Categorie archief: vrijeschool didactiek

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 3 (3-3-1)

.

Enkele gedachten bij blz. 62 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA295) [3]

In [3-3] zet Steiner uiteen hoe bepaalde opvattingen – in dit geval die van Robert Mayer over stof en kracht – zodanig kunnen worden geïnterpreteerd dat ze een reële kennis over de mens in de weg staan, die onmogelijk maken.

Op blz. 48/49 in de vertaling legt hij dit nader uit en op blz. 62 komt hij er nogmaals op terug.

Dan klinkt ook zijn verzuchting dat ‘veel van wat in ons denken leeft, verkeerd is.’

Daarvan geeft hij een voorbeeld uit de natuurkunde: de wet van de ondoordringbaarheid van lichamen.

Ik heb die wet in 1961 nog zo moeten leren, als Steiner deze hier weergeeft:

op de plaats in de ruimte waar zich een lichaam bevindt kan zich niet tegelijkertijd een ander lichaam bevinden.

Dat is een axioma*, een aanname, zegt Steiner. Het wordt voorgesteld als een algemene eigenschap van lichamen.

*Een axioma (of postulaat) is in de wiskunde en logica sinds Euclides en Aristoteles een niet bewezen, maar als grondslag aanvaarde bewering. Een axioma dient zelf als grondslag voor het bewijs van andere stellingen.

In deze definitie wordt ‘axioma’ gelijk gesteld aan ‘postulaat’, terwijl je uit de woorden van Steiner kan opmaken dat de betekenis van ‘postulaat’ (in die tijd?) nog iets anders is: een vorm van ‘uitgangspunt’: ‘in de 17e eeuw wellicht zo geïnterpreteerd dat men het bedoelde vermoeden voorlopig zonder bewijs als juist wil aanvaarden.’ Bron

In die zin wil Steiner postulaten opstellen, geen axioma’s.

Wat er in de natuurkunde over ‘lichamen’ wordt beweerd, is volgens Steiner ‘een voorstelling van een algemene eigenschap van lichamen. Men zou zich echter moeten beperken tot:

de lichamen of wezens die zo zijn, dat er op de plaats in de ruimte waar zij zijn tegelijkertijd niet een ander wezen van dezelfde aard kan zijn, die zijn ondoordring­baar.

Men zou de begrippen alleen moeten gebruiken om een bepaald gebied van een ander af te grenzen; men zou slechts postulaten op moeten stellen, maar geen definities geven die pretenderen universeel te zijn.

De betreffende tekst:

blz. 62/63    vert. 62

Sie sehen, in welcher Richtung manches, was in unserem Denken lebt, verkehrt ist. Wir stellen etwas auf, wie zum Beispiel das Gesetz von der Erhaltung der Kraft und des Stoffes, und prok1amieren es als ein Weltgesetz. Dem liegt zugrunde ein gewisser Hang unseres Vorstellungslebens, unseres Seelenlebens überhaupt, in einseitiger Weise zu beschreiben, während wir nur Postulate aufstellen sollten aus dem, was wir in unserem Vorstellen entwickeln. So finden Sie zum Beispiel in unseren Physikbüchern das Gesetz von der Undurchdringlichkeit der Körper als ein Axiom aufgestellt: An der Stelle im Raume, wo ein Körper steht, kann zu gleicher Zeit kein anderer sein. – Das wird als allgemeine Eigenschaft der Körper hingestellt. Man sollte aber nur sagen: Diejenigen Körperlichkeiten oder Wesenheiten, welche so sind, daß an der Stelle des Raumes, wo sie sind, zu gleicher Zeit kein anderes Wesen gleicher
#SE293-063
Natur sein kann, die sind undurchdringlich. – Man sollte bloß die Begriffe dazu verwenden, um ein gewisses Gebiet von einem anderen abzugliedern, man sollte bloß Postulate aufstellen, sollte keine Definitionen geben, die den Anspruch erheben, universell zu sein.

U ziet in welk opzicht veel van wat in ons denken leeft ver­keerd is. We formuleren iets — zoals bijvoorbeeld de wet van het behoud van kracht en stof – en proclameren het als een wereldomvattende wet. Daaraan ligt een zekere neiging van ons voorstellingsleven ten grondslag, van ons zieleleven in het alge­meen, om een eenzijdige beschrijving te geven, terwijl we ei­genlijk op grond van hetgeen wij met onze voorstelling ontwik­kelen alleen postulaten zouden moeten opstellen. Zo vindt u bijvoorbeeld in onze natuurkundeboeken de wet van de on­doordringbaarheid van lichamen. Dat is een axioma: op de plaats in de ruimte waar zich een lichaam bevindt kan zich niet tegelijkertijd een ander lichaam bevinden. Dat wordt voorge­steld als een algemene eigenschap van lichamen. Men zou zich moeten beperken tot: de lichamen of wezens die zo zijn, dat er op de plaats in de ruimte waar zij zijn tegelijkertijd niet een ander wezen van dezelfde aard kan zijn, die zijn ondoordring­baar. Men zou de begrippen alleen moeten gebruiken om een bepaald gebied van een ander af te grenzen; men zou slechts postulaten op moeten stellen, maar geen definities geven die pretenderen universeel te zijn.

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 3 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1893-1777

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 4 (4-1)

.
ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

*GA 293
Vertaling

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken bij alle voordrachten.
De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

over gevoel en wil

Blz. 62    vert.

Steiner begint deze voordracht met nieuwe karakteristieken over de ziel en de wil.
Omdat deze voordracht over de wil gaat, ligt het voor de hand dat hij die ook als uitgangspunt neemt. Hij stelt er een bepaalde voorwaarde bij:

Erst wenn man den Willen wirklich erkennt, kann man auch wenigstens einen Teil der anderen Gemütsbewegungen erkennen, einen Teil der Gefühle. 

Pas wanneer men de wil werkelijk doorgrondt, kan men ook de andere roerselen van het gemoed – althans een deel daarvan – doorgronden, een deel van de gevoelens dus.

We hebben al gezien in welk gebied van de mens ‘de wil in een bepaalde vorm’ invloed heeft op de gevoelens, n.l. in het gebied van de gewaarwordingen die nauw verbonden zijn aan de etherkrachten.
Uiteraard is dit weer een andere karakteristiek, maar zoals we ook al ervaren hebben, zijn alle gezichtspunten een deel van het geheel en kunnen als zodanig het geheel beter doen begrijpen.

Uit [1-7-2/3] waarin dit dus al aan de orde kwam:

‘Weten’ dat je leeft, is m.i. afstandelijker dan ‘voelen’ dat je leeft. Meestal wordt gezegd: ‘dan voel je pas dat je leeft’, uitgesproken wanneer je je ‘lekker’ voelt, goed in je vel zit; iets beleefd hebt wat fijn was, kortom iets in de sfeer van de gevoelens die dicht bij genotservaringen liggen. Wanneer je die gevoelens nader bij je zelf onderzoekt, merk je dat ze veelal ‘primair’ zijn: ze hebben direct te maken met je welbevinden. Maar ook dat ze sterk verbonden zijn met elementaire levensbehoeften.
De taal geeft ook hier weer een rijke ondersteuning om het gebied in ons te leren kennen, waar deze belevingen zich afspelen. Bij ‘levens’-behoefte’ voel je dat je ‘iets’ om te kunnen leven, nodig hebt, er is een verlangen naar, of als dit sterker wordt: een begeerte, je hebt ‘zin in’, ‘trek in’, ‘lust om’ enz. Honger, dorst, ze moeten als gevoel bevredigd worden; om te (over)leven ontstaat er een drang, een dwang om aan voedsel te komen – om jezelf in stand te houden moet je wel. In die sfeer van overlevingskrachten liggen ook de primaire seksuele krachten – om de soort in stand te houden moet er voortplanting zijn.

Het moge duidelijk zijn dat we hier dan ‘met een deel van de gevoelens’ te maken hebben.

ZIEL

Steiner heeft de ziel gekarakteriseerd als ‘een vermogen om de buitenwereld tot binnenwereld te maken en de binnenwereld tot buitenwereld.’

In [1-7-2/6] gaf ik het voorbeeld van de bakkerij waar je langsloopt en waaruit op dit ogenblik de geuren van versgebakken gevulde speculaas je neus bereiken. Die geur roept een bepaald verlangen, een bepaalde begeerte op om een stukje in de mond te krijgen, m.a.w. je wil de bakkerij binnengaan en je wil een stukje kopen.
Je staat met die gevoelens nog voor de etalage – je bent nog niet naar binnen gegaan, m.a.w. je hebt je gevoel nog niet omgezet in een wilsdaad, in ‘wil’. Je gevoel is er. Zolang je die bakkerij niet binnengaat en niets koopt, is je gevoel nog niet door een wilsdaad ten uitvoer gebracht.
Vanuit de wil bezien, is je gevoel nog niet uitgevoerd, is nog teruggehouden.

Ga ik naar binnen: ik volg mijn gevoel: in een wilsdaad wordt het gevoel uitgevoerd; ga ik niet, volgt er geen wilsdaad: afgestompte wil.

Steiner probeer hier a.h.w. gevoel en wil tegelijkertijd te bekijken en te benoemen:

Ein Gefühl ist mit dem Willen sehr verwandt. Wille ist, ich möchte sagen, nur das ausgeführte Gefühl, und das Gefühl ist der zurückgehaltene Wille. Der Wille, der sich noch nicht wirklich äußert, der in der Seele zurückbleibt, das ist das Gefühl; ein abgesturnpfter Wille ist das Gefühl.

Een gevoel is zeer verwant aan de wil. Men kan zeggen dat de wil in feite het tot uitvoering gebrachte gevoel is en het gevoel de teruggehouden wil. De wil die zich nog niet werkelijk uit, die in de ziel blijft, dat is het gevoel; het gevoel is afgestompte wil.

Vandaar:

Daher wird man das Wesen des Gefühls auch erst dann verstehen, wenn man das Wesen des Willens durchdringt.

Daarom zal men het wezen van het gevoel ook pas begrijpen, wanneer men het wezen van de wil doorgrondt.
GA 293/62
Vertaald/62

In deze voordracht komt dit onderwerp nog terug:

Gefühl ist werdender, noch nicht gewordener Wille.

Het gevoel is op weg wil te worden, maar is nog geen wil geworden.
GA 293/75
Vertaald/74 

In de 5e voordracht behandelt Steiner ook ‘de andere kant van het gevoel’: het denken. Het gevoel is dan de teruggehouden gedachte, het nog niet tot gedachte geworden gevoel; de gedachte is dan: het tot gedachte geworden gevoel, een uitgevoerd gevoel, nu naar de denkkant.

Is een gevoel eenmaal gedachte geworden, dan zou je ook kunnen zeggen dat ‘het gevoel in de gedachte is gestorven. De gedachte a.h.w. als het ‘gevoel van gisteren’. En via deze beschouwing zie je weer dat het denken telkens weer een ‘verleden’ kant heeft; in dit opzicht niet meer de realiteit van het gevoel heeft, dus t.o.v. het gevoel ook ‘unter-reaal‘ is geworden. 
De toekomstige kant ligt opnieuw bij de wil. Om tot ‘uitgevoerd gevoel’ te komen, moet er eerst gevoel ontstaan: eerst moet de beleving er zijn, moet nog komen; die realiteit is er nog niet: ‘über-reaal‘.

Wanneer je met deze karakteristiek van het gevoel naar ‘het leven’ kijkt, zie je veel in de gedragingen van mensen, wat hierop terug te voeren is, m.a.w. wat hierdoor begrepen kan worden.

Wanneer je iemand een bepaald voorstel doet, roept dit op dat ogenblik een gevoel, gevoelens op. Daarbij kan iemand ‘bedenkelijk’ kijken. Hij wil er ‘bedenktijd’ voor. Het gevoel wordt hier tot gedachte.
Het kan ook zijn dat iemand zegt: ‘Beter vandaag nog begonnen, dan morgen’, Het gevoel wil uitgevoerd worden, wilsdaad worden.

Tegen iemand wordt iets gezegd wat door deze persoon gevoeld wordt als een zware belediging. Woede is het gevolg en als deze niet wordt ‘opgekropt’ (richting ‘krop=keel=hoofd!) wordt deze ‘bekoeld’ waarbij de ledematen daar uiting aan geven: een ‘handgemeen’ als gevolg; het gevoel komt door een daad naar buiten: wordt wil.

Vandaar de wijze raad wanneer je boosheid in je op voelt komen om eerst even tot tien te tellen=boosheid ‘sterft (af) in het denken.

In de klas

Wanneer je met kleinere kinderen naar buiten wil om bv. een spel te spelen en je begint de aankondiging met: ‘Kinderen we gaan naar buiten’, bestaat de kans dat er veel kinderen opstaan of daadwerkelijk al op weg zijn. De gebruikte woorden ‘zo dadelijk’ of ‘straks’ in je openingszin helpen niet. 
Bij het kind – aldus Steiner – zijn gevoel en wil veel directer met elkaar verbonden dan bij de oudere bij wie juist gevoel en denken een grotere eenheid vormen.
Die directere verbondenheid van gevoel en wil bij het kind merk je o.a. aan dit soort verschijnselen.
Je zal dus eerst min of meer beeldend moeten schetsen hoe zo’n spelletje gaat – niet te lang – dan snel de voorbereiding voor een ordelijk naar buiten gaan (stil in de gang!) en buiten gekomen vrijwel meteen spelen. 

Wanneer je een schilderles geeft en je deelt eerst alle spullen uit, is het voor veel jongere kinderen moeilijk ervan af te blijven. De vingers jeuken a.h.w. om te beginnen. Dus: eerst de opdracht uitleggen, spullen uitdelen en beginnen.
(Bij oudere kinderen moet dit niet meer nodig zijn: ook ‘beheersing’ leren is een goede zaak).

Deze ‘antroposofische’ psychologie blijkt heel dicht bij de levenswerkelijkheid te staan.
Ook bij de werkelijkheid in de klas. Leren de jongere kinderen via wil en gevoel of spreken we direct het hoofd aan. Is dit laatste het geval – m.n. bij kleuters – dan zit je dus ‘in het verkeerde gebied’, m.a.w. je bent enerzijds ‘te vroeg’ en anderzijds verwaarloos je nu net dat ‘wat de kleuter of het jongere kind is’, de realiteit waarin dit kind leeft. Daar dit leven niet te respecteren, het a.h.w. te verwaarlozen, doe je het kind tekort!

.

*GAGesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 4: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1891-1776

.

.

**

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 297 – voordracht 7

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com
.

RUDOLF STEINER

BASISGEDACHTEN EN PRAKTIJK VAN DE VRIJESCHOOL

9 voordrachten, een bespreking en vragenbeantwoording tussen 24 augustus 1919 en 29 december 1920 in verschillende plaatsen [1]

GA 297: vertaling
Inhoudsopgave   voordracht   [1]  [2]  [3]  [4]  [5]  [6]  [8]  [9]

vragenbeantwoording bij de 5e vdr.;  vragenbeantwoording bij de 6e vdr.;
bespreking van pedagogisch-psychologische vragen; vragenbeantwoording bij de 9e vdr.
.

ERZIEHUNG UND SOZIALE GEMEINSCHAFT
VOM GESICHTSPUNKT DER GEISTESWISSENSCHAFT

Opvoeding en sociale gemeenschap vanuit het gezichtspunt van de geesteswetenschap

Inhoudsopgave 7e voordracht

Blz. 190: geesteswetenschap en natuurwetenschap;
Blz. 191: geesteswetenschap maakt verdere ontwikkeling mogelijk;
Blz. 192: scholing; wat geesteswetenschap aan de pedagogie kan bijdragen
Blz. 193: nabootsing; na tandenwisseling vorming v.h. geheugen; spel van vóór de tandenwisseling metamorfoseert zich en komt terug in je twintiger jaren;
Blz. 194: het gaat om de wil, niet om het intellect; kunstzinnigheid vooral bij het concentionele; niet-Nederlandse talen; euritmie; oordeelsvermogen vóór 9e jr.; in beelden die je gebruikt moet je zelf geloven
Blz.195 e.v.: over sociale driegeleding; democratie alleen voor rechtsleven; economisch leven te bestuderen door producent en consument; geestesleven vrij

Die Niederschrift dieses Vortrages fand sich im Bundesarchiv Bern unter den
Akten zum Einbürgerungsgesuch Rudolf Steiners. Es ist zu vermuten, daß er im
Auftrag der Schweizerischen Bundesanwaltschaft von einem Manne namens von Bircher mitgeschrieben wurde.

De neerslag van deze voordracht werd gevonden in het Bondsarchief van Bern bij de acten van een verzoek tot naturalisatie van Rudolf Steiner. Vermoedelijk is in opdracht van het Zwitserse hooggerechtshof dit door een man, von Bircher genaamd, meegeschreven. 

7e voordracht Aarau, 21 mei 1920 (2)

ERZIEHUNG UND SOZIALE GEMEINSCHAFT
VOM GESICHTSPUNKT DER GEISTESWISSENSCHAFT

blz. 190
Große Menschheitsfragen stehen vor der Türe. Eine Antwort auf diese will die geisteswissenschaftliche Richtung geben, deren äuße­rer Repräsentant der bekannte Bau in Dornach ist. Ich will hier sprechen von dem, was als pädagogische und soziale Konsequen­zen aus jener anthroposophisch orientierten Geisteswissenschaft sich ergeben. Vorher möchte ich in großen Zügen das Wesen der ganzen geisteswissenschaftlichen Richtung charakterisieren. Bei dieser handelt es sich nicht um etwas, das außerhalb des Menschen gesucht wird, das durch Experimente der Menschheit vorgeführt werden könnte, sondern um eine innerlichste Menschheitsangele­genheit, die aber hofft, ins Allerpraktischste sich umsetzen zu kön­nen. Die Geisteswissenschaft will die Grundlagen aller bisherigen Weltanschauungen nicht stürzen, sondern ihnen etwas Neues bei­fügen: Die Anschauung eines wirklichen geistigen Lebens über das naturwissenschaftliche Erleben hinaus, die Erkenntnis der geistig-seelischen Art des Menschen.

Opvoeding en sociale gemeenschap vanuit het gezichtspunt van de geesteswetenschap

Grote mensheidsvragen staan voor de deur. De geesteswetenschappelijke richting, waarvan de uiterlijke representant het gebouw in Dornach is, wil hierop een antwoord geven. Ik wil hier spreken over wat pedagogische en sociale consequenties zijn, het gevolg zijn van deze antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap. Maar vooraf wil ik eerst in grote lijnen het wezen van de algehele geesteswetenschappelijke richting schetsen. Hierbij gaat het niet om iets wat buiten de mens gezocht wordt, wat door experimenten aan de mensheid beschikbaar gesteld zou kunnen worden, maar om een mensheidsaangelegenheid van de meest innerlijke aard die echter hoopt zich te kunnen omwerken voor het meest praktische. De geesteswetenschap wil de grondbeginselen van alle wereldbeschouwingen tot nog toe niet aanvallen, maar er iets nieuws aan toevoegen: het gezichtspunt van een echt geestelijk leven boven het natuurwetenschappelijke beleven, het weten van de geestelijk-psychische natuur van de mens.

Seit drei bis vier Jahrhunderten haben die Grundvorstellungen naturwissenschaftlicher Denkweise unsere Anschauungen be­herrscht. Zu diesen steht die Geisteswissenschaft nicht im Gegen­satz. Sie anerkennt die großen Triumphe der naturwissenschaft­lichen Weltanschauung, will aber naturwissenschaftlicher sein als diese selber, sie will nicht zurückweichen vor den sogenannten Grenzen menschlicher Erkenntnis, sondern zur wahren Erkenntnis des Menschen gelangen. Wenn man bisher gesagt hat, wo der Supranaturalismus beginne, höre die Wissenschaft auf, so will die Geisteswissenschaft eben auch auf diesem Gebiete wissenschaftlich

Al een eeuw of drie, vier beheersen de basisvoorstellingen van de natuurwetenschappelijke manier van denken onze gezichtspunten. Hier staat de geesteswetenschap niet lijnrecht tegenover. Ze erkent de grote successen van de natuurwetenschappelijke wereldbeschouwing, ze wil echter natuurwetenschappelijker zijn dan deze zelf, ze wil niet terugdeinzen voor de zgn. grenzen van de menselijke kennis, maar tot een ware kennis van de mens komen. Heeft men tot nog toe gezegd: waar het supranaturalisme begint, houdt de geesteswetenschap op, de geesteswetenschap wil nu juist op dit gebied  wetenschappelijk

blz. 191

arbeiten. Um zu diesem Ziele zu gelangen, muß sie sich zunächst auf den Standpunkt der intellektuellen Bescheidenheit stellen. Ein Vergleich: Wenn man einem fünfjährigen Kinde einen Band lyri­scher Gedichte in die Hand gibt, spielt es mit ihm, zerreißt ihn.
Nach zehn bis zwölf Jahren wird es den Band sinngemäß zu ver­wenden imstande sein. An diese im fünfjährigen Kinde schlum­mernden Entwicklungsmöglichkeiten müssen wir glauben. Der Geistesforscher sagt nun, was in uns liegt, ist nicht abge­schlossen mit dem, was durch Geburt, Vererbung und gewöhnliche Erziehung herausgebildet wurde. Die Kräfte der menschlichen Natur sind noch über das hinaus entwicklungsfähig. Durch innere intime Seelenarbeit gelangt der Mensch ganz allmählich dazu, Fä­higkeiten, von denen man im gewöhnlichen Leben und [in der gewöhnlichen] Wissenschaft keine Ahnung hat, aus dem Innern der
Seele herausholen zu können. Das Prinzipielle dabei ist, daß der Mensch wirklich ganz methodisch das innerliche Experiment stän­dig wiederhole, daß er ausdauernd einen leicht zu schauenden Gedanken zum Leitstern seines Bewußtseins mache. 

werken. Om dit doel te bereiken, moet ze eerst een intellectueel bescheiden standpunt innemen. Een vergelijking: wanneer je een kind van vijf jaar een boek met lyrische gedichten ter hand stelt, speelt het ermee en verscheurt de bladzijden.
Na tien tot twaalf jaar is het in staat er zinvol mee om te gaan. We moeten geloven in de sluimerende mogelijkheden tot ontwikkeling in dit vijfjarige kind.  De geesteswetenschapper zegt nu, wat we met ons meedragen, wat door geboorte, erfelijkheid en alledaagse opvoeding ontwikkeld werd, is daarmee niet klaar. De krachten van de menselijke natuur zijn daarbuiten nog in staat tot ontwikkeling. Door innerlijk subtiel werken aan de ziel lukt het de mens heel geleidelijk vermogens waarvan je in het dagelijkse leven en in de gewone wetenschap geen notie hebt, uit het innerlijk van de ziel tot ontwikkeling te brengen. Het meest principiële daarbij is, dat de mens daadwerkelijk heel methodisch het innerlijk experiment standvastig herhaalt, dat hij volhardend een makkelijk te doorziene gedachten tot een leidster van zijn bewustzijn maakt.

Diesen selbst­gemachten Gedankeninhalt stellt man in den Mittelpunkt seines Bewußtseins und nimmt alle seelischen Kräfte zusammen, um nichts als diesen Gedankeninhalt sich zum Ziele zu setzen. Grund­lage hierzu ist die intellektuelle Bescheidenheit und der Glaube an Entwicklungsmöglichkeit. Nach einer solchen Übung in Geduld machen wir die Erfahrung, daß menschliches Erleben sich losreißt von dem physisch-leiblichen Werkzeug. Man erlangt ein Denkerle­ ben, von dem man weiß, daß es nicht gebunden ist an den mensch­lichen Leib, daß es verfließt im Geistig-Seelischen. Ein großer Moment ist es, wenn man sich sagen kann: Du lebst im Geistig-Seelischen. Man erkennt dann, daß es wirklich höhere geistige Er­kenntnisse gibt, die über das Leben zwischen Geburt und Tod hinausgehen. Es wird etwas geschaffen ähnlich dem Erinnerungs­vermögen, ein Vorstellungvermögen, ein Leben, das wir vorgeburt­liches Leben nennen können. Dieses vorgeburtliche Leben tritt als Erlebnis, als innere Erfahrung vor die Seele. Unsterblichkeit ist nicht mehr etwas, worüber man philosophiert. Die Kräfte, die andere

Deze zelfgemaakte gedachte-inhoud plaats je in het middelpunt van je bewustzijn en concentreert alle zielenkrachten om niets anders dan deze gedachte-inhoud tot je doel te maken. Basis hiervoor is de intellectuele bescheidenheid en het geloof in de mogelijkheid tot ontwikkeling. Na zo’n oefening in geduld, ervaren we dat het menselijk beleven losraakt van het fysiek-levend instrument. Je krijgt een denkleven waarvan je weet dat het niet gebonden is aan het menselijk lichaam, dat het verloopt in een geestelijk-zielengebied. Het is een groot ogenblik wanneer je kan zeggen: je leeft in geest en ziel. Je leert dan dat er werkelijk hogere geestelijke kennis is die boven het leven tussen geboorte en dood uitgaat. Er wordt iets gecreëerd, zoiets als het herinneringsverm0gen, een voorstellingsvermogen, een leven dat we voorgeboortelijk leven kunnen noemen. Dit voorgeboortelijke leven treedt als beleving, als innerlijke ervaring in de ziel op. Onsterfelijkheid is niet meer iets waarover je filosofeert. De krachten die anderen

blz. 192

zum Philosophieren verwenden, verwendet der Geistesfor­scher dazu, um neue Fähigkeiten zu entwickeln, um andere Erleb­nisse zu erlangen. Auch das Willensvermögen kann ausgebildet werden. Der Geistesforscher nimmt seinen Entwicklungsgang in die Hand, er sucht an sich selbst Willenszucht auszuüben. Da­durch, daß er sich vornimmt, diese oder jene Gewohnheit sich ein­ zuverleiben, wird der Wille herangezüchtet. Diese Erkenntnis wird vielleicht von vielen aufgenommen, wie zum Beispiel die Erkennt­nisse eines Kopernikus, eines Giordano Bruno aufgenommen wur­den, als die Menschheit noch an die Grenzen des Firmamentes glaubte.Wer selbst zum Geistesforscher wird, erlangt einen neuen Überblick über die Welt und eine tiefe Menschheitskenntnis. Nicht je­der kann ein Geistesforscher werden. Aber in die geistigen Welten kann vermöge der heutigen Weltentwicklung jeder eindringen.
Wie kann nun das pädagogische Leben von der Geisteswissen­schaft befruchtet werden? In der Waldorf-Schule in Stuttgart ist ein praktischer Versuch gemacht worden. Heute wird so viel davon gesprochen, es müsse im Unterricht anders werden. 

gebruiken om te filosoferen, gebruikt de geesteswetenschapper om nieuwe vermogens te ontwikkelen, om andere belevingen te krijgen. Ook het wilsvermogen kan ontwikkeld worden. De geesteswetenschapper neemt zijn ontwikkeling ter hand, hij probeert bij zichzelf wilsdiscipline uit te oefenen. Omdat hij zich voorneemt deze of gene gewoonte zich eigen te maken, wordt de wil gevormd. Deze kennis wordt wellicht door velen opgenomen, zoals bv. de kennis van een Copernicus*, van een Giordano Bruno opgenomen werd toen de mensheid nog aan de grenzen van het universum geloofde. Wie zelf geesteswetenschapper wordt, krijgt een nieuwe blik op de wereld en een diepe mensenkennis. Niet iedereen kan geesteswetenschapper worden. Maar in de geestelijke werelden kan door de huidige wereldontwikkeling ieder doordringen.
Hoe kan nu het pedagogische leven door de geesteswetenschap bevrucht worden? In de vrijeschool in Stuttgart is een praktische poging gedaan. Er wordt tegenwoordig zoveel over gesproken dat het onderwijs anders moet worden.

*Nikolaus Kopernikus, 1473-1543, humanist, wiskundige, astronoom, arts, jurist. Grondlegger van de moderne astronomie.
**Giordano Bruno, 1548-1600, Italiaans filosoof, hartstochtelijk tegenstander van de leer van Aristoteles. Hij bracht de copernicaanse revolutie tot een eind toen hij de vaste sterrenhemel afwees en daarmee de blik op het oneindige opende. 12600 in Rome als ketter verbrand.

Dennoch wäre es denk-historische Undankbarkeit und welt-historische Unwahr­heit, wenn man sagen würde, die Erziehungswissenschaft stehe im wissenschaftlichen Leben am weitesten zurück. Als ich daran ging, meine Ideen in der Waldorfschule in die Tat umzusetzen, war es meine Überzeugung, daß nicht Pädagogik als Wissenschaft in erster Linie reformbedürftig sei, sondern daß wir eine Weltanschauung brauchen, welche alle Kunst und damit auch die Pädagogik un­mittelbar befruchten könne, daß wir dadurch in die Lage versetzt werden, die ausgezeichneten Grundsätze der Pädagogik, die schon vorhanden sind, überall auch anwenden zu können. Geisteswissenschaft spricht nicht bloß zum Intellekt, sie ergreift den ganzen Menschen. Vor allem ist durchdringende Menschen­kenntnis nötig. In das wirkliche Leben des Menschen kann man nur durch Geisteswissenschaft eindringen. Durch sie eignen wir uns die Fähigkeiten an, den Menschen zu beobachten von dem Lebensabschnitt an, in dem er die Zähne wechselt. Nur durch Geisteswissenschaft

Toch zou het denkhistorisch ondankbaar en wereldhistorisch onwaar zijn, wanneer je zou zeggen dat de opvoedingswetenschap het verst achterop is in het wetenschappelijke leven. Toen ik begom om mijn ideeën in de vrijeschool in daden om te zetten, was het mijn overtuiging dat niet de pedagogiek als wetenschap in eerste instantie vernieuwing nodig heeft, maar dat we een wereldbeschouwing nodig hebben die alle kunst en daarmee ook de pedagogiek direct kan bevruchten, dat wij daardoor in staat worden gesteld de beste basisregels die al bestonden ook te kunnen toepassen. Geesteswetenschap spreekt niet alleen het intellect aan, maar de hele mens. Boven al is er diepgaande menskunde nodig. Tot het echte leven van de mens kan je alleen door geesteswetenschap doordringen. Door haar komen we tot het vermogen de mens waar te nemen vanaf de levensfase dat hij zijn tanden gaat wisselen. Alleen door geesteswetenschap

blz. 193

gelangen wir eigentlich erst zu einer feineren Be­obachtungsgabe. Diese lehrt uns erkennen, wie der Mensch in den ersten sieben Lebensjahren ein rein nachahmendes Wesen ist. Ein Beispiel: Ein fünfjähriger Junge hat aus der Schublade Geld ent­wendet. Die Eltern sind tief betrübt. Zu Unrecht. Der Junge hat eben gesehen, wie die Mutter der Schublade immer Geld entnimmt.
Greifen wir etwas anderes heraus. Wenn das Kind mit dem sie­benten Jahre die zweiten Zähne bekommt, so bedeutet das zugleich einen inneren organischen Abschnitt. Wenn man gelernt hat, die geistig-seelischen Kräfte zu beobachten, so lernt man erkennen, wie die Kräfte hier zu einem Ubergangspunkt gekommen sind (Metamorphosengesetz von Goethe). In diesem Jahre beginnen sich beim Kinde die menschlichen Vorstellungen so zu formen, daß sie vom Erinnerungsvermögen aufgenommen werden können. Die Kräfte lösen sich los vom Organismus, werden seelisch-geistig und erscheinen als gesonderte Vorstellungskraft. Diese Beobachtungen sind so sicher fundiert wie chemische Beobachtungen.

komen we pas tot een intiemere waarnemingsgave. Deze leert ons kennen hoe de mens in de eerste zeven levensjaren een louter nabootsend wezen is. Een voorbeeld: een vijfjarige jongetje heeft uit de tafella geld gepakt. De ouders zijn diep bedroefd. Onterecht. De jongen heeft alleen maar gezien hoe moeder steeds geld uit de tafella pakt. Nemen we iets anders. Wanneer het kind met zijn zeven jaar de eerste blijvende tanden krijgt, dan betekent dat tegelijkertijd een inwendige organische afsluiting. Wanneer je geleerd hebt de geest-zielenkrachten waar te nemen, leer je kennen hoe de krachten hier tot een overgangspunt zijn gekomen (metamorfosewet van Goethe)*. In deze jaren beginnen zich bij het kind de menselijke voorstellingen zich zo te vormen, dat ze door het herinneringsvermogen opgenomen kunnen worden. De krachten maken zich los van het organisme, worden geest-zielenkrachten en verschijnen als aparte voorstellingskracht. Deze waarnemingen hebben net zo’n zekere basis als chemische waarnemingen.

*Zie J.W. von Goethe «Zur Morphologie I: Die Metamorphose der Pflanzen» (1817) in Band I van Goethes «Naturwissenschaftlichen Schriften», uitgegeven en van commentaar voorzien door Rudolf Steiner in Kürschners «Deutsche National-Litteratur», 5 Bde. (1883-97), Overdruk Dornach 1975, GA la-e

Sie lassen erkennen, daß diejenigen Fähigkeiten, die das Kind im Spiele bis zum siebenten Jahre entwickelt, später wieder auftreten, aber erst in den zwanziger Jahren. In der Zwischenzeit bleiben sie gewissermaßen unter der Oberfläche. In der Zwischenzeit werden die Kräfte verwendet, um Lebenserfahrungen zu sammeln. Vom siebenten Jahre an wird das Spiel zu einem sozialen Spiel. Indivi­duelles Spiel wird erst wieder lebendig in den zwanziger Jahren als Lebens erfahrungskraft. Es ist sehr schön, wenn die Erziehungsgrundsätze sagen, man müsse aus dem Kinde die schlummernden Kräfte herausholen. Es kommt aber auf diese Grundsätze nicht an, sondern darauf, daß man weiß, was aus dem Kinde sich herausentwickeln kann. Nach dem siebenten Jahre – approximativ – tritt zum Nach­ahmungstrieb der Autoritätstrieb hinzu. Wer die Menschennatur kennt, weiß, daß vom Zahnwechsel bis zur Geschlechtsreife Ver­anlagung vorhanden ist für Hingabe an eine äußere Autorität.
Das neunte Jahr wird wieder zum Rubikon. Das Kind löst sich im inneren Bewußtsein von seiner Umgebung los, unterscheidet

Ze laten je inzien dat die vermogens die het kind tot aan het zevende jaar bij het spelen ontwikkelen, later weer tevoorschijn komen, maar pas als je in de twintig bent. In de tussentijd blijven ze in zekere zin onder de oppervlakte. In die tussentijd worden de krachten gebruikt om levenservaringen op te doen. Vanaf het zevende jaar wordt het spel een sociaal spel. Individueel spel leeft pas weer op in de jaren wanneer je twintig bent als levenservaring.
Het is heel mooi wanneer de basisregels voor de opvoeding beweren dat je uit het kind latent aanwezige krachten moet halen. Maar het komt niet aan op deze basisregels, maar op dat je weet wat zich vanuit het kind laat ontwikkelen.
Na het zevende jaar – bij benadering – komt er bij het nabootsingsprincipe de hang naar autoriteit. Wie de natuur van de mens kent, weet dat vanaf de tandenwisseling tot aan de puberteit er een eigenschap aanwezig is om je te richten op een autoriteit buiten je.
<1> Het negende jaar betekent weer een overgang (‘Rubicon‘). Het kind maakt zich in zijn innerlijk bewustzijn los van zijn omgeving, maakt onderscheid

blz. 194

sich von derselben. Es unterscheidet sich von seiner Autorität, gibt sich ihr aber in Liebe hin.
Diese Erfahrungen müssen im praktischen Unterricht berück­sichtigt werden. Die ersten Handlungen in der Volksschule müssen sich auf den Willen, nicht auf die Intellektualität einstellen. Auf dem Umwege über die Kunst dringt man zum Konventionellen vor. So entwickelt man das Schreiben am besten aus dem Zeichnen und Malen heraus. Noch andere Versuche sind in Stuttgart gemacht worden. Wir haben eine sichtbare Sprache geschaffen. Die durch übersinnliches Schauen erkannten Bewegungen des Kehikopfes werden in beseel­tes Turnen übertragen (Eurythmie>, bei dem jede Bewegung zum Träger eines seelisch-geistigen Vorganges wird. Sprachen, die das Kind lernen soll, sollen möglichst früh an dasselbe herantreten. Im Lebendigen Wechselverkehr mit dem Lehrer bringen wir schon den Sieben- und Achtjährigen Englisch und Französisch bei, so daß das Kind mit diesen Sprachen verwächst. Wir unterrichten Sprachen, weil wir wissen, daß dadurch die ganze Wesenheit des Menschen entwickelt wird.

tussen zichzelf en die omgeving. Hij maakt ook onderscheid tussen zichzelf en zijn autoriteit, maar richt zich wel in liefde op hem.
Met deze ervaringen moet in het onderwijs in de praktijk rekening worden gehouden. <1>
De eerste activiteiten op de basisschool moeten betrekking op de wil, niet op de intellectualiteit. Via de kunst moet je naar het conventionele gaan. Dan ontwikkel je het schrijven het beste vanuit het tekenen en schilderen.
In Stuttgart zijn nog andere dingen geprobeerd. We hebben een zichtbare taal ontworpen. De bewegingen van het strottenhoofd die door bovenzintuiglijke waarnemingen werden verkregen, worden omgewerkt tot een bezielde gymnastiek (euritmie), waarbij iedere beweging de drager wordt van een geest-zielenproces. Talen die het kind moet leren, moeten zo mogelijk vroeg gegeven worden.
In een levensvolle wisselwerking met de leerkrcht brengen we het zeven- achtjarige kind al Engels en Frans bij, zodat het kind met dezen talen vertrouwd raakt. We geven talen, omdat we weten dat daardoor het hele wezen van de mens ontwikkeld wordt.

Im Alter zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife soll man noch nicht mit Urteilskraft des Kindes rechnen, sondern ihm jede Vorstellung bildlich beibringen. Wenn man dem Kinde zum Beispiel die Unsterblichkeit der menschlichen Seele begrifflich darstellen will, so kann man den Werdegang des Schmetterlings vor Augen führen. Es ist dabei aber unerläßlich, daß der Lehrer selber an das dargestellte Bild glaubt. Mit dem neunten Jahre beginnt das Kind, sich von der Umwelt abzusondern. Jetzt können wir an seine selbständige Urteilskraft appellieren.
Die Geisteswissenschaft liest also aus der beobachteten Ent­wicklung des Kindes den Lehrplan ab. Sie nimmt die Welt, wie sie wirklich ist, und ist deshalb etwas eminent Praktisches. Technische Fragen, wie zum Beispiel die Festsetzung der Schülerzahl pro Klas­se, treten dabei in den Hintergrund. Wenn der Lehrer von seiner Aufgabe erfüllt ist, so wird auch bei großer Schülerzahl die notwendige

Op de leeftijd tussen de tandenwisseling en de puberteit moet je nog niet met het oordeelsvermogen van het kind werken, maar hem iedere voorstelling beeldrijk bijbrengen. Wanneer je het kind bv. de onsterfelijkheid van de menselijke ziel begrijpelijk wil maken, kun je het ontstaan van de vlinder voor ogen toveren. Het is daarbij echter strikt noodzakelijk dat de leerkracht zelf in het gegeven beeld gelooft.
Met zijn negende begint het kind zich los te maken van de omgeving. Nu kunnen we aan zijn zelfstandige oordeelsvermogen appelleren.
De geesteswetenschap leest dus uit de waargenomen ontwikkeling van het kind het leerplan af. Zij neemt de wereld, zoals die ook echt is en is daarom iets buitengewoon praktisch. Technische vragen, zoals bv. het bepalen van hoeveel leerlingen er in een klas zitten, komen daarbij op de achtergrond te staan. Wanneer de leerkracht van zijn opdracht vervuld is, zal er ook bij een groot aantal leerlingen de noodzakelijke

blz. 195

individuelle Behandlung des einzelnen nicht darunter leiden. Die Schüler werden [sich] selber individualisieren.
(Der Redner machte die Nebenbemerkung, daß er den Welt­krieg schon im Frühling 1914 vorausgesagt habe, als alle Kabinette glaubten, der Weltfrieden sei auf lange Zeit hinaus gesichert.)
Wir müssen aus innerem Erleben heraus an das praktische Leben herantreten. Die nächste Generation darf nicht in derselben Verfassung sein wie die Generation, die das Unglück der letzten Jahre über Europa gebracht hat. Wer geisteswissenschaftlich das Unterrichtswesen betrachtet hat, weiß, daß das Geistesleben auf sich selber gestellt werden muß. Damit kommen wir auf die soziale Bedeutung der ganzen Frage.
Heute ist die Welt antisozialer als je. Es ist notwendig zu erken­nen, daß das geistige Leben nur dann sich entfalten kann, wenn es unter eigene Verwaltung gestellt wird.
Die Geisteswissenschaft erkennt, daß neue Bewegungen, die vorher latent geschlummert haben, jeweils aus den Tiefen der Menschheit an die Oberfläche drängen. 

behandeling van ieder daaronder niet te leiden hebben. De leerlingen zullen zichzelf individualiseren.
(De spreker maakt een opmerking terzijde dat hij de Wereldoorlog al in het voorjaar van 1914 voorspelde, toen alle kabinetten geloofden dat de wereldvrede voor een lange tijd een feit was.)*
Wij moeten uit een innerlijk beleven het praktische leven aangaan. De volgende generatie mag niet in dezelfde toestand verkeren als de generatie die de laatste jaren over Europa ongeluk heeft gebracht. Wie geesteswetenschappelijk naar het onderwijs heeft gekeken, weet dat het geestesleven zelfstandig moet zijn. Daarmee komen we op de sociale betekenis van de hele vraag.
Tegenwoordig is de wereld antisocialer dan voorheen. Het is noodzakelijk te onderkennen dat het geesesleven zich alleen dan kan ontplooien, wanneer het een eigen zelfstandige plaats krijgt.
De geesteswetenschap onderkent dat nieuw bewegingen die voordien latent sluimerden, nu aan de oppervlakte willen komen.

*dat hij in 1914 de Wereldoorlog voorspelde: dit slaat waarschijnlijk op de voordracht van 14 april 1914 in Wenen (GA 153) Steiner zegt hier hoe de productieverhoudingen van toen een soort cultuurkanker veroorzaken, die het ergste doet vrezen. Soortgelijke uitspraken in GA 329, 14 oktober 1919: ‘Ik moest in het vroege voorjaar van 1914 in Wenen uitspreken dat voor wie vanuit de geesteswetenschappelijke gezichtspunte naar de ontwikkeling van de moderne mensheid kijkt, hem voor ogen komt hoe de moderne sociale ontwikkeling op een ziekte, op een soort gezwelvorming lijkt dat in de komende tijd op een vreselijke manier tot doorbreken zou kunnen komen.

Mit dem Gesetze von Ur­sache und Wirkung sind solche Erscheinungen nicht erklärt. So ist zum Beispiel das, was man Demokratie nennt, zum ersten Male im 15. Jahrhundert hervorgetreten und hat sich seither immer weiter entwickelt. Wenn man es mit dieser Demokratie ehrlich meint, so muß man aus derselben alles aussondern, was mit ihr überhaupt nichts zu tun hat. Demokratisch verwaltet werden kann nur das, was jeden mündig Gewordenen in gleicher Weise berührt: Das öffentliche Rechtsleben. Das geistige Leben aber kann nicht vom Staate regiert werden. Es muß in eigene Verwaltung gestellt werden. Diejenigen, die das geistige Leben leiten, sollen es auch verwalten. Auch beim wirtschaftlichen Leben handelt es sich um etwas, bei dem nur die Leute vom Fach urteilsfähig sind. Auch dieses muß aus der demokratischen Verwaltung herausgenommen werden. Es darf nicht von einer Zentrale aus regiert werden. Aus den Kreisen der Konsumenten und Produzenten heraus müssen sich eigene Verwaltungsorganisationen bilden.

Met de wet van oorzaak en gevolg kunnen zulke verschijnselen niet worden verklaard. Zo is bv. wat men democratie noemt voor het eerst in de 15e eeuw verschenen en die heeft zich sindsdien steeds verder ontwikkeld. Wanneer je met deze democratie eerlijke bedoelingen hebt, moet je vandaaruit alles uitzonderen wat er totaal niets mee te maken heeft.
Democratisch toegepast worden kan alleen maar wat ieder mondig geworden mens op identieke manier aangaat: het rechtsleven. Het geestesleven echter kan niet door de staat geregeerd worden. Dat moet op zichzelf staan. Degenen die leiding geven aan het geestesleven, moeten het ook gestalte geven.
Ook bij het economisch leven gaat het om iets waarbij alleen de vakmensen een goed oordeel kunnen geven. Ook dit moet bij het democratisch besturen weggehaald worden. Het mag niet geregeerd worden vanuit een centrale leiding. Uit kringen van consumenten en producenten moeten eigen bestuursorganisaties gevormd worden.

blz. 196

Diese Dreigliederung des sozialen Staates ist nicht eine Parallele der platonischen Dreiteilung in Wehrstand, Lehrstand und Nährstand. Vielmehr muß jeder einzelne in allen drei Gliedern beteiligt sein. Unser heutiges Chaos rührt eben davon her, daß die Men­schen nebeneinander stehen. Im dreigegliederten Sozialismus [so­zialen Organismus] aber sollen sie ihre Kräfte organisch ent­wickeln.
Im Einheitsstaate sind die Worte Gleichheit, Freiheit, Brüder­lichkeit ein hohes Ideal geblieben. Im dreigegliederten Sozialismus
[sozialen    Organismus], in dem jeder mit allen drei Gliedern orga­nisch verbunden ist, können sie sich verwirklichen. Im Geistes­leben wird Freiheit herrschen, die demokratische Verwaltung des Rechtslebens wird jedem Gleichheit bringen, das auf sich selber gestellte wirtschaftliche Leben wird in Brüderlichkeit gedeihen.

Deze driegeleding van een sociale staat is niet die van de driedeling van Plato in geestelijkheid, ridderschap en burgerij.* Veel meer moet iedereen in alle drie de delen actief zijn. Onze huidige chaos komt nu juist dat de mensen gescheiden staan. In het driegelede sociale organisme echter moeten ze hun krachten organisch ontwikkelen
In de eenheidsstaat zijn de woorden gelijkheid, vrijheid en broederschap een leeg ideaal gebleven, In het driegelede sociale organisme waarbij ze alle drie organisch met elkaar zijn verbonden, kunnen ze realiteit worden. In het geestesleven moet vrijheid heersen, het democratisch bestuur van het rechtsleven zal iedereen gelijkheid brengen, het op zichzelf staande economische leven zal floreren in broederlijkheid.

*Het Duits heeft: ‘Wehrstand, Lehrstand, Nährstand’. De formulering komt van Erasmus Alberus (1500-1533) en wordt ook bij Luther gevonden. Hiermee wordt samengevat wat bij Plato wordt gevonden in zijn ‘Politeia’, over de standen; bv. in ‘foenicische mythe’, waarin God de heersers (wijzen) bij de geboorte goud, hun dienstknechten, de wachters, zilver en de boeren en handwerkslieden ijzer en erst gemengd hebben. Zie Vincent Kanuer ‘Die Hauptprobleme der
Philosophie», Wien en Leipzig 1892 (dit boek bevond zich in de bibliotheek van Rudolf Steiner). 

[1] GA 297 Duits
[2] GA 297

.

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

.

1890-1775

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 297 – vragenbeantwoording

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com
.

RUDOLF STEINER

BASISGEDACHTEN EN PRAKTIJK VAN DE VRIJESCHOOL

9 voordrachten, een bespreking en vragenbeantwoording tussen 24 augustus 1919 en 29 december 1920 in verschillende plaatsen [1]

GA 297: vertaling
Inhoudsopgave   voordracht   [1]  [2]  [3]  [4]  [5]  [6]  [7]  [8]  [9]
vragenbeantwoording bij de 5e vdr.;

Vragen n.a.v. de 6e voordracht, Basel 27 nov. 1919 

blz. 183

                                               Fragenbeantwortung

Es folgte eine Diskussion. Die einzelnen Voten sind vom Stenographen teils referiert, teils in direkter Rede festgehalten worden.

