagogik und kann sich allen äußeren Verhältnissen anpassen, sei es städtische Schule, Landschule oder was auch. Sie ist eben nicht auf besondere Verhältnisse zugeschnitten, sondern sie will nur den heranwachsenden Menschen als solchen ins Auge fassen. Also: die Waldorf-Pädagogik könnte in jede Schule eingeführt werden. Etwas anderes ist es aber, ob man sie hereinläßt, ob die anderen einverstan­den sind, die in diesen Schulen die Aufsicht haben oder diese Schulen einrichten oder sie mit Lehrplänen versehen oder dergleichen. Die Waldorfschul-Pädagogik kann morgen in der ganzen Welt in alle Schulen eingeführt werden, aber ob man sie hereinläßt, das ist die Frage. Die ist vom Gesichtspunkte des einzelnen Territoriums aus zu beantworten. – Das ist das einzige, was man darüber sagen kann.

Ik wil mij nu niet verzetten tegen deze dingen, ze kunnen vanuit het ene of het andere gezichtspunt gerechtvaardigd zijn. Maar de vrijeschoolpedagogie is alleen maar pedagogie en kan zich aan alle uiterlijke omstantandigheden aanpassen, of het nu scholen in de stad zijn of op het platteland of waar dan ook. Die hoeft niet geschikt gemaakt te worden voor bijzondere omstandigheden, ze wil alleen maar oog hebben voor de zich ontwikkelende mens als zodanig. Dus: de vrijeschoolpedagogie kan in elke school ingevoerd worden. Iets anders is echter of men ze binnen laat, of de anderen het er mee eens zijn die deze scholen leiden of deze scholen inrichten of ze van leerplannen voorzien e.d. De vrijeschoolpedagogie kan morgen over de hele wereld in alle scholen ingevoerd worden, maar of men ze binnen laat, is de vraag. Die moet beantwoord worden vanuit het gezichtspunt van de afzonderlijke gebieden. Dat is het enige wat je daarover kan zeggen.

De volgende vragen, over spraakkunst en euritmie, zijn hier te vinden – blz. 186 – 191

blz. 191

Es war bei den Teilnehmern der Wunsch entstanden, einen Schulverein zu gründen, mit dem Ziel, in der Schweiz eine Waldorfschule aufzubauen. Es stellte sich aber auch die Frage, was wichtiger sei, das Goetheanum wieder aufzubauen oder eine Schule zu errichten. Beides zugleich zu tun, schien nicht möglich. Dr. Steiner wurde gebeten, sich über den Wiederauf­bau des Goetheanums zu äußern.

Bij de deelnemers was de wens ontstaan om een schoolvereniging op te richten, met het doel om in Zwitserland een vrijeschool te stichten. Maar ook werd de vraag gesteld wat belangrijker is: de wederopbouw van het Goetheanum of het stichten van een school. Allebei leek niet haalbaar. Dr.Steiner werd gevraagd iets te zeggen over de herbouw van het Goetheanum.

Ja, daß das Goetheanum wieder aufgebaut werde, das ist ja wohl für die weiteren Kreise, nicht bloß für die schweizerischen, sondern für die weiteren Kreise der anthroposophischen Bekenner in der Welt eine Art Selbstverständlichkeit. Das Goetheanum wurde im Laufe der Jahre, in denen es gestanden hat, nach und nach als etwas ange­sehen, was schon als ein Mittelpunkt der ganzen anthroposophischen Bewegung da sein sollte. Und es wird kaum ein Zweifel bestehen bei der weitaus größten Anzahl der Anthroposophen in der Welt, daß das Goetheanum wieder aufgebaut werden muß. Die Hindernisse für den Aufbau des Goetheanums könnte es ja eigentlich nur geben bei den schweizerischen Machthabern. Andere Hindernisse kann es ja nicht geben. 

Ja, dat het Goetheanum opgebouwd wordt, dat is voor de grotere kringen, niet alleen maar voor de Zwtserse, maar voor meerdere kringen van aanhangers van de antroposofie in de wereld, vanzelfsprekend. Het Goetheanum werd in de loop van de jaren waarin het overeind stond, geleidelijk beschouwd als iets wat toch het middelpunt van de hele antroposofische beweging zou moeten zijn. En er bestaat nauwelijks twijfel bij verreweg het grootste aantal antroposofen in de wereld, dat het Goetheanum weer moet worden opgebouwd. De problemen voor de opbouw kunnen eigenlijk alleen maar komen van de Zwitsere overheid. Andere problemen kunnen er niet zijn.

Wenn eben die schweizerischen Machthaber der verschieden­sten Art es nicht unmöglich machen, daß das Goetheanum aufgebaut werde, so wird es ganz gewiß aufgebaut.
Auf der anderen Seite hat sich ja auch schon, während das Goethe­anum bestanden hat, die Notwendigkeit herausgestellt, wenigstens eine kleine Fortbildungsschule hier zu errichten. Denn eigentlich ist es für alle Dinge, welche die Anthroposophie in Angriff nimmt, wel­che aus den Impulsen der Anthroposophie folgen, immer notwendig, daß sie auch vertreten werden, daß sie dann ins Praktische hinübergeführt werden. Sie wissen ja, daß sich auch mancherlei andere Be­strebungen aus der anthroposophischen Arbeit heraus ergeben haben, zum Beispiel die medizinischen. Ich will das nur zur Erläuterung sa­gen. Da mußte ich auch sagen: Wenn man überhaupt daran denkt, Medizinisches zu treiben auf Grundlage der anthroposophischen For­schungen, so ist es notwendig, daß die Persönlichkeiten, welche sich

Maar als de Zwitserse overheden het niet onmogelijk maken, dan wordt het zeer zeker herbouwd.
Aan de andere kant, toen het Goetheanum nog bestond, bleek ook al de noodzaak om hier een kleine opleidingsschool* te stichten*. Want eigenlijk is boven alles wat de antroposofie belaagt, wat door de impulsen van de antroposofie komt, steeds noodzakelijk, deze te verdedigen en dat dit naar het praktische leidt.
U weet dat er ook veel initiatieven uit het antroposofische werk ontstaan zijn, bijv. op medisch gebied. Ik zeg dat alleen maar ter verduidelijking. Maar ik moet ook zeggen: wanneer men er ook maar aan denkt iets medisch te gaan doen op basis van antroposofisch onderzoek, dat het dan heel noodzakelijk is dat de mensen

*kleine opleidingsschool (Fortbildungsschule): geopend 1921 als basisschool voor de kinderen van de medewerkers aan het Goetheanum. Omdat in het kanton Solothurn privéscholen niet toegestaan waren (het verbod wasw pas in 1976 opgeheven), moest deze worden gesloten. Ze ging verder als vervolgschool van leerlingen vanaf 14 jaar. 

blz. 192

dieser Sache widmen, in fortwährendem wirklich praktischem Zusam­menhang mit kranken Menschen sind. Deshalb wurden die Kliniken hier in Arlesheim und in Stuttgart eingerichtet. Das will ich nur als ein Beispiel dafür erwähnen, daß es uns wirklich nur so ernst sein kann mit demjenigen, was nach der einen oder anderen Richtung hin an Impulsen aus der anthroposophischen Sache folgt, daß aus dem sich diese Institutionen wie von selbst als eine Notwendigkeit erge­ben. Und so haben wir auch eben mit dieser kleinen Fortbildungsschule, die hier unmittelbar an das Goetheanum sich angeschlossen hat, und ja auch weiter betrieben wird, dasjenige getan, was einzig und allein zu tun möglich war. Begonnen haben wir ja sogar diese Schule damit, daß aus einer gewiß ganz berechtigten Überzeugung heraus eine Anzahl von Eltern uns für diese Schule ja auch kleinere Kinder gerne übergeben hätten, die auch hier dann nach derWaldorf­methode unterrichtet worden wären. Allein diese Kinder hat man uns behördlich genommen. Diese Kinder mußten unter das Zwangsschulgesetz eben gefügt werden. So daß wir in der Schweiz nicht in der Lage waren, auch nur in kleinem Maßstabe etwas ähnliches einzu­richten, wie es in Stuttgart durch ein freieres Schulgesetz ja damals noch möglich war, als die Waldorfschule eingerichtet worden ist. 

die zich hieraan willen wijden, in de praktijk steeds samen zijn met mensen die ziek zijn. Daarom werden in Arlesheim en Stuttgart* klinieken gesticht. Dat wil ik als voorbeeld noemen om aan te geven dat het ons ernst is met dingen die op de een af andere manier te maken hebben met impulsen die vanuit de antroposofie komen, dat deze instellingen daar vanzelf het gevolg van zijn. En zo hebben wij hier met deze kleine opleidingsschool die zich hier meteen aangesloten heeft bij het Goetheanum en verder zal gaan, gedaan wat enkel en alleen maar mogelijk was om te doen. We zijn deze school begonnen vanuit een zeer zeker gerechtvaardigde overtuiging dat een aantal ouders graag ook hun kleinere kinderen naar ons toe had willen laten komen die dan hier ook volgens de methode van de vrijeschool les zouden hebben gekregen, Maar van overheidswege zijn ons deze kinderen afgepakt. Die kinderen moesten onder de dwang van de schoolwet vallen. Zodat we in Zwitserland niet in staat waren, ook niet op kleine schaal iets dergelijks in het leven te roepen zoals in Stuttgart toen nog mogelijk was door een vrijere schoolwet, tot de vrijeschool werd opgericht.

*Klinieken in Arlesheim en Stuttgart: ‘Klinisch-therapeutisch instituut Arlesheim’, opgericht 1920 door Dr.med. Ita Wegman. ‘Klinisch-therapeutisch instituut Stuttgart’ opgericht 1920 door de artsengroep: Friedrich Husemann, Kudwig Noll, Otto Palmer en Felix Peipers.

In dieser Beziehung sind ja die Fortschritte der Weltgeschichte sehr merkwürdig. In bezug auf das Unterrichtswesen war man eigentlich frei – glauben Sie nicht, daß ich jetzt konservative oder reaktionäre Tendenzen entfalten will, sondern ich will nur historische Tatsachen feststellen – in jenen alten Zeiten, in denen es noch keinen Liberalis­mus, geschweige denn eine Demokratie gegeben hat. Die Unfreiheit ist erst gekommen in den Zeiten des Liberalismus und der Demokra­tie. Ich will nicht einmal behaupten, daß diese Dinge: Unfreiheit und Liberalismus, Unfreiheit und Demokratie unbedingt zusammengehören; aber in der historischen Entwickelung haben sie sich als eng mit­einander verbunden gezeigt. Und das allerunfreieste Schulwesen ist ja in demjenigen Teil der heutigen – ja, ich weiß nicht, ob ich sagen soll «zivilisierten Welt», in demjenigen Teil der europäischen Welt, der auch von manchen westeuropäischen, demokratisch gesinnten Leuten wie eine Art Paradies angesehen wird, in Sowjetrußland.

