VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 3 (3-5)

.

Enkele gedachten bij blz. 51 en 52 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA295) [3]

Het vorige artikel eindigde met:

Op blz. 51 vat Steiner, uitgebreider dan op blz. 49, de 2e voordracht nog eens samen, nu vooral met het oog op de natuur:

Der Mensch steht, indem er der Natur gegenübersteht, durch sein Verstandesmäßiges der Natur gegenüber und faßt dadurch alles das von ihr auf, was in ihr tot ist und eignet sich von diesem Toten Gesetze an. Was aber in der Natur aus dem Schoße des Toten sich erhebt, um zur Zukunft der Welt zu werden, das faßt der Mensch auf durch seinen ihm so unbestimmt erscheinenden Willen, der sich bis in die Sinne hinein erstreckt.
Denken Sie sich, wie lebendig Ihnen Ihr Verhältnis zur Natur wird, wenn Sie das eben Gesagte ordentlich ins Auge fassen. Sie werden sich dann sagen: Wenn ich in die Natur hin- ausgehe, so glänzt mir entgegen Licht und Farbe; indem ich das Licht und seine Farben aufnehme, vereinige ich mit mir das von der Natur, was sie in die Zukunft hinübersendet, und indem ich dann in meine Stube zurückkehre und nachdenke über die Natur, Gesetze über sie ausspinne, da beschäftige ich mich mit dem, was in der Natur fortwährend stirbt. In der Natur ist fortwährendes Sterben und Werden miteinander verbunden. Daß wir das Sterben auffassen, rührt davon ber, daß wir in uns tragen das Spiegelbild unseres vorgeburtlichen Lebens, die Verstandeswelt, die Denkwelt, wodurch wir das der Natur zugrunde liegende Tote ins Auge fassen können. Und daß wir dasjenige, was in der Zukunft von der Natur da sein wird, ins Auge fassen können, rührt davon her, daß wir nicht nur unseren Verstand, unser Denkleben der Natur entgegenstellen, sondern daß wir ihr dasjenige entgegenstellen können, was in uns selbst willensartiger Natur ist.

De relatie van de mens tot de natuur is tweeledig. Door zijn verstand staat de mens tegenover de natuur en daardoor neemt hij alles op wat dood is in de natuur en maakt hij zich de wetten van dit dode eigen. Maar wat zich in de natuur uit de schoot van het dode opricht om toekomst van de wereld te worden, dat neemt de mens in zich op via zijn wil, die hem zo onduidelijk voorkomt; en die reikt tot in de zintui­gen.
Denkt u zich eens in hoe levendig uw relatie tot de natuur wordt, wanneer u deze woorden werkelijk tot u laat doordrin­gen. U zult dan zeggen: wanneer ik de natuur inga, word ik omgeven met de glans van licht en kleur; door het licht en de kleuren in mij op te nemen, verenig ik mij met het element van de natuur dat vooruit wijst naar de toekomst. Wanneer ik dan weer naar huis ga en thuis over de natuur nadenk en natuurwet­ten uitdenk, dan houd ik mij bezig met hetgeen er in de natuur voortdurend sterft. In de natuur zijn het sterven en het worden voortdurend met elkaar verbonden. Dat wij het sterven in ons op kunnen nemen, komt doordat wij het spiegelbeeld van ons leven voor de geboorte in ons dragen, de verstandswereld, de denkwereld, waardoor we het dode dat ten grondslag ligt aan de natuur kunnen begrijpen. En dat we kunnen waarnemen wat er van de natuur in de toekomst zal bestaan, komt doordat we niet alleen ons verstand, ons denken op de natuur richten, maar ook datgene wat in onszelf wilsmatig van aard is.

Hoewel Steiner er niet uitvoerig op ingaat, zegt hij op blz. 52 enkele zeer wezenlijke dingen over de mens. 
Hierboven schetst hij een bepaalde gang van zaken die we allemaal al hebben meegemaakt en (weer) zullen meemaken, m.n. als we iets over de natuur willen weten, willen leren (kennen).

