Categorie archief: vertelstof

VRIJESCHOOL – 2e klas – vertelstof – legenden (3-7)

.
Verteltijd ca. 15 min.
.

SINT-PRISCA, DE KLEINE MARTELARES

De naam van Sint-Prisca is altijd zéér geliefd geweest, voorname­lijk in Engeland.  Sint-Prisca leefde zeventien honderd jaar gele­den en de achttiende januari is de dag, die men aan haar gewijd heeft. Zij behoort tot een van de weinige kinderen, wier naam uit die vroege tijden tot heden toe is blijven voortleven en die als martelares gestorven is, hoewel er toen vele dappere kinderen waren, die veel geleden hebben en de kracht bezaten hun leven voor hun geloof te offeren.

Sint-Prisca was een Romeins meisje, dochter van voorname christenen. In die dagen regeerde Claudius als keizer over het Romeinse Rijk en al is het bekend, dat tijdens zijn regering de christenen niet zo algemeen vervolgd werden als tot hier toe het geval ge­weest was, toch werden er nu en dan grote wreedheden gepleegd en was het steeds zeer gevaarlijk, een christen te zijn. Vandaar dat menigeen in die boze tijd niet openlijk voor zijn gedachten durfde uitkomen en zijn waar geloof belijden. Vele chris­tenen hielden hun godsdienstoefeningen zorgvuldig verborgen voor de Romeinse heidenen, die er steeds op uit waren de volgelingen van Christus, die zij fel haatten, op te sporen en hen te martelen en te pijnigen. Prisca’s ouders was het evenwel gelukt hun geheim ver­borgen te houden; zij werden er dus niet van verdacht, christenen te zijn. Waarschijnlijk hielden zij hun godsdienstoefening ook in de geheime kapellen, die de christenen diep onder de grond, in de steden gebouwd hadden. In deze donkere, sombere catacomben hielden zij hun bijeenkomsten en weinig vermoedden de Romeinen, die boven hun hoofden wandelden, wat daar beneden onder hun voeten voorviel. Maar Prisca weigerde beslist enige voorzorg te nemen. Tenger, niet in het minst tot zelfverdediging in staat, vreesde zij niet, er open­lijk voor uit te komen, dat zij geloofde in Christus en Zijn kruis. Niet lang duurde het dan ook, of zij werd bekend als een klein, zwak christenmeisje en er waren in het wrede Rome mensen genoeg, die zelfs een klein christenkind haat toedroegen en het wensten te ver­volgen. Deze nu brachten aan de boodschappers van hun Keizer getrouw elk woord over, waarmee zij zo moedig belijdenis aflegde van haar geloof en betuigde dat zij nimmer zou willen offeren aan de Romeinse goden, zoals de heidenkinderen deden. En zo werd zij door de lijf­wacht van de keizer gevangen genomen en voor Claudius gebracht. En deze, verrast z’n klein meisje voor zich te zien, meende dat het hem weinig moeite zou kosten, haar tot andere gedachten te bren­gen en tot gehoorzaamheid aan hem te dwingen. En hij beval zijn krijgslieden haar te voeren naar de tempel van Apollo en haar een wierookoffer te doen brengen aan de schone god met de zilveren boog.

Zo werd Prisca gevoerd naar de top van de Palatinus, een van de ze­ven heuvelen van Rome.

En nadat zij eerst onder door een hoog marmer gewelf gereden waren, kwamen zij in een prachtige binnenhof, omringd door twee-en-vijftig marmeren zuilen.  In het midden van deze hof stond de tempel van Apollo, het prachtigste gebouw uit geheel Rome,  dat door zijn ivo­ren nissen en rijke beeldengroepen, zijn ingelegde vloer en met bloemen omkranste altaren, zijn gouden vaten met brandende wierook, zijn lampen en kostbare zilveren vazen een opmerkelijke tegenstel­ling vormde met de donkere, kale, onderaardse spelonken, waarin de christenen hun godsdienstoefeningen hielden. Voor in de tempel stond een groep van vier bronzen ossen en midden daarin brandde op een gouden drievoet een vuur. Dit nu was het altaar voor Apollo, de zonnegod, wiens kolossaal gouden beeld in zijn met vier paarden bespannen wagen tegenover de tempeldeur verrees. En zoals hij daar stond, met zijn lauwerkrans om het hoofd,  een boog in de hand, waar­mee hij verondersteld werd, de zonnestralen naar de aarde te zen­den, was hij de verpersoonlijking van de bekoorlijke, schitterende jeugd.

De krijgslieden van de keizer gaven Prisca wierook in de hand en
ge­boden haar enige korrels daarvan in het vuur te werpen ter ere van de schone zonnegod. Het was waarlijk slechts een kleinigheid, een handvol poeder te werpen op het vlammend vuur, om daarmee haar leven te redden. Prisca toch had de zon evenals iedereen lief, maar zij wist, dat het dwaas was te geloven, dat hij, Apollo, een god was en dit gouden beeld te vereren en te aanbidden, in plaats van de levende God, die de zon en alle dingen gemaakt heeft. Daarom weigerde zij beslist de wierook te branden. En de keizer, zeer ver­toornd hierover, beval zijn krijgslieden haar te geselen tot zij aan zijn gevel gehoorzaamd zou hebben. Doch zij konden haar door hun wrede zweepslagen daartoe niet overhalen. En zelfs de meest verhar­de Romeinen, die gekomen waren om de tuchtiging bij te wonen, be­wonderden haar dapperheid en hadden medelijden met haar. De vrouwen schreiden bij die wrede behandeling en de mannen riepen vertoornd uit: “Foei,  schaamt u, een klein kind zo te martelen!” Toen gebeurde er iets heel moois en wonderbaarlijks.
Opeens scheen Prisca gehuld in een kleed van enkel gouden zonneschijn, zodat er van alle zijden een wonderbaar licht van haar uitging, zozeer straalde haar hooggestemde geest in haar wrede omgeving. Het scheen allen een onmogelijkheid toe, dat een kind zoveel smar­ten kon verdragen zonder zich gewonnen te geven en heimelijk hoop­te de keizer, dat zij dit ook maar doen zou, want hij kon niet be­sluiten haar te laten doden. Maar Prisca bleef standvastig en
wil­de het offer niet brengen. En de keizer, verrast door zoveel moed bij een kind, beval dat men haar terug zou brengen naar de gevange­nis en haar daar voor enigen tijd zou opsluiten. De arme Prisca voelde zich zeer ongelukkig, – geheel alleen opgesloten-, was zij bovendien nog koud en hongerig en zij wist niet, welke vreselijke dingen haar nog te wachten stonden. Maar toch bleef zij moe­dig en was geenszins bevreesd.

Na verloop van geruime tijd kwam op zekere morgen de
gevangenbe­waarder bij Prisca en werd zij naar buiten gebracht in de heerlij­ke zonneschijn. O, hoe verheugd was de kleine Prisca, de zon en de heldere blauwe hemel weer te zien! Doch het was, helaas,  slechts voor een ogenblik, want meteen werd zij verder gebracht naar het amfitheater, een grote open ruimte als een circus, met onaf­zienbare rijen zitplaatsen in de rondte, opgepropt met mensen, die allen de ogen gericht hielden op de plaats in het midden, waar zij stond.

Prisca wist zeer goed, waar zij zich bevond, want dikwijls had zij gehoord, hoe de christenen in de arena gebracht werden, om door de wilde dieren verscheurd te worden. En neerknielend in het zand deed zij een kort gebed, niet dat zij  gespaard zou mogen blijven, maar dat zij moed en kracht zou krijgen, om haar geweldenaren en alle toeschouwers die haar omringden, de grootheid van haar christelijk geloof te tonen.

Toen werd het ijzeren hek geopend, dat zich aan het einde van de arena bevond,  en sprong er plotseling een grote, gele leeuw uit zijn hok. Met een ontzettend gebrul rende hij naar het midden van de circus en bleef daar een ogenblik stil staan, met zijn staart slaand en zijn grote, gele ogen naar alle kanten gericht. Opeens merkte hij het kleine meisje op, dat met gevouwen handen rustig stond, terwijl zij hem zonder de minste vrees aanzag. En het grote, wilde dier stapte vriendelijk naar haar toe, en boog de brede kop en likte haar bloten voetjes, waarna hij rustig naast haar ging liggen, zo­als een Sint-Bernardshond gedaan zou hebben naast zijn kleine meesteres om haar te beschermen. En daarom ziet men op oude schilderijen Sint-Prisca soms afgebeeld met een leeuw aan haar zijde.
Een ademloze stilte heerste in de 
arena en de keizer en het gehele volk waren roerloos van verbazing over dit ongekende schouwspel en vervuld van bewondering voor de moed van het kind. Want Sint-Prisca had haar hand uitgestrekt om de kop van de leeuw te strelen en met zijn manen te spelen.
Toen boog zij even het hoofd, maar niemand die verstaan kon, hoe zij hem in het oor fluisterde: “Mijn goede vriend,  ik weet dat je mij geen kwaad zult doen, want de Heer heeft je bek gesloten, zo­als hij dit bij de leeuwen deed bij wie Daniël door boze mannen in de kuil was geworpen. Deze boze mensen willen mij ook ter dood brengen, maar jij bent beter dan zij.”
En de leeuw keek op en blikte haar in het gelaat, alsof hij haar be­grepen had en gromde zacht. En hij was vriendelijk en volkomen tam tegenover haar, maar toen de gevangenbewaarder bij hem kwam, begon hij tegen hem te brullen en toonde hij hem zijn grote tanden, zo­dat niemand hem vooreerst meer durfde naderen. Toch kon de leeuw Sint-Prisca niet redden van de dood, maar dat hoefde ook niet van haar. Eindelijk maakten zij zich meester van de leeuw en werd hij weggebracht. Maar de keizer, vertederd door zoveel moed, wenste Sint- Prisca nog eenmaal in de gelegenheid te stellen haar leven te redden. Zij werd enige dagen opgesloten in de heidense tempel en op alle mogelijke manieren aangespoord de goden te offeren en haar christelijk geloof prijs ze geven. Nu eens vleiden zij haar en deden haar allerlei mooie beloften, dan weer dreigden en straften zij haar, maar Sint-Prisca bleef standvastig, hoe uitgeput en ziek zij zich ook voelde na alles wat zij geleden had. Toen zij nu za­gen, hoe zij dit alles geduldig en moedig droeg en dat het onmoge­lijk was deze kleine christin tot haar vroeger heidens geloof te doen terugkeren, brachten zij haar naar de weg, die ten zuiden van de Palestijnse heuvel liep, naar de plaats van de terechtstellingen. Deze nu lag buiten de Ostiaanse Poort, een gewelf in de grote muur, die Rome omringde en waardoor de weg leidde naar de stad Ostium en naar de zee. En juist buiten deze poort werden de misdadi­gers terecht gesteld, omdat er buiten de grote muur geen enkele Ro­mein van enig aanzien meer woonde. Op die plek hebben zeer vele christen-martelaren het leven verloren. En Prisca was een van hen, want daar was het, dat zij onthoofd werd. Tot het laatste toe was zij rustig en volmaakt kalm, zonder enige vrees. En daarom is zij gewor­den Sint-Prisca, de kleine martelares.