Herr Hulliger führt aus, daß er sich die Ausführungen des Referenten über die Pädagogik mit größter Freude angehört habe. Das genau Gleiche erstrebe auch die neue Kunst, die Umkehr in der neuen Kunst. Er weist auf ein Wort Ferdinand Hodlers hin: Dasjenige, was uns Menschen eint, ist stärker als dasjenige, was uns Menschen trennt. – Dann fährt er fort: Und dasjenige, was uns alle eint, ist eben das Geistige, von dem Herr Dr. Steiner gesprochen hat. Dieses Geistige sucht auch die neue Kunst wieder, und sie wird es finden, trotz aller Anfeindungen. Ich möchte gerade in Anschluß an diesen Gedanken hinweisen auf die morgige Veranstaltung, bei der über die Neuorganisation der Basler Schulen gesprochen wird. Diese Neuorganisation vollzieht sich nicht nach den Gesichtspunkten, die Rudolf Steiner dargelegt hat, sondern nach äußeren Rücksichten. Wenn mehr Zeit zur Verfügung stünde, würde ich morgen für die Einheitsarbeitsschule sprechen, die sich auf die Ausführungen von Rudolf Steiner stützt, und würde vor allem die Forderung stellen, daß nicht schon im zehnten, sondern erst im zwölften Lebensjahr differenziert werden darf – und auch dann nicht nach der Stärke der Begabung, ob gescheit oder weniger gescheit, gescheit oder dumm, sondern nach der Art der Begabung. Rudolf Steiner hat in seinen Ausführungen die Grundlagen zu dieser Differenzierung gegeben.

vragenbeantwoording

Er volgde een discussie. De verschillende uitspraken zijn door de stenograaf voor een deel opgetekend, voor een ander deel in de directe rede opgeschreven.

De heer Hulliger zegt dat hij de uiteenzettingen van de spreker over de pedagogie met grote vreugde aangehoord heeft. Naar precies hetzelfde streeft ook de nieuwe kunst, de ommekeer in de nieuwe kunst. Hij verwijst naar een woord van Ferdinand Hodler*: Wat ons mensen verbindt, is sterker dan wat ons mensen verdeelt. Dan gaat hij verder: En wat ons allen bindt, is nu juist het geestelijke waarover de heer Dr. Steiner heeft gesproken. Dit geestelijke zoekt ook de nieuwe kunst weer en die zal het vinden, ondanks alle vijandigheden. Ik zou graag in aansluiting op deze gedachten wille wijzen op de bijeenkomst van morgen waarbij over de nieuwe organisatie van de scholen in Basel gesproken zal worden. Deze nieuwe organisatie zal zich niet volgens de gezichtspunten voltrekken die Rudolf Steiner gegeven heeft, maar naar uiterlijke overwegingen. Wanneer er meer tijd zou zijn, zou ik morgen spreken over de ‘Einheitsarbeitsschule’ die stoelt op de uiteenzettingen van Rudolf Steiner en zou dan vooral de eis stellen dat er niet al op het tiende, maar pas op het twaalfde levensjaar gedifferentieerd zou mogen worden – en dan ook nog niet op basis van een sterke aanleg of meer of minder slim zijn, slim of dom, maar de vorm van de aanleg. Rudolf Steiner heeft in zijn uiteenzettingen de basis gelegd voor deze differentiatie.

*Ferdinand Hodler, 1853-1918, Zwitsers schilder. Zijn werk beweegt zich tuseen realisme, symbolisme en Jugenstil. Zijn uitdrukkingsvolle figuren wezen vooruit naar het expressionisme en stimuleerden hem

Nun möchte ich Sie noch auf etwas anderes aufmerksam machen. Wir können die Entwicklung des Kindes in seinen Bildern verfolgen. Wir sehen oft von Kindern gemalte Bilder an den Wänden. Alle diese Bilder sagen uns etwas, wenn wir sie verstehen können. Ich möchte da auf Erfahrungen hinweisen, die ich im Unterricht als Zeichenlehrer selbst gemacht habe. – Da habe ich zum Beispiel ein Bild bekommen, das eine sogenannte Freiarbeit darstellt, eine Wiese, dann ein Gebirge, und in diesem Gebirge eine Einsattelung. Und in dieser Einsattelung steht eine Kirche. Was sagt das? Ich habe eines Tages die Erkenntnis bekommen, daß das Kind in seinem Bilde, in seiner Zeichnung das ausspricht, was es seelisch erlebt. Zu dieser Kirche herauf führte ein Weg. Dieser Weg ist der Lebensweg des Kindes; die Berge, das sind die Hindernisse, die sich dann entgegenstellen. Die Kirche ist für ihn

Nu zou ik u nog op iets anders attent willen maken. We kunnen de ontwikkeling van het kind volgen in zijn tekeningen. Aan de muur hangen vaak tekeningen van de kinderen. Al die beelden zeggen ons iets als we ze kunnen begrijpen. Ik zou op ervaringen willen wijzen die ik in het onderwijs als tekenleraar heb opgedaan. Ik heb bv. een beeld genomen dat een zogenaamd vrij werk voorstelt, een weiland, dan een berg en op deze berg een plateau. En daarop staat een kerk. Wat betekent dat? Op een dag kwam ik te weten dat het kind in zijn beeld, in zijn tekening uitspreekt, wat het in zijn ziel beleeft. Naar deze kerk liep een weg omhoog. Deze weg is de levensweg van het kind; de bergen zijn de hinderpalen op zijn weg. De kerk is voor hem

blz. 183

das Geistige, mit dem es die Hindernisse überwindet. Und ich kann aus diesem Bild zurückschauen auf den Charakter des Kindes. Ein anderes Bild:
Es geht durch eine schöne Landschaft ein Weg. Rechts unten ist ein Mäd­chen, links oben ein Knabe, in schönen zarten Farben gemalt, ein schönes Landschaftsbildchen. Das Mädchen, das das Bildchen gemacht hat, ist etwa dreizehnjährig, das heißt, es steht unmittelbar vor der Pubertät. In diesem Bildchen ist ausgesprochen, was es innerlich erlebt und was innerlich vor ihm steht.
Ich habe in einer Klasse Hexen darstellen lassen. Was habe ich nun hier entdeckt? Jedes hat genau in der Hexe diejenige böse Eigenschaft verkörpert, die es selber hatte. Ich hatte ein Schülerin, eine feine, zarte, kränkliche Schülerin. Diese hat die Hexe als den Tod dargestellt. Das stimmte vollstän­dig mit ihr. – Ich habe mich hernach mit dem Klassenlehrer verständigt, und er hat mir gesagt: Was Sie aus den Bildern herauslesen, das trifft vollständig
zu. Die Beurteilung nach diesen Bildern ist vollständig richtig. Nun noch kurz über die Art, wie die moderne Kunst angeschaut werden kann, angeschaut werden muß. Ich kann Ihnen das an einigen Beispielen zeigen. Wir haben hier vorne eine schwarze Wandtafel. Ich kann diese Wandtafel mit dem Verstand ansehen und sage mir: Diese schwarze Wandta­fel hat vier Ecken, vier rechte Ecken, je zwei gleichlaufende Seiten und eine Fläche, die dunkel, düster ist. Soweit der Verstand. Das Gefühl sagt mir sofort etwas anderes. Das Gefühl sagt mir: Diese schwarze, harte, eckige Form – ich habe den Eindruck von etwas Schwerem, Düsterem, Herbem, Erschütterndem. An was ich nun zunächst beim Anblick dieser Wandtafel denke, das ist vielleicht ein Sarg, der mir in Erinnerung kommt.

het geestelijke waarmee hij de hinderpalen overwint. En ik kan vanuit dit beeld terugkijken naar het karakter van het kind. Een ander beeld:
Door een mooi landschap loopt een weg. Rechtsonder bevindt zich een meisje., linksboven een jongen, in mooie, tere kleuren getekend, een mooi landschapsplaatje. Het meisje dat de tekening heeft gemaakt, is ongeveer dertien jaar, d.w.z. ze staat vlak voor de puberteit. In dit beeld wordt uitgesproken, wat ze innerlijk beleeft en wat ze innerlijk voor zich ziet. Ik heb in een klas heksen laten maken. Wat heb ik hier ontdekt? Iedereen heeft juist in de heks die slechte eigenschap belichaamd die hij zelf heeft. Ik had een leerlinge, een fijne, tere, ziekelijke leerlinge. Zij beeldde de heks af als de dood. Dat kwam helemaal overeen met haar. Ik heb me daarover met de klassenleraar verstaan en hij zei mij: Wat u uit de beelden leest, klopt volledig. De beoordeling aan de hand van de beelden is volkomen juist.
Nu nog kort hoe er gekeken kan worden naar de moderne kunst. Ik kan u dat aan de hand van een paar voorbeelden laten zien. We hebben hier vooraan een zwart schoolbord staan. Ik kan er met mijn verstand naar kijken en zeggen: dit zwarte bord heeft vier hoeken, vier rechte hoeken, twee maal twee gelijke zijden en een vlak dat donker is. Tot zover het verstand. Het gevoel zegt mij meteen iets anders. Het gevoel zegt mij: deze zwarte, harde, hoekige vorm – geeft mij de indruk van iets zwaars, duisters, hards, schokkends. Waar ik nu allereerst aan moet denken bij het kijken naar dit bord, is wellicht een doodskist die ik mij herinner.

Auf diese Art müssen neuere Bilder verstanden werden, nicht mehr mit dem Verstand, sondern mit dem Gefühl: Was empfinde ich bei diesem Bilde und welche Erinnerungen kommen mir? Wenn Sie einmal den Versuch machen: Bilder, die ich ansehe, erinnern mich an das und das, so werden Sie sehen, daß das durchaus richtig ist. Ich habe das erfahren und seit zwei, drei Jahren beständig erprobt, daß es stimmt. Dann haben Sie die Möglichkeit, bei der modernen Kunst zu unterscheiden, was gut ist und was nicht gut ist. Selbstverständlich gibt es dabei eine ganze Menge Bilder, die schlecht sind, hohl, inhaltsleer, total schlecht, und daneben gibt es die feinsten Bilder. Was macht das Publikum? Weil es nicht die Fähigkeit hat, diese Bilder in sich aufnehmen zu können, lehnt es sie ab. Wir müssen die Kinder nicht so sehr zum äußeren Sehen, sondern vielmehr zum Fühlen erziehen.

Op deze manier moeten nieuwe beelden begrepen worden, niet meer met het verstand, maar met het gevoel. Wat voel ik bij dit beeld en welke herinneringen krijg ik? Wanneer je eenmaal probeert: beelden die ik bekijk, doen me aan dit of dat denken, zal je zien dat het helemaal waar is. Ik heb dat ervaren en sinds twee, drie jaar voortdurend ervaren dat het klopt. Dan heb je de mogelijkheid bij de moderne kunst te onderscheiden wat goed is en wat niet.
Vanzelfsprekend zijn er een heleboel beelden die slecht zijn, hol, inhoudsloos, heel slecht en daarnaast zijn er de mooiste beelden. Wat doet het publiek? Omdat dat niet het vermogen heeft deze beelden in zich te kunnen opnemen, wijzen ze die af. We moeten de kinderen niet zo zeer opvoeden om het uiterlijke te kunnen zien, maar veel meer het gevoel opvoeden.

Herr Wetterwald: Wenn ich das Wort ergreife, so ist es ein innerliches Drängen, das mich dazu veranlaßt, und zwar möchte ich dem Vortragenden meinen herzlichen Dank aussprechen für die schönen Worte, die er vor uns sprach, und für die Bilder, Ideen, Gedanken, die er vor unseren Augen entrollt hat. Seine Worte haben mich außerordentlich sympathisch berührt, weil sie aus Ideen kommen, mit denen ich mich seit Jahren beschäftigt habe, immer und immer wieder.

De heer Wetterwald: Wanneer ik het woord neem, komt dat door een innerlijke drang die me daartoe noopt en graag zou ik tegen de spreker mijn hartelijke dank wil uitspreken voor de mooie woorden die hij tegen ons gesproken heeft en voor de beelden, de ideeën, gedachten die hij voor onze blik ontwikkeld heeft. Zijn woorden hebben mij buitengewoon sympathiek getroffen, omdat ze uit ideeën stammen waarmee ik mij al jaren bezig heb gehouden, steeds maar weer.

blz. 184

Ich wußte nicht, was unter der Geisteswissenschaft zu verstehen war. Jetzt habe ich deutlich gesehen, daß eine enge Beziehung besteht zwischen der Geisteswissenschaft, wie sie der Vortragende eben dargelegt hat, und der Pädagogik. Das ist nun meine vollendete Uberzeugung. Seine Worte haben mich auch noch deshalb sympathisch berührt, weil aus der ganzen Darlegung eine gewisse Entwicklung sich gezeigt hat, die Entwicklung, die wir sehen in der Herbart-Zillerschen Schule, auf die der Vortragende auch aufmerksam gemacht hat. – Auch hat er auf gewisse Stufen in der Entwicklung des Kindes aufmerksam gemacht, und das ist es, was mich veranlaßt, ein ganz kurzes Wort noch zu sagen.
Stufen hat er dargelegt, und in einer Weise, die mich überzeugt hat, daß es wirklich solche Stufen gibt. Wir finden solche Stufen auch schon bei Herbart angegeben. Herbart hat ja schon im Jahre 1804 durch sein sehr interessantes Werk von der ästhetischen Struktur in der Erziehung gezeigt, iuf was es eigentlich in der Erziehung ankommen soll, ankommen muß. Und daraus hat er dann die Stufen-Theorie geschaffen, die von Ziller weiter ausgeführt wurde und von Vogt in Wien bis zu einem gewissen Grade plausibel dargestellt worden ist. Aber alle eben erwähnten Stufen-Theorien haben mich von dieser Tatsache doch nicht so überzeugt wie das, was vom Vortragenden heute vorgebracht worden ist, und dafür noch besonderen Dank.
Nun noch etwas. Sie haben wohl alle empfunden, daß es vor allem auf eines ankommt, was schwer auf unsere Seele fallen muß, auch mir selbst, daß es vor allem ankommt auf die Erzieherpersönlichkeit. Das ist aus dem ganzen Vortrag mit aller Deutlichkeit, mit aller sittlichen Wärme, Tiefe und Verantwortung hervorgegangen. Und das ist es, was mich besonders berühr­te, daß er diesen Gedanken mit aller Schärfe und Bestimmtheit betont hat und uns damit zeigt, welch große Aufgabe und Verantwortung wir haben, wenn wir unseren Beruf als Erzieher ausführen. Ich bin in der Hauptsache mit allen Bildern aus dem Leben durchaus einverstanden. Sie sprachen aus, was ich selber seit Jahrzehnten erlebt, gedacht und empfunden habe. Ich schließe mit dem herzlichen Dank an den Vortragenden für seine Ausführungen.

Ik wist niet wat ik onder geesteswetenschap moest verstaan. Nu heb ik duidelijk gezien dat er een nieuwe betrekking bestaat tussen de geesteswetenschap zoals de spreker die uitgelegd heeft en de pedagogie. Dat is mijn volle overtuiging. Zijn woorden zijn ook daarom bij mij zo sympathiek overgekomen, omdat de hele uitleg een bepaalde ontwikkeling vertoont, de ontwikkeling die we zien in de school van Herbart/Ziller die de spreker ook genoemd heeft.
Ook heeft hij ons attent gemaakt op verschillende fasen in de ontwikkeling van het kind en dat geeft mij de aanleiding nog in het kort iets te zeggen.
Hij heeft het over fasen gehad op een manier die mij de overtuiging hebben gegeven dat er daadwerkelijk zulke fasen bestaan. Herbart heeft al in 1804 door zijn interessante werk van de esthetische structuur in de opvoeding laten zien, waarop het eigenlijk in de opvoeding aan moet komen. En daaruit heeft hij dan de fasen gemaakt die door Ziller verder zijn uitgewerkt en door Vogt** in Wenen in een bepaalde mate plausibel weergegeven zijn. Maar van alle genoemde fasentheorieën hebben mij van deze feiten toch niet zo overtuigd dan die door de spreker vandaag naar voren zijn gebracht en daarvoor zeer bedankt.
Nu nog iets. U hebt misschien allen wel ervaren dat het bovenal om één ding gaat, wat ons wel zwaar op de ziel zal vallen, ook bij mij, dat het vooral gaat om de persoonlijkheid van de leraar. Dat is uit de hele voordracht met alle duidelijkheid, met alle morele warmte, diepte en verantwoordelijkheid wel gebleken.
En dat heeft mij bijzonder geraakt, dat hij deze gedachten scherp en zeker benadrukt heeft en ons ermee laten zien wat een grote opdracht en verantwoording wij hebben wanneer wij ons beroep als opvoeder uitoefenen. Ik ben het in hoofdzaak eens met al die levensbeelden. U sprak uit wat ik zelf al tientallen jaren beleefd, gedacht en ervaren heb. Ik sluit af met mijn hartelijke dank aan de spreker voor zijn uiteenzettingen.

*Herbart-Zillersche school: Tuiskon Ziller, 1817 1882, professor en leider van de pedagogische opleiding in Leipzig, oprichter van de school van Herbart en Ziller. Hij eiste een ‘concentratie van onderwijs’ rond de gevoelsvormende vakken en gaf vorm aan de ‘formele fasen’ voor lessen (analyse, synthese, associaitie, systeem, methode.)  Werken: «Einleitung in die allge­meine Pädagogik«, Langensalza 1901; «Grundlegung zur Lehre vom erziehen­den Unterricht», Leipzig 1884; «Allgemeine philosophische Ethik», Langensalza 1886.

**Theodor Vogt 1835-1908, filoos en pedagoog professor in Wien, vanf 1882 leider van de ver. voor wetenschappelijke pedagogie en uitgever van het jaarboek daarvan. Aanhanger van Herbart en vertegenwoordiger van een formalistische esthetiek  «Das pädagogische Universitätsseminar», 1884.

Vanaf hier gaat het over euritmie – de kritiek die spreker X daarop heeft en het antwoord van Steiner. Deze tekst staat bijRudolf Steiner over euritmie.

X (unbekannt): Was ich sagen wollte, hat mir zum größten Teil der erste Vorredner weggenommen, nämlich, wie wir uns durch die Kunst in das Kind hineinleben.
Ich möchte noch etwas als eine Art Kritik üben. Rudolf Steiner sagt, das Turnen, wie man es heute in der Schule hat, soll ersetzt werden durch Eurythmie.  De rest van de tekst: Deze tekst staat bij ‘Rudolf Steiner over euritmie.

Wat ik wilde zeggen heeft de eerste spreker al voor het grootste deel voor mij gedaan, n.l. hoe wij ons door de kunst in het kind kunnen inleven.
Ik zou nog een bepaalde kritiek willen hebben. Rudolf Steiner zegt dat gymnastiek zoals dat tegenwoordig op school wordt gedaan, vervangen moet worden door euritmie. De rest van de tekst: Deze tekst staat bijRudolf Steiner over euritmie.

Tekst loopt t/m blz. 186

blz. 187

Herr Blumer führt aus, daß das Prinzip, das Rudolf Steiner entwickelt habe, ungemein lehrreich und fruchtbar für die Schule sei. Wenn man bedenke, wie die Sache in der Schule jetzt gehandhabt werde, so müsse man doch sagen, daß das nicht mit den Stufen, die Rudolf Steiner anführte, übereinstimme. Er fährt fort:
Goethe hat einst gesagt, daß das Kind für die Empfindung die Kulturepo­chen der Menschheit kurz wieder durchlaufen müsse. Und wenn wir an dieses wertvolle Wort von Goethe wieder recht anknüpfen wollten, es fruchtbar machten, würden wir zu Methoden kommen, die mit den Ideen, die wir schon seit Jahren pflegen, absolut im Widerspruch stehen.
Ich möchte nun noch zweitens bemerken: Für den Zeichenunterricht geht man immer von einzelnen Linien, Geraden, Figuren aus. Wenn wir jedoch die Produkte der Höhlenbewohner mit ihren Zeichnungen in den Höhlen betrachten, müssen wir bedenken, daß diese gar keinen Zeichenunterricht bekommen haben. Und ich meine, schon nach diesen ersten Zeichnungen und Darstellungen jener Naturvölker können wir ungemein viel für unseren Kinder-Zeichenunterricht lernen. Oder wiederum im Singen: Jetzt geht man immer von der Tonleiter aus, als wenn das die naturgemäße Grundlage für unser Schulsingen wäre; während, wenn man die Geschichte der Musik studiert, man sofort einsieht, daß die Tonleiter eine Abstraktion ist, zu der die Menschheit erst im Laufe von vielen Jahrhunderten gekommen ist, während das Primäre in der Musik der Dreiklang ist, überhaupt der Akkord. Und so sollte sich unser Gesangsunterricht viel mehr vom Akkord aus aufbauen und erst später zur Tonleiter kommen.

De heer Blumer zet uiteen dat het principe dat Rudolf Steiner heeft ontwikkeld buitengewoon leerrijk en vruchtbaar is voor de school. Wanneer je bedenkt hoe de zaak nu in de school behandeld wordt, dan moet je toch zeggen dat dit niet overeenstemt met de fasen die Rudolf Steiner aangaf. Hij gaat verder:
Goethe heeft een keer gezegd* dat het kind voor het gevoel de cultuurperioden van de mensheid weer kort moet doorlopen. En wanneer we bij deze waardevolle woorden van Goethe weer goed willen aanknopen, het vruchtbaar willen maken, zouden we tot methoden komen die met de ideeën die wij al jaren koesteren, absoluut niet overeenkomen.
Als tweede wil ik nog opmerken: bij het tekenen gaat men steeds van losse lijnen, rechten, figuren uit. Wanneer we echter naar de producten van de grotbewoners met hun tekeningen kijken, moeten we bedenken dat deze helemaal geen tekenonderwijs hebben genoten. En ik bedoel, van al deze eerste tekeningen en voorstellingen van die natuurvolkeren, kunnen we buitengewoon veel voor onze tekenlessen aan kinderen leren. Of weer wat het zingen betreft: tegenwoordig gaat men steeds uit van de toonladder, als zou dat de natuurlijke basis zijn voor het zingen op school; terwijl, wanneer je de geschiedenis van de muziek bestudeert, je meteen inziet dat de toonladder een abstractie is, waartoe de mensheid pas in de loop van vele eeuwen gekomen is, terwijl het primaire in de muziek de drieklank is, vooral het akkoord. En onze zanglessen zouden veel meer vanuit het akkoord opgebouwd moeten zijn en pas later tot de toonladder moeten komen.

*Goethe heeft eens gezegd: Wellicht een zinvolle weergave van een uitspraak van Goethe, die J.P.Eckermann uit het gesprek van 17 januari 1827 meedeelde
‘Ook al gaat de wereld als geheel verder, de jeugd moet toch steeds weer vanaf het begin beginnen en als individu de fasen van de wereldcultuur doorlopen.’ (‘Gesprekken met Goethe in de laatste jaren van zijn leven’ ,Weimar 1835)

Ich glaube, auch für andere Fächer, wie Geographie, Geschichte, sollten wir sehr viel mehr darauf sehen, wie diese ersten Völker diese, ich darf nicht sagen Wissenschaften, sondern einfach diese Kenntnisse sich erworben haben. Und wenn das dann in gleicher Weise von uns übernommen würde, daß zum Beispiel für die Geographie anhand von interessanten Zeichnungen Reisen von Entdeckern der Neuen Welt und so weiter dargeboten würden, so würde das Kind viel, viel mehr Interesse bezeugen. Es könnte das innerlich auch mit durchleben, statt daß ihm die fertigen Ergebnisse der jetzigen Zeit in trockenen Lehr­büchern und trockenen Leitfäden – Leidfäden mit d geschrieben – darge­boten werden.

Herr Weber: Ich muß den Schluß der Diskussion erklären; die Zeit ist leider zu weit vorgeschritten.

Herr Hulliger: Nur noch eine kurze Anfrage: Wäre es nicht möglich, daß wir hier in Basel eine pädagogische Arbeitsgemeinschaft bilden könnten? Wür­den sich nicht Kollegen bereit finden, zusammenzutreten, um diese Proble­me zu besprechen und auch praktische Versuche anzustellen? Ich glaube, wir könnten einander sehr viel nützen. Es ist ja dem einzelnen gar nicht mehr möglich, in die verschiedenen Gebiete einzudringen, und wir könnten einan­der sehr viel bieten durch eine Arbeitsgemeinschaft. Nicht, daß wir einander

Ik geloof dat we, ook voor andere vakken zoala aardrijkskunde, geschiedenis,  er veel meer op moeten letten, hoe deze eerste volkeren deze, ik mag niet zeggen wetenschappen, maar eenvoudig deze kennis zich aanvankelijk hebben eigen gemaakt. En wanneer dat dan op dezelfde manier door ons wordt overgenomen, bv. dat de aardrijkskunde aan de hand van interessante verslagen over reizen van ontdekkingsreizigers van de nieuwe wereld enz. gegeven wordt, dan zou het kind veel, veel meer interesse krijgen. Het zou het innerlijk mee kunnen beleven in plaats van hem de kant-en-klare resultaten van de huidige tijd in droge leerboeken en leidraden – lijddraden, zo geschreven – aan te bieden.

De heer Weber: Ik moet het slot van de discussie aangeven; de tijd is helaas al te ver gevorderd.

De heer Hulliger: alleen nog een korte vraag: zou het niet mogelijk zijn, dat wij hier in Basel een pedagogische werkgemeenschap* zouden kunnen vormen? Zouden er geen collega’s bereid gevonden kunnen worden, samen te komen om deze problemen te bespreken en ook iets in de praktijk te proberen? Ik geloof dat we veel voor elkaar zouden kunnen betekenen. Het is in je eentje helemaal niet meer mogelijk tot de verschillende gebieden door te dringen en we zouden elkaar heel veel kunnen bieden door een werkgemeenschap. Niet, dat we voor elkaar

*dat we hier in Basel een werkgemeenschap zouden kunnen vormen. Inderdaad werd er na deze voordracht een groep van zo’n 60 leerkrachten gevormd, die Rudolf Steiner voor een voordrachtenreeks uitnodigden. Door het departement van opvoeding van Basel werd de aula van ‘De Wette school’ ter beschikking gesteld. Zo kon nadat er aan alle leerkrchten uit Basel en omgeving een uitnodiging was gestuurd de voordrachtenreeks die veertien dagen, resp. avonden zou duren, op 20 april 1920 beginnen om op 11 mei 1920 afgesloten te worden, met de titel: De vernieuwing van de pedagogisch-didactische kunst’, GA 301, op deze blog vertaald.

blz. 188

Vorträge halten würden, sondern wir würden ein bestimmtes Gebiet bearbei­ten, uns aussprechen, praktische Versuche machen, soweit möglich, und die Ergebnisse der Versuche besprechen. In Basel besteht noch keine solche Arbeitsgemeinschaft, aber zum Beispiel in Winterthur und in Deutschland.

Herr Weber: Der Sprechende soll die Initiative ergreifen und eine solche zuwege rufen.

Rudolf Stezner: Die Zeit ist zu stark fortgeschritten, als daß ich versuchen könnte, auch nur ein eigentliches Schlußwort zu spre­chen. Es gereicht mir zur tiefsten Befriedigung, daß von den ver­schiedenen Diskussionsrednern eigentlich nur Ergänzungen zum Vorschein gekommen sind, die außerordentlich interessant waren und die sich in einer ganz ungezwungenen Zum Beispiel ist da in Dornach versucht worden, einmal rein aus der Farbe heraus zu malen, so daß also noch der innere Gehalt der Farbe, der farbi­gen Fläche empfunden werde und was als Linie auftritt, aus der Farbfläche heraus entstehen soll. In dieser Beziehung wird auch das Substantielle der Geisteswissenschaft anregend wirken können für manches, was heute berührt worden ist.
Der Hinweis auf die Herbartsche Pädagogik hat mich außeror­dentlich interessiert, denn von Herbart ist im positiven und im negativen Sinne sehr viel zu lernen. Vor allen Dingen, wenn man sieht, wie in der Herbartschen Psychologie trotz allen Strebens nach der Methode der Intellektualismus des Zeitalters eine über­wiegende Rolle gespielt hat. Und gerade, wenn man sich an der

voordrachten moeten gaan houden, maar we zouden aan een bepaald gebied kunnen werken, ons erover uitspreken, in de praktijk iets te proberen, voor zover mogelijk en de resultaten van die pogingen bespreken. In Basel bestaat zo’n werkgemeenschap niet, maar bv. wel in Winterthur en in Duitsland.

De heer Weber: de spreker moet het inititatief nemen en een en ander in gang zetten.

Rudolf Steiner: de tijd is al te ver om om te kunnen proberen, nog zoiets als een slotwoord te spreken. Ik ben er heel blij mee dat door de verschillende sprekers bij de discussie eigenlijk alleen maar aanvullingen te berde zijn gebracht die buitengewoon interessant waren en die geheel ongedwongen kunnen aanknopen bij de bedoeling van de voordracht.
Niet waar, het is begrijpelijk dat wat in Dornach te zien is, ook in wat de aparte kunstzinnige prestaties in Dornach behelst, een soort uitdrukking van de overtuigingen gegeven is die aan de geestesewetenschap ten grondslag liggen.
Nu zou de heer die er hier op zo’n mooie manier over gespoken heeft willen zien hoe niet het uiterlijk bekijken, maar een kunstzinnig voelen ontwikkeld kan worden, zoals juist door de geesteswetenschap geprobeerd is, ook in het kunstzinnig streven zelf aan deze zaken te voldoen.
In Dornach is bv. geprobeerd puur vanuit de kleur te schilderen, zodat dus nog de innerlijke eigenschap van de kleur, van het kleurvlak ervaren kan worden en wat als lijn ontstaat vanuit de kleurvlakken gaat ontstaan. Wat dat betreft zal ook het substantiële van de geesteswetenschap werkzaam kunnen zijn voor veel wat vandaag aangestipt is.
De verwijzing naar de pedagogie van Herbart interesseert me buitengewoon, want van Herbart is in positieve en in negatieve zin zeer veel te leren. Vooral wanneer je ziet hoe in de psychologie van Herbart ondanks alle methodische pogingen, het intellectualisme van deze tijd een overwegende rol heeft gespeeld. En vooral wanneer je

blz. 189

Herbartschen Pädagogik heranbändigt, muß man aus ihr heraus, manches bekämpfend, gerade zu dem kommen, zu den Prinzipien kommen, die meine heutigen Ausführungen ergeben.
Namentlich mit dem letzten Redner bin ich in fast allen Einzel­heiten einverstanden. Er könnte sich überzeugen, daß solche Din­ge, wie er sie forderte, bis in alle Einzelheiten ausgebildet, ausge­staltet, gerade zu den prinzipiellsten Einrichtungen unserer Wal­dorfschule gehören. Namentlich, was in bezug auf die Methode des Zeichnens, des Musikalischen und des Geographischen gesagt wor­den ist, wurde versucht, zu einer praktischen Ausgestaltung zu bringen, denn gerade auf diese drei Gebiete ist sehr viel Mühe verwendet worden. So haben wir in der Probelektion eine Bearbei­tung des Mississipi-Gebietes ausgearbeitet – ich denke, die Art, wie man die Vorbereitung dieser Probelektion machte, um lebendig und anschaulich das Geographische hinzustellen, so wie es nicht aus irgendeiner Theorie oder Intellektualität, sondern aus dem ganzen Menschlichen herauskommt, würde den verehrten Redner befriedigt haben.
Anstatt eines Schlußwortes möchte ich also nur sagen, daß ich außerordentlich darüber befriedigt bin, daß von so vielen Seiten so schöne und wichtige Ergänzungen zu dem Vortrag gegeben worden sind.

pedagogie van Herbart gaat begrijpen, moet je wanneer je veel ervan moet bestrijden, wel uitkomen bij de principes die je in mijn uiteenzettingen kan vinden.
Vooral met de laatste spreker ben ik het bijna in alle details eens. Hij zou zich ervan kunnen overtuigen dat de dingen zoals hij ze wil bevorderen tot in alle details uitgewerkt, ontwikkeld, juist tot de meest principiële instellingen van onze vrijwchool horen. Vooral wat m.b.t. de tekenmethode, de muziek en de aardrijkskunde werd gezegd, werd geprobeerd tot een praktische uitwerking te komen, want juist op deze drie terreinen is zeer inspanning aangewend. Zo hebben we in een proefles een behandeling van het Mississippigebied uitgewerkt – ik denk dat de manier waarop men deze proefles voorbereid heeft om levendig en aanschouwelijk aardrijkskunde te geven, dus niet uit een of andere theorie of intellectualiteit, maar vanuit alles wat menselijk is, zou de geachte spreker veel voldoening schenken.
In plaats van een slotwoord zou ik dus alleen willen zeggen dat ik buitengewoon blij ben dat er van zoveel kanten zulke mooie en belangrijke aanvullingen op de voordracht zijn gegeven.

.

[1] GA 297 Duits
[2] GA 297 Vragenbeantwoording bij de 6e voordracht Duits

.

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

.

1888-1773

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 297 – voordracht 6

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com

RUDOLF STEINER

BASISGEDACHTEN EN PRAKTIJK VAN DE VRIJESCHOOL

9 voordrachten, een bespreking en vragenbeantwoording tussen 24 augustus 1919 en 29 december 1920 in verschillende plaatsen [1]

GA 297: vertaling
Inhoudsopgave   voordracht   [1]  [2]  [3]  [4]  [5]  [7]  [8]  [9]

vragenbeantwoording bij de 5e vdr.;  vragenbeantwoording bij de 6e vdr.;
bespreking van pedagogisch-psychologische vragen; vragenbeantwoording bij de 9e vdr.
.

Geisteswissenschaft und Pädagogik
Geesteswetenschap en pedagogie

Inhoudsopgave 6e voordracht

Blz. 158: relatie geesteswetenschap-pedagogie; geesteswetenschap en natuurwetenschap
Blz. 159: natuurwetenschap heeft mens buiten spel gezet;
Blz. 160: ontwikkeling door geesteswetenschap
Blz. 161: tot nog toe geen geesteswetenschappelijke methode om de mens te leren kennen
Blz. 162: sprongen in de ontwikkeling
Blz. 163 e.v.: nabootsing
Blz. 165: tandenwisseling; autoriteit
Blz. 168: wil ligt ten grondslag aan nabootsingsdrang; op de wil werken door kunstzinnig-esthetische activiteit – bv. bij leren schrijven
Blz. 169: schrijven kunstzinnig aanleren
Blz. 170: vlinder en ziel, beeld van onsterfelijkheid; geloof jet zelf; het imponderabele
Blz. 171: in de jeugd leren bidden, is in de ouderdom kunnen zegenen
Blz. 172 en 179: 9e jaar; Ik-ontwikkeling; eerste herinnering;
Blz. 173: pedagogie als kunst; verandering in het benaderen van de wereld: van verhaal naar meer objectiviteit;
Blz. 174: 11e, 12e jr: terugtreden autoriteit – op weg naar zelf oordelen; leeerplan af te lezen aan ontwikkeling kind
Blz. 175: aanschouwelijkheid;
Blz. 176: wat ooit werd aangeleerd uit autoriteit, metamorfoseert zich en treedtveel later in het leven weer aan de dag;
Blz. 177: onderwijs niet alleen intellect: ook handen en sociaal
Blz. 178: gymnastiek en euritmie
Blz. 180: geesteswetenschap moet menskunde worden; wordende mens als raadsel

6e voordracht, Basel 27 nov. 1919, [2]

Geisteswissenschaft und Pädagogik

blz. 157

Ich rechne es mir zur besonderen Ehre an, in Ihrer Mitte über die Beziehungen jener geisteswissenschaftlichen Weltanschauung, der ich mein Wirken gewidmet habe, zu dem pädagogischen Wirken, dem ja Ihre Tätigkeit gewidmet ist, sprechen zu können. Ich darf nur vielleicht einleitend zwei Bemerkungen vorausschicken: Das Erste ist, daß dasjenige, was ich die Absicht habe, zu Ihnen zu sprechen, ja selbstverständlich in scheinbar theoretische Worte und Fügungen gekleidet sein muß, da man, um Anschauungen auseinanderzusetzen, eben Worte braucht. Ich bemerke aber aus­drücklich, daß es nicht theoretisch gemeint ist. Denn ich würde gerade über das heutige Thema nicht sprechen, wenn nicht immer und immer ein Teil meiner Tätigkeit auch praktisch gerade dem pädagogischen Wirken und der pädagogischen Menschheitskultur zugewendet gewesen wäre, so daß dasjenige, was ich vorbringen möchte, durchaus also so gemeint ist, daß es unmittelbar aus der Praxis heraus auch gedacht ist. Das Zweite, was ich einleitend vorausschicken möchte, ist, daß ja die hier vertretene Geisteswissenschaft selbst noch etwas in der Gegenwart außerordentlich Angefochtenes ist und daß ich daher durchaus begreiflich finde – gerade weil ich diese Geistes­wissenschaft vertrete, finde ich es begreiflich -, wenn gegenüber dem einen oder dem anderen heute noch vieles, vieles eingewen­det wird, aus dem Grunde, weil die Methode, die in dieser Geisteswissenschaft angewendet wird, den heutigen Anschauun­gen vielfach noch ungewohnt ist. Aber vielleicht wird gerade die Art und Weise, wie versucht werden kann, diese Geisteswissen­schaft zu einer wirklichen Lebenskraft zu machen, wie versucht werden kann, in einem so bedeutsam praktischen Gebiet wie dem pädagogischen diese Geisteswissenschaft einzuführen, gerade dazu beitragen können, auch dieser Geisteswissenschaft selbst näherzukommen.

Geesteswetenschap en pedagogie

Ik vind het een hele eer om in uw midden over de relaties te spreken tussen de geesteswetenschappelijke wereldbeschouwing waaraan ik mijn arbeid wijdt en de pedagogische arbeid waar u zich aan wijdt. Als inleiding mag ik wellicht twee opmerkingen vooraf maken: de eerste is dat wat ik tegen u bedoel te zeggen
vanzelfsprekend in schijnbaar theoretische woorden en formuleringen gekleed moet zijn, omdat je om gezichtspunten nader te verklaren nu eenmaal woorden nodig hebt. Maar ik wil nadrukkelijk zeggen dat het niet theoretisch bedoeld is. Want ik zou over het thema van nu helemaal niet spreken, wanneer niet steeds maar weer mijn activiteit ook praktisch op het pedagogische werk en op de pedagogische cultuur van de mensheid gericht zou zijn, zodat wat ik wil laten horen vooral zo bedoeld is dat het meteen vanuit de praktijk gedacht is.
Het tweede wat ik als inleiding vooraf zou willen laten gaan is dat de geesteswetenschap waar ik voor sta, zelf nog in deze tijd iets is wat buitengewoon bekritiseerd wordt en dat ik het daarom zeker wel begrijpelijk vind – juist omdat ik die geesteswetenschap vertegenwoordig vind ik het begrijpelijk – wanneer er wat het een of het ander betreft nog veel, veel tegen ingebracht wordt, met als reden dat de methode die in deze geesteswetenschap gehanteerd wordt, voor de opvattingen van tegenwoordig nog heel erg ongebruikelijk is.
Maar misschien zal juist de manier waarop geprobeerd kan worden deze geesteswetenschap tot een reële levenskracht te maken, zoals geprobeerd kan worden op een zo belangrijk practisch gebied zoals dat van de pedagogie, deze geesteswetenschap in te voeren, mede daartoe bijdragen deze geesteswetenschap ook beter te begrijpen.

blz. 158

Welches Gebiet der Kultur könnte man denn eigentlich anfüh­ren, das der pädagogischen Wirksamkeit, den pädagogischen Inter­essen ferne stände! Demjenigen, der als Pädagoge zu wirken hat, wird der Mensch anvertraut in einem Lebensalter, in dem er sich noch zu allem möglichen in der Welt entwickeln kann. Und nur aus dem allerwärmsten Anteil an der Gesamtkultur der Menschheit kann der Erzieher, kann der Unterrichtende in den zu Erziehen­den, in den zu Unterrichtenden das hineingießen, was in ihn hineingegossen werden soll. Wenn wir heute insbesondere das ganz spezielle Thema Geisteswissenschaft und Pädagogik besprechen, so geschieht es von mir aus aus dem Grunde, weil Geisteswissenschaft heute gerade ein geistiges Kulturelement werden soll, welches die in den letzten Jahrhunderten, insbesondere im 19. Jahrhundert, auseinandergetriebenen einzelnen geistigen Menschheitsinteressen wiederum zusammenfassen soll. Durch Geisteswissenschaft ist man in der Lage, dasjenige, was sich spezialisiert hat, wiederum durch eine konkrete Weltanschauung zusammenzufassen, ohne daß man nötig hat, gegenüber den Anforderungen des Spezialistentums zu erlahmen. Und es gibt heute einen ganz besonderen Grund, nachzudenken über die Beziehungen der hier gemeinten Gei­steswissenschaft zur Pädagogik. 

Welk gebied van de cultuur zou je eigenlijk kunnen noemen dat verre staat van de pedagogische activiteit, de pedagogische interesse! Degene die als pedagoog moet werken, krijgt een mens toevertrouwd op een leeftijd waarop hij zich nog tot alles wat mogelijk is, kan ontwikkelen. En alleen uit de allerwarmste betrokkenheid bij de allesomvattende cultuur van de mensheid kan de opvoeder, de leraar de opvoedeling, de leerling meegeven wat deze meegegeven moet worden. Wanneer we vandaag in het bijzonder dat heel speciale thema geesterswetenschap en pedagogie bespreken, dan gebeurt dan van mij uit om de reden dat geestewswetenschap juist vandaag de dag een geestelijk cultuurelement moet worden, dat de in de laatste eeuwen, vooral in de 19e eeuw uit elkaar gedreven aparte geestelijke interesses van de mensheids weer bijeen moet brengen. Door geesteswetenschap ben je in staat om wat zich gespecialiseerd heeft, weer door een concrete wereldbeschouwing samen te vatten, zonder dat het nodig is, machteloos te staan tegenover de eisen van specialisme. En tegenwoordig is er een heel bijzondere reden om na te denken over de relaties tussen de hier bedoelde geesteswetenschap en de pedagogie.

Es ist der, daß ja auch die Pädago­gik teilgenommen hat an der Beeinflussung allen menschlichen Denkens und aller menschlichen Tätigkeit durch die von so großen Triumphen begleitete neuere Naturwissenschaft.
Mehr als der Einzelne weiß oder sich zum Bewußtsein bringt, hat naturwissenschaftliche Vorstellungsart, hat dasjenige, was gerade in der Naturwissenschaft zu so glorreichen Ergebnissen als Methode geführt hat, Einfluß gewonnen auf all unser Tun, namentlich auch auf dasjenige Tun, das wir als pädagogische Kunst bezeichnen. Und da möchte ich doch, weil ich selbstverständlich nicht die Grundlagen der Geisteswissenschaft als solcher hier entwickeln kann, auf eines hinweisen: ich möchte vergleichsweise auf die besondere Stellung der naturwissenschaftlichen Methode zum Leben hinweisen.
Bedenken Sie, wodurch zum Beispiel das menschliche Auge die­ser Wunderapparat ist, durch den wir in einem bestimmten Sinnesgebiete

Ook de pedagogie was deelachtig aan de beïnvloeding van al het menselijke denken en alle menselijke activiteiten door de nieuwere natuurwetenschap die zulke grote successen heeft geboekt. Meer dan de enkeling weet of het zich bewust wordt, heeft de natuurwetenschappelijke manier van voorstellen, is wat m.n. in de natuurwetenschap als methode tot zulke glorieuze resultaten  geleid heeft, van invloed geweest op al ons handelen, m.n. ook op wat wij pedagogische kunst noemen. En nu zou ik, omdat ik vanzelfsprekend hier niet de basis van de geesteswetenschap als zodanig kan ontwikkelen, op iets wijzen: vergelijkenderwijs zou ik op de bijzondere plaats willen wijzen van de natuurwetenschappelijke methode t.o.v het leven.
Neem eens waardoor b.v. het menselijk oog dit wonderbaarlijke apparaat is, waardoor wij in een bepaald zintuiggebied

blz. 159

die Außenwelt sehen. Es ist das Auge dadurch diese Wunder­einrichtung, daß es ganz und gar konstruiert ist, die Umwelt zu se­hen und immer – ich rede vergleichsweise – sich selbst bei diesem Sehen zu vergessen. Wir müssen, ich möchte sagen den Standpunkt der Beobachtung vollständig umkehren – wir können das ja mit der äußeren Naturwissenschaft nur annähernd -, wenn wir dieses unser Werkzeug des äußeren Sinnen-Sehens wirklich durchforschen wol­len. Im Sehen selbst können wir nicht zu gleicher Zeit zurückschau­en auf die Wesenheit unseres Auges. Dieses Bild können wir anwen­den auf die naturwissenschaftliche Methode gegenüber dem Leben. Gerade indem der Mensch in der neueren Zeit sorgfältig und gewis­senhaft ausgebildet hat die naturwissenschaftliche Methode, so daß sie in den verschiedenen naturwissenschaftlichen Gebieten und der­gleichen ein objektives Bild der Außenwelt treu wiedergibt, hat er die zugrundeliegende Seelenverfassung so geformt, daß im naturwissenschaftlichen Anschauen der Welt vergessen wird das mensch­liche Selbst, vergessen wird alles dasjenige, was unmittelbar zusam­menhängt mit dem menschlichen Leben. Und so ist es gekommen, daß, je mehr wir uns naturwissenschaftlich entwickelt haben, wir mit den naturwissenschaftlichen Methoden um so weniger hinblicken konnten zugleich auf dasjenige, was das eigentlich Menschliche ist.

de buitenwereld zien. Het oog is daarom zo wonderbaarlijk, omdat het helemaal gebouwd is om de omgeving te zien en om zich zelf daarbij – ik zeg dit als vergelijking – te vergeten. We moeten het standpunt van waaruit we waarnemen helemaak omkeren – we kunnen dat met de uiterlijke natuurwetenschap maar bij benadering – wanneer we dit werktuig van het uiterlijk zsintuiglijk zien werkelijk willen onderzoeken.  Bij het zien zelf kunnen we niet tegelijkertijd ook terugkijken op het wezen van ons oog. Dat beeld kunnen we ook toepassen op de natuurwetenschappelijke methode als het over het leven gaat. Net zoals de mens van deze tijd de natuurwetenschappelijke methode zorgvuldig en gewetensvol ontwikkeld heeft, zodat deze op de verschillende natuurwetenschappelijke gebieden e.d. een objectief beeld van de buitenwereld getrouw weergeeft, heeft hij de daaraan ten grondslag liggende zielenstemming zo gevormd, dat in het natuurwetenschappelijk waarnemen van de wereld het menselijke zelf wordt vergeten, alles wat onmiddellijk samenhangt met het menselijke leven. En zo is het gekomen dat hoe meer we ons natuurwetenschappelijk ontwikkeld hebben, we des te minder tegelijkertijd een blik konden werpen op wat het eigenlijk menselijke is.

Geisteswissenschaft möchte nun hinzufügen zur Naturwissen­schaft – ganz aus dem Geist naturwissenschaftlicher Erkenntnis heraus, aber eben aus diesem Geist naturwissenschaftlicher Er­kenntnis über die Naturwissenschaft hinausgehend – jene Umkeh­rung der Beobachtung, die nun wiederum zurück zum Menschen gewendet wird. Das kann nur geschehen, indem man jene Vorgän­ge des Seelenlebens, die ich beschrieben habe in meinem Buch «Wie erlangt man Erkenntnisse der höheren Welten?», die ich kürzer angedeutet habe im zweiten Teil meiner « Geheimwissenschaft», indem man jene Vorgänge vom menschlichen Seelenleben wirklich durchmachen läßt. Es sind das Vorgänge, welche dieses mensch­liche Seelenleben wirklich hinaustragen über dasjenige, in dem es sich befindet im gewöhnlichen Leben und in dem es sich befindet auch innerhalb der naturwissenschaftlichen Welt.

Geesteswetenschap zou aan de natuurwetenschap willen toevoegen – geheel in de geest van de natuurwetenschappelijke kennis, maar toch in de geest van deze natuurwetenschappelijke kennis boven de natuurwetenschap uitgaand – het omdraaien van de waarneming die dan weer op de mens gericht wordt. Dat kan alleen gebeuren, wanneer je de processen in het zielenleven die ik beschreven heb in mijn boek ‘De weg tot inzicht , die ik verkort weergegeven heb in het tweede deel van mijn ‘Wetenschap van de geheimen der ziel‘,* werkelijk wil ondergaan. Het zijn processen die het menselijke zielenleven daadwerkelijk verheffen boven de toestand waarin het zich in het gewone leven bevindt als ook in de wereld van de natuurwetenschap.