Met kerst kregen wij een amaryllisbol waar twee groene puntjes uitstaken. Omdat je zo’n bol weleens eerder hebt zien uitgroeien, weet je al wat er gaat komen. 
Enerzijds is daar de ervaring van een vorige keer (verleden) en de bol die nog moet groeien (toekomst).
Als ik die vorige keer in herinnering! roep – ik stel me het hele groeiproces opnieuw voor – doe ik dat met iets ‘ouds’. Ik ben bezig met de oude – al vergane – bol en met mijn voorstellingskracht die we in de 2e voordracht hebben leren kennen als een ‘oude’ kracht; een vermogen dat we meenamen vanuit de geestelijke wereld, waarin dit vermogen veel sterker aanwezig was. Op aarde gekomen, blijft voor ons voor een deel van die kracht het spiegelende vermogen over: het reflecterende, het na-denkende. (Het ‘voorstellende’ kan zich ook richten op het niet-zintuiglijke – zie verderop)
Wanneer ik nu naar de bol kijk, kan ik me helemaal richten op het toekomstige: de groei van de puntjes, het dikker worden van de stelen, het zich aftekenen van de zwellende knoppen, het opengaan daarvan, het ontvouwen van de kleurige zesster, het er ‘stralend’ bij staan, het langzaam inschrompelen, verdrogen van de bloem waarvan de blaadjes afvallen, het verdere afstervingsproces, het einde op de composthoop. Alleen de foto blijft (voorlopig).

Onmiskenbaar herken je in dit proces de twee elementen, polariteiten van voorstelling en wil. Kijkend naar de bol die nog moet worden, afwachtend wat het wordt, bevind ik mij in een bepaalde vorm van toekomst; wat er dan geworden is, behoort ineens tot het verleden en kan ik hem alleen nog maar – spiegelend – in gedachten oproepen.

Verrassend genoeg, verbindt Steiner hier het begrip ‘vrijheid‘ aan.

Nu is ‘vrijheid’ een ruim te interpreteren begrip en er is al heel wat over ‘vrijheid’ gefilosofeerd, geschreven en gediscussieerd. 
Ook Steiner komt in alles wat hij aan boeken en voordrachten heeft nagelaten er veelvuldig over te spreken, het meest essentiële vind je in zijn ‘Filosofie van de vrijheid’.

blz. 51/52

Wenn der Mensch nicht etwas, was fortwährend ihm bleibt, retten könnte aus seinem vorgeburtlichen Leben durch sein Erdenleben hindurch, wenn er nicht etwas retten könnte von dem, was zuletzt während seines vorgeburtlichen Lebens zum bloßen Gedankenleben geworden ist, dann würde er niemals zur Freiheit kommen können. Denn der Mensch würde verbunden sein mit dem Toten, und er würde in dem Augenblick, wo er das, was in ihm selbst mit der toten Natur verwandt ist, zur Freiheit aufrufen wollte, ein Sterbendes zur Freiheit aufrufen wollen. 

Indien de mens niet in staat zou zijn uit zijn leven van voor de geboorte iets te redden wat voortdurend bewaard blijft door zijn gehele leven op aarde heen, indien hij niet iets zou kunnen redden van wat tenslotte tijdens zijn leven voor de geboorteafgezwakt is tot gedachtewereld, dan zou hij nooit tot vrijheid kunnen komen. Want dan zou de mens verbonden zijn met het dode en zodra hij datgene wat in hemzelf met de dode natuur verwant is tot vrijheid zou willen oproepen, zou hij iets tot vrijheid willen oproepen wat zich in een sterfproces bevindt.

0tijdens zijn leven voor de geboorte: volgens de aantekeningen van E.A.Karl Stockmeyer, een van de cursisten, moet hier staan: ‘na het einde van zijn voorgeboortelijke leven.

