VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 3 (3-6)

.

Enkele gedachten bij blz. 53 t/m 56 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA295) [3]

Het vorige artikel eindigde met de opmerking:

Wenn Sie aber von diesem Gesichtspunkte aus die Natur selbst betrachten, werden Sie sich sagen: Ich blicke hin auf die Natur, der Strom des Sterbens ist in mir und auch der Strom des Neuwerdens: sterben – wiederum geboren werden.

Wanneer u nu van dit gezichtspunt uit de natuur zelf be­schouwt, dan zult u zeggen: ik kijk naar de natuur; de stroom van het sterven is in mij, en ook de stroom van het worden: sterven en weer geboren worden.

Von diesem Zusammenhang versteht die neuere Wissenschaft sehr wenig; denn ihr ist die Natur gewissermaßen eine Einheit, und sie puddelt fortwährend durcheinander das Sterbende und das Werdende, so daß alles, was heute vielfach ausgesagt wird über die Natur und ihr Wesen, etwas ganz Konfuses ist, weil Sterben und Werden fortwährend durcheinandergemischt werden.

Van deze samenhang begrijpt de moderne wetenschap heel weinig; deze beschouwt de natuur in zekere zin als een eenheid en hutselt het stervende en het wordende voortdurend door elkaar, zodat alles wat tegenwoor­dig veelvuldig beweerd wordt over de natuur en het wezen van de natuur heel verward is, omdat sterven en worden voortdu­rend met elkaar vermengd worden.

De gedachte dat de wetenschap deze stromen niet uit elkaar houdt, is nog wel te volgen. Maar om ze uit elkaar te houden, zou ik nooit op de vraag gekomen zijn die Steiner hier stelt:

Wie stünde es denn mit der Natur, wenn der Mensch nicht in dieser Natur wäre?

Hoe zou het met de natuur gesteld zijn wanneer de mens er niet was?
GA 293/52

Steiner stelt dan hypothetisch de vraag aan een natuurwetenschapper en voorspelt het antwoord. Die zou zeggen:

Was wäre es mit der Natur und ihrem Wesen, wenn der Mensch nicht darin wäre? Er würde natürlich zunächst etwas schockiert sein, weil ihm die Frage sonderbar vorkommen würde. Aber er würde sich dann besinnen, welche Unterlagen zur Beantwortung dieser Frage ihm seine Wissenschaft gibt und würde sagen: Dann wärcn auf der Erde Mineralien, Pflanzen und Tiere, nur der Mensch wäre nicht da, und der Erdenverlauf würde von dem Anfange an, wo die Erde noch im Kant-Laplaceschen Nebel- zustande war, sich so vollzogen haben, daß alles so fortgegangen wäre, wie es gegangen ist; nur der Mensch wäre in diesem Fortgange nicht drinnen. – Eine andere Antwort könnte im Grunde genommen nicht herauskommen. Er könnte vielleicht noch hinzufügen: Der Mensch gräbt als Ackerbauer den Erdboden um und verändert so die Erdoberfläche, oder er konstruiert Maschinen und bringt dadurch Veränderungen hervor; aber das ist nicht so erheblich gegenüber den anderen Verwandlungen, welche durch die Natur selbst geschehen. Immer also würde der Naturforscher sagen: Es würden Mineralien, Pflanzen und Tiere sich entwickeln, ohne daß der Mensch dabei wäre.

