Categorie archief: vertelstof

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookje (8-3/1)

.

Russisch sprookje uit de verzameling van A.N. Afanashew
.

Verteltijd ca 7 min.

 

DE SNOTTERIGE GEITENBOK

.

In een zeker land, in een zeker rijk leefde eens een koopman. Hij bouwde voor zichzelf een nieuw huis en zond er zijn oudste dochter heen: ze moest er over­nachten en hem dan vertellen wat ze in haar droom had gezien. Het meisje droomde dat ze ging trouwen met een koopmanszoon.

De volgende nacht zond de koopman zijn middelste dochter naar het pasgebouwde huis om te zien wat zij daar zou dromen. En zij droomde, dat zij ging trouwen met een edelman.

De derde nacht was het de beurt van de jongste dochter. Ze werd erop uitgezonden, en ze droomde dat ze trouwde met een geitenbok.

De vader schrok geweldig en verbood zijn lievelingsdochter om buiten de deur te gaan. Maar zij was ongehoorzaam en zij deed het toch. Op hetzelfde ogenblik nam de bok haar op zijn lange horens en droeg haar over steile oevers en hellingen naar zijn hut. Daar legde hij haar te slapen. Het snot liep hem uit de neus, de kwijl droop uit zijn bek, maar het arme meisje veegde telkens alles weg met haar zak­doekje, zonder afkeer te voelen. Dat stond de bok wel aan en tevreden streek hij over zijn baard.

De volgende morgen stond het mooie meisje op en zag dat het hele erf was omgeven door palen en dat op ieder daarvan het hoofd van een meisje was gestoken – slechts één enkel paar was leeg gebleven. En het arme kind was blij, dat ze aan de dood was ontkomen. Al gauw kwamen er dienaren om haar te wekken: “Het is nu geen tijd meer van slapen, meesteres, maar het is tijd de kamers schoon te maken en het vuil het huis uit te vegen.”
Ze ging naar buiten voor de deur en zag ganzen vliegen. “Ach, mijn grijze ganzen, komen jullie misschien uit mijn ge­boortestreek? En brengen jullie mij soms tijding van mijn eigen vadertje?”

De ganzen antwoordden:  “Ja, wij komen uit je geboortestreek en hebben tijding voor je meegebracht; er wordt bij je thuis een verloving gevierd, want je oudste zuster gaat trouwen met een koopman.”

De bok hoorde alles op zijn ligbed en zei tegen de knechten: “Hé daar! Trouwe dienaren, breng de bont versierde gewaden en span de zwarte paarden in! In drie sprongen moeten zij op hun plaats van bestemming zijn.”

Het meisje maakte zich mooi, stapte in en de paarden brachten haar in een oogwenk bij haar vader. Voor de deur trof zij gasten aan, en in het huis was een feestmaal gaande. Maar de bok had zich veranderd in een knappe jongeman en liep met de goesli* het erf op en neer.

Nu, wie zou een speelman niet binnenroepen bij een feest? Hij betrad dan ook het grote, houten huis en begon direct te spelen en te zingen: “De vrouw van een geitenbok! De vrouw van een snotneus.”
Het arme meisje gaf hem eerst op de ene wang een klap, toen ook op de andere, en ging er daarna in grote op­winding met het span zwarte paarden vandoor. Toen ze thuiskwam, lag de bok al op zijn gewone plaats. Het snot droop uit zijn neus, de kwijl uit zijn bek, en weer veegde het meisje alles weg met haar zakdoekje, zonder afkeer van hem te voelen.
’s Morgens werd zij door de dienaren gewekt: “Het is geen tijd van slapen, meesteres, maar van opstaan. De kamers moeten worden schoongemaakt, het vuil moet naar buiten worden geveegd.”
Ze stond op, bracht de kamers in orde en ging naar buiten vóór het huis. Daar vlogen weer de ganzen voorbij.
“Ach, mijn grijze ganzen, komen jullie misschien uit mijn ge­boortestreek met tijding van mijn vader?”
En de ganzen antwoord­den: “Wij,komen uit je geboortestreek en brengen je nieuws: bij je thuis wordt een verloving gevierd, want je middelste zuster gaat trouwen met een rijke edelman.”

Opnieuw reed het meisje naar haar vader. Voor het huis ontmoette ze gasten, want binnen werd er een groot feestmaal gegeven. De bok veranderde zich weer in een knappe jongeman die op het erf heen en weer liep met de goesli. Hij werd binnengeroepen, begon te spelen en zong daarbij: “De vrouw van een geitenbok, de vrouw van een snotneus…”
Opnieuw gaf het arme meisje hem eerst op de ene en toen op de andere wang een klap, en ging er met het span zwarte paarden vandoor.

Toen ze thuiskwam, lag de bok op zijn gewone plaats. Het snot droop uit zijn neus, de kwijl uit zijn bek. Weer ging er een nacht voorbij. ’s Morgens stond het meisje op, ging naar buiten voor de hut en zag weer de ganzen voorbijvliegen.

“Ach, mijn grijze ganzen, komen jullie misschien uit mijn
ge­boortestreek, en brengen jullie soms nieuws van mijn vader?”
En de ganzen antwoordden:  “Ja, wij komen uit je geboortestreek en hebben nieuws voor je meegebracht: je vader geeft een groot feestmaal.”

Het meisje snelde naar haar vader. Voor het huis ontmoette ze gasten en binnenshuis was een geweldig feestmaal aangericht. Om het huis liep de speelman met zijn goesli. Ze riepen hem de feestzaal binnen en weer zong hij: “De vrouw van een geitenbok, de vrouw van een snotneus…”
Het arme meisje gaf hem eerst op zijn ene en daarna op zijn andere wang en klap en haastte zich naar huis. Ze keek op zijn gewone ligplaats, maar daar lag alleen de huid van een bok. De speelman had geen tijd gehad er weer in te kruipen.

De huid vloog de kachel in, en voortaan was de jongste dochter van de koopman met een knappe jongeman getrouwd.

Ze leefden nog lang tezamen en vermeerderden hun bezit.

.
*citer-achtig instrument

Sprookjes: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

1e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 1e klas sprookjes

.

763-699

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Tolstoi

.

HIJ SCHREEF EN BELEEFDE OORLOG EN VREDE

In de romans van Leo Tolstoi is het leven rijker dan waar ook in de letterkunde. Daar vindt men oorlog en vrede, liefde en avontuur, geboorte en dood — een caleidoscoop van gedenkwaardige taferelen.
Een verdwenen Rusland, met zijn schitterend keizerlijk hof, zijn bals en duels en kranige officieren, zijn grondbezitters, virtuoos rijdende kozakken en domme horigen, zijn uitgestrekte, besneeuwde slagvelden en zijn nachten van roekeloos hazardspel en braspartijen met de zigeuners. De talloze personages staan ons nader dan de mensen die op dit ogenblik door de straten van Moskou en Leningrad lopen. Want dit was het leven zoals Tolstoi het zelf heeft geleefd en weergegeven met een begrip, waarvoor zijn grote christelijke liefde de enige verklaring is.

Tolstoi

Er was geen spoor van genialiteit in Tolstoi’s vroegste jaren. Hij werd in 1828 geboren op Jásnaja Poljána, de uitgestrekte bezitting van zijn vader, graaf Tolstoi, ongeveer tweehonderd kilometer ten zuiden van Moskou. Zijn moeder, prinses Maria Wolkonski, bracht voor haar echtgenoot een fortuin ten huwelijk mee en gaf haar kinderen het trotse bloed van Ruslands hoogste aristocratie. Volgens zijn eigen dagboeken leidde de jongeman het leven van een nietsnut, vrouwenjager en speler. Niemand had toen kunnen vermoeden dat dit maar één fase was — de vreemde, onvermoeibaar zoekende schrijver zou er in zijn lange leven heel wat doorlopen voordat hij ten slotte een “heilige” werd, niet alleen voor christenen maar ook voor aanhangers van andere godsdiensten, en, niet te vergeten, voor tallozen in Europa, Azië en Amerika die hun geloof nog niet hadden gevonden.

Zijn oorlog met zichzelf nam geen eind, en tot het laatst toe bleef vrede een hersenschim. Met een diplomatieke loopbaan voor ogen bezocht hij de universiteit van Kazan om er oosterse talen te studeren. Maar de man die even vloeiend Frans sprak en schreef als Russisch, die binnen drie maanden het Oudgrieks beheerste en met gemak Duits, Italiaans en Engels leerde, werd afgestoten door de trage, vormelijke methodes van het academisch onderwijs. Daarom stapte hij over naar de studie in de rechten. Ook dat werd een mislukking, want hij vond het recht geestdodend en zonder verband met de zedelijke gerechtigheid. Toen zijn speelschulden hem dwongen Moskou te verlaten, sloot de jonge Tolstoi zich aan bij een regiment aan de Kaukasische grens, dat de voortdurende aanvallen van de Tartaren afsloeg. De ongerepte natuur van dat oord, de besneeuwde bergtoppen en de droge, hoge lucht wekten een verrukking in hem die haast tastbaar aanwezig is in zijn prachtig verhaal De kozakken en in Hadzji Moerat. Het laatste werd pas vijftig jaar later geschreven, en niets bewijst zozeer dat Tolstoi iedere indruk niet alleen in zich opnam, maar ook zolang hij leefde in de oorspronkelijke luister kon bewaren.

Toen in 1853 de Krimoorlog uitbrak, liet de jonge officier zich naar het front overplaatsen. Zijn verhalenbundel Sebastopol geeft een onthullende kijk op de tragische heldenmoed van de Russische troepen, maar ook op de harteloze domheid van de legerleiding.
Als een schrijver van naam kwam hij na vier en een half jaar soldatenleven in zijn wereld van oppervlakkig vermaak terug. Hij was toen zevenentwintig. Maar niets was verspild aan die aartsverspiller; al wat hij had geleerd en beleefd als soldaat vindt men terug in Oorlog en vrede. Hoe schitterend het gezelschap ook was waarin hij zich bewoog, toch was Tolstoi nog vrijgezel, al voelde menige vrouw de aantrekkingskracht van zijn valkenblik en zijn zinnelijke mond. Hij maakte reizen door Frankrijk, Zwitserland en Duitsland, maar ware schoonheid was voor hem alleen in zijn geboorteland te vinden, waar de eindeloze steppen hem meer in verrukking brachten dan de Alpen.

Het allermeest hield hij van Jásnaja Poljána, waar hij nu heer en meester was. Maar de jonge graaf Tolstoi was een nieuw soort grondbezitter: hij voelde zich nederig tegenover de vrome, ongeletterde boeren. Hij richtte een school op voor hun kinderen die niet konden lezen en begon zijn lijfeigenen te bevrijden van menslievendheid die zij met wantrouwen gadesloegen. Zijn idealisme, zijn eerzucht, zijn eenzaamheid en zijn wisselende stemmingen brachten zijn innerlijk in een toestand van gisting.
Steeds vaker kwam hij op bezoek bij de familie Behr, het gezin van een hofarts, met drie aantrekkelijke dochters. Dit levendig en gastvrij huishouden werd door Leo Tolstoi als zijn tweede tehuis beschouwd. Het werd vereeuwigd als de familie Rostow in Oorlog en vrede.

Toen Leo op een dag een brief met een aanzoek overhandigde aan Sonja, de middelste en mooiste van de dochters, zei zij onmiddellijk ja. Hij was vierendertig en had een verleden; zijn verloofde was een onschuldig meisje van achttien. Leo, die als altijd verscheurd werd door twijfel aan zichzelf, vond dat hij niet het recht had met haar te trouwen als hij niet eerst zijn zonden biechtte; daarom gaf hij haar de dagboeken waar alle
bijzonderheden in stonden. Het meisje was zo dapper haar belofte te hernieuwen en het paar werd in de echt verbonden — het begin van
een leven van hartstocht en pijn dat achtenveertig jaar zou duren.
Zij was een praktische vrouw, hij was een weidse dromer. Zij
hield van de vermaken van het stadsleven en had eerst een hekel
aan het landelijk verblijf waar hij zich het gelukkigst voelde. Maar
daar staat tegenover dat zij hem dertien kinderen schonk, de
behartiging van zijn zakelijke belangen op zich nam en uit vrije
wil het reusachtige, steeds weer herziene manuscript van Oorlog en vrede tot zeven maal toe eigenhandig overschreef.
Oorlog en vrede is het heldendicht van Napoleons oorlog tegen Rusland in 1812; er wordt in beschreven hoe die oorlog als een vloedgolf over de meer dan vijfhonderd verschillende personages van het verhaal heen slaat. De meer dan levensgrote slagveldtaferelen met hun cavalerie-charges, slachtpartijen en staaltjes van heldenmoed, de brand van Moskou, de terugtocht van het Franse leger door de meedogenloze sneeuwstormen, alles wordt beschreven met een ongeëvenaarde breedheid van blik. En de persoonlijke verhalen die door het nationale drama heen zijn gevlochten, wekken ons diepste medeleven, want Tolstoi kon in het hart van een ander lezen als in een open boek. Doelend op Natasja, de bekoorlijke vrouwelijke  hoofdpersoon, zei Tolstoi’s jonge schoonzuster Tanja eens vol verbazing: “Ik kan me voorstellen dat je grondbezitters, vaders, generaals en soldaten kunt beschrijven, maar dat je in de huid van een verliefd meisje kunt kruipen – dat kan ik maar niet begrijpen.”

Deze reuzenroman, waar hij zeven jaar voor nodig had, was onmiddellijk een succes. Nu nog wordt hij in heel de beschaafde wereld gelezen en geprezen. Maar zolang zijn schrijversloopbaan duurde heeft Leo Tolstoi het gevoel gehad dat het eigenlijk een soort van zonde was, blij te zijn met loftuitingen. Waar hij aan toegaf, dat waren de eenvoudige genoegens van het buitenleven op Jásnaja Poljána: spelletjes met de kinderen, paardrijden en jagen, met het hele gezin om de samowar heen zitten in de winteravondschemering, het ontluiken van de berkenblaadjes in het voorjaar en het binnenhalen van de gouden oogst. Hier had hij zijn wortels en de volgende bloesem die daaruit ontsproot was een nieuwe grote roman, Anna Karenina, die de fascinerende tegenstelling beschrijft tussen een goed huwelijk op het land en een overspelige verhouding in hogere kringen.
Maar sterker nog dan zijn schrijverstalent was Tolstoi’s morele kracht. Elke fout in zijn gedrag bezorgde hem de ergste gewetenswroeging, en nog heviger leed hij onder de ellende van zijn medemensen. In de tsarentijd was Rusland net als nu het meest despotisch geregeerde land van Europa, maar de inmiddels beroemd geworden schrijver nam keer op keer risico’s om voor de vrijheid van anderen te strijden. Zo wierp hij zich op als kampioen voor de vrijheid van spreken, overtuigd dat politieke “misdrijven” – kritiek op de regering of de staat —juist tekenen van een gezond volksleven waren. Het hielp niet dat zijn stukken, verhalen en brochures waarin deze denkbeelden tot uiting kwamen, door de censuur verboden werden. Ze werden in andere talen overal in Europa gedrukt en duizenden Russen schreven de vertalingen over en lieten ze in het geheim circuleren.

In zijn hartstochtelijk speuren naar religieuze waarheid had Tolstoi een tijdlang zijn heil gezocht bij de Russische orthodoxe kerk. Maar hij kwam tot de ontdekking dat vlammende kaarsen, oude iconen, glinsterende mozaïeken en wierookgeuren een mens nog niet tot christen maken. Hij durfde hardop zeggen dat achter de waardigheid en het ceremonieel van vele priesters een ontstellende domheid schuilging. “Het Koninkrijk Gods is binnen in u,” riep hij uit. Daarna kreeg hij de kerk tegen zich. Op den duur kwam het zover dat Tolstoi zijn geloof alleen nog op de woorden van Christus grondvestte. “Gij zult den boze niet wederstaan,” staat er in de Bergrede. Volgens Tolstoi betekende dit dat iedere vorm van geweld, elke soort van gewapende macht in strijd is met de leer van Jezus. Nu was het leger woedend op de eens zo kranige soldaat. Er was maar één ding dat Tolstoi beschermde tegen de gezamenlijke toorn van tsaar, kerk en leger, en dat was de ontzaglijke invloed van zijn boeken over de hele wereld. De heersende machten hadden de moed niet, de bekendste Rus van zijn tijd tot martelaar te maken.

Uit vele landen stroomden bezoekers toe om de ziener met zijn witte haar en diepliggende ogen in levenden lijve te ontmoeten. Talrijk waren de mensen met wie hij briefwisseling onderhield. Onder hen was een jongeman uit India: Gandhi heette hij. Door Tolstoi kwam India’s toekomstige geestelijke leider veel te weten over de macht van het lijdelijk verzet zoals Christus dit predikt.
En net als de Mahatma ondernam Tolstoi het waagstuk, met zijn hervormingsplannen een begin te maken binnen het kader van het dorpsleven. In zijn school voor boerenkinderen ging hij verder dan de meest vooruitstrevende opvoedingstheorieën. Tolstoi gooide de gebruikelijke Russische en Europese leerboeken op de rommelzolder, omdat hij ze vervelend en verouderd vond; hij gaf de voorkeur aan de boeken die hij uit Amerika kreeg. Dit alles stuitte de inspecteurs van het openbaar onderwijs zo tegen de borst, dat zij de school sloten.

Iemand die de christelijke ethiek zo naar de letter opvolgt als Tolstoi dat deed, moet wel geringschatting koesteren voor comfort, tactiek, gezondheid en bezit — en dat is moeilijk voor de mensen die met hem leven en van hem houden. Hoe meer hij vergeestelijkte, des te praktischer moest Sonja zijn. Zij moest ervoor zorgen dat haar zoons een goede opleiding kregen, zij moest haar dochters introduceren in de uitgaande wereld van Moskou, zij moest zijn zaken behartigen. Ondertussen zwierf hij over de wijde vlakten van zijn dierbaar Jásnaja Poljána, zelf net een boer in zijn oude kiel en met zijn profetenbaard, ingesponnen in een eigen wereld van de geest en de natuur. Op zijn moeizame speurtocht naar eenvoud kwam de oude man tot de overtuiging dat het bezit van geld en goed niet strookte met wat zijn geloof was; hij verdeelde zijn landerijen onder zijn kinderen en besteedde een grote portie van zijn winstgevende auteursrechten aan zaken van openbaar belang. Om zijn brood te verdienen boog hij zijn hoofd  met het sneeuwwitte haar over een schoenlapperswerkbank en ging schoenen maken. Sonja huilde en maakte hem verwijten. De toestand tussen deze twee mensen werd onhoudbaar. Om maar niet meer bij zijn vrouw te hoeven zijn ging Tolstoi eindelijk het huis uit, in gezelschap van zijn dokter. Niemand wist er verder iets van. Het was hartje winter. Algauw sloot zijn dochter Alexandra zich bij hen aan. De reis met de trage, onverwarmde trein was nog niet ver gevorderd toen Tolstoi plotseling longontsteking kreeg. In Astapowo werd hij uit de trein naar het huis van de stationschef gebracht. Sonja kwam toegesneld, maar om de zieke opwinding te besparen, werd ze uit zijn kamer geweerd. Pas toen hij het bewustzijn al verloren had, werd ze toegelaten om woorden van liefde te fluisteren in zijn oren die niets meer hoorden, om zijn handen te kussen die niets meer voelden. Nu was het te laat voor die twee tegengestelde naturen, die elkaar toch zo hartstochtelijk hadden liefgehad; laat om tot het begrip te komen waarom ze in hun lang gemeenschappelijk leven hadden geworsteld.

Tolstoi’s laatste woorden zijn onthullend voor de geest die op het punt stond de aarde te verlaten. “De waarheid . . . .” zei hij heel op het laatst, en toen nog, als een getuigenis afgelegd voor het allerhoogste Gerecht: “Ik heb velen lief.”

Op 7 november 1910 verspreidde zich door de hele wereld het bericht dat deze oproerige, geniale ziel verlost was uit het lichaam waartegen hij zo had gestreden. Volgens zijn wens werd hij begraven in de bossen van Jásnaja Poljána. Er waren geen godsdienstige plechtigheden bij het graf van de man die de moed had gehad, met fouten en al, een leven in navolging van Christus te beproeven. Later hebben Sowjetpropagandisten gepoogd hem tot held te maken van de communistische revolutie, die hij nooit heeft beleefd. Maar de prediker van de geweldloosheid zou het op de huidige machthebbers niet begrepen hebben — Leo Tolstoi behoort veeleer toe aan allen die volgens zijn leer trachten te leven, die de mensheid liefhebben en bovendien hun hart hebben verpand aan de grootse literatuur waarin die mensheid wordt uitgebeeld.

.

8e klasalle artikelen

Vertelstofalle biografieën

Vertelstofalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

760-696

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (8-2/1)

.

Uit: Von den Quellkräften der Seele– Herbert Hahn)

.

het sprookje van de drie lammetjes
.

