VRIJESCHOOL – 2e klas – vertelstof (4)

.

Pieter HA Witvliet
.

fabel en legende
.

De vertelstof van de 2e klas bestaat uit de fabel en de legende.

Hier vind je een uitgebreide beschrijving over het wat en hoe van het vertellen van een fabel.

Er kunnen allerlei aanleidingen zijn waarom je het nodig vindt nu juist DIE fabel te vertellen. Het kan zijn dat een kind of meerdere kinderen iets doen wat minder wenselijk is. Hoe verander je dat. Door het beeld, de inhoud van de fabel.

Je kunt bv. plotseling ontdekken dat sommige kinderen, om iets voor elkaar te krijgen, het instrument van de ‘mooi-praterij, het gevlei, hanteren. Andere kinderen trappen daarin, wat niet fijn is.

Belangrijk is dus dat ‘VOORAF”. Voor de kinderen moet dit ‘iets’ vertrouwd of bekend zijn; iets wat ze zelf weleens gedaan of gedacht hebben; iets wat ze in hun omgeving hebben zien gebeuren. Je kunt ook rustig vragen: ‘Wie heeft er weleens …….’ Voor een leerkracht buitengewoon leerzaam.

Nadat er dan een tijdje van alles geklonken heeft, zeg je bv. ‘Luister eens naar dit verhaal’ en je vertelt de fabel.

Daarna niets meer; dus vooral niet: DE MORAAL

Die ontstaat vaak in het kind zelf om soms pas na jaren tevoorschijn te komen.

InDe vos en de raafworden de vleierij* en de gevolgen daarvan prachtig weergegeven.

Veel fabels zijn van Aesopus; om begrijpelijke redenen ook wel toegeschreven aan Phaedrus en Jean de la Fontaine.

Ik maakte er zelf onderstaand rijm van en reciteerde en speelde de fabel tot deze goed gekend werd en alle kinderen voldoende de rolletjes hadden kunnen spelen; met eenvoudige verkleedmiddelen.

Later kregen de kinderen deze tekst, met hoofd- en kleine letter.
Dit om ze half op weg in de 2e klas nog eens goed het verschil in vorm onder ogen te brengen. Heel bewust schreef ik deze blokletters niet; ik begon in de 1e klas met een verbonden schuinschrift dat het handschrift bleef (tot ergens in de 6e klas de kinderen behoefte kregen aan een ‘eigen’ vormgeving van hun handschrift).

De versie van Phaedrus:

De Vos en de Raaf

Een raaf stal uit het open venster eens een kaas. En zette zich voor ’t feestmaal in een hoge boom. Dat zag de vos, die naderde met zulke woorden: ‘Hoe heerlijk straalt, o raaf, uw vederkleed; waart ge niet stom —- geen vogel kon zich met u meten.” Doch als de dwaas zijn stem nu wil verheffen, Omlaag valt uit de snavel dan de kaas, die sluw de vos met greet’ge tanden opvangt. Nu eerst jammert, maar te laat, de raaf om zijn bedrogen domheid.

mijn versie:

DE VOS EN DE RAAF
de vos en de raaf

EEN RAAF OP ZIJN GEMAK GEZETEN,
een raaf op zijn gemak gezeten,

WILDE VAN DE KAAS GAAN ETEN
wilde van de kaas gaan eten.

DAAR KWAM EEN VOS OVER HET PAD
daar kwam een vos over het pad,

DIE WEL ZIN IN IETS LEKKERS HAD.
die wel zin in iets lekkers had.

TOEN ZAG HIJ MIJNHEER RAAF EN ZEI:                           (zacht voor zich                                                                                                    heen)
toen zag hij mijnheer raaf en zei:

DAT HAPJE IS WEL WAT VOOR MIJ.”
“dat hapje is wel wat voor mij.”

“WELKE VOGEL IS ZO GAAF,
“welke vogel is zo gaaf,

O, BENT U HET MIJNHEER RAAF.
o, bent u het mijnheer raaf.

WAT ZIT U SIERLIJK OP UW TAK;
wat zit u siérlijk op uw tak;

HOE SCHOON IS TOCH UW VERENPAK.
hoe schoon is toch uw verenpak.

WAT ZIJN UW POTEN SLANK
wat zijn uw poten slank

EN DAN UW HALS, ZO RANK.
en dan uw hals, zo rank.

EN UW VLEUGELS ZIJN VOORWAAR
en uw vleugels zijn voorwaar

NOG STERKER DAN VAN EEN ADELAAR,
nog sterker dan van een adelaar.

NOOIT ZAG IK ZO’N DIER
nooit zag ik zo’n dier,

ZO PRACHTIG, JA ZO FIER.”
zo prachtig, ja zo fier.”

ZO SPRAK DE VOS.
zo sprak de vos.

MET ZIJN GEVLEI
met zijn gevlei

MAAKTE HIJ DE RAAF HEEL BLIJ.
maakte hij de raaf heel blij.

“ALS UW STEM ZO MOOI IS ALS UW VEREN,
“als uw stem zo mooi is als uw veren,

MOET MEN U ALS KONING WEL VEREREN”,
moet men u als koning wel vereren.”

“KRA, KRA,” KRASTE DE RAAF.
“kra, kra,” kraste de raaf.

DE KAAS VIEL NAAR BENEDEN
de kaas viel naar beneden

RECHT IN DE VOSSENBEK.
recht in de vossenbek.

HIJ RIEP TEVREDEN:
hij riep tevreden:

“EEN STEM HEB JE, ZOALS IK HOOR,
“een stem heb je, zoals ik hoor,

MAAR HERSENS NIET!”
maar hersens niet!”

EN GING ER MET DE KAAS VANDOOR,
en ging er met de kaas vandoor.

*UVoor vlijen/vleien zie: (4)

Ik heb wat zinnen in de fabel ingelast die het vleien benadrukken. Het is enig om te ervaren hoe snel de kinderen deze zinnen schitterend ‘slijmerig’ kunnen verwoorden.

Voor meer over deze fabel.

.

2e klas vertelstof: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

2e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 2e klas

illustraties

745-682

.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.