Wat Steiner hier (nog) niet zegt, is dat de vrijheid om je met – hier – de amaryllisbol of wat dan ook bezig te houden, wél een volledige daad in, uit vrijheid is: niemand of niets verplicht je ertoe: het is helemaal jouw keus. 
Maar….als je dan hebt gekozen en je neemt de bol waar, je roept in je herinnering op hoe hij groeide enz., enz., ben je toch bezig enerzijds met het verleden en anderszijds met de toekomst. Daar ben je dan in dat proces aan gebonden. En dat is enerzijds weer het verleden en daarvan het afstervende en anderzijds de je meenemende toekomst:

Er würde, wenn er desjenigen sich bedienen wollte, was ihn als Willenswesen mit der Natur verbindet, betäubt werden; denn in dem, was ihn als Willenswesen mit der Natur verbindet, ist alles noch keimhaft. Er würde ein Natur- wesen sein, aber kein freies Wesen.

Wanneer de mens gebruik zou maken van wat hem als wilswezen verbindt met de natuur, dan zou hij verdoofd worden. Want alles wat hem als wilswezen met de natuur verbindt is nog in de kiem. De mens zou een natuurwezen zijn, maar hij zou niet vrij zijn.

Aan de ene kant het verleden waaraan je gebonden bent en aan de andere kant de toekomst….waaraan je ook gebonden bent. 
Door ons met natuur bezig te houden, blijven we a.h.w. ‘vanzelf’ natuurwezens. Dat is voor Steiner: niet vrij.

Als we de natuur indelen in levenloos en levend en als we, ongeacht uit welk gebied of natuurrijk, ons bezighouden met een natuurobject – ook de mens – altijd zullen we gebonden zijn aan: geworden  –  worden  – geworden. En van ‘geworden’ naar ‘geworden’ is in wezen een sterfteproces. In die gebondenheid ligt de onvrijheid:

Wenn Sie aber von diesem Gesichtspunkte aus die Natur selbst betrachten, werden Sie sich sagen: Ich blicke hin auf die Natur, der Strom des Sterbens ist in mir und auch der Strom des Neuwerdens: sterben – wiederum geboren werden.

Wanneer u nu van dit gezichtspunt uit de natuur zelf be­schouwt, dan zult u zeggen: ik kijk naar de natuur; de stroom van het sterven is in mij, en ook de stroom van het worden: sterven en weer geboren worden.

Dan is het maar een kleine stap om in te zien dat we om tot vrijheid te komen, ons niet moeten richten op de natuurobjecten. Niet op de zintuiglijke natuur. Maar wat blijft er dan over, als alles om ons heen zo’n beetje wegvalt?

We hebben iets uit het voorgeboortelijke meegebracht aan voorstellende kracht en aan wilsimpulsiviteit. En wij zijn in staat deze ook te richten op het denken als object. 

Toon Hermans zei eens: ‘Als ik iets denk, denk ik weleens bij mezelf: he, wat denk ik nu weer.’ 
In deze zin komt zo prachtig tot uitdrukking dat wij niet samenvallen met ons denken. Dat we als ‘Ik’ naar ons denken kunnen kijken (niet naar dat van een ander!), zoals we naar de amaryllisbol kijken. Maar ons richten op het denken is in feite een vorm van waarnemen van iets niet-zintuiglijks:

Über diesen zwei Elementen – der Erfassung des Toten durch den Verstand und der Erfassung des Lebendigen, des Werdenden durch den Willen – steht im Menschen etwas, was nur er, kein anderes irdisches Wesen, von der Geburt bis zum Tode in sich trägt: das ist das reine Denken, dasjenige Denken, das sich nicht auf die äußere Natur bezieht, sondern das sich nur auf dasjenige Übersinnliche bezieht, was im Menschen selber ist, was den Menschen zum autonomen Wesen macht, zu etwas, was noch über demjenigen ist, was im Untertoten und im Überlebendigen ist. Will man daher von der menschlichen Freiheit reden, so muß man auf dieses Autonome im Menschen sehen, auf das reine sinnlichkeitsfreie Denken, in dem immer auch der Wille lebt.