*«Wie erlangt man Erkenntnisse der höheren Welten?» GA 10 (1904/05); »Geheimwis­senschaft im Umriß» (1910), GA 13, Kap. «Die Erkenntnis der höheren Welten (Von der Einweihung oder Initiation)».

blz. 160

Um sich wirklich hineinzufinden in eine solche Anschauungs­weise, muß man dasjenige haben, was ich «intellektuelle Beschei­denheit» nennen möchte. Ich habe neulich auch hier in einem öf­fentlichen Vortrage ein Bild gebraucht für dasjenige, was notwen­dig ist: Betrachten wir ein fünfjähriges Kind. Geben wir einem fünfjährigen Kind in die Hand einen Band mit Goethes lyrischen Gedichten. Dieser Band von Goethes lyrischen Gedichten enthält eine ganze Welt. Das Kind wird den Band in die Hand nehmen, irgend etwas damit hantieren, aber es wird nichts davon wahrneh­men, was eigentlich aus diesem Band zu dem Menschen sprechen wird. Das Kind aber kann entwickelt werden, die seelischen Kräfte schlummern in ihm, daß es in zehn, zwölf Jahren wirklich aus dem Band dasjenige herausholen kann, was in diesem Bande drinnen ist. Diese Gesinnung brauchen wir, wenn wir uns hineinfinden wollen in die hier gemeinte Geisteswissenschaft. Wir müssen uns sagen können: Dasjenige, was eine noch so sorgfältige Ausbildung unse­res Intellektes, unserer Beobachtungs- und Experimentiermethode ist, das bringt den Menschen bis zu einer gewissen Stufe. Von der ab kann er seine Entwicklung selbst in die Hand nehmen; von der Stufe ab kann er vorher schlummernde Kräfte entwickeln. 

Om werkelijk thuis te raken in zo’n manier van waarnemen, moet je zoiets hebben wat ik ‘intellectuele bescheidenheid’ zou willen noemen. Ik heb onlangs ook hier in een openbare voordracht* een beeld gebruikt voor wat er nodig is: laten we naar een vijfjarig kind kijken. Laten we een vijfjarig kind een band met Goethes lyrische gedichten ter hand stellen. Daar zit een hele wereld in. Het kind zal het boek pakken, het bekijken enzo, maar het zal niets merken van wat er uit deze band tot de mens wil spreken. Maar het kind kan zich ontwikkelen, er sluimeren gevoekskrachten in hem, waarmee hij over tien, twaalf jaar uit het boek daadwerkelijk kan halen wat erin staat. Die opvatting hebben we nodig, wanneer we ons thuis willen voelen in de geesteswetenschap die hier wordt bedoeld. We moeten kunnen zeggen: wat zo’n zorgvuldige ontwikkeling van ons intellect is, van onze waarnemings- en experimenteermethode, brengt de mens op een zeker niveau. Vandaaruit kan hij zijn ontwikkeling zelf ter hand nemen; vandaaruit kan hij bepaalde sluimerende krachten gaan ontwikkelen.

*Ich habe neulich auch hier in einem öffentlichen Vortrage ein Bild gebraucht: Im Vortrag vom 20. Oktober 1919 über «Geisteswissenschaft und die Bedingungen der Kultur in Gegenwart und Zukunft», enthalten im Band «Die Befreiung des Mensehenwesens als Grundlage für eine soziale Neugestaltung», GA 329.

Dann wird er gewahr, daß er vorher sowohl der äußeren Natur, ihrer geistig-seelischen Wesenheit nach, wie namentlich dem Menschenwesen selbst gegenübergestanden hat, wie das fünfjährige Kind dem lyrischen Gedichtband Goethes gegenübersteht. Der Ent­schluß zu dieser intellektuellen Bescheidenheit ist dasjenige, wovon im wesentlichen, prinzipiellen alles abhängt, wie man sich hinein-finden kann in das, was hier als Geisteswissenschaft gemeint ist. Denn dadurch, daß man durch Anwendung besonderer Denk-, Empfindungs- und Willensmethoden, die hinzielen auf eine Ver­selbständigung des Denkens, auf eine Zucht des Willens dadurch, daß man Willenskultur und Denkkultur immer unabhängiger und unabhängiger macht von den körperlichen Werkzeugen, dadurch gelangt man zur Fähigkeit, gewissermaßen sich wirklich zu beob­achten, den Menschen selbst zu beobachten. Kann man aber den Menschen beobachten, dann kann man auch das, was für die Beobachtung

Dan merkt hij dat hij vóór die tijd wat de uiterlijke natuur betreft tegenover het bovenzinnelijk wezen daarvan stond, alsmede tegenover het wezen van de mens zelf, zoals het vijfjarige kind tegenover de lyrische gedichtenbundel van Goethe. Van de keuze voor deze intellectuele bescheidenheid hangt wezenlijk, principieel alles af van hoe je thuis kan raken in wat hier met geesteswetenschap wordt bedoeld. Want doordat je door het toepassen van bijzondere methoden voor het denken, voelen en willen, die ernaar toewerken dat het denken zelfstandiger wordt, dat de wil gecultiveerd wordt door de wilscultuur en de denkcultuur steeds onafhankelijker te maken van het lichamelijke, krijg je het vermogen in zekere zin jezelf waar te nemen en de mens zelf. Wanneer je de mens kan waarnemen, dan kan je ook wat voor de waarneming

blz. 161

so außerordentlich wichtig ist, den werdenden Menschen beobachten. Heute wird ja gewiß auch viel vom Geist gesprochen, von selbständigem Denken gesprochen; allein in diese Sprache kann die hier gemeinte Geisteswissenschaft nicht einstimmen aus dem Grunde, weil sie eben die geistigen Methoden innerlich ent­wickelt, um das konkrete Geistige zu ergreifen und zu erfassen, nicht den Geist, von dem man nebulos so im allgemeinen als den Dingen und der menschlichen Wesenheit selbst zugrundeliegend redet. Die hier gemeinte Geisteswissenschaft muß in Einzelheiten auf das Wesen des Menschen eingehen.
Heute wollen wir von dem Wesen des werdenden Menschen sprechen. Man redet ja gewiß, ich möchte sagen ganz abstrakt von der menschlichen Individualität und ihrer Entwicklung; und man ist mit Recht sich bewußt, daß namentlich der Erzieher Rechnung zu tragen hat der Entwicklung dieser menschlichen Individualität. Allein, ich möchte aufmerksam darauf machen, daß einsichtige Pädagogen sich durchaus klar darüber waren, wie wenig die natur­wissenschaftliche Erziehung der neueren Menschheit in der Lage ist, auf die wirklich gesetzmäßigen Entwicklungsstadien des wer­denden Menschen hinzuweisen. Zwei Beispiele möchte ich anfüh­ren.

zo buitengewoon belangrijk is, de wordende mens waarnemen. Er wordt tegenwoordig ook zeker veel over geest gesproken, over zelfstandig denken; maar de hier bedoelde geesteswetenschap kan niet in overeenstemming worden gebracht met dat taalgebruik, omdat ze nu eenmaal de methoden om tot het geestelijke te komen, innerlijk ontwikkelt, om wat concreet geestelijk is te begrijpen en te doorgronden, niet de geest waarover men in het algemeen zo zweverig spreekt, die aan de dingen en het wezen van de mens zelf ten grondslag zou liggen. De hier bedoelde geesteswetenschap moet in detail op het wezen van de mens ingaan.
Vandaag willen we over het wezen van de wordende mens spreken. Men praat nogal tamelijk abstract over de menselijke individualiteit en zijn ontwikkeling; en terecht is men er zich bewust van dat vooral de opvoeder rekening moet houden van de ontwikkeling van deze menselijke individualiteit. Alleen zou ik erop willen wijzen dat verstandige pedagogen goed wisten hoe weinig de natuurwetenschappelijke opvoeding van de moderne mensheid in staat is op de  echte ontwikkelingsstadia van de wordende mens te wijzen. Ik wil twee voorbeelden geven.

Der im letzten Drittel des 19. Jahrhunderts öfter genannte Wiener Pädagoge Theodor Vogt hat aus seiner dazumal reformiert vertretenen Herbartschen Anschauung heraus gesagt, wir seien heute in der Geschichtswissenschaft, in der Auffassung des geschichtlichen Lebens der Menschheit durchaus nicht so weit, ein­zusehen, wie sich die Menschheit selbst entwickele, um aus der Anschauung der sich entwickelnden Menschheit etwa ebenso ablei­ten zu können Anschauungen des sich entwickelnden Kindes, wie zum Beispiel der Naturforscher aus der Entwicklung der Arten ableite die embryonale Entwicklung des einzelnen menschlichen Individuums. Diese Anschauung hat dann der Jenenser Pädagoge Rein wiederholt. Sie gipfelt eben darinnen, anzuerkennen, daß wir heute eigentlich keine geisteswissenschaftliche Methoden haben, die wirklich hinweisen könnten auf dasjenige, was der Entwicklung des Menschen zugrundeliegt. Erst die Erweckung solcher Fähigkeiten,

De Weense pedagoog Theodor Vogt* van wie in het laatste derde deel van de 19e eeuw sprake was, zei destijds vanuit een vernieuwd gezichtspunt van Herbart waarvoor hij stond, dat we vandaag de dag in de geschiedeniswetenschap, in de opvatting van het historisch leven van de mensheid beslist niet zo ver zijn dat we kunnen inzien hoe de mensheid zelf zich heeft ontwikkeld, om vanuit deze opvatting van de zich ontwikkelende mensheid zoiets af te kunnen leiden voor gezichtspunten van het zich ontwikkelende kind, zoals b.v. de natuurwetenschapper uit de ontwikkeling van de soorten de embryonale ontwikkeling van het menselijke individu. Deze opvatting had ook de pedagoog Rein uit Jena. Die mondt dus daarin uit dat we moeten erkennen dat wij tegenwoordig eigenlijk geen geesteswetenschappelijke methode hebben die daadwerkelijk wijst op wat er aan de menselijke ontwikkeling ten grondslag ligt. Pas het ontstaan van die vermogens

*Theodor Vogt, 1835-1908, filosoof en pedagoog, prof. in Wenen, vanaf 1882 leider van de ver. voor wetensch. ped. en uitgever van het jaarboek daarvan; aanhanger van Herbart en vertegenwoordiger van een formalistische esthetica. ‘Das pädagogische Universitätsseminar’1884
**Wilhelm Rein, 1847-1929, pedagoog, sinds 1886 prof. in Jena, lerarenopleider in Weimar en Eisenbach. Hij gaf de pedagogie een dubbele opdracht: als historische ped. de voorwaarden v.d. ontw. van de opv. bekijken; de ped. zien als afhankelijk van ethiek en psychologie afhankelijk van technologische wetensch. als systematische opv.leer de vraag stellen naar het opvoedkundig ‘moeten’. ‘Pädagogik im Umriss’, 1870
.

blz. 162

wie die sind, von denen ich andeutungsweise jetzt gesprochen habe und über deren Entwicklung Sie in meinen Büchern Näheres nachlesen können, befähigt auch wirklich, heranzukommen an je­nes Rätsel, das uns so wunderbar entgegentritt, wenn wir beobach­ten, wie von der Geburt an ein Inneres aus dem Menschen sich herausarbeitet in jede Geste hinein, insbesondere dann auch durch die Sprache sich herausarbeitet, insbesondere auch durch die Verhältnisse hindurch, in die der Mensch eingeht zu seiner Umgebung und so weiter. Gewöhnlich beobachtet man heute viel zu sehr äußerlich physiologisch und biologisch die einzelnen menschlichen Lebensarten. Man macht sich nicht ein Bild des ganzen Menschen, in dem Leibliches, Seelisches, Geistiges durcheinander wirken. Beim Kinde, wenn man es sachgemäß erziehen und unterrichten will, muß man sich ein solches Bild machen. Nun, wer gestärkt durch die geisteswissenschaftlichen Metho­den das sich entwickelnde Kind beobachtet, findet ungefähr in dem Zeitabschnitt, in dem der Zahnwechsel eintritt, so um das sechste, siebente Lebensjahr, einen bedeutsamen Einschnitt in der kind­lichen Entwicklung. Man hat ein Sprichwort, das oftmals angeführt wird: Die Natur macht keine Sprünge. 

waarover ik al wat heb gezegd en dat je in mijn boeken meer kan lezen over hoe je ze ontwikkelt, maakt het daadwerkelijk mogelijk dat raadsel te gaan begrijpen dat we op zo wonderbaarlijke manier tegenkomen wanneer we waarnemen hoe vanaf de geboorte iets innerlijks vanuit de mens zich gaat manifesteren tot in elk gebaar, vooral ook door het spreken, met name ook door de bindingen die de mens aangaat met zijn omgeving enz. Gewoonlijk bekijkt men tegenwoordig de aparte menselijke levensvormen veel te uiterlijk fysiologisch en biologisch. Men vormt zich geen beeld van de hele mens waarin lichaam, ziel en geest door elkaar heen actief zijn. Wanneer je zinvol wil opvoeden en onderwijzen, moet je je een dergelijk beeld vormen. Welnu, wie gesterkt door de geesteswetenschasppelijke methode het zich ontwikkelende kind waarneemt, vindt zo rond de tijd dat de tandenwisseling begint, dus rond het zesde, zevende jaar, een belangrijk punt in de ontwikkeling van het kind. Nu bestaat er een spreekwoord dat dikwijls wordt gebruikt: de natuur maakt geen sprongen.

Das ist bis zu einem ge­wissen Grade durchaus richtig; aber alle solche Anschauungen sind im Grunde genommen einseitig. Ihre Richtigkeit kann man nur durchschauen, wenn man sie in ihrer Einseitigkeit erkennt. Die Natur macht nämlich fortwährend Sprünge. Denken Sie nur an eine wachsende Pflanze, um das Beispiel anzuführen. Gut, man kann das Sprichwort anwenden, die Natur mache keine Sprünge. Aber im Sinne der Goetheschen Metamorphosenlehre müßten wir sagen: Trotzdem das grüne Pflanzenblatt dasselbe ist wie das far­bige Blumenblatt – es macht die Natur einen Sprung von dem Kelchblatt zum farbigen Blütenblatt, von dem farbigen Blumenblatt zu den Staubgefäßen wiederum einen Sprung und zum Fruchtknoten wiederum einen besonderen Sprung. Wir kommen nicht zurecht im Leben, wenn wir abstrakt anwenden solch eine Anschauung, die Natur oder das Leben überhaupt mache keine Sprünge. Und so ist es insbesondere im Menschen. Es fließt das

Tot op zekere hoogte is dat zeker waar; maar al van dergelijke gezichtspunten zijn in de grond van de zaak eenzijdig. De juistheid ervan kan je alleen doorzien, wanneer je ze in hun eenzijdigheid herkent. De natuur maakt namelijk voortdurend sprongen. Denk maar eens aan een groeiende plant, om dit voorbeeld te gebruiken. Goed, je kan het spreekwoord gebruiken – de natuur maakt geen sprongen. Maar in de zin van Goethes metamorfoseleer moeten we toch zeggen: hoewel het groene plantenblad hetzelfde is als het kleurige bloemblad – de natuur maakt een sprong van kelkblad naar het kleurige bloemblad, nog een sprong van het kleurige bloemblad naar de meeldraden en naar het vruchtbeginsel weer een sprong. Je vindt de juiste dingen in het leven niet, wanneer we op een abstracte manier zo’n gezichtspunt als de natuur of het leven maakt geen sprongen, gebruiken. En dat geldt ook voor de mens. Het leven verloopt

*Maar in de zin van Goethes metamorfoseleer: zie J.W. von Goethe ‘Zur Morphologie 1: De metamorfose van de plant'(1817) in band 1 van Goethes Natuurwetenschappelijke geschriften’, uitgegeven en becommentarieerd door Rudolf Steiner in Kürschners National Literatur, 5 banden (1883-1897)
Herdruk in GA 1
Metamorfose van de planten

blz. 163

Menschenleben ohne Sprung dahin; aber in dem eben gemeinten Sinne liegen überall solche Sprünge.
Und ein bedeutsamer Einschnitt ist um das sechste, siebente Le­bensjahr dasjenige, was da so durchgreifend eintritt in die mensch­liche Organisation, wovon sich die heutige Physiologie noch nicht eine rechte Vorstellung macht. Es geht etwas vor [im Physischen], aber auch im Seelisch-Geistigen des Menschen. Bis zu diesem Zeit­abschnitte ist der Mensch im wesentlichen ein nachahmendes We­sen. Seine Seelen- und Leibesverfassung ist eine solche, daß er sich ganz und gar hingibt an die Umgebung, daß er sich einfühlt in die Umgebung, daß er aus dem Zentrum seines Willens heraus so sich entwickelt, daß eigentlich die Kraftlinien und Kraftstrahlen seines Willens genau nachgeformt werden demjenigen, was in der Umge­bung vorgeht. Und wichtiger als alles andere, was wir durch Wort­ermahnung, Belehrung in diesem Lebensalter an das Kind heran­bringen, ist die Art und Weise, wie wir uns in der Umgebung des Kindes selbst verhalten. Und da im Leben die Imponderabilien viel stärker wirken als dasjenige, was äußerlich klar beobachtet werden kann, so muß gesagt werden, daß es nicht nur auf das ankommt, was im außerlichen Verhalten des Menschen liegt, wenn das Kind es nachahmt. In jedem Sprachklang, in jeder Geste, die wir als Erziehende anschlagen, die wir in diesem Lebensabschnitt in der Umgebung des Kindes tun, liegt etwas, dem sich das Kind anpaßt.

zonder sprongen; maar in bovengenoemde zin zijn er overal van die sprongen.
En een ingrijpende gebeurtenis in de menselijke organisatie vindt er rond het zesde, zevende jaar plaats waarvan de huisige fysiologie zich nog geen echte voorstelling van heeft gemaakt. In het fysieke gebeurt iets, maar ook in de ziel en de geest van de mens. Tot aan dit tijdstip is de mens hoofdzakelijk een nabootsend wezen. Naar ziel en lichaam zit hij zo in elkaar dat hij zich helemaal overgeeft aan zijn omgeving, dat hij zich met de omgeving één voelt, dat hij vanuit de kern van zijn wil zich zo ontwikkelt dat de krachtlijnen en krachtstralen van zijn wil eigenlijk precies zo gevormd worden als wat er in zijn omgeving gebeurt. En belangrijker dan al het andere wat we door berisping, belering op deze leeftijd aan het kind doorgeven, is de manier waarop wij ons in de omgeving van het kind zelf gedragen. En omdat in het leven de onweegbare dingen, de imponderabilia, veel sterker werken dan dat wat je uiterlijk duidelijk kan waarnemen, moet gezegd worden dat het niet alleen aankomt op wat er zich uiterlijk tussen mensen afspeelt, wanneer het kind nabootst. In elke spreekklank, in ieder gebaar dat wij als mens tot uiting brengen, in wat we in de omgeving van het kind doen, zit iets waaraan het kind zich aanpast.

Wir sind als Menschen viel mehr, als wir es wissen, der äußerliche Abdruck unserer Gedanken. Wie wir eine Hand bewegen, wir ach­ten im Leben wenig darauf; aber wie wir die Hand bewegen, ist der getreuliche Abdruck der ganzen Art unserer Seelenverfassung, der ganzen Art, wie wir innerlich gestimmt sind. Und während wir mit dem entwickelten Seelenleben des Erwachsenen den Zusammen­hang, den wir zwischen unserem Ausschreiten mit den Beinen, zwischen den Gesten unserer Hände, zwischen unseren Mienen und dem, was als Willens- und Empfindungsimpuls in unserer Seele ruht, wenig beachten, richtet sich das Kind in diese Impon­derabilien des Lebens hinein. Es ist keine Übertreibung, wenn wir sagen: Derjenige, der in der Umgebung des Kindes, insoferne dieses

We zijn als mens, veel meer dan we denken, de uiterlijke afdruk van onze gedachten. Hoe we een hand bewegen, daar letten we in het leven weinig op, maar als we dat doen, is dat een getrouwe afdruk van heel onze zielenstemming, helemaal van hoe we ons voelen. En terwijl we met het gecompliceerde zielenleven van de volwassene maar weinig letten op de samenhang die er bij ons is tussen het lopen met onze benen, tussen de gebaren van onze handen, tussen onze gezichtstrekken en wat als wils- en gevoelsimpulsen in onze ziel ligt, gaat het kind juist in op deze impoderabiliën van het leven. Het is niet overdreven om te zeggen: degene die in de omgeving van het kind, voor zover dit vóór het zevende jaar is,

blz. 164

vor dem siebenten Jahr steht, sich innerlichst bestrebt, ein guter Mensch zu sein, ein tüchtiger Mensch zu sein, der sich gewissen­haft den Vorsatz bildet, selbst in seinem Gedanken- und Empfin­dungsleben dem Kinde gegenüber sich nichts zu vergeben, auch in dem Unausgesprochenen nicht, der wirkt durch die Lebensimpon­derabilien in der allerstärksten Weise auf das Kind.
In dieser Beziehung ist noch vieles zu beachten, was – wenn ich mich so ausdrücken darf – eigentlich zwischen den Zeilen des Lebens liegt. Indem wir uns allmählich in ein mehr materia­listisches Leben, besonders in bezug auf die Intimitäten des Daseins, hineingesponnen haben, sind wir gewohnt worden, sol­che Dinge gering zu achten. Erst wenn solche Dinge wiederum geschätzt werden, wird ein gewisser Impuls in die Pädagogik hineinkommen, welchen diese Pädagogik durchaus braucht, ins­besondere in einem Zeitalter, das sich ein soziales, ein sozialden­kendes Zeitalter nennen will
Man kann gewisse Lebenserfahrungen nicht in der richtigen Weise einschätzen, wenn man solche Beobachtungen des dem Menschen zugrundeliegenden Geistig-Seelischen nicht ins Auge faßt. Ich erzähle Ihnen durchaus Erfahrungstatsachen. 

vanuit zijn innerlijk heel erg zijn best doet een goed mens te zijn, een mens die goed in het leven staat, die gewetensvol zich voorneemt om zelf in zijn gedachte-, zijn gevoelsleven tegenover het kind niets verkeerds te doen, ook niet onuitgesproken, heeft door het imponderabele van het leven op de sterkste manier invloed op het kind. Wat dit betreft is er nog veel waarnaar gekeken moet worden, wat – als ik het zo mag zeggen – nog tussen de regels van het leven staat. Toen we ons langzamerhand in een meer materialistisch leven, vooral wat betreft de fijnzinnigere dingen in het leven, ingekapseld hebben, raakten we er meer aan gewend dergelijke dingen onbelangrijk te vinden. Pas wanneer ze weer naar waarde geschat worden, zal er in de pedagogie een bepaalde impuls komen die deze pedagogie dan ook nodig heeft, vooral in een tijdperk dat zich sociaal, een sociaal denkend tijdperk wil noemen. Je kan bepaalde levenservaringen niet op de juiste manier inschatten, wanneer je niet die dingen in het oog vat die aan geest en ziel van de mens ten grondslag liggen. Ik vertel alleen maar ervaringsfeiten. 

Es kommt zum Beispiel ein Vater ganz verzweifelt und sagt: Ja, was soll ich machen? Mein Kind hat gestohlen! – Man kann natürlich verste­hen, wie ein Vater darüber verzweifelt sein kann. Aber nun ver­sucht man der Sache näher zu kommen. Da kann man sagen: Ja, wie war denn die ganze Sache? – Ja, das Kind hat einfach aus der Schublade Geld herausgenommen. – Was hat das Kind mit dem Gelde getan? – Es hat sogar für seine Kameraden irgend etwas gekauft, Näschereien, hat nicht einmal aus egoistischen Gründen gestohlen. Man hat die Möglichkeit zu sagen: Ja, sieh einmal, das Kind hat nicht gestohlen, es ist gar keine Rede davon, daß das Kind gestohlen hat. Das Kind hat nur Tag für Tag gesehen, wie die Mutter an die Schublade geht, um Geld herauszunehmen, und hat das als vollberechtigt angesehen und nachgemacht. Das ist bloß heraus entstanden aus der Kraft, die die wichtigste ist in diesem Lebensalter: die Imitation, die Nachahmung. Lenkt man in diesem

Er komt b.v. een vader die helemaal in de war is en zegt: Ja, wat moet ik doen? Mijn kind heeft gestolen! Je kan best begrijpen dat een vader daardoor helemaal van streek is. Maar nu probeer je zoiets te begrijpen. Je kan dan zeggen: Maar hoe zat dat dan? Ja, het kind heeft gewoon uit de tafella geld gepakt. Wat heeft het kind met het geld gedaan? Het heeft voor z’n vriendjes ergens iets gekocht, snoep, het stal niet eens met egoïstische motieven. Dan heb je de mogelijkheid te zeggen: Ja, kijk eens, het kind heeft niet gestolen, daar is helemaal geen sprake van. Het kind heeft elke gezien dat de moeder naar de tafella gaat en er geld uithaalt en dat heeft het als iets gezien dat volkomen legaal is en nagedaan. Dat is alleen maar ontstaan vanuit de kracht die in deze levensfase de belangrijkste is: de imitatie, de nabootsing.

blz. 165

Sinne ein Kind richtig, weiß man seine Aufmerksamkeit in die rechte Richtung zu bringen, dann wird diese Aufmerksamkeit auf manche Maßnahmen gelenkt, die gerade in diesem Alter einen ganz bedeutenden Einfluß haben.
Durchaus bewußt müssen wir uns sein, daß Ermahnungen, Be­lehrungen in diesem Lebensalter noch nichts helfen, daß dasjenige allein hilft, was auf den Willen wirkt. Diese Konstitution des Men­schen aber geht bis zu dem Moment, wo sich physiologisch dieser merkwürdige Schlußpunkt des Kindesalters einstellt, der darinnen liegt, daß das Verhärtungsprinzip seinen letzten Anlauf nimmt und die bleibenden Zähne herauskristallisiert aus der menschlichen Organisation. Da hineinzuschauen durch geisteswissenschaftliche Methoden, was da zugrundeliegt dem werdenden Organismus, daß dieser letzte Schlußpunkt, der Zahnwechsel eintritt, das ist außer­ordentlich interessant. Aber viel wichtiger ist, eben auch das zu verfolgen, was ich charakterisiert habe: die parallelgehende geistig-seelische Entwicklung, die durchaus noch von der Nachahmung ausgeht.
Nun beginnt um das siebente Jahr herum ein deutlicher Um­schwung in der geistig-seelischen Verfassung des Kindes, ein Um­schwung, von dem wir sagen können: es bricht in das kindliche Alter die Fähigkeit herein, auf ganz anderes zu reagieren als vorher.

Als je in deze zin een kind goede leiding geeft, weet je zijn belangstelling in de goede richting te krijgen dan zal deze naar veel maatregelen leiden die juist op deze leeftijd een heel bijzondere invloed hebben.
We moeten ons er volstrekt bewust van zijn dat vermaningen, terechtwijzingen in deze leeftijdsfase nog helemaal geen effect hebben, alleen wat op de wil werkt, helpt. Deze constitutie van de mens echter, is er tot het ogenblik waarop
fysiologisch dit merkwaardige fenomeen zich voordoet dat er op deze leftijd iets wordt afgesloten waarbij je ziet dat het principe van verharding voor het laatst zich doet gelden en de blijvende tanden naar buiten ‘kristalliseert’ vanuit de menselijke organisatie. Om met geesteswetenschappelijke methoden waar te nemen wat daar in het wordende organisme ten grondslag ligt aan dit afsluitende punt, waarbij de tanden wisselen, is buitengewoon interessant.
Maar nog belangrijker is om te volgen wat ik gekarakteriseerd heb: de ontwikkeling van ziel en geest die daaraan parallelel loopt en die altijd nog van de nabootsing uitgaat.
Nu vindt er rondom het zevende jaar van het kind een verandering plaats waarvan wij kunnen zeggen: in de leeftijd van het kind breekt het vermogen door om op iets heel anders te kunnen reageren dan daarvoor.

Vorher war das Auge bedacht, nachzuahmen, das Ohr bedacht, nachzuahmen. Nun fängt an das Hinhören des Kindes auf das-jenige, was von den Erwachsenen als Meinung, als Anschauung ausgeht. Es verwandelt sich der Nachahmungstrieb in die Hingabe an die Autorität. Ich weiß nun, wie unangenehm es vielen Men­schen heute ist, wenn man das autoritative Prinzip geradezu zu einem wichtigen Faktor in der Pädagogik macht. Allein, man kann sich, wenn man die Tatsachen ernst und ehrlich vertreten will, nicht richten nach Programmen und Schlagworten, sondern eben einzig und allein nach der Empirie, nach den Erfahrungen. Und man muß beobachtet haben, was es bedeutet, wenn das Kind gelei­tet werden kann von einem Lehrer oder Erzieher oder einer Leh­rerin oder Erzieherin, zu denen es hinaufschaut, so daß sie für das

Daarvoor was het oog erop gespitst, na te bootsen, het oor eveneens. Nu begint het kind te luisteren naar wat de volwassene als mening heeft, als gezichtspunten. De nabootsingsdrang verandert in het zich richten op de autoriteit.
Ik weet wel dat het voor veel mensen onaangenaam klinkt als het autoritaire principe tot een belangrijk facet van de pedagogie wordt gemaakt. Alleen, als je voor de feiten ernstig en eerlijk wil uitkomen, kan je je niet houden aan programma’s en slogans, maar enkel en alleen aan de ervaringen. En je moet hebben waargenomen wat het betekent wanneer een kind begeleid kan worden door een leraar, een opvoeder tegen wie het opkijkt, zodat deze voor

blz. 166

Kind eine selbstverständliche Autorität sind. Die Tatsache hat eine große Bedeutung im Werden des Menschen, daß dieser werdende Mensch etwas annimmt als seine Gedanken, sich hineinlebt in et­was aus dem Grund, weil der verehrte Erwachsene diesen Gedan­ken hat, diese Empfindung hat, weil ein Zusammenwachsen statt­findet zwischen dem werdenden Menschen und dem erwachsenen Menschen. Und man muß nur wissen, was es für das ganze spätere Lebensverhältnis des Menschen bedeutet, wenn er, ich nenne es ausdrücklich das Glück hatte, zwischen dem Umschwunge, der um das sechste, siebente Jahr herum stattfindet, und zwischen dem letzten großen Umschwunge, der zur Zeit der Geschlechtsreife im vierzehnten, fünfzehnten Jahre eintritt, sich wirklich an eine selbst­verständliche Autorität hingeben zu können.
Nur handelt es sich darum, daß man nicht bei solchen Abstrak­tionen stehen bleibt, sondern daß man nun eingeht auf dieses ganz wichtige Lebensalter, das um das sechste, siebente Jahr herum be­ginnt und mit der Geschlechtsreife schließt. In diesem Lebensalter wird das Kind übernommen aus dem Elternhause, erzogen oder verzogen unter dem Prinzip der Nachahmung, wird der Schule übergeben. Das Wichtigste für das Leben soll in diesem Lebensab­schnitte mit dem Kinde gemacht werden.

het kind een vanzelfsprekende autoriteit zijn. Het feit dat dit wordende mens iets aanneemt als zijn gedachte, zich inleeft in iets omdat de vereerde autoriteit deze gedachten koestert, is van grote betekenis; dat het deze gevoelens heeft, omdat er tussen de wordende mens en de volwassen mens iets is dat samengroeit. En je hoeft alleen maar te weten wat het voor heel de latere levensomstangheden betekent, wanneer hij, ik noem het nadrukkelijk het geluk heeft, om zich tussen de verandering die rondom het zesde, zevende jaar plaatsvindt en tussen de laatste grote verandering die met de puberteit in het veertiende, vijftiende jaar begint, zich werkelijk kan overgeven aan een vanzelfsprekende autoriteit. Het gaat er alleen om dat je niet bij dergelijke abstracties blijft hangen, maar dat je ingaat op deze zo belangrijke leeftijd die begint met het zesde, zeven jaar en afgesloten wordt met de puberteit. In deze levensfase komt het kind  vanuit het ouderlijk huis op school, is daar goed of minder goed opgevoed wat het principe van de nabootsing betreft. In deze leeftijdsfase moet er met het kind het allerbelangrijkste worden gedaan.

Da ist es wohl richtig, wenn man darauf hinweist, wie nicht nur jedes Jahr, sondern, man möchte sagen jeder Monat in der Entwicklung des Kindes wirklich seiner Wesenheit nach von dem Erzieher, von dem Unterrichten­den sorgfältig erforscht werden soll, nicht nur im allgemeinen, sondern – so gut es möglich ist auch bei der Massenerziehung – in jedem einzelnen Kindesfall sorgfältig erforscht werden soll. Denn indem das Kind die Schule betritt, sehen wir so ungefähr bis zum neunten Lebensjahre – die Dinge sind alle approximativ selbstver­ständlich – noch die Nachwirkung des Nachahmungstriebes neben dem schon hereinbrechenden Sich-Hingeben an die Autorität. Und wenn wir das Zusammenwirken dieser beiden Grundkräfte im werdenden Menschen richtig beobachten können, dann ist das lebensvolle Ergebnis dieser Beobachtung die richtige Grundlage sowohl für die Lehrmethode wie für den Lehrplan.

Het is wel goed om erop te wijzen hoe niet alleen ieder jaar, maar ik mag wel zeggen, iedere maand de ontwikkeling van het kind echt wat zijn wezen betreft, door de opvoeder, door de leerkracht zorgvuldig onderzocht moet worden, niet alleen maar in het algemeen, maar – zo goed als mogelijk is bij grote groepen – ieder individueel geval zorgvuldig onderzocht moet worden. Want wanneer het kind op school komt, zien we tot ongeveer het negende jaar – natuurlijk bij benadering – nog de nawerking van de drang tot nabootsen naast de al doorbrekende kracht om zich te richten op de autoriteit. En wanneer we het samenwerken van deze beide basiskrachten in de wordende mens goed zouden kunnen waarnemen, dan vormt het levendige resultaat van deze waarneming de juiste basis voor zowel de leermethode als het leerplan.

blz. 167

Diese Frage – verzeihen Sie, wenn ich diese persönliche Bemer­kung mache – trat mir insbesondere in diesem Jahre entgegen, als in Stuttgart die Waldorfschule eingerichtet werden sollte. Durch das verständnisvolle Entgegenkommen unseres Freundes Emil Molt waren wir in der Lage, in Anlehnung an die Stuttgarter Firma «Waldorf-Astoria» eine Schule ins Leben zu rufen, die eine voll­ständige Einheits-Volksschule ist, die ganz in ihren Lehrmethoden und in der Verteilung des Lehrstoffes ein Ergebnis sein soll desje­nigen, was Geisteswissenschaft für die Pädagogik sagen kann. Und mir war es vergönnt, im September dieses Jahres den Seminar­Kursus abzuhalten für die Lehrerschaft, die ich zusammenstellen mußte für diese Schule. Da traten alle diese Fragen in einer sehr zeitgemäßen Weise an mich heran. Und dasjenige, was ich nun zu Ihnen sprechen möchte, ist im wesentlichen so etwas wie ein Ex­trakt alles desjenigen, was mitgegeben wurde durch einen semina­ristischen Kursus jener Lehrerschaft, die aus den Forderungen der Geisteswissenschaft und aus den sozialen Forderungen unserer Zeit heute eine wirkliche Einheits-Volksschule leiten sollte.

Deze vraag – neem me niet kwalijk wanneer ik deze persoonlijke opmerking maak – trof me in het bijzonder in dit jaar, toen in Stuttgart de Waldorfschool opgericht moest worden. Door de begripsvolle houding van onze vriend Emil Molt* waren we in staat, samen met de Stuttgarter firma ‘Waldorf-Astoria’ een school in het leven te roepen die een volledige basisschool is, die met de leermethoden en de verdeling van de leerstof een resultaat moet zijn van wat de geesteswetenschap voor de pedagogie kan betenen.
En het was mij vergund in september van dit jaar een scholingscursus** te houden voor de leerkrachten die ik bij elkaar moest zoeken voor deze school. Toen kwamen al deze actuele vragen op me af. En wat ik nu tegen u zou willen zeggen, is in wezen zoiets als een uittreksel van alles wat aan deze lerarengroep door een scholingscursus kon worden meegegeven die een echte basisschool moest leiden door de eisen van de geesteswetenschap en door de sociale eisen van onze tegnewoordige tijd.

*Emil Molt, 1876-1936, directeur van de Waldorf-Astoria sigarettenfabriek in Stuttgart, industrieel. Hij organiseerde voor de medewerkers van zijn onderneming vormingscursussen voor de werknemers. Hieruit ontstond uiteindeijke de gedachte een school voor de kinderen van de werknmers op te richten. Voor de in inrichting en de leiding van deze Waldorfschool vroeg hij Rudolf Steiner. Molt was in 1919 een betrokken vertegenwoordiger van Rudolf Steiners idee van de driegeleding. Zie Emil Molt: ‘Entwurf einer Lebensbeschreibung’ Stuttgart 1972, alsmede een paar van zijn artikelen in de serie ‘Bijdragen aan de GesamtAusgabe van Rudolf Steiner, band 103, Michael 1989. Zie ook de voordracht van 24 september in deze voordrachtenserie (GA 297)
**een soort opleidingscursus: Als voorbereiding voor de toekomstige vrijeschool vond in Stuttgart van 24 aug. tot 4 sept. 1919 een pedagogische cursus plaats die in drieën was opgedeeld: ’s morgens een voordracht over  algemene menskunde (GA 293), dan volgde een verdere curus over methode en didactiek (GA 294)  en in de namiddag in cursusvorm besprekingen over pedagogie en leerplan (GA 295)

Es handelt sich darum, daß tatsächlich nicht nur die Lehrmetho­de, sondern vor allen Dingen auch der Lehrplan, die Lehrziele ge­schöpft werden können aus einer lebensvollen Beobachtung des werdenden Menschen. Wenn wir diesen werdenden Menschen ins Auge fassen, werden wir finden, daß noch vieles nach dem sechsten, siebenten Jahr in dem Kinde ist, das herrührt von jener besonderen Willensartung, die es allein möglich macht, daß das Kind in einem solchen Grade, wie ich es geschildert habe, vorher den Nachah­mungstrieb hatte. Der Wille ist es, der diesem Nachahmungstrieb zugrunde liegt, noch nicht der Intellekt. Der Intellekt entwickelt sich im Grunde genommen erst viel später aus dem Willen heraus. Jene intime Verwandtschaft, die zwischen dem einen Menschen, also dem erwachsenen Erzieher, und dem anderen Menschen, dem aufwach­senden Kinde ist, diese intime Beziehung drückt sich aus in einem Verhältnis von Wille zu Wille. Daher kommen wir an das Kind am besten heran in diesem ersten Volksschuljahre, wenn wir auf den Willen in der richtigen Weise zu wirken in der Lage sind.

Het gaat erom dat in feite niet alleen de leermethode, maar vooral ook het leerplan, de leerdoelen gehaald worden uit een levende waarneming van de wordende mens. Wanneer we deze op het oog hebben, zullen we vinden dat er nog veel na het zesde, zevende jaar in het kind aanwezig is, dat van die bijzondere gesteldheid van de wil vandaan komt die het alleen mogelijk maakt dat het kind in die mate waarop ik dat geschetst heb, eerst de nabootsingsdrang had.
Het is de wil die aan deze nabootsingsdrang ten grondslag ligt, nog niet het intellect. Het intellect ontwikkelt zich in wezen eerst veel later vanuit de wil. Elke fijnzinnige verwantschap die tussen de ene mens, dus de volwassen opvoeder en de andere mens, het opgroeiende kind bestaat, deze intime band drukt zich uit in de relatie die de ene wil tot de andere wil heeft. We benaderen het kind in deze eerste basisschooljaren het beste wanneer we in staat zijn om op de juiste manier op de wil te werken.

blz. 168

Aber wie wirken wir am besten auf den Willen? Auf den Willen können wir nicht wirken, wenn wir zu stark in diesem Jahre schon die äußere Anschauung, den Hinblick auf das äußere materielle Leben betonen. Es stellt sich heraus, daß wir dem Willen besonders nahe kommen, wenn wir in den ersten Jahren tatsächlich die Erzie­hung durchdrungen sein lassen von einem gewissen künstlerisch­-ästhetischen Elemente. Von einem gewissen künstlerisch-ästhe­tischen Elemente kann man aber wirklich ausgehen. Man kann zum Beispiel nicht mit jenem Beibringen des Schreibens und Lesens beginnen, bei dem eigentlich ein rechter Zusammenhang zwischen dem, was man beibringt, und den Kräften, die aus dem Seelen-zentrum des Kindes herauskommen, nicht besteht. Dasjenige, was heute unsere Lesezeichen, unsere Schriftzeichen sind, ist ja im Grunde genommen etwas sehr Abgeleitetes. Man sehe nur einmal zurück auf die Urschriften – nicht auf die primitiver Völker -, zum Beispiel auf die der hochentwickelten ägyptischen Kultur, man sehe, wie da die Schrift noch etwas war, was durchaus künstlerisch gestaltet war. Das hat sich im Laufe der Zeit allmählich abgeschlif­fen. Unsere Schriftzeichen sind sozusagen konventionelle Zeichen geworden.

Maar hoe werken we het beste op de wil? We kunnen niet op de wil werken, wanneer we in deze jaren al de nadruk leggen op de uiterlijke waarneming, de blik op de uiterlijk materiële wereld. Het blijkt dat we de wil bijzonder goed kunnen benaderen, wanneer we in de eerste jaren de opvoeding daadwerkelijk doordrongen laten zijn van een zeker kunstzinnig-esthetisch element. Daarvan kan je inderdaad uitgaan. Je kan b.v. niet beginnen met het bijbrengen van schrijven en lezen waarbij eigenlijk een goede samenhang tussen wat je bijbrengt en de krachten die uit het gevoelscentrum van het kind komen, niet bestaat. Dat wat tegenwoordig onze leessymbolen, onze schrifttekens zijn, is op de keeper beschouwd iets wat in hoge mate van iets is afgeleid. Men moet eens terugblikken op het oerschrift, bv. van de hoogontwikkelde Egyptische cultuur en je ziet hoe het schrift daar nog in hoge mate kunstzinnig vorm werd gegeven. Dat is in de loop van de tijd vervlakt. Onze schrijftekens zijn zogezegd conventionele tekens geworden.

Wir können aber wiederum zurückgehen zu dem un­mittelbaren, elementaren Verhältnis, das der Mensch zu dem hat, was dann das Schreiben geworden ist. Mit anderen Worten, statt den Schreibunterricht abstrakt zu treiben, können wir beginnen mit einer Art zeichnerischem Schreibunterricht, aber nicht mit einem willkürlich zeichnerischen Schreibunterricht, sondern mit einem solchen, der wirklich aus dem künstlerischen Empfinden des Menschen heraus dasjenige  ormt, was später umgebildet wird für das werdende Kind zu den abstrakten Schriftzeichen, aber eben formt im künstlerischen Sinne. Man beginne also, wie ich sagen möchte mit einer Art Schreib-Zeichnen oder Zeichnen-Schreiben und verbreite sich überhaupt so von diesem Schreib-Zeichnen aus, daß man wirklich Elemente der bildenden Kunst, des Malerischen, auch des Plastischen an das Kind heranbringt.
Wer ein wirklicher Psychologe ist, der weiß, daß dasjenige, was in dieser Weise an das Kind herangebracht wird, nicht bloß den

We kunnen echter weer teruggaan naar de directe, elementaire relatie die de mens heeft tot wat dan het schrijven is geworden. Met andere woorden, i.p.v. abstract schrijfonderwijs te geven, kunnen we beginnen met een soort tekenend schrijfonderwijs, maar niet met een willekeurig tekenend schrijfonderwijs, maar met een die uit het kunstzinnig beleven van de mens datgene vormt wat later omgewerkt wordt voor het wordende kind tot het abstracte schriftteken, maar dat nu op een kunstzinnige manier vormgegeven. Dus je begint met een soort schrijf-tekenen of teken-schrijven en dat verruim je dan vanuit dit schrijf-tekenen zo, dat je daadwerkelijk elementen uit de beeldende kunst, uit het schilderen, ook uit het plastische aanreikt aan het kind.
Wie een echte psycholoog is weet dat wat op deze manier aan een kind gegeven wordt, niet alleen

blz. 169

Kopf erfaßt, sondern daß es den ganzen Menschen erfaßt. Dasjeni­ge, was intellektualistische Färbung ist, dasjenige, was nur vom Verstande und namentlich von der Konvention durchdrungen ist wie die gewöhnlichen Lese-Buchstaben oder Schreib-Buchstaben, das erfaßt auch nur den Kopf. Wenn wir den Unterricht für diese Dinge in ein künstlerisches Element tauchen, dann erfassen wir den ganzen Menschen. Daher wird eine zukünftige Pädagogik ver­suchen, das intellektualistische Element, auch den Anschauungs­unterricht, aus einem zunächst Künstlerischen herzuleiten. Wenn wir künstlerisch an das Kind herankommen, da können wir am besten dieses Ineinanderwirken von Autoritäts-Prinzip und Nachahmungs-Prinzip berücksichtigen. Denn in dem Künstleri­schen liegt etwas von der Nachahmung; in dem Künstlerischen liegt aber auch etwas, was unmittelbar von dem subjektiven Men­schen zu dem subjektiven Menschen geht. Denn dasjenige, was künstlerisch wirken soll, muß durch die Subjektivität des Men­schen durchgehen. Wir stehen ganz anders als Menschen mit unse­rer inneren Wesenheit dem Kinde gegenüber, wenn dasjenige, was wir ihm beibringen, zuerst eine künstlerische Gestalt gewinnt.

het hoofd aanspreekt, maar de hele mens. Wat een intellectualisitsche kleur heeft, wat alleen met verstand en vooral met conventie doorspekt is zoals de gebruikelijke leesletters of schrijfletters, spreekt alleen maar het hoofd aan. Wanneer we de lessen voor deze dingen in een kunstzinnig element onderdompelen, spreken we de hele mens aan. Daarom zal een toekomstige pedagogie proberen het intellectualistische element, ook het aanschouwelijkheidsonderwijs, eerst uit een kunstzinnig iets halen.
Wanneer we het kind kunstzinnig benaderen, kunnen we het beste rekening houden met het op elkaar inwerken van het autoriteitsprincipe en het nabootsingsprincipe. Want in het kunstzinnige ligt iets wat direct van het subject mens naar het subject mens gaat. Want wat kunstzinnig moet werken, moet door de subjectiviteit van de mens heenwerken. We staan als mens heel anders tegenover het kind wanneer we wat we hem moeten leren eerst een kunstzinnige vorm krijgt.