Toen gebeurde er opnieuw iets zeer wonderbaarlijks.

Toen zij gestorven was, verscheen er een grote arend, hoog boven Prisca’s dode lichaam in de blauwe lucht zwevend. En wanneer nu een Romein het slechts waagde haar te naderen, schoot de arend, op­eens met een vreselijke kreet en met klappende vleugels naar om­laag. En zijn ronde grijze ogen zagen er zo bloeddorstig uit en zijn klauwen waren zo lang en scherp, dat niemand haar durfde aan­raken uit angst voor de vogel. Zo had Sint-Prisca opnieuw in het wrede Rome haar beschermer gevonden. En daarom ziet men op oude schilderijen de martelares Sint-Prisca soms afgebeeld met een grote arend zwevend boven haar hoofd.

Nacht en dag bewaakte deze arend haar lichaam, iedereen verjagend, totdat ten laatste enige christenen, die gewacht hadden op een goe­de gelegenheid, haar heimelijk in de nacht wegdroegen en begroeven op een plaats, waar de Romeinen haar niet konden vinden, namelijk op hun geheim kerkhof in de catacomben.

Zo leefde en stierf de heilige Prisca twee honderd en zeventig ja­ren na Christus’ geboorte.

Uit: ‘Een boek van heiligen en hun dieren‘

2e klas vertelstof: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

2e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 2e klas

Meer

789-724

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – H.G.Wells

.

DE KABOUTER DIE EEN REUS WAS

Toen ik op een zoele voorjaarsmorgen door Regent’s Park in Londen wandelde, zag ik een gezette gestalte die met aan iedere hand een kind voorthobbelde en ik dacht: “Zou dat nu het ‘Brokje Vuur’ zijn?” Ik kwam vlug naderbij. Plotseling zei een schelle stem, krassend als een griffel over een lei: “Zo, schoffies — dat is vandaag genoeg geweest voor een ouwe man,” en terwijl hij de kinderen een zetje gaf, plofte hij op een bank neer.
Ik aarzelde een ogenblik. De man die ik daar zag zitten, stond bekend om zijn onverwachte reacties; zou hij me vriendelijk te woord staan of in een stortvloed van boze woorden losbarsten? Ik besloot het erop te wagen.
“Neem me niet kwalijk — bent u H. G. Wells?” vroeg ik. “Wie anders? Is er dan nog iemand die er zo gammel en afge­takeld uitziet?”

Herbert George Wells was toen in de 70. Als romanschrijver, ziener, historicus en pedagoog had hij ruim 100 boeken en brochures geschreven. Hoewel hij klein van stuk was, met korte armen en heel kleine handen en voeten, deed hij iemand zijn uiterlijk vergeten enkel en alleen door zijn uitbundigheid en zijn woordenvloed. Hij was een ontwapenende kabouter, vol tintelend leven. Zijn vrienden noemden hem het “Brokje Vuur”, omdat zijn kleine gestalte zo’n felle vitaliteit herbergde.
Toen we daar die ochtend zo zaten, kregen we het over van alles: van God en Mammon tot schoenen met dikke spijkers en Hitler. Ik was me direct bewust van zijn buitengewone gave om louter door zijn bezielde en bloemrijke taal het alledaagse tot iets zeer boeiends te verheffen. Hij borrelde van levenslust en ik had het gevoel — wat me bij een eerste ontmoeting zelden overkomt: dat ik echt contact met hem had.

Wells was het tegengestelde van een veinzer, wars van de huichelarijtjes waaraan zovelen van ons zich schuldig maken. Kort daarna bezocht ik hem in zijn mooie huis in Hanover Terrace. Hij droeg een oude grijze pullover, een gekreukelde flanellen broek en afgetrapte trijpen pantoffels. Klip-klap, klip-klap, zo slofte hij de trap af om mij te begroeten en bij elke stap stak hij zijn hand onder de pullover om op zijn rug te krabben.
Hij had een conciërge kunnen zijn die in zijn zondagmiddagdutje was gestoord.
Even later begon hij te praten. Onmiddellijk werd hij een ander mens. Ik werd vooral getroffen door het kogelronde voorhoofd, de ogen waaruit warmte en intelligentie straalden en de hoge maar bezielde stem.
Nog afgezien van intellect en persoonlijkheid, maakte de verbeeldingskracht van deze man hem tot een der grootste wetenschappelijke zieners van onze tijd. Lang voordat ze een feit waren geworden, zag hij de tank voor zich, het vliegtuig en de oorlog in de lucht. Zestig jaar voordat het zover was gaf Wells een briljante
beschrijving van een H-bom-explosie.

Hij schreef ook over ruimtevaarders in een tijd dat de meeste wetenschapsmensen dat bespottelijk vonden: “Er zal een tijd komen dat mannen in hermetisch gesloten omhulsels pijlsnel omhoog zullen stijgen in de eenzaamheid van de ruimte en om de aardbol zullen cirkelen terwijl zij geheime berichten uitzenden; astro­nauten, gemaskerd en gekleed in rubber, die in de ruimte de eerste onderzoekingen doen welke het lot van de mens zullen veranderen.”

Hij heeft zes natuurwetenschappelijke romans geschreven. Zij voorspelden niet alleen stuk voor stuk de toekomst, maar bevatten tevens een boodschap voor de gehele mensheid.
De onzichtbare man, verschenen in 1897, wees op de gevaren van absolute macht, wanneer die niet in toom wordt gehouden door zedelijke normen. Dit is door de opkomst van Hitler en nazi-Duitsland dan ook wel gebleken. De slaper ontwaakt, een beschrijving van deze wereld zoals die er over twee eeuwen zal uitzien, heeft beangstigend duidelijk aangetoond, dat de technische vooruitgang de gewone menselijke vooruitgang zou overvleugelen en vertroebelen. In Het eiland van dr.Moreau liep Wells vooruit op de schanddaden in concentratiekampen.

Wells’ huis stond in het hartje van Londen en keek uit op het prachtig groene Regent’s Park; hij had een heel breed venster laten aanbrengen om een wijd uitzicht te hebben dat paste bij zijn visionaire aard. Vlak naast het huis stond de garage. Op de wanden had hij een aantal tekeningetjes gemaakt: voorstellingen van het ontstaan van de beschaving, van het allereerste beginvan de keverachtige trilobieten tot de mens. Boven de primitieve tekeningen had hij geschreven: “Onbegrensde energie ten goede of ten kwade. Hebt gij het intellect, hebt gij de wil om het leven te doen voortbestaan?”

Er waren altijd bezoekers. Uit de hele wereld kwamen mensen om de ouder wordende profeet te zien en te vereren: studenten, hoogleraren, staatslieden, schrijvers, schilders, wetenschapsmensen — op elk gebied had hij vrienden.

Wells bezat een enorme moed, zowel lichamelijk als zedelijk. Toen in de Tweede Wereldoorlog de bommen om het grote huis in Hanover Terrace neerhagelden, trokken velen van zijn buren uit de stad weg, maar H.G. wilde daar niet van weten. Hij had met opzet Hanover Terrace nummer 13 gekozen om het bijgeloof te tarten. Toen de zware voordeur door de luchtdruk van een bomontploffing uit de scharnieren werd gerukt, bracht hij op de voorgevel een nummer 13 van een meter hoog aan.

Op een keer kwam een forse vrachtautochauffeur op straat op Wells af en zei dat hij hem zou neerslaan om iets dat hij had schreven. Doodgemoedereerd zei H. G.: “Goed, sla me neer maar op die manier win je het geschil niet.” De man bracht zijn geweldige vuist tot op een centimeter van Wells’ gezicht en keek hem woedend aan. Wells stak zijn kin naar voren en wachtte. Plotseling liet de man zijn knuist zakken en liep mompelend weg.

Wells toonde ook moed toen zijn vrouw Catherine stierf. Zij waren 33 jaar getrouwd geweest. Ze werden verliefd in 1894 en Wells schreef later: “Wij waren een bijzonder roekeloos stel. Wij begonnen ons gezamenlijke leven met nog geen 50 pond tussen ons en de algehele ondergang. En we hadden er heel veel plezier in.”
De persoonlijkheid van zijn vrouw had twee kanten. In haar particuliere leven bleef zij uitsluitend iemand die Catherine heette, een gevoelige, beschaafde vrouw — en in het openbaar gaf zij zich als iemand die Wells al gauw “Jane” doopte, een praktische, zakelijke vrouw die zich met de financiën van haar man belastte en zijn werkuren met een beschermend web omhulde. Jarenlang deed ze zijn typewerk, vulde aangiftebiljetten voor de inkomstenbelasting in, gaf raad en kritiek en ruimde voor hem de dagelijkse moeilijkheden uit de weg.
Haar dood, in 1927, betekende voor Wells een uitermate zwaar verlies. Hoewel hij een man met een onvoorstelbare veerkracht was, duurde het geruime tijd eer hij die slag te boven kwam. Toen begon hij opnieuw te schrijven, en hij ging reizen. Hij bezocht Amerika en Rusland; als diplomaat-op-eigen-houtje ontmoette hij mannen als Roosevelt, Lenin en Stalin. H. G. was het niet eens met Stalin — en wond daar geen doekjes om. Hij zei de mensen altijd precies wat hij dacht.