Een weduwe had drie zonen.  Ze was zo arm, dat de zonen de wereld in moesten om de kost te verdienen.
Alle drie kwamen zij in de leer bij een oude eerbiedwaardige man. De oude man bezat een kudde schapen. De oudste zoon vroeg toen hij bij de oude in de leer was: “Heer, wat moet ik doen?” “Veel is het niet.” was het antwoord.  “Ga naar de schapen op het veld, zorg goed voor ze en verlies ze niet uit het oog en ’s avonds als je terug­keert met de kudde, vertel me dan van welk gras ze gegeten en van welk water zij gedronken hebben.”
De oudste zoon was blij, dat hij zo’n eenvoudige opdracht had ontvangen. Hij trok met de schapen naar het veld, ging in het gras liggen en keek dromerig naar de blauwe hemel.  “Meer hoef ik niet te doen,” dacht hij. Vredig en stil graasden de schapen, doch plotseling bemerkte hij hoe zij samen­drongen bij een wilde waterval, waarover slechts een smal zwak en verrot bruggetje leidde.
De oudste zoon sprong op en rende er heen om de schaapjes tegen te houden, maar het lukte hem niet. Hij riep en riep, ze luisterden echter niet naar hem. De een na de ander liep over het smalle brugge­tje. Alleen één klein lammetje, dat tot het laatst wachtte, stootte steeds tegen de benen van de oudste zoon en trok met zijn tanden aan de slippen van zijn jas, alsof het iets aan de oudste zoon wilde tonen. De zoon duwde zonder te kijken het lammetje van zich af en schonk verder geen aandacht aan het dier.
Tegen de avond kwamen de schapen weer vanzelf terug en de zoon bracht de kudde weer veilig thuis bij de oude man.  “Nu,” vroeg de oude, “Vertel me, van welk gras aten mijn schapen en van welk water dronken zij?” “Ze aten groen gras en dronken helder bronwater” antwoordde de jongen verwonderd op de vraag van de oude.
De oude man lachte fijntjes en zei: “Je hebt je dienst zo goed verricht als je maar kon. Hier is je beloning.” En hij gaf hem een zak vol goudstukken. “Ga nu naar huis en overhandig het geld aan je moeder, zij zal het hard nodig hebben. Bovendien heeft je moeder grote heimwee naar je.” “Hoe kan dat nu”‘ zei de zoon,  “Ik ben pas gisteren van huis ver­trokken” “Je bent langer van huis dan je denkt.  Zeven jaar was je bij mij in de leer,” sprak de oude man.

Toen nam de oudste zoon de zak met goudstukken aan en vertrok in de richting van zijn huis. Onderweg echter bezocht hij een herberg, waar hij al zijn geld verloor aan drank en spel. En toen hij thuis kwam had hij zijn moeder niets aan te bieden.

Zo verging het ook de tweede zoon. Ook hij hoedde de schapen van de oude man en merkte niets van het kleine lammetje dat hem iets duidelijk wilde maken. Ook hij werd vriendelijk door de oude man toegesproken en hij kreeg een zak vol goudstukken. Ook hij ging zo lichtzinnig met het goud om, dat het van hem gestolen werd„ Met lege handen keerde hij evenals zijn oudere broer terug.

Nu kwam de jongste zoon bij de oude man in de leer. Ook aan hem werd de kudde schapen toevertrouwd, precies zoals dat met zijn twee broers was toegegaan. Weer kwam het moment waarop de schapen samen­drongen bij het oude, zwakke bruggetje over de waterval. Het kleine lammetje trok aan de jas van de jongste zoon. En de jongen had zo’n plezier in het diertje, dat hij het aaide en met hem naar de plek ging, die het wilde aanwijzen. Aldus volgden zij de andere schapen. Tenslotte kwamen zij bij een kapel. Nauwelijks waren de schapen daar aangekomen of hun gouden vacht viel af en voor de jongste zoon stonden louter engelen. Het kleine lammetje was een bijzonder mooie engel, stralend als goud.
De engelen hielden samen een eredienst en aten van het heilige brood en dronken van de heilige wijn. Toen verhulden zij zich weer in de schapenvachten en gingen naar de groene weide terug over de smalle brug.

Toen de oude man ’s avonds aan de jongen vroeg: ‘Welk gras hebben mijn schapen gegeten en welk water hebben zij gedronken?”, vertelde de jongste zoon alles wat hij beleefd had. Hierover verheugde de grijsaard zich zeer en zei tot hem: “Jou zal ik meer geven dan je broeders,” en hij gaf hem een rond brood mee. “Dit brood zal altijd ieder blijven voeden, nooit zal er meer honger zijn. En vergeet nooit dat je bij Godvader zelf in de leer geweest bent.”
(Een Hongaarse vertelling)

.

Sprookjesalle artikelen

Vertelstofalle artikelen

1e klasalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld1e klas 

757-693

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Sikorsky

.

de reddende engel met de molenwieken

.

Op een sombere dag in 1938 zat ik aan mijn bureau in East Hartford, in de staat Connecticut, met tegenzin op een be­zoeker te wachten. Als eerste vicepresident van United Aircraft was mij de taak toebedeeld om een gewaardeerd vriend zijn werk te ontnemen en misschien zelfs een einde te maken aan schitterende carrière. Hij was een van ’s werelds grootste uitvinders op luchtvaartgebied — Igor Iwanowitsj Sikorsky.
In afwachting van het ogenblik van onze ontmoeting, riep ik mij de meteoorachtige opkomst van dit Russische genie voor de geest: hoe hij als 22-jarige jongeman in zijn geboorteplaats Kiev het wereldvliegrecord brak met een vliegtuig dat hij had ontworpen en geconstrueerd met de hulp van zijn medeleerlingen van het polytechnisch instituut; hoe hij als bouwer van reuzenvliegtuigen een snelle triomf beleefde en de held van zijn landgenoten werd. Ik dacht aan zijn ontsnapping naar de Verenigde Staten na de bolsjewistische revolutie, aan de honger die hij leed in het begin van de jaren twintig, toen hij en andere uitgewekenen hun schamele bezittingen botje bij botje legden om op een boerenplaats nabij een vliegveld vliegtuigen te bouwen uit afgedankte oude rommel. Ten slotte kwamen dan zijn grote vliegtuigen die het kenteken van Sikorsky, de “gevleugelde S”, over de hele wereld droegen.

Daar stond hij in de deuropening, een kleine, professorale figuur die men niet in verband zou brengen met een vliegtuigmotorenfabriek.
Zijn dunne, zwarte hangsnor gaf hem het aanzien van een Tartaar, maar uit zijn zachte donkere ogen sprak de mystiek van een heilige uit het Verre Oosten. Hij kwam een paar stappen de kamer in, klapte zijn hakken tegen elkaar en boog. Zijn correcte, gereserveerde houding zou de indruk kunnen wekken dat wij vreemden voor elkaar waren; in werkelijkheid hadden we jaren nauw samengewerkt.

Vlak voor de economische depressie had United Aircraft de Sikorsky-fabriek te Strafford, in Connecticut, aangekocht en in 1930 werd ik belast met de leiding ervan. Ik merkte al gauw dat het de wonderlijkste fabriek van de wereld was. Het bedrijf was tot barstens toe vol met charmante, beschaafde, temperamentvolle uitgeweken Witrussen — sommige uitgesproken begaafd – die hun grote uitvinder naar de vrijheid waren gevolgd. Toen groothertogin Marie een bezoek bracht aan de fabriek, stonden gewezen aristocraten op van hun banken en de machines stopten zolang de hooggeboren dame audiëntie verleende. Als de Community Grand Opera van Bridgeport, die heel wat zangers onder Sikorsky’s Russen telde, een voorstelling gaf, was het succes van een aria minstens even belangrijk als een vliegtuigorder, en de bezielende leider van de groep, een voormalige kozakkengeneraal kon — de depressie ten spijt — niet van de loonstaat worden geschrapt.

In deze wereld was de vriendelijke, mystieke Sikorsky koning. In zijn werkkamer hing een vergroting van het historische kiekje van hemzelf en wijlen tsaar Nicolaas, staande in de neus van het eerste viermotorige verkeersvliegtuig ter wereld — zijn schepping. De icoon in een van de hoeken getuigde van zijn diepgeworteld godsvertrouwen. Sikorsky gaf een landgenoot nooit een bevel. “Als u er niets op tegen hebt,” placht hij te zeggen, of: “Als dit denkbeeld niet indruist tegen uw eigen technische principes . . .” Maar zijn prestige was zo groot dat een voorstel van hem een bevel werd. Als iemand met een idee bij hem kwam placht hij te zeggen: “Uitstekend! Laten we het nu zo uitwerken” — en terwijl hij bedrijvig aan het tekenen ging bracht hij gewoonlijk ingrijpende wijzigingen aan. Wanneer het onderdeel dan later in productie kwam was het ontwerp eigenlijk van Sikorsky — maar de werknemer geloofde dat het van hem was.

In een poging om deze sympathieke individualisten samen te smelten tot een doelmatig productieapparaat, doken we in de boeken en stelden vast dat de productiekosten veel te hoog waren. “Er zijn grenzen,” zei Fred Rentschler, toentertijd president van de maatschappij, “aan de bijdrage die United Aircraft kan uittrekken voor steun aan Russische uitgewekenen.”
Ik gaf dus de productieafdeling opdracht om twintig percent op de kosten te bezuinigen, wat inhield dat er personeel ontslagen moest worden. Sikorsky ging volkomen akkoord. Maar later kwam ik erachter dat de loonlijst van de constructieafdeling met eenzelfde bedrag was gestegen. En toen die begroting besnoeid was gingen de directe arbeidskosten weer omhoog. Een meesterknecht in de werkplaats bijvoorbeeld, die de ene dag tijdelijk op non-actief was gesteld, dook de volgende dag weer op aan de tekentafel, en weer later aan de draaibank. De ingenieurs en afdelingschefs konden eenvoudig de noodzaak van kostenverlaging niet begrijpen.
Sikorsky probeerde het mij uit te leggen. “Van deze mensen die alles kwijt zijn en die herhaaldelijk de dood voor ogen hebben gehad, kan men niet verwachten dat zij zich zorgen maken over de financiële verliezen van een onpersoonlijke moederonderneming, hoe welwillend die zich ook heeft betoond.”

De rustige kracht die van Sikorsky’s persoonlijkheid uitstraalde, en zijn waarlijk intuïtief technisch genie vormden tezamen een flinke creditpost op de twijfelachtige balans. Men moest geloven in deze man. Dus organiseerden wij de zaken zo goed en zo kwaad als het ging en zetten allerlei plannen voor een nieuw vliegtuig op stapel.

Onder zijn opvallende zwarte vilthoed leek Sikorsky alles wat er over vliegtuigbouw te weten viel met zich mee te dragen, en van onder die hoed vandaan kwamen de befaamde vliegende klippers, de amfibievliegboten die in de jaren dertig de weg baanden voor het thans de wereld omspannende net van luchtlijnen. Maar door te bewijzen dat zijn vliegboten veilig in één sprong de oceaan konden overvliegen, had hij ongelukkigerwijze zelf de weg vrijge­maakt voor hun vervanging door landvliegtuigen. Omstreeks 1938 hadden wij een fabriek met een voortreffelijke bezetting, maar geen orders. Er zat niets anders op: het mes moest erin.
Toen het besluit was genomen om de Sikorsky-productie te staken, dacht ik aan de woorden van een collega: “Ergens zit er in die Russische kaviaar een parel verborgen. Als je hem kunt vinden, red hem dan.” Terwijl ik naar de wachtende Sikorsky keek kwamen die woorden mij weer in de herinnering.
“Het spijt me u te moeten meedelen,” zei ik, “dat wij besloten hebben de productie in de fabriek van Stratford stop te zetten. Mocht u echter een persoonlijk researchprogramma in gedachten hebben dat onze middelen niet te boven gaat, dan zullen wij dat graag in overweging nemen.”
“Als u er geen bezwaar tegen hebt,” zei Sikorsky, zou ik graag een paar opmerkingen willen maken van geheel persoonlijke aard. Ik ben uitermate vereerd door het vertrouwen dat men blijkbaar in mij stelt, en dit vertrouwen is wederkerig. Echter, wat Sikorsky ook heeft mogen bijdragen tot de ontwikkeling van de luchtvaart, het is de vrucht geweest van vele en de meest uiteenlopende persoonlijkheden. U zult dus begrijpen dat ik geen verantwoordelijkheid voor nieuwe onderzoekingen op mij kan nemen zonder de zekerheid dat mijn kleine groep creatieve medewerkers mij kan blijven assisteren.”
Zich met een ernstig gezicht naar mij overbuigend, ging hij verder: “Wat ik zeer dringend voor onze onderzoekingen zou willen aanbevelen is de terugkeer naar mijn eerste liefde: het hefschroefvliegtuig.”

Tot dat ogenblik waren er geen bruikbare hefschroefvliegtuigen vervaardigd. Toen Sikorsky twintig was had hij eens een lomp toestelletje in elkaar geflanst dat niet van de grond loskwam, maar hij beweerde dat het “een poging had gedaan”. Nu, dertig jaar later, verlangde hij ernaar zijn jeugddroom die deskundigen als louter dwaasheid beschouwden, waar te maken. Ik had geen vertrouwen in het idee, maar terwijl ik luisterde naar het hartstochtelijke pleidooi van deze aan zijn droom verknochte mens – een pleidooi dat, naar ik weldra begreep, zorgvuldig was voorbereid — vergat ik mijn twijfel en zag ik alleen nog maar Sikorsky’s visioen.

Hij gaf een indrukwekkende samenvatting van de hele geschiedenis der luchtvaart om te bewijzen hoe reeds herhaaldelijk het “onmogelijke” tot stand was gebracht. Dit bracht hem op het hefschroefvliegtuig. “Dit project zal de grootste inspanning van ons vergen,” zei hij, “maar wij moeten de oplossing niet alleen met het ‘verstand’ zoeken. Er zal veel technische ‘intuïtie’ voor nodig zijn en vertrouwen in eigen scheppingskracht. Op de balans van een bedrijf is voor dit soort dingen geen kolom onder het hoofd  ‘activa’ beschikbaar.” Met een kleine handbeweging stapte hij van het onderwerp “geld” verder af.

“Deze ontwikkeling is van zoveel belang voor de toekomst van de samenleving dat het onze taak is er een begin mee te maken,” vervolgde hij. “Ontegenzeggelijk betekent het hefschroefvliegtuig een radicale en mogelijk ‘onmogelijke’ omwenteling, maar de praktische mogelijkheden zijn vrijwel onbegrensd. Als geen ander vervoermiddel zal het kunnen opereren zonder zich te bekommeren om daartoe aangewezen landingsterreinen. Daardoor zal het de ernstige belemmering wegnemen die de vooruitgang ondervindt van de aan vliegvelden gebonden vliegtuigen met vaste vleugels. Het is geen concurrent van het vliegtuig, maar een aanvulling ervan. Als Sikorsky deze machine van de toekomst niet schept zal een ander het doen. Door scholing en ervaring zijn wij het best toegerust voor deze taak. En ten slotte” — hij pauzeerde even voordat hij zijn laatste en afdoende argument ter tafel bracht – “zal het hefschroefvliegtuig, in tegenstelling tot het gewone vliegtuig, gebruikt worden om mensenlevens te rédden en niet om ze te vernietigen!”

Hij kreeg het geld dat hij dacht nodig te hebben voor de bouw van een prototype. Toen hij na een waardig afscheid dankbaar vertrok om de vier ingenieurs die hij van de debacle had kunnen redden te gaan optrommelen, had ik intuïtief het gevoel dat ik “de parel had gered”.

Sikorsky begon dadelijk vierentwintig uur per etmaal te werken aan zijn “mogelijk onmogelijke” verticaal vliegende machine.
Na een paar maanden ontving ik op kantoor zijn eerste rapport — waarschijnlijk het levendigste rapport dat ooit door een ingenieur is gemaakt. Het bestond uit een spoel met een kleurenfilm. Toen ik die afdraaide zag ik iets dat leek op een enorm meccano-speeltuig – een samenstel van naakte metalen buizen waarin een motor hing — uit een hangar rijden, waarna de motor werd proefgedraaid. Spoedig volgden er meer filmrapporten en daarna kwam de periode van “gekluisterde vlucht”. Terwijl hij moeite had om zijn evenwicht te bewaren zat Sikorsky in de neus van de onberekenbare, snorrende vogel en vocht met de bedieningsorganen om stabiliteit te verkrijgen. Ten slotte slaagde hij erin de machine van de grond te krijgen. Maar overeenkomstig onze voorschriften werd de hoogte van het toestel beperkt door een bal die met een ketting aan het onderstel was bevestigd, zodat zijn leven in geval van een ongeluk zo min mogelijk gevaar liep.
Deze kluister was Sikorsky een doorn in het oog. Op een dag rukte de machine bal en ketting van de betonnen startplaats omhoog, en toen belde hij mij op. “Wij zijn nu zover gekomen dat toestemming om onze boeien te slaken noodzakelijk wordt,” kondigde hij vastberaden aan. “Daar u zelf vlieger bent zult u begrip hebben voor het feit dat het gevaar niet schuilt in het vliegen door de lucht, maar in het raken van de grond. Daarom vraag ik nu eerbiedig permissie om veiligheid na te streven in de vrije vlucht.”

De verfilmde rapporten die nu volgden boden mij het gedenkwaardige schouwspel van ’s werelds eerste helikopterpiloot, die zichzelf leerde om ’s werelds eerste bruikbare hefschroefvliegtuig te besturen. De besturing van een hefschroefvliegtuig is veel ingewikkelder dan die van een gewoon vliegtuig. Om horizontaal te vliegen moet aan de rotor een lichte helling worden gegeven die de machine in de gewenste richting trekt. Maar om te voorkomen dat deze hefschroef het toestel een draaiende beweging geeft, is een kleine verticale staartschroef aangebracht die het draaimoment opheft en die helpt bij de besturing. Sikorsky moest al deze bewegende onderdelen coördineren om een soepele besturing te verkrijgen. Het “berijden” van deze pionierhelikopter leek wel op het temmen van een wild, steigerend paard. Zoals hij daar in zijn gewone pak en met zijn keurige vilthoed op het hoofd op de “stoep” van zijn toestel zat, leek hij op een verstrooide professor die probeert zich iets van zijn aantekeningen te herinneren, en ik verbaasde me erover dat hij ooit met het ding had leren vliegen.

Terwijl ik hem zo zag stijgen en dalen, naar links en naar rechts zag schieten en achteruit zag zweven, viel het mij aanvankelijk niet op dat hij geen enkele keer vooruitkwam. Ten slotte belde ik hem erover op. “Dat is een moeilijkheid die wij nog niet hebben opgelost,” antwoordde hij vriendelijk. De moeilijkheid wérd opgelost. Het ging erom de besturingsorganen zo te bedienen dat precies het vereiste vermogen werd afgegeven voor de voorwaartse beweging; te veel vermogen zou het toestel schuin omhoog hebben doen schieten.

Hierna volgden nog vele proefvluchten en wijzigingen voordat “Igors nachtmerrie” eindelijk een in de praktijk bruikbaar luchtvaartuig werd.

Nu begon zijn loopbaan als redder van vele levens. Op een keer werd een vergadering in de Sikorsky-fabriek op dramatische wijze onderbroken door het bericht dat tijdens een storm een aak in Long Island Sound was losgeslagen van de sleepboot en vlak bij de kust was gestrand. Een hefschroefvliegtuig steeg op. En terwijl het als een kolibrie boven de schipbreukelingen zweefde die op de aak samengedrongen zaten, liet de piloot een reddingslijn neer en hees ze in veiligheid. De “engel van barmhartigheid”, zoals het toestel later werd genoemd, had vlakbij huis een demonstratie gegeven.

Sinds het eerste model — de VS-300 — hebben vele duizenden Sikorskyhefschroefvliegtuigen de lucht met hun lome schroefbladen doorkliefd en boven slagvelden, zeeën en bergen tienduizenden mensen gered.
Geïnspireerd door zijn voorbeeld hebben andere uitvinders vele voortreffelijke typen van hefschroefvliegtuigen ontworpen. Sikorsky houdt echter vast aan zijn beginsel van één enkele rotor. “Twee rotoren,” zegt hij, “gedragen zich als twee vrouwen in één keuken. Je zou denken dat ze tweemaal zoveel werk konden verzetten, maar ieders prestatievermogen zakt met 35 percent.”

Een van de aardigste dingen die ik mij herinner, gebeurde toen de historische VS-300 naar zijn laatste rustplaats werd gebracht- het Henry Ford museum te Dearborn, in de staat Michigan. Een grote menigte was samengestroomd. Sikorsky klom in het toestel, vloog naar de tribunes, hield stil voor Henry Ford en liet het vliegtuigje een buiging maken als een olifant in een circus. Bij menig ander zou dit een stunt voor fotografen zijn geweest; Sikorsky bedoelde met dit gebaar niets anders dan wat het was — een groet aan een collega.

Ofschoon hij reeds in 1957 aftrad als technisch directeur van Sikorsky Aircraft, bleef hij zijn maatschappij daadwerkelijk dienen als adviseur van haar enorme nieuwe fabriek te Stratford — die vele miljoenen dollars heeft gekost — waar hefschroefvliegtuigen worden vervaardigd voor militair gebruik en voor commerciële doeleinden in alle landen ter wereld. Sikorsky hield zich speciaal bezig met de ontwikkeling van nieuwe mogelijkheden voor de reuzenhefschroefvliegtuigen van de toekomst, die zullen worden voortbewogen door gasturbines.

Sikorsky’s wezenlijk belangrijke werk vond gewoonlijk in de late avonduren plaats. Dan zat hij dikwijls in het donker en “dacht op muziek”. Als onverdroten mysticus gelooft hij dat sommige schilders en schrijvers de gave bezitten om door de sluier van de tijd heen te zien en vage toekomstbeelden te aanschouwen.