‘Hoe zou het met de natuur en het wezen van de natuur gesteld zijn, wanneer de mens niet in de natuur bestond?’ Hij zou natuurlijk eerst wat gechoqueerd zijn, omdat de vraag hem vreemd zou voorkomen. Maar dan zou hij zich erover bezinnen welke gegevens de wetenschap hem voor de beantwoording van deze vraag verschaft en hij zou het vol­gende zeggen: ‘Dan zouden er op aarde mineralen, planten en dieren zijn, alleen de mens zou er niet zijn; vanaf het begin, toen de aarde zich volgens de theorie van Kant en Laplace0 nog in de oernevel bevond, tot op heden zou de ontwikkeling van de aarde precies zo zijn verlopen als zij gegaan is – alleen de mens zou niet in die ontwikkeling voorkomen.’ Een ander antwoord zou er eigenlijk niet uit kunnen komen. Hij zou misschien nog kunnen toevoegen dat de mens het land bebouwt en omploegt en zo het aardoppervlak verandert, of dat de mens machines construeert en daardoor veranderingen teweegbrengt, maar dat is slechts gering in vergelijking met de andere veranderingen die door de natuur zelf worden teweeggebracht. De natuurwe­tenschapper zou in ieder geval zeggen dat zich mineralen, plan­ten en dieren zouden ontwikkelen, zonder dat de mens daarbij aanwezig was.

0De theorie van Kant en Laplace: Immanuel Kant (1724-1809) en Pierre Simon Laplace (1749-1827) bepleitten onafhankelijk van elkaar de hypothese dat het heelal is ontstaan uit een oernevel die in draaiende beweging kwam. Vgl. Kant, Allgemeine Naturgeschichte und Theorie des Himmels (1755) en Laplace, Système du monde (1796).

In onze tijd klinkt een dergelijk antwoord opnieuw, vaak in samenhang met de grote milieuproblemen waarvoor de mens zichzelf heeft gesteld.
Dat was in Steiners tijd niet zo. Hij zegt hier wel dat de mens ‘het aardoppervlak verandert’, maar dat is nog met het oog op de onschuldige verandering van het ploegen e.d.; er was geen houtkap op grote schaal; ‘of dat de mens machines construeert’ – van een industriële vervuiling zoals we die nu kennen, was nog geen sprake. 
Wetenschappers die spreken vanuit een of andere connectie die zij hebben met het milieu, voegen aan wat Steiner hier zegt, nu toe, dat de wereld er veel beter zou hebben uitgezien als de mens er niet was geweest.
En dan noemen zij de hele rij negatieve verschijnselen op waarvoor de mens verantwoordelijk is.

In zijn boek: “Labyrint Europa” haalt de schrijver Cees Nooteboom Maarten ’t Hart aan uit diens essay ‘De kritische afstand” waarin ’t Hart zegt dat het verschil tussen mens en dier berust op het feit dat de mens de enige diersoort is waarvoor geldt dat het voor alle andere diersoorten een geweldige zegen zou zijn als hij zou afsterven.

Met Maarten ’t Hart zijn er velen die de mening zijn toegedaan dat als er op onze aarde geen mensen zouden leven, de natuur in een perfecte staat zou zijn.

Geen vervuiling, geen ontbossing, geen bedreigde dier-en plantensoorten enz.

Vanuit een bepaalde optiek is voor zo’n mening dus veel te zeggen.

Voor Steiner kan dit niet gelden.
Zijn hele visie op de evolutie laat zien dat de mens voor de schepping, dus ook voor de natuur, een onmisbare schakel is. Sterker nog: de hele evolutie is er (gekomen) opdat de mens kon ontstaan.
Dat wordt in bepaalde takken van wetenschap strikt ontkend. Er is niet zoiets als ‘creationisme’, noch ‘intelligent design’, De evolutie had even zo goed kunnen stoppen bij de dieren en dan zou er nu een totaal harmonische natuurwereld bestaan.

Op talloze plaatsen spreekt Steiner over de evolutie. Om maar twee werken te noemen: ‘De wetenschap van de geheimen der ziel‘, GA 13 en ‘Het Bijbelse scheppingsverhaal‘, GA 122

Steiner zegt dus tegen mensen als Maarten ’t Hart:

Das ist nicht richtig. Wäre der Mensch nämlich nicht in der Erdenevolution vorhanden, dann wären die Tiere zum großen Teile nicht da; denn ein großer Teil, namentlich die höheren Tiere, ist nur dadurch in der Erdenevolution entstanden, daß der Mensch genötigt war – ich spreche jetzt natürlich bildlich – seine Ellenbogen zu verwenden. Er mußte auf einer bestimmten Stufe seiner Erdenentwickelung aus seinem eigenen Wesen, in dem damals noch ganz anderes war, als jetzt in ihm ist, die höheren Tiere heraussondern, mußte sie abwerfen, damit er weiterkommen konnte. Ich möchte dies Abwerfen damit vergleichen, daß ich sage: Stellen Sie sich ein Gemisch vor, worin etwas aufgelöst ist, und stellen Sie sich vor, daß dann diese aufgelöste Substanz sich aussondert und zu Boden setzt. So war der Mensch in seinen früheren Entwickelungszuständen mit der Tierwelt zusammen und hat dann später die Tierwelt wie einen Bodensatz ausgeschieden. Die Tiere wären nicht in der Erdenentwickelung diese heutigen Tiere geworden, wenn der Mensch nicht hätte so werden sollen, wie er jetzt ist. Ohne den Menschen in der Erdenentwickelung würden also die Tierformen und die Erde ganz anders ausschauen, als es heute der Fall ist.

Zou de mens namelijk niet in de evolutie van de aarde bestaan, dan zou ook een groot deel van de dieren niet bestaan; want een groot deel van de dieren – met name de ho­gere dieren – is alleen in de loop van de aardeontwikkeling ontstaan doordat de mens genoodzaakt was zijn ellebogen te gebruiken, figuurlijk gesproken natuurlijk. De mens moest in een bepaalde fase van zijn ontwikkeling op aarde uit zijn eigen wezen, waarin zich toen nog geheel andere elementen bevon­den dan nu, de hogere dieren afzonderen, de mens moest ze van zich afscheiden om zelf verder te kunnen komen. Ik zou dit met het volgende willen vergelijken. Stelt u zich een mengsel voor waarin iets opgelost is en stelt u zich dan voor dat deze opgeloste substantie neerslaat en zich op de bodem afzet. Zo was de mens in zijn vroegere ontwikkelingsstadia met de dierenwereld verbonden0 en heeft hij later de dierenwereld als een neerslag afgescheiden. De dieren zouden in de aardeontwikkeling niet de dieren zijn geworden die ze nu zijn wanneer de mens niet zo had moeten worden als hij nu is. Zonder de mens in de aar­deontwikkeling zouden de dieren en de aarde heel andere vor­men vertonen dan nu het geval is.

0met de dierenwereld verbonden: Zie o.m. De wetenschap van de geheimen der ziel, hoofdstuk ‘De wereldontwikkeling en de mens’.

Deze gedachte is lang geen gemeengoed. Als je erop gaat letten, zie je met grote regelmaat in b.v. (kranten)artikelen opmerkingen als – ze staan er ‘en passant’ alsof het gewoon zo is – ‘de mens en de andere (zoog)dieren; bij de dieren, dus ook bij de mens’ enz. , (zie de opmerking van Maarten ’t Hart hierboven).
Wie zich verdiept in Steiners mensbeeld(en) ziet in die artikelen hoe de schrijvers – vaak erkende wetenschappers – ‘astraal en Ik’ nog al eens door elkaar gooien. En wij kunnen weten hoe dat komt: door de afschaffing van de geest in 869! 

Wie zich met het fenomeen mens-dier vrijwel zijn hele leven heeft beziggehouden is de antroposofische arts Leen Mees. In zijn voordrachten sprak hij daar veel over en ook wijdde hij er een aantal boeken aan. In ‘Dieren zijn wat mensen hebben‘  probeert hij met concrete voorbeelden aan te geven wat Steiner bedoelt met ‘de mens moest de dieren uit zich zetten’. Op deze blog staat een artikel van hem.

Bij het bestuderen van blz. 54 is het weer zoals vaker als we Steiner lezen. We kunnen de gedachtegang volgen, misschien later nog wel na vertellen, maar een echte concrete greep op wat er gebeurt, hoe het zit, krijg je niet. 
In wezen wordt weer dat appel op je gedaan, zoals bijv. hier beschreven.