Zijn vitaliteit kende geen grenzen. Soms belde hij zijn vrien­den om twee uur in de nacht op en begon honderd uit te praten. Hij kon de halve nacht opblijven om te lezen, verscheen dan aan het ontbijt en gaf een briljante analyse van het boek. Om 12 uur ’s nachts zei hij eens tegen mij: “Een jongeman zoals jij moe? Stel je niet aan!”

Er is inmiddels een eeuw verlopen sinds Wells in 1866, zoals hij het uitdrukte, “belletjes blazend en met nietsziende oogjes het universum aanschouwde en er zwakke handjes naar uitstak.” Hij kwam ter wereld in een tijd die geheel en al in het teken stond van koningin Victoria, toen de vrouwen rokken tot op de grond droe­gen, vaders onfeilbaar waren en Groot-Brittannië — in de ogen van iedere Engelsman — het centrum van de beschaafde wereld was. Zijn ouders, Joseph en Sarah Wells, woonden boven hun porseleinwinkel te Bromley in Kent. Het waren starre, kortzichtige mensen en zij hadden er geen idee van wat een onstuimig ventje zij hadden voortgebracht. Evenmin konden zij zich voorstellen hoezeer zijn geschriften en gloednieuwe denkbeelden in talloze landen de mensen en hun beschavingen zouden beïnvloeden.

Dat was de grootste bijdrage die Wells leverde: het voorlichten van de gewone man. Zijn Gezamenlijk avontuur van mens en wereld is in ten minste 20 talen verschenen en door ruim twee miljoen lezers gekocht. Wells leerde de mensen denken. Als internationaal pedagoog overvleugelde hij de scholen en de leraren, bracht uitgestrekte gebieden van kennis binnen het bereik van het gewone individu en wist het fascinerende van nieuw verworven kennis over te dragen. Hij leerde de mensen zich niet te laten verblinden door de tradities van het verleden, maar hun eigen verstand te gebruiken. Hij liet hen vooruit kijken. De wereld wemelde van de moge­lijkheden; het kwam er slechts op aan dat wij leerden ze te ver­wezenlijken.

“Natuurlijk heeft dit alles een grappige kant,” zei hij eens tegen mij. “Zie je, toen ik mijn vrouw voor het eerst het idee van een wereldgeschiedenis voorlegde, dachten we dat dat ons geld zou kosten. Wie kon van geschiedenis een best-seller maken? Maar tenslotte bracht het me een klein fortuin op. En het heeft die droog­stoppels van geschiedkundigen eens flink door elkaar geschud — en hoe!”

De langste tijd van zijn huwelijksleven woonde Wells op een buitengoed, Easton Glebe in Essex. In de weekends kwamen er beroemde gasten logeren. Die vermaarde weekends verliepen vol­gens een bepaald patroon. Men ging vrijdagavond om een uur of half elf naar bed om zich voor te bereiden op de vermoeiende dagen. (H. G. had speciaal nachtgoed ontworpen dat hem in staat stelde ’s nachts op te staan om te schrijven, wanneer hij daar zin in kreeg, zonder het koud te krijgen — en soms zat hij nog te schrijven als het al licht werd.) Dan brak de zaterdag aan — en het “balspel”. Dit vond plaats in een schuur. En dan gebeurde het dat George Bernard Shaw aan één kant van het tennisnet stond naast J. W. N. Sullivan, de wiskundige, en Wells en bijvoorbeeld Arnold Bennett aan de andere kant, om tegen een rubberbal te meppen en hem na te rennen met genoeg energie om een oorlog te winnen en met een geschreeuw dat deed denken aan een Indianenfilm. Dit was Wells’ manier om in goede conditie te blijven, pret te hebben en plichtplegingen opzij te zetten.

Wells zei eens: “Het kan mij niet schelen of ik als koning word gekroond of in de goot verhonger — ik volg de leiding!” Met “leiding” bedoelde hij zijn overtuigingen. Deze standvastigheid was er de oorzaak van dat hij herhaaldelijk beschimpt en gehekeld werd. Zijn roman Ann Veronica liep vooruit op de vrije, ontwikkel­de, onafhankelijke moderne jonge vrouw, en dat in een tijd waarin dergelijke denkbeelden nog revolutionair waren. Die roman hielp de suffragettes in de strijd om het kiesrecht en gelijke rechten als de man die zij dank zij hem wonnen. Wells was in zekere zin een soort van mannelijke suffragette.

Een van zijn opvattingen die de meeste weerstand opriepen was zijn afkeer van de Britse monarchie. Hij wilde deze door een republiek vervangen. Wanneer hij maar kon, schreef en sprak hij over dat onderwerp met een openhartigheid en een woorden­rijkdom die negen tienden van de natie ergerden.
Wanneer hij zich geroepen voelde over de toekomst te schrijven, beschikte Wells over een meesterlijke welsprekendheid: “Het kan dus zijn dat dit avontuur tot in lengte van dagen zal duren en dat ons ras zal voortbestaan. De ondoordringbare wolken die ons leven aan alle kanten hebben omsloten, verbergen wellicht ontelbare beproevingen en gevaren, maar zelfs in hun diepe schaduw is de begrenzing niet absoluut; er zijn tijden en seizoenen, stemmin­gen van geestvervoering — als het ware momenten van openba­ring — waarin het ganse heelal om ons heen schijnt te stralen door de aanwezigheid van nu nog onvoorstelbare dingen.”

Enige jaren voor zijn dood, in 1946, schreef H.G. zijn eigen “in memoriam”, dat aldus begon: “H.G. Wells is gistermiddag in het Paddington-ziekenhuis ten gevolge van een hartverlamming overleden. Het belangwekkendste in Wells was dat hij weigerde de eenvoudige, maatschappelijke status te aanvaarden waartoe hij scheen voorbestemd, en voorts de onverzettelijkheid waarmee hij vasthield aan zijn rol van vrije burger in een nieuwe wereld die geleidelijk aan uit de ruïnes oprees.”

Het laatste beeld dat ik mij van hem herinner, is dat van een man die op en neer sprong voor het brede venster van zijn huis bij Regent’s Park. Hij was toen 79, een vermoeid man, die be­greep dat zijn einde naderde. (Hij stierf een jaar later.) Maar die avond scheen hij bijzonder uitgelaten. Londen onderging een hevige luchtaanval. Het afweergeschut was oorverdovend, zoek­lichten priemden in alle richtingen door de lucht en er kwam geen eind aan de overvliegende bommenwerpers. “Kijk!” riep hij. “Ik weet me geen raad van angst — maar is het niet geweldig op­windend?”

.

8e klas: alle artikelen

Vertelstof: alle biografieën

Vertelstof: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

788-723

VRIJESCHOOL – 2e klas – legenden (3-6)

.

Verteltijd ca. 23 min.
.

DE GELOFTE VAN DE HEILIGE CUTHBERTUS

Sint-Cuthbertus was een Schotse herdersjongen, die zijn kudde hoedde en liet grazen langs de rivier de Tweed, in de nabijheid van Melrose. Dag en nacht leefde hij in de open lucht, at in de zonneschijn en sliep op de hei. En hij groeide mooi en sterk op, en was de aardigste jongen uit de hele streek. Hij kon harder lopen dan wie ook en was altijd overwinnaar bij de
worstelwed­strijden, waartoe hij de  jongens van mijlen ver uit de omtrek uit­daagde. En wat kon hij prachtige buitelingen maken en op zijn han­den lopen! Niemand op de hele wereld kon hem daarin overtreffen.

Het is nu wel meer dan duizend jaar geleden, dat Sint- Cuthbertus leefde en nog altijd vertellen de Schotten verhalen van zijn kracht en behendigheid en van zijn lenigheid in de spelen met de andere jon­gens. Hij was hun hoofd en leider en ieder was vast overtuigd, dat hij zou opgroeien tot een beroemd man.

Maar hij hoedde zijn schapen trouw en vol zorg, tot de tijd daar­toe gekomen zou zijn en leerde, groot wordend, onbewust allerlei dingen. Want door zijn leven buiten werd hij wijs in allerlei zaken, die andere mensen nooit begrijpen. Zo leerde hij de geheimen ken­nen van de fluisterende wind en van het lied van de ruisende beek. Hij leerde de zin verstaan van het gesnap der eekhorentjes en het gekras van de raven. Hij leerde de gewoonten kennen van al die kleine dieren met hun klare oogjes, die hij op zijn zwerftochten over de hei ontmoette en hij kreeg alle gevederde en viervoetige schepselen lief. Inzonderheid had hij de vogels lief. Uren achtereen kon hij zitten kijken naar de zingend omhoog vliegende en met trillende vleugels weer neerdalende kleine leeuweriken en naar de grote meeuwen, die nu eens omhoog vlogen met langzame vleugelslagen, dan weer zich op hun wieken lieten drijven als witte schepen in de blauwe lucht. Hoe verlangde hij dan zelf ook vleugels te hebben en weg te vliegen en te zweven, ver weg, zoals de vogels.                                 