Dadurch gießen wir von uns selbst substantiell etwas hinein, was als selbstverständliche Autorität erscheinen muß, was uns nicht als einen bloßen Abdruck erscheinen läßt von konventioneller Kultur und dergleichen, sondern was uns als Mensch menschlich dem Kinde nahebringt. Und unter dem Einfluß dieser künstlerischen Erziehung wird sich ganz von selbst das Hereinleben des Kindes in die selbstverständliche Autorität des Unterrichtenden und Er­ziehenden ergeben. Das ist etwas, was zu gleicher Zeit darauf hinweist, daß Geist walten muß – denn man kann solchen Unterricht nur erteilen, wenn man das, was man mitzuteilen hat, von Geist durchwaltet sein läßt – in der ganzen Handhabung des Unterrichts, daß man leben muß in dem, was man zu übertragen hat. Und da komme ich auf etwas, was wiederum zu den Imponderabilien des unter­richtenden Lebens gehört. Man glaubt so leicht, daß es selbstver­ständlich ist, daß man sich selbst, indem man dem Kinde gegenübersteht,

Daardoor gaat er van onszelf iets substantieels over naar het kind wat als vanzelfsprekende autoriteit tevoorschijn moet komen, wat ons niet alleen maar als een schaduw laat verschijnen van een conventionele cultuur e.d., maar wat ons als mens menselijk dichter bij kind brengt. En o.i.v. deze kunstzinnige opvoeding komt helemaal vanzelf dat het kind zich kan inleven in de vanzelfsprekende autoriteit van de leerkracht-opvoeder.
Dat wijst er tegelijkertijd op dat de geest werkzaam moet zijn – want je kan zo’n onderwijs alleen maar geven, wanneer je wat je te zeggen hebt, doortrokken laat zijn van iets geestelijks – in het hele onderwijs, dat je leeft in wat je over moet dragen. En dan kom ik op iets wat ook weer hoort bij die onweegbare zaken van het onderwijskundig leven. Het wordt zo makkelijk aangenomen dat het vanzelfsprekend is dat je jezelf t.o.v. het kind

blz. 170

als der Verständige, als der Überlegene vorkommt, und das Kind als das einfältige naive Wesen sich gegenübergestellt fin­det. Das kann sehr bedeutsame Folgen für den Unterricht haben. Sehen Sie, ich will das konkrete Beispiel anführen, das ich in ande­rem Zusammenhange schon hier in meinen Vorträgen angeführt habe: Ich will dem Kind einen Begriff beibringen von der Unsterblichkeit der Menschenseele. Ich will, mich anpassend an das kindliche Gemüt, das Beispiel bringen, indem ich ein Bild gebe. Ich weise das Kind ganz anschaulich hin auf die Schmetterlingspuppe, auf den auskriechenden Schmetterling. Nun mache ich dem Kinde klar: Sieh einmal, wie in dieser Puppe unsichtbar für das äußere Auge der Schmetterling ruht, so ruht deine unsterbliche Seele in deinem Leibe. Wie der Schmetterling austritt aus der Pup­pe, so tritt, indem du durch die Pforte des Todes gehst, deine un­sterbliche Seele aus deinem Leibe aus und erhebt sich in die Welt, die im Grunde genommen ebenso eine andere [gegenüber der ge­wöhnlichen] ist, als die des Schmetterlings eine andere [gegenüber der Welt der Puppe] ist.
Nun, man wird das können; gut. Mit dem Verstande denkt man sich ein solches Bild aus. Aber indem man es dem Kinde beibringt, glaubt man als «verständiger» Mensch nicht gern selbst daran.

als de verstandige mens ziet, die superieur is en het kind als het argeloze, naïeve wezen. Dat kan voor het onderwijs zeer belangrijke gevolgen hebben. Ik wil het concrete voorbeeld geven dat ik in een andere samenahng hier in mijn voordrachten heb gegeven. Ik wil het kind een begrip bijbrengen over de onsterfelijkheid van de ziel. Ik wil, mij aanpassend aan de kinderlijke beleving, het voorbeeld geven waarin ik een beeld schets. Ik wijs het kind heel aanschouwlijk op de vlindercocon, op de naar buiten kruipende vlinder. Nu maak ik het kind duidelijk: kijk nu eens hoe in deze pop onzichtbaar voor het uiterlijke oog de vlinder rust, zo rust ook jouw onsterfelijke ziel in he lichaam. Zoals de vlinder uit de pop naar buiten komt, gaat, wanneer jij door de poort van de dood gaat, je onsterfelijke ziel uit je lichaam weg en verheft zich in de wereld die in de grond van de zaak net zo’n andere wereld is, t.o.v. de gewone, als die van de vlinder een andere is tegenover de wereld van de pop. Nu, dat zal wel lukken, goed. Je verzint zo’n beeld met je verstand. Maar wanneer je het een kind bijbrengt, geloof je als ‘verstandig’ mens daar zelf niet zo aan.

Das aber wirkt auf alles ein in der Erziehung und dem Unterricht, denn es gehört zu den Imponderabilien, daß das Kind eigentlich durch geheimnisvolle Kräfte, die vom Unterseelischen des Kindes zum Unterseelischen des Erziehers wirken, nur dasjenige annimmt, an das ich selber glaube.
Geisteswissenschaft führt einen allerdings dazu, daß man das Bild, das ich eben angeführt habe, nicht bloß als ein vom Verstande ausgeklügeltes Bild nimmt, sondern daß man einsieht: dieses Bild ist von den göttlichen Schöpferkräften in die Natur selbst hinein­gestellt, um die Unsterblichkeit der Seele nicht bloß zu symbolisie­ren in der Willkür des Menschen, sondern weil hier auf einer un­tergeordneten Stufe dasselbe geschieht, was vor sich geht, wenn die unsterbliche Seele aus dem Leibe austritt. Man kann sich dazu auf­schwingen, an dieses Bild unmittelbar so inhaltsvoll zu glauben,

Maar dat werkt in de opvoeding en het onderwijs in alles door, want het hoort bij het imponderabele dat het kind eigenlijk door geheimzinnige krachten die vanuit het onderbewuste van het kind doorwerken naar het onderbewuste van de opvoeder, alleen maar aanneemt waarin ik zelf geloof.
Geesteswetenschap brengt iemand er in ieder geval toe dat het beeld dat ik net heb gegeven, niet alleen als een door het verstand uitgevogeld beeld neemt, maar dat je inziet: dit beeld is door de goddelijke scheppingskracht in de natuur zelf gebracht om de onsterfelijkheid van de ziel niet alleen te symboliseren voor de willekeur van de mens, maar omdat hier op een lager niveau plaatsvindt wat er gebeurt wanneer de onsterfelijke ziel het lichaam verlaat. Je kan je ontwikkelen om dit beeld zonder bedenkingen qua inhoud te geloven,

blz. 171

wie man soll, oder vielmehr, wie man besser sagt, wollen soll, daß das Kind daran glauben soll. Wenn Glaubenskraft in dieser Weise die Seele des Erziehers durchwallt, dann wirkt der Erzieher in der richtigen Weise auf das Kind, dann hat die Autoritätswirksamkeit nicht einen Nachteil, sondern einen großen, einen bedeutsamen Vorteil.
Man muß, wenn man auf solche Dinge hinweist, nur immer darauf aufmerksam machen, daß das ganze Menschenleben ein zusammenhängendes ist: dasjenige, was man in dem Menschen­leben pflanzt, wenn der Mensch noch Kind ist, das erscheint oftmals erst in viel, viel späteren Jahren als Lebenstüchtigkeit oder Lebensüberzeugung. Und man wird so wenig darauf auf­merksam, weil es gewandelt erscheint. Nehmen wir einmal an, es gelingt uns, in dem Kinde eine sehr notwendige Empfindungs­fähigkeit zu erregen, die Verehrungs-Möglichkeit; es gelingt uns, in dem Kinde gegenüber dem, was auch als Göttliches verehrt werden kann in der Welt, die betende Stimmung zu erzeugen. Wer gelernt hat, die Zusammenhänge des Lebens zu beobachten, der weiß, daß gewandelt, metamorphosiert, diese betende Stim­mung im späteren Leben wieder erscheint.

zoals je moet of beter gezegd veel meer moet willen, dat het kind erin gelooft. Wanneer de kracht van het geloof op deze manier de ziel van de opvoeder vult, gaat er van de opvoeder op een kind een goede werking uit, dan heeft de invloed van een autoritiet geen nadeel, maar een groot en belangrijk voordeel.
Je moet, wanneer je op deze dingen wijst, er wel steeds de aandacht op vestigen dat het hele mensenleven een samenhangend geheel is: wat je in een mensenleven plant, als de mens nog kind is, dat komt pas vaak in veel latere jaren als krachtig in het leven staan of in de levensovertuiging tot uiting. En je merkt het zo weinig, omdat het in een andere vorm verschijnt. Laten we eens aannemen dat het ons lukt in het kind een zeer noodzakelijk gevoelsvermogen op te roepen dat het kind de mogelijkheid krijgt om te vereren; het lukt ons in het kind de stemming op te roepen voor wat ook als iets goddelijks in de wereld vereerd kan worden, de stemming van het bidden. Wie geleerd heeft de samenhang in het leven waar te nemen, weet dat deze gebedsstemming in het latere leven omgevormd, gemetamorfoseerd weer verschijnt.

Aber man muß sie nur wieder erkennen, denn da erscheint sie so, daß sie sich umgewandelt hat zu einer solchen inneren Seelenkraft, durch die man wohltuend, segnend – wenn ich den Ausdruck gebrauchen darf – auf den anderen Menschen einwirken kann. Niemand, der als Kind nicht gelernt hat zu beten, wird als alter Mensch die Seelenkraft haben, die segnend in seinen Ermahnungen oder oftmals nur in seinen Mienen wiederum auf das Kind oder auf jüngere Leute übergehen kann. Dasjenige, was wir als Gnadenwirkung empfangen während der Kindheit, wandelt sich in dem reiferen Lebensalter durch Übergänge, die man gewöhnlich nicht bemerkt, die sich metamorphosieren, in Segenspendendes um.
So wandeln sich alle möglichen Kräfte im Leben. Und ohne daß man auf diese Zusammenhänge achtet, ohne daß man Erziehungs­kunst aus der ganzen breiten, vollen, geistig durchleuchteten Lebensanschauung herausholt, ohne das wird die Erziehung

Maar je moet het wel weer herkennen, want het verschijnt als iets wat anders geworden is tot zo’n innerlijke zielenkracht waarmee je weldadig, zegenend – wanneer ik deze uitdrukking zou mogen gebruiken – op de andere mens kan werken. Niemand die als kind niet heeft leren bidden, zal als ouder mens die zielenkracht hebben die zegenend in zijn ernstige woorden of vaak alleen al door zijn gelaatstrekken op het kind of op jonge mensen kan overgaan. Wat wij als genade tijdens onze kindertijd ontvangen, verandert in de rijpere leeftijd door overgangen die je gewoonlijk niet merkt, die zich metamorfoseren tot iets wat zegen geeft.
Zo veranderen alle mogelijke krachten in het leven. En zonder dat je op deze samenhangen let, zonder dat je opvoedkunst uit de brede, volle geestelijk doorlichte levensopvatting haalt, zonder dit zal de opvoeding

blz, 172

nicht dasjenige leisten können, was sie leisten soll: mit den Ent­wicklungskräften des Menschen zu wirken und nicht gegen sie zu wirken.
Wenn der Mensch dann ungefähr das neunte Lebensjahr erreicht hat, dann tritt, zwar nicht so deutlich wie um das siebente Jahr herum, aber doch auch mit einer gewissen Klarheit, ein neues Sta­dium ein. Die Nachwirkungen des Nachahmungstriebes ver­schwinden allmählich, und es tritt etwas für das Kind ein, das, wenn man es sehen will, allerdings intim, beobachtet werden kann:
es tritt ein besonderes Verhältnis des Kindes zu seinem eigenen Ich ein. Das Verhältnis zu dem Ich, das man das seelische Verhältnis nennen kann, tritt ja natürlich viel früher ein. Es tritt in demjenigen Momente bei jedem Menschen ein, bis zu dem er sich im Leben zurückerinnert. Da ist es auch ungefähr, daß das Kind übergeht, statt: «Karichen will das», «Mariechen will das», zu sagen: «Ich will das». Man erinnert sich später bis zu diesem Zeitpunkt zurück. Das Frühere entschwindet dem normalen Menschen meistens ganz. Da tritt das Ich seelisch in das menschliche Innere herein.

niet die prestaties kunnen leveren die ze moet: mét de ontwikkelingskrachten van de mens te werken en niet daartegenin.
<1> Wanneer de mens dan ongeveer het negende jaar heeft bereikt, begint, weliswaar niet zo duidelijk als rond het zevende jaar, maar toch ook wel waarneembaar, een nieuwe fase. De nawerking van de nabootsingsdrang verdwijnt langzamerhand en bij het kind begint iets, wanneer je het wil zien, wat in ieder geval innerlijk waargenomen kan worden: er ontstaat een bijzondere relatie tussen het kind en zijn eigen Ik. De verhouding tot het Ik die je een gevoelsverhouding kan noemen, begint natuurlijk al veel vroeger. Die begint voor ieder mens op het eerste ogenblik in zijn leven dat hij zich herinnert. Dat is ook de tijd waarop het kind overgaat naar i.p.v. te zeggen: ‘Marietje wil dit, Marietje wil dat’, te zeggen: ‘Ik wil dit’. Later herinner je je tot op dit punt iets terug. Wat daarvoor ligt, is voor de normale mens meestal helemaal weg. Het Ik komt in het menselijk innerlijk als gevoelsbeleving.

Aber es ist noch nicht vollständig geistig hereingetreten. Was eigentlich geistig in der Seelenverfassung des Menschen als das Ich-Erlebnis auftritt, das weist uns dasjenige, was um das neunte Jahr, so zwischen dem neunten und zehnten Lebensjahre – alles ist annähernd – mit dem Kinde geschieht. Menschen, die Seelenbeobachter waren, haben zuweilen auf diesen großartig-bedeutsamen Moment im menschli­chen Leben hingewiesen. Jean Paul sagt einmal so schön, daß er als ganz junger Knabe, er wisse sich genau daran zu erinnern, im Hofe seines Elternhauses vor einer Scheune stand – so deutlich spricht er das aus -, da erwachte in ihm das Ich-Bewußtsein. Er wird es nie­mals vergessen, so erzählt er, wie er da hineingeschaut hat in das verhangenste Allerheiligtum der Menschenseele. Bei dem einen deutlich, bei dem anderen weniger deutlich, tritt um das neunte Lebensjahr herum ein solcher Umschwung ein. Dieser Zeitpunkt ist für das Erziehen und Unterrichten ein außerordentlich wichtiger. Gelingt es uns, bis zu diesem Zeit­punkt in dem heranwachsenden Kinde jene Gefühle zu erregen,

Maar als iets geestelijks is het nog niet volledig aangekomen. Op wat eigenlijk geestelijk in het zielenwezen van de mens als de Ik-ervaring optreedt, wijst ons hetgeen wat rond het negende jaar, zo tussen het negende en tiende jaar – alles is bij benadering – met het kind gebeurt. Mensen die de ziel goed konden waarnemen, hebben bij tijd en wijle op dit veelbetekenende ogenblik in het mensenleven gewezen.
Jean Paul zei het eens zo mooi*, dat hij als heel jong kereltje, hij wist het zich heel precies te herinneren, in de tuin van zijn ouderlijk huis voor een schuur stond – zo duidelijk spreekt hij zich uit – toen werd het Ik-gevoel in hem wakker. Dat vergeet hij nooit meer, vertelt hij, zoals hij toen een blik kreeg in het allerheiligste van de mensenziel.
Bij de een duidelijk, bij de ander minder, vindt rond het negende jaar zo’n verandering plaats. Voor de opvoeding en het onderwijs is dit tijdstip buitengewoon belangrijk. Als het ons lukt tot op dit tijdstip in het opgroeiende kind die gevoelens op te roepen

*Jean Paul, 1763-1825, eigenlijk Johann Paul Friedrich Richter, werkzaam als huisleraar en schoolleider, beroemd geworden als verteller en humorist, maar ook als pedagoog en estheticus. Het ontwaken van het zelfbewustzijn schetst hij in het tweede van drie artikelen over zijn leven
(«Uit Jean Pauls Leben» in »Jean Pauls verzameld werk  Berlijn 1862, 34. Bd.).
Letterlijk staat er: ‘Nooit vergeet ik de ervaring in mij die ik nog aan geen mens heb verteld, toen ik bij de geboorte van mijn zelfbewustzijn stond, waarvan ik tijd en plaats kan aangeven. Op een morgen stond ik als een zeer kleine jongen bij de huisdeur en keek naar links naar de houtopslag, toen ineens als innerlijk beeld, ik ben een ik, als een bliksemstraal vanuit de hemel voor me stond en lichtend bleef staan, toen had mijn Ik zichzelf voor het eerst gezien en voor eeuwig. Vergissingen bij het herinneren zijn hier heel moeilijk denkbaar, omdat een vreemd verhaal van buitenaf zich niet laat verbinden met de louter in het verborgen allerheiligste van de mens voorgevallen beleving waarvan het nieuwe als blijvend gegeven, zich alleen al met zulke alledaagse bijkomstigheden zich zou kunnen vermengen. (blz. 26) 
Rudolf Steiner noemt deze beleving heel vaak.

blz. 173

jene Willensrichtungen zu pflegen, welche man religiös oder moralisch nennt und die man herausholen kann aus allem übri­gen Unterrichten, dann braucht man nur ein guter Kindes-Beobachter zu sein, um seine Autorität in diesem Lebens-abschnitte – wenn man ihn herankommen sieht, wenn man ihn beobachten kann – so wirken zu lassen, daß sich dasjenige befestigt, was man vorher vorbereitend gerade an religiösen Empfindungen in dem Kinde entzündet hat. In diesem Zeitpunkt entscheidet es sich, ob der Mensch aus dem tiefsten Innern heraus ehrlich und wahr aufblicken kann zu etwas, was göttlich die Welt und das Menschenleben durchseelt und durchgeistigt. Und wer durch Geistesanschauung sich hineinverset­zen kann in das Menschenleben, der wird, man möchte sagen intui­tiv dazu geführt, gerade in diesem Zeitpunkte als Erzieher die richtigen Worte, die richtigen Verhaltungsmaßregeln zu finden. Denn dasjenige, was Pädagogik in Wahrheit ist, das ist etwas Künstlerisches. Mit Pädagogik nicht als Normwissenschaft, mit Pädagogik als Kunst muß man an das Kind herankommen. 

die wilsimpulsen te verzorgen die religieus of moreel genoemd worden en die je tevoorschijn kan brengen uit het hele onderwijs, dan hoef je alleen maar een goede kinderwaarnemer te zijn om je autoriteit in deze leeftijdsfase – wanneer je die ziet aankomen, wanneer je die kan waarnemen – zo kan laten werken, dat bewaarheid wordt wat je voordien voorbereidend aan religieuze ervaringen in het kind aangelegd hebt. Op dit tijdstip wordt beslissend of de mens uit het diepst van zijn innerlijk eerlijk en waarachtig kan opkijken naar iets wat de wereld en het leven van de mens goddelijk bezield en doorgeestelijkt. En wie door het waarnemen van de geest zich in het leven van de mens verplaatsen kan, wordt er intuïtief toe gebracht om juist op dit tijdstip als opvoeder de juiste woorden te vinden, de juiste omgangsmaatregelen. Want in waarheid is pedagogie iets kunstzinnigs. Je moet het kind benaderen met pedagogie als kunst, niet als normwetenschap.

So wie der Künstler seinen Stoff, sein Material beherrschen muß, es genau und intim kennen muß, so kennt derjenige, der sich durchdringt mit geistiger Anschauung, die Symptome, die heraufziehen um dieses neunte Lebensjahr herum, wo sich der Mensch innerlich so vertieft, daß sein Ich-Bewußtsein ein geistiges wird, wie es vorher ein seelisches war. Dann wird der Erziehende, der Unterrichtende dasjenige, was er früher immer daraufhin abgestellt hat, daß es anknüpfte an die menschliche Subjektivität, mehr in eine objektive Betrachtung der Dinge umwandeln. Man wird wissen, wenn man diesen Zeitpunkt richtig ins Auge zu fassen versteht, daß man zum Beispiel über naturwissenschaftliche Dinge, über Dinge der Naturanschauung vor diesem Zeitpunkte zu dem Kind nur so sprechen soll, daß man in Erzählungen, in Fabeln, in Parabeln dasjenige ein-kleidet, was Naturanschauung ist, daß man alles dasjenige, was Naturobjekt ist, vergleichsweise mit menschlichen Eigenschaften behandelt, kurz, daß man den Menschen nicht abtrennt von seiner Naturumgebung. In dem Augenblick, in dem um das neunte

Zoals de kunstenaar zijn materie, zijn materiaal moet beheersen, het heel precies moet kennen, kent degene die zich doordringt met een geestelijke manier van waarnemen, de symptomen die zich rond het negende jaar vertonen, wanneer de mens zich innerlijk zo verdiept dat zijn Ik-bewustzijn geestelijk wordt, zoals het daarvoor iets van de ziel was. Dan zal de opvoeder, de leerkracht, daarvóór rekening houdend met het aanknopen bij de menselijke subjectiviteit, nu het beschouwen van de dingen meer naar het objectieve toe veranderen.
Je weet dan, wanneer je dit tijdstip goed leert te zien, dat je bv. over natuurwetenschappelijke zaken, over hoe je de natuur waarneemt vóór dit tijdstip alleen maar zo tegen het kind kan spreken, dat je in verhalen, in fabels, in gelijkenissen kleedt wat natuurbeschouwing is, dat alles wat object in de natuur is, behandelt in vergelijking met menselijke eigenschappen, kortom dat je de mens niet losmaakt van zijn natuurlijke omgeving. Op het ogenblik waarop rond het negende

blz. 174

Lebensjahr herum das Ich erwacht, trennt sich der Mensch selber ab von der Naturumgebung, und er wird reif, die Verhältnisse der Naturerscheinungen nun objektiv zu vergleichen. Wir sollten daher mit dem objektiven Beschreiben desjenigen, was um den Menschen herum in der Natur ist, nicht beginnen vor diesem Zeitpunkte in dem kindlichen Lebensalter. Wir sollten vielmehr genau einen Sinn, ich möchte sagen einen geistigen Instinkt entwickeln für diesen bedeutsamen Umschwung. Solch ein Umschwung findet dann wiederum so um das elfte, zwölfte Lebensjahr herum statt. Da scheint schon in das Leben, das sich noch ganz unter Autorität stellt, dasjenige herein, was nach der Geschlechtsreife im voll ausgestalteten Sinn auftritt; es leuchtet schon herein, was dann die eigene Urteilsfähigkeit nach der Ge­schlechtsreife ist. So wirken wir als Erzieher, als Unterrichter, daß wir an die Urteilsfähigkeit des Kindes appellieren, daß wir das Au­toritätsprinzip zurücktreten lassen. Aber das, was da in dem Kinde spielt, was sich nach der Geschlechtsreife als eigene Urteilsfähigkeit herausgestaltet, das spielt schon in das Autoritätsalter von dem zwölften Jahre an herein. Da können wir sehen – wenn wir richtig den Umstand, der da in der Seelenverfassung des Kindes eintritt, erblicken -, wie das Kind neue Interessen entwickelt. 

levensjaar het Ik wakker wordt, maakt de mens zelf een scheiding tussen hem en de natuuromgeving en hij wordt rijp de omstandigheden van de natuurverschijnselen nu objectief te vergelijken. Daarom zouden we met het objectief beschrijven van wat er aan natuur om de mens heen is, niet moeten beginnen voor dit tijdstip in het kinderleven. We zouden veel meer een zintuig, een geestelijk instinct moeten ontwikkelen voor deze belangrijke verandering. <1> 
Zo’n verandering vindt ook plaats rond het 11e, 12e levensjaar. Dan begint in het leven dat zich nog helemaal stelt onder de autoriteit iets op te lichten wat na de puberteit vol tot ontplooiing komt; wat dan de eigen oordeelskracht na de puberteit is, werpt zijn stralen vooruit. Op deze manier werken wij als opvoeder, als leerkracht, we appelleren aan het oordeelsvermogen van het kind; we laten het autoriteitsprincipe een stapje terugdoen.

Maar wat zich in het kind afspeelt, wat na de puberteit als het eigen oordeelsvermogen naar buitenkomt, is al wel zichtbaar op het twaalfde jaar, dat nog een autoriteitsjaar is. Dan kunnen we zien – wanneer dat in de ziel van het kind plaatsvindt – hoe het kind nieuwe interessen ontwikkelt.

Richtige Auf­fassungsmöglichkeiten für physikalische Erscheinungen, für selbst die einfachsten physikalischen Begriffe werden erst so um das elfte, zwölfte Jahr herum entwickelt.
Ohne die Beobachtung dieser dem Menschenleben zugrundelie­genden Gesetzmäßigkeiten kann es keine wirkliche pädagogische Kunst geben. Diese pädagogische Kunst will genau angepaßt sein demjenigen, was sich im Menschen heraufentwickelt. Und dem sollte auch abgelesen werden dasjenige, was wir den Lehrplan, die Lehrziele nennen. Was gelehrt und wie gelehrt wird, es soll durch­aus herausfließen aus Menschenerkenntnis. Aber diese Menschen-erkenntnis werden wir nicht gewinnen, wenn wir nicht in der Lage sind, unsere Weltanschauung im Hinblick auf das Geistige, auf die den äußeren sinnlichen Tatsachen zugrundeliegenden geistigen Tatsachen zu lenken. Dann wird es uns aber auch klar sein, daß die

Om op de juiste manier natuurkundige verschijnselen, zelfs wat de meest eenvoudige natuurkundebegrippen betreft, te kunnen begrijpen, ontwikkelen zich de mogelijkheden daarvoor zo rond het 11e, 12e jaar.
Zonder deze wetmatigheden die ten grondslag liggen aan het mensenwezen te kunnen waarnemen, kan er geen echte pedagogische kunst bestaan. Deze pedagogische kunst wil precies passen bij wat zich in de mens ontwikkelt. En hiervan moet ook worden afgelezen wat wij het leerplan, de leerdoelen noemen. Wat er aangeleerd wordt en hoe moet absoluut uit menskunde voortvloeien. Maar die menskunde krijgen we niet wanneer we niet in staat zijn onze wereldbeschouwing wat het geestelijke betreft, te richten op wat aan de uiterlijk zintuiglijke feiten aan geestelijke feiten ten grondslag ligt. Dan zal het ons ook duidelijk zijn dat de

blz. 175

Imponderabilien, die ich schon öfter erwähnte, insbesondere in der pädagogischen Kunst eine wirkliche Rolle spielen.
Heute, wo sich unsere pädagogische Kunst – ohne daß wir es oftmals uns voll zum Bewußtsein bringen, ist das der Fall – mehr herausentwickelt hat aus zugrundeliegenden naturwissenschaft­lichen Anschauungen, heute legen wir einen großen Wert auf den sogenannten Anschauungsunterricht. Nun bitte ich Sie überhaupt die Sachen, die ich ausspreche, nicht so aufzufassen, als ob ich po­lemisieren wollte, als ob ich irgend etwas abkanzeln oder abkritisieren wollte. Das ist durchaus nicht der Fall. Ich will nur den Anteil charakterisieren, den Geisteswissenschaft an der Aus­gestaltung einer pädagogischen Kunst der Gegenwart und der Zu­kunft haben kann. Daß wir den Anschauungsunterricht über seine Grenze hinaus betonen, ist im Grunde genommen nur ein Ergebnis jener Denkgewohnheiten, die sich aus naturwissenschaftlichen Anschauungen, aus naturwissenschaftlichen Methoden heraus ent­wickeln. Aber so berechtigt es ist – ich sage es ausdrücklich -, so berechtigt es ist, Anschauungsunterricht zu erhalten im richtigen Lebensalter und 

onweegbare dingen die ik al vaker noemde, vooral in de pedagogische kunst een belangrijke rol spelen.
Vandaag de dag, nu onze pedagogische kunst – zonder dat we ons dat vaak bewust zijn – meer tot ontwikkeling is gekomen door eraan ten grondslag liggende natuurwetenschappelijke opvattingen, hechten we grote waarde aan het zogenaamde aanschouwelijkheidsonderwijs. Nu wil ik u vragen de dingen die ik zo uitspreek niet zo te begrijpen alsof ik iets af wil kraken of bekritiseren. Dat is echt niet het geval.
Ik wil alleen het aandeel karakteriseren dat geesteswetenschap kan hebben bij de ontwikkeling van een pedagagische kunst voor het heden en voor de toekomst. Dat we te veel nadruk leggen op het aanschouwelijkheidsonderwijs, is op de keeper beschouwd het gevolg van die denkgewoonten die uit de natuurwetenschappelijke gezichtspunten, uit de natuurwetenschappelijke methoden tot ontwikkeling zijn gekomen. Maar hoe terecht het ook is – ik zeg het met nadruk – hoe terecht het ook is, aanschouwelijkheidsonderwijs te krijgen op de juiste leeftijd en

den richtigen Dingen gegenüber, so wichtig ist es, zu fragen, ob alles dasjenige, was dem heranwachsenden Kinde vermittelt werden soll, aus der Anschauung fließen kann, ob es nicht auf anderem Wege übergehen muß von der Seele des Leh­renden, des Erziehenden in die Seele des Kindes hinein. Daß es solche anderen Wege gibt, darauf muß durchaus hingewiesen wer­den. Und ich habe ja als auf das durchgreifende Prinzip zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife auf das Autoritätsprin­zip hingewiesen. Daß in dem Lehrenden etwas lebt als Meinung, als Empfindung, das soll der Grund sein, warum das Kind diese Meinung, diese Empfindung annimmt. Da muß wirklich in der Art und Weise, wie der Lehrende dem Kinde gegenübersteht, etwas liegen, das eben imponderabel wirkt. Dann muß etwas da sein, was wirklich herausfließt aus einer solchen zusammenfassenden Le­benserkenntnis und aus dem Interesse an einer solch zusammen­fassenden Lebenserkenntnis, wie ich es charakterisiert habe, indem ich sagte: Dasjenige, was wir im Kindesalter ausbilden, zeigt sich

bij de juiste dingen, dan is het toch belangrijk te vragen of alles wat het opgroeiende kind geleerd moet worden, vanuit de aanschouwelijkheid moet komen, of het niet ook langs een andere weg van de ziel van leraar, de opvoeder naar de ziel van het kind kan gaan. Er moet beslist op gewezen worden dat er zulke andere wegen zijn. En ik heb al gewezen op het ingrijpende principe tussen de tandenwisseling en de puberteit als het autoriteitsprincipe.
Dat er in de leerkracht iets als een mening leeft, een gevoel, moet de basis zijn waarom het kind deze mening, dit gevoel aanneemt. In de manier waarop de leerkracht t.o.v. het kind staat, moet werkelijk iets aanwezig zijn wat een imponderabele werking heeft. Dan moet er iets zijn van wat werkelijk voortvloeit uit zo’n omvattende levenskennis en uit de belangstelling voor zo’n omvattende levenskennis zoals ik die gerakteriseerd heb, toen ik zei: Wat wij in de kinderleeftijd vormen, wordt dikwijls pas weer gemetamorfoseerd zichtbaar

blz. 176

metamorphosiert oftmals erst beim erwachsenen Menschen oder sogar erst beim Greise.
Man beachtet, indem man über die Grenze des Anschauungsun­terrichtes hinausgeht, eines zum Beispiel oftmals nicht. Man kann sich ja herunterschrauben zu der Auffassungsweise des Kindes, nur zu demjenigen, was man anschaulich vor das Kind hinstellen will, was das Kind erfassen kann oder wenigstens wovon man glaubt, daß es das Kind nur erfassen könne. Ja, derjenige, der das über ein gewisses Extrem hinaus treibt, er beachtet ein wichtigstes Lebensgesetz nicht. Das besteht in folgendem: Es ist einfach eine Quelle von Lebenskraft und Lebenskräftigung, wenn man zum Beispiel in seinem fünfunddreißigsten Jahre in die Lage kommt, sich zu sagen:
Du hast als Kind einstmals von deinem Lehrer, von dem, der dich erzogen hat, dies oder jenes gehört. Das hast du aufgenommen in dein Gedächtnis, das hast du bewahrt. Warum hast du es bewahrt? Weil du den Lehrer als Autorität geliebt hast, weil einfach die We­senheit des Lehrers so vor dir stand, daß es dir klar war, wenn er sich zu dem bekennt, dann mußt du es aufnehmen; also verhieltest du dich instinktiv. Jetzt geht dir ein Licht auf, jetzt bist du reif geworden, das zu verstehen auf die geschilderte Weise. – Ich habe etwas aufgenommen, das ich aufgenommen habe aus Liebe zur Autorität.

bij de volwassen mens of zelfs pas in de ouderdom.
Een ding b.v. neem je niet waar wanneer je buiten de begrenzing van het aanschouwelijkheidsonderwijs uitgaat. Je kan je op het niveau begeven waarop het kind iets begrijpt, waarbij je het kind alleen iets geeft wat het kan bevatten of tenminste waarvan je aanneemt dat het kind het zou kunnen begrijpen. En degene die dat in een bepaalde extreme mate doet, neemt een belangrijke levenswet niet waar. Die houdt het volgende in: Het is simpelweg een bron van levenskracht en leven versterkend wanneer je bv. op je vijfendertigste in de gelegenheid komt om te zeggen: als kind heb je eens van je leraar, degene die je heeft opgevoed, dit of dat gehoord. Dat heb je in je geheugen opgenomen, je hebt het vastgehouden. Waarom heb je dat gedaan? Omdat je hield van die leraar als autoriteit, omdat het wezen van die leraar simpelweg zo voor je stond dat het voor jou duidelijk was, dat wanneer hij achter iets staat, dat ook jij dat in je op moet nemen; zo gedroeg je je instinctief. Nu gaat je een licht op, nu ben je zo volgroeid dat je het op de geschetste manier kan begrijpen. Ik heb me iets eigen gemaakt, dat ik gedaan heb uit liefde voor die autoriteit.

Jetzt tritt eine Reifekraft auf, wodurch ich das wiederum zurückrufe in mir, jetzt erkenne ich es in neuem Sinne, jetzt ver­stehe ich es erst.
Ja, wer über eine solche Lebenskraftquelle lächeln kann, der hat nicht das Interesse am wirklichen Menschenleben, der weiß nicht, wie dieses Menschenleben eine Einheit ist und wie alles in diesem Menschenleben zusammenhängt; der kann daher nicht würdigen, was es heißt, daß man nicht bloß beim normalen Anschauungs­unterricht – der gewiß in seinen Grenzen voll berechtigt ist – ste­henbleiben könne, sondern daß man hineinversenken muß in die Kindesseele dasjenige, auf das das spätere Leben von Reifezustand zu Reifezustand immer wiederum zurückkommen kann. Warum begegnen uns heute so viel innerlich gebrochene Menschen? War­um blutet uns heute das Herz, wenn wir hinsehen auf ganze weite

Nu is er de kracht van het rijper te zijn geworden, waardoor ik dit weer bij mezelf oproep, nu herken ik het op een nieuwe manier, nu begrijp ik het pas.
Maar wie zich over een dergelijke bron van levenskracht vrolijk maakt, heeft niet de belangstelling voor het echte mensenleven, die weet niet hoe dit mensenleven een eenheid is en hoe alles in dit mensenleven met elkaar samenhangt; die kan er daarom geen waarde aan hechten wat het betekent dat je niet alleen maar bij normaal aanschouwelijkheidsonderwijs – dat zeker binnen de grenzen op z’n plaats is – kan blijven staan, maar dat je in de kinderziel iets verankeren moet, waarop het latere leven terug kan grijpen van omstandigheid naar omstandigheid wanneer je er innerlijk aan toe bent.Waarom ontmoeten we tegenwoordig zo veel innerlijk gebroken mensen? Waarom bloedt ons hart wanneer we kijken naar veel verder weg gelegen

blz. 177

Territorien, denen große Aufgaben gestellt sind und in denen die Menschen wie gelähmt herumgehen? Weil nicht Rücksicht genommen worden ist bei den heranwachsenden Kindern auf die Ausbildung derjenigen Kräfte, die dem Menschen im späteren Leben eine starke Stütze sind, so daß er sich hineinstellen kann in dieses Leben.
Das sind die Dinge, die durchaus da berücksichtigt werden müs­sen, wo die bloße pädagogische Normwissenschaft in eine wirkli­che Erziehungskunst übergeführt werden soll. Pädagogik muß, weil sie allgemein sein muß für die Menschheit, zu gleicher Zeit zur individuellen und individuell gehandhabten Kunst des Erziehers und des Unterrichters werden. Man muß gewisse innere Zusam­menhänge einsehen, wenn man dasjenige, was oftmals instinktiv ausgesprochen wird, aber doch eben nicht klar durchschaut wird, klar durchschauen will. Mit einem gewissen Recht verlangt man heute, man solle nicht bloß intellektuell erziehen; es käme nicht so sehr darauf an, daß der heranwachsende Mensch ein Wissen, eine Erkenntnis erhalte, sondern darauf komme es an, daß er ein tüch­tiger Mensch werde, daß das Willenselement ausgebildet werde, daß in ihm wirklich Handfertigkeiten entwickelt werden und der­gleichen.

gebieden die voor grote opgaven gesteld staan en waarin de mensen als verlamd zich bewegen? Omdat er geen rekening werd gehouden om bij de kinderen die kracht te ontwikkelen die voor de mens op latere leeftijd een enorme steun is, zodat hij in dit leven zijn plaats kan innemen.
Dat zijn de dingen die zeer zeker in ogenschouw genomen moeten worden wanneer de louter pedagogische normwetenschap in een werkelijke opvoedingskunst veranderd moet worden, omdat die voor de mensheid algemeen moet zijn, tegelijkertijd een individuele en individueel toegepaste opvoed- en onderwijskunst moet worden. Je moet bepaalde innerlijke samenhangen inzien, wanneer je iets wat dikwijls instinctief uitgesproken wordt, maar desondanks toch niet helder doorzien wordt; je moet niet alleen intelcctueeel opvoeden; het komt er niet zo veel op aan dat de opgroeiende mens een weten, een kennis verkrijgt, maar het komt erop aan dat hij een actief mens wordt, dat het wilselement ontwikkeld wordt, dat er in hem ontwikkeld wordt dat hij werkelijk wat met zijn handen kan, e.d.

Gewiß, eine solche Forderung ist durchaus berechtigt. Aber es handelt sich darum, daß man einer solchen Forderung nicht entsprechen kann mit allgemeinen pädagogischen Redensar­ten und Normen, sondern nur entsprechen kann, wenn man im konkreten einzelnen auf die Entwicklungsmomente des Menschen wirklich eingehen kann. Da muß man wissen, wie das Künst­lerisch-Ästhetische das Anfeuernde des Willens ist, muß das Ästhetisch-Künstlerische an diesen Willen heranbringen können. Man muß aber auch nicht bloß einen äußeren Zugang zum Willen suchen. Den wird man vergeblich suchen, wenn man den Men­schen bloß durch Physiologie, durch Biologie sucht, wenn man ihn nicht sucht durch das geistig-seelische Element, das in seinem Wesen sich ausdrückt und gerade im Kindesalter in hervorragender Weise sich ausdrückt. Da wird manches zu durchseelen, zu durchgeistigen sein.

Zo’n eis is zeer zeker gerechtvaardigd. Maar het gaat erom dat je aan zo’n eis niet tegemoet kan komen met algemene pedagogische praatjes en normen, maar alleen wanneer je in het conncrete individuele geval echt kan ingaan op de ontwikkelingsmomenten van de mens. Je moet dan weten hoe het kunstzinnig-esthetische het inspirerende van de wil is, je moet dit esthetisch-kunstzinnige met de wil sámen kunnen brengen. Je moet echter ook niet alleen maar een uiterlijke ingang naar de wil zoeken. Die zoek je tevergeefs, wanneer je de mens alleen maar langs fysiologische, biologische weg zoekt, wanneer je hem niet zoekt door het geestelijk-psychische element dat zich in zijn wezen uitdrukt en m.n. in de kinderleeftijd dat nogal in het oogspringend doet. Er is veel waarbij ziel en geest nodig zijn.

blz. 178

Wir haben in unserer Waldorfschule in Stuttgart zum ersten Male versucht, dasjenige, was sonst im allgemeinen nur, ich möchte sagen auf Physiologisches gestützt ist – wenigstens durch seine Methode, mit Bezug auf seine organisatorische innere Kraft -, nämlich das Turnen, umzuwandeln in eine gewisse eurythmische Kunst. Sehen Sie, dasjenige, was Sie fast an jedem Sonnabend und Sonntag draußen in Dornach sehen können als eurythmische Vorführung, das ist natürlich zunächst als eine besondere Kunst­form gedacht, eine Kunstform, zu der der menschliche Organismus selber mit seinen innerenBewegungsmöglichkeiten als Instrument verwendet wird. Aber dasjenige, was so als Kunstform gedacht ist, das gibt zu gleicher Zeit Möglichkeiten, die Bewegungen des Men­schen, die wir sonst nur durch das physiologische Turnen haben, zu durchseelen, zu durchgeistigen, so daß der Mensch nicht nur dasjenige ausführt, wovon man frägt: Wie wirkt es auf diesen oder jenen Muskel? -, sondern das ausführt, was naturgemäß fließt aus dieser oder jener seelischen Regung in die Bewegung der Muskeln, in die Bewegung der Glieder hinein.

We hebben op onze vrijeschool in Stuttgart voor het eerst geprobeerd om wat over het algemeen gezegd gebaseerd is op iets lichamelijks – d.w.z. door de methode in relatie tot hoe inwendig bepaalde krachten georganiseerd zijn – namelijk de gymnastiek – om te vormen tot een bepaalde vorm van euritmische kunst. Wat u bijna iedere zaterdagavond en zondag buiten Dornach kunt zien als euritmische voorstelling is natuurlijk allereerst als een bijzondere vorm van kunst gedacht, een vorm van kunst waarbij  het menselijk organisme zelf met de innerlijke mogelijkheden tot bewegen als instrument gebruikt wordt. Maar wat zodanig als kunstvorm gedacht is, draagt tegelijkertijd de mogelijkheden in zich de bewegingen van de mens die we anders alleen maar door het lichamelijke gymmen hebben, veel meer mee te geven aan ziel, aan geest, zodat de mens niet alleen maar iets doet waarbij men vraagt: hoe werkt dat op deze of die spier?, maar uitvoert wat van nature uit dit of dat gevoel in de bewegingen van de spieren, van de ledematen overgaat.

Eurythmie wird, wie wir, die wir auf dem Boden einer Durch­geistigung des Lebens vom Standpunkte der Geisteswissenschaft stehen, überzeugt sind, Eurythmie wird tatsächlich auf der einen Seite eine große pädagogische, auf der anderen Seite auch eine hygienische Bedeutung haben. Denn es werden die gesunden Ver­hältnisse, diese naturgemäßen Zusammenhänge gesucht, die zwi­schen dem inneren Erleben, Empfinden und Aussprechen der Seele und dem, was im ganzen Menschen als Bewegung sich entwickeln kann, bestehen müssen. Dasjenige, was sonst bloß durch äußerliche Physiologie oder durch sonstige äußerliche Tatsachen gesucht wird, das wird durch die Erkenntnis von der Durchseelung und Durchgeistigung des Menschen gesucht. Und so kann man nicht nur, indem man die gebräuchlichen Künste das Unterrichtsprinzip in den ersten Volksschuljahren durchsetzen läßt, auf den Willen wirken, sondern man kann noch dadurch ganz besonders auf den Willen wirken, daß man so etwas, was ja sonst auch als eine Willenskultur gedacht ist, das Turnen, durchsetzt sein läßt von

Euritmie zal, op de manier waarop wij ons baseren, op het standpunt van de geesteswetenschap om het leven geestrijker te maken, daarvan zijn we overtuigd, daadwerkelijk aan de ene kant een grote pedagogische, aan de andere kant ook een hygiënische betekenis kunnen hebben.
Want er wordt naar een gezonde relatie gezocht die er moet bestaan in wat van nature samenhangt tussen het innerlijke beleven, voelen en spreken vanuit de ziel en wat in de totale mens als beweging zich kan ontwikkelen. Wat anders alleen maar gezocht wordt door uiterlijke fysiologie of soortgelijke uiterlijke zaken, wordt nu door de kennis van de bezieling en van de verrijking van de geest gezocht. En zo kun je niet alleen, wanneer je de gebruikelijke kunstvormen integreert in het onderwijs in de eerste jaren van de basisschool, op de wil werken, maar je kan er ook op een bijzondere manier mee op de wil werken; dat je iets wat anders alleen maar als wilscultuur gedacht is, de gymnastiek, nu ook voorziet van

blz. 179

Seelisch-Geistigem, das aber erst vorher in seiner konkreten Wirkungsmöglichkeit, in seinem konkreten Auftreten, erkannt werden muß.
Und so muß man wiederum erkennen, wie zwei Seelenfähig­keiten in dem Menschen zusammenhängen, zwischen denen die heutige Psychologie, die ja in Wirklichkeit von Geisteswissenschaft eben nicht durchdrungen ist, keinen rechten Zusammenhang fin­det. Wenn wir sachgemäß hinblicken können auf den wichtigen Zeitpunkt, den ich als um das neunte Lebensjahr herum liegend bezeichnet habe, so werden wir sehen, daß in diesem Zeitpunkte etwas Besonderes vorgeht in bezug auf die Gefühlsfähigkeiten, das Gefühlsleben des Kindes. Der Mensch verinnerlicht sich. Es treten eben andere Gefühlsnuancen auf. Gewissermaßen wird das innere Seelenleben in seinen Gefühlsnuancen selbständiger gegenüber der äußeren Natur. Dagegen tritt auch etwas auf, was nur bei wirkli­cher intimer Seelenbeobachtung uns entgegentritt – Jean Paul be­merkte das auch und sprach es geistreich aus: Wir lernen gewiß in unseren drei ersten Lebensjahren mehr als in unseren drei akademi­schen Lebensjahren, weil wir sozusagen ein organisch entwickeltes Gedächtnis ja noch haben, weil da das Gedächtnis noch organisch wirkt.

iets van ziel en geest, waarvan echter eerst vooraf de concrete mogelijkheid van hoe het werkt, bij het concrete uitvoeren, gekend moet worden.
En dus moet je weer leren kennen hoe twee vermogens van de ziel in de mens met elkaar samenhangen, waartussen de huidige psychologie die in werkelijkheid nu eenmaal niet van geesteswetenschap doordrongen is, geen echte samenhang vindt. <2> Wanneer we doelmatig kunnen kijken naar het belangrijke tijstip dat ik als rond het negende jaar liggend heb gekwalificeerd, dan zullen we zien dat er op dit tijdstip iets bijzonders gebeurt wat de gevoelsvermogens betreft, het gevoelsleven van het kind. De mens wordt innerlijker. Er doen zich nu andere gevoelsnuances voor. In zekere zin wordt het innerlijke zielenleven in zijn gevoelsnuances zelfstandiger t.o.v. de uiterlijke natuur. Er ontstaat daarentegen ook iets, wat je alleen maar merkt door een werkelijk intieme waarneming van de ziel – Jean Paul* merkte dit ook en deed geestvol de uitspraak: ‘Het is zeker zo dat wij in onze eerste drie levensjaren meer leren dan in onze drie academische levensjaren’- omdat wij zogezegd nog een organisch ontwikkeld geheugen hebben, omdat het geheugen nog organisch werkt.

*De passage is te vinden in Levana oder Erziehlehre» (1807), 6 Bruchstuck 4. hfdst. , § 123. Origineel staat er: ‘De vruchten van een goede opvoeding van de eerste drie (een hoger drietal dan de academische) kun je niet onder het zaaien oogsten;….maar na een paar jaar zal de tevoorschijn kiemende rijkdom u verrassen en belonen.’