Nu worden wij erop gewezen dat met name de gestorven mens de voorwaarde is voor het aanwezig zijn van mineralen, planten en lagere dieren en wel doordat hij begraven of gecremeerd wordt, waarbij zijn stoffelijke resten aan de aarde worden teruggeven. Hij noemt de lijken van de mens een soort desem, gist, 

Ebenso aber wäre die Erdenentwickelung längst in ihren Endzustand hineingekommea, wenn ihr nicht fortwährend die Kräfte des menschlichen Leichnams, der mit dem Tode von dem Geistig-Seelischen abgesondert ist, zugeführt würden. Durch diese Kräfte, welche die Erdenentwickelung durch die Zuführung der menschlichen Leichname fortwährend bekommt, beziehungsweise der Kräfte, die in den Leichnamen sind, dadurch wird die Evolution der Erde unterhalten. Dadurch werden Mineralien dazu veranlaßt, ihre Kristallisationskräfte noch heute zuentfalten, die sie längst nicht mehr entfalten würden ohne diese Kräfte; sie wären längst zerbröckelt, hätten sich aufgelöst. Dadurch werden Pflanzen, die längst nicht mehr wachsen würden, veranlaßt, heute noch zu wachsen. Und auch mit Bezug auf die niederen Tierformen ist es so. Der Mensch übergibt der Erde in seinem Leibe das Ferment, gleichsam die Hefe für die Weiterentwickelung. Daher ist es nicht bedeutungslos, ob der Menscch auf der Erde lebt oder nicht. Es ist einfach nicht wahr, daß die Erdenentwickelung in bezug auf das Mineralreich, Pflanzenreich und Tierreich auch dann vorwärtsgehen würde, wenn der Mensch nicht dabei wäre! Der Naturprozeß ist ein einheitlicher, ein geschlossener, zu dem der Mensch dazugehört. Der Mensch wird nur richtig vorgestellt, wenn er selbst noch mit seinem Tode als drinnenstehend in dem kosmischen Prozeß gedacht wird.

Evenzo zou de aardeontwikke­ling allang in de eindtoestand zijn terechtgekomen, wanneer niet voortdurend de krachten van de menselijke lijken, die door de dood gescheiden worden van de geestziel, zouden overgaan in de aarde. Door deze krachten, die de aarde voortdurend ontvangt doordat stoffelijke resten van mensen aan haar wor­den overgegeven, dat wil zeggen door de krachten die in de lijken huizen, wordt de evolutie van de aarde in stand gehouden. Dit bewerkstelligt dat mineralen hun kristallisatievermogen nu nog ontplooien – wat ze zonder die krachten allang niet meer zouden doen; ze zouden allang zijn verbrokkeld, zijn op­gelost. Dit bewerkstelligt ook dat planten die anders allang niet meer zouden groeien nu nog floreren. En dit geldt ook voor de lagere diersoorten. De mens schenkt zijn lichaam aan de aarde als ferment, als gist als het ware, voor de verdere ontwikkeling. Daarom is het niet zonder betekenis of de mens op aarde leeft of niet. Het is gewoon niet waar dat de aardeontwikkeling van mineralen, planten en dieren ook voortgang zou vinden wan­neer de mens er niet bij was! Het proces van de natuur is een eenheid, een gesloten proces waar de mens bijhoort. Men heeft alleen een juiste voorstelling van de mens, wanneer men be­denkt dat de mens, zelfs wanneer hij dood is, deel uitmaakt van het kosmische proces.

Verder lezend komen we weer bij ‘de stoffen en krachten’ die volgens een bepaalde uitleg van de wet die Mayer formuleerde, niet zouden veranderen, constant zouden blijven.

Dat nu, weerlegt Steiner: de mens komt op aarde. Wat hij is als geestwezen, als Ik, als wezen met een ziel die hij uit de geestelijke wereld meebrengt, verbindt zich met wat de ouders hebben voorbereid als fysiek-etherisch lichaam. Dit stoffelijke lichaam – de stoffen – in stand gehouden door de opbouwende, vormende krachten, de etherkrachten, doortrokken met zielenkrachten en Ik-krachten, is een gegeven tussen geboorte en dood. 
Het hoeft geen betoog dat het fysieke lichaam van de baby anders is dan het fysieke lichaam van de grijsaard. 