Op zekere nacht, terwijl hij liggend op de paars-rose, zacht verende hei zijn schapen bewaakte, zag hij iets vreemds in de lucht. Het was als een grote weg van enkel licht, waarlangs een groep engelen van de hemel neerdaalde, hun kleding bestond uit louter regenboogstralen. En even later zag hij hen weer naar omhoog terug­gaan, terwijl zij een prachtige bloem tussen zich in droegen. En hij begreep, dat dit de ziel was van een heilige, heengedragen naar het Paradijs.
En toen hij de volgende dag het nieuws hoorde vertellen, dat Aidanus, de heilige bisschop van Lindisfarne, die nacht gestorven was, begreep Cuthbertus, de kleine herdersjongen, dat hij het voor­recht had ontvangen van een visioen. En hij was zeer verwonderd waarom dit hem gegeven was, maar hij voelde toch duidelijk, dat hem daarmee een bijzondere genade verleend was.
Dagen en dagen en nachten en nachten achtereen dacht hij hierover na, altijd weer zich verwonderend over z’n grote genade. En ten laatste be­greep hij, dat ook hij geroepen was een heilig leven te leiden en dat hij dan wellicht het geheim van alle dingen verstaan zou.
Hij was vijftien jaar, toen hij zich bij de abt van MeIrose aan­meldde met de wens een monnik te worden. En daar, in het kloos­ter vermeerderde hij zijn kennis met veel boekenwijsheid, die, ge­voegd bij de wijsheid, die hij door de wouden en de heuvels en de stromen reeds bezat, maakte hem tot een zeer wijs man. Hij was daar nog niet lang geweest, of de andere kloosterbroeders en ook zelfs de abt merkten, dat deze gebenedijde jonge monnik ver boven hen allen uitstak. Allen gehoorzaamden en vereerden hem. En ieder kwam zijn raad en hulp inroepen. Een ieder zond juist om hem wanneer hij in nood was. Door het gehele volk uit die streek was hij geliefd, deze man met zijn schoon gelaat en gespierd lichaam, met zijn vriendelijke ogen en zijn sterke handen, toch zo teer tevens als die van een vrouw die een klein ziek kindje aanraakt, want hij bezat het grote voorrecht van sympathisch te zijn. Gedu­rende de jaren, die hij geleefd had onder de vriendelijke, warme zon, was zijn hart week en zacht geworden als een rijpe vrucht. Vele van de bewoners van de Schotse hooglanden en uit de eenzame dalen waren als wilden schuw teruggetrokken en haatten alle vreem­delingen. Maar de harten van deze arme kinderen van de hei ontsloten zich, wanneer hun sterke broeder tot hen kwam met liefde in zijn stralende ogen en met het verlangen hen te helpen. Hij trachtte door te dringen tot de verst afgelegen, meest onbegaanbare gedeelten, om hen te onderwijzen en hen op te wekken tot het goede. En hij bracht hun voedsel en kleren en medicijnen voor de zieken, want hij kon anderen niet zien lijden, al was hij niet bevreesd zelf pijn en ontbering te moeten verduren.

Een bewijs, hoe sterk hij was en gezond, was dat hij, ook toen hij reeds een oude man begon te worden, dagelijks een bad nam in zee. Hoe koud het ook mocht wezen, toch dook hij onder de golven en kwam druipend weer boven op het bevroren strand, waar hij dan neerknielde en een klein gebed deed voordat hij naar zijn cel te­rugkeerde .

In een zekere bitter koude winternacht, terwijl Cuthbertus als
ge­woonlijk weer verkleumd van koude in de sneeuw neerknielde, kwamen er twee bruine otters uit de zee zwemmen en gingen naast Cuthbertus liggen. En terwijl hij geheel in zijn gebeden verdiept was, zodat hij hen niet eens opmerkte, likten zij zijn bevroren voeten, om deze te warmen en wreven hem met hun dikke, zachte vacht tot hij geheel droog was. Zo deden op hun beurt de dieren uit de zee wat zij konden voor hem, die zoveel gedaan had voor hen en hen zo innig liefhad.

Toen de abt van het klooster stierf, kwam Cuthbertus in zijn plaats aan het hoofd van het klooster. Maar nadat hij twaalf jaar binnens­huis bij de andere monniken geleefd had, kon hij dit leven niet lan­ger uithouden. Hij kreeg een onweerstaanbaar verlangen om weer in de frisse buitenlucht te zijn en weer te leven onder de blote hemel en hij besloot kluizenaar te worden en een echt buitenleven te leiden met de vogels, die hij zo liefhad.
En hij ging weg en bouwde zijn kluis op een klein, wild begroeid eiland, genaamd Farne, op een steile, hoge rots, waar tien of vijf­tien jaar vroeger dezelfde heilige Aidanus gewoond had, van wiens overgang naar de hemel hij getuige geweest was, toen hij nog schaapherdersjongen te Melrose was. De kluis was werkelijk niets anders dan een kuil in de grond, zoals sommige vogels ook maken.

Hij hakte een ronde holte uit in de rots en maakte in het dak een venster, waardoor hij zijn dierbare blauwe lucht zien kon. De muren waren van zoden en steen, bedekt met stro. Er waren twee vertrekken in: een waarin hij woonde en sliep en kookte en een dat tot kapel diende, waar hij zijn lofliederen zong als de vogels en waar hij uren achtereen geknield lag, in heilige over­peinzingen verdiept. Voor zijn deur hing hij een ossenhuid op, wat de enige beschutting was tegen de zeewinden. In de rots vond hij een kleine bron, die hem van water voorzag  en hij beplantte een plek met gerst, die hem het nodige voedsel verstrekte. Zo leefde hij, alleen met de vogels, die in zwermen om de rots heenvlogen. En de wind woei over hem heen en de golven rolden en braken soms tegen de deur van zijn kluis, maar hij sloeg er geen acht op. Waarlijk, de zee was een ruwe vriend van hem. Eens kwam zij bij vergissing al te dicht bij hem en spoelde een gedeelte van zijn kluis weg. Toen vroeg hij iemand naar zijn vrien­den de monniken van het vasteland te gaan, met het verzoek te komen en een balk mee te brengen om tussen het dak te stoppen, want er was geen hout te krijgen op zijn rotsachtig eiland. De broeders evenwel vergaten hem die te sturen. Maar de zee scheen berouw te hebben van het­geen zij gedaan had en bij het volgend getij spoelden haar opko­mende golven een balk mee en wierpen die voor de voeten van Cuthbertus. Het ontbrak Sint-Cuthbertus waarlijk niet aan vrienden. Want nau­welijks had hij het rotsachtige eiland tot zijn woonplaats gekozen of het werd een gezocht oord van alle mogelijke vogels. De andere dieren echter konden hem ongelukkigerwijze van de oever af niet bereiken. Toen droegen de meeuwen en zeezwaluwen, de eiderganzen en de raven hen op hun zegenvolle vleugels naar het verblijf van hun Meester.

“Hi”, zeiden ze tot elkaar,”wij hebben hem nu voor ons gekregen. En nu kunnen die arme schepsels zonder vleugels niet hier komen; ook kan hij van daar niet weg zonder vleugels. Nu pas behoort hij geheel ons!”

Maar de vogels bedachten niet, dat al kunnen mensen niet vliegen, zij toch boten met vleugels kunnen maken, om hen over de zee te brengen. Ook ging Cuthbertus dikwijls naar het vasteland om werken van barmhartigheid te doen, zowel in de hutten van de boeren als in het paleis van de koningin.

Ook kwamen velen om hem te zien op zijn eiland, want zijn naam was door het gehele koninkrijk bekend. En hij ontving de gasten, die hem steeds welkom waren, zo goed mogelijk in de eenzame cel van zijn eigengebouwde woning. Want hij had de mensen lief en hielp hen waar hij kon. Maar meer hield hij toch nog van zijn dierbare vrienden, de vogels, en hij was het liefst met hen alleen. Zij kwamen op zijn schouders en knieën zitten en dan nam hij hen in de hand en streelde hen zacht. In grote zwermen volgden zij hem op zijn wandelingen. Zij wachtten voor de deur van zijn hut om met hem zijn ontbijt, zijn middagmaal en zijn avondeten te ge­bruiken. Velen in die dagen hebben gemeend dat de vogels hem iede­re dag zijn voedsel brachten uit de hemel, maar dit verhaal ont­stond, zoals zovele onjuiste verhalen, uit iets anders, dat in werkelijkheid gebeurd was.

Eens namelijk, toen enkele raven gedach­teloos zijn gerst stalen en stro van zijn dak weghaalden, berisp­te Cuthbertus hen daarover en verzocht hun dit nooit weer te doen. En zó beschaamd waren de vogels, dat zij, om hun berouw te tonen, hem een groot stuk vet brachten. Maar hij wilde dit niet eten, zij hadden anders verwacht en gebruikte het voor andere dingen. Cuthbertus had al deze vogels zeer lief, voornamelijk de onzelf­zuchtige eiderganzen, die het dons uit hun eigen borst plukken om het nestje voor hun kleintjes zacht te maken. Hij was altijd goed en vriendelijk voor hen, zodat zij helemaal niet schuw voor hem waren. Maar hij vreesde dat anderen, nadat hij heengegaan zou zijn, wellicht minder goed voor zijn lievelingen zouden zijn. En om hen te beschermen, deed hij een plechtige gelofte en gaf hen de gave van zijn innerlijke vrede. Niemand op het eiland zou een van hen enig leed kunnen aandoen of hen doden zonder daarvoor een vreselijke straf te ondergaan. En hij gaf hun deze gave mee tot aan het einde der tijden, waardoor het voortaan ieder, die een van Sint- Cuthbertus’ vogels leed zou doen, slecht bekomen zou.
Er bestaan twee geschiedenissen hier­van, die allebei gebeurd zijn, lang reeds nadat Cuthbertus van het eiland was heengegaan.

Liveing, de dienaar van Aelric de kluizenaar, die naast Cuthbertus’ cel woonde, had op zekere dag, terwijl Aelric naar het vaste­land gegaan was, een van de eiderganzen, die er nog woonde en zijn nest gebouwd had naast de hut van de heilige, gedood en opgegeten. Nu wist Liveing zeer goed de eed van Sint-Cuthbertus, maar hij dacht, dat niemand ooit zijn misdaad  te weten zou komen, want hij wierp de beentjes en de veren over de punt van de rots heen en zag, hoe zij door de golven werden weggespoeld. Maar toen zijn meester Aelric te­ruggekomen was, vond hij een bundeltje beentjes en veren, in el­kaar gerold, door de vloed op enige schreden afstand van zijn kapel aan ’t strand gespoeld, want ook de zee kende de gelofte van Sint-Cuthbertus en was verplicht de schuldigen aan te wijzen. En zo werd Liveing ontdekt en gestraft.

En de tweede geschiedenis is deze: Ook de vogels waren gebonden door de gelofte van Cuthbertus, om vriendelijk onder elkaar te zijn. Zo was het aan de grote vogels verboden op de kleine jacht te maken of hen te doden. En nu gebeurde het, dat een grote havik, die van het naburig eiland Lindisfarne was komen vliegen, een tam­me mus opat, die behoorde aan Bartholomeus, een andere kluizenaar, die na Aelric op Farne was komen wonen. Als straf voor deze wrede daad moest de havik dagen achtereen het eiland voortdurend maar rondvliegen,  zonder weg te kunnen, zonder een ogenblik rust. Zeker zou hij op het laatste door honger en vermoeienis in de zee gevallen en verdronken zijn, wanneer de kluizenaar geen medelijden met hem gekregen had. Bartholomeus greep de vermoeide vogel bij de vleu­gels en bracht hem naar de kust en daar liet hij in naam van Sint-Cuthbertus de havik wegvliegen. Nooit meer mocht hij naar het eiland terugkomen, om hem en zijn vredelievende vogels te kwellen. Zo leefde Sint-Cuthbertus lange jaren op zijn eiland, omringd door zijne gevederde vrienden.