Misschien,” zegt hij in alle bescheidenheid, “geldt dat ook enigszins voor ingenieurs.”

.

8e klasalle artikelen

Vertelstofalle biografieën

Vertelstofalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

755-691

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (8-1/1)

.

Slowaaks sprookje uit de bundel Slavische sprookjes- Sirovatka/Luzik
.

De twaalf Maanden
.

Heel lang geleden leefde er eens een moeder die twee dochters had, een eigen dochter en een stiefdochter. Ze was dol op haar eigen dochter. Maar Maria kon zij niet uitstaan, omdat zij mooier was dan Helena. Maria moest al het werk doen, koken, bakken en braden, opruimen, afwassen en spinnen. Ook weven. En de koe verzorgen. Helena stak geen hand uit. Ze zat de hele dag in de spiegel te kijken en maakte zich mooi. Maar, vreemd genoeg, Maria werd elke dag mooier en Helena werd lelijker. Ten slotte werden moeder en dochter zo boos, dat zij besloten zich van het knappe meisje te ontdoen.

Op een dag in januari zei Helena tegen Maria: “Ga gauw naar het bos om viooltjes te plukken. Ik wil ze in mijn gordel steken om lekker te ruiken.” Toen Maria verdrietig antwoordde, dat er in deze tijd van het jaar geen viooltjes waren, dreigde de boze zuster haar te doden. De stiefmoeder joeg Maria de hut uit en deed de grendel op de deur.

Wat moest het arme kind beginnen? Er lag een dik pak sneeuw en zij dwaalde hongerig en half bevroren door het bos.

Opeens zag zij een lichtschijnsel. Zij strompelde de berg op, het licht tegemoet. Op de berg gekomen zag zij een kring van 12 mannen die om een vuur zaten op stenen zetels. Drie mannen hadden sneeuwwit haar, de volgende drie waren wat jonger, dan waren er drie nog jongere en de drie allerjongsten leken nog niet volwassen.
Zij waren de twaalf Maanden die zwijgend in het vuur staarden. Op de grootste steen zat Januari. Hij had een staf in de hand.

Maria bleef verschrikt staan. Bevend vroeg zij of zij zich bij het vuur mocht warmen. Januari knikte vriende­lijk. “Wat doe je met dit uur in het bos?” vroeg hij.

Ik moet viooltjes zoeken” antwoordde het meisje. “Er zijn toch geen viooltjes in de winter!” “Ach, dat weet ik. Maar mijn stiefzuster heeft me het bos ingestuurd en ze slaat me dood als ik zonder viooltjes thuiskom. Weet u geen plekje, waar ik ze vinden kan?” Januari stond op en riep: Broeder Maart, ga op mijn plaats zitten!” Maart ging op de steen zitten en hield zijn staf boven het vuur. De vlammen laaiden op. De sneeuw smolt, de bladeren kwamen uit, het gras begon te groeien, het was lente. Even later bloeiden er al zoveel viooltjes, dat het gras blauw leek.  “Pluk ze maar gauw, Maria,” zei Maart vriendelijk. Maria plukte en ging har­telijk dankend blij naar huis. De stiefmoeder en Helena waren verbaasd. Helena stak de viooltjes dadelijk in haar ceintuur, snoof de lucht op en liet haar moeder ook ruiken. Een bedankje voor Maria kon er echter niet af.-

De volgende dag had Helena trek in aardbeien en beval Maria een mandvol in het bos te halen. Maria stribbelde zachtjes tegen, omdat er in januari geen aardbeien zijn. Helena bedreigde haar weer met de dood. Het arme meisje liep ijskoud en hongerig het bos in. Maar ineens zag zij het lichtschijnsel weer, ging er op af en begroette de twaalf Maanden vol eerbied. “Mag ik mij een beetje war­men?” smeekte ze. Januari knikte. “Wat doe je met dit weer in het bos?” vroeg hij.  “Ik moet aardbeien plukken,” antwoordde Maria. “Die zijn er nu toch niet?” “Dat weet ik. Maar mijn stiefzuster slaat mij dood als Ik zonder aardbeien thuiskom. Kunt u me helpen?”

Januari stond op en riep:  “Broeder Juni, ga op mijn plaats zitten!” Dat deed Juni. Hij hield zijn staf boven het vuur. De vlammen laaiden hoog. De sneeuw smolt, het gras werd groen, de bomen bloeiden. Het werd zomer. Het veld stond vol prachtige aardbeiplanten met rode vruchten. “Pluk ze maar!” zei Juni opgewekt.

Maria had al gauw een mand vol, nam dankbaar afscheid; en haar stiefmoeder en Helena begrepen niets van de aardbeienweelde, waaraan zij zich te goed deden. Een bedankje voor Maria kon er niet op overschieten. Het geleek zo’n gemakkelijke opdracht, dat Helena zich voornam nog wat aardbeien zelf te gaan halen.

Maria vertelde, hoe zij moest gaan. Inderdaad zag ook Helena het licht in het donkere bos. Ze ging er op af en zag de twaalf Maanden om het vuur zitten. Zij warmde haar handen zonder te vragen. Ze groette niet en keek onbe­vreesd rond.

“Wat kom je hier doen?” vroeg Januari.

“Dat gaat je niets aan, ouwe!” Januari zwaaide zijn staf boos boven het vuur. De vlammen werden kleiner en kleiner. Een vreselijke sneeuwstorm stak op. Helena verdwaalde, viel neer en be­vroor. Haar moeder die haar was gaan zoeken ondervond het­zelfde .

Maria bleef alleen achter. Zij kookte en verzorgde de koe, maar haar stiefmoeder en Helena kwamen niet terug. Maria moest huilen, toen zij in het bos werden gevonden. Zij bleef alleen wonen en verzorgde alles goed. Later ontmoette ze de aardigste jongeman uit de streek, trouwde met hem. Zij leefden nog lang en gelukkig.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

754-690

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (7-2)

.
In de jaren ’70 van de vorige eeuw gaf uitgeverij Thieme – Zutphen – een blad uit voor het onderwijs ‘De Vacature’. Naast de vacatures, uiteraard, stonden er ook heel veel interessante artikelen in. En een column van de onderwijzer ‘met het gouden hart’ C.Wilkeshuis.
De schrijver van onderstaand artikel hield zich vooral bezig met ‘folklore’. Wie met antroposofische inzichten de sprookjes bestudeert, komt tot andere gezichtspunten. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat andere gezichtspunten er niet toe doen.
.
J.C.Alders, ‘De Vacature’ ca 1976/77
.

4.Assepoester
.

De naam wijst op poesten = blazen, een verouderd Ned. woord. Het Duits kent het nog wel op het platte­land: pusten voor blazen, bijv. er hat ihm Rauch in das Gesicht gepustet.

Een vrouw, ditmaal géén koningin, sterft. De man neemt een andere vrouw met 2 dochters. De stief­dochters verbannen A. naar de keuken, zij moet oude kleren aandoen, klompen dragen, zij krijgt geen bed en zij slaapt in de as. De vader protesteert niet. A. moet nu zwaar keukenwerk doen: water uit de put halen, vuur aanmaken, vuur aanblazen, koken en wassen. Als de vader op reis gaat vraagt hij A. wat hij mee moet brengen. Zij vraagt de vader de eerste tak waartegen hij met de hoed stoot. Hij stiet tegen een hazelaartak. A. plant die tak op haar moeders graf. Het werd een boompje en A. bad en weende daar 3x per dag. Een vogeltje gooit van de hazelaar omlaag wat A. wenst.

De koning des lands nodigt alle jonkvrouwen op een feest, zijn zoon moet een bruid uitzoeken. De stief­zusters gaan naar het feest, de stiefmoeder verzint steeds opdrachten opdat A. niet gaan kan. Nu gaat A. naar haar moeders graf onder de hazelaar en het vogeltje werpt mooie kleren omlaag. Zij gaat naar het feest en wordt voor een prinses aangezien. De prins danst met haar. Hij wil haar thuis brengen. Zij ontsnapt hem en zij klimt in de duiventil. De vader zoekt met de prins naar A. De vader slaat met de bijl de duiventil in elkaar, maar A. is er niet in. Zij lag thuis in de as te slapen.

De volgende avond werpt het vogeltje nog mooier kleding omlaag en de prins danst met haar. Als hij haar thuis wil brengen, ontloopt zij hem en zij klimt in de perenboom. Vader en prins zoeken haar vergeefs en de vader hakt de perenboom om. Niemand erin! De derde dag werpt de vogel met de kleding gouden pantoffels omlaag. De prins danst met A. en weer ontsnapt zij. Maar de prins heeft de trap met pek besmeerd en één pantoffel kleeft er aan vast. De prins gaat met de pantoffel naar de vader. De prins zegt, met de dochter, die de pantoffel past, trouwt hij.

De oudste stiefdochter probeert de pantoffel. Hij past niet, zij snijdt de grote teen af om er in te komen. Als de prins met haar te paard de hazelaar voorbij rijdt, roepen de duiven dat er bloed in de schoen is.

De prins brengt haar terug. De tweede stiefdochter past nu, haar hiel is te dik. Zij snijdt een stuk van de hiel af. De prins neemt haar op zijn paard mee, maar weer roepen de duiven dat er bloed in de schoen zit.

De prins brengt haar terug. Na veel aandringen van de prins wordt A. geroepen, de pantoffel past en de dui­ven roepen: „dat is de ware bruid”.

De duiven gaan op A.’s schouder zitten. De stief­zusters komen op de bruiloft en de duiven pikken haar beide ogen uit.

We zien Germaanse gebruiken: het graf van de moe­der vlak bij huis. De Germanen begroeven ook vlak bij huis. De twee duiven op A.’s schouder zouden kunnen wijzen op de 2 raven op Wodans schouder: Hugin (denker) en Munin (hij die herinnert), maar dat is wel een zwak argument.
A. laat in haar dagdromen haar rivale – de moeder -sterven en als straf verschijnt de als stiefmoeder vermomde moeder en A. moet in de keuken werken.
A. is verliefd op de vader en droomt van incest. Het hazelaarstakje, dat de vader meebrengt, is het „kind” dat zij van de vader krijgt. En ze plant het op moeders graf, want zonder de dood van de moeder kan het trouwen met de vader niet plaats vinden. De stief­moeder is dus de moeder als wreekster. De vader­binding en droom van incest met de vader worden opgeheven als ze op de prins verliefd wordt. De vader wordt dan belachelijk: hij slaat de duiventil in elkaar, hakt de perenboom om.

En duiventil en boom zijn baarmoedersymbolen (holle ruimten). Er is veel overeenkomst met Sneeuwwitje en Assepoester. Beider moeder sterft, beiden krijgen een stiefmoeder, beiden moeten in de keuken werken, beiden zijn enige dochter. Bij S. is de vader een jager, bij A. een soort sloper als de incestwens verdrongen is.

5.Roodkapje

Weer eens een sprookje waarin de vader geen koning is. Roodkapje heet naar de rode muts die zij van de grootmoeder krijgt. Op een dag zond de moeder R. met een koek en een fles wijn naar de zieke groot­moeder, die 1/2 uur van het dorp in een bos met wolven woont.
R. ontmoet de wolf, die haar op het idee brengt bloemen te plukken.
De wolf gaat naar het huisje van de grootmoeder en eet haar op met huid en haar. De wolf trekt groot­moeders kleding aan en kruipt in haar bed. Als R. komt slikt de wolf R. geheel in, met muts en al. De wolf kruipt na zijn diner weer in bed en snorkt zó luid, dat de jager het hoort. Hij gaat kijken en ziet de wolf. Hij snijdt hem de buik open en ziet de rode muts van R. Alsof het een keizersnede is haalt hij R. en de grootmoeder eruit. Zij leven nog. R. haalt grote stenen en vult daarmede de wolf. Als de wolf wakker wordt, blijken de stenen zó zwaar dat de wolf dood neervalt. –

De vader van R. treedt vermomd als de jager op en redt de dochter.

De moeder is jaloers op het mooie R. en stuurt haar een bos in waarin wolven zijn, in de hoop dat zij verslonden wordt (de haat moeder-dochter, voor de moeder is R. haar rivale). Ook is de moeder vermomd als de wolf en eet haar dochter op. Dat past goed bij de uitdrukking „Hab’ ich dich zum Fressen gern”. Dat R. de wolf met stenen vult waardoor hij sterft, is de wraak van de dochter op de moeder. De
rivali­teit en haat is wederzijds!

Evenals de moeder R. als rivale beschouwt, zag de grootmoeder in de moeder haar rivale. Maar tussen grootmoeder en kleindochter is geen rivaliteit meer. De rijpingstijd bij R. duurt maar kort: een paar uur in de buik van de wolf, dus veel korter dan bij Doorn­roosje (100 j.), bij Sneeuwwitje een jaar of 7, bij Assepoester een paar jaar, bij Roodkapje een paar uur.

Dat er een wolf in het sprookje voorkomt, wijst dui­delijk op de Germaanse bossen, waar wolven een plaag waren. De fles wijn moet later ingevoegd zijn, de Germanen kenden oorspronkelijk geen wijn (de Romeinen brachten die mee en plantten ze aan in het Moezeldal) en flessen kenden de Germanen ook niet, de Romeinen leverden de wijn in amforen (stenen kruiken).

6.Bontepels

De naam betekent (een mantel) uit de pels van allerlei dieren. Een koning had een vrouw met blond haar. Als zij sterft moet de koning beloven weer met een blonde vrouw te trouwen. De koning zendt boden uit, zij vinden nergens een blonde vrouw. De koning had een enige dochter met blond haar. Toen zij in de puberteit was, geleek zij zó op de blonde moeder, dat de koning haar wilde trouwen. De dochter verlangt 3 klederen en een pelsmantel van allerlei dierenhuiden gemaakt. Toen alles klaar was, zei de koning tot zijn dochter „morgen trouwen we”. De dochter wil niet trouwen alleen om haar blonde haar. Zij vlucht en neemt de pelsmantel, de mooie kleren, een gouden ring, een gouden spinnewieltje, een gouden spoel om te spinnen mee. In een bos kruipt zij in een holle boom en slaapt daar.
De koning was daar aan het jagen. De jagers melden de vondst van A.
De koning laat haar door zijn jagers oppakken en meenemen.

In het paleis wordt zij keukenhulpje en slaapt in een ruimte onder de trap. Zij moet water putten, vuur aanmaken, de groente uitzoeken. (Voor Duits stude­renden: Grimm noemt dat ,,sie belas Gemüse”, waarin we een oud Duits werkwoord „belesen” zien.) Voorts moest zij gevogelte plukken en de as wegbrengen. Geen koken!

Hier bleef A. lange tijd. Als er een feest is, mag zij aan de deur staan kijken. Zij haalt een mooi kledingstuk te voorschijn en danst met de koning. Na het bal ver­dwijnt zij plotseling en doet de pelsmantel weer aan en is weer A.. Zij moet nu heerlijke broodpap voor de koning koken en zij doet de gouden ring erin. De kok moet erkennen, dat A. die pap gekookt heeft. En A. die geroepen wordt voor uitleg, zegt van de ring niets te weten. Als er weer feest is, herhaalt zich het boven­staande. Nu doet A. het gouden spinnewieltje in de pap en A. ontkent iets daarvan te weten. Ten derden male een feest en nu gaat de gouden spoel in de broodpap.

Tijdens het dansen steekt de koning onbemerkt een gouden ring aan de vinger van A. De koning laat A. roepen als hij de spoel in de pap vindt, hij houdt haar vast als hij de gouden ring aan haar vinger ziet, doet haar mantel uit en de blonde haren worden zichtbaar. De koning trouwt nu met zijn dochter.

-Het sprookje lijkt oppervlakkig niet-Germaans, want de boden vinden nergens een blonde vrouw. Het moet dus een Germaans land met zwartharige vrouwen zijn. En dat is er nóg: Beieren. Vooral de Altbayern zijn allen zwartharig.

Als de moeder sterft – de dochter is haar rivale – laat zij de koning beloven weer met een andere blonde vrouw te trouwen, wél wetende dat die in haar land niet zijn om hem zo te beletten te hertrouwen. A. vlucht in een holle boom = baarmoedersymbool. De vader, vermomd als jager, vindt haar. Evenals Assepoester en Sneeuwwitje moet A. keukenmeisje zijn. A. weet dat de liefde van de man door de maag gaat en kookt daarom heerlijke broodpap voor hem. En zij trouwt dan met haar vader. Een duidelijk incest geval.
De incest vader-dochter herinnert aan de Egyptische farao’s, die waren ver­plicht met een zuster te trouwen. De farao was goddelijk, zijn kinderen ook en bij de incest broeder-zuster werd het een „goddelijk” huwe­lijk.

De incest vader-dochter komen zowel in de Griekse mythologie als in de Bijbel voor. De Griekse Myhrra bezoekt haar vader 12 nachten voor seksuele omgang. Als de vader het merkt, jaagt hij haar met zijn zwaard na. De goden redden haar door haar in een boom te veranderen, (de boom is moedersymbool). Gestraft wordt er niet.

De heer Thyestes leeft met zijn dochter Pellopia in een incestverhouding.

In Genesis 19 : 30 – 38 vinden we het verhaal van de 2 dochters van Lot.

Zij voeren hun vader dronken en hebben des nachts seksuele omgang met hem. Gen. 19 : 36 ,,en de twee dochters van Lot werden bevrucht door haren vader”, en zij kregen een zoon van hun vader. De incest gaat geheel van de dochters uit. Zij voeren hun vader dronken opdat hij niet weet wat hij doet en om te voorkomen dat hij weigert. We lezen niets over een straf van God. Voor God is incest blijkbaar niet straf­baar. Voor een veel geringer seksueel vergrijp straft God Onan met de dood (Gen. 38 : 10). De incest vader-dochter komt ook nog heden veel voor. De meisjes zijn in de puberteit en de schuld ligt niet geheel bij de vader, de dochters prikkelen hem er toe. Bij deze incest vinden we gewoonlijk een zeer frigide echtgenote. De vader is alcoholist, despoot, geestelijk gestoord of een sadist en hij meent als hoofd van de familie een seksueel recht op de dochters te hebben, net als de oermens. De dochters verzetten zich niet, zij zijn passief en soms masochistisch.
Zie het boek „Hyacintha en Pasceline”. Het speelt in Indonesische omgeving, de adat (gewoonterecht) heerst er.
De adat voorschriften verbieden ten strengste dat ’n zoon, zelfs de oudste, met de moeder naar bed gaat. Dan word je bij overtreding uitgestoten of vermoord. Maar ’n vader met de oudste dochter naar bed is heel gewoon, is wet. Het is de plicht van de oudste dochter met de vader seksuele omgang te heb­ben vanaf het moment dat hij dat wil. Gehoorzaamt de dochter niet, dan zal ze niet mogen trouwen, ze toont gebrek aan kennis van en gehoorzaamheid aan de adat en dat is een ernstig iets. De moeder zal het aanmoedigen en als de dochter de vader, goed bevredigt, wordt ze geprezen en dat wordt openlijk besproken. Dat blijft zo bestaan ook als de dochter getrouwd is en kinderen heeft.” Ik ken de Indonesische adat niet, ik kan de kwestie niet beoordelen.

De incest moeder-zoon komt minder voor. Gewoonlijk is de enige zoon of de enige nog thuis zijnde zoon de plaatsvervanger van de overleden vader. De zoon regelt de financiën en de verdere zaken van de
over­leden vader. Tenslotte neemt de moeder de zoon mee naar bed opdat de zoon ook daar de vader vervangt voor seksuele omgang. De incest gaat van de moeder uit. Zoals we hierboven zagen, verbiedt de Indone­sische adat dat de moeder seksuele omgang met de zoon heeft.

We hebben dus gezien dat de besproken sprookjes absoluut Germaans zijn. Ik geef toe dat enkele argumenten zwak zijn, maar het merendeel wijst toch overtuigend op de Germaanse oorsprong.

.

Vanuit een antroposofische achtergrond heeft Friedel Lenz deze sprookjes eveneens verklaard: Assepoester  Roodkapje  Bontepels

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

753-689

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (7-1)

.
In de jaren ’70 van de vorige eeuw gaf uitgeverij Thieme – Zutphen – een blad uit voor het onderwijs ‘De Vacature’. Naast de vacatures, uiteraard, stonden er ook heel veel interessante artikelen in. En een column van de onderwijzer ‘met het gouden hart’ C.Wilkeshuis.
De schrijver van onderstaand artikel hield zich vooral bezig met ‘folklore’. Wie met antroposofische inzichten de sprookjes bestudeert, komt tot andere gezichtspunten. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat andere gezichtspunten er niet toe doen.
.
J.C.Alders, ‘De Vacature’ ca 1976/77

De Germaanse oorsprong van enige bekende sprookjes
.

Na enige algemene beschouwingen over de sprookjes zullen we ze in het kort mededelen uit het bekende boek van Grimm, uitgave 1819, want er zijn later „verbeteraars” gekomen en zelfs zijn er uitgaven met een christelijk tintje, wat onzin is, want de sprookjes zijn duizenden jaren oud, terwijl het Christendom nog geen 2000 jaar geleden bedacht is.