Der Mensch bekommt, indem er aus der geistigen Welt heruntersteigt in die physische, die Umkleidung seines physischen Leibes. Aber natürlich ist der physische Leib anders, wenn man ihn als Kind bekommt, als wenn man ihn in irgendeinem Lebensalter durch den Tod ablegt. Da ist etwas geschehen mit dem physischen Leibe. Was da mit ihm geschehen ist, das kann nur dadurch geschehen, daß dieser Leib durchdrungen ist von den geistig- seelischen Kräften des Menschen. Nicht wahr, schließlich essen wir alle dasselbe, was die Tiere auch essen, das heißt, wir verwandeln die äußeren Stoffe so, wie die Tiere sie verwandeln, aber wir verwandeln sie unter der Mittätigkeit von etwas, was die Tiere nicht haben, von etwas, was aus der geistigen Welt heruntersteigt, um sich mit dem physischen Menschenleib zu vereinigen. Wir machen dadurch mit den Stoffen etwas anderes, als die Tiere oder Pflanzen mit ihnen machen. Und die Stoffe, welche im menschlichen Leichnam der Erde übergeben werden, sind verwandelte Stoffe, sind etwas anderes, als was der Mensch empfangen hat, als er geboren worden ist. Daher können wir sagen: Die Stoffe, welche der Mensch empfängt, und auch die Kräfte, welche er mit der Geburt empfängt, die erneuert  er während seines Lebens und gibt sie in verwandelter Form an den Erdenprozeß ab.

Wanneer de mens uit de geestelijke wereld afdaalt in de fysieke wereld, wordt hij omhuld met zijn fysieke lichaam. Maar natuurlijk is het fysieke lichaam anders wanneer men het als kind ontvangt dan wanneer men het op zekere leeftijd door de dood weer aflegt. Dan is er iets gebeurd met het fysieke lichaam. Dat kan slechts plaatsvinden doordat dit lichaam doordrongen is van de krachten van geest en ziel. We eten tenslotte allemaal wat de dieren ook eten, niet waar? Dat wil zeggen: we veranderen de stoffen uit de buitenwereld zoals de dieren dat doen, maar bij ons werkt er iets mee wat de dieren niet hebben, iets wat uit de geestelijke wereld afdaalt om zich met het menselijk lichaam te verbinden. Wij doen daarom iets anders met de stoffen dan dieren of planten. En de stoffen die in de stoffelijke overschotten van mensen in de aarde over­gaan zijn gemetamorfoseerd, ze zijn anders dan wat de mens ontving toen hij geboren werd. Daarom kan men zeggen dat de mens de stoffen en ook de krachten die hij bij de geboorte ontvangt, tijdens zijn leven vernieuwt en ze gemetamorfoseerd weer afstaat aan het aardeproces. De stoffen en krachten die de mens bij zijn dood aan het aardeproces afstaat zijn niet dezelfde als welke hij bij zijn geboorte ontvangen heeft.

Steiner benadrukt hier enerzijds het lichaam:

Er trägt bei seiner Geburt aus der übersinnlichen Welt etwas herunter; das bekommt dann, indem er es einverleibt hat den Stoffen und Kräften, die während seines Lebens seinen Leib zusammensetzen, mit seinem Tode die Erde.

De mens brengt bij zijn geboorte iets uit de geestelijke wereld mee naar de aarde; dat wordt opgenomen in de stoffen en krachten die zijn lichaam tijdens zijn leven formeren en dat wordt na zijn dood door de aarde opgenomen.

Aanvankelijk dacht ik dat dit een eenmalige gebeurtenis is, wat ik concludeer uit: de mens brengt bij zijn geboorte iets mee en even later: met deze druppels die de mens bij zijn geboorte in zich opneemt en bij zijn dood weer afstaat, wordt de gedachte aan dit eenmalige nog versterkt.