In dit opzicht is de vooruitgang van de wereldgeschiedenis heel merkwaardig. Wat het onderwijs betreft was men eigenlijk vrij – geloof niet dat ik nu conservatieve of reactionaire tendensen wil verspreiden, ik wil alleen maar historische feiten vaststellen – in vroegere tijden, toen er nog geen liberalisme, laat staan democratie bestond. De onvrijheid is pas gekomen in de tijd van het liberalisme en de democratie. Ik wel beslist niet beweren dat deze zaken, onvrijheid en liberalisme, onvrijheid en democratie, onherroepelijk bij elkaar horen; maar in de historische ontwikkeling bleken ze nog al nauw met elkaar verbonden te zijn. En het meest onvrije schoolwezen vind je juist in dat deel van de huidige – ja, ik weet niet of ik kan zeggen ‘geciviliseerde wereld’, in dat deel van Europa dat ook door sommige West-Europese, democratisch getinte lieden als een soort paradijs wordt gezien, in Sowjet-Rusland.

blz. 193

Da wird die Freiheit durch die extremste Demokratie, wie man es nennt, mit Stumpf und Stil ausgerottet, und ein Unterrichtswesen greift da Platz, das überhaupt die Karikatur der menschlichen Frei­heit, der menschlichen Betätigung ist.
Nun also, ich möchte das doch eben stark betonen, daß der Wie­deraufbau des Goetheanums schon eine Notwendigkeit ist und daß man zu einem Nicht-Aufbauen nur kommen würde, wenn eben der Zwang dazu da wäre. Also das müßte ja auf jeden Fall angestrebt werden, und das wird auch als selbstverständlich von all denjenigen, die es mit der Anthroposophie ernst meinen, auch in ganz ernster Weise energisch als ein Ziel vorausgesetzt. Sobald die behördlichen Angelegenheiten abgeschlossen sind, wird selbstverständlich nach dieser Richtung alles versucht werden. Man kann immer nur eines nach dem anderen tun, wenn man etwas nicht nur bloß theoretisch vertreten will. Nicht wahr, man kann ja alles Mögliche beschließen und Pläne ausdenken, aber  wenn man auf dem Boden einer Wirklich­keitserkenntnis steht, tut man das nur, wenn die Basis dazu da ist. Das Idealste wäre natürlich, wenn sich dasjenige, was man an allge­meinem Volksgeistesleben und sonstigem Volksleben durch ein neues Goetheanum begründen könnte, wenn sich das würde ergänzen kön­nen durch eine Volksschule auch hier. 

Daar wordt de vrijheid door de meest extreme democratie, zoals men dat noemt, met wortel en tak uitgeroeid en daar vindt een onderwijs plaats dat eigenlijk een karikatuur is van de menselijke vrijheid, het menselijk gedrag.
Dus, ik wil dit wel sterk benadrukken, dat de herbouw van het Goetheanum zeker noodzakelijk is en dat het alleen tot niet opbouwen komt, wanneer we daartoe gedwongen worden. Dus daar moet in ieder geval naar gestreefd worden en dat wordt ook als vanzelfsprekend door ieder die het met de antroposofie ernstig voorheeft, ook ernstig met grote inzet als doel vooropgesteld. Zodra de zaken met de overheid afgesloten zijn, zal in deze richting vanzelfsprekend alles geprobeerd worden. Je kan altijd maar één ding tegelijk doen, wanneer je niet alleen theoretisch voor iets wil staan. Je kan al het mogelijke beslissen en plannen uitdenken, maar wanneer je basis het kennen is van de werkelijkheid, doe je dat alleen maar als die basis er ook is. Het meest ideale zou natuurlijk zijn, wanneer je datgene wat je aan algemeen volkscultuurleven en andersoortig volksleven door een nieuw Goetheanum zou kunnen stichten, daar dan ook hier een basisschool als vervolmaking bij zou kunnen komen.

Aber da kommt es eben darauf an, daß alle diese Interessen, die gerade hierzulande sind, eben in ir­gendeiner Weise beseitigt werden würden.
Und ich meinerseits bin ja der Überzeugung, wenn sich nur eine genügend große Anzahl von Menschen – womit ich nicht immer Ma­joritäten meine – findet, welche eine solche Schule als eine Notwen­digkeit erkennen, so wird sie auch entstehen. Es werden sich Mittel und Wege ganz unbedingt finden, und sie wird entstehen. Mit dem Goetheanum ist es ja nicht so leicht. Natürlich, es -sagen wir – aus dem Willen der Schweiz heraus zu gestalten, das ist nicht so leicht; das muß eine internationale Sache sein.
Aber Volksschulen gehen schon aus den Volkskulturen hervor, und da handelt es sich wirklich darum, daß weder die Waldorf-lehrer noch ich oder sonst ein anderer Mensch als unsere verehr­ten schweizerischen Freunde und Besucher darüber eine Stimme haben und daß es daher wirklich vor allen Dingen Bedürfnis sein würde, die Empfindungen, die Gesinnung, die Ansicht gerade der schweizerischen Freunde und Besucher über diesen Punkt zu hören.

Maar dan komt het er dus op aan, dat alle interesse die hier aanwezig is, op de een of andere manier opzij gezet moet worden. Ik ben van mening, wanneer er maar mensen genoeg zijn – waarmee ik niet steeds de meerderheid bedoel – die zo’n school als noodzaak zien, die er dan ook zal komen. Er zullen absoluut wegen en middelen gevonden worden en dan komt die er. Met het Goetheanum is het niet zo makkelijk. Natuurlijk, om die met Zwitserse wil te bouwen, is niet zo eenvoudig; het moet een internationale aangelegenheid zijn. Maar de scholen komen er door de volkscultuur en het gaat er echt om dat noch de vrijeschoolleraar, noch ik of iemand anders dan de geachte Zwitserse vrienden en bezoekers daar een stem in hebben en dat het daarom in hoge mate een behoefte moet zijn de gevoelens, de gevoelshouding, de gezichtspunten met name van de Zwitserse vrienden en bezoekers over dit punt te vernemen*

*over dit punt te vernemen: Er werd van gedachten gewisseld. In januari 1923 was op advies van Rudolf Steiner de ‘Zwitsere schoolvereniging voor vrije opvoed- en onderwijskunst op basis van echte menskunde’ opgericht met het doel in Basel een school te stichten. Dr. Steiner deed zeer veel aan de voorbereidingen zowel voor deze vereniging waar hij als bestuurslid bij hoorde, als mede voor de op te richten school. Hij bezocht met Albert Steffen de opvoedingsdirecteur van Basel-Stad om op practische vragen antwoord te geven en vond bij de regeringsadviseur Hauser een open oor. De school zelf kon pas in 1926, na de dood van Steiner, worden geopend. 
De nieuwbouw van het tweede Goetheanum begon in 1924 naar het model dat Rudolf Steiner ontworpen had. Opening 1928

blz. 194

Nach weiteren Äußerungen von Teilnehmern wird Dr. Steiner gebeten, die Schlußworte zu sprechen.

Der Herr Vorsitzende meint, ich sollte noch einige Worte sagen. Die können ja eigentlich nur darin bestehen, daß ich meine recht große Befriedigung darüber ausdrücke, daß ja bei den sehr verehrten Besuchern, die hier vereint sind, der allerbeste Wille und die allerbe­sten Absichten zum Ausdruck gekommen sind. Und man muß schon sagen, daß jede solche Vereinigung von Menschen erfreulich ist, wel­che wiederum einmal darauf kommen, daß dasjenige, was hier in Dornach gepflegt wird, doch nicht das ist, was sehr viele Menschen in unwahrer Art daraus machen. Und wenn sich eine Anzahl von Per­sönlichkeiten findet, die einfach durch die eigene Anschauung wissen kann, wieviel Unwahres über Dornach verbreitet wird, dann wird auch die Zeit kommen, in welcher alles dasjenige, was heute beab­sichtigt wird, in schwacher Weise noch selbstverständlich von hier, daß das in einer viel, viel leichteren Weise zur Verbreitung kommen wird. 

Na nog een paar opmerkingen van deelnemers wordt aan Dr. Steiner gevraagd om de slotrede te spreken.

Mijnheer de voorzitter bedoelt, ik moet nog een paar woorden zeggen. Die kunnen er alleen maar uit bestaan dat ik mijn grote voldoening uitdruk over het feit dat bij de zeer geachte bezoekers die hier bij elkaar zijn, de allerbeste wil en de allerbeste voornemens duidelijk geworden zijn. En dan moet je wel zeggen, dat elk zo’n bijeenkomst van mensen voldoening geeft die weer van mening zijn dat wat we hier in Dornach willen bevorderen, toch niet datgene is wat zeer veel mensen op een onwaarachtige manier daarvan maken. En wanneer een aantal mensen bijeenkomt die simpelweg door eigen observatie kunnen weten hoeveel onwaars over Dornach verspreid wordt, dan zal ook de tijd komen waarin alles wat we vandaag willen, vanzelfsprekend op een eenvoudige manier van hieruit, dat dat op een veel, veel makkelijkere manier tot verbreiding zal komen. 

Es ist ja natürlich nicht jeder in der Lage, die ganz besondere Art und Weise zu sehen, in welcher das entstellt wird, was hier von Dornach aus geschieht. Man ist manchmal ganz verwundert darüber, wie wenig eigentlich heute sittliches Ethos unter den Menschen ist, wieviel Gleichgültigkeit gegenüber Verdrehungen und Entstellun-gen, die doch eigentlich auf das Feld der Unmoralität gehören – wie­viel von dem, was an Verdrehungen und Entstellungen geleistet wird, mit einer gewissen Phlegmatik hingenommen wird. Es ist nun schon einmal so, daß man fast auf Unglauben stößt, wenn man die Dinge berührt, die auf dieses Feld gehören. Es ist hier gestern eine Persön­lichkeit genannt worden, auf die sehr viele Menschen in der Schweiz hören. Und wenn man nun genotigt ist, zu sagen, daß diese Persön­lichkeit zum Beispiel mein Buch «Die Kernpunkte» schon abfällig kritisiert hat, bevor es noch erschienen war, bevor also die betreffende

Niet iedereen heeft natuurlijk de gelegenheid om de heel bijzondere manier te zien waarop wat hier van Dornach uit gebeurt, verkeerd wordt voorgesteld. Men is er vaak heel verbaasd over hoe weinig moreel ethos er tegenwoordig onder de mensen leeft, hoeveel onverschilligheid, wat verdraaien en valse voorstelling van zaken betreft, er bestaat die toch eigenlijk op het gebied van het immorele thuishoren – hoeveel van wat aan verdraaiing en valse manier van voorstellen geprobeerd wordt, met een bepaald laissez- fair geaccepteerd wordt. Het is nu eenmaal zo dat men bijna op ongeloof stuit, wanneer je het over de dingen hebt die op dit terrein liggen. Gisteren is hier een persoon genoemd naar wie veel mensen in Zwitserland luisteren. En wanneer je dan genoodzaakt bent te zeggen dat deze persoon bijv. mijn boek ‘De kernpunten‘ kritisch afvalt, nog voor het was verschenen, voor de betreffende 

blz. 195

Persönlichkeit ein Sterbenswörtchen daraus gelesen haben konnte, so wird man bei dem allgemeinen ethischen Phlegma, das eben heute in der Gegenwart herrscht, gegenüber dem, wenn eine vielleicht sogar in einem gewissen Grade berühmte Persönlichkeit eine Unwahrheit sagt, nicht besonders aufsehen. Dadurch summieren sich dann diese Dinge. Sie summieren sich ja ungeheuer. Es ist ja vor zwei Jahren etwa immer wiederum darauf hingewiesen worden, wie eine theologische Persönlichkeit hier in der Schweiz eine Broschüre geschrieben hat, in der die grotesken Worte standen, daß hier im Goetheanum eine Holzplastik aufgestellt werden sollte, welche jetzt schon im Ätelier zu sehen sei, und die oben luziferische Züge und un­ten ein tierisches Aussehen trüge. Nun trägt diese Figur oben die Züge eines ideal geformten Christus, und unten ist sie noch nicht fertig. Die Persönlichkeit, als sie zur Rede gestellt worden ist, hat einfach erklärt, daß sie diese Worte von einem anderen abgeschrie­ben hat. Sehen Sie, trotzdem handelt es sich um eine weitberühmte Persönlichkeit der Schweiz. 

persoon er maar één enkel woordje in had kunnen lezen, dan zal je bij dat algemeen ethische flegma dat dus tegenwoordig heerst, wat betreft een misschien zelfs op een bepaalde manier beroemde persoon, als die onwaarheid spreekt, daar niet bijzonder van opkijken. Daardoor hopen de dingen zich op. Ze hopen zich ongehoord op. Al twee jaar geleden heb ik er al op gewezen hoe een theologisch persoon hier in Zwitserland een brochure heeft geschreven waarin de groteske woorden stonden dat hier in het Goetheanum een houten beeld* geplaatst zou worden dat nu al in het atelier te zien zou zijn, dat bovenaan luciferische trekken heeft en van onderen er als een dier uitziet. Boven heeft dat figuur dan de trekken van een ideaal gevormde Christus en aan de onderkant is het nog niet klaar. Die persoon, toen die ter verantwoording werd geroepen, verklaarde simpelweg dat hij deze woorden van een ander had overgeschreven. Maar, zie je, het gaat toch om een persoon die in Zwitserland goed bekend staat.