Für das Leben lernen wir da nämlich mehr. Aber eine beson­dere Beziehung, eine Beziehung, die mehr in das bewußte Leben hineinspielt, wird gerade zwischen dem Gefühlsleben und zwi­schen dem Gedächtnisleben um das neunte Lebensjahr hergestellt.
Solche Dinge muß man nur sehen. Wenn man sie nicht sehen kann, so sind sie für einen nicht da. Wenn man diese intimen Be­ziehungen zwischen Gefühlsleben und Gedächtnis wirklich durch­schaut, findet man dann, indem man diese Beziehungen pflegt, den richtigen Gesichtspunkt für dasjenige, wofür an das Gedächtnis appelliert werden muß im Unterrichte. An das Gedächtnis soll man eigentlich nicht anders appellieren, als indem man zu gleicher Zeit an das Gefühlsleben appelliert. Namentlich für den geschichtlichen Unterricht, für alle geschichtlichen Mitteilungen wird man die rich­tige Mitteilungsnuance finden, wenn man weiß: was dem Gedächt­nisse einverleibt werden soll, soll in unserer Darstellung immer

We leren daar voor het leven namelijk meer. Maar een bijzondere relatie, een relatie die meer in het bewuste leven speelt, komt juist tussen het gevoelsleven en tussen het geheugen tot stand rond het negende jaar.
Die dingen moet je dus zien. Wanneer je ze niet kan zien, dan zijn ze er voor jou niet. Wanneer je deze tere relaties tussen gevoelsleven en geheugen werkelijk doorziet, vind je, wanneer je deze relatie verzorgt, het juiste gezichtspunt voor  dat waarbij aan het geheugen geappelleerd moet worden. Je moet het geheugen eigenlijk niet anders aanspreken, dan wanneer je tegelijkertijd het gevoelsleven aanspreekt. <2> En wel bij het geschiedenisonderwijs, bij alle historische mededelingen zal je de juiste nuance van mededelen vinden, wanneer je weet: wat in het geheugen moet beklijven, moet wat wij brengen steeds

blz. 180

durchdrungen sein von etwas, was hinüberspielt in das selbstän­diger gewordene Empfinden. Man wird diesen geschichtlichen Unterricht auch richtig in den Lehrplan einreihen, wenn man diese Zusammenhänge des Lebens kennt. So wird man dann auch eine richtige Anschauung bekommen über die Gedächtnis-Kultur über­haupt. Und man wird mit dem, wodurch man vorzugsweise auf das Gedächtnis gewirkt hat, ebenso auf das Gefühlsleben wirken, wie man vorerst durch Künstlerisches auf das Willensleben gewirkt hat. Dann wird man die Möglichkeit gewinnen, allmählich nach diesem Lebensabschnitte erst das intellektuelle Element aus dem Willens-element und aus dem Gefühlselement herauswirken zu lassen. Denn wenn in der Erziehung, im Unterrichte nicht das intellek­tuelle Element aus dem Willenselement, aus dem Gefühlselement in der richtigen Weise herausgebildet wird, dann wirken wir gegen die Entwicklungskraft im Menschen, nicht im Sinne der Entwick­lungskraft.
Nun, Sie haben aus der ganzen Haltung des Vortrags gesehen, daß es bei den Beziehungen zwischen Geisteswissenschaft und pädagogischer Kunst darauf ankommt, die Geisteswissenschaft so zu gebrauchen, daß sie zu einer wirklichen Menschenerkenntnis wird. 

doordrongen zijn van iets wat overspringt naar het zelfstandiger geworden gevoel. Je zal dit geschiedenisonderwijs ook in het leerplan zijn juiste plaats geven, wanneer je deze samenhangen in het leven kent. En zo krijgt je ook een juiste kijk op de geheugencultuur bovendien. En je zal met dat waarmee je hoofdzakelijk op het geheugen hebt gewerkt, net zo op het gevoelsleven werken als je voordien door het kunstzinnige op het wilsleven hebt gewerkt.
Dan krijg je de mogelijkheid langzamerhand na deze verandering in het leven nu het intellectuele element uit het wilselement en uit het gevoelselement actief te laten worden. Want wanneer in de opvoeding en het onderwijs het intellectuele element niet op de juiste manier uit het wils- en gevoelselement ontwikkeld wordt, doen we dingen die tegen de ontwikkelingskracht in de mens ingaan, die niet overeenkomen de ontwikkelingskracht.
Wel, u hebt uit de hele stemming van de voordracht gezien dat het er bij de verbinding tussen geesteswetenschap en pedagogische kunst het op aankomt de geesteswetenschap zo te gebruiken dat deze een echte menskunde wordt.

Dadurch gewinnen wir in der Geisteswissenschaft selber et­was, was so übergeht in unseren Willen, wie dasjenige, was künst­lerische Anlage ist, in den menschlichen Willen übergeht. Dadurch kommen wir ab von einer Pädagogik als einer bloßen Normwissen­schaft, die immer weiß: So und so muß man erziehen. Dadurch aber verpflanzen wir in unsere menschliche Wesenheit dasjenige, was wir im Willen drinnen haben müssen, die Durchgeistigung dieses Willens, damit wir aus unserem Willen hinüberwirken können in die Werdekräfte des aufwachsenden Menschen. So soll Pädagogik im geisteswissenschaftlichen Sinne gestützt werden auf wahre wirksame Menschenkenntnis. Ein heiliges Rätsel wird uns dadurch der werdende Mensch, ein heiliges Rätsel, das wir in jeder Stunde lösen wollen. Wenn wir uns so mit unserer pädagogischen Kunst in den Menschheitsdienst hineinstellen, dann dienen wir diesem Leben aus den großen Interessen dieses Lebens. Auf den

Daardoor krijgen we door de geesteswetenschap zelf iets wat zo bezit neemt van onze wil, als wat kunstzinnige aanleg is, bezit neemt van onze menselijke wil. Daardoor raken we los van een pedagogie die alleen maar normwetenschap is, die steeds weet: zus en zo moet je opvoeden. Daardoor echter planten wij in ons mensenwezen wat we in onze wil moeten hebben, doorgeestelijken we deze wil zodat we vanuit onze wil op de wordende krachten van de opgroeiende mens kunnen inwerken. Op deze manier moet pedagogie in geesteswetenschappelijke zin stoelen op echte werkzame menskunde. De wordende mens wordt voor ons dan een heilig raadsel dat we ieder uur willen oplossen. Wanneer we ons zo met onze pedagogische kunst ten dienste stellen aan de mensheid, dienen we dit leven vanuit de grote interesse in dit leven. Op de

blz. 181

Gesichtspunkt, von dem ich ausgegangen bin, auf den möchte ich zum Schlusse wiederum hinweisen.
Derjenige, der Lehrer oder Erzieher ist, hat es zu tun mit dem Menschen in demjenigen Lebensalter, in dem hineinzupflanzen sind in die menschliche Natur und herauszuholen sind aus der menschlichen Natur alle die Lebensmöglichkeiten, die dann durch das ganze übrige menschliche Leben und Dasein hindurchspielen. Deshalb kann man sagen, daß es kein Gebiet des Lebens gibt, das nicht in irgendeiner Weise berühren soll den, der zu unterrichten und zu erziehen hat. Aber nur der versteht das Leben, der es vom Geiste aus verstehen lernt. Nur derjenige wird das Leben gestalten können, der – um diesen Goetheschen Ausdruck zu gebrauchen -geistig es zu gestalten vermag. Das aber scheint mir in der Gegen­wart vor allen Dingen notwendig zu sein, daß diejenige Lebensge­staltung, die durch die Pädagogik ausgeübt wird, geistgemäß und immer geistgemäßer gestaltet werden kann. Nicht um etwas zu kritisieren, nicht um etwas abzukanzeln, das lassen Sie mich noch­mals betonen, sind die heutigen Worte gesprochen worden, son­dern weil die bescheidene Meinung vorliegt, daß Geisteswissen­schaft mit den Erkenntnissen, die sie gerade über das Wesen des Menschen und daraus auch über das Wesen des werdenden Men­schen gewinnt, der pädagogischen Kunst dienen kann und ihr neue Kraftquellen wird zuführen können.

gezichtspunt waarvan ik ben uitgegaan, wil ik tot slot nog een keer wijzen.
Degene die leraar of opvoeder is, heeft te maken met de mens op die leeftijd waarop in de menselijke natuur alle levensmogelijkheden moeten worden gezaaid en uit de menselijke natuur alle levensmogelijkheden moeten worden gehaald die dan door het geheel van het menselijk leven en bestaan heen een verdere rol spelen. Daarom kun je zeggen dat er geen levensgebied is dat niet op de een of andere manier degene die moet lesgeven en opvoeden, moet raken. Maar alleen hij begrijpt het leven die het vanuit de geest leert begrijpen. Alleen degene die – om een uitdrukking van Goethe te gebruiken – zal het leven vorm kunnen geven die in staat is dat vanuit de geest te doen. Voor mij lijkt het vooral in deze tijd noodzakelijk dat die levensvorming die door de pedagogie uitgeoefend wordt, in overeenstemming met de geest en steeds meer in overeenstemming daarmee, vormgegeven kan worden. Niet om op iets kritiek te leveren, niet om ietws af te kraken – laat ik dit nog een keer zeggen – zijn deze woorden gesproken, maar omdat de bescheiden mening bestaat dat geesteswetenschap met de kennis die zij juist over het wezen van de mens en daaruit ook over het wezen van de wordende mens opdoet, de pedagogische kunst kan dienen en deze nieuwe krachtbronnen aan kan reiken.

Das möchte diese Geisteswissenschaft. Denn sie möchte nicht irgend etwas sein, was sich lebensfremd und lebensfern in die Welt hineinstellt, sie möchte ein Lebensferment sein, das alle einzelnen Lebensfähigkeiten und Lebensaufgaben durchdringen kann. Aus dieser Gesinnung heraus versuche ich von dem Gesichtspunkte der Geisteswissenschaft über die verschiedensten Lebensgebiete zu sprechen und auf die verschiedensten Lebensgebiete hin zu wirken. Schreiben Sie es auch nicht irgendeiner unbescheidenen Anmaßung zu, wenn ich heute über das Verhältnis der Geisteswissenschaft zur Pädagogik gesprochen habe, sondern schreiben Sie es der Gesin­nung zu, die in der Überzeugung wurzelt, daß über den Geist gerade in unserer Zeit allerdings noch viel erforscht werden muß,

Dat zou deze geesteswetenschap graag willen. Want die wil niet ergens iets zijn, wat levensvreemd en ver van het leven staand zich in de wsereld manifesteren, ze wil een levensgist zijn dat alle afzonderlijke levensmogelijkheden en levensopgaven kan doordringen. Vanuit deze gezindheid heb ik geprobeerd over de gezichtspunten van de geesteswetenschap m.b.t. de meest verschillende levensgebieden te spreken en naar de meest verschillende levensgebieden toe te werken.
Schrijft u het ook niet een of andere onbescheiden aanmatiging toe, toen ik vandaag over de betrekking van de geesteswetenschap tot de pedagogie sprak, maar schrijft u het de gezindheid toe die in de overtuiging wortelt dat er in onze tijd zeer zeker nog veel onderzoek naar de geest nodig is,

blz. 182

wenn wir geistgemäß im Leben wirken wollen; schreiben Sie es der Gesinnung zu, die in ehrlicher und aufrichtiger Weise mitarbeiten möchte an den verschiedensten Zweigen des Lebens, mitarbeiten möchte an dem herrlichsten, großartigsten, wichtigsten Zweige des Lebens, an der erziehenden und unterrichtenden Gestaltung des Menschen selbst.

wanneer we adequat vanuit de geest willen werken; schrijft u het de gezindheid toe die op een eerlijke en oprechte manier mee wil werken aan de verschillende takken van het leven, mee wil werken aan de fijnste, grootse, belangrijkste tak van het leven, aan de opvoedkundige en onderwijskundige vormen van de mens zelf.

.

[1] GA 297 Duits
[2] GA 297 6e voordracht Duits

.

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

.

1883-1768

.

.

VRIJESCHOOL Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 3 (3-6-1)

.

Enkele gedachten bij blz. 59 t/m 61 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA295) [3]

[3-6] blz.  53 t/m 56
Hoe zou de wereld eruit zien zonder de mens; velen menen: beter!; maar zonder de mens zouden m.n. de hogere dieren niet verschenen zijn; het menselijk stoffelijk overschot als desem voor het voortbestaan van de aarde;

Op blz. 59 komt Steiner weer terug op wat hij op blz. 53 aan de orde stelt: hoe zou de aarde eruit zien zonder de mens.

In het vervolg van zijn betoog heeft hij de twee polaire krachten in de mens aan de orde gesteld: de bot-zenuwmens/stelsel en de spier-bloedmens/stelsel: onderwerp van [3-7] en [3-8]

Enerzijds kijken we in het bestuderen van de natuur naar iets wat stervend is en we doen dat met iets ‘ouds’ in ons wat naar zijn wezen ook het doodse element in zich draagt: het voorstellen. [vdr. 2] Anderzijds hebben we het vermogen ons op de toekomst te richten; in onze wil dragen we iets toekomstigs.

Steiner:

blz. 60   vertaling  59 e.v.:

Da blicken wir auf der einen Seite in eine Welt hinein, die uns mitumfaßt und die fortwährend im Absterben ist. Auf der anderen Seite blicken wir in alles das hinein, was in die Kräfte unseres Blut-Muskelsystems hereinragt: das ist in fortwährender Bewegung, in fortwährendem Fluktuieren, in fortwährendem Werden und Entstehen; das ist ganz keimhaft, da ist nichts Totes. Wir halten in uns den Sterbeprozeß auf, und nur wir als Menschen können ihn aufhalten und bringen in das Sterbende Werden hinein. 

Zodoende is onze blik enerzijds gericht op een wereld die ook ons omvat en die voortdurend sterft. Anderzijds is de blik ge­richt op alles waar ons bloed-spierstelsel deel van uitmaakt. Dat is voortdurend in beweging, dat is een voortdurend fluctueren, een voortdurend worden en ontstaan; dat bevindt zich geheel en al in een kiemtoestand, daar is niets dood. Wij remmen het sterfproces in ons — en alleen wij mensen kunnen dat — en brengen het wordingselement in dit sterfproces.

En nogmaals onderstreept Steiner het belang van de aanwezigheid van de mens voor de aarde:

Wäre der Mensch nicht hier auf der Erde, so würde eben längst das Sterben sich ausgebreitet haben über den Erdenprozeß, und die Erde wäre als Ganzes in eine große Kristallisation übergegangen. Nicht erhalten aber hätten sich die einzelnen Kristalle. Wir entreißen die einzelnen Kristalle der großen Kristallisation und erhalten sie, solange wir sie für unsere Menschenevolution brauchen. Wir erhalten aber damit auch das Leben der Erde rege. Wir Menschen sind es also, die das Leben der Erde rege halten, die nicht ausgeschaltet werden können vom Leben der Erde. 

Zou de mens niet op aarde zijn, dan zou het sterven zich allang tot het hele aardeproces uitgestrekt hebben en dan zou de aarde in haar geheel zijn overgegaan tot een grote kristallisatie. Maar de af­zonderlijke kristallen zouden niet bewaard zijn gebleven. Wij ontrukken de afzonderlijke kristallen aan het grote kristallisatieproces en houden ze in stand zolang wij ze nodig hebben voor onze evolutie als mens. Daarmee houden we ook het leven van de aarde in beweging. Wij mensen zijn het dus, die het leven van de aarde voortdurend nieuw leven inblazen en we kunnen dus niet aan het leven op aarde onttrokken worden.

Wie een blik werpt in Steiners ‘Rätsel der Philosophie’, GA 18, (niet vertaald) ziet een hoeveelheid namen van denkers bij wie Steiner kortere of langere tijd stilstaat. Hij onderwerpt hun visie aan zijn eigen opvattingen: de antroposofie.
In de Algemene menskunde doet hij dat b.v. in hoofdstuk 2: hier gaat het over de uitspraak van Descartes: ‘Ik denk – dus ik ben’, in hoofdstuk 3 neemt hij de wet van behoud van stof en kracht van Mayer en hier komt ook de toen bekende Eduard von Hartmann ter sprake, die iets had opgemerkt over ‘een grote zelfmoord van de mensheid’:

Daher war es schon ein realer Gedanke von Eduard von Hartmann, der aus seinem Pessimismus heraus wollte, daß die Menschheit einmal eines Tages so reif wäre, daß alle Menschen sich selbst mordeten. Man braucht auch gar nicht das noch hinzuzufügen, was Hartmann aus der Beschränktheit der naturwissenschaftlichen Weltanschauung wollte: weil ihm nämlich das nicht genügt hätte, daß alle Menschen sich eines Tages selbst mordeten, wollte er auch noch die Erde durch eine großangelegte Unternehmung in die Luft sprengen. Das hätte er nicht gebraucht. Er hätte nur den Tag des großen Selbstmordens anordnen hrauchen, und die Erde wäre von selbst langsam in die Luft gegangen! Denn ohne das, was vom Menschen in die Erde verpflanzt wird, kann die Erdenentwickelung nicht weitergehen.

Daarom was het ook een reële gedachte wat Eduard von Hartmann° vanuit zijn pessimisme wilde, dat de mensheid eens zo rijp zou zijn dat allen zichzelf zouden ombrengen. Men hoeft daar niet eens aan toe te voegen wat Hartmann — vanuit zijn beperkte natuurwetenschappelijke denken – deed: omdat het volgens hem niet voldoende was dat alle mensen zich op een dag zelf zouden doden, wilde hij ook nog de aarde door een groots opgezette onderneming opblazen. Dat was niet nodig geweest. Want hij had slechts de dag van de grote zelfmoord hoeven vast te stellen en de aarde was vanzelf langzaam in de lucht gevlogen! Want zonder dat wat door de mensen op de aarde overgebracht wordt, kan de ontwikkeling van de aarde niet verder gaan.

*Eduard von Hartmann (1842-1906), filosoof; vgl. zijn Philosophie des Unbewussten (1868), m.n. hoofdstuk XIV. De zin van de wereldontwik­keling ziet Von Hartmann in het doen verdwijnen van het lijden Gods. Over de verhouding tussen Steiner en Von Hartmann zie het nawoord bij Waarheid en wetenschap,

In dit verband merkt Steiner op dat het niet alleen de natuurwetenschappen zijn die de mens zijn ware plaats in het geheel van de schepping niet kunnen geven, ook in de filosofie ziet hij deze tendens: de mens als toeschouwer:

blz. 61  vert. 60 e.v.:

In der äußeren Philosophie, die auf anglo-amerikanisches Denken zurückgeht, ist der Mensch eigentlich ein bloßer Zuschauer der Welt; er ist mit seinem inneren Seelenprozeß ein bloßer Zuschauer der Welt. Wenn der Mensch nicht da wäre, so meint man, wenn er nicht in der Seele wieder erlebte, was in der Welt draußen vor sich geht, so wäre doch alles so, wie es ist. Das gilt für die Naturwissenschaft in bezug auf jene Tatsaebenentwickelung, die ich angeführt habe, es gilt aber auch für die Philosophie. Der heutige Philosoph fühlt sich sehr wohl als Zuschauer der Welt, das heißt, in dem bloß ertötenden Element des Erkennens.

In de traditionele filosofie, die gebaseerd is op het Anglo-Amerikaanse denken, is de mens eigenlijk slechts een toeschouwer in de wereld; met het proces dat zich innerlijk in hem, in zijn ziel, afspeelt blijft de mens toch slechts een toe­schouwer op de wereld. Wanneer de mens er niet was, zo meent men, wanneer hij niet in zijn ziel herbeleeft wat in de wereld buiten hem plaatsvindt, dan zou toch alles zijn zoals het is. Dat geldt voor de natuurwetenschap wat betreft de geschetste ont­wikkeling, maar ook voor de filosofie. De filosoof van deze tijd beschouwt zichzelf werkelijk als een toeschouwer in de wereld, dat wil zeggen dat hij zich in het kenproces alleen in het ster­vende element voelt.

Dat ‘toeschouwer-zijn’ in de filosofie werd vanaf de jaren 1940 sterk ter discussie gesteld, o.a. door het existentialisme.
Een sterke nadruk op de mens als ‘subject’ legde ook Prof.Dr.W.Luijpen in ‘existentiële fenomenologie
De denker Eugen Rosenstock-Huessy noemde objectiviteit aangaande de mens: ‘dus onwetend in alles wat belangrijk is.’

Steiner zag in dit ‘toeschouwer-zijn’ in het kenproces van de filosoof hoe deze a.h.w. gevangen zit in zijn gevoel voor het stervende element en hij zegt dat hij dit kenproces wilde verlossen uit dit doodselement. O.a. door het schrijven van ‘Grundlinien einer Erkenntnistheorie der Goetheschen Weltanschauung, GA 2 vertaald: waarnemen en denken

blz. 61  vert. 61

Aus diesem ertötenden Element wollte ich die Erkenntnis herausführen. Daher habe ich immer wiederholt: Der Mensch ist nicht bloß ein Zuschauer der Welt, sondern er ist Schauplatz der Welt, auf dem sich die großen kosmischen Ereignisse immer wieder und wieder abspielen. Ich habe immer wieder gesagt: Der Mensch ist mit seinem Seelen- leben der Schauplatz, auf dem sich Weltgeschehen abspielt. So kann man das auch in philosophisch-abstrakte Form kleiden. Und besonders, wenn Sie das Schlußkapitel über Freiheit in meiner Schrift «Wahrheit und Wissenschaft» lesen, werden Sie finden, daß dieser Gedanke scharf betont ist: daß dasjenige, was sich im Menschen vollzieht, nicht etwas ist, was der übrigen Natur gleich ist, sondern daß die übrige Natur hereinragt in den Menschen und daß dasjenige, was im Menschen sich vollzieht, zugleich ein kosmischer Vorgang ist, so daß die menschliche Seele ein Schauplatz ist, auf dem sich ein kosmischer Vorgang abspielt, nicht bloß ein menschlicher. 

Ik wilde het kenproces verlossen uit dit doodselement. Daarom heb ik steeds herhaald dat de mens niet alleen een toeschouwer in de wereld is, maar ook het schouwto­neel is van de wereld waarop zich de grote kosmische gebeurtenissen steeds weer afspelen. Ik heb herhaaldelijk gezegd dat het zielenleven van de mens het schouwtoneel is waarop zich het wereldgebeuren afspeelt. Dat kan men ook inkleden in filosofi­sche, abstracte bewoordingen. Deze gedachte zult u met name benadrukt vinden in het laatste hoofdstuk over de vrijheid in ‘Waarheid en wetenschap‘.  Daar staat dat wat zich in de mens voltrekt niet gelijk is aan de natuur buiten hem, maar dat die natuur zich uitstrekt tot in de mens en dat het proces in de mens tegelijkertijd ook een kosmisch proces is. Zo is de ziel van de mens een schouwtoneel waarop zich een kosmisch proces af­speelt en niet alleen een menselijk.

Op blz. 32:

Erst dann, wenn man den Zusammenhang des einzelnen Menschen mit dem ganzen Weltenall ins Auge fassen kann, ergibt sich ja eine Idee von der Wesenheit Mensch als solcher.

Pas wanneer men de samenhang van de individuele mens met de gehele kosmos kan inzien, kan men zich een idee vormen van het wezen van de mens als zodanig.

Op blz. 40:

(  ) das Menschenwesen nur begriffen werden kann im Zusammenhange mit dem Kosmischen.

(  ) Het wezen van de mens kan eigenlijk alleen begrepen worden in samenhang met het kosmische.

Of enigszins anders gezegd:

Der Mensch ist ja eine kleine Welt, der Mensch ist ein Mikrokosmos.

De mens is een kleine wereld, de mens is een microkosmos
GA 301/253
Op deze blog vertaald/253 

En die gedachten hebben voor de pedagogie consequenties:

blz. 61  vert. 61:

Aber ohne daß man sich mit solchen Anschauungen durchdringt, kann man unmöglich ein richtiger Erzieher werden.

Maar wanneer men niet van zulke opvattingen doordrongen is, kan men onmogelijk een waar pedagoog worden.

En in GA 294 klonk het ook al:

Es ist jetzt die Zeit, wo der Mensch das, was zur Erziehung gehört, herholen muß aus der Erkenntnis der Beziehung des Menschen zum Kosmos.

Het is nu de tijd dat de mens uit het inzicht in de samenhang van mens en kosmos moet putten wat voor de opvoeding nodig is.
GA 294/33
Vertaald/30 

Ja, das ist dasjenige, was eine solche Menschenerkenntnis darstellen will, daß wir den Menschen wiederum hinstellen in das ganze Weltall nach Leib, Seele und Geist.

(   )  Deze mens­kunde wil dat we de mens naar lichaam, ziel en geest weer in de totale kosmos plaatsen.
GA 302/120
Menskunde en opvoeding/119

Steiner sluit deze voordracht af met een kleine uitbreiding op wat hij al eerder opmerkte over de wet van het behoud van stof en kracht.
In [3-3] is dit aan de orde gekomen en deze laatste opmerkingen zijn daar toegevoegd.

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] 
GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 3 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Op de blog Perikopennotities is onder de titel ‘Het stoffelijk overschot als vernieuwing’ in een reeks artikelen de vertaling verschenen van het commentaar van Stefan Leber op dit onderwerp uit 3e voordracht. 

.

1879-1764

.

.

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie (18-6)

.
Signe Roll Wickberg, Die Menschenschule, 27e jrg. nr.2 1953
.

De kracht van de fantasie en de herinnering in de opvoeding

Door de psychologie die aan de pedagogiek van de vrijescholen ten grondslag ligt, kan je tot het inzicht komen, dat alles wat je met het kind doet, zijn groeikracht bevordert of remt.
Je ziet dan dat de kennis die het kind opdoet, eigen moet maken, de vaardigheden die het moet ontwikkelen, maar één doel hebben: een goede groei, een gezonde ontwikkeling van geest, ziel en lichaam.
Daar moeten de opvoeder en de leerkracht naar kijken: dat ieder kind volgens zijn aanleg zijn levenslot, dit doel, zo goed mogelijk kan bereiken?

Hoe moet de leerkracht die beide tegengestelde krachten, de fantasiekracht en het herinneringsvermogen nu behandelen, zodat deze dat doel op een goede manier ondersteunen? Hoe moet hij daarmee omgaan, zodat ze in evenwicht zijn, de fantasiekracht niet met het kind op de loop gaat, het geheugen het niet vastpint en in een te vroege verstarring brengt?

Om die beide krachten te leren kennen, willen we ze, volgens de methode van Goethe, bestuderen aan abnormale gevallen, waarbij ze de overhand hebben of ontbreken.

De arts Carl Ludwig Schleich schreef het boek ‘Vom Schaltwerk der Gedanken‘ (Over het ‘schakelen’ van de gedachten). Daarin beschrijft hij een vrouw die door een bij is gestoken en angstig naar hem toe komt en hoe de kleine bijensteek, terwijl hij ernaar kijkt, zich voor de vrouw in haar voorstelling tot een groot gezwel ontwikkelt.
Bij een andere vrouw die een spijker in haar voet heeft gekregen, ontwikkelen zich door iets soortgelijks alle symptomen van tetanus; bij een derde zelfs alle verschijnselen van een zwangerschap, zonder dat zij zwanger is. De fantasiekracht kan zich dus tot een orgaanvormende kracht ontwikkelen.
Men kent ook in de fysiologie de fantasiesecretie die door Virchow werd onderzocht. ‘Het water komt ons in de mond’, wanneer we iets zien of het ons voorstellen, wat onze genotservaring in het gebied van de smaak oproept.

Het zijn ook de fantasievoorstellingen die, ontdaan van de ideeën van willekeur, doordrongen van helderheid, ons in Goethes metamorfoseleer, in de scheppende krachten van de natuur toegang verschaffen en ‘ontelbare mogelijke planten’ voor het innerlijk oog laten ontstaan. 

Wanneer we aan de andere kant de herinneringskracht willen leren kennen, kunnen we naar het negatieve geval kijken waarbij een mens zijn geheugen verliest. We weten dat zo iemand op reis kan gaan, van de ene plaats naar de andere kan reizen, alles wat erbij hoort normaal kan doen, hoe alles wat hij doet toch geen samenhang vertoont. Hij is zijn naam en zijn hele verleden vergeten. Wat hij nu doet, vertoont geen samenhang met wat er vroeger is gebeurd. Hier zie je de verbinding tussen Ik-bewustzijn en geheugen. – Je hoeft maar een hersenschudding gehad te hebben om deze toestand mild ervaren te hebben.

Het geheugen van de mens gaat zover terug tot de tijd waarop hij zichzelf Ik ging noemen, zo 2 ã 3 jaar.

Kenmerkend voor de kracht van het herinneren is ook dat deze door de kracht die de begrippen vormt, door het intellectuele bewustzijn, beperkt wordt. De Amerikaanse oogarts William Bates vertelt in zijn boek ‘Perfect sight without glasses‘, (Goed zien zonder bril) over een meisje van 10 dat geen regelmatige opvoeding kreeg en dat alles wat ze moest onthouden al spelend makkelijk leerde, b.v. een boek uit het hoofd kende zodra ze het gelezen had, maar dat hardnekkig weigerde om cijfers te leren kennen en te rekenen. – Door de sprookjes en volkssagen die door zingen en vertellen tot ons gekomen zijn, hebben we een bewijs voor het goede geheugen van vroegere generaties. [1]
In onze tijd waarin de intellectuele begrippen door de techniek zogezegd fysieke realiteit aangenomen hebben, is het geheugen verzwakt.

Terwijl de fantasie verlevendigt, de polsslag stimuleert, de ademhaling dieper maakt, verlossend werkt, heeft de herinneringskracht iets samentrekkends, laat de adem vrij naar buiten stromen, brengt rust en stevigte, geeft ruggengraat. Oude mensen die hun herinneringen schrijven, ademen in zekere zin hun leven uit, vóór ze hun laatste adem uitblazen.

Tot het 7e jaar is de fantasiekracht aan het organische gebonden. In de kleuterklas tekenen gezonde kinderen b.v. mensfiguren met grote handen, wanneer ze net met hun handen gewerkt hebben, figuren met grote oren wanneer ze daarvoor heel goed geluisterd hebben.

Na het 7e jaar komt de fantasie losser van het organische, maar wel gebonden aan het gevoel. De kinderen van deze leeftijd leven in het spelen, in het gevoelsleven. Wat ze maken, komt direct vanuit hun ziel via de vingers naar buiten. Daarom zijn het ook geen kunstwerken, hoe bewonderingswaardig ‘het staat’ en hoe mooi ze ook zijn. Pas na het 14e jaar wordt de fantasie vrij, kan door de geest – of door de on-geest – gebruikt worden.

Het lijkt erop dat het kind van 2 of 3 jaar al een geheugen heeft. Een klein kind is b.v. ’s zomers bij een meer geweest. Het heeft steeds een blok hout over de berg meegezeuld en bij het meer aangekomen, zei het steeds ‘ah’. ’s Winters vindt het kind het blok hout, dat lang weg was, weer terug en zegt weer ‘ah’. Het herinnert zich, maar aan de hand van dit ‘merk’teken. *

Na het 3e tot het 7e jaar (en ook nog later) is de herinneringskracht sterk aan de zintuigwaarnemingen gebonden. Waar bloemen sterk geurden, de krachtige geuren in de paarden- of koeienstal, ze worden vastgehouden. De klank van een stem, de kleur van kleding worden later nog levend herinnerd. Na het 7e jaar wordt het dan net als de fantasie, innerlijker, vrijer van het lichamelijke, maar gebonden aan de ziel. 
Wat het hart beroert, dat herinner je je.
Het woord zelf, niet alleen de klank van de stem, wordt nu, vastgehouden als het door een mens gesproken wordt, met wie je in liefde bent verbonden. Pas na het 14e jaar is de geheugenkracht rijp ook meer abstracte dingen vast te houden. De begripsvormende kracht is nu werkzaam. Het geheugen moet dan al goed ontwikkeld zijn, anders kan het niet, wordt het door de intellectualiteit verzwolgen.

Hoe kan de leerkracht deze krachten nu goed gebruiken?

Laten we eerst kijken hoe dit bij het vertellen van sprookjes in de 1e klas gaat. Eerst mogen de kinderen luisterend wat juf vertelt, in zich opnemen en zich laten dragen door de beelden op de vleugels van de fantasie. Op een dag vraagt ze misschien of de kinderen nog weten wat ze de vorige dag verteld heeft. Dat kan niet iedereen. En dat hoeft helemaal niet te zijn omdat ze niet geluisterd zouden hebben. Maar iemand weet wel hoe het begon en hij kan het vertellen. Geleidelijk ziet de leerkracht aan de gezichten hoe de beelden weer uit ‘de zee van het vergeten’ opstijgen. En er volgen bijdragen van kinderen die het zich niet zo makkelijk meer herinnerden. En ten slotte staat het sprookje daar weer door gezamenlijke inspanning. Op deze manier zijn de kinderen van de fantasie-activiteit naar de geheugenactiviteit geleid, aan de hand van sprookjesbeelden. Het zijn de beeldende vormkrachten die nu vrij geworden zijn en als geheugenkracht aangesproken mogen worden.  
Een meer niet waar te nemen, muzikale vorm van geheugenkracht wordt geoefend door de getallen, in ritmen gebracht. En door het reciteren van gedichten worden beide verbonden. Het beeldende is hier in de ritmische woorden gebracht, het melodieus-ritmische aan de andere kant in de beeldrijke woorden. Op deze leeftijd wordt a.h.w. het geheugen van de hele klas geoefend. Beide krachten liggen ook nog dicht bij elkaar.

Langzamerhand tegen het 9e jaar en verder tot het 11e, 12e moet je beginnen sterker een beroep te doen op het geheugen en meer van het individuele kind m.b.t. het herinneringsvermogen te eisen. Wat ze uit het hoofd moeten leren, moet wel iets zijn waar het hart aan meedoet. Zelfs de tafels van vermenigvuldiging moeten hart en adem in beweging brengen, de kinderen moeten ervan gaan houden.
Waarom je niet moet gaan testen, heeft Kristen Koll, oprichter van de vrijeschool in Denemarken, voortgekomen uit de volkshogeschoolbeweging, eens goed gekarakteriseerd. ‘Wanneer ik een erwt in de grond heb gelegd,’ zei hij, ‘haal ik die er toch weer niet uit om te kijken of die al kiemt. Ik vertrouw die aan de aarde, licht en lucht toe, en ik zorg ervoor dat die goed water krijgt en ik vertrouw erop dat ze gaat kiemen.’ Wat de leerkracht door deze jaren heen in beelden aan de kinderen geeft, hoeft niet allemaal door het geheugen te worden vastgehouden. Wanneer het wegzinkt in het onbewuste doet het zijn vormend werk aan het kind, als het maar goed verteld werd. 
Aan de andere kant moeten de kinderen leren dingen te onthouden. En hierbij spelen de periodeschriften op een vrijeschool een grote rol. Wat de kinderen daarin moeten opschrijven en tekenen, moeten mijlpalen zijn waaraan in verder liggende jaren een gevoelvol herinneringsbeeld wakker kan worden voor de lesperioden. 
Op het 11e, tegen het 12e levensjaar bereikt de herinneringskracht een hoogtepunt en vraagt om oefening. In deze tijd kunnen ze lange gedichten, balladen en liederen leren en daar plezier aan beleven.

Vanaf het 12e jaar begint op de vrijescholen het natuurkunde-onderwijs. En hier wees Rudolf Steiner erop dat dit onderwijs met fantasie en schoonheid doorspekt zou moeten worden. Maar net zo bij wat de kinderen over het menselijke lichaam moeten weten. Als dat droog aangeleerd wordt, verkommert de ziel, het intellect wordt star, de fantasie verliest haar vleugels en richt zich op duisterder gebied.

Het geheugen kan op deze leeftijd meer samenhangende dingen vasthouden, zoals chronologie bij geschiedenis, namen en getallen bij aardrijkskunde, grammaticaregels en rekenformules, die vroeger alleen maar geoefend werden.

Heel verschillend moeten de individuele kinderen wat hun fantasie en geheugen betreft, behandeld worden. Met het bleke kind dat snel in de lengte groeit, moet anders worden omgegaan dan het blakende kind met de rode wangen, zoals Rudolf Steiner deze vaker behandelde. Bij het bleke kind moet je vaker door de vingers zien dat het iets niet kan onthouden. Zijn ziel moet zich kunnen ontplooien aan enthousiasmerende beelden, het moet diep leren inademen, zijn hart moet snel kunnen kloppen. Bij het blakende kind moet je het niet laten gaan wanneer het erop aankomt dat het iets helemaal uit het hoofd kent. Het moet sterker leren uit te ademen, moet sterker worden tot in het organische, moet ruggengraat krijgen en Ik-bewustzijn. Het mag niet zwelgen in te veel fantasie-activiteit.

Zo moeten opvoeder en arts elkaar de hand reiken in hun zorg om de gezonde ontwikkeling van het kind. |

Ook de opvoeder werkt door tot in het lichamelijke.
.

[1] C. Grenacher ‘Über die Gedächtniskraft der Analphabeten’, Die Menschenschule 1952, nr. 6
.
*
Zo fietste ik eens ’s zomers met mijn 2-jarig neefje op de verjaardag van mijn moeder, door de polder waar op dat ogenblik een akker werd bespoten door een sproeivliegtuig. Deze ‘koekak’ werd aandachtig gevolgd in opstijgen, rondvliegen en afdalen.
Een jaar later, weer op moeders verjaardag, fietste ik daar weer met mijn neefje voorop de fiets. Plotseling riep hij: ”Koekak, koekak, waar is koekak nou?’ Eerst wist ik niet wat hij bedoelde, maar plotseling herinnerde ik mij het vliegtuig van het jaar daarvoor. Hij dus ook, maar veel eerder dan ik – sterker nog – ik zou er zonder zijn aanleiding – niet aan hebben gedacht.

.

Geheugen, herinneren: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Gezondmakend onderwijs: alle artikelen

Algemene menskunde: fantasie en herinnering

.

1871-1756

.

.

VRIJESCHOOL – Het leerplan

.
Pieter HA Witvliet:
.

GEZICHTSPUNTEN OVER HET LEERPLAN

We zouden het leerplan van de vrijescholen enerzijds een opsomming kunnen noemen van de leerstof die per leerjaar met de kinderen behandeld wordt.

In de pedagogische voordrachten GA 293-311 heeft Rudolf Steiner verhoudingsgewijs het minst over het leerplan gesproken. Meer aandacht besteedde hij aan verschillende lesstofgebieden, m.n. schrijven en lezen, aardrijkskunde, dier- en plantkunde [zie Rudolf Steiner over]; de meeste tijd echter aan de ontwikkeling van het kind.
Zijn opdracht aan de vrijeschool was: gebruik de leerstof, de vakken, om de ontwikkeling van het kind te ondersteunen. Kom deze ontwikkeling tegemoet door de leerstof op een bepaalde manier – het hoe – op een bepaald tijdstip – het wanneer – aan het kind aan te bieden.

Steiner:

GA 297 blz. 19

Sie wissen, da wir uns einmal der Worte aus unserem Sprachschatz bedienen müssen, so werden wir auch vielfach zu sagen haben: es komme nicht auf den Lehrstoff, es komme auf den Zögling axi, und wir wollen innerhalb unserer Waldorfschule den Lehrstoff so be­nützen, daß er auf jeder Stufe des Unterrichts nicht zur Übermitt­lung eines äußeren Wissens dient, sondern daß er dient dem Wei­terkommen der menschlichen Entwicklung des Zöglings mit Bezug auf die Willens-, Gemüts-, und Verstandesbildung. Jedes einzelne Unterrichtsfach soll nicht irgendeinen Selbstzweck in sich tragen in bezug auf seine Vermittelung, sondern es soll in der Hand des Lehrers zur Kunst werden, so daß es durch seine Behandlung in der entsprechenden Weise so auf den Zögling wirkt, wie im Sinne einer wirklich begriffenen Menschheitsentwicklung in den betreffenden

U weet, omdat we nu eenmaal de woorden moeten gebruiken uit onze taalschat, we dan ook vaak moeten zeggen: het komt niet op de leerstof aan, het komt op de leerling aan en wij willen op onze vrijeschool de leerstof zo gebruiken dat die op ieder niveau van het onderwijs niet dient om uiterlijk weten over te dragen, maar dat deze dient om met de menselijke ontwikkeling van de leerling verder te komen wat betreft de wils- gevoels- en verstandsvorming. Ieder onderwijsvak moet niet een of ander doel op zichzelf hebben wat het overdragen betreft, maar in de hand van de leerkracht moet het kunst worden, zodat het door zijn manier van doen op een adequate manier zo op de leerling werkt zoals in de zin van een daadwerkelijk begrepen mensheidsontwikkeling in de betreffende

blz. 20

Entwicklungsjahren auf den Zögling gewirkt werden soll, damit er ein dem Leben gewachsener, im Leben seinen Platz aus­füllender Mensch werde. Bewußt muß man sich dabei werden, daß jedes Lebensalter des Menschen aus den Tiefen der Menschennatur die Anlagen zu gewissen Seelenkräften hervortreibt. Werden diese Anlagen in dem betreffenden Lebensalter nicht ausgebildet, so können sie später nicht mehr in Wahrheit ausgebildet werden: sie müssen dann verkümmern, und der Mensch ist in bezug auf seinen Willen, in bezug auf sein Gemüt, in bezug auf seinen Verstand dem Leben nicht gewachsen; er stellt sich nicht in richtiger Weise auf den Platz, auf den er durch das Leben gestellt wird. Gerade zwi­schen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife, in welche Zeit ja gerade die Jahre des eigentlichen Schulwesens hineinfallen, gerade in diesem Lebensalter ist es von eminentester Wichtigkeit, zu er­kennen, welche Seelen- und Körperkräfte aus dem Menschen her­aus wollen, damit er später seinen Platz im Leben ausfüllen könne.

ontwikkelingsjaren met de leerling gewerkt moet worden, zodat hij een mens wordt die tegen het leven opgewassen is en die in het leven zijn plaats kan innemen. Daarbij moet je je bewust worden dat op iedere leeftijd van de mens uit de diepten van de menselijke natuur de aanleg voor bepaalde zielenkrachten manifest wordt. Wanneer die aanleg in de betreffende levensjaren niet ontwikkeld wordt, dan kunnen die later niet meer ontwikkeld worden zoals zou moeten; dan lijden ze daaronder en de mens is, wat zijn wil, zijn gevoel en zijn denken betreft, niet tegen het leven opgewassen; hij neemt zijn plaats in het leven niet op een goede manier in. Juist tussen tandenwisseling en puberteit, de tijd van het eigenlijke naar school gaan, juist voor die leeftijd is het bijzonder belangrijk te onderkennen, welke zielen- en lichamelijk kracht naar buiten wil, zodat hij later in het leven zijn mannetje kan staan.
GA 297/19-20
Op deze blog vertaald/19-20

GA 298  blz. 13

In der Erkenntnis der besonderen Anforderungen der Lebensab­schnitte liegt die Grundlage für einen sachgemäßen Lehrplan. Es liegt darinnen aber auch die andere Grundlage für die Art der Behandlung des Lehrstoffes in den aufeinanderfolgenden Lebensabschnitten. 

In de kennis van de bijzondere eisen van de levensperioden, ligt de grondslag voor een passend leerplan. Daarin ligt echter ook de grondslag voor de manier van behandelen van de leerstof in de opeenvolgende levensperioden.
GA 298/13
Vertaald

Daarvan bestaan allerlei voorbeelden:

Een kind van rond de 9 à 10 krijgt een wakkerdere blik voor de wereld, zijn omgeving. Vanuit menskundig perspectief komt dat volgens Steiner, omdat – vanuit de natuur, het wezen van het kind, zijn persoonlijkheidskrachten, zijn Ik, sterker wordt. Het kind komt daardoor meer tegenover de wereld te staan. De beleving van dit grotere onderscheid – dit toenemende gevoel van scheiding van wat voorheen een grotere, meer intuïtief beleefde eenheid was – wordt sterker. Er ontstaat a.h.w. een breuk.
Deze ‘breukbeleving’ wordt o.a. in het rekenen opgezocht in het aan de orde stellen van de breuken. Alsof je onuitgesproken tegen het kind zegt: jij staat niet alleen: ook een cijfer kan uiteenvallen en kijk nu eens in wat voor bijzondere wereld je terechtkomt.
In het taalonderwijs komen nu de tijden: heden, verleden en toekomst aan de beurt. Wanneer het Ik sterker wordt, wordt ook de beleving van het fenomeen tijd sterker.
Je bevindt je a.h.w. met je sterker wordende Ik meer op het kruispunt van bijv. jouw mening en die van de ander: jouw standpunt.

In het vormtekenen wordt het kruispunt van de vlechtvormen een hulp; bij het handwerken de kruissteek bij het borduren.
De toegenomen wakkerheid, de grotere belangstelling voor de wereld wordt gevoed door het vak aardrijkskunde; welke plaats we innemen in de natuurrijken door het vak dierkunde.

En dan is er nog het typische vrijeschoolvak: vertelstof.
Om het kind in zijn ontwikkeling te steunen worden in deze klas de verhalen uit de Edda verteld waarin de gang van deze vertellingen loopt van ‘een schepping’ naar de ondergang van ‘een wereld’, het verdwijnen van de goden: de mens is op zichzelf aangewezen. → bijv. 4e klas rekenen.

Voor elk leerjaar

Soortgelijke beschouwingen kan je houden voor elk leerjaar van de vrijeschool: in de leerstof staat het kind centraal, omdat zijn ontwikkeling centraal staat.

Leerstof- en leerplanonderzoek

Het ligt voor de hand dat gezichtspunten zoals hierboven weergegeven, bij sommige vrijeschoolleerkrachten naast een gevoel van enthousiasme ook een gerichte belangstelling hebben opgeroepen: wat is er eigenlijk in dit leerplan allemaal zichtbaar?
Men is met meningen gekomen, met uitleg, men is (er) iets (van) gaan vinden.

Steiner

Om iets te vinden, ligt het voor de hand om als vrijeschoolleerkracht eerst bij Steiner te zoeken: heeft hij ‘elders’ of ‘tussen de regels’ nog iets gezegd waar je wat aan hebt om het leerplan vanuit een dieper perspectief te kunnen begrijpen.

Voor Steiner is, zoals opgemerkt, de ontwikkeling van het kind een van de belangrijkste aangelegenheden van de opvoeding en onderwijs.

Deze ontwikkeling kan o.a. gezien worden als lichamelijke ontwikkeling, ontwikkeling van het gevoel en van het denken. Uiteraard is er meer: ontwikkeling van de creatieve vermogens, van sociaal-zijn enz.

Wie zich in Steiners antroposofie verdiept, zal ook veelvuldig zijn gezichtspunten over de ontwikkeling van de wording van de mens gedurende de tijden die achter ons liggen, onder ogen krijgen en in Steiners visie, ook vóór ons.

Een veel gebruikt woord is ‘Stufe’, meestal vertaald met ‘fase’. Maar ook ‘Epoche’, periode, komt voor. Een tijdperk, al dan niet begrensd door jaartallen.

Steiner noemt vele fasen: die van de planeet aarde die in haar wording diverse stadia heeft doorgemaakt en nog zal doormaken. En ook spreekt hij over herhaling van stadia, van fasen. Bijv. in GA 122 wanneer hij de eerste scheppingsdagen bespreekt, zoals die in de Bijbel zijn beschreven. Hij noemt deze ‘dagen’ herhalingen van de planetaire ontwikkeling van de aarde als planeet. Ook de verdere wordingsgeschiedenis van de aarde kent hij stadia toe. De Bijbelse zondvloed zou daarin het einde zijn geweest van het tijdperk Atlantis. Dit zou zijn voorafgegaan door Lemurië, door een ‘hyperboreale en polaire fase’. Al deze fasen zijn te verdelen in 7 kleinere. Dat geldt ook voor de fasen na Atlantis. Wij zouden ons in onze huidige tijd bevinden in het 5e na-Atlantische tijdperk.
Al die tijdperken hebben bijgedragen aan de wording van de mens. In iedere fase ontwikkelde hij nieuwe vermogens. M.n. de ontwikkeling van het denken, iets ruimer gesteld, die van het bewustzijn, volgt Steiner vanuit een verleden naar deze 5e na-Atlantische tijd. Dan is er sprake van ‘een mensheid’ die door de tijden heen ‘een bewustzijnsontwikkeling’ heeft doorgemaakt en nog doormaakt.

Het is niet zo moeilijk te zien hoe het denken van de mensen gedurende de vele eeuwen veranderd is en wat voor gevolgen dat heeft gehad.

Wie de ontwikkeling van het kinderbewustzijn bestudeert, vindt gemakkelijk parallellen met de ontwikkeling van de mensheid. Er is een tijd aan te geven waarin er sprake was van een magisch-realistisch denken. De psycholoog Jean Piaget plaatst het 4-5-jarige kind in een magisch-realistische fase.

Dan ligt het zeer voor de hand te spreken over ‘herhaling van fasen’: wat in de mensheid is gebeurd, vindt ook plaats in het kind.

Zoals opgemerkt: vrijeschoolleerkrachten hebben zich vanuit dergelijke achtergronden bezig gehouden met het leerplan en de leerstof voor de verschillende leeftijden.

Wim Veltman, een van de leraren die zijn hele leven aan de antroposofie en de vrijeschoolpedagogie wijdde, schreef in dit kader:

De mens verandert; zijn verhouding tot de wereld om hem. in hem en boven hem is aan verandering onderhevig. Zouden we proberen deze verandering in grote trekken te karakteriseren, dan komen we zonder moeite op het volgende: In een ver terugliggend verleden benaderde de mens de wereld niet wetenschappelijk; hij leefde sterk in beelden en niet in abstracte gedachten en hij miste nog wat wij mondigheid, zelfstandig oordelen noemen. In de loop van de Europese geschiedenis zien wij dit veranderen. De huidige mens leeft in abstracties (zijn gedachten zijn beeldloos); hij benadert alles wetenschappelijk, ook al is hij zich daarvan vaak niet bewust, en hij is uitdrukkelijk gesteld op zijn zelfstandig oordeel waarvan hij (terecht) meent dat het uitgesproken mag en misschien wel moet worden. Hij is mondig.