Een kind hoort graag sprookjes, maar kan ze evenmin verklaren als de volwassene, welke niets van mytholo­gie en de Germanen weet. Het sprookje is voor het kind wat voor de volwassene televisie en bioscoop is. De „verbeteraars” vonden de sprookjes niet geschikt voor kinderen wegens weerwolven, toverij, te vonde­ling leggen, boze stiefmoeders, incest, castratie, ont­maagden, onthoofden, ophangen, draken, reuzen, dwergen. Maar kinderen willen dit juist horen, het kind zoekt de angst en het wonder in de sprookjes bevrijdt het kind van de angst. De wensen en gedachten van het sprookje zijn de wensen van het volwassen pri­mitieve volk. Zoals Grimm de sprookjes vertelt, met weglating van de grofste seksuele gebeurtenissen, zijn ze onschadelijk voor kinderen en behoeven niet „ver­beterd” te worden.

Grimm zag in de sprookjes heidens volksgeloof van een laag staande cultuur. Grimm dacht aan Indo-Germaanse oorsprong, daar er parallellen zijn in de sprookjes van verschillende volkeren. Tegenwoordig neemt men dat niet meer aan. De sprookjes zijn niets anders dan verborgen wensen en angsten van de pri­mitieve mens.

Het motief van de incest komt in veel sprookjes voor en we spreken nog van het Oedipus-complex (Oedipus vermoordt zijn oude vader en huwt zijn jonge moeder en verwekt 4 kinderen bij haar). We komen daarop terug. In de sprookjes treden bijna altijd koningen als vader en dochters als prinses voor. Waarom? Het volk heeft van de oudste tijden af een ziekelijke be­langstelling voor zelfs de banaalste handelingen van de koning. Men identificeert de koninklijke familie met de eigen familie. De koning is het onbewuste symbool voor de vader.

Dwergen komen ook in de sprookjes voor. Zij graven naar goud en ijzererts. Voor dwergen kunnen de gangen laag en nauw zijn.

Zulke gangen zijn er nog in de omgeving van Cham (Beieren), vooral Arnschwang en Ränkam. Men noemt dit Schrazllöcher, voorhistorische gangen waarin de Schrazln (dwergen) huisden.

Een grondig onderzoek heeft nog niet plaats ge­vonden, daar een normaal mens er moeilijk in kan.

Men vermoedt naast het zoeken naar erts ook vluchtgangen. tot dusver zijn geen werktuigen gevonden, zodat men ook niet weet of de gangen uit het bronzen tijdvak dateren. In ieder geval, ze zijn zeer oud en voorhistorisch. In het Fichtelgebergte, ik meen op de Ossenkop, heb ik zulke gangen gezien, maar ik kon er ook niet in, zo smal en laag zijn ze. Nu weten we wel uit de afmetingen van har­nassen dat de mens vroeger veel kleiner was. Het harnas van een volwassen middeleeuwse ridder kan zelfs een hedendaagse jongen van 14 jaar niet passen. Ook deuropeningen zijn in Middeleeuwse burchten zeer laag en de bedden zeer kort.

Voor de jongere lezers volgt nu het Oedipus-complex, daar we dit in de sprookjes meermalen tegenkomen. Laos, de oude koning van Thebe had bij de jonge koningin Iokaste geen kinderen. Het Orakel voorspelde dat zij een zoon zou krijgen, die hem zou vermoorden en die zoon zou met zijn moeder trouwen. De zoon werd geboren en met doorboorde voeten te vondeling gelegd. Een herder vond de baby en noemde hem Oedipus (gezwollen voet). De herder gaf de baby aan koning Polybos. Als Oedipus volwassen wordt en geen antwoord op de vraag naar zijn herkomst krijgt, vraagt hij het Orakel en krijgt hetzelfde antwoord als zijn vader. Hij ontmoet op een smalle weg een wagen en er kwam ruzie over de voorrang (zo oud is dit pro­bleem). Hij slaat een oude man dood (zijn vader). Hij lost het raadsel van de Sfinx op, die verdwijnt. Hij krijgt nu de uitgeloofde beloning voor het vertrek van de Sfinx: de koningin Iokaste, zijn moeder. Hij trouwt met haar en verwekt bij de jonge koningin 2 zonen: Eteokles en Polyneikes en 2 dochters: Antigone en Ismene. Nu breekt de pest uit en het Orakel wijst de koningsmoordenaar als oorzaak aan. Alles komt uit, lokaste hangt zich op, Oedipus steekt zich beide ogen uit en de goden laten hem spoedig sterven. De twee zonen doden elkaar in een oorlog om Thebe. Volgens andere lezingen verleidt lokaste Oedipus en ging het initiatief van haar uit. We vinden dit vaker bij de incest vader-dochter en moeder-zoon. De vrouwen nemen het initiatief. We komen erop terug.

We verstaan nu onder het Oedipuscomplex de ver­houding in de vroege jeugd tussen vader en dochter, moeder en zoon. De kleine meisjes zeggen vaak, dat ze met de vader willen trouwen. In de puberteitsjaren kan dit ontaarden in incest: geslachtsverkeer tussen vader-dochter, zuster-broeder, moeder-zoon.

Ook in Shakespeares „Hamlet” kon Freud het Oedipuscomplex aantonen. In het Oedipuscomplex vinden we dus de haat vader-zoon, de liefde vader-dochter, de haat moeder-dochter en de liefde moeder-zoon. De haat moeder-dochter speelt in de sprookjes een be­langrijke rol. In de zoogdierwereld van de kudde­dieren vinden we hetzelfde. Als de jonge mannetjes volwassen worden, valt het familieverband uiteen. Het jonge mannetje paart met zijn moeder en zusters. De leider van de kudde, een oud mannetje, paart met zijn moeder, zusters en dochters.

Bij de kuddedieren komen steeds vechtpartijen voor tussen het oude mannetje en de volwassen zonen en het eindigt met de dood of uitstoting uit de kudde van het oude mannetje. Deze dwaalt dan als solitair alleen rond en is vaak gevaarlijk. Het sterkste jonge mannetje wordt dan leider van de kudde.

Men veronderstelt dat de voorhistorische mens ook zo in horden leefde: een paar mannen, een aantal vrou­wen en de mannen paarden met hun moeder, zusters en dochters. Er waren weinig mannen want ze ver­ongelukten vaak op de jacht.

De Griekse mythologie noemt de strijd der opstandig geworden Titanen, die hun vader ontmannen (Vondel herinnert eraan in de „Palamedes”: „Saturnus die zijn vader lubt”). Saturnus verwekt bij zijn zuster Rhea 6 kinderen. Zeus verwekt bij zijn zuster Demeter de dochter Persephone.

We vinden in de sprookjes ook het naaktheidsmotief, dat ook in de bijbel voorkomt: Adam en Eva (Gen.2: 10) en Noach (Gen.9: 21). Dan vermelden de sprook­jes de strijd tussen dag en nacht, zon en winter, strijd tussen oude en jonge helden. De Griekse mythologie plaatst de helden aan de hemel: Orion, Hercules, Perseus, Andromeda, enz. als sterrenbeelden. De sprookjesheldinnen zijn altijd zeer jong, vóór, tijdens en na de puberteit, dus de overgang tot gerijpte vrouw. Zij worden zwaar beproefd als slavin in de keuken, wat herinnert aan de inwijdingsriten en de isolering in het bos bij de primitieven. De meisjes zijn altijd enig kind. Zij wensen de moeder dood en die verschijnt dan als wreekster, vermomd als de boze stiefmoeder. En de dochter is de rivale van de moeder, (haat moeder-dochter) Nergens wordt over liefde gesproken, de meisjes trouwen meteen als ze een prins ontmoeten of trouwen op bevel van de vader.

1.De kikkerkoning
.
Het eerste sprookje van Grimm in de uitgave van 1819 is de kikkerkoning. Natuurlijk is de vader een koning, de dochter is naamloos. Bij een bron werpt de prinses een gouden bal in de bron. Zij huilt omdat zij haar speelgoed kwijt is. Een stem vraagt heel banaal waarom zij huilt (Vondel zegt dat veel mooier in de „Gysbreght”: „Wat nevel van verdriet bezwalkt Uw blinkende oogen?”). Een kikvors kijkt over de rand van de bron en belooft de bal op te duiken. De kikker eist, dat de prinses hem zal liefhebben, dat hij aan haar tafel mag eten en met haar in bed slapen. De kikker brengt de bal boven, de prinses ijlt naar huis. De volgende dag komt de kikker tijdens het diner aan de deur van het paleis en roept „Prinses, doe open” (Zij heeft geen naam). De koning beveelt haar de kikker binnen te laten en de kikker eet mee van haar gouden bordje. Dan wil hij in haar bed uitrusten. Zij weigert, maar de koning beveelt haar de kikker mee naar bed te nemen. Als zij met de kikker in bed ligt, kruipt hij naar haar toe en zij werpt hem tegen de muur. Er valt geen kikker terug, maar een prins, die betoverd was door een heks en op haar vaders bevel trouwt de prinses met hem.

Dit sprookje is duidelijk Germaans. De bron was heilig bij de Germanen. Merk op: de vader beveelt steeds.

Dat is typisch Germaans: de Germaanse vader bepaalt of de pasgeborene mag leven of gedood of te vonde­ling gelegd wordt, hij kan echtgenote en dochters zonder meer doden of inzetten bij het dobbelen, bij verlies worden zij als slavinnen aan de winnaar uit­geleverd. In graven heeft men meermalen dobbel­stenen gevonden opdat de dode ze in het Walhalla bij de hand had. Van de spelregels is niets bekend.

We zien hier ook hoe in de sprookjes alle begrip van proporties ontbreekt. De gouden bal zinkt in de bron. Hij was dus massief. Een kleine gouden bal van 4 cm diameter weegt al 600 gr., teveel om mee te ballen. Een knikker van 2 cm diameter weegt 80 gram, dat kan een kikker niet dragen. Pas een gouden knikkertje van 1 cm diameter dat 11 gr weegt, is voor een kikker niet te zwaar (We laten de opwaartse druk buiten beschouwing). De kikker was bij alle Germaanse stammen bekend: Ned.: Kikvors, kikker, Vorsch (in de Statenvertaling van de Bijbel). Duits: Frosch, Engels Frog, Deens Frö. In het Frans komt de kikker er niet best af: Een woordenboek van 1736 vermeldt bij „Grenouille”: kikvors, slechte dichter, Grenouiller: zuipen, zwelgen, gestadig in de kroeg zitten, in het water plassen. Een grenouillard is een kroegloper. Dit voor Frans studerenden.

In het Spaans zegt de uitdrukking: no ser rana (geen domkop zijn) niet veel goeds voor de kikker. In de sprookjes is de kikker levensaankondiger, zoals we zullen zien bij Doornroosje.

In de Bijbel komt de kikvors er slecht af: Openbaring van Joh. 16:13 „en ik zag uit de mond des draaks en uit den mond van het beest en uit den mond van den valschen profeet drie onreine geesten uitgaan, den vorschen gelijk”. (14) „want het zijn de geesten der duivelen”.

2.Doornroosje

De koningin zit in het bad, een kikker duikt op en voor­spelt dat zij binnen een jaar een dochter krijgt. Na de geboorte nodigt de koning de „wijze vrouwen” uit. Er waren er 13, maar omdat hij maar 12 gouden borden heeft, wordt er één niet gevraagd. Als de 11 vrouwen een wens gedaan hebben, komt de 13e binnen en wenst, dat de prinses met 15 jaar sterft door zich te prikken aan een spoel. De 12e kan de verwensing niet ongedaan maken en verandert het in een slaap van 100 jaar. De koning beveelt dat alle spoelen voor het spinnen verbrand moeten worden. Als de prinses 15 jaar wordt, gaat zij op ontdekking uit in het slot. Zij kwam in een toren, waar een oude vrouw spint. Het meisje neemt de spoel in de hand, zij steekt zich in de vinger. Zij valt op een bed neer en slaapt, ledereen in het slot slaapt nu. Rond het slot groeit een doornhaag. Af en toe komen prinsen en pro­beren door de doornhaag te komen. Zij blijven erin hangen en sterven. Na 100 jaar probeert weer een prins het. De doornhaag werd tot een bloemenhaag, hij laat hem door. Hij vindt Doornroosje en kust haar wakker. Zij trouwen meteen.

Dit sprookje is zo duidelijk Germaans als het maar kan. Ten eerste de „wijze vrouwen”. De Germanen kenden die als „zieneressen” en zij voorspelden de toekomst uit de ingewanden van krijgsgevangenen, welke zij met een mes levend de buik opensneden. Dan kent de Germaanse mythologie het verhaal van Brunhilde, een Walkure. Wegens ongehoorzaamheid aan Wodan moest zij met een aardse man trouwen. Wodan steekt haar met een doorn en zij valt inslaap. Wodan om­geeft de burcht met een ring van vuur, want Brun­hilde wil een dappere man. Siegfried komt door het vuur en daar Brunhilde geen gordel, die haar onover­winnelijk maakt, aan had, ontmaagt hij haar en zij wordt zijn vrouw. Dit is toch wel duidelijk de oor­sprong van Doornroosje!

Doornroosje is 15 jaar en zij bloedt. Dat is haar eerste menstruatie. Zij is nu vrouw geworden en krijgt angst voor de mannen: defloratie is weer bloed, geboorte: weer bloed. De vrijers sterven in de doornhaag! En waarom zit er een oude vrouw in de toren waar Doornroosje bloedt? Bij de primitieve stammen in Afrika, Australië, Z. Amerika ontmaagden de oude vrouwen de meisjes direct na de eerste menstruatie met een koehoorn, een defloratiestok, met de vingers. Daarop wijst ook de spoel. Door de 100 j slaap heeft Doornroosje de angst voor de man overwonnen, zij is tot vrouw gerijpt en zij huwt dadelijk de prins. We vinden hier de kikvors als levensaankondiger. De Germanen kenden het spinnen en spoelen zijn in graven gevonden. We zien hier ook de haat tussen moeder en dochter. De vergeten 13e fee is de ver­momde moeder. Ook de oude vrouw in de toren is de vermomde moeder. De 100 j slaap herinnert aan de inwijdingsriten der primitieven met afsluiting van de buitenwereld.

Het kasteel van Doornroosje is er nóg, de Sababurg in het Reinhardswald tussen Weser en Diemel. Op een basaltrots werd de burcht in 1334 gebouwd, omgeven door een doornhaag. In de 16e eeuw werd de doornhaag gesloopt en de burcht omgeven door een 4 m hoge muur van 4,5 km lengte. Binnen de muur liepen herten, wilde zwijnen en ander wild. Een enigszins geschifte 18e eeuwse vorstin liet de dieren door drij­vers opjagen en schoot vanaf het dak het wild neer. Het Reinhardswald heeft een 80 ha groot natuurbeschermingsgebied met eeuwenoude eiken en beuken, tot 7 m in omtrek. Te voet is het Reinhardswald 7 uur in de lengte en 4 uur in de breedte. Het is voor­malig Frankisch koningsgoed. Het is praktisch onbe­woond, er is maar één voormalig bedevaartsoord Gottsbüren en verder wonen er een paar boswachters.

3.Sneeuwwitje

Grimm spelt de naam Sneewitchen. Een koningin zit op een winterdag voor een raam van zwart ebbenhout te naaien en prikt zich met de naald in de vinger. Zij verliest 3 druppels bloed . . Zij wil een kind zo rood als bloed, zo wit als sneeuw en haar zo zwart als ebbenhout. De koningin sterft bij de bevalling. Na 1 jaar neemt de koning een andere vrouw. Zij was jaloers en kon niet hebben dat andere vrouwen mooier waren. Een toverspiegel zegt haar, dat zij de schoonste is. Als S. 7 jaar is zegt de spiegel dat S. mooier is. De koningin haat S., de bekende moeder-dochter haat, want moeder en dochter zijn hier rivalen wie de schoonste is. Een jager moet S. mee naar het bos nemen en haar doden. Als hij met de hartsvanger – hart=hert) haar wil doorsteken, smeekt S. haar te laten gaan. De jager laat haar lopen en vangt een jong wild zwijn. Hij brengt longen en lever naar de koningin, die het opeet, denkend dat het longen en lever van S. zijn (kannibalisme).
S. doolt in het woud en vindt een klein huisje waar 7 bordjes en 7 kroesjes op tafel staan en er staan 7 bedjes (7 is heilig getal). S. neemt wat van ieder bordje en gaat in een bedje liggen. Des avonds komen de 7 dwergen van hun werk (naar ijzererts en goud­aderen graven) thuis. Zij laten S. slapen De volgende dag hoort S. dat zij blijven mag, maar zij moet koken, wassen, naaien, schoonmaken. De dwergen waar­schuwen haar voor de stiefmoeder: zij mag niemand binnenlaten. De spiegel verraadt, dat ,,S. over de bergen bij de 7 dwergen schoner dan de koningin is”. Als oude vrouw gaat de koningin naar het ijdele S. en verkoopt haar een gordel. De koningin doet S. de gor­del zo strak om, dat zij flauw valt. De dwergen vinden haar en snijden de gordel door. S. komt bij. De spiegel zegt weer, dat S. de schoonste is. De koningin ver­kleedt zich weer als oude vrouw en verkoopt het ijdele S. een vergiftige kam. De koningin steekt S. de kam in het haar en S. valt neer. De dwergen trekken de kam uit en S. komt bij. Weer waarschuwen de dwergen voor de stiefmoeder. De spiegel zegt weer dat S. de schoonste is. De koningin maakt een appel vergiftig en schenkt als oude vrouw verkleed S. de appel. S. valt voor dood neer. De dwergen kunnen niet vinden wat de oorzaak is en leggen het schijndode S. in een glazen kist. S. bleef in de kist zo wit als sneeuw, zo rood als bloed en het haar zo zwart als ebbenhout.

Een prins ziet S. in de kist en de dwergen schenken hem de kist. Als de knechten de kist wegdragen, struikelen zij en de kist valt op de grond. S. spuwt door de schok de vergiftige appel uit en zij komt bij. De prins vraagt haar met hem te trouwen. De koningin komt op de bruiloft en er staan roodgloeiende pantoffels van ijzer voor haar klaar. Zij moet erin dansen tot zij dood neervalt.

Het sprookje begint met sneeuw – dat wijst op een Germaans land. Maar het ebbenhout – een tropische houtsoort – wijst op bijvoeging. De haat stiefmoeder- dochter is hier buitengewoon duidelijk. De moeder leeft niet meer, zij verschijnt vermomd als boze stiefmoeder. Blijkbaar heeft S. haar moeder dood gewenst en had zij incestgevoelens voor de vader. De jager is de vermomde vader, die zijn dochter redt en niet doodt.
De rijpingstijd geschiedt bij de 7 dwergen en wel – voor een prinses vernederend – in de keuken. De glazen kist is een symbool voor de baarmoeder. De boze koningin verschijnt 3 x als oude vrouw – dat wijst weer op de defloratieriten der primitieven.
De gordel en de kam zijn zo Germaans als het maar kan.

Man en vrouw droegen bij de Germanen een gordel. De man droeg aan de gordel de sax, het zwaard, verder kam, mes, amuletten, zilverwerk. De vrouw droeg aan de gordel kam, amuletten, sieraden. De grafvondsten bewijzen het. De kam was voor de vrije Germaan zeer belangrijk, want haar en baard waren het symbool van de mannelijkheid. Het geheel af­snijden van het hoofdhaar was een straf en men heeft vrouwelijke veenlijken met geheel kaalgeschoren hoofd gevonden. De koning en de vrijen onder­scheidden zich van de slaven en slavinnen door lang hoofdhaar, want slaven en slavinnen werd het hoofd­haar afgesneden. Men zwoer een eed bij het haar en baard van de koning en nog kent de Ned. taal de uit­drukking „zweren bij de baard van de profeet”.

De kam had magische kracht en beschermde tegen boze geesten. Ook bij de oude oosterse volkeren Babyloniërs, Assyriërs, Egyptenaren, Israëlieten) stond de baard in hoge ere. De baard werd gezalfd (Ps. 133:2 „Het is gelijk een kostelijke olie op het hoofd, nederdalende op den baard”). Iemand de baard af­snijden was een diepe vernedering (2 Sam. 10:4 „toen nam Hanum Davids knechten en schoor hunnen baard af en sneed hunne kleederen tot aan hun billen af”).

Zij ondervonden het lopen in de blote billen en zonder baard zeer vernederend en David laat hun weten maar weg te blijven „totdat uw baard weer gewassen is”.
Zichzelf de baard afsnijden was een teken van rouw. (Jes. 15:2 „hij gaat naar Baith om te weenen, op al hun hoofden kaalheid, aller baard afgesneden”). Het Christendom beeldt God, Jezus, de discipelen, vele heiligen, altijd met grote baarden af (zelden ook met snorren). Maar merkwaardigerwijze worden de enge­len nooit met snor of baard afgebeeld, zij zijn baarde­loze jongelingen! Ook de duivel heeft geen baard of snor. Waarom, weet ik niet. Zeus en Wodan hebben ook een baard.