*houtplastiek: het door rudolf Steiner vervaardigde beeld van de ‘mensheidsrepresentant’. Het stond, nog niet klaar, tijdens de brand in het atelieren staat nu in de groepsruimte van het Goetheanum

Es ist das oftmals gesagt worden in un­serem Kreis, auch mit einer gewissen Dezidiertheit gesagt worden, aber es geht an dem allgemein ethisch-sittlichen Phlegma wiederum vorüber, statt daß es als ein Beispiel in weitesten Kreisen angehört würde dafür, wie stark die Neigung ist, selbst bei ganz berühmten Persönlichkeiten, einfach durch Unwahrheiten die Anthroposophie und alles das, was daran hängt, zu entstellen, durch ganz grobe Un­wahrheiten zu entstellen. – Nun, man könnte so fortfahren. Aber ich fürchte, wenn ich Ihnen nur einen kleinen Teil desjenigen, was an Unwahrheiten, an wirklichen Unwahrheiten über Anthroposophie, auch über alles das, was aus der Anthroposophie kommt, verbreitet ist, wenn ich Ihnen das aufzählen wollte, so würden wir erst ausein­andergehen können, wenn wieder die Sonne aufgeht. Das wollen wir natürlich nicht. Aber die Sache liegt schon so, daß nun doch wieder­um betont werden muß: Alle Dinge werden bei uns so schwer, weil einfach auf allen möglichen unterirdischen Wegen Unwahrheiten über Dornach und alles, was dazu gehört, grassieren, und weil man diesen Dingen gegenüber in einer gewissen Gleichgültigkeit ver­harrt. Ich will nicht darum betteln, selbstverständlich nicht, daß man

In onze kringen is dat al vaker gezegd, ook met een bepaalde directheid, maar het gaat opnieuw aan het algemeen ethisch-morele flegma voorbij, in plaats dat bijvoorbeeld in wijdverbreide kringen gezien zou worden hoe groot de neiging is, zelfs bij heel beroemde personen, eenvoudigweg door onwaarheden de antroposofie en alles wat erbij hoort, verkeerd neer te zetten, door heel grove onwaarheden in een vals daglicht te plaatsen. Nu ja, zo zou je door kunnen gaan. Maar ik vrees dat wanneer ik u een klein deel van de onwaarheden, aan echte onwaarheid over de antroposofie, ook over alles wat uit de antroposofie voortkomt, verbreid is, wanneer ik dat voor u bij elkaar zou moeten zetten, dan zouden we pas afscheid van elkaar nemen als de zon weer opkomt. Dat willen we natuurlijk niet. Maar het ligt wel zo dat toch weer benadrukt moet worden: alle dingen worden bij ons wel moeilijk, omdat eenvoudig langs allerlei mogelijke kronkelige wegen over Dornach en alles wat erbij hoort in onwaarheden wordt gegrossierd en omdat men voor wat deze dingen betreft in een bepaalde onverschilligheid blijft steken. Ik ga er niet om smeken, vanzelfsprekend niet, dat men

Dornach verteidigt. Aber eines ist doch außerordentlich wichtig, und das ist: Viele Leute sagen: Ja, in bezug auf das Aussprechen von Mei­nungen muß im weitesten Sinne Freiheit herrschen. – Gewiß, jeder mag seine Meinung haben; niemand kann mehr auf diesem Stand­punkte stehen als ich. Es ist einfach selbstverständlich, daß jeder seine Meinung haben soll und sie auch frei aussprechen soll. Aber nie­mand sollte, ohne daß er auch in maßgebender Weise das Echo davon hört, eine Unwährheit sagen dürfen in der Welt. Die Welt wird schon durch Unwahrheiten am meisten gestört. Und das ist dasjenige, was uns hier am schwersten wird, zur Geltung zu bringen.Wir haben sehr viele gute Freunde, aber der Enthusiasmus, für die Wahrheit in der Weise einzutreten, daß man wirklich auch die Unwahrheit in der rich­tigen Weise behandelt, der ist eben für alles das, was von Dornach ausgeht, noch nicht sehr groß geworden. Und mehr als man meint, hängen doch die Schwierigkeiten alle mit diesen Dingen zusammen.

Dornach verdedigt. Maar één ding is toch buitengewoon belangrijk en dat is: veel mensen zeggen: ja, met betrekking tot het uitspreken van meningen moet in de ruimste zin vrijheid heersen. Zeker, iedereen mag een mening hebben; niemand kan dat standpunt meer innemen dan ik. Het is natuurlijk vanzelfsprekend dat ieder zijn eigen mening mag hebben en daar vrij voor uitkomen. Maar niemand zou, zonder dat hij ook maar op een doorslaggevende manier de gevolgen daarvan kent, op aarde onwaarheid mogen spreken. De wereld wordt het meest door onwaarheid verstoord. En dat tot zijn recht te laten komen is voor ons het moeilijkste. We hebben hier zeer veel goede vrienden, maar het enthousiasme op te komen voor de waarheid op een manier dat men ook de onwaarheid op de juiste manier aanpakt, nou, dat is bij alles wat van Dornach uitgaat, nog niet erg groot geworden. En meer dan men vindt, hangen de problemen toch allemaal hiermee samen.

Ich war zum Beispiel vor kurzem einmal in der Lage, daß mir eine sehr große Anzahl von Unwahrheiten entgegengehalten worden sind, also von Urteilen, die Unwahrheiten waren, die mir selbst angehängt werden. Da mir daran lag in diesem Falle, das Urteil, das sich die Leute bildeten, auf Grundlage dieser verbreiteten Unwahrheiten, zu rektifizieren, so sagte ich: Nun, und wenn ich mich verbindlich ma­che, in ganz kurzer Zeit in sehr übersichtlicher Weise, also so, daß man nicht viel dabei zu lesen hätte, alle diese Unwahrheiten doku­mentarisch zu widerlegen, wie würde es dann sein ? Da antwortete man mir: Das würde an der Sache nichts ändern. Nicht wahr, das sind eben doch Hinweise auf Schwierigkeiten, bei denen gesagt wer­den kann, worin das Wesentliche liegt. Also, Rektifizierung der vie­len Unwahrheiten, die über Dornach grassieren, das wäre schon et­was, was außerordentlich wünschenswert wäre. – Die Geldbeschaf­fung für einen schweizerischen Schulverein würde nicht so schwierig sein, wenn das Mißtrauen nicht vorhanden wäre. Aber dieses Mißtrauen wird eben, glaube ich, auch so lange vorhanden bleiben, so lange man nicht wirksam in der Lage ist, nicht nur die Wahrheit der Unwahrheit gegenüberstellen zu können, sondern auf soundso viele Menschen hinweisen zu können, die da wissen, daß die Unwahrheiten

Ik was bijv. niet lang geleden in de omstandigheid dat mij een groot aantal onwaarheden werd voorgehouden, dus oordelen die onwaar zijn en die mij zelf aangerekend werden. Omdat ik het belangrijk vond in dit geval op het oordeel in te gaan dat de mensen zich hadden gevormd op grond van deze verbreide onwaarheden, zei ik: Wel, als ik de verplichting op me neem op heel korte termijn op een heel overzichtelijke manier, dus zo dat je daarvoor dan niet veel hoeft te lezen, al deze onwaarheden met bewijzen te weerleggen, hoe is dat? Toen gaf men mij als antwoord: Dat zou niets aan de zaak veranderen. Niet waar, dat zijn toch aanwijzingen voor moeilijkheden waarbij gezegd kan worden waar dat wezenlijk aan ligt. Dus, de vele onwaarheden rechtzetten die er over Dornach de ronde doen, is wel iets wat buitengewoon wenselijk is. 
Het geld voor een Zwitserse schoolvereniging zou niet zo’n probleem zijn, wanneer er geen wantrouwen zou zijn. Maar dit wantrouwen, geloof ik, zal wel zo lang blijven bestaan, zolang men niet actief in staat is, niet alleen tegenover de onwaarheid de waarheid te kunnen zetten, maar naar idem zoveel mensen zou kunnen verwijzen die weten dat de onwaarheden

blz. 197

Unwahrheiten sind, und die auch dafür eintreten wollen, daß diese Unwahrheiten wirklich Unwahrheiten sind.
Denn sehen Sie, es ist in vieler Beziehung jetzt schon so durch diese Sachlage gekommen, daß ich in der letzten Zeit manchen Men­schen gegenüber sagen mußte: Ja, uns schadet es ja am allermeisten, wenn wir selbst die Wahrheit unserer Sache beweisen müssen. Denn die Leute hätten uns viel lieber, wenn die Unwahrheiten über uns richtig wären. Dann brauchten sie sich kein Gewissen daraus zu ma­chen, über uns zu schimpfen. So aber wissen gerade die wesentlich­sten Verbreiter der Unwahrheiten über Dornach und die Anthropo­sophie ganz gut, daß die Dinge unwahr sind. Und es ist ihnen dasUn­angenehmste, wenn man ihnen die Unwahrheit beweisen könnte. Das ist so in bezug auf persönliche Dinge usw. Ich stelle jetzt diese Dinge wirklich nicht hin, um an dieser Stelle wieder einmal über so etwas zu sprechen, sondern ich möchte nur sagen: ich stelle sie hin als den Schatten gewissermaßen, den ja jedes Licht wirft; um dem Lichte die richtige Helligkeit zu geben, muß der Schatten da sein. Hellere Lich­ter werfen stärkere Schatten. Ich stelle diese Dinge hin wie die an­dere Seite der Sache. Gerade weil aber diese andere Seite da ist, des­halb dürfen Sie mir glauben, daß es mir eine um so herzlichere Be­friedigung gewährt, daß heute abend von so vielen Seiten in einer so eindringlichen Weise dafür gesprochen worden ist, daß etwas getan werden soll für die Sache, für die hier eingetreten werden soll. Und indem ich Ihnen diese herzliche Befriedigung ausspreche, möchte ich eben auch das Licht hinstellen neben den Schatten, den ich, wie ge­sagt, nur hingestellt habe in dieses Licht, um es mehr in seinem Glanze erscheinen zu lassen; denn es glänzt mir wirklich recht schön, dieses Licht, das sich dadurch vor uns hingestellt hat, daß so viele verehrte und liebe Besucher, die sich eingefunden haben, in so ein­dringlicher Weise für die Sache gesprochen haben.

onwaarheden zijn. 
Want ziet u, het is in veel opzichten door deze situatie al zo, dat ik de laatste tijd tegen veel mensen moet zeggen: Ja, het doet ons het meest kwaad wanneer wij zelf de waarheid van onze dingen moeten bewijzen. Want de mensen zouden  veel liever hebben dat de onwaarheden over ons kloppen. Dan hoeft het voor hen geen gewetenszaak te worden als ze ons beschimpen. Dus weten juist de belangrijkste verspreiders van de onwaarheden over Dornach en de antroposofie heel goed dat de dingen niet waar zijn. Voor hen is het meest onaangename wanneer men hun de onwaarheid zou kunnen bewijzen. Dat is zo m.b.t. persoonlijke zaken, enz. Ik noem het nu echt niet om op deze plaats weer over zoiets te spreken, maar ik zou willen zeggen: ik noem ze in zekere zin als de schaduwzijde dat elk licht werpt; om het licht de juiste helderheid te geven moet er schaduw zijn. Ik noem ze als de andere kant van de zaak. Maar juist omdat die er is, mag u mij geloven dat het mij des te meer een intense voldoening geeft dat vanavond van zoveel kanten op een zo indringende manier gesproken is om iets te gaan doen voor de zaak waarvoor we hier staan. En wanneer ik intense voldoening zeg, wil ik dus ook het licht naast de schaduw zetten dat, zoals gezegd, ik alleen in dit licht plaats om de glans daarvan te laten zien; want voor mij glanst dit heel mooi, dit licht, dat voor ons is komen te staan omdat er veel geachte en beste bezoekers die gekomen zijn, op zo nadrukkelijk ten gunste van de zaak hebben gesproken.