Maar wat is ‘dit voortdurende‘ in de zin ‘daardoor is de mens het medium waardoor voortdurend bovenzinnelijke krachten kunnen doordruppelen naar de fysieke wereld.’ Als het een eenmalige gebeurtenis is, zou het voortdurende moeten slaan op: bij iedere incarnatie weer.

De tekening die Steiner op het bord maakt, geeft echter niet enkeldruppels aan het begin van het leven’, weermaar gedurende het hele leven en dat zou begrijpelijk makendat er uit de bovenzinnelijke wereld voortdurend iets a.h.w. naar beneden regent op de zintuiglijke wereld.’

Deze tekening roept nog nieuwe vragen op: wat zijn die stoffen waarvan sprake is vóór de geboorte.
De druppels in de tekening zouden kunnen staan voor: ‘de druppels die als bovenzinnelijke krachten voortdurend naar de zintuiglijke, fysieke wereld doordruppelen.‘ 

Maar wat zijn dan deze krachten: levenskrachten, ziel- en Ik-krachten? Goed, de levenskrachten worden vooral gevoed door de krachten in het voedsel, maar….en dan zijn we ineens bij de pedagogie: ook daar werken we met en aan de levenskrachten, b.v. wanneer we met de kinderen vormtekenen, om maar een vak te noemen, of in het algemeen: kunstzinnig bezigzijn. M.a.w. – ik weet het, het is een ‘ver-weg-gedachte- dragen wij met opvoeding en onderwijs iets bij aan m.n. die laatst genoemde krachten, die bij de dood weer vrijkomen en als voedsel dienen voor het voortbestaan van de aarde.
Dan krijgt ‘opvoeden voor de toekomst’ toch nog een heel andere inhoud.

Dan rijst bij mij ook de vraag, bij het woord ‘toekomst’, werken we daarom zo ‘op de wil’, omdat die, in de 2e voordracht zo duidelijk beschreven als ‘realiteit na de dood’, dan (ook) die desem zou zijn? Ik heb daarover geen mededelingen gevonden, maar ik heb ook lang niet alles van Steiner bestudeerd.

En hebben die krachten dan ook te maken wat wij de kinderen dagelijks op school laten ervaren en wat ze mee de nacht innemen. 
 Op blz. 26, 27 wordt gezegd:

We kunnen alleen maar de tijd die de mens in de fysieke wereld doorbrengt zo benutten, dat de mens juist dat wat we met hem doen geleidelijk aan kan meenemen naar de geestelijke wereld, en dat daardoor de kracht die de mens kan meenemen uit de geestelijke wereld kan terugvloeien in de fysieke wereld, opdat hij in de fysieke wereld werkelijk mens kan zijn.
GA 293/26 ev

Zijn dit (o.a.?) ‘deze druppels?

Zijn deze ‘stoffen en krachten’ tot het basale teruggebracht dan: wat je eet en hoe je wordt opgevoed en wat en hoe je op school leert?

In ieder geval:

Diese Tropfen, die der Mensch aufnimmt bei der Geburt, die er abgibt bei seinem Tode, die sind ein fortwährendes Befruchten der Erde durch übersinnliche Kräfte, und durch diese befruchtenden, übersinnlichen Kräfte wird der Evolutionsprozeß der Erde erhalten. Ohne menschliche Leichname wäre daher die Erde längst tot.

Met deze druppels die de mens bij zijn geboorte in zich opneemt en bij zijn dood weer afstaat, bevruchten bovenzinnelijke krachten de aarde voortdu­rend en daardoor wordt het evolutieproces van de aarde in stand gehouden. Zonder de stoffelijke overschotten van de mensen was de aarde dus allang dood.

.

Op de blog Perikopennotities is onder de titel ‘Het stoffelijk overschot als vernieuwing’ in een reeks artikelen de vertaling verschenen van het commentaar van Stefan Leber op dit onderwerp uit 3e voordracht. 

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] 
GA 295
Praktijk van het lesgeven
.

Algemene menskunde: voordracht 3 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1715

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.