Verlies:

Het gevoel te leven in een goddelijke ordening – zelfs als men als overwonnene tot slaaf werd – gaat verloren.
Het sociale als instinct, gebonden aan familie, stam etc. gaat verloren.
De naïeve verbinding met de wereld (natuur, medemens, God) wordt verbro­ken.

Winst:

Het zelfbewustzijn, de vrijheid van den­ken en doen ontstaan.
De mens kan door kennis en inzicht sociale processen op gang brengen en regelen.
Door een rationele denkwijze over de natuur kan de mens de krachten van deze natuur steeds beter beheersen (techniek).

Zoals je dit leest, betrekking hebbend op een mensheid, kun je dit ook lezen m.b.t. een individueel mens van nu, bij wie, tijdens zijn ontwikkeling, ook een verlies en winst optreden.

Veltman : ‘Allereerst [zie je] de dromerige „al-verbondenheid” van het kleine kind – het naïeve vertrouwen in beschuttende machten. De voorkeur voor het symbolische, het beeld, sprookje of gewoon verhaaltje, maar altijd met een betekenis geladen. De liefde voor het zich herhalende, het ritme, alle beweging als verkenning van de wereld en van het eigen zelf, nog zonder enige aandrang van echt kennen-met-het- hoofd. En langzaam „droogt” dit enigszins „in”. De twijfel, de eenzaamheid gaan de kop opsteken; het verlies van naïviteit wordt duidelijk zichtbaar en voor het kind zelf voelbaar. Het zelfbewustzijn ontwaakt, maar de geboorteweeën van de „moderne” mens in het kind zijn vaak uiterst pijnlijk.’

Nu rijst ogenblikkelijk de vraag: hoe gaat het verder? – maar voordat we daarop ingaan, eerst het leerplan. De ontwikkeling van „mythologisch” stadium naar rationeel stadium is duidelijk aan hel leerplan af te lezen.

Voor Veltman een reden voor de conclusie:

Het kind, de opgroeiende mens, doorloopt in snelle fasen de mensheids-ontwikkeling. [1]

Veltman geeft geen  nadere bronnen aan waarmee hij zijn conclusies kan onderbouwen.
Maar het is mogelijk dat hij GA 55, voordracht 8, voor ogen had, waarin Steiner opmerkt:

blz. 133

Aber wir wollen bei dieser Betrachtung stets die ganze Menschheitsentwick­lung vor Augen haben, dann werden wir auch die Einzel-entwicklung des jungen Menschen verstehen und sie leiten können.

Maar wij willen bij deze beschouwing steeds de hele mensheidsontwikkeling voor ogen houden, dan zullen we ook de individuele ontwikkeling van de jonge mens begrijpen en er leiding aan kunnen geven.

Wozu brauchen wir denn überhaupt bei der Erziehung des Kindes eine Schule? Was nach der physischen Geburt heranwächst, bedarf einer schützenden Hülle, ähnlich wie der Keim im Mutterleibe. Denn erst an einem bestimmten Punkte tritt der Mensch in ein neues Leben. Bevor er an diesen Punkt kommt, ist sein Leben eine Wiederholung frü­herer Lebensepochen. Auch der Keim macht ja eine Wieder­holung aller Stadien der Entwicklung von Urzeiten her durch. So wiederholt das Kind nach der Geburt frühere Menschheitsepochen. 

Waarom hebben we eigenlijk bij de opvoeding van een kind een school nodig? Wat na de geboorte groeit, heeft een beschermende omgeving nodig, net zoals de kiem in het moederlichaam. Want pas op een bepaald tijdstip begint de mens een nieuw leven. Vóór hij bij dit punt aankomt, is zijn leven een herhaling van eerdere levensfasen. Ook de kiem maakt dus een herhaling van alle stadia van de ontwikkeling van oertijden af, door. En zo herhaalt het kind na de geboorte vroegere stadia van de mensheidsfasen.

blz. 136:

In der lemurischen Zeit stieg der Mensch zum ersten Mal in den physischen Leib hinab. Das wird heute bei der phy­sischen Geburt wiederholt. Damals stieg der Mensch in den Leib hinab und entwickelte ihn seelisch-geistig immer hö­her. Die lemurische und atlantische Epoche wiederholt der Mensch bis zum siebenten Jahre.

In de Lemurische tijd incarneerde de mens voor de eerste keer in een fysiek lichaam. Dat wordt tegenwoordig herhaald bij de geboorte van het fysieke lichaam. Toen daalde de mens af in zijn lichaam en ontwikkelde dit met zijn ziel en geest steeds hoger. De Lemurische en Atlantische fase herhaalt de mens tot zijn zevende jaar.
GA 55/134-136
Op deze blog vertaald/134-136

Hiermee krijgen de onderzoekers a.h.w. een ‘opzetje’ om de fasen die Steiner aangaf voor de tijd na Atlantis: Oer-Indië; Oer-Perzië; Egypte-Babylonië; Griekenland, Rome en Middeleeuwen; onze tijd, in hun onderzoek te betrekken.

Zie Vertelstof 3

Nu valt voor mij het volgende op:

De voordracht (nr.8) in GA 55 werd gehouden op 24 jan. 1907. Op 1 dec. 1906 houdt Steiner een voordracht over de ontwikkeling van het kind. Daarin spreekt hij met geen woord over ‘herhalingen van fasen.’

In 1907 verschijnt ook het artikel ‘De opvoeding van het kind in het licht van de antroposofie’. [2] Ook hierin geen woord over ‘herhalingen van fasen’, wel veel over de ontwikkeling van het kind.

In enkele notities bij dit in het tijdschrift ‘Luzifer-Gnosis’ verschenen artikel, noemt Steiner de pedagoog August Wolf. Deze heeft een pedagogie ontwikkeld waarbij hij de verschillende leeftijdsfasen verbindt met verschillende cultuurfasen die in de mensheid zichtbaar zijn.

Es wird dabei ausgegangen von dem Gedanken, daß der ein­zelne Mensch in Kürze noch einmal die Stufen durchlebt, wel­che die Gesamtmenschheit bis in sein Zeitalter durchgemacht hat. Abgesehen davon, daß Friedrich August Wolf weniger den «Menschen» als solchen, sondern nur den «Philologen »im Auge zu haben scheint, ist sein Versuch voll von Beobach­tungsfehlern in bezug auf die menschliche Entwickelung. Das Rüstzeug zu wirklicher Beobachtung auf diesem Gebiete kann eben nur die Geisteswissenschaft geben.

Men gaat dan uit van de gedachte dat de individuele mens in het kort nog een keer de fasen beleeft, die de mensheid als geheel tot in de tijd waarin hij leeft, doorgemaakt heeft. Nog afgezien van het feit dat Friedrich August Wolf minder de ‘mens’ als zodanig, op het oog heeft dan naar het schijnt slechts de ‘filoloog’, zit zijn poging vol waarnemingsfouten wat de menselijke ontwikkeling betreft. Voor een reële waarneming op dit gebied heeft alleen de geesteswetenschap het instrumentarium.
GA 34/348
Niet vertaald

In de pedagogische voordrachten GA 293-311 bevinden zich geen aanwijzingen voor het leerplan die naar ‘herhaling van fasen’ wijzen.
Af en toe verwijst Steiner naar zijn artikel uit 1907 – GA 34 – nooit meer komt GA 55 ter sprake.

In 2 pedagogische voordrachtenbundels, GA 297 en GA 301 komt Steiner wél te spreken over de in 1907 al genoemde Wolf.

GA 301  blz. 66

Es war ein schöner Traum, als Leute, wie der Pädagoge Wolf oder andere geltend gemacht haben, Kinder ma­chen gewissermaßen die Zeiten der wilden Barbarenzeit durch, dann gibt es gewisse Knabenzeiten, wo man die persische Kulturzeit durch-macht und so weiter. Schöne poetische Bilder können dabei heraus­kommen, aber Unsinn bleibt es, denn es entspricht eine solche Schil­derung durchaus nicht einer wahren Wirklichkeit! Da muß man schon
in der Lage sein, das menschliche Leben in seiner vollen Realität zu schauen, wenn man das Entsprechende im Geistig-Seelischen für das biogenetische Grundgesetz finden will.

Het was een mooie droom, toen mensen, zoals de pedagoog Wolf en anderen, opperden dat kinderen op een bepaalde manier de tijd van de wilde barbaren doormaken en dan bij de jongens een bepaalde tijd waarin ze de Perzische cultuur doormaken, enz. Mooie, dichterlijke beelden kunnen ontstaan, maar het blijft onzin, want tegenover zo’n schildering staat zeker geen echte werkelijkheid! Je moet in staat zijn om het menselijk leven in zijn volle werkelijkheid te overzien, wil je de voor de biogenetische grondwet een daartegenover passende component voor geest en ziel vinden.
GA 301/66-67
Op deze blog vertaald/66-67

Deze woorden van Steiner lijken toch op gespannen voet te staan met zijn opmerking uit 1907 (GA 55 – zie boven):

Auch der Keim macht ja eine Wieder­holung aller Stadien der Entwicklung von Urzeiten her durch. So wiederholt das Kind nach der Geburt frühere Menschheitsepochen. 

Ook de kiem maakt dus een herhaling door van alle stadia van de ontwikkeling vanaf oertijden . En zo herhaalt het kind na de geboorte vroegere stadia van de mensheidsfasen.

Deze woorden lijken een onderschrijving van Haeckels biogenetische grondwet, ook voor de fasen na de geboorte.

Het zou kunnen dat de oud-vrijeschoolleraar van Oort zich hierop baseert, wanneer hij in zijn in ‘Lexicon antroposofie’ [3]  Haeckels biogenetische grondwet en het leerplan van de vrijeschool in één adem noemt – zie verder.

Omdat de samensteller van dit lexicon geen vindplaatsen in Steiners GA geeft, is het niet te achterhalen op welke uitspraken van Steiner van Oort zich baseert.

Steiner scherpt zijn opvattingen over Haeckel – die hij zeer bewondert – aan in GA 301:

Haeckels biogenetische wet:

Sie wissen ja, dieses biogenetische Grundgesetz besagt für die äußere naturwissenschaftliche Betrachtung der Welt, daß sich, wenn wir beim Menschen bleiben, in der menschlichen Embryonalentwickelung die Stammesentwickelung wiederholt, daß gewissermaßen die Ontogenie
eine Wiederholung der Phylogenie ist. Der Mensch ist in der Zeit von der Konzeption bis zu der Geburt nach und nach in einer solchen Ent­wickelung, daß er die verschiedenen Tierformen, von den einfacheren bis zu den komplizierteren, bis herauf zum Menschen eben durchmacht. Dieses für die naturwissenschaftliche Weltanschauung außerordentlich bedeutungsvolle Gesetz – ich kenne sehr gut seine Ausnahmen, seine Grenzen – aber gerade derjenige, der das kennt, muß es ein sehr be­deutungsvolles naturwissenschaftliches Gesetz nennen -, das hat man versucht, auch auf die geistig-seelische Entwickelung des einzelnen Menschen im Verhältnis zur ganzen Menschheit geltend zu machen. Man ist dadurch auf eine ganz falsche Fährte gekommen.

U weet dat deze biogenetische grondwet beweert voor de uiterlijke natuurwetenschappelijke opvatting van de wereld, dat wanneer we bij de mens blijven, zich in de ontwikkeling van het embryo van de mens, de ontwikkeling van de stam herhaalt, dat in zekere zin de ontogenese een herhaling van de fylogenese is. De mens is in de tijd vanaf de conceptie tot aan de geboorte na elkaar in zo’n ontwikkeling dat hij de verschillende diervormen, van de meest eenvoudige tot de gecompliceerdere, tot aan de mens doormaakt. Deze voor de natuurwetenschappelijke wereldbeschouwing buitengewoon belangrijke wet – ik ken de de uitzonderingen en de grenzen ervan – en juist degene die dat weet moet het een zeer belangrijke natuurwetenschappelijke wet noemen – heeft men geprobeerd ook te laten gelden voor de ontwikkeling van geest en ziel van de individuele mens t.o.v. de hele mensheid.
Men is daardoor in verkeerd vaarwater terechtgekomen.
GA 301/66
Op deze blog vertaald/66

Van Oort beweert in zijn lexicon:

Biogenetische grondwet – geformuleerd door de Duitse filosoof Ernst Haeckel (1834-1919).

De ontwikkeling van de *mens van kiemcel tot volwassenheid is een verkorte herhaling van de reeks vormen en toestanden die zijn voorgangers hebben doorlopen vanaf het allereerste begin van de schepping tot op dit moment. Anders gezegd: ‘De ontogenese is de herhaling van de fylogenese.’ Rudolf *Steiner onderschrijft dit principe en hanteert deze gedachte bij het ontwerp van het leerplan van de *vrijeschool. In de achtereen­volgende leerjaren doorloopt de leerling de bewustzijnsfasen die de mensheid als geheel ook heeft doorgemaakt.

Uit Steiners mededeling op blz. 66 [GA 301] blijkt hij dit juist niet te onderschrijven: niet van kiemcel tot volwassenheid. Hij onderschrijft Haeckel van kiemcel tot geboorte. 
Dat Steiner dit principe ‘dus’ zou hanteren bij het ontwerp van ‘het’ leeplan, blijkt nergens uit zijn woorden.
Ook van Oort geeft geen bronnen en kan ook desgevraagd niet aangeven waarop hij zich baseert.

Steiner:

Es wiederholt die kindliche Ent­wickelung die Entwickelung des ganzen Menschengeschlechtes. So etwas kann man als ein Phantasiegebilde aufstellen, aber es entspricht dies keiner Wirklichkeit; und erst Geisteswissenschaft ist in der Lage, auf diesem Gebiete sich der Wirklichkeit zu nähern. Wenn man den mensch­lichen Embryo verfolgt von der ersten, zweiten, dritten Woche – so­weit man es heute schon kann, bis zu seinem Reifwerden -, so sieht man da die Andeutungen der aufeinanderfolgenden, immer vollkom­mener werdenden Formen, die Fischgestalt und so weiter. Wenn man dagegen im Kinde die ersten Entwickelungsjahre beobachtet, so sieht man nichts von einer Wiederholung von irgendwelchen Urzuständen der Menschheitsentwickelung, oder im weiteren Fortgang, von folgen­den Epochen der Menschheitsentwickelung. 

‘De ontwikkeling van een kind is een herhaling van de ontwikkeling van het mensengeslacht’ kan men als fantasiebouwwerk opzetten, maar het is niet in overeenstemming met de werkelijkheid. 
Wanneer je het menselijk embryo volgt van de eerste, tweede, derde week – zo goed als men dit nu kan – tot aan de volgroeiing – dan zie je daar de opeenvolgende, steeds volmaakter wordende vormen, visgestalte enz. Wanneer je daarentegen het kind waarneemt in de eerste ontwikkelingsjaren, dan zie je niets van een herhaling of in een verdere ontwikkeling van volgende fasen van de mensheidsontwikkeling.’
GA 301/66
Op deze blog vertaald/66

Door m.n. de uitspraken in GA 301, blz. 66 e.v. is het niet mogelijk het leerplan van de vrijeschool in verband te brengen met Haeckels recapitulatietheorie.

Het is nu begrijpelijk dat wanneer onderzoekers die zich met de achtergronden van het vrijeschoolleerplan bezighouden, op het woord ‘recapitulatie’ stoten, bijna zelfsprekend aan de theorie van Haeckel denken.

In 2002 schrijft de vrijeschoolleerkracht Werner Govaerts in een artikel over het curriculum van de steinerscholen in Vlaanderen. [4] Hij bespreekt onderwijsopvattingen van Egan die als uitgangspunt 19e-eeuwse recapitulatie-ideeën neemt.
Deze worden niet met name genoemd. In een voetnoot zegt Govearts:

‘Ook Rudolf Steiner baseert zijn voorschriften voor het curriculum deels (dus niet consequent) op de recapitulatietheorie die zegt dat kinderen in hun emotionele en verstandelijke ontwikkeling dezelfde weg volgen als de mensheid in haar geschiedenis. Steiner ontwikkelde deze theorie voor het eerst in 1919.’

We zagen juist dat Steiner iets van zo’n theorie voor het eerst ontwikkelt in GA 55 – 1907, maar deze in 1919 en 1920 [GA 297, GA 301] afwijst.

We weten niet – kunnen het alleen vermoeden – ook Govaerts geeft geen bronvermelding, dat ‘de’ recapitulatietheorie die van Haeckel is. 
Evenals Veltman en van Oort geeft Govaerts geen vindplaatsen aan voor ‘ Steiner ontwikkelde deze theorie voor het eerst in 1919.’
Helaas wil Govaerts op mijn vragen waar hij zich op baseert, geen antwoord geven.

Govaerts brengt m.i. wél een belangrijke nuance aan:

‘Een andere afwijking van Steiner t.o.v. bijvoorbeeld Spencer e.a. is dat hij steeds uitgaat van de individuele ontwikkeling van het kind (die hij uitvoerig beschrijft en documenteert) en daarop historische periodes ent, terwijl het in de meeste recapitulatietheorieën omgekeerd gebeurt: men gaat uit van de geschiedenis en postuleert dan een bepaalde ontwikkeling van het kind. Steiner daarentegen stelde zich steeds de vraag: welk aspect uit de geschiedenis past bij deze bepaalde leeftijd? Daaruit volgt dat de behandeling van de historische periodes in de steinerschool, zeker wat het basisonderwijs betreft, niet strikt chronologisch is.’

In de eerder geciteerde voordracht 8, GA 55 merkt Steiner op:

Vom Zahnwechsel bis zur Geschlechtsreife wird die Ent­wicklungsepoche wiederholt, in der große geistige Lehrer in der Menschheit auftraten. Die letzten von diesen waren Buddha, Plato, Pythagoras, Hermes, Moses, Zarathustra und so weiter. Damals wirkte die geistige Welt noch mehr in die Menschheit hinein. In den Heroensagen wird uns dies bewahrt. Jener Geist der alten Kulturepochen muß daher dem Schulunterricht in diesen Jahren zugrunde liegen.
Bis zum zwölften Jahrhundert, dem Zeitalter der Städtegründung, haben wir die Epoche, die dem siebenten bis vierzehnten Jahre des Kindes entspricht. Da konnte nun vom Prinzip der Gemeinsamkeit und Autorität die Rede sein. Etwas von der Macht und dem Glanz der großen Führer muß vorhanden sein in diesen Jahren für die Kinder. 

Vanaf de tandenwisseling tot aan de puberteit wordt de ontwikkelingsfase herhaald waarin de grote geestelijke leiders van de mensheid werkzaam waren. De laatsten van hen waren Boeddha, Plato, Pythagoras, Hermes, Moses, Zarathustra enz. Toen werkte de geestelijke wereld nog meer op de mensheid in. In de heldensagen is dit voor ons bewaard gebleven. Deze geestesgesteldheid van de oude cultuurperioden moet daarom aan het schoolonderwijs in deze jaren ten grondslag liggen.
Tot de twaalfde eeuw, de tijd van de stichting der steden, hebben we de fase die overeenkomt met die van het zevende tot het veertiende van het kind. Daarin kon slechts sprake zijn van het principe van gemeenschap en autoriteit. Iets van de macht en glans van de grote leiders moet in deze jaren voor de kinderen aanwezig zijn.
GA 55/136

Ook dit thema heeft Steiner in zijn pedagogische voordrachten niet meer op deze manier opnieuw aan de orde gesteld.
De volgorde van de genoemde personen is hier ook niet chronologisch gegeven. 

De ‘geestesgesteldheid’ van de oude cultuurperioden is niet ten grondslag komen te liggen aan het schoolonderwijs. Maar onmiskenbaar vinden we er iets van terug in Steiners opsomming van de vertelstof voor de verschillende klassen. 

In 1992 schrijven Kaiser en Schmidt in Erziehungskunst over de vertelstof en hoe deze een steun kan zijn bij de ontwikkeling van het kind. Hier wordt – zonder over ‘recapitulatie van fasen’ te spreken – duidelijk uiteengezet hoe de vertelstof zich verhoudt tot de psychische en geestelijke ontwikkeling van een kind.
Ook hier is geen sprake van een zuivere chronologie.

Opgevallen mag ondertussen zijn, dat wanneer onderzoekers met het leerplan bezig zijn en tot conclusies willen komen die in de richting gaan van ‘herhaling’ dit steeds voorkomt bij de vakken ‘geschiedenis’ en ‘vertellen’, dus bij uitstek de vakken waarin van geestesgesteldheid sprake kan zijn. Andere vakken komen vrijwel niet aan bod.
Deze twee vakken echter vormen maar een deel van het leerplan, zodat er – maar dat gebeurt wél! – vanuit deze twee-vakkenoptiek, niet in algemene zin over ‘het’ leerplan gesproken kan worden. 

Rudolf Grosse brengt in zijn opvattingen over het leerplan een tweedeling aan: vakken die verlopen in de tijd en in de ruimte.

Aan de kant van de ‘tijd’ bevinden zich maar twee vakken: geschiedenis en vertellen. 
Alleen het vak geschiedenis vertoont pas vanaf klas 5 een steeds duidelijker wordende chronologie met een relatie naar de geestesgesteldheid van oudere culturen. In de ontwikkeling van het individuele kind zijn stadia aan te wijzen waarin zijn geestesgesteldheid raakvlakken heeft met die uit de culturele ontwikkeling.
Raakvlakken, maar te algemeen om heel duidelijk te kunnen spreken over een exacte herhaling van dit en dit op die en die leeftijd. 
Duidelijker willen aangeven van wat vage raakvlakken zijn, leidt tot speculeren, of zoals Steiner het aangaf: tot mooie dromen en fantaseren.

De opvatting van Grosse over de vakken van ‘de ruimte’ laat voor een deel zien dat de leerstof als ontwikkelingsstof wordt gebruikt: als steun bij de ontwikkeling van een kind op een bepaalde leeftijd. Vragen die hier een rol spelen zijn: welke leerstof, hoe wordt die gegeven en op welke leeftijd.
Vooral aan deze vragen heeft Steiner in zijn pedagogische voordrachten veel aandacht besteed. 

[1] In Vrije Opvoedkunst, nov. 1983
[2] De opvoeding van het kind in het licht van de antroposofie
GA 34/309-344
Vertaald
[3] Van Oort: Lexicon
[4] Govaerts 2002

Rudolf Steiner over het leerplan 

Menskunde en pedagogie: over het leerplan – onder nr. 12

.

1864-1749

.

.

VRIJESCHOOL Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 3 (3-8-1)

.

.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE
.

*GA 293
Vertaling

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken bij alle voordrachten.
De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

In het vorige artikel kwam naar voren dat niet alleen met de hersenen wordt gedacht, maar dat er ook een vorm van denken ‘elders’ in het lichaam tot stand komt.

Schad formuleert dit nog als volgt:

Lichamelijke denkorganen vinden we in de hersenen in de vorm van de door leren gevormde netwerkstructuren die zich, net zoals de eenmaal gevormde zenuwvetten stabiliseren. Aan de andere kant hebben we in het romp-ledematenskelet een fysiologisch substraat dat weliswaar in zijn mineraalaandeel kristalachtig is, maar veel sneller dan de zenuwvetten weer in de bloedvloeistof opgenomen kunnen worden om op een andere plaats nieuw, beter, meer geschikt uitgekristalliseerd te worden.
Zo vindt er in de balkjesstructuur van het bot in het romp-ledematengebied een voortdurende afbraak, opbouw en ombouw plaats. Verstandsactiviteiten zijn gebonden aan de grote hersenen, het vermogen om vernuftig te zijn hangt intiem samen met het functioneel kunnen gebruiken van het romp-ledematenskelet.
De menselijke ledematen zijn niet alleen ruimtelijke voortbewegingsorganen, maar – als je er realistisch naar kijkt – evenzogoed intuïtie-organen. [4]

Dat wij als mens ons kunnen oprichten in de verticale houding is dankzij de kracht van ons skelet, van ons bottensysteem. We kunnen ons daarmee teweerstellen tegen de zwaartekracht van de aarde. We kunnen er een soort van anti-zwaartekrachtbeweging mee maken.

En als we dat doen, bevinden we ons, zo Steiner, met onze ruggengraat in de verticale stand, in een gebied van ‘bewegingen’. Die voert onze bovenzinnelijke mens met ons uit, we hebben er gewoonlijk geen weet van. 

In GA 218 formuleert hij dit zo:

«Niemals würde der Mensch zu einem Gefühl für eine Senkrechte gekommen sein, wenn er nicht selbst im Laufe seines Lebens ein Aufrechtgehender geworden wäre, sodass er das, was eine Senkrechte ist, in seinem Bewegungsvorgange fühlt. Und was so der gan­ze Mensch erlebt, das erlebt sein Kopf mit und macht es zur Senkrechten. Auf dieselbe Weise wird das, was der Mensch erlebt im Ausbreiten seiner Arme, zum Erleben der Waagerechten. Der Mensch, der ursprünglich in seinem Seelenleben als ganzer Mensch tätig war, hat sich allmählich be­schränkt auf den Kopf, der alles nur bildlich darstellen kann. Und wie macht es nun der Kopf am Menschen? Ja, wenn ich gehe, so lebe ich anders, als wenn ich in einem Auto fahre: Da geht das Auto und ich bin ruhig. So macht es eigentlich im Menschen der Kopf: Der ist faul, der hat sein Vehikel in meinem übrigen Organismus und lässt sich fahren, da kommt alles zur Ruhe, so wie wenn ich in einem Eisenbahnzuge sitze. Daher wird alles bildlich, abstrakt. Zu dieser Abstraktheit sind wir im Laufe des Erdendaseins gekommen.

Nooit zou de mens tot het gevoel van een verticale lijn kunnen komen, wanneer hij zelf niet in de loop van zijn leven een wezen zou zijn geworden dat rechtop loopt, zodat hij bij het bewegen voelt wat een verticaal is. En wat de hele mens op deze manier beleeft, beleeft het hoofd ook en maakt het tot een verticaal. Op dezelfde manier wordt wat de mens beleeft wanneer hij zijn armen uitspreidt, tot een beleving van de horizontale. De mens die oorspronkelijk in zijn zielenleven als totaliteit actief was, heeft dat langzamerhand beperkt tot zijn hoofd dat alles alleen maar als beeld weer kan geven. En hoe doet het hoofd dat bij de mens? Wel, als ik loop, leef ik anders dan wanneer ik auto rijdt: dan beweegt de auto en ik ben in rust. Dat doet het hoofd eigenlijk bij de mens. Dat is lui, dat heeft zijn voertuig in de rest van mijn organisme en laat zich rijden; dan komt alles tot rust, alsof ik in een trein zit. Daardoor wordt alles beeld, abstract. Tot deze abstractheid is het in de loop van de aardeontwikkeling gekomen.
GA 218/301
Niet vertaald

Vaak gebruikt Steiner dit beeld om aan te geven dat het hoofd een soort toeschouwer is. Een orgaan dat in rust moet zijn, stil moet zijn, wil het zijn functie – die van het denken – kunnen uitoefenen.
Bekijken we het hoofd in de compositie mens, dan valt op dat dit t.o.v. de ledematen, veel minder beweeglijk is, veel minder beweeglijk kan zijn. De tegenstelling valt op: de min of meer ronde vorm tegenover de open langgerekte vorm van de ledematen; daar tussenin het middendeel met de min of meer ritmische bouw van de borstkas.
Zou het hoofd voortdurend zo bewegen als de kop van een vogel doet, we zouden nooit tot denken kunnen komen: een teveel aan uiterlijke indrukken zou het ons beletten. De beweeglijkheid van het hoofd is in wezen een onstoffelijke beweeglijkheid: de beelden, de voorstellingen bewegen: de ene wordt met de andere verbonden: kortom: we denken.

In GA 311 gebruikt Steiner het auto-koets- of treinbeeld zo:

Der Mensch glaubt gewöhnlich, er habe die Zahlen ausgedacht, indem er immer eins zum andern hinzugefügt hat. Das ist aber gar nicht wahr, der Kopf zählt überhaupt nicht. Man glaubt im gewöhn­lichen Leben gar nicht, welch ein merkwürdiges, unnützes Organ für das Erdenleben dieser menschliche Kopf eigentlich ist. Er ist zur Schönheit da, gewiß, weil das Antlitz den anderen gefällt. Er hat noch mancherlei andere Tugenden, aber zu den geistigen Tätigkei­ten ist er eigentlich gar nicht so stark da, denn dasjenige, was er geistig

Gewoonlijk gelooft de mens dat hij de getallen uitgevonden heeft door aan het een telkens het andere toe te voegen. Dat is echter helemaal niet waar, het hoofd telt echt niet. Men gelooft in het dagelijks leven helemaal niet wat een merkwaardig, nutteloos orgaan dit menselijke hoofd eigenlijk is voor het aardse leven. Voor het mooie is hij er zeker wel, omdat de ander een gezicht aardig kan vinden. Het hoofd heeft nog allerlei andere deugden, maar voor de geestelijke activiteit is het eigenlijk helemaal niet zo sterk aanwezig, want hetgeen het geestelijk

GA 311/82

in sich hat, führt immer zurück in das frühere Erdenleben; er ist das umgestaltete frühere Erdenleben. Und einen richtigen Sinn hat es eigentlich nur dann für den Menschen, einen Kopf zu haben, wenn er etwas weiß von seinen früheren Erdenleben. Alles andere kommt gar nicht aus dem Kopf. Wir zählen nämlich in Wirklichkeit im Unter­bewußten nach den Fingern. In Wirklichkeit zählen wir 1-10 an den Fingern und 11, 12, 13, 14 an den Zehen weiter. Das sieht man zwar nicht, aber man macht das so bis 20. Und dasjenige, was man im Körper auf diese Weise tut, das spiegelt sich im Kopfe nur ab. Der Kopf schaut nur bei allem zu. Der Kopf im Menschen ist wirk­lich nur ein Spiegelungsapparat von dem, was der Körper macht. Der Körper denkt, zählt; der Kopf ist nur ein Zuschauer.

in zich draagt, gaat steeds terug op vorige aardelevens; het is het omgevormde vroegere aardeleven. En echt zin voor de mens om een hoofd te hebben, heeft het eigenlijk alleen maar, wanneer hij iets weet van zijn vroegere aardelevens. Al het andere komt helemaal niet uit het hoofd. We tellen namelijk in werkelijkheid onderbewust met de vingers. In werkelijkheid tellen we 1 – 10 met de vingers en 11, 12, 13, 14 met de tenen verder. Dat zie je weliswaar niet, maar dat doe je zo tot 20. En wat je op deze manier in je lijf doet, wordt in het hoofd alleen maar gespiegeld. Het hoofd kijkt bij alles alleen maar toe. Het hoofd van de mens is in werkelijkheid alleen maar een spiegelapparaat van wat het lichaam doet. Het lichaam denkt, telt; het hoofd is slechts toeschouwer.

Dieser Kopf hat eine merkwürdige Ähnlichkeit mit etwas anderem. Wenn Sie ein Auto haben und Sie sitzen bequeem darinnen, so tun Sie gar nichts, der Chauffeur da vorne muss sich plagen. Sie sitzen drinnen und werden durch die Welt gefahren. So ist es auch mit dem Kopf; der plagt sich nicht, der ist einfach auf ihrem Körper, lässt sich ruhig durch die Welt tragen und schaut allem zu. Dasjenige, was getan wird im geistigen Leben, das wird alles vom Körper aus gemacht. Mathematisiert wird vom Körper aus, gelacht wird vom Körper aus, gefühlt wird auch vom Körper aus.

Dit hoofd vertoont een merkwaardige overeenkomst met wat anders. Wanneer je hier een auto hebt ( het wordt getekend – in het boek ontbreekt de tekening!) en u zit daar comfortabel in, dan doe je helemaal niets, de chauffeur op de voorstoel moet het moeilijke werk doen. U zit erin en wordt door de wereld rondgereden. Zo is het ook met het hoofd; dat doet geen moeite, dat zit alleen maar op je lijf, laat zich rustig door de wereld dragen en kijkt alles aan. Wat aan geestelijk leven wordt verricht komt allemaal vanuit het lichaam. Wiskunde komt vanuit het lichaam, ook denk je vanuit het lichaam en ook voel je ervanuit.
GA 311/81-82
Op deze blog vertaald/81-82

In GA 205:

blz. 149

Die mathematische Region gehört uns nicht einmal bloß als ruhendem Menschen an, sondern als herumgehendem Menschen. Wir bewegen uns ja immer irgendwie in ma­thematischen Figuren. Wenn wir das äußerlich ansehen an einem herum­gehenden Menschen, so sehen wir etwas Räumliches; wenn wir es inner­lich erleben, erleben wir die uns innerliche Mathematik, die eine kosmische ist, nur dass das Kosmische uns auch aufbaut. Die Raumesrichtun­gen, die wir draußen haben, die bauen uns auch auf, und in uns erleben wir sie. Und indem wir sie erleben, abstrahieren wir sie, nehmen die Bilder, die sich im Gehirn spiegeln, und verweben sie mit dem, was sich äußerlich räumlich in der Welt uns zeigt.

Het gebied van de wiskunde is niet alleen iets wat bij de rustende mens hoort, maar bij de mens die rondloopt. Op de een of andere manier bewegen wij ons altijd in wiskundige figuren. Wanneer we daar uiterlijk naar kijken bij iemand die rondloopt, zien we iets uiterlijks; wanneer we het innerlijk beleven, beleven we de innerlijke wiskunde in ons die kosmisch is, met dien verstande dat het kosmische ons ook opbouwt. De ruimtelijke richtingen die we in de buitenwereld hebben, bouwen ook ons op en in ons worden we die gewaar. En wanneer we ze beleven, abstraheren we ze, nemen de beelden waar die in de hersenen gespiegeld worden en we vervlechten ze met wat zich uiterlijk ruimtelijk in de wereld aan ons vertoont.
GA 205/149
Niet vertaald

Daarmee wordt Steiners uitspraak op blz. 56 wat begrijpelijker:

Wir verdanken alles, was wir an abstrakter Wissenschaft haben, der Fähigkeit unseres Knochensystems. Warum kann der Mensch zum Beispiel Geometrie ausbilden? ( * ) Der Mensch also bildet Geometrie aus. Wodurch aber bildet er zum Beispiel die Vorstellung eines Dreiecks aus? Wer wirklich über diese Tatsache nachdenkt, daß der Mensch die Vorstellung des Dreiecks ausbildet, der muß etwas Wunderbam darin finden, daß der Mensch das Dreieck, das abstrakte Dreieck, das im konkreten Leben nirgends vorhanden ist, rein aus seiner geometrisch-mathematischen Phantasie heraus ausbildet. Es liegt vieles Unbekannte zugrunde den Geschehnissen der Welt, die offenbar sind. Denken Sie sich zum Beispiel an einem bestimmten Platze dieses Zimmers stehend. Sie führen zu gewissen Zeiten als übersinnliches Menschenwesen merkwürdige Bewegungen aus, von denen Sie für gewöhnlich nichts wissen, ungefähr in der Art: Sie gehen ein Stückchen nach der einen Seite, dann gehen Sie ein Stückchen zurück, und dann

De mens ontwikkelt dus geometrie. En waardoor ontwikkelt hij bijvoor­beeld de voorstelling van een driehoek? Wie werkelijk nadenkt over het feit dat de mens zich een voorstelling vormt van de driehoek, moet het wel wonderbaarlijk vinden dat de mens de driehoek – de abstracte driehoek, die in het concrete leven ner­gens bestaat – zuiver vanuit zijn geometrisch-mathematische fantasie construeert. Aan zintuiglijk waarneembare gebeurte­nissen liggen veel onbekende oorzaken ten grondslag. Stelt u zich bijvoorbeeld voor dat u op een bepaalde plaats in deze kamer staat. De bovenzinnelijke mens in u voert op bepaalde tijden merkwaardige bewegingen uit waar u gewoonlijk geen weet van heeft. Dat gaat ongeveer zo: u gaat een stukje naar de ene kant, dan gaat u een stukje terug

kommen Sie wieder an Ihrem Platze an. Eine unbewußt bleibende Linie im Raume, die Sie beschreiben, verläuft tatsächlich als eine Dreiecksbewegung. Solche Bewegungen sind tatsächlich vorhanden, Sie nehmen sie nur nicht wahr, aber dadurch, daß Ihr Rückgrat in die Vertikale gerückt ist, sind Sie in der Ebene drinnen, in der diese Bewegungen verlaufen.

en dan komt u weer op uw plaats terug. De lijn die u in de ruimte beschrijft blijft on­bewust en verloopt inderdaad als een driehoeksbeweging. Zul­ke bewegingen bestaan werkelijk. U neemt ze alleen niet waar. Maar doordat uw ruggengraat een verticale stand heeft, bevindt u zich in het vlak waarin deze bewegingen plaatsvinden.
GA 293/56-57
Vertaald/56-57

(*) Hier merkt Steiner op:

Die höheren Tiere haben keine Geometrie; das sieht man ihrer Lebensweise an. Es ist nur ein Unsinn, wenn manche Leute sagen: Vielleicht haben die höheren Tiere auch Geometrie, man merkt es vielleicht nur nicht.

De hogere dieren hebben geen geometrie; dat ziet men aan hun levenswijze. De bewering van sommige mensen dat de hogere dieren misschien ook geometrie kennen maar dat men het misschien alleen niet merkt, is onzinnig.

En even verderop:

Sie nehmen sie nur nicht wahr, aber dadurch, daß Ihr Rückgrat in die Vertikale gerückt ist, sind Sie in der Ebene drinnen, in der diese Bewegungen verlaufen. Das Tier ist nicht in dieser Ebene drinnen, es hat sein Rückenmark anders liegen; da werden diese Bewegungen nicht vollführt. Indem der Mensch sein Rückenmark vertikal stehen hat, ist er in der Ebene, wo diese Bewegung ausgeführt wird. Zum Bewußtsein bringt er es sich nicht, daß er sich sagte: Ich tanze da fortwährend in einem Dreieck. – Aber er zeichnet ein Dreieck und sagt: Das ist ein Dreieck! – In Wahrheit ist das eine unbewußt ausgeführte Bewegung, die er im Kosmos vollführt.
Diese Bewegungen, die Sie in der Geometrie fixieren, indem Sie geometrische Figuren zeichnen, führen Sie mit der Erde aus. Die Erde hat nicht nur die Bewegung, welche sie nach der Kopernikanischen Weltansicht hat: sie hat noch ganz andere, künstlerische Bewegungen, die werden da fortwährend ausgeführt.

Zul­ke bewegingen [lijnen die door ons in de ruimte worden beschreven – zie boven] bestaan werkelijk. U neemt ze alleen niet waar. Maar doordat uw ruggengraat een verticale stand heeft, bevindt u zich in het vlak waarin deze bewegingen plaatsvinden. Het dier bevindt zich niet in dit vlak – zijn ruggengraat neemt een andere positie in, waarin deze bewegingen niet uitgevoerd wor­den. Doordat de ruggengraat van de mens verticaal staat, bevindt de mens zich in het vlak waarin deze bewegingen volvoerd worden. De mens wordt zich dit niet bewust; men zegt niet: ik dans voortdurend in een driehoek. Maar de mens tekent een driehoek en zegt: dat is een driehoek! In werkelijkheid is dat een onbewuste beweging die de mens in de kosmos uitvoert.

Und noch viel kompliziertere Bewegungen werden aus- geführt, solche Bewegungen zum Beispiel, die in den Linien liegen, welche die geometrischen Körper haben: der Würfel, das 0ktaeder, das Dodekaeder, das Ikosaeder und so weiter. Diese Körper sind nicht erfunden, sie sind Wirklichkeit, nur unbewußte Wirklichkeit. Es liegen in diesen und in noch anderen Körperformen merkwürdige Anklänge an dieses für die Menschen unterbewußte Wissen. Das wird dadurch herbeigeführt, daß unser Knochensystem eine wesentliche Erkenntnis hat; aber Sie reichen nicht mit Ihrem Bewußtsein bis zum Knochensystem hinunter. Das Bewußtsein davon erstirbt, es wird nur reflektiert in den Bildern der Geometrie, die der Mensch da als Bilder ausführt. Der Mensch ist recht sehr eingeschaltet in den Kosmos. Indem er die Geometrie ausbildet, bildet er etwas nach, was er selbst im Kosmos tut.

Deze bewegingen die u in de geometrie vastlegt door geometri­sche figuren te tekenen voert u samen met de aarde uit. De aarde heeft niet alleen de beweging die ze volgens de theorie van Copernicus heeft, ze heeft nog heel andere, kunstige bewe­gingen die voortdurend worden uitgevoerd. En er worden nog veel ingewikkelder bewegingen uitgevoerd, bijvoorbeeld bewe­gingen volgens de lijnen van de geometrische lichamen:0 de kubus, de octaëder, de dodecaëder, de icosaëder enzovoort. Deze lichamen zijn niet uitgevonden, ze zijn werkelijkheid, alleen onbewuste werkelijkheid. In deze en in nog andere geo­metrische vormen zijn merkwaardige overeenkomsten te vin­den met dit voor de mens onbewuste weten. Dat wordt veroor­zaakt doordat onze botten een wezenlijk inzicht hebben; maar uw bewustzijn reikt niet tot in de botten. Het bewustzijn van die kennis sterft; die wordt alleen weerspiegeld in de beelden van de geometrie die de mens daar als beelden ten uitvoer brengt. De mens is werkelijk zeer verbonden met de kosmos. Door de geometrische vormen te ontwikkelen bootst de mens na wat hij zelf in de kosmos doet.
GA 293/57-58
Vertaald//57

0 geometrische lichamen: De z.g. vijf platonische lichamen zijn regelmatige veelvlakken, opgebouwd uit gelijkzijdige driehoeken (tetraëder, oc­taëder, icosaëder), vierhoeken (kubus) of vijfhoeken (dodekaëder). Zie Paul Adam / Arnold Wyss, Platonische und Archimedische Körper, ihre Sternformen und polaren Gebilde, Bern / Stuttgart 1984.

Over deze platonische lichamen

*GAGesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

[4] Schad ‘Die menschliche Nervenorganisation‘ 1, blz. 29

.

Algemene menskunde: voordracht 3 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1862-1747

.

.

VRIJESCHOOL – Kunstzinnig onderwijs

Dit artikel is uit 1926, uit een van de eerste brochures van de Vrije School Den Haag.

Over deze brochure                    Hier te downloaden

Ondanks het bijna 100-jarig bestaan van het artikel, heeft het aan bepaalde gezichtspunten niets aan actualiteit ingeboet.

Ik heb het in de oorspronkelijke spelling laten staan.

.

door Mr. M. ST1BBE

Het Kunstonderwijs op de „Vrije School”

Het is of een stille, innerlijke juichtoon gaat door de klasse, wanneer een schilderuur begint. In spanning wachten de kinderen de opgave af en vervuld van een innerlijke vreugde beginnen zij. Het is of onbewust hun gevoel hun zegt, dat dit uur hen meer dan alle andere helpen zal om een rnensch te worden, die de krachten die hem toestroomen en hem maken tot een persoonlijkheid, gebruiken kan om schoonheid te scheppen in de wereld.

Vervuld van eerbied beginnen we het uur, eerbied voor de wonderbaarlijke wereld der kleuren die Gods hand in scheppende kracht uitspreidde overal. De kinderen beginnen zonder aarzeling, zonder lang bedenken, het beeld, dat gerezen is voor hun geest, in vloeiende kleur op het papier te brengen. Een melancholisch kind grijpt dadelijk naar violet of blauw, een vroolijk sanguinisch naar geel of rood. We zien, hoe elk kind op zijn eigen manier uit eigen kracht, uit eigen inspiratie zijn schilderstuk tot stand brengt. Elk is op zichzelf aangewezen, zoodat in dit onderwijs in hooge mate de krachten van het individu worden versterkt.

Daar zit een meisje, dat voor korten tijd, doordat ze zoo’n zwakke persoonlijkheid was, steeds onderdrukt werd door broers en zusters. Haar moeder moest haar dan bij springen. Nu volgt zij sinds enkele maanden het onderwijs op de „Vrije School” en thuis constateerden allen vol verbazing, dat zij plotseling zich ging handhaven, dat niet langer alle anderen haar de baas waren. Voor ons een vreugde de bevestiging te hooren van datgene, wat wij voelden, dat de kinderen toestroomt uit het onderwijs in de beeldende kunstvakken.

De kinderen schilderen verder — en het is me of in het innerlijk van elk kind, terwijl het aan het werken is en het licht der geestelijke wereld in de fantasie toestroomt, of daar een plant in bloesem schiet, bij de één een geheimzinnige blauwe nachtschade, bij de ander een gloeiende tulp, bij de derde een trage lotosbloem, bij de vierde een lachende margariet.

De kleuren spreken hun wondere taal, de kinderen verstaan haar, en het eene schilderstuk na het andere komt gereed: glanzend geel, vurig rood, groen, zacht als een mostapijt, blauw in geestelijke diepten.

Heel anders de Eurhythmieles of Zangles. Tonen klinken, het dichterwoord spreekt — de menschelijke naklank van het almachtig wereldwoord, dat eens de aarde schiep — eens tot vleesch is geworden. De grootste ontroering maakte zich van me meester bij het aanschouwen hoe machtig de werking van muziek en woord is op de kinderziel, wanneer het in zinvolle beweging deze klanken kan uitbeelden. Daar was het of geestkrachten, die gebonden waren aan het lichaam, door de bewegingen verlost werden en samenstroomden tot één geheel, dat de kinderen verbond. Tezamen werkten zij in de Eurhythmie en de geest die uitstroomt van menschenzielen door de bevrijdende kracht van het woord, woonde onder hen.

Zooals de schilderles de individueele krachten wekt, zoo wekt de Eurhythmie, ook de zangles, die met enthousiasme gegeven wordt, de sociale krachten, de liefde van den eenen mensch tot anderen. Zooals in de schilderles elk kind scheppen moet uit eigen kracht, zoo moet het in de rhythmische kunsten samenwerken met de anderen. Beeldende en musische kunst vullen elkaar aan, beide zijn onmisbaar in het onderwijs — onmisbaar als het onderwijs gegeven wordt in overeenstemming met het innerlijk wezen van het kind.

Een fantasievol kind, zoo vol fantasie, dat zij erdoor geplaagd werd, dat zij onrustig en prikkelbaar was, werd pas bevrijd door het kunstvol onderwijs op de „Vrije School”. Haar fantasie kon zij daar gebruiken. Een ander evenzeer met fantasie rijk begaafd kind was oneerlijk en leugenachtig geworden. Nadat zij een jaar op de „Vrije School” was en haar fantasie op zinvolle wijze vrije baan kon laten, was zij voor het grootste deel haar oneerlijkheid kwijt.

Een fantasiearm kind, aardezwaar en -duister zag in zich een geesteslicht ontwaken, voor een belangrijk deel door het kunstonderwijs. Levensblijheid kwam in haar ziel.

Het kinderwezen vóór het 14e jaar is kunst verwant, elk kind wil leven in kleuren, rhythmen, tonen, klanken. Gelukkig de onderwijzer, die — zooals in de Anthroposophische paedagogie — de kinderen werkelijk datgene geven kan, waar hun ziel naar vraagt, naar vraagt met hunkerend verlangen. Voor hem openen zich de heerlijkheden der wereld bij het waarnemen van de ontluikende kinderwezens.

En elk kinderwezen dat ontbloeide door het kunstvol onderwijs der Anthroposophische paedagogie, is weer beter dan te voren in staat het overige onderwijs op te nemen. Elke goede les in het kunstonderwijs is een ruggesteun, ook voor de eerstvolgende lessen van het hoofdonderwijs. Kunst en intellect vullen elkaar aan. Beide zijn levensvoorwaarden voor een gezonde ontwikkeling van het kind. En de kunst maakt het kind tot een mensch, die op gezonde wijze zich voelt staan in het leven — krachtig van individualiteit, bezield van goede wil tot zijn medemenschen, een mensch in den vollen zin van het woord, geharmoniseerd in zijn innerlijk. Een harmonie van hemel en aarde binnen in de ziel van den mensch, die tusschen beide in staat; boven hem in zijn stralende pracht de hemel, die geest en fantasie schenkt, onder hem de rustende aarde, die hem steunt in zijn aardeleven en hem liefdevol draagt.

De maatschappij vraagt zulke menschen — geen grove materialisten, geen ijdele idealisten, maar menschen, die met beide beenen op de aarde staan en wier ziel toch vervuld is van levende geestelijke krachten en liefde.