.

[1] GA 306 Die pädagogische Praxis vom Gesichtspunkte geisteswissenschaftlicher Menschenerkenntnis

[2] GA 306 Vragenbeantwoording 3

.

Rudolf Steiner over antroposofisch onderwijs

Rudolf Steiner over pedagogie

Rudolf Steineralle artikelen

.

1821-1707

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 306 – beantwoording van vragen (2)

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com
.

GA 306: vertaling
Inhoudsopgave   voordracht [1]  [2]  [3]  [4]  [5]  [6]  [7]+ [8]
vragenbeantwoordingen 18 april22 april
+vertaald bij Pentagon

RUDOLF STEINER

DE PRAKTIJK VAN DE PEDAGOGIE BEZIEN VANUIT GEESTESWETENSCHAPPELIJKE MENSKUNDE

Acht voordrachten, gehouden in Dornach van 15 tot 22 april 1923, met drie vragenbeantwoordingen en inleidende woorden bij een euritmie-opvoering
[1]

Inhoudsopgave: (ontbreekt in de boekuitgave)

Blz. 181: muzikaal oordeel ontstaat; teruglopen van muzikaal geheugen.
Blz. 182: ontstaan van bewuster luisteren naar stem en instrument.
Kinderen waarnemen bij hun plastische activiteiten.
Blz. 183: muzikaal oordeel belangrijk, muziek niet té diep in het gevoel.
Blz. 184: vragen wat je al weet: hypocriet?
Imponderabele.
Blz. 185: antwoorden van kind zijn interessant.
Blz. 186: lesgeven met boek in de hand: voor het kind is dit onwaarachtig.

blz. 181

FRAGENBEANTWORTUNG, Dornach, 19.April 1923

Über musikalische Ausbildung (in Beantwortung einer Frage über Musik-stunde bei einem 17 jährigen Mädchen).

Das Wesentliche ist ja doch das, was Herr Baumann hingestellt hat: daß gerade mit der Geschlechtsreife und dann in den folgenden Jahren sich ergibt, daß ein gewisses musikalisches Urteil an die Stelle eines früheren musikalischen Empfindens und musikalischen Erlebens tritt. Das musikalische Urteil tritt dann auf. Das ist natürlich darin sehr deutlich zu bemerken, daß die Erscheinungen auftreten, die Herr Baumann charakterisiert hat: es tritt eine gewisse Selbstbeobachtung ein bei den Kindern, eine Selbstbeobachtung ihres Singens und da­durch wiederum die Möglichkeit, bewußter die Stimme zu behandeln und dergleichen. Das muß nun auch methodisch kultiviert werden. Dann aber tritt das sehr stark hervor, daß gerade von diesem Jahre ab jenes selbstverständliche musikalische Gedächtnis etwas zurück­geht, so daß die Kinder von diesen Jahren ab sich mehr anstrengen

VRAGENBEANTWOORDING, Dornach 19 april 1923 (n.a.v. de 5e voordracht)

Over muzikale vorming (ter beantwoording van een vraag over muziekles voor een 17-jarig meisje

Het wezenlijke is toch wat de heer Baumann* uiteengezet heeft: dat m.n. met de geslachtsrijpheid en in de volgende jaren, dat blijkt dat een bepaald muzikaal oordeel in de plaats komt van een muzikaal meevoelen en beleven. Het muzikale oordeel ontstaat. Dat is natuurlijk zeer duidelijk te merken aan wat de heer Baumann heeft gekarakteriseerd: bij de kinderen ontstaat een bepaald zelfbeeld, een zelfbeeld van hoe ze zingen en daardoor weer de mogelijkheid om de stem bewuster te gebruiken e.d. Dat moet ook met een methode verzorgd worden. Heel duidelijk blijkt echter, dat juist vanaf dit jaar het vanzelfsprekende muzikale geheugen iets teruggaat, zodat de kinderen vanaf dit jaar zich meer moeten inspannen

*Baumann Paul, 1887-1964, muziekleraar aan de vrijeschool Stuttgart

blz. 182

müssen, um auch gedächtnismäßig das Musikalische zu behalten. Dar­auf muß man dann im Unterricht ganz besonders sehen. Während die Kinder bis zur Geschlechtsreife ein selbstverständliches Leben haben im Musikalischen, die Dinge sehr leicht behalten, fangen manchmal diejenigen, die früher sehr gut behalten haben, nun an, Schwierigkei­ten zu haben im Behalten, also nicht so sehr im Aneignen, sondern im Behalten. Darauf muß man sehen. Man muß versuchen, nicht unmit­telbar hintereinander, aber oftmals die Dinge zu wiederholen. Na­mentlich tritt in diesem Alter stark das hervor – psychologisch liegt da ein sehr feiner, intimer Unterschied zugrunde -, daß, während früher das Instrumental-Musikalische und das Stimmliche, das Vokal-Musi­kalische in eins zusammenfallen, werden diese zwei Dinge gerade vom 16., 17. Jahr ab sehr deutlich voneinander unterschieden. Es wird viel bewußter hingehört auf das Instrument, es wird viel bewußter von diesem Lebensalter an auch auf das Instrumental-Musikalische hingehört. Man bekommt mehr Verständnis für das Instrumental-­Musikalische als vorher. Vorher sang das Instrument sozusagen mit, nachher hört man die Instrumente; hören und singen sind dann zwei, wenn auch parallel miteinandergehende Prozesse. In diesem Verhält­nis, das dann eintritt zwischen Singen und Verstehen des Instrumen­tes, liegt das Charakteristische.

om ook het muzikale te onthouden. Daar moet je dan in het onderwijs heel goed naar kijken. Terwijl de kinderen tot aan de tandenwisseling vanzelfsprekend in het muzikale element opgaan, de dingen makkelijk onthouden, beginnen degenen die de dingen vroeger goed onthielden, nu vaak problemen te ondervinden met het onthouden, niet zo zeer met het aanleren, dan wel met het onthouden. Daar moet je rekening mee houden. Je moet proberen, niet voortdurend achter elkaar, maar dikwijls de dingen te herhalen. Op deze leeftijd namelijk blijkt vaak heel duidelijk – psychologisch ligt daar een zeer fijn verschil aan ten grondslag – dat, terwijl vroeger het instrumentaal-muzikale en de stem, het vocaal-muzikale een eenheid vormden, worden deze twee dingen nu juist vanaf het 16e, 17e jaar zeer duidelijk van elkaar onderscheiden. Er wordt veel bewuster geluisterd naar het instrument, vanaf deze leeftijd wordt er veel bewuster naar het instrumentaal-muzikale geluisterd. Men krijgt meer begrip voor het instrumentaal-muzikale dan voorheen. Voorheen zong het instrument a.h.w. mee, daarna hoort men de instrumenten, horen en zingen zijn dan twee dingen, ook al gaan ze gelijk op. Daar zit het karakteristieke van de relatie tussen het zingen en het begrijpen van het instrument.

Da müssen dann die Unterrichtsme­thoden eben darnach eingerichtet werden. Wichtig ist, daß man mit dem Theoretisch-Musikalischen vor diesem Lebensalter überhaupt nicht anfangen sollte, sondern daß man eigentlich das Musikalische praktisch treiben sollte, und, was man theoretisch bemerken will, anknüpft an das unmittelbar praktische Treiben, und dann allmählich, gerade in diesem Lebensalter, den Übergang erst gewinnt, nun auch etwa verstandesgemäß zu urteilen über das Musikalische. Das, was Herr Baumann zuletzt angedeutet hat, daß man den Kindern man­ches in ihrer Selbsterkenntnis beibringen kann aus ihrem musikali­schen Auftreten heraus, das ist durchaus richtig. Und während zum Beispiel, wenn man, wie wir es ja in der Waldorfschule machen, die älteren Kinder zur plastischen Tätigkeit bringt, wenn man sie allerlei bilden läßt, während dem man da die Eigentümlichkeiten der Kinder gleich von Anfang an wahrnehmen kann in dem, was sie plastisch

Daar moeten de onderwijsmethoden dan naar ontworpen worden. Belangrijk is dat je met de theorie van het muzikale vóór deze leeftijd niet moet beginnen, maar je zou praktisch met muziek bezig moeten zijn en wat je theoretisch wil vermelden direct aan laten sluiten aan dit praktisch bezig zijn en dan pas langzamerhand de overgang maakt om ook met het verstand iets oordelends over het muzikale te kunnen geven. Wat mijnheer Baumann op het laatst aanduidde, dat je de kinderen veel kan bijbrengen aan zelfkennis vanuit hun muzikale optreden, is zeker juist. En terwijl bijv. wanneer je, zoals wij dat op de vrijeschool doen, de oudere kinderen plastische activiteiten laten uitvoeren, wanneer je ze van alles laat vormen, van meet af aan alle bijzonderheden van de kinderen kan waarnemen, bij wat ze plastisch

blz. 183

hervorbringen – es ist irgend etwas, wenn es von verschiedenen Kin­dern plastisch gestaltet wird, ja etwas ganz Verschiedenes -, ist es beim Musikalischen so, daß man auf dasjenige, was den Kindern in­dividuell ist, zunächst gar nicht eingehen kann. Das tritt dann eben hervor, wenn das Kind dieses Lebensalter erreicht hat. Dann kann man, natürlich namentlich aus den ja dann auch schon intensiver her­vortretenden Neigungen für diese oder jene musikalische Richtung, zurückwirken auf das Kind, um Einseitigkeiten zu vermeiden. Wenn also das Kind eine bestimmte Musik besonders liebt, sagen wir zum Beispiel, es gibt ja gerade in unserer gegenwärtigen Zivilisation sehr viele Kinder, bei denen stellt sich ganz von selbst ein, daß sie reine Wagnerianer werden. Da muß man entgegenwirken, denn da findet eigentlich das statt, daß ein zu starkes Aufnehmen des Musikalischen mit dem Gefühl eintritt, statt der inneren Gestaltung des Musikali­schen selber – ich will damit nichts gegen Wagner sagen -, also es rutscht das Musikalische gewissermaßen zu stark in das Gefühlsle­ben hinunter. Da muß man es dann heraufheben. Das merkt der Mu­siker auch an der Gestaltung der Stimme. Die Stimme klingt anders bei einem Kinde, bei dem zu stark das Musikalische ins Gefühl rutscht, als bei einem Kinde, das die Formung der Töne hört, für das Plastische in der Musik ein richtiges Verständnis hat

presteren – iets wat door verschillende kinderen plastisch wordt gemaakt, is altijd wel ergens heel verschillend – bij het muzikale is het zo, dat je op wat bij de kinderen individueel is, eerst helemaal niet in kan gaan. Dat kan pas als het kind deze leeftijd bereikt heeft. Dan kan je, natuurlijk vooral door wat dan ook al door de intensiever naar voren komende neigingen in deze of gene muzikale richting te gaan, terugwerken op het kind om eenzijdigheden te voorkomen.  Wanneer het kind dus bijzonder houdt van een bepaald soort muziek, laten we zeggen dat er in onze tegenwoordige maatschappij zeer veel kinderen zijn bij wie dat vanzelf zo is dat ze pure Wagnerliefhebbers worden, dat zou je dan moeten tegengaan, want eigenlijk vindt daar een te sterk opnemen van de muziek met het gevoel plaats, i.p.v. een innerlijk vormgeven van het muzikale zelf – daarmee is niets tegen Wagner gezegd – maar het muzikale komt dan te snel in het gevoelsleven terecht. Daar moet je het dan uit optillen. Dat merkt de musicus ook aan de stemvorming. De stem klinkt bij een kind dat te sterk het muzikale in zijn gevoel opneemt anders dan bij een kind dat de toonvorming hoort, voor het plastische in de muziek een goed gevoel heeft.