Boven deze twee elementen – het verstand dat het dode in zich opneemt en de wil die het levende, het wordende in zich opneemt – staat in de mens iets wat alleen de mens en geen ander aards wezen van geboorte tot dood in zich draagt: dat is het zuivere denken.0 Dat denken is niet gerelateerd aan de zintuiglijke natuur, maar slechts aan het bovenzinnelijk ele­ment in de mens zelf, aan wat hem tot een autonoom wezen maakt. Daardoor gaat hij uit boven datgene in de mens wat minder dan dood en boven datgene wat meer dan levend is. Wil men dus spreken van de vrijheid van de mens, dan moet men de blik richten op het autonome in de mens, op het zuivere, van zintuiglijke indrukken vrije denken, waarin ook altijd de wil leeft.

0het zuivere denken: Hiermee duidt Steiner op het abstracte denken in zijn hoogste vorm, dat onafhankelijk van de voorstelling ideeën met elkaar verbindt. Vgl. Waarheid en wetenschap; De filosofie van de vrijheid.

Naast bovengenoemde boeken is het vooral ‘De weg tot inzicht in de hogere werleden‘ waarin uiteen wordt gezet hoe je dit zuivere denken kan scholen.
En nogmaals: de keus om dat te gaan doen, is er een van volledige vrijheid: niemand of niets verplicht je ertoe: je kan het ook nalaten. Kiezen voor meditatie is een vrije keuze.

Ik merkte al op:

Wenn Sie aber von diesem Gesichtspunkte aus die Natur selbst betrachten, werden Sie sich sagen: Ich blicke hin auf die Natur, der Strom des Sterbens ist in mir und auch der Strom des Neuwerdens: sterben – wiederum geboren werden.

Wanneer u nu van dit gezichtspunt uit de natuur zelf be­schouwt, dan zult u zeggen: ik kijk naar de natuur; de stroom van het sterven is in mij, en ook de stroom van het worden: sterven en weer geboren worden.

Von diesem Zusammenhang versteht die neuere Wissenschaft sehr wenig; denn ihr ist die Natur gewissermaßen eine Einheit, und sie puddelt fortwährend durcheinander das Sterbende und das Werdende, so daß alles, was heute vielfach ausgesagt wird über die Natur und ihr Wesen, etwas ganz Konfuses ist, weil Sterben und Werden fortwährend durcheinandergemischt werden.

Van deze samenhang begrijpt de moderne wetenschap heel weinig; deze beschouwt de natuur in zekere zin als een eenheid en hutselt het stervende en het wordende voortdurend door elkaar, zodat alles wat tegenwoor­dig veelvuldig beweerd wordt over de natuur en het wezen van de natuur heel verward is, omdat sterven en worden voortdu­rend met elkaar vermengd worden.

Ook vandaag de dag zijn deze gezichtspunten in de wetenschap eigenlijk niet terug te vinden – bij mijn weten. 
Dat is begrijpelijk: Steiner kan ze alleen noemen omdat hij verder gaat dan het 2-ledig mensbeeld, in het leven geroepen door de afschaffing van de geest op het Concilie van Constantinopel; omdat hij ‘de wet van het behoud van stof en kracht‘ doorziet – waarschijnlijk niet zomaar in deze voordracht aan de orde gesteld – en omdat hij ervan overtuigd was dat het denken geen grenzen kent, zoals door Kant was beweerd. Steiner: spreek niet over de grenzen van het kennen, spreek alleen over je eigen grenzen van het kennen. 
Uiteraard is de hele visie op de mens als ‘hoger dier’, ‘machine’, ‘brein’ e.d. een enorme sta-in-de-weg om tot andere inzichten te komen. 

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 3 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen
.

1708

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.