En hoewel iedereen hem liefhad en hem vereerde en hem een Heili­ge noemde, werd hij nimmer hoogmoedig. Ook bleef hij altijd arm, hoewel de adellijke dames van het hof, en zelfs de koningin hem kostbare geschenken aan goud en diamanten gaven, welke schatten hij weggaf aan behoeftigen. En ook nederig was hij, hoewel Egfried, de koning,  zelf naar zijn eiland kwam en hem tot aartsbisschop benoem­de, terwijl hij knielend voor Cuthbertus’ voeten lag, hem smekend, deze gift van hem aan te nemen.

Zijn leven was voor de mensen een lichtbaken, dat steeds een klaar en helder licht verspreidde. Na zijn dood werd er op zijn rots een vuurtoren gebouwd, om een lichtglans te zijn voor de zeelieden. Nog altijd is de eenzame rots van Farne door de gelofte van Sint-Cuthbertus gezegend en vliegen er grote zwermen zeevogels, afstammelingen van hen, die de Hei­lige zelf gekend hebben, rond. En deze vogels zijn zeer tam en vrien­delijk en vreezen van niemand enig kwaad, want hebben zij niet de belofte van hun Heilige? Helaas, minder liefdevolle en medelijdende mensen dan hij hebben deze gelofte geschonden. En zij hebben vele van deze goed-vertrouwende vogels gedood, die zij tot zich lokten, terwijl ze dachten dat het was om gestreeld te worden, zoals zij dit vroe­ger gewoon waren. Zij dachten er daarom niet aan, de arme, on­schuldige schepseltjes met hun zachte oogjes, om weg te vliegen. Maar hoe wreed werden zij bedrogen!

Zeker echter zal Sint-Cuthbertus zijn belofte niet schenden en al worden deze moordenaars nu niet meer terstond gestraft zoals in vroegere tijden Liveing en zoals de boze havik, zo zal hun eigen geweten hen geen rust laten en hen kwellen, totdat zij berouwvol zullen besluiten het nooit weer te doen.

.
Uit: ‘Een boek van heiligen en hun dieren‘

2e klas vertelstof: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

2e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 2e klas

784-719

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Boeddha

.

DE VREDE DES GEMOEDS

Het boeddhisme heeft meer aanhangers gehad dan enige andere godsdienst in de geschiedenis. Op het ogenblik* zijn het er 400 miljoen, of nog meer. En afbeeldingen van Boeddha behoren tot de bekendste kunstuitingen ter wereld. Maar hoeveel westerlingen weten wie Boeddha is geweest of wat hij te zeggen had over de problemen van het leven?
Schilders en beeldhouwers hebben van Boeddha een gezette man gemaakt; hij lijkt te goed doorvoed en zelfvoldaan voor een heilige. Wij verwachten van heiligen een martelend zoeken naar inzicht. Dat verwachtten ook Boeddha’s vrienden en de mensen voor wie hij het eerst predikte.
De idee van geestelijke verlichting door lijden begon in India ongeveer 500 jaren voor Christus — tijdens Boeddha’s leven — veld te winnen. In die tijd gebeurde het wel dat jongemannen, gekweld en verbijsterd door het kwaad in de wereld, hun zaken afwikkelden, afscheid namen van familie en vrienden en “heengingen” — of “eruit trokken” zoals wij zou­den zeggen. Zij leefden in de bossen en hun enige bezit was een houten nap waarmee zij nu en dan om wat voedsel bedelden. Zij meenden dat door zelfverloochening en strenge lichamelijke
discipline een ogenblik van verheven inzicht zich zou manifesteren waarin het geheim van het heelal plotseling duidelijk zou worden,

Boeddha — of liever gezegd Gautama, want zo luidde zijn familienaam — beproefde dit en kwam tot de conclusie dat dat dwaasheid was. Het was de eerste omwenteling in het denken die Boeddha teweegbracht.
Volgens de overlevering was hij een prins van een klein koninkrijk, 29 jaar oud, getrouwd en de vader van een zoontje. Hij vertrok omstreeks middernacht, zonder iets tegen iemand te zeggen. Het verscheurde zijn hart — nog even stond hij bij zijn slapende vrouw en kind, maar hij wendde zich af. Hij had een ijzeren wil; van prins van deze wereld werd hij de prins der asceten en zijn roem verspreidde zich “als de klank van een grote gong die hangt aan het uitspansel”.

Hij had vijf makkers, maar zij waren zo onder de indruk van zijn groter vermogen tot toewijding, dat zij meestal niets anders deden dan hem gadeslaan. Nadat hij zich zes jaar lang de grootste ontberingen had opgelegd en hij nog maar een wandelend skelet was, werd hij op een dag overvallen door verschrikkelijke pijnen en verloor het bewustzijn. Toen hij weer bijkwam, was hij tot het inzicht gekomen dat men een middenweg moet bewandelen tussen ascetische onthouding en aardse genietingen als men de geheimen van het heelal wil doorgronden. In de godsdienstige beschaving van India was dit iets revolutionairs. Gautama werd door zijn vijf makkers voor een afvallige uitgemaakt en moest geheel alleen zijn speurtocht naar de laatste waarheden voortzetten.
Gautama’s middenweg was, vanuit het gezichtspunt van de westerse zeden- en voedingsleer, heldhaftig. Hij betrachtte absolute kuisheid. Hij at alleen om twaalf uur in de middag — rijst met kerrie — en daarna niets meer, behalve soms ’s avonds wat dunne pap. Hij voelde zich hierbij uitstekend en hij werd niet alleen een gezonde heilige maar bovendien ook een voorvechter voor  geestelijk uithoudingsvermogen. Men zegt dat Socrates eens een hele nacht stond te denken in een zuilengang. Gautama schijnt iets soortgelijks te hebben gedaan — alleen was hij zo verstandig eerst te gaan zitten.

Boeddha

Gautama zat onder een bepaalde heilige vijgenboom, die later de Boom van het Inzicht werd genoemd — de Bodhi-Boom in het Singalees. Uit de zaden van die boom zijn in de loop der eeuwen steeds weer nieuwe bomen geplant; men kan ze nog steeds zien in Boeddh Gaya.
Gautama was vastbesloten, niet op te staan voordat geestelijke klaarheid zijn deel zou zijn geworden. In de eerste uren na middernacht raakte hij in een trance waarin hij met stralende helderheid de hele ingewikkelde keten van oorzaak en gevolg aanschouwde die deze ellende, leven geheten, regelt. En met een zelfde helderheid aanschouwde hij het pad der bevrijding naar de gelukzaligheid.
Deze mystieke ervaringen zijn als regel onweerstaanbaar over­tuigend voor diegenen die ze ondergaan. Gautama aarzelde niet te verkondigen dat hij Boeddha was, “De Verlichte”, maar boven­dien ook Tathàgata, “De Volmaakte”. Hij keerde rechtstreeks terug naar de vijf kluizenaars die hem openlijk veroordeeld hadden en die nog hongerden in een hertenkamp in Benares. Zij zagen hem komen. “Laten wij deze afvallige geen eerbied betonen,” zeiden zij, “want hij is ten prooi aan de genotzucht.” Maar toen de verlichte Gautama naderde, haastten zij zich hem tegemoet en noemden hem “Broeder”.
Hij antwoordde — en het is haast niet te geloven dat er niet een triomfantelijk licht straalde uit zijn ogen: “O gij monniken, spreek Tathàgata niet aan als ‘Broeder’. Tathàgata is de heilige en hoogste Boeddha.”
Daarna hield Gautama, de Boeddha, een prediking — vermoedelijk op één uitzondering na de belangrijkste die ooit is ge­houden. Net als de Bergrede gaf deze prediking een beknopte schets van een nieuwe manier van leven. De beide levenswijzen lijken verbazend veel op elkaar, hoewel het geloof waarop ze berusten aanzienlijk verschilt. Boeddha’s verkondiging was pessi­mistisch. Ze begon met de stelling dat het leven zoals wij het ge­woonlijk leven grotendeels bestaat uit lijden. De Indiërs vinden het heel natuurlijk, het leven te beschouwen als een bezoeking, misschien omdat zij zo omringd zijn door armoede en ziekte. Als wij zoals zij — geloofden in een steeds weerkerende cyclus reïncarnatie, of wedergeboorte, zouden wij het leven misschien ook geen opwindend avontuur vinden.

Boeddha’s ontdekking onder de Bodhi-boom was, dat onwetend­heid de oorzaak is van het lijden der mensen. Wij hunkeren steeds naar bevrediging van iets dat wij “ik” noemen. Maar er bestaat geen ik. Wij moeten deze waan opgeven en de onwetende ver­langens die ermee gepaard gaan. En hij noemde in het bijzonder: “Verlangen naar bevrediging van de hartstochten, verlangen naar een toekomstig leven, verlangen naar succes in dit leven.”Wij moeten onze geest bevrijden van bijgeloof, onze wil krachtig beheersen, en liefhebben en door dit alles zullen wij één worden met de wereld, er een nederig en tevreden deel van worden. Hierin ligt vrede en volmaakt geluk.

Hij noemde deze ideale toestand “nirwana”. Het is de geestelijke toestand die men ziet in de beeltenissen van Boeddha — een verheven en toch niet bovennatuurlijke vrede. Geen vrede die het begrip te boven gaat — een vrede die voortkomt uit begrip.

Boeddha werd nu volkomen in beslag genomen door zijn pogingen, voor de sterfelijke mensen een weg te vinden uit hun ellende naar een godgelijke levenshouding. Zijn achtvoudig pad der verlossing heeft niets van de eenvoudige, ongekunstelde welsprekendheid van de Bergrede, maar het kan wel in dezelfde vorm opnieuw worden uitgedrukt. Want “gelukzaligheid en hoe die te bereiken” was het centrale onderwerp van zijn predikingen:

Zalig zijn zij die weten, en wier weten vrij is van begoocheling bijgeloof.