Da in der rich­tigen Weise zu wirken für ein richtiges musikalisches Gefühl und Verständnis, dafür ist dieses Lebensalter besonders wichtig. Natür­lich kommt dabei in Betracht, daß man ja bis zur Geschlechtsreife un­bedingt als Autorität neben den Kindern steht. Da hat man noch nicht Gelegenheit, auf diese Dinge zu sehen beim Kinde. Nachher steht man schon nicht mehr als Autorität neben dem Kinde, sondern durch das Gewicht, das man dem eigenen Urteil für das Kind geben kann. Bis zur Geschlechtsreife ist dasjenige richtig, was der Lehrer für rich­tig hält, falsch, was der Lehrer für falsch hält, weil es der Lehrer für richtig oder falsch hält. Nach der Geschlechtsreife muß man begrün­den, auch musikalisch begründen. Deshalb ist es sehr wichtig, daß gerade dann, wenn eben die Veranlassung vorliegt, den musikali­schen Unterricht in diese Zeit hinein besonders fortzusetzen, wirk­lich stramm in das Motivieren der Urteile, die man heranzieht, eingegangen wird. – Ja, man könnte die ganze Nacht über dieses Thema weiterreden, wenn man wollte.

Om daar op een goede manier voor een juist muzikaal gevoel en begrip te werken, is voor deze leeftijd bijzonder belangrijk. Natuurlijk moet je daarbij in ogenschouw nemen dat je tot de geslachtsrijpheid onvoorwaardelijk als autoriteit naast het kind staat. Dan heb je bij het kind nog niet de gelegenheid naar deze dingen te kijken. Daarna sta je niet meer zo als autoriteit naast het kind, maar door het belang dat je aan je eigen oordeel voor het kind kan hechten. Tot aan de puberteit is juist, wat de leraar voor juist houdt, verkeerd wat hij verkeerd vindt. Na de puberteit moet je bestendigen, ook muzikaal bestendigen. Daarom is het zeer belangrijk dat je juist dan, wanneer er ook maar een aanleiding bestaat het muziekonderwijs in deze tijd in het bijzonder voort te zetten, werkelijk streng wordt ingegaan op het motiveren van de oordelen die je erbij betrekt.

Ja, je zou de hele avond nog over dit thema kunnen praten als je dat wil.

blz. 184

Frage: Liegt nicht eine Lüge darin, wenn man das Kind nach etwas fragt, was man doch schon weiß?

Es liegt etwas sehr Interessantes zugrunde. Wenn ich jemand frage nach etwas, so ist die Voraussetzung, ich will die Antwort haben, weil ich sie noch nicht weiß. Nun frage ich das Kind um etwas, ich weiß es aber schon, also begehe ich eine Unwahrheit. – Nun handelt es sich im Unterricht eben sehr stark um mponderabilien. Sehen Sie, es ist manchmal durchaus notwendig, sich dieses klarzumachen. Ich gebrauche oftmals ein Beispiel dafür: Man kann, wenn man religiös bildhaft unterrichtet, bei der Besprechung der Unsterblichkeitsfrage zu einem Bilde greifen in der folgenden Weise. Man sagt sich: du willst dem Kinde, das noch nicht irgendwelche Erörterungen begriff­licher Art verstehen kann, bildlich etwas von der Unsterblichkeit bei­bringen. Du bist gescheit als Lehrer, das Kind ist dumm; also präge ich aus meiner Gescheitheit heraus ein Bild. Ich mache das so, daß ich sage: Schau dir die Schmetterlingspuppe an; die Puppe öffnet sich, wenn sie reif wird, dann fliegt der schöne Schmetterling heraus. So wie der Schmetterling aus der Puppe ausfliegt, so fliegt die unsterb­liche Seele aus dem Körper, wenn der Mensch stirbt.

Is het niet hypocriet het kind iets te vragen, wat je zelf al weet?

Daar ligt iets interessants aan ten grondslag. Wanneer ik iemand naar iets vraag, is het vooropgezette doel dat ik antwoord krijg, omdat ik dat nog niet weet. Nu vraag ik aan het kind iets wat ik al weet, dus doe ik iets onwaarachtigs. Nu gaat het in het onderwijs ook om de onweegbare zaken. Kijk, het is toch heel noodzakelijk dat je deze dingen helder ziet. Daarvoor gebruik ik vaak een voorbeeld: je kan, als je religieus beeldend lesgeeft, bij de bespreking van de vraag over onsterfelijkheid op de volgende manier een beeld gebruiken. Je zegt: je wilt het kind dat nog niet begrijpelijkerwijs een of andere verklaring aankan, beeldend iets van de onsterfelijkheid laten beleven. Als leraar ben je knap, het kind is dom; dus maak ik met mijn schranderheid een beeld. Ik doe dat zo, dat ik zeg: kijk hier eens naar die vlinderpop; de pop gaat open als deze volgroeid is, dan vliegt de mooie vlinder eruit. Zoals de vlinder uit de pop wegvliegt, net zo stijgt de onsterfelijke ziel op uit het lichaam, wanneer de mens sterft.

blz. 185

Man bringt das dem Kinde bei. Schön, aber man wird bemerken, daß, wenn man aus dieser Orientierung heraus das dem Kinde beibringt, so wird es kei­nen sehr starken Eindruck auf das Kind machen. Denn der Lehrer in seiner Gescheitheit glaubt natürlich selber nicht an das Bild, sondern er verdeutlicht nur für das dumme Kind die Unsterblichkeitsfrage in diesem Bilde. Aber es gibt noch eine andere Orientierung, das ist die, daß man selber an das Bild glaubt. Und da kann ich sagen: Wenn man nicht furchtbar gescheit ist, sondern wirklichkeitsverwandt ist, glaubt man selber daran. Da nimmt man das Bild so, daß man sich sagt: nicht ich vergleiche, sondern die Weltordnung selber hat dieses Bild hingestellt; es liegt wirklich im Auskriechen des Schmetterlings auf einer unteren Stufe dasselbe ausgedrückt, versinnlicht vor, was in der

Dat breng je het kind bij. Mooi, maar dan zal je merken dat wanneer je dit uit deze benadering het kind bijbrengt, het op het kind geen erg sterke indruk zal maken. Want de leraar met zijn slimheid gelooft zelf natuurlijk niet aan het beeld, hij verduidelijkt voor het domme kind  met dit beeld alleen maar de vraag naar de onsterfelijkheid. Maar er is nog een ander uitgangspunt en dat is, dat je zelf in het beeld gelooft. En dan kan ik zeggen: wanneer je niet heel slim bent, maar wel in de werkelijkheid staat, geloof je er zelf in. Dan neem je het beeld zo, dat je zegt: ik ben niet degene die de vergelijking maakt, maar de wereldorde zelf heeft dit beeld gebracht; wanneer de vlinder uitvliegt heb je daadwerkelijk op lager niveau, als zinnebeeld uitgedrukt, wat

blz. 185

Unsterblichkeit der Seele vorliegt. Ich kann daran glauben. Merken Sie den Unterschied: wenn ich an meine Bilder selber glaube, mit all­dem, was in meinen Worten liegt, wenn ich sie dem Kinde beibringe, da wirkt die Gesinnung des Lehrers mit auf das Kind. Solche Dinge können Sie unendlich viele finden. Und so wirken auch die Imponde­rabilien mit in der interessanten Frage, die jetzt eben aufgestellt ist. Es handelt sich nicht darum, daß man als Lehrer nun die Ansicht hat:Ich weiß das, das Kind weiß es nicht, und ich frage das nun, als wenn ich es wissen wollte. Nicht wahr, es ist ein großer Unterschied, ob ich das Kind frage etwa über die Schlacht bei Zabern, und ich weiß es, das Kind aber nicht, oder weiß es auch; die Unwahrheit liegt darin­nen, daß ich frage, während ich die Sache schon weiß. Nun kann ich aber die Gesinnung haben, daß mich trotzdem an der Antwort des Kindes etwas interessiert, und ich stelle vorzugsweise die Fragen in der Absicht, nun richtig zu erfahren, was das Kind über die Sache meint. Dann weiß ich wirklich nicht, was das Kind sagen wird. Das Kind sagt mir die Dinge nuanciert. Und wenn ich mir überhaupt als Ideal stelle, wie ich es oftmals betont habe in meinen Vorträgen:

er bij de onsterfelijkheid van de ziel gebeurt. Daar kan ik in geloven. Let op het verschil: wanneer ik zelf in mijn beelden geloof, met alles wat ik in mijn woorden leg, wanneer ik ze het kind bijbreng, werkt ook de gevoelshouding van de leraar op het kind. Je kan oneindig veel van die dingen vinden. En zo doet ook het imponderabele mee bij die interessante vraag die zojuist werd gesteld. Het gaat er niet om dat je als leraar van mening bent: ik weet het, het kind weet het niet en ik vraag het dan, alsof ik het zou willen weten. Er is, niet waar, een groot verschil of het kind iets vraagt over de slag bij Zabern, en ik weet dat, het kind dus niet, of wel, de onwaarheid ligt daar waar ik vraag, terwijl ik het al weet. Nu kan ik echter de gevoelshouding hebben, dat desondanks, me bij het antwoord van kind iets interesseert en ik stel de vragen vooral met de bedoeling duidelijk te krijgen, wat het kind over een zaak zegt. Dan weet ik werkelijk niet, wat het kind gaat zeggen. Het kind zegt me de dingen genuanceerd. En wanneer ik me dan als ideaal stel, zoals ik vaak in mijn voordrachten heb benadrukt

Kein Weiser ist so gescheit, daß er nicht von einem Säugling etwas lernen könnte – ja man kann noch so weit in der Wissenschaft fort­geschritten sein, der Schrei eines Säuglings kann einen viel lehren -, so kann man tatsächlich als Lehrer aus jeder Antwort des Kindes, wenn man die Frage in dieser Gesinnung stellt, lernen zu lehren. Man kann aus jeder Antwort eines Kindes durchaus nicht das herausholen: man will hören, was man weiß, sondern man kann dasjenige kennen­lernen, was das Kind einem sagt. Dann wird man auch seine Frage richtig stellen. Dann wird man sehr häufig zum Beispiel die Frage so formulieren: Was meinst du darüber? Schon in der Betonung der Frage wird etwas liegen, daß man selber als Lehrer neugierig ist, was das Kind antwortet. Es ist wirklich so, daß auf die Imponderabi­lien, die sich abspielen zwischen Kind und Lehrer, viel ankommt. Wenn man das unterbewußte Leben kennt, wie es im Kinde ausgebil­det ist, kommt man auf vieles andere noch. Auf diesem Gebiete liegt ja auch die Frage des Lügenhaften im Unterricht, wenn man es be­stimmt ausdrücken will, wenn der Lehrer vor der Schule steht und

Geen wijze is zo verstandig dat hij niet iets van een zuigeling zou kunnen leren – je kan nog zover in de wetenschap zijn gekomen, de kreet van een zuigeling kan iemand veel leren – zo kan je inderdaad als leraar ook uit ieder antwoord van het kind, wanneer je de vraag met deze gevoelshouding stelt, leren te leren. Je kan uit ieder antwoord van een kind zeker niet halen: je wil horen, wat je weet, maar je kan leren kennen, wat het kind je zegt. Dan ga je ook de vraag juist stellen. Dan zal je heel vaak de vraag zo formuleren: wat bedoel daarmee? Al in de intonatie van de vraag kan iets doorklinken dat je als leraar benieuwd bent naar wat het kind antwoordt. Het is echt zo, dat er veel aankomt op de onweegbare dingen die zich tussen leerkracht en kind afspelen. Wanneer je het onderbewuste leven kent, zoals het in het kind gevormd is, kom je op nog veel meer. Op dit gebied ligt de vraag naar het leugenachtige in het onderwijs, als het dan toch gezegd moet worden, wanneer de leraar voor de klas staat en

blz. 186

aus dem Buche unterrichtet oder sich so hilft, daß er sich die Sachen irgendwie aufgeschrieben hat. Ja, nicht wahr, das ist unter Umstän­den sehr bequem für den Lehrer. Für den Unterricht ist es aber ei­gentlich furchtbar; schon deshalb furchtbar, weil das Kind in seinem Unterbewußtsein sich fortwährend ein Urteil bildet, wenn der Leh­rer mit dem Unterrichtsstoffe so in der Klasse steht. Da spricht das Unterbewußtsein des Kindes: Warum soll ich wissen, was der nicht weiß? Von mir wird verlangt, zu wissen, was der mir aus seinem Bu­che vorliest. Sehen Sie, das ist noch eine viel größere Unwahrheit, die auf diese Weise in die Klasse kommt, als durch das Fragestellen. Selbst beim Diktieren von Übungssätzen soll man vorsichtig sein und nicht aus dem Buche diktieren. Wenn man beachtet, was im Kin­de vorgeht, und das Kind merkt, daß der Lehrer für es Interesse hat und nicht die Frage aus Lügenhaftigkeit stellt, dann ist die Sache eben ganz anders. Auf diese Weise wird man wirklich dazu kommen, keine Lüge mehr zu entwickeln in dem Frage- und Antwortverhältnis zwischen Lehrer und Kind.