De gordel was het symbool van kracht en heerschappij voor de Germaan. Het omdoen van de gordel was al een magische handeling. Hoe hoger rang, hoe meer zilveren sieraad aan de gordel. God Thor verdubbelde zijn kracht als hij de gordel aan had. De Walkure Brunhilde was met de gordel aan onoverwinnelijk. Voor straf moest zij wegens ongehoorzaamheid aan Wodan met een aardse man trouwen. Wodan stak haar met een doorn; zij valt in slaap en Wodan omringt haar slaapplaats met een ring van vuur. Aangezien zij sliep zonder gordel, kon Siegfried haar overwinnen en ontmaagden. De haat moeder-dochter vinden we ook bij de haat schoonmoeder-schoondochter.
De belangrijkste Duitse dichter van de 16e eeuw is Hans Sachs (1494-1576) vandaar de gedenkzegels der Bundespost, hij overleed precies *400 jaar geleden. Hij zegt in een ironische bezwering in het stuk „Kalverbroeden”, waarbij de priester een boer bezweert „bei Schwieger- und Schnurreinigkeit, bij de trouw van de echtbreker, bij de vroomheid van de lands­knecht”. Voor Duits studerenden: Schwieger=
schoon­moeder, Schnur = schoondochter. Schwieger- und Schnureinigkeit bestaat net zo min als vroomheid bij de landsknecht. En zo kunnen we ook wel aannemen dat er geen Mutter-Tochter-einigkeit bestaat. De moeder ziet de opgroeiende dochter als rivale. Daar S. met 7 jaar bij de dwergen komt en dan met de prins trouwt moet zij wel een jaar of 7 bij de dwergen ge­weest zijn. Zo lang duurde bij haar de rijpingstijd en de vernedering in de keuken.

Dat dit sprookje uitgesproken Germaans is (door de kam en de gordel) zal nu wel duidelijk zijn. Het verhaal van S. speelt ook in het Reinhardswald aan de Weser.

(Wordt vervolgd) J.C.AIders, *1976)

.

Vanuit een antroposofische achtergrond heeft Friedel Lenz deze sprookjes eveneens verklaard: De kikkerkoning; Doornroosje; Sneeuwwitje .

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

752-688

.

.

.

VRIJESCHOOL – 4e klas – aardrijkskunde (3)

.

sagen
.

Over nog al wat streken en plaatsen bestaan verhalen.
Over wat er vroeger eens gebeurde; en hoe ze aan hun naam kwamen. Soms zijn er tastbare herinneringen: het standbeeld van de Vrouwe van Stavoren.

Wonen de kinderen in of in de buurt van zo’n streek, dorp of stad, dan is het bijna vanzelfsprekend dat ze het verhaal of de verhalen daarover te horen krijgen.

In zekere zin is dit óók een kennen van je wereld: een van de doelen van het aardrijkskunde-onderwijs: je vertrouwd voelen op aarde door te weten waarom het leven zo gaat als het gaat; waarom die namen voor dit en dat bestaan enz. enz.

Wie in Limburg woont zou toch bij het horen van de naam Stavoren onwillekeurig het beeld voor zich moeten zien van de fiere Vrouwe die aan de haven haar schepen staat op te wachten; wie in Drenthe de naam Ellertsveld ziet, de vechtende reuzen Ellert en Brammert.

Er bestaan (te) veel verhalen – ze worden sagen genoemd – : je kunt ze niet allemaal vertellen.

Ik heb er een aantal gekozen:

[3-1] Het Vrouwtje van Stavoren        Friesland
[3-2] Tidde Winninga                           Groningen
[3-3] Het licht van Zeerijp                   Groningen
[3-4] Ellert en Brammert                     Drenthe
[3-5] Waarom de Zwollenaars
blauwvingers genoemd worden          Overijssel
[3-6] De zwaneridder                            Gelderland (Nijmegen)
[3-7] De basilisk                                     Utrecht

.

4e klas aardrijkskundealle artikelen

4e klasalle artikelen

Aardrijkskundealle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld4e k

.

751-687

.

.

.

VRIJESCHOOL – 4e klas – aardrijkskunde – alle artikelen

.
[1] Hoe oriënteert men zich
Het ‘Binnenste buiten
over: begint aardrijkskunde ‘klein’ of  ‘groot(s)’. Voorbeeld voor de stad Leiden; kompas; lichaamsoriëntatie met windstreken

[2] Over de eerste aardrijkskunde
Jan Kraamwinkel
over de eerste aardrijkskunde; sympathie wekken voor de aarde; voorbeeld Haarlem; hoe gaat het toe in de klas; over de 4e-klasser

[3]
Over sagen

[3-1Het Vrouwtje van Stavoren       Friesland
[3-2] Tidde Winninga                           Groningen
[3-3] Het licht van Zeerijp                   Groningen
[3-4] Ellert en Brammert                     Drenthe
[3-5] Waarom de Zwollenaars
blauwvingers genoemd worden          Overijssel
[3-6] De Zwaneridder                           Gelderland (Nijmegen)
[3-7] De basilisk                                     Utrecht
[3-8] De stalknecht                               Noord-Holland
[3-9] Het woud zonder genade           Zuid-Holland
[3-10] De ondergang van
Westerschouwen                                   Zeeland
[3-11] Pater Langslaper                        Noord-Brabant
[3-12] De derde visser                           Limburg
[3-13] De twee broers                            Limburg

[4] 4e klas aardrijkskunde
Pieter HA Witvliet over: een begin van de eerste periode aardrijkskunde met het scheppingslied uit de Edda; kompas; lichaamoriëntatie

[5] Heb je straks een vierde klas?
Pieter HA Witvliet over: het 4e-klaskind; belangstelling voor de wereld; het belang om de vier graansoorten te kennen: tarwe, haver, rogge en gerst; beschrijving van deze planten met afbeelding. Verzamel ze op tijd!

Aardrijkskunde klas 4 t/m 12:

overzicht tevens deel 1 van menskunde door aardrijkskunde’ 
Christoph Göpfert over: om welke ervaringen gaat het die een kind moet hebben over de wereld van nu; aardrijkskunde heeft verbinding met bijna alles: gesteenten, planten, dieren, waar en hoe mensen leven en leefden (geschiedenis); aardrijkskunde moet ook leiden tot meer naastenliefde; wat en waarom – ook menskundig gezien – van wat in de klas behandeld wordt; een overzicht

[2] Van heemkunde naar de eerste aardrijkskunde in klas 4, 5

deel 3 en deel 4 bij klas 6      deel 5 biklas 7

[6] Gapers
Uit ‘De Kampioen over: gapers; wat zijn het; historie; waar te vinden.

[7] Er wordt een kaart getekend
Erika Buris over: hoe een kaart te tekenen; gezichtspunten; voorbeelden.

[8] Drenthe
Buro biologie Groningen over: op kamp in Drenthe; historie: ijstijden, veenvorming, veenkoloniën, hunebedden.
.
4e klas: alle artikelen

Aardrijkskunde: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

Vrijeschool in beeld4e klas

.

750-686

.

,

VRIJESCHOOL – 4e klas – aardrijkskunde (3-1)

.
Inleiding bij deze verhalen:

HET VROUWTJE VAN STAVOREN
.

Vroeger was Stavoren een rijke stad, in vele landen bekend. De kooplieden dreven er handel tot ver over zee en verdienden er schatten mee. Ze woonden in huizen groot en schoon. Er wordt gezegd, dat velen hun huisdeuren met goud hadden beslagen en dat hun erven met zilveren kettingen waren afgezet. Rijkdom maakt vaak trots, en trots waren dan ook de burgers van Stavoren.

Van allen was één echter de hovaardigste: een weduwe, jong van jaren nog, maar de rijkste onder de rijken. Ze woonde in een huis als een paleis; prachtige tapijten bedekten wanden en vloeren; het blonk er overal van goud, zilver en edelsteen. Ze bezat de meeste schepen, de meeste pak­huizen, de meeste waren. Haar schepen voeren de gehele, toen bekende, wereld rond. Ze kwamen thuis met de kostbaarste schatten, ze voerden de kostbaarste schatten als koopwaar weer mee. Niemand wist, hoe rijk deze Vrouwe van Stavoren wel was, zij zelf wist het ook niet. Ieder vloog op haar wenken, haar wil was wet.

Voor niets hadden de Staverse burgers meer ontzag dan voor rijkdom. Rijk was de Vrouwe van Stavoren dus wel, doch tevreden was ze niet. Dat gaat meer zo.

De kostbaarste schatten bezat zij, de kostbaarste schatten voerden haar schepen regelmatig voor haar aan, toch moesten er, dacht ze, nog mooiere en kost­baardere op de wereld wezen. En ze wou het allermooiste bezitten, dat er op aarde te verkrijgen was. Het allerkostbaarste, dat er op aarde was, dat wou ze. En nooit zou ze rusten, alvorens ze dat had! Ze wou het allermooiste, het allerkostbaarste! Iets, dat zij alléén had, en anders niemand in de gehele stad! Het schoonste goed op aarde! Opdat men haar nog meer ontzag en eer zou bewijzen!

Ze liet haar oudste schipper bij zich komen, een ervaren en bedachtzaam man.
– Ik zal veel goud in uw schip laden, schipper!
– Veel goud, Vrouwe?
– Veel goud, ja! Daar haalt ge mij het kostbaarste voor, dat er op aarde maar te vinden is!
– Het kostbaarste, Vrouwe? Ik vrees, dat is voor geen goud te koop.
– Het kostbaarste, schipper, laat het mij geen tweemaal zeggen! En gij haalt het! Zo wens ik het!

In gedachten zag de schipper enige ogenblikken stil voor zich uit. Toen zei hij: — Ge moest daar een ander voor kiezen, Vrouwe, iemand, die jonger van jaren is.
– Niemand kent de wereld zoals gij, schipper. Gij zijt mijn oudste kapitein en gij hebt dus recht op deze bijzondere opdracht. Ga en zoek mij het schoonste en kostbaarste, wat er op aarde te vinden is. Opdat ik er mij aan verheuge en het mij eer doe door de gehele stad. Aarzel nu niet langer, ga en doe mijn wil. Haar voorhoofd fronste zich, haar vingers tikten driftig op de tafel.
– Het zal geschieden, zoals gij wenst, zei de schipper, hij groette eerbiedig en ging.

Ver zwierf hij met zijn schip weg van Stavoren. Hij bezocht menige stad, be­kende en onbekende, menig koopman sprak hij aan, veel schone, aardse goe­deren stalde men uit voor zijn ogen: heerlijk bontwerk, diep uit het grote Rusland gehaald, prachtige sieraden van goud en zilver, op het kunstigst bewerkt, schone diamanten en tal van andere edelstenen, wedijverend in kleu­ren, fonkelend soms van een diep, geheimzinnig licht, gewaden van de zeld­zaamste stoffen, tapijten met kleuren, zoals zijn ogen er nooit hadden aan­schouwd. Het een was al kostbaarder dan het ander. Toch vond hij niets, dat naar zijn zin was. Zweden, Duitsland, en Rusland bezocht hij. In Riga bleef hij menige dag, maar hij kon niet besluiten iets te kopen. Het was alles heel mooi en heel kostbaar, maar zijn opdracht was, dat hij het mooiste en
kost­baarste moest meebrengen, dat op aarde was te vinden. De kostbaarste schat van de aarde? Veel dacht hij er over na, zijn ogen werden er stil van. Toen keerde hij terug naar een stad, waar hij reeds eerder was geweest: Danzig, de oude bekende. Als hij daar niet vond, wat hij zocht, dan vond hij het nergens meer. De kostbaarste schat van de aarde!

Weer ging hij dagenlang zoekend rond. Schatten legde men hem voor, nooit gezien, en die stellig hun gewicht in goud waard waren. Doch hij schudde steeds het hoofd en ging, zoals hij kwam. De kostbaarste schat van de aarde! Toen kwam hij in een pakhuis, waar men hem lachend tarwe aanbood, prach­tige, roodbruin-glanzende tarwe! Hij lachte niet terug. Zeer ernstig trok zijn gezicht. Hij nam de korrels in zijn hand en bezag ze. Ze waren groot en vast en er lag zo’n schoon licht overheen. Tarwe? De kostbaarste schat van de aarde, tarwe? Eén korreltje zinkt in de aarde en het ligt daar en wacht. God zendt zijn zonneschijn, God zendt zijn regen bij tijden. En het zwelt en het spruit uit en een halm schiet boven de aarde omhoog, de wind doet deze bui­gen en vaster groeien. Gods licht en Gods aarde voeden hem, een aar ontwringt zich aan de omklemming der bladeren en groent en groeit, en geelt in de zomerzon, en vele korrels komen er uit die ene. En de mens voedt zich ermee, hoe moeilijk wordt zonder deze korrels hem het leven! Is dit geen wonder? Is dit niet de kostbaarste schat? Kan een mens van bontmantels leven? Leeft een mens van goud en zilver en edelsteen? Harde, dode dingen zijn het, waarbij de mens zelf de dood vindt.

Nu lachte de schipper, een blijde, gelukkige lach.
— Laadt mijn schip daar vol mee! beval hij.

Voor de wind zeilde hij huiswaarts, de zeilen bol, het hart vol dankbaarheid, dat hij zo goed had gekozen. Is de tarwe geen schat? De aarde zelf brengt haar voort, onder het nijvere werk der handen, onder Gods zegen. Wat is de mens zonder haar? Waai, windje, waai, opdat we spoediger thuis zijn! Hij stond voor op het schip, toen het de haven binnenviel. Hij zag de mensen snel naar de aanlegplaats lopen, één gestalte daartussen herkende hij dadelijk. Hoog en recht was ze, en ze droeg een gewaad, waar de zon schitterende glan­zen op wierp. De Vrouwe!

Hij streek zich voldaan langs zijn zeemansbaard. Hij lachte, de Vrouwe zou voldaan zijn. Hij riep zijn volk de laatste bevelen toe. Snel gleed het schip naar de walkant.

Een hoge stem trilde plotseling door de lucht. De Vrouwe riep! Nog
ver­stond de schipper geen woorden. Maar zijn gestalte werd rechter. Hij nam de muts van zijn haar en riep een heilwoord.

Even was er toen niets dan het geluid van de wind door de touwen, dan het geluid van het water, opslaand tegen de boeg. Toen trilde weer die hoge stem naar hem over het water.
– Wat breng je me, schipper?
– Tarwe, Vrouwe, de heerlijkste tarwe, die ik ooit zag!

Weer was er een stilte. Daarin gleed het schip zijn laatste vaart uit. Een zwarte vogel kruiste de baan tussen de schipper en de Vrouwe van
Sta­voren. Luider klonk nu haar stem, kort en driftig sneed ze door de lucht.
– Versta ik je goed, schipper? Tarwe? Zeg je tarwe?
– Tarwe, ja Vrouwe! Zo heerlijk kocht ik ze nooit! Zo groeit ze nergens in heel ons mooie Friesland!

lneens sloeg er een laaiend gejoel op uit de menigte langs de kant.
– Tarwe! Haha, wat is de Vrouwe er tussen genomen! Hij kocht tarwe, horen jullie lat? De kostbaarste schat, waar ze weken en weken op gewacht heeft!
Hallo,Vrouwe, versier daar Uw kamers mee! Rijg er blinkende kettingen van, Vrouwe! Parels van tarwe, hahaha!
Wit van drift ijlde de Vrouwe nu over de loopplank.
– Spot je, schipper?
Haar ogen schoten vuur, boos en wreed.

– Tarwe, zo is het, Vrouwe. Wie kent er kostbaarder schat? „Geef ons heden ons dagelijks brood”, bidden we toch alle dagen.
Ons dagelijks brood! Ons dagelijks brood!
Ze hijgde van boosheid en teleurstelling. Kwaadaardig stonden de ogen in haar gelaat, wit verwrongen. Tarwe? Ze stampvoette. — Man, waar zit je verstand! Man! Mens! Tarwe, zeg je tarwe?
En dan giftig van drift: — Aan welk boord laadde je dat goedje in? Aan bakboord, zeg je, aan bakboord? Zeil dan onmiddellijk de haven uit en werp het over stuurboord in zee! Geen praatjes, gehoorzaam!
De tegenwerpingen van de schipper vergingen in het gejoel, dat uit de menigte aan de wal opsteeg. Hoera, voor de Vrouwe van Stavoren, hoera! Zo is het goed! Die schipper gooide de naam van onze fiere koopstad te grabbel! De Vrouwe redt deze naam weer. In zee met dat spul! Vooruit nu maar, schipper! Over stuurboord, over stuurboord!

In dit ogenblik ijlde een oude, magere man de loopplank over naar het schip. Alles zweeg plotseling.

— Vrouwe, ging de stem van die man hees en moeilijk, — hoor naar een arm, oud mens! Verspil zo Gods schone gave niet! Geef ze de armen, als ge ze zelf niet wilt hebben! Tarwe is voedsel, Vrouwe, God gaf ze, opdat de mens zal leven. Zo ge iets goeds wilt doen, geef ze dan aan de armen!

Hij keek de Vrouwe van Stavoren smekend aan, maar hij zag niets dan een paar koude, genadeloze ogen.
– Vrouwe? vroeg de oude nog eenmaal.
– Ik spreek niet met bedelaars, kwam het koel bescheid. Meteen, met een bevelend gebaar, beval ze de schipper haar opdracht uit te voeren.

Toen richtte zich ook de bedelaar hoog op, zijn gestalte werd jonger en scho­ner. Zijn stem kreeg een wondersterke, verdragende klank, zodat alle mensen op het schip en aan de wal hem konden horen.

— Gij veracht in uw hoogmoed het graan, riep hij uit, — gij veracht de mens, die in armoede moet leven. Mij noemt ge een bedelaar! Eens — Vrouwe van Stavoren, hoort ge mij? — eens zult ook gij in armoede leven! Eens zult ge rondgaan, bidden om een bete broods, en met u allen, die als gij zijn! Let op mijn woorden! Eens worden zij waar!

Groot en machtig was zijn stem aangezwollen. De menigte zweeg. Ging er angst over de mensen? Wie was deze man? Zijn woorden waren van dreiging zwart. Zag deze man in de toekomst? Of… of… ?

Doch reeds trok de Vrouwe van Stavoren hun aandacht weer. Een smadelijke lach klonk van haar lippen.
— Bedelares? Ik? Man, hoe waag je het zo te spreken?
Heftig rukte zij een kostbare ring van haar vinger af. Fel weerkaatste een grote diamant het zonlicht.
— Bedelares! Ik?
Met een wijde boog wierp ze de ring over boord.
— Bedelares? Ik? Wie kent mijn schatten? Wie telt ze? Eer keert deze ring uit zee in mijn hand terug, dan dat één woord van jouw profetie waar wordt! En nu… van mijn schip af!

Gebiedend strekte ze haar hand uit. Luid bijvalsgejuich steeg op. De mensen verdrongen zich naar de loopplank. Leve de Vrouwe van Stavoren! Zó moet men een bedelaar te woord staan! Zó houdt men de eer van Stavoren hoog! Weg met die man! Over stuurboord te water! Te water! Lijven verdrongen zich, armen rekten zich grijpend. Maar ieder greep vergeefs, ieder drong vergeefs op. De magere, oude man was nergens meer. Hij was op raadselachtige wijze verdwenen. Ze lachten er eerst om. Toen kwam een vreemde stilte over hen. Wat had hij ook weer gezegd? Hoe zag hij eruit, toen die woorden door hem werden gesproken? Vreemde woorden waren het.
Er lag een angstigmakende bedreiging in. Ze voelden een huivering over hun lijf gaan. Sommigen slopen naar huis, anderen stonden zwijgend op de wal en zagen toe, hoe het schip langzaam de haven uitdreef; toen hoorden ze het rammelen van ankerkettingen. Er was geen wind meer. De scheepsvlag hing slap neer. Ze zagen, hoe de tarwe in zee viel. Ze bleven niet lang. De kade werd leeg. Alleen de Vrouwe bleef koud en onbeweeglijk toezien.

Er gingen enige weken voorbij, waarin de Staverse burgers grote gebeurtenissen verwachtten. Maar niets bijzonders geschiedde. Het schip van de Vrouwe van Stavoren voer weer uit, doch met een andere schipper. De oude, ervaren kapitein kreeg zijn ontslag. Een man, die haar opdrachten op zo’n vreemde wijze uitvoerde, kon de Vrouwe niet meer gebruiken. Nog enige tijd sprak men daarna in de stad over het gebeurde en over de voorspelling van die bedelaar, die zo plotseling was verdwenen; daarna zweeg men erover. Schip na schip zond de Vrouwe van Stavoren in zee, zodat op het laatst haar gehele vloot in de vaart was. Ze keerden tegelijk en brachten grote winst. Haar rijkdom verdubbelde zich nog in die dagen. Een enkele keer dacht ze nog weleens aan die bedelaar en aan de voorspelling, die hij gedaan had. Dan speelde een trotse glimlach om haar lippen. Zij een bedelares? Zou er ergens op aarde een koning zijn, die zo rijk als zij was? Zij een bedelares? Zie, hoe haar rijkdom groeide met de dag! Zij een bedelares? Nooit! Nooit! Had ze het niet gezegd: Eer keert deze ring uit zee in mijn hand terug, dan dat één woord van jouw voorspelling uitkomt! .
Ze lacht voldaan en gaf bevel al haar schippers bij haar te laten komen. Ze kwamen en bogen en zagen haar eerbiedig aan, wachtend op haar bevelen.
– Mannen, zei ze, — gij vertrekt heden allen tegelijk. Ik zal uw schepen met goud laten vullen. Gij zeilt allen heen en keert tegelijk terug en brengt mij de schoonste en kostbaarste schatten der aarde.
Even zagen ze elkander tersluiks aan. Groter opdracht was nog nooit in de koopstad gegeven, nooit groter en nooit gevaarlijker ook. Want wat zou er gebeuren, als een storm over hun vloot, over al hun schepen tegelijk, viel?
Het weer is wisselvallig op zee, de gunst van de zeegoden is wisselvallig. De oudste schipper sprak schuchter een woord van waarschuwing tegen de Vrouwe. Maar ze lachte honend. — Zijt ge bang? vroeg ze. — Zijn jullie oude vrouwen geworden? Gaat!