Zalig zijn zij die hun kennis op vriendelijke, openhartige en
waarheidsgetrouwe wijze uitspreken.

Zalig zijn zij wier gedrag is vredelievend, eerlijk en zuiver.

Zalig zijn zij die hun brood verdienen op een wijze die geen levend wezen letsel of gevaar berokkent.

Zalig zijn de kalmen, die wrok, trots en eigengerechtigheid hebben uitgebannen en vervangen door liefde, erbarming en meegevoel.

Zalig zijt gij die uw uiterste best doet voor zelfopvoeding en
zelfbeheersing.

Zalig buitenmate wanneer gij u door deze middelen ontdoet van de beperkingen van het ik.

En zalig zijn, ten slotte, zij die verrukking vinden door te beschouwen wat innig en werkelijk waar is van deze wereld en ons leven daarin.

Hoewel Boeddha niet sprak over God, geloofde hij in een zedelijke orde zoals alleen een rechtvaardige en almachtige godheid zou kunnen voorschrijven. Hij geloofde dat iedere goede daad een beloning oplevert, iedere slechte daad een vergelding. Wat de mens ook doet met lichaam of geest, hij kan de zedelijke wet niet ontlopen. Verder verving Boeddha de riten en offers van de priesters, die hij afkeurde, door een bezielde overpeinzing en dit be­tekende ten minste enkele stappen in de richting van het persoonlijk gebed. Zijn extatische bespiegeling is niet hetzelfde als een gebed, maar het is iets waarom vaak wordt gebeden: berusting.

Een andere oorzaak waarom Boeddha’s godsdienst zoveel aan­hangers vond is de ontwapenende verdraagzaamheid. Er bestaan geen boeddhistische dogma’s en voor zover wij weten heeft geen volgeling van Boeddha ooit een ketter vervolgd. Het meest verbazingwekkende van Boeddha — als men aan hem terugdenkt over een afstand van eeuwen vol oorlogen en razernij van fanatiekelingen is juist de beheerste wijze waarop hij een beroep doet op het verstand en de ervaring van ieder mens. Niet alleen moeten wij volgens Boeddha ons eigen heil zoeken, maar wij moeten ook zelf ons eigen geloof bedenken.

“Geloof niets omdat u de geschreven getuigenis van een oude wijze wordt getoond,” zei hij. “Geloof niets op gezag van leraren of priesters. Datgene wat overeenstemt met uw eigen ervaring en na rijp beraad overeenstemt met uw redelijk verstand en bevorderlijk is voor uw eigen welzijn en dat van alle andere levende wezens, aanvaard dat als de waarheid en leef ernaar.”

Deze woorden verlenen een moderne, een westerse betekenis aan de peinzende rust van die verheven maar niettemin krachtige beeltenissen van Gautama, de Boeddha. Hij bracht een boodschap die geen sterveling na 2500 jaren van jachten en opgewonden kakelen rondom de boom des goeds en des kwaads kan negeren.

Misschien nog groter dan zijn wijsheid was het voorbeeld dat hij gaf van wat wij in het westen slechts een christelijk leven kunnen noemen. Vijfenveertig jaren lang, totdat hij op tachtigjarige leef­tijd stierf, doorkruiste dit genie van de wil en het verstand de vallei in de Ganges; hij stond op bij het krieken van de dag, liep dan z’n 25 à 30 kilometer en wees edelmoedig alle mensen, zonder tegenprestatie en zonder onderscheid naar stand of kaste, de weg naar het geluk die hij had gevonden. Hij was geen opruier en werd nooit lastig gevallen, noch door het priesterdom dat hij bestreed noch door enige vorst. Hij werd zo beroemd en zo bemind dat grote menigten hem tegemoetkwamen als hij een stad nader­de, en bloemen strooiden op zijn pad. Zijn ware en triomfantelijke doelstelling was, de dingen nauwkeurig te omschrijven en de mensen een edele en gelukkige manier van leven en sterven in deze wereld te leren.

8e klas: alle artikelen

Vertelstof: alle biografieën

Vertelstof: alle artikelen

5e klas – geschiedenis

Vrijeschool in beeld: alle beelden

783-718

.

VRIJESCHOOL – 2e klas – vertelstof – legenden (3-5)

.

Verteltijd ca. 10 min.

DE HEILIGE BLASIUS EN ZIJN DIEREN

Dit is de geschiedenis van een Heilige, die de dieren liefhad en daarom ook door de dieren was bemind.

Sint-Blasius was de zoon van welvarende ouders uit Sebastopol, een stad in Armenië, op de grens van Turkije en leefde in de tijd, toen de heidenen het meest in aanzien waren. Maar hij was niet ge­lijk aan de andere  jongens, zijn speelmakkers, want hij was een christen die meevoelde met elk levend schepsel. En het was zijn grootste geluk, wanneer hij de schepselen die hij liefhad, kon helpen, mannen zowel als vrouwen en kinderen en dieren en allen, die leed hadden of ziek waren.
Daarom ging hij in de medicijnen studeren en groeide hij
lang­zamerhand op tot een wijs man, met een ruim en teer hart.  Iedereen had hem lief, want hij deed veel goed onder het volk in zijn dorp: hij verpleegde hun kinderen en genas hun vee en hun huisdieren. Ook de wilde dieren vergat hij niet.
Sint-Blasius hield ervan te zwerven door de bossen en over de velden, waar hij de ongetemde dieren kon bestuderen en hun leren zijn vrienden te worden. Zo kregen de vogels en de viervoetige dieren en de vissen hem alle lief, omdat hij niet alleen hun nooit enig leed deed, maar ook vriendelijk tot hen sprak en hen genas, wanneer zij ziek of gewond waren. In zijn tegenwoordigheid werden de schuwe dieren vrijmoedig, en werden de wilde tam en vriendelijk, alleen door het geluid van zij­n stem. De vogeltjes brachten hem voedsel en de viervoetige die­ren werden zijn dienaren en boodschappers.
De legende zegt, dat zij hem in de woning in het bos, een grot in de berg Argus bij Sebastopol, opzochten. Iedere morgen kwamen zij zien hoe hun meester het maakte, lieten zich zegenen door hem en likten hem de handen uit dankbaarheid. Wanneer zij de Heilige in zijn gebeden verdiept vonden,  stoorden zij hem niet, maar wachtten eerbiedig en geduldig voor zijn hol, tot hij uit zijn knielende houding oprees.
Op zekere dag kwam er een arme vrouw in wanhoop bij hem, omdat een wolf haar biggetje had weggehaald. Sint-Blasius was zeer bedroefd toen hij hoorde, dat een van zijn vrienden zich aan z’n boze daad had schuldig gemaakt en hij verzocht de vrouw naar huis terug te gaan en beloofde haar, te zullen zien wat hij voor haar zou kun­nen doen. Toen riep hij de wolf tot zich en schudde ernstig het hoofd, toen de schuldige voor hem stond.
“Jij boze wolf”, zei hij, “wist jij dan niet dat ook dat biggetje een vriend van mij was? Hij is niet mooi, maar hij is aardig en daarbij het enige biggetje van een arme, eenzame vrouw. Hoe kon je zo zelfzuchtig wezen? Ga dadelijk naar huis, breng mijn vriend, het biggetje, terug naar de woning van deze vrouw.”
Toen ging de wolf beschaamd heen en deed wat de goede Heilige hem bevolen had. En toen de arme vrouw haar biggetje knorrend haar
tuin­tje zag binnenlopen, voortgedreven door de berouwvolle wolf, sloeg zij haar armen om zijn hals en schreide tranen van vreugde. En de wolf keerde terug naar Sint-Blasius, die hem prees en zei, dat hij een goede wolf was en hem een schotel verse melk gaf.
Sint-Blasius werd door de christenen die hem om zijn barmhartig­heid en zijn weldadigheid liefhadden, tot hun bisschop benoemd. En alle dieren uit het woud verheugden zich over deze eer, hun goe­de meester aangedaan.
Maar de arme dieren wisten niet, hoe gevaar­lijk het in die dagen was een christen te zijn en inzonderheid om een bisschop te wezen, die veel invloed had op het volk. Want de heidenen waren jaloers op hem en vreesden, dat hij het volk zou bekeren tot het christendom, wanneer het zijn wonderbaarlijke ge­nezingen zag. Zij konden hem echter nergens vinden, want hij leef­de verborgen in zijn grot in het woud.

Dit geschiedde alles 516 jaren na de geboorte van Christus, tijdens de regering van de wrede keizer Licinius, die vele christenen ter dood heeft laten brengen. En Agricola, die de gouverneur van de stad Sebastopol was, aangesteld door Licinius, zond zijn solda­ten in de bergen, om wilde dieren te vangen voor de spelen in de arena, waar de christenen zouden worden gedood. Maar zij vonden tot hun grote verwondering geen enkel wild dier in de bergen, noch in de velden, noch in de dalen, noch in het woud, tot zij toevallig bij de grot kwamen waar Blasius woonde.
En daar nu vonden zij alle dieren, al de wilde dieren, waarvoor zij zo bevreesd waren, leeuwen, tijgers, luipaarden, beren en wolven, die hun morgengroet aan de Heilige man brachten.
En midden tussen hen lag Sint-Blasius zo ernstig verdiept in zijn gebeden, dat hij de soldaten, die met hun netten en speren gekomen waren om dieren te vangen, niet eens opmerkte. Hoewel de dieren zeer bang waren, bewogen zij zich niet en gaven zij geen enkel geluid, om hun meester niet te storen. Zij hielden zich doodstil, terwijl zij met hun gro­te, gele ogen de soldaten aanstaarden. Maar deze waren zo verbaasd door die aanblik, dat zij stil wegslopen zonder een enkel dier te vangen, noch een woord te zeggen tot de Heilige Blasius. Zij meen­den stellig, dat hij Orpheus zelf of de een of andere heidense godheid moest wezen, die de wilde dieren betoverd had. En zij gingen terug naar de gouverneur en vertelden hem, wat zij gezien hadden.

“Ha, dan moet hij een christen wezen,” antwoordde Agricola, “want de christenen en de dieren zijn zeer grote vrienden. Breng hem mij aanstonds hier.”