uit een boek lesgeeft of dat hij zich zo moet behelpen dat hij de dingen hier of daar opgeschreven heeft. Dat is in bepaalde omstandigheden voor de leraar heel handig. Voor het onderwijs is het eigenlijk vreselijk; alleen daarom al, omdat het kind in zijn onderbewuste voortdurend een oordeel vormt, wanneer de leerkracht met de lesstof zo in de klas staat. Het onderbewuste van het kind zegt: waarom moet ik weten, wat hij niet weet. Van mij wordt verlangd dat ik weet, wat hij mij uit zijn boek voorleest. Kijk u eens, dat is toch een veel grotere onwaarheid die op deze manier de klas binnenkomt, dan door het stellen van vragen. Zelfs bij het dicteren van oefenzinnetjes moet je voorzichtig zijn. Wanner je in de gaten hebt, wat er in het kind gebeurt en het kind merkt dat de leraar in hem geïnteresseerd is en de vraag niet uit leugenachtigheid wordt gesteld, dan liggen de zaken heel anders. Op deze manier zal je er werkelijk toe komen, geen leugen meer te ontwikkelen in de vraag-en antwoordrelatie tussen leraar en kind.

.

[1] GA 306 Die pädagogische Praxis vom Gesichtspunkte geisteswissenschaftlicher Menschenerkenntnis

[2] GA 306 Vragenbeantwoording 2

.

Rudolf Steiner over antroposofisch onderwijs

Rudolf Steiner over pedagogie

Rudolf Steineralle artikelen

.

1815-1701

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 306 – beantwoording van vragen (1)

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com
.

GA 306: vertaling
Inhoudsopgave   voordracht [1]  [2]  [3]  [4]  [5]  [6]  [7]+ [8]
vragenbeantwoordingen 19 april22 april
+vertaald bij Pentagon

RUDOLF STEINER

DE PRAKTIJK VAN DE PEDAGOGIE BEZIEN VANUIT GEESTESWETENSCHAPPELIJKE MENSKUNDE

Acht voordrachten, gehouden in Dornach van 15 tot 22 april 1923, met drie vragenbeantwoordingen en inleidende woorden bij een euritmie-opvoering
[1]

Inhoudsopgave: (ontbreekt in de boekvorm)

Vragenbeantwoording 18 april 1923, bij de 4e voordracht

Blz. 175.e.v.: Kind: lichamelijk-religieuze instelling onder 7 jr.
Hoe moet je godsdienstonderwijs vormgeven.
Religieuze is aangeboren.
Blz. 176. e.v.: Verschil in religieuze beleving onder de 7: lichamelijk en boven de 14: denken; daartussen: gevoel.
2e fase: beelden werken op het gevoel: sympathie en antipathie.
Blz. 177: beelden als voorbereiding voor een eigen religieus oordeel na de puberteit.
Blz. 178: in elk vak iets religieus; in elk vak zit christendom;
Vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school; antroposofie levert de menskunde, geen antroposofie.
Blz. 179: Ontstaan godsdienstonderwijs op de vrijeschool.
Alle vragen bekijken vanuit pedagogische gezichtspunten.

blz. 175

FRAGENBEANTWORTUNG, Dornach, 18.April 1923

Zu einer Frage über den Religionsunterricht.

Es ist ein Mißverständnis dadurch entstanden, daß ja vorläufig ge­schildert worden ist, wie sich das Kind hinsichtlich seiner religiösen Impulse entwickelt. Es ist noch gar nicht in meinen Vorträgen vom Religionsunterricht gesprochen worden, weil ich ja heute überhaupt erst begonnen habe mit dem Pädagogisch-Didaktischen. Dasjenige, was von mir ausgeführt wurde, das ist, daß eine Art physisch-religiö­sen, ich sagte leiblich-religiösen Verhältnisses besteht zwischen dem Kinde und seiner Umgebung. So daß also dasjenige, was das Kind bis zum Zahnwechsel hin einfach durch seine Organisation übt, erst nach der Geschlechtsreife, etwa nach dem 14., 15. Jahr, ins Denken über­geht. Ich habe den Vergleich gebraucht, daß dasjenige, was zunächst auf eine leiblich-geistige Weise sich offenbart, gewissermaßen in ei­ner Unterströmung fortfließt, und dann für das Denken, durch wel­ches die Religion beim Erwachsenen auftritt, erst im 15. Jahre unge­fähr auftritt. Nun ist die Sache aber so, daß ja gerade bei einer natur­gemäßen Pädagogik dasjenige, was in irgendeinem Lebensalter auf­tritt, sorgfältig vorbereitet werden muß in den früheren Lebensepo­chen. 

VRAGENBEANTWOORDING, Dornach 18 april 1923 (n.a.v. de 4e voordracht)

Over het godsdienstonderwijs

Er is een misverstand ontstaan bij wat ik voorlopig schetste als de ontwikkeling van religieuze impulsen bij het kind. Ik heb in mijn voordrachten nog helemaal niet gesproken over godsdienstonderwijs, omdat ik nog maar net begonnen ben met het pedagogisch-didactische. Wat ik heb gezegd is, dat er een vorm is van een lichamelijk-religieuze verbinding tussen het kind en zijn omgeving. Het is wat het kind tot aan de tandenwisseling simpelweg door zijn organisatie oefent, pas na de puberteit, iets na het 14e, 15e jaar gaat dat over op het denken. Ik heb de vergelijking gemaakt dat wat eerst op een lijfelijk-geestelijke manier zich openbaart, zich in zekere zin in een onderstroom openbaart, in zekere zin in een onderstroom verder gaat en dan voor het denken, waardoor bij de volwassene de religie aanwezig is, pas in het 15e jaar ongeveer verschijnt. Nu is het echter zo dat juist bij een natuurlijke vorm van pedagogie(k) dat wat op een of andere leeftijd verschijnt, zorgvuldig moet worden voorbereid in de leeftijdsfasen ervoor.

Und die didaktisch-pädagogische Frage, die nun daraus hervor­geht, ist diese: Wie ist mit Rücksicht auf diese Entwickelungsgesetze des Menschen der Religionsunterricht gerade in der Volksschule ein­zurichten? Das ist eine Frage, die den nächsten Vorträgen als Auf­gabe mit unterliegen wird. Dasjenige, was ich schon voraus sagen möchte, ist nun dieses: Wir müssen uns klar sein, daß wirklich das religiöse Element dem Menschen angeboren ist, zur Menschennatur gehört. Das drückt sich dadurch ganz besonders aus, daß man eben diese religiöse Orientierung des Kindes, wie ich sie beschrieben habe, bis zum Zahnwechsel findet. Dasjenige, was wir nun durch die allge­meine Zivilisation als die Religion der Erwachsenen haben, ist natür­lich eine solche, die in Vorstellungen lebt, oder wenigstens ihren Inhalt

En de didactisch-pedagogische vraag die daaruit volgt is deze: hoe moet je, rekening houdend met deze ontwikkelingswetten van de mens, het godsdienstonderwijs m.n. in de basisschool vormgeven? Dat is een vraag die in de volgende voordrachten als opgave mede behandeld moet worden. Wat ik al bij voorbaat wil zeggen, is dit: we moeten ons er bewust van zijn dat het religieuze bij de mens aangeboren is, bij de natuur van de mens hoort.
Dat komt in het bijzonder tot uitdrukking doordat je deze religieuze oriëntatie van het kind ziet, zoals ik die heb beschreven tot aan de tandenwisseling. Wat we door de algemene beschaving als religie bij volwassenen hebben, is die natuurlijk zo, dat die in voorstellingen leeft, of ten minste een die zijn inhoud krijgt

blz. 176

durch Vorstellungen bekommt, die allerdings vor allen Dingen im Gemüt sich ausleben. Für diesen Vorstellungsinhalt wird der Mensch erst reif nach dem 14. Lebensjahr. Es bleibt uns gerade das volksschulmäßige Lebensalter für die wichtige Frage: Wie haben wir da nun den Religionsunterricht einzurichten? Da kommt in erster Linie in Frage: Worauf müssen wir in diesem Lebensalter vom 7. bis zum 14. Jahr vorzugsweise wirken? In der ersten Lebensepoche bis zum Zahnwechsel wirken wir als erzieherische Umgebung eigentlich auf das Leibliche. Nach der Geschlechtsreife wirken wir im Grunde genommen auf das Urteil, auf die Vorstellung. In der Zwischenpe­riode wirken wir nun gerade auf das Gemüt, das Gefühl. Daher ist auch notwendig, diese Periode einzuleiten damit, daß wir bei den Kindern, die in die Volksschule hineinkommen, mit Bildern anfangen. Die wirken nämlich gerade auf die Empfindung, auf das Gemüt. Die Vorstellung reift allmählich erst heran und wird vorbereitet für das richtige Lebensalter. Nun haben wir ebenso, wie ich es morgen für einzelne Lehrfächer ausführen werde, beim Religionsunterricht dafür zu sorgen, daß wir ihn vor allen Dingen ans Gemüt heranbringen. Und darum handelt es sich also: Was wirkt im Gemüt und auf das Gemüt?

door voorstellingen die weliswaar in de eerste plaats in het gemoed werken. Voor deze voorstellingsinhoud wordt de mens pas rijp na het 14e levensjaar. Voor de basisschoolleeftijd blijft voor ons dan over de belangrijke vraag: hoe moeten we het godsdienstonderwijs daar inrichten. Als eerste vraag: waarop moeten we in de leeftijdsfase van 7 tot 14 jaar voornamelijk werken? In de eerste levensfase tot aan de tandenwisseling werken we als opvoedkundige omgeving eigenlijk in op het lichamelijke. Na de puberteit in hoofdzaak op het oordeel, op de voorstelling. In de tussenperiode werken we nu juist op de ziel, op het gevoel. Daarom is het ook noodzakelijk deze periode bij de kinderen die op de basisschool komen, te beginnen met beelden. Die werken vooral op het inleven, op het gevoel. De voorstelling ontwikkelt zich stap voor stap en wordt voorbereid voor de geschikte leeftijd. Nu hebben we ook, zoals ik morgen voor een paar leervakken uit zal werken, bij het godsdienstonderwijs ervoor te zorgen, dat wij dit in de eerste plaats tot het gemoed laten spreken. En het gaat er dus om: wat werkt er in het gevoel en op het gevoel?