Wanneer iemand met een geopend oog voor het werken van den levenden geest in het menschenwezen, een kunstles mee kan maken, die werkelijk geheel in overeenstemming is met wat innerlijk leeft in de kinderen, onthullen zich tot zijn innige blijdschap en groote ontroering de problemen der menschheid in hun vollen omvang — en hun oplossing.

Een Ideaal van de „Vrije School” zou vervuld worden, wanneer werkelijk elke kunstles een krachtbron werd voor de rest van het onderwijs en voor de kinderen — een bereikbaar ideaal. Tevens de eenig juiste wijze om hem te danken, die de kinderen en de onderwijzers deze kostbare uren gaf, Dr. Rudolf Steiner, de grootste en edelste kindervriend, wien het mij gegeven was te ontmoeten. Moge een heel klein vleugje van zijn schoone geest wonen in de „Vrije School”, den kinderen tot heil.

.

In deze brochure de volgende artikelen:

Antroposophische paedagogie

Over het chemie-onderwijs in de achtste klasse

Het taalonderwijs in de laagste klasse

Beeld en ritme in het rekenonderwijs

Schoolfeesten

.

.

VRIJESCHOOL in beeld: alle klassen

.

1857-1742

.

VRIJESCHOOL – Schoolfeesten

.

In band 1 van de ‘lerarenvergaderingen met Rudolf Steiner’ [GA 300A] vinden we op blz. 112 voor het eerst een opmerking over ‘Monatsfeier’ – een vorm van een schoolfeest. De leraren geven te kennen dat ze zoiets elke eerste maandag van de maand willen houden. Het is kennelijk in het land zo dat er de eerste maandag van de maand geen school is. Het blijkt dat zo’n eerste feest op 3 november en een tweede op 1 december 1919 is gehouden.
Steiner zegt daarbij:

X.    berichtet, daß man immer am ersten Montag jedes Monats, der nach Lan­desgewohnheit schulfrei ist, ein Schulfest veranstalten möchte; solche Feste hätten bisher schon am 3. November und am 1. Dezember stattgefunden.

Dr. Steiner: Solch eine Monatsfeier sollte besser auf den Donnerstag gelegt werden. Montag ist der Philistertag; für den Donnerstag spre­chen innere Gründe. Der Donnerstag ist als Jupitertag der geeignetste Tag. Der Inhalt einer solchen Monatsfeier sollte sein ein Gedanken­sammeln über den Monatsinhalt, etwas Ähnliches wie beim ,,Seelen­kalender”. Die Sprüche aus den ,,Zwölf Stimmungen” kommen dabei aber höchstens für die 7. und 8. Klasse in Frage.

Zo’n maandfeest kan beter naar de donderdag verplaatst worden. Maandag is een ‘filisterdag’; voor de donderdag gelden innerlijke redenen. De donderdag is als jupiterdag de meest geschikte. De inhoud van zo’n maandfeest zou een verzameling gedachten moeten zijn over de inhoud van de maand, zoiets als bij de ‘Seelenkalender‘. De spreuken uit de ‘Zwölf Stimmungen’ komnen hoogstens alleen maar voor klas 7 of 8 in aanmerking.

Je krijgt hier niet de indruk dat de kinderen – zoals uit onderstaand artikel blijkt – dat de kinderen aan elkaar iets laten zien uit hun onderwijs.

Op blz. 47 is echter wél sprake van: dat de kinderen aan elkaar laten zien waaraan ze gewerkt hebben.

En op blz. 191 in GA 300C is er sprake van dat ‘gymnastiek op het maandfeest heel mooi zou zijn.’

Steiner hield – wanneer hij er in Stuttgart bij kon zijn – een toespraak voor de kinderen en hun leerkrachten. Deze zijn gebundeld in GA 298. Een aantal vertalingen.

In 1926 schrijft Max Stibbe in ‘Anthroposophische paedagogie’ [1926] over ‘schoolfeesten’:                                                      in de oorspronkelijke spelling

Over deze brochure                    Hier te downloaden

Schoolfeesten

Het tweede schooljaar van de „Vrije School” loopt af. Eindigt in een schoolviering. Vele andere schoolvieringen gingen vooraf in den loop van het jaar. We kennen de heerlijkheid ervan en verheugen ons allen erop — de kinderen en de onderwijzers.

Zoo’n schoolviering is voor ons een middelpunt van het samenzijn op school. Daar vereenigen zich alle kinderen met alle onderwijzers en leeraren. Daar is het culminatiepunt van het onderwijs in de afgeloopen tijdruimte. Allerlei moois uit de meest uiteenloopende lesuren wordt door de kinderen aan elkaar getoond. Een groote plaats nemen natuurlijk in Eurhythmie en zang, evenals de recitatie. Men ziet en hoort dit alles in het Hollandsch en ook in de drie moderne talen, vanaf de laagste klassen. Tooneelspel ontbreekt natuurlijk niet. Zelfs resultaten van rekenlessen, geschiedenislessen e.a. kunnen vertoond worden. Het onderwijs, dat in alle richtingen kunstzinnig tracht te zijn, maakt dit mogelijk.

De kinderen weten: wij doen en leeren veel moois in de klas. Daar zijn wij blij en gelukkig over. Maar wij mogen niet alles voor ons zelf houden; het mooiste en beste — daarvan moeten ook de andere kinderen kunnen genieten. Deze gedachte leeft bij de oudere kinderen al sterk in het bewustzijn. Zij geeft aan hun vertooning de onmisbare moreele ondergrond.

Zoo’n schoolviering is voor allen niet alleen een feest der vreugde. Een zekere plechtigheid is het ook. En daardoor voor de ouderen vaak een stille ontroering.
Is het niet ontroerend om te zien, hoe steeds meer de kinderen zichzelve worden, zichzelve durven zijn — alleen of in groepen — reciteerend of eurhythmiseerend, zingend of spelend —- terwijl in alle werken te zien is een streven naar een waarachtig menschen-ideaal.

Zoo wordt de vreugde en de vrijheid der kinderen tot plechtigheid, hun spel of woord, waarin zij al de krachten van hun ziel leggen, tot gebed. En wij, aan wie het groote voorrecht gegeven is, op deze school te mogen werken, voelen sterker dan ooit, hoe overal, waar in den zin van den geest der kinderen gewerkt wordt, goddelijke hulp toestroomt, die alle moeilijkheden overwint.

Een enkel voorbeeld: Een jongen van 10 jaar, wiens beenen zwak waren en die steeds met moeite geloopen had, ook met moeite gesproken, huppelt op dit schoolfeest er lustig op los —- terwijl hij een gedicht reciteert uit volle borst.

Een andere jongen van 10 jaar, die tot voor kort nog niet behoorlijk in rhythme een gedicht kon zeggen, wien elk rhythmisch gevoel ontbrak, zoodat hij in vele opzichten in zijn dagelijksch leven chaotische verschijnselen toonde — slordigheid etc. reciteerde nu volmaakt in rhythme een zeer lang stuk uit de Kalewala, het Finsche volksepos, samen met een paar andere. Een verblijdend oogenblik. Een nieuwe belofte voor de toekomst. Zoo zijn er tallooze verblijdende verschijnselen bij de kinderindividuen. Maar ook van het geheel valt een sterk voortschrijdende ontwikkeling waar te nemen — iets wat ons door velen der aanwezige ouders bevestigd werd.

De Hollandsche kinderen hebben — naast hun vele goede eigenschappen — iets, wat hun zeer onderscheidt van andere kinderen in de wereld, namelijk hun baldadigheid, onbeschaamdheid vaak — alles een resultaat van te weinig zelfbeheersching, te zwakke wil, zichzelf meester te zijn, waar de lust opkomt iets ongeoorloofds te verrichten. Een vrijheidsgevoel, dat tot losbandigheid omslaat.

De gewone intellectueele schoolopvoeding versterkt dit verschijnsel in hooge mate. De opgelegde tucht, de druk in de school roept het exces te voorschijn aan de andere zijde. Zie onze straatjongens, zie onze studenten, zie de heele geestesgesteldheid bij de jeugd. Een jammerlijk onvermogen wordt overal tentoongespreid, vrijheid te gebruiken.

Daartoe wordt ook een opvoeding vereischt, waarin de jonge kinderen de vrijheid leeren kennen en onder de leiding van de door hen geliefde onderwijzer of opvoeder haar zinvol leeren gebruiken. Die opvoeding moet geheel het kind zijn eigen kracnten leeren gebruiken, niet alleen zijn intellekt, maar ook zijn phantasie, zijn gevoel, zijn wilskracht. Ieder kind vóór het 14e jaar is door die innerlijke krachten een kunstenaar — het onderwijs moet kunstzinnig zijn, vol leven en vol schoonheid. Geen uiterlijke schoonheid, maar een zinvolle schoonheid, die pas ontstaat door een kennen van het kinderzielewezen.

Dan leert het kind in de Eurhythmie en zang, in schilderen en teekenen en verder in alle onderdeelen van het gewone onderwijs zijn krachten ontplooien. Daar gaat hij zijn wil gebruiken — op een schoone, menschwaardige wijze. Daar wordt hij opgevoed — niet tot een kunstenaar, maar tot iemand, die zijn eigen wil kan gebruiken voor wat goed is en schoon in de wereld. Hij wordt tot mensch! Hij voelt zich vrij en kan zichzelf langzamerhand gaan leiden.

Denken, voelen en willen komen bij deze kinderen in harmonie met elkaar. Het denken wordt niet verzwakt door de overmatige intellektualiteit van de school, maar komt in dienst van den vrijen mensch en wordt bruikbaar voor het gewone leven. Moraliteit dringt er binnen.

Op onze schoolfeesten zagen we, hoe voortdurend de kinderen zich innerlijk vrijer gingen voelen, hoe ze zich los gingen maken van knellende banden, die hen verhinderden zich volledig te geven. Op het laatste schoolfeest kon men zeggen: daar zien we de kinderen, zooals ze werkelijk zijn, vrij in hun bewegingen en woorden, vol liefde voor het werk dat ze deden en vol begrip ervoor.

En de vrijheid op school, die zinvol geleid wordt, brengt harmonie in het leven buiten de school. Denkt U niet, dat de kinderen van de „Vrije School” brave Hendrikken zijn of dat ze in korten tijd reeds zoover, dat geen ongeoorloofde dingen meer gebeuren. Echter is er een streven onder de kinderen, ook buiten de school alleen te doen wat schoon is en den menschennaam waardig. Tallooze blijken kreeg ik daarvan reeds.

Een jongen b.v. bekruipt de lust, om ergens uit een tuin aan straat een bloem te plukken. Hij rukt haar af, zooals zoo vaak gebeurt onder Hollandsche kinderen. Hij is echter leerling van de „Vrije School”. Opeens komt hij tot bezinning; hij herinnert zich hoe in de plantkundeles werd verteld, dat het onze groote aarde-moeder verheugt, als de planten, het graan etc. wordt afgesneden. Het was te vergelijken met een mensch, wiens haren af geknipt worden. De planten zijn de haren der aarde, zij hooren bij de levende aarde. Leed echter ondervindt de liefdevolle aarde, die ons zinnig zijn, vol leven en vol schoonheid. Geen uiterlijke schoonheid, maar een zinvolle schoonheid, die pas ontstaat door een kennen van het kinderzielewezen.

Door het kunstzinnig onderwijs dringen van alle kanten moreele krachten in de kinderen. Maar het moet kunstzinnig zijn in den geest der kinderen. Dat leerde ons onze geliefde leeraar Dr. Rudolf Steiner, hij, die de grootste kunstenaar van onzen tijd genoemd kan worden.

En zien we, hoe de kinderen in blijheid en vroolijkheid zich weren op onze feesten en hoe in elk van hen nieuwe krachten, die eerst sluimerden, wakker werden, dan doordringt ons een innige dank tot hem, door wie deze heerlijkheid kon zijn en de innige wensch, dat hij met zijn krachten ons werk blijft steunen, opdat het moge gedijen en vrucht dragen in de toekomst.

.

Dit artikel is uit 1926, uit een van de eerste brochures van de Vrije School Den Haag.

Over deze brochure                    Hier te downloaden

In deze brochure de volgende artikelen:

Antroposophische paedagogie

Over het chemie-onderwijs in de achtste klasse

Het taalonderwijs in de laagste klasse

Beeld en ritme in het rekenonderwijs

.

VRIJESCHOOL in beeldalle klassen

.

1856-1741

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het leerplan van klas 1

.
Voor een goed begrip van het leerplan, de leerstof e.d. is het zeer aan te bevelen de artikelen: Rudolf Steiner over het leerplan en Rudolf Steiner over het kind, de leerkracht, ontwikkeling, lesstof en leerplan eerst te lezen.

In de pedagogische voordrachten GA 293 – 311 is relatief maar weinig meegedeeld over de leerstof op zich. Veelal wordt de leerstof besproken in samenhang met de ontwikkeling van het kind.
Uit deze voordrachten volgt hier wat er over de leerstof van de 1e klas kan worden gevonden.

LEERSTOF VAN KLAS 1

Boetseren

klas 1 -6:
Da setzen wir noch fort, durchaus auch immer zu plasti­schen Formen hinführend, indem wir uns des Plastilins bedienen -wenn es zu haben ist; sonst kann man irgend etwas anderes benützen, und wenn es Straßenkot wäre, das macht nichts! -, um auch Formen­anschauung, Formenempfindung hervorzuholen.

Dan komen we ook nog bij plastische vormen en gebruiken we boetseerklei — als we dat tenminste kunnen krijgen, anders kan men iets anders gebruiken, desnoods modder, dat doet er niet toe! — om een voorstelling van en een gevoel voor vorm op te roepen.
GA 295/169
Vertaald/155

Heemkunde

Nun wird man zu dem eben Gesagten dasjenige hinzufügen, was das Kind anregen kann zum Nachdenken, indem man ihm Naheliegendes erklärt: dasjenige, was später geordneter auftreten soll in Geographie, in Naturgeschichte. Das erklärt man ihm, bringt es seinem Verständnis nahe, indem man an Bekanntes – an bekannte Tiere, an bekannte Pflan­zen, an bekannte Bodenkonfigurationen, an Berg, Fluß, Wiese – anknüpft. Die Schule nennt das Heimatkunde. Aber es handelt sich dar­um, daß man gerade im allerersten Schuljahr ein gewisses Aufwecken des Kindes gegenüber der Umgebung zustande bringt; ein Aufwecken des Seelischen, so daß es lernt, sich selber wirklich zu verbinden mit der Umgebung.

Aan dit alles voegt men dan nog toe datgene wat het kind kan aanzetten tot nadenken, doordat men vertrouwde elementen van de omgeving verklaart: dat wat later in de geografie, in de natuurlijke historie geordend behandeld wordt. Dat legt men uit, dat maakt men begrijpbaar, door uit te gaan van bekende dingen: bekende dieren, bekende planten, bekende bodemgesteldheden zoals berg, rivier en weide. Dat heet heemkunde op school. Maar het gaat er daarbij om, dat men juist in het allereerste schooljaar de kinderen in zekere zin wakker maakt voor de omgeving, dat de ziel gewekt wordt, zodat het kind leert zich werkelijk met de omgeving te verbinden.
GA 295/156
Vertaald/144/145

Euritmie en gymnastiek in ’t algemeen

Herausgeholt werden muß nun aus allem übrigen Künstlerischen das Turnen und die Eurythmie. Aus dem Musikalischen, und auch aus dem sonstigen Künstlerischen, muß das Turnen und die Eurythmie herausgeholt werden.

De gymnastiek en de euritmie moeten afgeleid worden uit de rest van het kunstzinnige. Uit de muziek en ook uit de andere kunstzinnige gebieden moeten de gymnastiek en de eurtimie worden afgeleid.
GA 295/173
Vertaald/158

Nun kommt uns im offiziellen Lehrplan eines zugute: da ist in den ersten drei Schuljahren überhaupt kein Turnen. Da beginnen wir also mit der Eurythmie. Und da wäre es schon sehr schön, wenn im ersten Schuljahre namentlich Eurythmie im Einklang mit dem Musikalischen getrieben würde, so daß tatsächlich die Anpassung an Geometrie und Musik in der Eurythmie besonders gepflegt wird.

Nu komt het officiële leerplan ons in één opzicht tegemoet: in de eerste drie jaar is er helemaal geen gymnastiek. Dan beginnen wij dus met euritmie. En het zou dan heel mooi zijn wanneer in de eerste klas vooral euritmie in harmonie met de muziek gegeven wordt, zodat er in de euritmie werkelijk een aanpassing tot stand komt aan geometrie en muziek.
GA 295/176
Vertaald/161

Es ist ein eigentliches Turnen für die zwei ersten Klassen verfrüht, dagegen sollten systematische Spiele mit ihnen getrieben werden. Dieses systematische Spielen müssen wir, sobald wir Luft atmen können, doch einführen, so daß in der 3. Klasse der Übergang gemacht werden könnte vom Spielen zum eigentlichen Turnunter­richt. Bewegung müssen die Kinder haben, richtige Bewegung.

Voor de eerste twee klassen is gymnastiek te vroeg, daarentegen moeten er bestaande spelen met hen worden gedaan. Deze spelen moeten we, zo snel mogelijk invoeren, zodat we in de 3e klas de overgang kunnen maken van het spel naar het eigenijke gymnastiekonderwijs, De kinderen moeten beweging hebben, echte beweging.
GA 300B/219
Niet vertaald

Unter Spielen verstehe ich Bewegungs­spiele.

Onder spel versta ik bewegingspel.
GA300B/220
Niet vertaald

Muziek

Dabei würde zu Hilfe kommen dasjenige, was ja im weiteren dann zu besprechen ist: jene Elastizität und Gefügigkeit, welche das Kind sich aus dem Gesangsunterricht heraus für seine Sprachorgane aneignen
wird, und es wird sich, ohne daß man das beabsichtigt, eine feinere Empfindung für gedehnte, geschärfte Laute und so weiter ergeben. Es braucht das gar nicht im Musikalischen beabsichtigt zu werden, wenn das Kind in das gehörmäßige Verständnis desjenigen eingeführt wird, was das Instrument im Musikalischen hervorbringt, zunächst in ein­facher und für das Gehör – wenn ich jetzt das Wort bilden darf, weil man ja doch nicht sagen kann «übersichtlich» – in «überhörlicher» Weise; man wird verstehen können, was ich meine: «überhörlich» ist dasjenige, was nun wirklich innerlich als eins in dem vielen erlebt wird, so daß sich einem nicht die Dinge überstürzen im inneren Aufnehmen.

Daarbij zou men gesteund worden door datgene wat verder nog besproken moet worden: die elasticiteit en soepelheid die het kind zich voor zijn spraakorganen eigen zal maken via het zingen. Zonder dat men daar nu specifiek op uit is, zal er een fijner gehoor voor lange, voor stemloze klanken enzovoort ontstaan. Dat hoeft helemaal niet een doel in de muzieklessen te zijn, het gebeurt vanzelf wanneer het kind luisterend begrip krijgt voor wat het instrument in de muziek voortbrengt. Dat gaat eerst op een eenvoudige en voor het gehoor – als ik nu een nieuw woord mag vormen, want men kan toch niet zeggen overzichtelijk – ‘overhoorlijke’ wijze. U zult wel begrijpen wat ik bedoel: ‘overhoorlijk’ is datgene wat innerlijk werkelijk als een eenheid beleefd wordt temidden van het vele, zodat je niet overspoeld wordt door de dingen die je opneemt.
GA 295/156
Vertaald/144

Da wird vor allen Dingen darauf gesehen werden müssen, wie auch das Musikalische in dem ersten Schuljahr möglichst aus dem Einfachen, Elementarischen hervorgeholt wird, und wie dann in das Kompliziertere übergegangen wird etwa vom dritten Schuljahr an. So daß nach und nach das Kind sowohl am Instrument – und namentlich am Instrument – wie auch im Gesanglichen dasjenige aufnimmt, was gerade bildnerisch, bildend für die Fähigkeiten des Kindes ist.
Herausgeholt werden muß nun aus allem übrigen Künstlerischen das Turnen und die Eurythmie. Aus dem Musikalischen, und auch aus dem sonstigen Künstlerischen, muß das Turnen und die Eurythmie heraus-geholt werden.

We moeten dan vooral nog zien hoe de muziek in het eerste schooljaar uit zo eenvoudig, zo elementair mogelijke elementen ontwikkeld wordt en hoe dat dan, ongeveer vanaf de derde klas, overgaat in meer gecompliceerde dingen. Zo neemt het kind geleidelijk aan via het instrument – met name door het instrument – als ook via het zingen in zich op, wat op dat moment vormend, vormgevend is voor de capaciteiten van het kind. De gymnastiek en de euritmie moeten afgeleid worden uit de rest van het kunstzinnige. Uit de muziek en ook uit de andere kunstzinnige gebieden moeten de gymnastiek en de euritmie worden afgeleid.
GA 295/173
Vertaald/158

Im ersten, zweiten und dritten Schuljahr wird man es ja im wesent­lichen zu tun haben mit einfachen musikalischen Verhältnissen. Und diese einfachen musikalischen Verhältnisse sollen so benützt werden, daß der Gesichtspunkt der ist: an dem, was man pädagogisch zurich­tet im Musikalischen, Stimmbildung und Gehör des Menschen, des wer­denden Menschen, heranzubilden. Also der Gesichtspunkt ist, das Mu­sikalische so zuzurichten, daß es geeignet ist, den Menschen zum rich­tigen Bilden des Stinimlichen, des Tonlichen, und zum richtigen Hören aufzurufen. Wir verstehen uns wohl darin.

In de eerste, tweede en derde klas zal men natuurlijk in wezen te maken hebben met eenvoudige muzikale gegevens. En deze eenvoudige muzikale gegevens moeten zo benut worden dat het gezichtspunt is: de vorming van de stem en het gehoor van de mens, van de opgroeiende mens, te stimuleren aan de hand van wat men pedagogisch in de muziek doet. Het gezichtspunt is dus, de muziek zo te benaderen dat ze geschikt is om de mens tot de juiste stemvorming en toonvorming en tot het juiste luisteren te brengen. U begrijpt wel wat ik bedoel.
GA 295/175
Vertaald/159-160

Niet-Nederlandse taal

Die fran­zösische und englische Sprache in ganz einfacher Weise schon heran­bringen an das Kind, wenn es eben in die Schule hereinkommt.

Frans en Engels geven we al op heel eenvoudige wijze zodra het kind op school is.
GA 295/160
Vertaald/148

Wir halten durchaus daran fest, das Englische und Französische ganz von Anfang an mit den Kindern in mäßiger Weise zu treiben. Nicht gouvernantenhaft, sondern so, daß sie die beiden Sprachen richtig schätzen lernen, und daß sie ein Gefühl bekommen für den richtigen Ausdruck in den beiden Sprachen.

We houden er absoluut aan vast om dadelijk vanaf het begin op bescheiden wijze Engels en Frans te geven. Niet gouvernanteachtig, maar zo dat de kinderen twee talen op hun waarde leren schatten en dat ze een gevoel krijgen voor de juiste manier van uitdrukken in beide talen.
GA 295/181
Vertaald/165

Die 1. Klasse hat täglich, je nachdem ob der Hauptunterricht um 8 oder um 101/4 beginnt, vorher oder nachher eine Stunde Englisch und Französisch. Das ist eventuell auf den Nachmittag zu verlegen, aber womöglich sollte es am Vormittag sein.

De 1e klas heeft dagelijks, al naar gelang of het hoofdonderwijs om 8u of om kwart over 10 begint, daarvoor en daarna een uur Engels en Frans. Dat kan ook naar de middag, maar zo veel mogelijk toch op de ochtend.
GA300A/67
Niet vertaald

X. und Y. berichten über den Sprachunterricht in der 1. Klasse.

Dr. Steiner: Sprachen werden um so leichter gelernt, und die Aus­sprache wird um so besser und reiner, je früher begonnen wird. Die Begabung für Sprachen nimmt mit zunehmendem Alter, vom sieben­ten Jahr an, ab. Deshalb muß man früh damit anfangen.
Chorsprechen ist sehr gut, denn die Sprache ist ein soziales Element. Im Chor läßt sich immer leichter sprechen als allein.

X. en Y. doen verslag van het taalonderwijs in klas 1.

Dr.Steiner: Talen worden des te makkelijker geleerd en de uitspraak wordt des te beter en zuiverder, hoe vroeger ermee begonnen wordt. Het vermogen om ze te kunnen leren neemt met het ouder worden af, vanaf het zevende jaar. Daarom moet je er vroeg mee beginnen.
Koorspreken is heel goed, want taal is een sociaal element. In koor spreken gaat makkelijker dan alleen.
GA300A/133
Niet vertaald

Im allgemeinen muß man sagen, daß das Kind in der 1. Klasse schon Sprachunterricht bekommt, und daß wir bis zum Ende der 3. Klasse den Sprachunterricht so treiben, daß das Kind am Sprechen spre­chen lernt. Und daß man vermeiden sollte für irgendein Wort oder eine Wendung, die das Kind sich anzueignen hat, auf die entspre­chende deutsche Übersetzung des Wortes zu sehen, sondern daß man darauf sehen soll, daß das Kind unmittelbar an das Ding anknüpft das Wort oder die Wendung. Man soll also, nicht wahr, nicht das fremd-sprachliche Wort auf das deutschsprachliche zurückführen, sondern auf die Sache und in der fremden Sprache bleiben. Das sollte man insbesondere bis zum vollendeten 3. Schuljahr durchführen. In die­ser Zeit dürfte gar nicht bemerkbar werden, daß es eine Grammatik gibt.

Over het algemeen moet je zeggen dat het kind in de 1e klas al taalles krijgt en dat wij tot het einde van de 3e klas dat zo doen dat het kind aan het spreken het spreken leert. En dat je moet vermijden om een of ander woord of een zinswending die het kind zich eigen moet maken, te letten op de daarbijhorende vertaling van het woord, maar dat je erop moet letten dat het kind meteen het woord of de zinswending bij het ding gebruikt. Je moet dus niet het andere-taalwoord terugbrengen naar het Nederlands, maar bij de zaak in de niet-Nederlandse taal blijven. Dit in het bijzonder, moet je doen tot het eind van de 3e klas. In deze tijd moet het helemaal niet duidelijk zijn dat er grammatica bestaat.

blz. 162

Bei dem Behandeln größerer Stücke muß man so vorgehen, daß man gar keinen Anstoß daran nimmt, daß das Kind eine Strophe oder ein Gedicht, wenn es auch nur mangelhaft die Sache versteht, rein dem Laut nach sich aneignet. Im Extrem kann es selbst der Fall sein, daß das Kind sich aneignet vier, sechs, acht Zeilen, die es nur behält wie Klänge. Das würde sogar unter Umständen sehr viel zur Beherr­schung der Sprache beitragen können, daß das Kind das, was es nur dem Klange nach sich angeeignet hat, erst aus dem Gedächtnis her­aus verstehen lernt. In den ersten drei Jahren ist Poetisches ganz entschieden dem Prosaischen vorzuziehen. Die Sache selbst läßt schon klar werden, daß im Grunde genommen auf das einzelne Jahr gar nicht abzutrennen ist, daß diese drei Jahre in vollständig gleicher Art behandelt werden können.

Bij het behandelen van grotere stukken moet je zo werken dat je er helemaal geen aanstoot aan neemt, dat het kind een strofe of een gedicht, ook wanneer het e.e.a. nog niet zo goed begrijpt, het puur op de klank leert. In een uitzonderlijk geval kan het zijn dat een vier, zes, acht regels leert die het onthoudt als klank. Onder bepaalde omstandigheden zou dat zelfs aan een betere beheersing van de taal kunnen bijdragen, wat het kind zich eigen heeft gemaakt met de klank, en dat pas vanuit het geheugen gaat begrijpen. In de eerste drie jaren verdient het poëtische heel beslist de voorkeur boven het prozaïsche. Uit de zaak zelf blijkt duidelijk dat het basaal zo is dat je na een jaar niet tot een afsluiting hoeft te komen en dat deze drie jaren volkomen hetzelfde kunnen worden gedaan. 
GA 300C/161-162
Niet vertaald

Da spielen vor allen Dingen die modernen fremden Sprachen die größte Rolle. Diese modernen fremden Sprachen werden, weil sie sich wirklich prak­tisch einleben sollen in das kindliche Leben, vom Eintritt der Kinder mit dem sechsten, siebenten Jahre an gepflegt, und sie werden so ge­pflegt, daß das Kind sich wirklich einleben kann in die fremde Spra­che, daß also beim Erlernen der fremden Sprache die Vermittlung durch die Muttersprache vermieden wird.

Dan spelen vooral de moderne vreemde talen de grootste rol. Deze moderne vreemde talen worden, omdat die zich praktisch moeten verbinden met het leven van het kind, vanaf het begin op zes-zevenjarige leeftijd gegeven. Ze worden zo gegeven dat het kind zich echt in de vreemde taal kan inleven. Dus wordt bij het aanleren van de vreemde taal het gebruik van de moedertaal vermeden.
GA 303/142
Vertaald/155-156

Rekenen

Sie wissen ja, die äußere Methodik schreibt vor, im ersten Schuljahr vorzugsweise die Zahlen im Zahlenraum bis 100 zu behandeln. Man kann sich an das auch halten, denn es ist ziemlich gleichgültig, wenn man bei den einfacheren Zahlen bleibt, wie weit man den Zahlenraum im ersten Schuljahr treibt. Die Hauptsache ist, daß sie, insofern Sie den Zahlenraum gebrauchen, die Rechnungsarten darin so betreiben, daß Sie eben dem Rechnung tragen, was ich gesagt habe: die Addition zuerst aus der Summe heraus, die Subtraktion aus dem Rest heraus, die Multiplikation aus dem Produkt heraus und die Division aus dem Quotienten heraus entwickelt. Also gerade das Umgekehrte von dem, was gewöhnlich gemacht wird. Und erst nachdem man gezeigt hat, 5 ist 3 plus 2, zeigt man das Umgekehrte: durch Addition von 2 und 3 entsteht 5. Denn man muß starke Vorstellungen im Kinde hervor­rufen, daß 5 gleich 3 plus 2 ist, daß 5 aber auch 4 plus list und so wei­ter. Also die Addition erst als zweites nach der Auseinanderteilung der Summe; und die Subtraktion, nachdem man gefragt hat: Was muß ich von einem Minuenden abziehen, damit ein bestimmter Rest bleibt und
168 vert/154

U weet dat de gewone methodiek voorschrijft om in de eerste klas bij voorkeur de getallen tot 100 te behandelen. Daar kan men zich ook aan houden, want het doet er niet toe hoe ver men gaat, wanneer men maar bij de eenvoudiger getallen blijft. De hoofdzaak is dat u binnen dat getallengebied de rekenbewerkingen zo hanteert dat u rekening houdt met wat ik heb gezegd: U leidt de optelling af uit de som, het aftrekken uit de rest, de vermenigvuldiging uit het produkt en de deling uit het quotiënt. Het omgekeerde dus van hetgeen gewoonlijk wordt gedaan. En pas nadat men heeft laten zien dat 5 gelijk is aan 3 plus 2, pas dan laat men ook het omgekeerde zien: door 2 en 3 op te tellen ontstaat 5. Men moet sterke voorstellingen in het kind oproepen, dat 5 = 3 + 2, maar ook 4+1 enzovoort. De optelling volgt dus altijd pas na het opdelen van de som; en de aftrekking pas nadat men heeft gevraagd: wat moet ik van dit of dat getal aftrekken om een bepaalde rest over

so weiter. Wie gesagt, daß man das dann mit den einfacheren Zahlen im ersten Schuljahr macht, ist selbstverständlich. Ob man nun gerade den Zahlenraum bis 100 oder bis 105 oder bis 95 benützt, das ist im Grunde nebensächlich.
Dann aber beginne man, wenn das Kind mit dem Zahnwechsel fer-tig ist, ja gleich damit, es das Einmaleins lernen zu lassen, und meinet-willen sogar das Einspluseins; wenigstens, sagen wir, bis zur Zahl 6 oder 7. Also das Kind möglichst früh das Einmaleins und Einspluseins einfach gedächtnismäßig lernen zu lassen, nachdem man ihm nur prin­zipiell erklärt hat, was das eigentlich ist, es prinzipiell an der ein­fachen Multiplikation erklärt hat, die man so in Angriff nimmt, wie wir das gesagt haben. Also kaum daß man imstande ist, dem Kinde den Begriff des Multiplizierens beizubringen, übertrage man ihm auch schon die Pflicht, das Einmaleins gedächtnismäßig zu lernen.

te houden enzovoort. Zoals gezegd: het spreekt vanzelf dat men dat in het eerste schooljaar met de meer eenvoudige getallen doet. Of men nu gaat tot 100 of 105 of 95, dat is in feite maar bijzaak.
Als het kind de tandwisseling achter de rug heeft, dan begint men onmiddellijk met de tafels van vermenigvuldiging, het een-maal-een, en wat mij betreft zelfs het een-plus-een; in ieder geval tot de 6 of 7. Het kind dus zo vroeg mogelijk het een-maal-een en een-plus-een simpelweg uit het hoofd laten leren, nadat men niet veel meer dan het principe heeft uitgelegd, aan de hand van de eenvoudige vermenigvuldiging, die men zo aanpakt als we hebben gezegd. Dus zodra men het kind het begrip van de vermenigvuldiging kan bijbrengen, draagt men het ook op om de tafels van vermenigvuldiging uit het hoofd te leren.
GA 295/169
Vertaald/155

In de 4e voordracht spreekt Steiner ook over het rekenen i.v.m. de temperamenten.
Daaraan is op deze blog apart aandacht besteed in een reeks artikelen.

Natürlich muß das Kind zählen lernen, aber das zunächst additive zählende Rechnen, das ist nichts, was sich vereinigen kann mit den inneren Organisationskräften des Kindes. Wir sind ja im Verlaufe der Zivilisation allmählich dazu gekommen, das Arbeiten mit Zahlen in einer gewissen synthetischen Weise zu behandeln. Wir haben eine Ein­heit, eine zweite Einheit, eine dritte Einheit, und wir bemühen uns, im Abzählen, im additiven Elemente das eine zu dem anderen hinzuzu­fügen, so daß dann das eine neben dem anderen liegt, indem wir zählen. Dafür bringt uns, wie man sich wird überzeugen können, das Kind nicht ein äußerliches Wiederholen der Einheit, sondern sie lag in der wiederum nicht das elementar Menschliche zum Zählen hin entwickelt. Das Zählen ging allerdings aus von der Einheit; die Zwei war aber nicht ein äußerliches Widerholen der Einheit, sondern sie lag in der Einheit darinnen. Die Eins gibt die Zwei, und die Zwei sind in der Eins drinnen. Die Eins geteilt, gibt die Drei, und die Drei sind in der Eins darinnen. Fing man an zu schreiben ins Moderne umgesetzt: eins, so kam man aus der Einheit nicht heraus, indem man zur Zwei kam. Es war ein innerlich organisches Bilden, indem man zur Zwei kam, und die Zwei war in der Einheit drinnen; ebenso die Drei und so weiter. Die Einheit umfaßte alles, und die Zahlen waren organische Gliederungen der Einheit.

Natuurlijk moet het kind leren tellen, maar het in eerste instantie additieve, optellende rekenen, is niet iets wat zich kan verenigen met de innerlijke organisatiekrachten van het kind. Wij zijn er in de loop van de beschaving immers gelei­delijk toe gekomen het werken met getallen op een bepaalde synthetische manier te behandelen. [Bordtekening 6] We hebben een eenheid, een tweede eenheid, een derde eenheid en we spannen ons in, bij het aftrekken, bij het additieve ele­ment het ene aan het andere toe te voegen, zodat dan het ene naast het andere ligt, doordat we tellen. Daarvoor toont het kind geen innerlijk begrip; je zult je daarvan kunnen overtui­gen. Weer heeft zich niet het elementair menselijke op deze manier tot het tellen ontwikkeld. Het tellen ging natuurlijk wel uit van de eenheid, de twee was echter niet een uiterlijk herhalen van de eenheid, maar die zat in de eenheid. De een geeft de twee, en de twee zitten in de een. De een gedeeld geeft de drie en de drie zitten in de een. Begon men te schrijven, in het moderne omgezet: een, toen viel men niet uit de eenheid wanneer men tot de twee kwam. Het was een innerlijk orga­nisch vormen wanneer men tot de twee kwam, en de twee zat m de eenheid; en precies zo met de drie enzovoort. De een­heid omvatte alles en de getallen waren organische geledingen van de eenheid.
GA 303/171
Vertaald/186

Schilderen

Wir lassen das Kind einfache, runde, eckige Formen, rein um der For­men willen, zeichnen, nicht, wie gesagt, um der Nachahmung eines Äußeren willen, sondern rein um der Formen willen. Und wir scheuen uns nicht, mit diesem Zeichnen einfaches Malerisches zu verbinden, in­dem wir die Farben nebeneinanderstellen; so nebeneinanderstellen, daß das Kind eine Empfindung bekommt, was es heißt, Rot neben Grün zu stellen, Rot neben Gelb zu stellen und so weiter.

We laten de kinderen eenvoudige, ronde, hoekige vormen tekenen, puur omwille van de vormen zelf en niet, zoals gezegd, om iets uiterlijks na te bootsen; louter omwille van de vormen zelf. En we schrikken er niet voor terug om aan dit tekenen eenvoudige schilderoefeningen vast te knopen; we zetten de kleuren naast elkaar, en wel zo dat het kind er een gevoel voor krijgt wat het betekent om rood naast groen neer te zetten, en rood naast geel enzovoort.
GA 295/155
Vertaald/143

( ) auch Malerisches zu betreiben, das um des Malerischen willen betrieben wird.

Ook zijn we gaan schilderen omwille van het schilderen zelf.
GA 295/169
Vertaald/155

Schrijven

Onderstaande citaten zijn niet los te zien van wat Steiner in zijn voordrachten over het schrijven en lezen in algemenere zin opmerkt:

Rudolf Steiner over: schrijven en lezen

Und aus dem, was wir so erreichen, können wir auf die Art, wie wir es in unserer Didaktik betrachtet haben, das Schreiben an das Kind heranbringen. Naturgemäß wäre es, wenn wir allmählich den Über­gang suchten von gezeichneten Formen zu der lateinischen Schrift. Falls wir in der Lage sind, die lateinische Schrift vorausgehen zu lassen, so sollten wir das durchaus tun, denn wir werden erst dann die lateinische Schrift in die deutsche überführen können. Und wir gehen dann, nach­dem das Kind gelernt hat, einfache Schriftformen, die es an Wörtern belebt, zu schreiben und zu lesen, über zu den gedruckten Buchstaben. Da nehmen wir wiederum zuerst natürlich die lateinischen und dann die deutschen.
Wenn wir rationell in diesen Dingen vorgehen, dann werden wir es im ersten Schuljahr dahin bringen, daß das Kind immerhin in ein­facher Weise das oder jenes aufs Papier zu bringen vermag, was man ihm vorspricht, oder was es sich selbst vornimmt, aufs Papier zu brin­gen. Man bleibt beim Einfachen, und man wird es dahin bringen, daß das Kind auch Einfaches lesen kann. Man braucht ja durchaus nicht darauf bedacht zu sein, daß das Kind in diesem ersten Jahr irgend etwas Abgeschlossenes erreicht. Das wäre sogar ganz falsch. Es handelt sich vielmehr darum, das Kind in diesem ersten Jahr so weit zu bringen, daß es gegenüber dem Gedruckten nicht gewissermaßen wie vor etwas ihm ganz Unbekannten steht, und daß es die Möglichkeit aus sich her-ausbringt, irgend etwas in einfacher Weise niederzuschreiben. – Das wäre, wenn ich so sagen darf, das Ideal für den Unterricht im Sprach­lichen und im Schreiben.

En uit wat we zo bereiken kunnen we de kinderen leren schrijven, zoals we dat in onze didactiek hebben behandeld.* Het zou het meest natuurlijk zijn om van de getekende vormen een geleidelijke overgang te maken naar het Latijnse schrift. Als we in de gelegenheid zijn om het Latijnse schrift eerst te behandelen, moeten we dat zeer zeker doen, want dan zullen we het Duitse schrift kunnen afleiden van het Latijnse. En nadat het kind heeft geleerd om eenvoudige lettervormen – in woorden tot leven gekomen – te schrijven en te lezen, gaan we over tot de gedrukte letters. En dan nemen we natuurlijk eerst weer de Latijnse en dan de Duitse letters.
Gaan we hierbij rationeel te werk, dan zullen we in het eerste schooljaar zo ver komen dat het kind in ieder geval op eenvoudige wijze het een of ander op papier kan zetten wat men voorspreekt of wat het zelf wil opschrijven. Men houdt het eenvoudig, en men zal zo ver komen dat het kind ook eenvoudige dingen kan lezen. Men hoeft er dat eerste jaar toch echt niet naar te streven dat het kind iets afrondt. Dat zou zelfs heel verkeerd zijn. Het gaat er veeleer om dat het kind in dit eerste jaar zo ver komt dat het gedrukte taal niet als iets volstrekt onbekends beschouwt en dat het zelf in staat is om iets op eenvoudige wijze op te schrijven. Dat zou, als ik dat zo mag zeggen, het ideaal zijn voor de lessen in taal en schrijven.
GA 295/155
Vertaald/144

*zie GA 294, vdr. 1 en 5
vertaald

blz. 149

( ) auf der anderen Seite ist ja noch nicht so furchtbar viel verloren, wenn ein Kind in der l. Klasse noch schlecht schreibt. Nicht wahr, alle Kinder dieser Art werden, wenn man es durchführen könnte, natürlich unendlich viel gewinnen, wenn man solche Übungen mit ihnen macht, wie ich sie dazumal inauguriert habe.
Wenn man sie so etwas machen läßt (Dr. Steiner zeigt eine Übung):
Reich die rechte Hand über den Kopf und ergreife dein linkes Ohr. -Oder wenn man solche Sachen zeichnen läßt, eine Spirale, die nach innen verläuft, eine Spirale, die rechts verläuft, und eine Spirale, die links verläuft, so gewinnen sie sehr viel. Solche Übungen, durch die sich die Kinder ins Denken hineinstellen

( ) aan de andere kant is er niet zo verschrikkelijk veel verloren, wanneer een kind in de 1e klas nog slecht schrijft. Niet waar, al zulke kinderen zullen, wanneer we zulke dingen kunnen doorvoeren, wanneer je zulke oefeningen met hen doet zoals ik die destijds ingevoerd heb.
Wanneer je zoiets laat doen (Dr.Steiner doet een oefening voor): Ga met je rechterhand over je hoofd en pak je linker oor vast. Of wanneer je dit soort dingen laat tekenen, een spiraal die naar binnen loopt, een spiraal die naar rechts verloopt en die naar links verloopt, dan bereik je veel. Dat soort oefeningen waardoor de kinderen moeten gaan denken.

blz. 150

müssen. Dann das Schreiben: es sind einige, die sehr schlecht schreiben, und es gibt eine ganze Menge, die erstklassig sind. Die Kinder werden nicht viel davon haben, wenn Sie sie anhalten, daß sie durch die Verbesserung der Schrift besser schreiben lernen. Finger geschickt machen! Dann lernen sie besser schreiben.
Ich glaube nicht, daß Sie es zuwege bringen, eine schlechte Schrift durch die Bemühungen nach dem besseren Schreiben besser zu machen. Sie müssen Bemühungen machen, daß die Kinder geschick­ter werden im Zeichnen von Formen. Wenn sie Klavier spielen würden, würden sie besser schreiben lernen. Es ist durchaus ein rich­tiges Apercu, daß dieses eigentliche schlechte Schreiben auftritt erst in der Zeit, wo die Spielsachen der Kinder so außerordentlich mate­rialistisch geworden sind.

Dan over het schrijven: er zijn er een paar bij die heel slecht schrijven en er is een grote groep die eersteklasser zijn. De kinderen zullen er niet veel aan hebben, wanneer je maar bezig blijft om door het verbeteren van het handschrift ze beter te leren schrijven. De vingers geschikt maken! Dan leren ze beter schrijven. Ik geloof niet dat je het voor elkaar krijgt om een slecht handschrift door die moeite te doen voor het betere schrijven, dit te verbeteren. Je moet er moeite voor doen dat de kinderen handiger worden bij het tekenen van vormen. Wanneer ze piano zou spelen, zouden we een beter leren schrijven.
En het is beslist een goede opmerking dat dit eigenlijke slechte schrijven zich pas in een tijd voordoet waarin het speelghoed van de kinderen buitengewoon materialistisch is geworden.

Es ist geradezu empörend, daß ein großer Teil der Spielsachen in Baukästen besteht. Der dürfte überhaupt kein Spielzeug sein, weil er atomistisch ist. Wenn das Kind eine einfache Schmiede hat, so muß das darauf ausgehen, daß das Kind sie hand­haben muß. Ich möchte für ein Kind ein Spielzeug haben, das sich bewegt. Das steht in der ,,Erziehung des Kindes”. Die Spielzeuge heute sind furchtbar schlecht, und daher lernen die Kinder nicht mehr Fingergeschicklichkeit und können schlecht schreiben.
Es würde ja genügen, wenn man solche Kinder – man kann es in der Schule nicht machen -, die schlecht mit der Hand schreiben, anhal­ten würde, ganz einfache Formen mit den Füßen zu machen. Das wirkt auf die Hand zurück. Mit den Füßen kleine Kreise zeichnen. Halbkreise, Dreiecke. Daß sie zwischen eine Zehe und die nächste einen Bleistift kriegen und Kreise machen müssen.

Het is best schokkend dat een groter deel van het speelgoed uit blokkendozen bestaat. Dat zou geen speelgoed moeten zijn, omdat het atomistisch is. Wanneer het kind een eenvoudige smidse heeft, dan is het gevolg dat het daarmee gaan spelen. Ik zou voor een kind speelgoed willen hebben, dat beweegt. Dat staat in  ‘de opvoeding van het kind in het licht van de antroposofie’. Het speelgoed van nu is vreselijk slecht en daarom leren de kinderen niet meer handig worden met de vingers en kunnen ze slecht schrijven. Het zou voldoende zijn wanneer je die kinderen – op school gaat het niet – die slecht met hun handen schrijven, een poos met de voeten eenvoudige vormen te laten maken. Dat werkt terug op de hand. Met de voeten kleine cirkels tekenen. Halve cirkels, driehoeken. Dat ze tussen de ene teen en de andere een potlood houden en cirkels moeten tekenen

Man kann es nicht leicht machen. Das ist sehr interessant. Es eignet sich schwierig an, aber es ist sehr interessant zu machen. Im Sande draußen würde ich es als ganz gut betrachten, mit den Zehen mit einem Stock Figuren in den Sand hinein machen zu lassen, das wirkt auf die Hand ungeheuer stark zurück. Oder ein Kind etwas aufheben lassen mit dem Fuße; ein Taschentuch mit dem Fuß aufheben statt mit der Hand, das wirkt sehr stark. Ich will nicht sagen, daß sie essen müssen mit den Füßen. Aber, nicht wahr, man darf es nicht systematisch machen. Man muß versuchen, nicht direkt auf die Schriftverbesserung zu sehen, son­dern sie geschickt zu machen im Zeichnen von Kunstformen. Symmetrie herauskriegen in einer komplizierten Form. (Zu Herrn Baumann:) Taktschlagen, das ist eine gute Sache für die Ausbildung der Verstandesformen und logischen Formen.

Dat is niet zo makkelijk. Het is zeer interessant. Je leert het moeilijk, maar het is erg interessant om het te doen. Ik zie het als iets zeer goeds om buiten in het zand met de tenen met een stok figuren in zand te laten maken, dat werkt zeer sterk terug op de hand. Of een kind iets laten optillen met de voet; een zakdoek met de voet pakken, i.p.v. met de hand, dat werkt sterk terug. Ik wil niet zeggen dat ze met hun voeten moeten eten. Maar, niet waar, je hoeft het niet systematisch te doen. Je moet proberen niet onmiddellijk op het verbeteren naarverbeteren van  het schrijven te kijken, maar ze met het tekenen van kunstvormen handig te maken. Symmetrie laten ontstaan in een gecompliceerde vorm.
(Tot de heer Baumann:} maat slaan is een goed ding voor de vorming van logische, verstandsmatige vormen.
GA 300A/149-150
Niet vertaald

Taal

Nun wäre es wichtig, daß man im ersten Schuljahr nicht viel tippt an Grammatik und so weiter. 