Ditmaal trokken de soldaten in de namiddag erop uit, het uur waar­op de dieren hun avondeten gebruikten. En zo vonden zij Sint-Bla­sius geheel alleen, opnieuw verdiept in zijn gebeden. En zij be­valen hem, met hen mee te gaan. In plaats echter van bevreesd te zijn, antwoordde hij blijmoedig: “Ik ben gereed; ik heb u reeds lang verwacht.” Want hij was een heilig man, bereid te sterven voor zijn geloof en heiligen weten dikwijls reeds lang vooruit, wat er met hen gebeuren zal.

En het geschiedde op weg naar de gevangenis, dat de heilige Blasius zijn laatste zieke genas – een kindje, door de moeder aan zijn voeten neergelegd, terwijl zij hem smeekte het te helpen. De klei­ne had een botje ingeslikt en zou gestorven zijn. Maar Sint-Bla­sius raakte even de keel van de kleine aan en meteen was het genezen. Daarom riepen in latere tijden mensen met een zieke keel in hun gebeden altijd de heilige Blasius aan, om hen te ge­nezen.

De goede bisschop werd in de gevangenis gezet, op allerlei manieren gepijnigd, om hem te dwingen zijn christelijk geloof op te geven. Maar Sint-Blasius weigerde standvastig een heiden te worden en aan heidense goden te offeren. En dus werd er besloten, dat hij ster­ven zou. Zij zouden hem wel in de arena gebracht hebben met de wil­de dieren, doch men wist dat deze trouwe makkers hun vriend nimmer enig leed zouden doen. De dieren zouden hem wel is waar niet heb­ben kunnen redden uit de handen van deze mensen, maar zij zouden hem toch ook geen kwaad gedaan hebben. En de dieren die nog in het woud achtergebleven waren, huilden en jammerden voor de verlaten grot en snuffelend zochten zij hem overal, als verdwaalde honden, die hun meester verloren hadden. En het was een zéér droeve dag voor de dieren uit het woud, toen Sint-Blasius voor altijd van hen was weggenomen.

De soldaten ontvingen bevel de heilige Blasius in het naburige meer te verdrinken. Maar toen zij hem uit de boot wierpen, maakte hij het teken van het kruis en terstond hief het water hem op, zo­dat hij daarop wandelde als op vaste grond, juist zoals Jezus eens deed over het meer van Galilea. Toen nu de soldaten dit evenzo wilden doen, denkend hem te halen en opnieuw gevangen te nemen, zonken zij allen in de diepte. Toen wandelde Sint-Blasius geheel uit vrije wil naar de kust, omstraald door een goddelijk licht, zodat het een heerlijk wonder was hem te zien, want hij was ge­reed en verlangend te sterven. Willig liet hij zich door de heide­nen grijpen en niet lang daarna werd hij onthoofd.

In overoude tijden was het in Engeland gewoonte op de derde februari grote vreugdevuren te zijner ere op de heuvels aan te steken. En bij het zien van deze vreugdevuren kwamen alle dieren uit hun holen en spelonken en nesten, ter nagedachtenis aan de goede Heilige, die zo goed geweest was voor hun voorouders, de dieren uit de bossen van Armenië.

Uit: ‘Een boek van heiligen en hun dieren‘

Meer over Blasius

2e klas vertelstof: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

2e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 2e klas

781-716

VRIJESCHOOL – 4e klas – vertelstof – Edda (2-1)

.

HET THRYMSLIED

Of    ‘HOE THOR ZIJN HAMER TERUGHAALDE’

Dit deel uit de Edda leent zich uitstekend tot toneelstuk.
Ik veranderde bestaande versies enigszins.

Kinderen kunnen snel hele stukken hiervan leren, vooral als je het elke dag met ze oefent. Ook tijdens het oefenen van het spelen, wordt steeds meer geleerd en uiteindelijk kent ieder kind alle coupletten.

Ik heb het meerdere keren met veel plezier gespeeld!

Maar ik heb het ook een keer gebruikt om het handschrift te verbeteren. Ik vond het van de meeste kinderen nog niet mooi genoeg en zocht naar een manier, anders dan ik het zelf vroeger moest leren: in een schoonschrijfschrift en dan tientallen keren onder elkaar hetzelfde woord dat als voorbeeld op de eerste regel stond.

Het oefenen van de toneelstuktekst gaf gelegenheid om het toneelstuk als boekwerkje – in een schrift – te presenteren.

Wat op de volgende tekst niet te zien is, zijn de lijnen waarop en waartussen geschreven werd. De kleine letters tussen twee lijnstrepen, de hoofdletters tussen drie. Wie kon laten zien op deze manier mooi te kunnen schrijven, mocht overgaan naar ‘kleiner’: de kleine letter gehalveerd tussen twee balkstrepen; de hoofdletter tussen twee balkstrepen.

Thrymslied 1
Thrymslied  tek.1.jp2

Thrymslied 3

Thrymslied 4

Thrymslied 5

Thrymslied 6Thrymslied 8Thrymslied 9Thrymslied 10Thrymslied 11Thrymslied  tek.2.jp2Thrymslied 12Thrymslied 13Thrymslied 14Thrymslied 15Thrymslied  tek.3Thrymslied 16Thrymslied 17Thrymslied 18Thrymslied 19Thrymslied 20Thrymslied  tek.4.

4e klas: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 4e klas vertelstof

780-715

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – J.S.Bach

.

“GODE ALLEEN DE EER”

Een ongehoord muzikaal fiasco scheen in maart van het jaar 1829 in de maak te zijn op de strenge Berlijnse Singakademie. Een wijdlopig werk, zo onhandelbaar dat het twee afzonderlijke orkesten en koren vereiste, werd er ingestudeerd. Een passiemuziek naar het evangelie van Mattheüs, welke bij haar eerste uitvoering, honderd jaar eerder, amper een vleugje belangstelling had gewekt. De componist ervan was al even onbekend als de muziek: Johann Sebastian Bach had nu reeds 80 jaar in een graf zonder enige aanduiding gelegen. En de dirigent die de uitvoering zou leiden, was de onbekende “ontdekker” van het werk een 20-jarige joodse jongeman, genaamd Felix Mendelssohn, die voor het eerst in zijn leven voor een combinatie van orkest en koor zou staan. Als jongen van 14 jaar had Mendelssohn bij zijn muziekleraar toevallig een partituur van de passiemuziek in handen gekregen en ze had zijn hart veroverd. Een andere aanbeveling kreeg de muziek praktisch niet.
Maar de leden van de Singakademie vertelden zoveel goeds van de repetities dat de zaal bij de openbare uitvoering tot de laatste plaats bezet was. En vanaf de eerste tonen werd het publiek meegevoerd door een golf van religieuze bewogenheid, want zo’n diep ontroerende muziek als de Matthäus Passion werd misschien nooit geschreven. Een gewijde stilte begroette de lyrische solozangen, de treffende, bespiegelende aria’s, de machtige, vervoerende koralen. Niet alleen hoorde en voelde het publiek dit alles zo diep, het zag het ook. Want zo groot was het genie van deze onbekende Bach dat het leek of hij, met niets anders dan noten, een levendige toneelaankleding en een stemmingsvolle belichting te voorschijn kan toveren. Iedere keer als Christus sprak, bijvoorbeeld, had Bach Zijn woorden omgeven met een trillend halo van klanken, gespeeld door de strijkers. Terwijl Christus werd weggeleid, riep de muziek een beeld op van voetstappen die zich vermoeid voortsleepten onder het gewicht van het Kruis.
De uitvoering had zoveel succes dat ze moest worden herhaald niet één keer maar twee keer, voor uitverkochte zalen. Dank zij Mendelssohn was er een plotselinge belangstelling gewekt voor Bachs muziek en grote componisten moedigden dit enthousiasme aan. Chopin gaf alle pianisten de raad om Bachs muziek terdege te studeren. “Het is de hogeschool voor de pianist,” zei hij. “Niemand zal ooit een betere kunnen scheppen.”

Een onderzoek bracht aan het licht dat gelukkig vele onuitgegeven meesterwerken van Bach bewaard waren gebleven: passiemuziek, missen, kerkcantates, oratoria, werken voor orkest, voor strijkers, voor klavier. In heel Europa werden Bachverenigingen opgericht om deze verwaarloosde werken op te sporen en uit te voeren.

Tegenwoordig is Bach diep geworteld in ons hart en ons leven. Vele christelijke gezangen die men overal ter wereld in de kerken kan horen, zijn door Bach op muziek gezet: “O, Haupt voll Blut und Wunden” en “Jesu bleibet meine Freude” en vele andere. In zijn muziek gloeit een intens godsdienstig vuur. Muziek was voor hem een wijze om God te verheerlijken, alsof de tonen, nadat ze buiten het bereik van het menselijk oor waren gekomen, nog steeds ten hemel opstegen als een lofzang. “Alle muziek moet slechts ten doel hebben,” zo hield hij zijn leerlingen voor, “God te eren en aangename verpozing te verschaffen. ” Op vele van zijn partituren krabbelde hij in de kantlijn de opdracht: Soli Deo Gloria — Gode alleen de eer.

Bachs geestesadel ging schuil in een ruwe bolster. Portretten van hem tonen een gedrongen man met een onverzettelijke mond die naar voren steekt boven een onderkin. Zijn neus is dik en hij loenst een beetje – zijn gelaatsuitdrukking doet vermoeden dat hij zowel de bitterheid als de heerlijkheden van het leven heeft geproefd. Want met de vroomheid en het van generatie op generatie overgeleverde muzikale vakmanschap, dat in deze meester zijn hoogtepunt had bereikt, was een grote dosis menselijkheid gemengd. De man die God loofde in zijn partituren noteerde er ook zijn huishoudelijke berekeningen op. Er laaide een vuur in hem, maar hij werd ook aanhoudend gekweld door materiële zorg om zijn grote gezin – hij heeft 20 kinderen gehad, van wie er 11 jong gestorven zijn.
Als kerkorganist en -componist produceerde Bach duizenden composities, zo ongeveer als een dominee wekelijks zijn preek af­levert. Zijn composities werden door de parochianen aangehoord als behorend tot de gewone routine. Hij heeft niet de moeite ge­nomen ook maar een van zijn kerkelijke werken te laten uitgeven; men zegt dat enkele ervan, die in een kast van een kerkelijke school waren achtergelaten, door de leerlingen werden gebruikt om hun boterhammen in te pakken. Bach zou verbaasd hebben opgekeken als hem was verteld dat zijn muziek 200 jaar na zijn dood geregeld op de concertprogramma’s zou voorkomen, want hij werd door de twee voornaamste muziekcritici van zijn tijd vierkant afgewe­zen. De enige belangrijke compositie-opdracht die hij ooit kreeg was om een serie stukken voor klavecimbel te maken — de Goldberg-Variationen — ten einde een Russische gezant die aan slape­loosheid leed, wat rustiger te maken.