Ja, da wirkt vor allen Dingen dasjenige, was erlebt wird in Sympathien und Antipathien. Wenn wir nun bei dem Kinde gerade zwischen dem 7. und 14. Jahr solche Sympathien und Antipathien ent­wickeln, die da vorbereiten ein richtiges religiöses Urteil, dann tun wir das Rechte. Also sagen wir: Wir richten den Unterricht nicht so ein, daß wir überall Gebote obenan stellen «Du sollst dieses tun, Du sollst jenes nicht tun»; das taugt eben wiederum nicht, gerade für dieses kindliche Alter, sondern wir müssen den Unterricht so einrich­ten, daß das Kind Sympathie bekommt mit dem, was es tun soll. Das behalten wir für uns im Hintergrund, was es tun soll, aber wir stellen in Bildern dasjenige dar, was ihm auch in religiöser Beziehung in hö­herem und sehr gehobenem Sinne sympathisch einfließen soll. Wir versuchen, ihm Antipathie einzuflößen für dasjenige, was es eben nicht soll. Wir versuchen auf diese Weise auch gerade eben durch das Gemütsurteil immer an Hand des Bildes das Kind allmählich hinzuführen von dem Göttlich-Geistigen in der Natur durch das Göttlich-Geistige

In de eerste plaats is dat, wat beleefd wordt in sympathie en antipathie. Wanneer we nu bij het kind tussen het 7e en het 14e jaar die sympathie en antipathie ontwikkelen die een goed religieus oordeel voorbereiden, dan doen we het goed. Dus zeggen we: we richten het onderwijs niet zo in dat we overal de geboden vooropstellen: ‘Je moet dit doen, je moet dat niet doen’, daar heb je voor deze leeftijd niets aan, maar we moeten het onderwijs zo inrichten dat het kind sympathie krijgt voor wat het moet doen. Dat wat het doen moet, houden we wat ons betreft, op de achtergrond, maar we schetsen in beelden wat hem in religieus opzicht in hogere en verheven zin met sympathie toe moet stromen. Wij proberen antipathie te laten beleven voor wat het niet doen moet. Op deze manier proberen ook door het gevoelsoordeel steeds aan de hand van het beeld het kind langzaam te leiden van het goddelijk-geestelijke in de natuur door het goddelijk-geestelijke

blz. 177

im Menschen zu dem Aneignen des Göttlich-Geistigen. Aber das Ganze muß durch Gemüt und Gefühl gehen, gerade im volksschulmäßigen Alter. Also nicht dogmatisch und nicht gebotsmäßig, sondern durchaus das Gemüt, das Gefühl vorbereiten für das­jenige, was dann später in selbstgebildetem Urteil auftreten kann. Und wir werden ganz andere Erfolge erzielen gerade für die religiöse Orientierung des Menschen, als wenn wir in dem Lebensalter, in dem das Kind nicht empfänglich dafür ist, mit Geboten oder Glaubensarti­keln kommen. Wenn wir ihm die Bilder vorweisen und dadurch vor­bereiten dasjenige, worüber sich später der junge Mensch selber ein religiöses Urteil bilden soll, bereiten wir dem Menschen die Mög­lichkeit, dasjenige wirklich durch seine eigene Geistigkeit zu erfas­sen, was er als sein innerstes Wesen erfassen soll, nämlich die reli­giöse Orientierung. Wir lassen gewissermaßen dem Kinde die Frei­heit, sich selber religiös zu orientieren, wenn wir ihm das Religiöse ans Gemüt heranbringen, also in Bildern das Religiöse darbieten, nicht in Glaubensartikeln oder in Geboten. Es ist von ungeheurer Be­deutung, wenn der Mensch dann nach der Geschlechtsreife bis in die Zwanzigerjahre hinein die Möglichkeit hat, das, was er erst im Ge­müt, im Gefühl, ich möchte sagen mit einer gewissen Weite und Viel­seitigkeit aufgenommen hat, aus sich selbst heraus zum Urteil er­hebt. Er bringt sich dann selbst auf den Weg zum Göttlichen. 

in de mens tot het verkrijgen van kennis van het goddelijk-geestelijke. Maar alles moet door het gevoel heen gaan, juist op de basisschoolleeftijd. Maar niet dogmatisch en niet vanuit geboden, maar echt het gevoel, het gemoed voorbereiden voor wat dan later in zelfgevormde oordelen tevoorschijn kan komen. En we zullen heel andere resultaten boeken, juist wat de religieuze oriëntatie van de mens betreft, dan wanneer we op de leeftijd waarop het kind er niet voor openstaat met geboden en geloofsartikelen bij hem aankomen. Wanneer we hem de beelden geven en daardoor voorbereiden waarover de jonge mens later zelf een religieus oordeel moet vormen, stellen we de mens in de gelegenheid werkelijk door zijn eigen geestelijke gesteldheid te bevatten wat hij als zijn meest innerlijke wezen bevatten moet, namelijk de religieuze oriëntatie. We laten in zekere zin het kind de vrijheid zich religieus te oriënteren, wanneer we hem het religieuze in zijn gemoed leggen, dus in beelden het religieuze aanbieden, geen geloofsartikelen of geboden.
Het is onnoemlijk belangrijk wanneer de mens dan na de puberteit tot in zijn twintigste levensjaar de mogelijkheid heeft om wat hij eerst in zijn gemoed, zijn ziel, ik zou willen zeggen met een bepaalde weidsheid en veelzijdigheid in zich opgenomen heeft, uit zichzelf tot oordeel verheft. Dan begint hij zelf aan de weg naar het goddelijke.

Es ist ein großer Unterschied, ob das Kind in der Zeit, in der es auf Auto­rität eingestellt ist, durch die Autorität eine festbestimmte Richtung bekommt oder ob es so geführt wird, daß es die religiöse Orientie­rung bei seinem Erzieher oder Lehrer sieht, daran bildhaftig sich hin­aufrankt und dann später schöpfen kann daraus das «Du sollst», «Du sollst nicht». Nachdem es zuerst Gefallen oder Mißfallen gefunden hat an dem, was herauskommt als «Du sollst», «Du sollst nicht», nach­dem es in bildhafter Naturanschauung erkennen gelernt hat, wie das Gemüt frei wird durch die Vorstellung eines göttlich-geistigen We­bens in Natur und Geschichte, kommt es selber darauf, sich die Vorstellungen zu bilden. Es bekommt die Möglichkeit, die religiöse Erzie­hung aus dem Zentrum des Lebens zu bekommen, zu dem man erst mit der Geschlechtsreife herankommt. Also darum handelt es sich, aus diesen

Het maakt veel uit of het kind in de tijd waarin het zich richt op de autoriteit, door de autoriteit een vaste richting geboden krijgt of dat hij zo begeleid wordt dat hij de religieuze oriëntatie bij zijn opvoeder of leraar ziet, daar zich als voorbeeld aan optrekt en dan later daarvanuit  het ‘je moet’, ‘je moet niet’ kan halen. Nadat het eerst welgevallig of met tegenzin iets vond van wat er ontstaat als ‘je moet’, ‘je moet niet’, nadat het beeldend de natuur heeft leren kennen, hoe de ziel vrij wordt door de voorstelling van een goddelijk-geestelijke werking in de natuur of de geschiedenis, komt het er zelf op zich voorstellingen te vormen. Hij krijgt de mogelijkheid de religieuze opvoeding uit het centrum van het leven te ontvangen waaraan je pas toe bent met de puberteit. Dus gaat het erom uit deze

blz. 178

Untergründen, die aus Menschenerkenntnis gewonnen werden, das Spätere in richtiger Weise vorzubereiten. Ich habe es dargestellt in den Vorträgen, indem ich einen Vergleich gebraucht habe mit einem Fluß, der versinkt und weiter unten wieder hervorkommt. Der Mensch ist in den ersten 7 Jahren religiös eingestellt. Das tritt nun in die Tiefen des Gemütes hinein, wird ganz seelisch, kommt an die Außenfläche erst wiederum als Denken mit der Geschlechtsreife Und nun müssen wir in die Tiefen seiner Seele hineinwirken durch eine uns persönliche Gemütsoffenbarung. Wir bereiten dadurch für das Kind vor, was es zum religiösen Menschen macht, während wir das verhindern, wenn wir ihm nicht die Möglichkeit bieten, aus dem ei­genen Zentrum seines Wesens heraus die religiöse Orientierung zu gewinnen. Diese eigene religiöse Orientierung liegt im Menschen­wesen. Sie muß nach dem 15. Jahr gewonnen werden. Wir mussen sie vorbereiten in richtiger Weise. Darum muß auch der Religionsunter­richt gestaltet werden wie der andere Unterricht in diesem Lebens­alter; er muß bildhaft aufs Gemüt wirken, muß dem Kinde Gefühis­anregungen geben. Bis in die Mathematik hinein kann man in jedes Unterrichtsfach einen religiösen Zug bringen. 

bronnen die uit menskunde verkregen worden, dat wat later komt, op de juiste manier voor te bereiden. Ik heb het in de voordrachten weergegeven toen ik een vergelijking maakte met een rivier die verdwijnt en verderop beneden weer tevoorschijn komt. De mens is in de eerste 7 jaar religieus ingesteld. Dat gaat naar de diepte van het gevoel en wordt helemaal gevoelsleven en komt pas met de puberteit aan de oppervlakte als denken. En dan moeten wij op de diepten van zijn ziel inwerken door wat voor ons een persoonlijke uiting is van ons gevoel. Daardoor bereiden we voor, wat het tot een religieus mens maakt, terwijl we dat verhinderen, wanneer we hem niet de mogelijkheid bieden vanuit de eigen kern van zijn wezen de religieuze oriëntatie te verkrijgen. Deze eigen religieuze oriëntering ligt in het mensenwezen. Die moet na het 15e jaar er zijn. Wij moeten die op een goede manier voorbereiden. Daarom moet ook het godsdienstonderwijs op deze leeftijd gevormd worden zoals het andere onderwijs; het moet beeldend op het gevoel werken, moet het kind gevoelsprikkels geven. Tot aan het wiskundeonderwijs kan je in elk vak iets religieus brengen.

Und daß das der Fall ist, das werden diejenigen spüren, die einmal den Waldorfschulunter­richt kennen. Da ist wirklich eigentlich in allen einzelnen Fächern Christentum darinnen, bis in die Mathematik hinein ist Christentum darinnen. Es liegt überall der religiöse Zug zugrunde. Nur eben sind wir ja wegen der heutigen Verhältnisse in die Notwendigkeit ver­setzt, den eigentlichen Religionsunterricht, weil wir keine Weltan­schauungsschule sind, sondern eine pädagogische Schule, und weil wir eigentlich nur den Wert darauf legen, daß bei uns nach naturge­mäßer Methodik gelehrt wird – wir haben Anthroposophie eben des­halb zugrunde gelegt, weil wir glauben, daß daraus eine wirklich richtige Pädagogik herausquillt, aber wir wollen nicht Anthroposo­phen dressieren in der Waldorfschule ; deshalb ist es so, daß wir den katholischen Religionsunterricht von katholischen Pfarrern, den evan­gelischen Religionsunterricht von evangelischen Pfarrern erteilen las­sen. Diejenigen, die nun von unseren Lehrern selber unterrichtet werden, das sind eigentlich die Kinder, die zumeist heute Dissidentenkinder

En dat dit het geval is, zullen diegenen  die het vrijeschoolonderwijs kennen wel gewaarworden. In alle op zich staande vakken zit christendom, tot in de wiskunde aan toe zit christendom. Overal ligt het religieuze aan de basis. Alleen zijn we nu door de huidige omstandigheden genoodzaakt, het eigenlijke godsdienstonderwijs, omdat we geen wereldbeschouwelijke school zijn, maar een pedagogische school en omdat wij er eigenlijk alleen de nadruk op leggen dat bij ons volgens een natuurlijke methode onderwezen wordt — we hebben de antroposofie juist daarom als basis, omdat we geloven dat daaruit een echt goede pedagogie voort kan komen,  willen wij geen antroposofische dressuur in de vrijeschool —  de katholieke godsdienstles door katholieke pastoors, het evangelische godsdienstonderwijs door evangelische pastors te laten geven. De kinderen die nu van onze leraren zelf les krijgen, zijn eigenlijk de kinderen die tegenwoordig dissidentenkinderen

blz. 179

wären, also keinen Religionsunterricht bekommen würden. Es ist eine überraschende Tatsache, daß das die weitaus größte Ma­jorität der Waldorfschulkinder ist. Die kommen nun alle zu dem so-genannten freien Religionsunterricht, der im Grunde genommen nur dasjenige dann zusammenfaßt, was den ganzen Unterricht doch ei­gentlich beherrscht. Dieser freie Religionsunterricht, der macht uns eigentlich recht viel Sorge. Wir stehen in bezug auf diesen Unter­richt in einem ganz besonderen Verhältnis zur Schule. Wir betrach­ten alle übrigen Fächer als dasjenige, was durch anthroposophische Forschung als notwendige pädagogisch-didaktische Methodik da sein muß. Den freien religiösen Unterricht erteilen wir selbst, indem wir uns ebenso fühlen in der Schule drinnen stehend wie der katholische und evangelische Religionslehrer. Den erteilen wir als Fremde drin­nen.

zouden zijn, dus geen godsdienstonderwijs zouden krijgen. Het is heel verrassend dat dit verreweg de overgrote meerderheid van de vrijeschoolkinderen betreft. Die komen nu allemaal naar het zgn. vrijegodsdienstonderwijs dat in de grond van de zaak alleen maar samenvat, waar uiteindelijk het hele onderwijs door bepaald wordt. Dit vrijegodsdienstonderwijs baart ons echt veel zorgen. We bevinden ons met dit onderwijs in een heel bijzondere positie wat de school betreft. We beschouwen alle overige vakken als iets wat door antroposofisch onderzoek als noodzakelijke pedagogisch-didactische methodiek aanwezig moet zijn. Het vrijegodsdienstonderwijs geven we zelf, wanneer we ons net zo in de school voelen staan als de katholieke en evangelische godsdienstleraren. Dat geven we als buitenstaanders.