Toen bogen ze en gingen. De vloot zeilde de haven uit. Het was een prachtig gezicht, al die zeilen wit en blinkend tegen de hemel! Trots keek de Vrouwe van Stavoren ze na. Alleen een wolk, laag aan de horizon, blonk nog witter.

Diezelfde avond bereidde de dienstmaagd in de keuken vis voor de Vrouwe van Stavoren. De Vrouwe had een heel grote vis gekocht van een vreemde visser, die hem voor veel geld aanbood. De Vrouwe telde geen geld, als er iets bijzonders voor haar te verkrijgen was. Ze gaf de man nog meer dan hij gevraagd had.

Toen de vis schoon was, zag de dienstmaagd, dat er iets glinsterends op het aanrecht lag. Ze nam het op, het schitterde oogverblindend. Een gouden ring was het, met een grote diamant! Haar ogen gingen van verbazing wijd open. Toen herkende ze. Ook haar mond opende zich. De ring! De ring van de Vrouwe! Die ze in zee wierp! — Eer keert deze ring uit de zee in mijn hand terug, dan dat…
— Vrouwe! kreet ze. — Vrouwe!
Ze ijlde naar de kamer, waar de Vrouwe was. Angst puilde uit haar ogen.
— De ring, Vrouwe! De ring! Eer keert deze… ! O, Vrouwe!

Met de ring in de handen bleef de Vrouwe van Stavoren enige ogenblikken zwijgend staan. Ze verstijfde. Buiten loeide een windstoot. Een tweede volgde. Haar wangen trokken wit.
— Ga, zei ze toonloos tegen de dienstmaagd.

Alleen gebleven, moest ze moeite doen om niet door de knieën te zakken. Maar ze vermande zich. Geen zwakheid nu! Wat zou haar kunnen over­komen?

Met moeite zette ze zich en lang zat ze in gedachten. Het bruiste in haar hoofd. Ze verzette zich. Ze wou opstaan, maar ze kon niet. Men meldde haar, dat de avondspijzen waren opgedist. Ze bleef roerloos zitten. De stemmen van de mensen kwamen van heel verre tot haar. Ze speelde met de kwasten van het tafelkleed, een angstig voorgevoel kneep haar de borst samen. — Ik moet wat doen, dacht ze. Maar ze deed niets.

— Eer keert deze ring uit de zee in mijn hand terug… En nu was de ring daar!

Ze beet zich op de lippen. Nooit had ze angst gekend, en nu, nu kneep de angst mét haar borst haar keel dicht. Ze ademde moeilijk. Machteloos ging ze naar bed. Die nacht lag ze bibberend wakker als iemand die hoge koorts heeft. Buiten huilde de stormwind. Daar luisterde ze naar. Huilde of lachte de storm? Dreef hij de spot met haar? Ze sloeg de dekens over haar hoofd heen.

Voor de ochtend grauwde was ze reeds weer in de kleren. Ze at en ze dronk niet. Ze wilde naar de haven toe. Het was, of ze daar heen werd gedreven. Ze opende de buitendeur, zwaar van goud, en wilde de stoep afgaan. Een man beklom juist de treden, een bode.

— Vrouwe van Stavoren, Uw gehele vloot is vergaan! De brokstukken drij­ven reeds op de kust aan!
Ze sprak niet. Ze keerde zich woordeloos om en sloot zich in haar kamer op

Sindsdien volgde tegenspoed op tegenspoed. Binnen enkele jaren was de Vrouwe van Stavoren straatarm. Haar haren waren grijs geworden van zorg en verdriet, haar gestalte begon zich te krommen. Ze was nog jong van jaren, maar als een oud vrouwtje ging ze bedelend over de straat.
– Het Vrouwtje van Stavoren! werd haar door onbarmhartige jongens nageroepen.
– Het Vrouwtje van Stavoren, mompelden vele rijken, die haar komen zagen en ze sloten gauw hun deur.

Het Vrouwtje van Stavoren werd een verlatene, een uitgestotene. Echter ook voor vele van haar rijke medeburgers kwam eenmaal de tijd, dat ze hun rijkdom als was in de zon zagen smelten.

— Eens zult gij rondgaan, biddend om een bete broods, en met u allen, die zoals gij zijn!
Zo luidde immers de voorspelling van de oude man.
Maar hoe kon dat waar worden? Zonden dan ook deze rijken al hun schepen tegelijk op zee? Werden ook deze schepen door één storm van de aarde geblazen. Neen, deze mensen waren verstandiger, toch trof ook hen het noodlot.
Aan stuurboord was de geminachte tarwe vlak voor de haven in zee
gestort. Er was zoveel, dat een heuveltje rees boven het water. Dat verspreidde de golfslag al gauw, maar het bleef op die plek ondiep. Zand vermengde zich met de tarwe. Een grote bank vormde zich daar. Daar kon geen schip meer overheen. De schepen moesten een omweg maken. Maar het volgende jaar was de zandbank nog groter geworden. Slechts door nauwe geulen konden de schepen nog de haven binnenvaren.

En ziet, en ziet… de een wees het die zomer de ander aan. Groeide daar tarwe in de wateren? Halmen schoten boven de golven op, halmen groenden, halmen bogen op de wind en op de golfslag. Aren wuifden in de wind—
Dat wordt goed, mensen! Ons loopt het mee! Zelfs in de zee groeit voor ons het koren. En we zaaiden het niet eens!

In de zomerzon geelden de aren. Maar er was iets bijzonders meeZe bogen zwaarte niet over. Ze stonden rechtop en wiegden rechtop mee in de wind. Vreemde aren waren het, daar groeide vreemde tarwe. Toen men, nieuwsgierig geworden, de aren onderzocht, waren ze alle leeg. Korrelloos rees uit de zee op. — Tarwe, wat is nu tarwe! Hoorden ze hun eigen spottende stem? — Rijg er kettingen van! Leve de Vrouwe van Stavoren, die de eer van onze stad hoog houdt!

Waren dat hun eigen woorden niet? — Eens zult gij rondgaan, biddend om een bete broods! Waren dat niet de woorden der voorspelling? Vrees vervulde de stad. Naderde de ondergang nu? De voetstappen klonken doffer in de straten. De zandbank breidde zich snel uit. Geen schip kon op het laatst de haven meer in. De eens zo bloeiende handelsstad was ten dode veroordeeld. De pakhuizen raakten leeg, maar vulden zich niet meer. De beurzen raakten leeg, maar er kwam geen nieuw goud in. De huizen raakten leeg, vele mensen verlieten de stad, en die bleven konden in zulke dure huizen niet wonen. Ze vervielen. De tijd sloopte ze. De armoede waarde rond in de snel vervallende stad. Het verkeer stond stil. Gras groeide tussen de straatstenen.

En op de zandbank buiten de haven wuifden duizenden lege halmen in de wind. „Het Vrouwezand” noemden het de mensen. Ze keken er vaak met duistere ogen naar. Schuld kneep om hun hart. Krijsend vlogen er vaak de meeuwen over.

Meer;    afbeeldingen

Hoe de zandplaat werkelijk ontstaan is

Aardrijkskunde 4e klasalle artikelen

Aardrijkskundealle artikelen

4e klasalle artikelen

Vrijeschool in beeld4e klas

749-686

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Franciscus

.

DE MINDERBROEDER VAN ASSISI

Bijna acht eeuwen geleden werd in een stad tussen de heuvels van Italië een der grootste geesten geboren die ooit in een menselijk lichaam heeft gewoond. Ook nu nog is hij uw vriend en de mijne, en het evangelie dat hij predikte is nog even zuiver als het gezang van vogels. Andere heiligen maken ons soms stil van eerbied door hun bovenmenselijke heiligheid, maar Franciscus van Assisi is zo zuiver menselijk als een mooi kind. Men noemde hem Poverello (Kleine arme man), maar hij was zo rijk in de dingen van de geest dat handelsmagnaten zich bedelaars voelden in zijn aanwezigheid.

Giovanni Bernardone — zo luidde zijn doopnaam — werd in 1181 of 1182 geboren in Assisi, in Midden-Italië. Zijn vader, Pietro Bernardone, een welvarend koopman, noemde hem Francesco, afgekort Cecco. Cecco ging net zo ongaarne naar school als de meeste jongens die meer van pretmaken houden, en kreeg maar weinig onderwijs, zelfs voor die tijd. Omdat hij bestemd was voor de handel, liet zijn vader hem de hele dag werken achter de toonbank en leerde hem hoe hij voordelig zaken kon doen. Maar als het avond werd, was hij de aanvoerder van de vrolijkste pretmakers onder zijn leeftijdgenoten. Kwistig was hij met geld voor al zijn vrienden, royaal schonk hij wijn voor hen. Hij was niet te verzadigen op het punt van mooie kleren. Pietro Bernardone schudde zijn hoofd, maar hield Cecco’s toelage desondanks niet in. Want uit die buitensporigheden maakten de bankiers op, dat hij zo rijk was dat hij zich een verkwistende zoon kon permitteren. Toen in 1203 de andere jonge mannen van Assisi opmarcheerden naar een van die plaatselijke oorlogen die destijds zo gewoon waren, ging de jonge Bernardone mee. Al in het begin van de campagne werd hij gevangen genomen. Na een jaar werd hij vrijgelaten, maar hij werd ernstig ziek, herstelde, nam weer dienst, werd weer ziek en herstelde weer. Maar zijn vroegere leefwijze had de bekoring voor hem verloren. Een geheel nieuwe aandrang begon zich in hem te openbaren. Terwijl hij op een avond door de straten zwierf, bleef hij als getroffen staan luisteren naar iets dat hij niet kende. Zijn makkers liepen hem vrolijk voorbij. Buiten de stad, op een heuveltje, viel hij op zijn knieën en bad.

Het keerpunt van zijn leven naderde. Toen Franciscus eens buiten de stad reed, werd hij aangesproken door een melaatse bedelaar. Als er iets was waar deze kieskeurige jongeman niet tegen kon, dan was dat melaatsheid. Zijn hoofd afwendend, tastte hij naar zijn beurs. Toen begon plotseling een fel wit licht in zijn hart te schijnen. Want de ongelukkige stakker had geen behoefte aan aalmoezen. Verschrikkelijker dan de ziekte moest de eenzaamheid zijn van deze onbeminde medemens. Franciscus sprong van zijn paard, liep op de melaatse af en omhelsde hem. Hierna dwong hij zichzelf, voortdurend het ziekenhuis voor melaatsen te bezoeken. Weldra besteedde hij zijn hele toelage om het ziekenhuis in stand te helpen houden.

Op een dag in 1206, toen Franciscus 25 jaar was, werd hij naar de stad Foligno gestuurd om op een jaarmarkt goederen te verkopen. Hij pingelde en marchandeerde, zoals hij dat had geleerd, om zoveel mogelijk winst te maken. Hij kreeg een bod op zijn paard en verkocht ook dat, als een uitgekookt zakenman. Te voet aanvaardde hij de thuisreis, niet wetend dat hij de laatste zakelijke transactie van zijn leven had afgesloten.

Want terwijl hij daar liep te midden van de rijpende wijngaar­den, beving hem een grote afkeer tegen alle manieren van geld verdienen. Bezit, zo ontdekte hij, veroorzaakte alle ruzie en slecht­heid die de wereld bezoedelden. Al peinzend over deze dingen bleef hij staan bij de kapel van San Damiano en knielde neer te midden van de bouwval. Ginds in de stad was de welvaart god. Maar Gods huis, hier op de vredige heuvel, was een ruïne. Nie­mand zorgde ervoor, behalve een oude priester, even arm als de duiven die onder het dak nestelden. En het leek Franciscus alsof hij de stem van Christus hoorde zeggen: “Herbouw mijn kerk.”

In latere tijden zouden de mensen bitter twisten over de vraag, of Christus slechts had bedoeld: “herstel deze kapel” of “hervorm de Kerk.” Maar Franciscus was een simpele ziel die zich niet ver­diepte in bovenzinnelijke vragen. Hij schudde de oude priester van de kapel wakker en bood hem het geld aan dat hij in Foligno had verdiend. Bij het zien van dit “manna” was de priester met stomheid geslagen, maar hij vond het toch raadzamer het te weigeren. Wel deelde hij zijn karig maal met de jonge zonderling, en gaf hem onderdak.

Toen Pietro Bernardone ontdekte waar zijn zoon was en wat hij wilde doen met het geld, haastte hij zich samen met de bisschop naar de kapel. Zachtzinnig wees de bisschop Franciscus erop, dat het niet zijn geld was en hij het dus niet mocht weggeven. Daarop gaf Franciscus het allemaal terug en trok op de koop toe nog de kleren uit die hij van zijn vaders geld had gekocht. Van nu af aan zou de wereld zijn enige thuis zijn, en alle mensen zijn broeders. Nooit zou bezit iets voor hem betekenen. Zijn zelfverloochening had niets van een starre godsdienstige discipline ter wille van persoonlijk heil. Hij probeerde slechts zichzelf te bevrijden om in navolging van Christus te kunnen leven. Maar hij voelde niets voor het leven van een monnik, ver van Gods schepping. Beter was het leven van een kluizenaar — dan kon hij de hemel zien en de vogels hun ochtendlied horen zingen, en de gezegende lucht van de vrijheid opsnuiven.

Dus ging hij in lompen op weg om te bedelen, niet om eten of geld — maar om stenen, om San Damiano te herbouwen. Als hij geld kreeg, kocht hij er stenen voor en droeg ze op zijn rug naar de vervallen kapel. En nu kwamen vrijwilligers hem helpen. Als hij het woord Gods predikte, stond hij niet op een preekstoel maar blootsvoets te midden van zijn medemensen, nog armer dan zij -hun “arme Cecco”. Hij had geen belangstelling voor de zwakheid van de mensen, maar voor hun kracht, niet voor de lelijkheid maar voor de schoonheid van het leven. Uit een boordevol hart hief hij lofliederen aan.

Zijn eerste volgeling was een rijke man die, tot woede van zijn erfgenamen, al zijn bezittingen verkocht en het geld aan de armen schonk. De volgende was een vooraanstaand rechtsgeleerde, die zijn leven voortaan geheel aan God wijdde. Deze drie stichtten de kleine gemeenschap van “De Mindere Broeders van Assisi.” Zij leefden niet volgens vaste orderegels zoals in de kloosters. Hun enige regel was wat Christus had gezegd tegen de Apostelen: Gaat en predikt; geneest zieken, reinigt melaatsen. Om niet hebt gij het ontvangen, geeft het om niet. Voorziet u niet van goud of zilver in uw gordels, geen twee hemden, geen sandalen, geen staf.

Al gauw groeide het aantal Franciscanen aan tot twaalf. Franciscus wilde niet dat zij een comfortabel huis accepteerden dat hun werd aangeboden. De minderbroeders huisden in hutten nabij het melaatsenhuis. Voor hun dagelijks brood waren zij afhankelijk van wat ze konden verdienen als dagloner of knecht op een boerderij, in wijngaarden of in steden. Als er geen werk was moesten ze bedelen om voedsel. Hoewel de anderen hem Vader Franciscus noemden, liet hij hen elkaar frater of broeder noemen, volgens een godsdienstige gewoonte van die tijd. En sinds die tijd zijn alle Franciscanen broeders geweest, maar geen monniken. In groepjes van twee tot vier trokken de broeders de wereld in om te prediken. Zij hielden hun ogen niet strak gericht op een gebedenboek; vaak hieven zij hun gezicht ten hemel en zongen. Als ze met elkaar praatten, spraken ze vaak over de bloemen langs de weg en de zang van de leeuwerik, over bergpanorama’s en zuivere bronnen. Maar hun werk lag in de steden, zoals Franciscus hen vermaande. Daar toefden de zielen die gered moesten worden; daar zuchtten de mensen in slaafse gebondenheid aan bezit en stand.

Maar zodra zij Assisi verlieten, waar men hen begreep, werden de Franciscanen bejegend met spot en schimp. Het volk hield hen voor landlopers die zich voordeden als heilige mannen; de rijken verdachten hen van gevaarlijk radicalisme en de priesters vreesden dat ze ketters waren. Menigmaal werden ze met stenen bekogeld en uit een stad verdreven. Bisschoppen weigerden hun toestem­ming tot preken te geven.

Franciscus, die nooit de priesterwijding ontving, begreep nu wel dat hij niet verder kon gaan zonder de pauselijke goedkeuring en hij ging op weg naar Rome. Hij werd voorgesteld in het Vaticaan en bleek even onweerstaanbaar als een kind en even vasthoudend als hij zijn zin wilde doordrijven. Paus Innocentius III gaf de Minderbroeders het recht tot preken en hij beloofde hun verdere gunsten als het goed ging. Hierop maakte Franciscus zich haastig uit de voeten; gunsten wilde hij niet. Opgewekt en blij togen de Franciscanen weer op pad. De mare van de Poverello snelde nu voor hem uit. Vaak werd hij begroet door een menigte die wuifde met groene takken en zong, terwijl de kerkklokken luidkeels beierden van vreugde.

Franciscus zelf voelde vaak de behoefte om weg te glippen naar de natuur. Dan zocht hij een eenzaam bosje op of zat alleen op een
heuvel. Het dierbaarst was hem een klein eilandje, waar slechts de kabbelende golven hem konden vinden. Hij voelde zich verwant met de hele natuur. Hij sprak over “Broeder Haas” en “zuster Zwaluw”, en dat meende hij ook. De aanblik van dieren die werden gekooid of weggevoerd naar de slachtbank kon hij niet verdragen en hij deed altijd een goed woordje voor hen; zo spaarde hij het leven van duiven en lammeren, konijnen en fazanten. Volgens de legende toonden de dieren des velds en de vogelen des hemels hun dankbaarheid door bij hem te blijven en zich door hem te laten vertroetelen.

Het verhaal gaat dat hij eens, in Gubbio, hoorde dat een wolf de bewoners terroriseerde. Hij zocht het dier op en sprak als volgt tegen hem: “Broeder Wolf, je hebt mensen gedood, die gemaakt zijn naar Gods beeld. Hiervoor verdien je te worden gehangen als een misdadiger. Maar ik zou graag vrede met je sluiten. Als jij je slechte begeerten wilt verzaken, beloof ik je dat de mannen van Gubbio geen jacht meer op je zullen maken met honden en eten voor je klaarzetten. En nu moet je het mij beloven.” In vanaf die dag werd de wolf zelfs het troeteldier van de kinderen van Gubbio en deed nooit meer kwaad.

Op de avond van Palmzondag in 1212, terwijl Franciscus en zijn Broeders in gebed verdiept waren, zagen zij hoe een toorts snel naar hen toe werd gedragen door het bos — de brengster was een achttienjarig meisje dat zich aan de voeten van Franciscus wierp. Hij herkende het meisje, Clara, de dochter van een edelman uit Assisi. Zij hunkerde ernaar, zich te wijden aan een vroom leven, maar zij werd gedwongen tot een huwelijk en zij smeekte Franciscus, haar te verbergen. Door dit te doen maakte hij zich schuldig aan ontvoering en stelde hij zich en de Broeders bloot aan een schandaal dat hun ondergang kon worden. Toch aarzelde hij niet. Zelf knipte hij haar haren af; op grond van een machtiging die de paus hem had verleend nam hij haar op in zijn orde. Daarna vond hij onderdak voor haar bij de Benedictijnen en toen Clara’s zuster en weldra andere vrouwen en meisjes zich bij haar voegden, werd de orde van de Arme Clarissen gesticht, de zusterorde van de Minderbroeders van Assisi.

Maar daarbuiten in de wereld was men niet zo vlug als de heilige op zijn sandalen; Franciscus voegde zich bij de Vijfde Kruistocht naar Egypte om het Woord aan de Saracenen te verkondigen. Die Kruistocht was schitterend begonnen. De hertog van Oostenrijk, de koning van Hongarije, Jan van Brienne, de tempelridders, de ridderschap van Italië, de Venetiaanse kooplieden met hun schepen, zij allen waren present, met een vertegenwoordiger van de paus als oppercommandant. Maar er ontstond jaloezie; de soldaten lieten zich niet commanderen door een priester en het voornaamste doel van de pauselijke oppercommandant bleek, een enorme som geld los te krijgen van de sultan. Franciscus gruwde van de ledigheid van de Kruistocht. De Venetianen waren slechts uit op winst, de Tempeliers op bloed aan hun  zwaard, de gewone soldaten op buit.
Daarom drong Franciscus, tot woede van de Kruisvaarders, erop aan dat het vredesaanbod van de sultan, waarbij het Heilige Land teruggegeven zou worden aan de christenen, aanvaard zou worden. Maar op 29 augustus 1219 gaf de pauselijke commandant ongeduldig het sein tot de aanval en de christenen werden volkomen verslagen. Ongewapend, blootsvoets leidde Franciscus zijn groepje broeders over het brandend hete zand naar een vijand in overwinningsroes, die hem aanviel met stokken en stenen. Hij werd ten slotte voor Malik al-Kamil, sultan van Egypte en Syrië, Steun van Allah en Verdediger van het Geloof, gebracht, die meer angst inboezemde dan 50 wolven van Gubbio.
Wat was het dat Franciscus in staat stelde, het beest in dieren in dieren en mensen te temmen? Wij weten slechts dat hij drie keer predikte voor de opgetogen en eerbiedige, ongelovige vorst. Misschien stuurde de sultan Franciscus ongedeerd terug naar het christelijke kamp in de hoop, dat deze vrome kluizenaar betere christenen zou maken van de Kruisvaarders. Met toestemming van de sultan bezocht Franciscus het Heilige Graf, Nazareth en Bethlehem -,  hij was de enige van de mannen van de Vijfde Kruistocht die het doel bereikte. Zou het in Bethlehem zijn geweest dat Franciscus zijn merkwaardigste inval kreeg? Want toen hij terug was in Greccio, Kerstmis 1223, liet hij een miniatuurstal bouwen; deze vulde hij met stro en hij liet houtsnijders geschilderde figuurtjes maken van het Heilige Kind en de Moeder, van de os en de ezel,  van schaapherders en donker getinte Oosterse koningen. Zo verhief Franciscus Kerstmis — tot die tijd alleen een bijzondere Heilige Mis – tot een feest van liefde, met aanbidding van het Kind Jezus stralend als een gouden kaars in het middelpunt.