Verder is het belangrijk dat men in de eerste klas de grammatica en dergelijke nauwelijks aanroert.
GA 295/155
Vertaald/144

Und es wird gut sein, wenn man darauf sieht, insofern man Dichtungen be­handelt – kurze Gedichte -, daß man insbesondere im ersten und zwei­ten Schuljahr das Kind instinktiv Rhythmus, Reim, Takt erfühlen läßt, und daß man die innere Formung des Gedichtes, also was sich auf die inneren Schönheiten des Gedichtes bezieht, zur Empfindung bringt beim Kinde im dritten und vierten Schuljahr.

En het zal goed zijn als men er vooral in de eerste en tweede klas op toeziet dat men de kinderen instinctief ritme, rijm, maat laat aanvoelen wanneer men – korte gedichten behandelt, en in de derde en vierde klas het kind de innerlijke vorm van het gedicht, dus wat betrekking heeft op de innerlijke schoonheden van een gedicht, laat ervaren.
GA 295/156-157
Vertaald/145

Tekenenzie vormtekenen

GA 300A

X.    gibt einen Bericht über ihren Unterricht in der 1. Klasse.

Dr. Steiner: Mit Stiften zu zeichnen, ist nicht gut. Man sollte lieber Aquarellfarben nehmen zum Malen. Ölkreiden sind benutzbar.

X doet verslag over haar les in klas 1

Dr.Steiner: met potloden tekenen is niet goed. Om te schilderen kun je beter aquarelverf nemen. Oliekrijt is bruikbaar.
GA 300A/112
Niet vertaald

Vertellen

Aber ich glaube, es wird gut sein, wenn Sie sich überlegen, worin dasjenige bestehen muß, was Sie gewissermaßen in der Erzählungsstunde mit den Kindern zu pflegen haben. Die eigentlichen Unterrichtsstunden werden sich dann aus unseren allgemeinen pädagogischen Gesichtspunkten er­geben. Aber Sie werden für die Erzählungsstunden einen Stoff auf­nehmen müssen, der durch die ganze Schulzeit vom siebenten bis vier­zehnten Jahr an die Kinder im freien, erzählenden Tone wird heran-gebracht werden müssen.

Da wird es notwendig sein, daß in den ersten Schuljahren eben ein gewisser Märchenschatz zur Verfügung steht.

1.    ein gewisser Märchenschatz

Maar ik denk dat het goed is wanneer u zich bezighoudt met de vraag wat u in het verteluur met de kinderen moet doen. ( ) Maar voor de verteluren moet u onderwerpen hebben die de hele schooltijd door, van het zevende tot het veertiende jaar, aan de kinderen in vrije vorm verteld kunnen worden.

Daarvoor is het nodig dat u in de eerste schooljaren zoals gezegd een zekere schat aan sprookjes ter beschikking heeft. 

1.Sprookjes  (letterlijke vertaling: een bepaalde schat aan sprookjes)
GA 295/19
Vertaald/19-20

Da kommt ja zunächst für uns in Betracht, daß wir, wenn wir die Kinder ins erste Schuljahr hereinbekommen, geeignete Stoffe finden zum Vorerzählen und Nacherzählenlassen. An diesem Vorerzählen von Märchen, von Sagen, aber auch von äußerlich-realistischen Wirk­lichkeiten, und in dem Nacherzählenlassen bilden wir heran das eigent­liche Sprechen. Wir bilden heran den Übergang von der Mundart zur gebildeten Umgangssprache. Indem wir darauf sehen, daß das Kind richtig spricht, werden wir auch den Grund legen für richtiges Schrei­ben.
Wir werden parallel gehen lassen diesem Vor- und Nacherzählen die Einführung des Kindes in eine gewisse bildnerische Formensprache.

Het eerste is dan dat we, als we de kinderen in de eerste klas krijgen, geschikte stof moeten vinden om te vertellen en te laten navertellen. Aan de hand van dit vertellen van sprookjes, van sagen, maar ook van realistische verhalen uit de werkelijkheid, en door ze te laten navertellen, ontwikkelen we het eigenlijke spreken. We vormen de overgang van het dialect naar de beschaafde omgangstaal. Door erop te letten dat het kind goed spreekt, zullen we ook de basis leggen voor het correct schrijven.
Parallel aan dat vertellen en navertellen zullen we de kinderen invoeren in een zekere beeldende vormentaal.
GA 295/154
Vertaald/143

Erzählungen sollten nicht zu lang sein. Zu empfehlen sind in den unteren Klassen kürzere, präzise, überschaubare Erzählungen. Die Hauptsache ist, daß die Sache nachher sitzt. Es ist darauf zu sehen, daß nichts, was durchgenommen wird, rasch wieder aus den Kindern verschwindet, und das sollte nicht durch Wiederholung, sondern gleich durch die erste Darstellung erreicht werden.

Verhalen moeten niet te lang zijn. Aan te bevelen zijn voor de lagere klassen kortere, precieze, overzichtelijke verhalen. De hoofdzaak is, dat de zaak daarna zit. Je moet erop letten dat niets van wat je behandeld hebt, snel weer uit de kinderen verdwijnt en dat moet niet door herhalen, maar meteen door de eerste aanpak bereikt worden.
GA 300A/112
Niet vertaald

Es wird gefragt, ob man auch Märchen erzählen kann, in denen blutige Dinge vorkommen.
Dr. Steiner: Wenn das Märchen so wäre, daß die Absicht vorliegt, daß das Blut als Blut wirkt, dann wäre es unkünstlerisch. Bei Mär­chen kann nur entscheiden, daß es ein geschmackvolles Märchen ist. Da kann es nicht schaden, wenn auch Blut darin ist. Ich habe einer Mutter gesagt, wenn man es absolut vermeiden will, den Kindern von Blut zu reden im Märchen, so verzärtelt man sie so, daß sie später bei einem Blutstropfen in Ohnmacht fallen. Das ist eine Schädlichkeit fürs Leben. Man soll die Kinder nicht untüchtig machen fürs Leben dadurch, daß man einen solchen Grundsatz aufstellt.

Er wordt gevraagd of je ook sprookjes kan vertellen waarin bloedige taferelen voorkomen.

Dr.Steiner: Wanneer het sprookje de bedoelijng zou hebben dat het bloed als bloed werkt, zou het onkunstzinnig zijn. Voor een sprookje is het beslissend of het een kunstzinnig sprookje is. Dan is het niet zo erg dat er bloed in voorkomt. Ik zei tegen een moeder, dat als je per se wil voorkomen om een kind in een sprookje over bloed te praten, je ze dan zo vertroetelt dat ze later bij het zien van een druppel bloed flauw vallen. Dat is een nadeel in het leven. Je moet de kinderen niet niet ongeschikt maken voor het leven door zo’n regel op te stellen.
GA 300A/151
Niet vertaald

Nun, man mag denken wie man will über den geistigen Gehalt der äußeren sinnlichen Wirklichkeit, aber Gift ist es für den werdenden Menschen, wenn er gerade in der Zeit zwischen dem 6., 7. und dem 9. Jahre nicht gerade auf märchenhafte Art die Phantasie entwickelt bekommt. Ist der Lehrer selber kein Phantast, so wird er zunächst alles dasjenige, was er an das Kind über die Umgebung des Menschen heran­bringen will – das Kind unterscheidet sich ja noch nicht von der Um­gebung, das tritt erst später, im 9. Jahre ein -, alles das, was er ent­wickelt über Tier, Pflanze, über die übrige Natur, er wird es dem Kinde in Märchenform beibringen. Wenn man nur einmal sich damit vertraut machte, welch gewaltiger Unterschied darinnen liegt, ob man dem Kinde Märchen liest oder man solche Märchen selber erst aus­gestaltet! Ich bitte, lesen Sie noch so viel Märchen und erzählen Sie geleseneMärchen Ihren Kindern, sie wirken nicht so, als wenn Sie viel schlechtere Märchen selber ausgestalten und sie an die Kinder heran­bringen, und zwar weil der Prozeß des Gestaltens in Ihnen – das ist ja eben das, was ich meine mit dem Lebendigen – auf das Kind nachwirkt, weil er sich wirklich dem Kinde mitteilt. Das sind die Imponderabilien des Umgangs mit dem Kinde.

Nu mag je denken wat je wil over het geestelijke gehalte van de uiterlijke zintuiglijke werkelijkheid, maar het is gif voor de wordende mens in de tijd tussen het 6e, 7e en het 9e jaar wanneer het juist niet op sprookjesachtige manier zijn fantasie kan ontwikkelen. Is de leerkracht zelf geen fantast, dan zal hij vooral alles wat hij aan het kind over de omgeving van de mens wil leren (het kind onderscheidt zich dus nog niet van zijn omgeving, dat komt pas later, in het 9e jaar), alles wat hij maakt over dier, plant, over de overige natuur, hij zal het het kind bijbrengen in de vorm van een sprookje. Maakte men zichmaar eens vertrouwd met wat voor geweldig verschil het is of je het kind sprookjes voorleest of dat je zelf eerst zulke sprookjes ontwerpt. Ik vraag u, leest u nog zo veel sprookjes en vertel de gelezen sprookjes aan uw kinderen, ze werken niet zo, als wanneer u veel slechtere sprookjes zelf maakt en die aan de kinderen geeft en wel omdat het proces van het maken in u – dat is nu wat ik bedoel met het levendige – in het kind nawerkt, omdat het echt bij het kind aankomt. Dat is het imponderabele in de omgang met het kind.
GA 301/84-85
Op deze blog vertaald/84-85

zie ook: Rudolf Steiner over vertellen
.
vormtekenen

In de 4e voordracht brengt Steiner in het eerste uur dat de kinderen op school zijn, in contact met de 2 ‘oer’vormen: het rechte en het ronde. Zie Rudolf Steiner over de 1e klas

Wir lassen das Kind einfache, runde, eckige Formen, rein um der For­men willen, zeichnen, nicht, wie gesagt, um der Nachahmung eines Äußeren willen, sondern rein um der Formen willen. Und wir scheuen uns nicht, mit diesem Zeichnen einfaches Malerisches zu verbinden, in­dem wir die Farben nebeneinanderstellen; so nebeneinanderstellen, daß das Kind eine Empfindung bekommt, was es heißt, Rot neben Grün zu stellen, Rot neben Gelb zu stellen und so weiter.

We laten de kinderen eenvoudige, ronde, hoekige vormen tekenen, puur omwille van de vormen zelf en niet, zoals gezegd, om iets uiterlijks na te bootsen; louter omwille van de vormen zelf. En we schrikken er niet voor terug om aan dit tekenen eenvoudige schilderoefeningen vast te knopen; we zetten de kleuren naast elkaar, en wel zo dat het kind er een gevoel voor krijgt wat het betekent om rood naast groen neer te zetten, en rood naast geel enzovoort.
GA 295/155
Vertaald/143

Nun bitte ich zu beachten, daß wir bis zum sechsten Schuljahr die geometrischen Formen: Kreis, Dreieck und so weiter herausgeholt ha­ben aus dem Zeichnen, nachdem wir zuerst in den ersten Jahren das Zeichnen für den Schreibunterricht getrieben haben. Dann sind wir allmählich dazu übergegangen, aus dem Zeichnen, das wir für den Schreibunterricht getrieben haben, beim Kinde kompliziertere Formen zu entwickeln, die um ihrer selbst willen, um des Zeichnens willen be­trieben werden; auch Malerisches zu betreiben, das um des Malerischen willen betrieben wird. In diese Sphäre leiten wir den Zeichen- und Mal-unterricht im vierten Schuljahr, und im Zeichnen lehren wir, was ein Kreis ist, eine Ellipse ist und so weiter. Aus dem Zeichnen heraus lehren wir dieses. 

Ik wil u er nu op wijzen dat we tot aan de zesde klas de geometrische vormen, cirkel, driehoek enzovoort, hebben afgeleid uit het tekenen, nadat we in de eerste jaren het tekenen hebben gedaan ten behoeve van het schrijven. Dan zijn we er geleidelijk toe overgegaan om uit het tekenen dat we voor het schrijfonderwijs deden gecompliceerdere vormen te ontwikkelen, die om zichzelf, omwille van het tekenen zelf werden uitgevoerd. Ook zijn we gaan schilderen omwille van het schilderen zelf. In deze richting leiden we de teken- en schilderlessen in de vierde klas, en in het tekenen leren we de kinderen wat een cirkel is, wat een ellips is, enzovoort. We doen dat vanuit het tekenen.
GA 295/169
Vertaald/155

In den ersten Schuljahren den zeichnerischen Unterricht so, daß wir zuerst dem Kinde ein ge­wisses Empfinden an runden, an eckigen Formen und so weiter beibringen.

Aus der Form heraus entwickeln wir das, was wir dann für den Schreibunterricht brauchen. Wir vermeiden es am Beginne dieses elementarischen Zeichenunterrichts ganz, irgend etwas nachzuahmen. Vermeiden Sie es, soviel Sie nur können, das Kind zuerst einen Stuhl oder eine Blume oder irgend etwas nachahmen zu lassen, sondern brin­gen Sie ihm soviel als möglich Linienformen aus sich selbst hervor:
runde, spitzige, haibrunde, elliptische, gerade Formen und so weiter. Rufen Sie im Kinde das Gefühl hervor, was für ein Unterschied ist zwischen Kreisbiegung und Ellipsenbiegung. Kurz, erwecken Sie das Formengefühl, bevor der Nachahmungstrieb erwacht ist! Erst später lassen Sie das, was in den Formen gepflegt worden ist, auf das Nach­ahmen anwenden. Lassen Sie das Kind erst einen Winkel zeichnen, so daß es in der Form den Winkel begreift. Dann zeigen Sie ihm den Stuhl und sagen ihm: «Siehst du, da ist ein Winkel, und da ist noch einmal ein Winkel» und so weiter. Lassen Sie das Kind nichts nachahmen, bevor Sie nicht in ihm aus innerem Gefühl heraus die Form in ihrer Selbst-tätigkeit gepflegt haben, die dann später erst auch nachgeahmt wer­den kann. Und so halten Sie es auch noch, wenn Sie zur mehr selbstän­digen Behandlung des Zeichnens und des Malerischen und auch des Bildnerischen übergehen.

Nu tekenen we de eerste schooljaren zo, dat we de kinderen eerst een zeker gevoel bijbrengen voor ronde en hoekige vormen en dergelijke. Vanuit de vorm ontwikkelen we datgene wat we dan nodig hebben voor het schrijven. We vermijden het in het begin van deze elementaire tekenlessen absoluut om iets na te tekenen. Vermijdt u zo veel mogelijk om het kind eerst een stoel of een bloem te laten natekenen of wat dan ook. Laat u de vormen van de lijnen zo veel mogelijk uit zichzelf ontstaan: ronde, spitse, halfronde, elliptische, rechte vormen enzovoort. Roep in het kind een gevoel op voor het verschil tussen de kromming van een cirkel en die van een ellips. Kortom, wek het vormgevoel, voordat de drang tot nabootsing ontwaakt is! Pas later laat u datgene wat geoefend is aan de vormen toepassen bij de nabootsing. Laat het kind eerst een hoek tekenen, zodat het in de vorm de hoek begrijpt. Dan laat u een stoel zien en zegt: ‘Kijk, daar is een hoek, en daar is nog een hoek’ enzovoort. Laat het kind niets natekenen voordat u in het kind vanuit een innerlijk gevoel de vorm in haar eigen werkzaamheid hebt gewekt, die dan later pas ook nagebootst kan worden. En zo gaat u ook nog te werk wanneer u overgaat tot het tekenen omwille van het tekenen en ook tot het schilderen en boetseren als op zichzelf staande vakken.
GA 295/170
Vertaald/156

1e klas: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen

Het leerplan: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 1e klas

.

1855-1740

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het kind, de leerkracht, ontwikkeling, lesstof en leerplan

.

Het staat vast dat er op een school moet worden geleerd.

Ook op de vrijeschool.

In het onderwijs wordt ook wel opgevoed. Op de meeste scholen zijn er gedragsregels, worden de kinderen aangespoord hun handen te wassen na toiletbezoek of enigszins beleefd de leerkrachten aan te spreken enz.

Ook op de vrijeschool.

En de scholen willen de leerlingen iets leren. Willen lesstof overbrengen. Welke lesstof en wanneer die aan de orde komt, staat beschreven in het leerplan van de scholen. Dat heette op zeker ogenblik ‘schoolwerkplan’.

Dat is op de vrijeschool niet anders.

Is er dan geen verschil?

Zeker wel! 

De leerstof die op scholen wordt onderwezen, is de leerstof waarvan men vindt dat kinderen die onderwezen moet worden, gewoon omdat je veel weten moet om verder te kunnen in het leven.

Dat laatste was voor Rudolf Steiner niet genoeg. Leerstof was voor hem niet een doel op zich. Hij maakte het ondergeschikt aan de ontwikkeling van het kind. 

Hij constateerde in de tijd dat in 1919 de eerste vrijeschool werd opgericht dat het onderwijs te veel een instituut was waarin overdracht van kennis op de eerste plaats stond.

Dat staat het nu nog.

Dat moet op de vrijebasisschool niet zo zijn:

221*
We kijken niet meer naar de (volledige) mens, maar naar wat de mens moet worden bijgebracht, wat hij moet weten en in zich moet hebben. ( ) Wij moeten weer oog krijgen voor de héle mens.

Wil een vrijeschool een vrijeschool zijn, dan zal het in de eerste plaats moeten gaan om deze hele mens

Die hele mens kan worden beschreven:

40
Het moet ons duidelijk zijn dat we de lesstof hoofdzakelijk gebruiken om op de wil, het gemoed en het denken van het kind in te werken, dat het er ons niet zozeer om gaat wat het kind in zijn geheugen vasthoudt als wel dat het kind de kwaliteiten van zijn ziel ontwikkelt

De leestof wordt vanuit deze optiek méér dan alleen kennisoverdracht: de lesstof wordt een middel om de ontwikkeling van het kind – van kleuter tot volwassene – te ondersteunen.

Het gaat om meer:

214
We moeten het kunstzinnige on­derwijs – zowel in de beeldende als in de muzikale kunsten – van meet af aan in de school verzorgen. Het abstracte mag er niet heer en meester zijn, maar het kunstzinnige moet er heersen. En vanuit het kunstzinnige moet het kind gebracht worden tot het begrijpen van de wereld.

En daarmee wordt van de leerkracht iets meer verwacht dan de overbrenger te zijn van kennis: hij moet een kunstenaar zijn.

190
Want opvoeden en onderwijzen kan de mens alleen maar, wanneer hij hetgeen hij vorm moet geven, moet organiseren, net zo begrijpt als de schilder die slechts schilderen kan, wanneer hij de natuur, het wezen van de kleur kent; de beeldhouwer alleen maar werken kan, wanneer hij de aard van het materiaal kent enz. Wat voor de andere kunsten geldt die met zichtbaar materiaal werken, zou dat niet gelden voor die kunst die met het meest edele materiaal werkt dat de mens maar in handen kan krijgen, met het wezen mens zelf, zijn wording en zijn ontwikkeling?

168
Wat heeft het voor zin om iedere keer weer te zeggen dat we niet alleen maar droog les moeten geven, niet alleen stof moeten bijbrengen die het kind moet weten, wanneer we geen kans zien deze stof zo te veranderen dat het direct opvoedingsmiddel wordt?

Daarmee komt het wezen van het kind centraal te staan:

226
Want wat is eerlijk gezegd eigenlijk het mooiste in de wereld? Dat is toch de mens in wording!

236
De wordende mens, de zich ontwikkelende mens is een van de grootste raadsels van het leven en een goede opvoeder moet in de praktische vorming van de wordende mens degene zijn die het raadsel oplost

Dan wordt er van de leerkracht wel een en ander gevraagd:

219
Voor iemand die niet alleen met zijn nuchtere, droge verstand naar de wereld kijkt, maar in staat is deze invoelend te kennen, is het opgroeiende kind een wonderbaarlijk raadsel; hoe dit iedere dag, iedere week, iedere maand en ieder jaar zijn innerlijk steeds meer in de buitenwereld tot uitdrukking brengt.

228
De leerkracht moet een ongekende eerbied voor het kind hebben en weten: iets uit de goddelijk-geestelijke wereld is naar de aarde gekomen. Dat wij dit weten, tot ons hart laten doordringen en van daaruit opvoeder worden, daar komt het op aan

180
De vrijeschoolleerkracht 
moet leren lezen in het meest wonderbaarlijke document van de wereld, in de mens

217
( ) waar is het boek waarin de pedagoog kan lezen wat pedagogie is? Dat zijn de kinderen zelf! Je moet uit geen enkel ander boek pedagogie leren dan uit het boek dat opengeslagen voor je ligt. Dat zijn de kinderen zelf. Daarom heb je een zeer grote interesse nodig voor ieder kind apart

231
Het zal er steeds op aankomen dat wij voor iedere leeftijd dat vinden wat door de ontwikkeling van de mens voor deze leeftijd zelf gevraagd wordt. En daarvoor hebben we nodig dat we de mens echt goed kunnen observeren, en een echte menskunde

‘Het kind centraal’ – ik leerde het vijftig jaar geleden al – dáár gaat het om. 

Maar hoe maak je dit waar; alleen door te zeggen dat het kind centraal staat, staat het automatisch nog niet centraal. 
Allereerst gaat het erom dat je goed kan waarnemen. M.a.w. zie je het kind.
Zie je het vanuit zijn onuitgesproken verlangen dat het ‘gezien wil worden?’

195
Voor opvoeding en onderwijs, wil het floreren, is het noodzakelijk dat je als opvoeder en leerkracht zo goed leert waarnemen dat je de gevoelsuitingen, de wordende gestalte van het kinderlijk organisme door de uiterlijke schijn heen begrijpt

Door het waar te nemen, leer je ook zien dat het kind van alles van ons onuitgesproken vraagt:

232
Het gaat erom dat je aan de natuur van het kind afleest wat je met hem moet doen 

53
( ) Uit de kennis van de menselijke levensfasen wordt het juiste leerplan ontwikkeld. Het kind zelf geeft ons aan, als we het werkelijk kunnen waarnemen, wat het op een bepaalde leeftijd wil leren

Vanuit vele gezichtspunten heeft Steiner over deze levensfasen gesproken. Ze vormen een belangrijk deel van zijn menskunde.

93
Zo kun je met een echte menskunde aan de ontwikkeling van de mens aflezen wat je van week tot week, van maand tot maand, van jaar tot jaar met het kind opvoedend en onderwijzend te doen hebt. Het leerplan moet een kopie zijn van wat je kan lezen in de ontwikkeling van de mens

205
We hebben een pedagogiek nodig die op menskunde, op het kennen van het kind, berust

Ontwikkeling van het kind, leerstof en leerplan

De inhoud van Steiners pedagogische voordrachten heeft vooral betrekking op de ontwikkeling van het kind.
De leerstof wordt beschreven in relatie tot deze ondersteuning bij de ontwikkeling.
Hij komt in deze voordrachten niet tot een kant-en-klaar leerplan voor alle klassen, het blijven leerplanaanwijzingen, waarbij de leerstof, lesstof gegroepeerd wordt om deze ontwikkeling, wat zijn neerslag vindt in het leerplan.

Wir haben ja, sowohl durch die allgemein päd­agogischen Betrachtungen wie durch die didaktischen Betrachtungen, die notwendigen Gesichtspunkte zu gewinnen versucht, um die Glie­derung des Lehrstoffes mit Rücksicht auf die Entwickelung des werden­den Menschen richtig betrachten zu können.

Zowel door de algemene pedagogische als door de didactische beschouwingen hebben we immers de nodige gezichtsounten proberen te vinden om een juiste indeling van de leerstof te kunnen maken, reikening houdend met de ontwikkeling van de opgroeiende mens.
GA 295/154
Vertaald/143
In de loop van de jaren na zijn dood in 1925 heeft het leerplan vastere vormen aangenomen. Ervaringen, resultaten van studies werden als gezichtspunten voor verdere leerplanontwikkeling geïmplementeerd. Het is niet meteen duidelijk wat van Steiner komt en wat door anderen is toegevoegd. 

Rudolf Steiner over de lesstof van klas 1


Wat hij over de verschillende leerstof zei, vind je via Rudolf Steiner: alle artikelen, zie onder.

.*de getallen verwijzen naar de volgorde waarin deze citaten als ‘wegwijzers‘ op deze blog zijn verzameld.

Rudolf Steiner: over het leerplan

Rudolf Steiner: algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle klassen

.

1846-1731

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 3 (3-8)

.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE
.

*GA 293
Vertaling

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken bij alle voordrachten.
De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

Nadat Steiner op blz. 57 over botten en zenuwen heeft gesproken [3-7], maakt hij nog drie ‘uitstapjes’ waarin botten en zenuwen een rol spelen.
Rachitis [nog niet oproepbaar] en het oog [nog niet oproepbaar] en op blz. 58 brengt hij botten en zenuwen in verband met het abstracte denken.

blz. 58 (vert)

Die Alten haben in ihrem Wissen immer eine Verwandtschaft gefühlt zwischen dem Nervenmark, der Nervensubstanz und dem Knochenmark oder der Knochensubstanz, und sie sind der Meinung gewesen, daß man mit dem Knochenteil ebenso denkt wie mit dem Nerventeil. Das ist auch die Wahrheit. Wir verdanken alles, was wir an abstrakter Wissenschaft haben, der Fähigkeit unseres Knochensystems. 

De mensen in de oudheid hebben in hun kennis altijd een verwantschap gevoeld tussen het zenuwmerg, de substantie van de zenuwen, en het merg in botten, de substantie van het bot. Ze waren van mening dat men evenzeer met de botten denkt als met de zenuwen. Dat is ook de waarheid. Alle abstrac­te wetenschap hebben we te danken aan het vermogen van ons botstelsel.

Steiner doet heel vaak uitspraken die we moeilijk kunnen verifiëren. Waar zouden we bv. ‘in de oudheid’ kunnen vinden wie ‘de mensen’ zijn die deze verwantschap gevoeld hebben en wat voelden ze dan en waaruit blijkt dat?

Hadden we tot nog toe de indruk dat het abstracte denken gebonden is aan het zenuwstelsel – de uitleg daarvan neemt een aanzienlijke plaats in in de 2e voordracht [bv. in 2-4], nu moeten we proberen te begrijpen dat het ook met het bottenstelsel samenhangt.

Ik heb al eerder opgemerkt dat Steiner telkens weer terugkomt op wat hij eerder en in ander verband al eens heeft besproken en dat hij, wanneer hij er dan weer op terugkomt, telkens een andere invalshoek kiest, andere aspecten belicht.
Zo komt dit onderwerp ook ter sprake in GA 128, voordracht 7, van 27 maart 1911.

Zo weten we inmiddels dat de drie psychische functies: denken, voelen en willen, hun lichamelijke uitdrukking vinden in het zenuw-zintuigstelsel, in ademhaling-bloedomloopstelsel en het stofwisseling-ledematenstelsel. [drieledige mens 2-8]

Alle activiteiten van deze psychische functies oefenen hun invloed uit op hun lichamelijke component; zijn er voor een (groot) deel afhankelijk van, beïnvloeden elkaar wederzijds.

In bovengenoemde voordracht behandelt Steiner het denken en hoe dit zijn invloed heeft op het fysieke lichaam.

blz. 132

Jedem denkerischen Vorgange entspricht ein Vorgang in unserem Organismus, ebenso jedem Gefühlsvorgange und ebenso jedem Vor-gange, der mit dem Ausdruck Willensimpuls bezeichnet werden muß. Gleichsam könnten wir sagen: Wenn in unserem Seelenleben etwas vorgeht, wird eine Welle angeschlagen, die sich bis hinunter in den physischen Organismus fortpflanzt. 

Bij ieder denkproces hoort een activiteit in ons organisme, evenzo bij ieder gevoelsproces en bij ieder proces dat met de uitdrukking van de wilsimpuls bestempeld moet worden. We kunnen dus zeggen: wanneer er in ons zielenleven iets plaatsvindt, wordt er een golf in beweging gebracht die zich tot in het fysieke organisme voortplant.

Nehmen wir zunächst den Vorgang des Denkens. Da ist es am besten, einen solchen Gedanken-prozeß ins Auge zu fassen, der wie das rein mathematische Denken oder ein ähnliches objektives Denken unsere Gefühle und unseren Willen unbeeinflußt läßt. Solche Gedankenprozesse, die denkerische Prozesse «in Reinkultur» sind, wollen wir zunächst ins Auge fassen. Was geht in unserem Organismus vor, wenn sich solche Gedanken-prozesse in unserem Seelenleben abspielen? Jedesmal, wenn wir den­ken, wenn wir Gedanken fassen, findet in unserem Organismus ein Prozeß statt, den wir vergleichen können – ich sage das nicht als Analogie, sondern als eine Tatsache, der Vergleich soll uns auf Tatsa­chen führen -, den wir vergleichen können mit dem Prozeß einer Kristallisation. Wenn wir in einem Glase Wasser haben, das bis zu einem gewissen Grade erwärmt ist, und darin irgendein Salz, Stein­salz zum Beispiel, aufgelöst haben und bringen nun durch Abküh­lung des Wassers dieses aufgelöste Salz zur Kristallisation, dann vollzieht sich der der Auflösung entgegengesetzte Prozeß. Wenn das Salz ganz aufgelöst ist, ist das Wasser durchsichtig. Wenn aber das Wasser wieder abgekühlt wird und der der Auflösung entgegenge­setzte Prozeß im Wasser sich vollzieht, dann wird das Salz wieder herauskristallisiert aus dem Wasser; es geschieht eine Salzrückbil­dung, eine Salzeinlagerung im Wasser. Der Prozeß stellt sich also so

Laten we eerst het denkproces nemen. Nu is het het beste naar een denkproces te kijken dat als een puur wiskundig denken of een soortgelijk objectief denken, niet van invloed is op onze gevoelens en onze wil. [ ] Wat gebeurt er wanneer dergelijke denkprocessen zich in ons zielenleven afspelen? Iedere keer als we denken, wanneer we gedachten formuleren, vindt er in ons organisme een proces plaats dat we kunnen vergelijken – ik zeg dit niet als een analogie, maar als een feit, de vergelijking moet ons bij de feiten brengen – met een kristallisatieproces.
Wanneer we een glas met water hebben dat een bepaalde warmte heeft en er zit zout in, steenzout bv. dat we opgelost hebben en we laten het afkoelen, dan komt het tot kristalvorming, er voltrekt zich een proces precies tegenovergesteld aan dat bij het opwarmen. Wanneer het zout helemaal opgelost is, is het water doorzichtig. Wanneer het echter weer afgekoeld wordt en het tegenovergestelde proces voltrekt zich, dan wordt het zout weer tot kristallen; er vindt zoutvorming plaats, een zoutafzetting in het water.

blz. 133

dar, daß wir sehen: In dem vorher warmen Wasser entsteht, wenn wir es abkühlen, ein Festes; es lagert sich im Flüssigen ein Festes ein, eine Salzablagerung. Wie gesagt, ich habe vorausgesetzt, daß durch die Angaben okkulter Resultate derjenige, der nur pedantisch im rein philiströsen Sinne die Tatsachen zugeben will, die von der Wissen­schaft registriert sind, zunächst schockiert werden kann.

Het proces doet zich zo voor dat wij zien: in het van te voren warm gemaakte water ontstaat, wanneer we het afkoelen, iets wat vast is; in het vloeibare zet zich iets wat vast is af, een zoutafzetting. [ ]

Ein ganz gleicher Prozeß spielt sich nun ab in unserem Organis­mus, wenn wir denken. Es ist der Prozeß des Denkens entsprechend einem Einlagerungsprozeß von Salzen, der ausgeht von einer Wir­kung unseres Blutes und der irritierend zurückwirkt auf unser Ner­vensystem, ein organischer Prozeß also, der sich abspielt an der Grenze unseres Blutes und unseres Nervensystems. Und geradeso, wie wir beim Anschauen des Wassers in dem Wasserglase das Aus­kristallisieren des Salzes beobachten können, so können wir sehen, wenn wir einen Menschen beobachten, der in der befriedigenden Lage ist zu denken, wie sich in der Tat – für das hellseherische Auge sehr genau übersinnlich wahrnehmbar – ein solcher Prozeß abspielt. So haben wir das physische Korrelat des Denkprozesses einmal vor unsere Seele hingestellt.

Een soortgelijk proces speelt zich af in ons organisme als we denken. Het is een afzettingsproces van zouten dat bij het proces van denken hoort, dat uitgaat van een werking van ons bloed dat irriterend terugslaat op ons zenuwsysteem, een organisch proces dus, dat zich afspeelt op de grens van ons bloed en ons zenuwsysteem. En net zoals we bij het kijken naar het water in het glas het kristalliseren van het zout kunnen zien, kunnen we, wanneer we naar een mens kijken die in de gelukkige omstandigheid van het denken verkeert, waarnemen hoe zich – voor de helderziende blik zeer nauwkeurig bovenzinnelijk waar te nemen – zo’n proces voltrekt. Nu hebben we ons het fysieke correlaat van het denkproces voor de geest gesteld.

Steiner geeft in deze voordracht ook aan wat voor lichamelijk correlaat voelen en willen hebben.

Voor het denken zegt hij dan:

Von der Salzablagerung bis zur Quellbar­keit und zur Erwärmung spielen sich diese Prozesse so ab, daß der ganze Organismus ergriffen wird oder auch, zum Beispiel beim denkerischen Prozeß, hauptsächlich ein Teil unseres Organismus, Gehirn und Rückenmarksystem. In der mannigfaltigsten Weise im menschlichen Organismus verteilt sind diese Prozesse, welche Folgen der Einwirkung der seelischen Prozesse sind.

[ ] bij het denkproces spelen zich de processen van de zoutvorming zich hoofdzakelijk af in de hersenen en het ruggenmergsysteem.
GA 128/132
Niet vertaald

Als Steiner hierboven aangeeft dat hij hier naar het denken kijkt wanneer het actief is bij wiskundig denken of objectief denken, zegt hij daar niet met zo veel woorden dat het Ik dan heel actief moet zijn.
Dat doet hij later in de voordracht wel:

blz. 139

Fassen wir die Sache noch von einem anderen Gesichtspunkt ins Auge. Wir wissen ja jetzt, daß alles, was wir als bewußte Denktätig­keit, die vom Ich bewirkt wird, bezeichnet haben, sich zum Aus­druck bringt durch eine Art von feinster Salzablagerung im Blut. Es gibt sich also das bewußte Denken zu erkennen durch eine Art von innerer Salzablagerung.

Laten we de zaak nog eens van een andere kant bekijken. We weten nu dat alles wat we de bewuste denkactiviteit genoemd hebben die van het Ik uitgaat, zich manifesteert door een soort fijne zoutafzettingen in het bloed. Het bewuste denken geeft zich te kennen door een manier van inwendige zoutafzetting.

In Theosofie merkt Steiner over het lichaam op:

Der Menschenleib hat einen dem Denken entsprechenden Bau. Dieselben Stoffe und Kräfte, die auch im Mineralreich vorhanden sind, finden sich im menschlichen Leib so gefügt, daß sich durch diese Zusammenfügung das Denken offenbaren kann. Dieser mineralische, in Gemäßheit seiner Aufgabe gebildete Bau soll für die folgende Betrachtung der physische Körper des Menschen heißen.
Der auf das Gehirn, als seinen Mittelpunkt, hingeordnete mineralische Bau entsteht durch Fortpflanzung und erhält seine ausgebildete Gestalt durch Wachstum.

Het menselijk lichaam heeft een bouw die bestemd is voor het denken. Dezelfde stoffen en krachten die ook in het rijk van de mineralen voorkomen, zijn in het menselijk lichaam op zo’n manier samengevoegd, dat het denken zich kan openbaren. Deze minerale bouw, die naar zijn functie is gevormd, wordt in het vervolg het fysieke lichaam van de mens genoemd. Dit samenstel van mineralen, dat de hersenen als middelpunt heeft, ontstaat door voortplanting en ontwikkelt zijn volledige gestalte door groei.
GA 9/18
Vertaald/33

Over deze minerale opbouw zegt hij dan verder:

Wir können daher also erwarten, daß da, wo aus dem Kosmischen heraus unser Knochensystem vorgebildet wird, so daß der Organismus die materielle Stütze bilden kann für den Menschen als denkerisches Wesen, wir auch den physischen Prozeß einer Salzablagerung finden müßten. Wir müßten also Salzablagerun-gen im Knochensystem finden können; und tatsächlich bestehen die Knochen zum Teil aus phosphorsaurem und kohlensaurem Kalk, also aus abgelagerten Kalksalzen.

We mogen dus verwachten dat daar waar vanuit de kosmos ons bottensysteem voorgevormd is zodat het organisme de stoffelijke steun kan vormen voor de mens als denkend wezen, we ook het fysieke proces van een zoutafzetting moeten kunnen vinden. We moeten dus zoutafzetting kunnen vinden in het bottensysteem en inderdaad: de botten bestaan voor een deel uit fosforzure en koolzure kalk, dus uit afgezette kalkzouten.
GA 128/139-140
Niet vertaald

In GA 212 benadert Steiner de botten vanuit het vierledig mensbeeld, nu in samenhang met de ‘aggregatietoestanden’ :

Wir können sagen: Das Ich greift in den Wärmezustand ein, der astralische Leib in den gasförmigen Zustand, der Atherleib in den flüssigen Zustand; nur das Feste bleibt unangetastet. Da geht es nicht herein. Den­ken Sie sich einmal das, wie es nun im menschlichen Organismus ist: Hier haben wir das Gehirn, aber das ist noch wässerig. Jetzt sind da darinnen feste Bestandteile. Da, sagte ich, geht das Seelische nicht herein. … Das, was wir Festes in uns haben, sind ja immer salzartige Ablagerungen. Un­sere Knochen sind nur Bestandteile solcher Ablagerungen. Aber in unse­rem Gehirn geschehen fortwährend ganz feine, sich immer wieder auflö­sende Ablagerungen. Ich möchte sagen: In unserem Gehirn ist immer die Tendenz vorhanden, sich einfach zu solchen Knochen zu bilden, das Ge­hirn ganz knöchern zu machen; es löst sich nur immer wieder auf, weil alles beweglich ist. Sodass, wenn wir gerade das Gehirn betrachten, da
haben wir also zunächst die Wärmezustände des Gehirns, da drinnen lebt die Luft, die fortwährend ein- und ausgeatmet wird, aber die ins Gehirn­wasser heraufspielt; der astralische Leib lebt darinnen. Wir haben das Gehirnwasser; der ätherische Leib lebt darinnen. Jetzt bekommen wir das Feste. Da kann das Seelische nicht herein. Es kann nicht herein, indem wir in uns Salze ablagern. … Bedenken Sie: Da stehen Sie als Mensch. Da haben Sie Ihren Orga­nismus. Da haben Sie in Ihrem Organismus die Wärme, das Gasförmige, das Flüssige: da kann Ihr Seelisches überall herein. Aber da ist etwas drinnen, in das IhrSeelisches nicht herein kann. Das ist so, wie wenn Sie hier allerlei Gegenstände haben, die vom Lichte bestrahlt werden, das Licht wieder zurückwerfen. Sie haben 

We kunnen zeggen: het Ik grijpt in in de warmtetoestand, het astraallijf in het gasvormige, het etherlijf in het vloeibare, alleen het vaste blijft onaangeroerd. Daar gaat niets in. Stel je voor hoe het in het menselijk organisme zit: hier zijn de hersenen, maar die zijn nog waterig. Nu zijn daar ook vaste bestanddelen. Ik zei dat daar de ziel niet in kan. En wat wij aan vaste stof in ons hebben, zijn steeds zoutachtige afzettingen. Onze botten zijn alleen maar delen van zulke afzettingen. Maar in onze hersenen worden steeds voortdurend heel fijne, steeds zoutachtige afzettingen, opgelost. In onze hersenen is steeds de tendens aanwezig om zich om te vormen tot dergelijke botten, het brein steeds botachtig te maken; maar steeds wordt dit opgelost, omdat alles in beweging is. Dus als we naar de hersenen kijken, hebben we daar allereerst de warmtetoestand van de hersenen, daar zit ook de lucht die voortdurend in – en uitgeademd wordt, die op het hersenwater werkt; daar leeft het astraallijf in. En dan hebben we het hersenwater waarin het etherlijf leeft. Nu nemen we het vaste. Daar kan de ziel niet in. Dat kan niet, omdat we daar zout afzetten.[ ] Dus je hebt in het organisme de warmte, het luchtachtige, het vloeibare: overal kan de ziel in. Maar we hebben iets, daar kan de ziel niet in. Daarbij is het net of we hier allerlei voorwerpen hebben die door het licht beschenen worden, het licht weer terugkaatsen. Je hebt

blz. 63

eine Spiegelfläche, da kann das Licht nicht durch, wird zurückgestrahlt. So haben Sie in sich Ihren festen Salzorganismus. Da kann das Seelische nicht herein, da wird das Seelische fortwährend zurückgestrahlt. Ja, wenn Sie das nicht hätten, so würden Sie zunächst überhaupt gar kein Bewusstsein haben können, denn das, was Sie nun in sich als Bewusstsein haben, das sind die von Ihrem Salzorganismus zurückgestrahlten Seelenerlebnisse.

een spiegelend vlak en daar kan het licht niet doorheen, dat wordt teruggestraald. Nu heb je in je een vast zoutorganisme. Daar kan de ziel niet doorheen, het wordt voortdurend teruggestraald. En wanneer je dat niet had, zou je absoluut helemaal geen bewustzijn kunnen hebben, want wat je als bewustzijn in je hebt, zijn de zielenbelevingen die door het zoutorganisme worden teruggestraald.

Diejenigen, die hineingehen in Ihr Ich, in Ihren gasförmigen Organismus, in Ihren flüssigen Organismus, die erleben Sie zunächst nicht. Erst weil überall das, was da in der Wärme, was in dem Gasförmigen, was in dem Flüssigen als Seelen-leben vor sich geht, ebenso wie die Lichtstrahlen vom Spiegel zurück-geworfen werden, am Salz zurückgeworfen wird, erst dadurch erleben Sie das, was Seelisches ist. Dadurch haben Sie diese innerliche Spiege­lung, die nun innen als Vorstellungen lebt.

De zielenbelevingen die je Ik binnengaan, je gasvormige, je vloeibare organisme die beleef je in eerste instantie niet. Pas als overal wat in de warmte, in het luchtachtige, in het vloeibare als zielenleven plaatsvindt, net zo als de lichtstralen door de spiegel teruggekaatst worden, door het zout teruggekaatst wordt, pas dan beleef je wat ziel is. Daarom heb je deze inwendige spiegeling die binnen in je als voorstelling leeft.
GA 212/62-63
Niet vertaald

Hier zijn we weer even terug in voordracht 2, voorstelling en spiegeling [2-2-2]

Wat de ziel beleeft – de zielenbelevingen- zijn in dit kader: denken, voelen en willen, waarbij nu de nadruk ligt op het denken als zielenkwaliteit. 
Via ‘een omweg’ hebben we nu meer zicht op de zin: alle abstracte wetenschap hebben we te danken aan het vermogen van ons botstelsel.

Leber merkt op: [7]

De zoutprocessen met hun mogelijkheid tot kristalliseren vind je niet alleen in het zenuwsysteem, maar in sterkere mate nog in het bottenstelsel; daardoor worden processen in gang gezet die meer dichtheid en vastheid veroorzaken. Deze verdichting, die steeds vergezeld gaat met ontvitalisering, hangt ook steeds samen met bewustworden. Zo gaat in de ontwikkeling van de mens tegelijk met groei ook vaak een sterke mineraliseringsimpuls gepaard, bv. bij het ontstaan van de blijvende tanden waarvan het tandglazuur niet alleen harder is dan dat van de melktanden, maar ook van dat bij de mensapen. Zowel de myelinevorming alsook de vorming van de tanden en het kalkvormingsproces van de botten betekenen – aldus Wolgang Schad [4] een steun voor het bewustzijn. Bij de botvorming is calciumhydroxilfosfaat ? betrokken en wanneer de structuur daarvan met röntgenstralen wordt onderzocht vertoont het een anorganische kristalstructuur.

Met de tandenwisseling en de eerste gestalteverandering ontstaat bij het kind dat het zich willekeurig iets kan gaan voorstellen, volgens Piaget/Inhelder [5]. Zijn denken verandert van een aanschouwelijk-symbolisch denken in het logisch concrete.
Ook met de groei-impuls bij de puber – die met een duidelijke lengtegroei gepaard gaat – verandert het intellectuele vermogen, voor zover het abstract logische operaties betreft en ontstaat de toenemende zelfstandigheid van het oordelen, de mondigheid [4]
Met de afsluiting van de groei van het skelet, ontstaat de persoonlijkheidsrijpheid.
Het gaat niet om rijpingsprocessen van de hersenen, maar om toenemende synthetiserende prestaties van het bewustzijn. [4]
Ook het actieve inzetten van het ledematenskelet opent bijzondere denkkwaliteiten: lichamelijke beweging kan, zoals de ervaring* leert, tot bijzondere gedachten en invallen leiden, zoals ook grote onderzoekers als bv. Helmholz of Gauß bevestigen. [6]

*Omdat ik een fervent wandelaar ben, kan ik deze zin bevestigen: al vele keren wist ik na een dagwandeling aan het eind van de dag een oplossing, een antwoord voor een probleem of op een vraag waarmee ik mij gedurende de wandeling bezighield.
Ik denk dat de wandelcoach – bewust of onbewust – van deze wijsheid gebruik maakt.

Wat betekenen deze gezichtspunten voor het onderwijs

Dat betekent voor het lesgeven aan jongere kinderen m.n., dat bij een teveel aan moeten ‘nadenken’ een ‘ontvitaliseringsproces’ actief is. Wat er is opgemerkt over ‘kristallisatie/zoutprocessen brengt Steiner elders in verband met het ontstaan van hoofdpijn. Klagen de kinderen over hoofdpijn? (Natuurlijk: is er voldoende zuurstof in de klas?) Dat te veel moeten nadenken, het ‘hoofdwerk’ gaat ten koste van de levenskrachten. En vanuit deze invalshoek worden we weer gewezen op het belangrijke feit dat er in de leerstof steeds iets ‘wordends’ moet zitten, iets beeldends, iets fantasievols; dat er daarbij met de ledematen geleerd kan worden. 

.

*GAGesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

[4] Schad ‘Die menschliche Nervenorganisation‘ 1, blz. 291
[5] Piaget ‘Die Psychologie des Kindes 
[6] Copei ‘Der fruchtbare Moment im Bildungsprozess
[7] Leber ‘Kommentar Allg. Menschenkunde‘ deel 1 blz. 444

.

Algemene menskunde: voordracht 3 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1845-1730

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 297 – voordracht 3

.

RUDOLF STEINER

BASISGEDACHTEN EN PRAKTIJK VAN DE VRIJESCHOOL

9 voordrachten, een bespreking en vragenbeantwoording tussen 24 augustus 1919 en 29 december 1920 in verschillende plaatsen [1]

GA 297: vertaling
Inhoudsopgave   voordracht   [1]  [2]  [4]  [5]  [6]  [7]  [8]  [9]
vragenbeantwoording bij de 5e vdr.;  vragenbeantwoording bij de 6e vdr.;
bespreking van pedagogisch-psychologische vragen; vragenbeantwoording bij de 9e vdr.

.

VORTRAG FÜR DIE ELTERN DER WALDORFSCHULKINDER Stuttgart, 31. August 1919 (abends)

Voordracht voor de ouders van de vrijeschoolkinderen, Stuttgart, 31 augustus 1919, ’s avonds

Mededeling van uitgeverij Nearchus:

Deze voordracht verscheen destijds (en werd in 1998 herdrukt) in een klein bundeltje onder de titel Vrijheid van onderwijs & sociale driegeleding, samen met een samenstelling van fragmenten van Rudolf Steiner (2017 in de vorm van een brochure uitgegeven onder de titel VRIJ om te worden wie je bent) en een artikel van Mouringh Boeke met daarin een voorstel voor nieuwe onderwijswetgeving.

Het plan is dat we Opvoeding en sociale verandering gaan heruitgeven, ook in de vorm van een kleine brochure.

.

[1] GA 297

[2] Voordracht 3 (Duits)
,

Rudolf Steineralle artikelen

.

1842-1727

.