Wir wollen nicht eine Weltanschauungs- oder Konfessionsschule haben, auch nicht in anthroposophischem Sinne, aber schließlich wird natürlich gerade die anthroposophische Methodik recht fruchtbar in diesem freien Religionsunterricht, in dem nicht etwa Anthroposophie gelehrt wird, sondern in dem so gearbeitet wird, wie ich es jetzt me­thodisch charakterisiert habe. Man wendet allerlei ein gegen diesen freien Religionsunterricht, zum Beispiel, daß so furchtbar viele Kin­der von dem anderen Religionsunterricht hinüberlaufen zu dem freien. Das macht sehr viele Schwierigkeiten, weil wir einen Religionslehrer nach dem anderen anstellen mußten und nicht mehr genügend Leute haben dafür. Wir können nichts dafür, daß die Kinder hinüberlaufen, von dem anderen Religionsunterricht fortlaufen. Das liegt nur darin­nen, daß die anderen eben nicht die Methodik haben, die in unserem Religionsunterricht drinnen ist. Uns kommt es auch beim Religions­unterricht auf die richtige Pädagogik an.

Wij willen geen wereldbeschouwelijke- of een confessionele school hebben, ook niet in antroposofische zin, maar uiteindelijk wordt natuurlijk de antroposofische methodiek pas vruchtbaar in deze vrije godsdienstlessen, waarin niet zoiets als antroposofie aangeleerd wordt, maar waarin zo gewerkt wordt, zoals ik  zo-even de methode gekarakteriseerd heb.
Men oppert allerlei bezwaren tegen dit vrijegodsdienstonderwijs, bijv. dat er enorm veel kinderen van het andere godsdienstonderwijs overlopen naar het vrije. Dat levert veel problemen op omdat wij de ene godsdienstleraar na de andere moeten aanstellen en we er niet genoeg mensen voor hebben. Wij kunnen er niets aan doen dat de kinderen overlopen, weggaan van het andere godsdienstonderwijs. Dat heeft ermee te maken dat de anderen de methodiek niet hebben die in ons godsdienstonderwijs zit. Voor ons komt het ook in het godsdienstonderwijs op de juiste pedagogie(k) aan.

Auf eine weitere Frage.

Das Charakteristische derWaldorfschule soll sein, alle Fragen vom Gesichtspunkte der Pädagogik aus zu betrachten, also auch den Reli­gionsunterricht. Nun wird aber gerade Herr Pfarrer X. zugeben, daß die beiden angeführten Richtungen: die Frage der Ersetzung des Re­ligionsunterrichts durch moralischen Unterricht und die konfessionelle

Op een andere vraag:

Het karakteristieke van de vrijeschool moet zijn om alle vragen te bekijken vanuit pedagogische gezichtspunten, dus ook het godsdienstonderwijs. Maar pasto(o)r X zal toch moeten toegeven dat de beide genoemde tendensen: de vraag naar het vervangen van het godsdienstonderwijs door moreel onderwijs en de vraag naar de confessionele

blz. 180

Schule, daß die von ganz anderen Gesichtspunkten aus aufge­worfen werden. Vor allen Dingen die Ersetzung des Religionsunter­richtes durch den Moralunterricht wird von denjenigen Menschen aufgeworfen, wekhe überhaupt in der Zivilisation die Religion besei­tigen wollen, welche die Religion als etwas mehr überflüssig Gewor­denes halten. Die wollen natürlich keine Religion, sondern Moralun­terricht. Auf der anderen Seite geht natürlich aus dem Hinneigen zu den dogmatischen Konfessionen die Sehnsucht hervor, die Schule kon­fessionell zu gestalten. Das sind aber keine pädagogischen Gesichts­punkte. Aber damit man auch etwas Präzises verbindet mit dem, was da Pädagogik genannt werden muß, möchte ich sagen: Was ist denn eigentlich der pädagogische Gesichtspunkt? Der pädagogische Ge­sichtspunkt kann nur der sein, vorauszusetzen, daß der Mensch, wie es ja selbstverständlich ist, zunächst in seinem kindlichen oder jugend­lichen Lebensalter nicht ein ganzer Mensch ist, sondern erst einer werden muß; daß man erst Mensch wird im Verlauf des Lebens. Man muß also alle menschlichen Anlagen zur Ausbildung bringen.

school, van heel andere gezichtspunten uit gesteld worden.
Met name het vervangen van het godsdienstonderwijs door moreel onderwijs wordt als vraag opgeworpen door mensen die juist in de samenleving de religie aan de kant zouden willen zetten, die de religie meer voor iets houden dat overbodig is geworden. Die willen natuurlijk geen religie, die willen moreel onderwijs. Aan de andere kant roept het hangen aan de dogmatische godsdiensten het verlangen op de school confessioneel vorm te geven. Maar dat zijn geen pedagogische gezichtspunten. Maar om nu ook iets exacts te verbinden aan wat pedagogie(k) genoemd moet worden, zou ik willen zeggen: wat is dan eigenlijk het pedagogische gezichtspunt? Dat kan alleen dit zijn, dat de mens, vanzelfsprekend natuurlijk, om te beginnen in zijn kindertijd of in de jeugd nog niet het volledige menszijn bereikt heeft; daar moet het nog naartoe groeien; men wordt pas mens in de loop van het leven. Je moet dus alle menselijke kwaliteiten ontwikkelen.

Das ist zuletzt die abstrakteste Form des pädagogischen Gesichtspunktes. Wenn nun jemand vom pädagogischen Standpunkte aus spricht und sagt, aus der Menschenerkenntnis, die zugrunde liegt der Pädagogik, daß das Kind überhaupt schon religiös eingestellt zur Welt kommt, daß es in den ersten 7 Lebensjahren sogar seine Leiblichkeit religiös eingestellt hat, dann muß es einem vorkommen, daß, wenn man den Religionsunterricht ersetzen will durch Moralunterricht, wie wenn man ein physisches Glied des Menschen, ein Bein, nicht ausbilden wollte, weil man zu der Ansicht übergehen würde: der Mensch braucht alles, aber nicht die Beine auszubilden. Das weglassen zu wollen, was zum Menschen gehört, das kann entspringen einem Fanatismus, aber niemals einer Pädagogik. Insofern hier überall pädagogische Grundsätze verfochten werden, pädagogische Impulse ins Auge gefaßt wer­den, folgt die Notwendigkeit des Religionsunterrichtes durchaus vom pädagogischen Gesichtspunkte. Daher haben wir, wie ich schon sagte, für diejenigen Kinder, die sonst konfessionslos wären, also keinen Religionsunterricht hätten nach dem Württembergischen Schulgesetz, den freien Religionsunterricht eingerichtet. Dadurch haben wir gar

Dat is uiteindelijk de meest abstracte vorm van het pedagogische gezichtspunt. Wanneer er iemand vanuit een pedagogisch standpunt spreekt en zegt dat, vanuit de menskunde die aan de pedagogie(k) ten grondslag ligt, het kind eigenlijk met een religieuze inslag ter wereld komt, dat het in de eerste 7 jaar zelfs lichamelijk een religieuze inslag heeft, dan lijkt het zo dat wanneer je het godsdienstonderwijs wil vervangen door moreel onderwijs, alsof je een fysiek deel van de mens, een been, niet zou willen ontwikkelen, omdat je tot de mening overhelt: de mens heeft alles nodig, maar niet dat hij zijn benen sterker maakt. Willen weglaten wat bij de mens hoort, kan uit fanatisme tevoorschijn komen, maar nooit uit pedagogie(k). In zoverre hier overal voor pedagogische basisregels gepleit wordt, pedagogische impulsen in het oog gevat worden, volgt de noodzaak van religieuze onderwijs vanuit pedagogische gezichtspunten. Vandaar dat wij, zoals ik al zei, voor de kinderen die anders geen godsdienst zouden hebben, dus geen godsdienstonderwijs volgens de Württembergse schoolwet, het vrije religieuze onderwijs in het leven hebben geroepen. Daardoor hebben wij zelfs

blz. 181

keine Kinder in der Waldorfschule ohne Religionsunterricht; denn in den freien Religionsunterricht kommen diese alle. Wir haben da­durch die Möglichkeit, gerade wiederum das religiöse Leben in die Schule zurückzuführen. Das wird vielleicht die beste religiöse Er­neuerung sein, wenn man davon spricht, das religiöse Leben in der Schule richtig zu pflegen, wenn man es dahin bringt, dasjenige, was heute als religionslose Aufklärung wirkt, dadurch zu bekämpfen, daß man einfach appelliert an die ursprüngliche religiöse Anlage des Men­schen. Ich betrachte das als eine Art von Erfolg in der Waldorfschule, daß wir die Dissidentenkinder auf diese Weise zum Religionsunter­richt gebracht haben. Die katholischen und evangelischen Kinder wä­ren ja zu ihrem Religionsunterricht gekommen, aber es war wirklich nicht so leicht, diejenige Form zu finden, die nun allen andern Kin­dern wiederum Religionsunterricht zuwendet. Das ist vom pädago­gischen Standpunkte aus angestrebt worden bei uns

op de vrijeschool geen kinderen zonder godsdienstonderwijs; want naar het vrije religieuze onderwijs komen ze allemaal. Daardoor hebben wij juist weer de mogelijkheid het religieuze leven in de school terug te brengen. Het zal wellicht de beste religieuze vernieuwing zijn, wanneer je ervan spreekt het religieuze leven op school goed te behartigen, als je zover komt dat wat tegenwoordig als religieuze verlichting werkt, dat tegen te werken door simpelweg te appelleren aan de oorspronkelijke religieuze aanleg van de mens. Ik zie het als een gevolg van de vrijeschool dat wij de afvallige kinderen op deze manier bij het godsdienstonderwijs hebben kunnen laten komen. De katholieke en evangelische kinderen zouden toch wel naar hun godsdienstonderwijs zijn gekomen, maar het was echt niet zo gemakkelijk die vorm van religieus onderwijs te vinden die voor alle andere kinderen open staat. Dat is bij ons vanuit een pedagogisch standpunt nagestreefd.

.

[1] GA 306 Die pädagogische Praxis vom Gesichtspunkte geisteswissenschaftlicher Menschenerkenntnis

[2] GA 306 Vragenbeantwoording 1

.

Rudolf Steiner over antroposofisch onderwijs

Rudolf Steiner over pedagogie

Rudolf Steineralle artikelen

.

1813-1699

.

.