Intussen groeide het aantal Minderbroeders. Sommige bekeerlingen drongen aan op een meer praktische wijze van leven. Waarom moesten zij langs de wegen zwerven en in de stad kunsten maken als potsenmakers? Waarom moesten zij leven in hutten? Waarom mochten zij geen geld aannemen voor liefdadige doeleinden en waarom mochten zij niet de priesterwijding ontvangen? Waarom konden zij geen Regel aannemen, een gedragslijn, en hun organisatie officieel grondvesten? Sommige van de fraters betoogden met klem dat Franciscus te simpel was om de orde alleen te leiden.
Ook de Kerk was bezorgd. Er waren nu al 1200 Franciscanen; morgen konden het er 12 000 zijn. De enige manier om de onwaardigen te verwijderen, was hen te organiseren volgens de beproefde kloosterregels. Zelfs Franciscus begreep dat er iets gedaan moest worden; mensen die hij nauwelijks ooit had gezien, in wier harten hij niet kon lezen, wier handelingen hij niet kon voorspellen, noemden zich maar Franciscanen. Er zat niets anders op dan de paus te vragen, de Franciscanen een Regel toe te staan en een officiële raadgever aan te wijzen.
Toen liet Franciscus de Kerk zijn orde organiseren – zelf trok hij zich terug. Hij pakte broeder Pietro bij de hand en stelde hem ­aan tot vader van de orde. “Mijn gezondheid zal mij niet toestaan, zo goed voor jullie te zorgen als dat zou moeten,” zei hij. In werkelijkheid was hij moe. Zijn lichaam was uitgeput door voortdurende ontberingen en armoede. Een gevreesde ziekte had hem overvallen en vreemde wonden verschenen op zijn handen voeten. Ze zagen eruit alsof nagels waren geslagen door zijn twee handen en voeten — de “stigmata”, of merktekenen van de Kruisiging, riep de Broeder vol eerbied.

Franciscus sprak nooit over zijn lijden. In plaats daarvan                 componeerde hij op zijn ziekbed een lied. Hij noemde het zijn Hymne aan de Schepping en hij zong het verzaligd steeds en steeds weer; de Broeders moesten het ook leren en om zijn bed staan en voor hem zingen. Dit was die hymne:

Allerhoogste, almachtige genadige Heer!
U zij alle lof, roem en eer en iedere zegening!
Geloofd zij Gij, Heer, met al Uw schepselen,
vooral onze edele broeder zon;
hij schept de dag en door hem geeft Gij ons licht.
Schoon is hij, stralend met grote glans:
Uw beeld weerspiegelt hij, Allerhoogste.
Geloofd zij Gij, o God, voor onze broeder wind,
voor de lucht, voor de wolken, voor goed en voor alle weder, waarmee Gij Uw schepselen in stand houdt.
.

8e klasalle artikelen

Vertelstofalle biografieën

Vertelstofalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

747-684

.

VRIJESCHOOL – 2e klas – vertelstof (4)

.

Pieter HA Witvliet
.

fabel en legende
.

De vertelstof van de 2e klas bestaat uit de fabel en de legende.

Hier vind je een uitgebreide beschrijving over het wat en hoe van het vertellen van een fabel.

Er kunnen allerlei aanleidingen zijn waarom je het nodig vindt nu juist DIE fabel te vertellen. Het kan zijn dat een kind of meerdere kinderen iets doen wat minder wenselijk is. Hoe verander je dat. Door het beeld, de inhoud van de fabel.

Je kunt bv. plotseling ontdekken dat sommige kinderen, om iets voor elkaar te krijgen, het instrument van de ‘mooi-praterij, het gevlei, hanteren. Andere kinderen trappen daarin, wat niet fijn is.

Belangrijk is dus dat ‘VOORAF”. Voor de kinderen moet dit ‘iets’ vertrouwd of bekend zijn; iets wat ze zelf weleens gedaan of gedacht hebben; iets wat ze in hun omgeving hebben zien gebeuren. Je kunt ook rustig vragen: ‘Wie heeft er weleens …….’ Voor een leerkracht buitengewoon leerzaam.

Nadat er dan een tijdje van alles geklonken heeft, zeg je bv. ‘Luister eens naar dit verhaal’ en je vertelt de fabel.

Daarna niets meer; dus vooral niet: DE MORAAL

Die ontstaat vaak in het kind zelf om soms pas na jaren tevoorschijn te komen.

InDe vos en de raafworden de vleierij* en de gevolgen daarvan prachtig weergegeven.

Veel fabels zijn van Aesopus; om begrijpelijke redenen ook wel toegeschreven aan Phaedrus en Jean de la Fontaine.

Ik maakte er zelf onderstaand rijm van en reciteerde en speelde de fabel tot deze goed gekend werd en alle kinderen voldoende de rolletjes hadden kunnen spelen; met eenvoudige verkleedmiddelen.

Later kregen de kinderen deze tekst, met hoofd- en kleine letter.
Dit om ze half op weg in de 2e klas nog eens goed het verschil in vorm onder ogen te brengen. Heel bewust schreef ik deze blokletters niet; ik begon in de 1e klas met een verbonden schuinschrift dat het handschrift bleef (tot ergens in de 6e klas de kinderen behoefte kregen aan een ‘eigen’ vormgeving van hun handschrift).

De versie van Phaedrus:

De Vos en de Raaf

Een raaf stal uit het open venster eens een kaas. En zette zich voor ’t feestmaal in een hoge boom. Dat zag de vos, die naderde met zulke woorden: ‘Hoe heerlijk straalt, o raaf, uw vederkleed; waart ge niet stom —- geen vogel kon zich met u meten.” Doch als de dwaas zijn stem nu wil verheffen, Omlaag valt uit de snavel dan de kaas, die sluw de vos met greet’ge tanden opvangt. Nu eerst jammert, maar te laat, de raaf om zijn bedrogen domheid.

mijn versie:

DE VOS EN DE RAAF
de vos en de raaf

EEN RAAF OP ZIJN GEMAK GEZETEN,
een raaf op zijn gemak gezeten,

WILDE VAN DE KAAS GAAN ETEN
wilde van de kaas gaan eten.

DAAR KWAM EEN VOS OVER HET PAD
daar kwam een vos over het pad,

DIE WEL ZIN IN IETS LEKKERS HAD.
die wel zin in iets lekkers had.

TOEN ZAG HIJ MIJNHEER RAAF EN ZEI:                           (zacht voor zich                                                                                                    heen)
toen zag hij mijnheer raaf en zei:

DAT HAPJE IS WEL WAT VOOR MIJ.”
“dat hapje is wel wat voor mij.”

“WELKE VOGEL IS ZO GAAF,
“welke vogel is zo gaaf,

O, BENT U HET MIJNHEER RAAF.
o, bent u het mijnheer raaf.

WAT ZIT U SIERLIJK OP UW TAK;
wat zit u siérlijk op uw tak;

HOE SCHOON IS TOCH UW VERENPAK.
hoe schoon is toch uw verenpak.

WAT ZIJN UW POTEN SLANK
wat zijn uw poten slank

EN DAN UW HALS, ZO RANK.
en dan uw hals, zo rank.

EN UW VLEUGELS ZIJN VOORWAAR
en uw vleugels zijn voorwaar

NOG STERKER DAN VAN EEN ADELAAR,
nog sterker dan van een adelaar.

NOOIT ZAG IK ZO’N DIER
nooit zag ik zo’n dier,

ZO PRACHTIG, JA ZO FIER.”
zo prachtig, ja zo fier.”

ZO SPRAK DE VOS.
zo sprak de vos.

MET ZIJN GEVLEI
met zijn gevlei

MAAKTE HIJ DE RAAF HEEL BLIJ.
maakte hij de raaf heel blij.

“ALS UW STEM ZO MOOI IS ALS UW VEREN,
“als uw stem zo mooi is als uw veren,

MOET MEN U ALS KONING WEL VEREREN”,
moet men u als koning wel vereren.”

“KRA, KRA,” KRASTE DE RAAF.
“kra, kra,” kraste de raaf.

DE KAAS VIEL NAAR BENEDEN
de kaas viel naar beneden

RECHT IN DE VOSSENBEK.
recht in de vossenbek.

HIJ RIEP TEVREDEN:
hij riep tevreden:

“EEN STEM HEB JE, ZOALS IK HOOR,
“een stem heb je, zoals ik hoor,

MAAR HERSENS NIET!”
maar hersens niet!”

EN GING ER MET DE KAAS VANDOOR,
en ging er met de kaas vandoor.

*UVoor vlijen/vleien zie: (4)

Ik heb wat zinnen in de fabel ingelast die het vleien benadrukken. Het is enig om te ervaren hoe snel de kinderen deze zinnen schitterend ‘slijmerig’ kunnen verwoorden.

Voor meer over deze fabel.

.

2e klas vertelstof: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

2e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 2e klas

illustraties

745-682

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Einstein

.

HIJ BRACHT DE KOSMOS IN KAART

.

De constructie van de atoombom is waarschijnlijk de belangrijkste gebeurtenis in de moderne geschiedenis. Ze heeft ons begrip van de oorlog radicaal gewijzigd en is de grondslag geworden waarvan de nuchterste conceptie van wereldstrategie moet uitgaan. En toch is de man, die hier in eerste instantie aansprakelijk voor was, een groot deel van zijn leven een vooraanstaand pacifist geweest, wiens denkbeelden door velen als fantastisch en wereldvreemd werden beschouwd. Het was een brief van Albert Einstein aan Franklin D. Roosevelt die er de stoot toe heeft gegeven dat Amerika de atoombom ging ontwikkelen.

Einstein

Het was Einsteins “Speciale Relativiteitstheorie” die de basis heeft gelegd voor het vrijmaken van de atoomenergie.

Zijn hele leven is Albert Einstein achtervolgd door dingen die hij nooit had begeerd — publiciteit, roem, aanbiedingen van geld en macht. Hij is veel misverstaan en er is veel twistgeschrijf om hem geweest. Honderden geleerden hebben een groot deel van hun loopbaan besteed aan het verklaren, of aan pogingen tot weerlegging, van zijn ontdekkingen. Ofschoon hij geloofde in de vrijheid van het individu en in de democratie, heeft men hem beurtelings uitgemaakt voor een “bolsjewiek” en een “werktuig van Wall Street”. Ofschoon hij een onwankelbaar godsvertrouwen bezat, werd hij aangevallen om zijn atheïsme.

Tot grote verbazing van de slechts het wetenschappelijk onderzoek dienende natuurkundige werden hem bedragen tot bijna een ton geboden voor het aanbevelen van allerlei producten, van likdoornpleisters tot auto’s. Zijn borstbeeld prijkt in bibliotheken universiteiten overal ter wereld, en in Duitsland is een monument voor hem verrezen. Hij is de enige Amerikaanse staatsburger geweest aan wie het presidentschap van een ander land is aangeboden. Dit alles speelde zich af rondom een man die niet meer vroeg dan in stilte te mogen denken en werken. “Ik ben gelukkig omdat ik van niemand iets verlang,” zei hij eens. “Maar natuurlijk vind ik het prettig als ik bij mijn collega’s waardering vind.”

Toen in 1933 de nazi’s in Duitsland aan de macht waren gekomen, verliet Einstein zijn geboorteland en trok naar de Verenigde Staten. Daar werd hij opgenomen in de staf van het Instituut voor Zuiver Wetenschappelijk Onderzoek in Princeton, New Jersey. Hij was gelukkig in Princeton; hij vond er de rust waarnaar hij altijd had verlangd. De buren vonden het niet gek dat hij met lange haren liep omdat hij er een hekel aan had naar de kapper te gaan, of dat hij gemakkelijk zittende kleren droeg — een wijde pullover en een slobberig hangende broek.

Van het eerste ogenblik af dat hij zijn intrede deed in het Instituut, is Einstein meer dan louter waardering om zijn vakkennis ten deel gevallen. Mannen van wetenschap, gewoonlijk gereserveerd in hun uitingen, gebruikten onbeschroomd woorden als “bijna een heilige”, “nobel”, “beminnelijk”, wanneer zij het over hem hadden. “Zelfs in een gedachtewisseling over theoretische fysica,” zei een wiskundige, “straalt hij humor, warmte en vriendelijkheid uit.” Toch bleef Einstein, na bijna een halve eeuw een beroemdheid te zijn geweest, voor iedereen behalve zijn vrienden en naaste buren een teruggetrokken figuur.

Iedere werkdag ’s ochtends om half elf trok hij een oude zwarte jas aan — en ’s winters zette hij er nog een zwarte gebreide muts zoals zeelui wel dragen, bij op — stapte zijn houten huis uit en wandelde de ruim twee en een halve kilometer naar het Instituut. Zijn lange, onverzorgde haren en zijn druipsnor waren wit. Zijn ogen stonden, hoewel ze u geduldig en met vriendelijke belangstelling aankeken, dikwijls vermoeid en waren rood omrand. Hij sprak zacht, zijn Engels gekleurd met een licht Duits accent.

In zijn ruime, gerieflijke werkkamer met het riante uitzicht op een stukje bos, placht hij zich onmiddellijk te zetten aan de verdere uitwerking van zijn Algemene Theorie van het Magnetische Veld, waarop hij zich gedurende meer dan drie decenniën geheel concentreerde. Deze theorie verbindt de twee grote krachten van ons fysisch heelal, gravitatie en elektromagnetisme, en toont derhalve de onderlinge relaties aan die er tussen alle bekende natuurkundige verschijnselen bestaan.
Hij ging achterovergeleund in zijn stoel zitten en begon in een klein, keurig handschrift te schrijven op de grote blocnote die hij op een knie in evenwicht hield. Wanneer hij met een probleem vastliep, bleef hij er, nu en dan een lok haar om een vinger windend, net zo lang kalm en geduldig over zitten peinzen tot hij weer verder kon gaan. Elk van zijn theorieën was het resultaat van maanden en jaren onvermoeibaar werken aan wat hij noemde “gedachte-experimenten”.  Potlood en papier vormden zijn wetenschappelijke uitrusting; zijn geest was het laboratorium. Hij kon op dwaalsporen raken, verkeerde conclusies trekken — hij gaf het nooit op.

Het juiste antwoord, voelde hij, moest kunnen worden gevonden, omdat “God wel een raadsel, maar nooit boosaardig is.”
Einstein was diep overtuigd van de eenvoud en logica van het ordenend beginsel in de natuur. “Een soort geloof heeft mij er mijn hele leven voor behoed moedeloos te worden tegenover de grote moeilijkheden waarop ik bij mijn onderzoekingen stuitte.”
Wanneer hij zijn eigen conclusies op hun juistheid toetste, vroeg hij zich af: “Zou dit de manier kunnen zijn waarop God de wereld heeft geschapen?” Als creatief wetenschappelijk werker zag hij van een ontdekking zowel de “schoonheid” als de “juistheid”.
Evenals vele grote mannen was Einstein bescheiden en verlegen. Toen hij in Washington op een vergadering over Palestina binnenkwam, rees iedereen overeind om hem toe te juichen. Van zijn stuk gebracht, fluisterde hij een vriend toe: “Ze moesten maar eerst eens afwachten wat ik zal zeggen.”
Op een diner te zijner ere putte de ene spreker na de andere zich uit in loftuitingen op zijn genie. Einstein wist niet waar hij zich bergen moest. Ten slotte wendde hij zich tot de schrijfster Fannie Hurst en bracht haar op de begane grond terug met de nuchtere mededeling: “Weet u, ik draag nooit sokken.”

Op een aanbod president van Israël te worden antwoordde Einstein met zijn gewone bescheidenheid dat hij zich onbekwaam achtte voor het vervullen van een functie, die veelvuldig contact met mensen inhield. Het leek hem beter, zei hij, de studie voort te zetten van de stoffelijke natuur, waarvan hij “enige kennis” bezat. Einstein heeft nooit met hart en ziel tot een bepaalde maatschappelijke groep behoord. Hij stelde zich niet gemakkelijk voor andere mensen open. Dit was niet een uitvloeisel van zijn werk, maar lag veeleer in ’s mans aard. Deze terughoudendheid sprak reeds uit de eerste foto’s die er als kind van hem waren genomen.

Hij werd op 14 maart 1879 geboren te Ulm in Duitsland, maar bracht zijn eerste jeugdjaren door in München. Door zijn stille verlegen aard had hij weinig omgang met andere kinderen. Het duurde zo lang voor hij leerde spreken, dat zijn ouders vreesden dat hij achterlijk was. Zijn onderwijzers vonden hem een buitenbeentje. Hij had weinig vriendjes en deed niet mee met spelletjes. Zijn manier om zich te vermaken bestond in het componeren van kleine godsdienstige gezangen op de piano, om ze op eenzame wandelingen voor zich heen te neuriën. Zo tegen zijn twaalfde jaar had hij zich reeds op eigen houtje aan de studie van wiskunde en natuurkunde gezet. Op school kon hij echter lang niet in alle vakken goed meekomen. Ofschoon hij uitblonk in wiskunde en fysica, had hij geen aanleg voor talen. Hij wilde in Zwitserland verder studeren, maar zakte voor het toelatingsexamen tot de polytechnische school te Zürich. Een jaar later probeerde hij het nog eens en slaagde.

De eerste twee jaar na beëindiging van de studie had Einstein drie baantjes bij het onderwijs, raakte ze alle drie weer kwijt, leefde van de hand in de tand en trouwde met Mileva Marec, die eveneens natuurkunde had gestudeerd en hem twee zoons schonk.
In 1902 — hij was toen 23 — kreeg Einstein een betrekking als inspecteur bij het Berner octrooibureau. Het baantje vergde niet al te veel van zijn krachten en hij kon zich aan zijn eigen studie blijven wijden. Hij had zich de opgave gesteld tijd met ruimte, massa met energie te verbinden. Soms wanhoopte hij aan de mogelijkheid van slagen, en uitgerekend op de dag voordat hij het juiste bewijs vond, zei hij tegen een collega-inspecteur: “Ik geloof dat ik het maar opgeef.”

Op 26-jarige leeftijd stuurde hij, in de wereld der natuurwetenschappen nog een volslagen onbekende, zijn “Speciale Relativiteitstheorie” naar een wetenschappelijk tijdschrift. Hij vatte zijn theorie samen in wat nu de beroemdste vergelijking op het gebied van de natuurwetenschap is: E = mc2; globaal uitgedrukt: energie is gelijk aan massa maal het kwadraat van de lichtsnelheid. De vergelijking toonde aan dat, indien alle energie, opgehoopt in honderd gram van welke materie ook, kon worden vrijgemaakt, dit een kracht zou opleveren, overeenkomend met de explosiekracht van ruim drie miljoen ton TNT. Ofschoon de theorie een omwenteling teweeg bracht in de voorstelling, die de mens zich van het heelal had gevormd, beseften slechts weinig fysici op dat ogenblik de wereldschokkende betekenis ervan. Jarenlang was E= mc2 een onderwerp voor levendige discussies; na de ontploffing van de atoombom op Hirosjima was het grimmige werkelijkheid geworden.

Einstein deed meer dan de theoretische basis leggen voor de vervaardiging van de atoombom. Tegen het einde van de jaren dertig wisten vele geleerden dat de nazi’s er koortsachtig naar streefden tot ontwikkeling van de atoomkracht te komen. De Amerikaanse geleerden trachtten bij de militaire autoriteiten van de V.S. belangstelling te wekken voor een soortgelijk project, maar vonden weinig gehoor. Zij deden toen een beroep op Einstein om zijn invloed aan te wenden. Op een avond in 1939 stelde hij de brief op die een van de belangrijkste documenten van de Amerikaanse geschiedenis zou worden. “Recente onderzoekingen,” schreef hij aan president Roosevelt, “wekken de verwachting dat het element uranium in de naaste toekomst zal kunnen worden omgezet in een nieuwe en belangrijke bron van energie……Van deze nieuwe energie zou ook gebruik kunnen worden gemaakt voor de constructie van bommen.”
President Roosevelt machtigde onmiddellijk het Manhattan-Project de ontwikkeling van de atoombom ter hand te nemen, en de Verenigde Staten waren begonnen met de noodlottigste bewapeningswedloop die de geschiedenis te zien heeft gegeven.

Einstein bleef aan het werk met dezelfde voortvarendheid die hij 50 jaar had gedemonstreerd. Zijn Algemene Theorie van het Magnetische Veld was het resultaat van 35 jaar ingespannen arbeid. De kwintessens ervan is samengevat in vier vergelijkingen, die slechts twee regels van deze bladzijde zouden beslaan. In deze reeks vergelijkingen verbond hij de natuurkundige wetten die de krachten van licht en energie beheersen met de geheimzinnige zwaartekracht waaraan alle stoffelijke dingen zijn onderworpen.
Einstein geloofde dat zijn theorie “in hoge mate overtuigend” was, maar kon niet met zekerheid zeggen dat ze juist was.

Albert Einstein is op 18 april 1955 in Princeton gestorven. Hij was toen 76 jaar, en tot het laatst heeft hij zich ingespannen om nog meer geheimen van tijd en ruimte te ontraadselen. De kans op mislukking heeft hem nooit ontmoedigd. Hij wist dat de mens nooit de werkelijkheid zal kunnen doorgronden en dat “de schoonste ervaring die wij kunnen opdoen de belevenis van het mysterie is.”

8e klas: alle artikelen

Vertelstof: alle biografieën

Vertelstof: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden
.

Einstein wordt door Rudolf Steiner in verschillende voordrachten genoemd, m.n. om zijn relativiteitstheorie.

( )um einmal die ganze Relativitätstheorie in ihrer Berechtigung und Unberechtigung darzustellen. Ich glaube, die Leute sollten doch einmal einen Begriff bekommen von folgendem: Nicht wahr, man kann doch ein Problem der Relativitätstheorie so behandeln: eine Kanone wird in Freiburg i. Br. abgeschossen, man hört sie in einiger Entfernung, man kann die Entfernung berechnen. Man geht jetzt dazu über, zu berechnen, wie die Zeit sich ändert, wenn man sich dem Schall entgegenbewegt oder vom Schall weg. Die Fortpflanzungszeit wird verlängert, wenn Sie von Karlsruhe nach Frankfurt sich bewegen. Dann, wenn Sie sich nach der anderen Rich­tung bewegen, wird die Zeit verkürzt, bis Sie zu null kommen, wenn Sie die Kanone in Freiburg selber hören. Sie können über Freiburg hinausgehen, dann müssen Sie dazu kommen, die Kanone zu hören, bevor sie losgeschossen wird. Das ist der Grundfehler, der darin steckt.

Om nu eens de hele relativiteitstheorie recht te doen, maar ook om aan te tonen waar ze niet terecht is. Ik geloof dat de leerlingen toch een keer een begrip moeten krijgen van het volgende: Je kan een probleem van de relativiteitstheorie zo behandelen: in Freiburg i.B. wordt een kanon afgeschoten, op een bepaalde afstand hoor je dat; die afstand kan je berekenen. Nu ga je berekenen hoe anders de tijd wordt, wanneer je in de richting van de knal gaat of ervandaan. De geluidsvoortplantingstijd wordt langer als je van Karlsruhe naar Frankfurt gaat. Als je de andere kant op gaat, wordt de tijd korter, tot aan 0 toe, wanneer je het kanon in Freiburg zelf hoort. Je kan Freiburg dan voorbij gaan, dan zou het moeten gaan gebeuren het kanon eerder te horen dan het afgeschoten is. Dat is de basale fout die erin zit.
GA 300C/159
Niet vertaald

Ook op andere plaatsen: gebruik daarvoor deze zoekmachine

742-679

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Lincoln

DE PALENSPLIJTER

Lincoln

Vijf gebeurtenissen, die naar tijd en plaats slechts in een ver verwijderd verband met elkaar stonden, hebben Abraham Lincoln tot president der Verenigde Staten gemaakt. Noch door zijn karaktereigenschappen en welsprekendheid, noch door zijn politieke wijsheid was Lincoln in het uur van het grootste gevaar aan het hoofd van zijn volk komen te staan, indien toevallige omstandigheden daar niet toe hadden meegewerkt.

Welke omstandigheden? Een uitnodiging om een lezing te komen houden tegen een honorarium van tweehonderd dollar. Het feit dat een jongeman zakte voor zijn toelatingsexamen voor Harvard. De onverwachte zin voor publiciteit, die een politicus in Decatur, Illinois, aan den dag legde. Een drukker die zijn belofte niet nakwam. En ten slotte een nachtelijke politieke samenzwering in een hotelkamer. Indien dit alles nogal ongerijmd lijkt en geheel verschillend van de algemeen aanvaarde historische versie, laten wij dan de gebeurtenissen zelf eens bezien — die toen schuilgingen achter de politieke opwinding van die dagen en nu verbleekt zijn omdat zij al zoveel jaren achter ons liggen – en vaststellen hoe Lincoln nu eigenlijk aan de macht is gekomen.

Eerst dienen wij kennis te maken met een mismoedig man in zijn kale advocatenkantoor in Springfield, Illinois. Dat was in de herfst van 1859. Lincoln was toen 50. Meer dan twintig jaar had hij het beroep van advocaat uitgeoefend, waarmee hij ongeveer 3000 dollar per jaar verdiende, hoewel het kantoor nog niet lang geleden aan enige zaken goed had verdiend. Zijn aardse bezittingen bestonden uit het huis, waarin hij woonde, 80 hectare land in de districten Crawford en Tama, in de staat Iowa, en wal bouwgrond en nog wat kleine percelen in de buurt van Council Bluffs, Iowa, die hij met een wissel had betaald. Zijn inkomen in geld was niet groot, en zijn kredietwaardigheid evenmin.
Onder zijn confrères begon men over hem te praten als kandidaat voor het presidentschap. Hijzelf kwam daartegen op. Waarom,  vroeg hij, zou de Republikeinse Partij hem in overweging nemen, terwijl men vooraanstaande figuren als William H. Seward uit New York of Salmon P. Chase uit Ohio had? Niettemin wilde hij zelf wel president worden en nam daarvoor merkwaardig ge­noeg zijn toevlucht tot het houden van lezingen, misschien als middel om bij het publiek bekend te worden. Bovendien had hij het extra inkomen nodig en hij had dus wel belangstelling voor een aanbod van tweehonderd dollar plus onkosten voor een lezing in de Plymouth-kerk te Brooklyn. Het aanbod was nog om een andere reden aantrekkelijk. Het zou hem in de buurt van zijn oom Robert brengen, die in de herfst naar Cambridge was gegaan in de hoop op Harvard toegelaten te worden. Maar op het toelatingsexamen was Robert op vijftien van de zestien onderwerpen gezakt en was toen naar de Philips Exeter Academie in New Hampshire gegaan. Lincoln was benieuwd hoe zijn zoon het maakte en de lezing gaf hem een goede gelegenheid hem te bezoeken.
Nadat men de Plymouth-kerk voor Lincoln had besproken, vernamen de organisatoren dat hij zou spreken over een politiek onderwcrp en zij kozen toen een andere plaats van samenkomst, het Cooper Union-gebouw in het hartje van New York, dat meer mensen kon bevatten. Hoewel het op die 27ste februari een stormachtige avond was, kwamen er ongeveer vijftienhonderd mensen en met een toegangsprijs van 25 cent kwam men tot een recette van 367 dollar. De Newyorkers hadden al dikwijls over die lange advocaat uit het westen gehoord en waren benieuwd hem te zien.
Zelfs Lincolns vrienden maakten zich zorgen over de indruk die hij zou maken. “Maar,” aldus een van hen die de lezing bijwoon­de, “hij hield het enorme gehoor geboeid met zijn logica en aan het eind kreeg hij een oorverdovend en langdurig applaus.” De volgende dag drukten de Newyorkse kranten de volledige redevoering af, met het gevolg, dat in heel Nieuw-Engeland de Repu­blikeinse leiders een dringend beroep op Lincoln deden om langs zijn reisroute naar Exeter spreekbeurten te komen vervullen. In de daaropvolgende week gaf hij elf lezingen in Connecticut, Rhode Island en New Hampshire en maakte daarbij, gezien de latere gebeurtenissen, een onuitwisbare indruk. Robert Lincoln zou later altijd beweren, dat, indien hij niet gezakt was voor het toelatingsexamen voor Harvard, zijn vader die winter waarschijnlijk niet naar New York en Nieuw-Engeland zou zijn gekomen en misschien nooit president zou zijn geworden.

Laat ons nu terugkeren naar Springfield, waar Lincoln voor het eerst begon te geloven dat een kandidaatstelling voor het presi­dentschap tot de mogelijkheden behoorde. Seward, de eminente en populaire Republikeinse leider, had zich in Illinois reeds een sterke positie verworven. Daarom begon Lincoln aan invloedrijke werkers voor de partij brieven te schrijven. Hij wist dat hij geen kans zou hebben, tenzij hij op de Nationale Conventie van de partij zijn eigen staat achter zich had. Hij schreef Norman B. Judd aan, die Noord-Illinois vertegenwoordigde in het nationale partijbestuur, en vroeg hem: “Kunt u mij vanuit uw hoekje van de wijngaard een handje helpen?” Judd deed het zo goed, dat hij gedaan kreeg dat de Nationale Conventie in Chicago werd gehouden.

Lincoln had een andere goede vriend in Richard J. Oglesby uit Decatur, die een voor de grensstreek in de jaren ’60 zeldzaam gevoel voor publiciteit bezat. De vergadering voor de staat Illinois zou in Decatur worden gehouden en Oglesby stelde zich ten doel, de afgevaardigden hun steun aan Lincoln te laten geven.
Oglesby had gehoord, dat Lincoln in zijn jeugd in de buurt vau Decatur samen met John Hanks, die nog altijd in de streek woonde, palen had gespleten. Hij ging Hanks dus opzoeken en vroeg hem of er nog enkele van die palen in gebruik waren. Hanks herinnerde zich dat zij een omheining hadden gemaakt op een boerderij een kilometer of vijftien ten westen van de stad, van gespleten acacia- en notenboomstammetjes. Oglesby nam de oude John Hanks daarop mee in zijn sjees en reed naar de boerderij, waar zij ontdekten dat de omheining nog altijd dienst deed. Zij namen er twee gespleten stammetjes uit, sjorden die vast op de sjees, namen ze mee naar Decatur en verstopten ze in Oglesby’s schuur. Een week later stond Oglesby op het juiste ogenblik in de vergadering op en deelde mee dat een vroegere Democraat de vergadering iets kwam aanbieden. Daarop verscheen de oude John Hanks ten tonele met de stammetjes die hij en Lincoln in 1830 hadden gespleten. Er was een bord aan bevestigd met:

ABRAHAM LINCOLN
DE PALENSPLIJTER
KANDIDAAT VOOR HET
PRESIDENTSCHAP IN 1860

De vergadering werd wild enthousiast. Seward en zijn aanhang leden een verpletterende nederlaag en op staande voet zegde Illinois officieel zijn steun toe aan Lincoln. En dat niet alleen; John Hanks en zijn palen werden een vaste verschijning op alle politieke vergaderingen. “Abraham Lincoln, de palensplijter” werd een nationale politieke leuze.

Maar er wachtten nog twee beslissende gebeurtenissen in dit spel van het lot. De Nationale Conventie van de Republikeinse Partij kwam op woensdag 16 mei 1860 in Chicago bijeen. Op donderdag werd het kiesprogramma aangenomen. Die avond zou de partijkandidaat worden benoemd. Over het resultaat scheen geen twijfel mogelijk. Seward was de eerste keuze. Proefstemmingen onder de passagiers van vier treinen, die de stad binnenliepen, gaven Seward 860 stemmen, Lincoln 144 en alle anderen samen 288. De stemming van de afgevaardigden scheen louter een formaliteit en op die donderdagavond nam iedereen als vaststaand aan, dat Seward kandidaat en daarna president zou worden.
Maar de tellijsten, die de drukker beloofd had tegen negen uur af te leveren, kwamen niet opdagen. Na enige tijd werden er boodschappers uitgestuurd om ze te gaan halen. Na een half uur waren die nog niet terug, de afgevaardigden werden rusteloos en ten slotte kwamen er twee met het voorstel, de vergadering tot de volgende ochtend tien uur te verdagen. Aldus werd besloten en zo werd een onbekend en onbetrouwbaar drukkertje een werktuig van het lot. Want in die nacht veranderde de loop der geschiedenis.

Toen de vergadering verdaagd was, gingen Lincolns vrienden koortsachtig aan het werk. Hun redenering was, dat Seward, indien hij benoemd werd, Pennsylvania, Indiana en Illinois niet zou kunnen winnen en zonder ten minste twee van die staten plus New Jersey zou de Republikeinse zaak verloren zijn.

Dit argument sloeg in bij vele weifelende afgevaardigden. Maar men had hele groepen nodig, niet alleen individuele stemmen en de nacht vorderde. In afzonderlijke hotelkamers begonnen twee van Lincolns politieke agenten de strijd om hele staatsdelegaties. Lincoln, die zich in het op 250 kilometer afstand gelegen Springfield bevond, moet iets vermoed hebben, want hij zond hun een boodschap: “Doe niets dat mij bindt.” De onderhandelaars waren verbijsterd. Eerst werden ze nijdig, maar toen besloten zij snel: “Wij doen alsof wij die boodschap nooit ontvangen hebben.”
In de tijd die hen nog van de dageraad scheidde, maakten zij twee afspraken. In ruil voor twee posten in het kabinet beloofden  Pennsylvania en Indiana hun stemmen op Lincoln te zullen uitbrengen.
Toen de vergadering de volgende ochtend weer bijeenkwam, had Seward een flinke voorsprong in de eerste ronde, terwijl verscheidene staatsdelegaties voor eigen kandidaten stemden. In de tweede ronde gingen Pennsylvania en Indiana als eersten naar Lincoln over. In de vierde ronde kwam Ohio zich bij hen voegenm rn toen was het pleit beslist. Van de 466 stemmen, uitgebracht in de laatste ronde, waren er 354 voor Lincoln. Met zijn benoeming als Republikeins kandidaat was het presidentschap voor hem verzekerd, want de Democraten, hopeloos verdeeld over de kwestie van de slavernij, hadden drie afzonderlijke kandidaten aangewezen.
In november werd Lincoln tot president gekozen, met veertig percent van het totale aantal stemmen.
Zo had een vreemde reeks op zichzelf staande gebeurtenissen tot gevolg dat hij in het Witte Huis kwam. Maar was het wel toeval? Was het louter een kwestie van politieke intrige? …. Of móést het zo zijn? Is het niet mogelijk, dat op die beslissende dag de hand van het lot op Abraham Lincolns schouder rustte?

Meer over Lincoln

Zie ook: Trevithick;    Stephenson

Alle biografieën

Vertelstofalle artikelen

8e klasalle artikelen

.

737-674

.

,

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Oudjaar (2)

(voor kinderen van 5 – 8)
Voorleestijd ca 9 min.

De oudejaarsnacht
.

Het was de laatste dag van het jaar. Een dikke laag sneeuw lag over de wegen en velden. Er was een kleine jongen onderweg; hij droeg nieuwe schoenen en had een grijze das en een rode puntmuts. Hans heette hij.
Op zijn rug droeg hij een kleine rugzak. Zijn moeder had daarin een kerstbrood en een driekoningenkaars gepakt. Ze had hem op het hart gedrukt zich goed te gedragen. Hans moest zijn grootmoeder en grootvader opzoeken. Hij moest vooral niet vergeten netjes te groeten en te bedanken en ze een vrolijk en gezegend Nieuwjaar te wensen. Ja, daar zou hij aan denken.

De dagen in de winter zijn maar kort; de sneeuwwolken hingen zwaar in de lucht; en al spoedig vielen de sneeuwvlokken naar beneden, stil en dicht bij elkaar, zoals het dons van een dekbed.
Toen Hans een stukje gelopen had, bedacht hij, dat hij een kortere weg kon nemen over een bospad.
De sneeuw viel in steeds grotere vlokken en tussen de bomen begon het al donker te worden. Voor Hans het wist, was het nacht geworden. De weg was dichtgesneeuwd; hij kon hem niet meer vinden.
Had hij maar lucifers bij zich gehad, dan had hij de kaars kunnen aansteken en zo misschien via zijn voetsporen de weg weer terug vinden. Nu wist hij niets beters te doen, dan onder een boom te gaan zitten en te wachten tot de sterren en misschien zelfs de maan te voorschijn zouden komen.
Hoe lang hij daar gezeten had, wist alleen de duisternis. Hij was al bijna helemaal ingesneeuwd, toen hij plotseling in de verte een licht zag. Moeizaam stond Hans op en ging op het licht toe en na korte tijd stond hij voor een groot vuur. Nog nooit had hij een vuur zo helder zien branden. Om het vuur zaten twaalf grote mannen, die wijde mantels droegen,
Ze zaten daar stil en ernstig, bijna als koningen en staarden in de vlammen. En enkele droeg een kroon van ijs op het hoofd of kronen van dennenappels; weer anderen hadden kransen van groene bladeren of korenaren.
Hij die de oudste leek, hield een stok in zijn hand en pookte in het vuur. Hij wendde langzaam het hoofd om en vroeg: ‘Ken je ons?’ ‘Dat dacht ik wel,’ antwoordde Hans. Want hij begreep dat de wijze mannen die hij hier zag, de twaalf maanden van het jaar moesten zijn. De oudste die de stok vasthield, dat was zeker december. Daarom droeg hij ook een donkere mantel.
‘Vertel ons dan wie we zijn’, moedigde de grijsaard hem aan terwijl hij het vuur aanwakkerde. En Hans zei het versje op dat grootvader hem geleerd had:

Geef januari een sneeuwtapijt,
dan zijn we gauw de winter kwijt.

Is februari kil en nat,
hij brengt ons koren in het vat.

Nooit is maart zo zoet,
of ’t sneeuwt op de boer zijn hoed.

Als april blaast op zijn horen,
is ’t goed voor hooi en koren.

Veel onweer in mei,
dan zingt de boer joechei.

Juni meer droog dan nat,
vult met goede wijn het vat.

Wil september vruchten dragen,
dan in juli hitte om te klagen.

Geeft augustus zonneschijn,
zeker krijgen we goede wijn.

Septemberregen op het zaad,
komt het boertje wel te staad.

Oktober met groene blaân,
duidt een strenge winter aan.

als ’t in november ’s morgens broeit,
wis dat de storm dan ’s avonds loeit.

December veranderlijk en zacht,
geeft een winter waar men om lacht.

De grijsaard met de stok knikte goedkeurend.
‘Omdat jij ons kent’, sprak hij, ‘kennen wij jou ook’.

‘Je bent precies op tijd gekomen, want in deze nacht waarin het oude jaar voorbij is, kan jij ons helpen. Zie je hoe klein ons vuur geworden is? Let nu goed op wat er gebeurt, als ik de stok aan broeder januari reik. Kruip gauw onder zijn mantel, dan zul je zien hoe het nieuwe jaar uit de sterren neerdaalt. Haast je dan en bezorg ons nieuw vuur met je kaars, want weldra zal het oude vuur uitgaan.’

Toen de oude man dit gezegd had, klonk er in de lucht een geluid. Het was of machtige klokken luidden. Het geluid kwam van ver weg en van dichtbij. Het leek wel over alle landen en alle rijken op aarde te weerklinken. December richtte zich op, hief zijn stok op en riep met luide stem: ‘Nu broeders, gaat de staf van hand tot hand. Terwijl de nieuwjaarsklokken klinken over het land.
Zegene God die in de hemelen troont, nu alles wat op aarde woont. ‘

Terwijl hij sprak was Hans onder de mantel van januari gekropen die hem omhulde als een grote witte nevel. Boven hem straalden en glinsterden de sterren en beneden hem bewogen de zaadjes en de kiemen in de aarde.

Er kwam een klein volkje aangelopen; ze droegen lantaarns in de hand. ‘hier komen wij met het nieuwe jaar!’, zeiden ze.
En werkelijk, toen Hans goed keek, zag hij dat alle wortels kleine gezichtjes hadden. het leek wel of de aardmannetjes en de elfjes bruiloft vierden. Hans was zo verbaasd over dit alles, dat hij bijna zijn opdracht vergat. Maar toen zag hij dat zijn eigen driekoningenkaars al brandde. Een van de aardmannetjes had hem aangestoken. Hans hield zijn hand voor de kaarsvlam om hem te beschermen en sloop onder de mantel van januari vandaan.
Van het vuur was nog slechts een klein beetje gloed over. Nu reikte december de staf aan zijn broeder januari. Deze nam het licht dat Hans in de hand hield en stak daarmee het nieuwe vuur aan. De vlammen sloegen hoog op, het licht was zo overweldigend dat Hans zijn handen beschermend voor zijn ogen moest houden.
Toen hij weer opkeek, was het vuur er niet meer en de twaalf maanden waren ook verdwenen. Maar de hemel was opgeklaard en boven de boomtoppen stond een volle ronde maan. Hans stond op en ging weer op weg. In het maanlicht was het makkelijk de sporen in de sneeuw te volgen tot aan de weg; en daar was het huis van zijn grootouders al. In het donker was hij het voorbij gelopen.

‘Gelukkig nieuwjaar’, wenste Hans, toen hij over de drempel de warme kamer binnenging. De oude mensen waren verbaasd en verheugd hem te zien, want grootvader wilde juist het bos in gaan om Hans te zoeken. Grootmoeder maakte op de kachel warme melk met kandij, maar Hans was zo moe dat hij nauwelijks kon drinken.

‘Laten we hem liever in bed stoppen’, meende grootmoeder.
‘Het kerstbrood is geloof ik nog wel heel’, mompelde Hans, ‘maar de driekoningenkaars is al bijna op, want daarmee heb ik nieuw vuur voor de twaalf maanden gehaald.’

Daarop viel hij in een diepe slaap.

Uit: ‘zo zijn de sterren ontstaan’ – Dan Lindholm
Uitg. Christofoor  – uitverkocht
.

Oudjaar: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: jaarfeesten

.

736-673

.

.

.