Johann Sebastian Bach werd geboren in 1685 te Eisenach in Thüringen. Bijna twee eeuwen lang had zijn familie bekwame musici voortgebracht — organisten zowel als instrumentalisten. De familiereputatie was zelfs zo groot dat in die streek een musicus werd aangeduid als “een Bach”.

Wees geworden op tienjarige leeftijd, kwam hij in huis bij een oudere broer, die uit jaloezie op zijn talent niet wilde toestaan dat Sebastian studeerde uit een verzameling moeilijke orgel- en kla­viercomposities. Bijgevolg klauterde de jongen maandenlang bijna iedere nacht naar de bovenste plank van de boekenkast, haalde de stukken eruit, kopieerde ze bij het licht van de maan en legde ze bij het aanbreken van de dag weer terug op hun plank. Toen zijn broer hem op een keer deze verboden werken hoorde spelen, nam hij de met zoveel moeite vervaardigde kopieën in beslag. Al wat de jongen ervan overhield was een steeds achteruitgaand gezichtsvermogen.

Toen Sebastian 15 jaar was, hoorde hij dat er goede plaatsen als koorknaap beschikbaar waren in Lüneburg, ruim 300 kilo­meter van zijn woonplaats Ohrdruff, en hij trok er te voet heen om zijn fortuin te maken. Hij bleef er drie jaar, zong in het koor, speelde viool in een orkest en bracht eindeloze uren door aan het orgel en het klavecimbel. Wanneer hem in later jaren gevraagd werd naar het geheim van zijn briljante techniek, zei hij: “Als u even ijverig studeert als ik gedaan heb, zult u evenveel succes hebben.”

Bach werd zo’n meester in zijn vak dat hem na verloop van tijd de belangrijke post van hoforganist in Weimar werd aangeboden, waar hij negen jaar bleef. Hier schreef hij zijn beroemde orgel­toccata’s (letterlijk “tokkel”-stukken, vanwege de vingervlugheid die hun uitvoering vereist) en uiterst gecompliceerde fuga’s. Zijn roem verbreidde zich meer en meer, zodat eens, toen hij zonder zich bekend te maken een dorpskerk bezocht en aan het wrakke orgel de prachtigste tonen ontlokte, de verbaasde organist uitriep: “Dat kan alleen maar een engel uit de hemel zijn — of Bach in eigen persoon!”

Bach was echter niet gelukkig aan het hof van Weimar, en in zijn volgende betrekking — hofkapelmeester van vorst Leopold van Anhalt te Köthen — had hij geen behoorlijk orgel tot zijn be­schikking. Dus keerde hij op 38-jarige leeftijd het hofleven de rug toe en nam de kort tevoren opengekomen betrekking als cantor en organist van de Thomaskirche te Leipzig aan. Zijn basissalaris bedroeg slechts een kwart van wat hij vroeger verdiende en het werk was vermoeiend en beneden zijn waardigheid. Behalve dat hij een constante stroom composities moest afleveren werd van hem verlangd dat hij klassikaal onderricht gaf in Latijn en muziek, en ook als surveillant optrad van een stel luidruchtige kinderen op de Thomasschool.

Gedurende de 27 jaar van zijn verblijf in Leipzig klaagde Bach over “plagerijen, jaloezie en tegenwerking” bij iedere stap. Maar de kleingeestigheid die hem omringde kon zijn inspiratie niet doen opdrogen. In de eerste twee decennia in Leipzig schreef hij een verzameling religieuze muziek die nooit geëvenaard zou worden: bijna 300 cantates voor alle gewijde dagen van het kerkelijk jaar, twee oratoria, missen en motetten, de Johannes- en de Matthäus-Passion, de monumentale Mis in b kleine terts.

Maar de jaren van noten schrijven, studeren en avonden lang spelen wat hij overdag gecomponeerd had verwoestten zijn toch al zwakke ogen. Hij vestigde zijn hoop op het bezoek aan Leipzig van een beroemde Engelse oogarts, die twee operaties verrichtte. Beide mislukten. Blind en met een ontredderde gezondheid bleef Bach achter. Gedurende de periode dat hij blind was schreef hij echter Die Kunst der Fuge, een werk zo ingewikkeld en knap ge­componeerd dat men er ademloos naar luistert.

Ons moderne mensen klinkt veel muziek van Bach aanvankelijk wat vreemd in de oren. De muziek waarmee wij vertrouwd zijn — populaire wijsjes, volksmuziek, zelfs veel klassieke werken uit de laatste honderd jaar — is opgebouwd als een boog, met akkoorden in de bas die als pilaren een enkelvoudige melodie ondersteunen. Bachs muziek is contrapuntisch, dat wil zeggen dat een melodie of beter: een thema — in verschillende liggingen tegen elkaar wordt gezet; langzamerhand klinken dan alle stemmen tegelijker­tijd, elkaar kruisend en hun klankkleuren dooreenmengend tot ze een waar tapijt van tonen vormen. En zo volmaakt was Bachs vakmanschap dat, toen onlangs bij een experiment een muziek­rol van een pianola met een van zijn composities werd omgekeerd – zodat de hoge noten de baspartij werden en de lage noten de bovenstem — de muziek precies even melodieus klonk als tevoren.

Draai een grammofoonplaat van een koorwerk van Bach, of van een van zijn bekende orgelcomposities, en let de eerste keer alleen op de melodie in de hoogste ligging, de sopraanpartij. Luister dan nog een keer, maar zonder nu uit het weefsel van stem­men de baspartij af. Concentreer u vervolgens uitsluitend op de middenstemmen. Weldra zal veel muziek van het genre dat u zo vertrouwd was — die akkoorden als pilaren — u bijna alledaags voorkomen. Het geniale van Bach is dat u honderden keren naar hem kunt luisteren en toch steeds weer nieuwe schoonheden kunt ontdekken die u nog niet waren opgevallen.

In juli 1750 kon Bach als door een wonder plotseling weer zien. Bijna onmiddellijk daarna kreeg hij echter een beroerte. Tien dagen later stierf hij, maar niet voordat hij een van zijn ontroe­rendste werken had voltooid, een bewerking voor orgel van het koraal der wanhoop: Wem wir in höchsten Nöthen sein. Er klinkt geen spoor van lijden door in deze laatste compositie, en vlak voor zijn einde veranderde Bach de titel van het koraal in: Vor Deinem Tron tret’ ich hiermit. Hij stierf zoals hij had geleefd, God verheerlijkend in zijn muziek. Het was de allerlaatste persoon­lijke offerande van een mens die de akkoorden van een hemelse harmonie had beluisterd.

.

Getallensymboliek in de muziek van Bach

8e klas: alle artikelen

Vertelstof: alle biografieën

Vertelstof: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden
.

779-714

.

VRIJESCHOOL – 2e klas – vertelstof – legenden (3-4)

.

Verteltijd ca. 20 min.
.

DE HEILIGE KENTIGERNUS EN HET ROODBORSTJE

Er was een tijd, dat Sint-Servatius een school had in Schotland in de nabijheid van Glasgow, waar vele  jongens, grote en kleine, kwa­men om te leren.
Onder die  jongens was er een, die alle anderen overtrof en als leerling uitmuntte. Kentigernus was een van de klein­ste jongens van de school en toch was hij de eerste van de hoogste klas. Kentigernus was het, die altijd het antwoord vond op de meest ingewikkelde vraagstukken en die de moeilijkste Latijnse passages verstond, wanneer niemand anders de zin ervan begreep. Kentigernus was het, die het eerst van allen zijn lessen leerde en ze het best opzegde. Kentigernus was het, die het mooiste zong, nooit te hoog of te laag, altijd zuiver, vandaar dat de goede Servatius van hem het meest hield.

Om al deze redenen en om nog vele andere waren de  jongens jaloers op Kentigernus en verzonnen van alles om hem te plagen en verdriet te doen. Zo trachtten zij hem in de war te maken, wanneer hij zijn lessen moest opzeggen, door onderwijl hard te praten en te lachen. Maar dit was alles vergeefse moeite; zijn antwoorden waren altijd helder en duidelijk, zodat zij dit wel moesten opgeven. En zij be­dachten nieuwe plagerijen en gaven hem spotnamen, om te proberen hem uit zijn humeur te brengen, zodat hij gestraft zou worden. Maar hij was te goedhartig om boos op hen te worden en zo moesten zij ook hiermee ophouden. Toen probeerden zij hem door vleierijen op een dwaalspoor te brengen en hem iets te laten doen, waarmee hij de toorn van Sint-Servatius zou opwekken. Maar Kentigernus had zijn meester te lief dan dat hij ooit iets doen zou om hem te mishagen. En zo moesten ten laatste de  jongens ook hiervan afzien. Maar er moest toch een middel gevonden worden om Kentigernus in ongenade te doen vallen, er moest toch een valstrik wezen om hem te vangen. En weken lang putten zij hun brein uit om iets te bedenken, totdat zij ten laatste meenden wat goeds gevonden te hebben.
Het aanhouden van het vuur bood daarvoor een geschikte gelegenheid. In die dagen bestonden er nog geen lucifers, waarmee men dadelijk licht kon maken, want het was in het jaar 600. De enige manier om vuur te krijgen bestond toen in het zolang tegen elkaar wrijven van twee droge stukken hout, tot deze warm werden en er vonken uit het hout sprongen, waardoor het in brand raakte. Dit was een zeer lastig en vermoeiend werk, vooral in de winter, wanneer er maar zeer weinig droge houtjes te vinden waren. Vandaar, dat het vuur in de grote haard van de Sint-Servatiusschool dag en nacht met de grootste zorg werd aangehouden en het een werkelijk ernstig geval was, wanneer men het liet uitgaan. Want hoe zou­den het ontbijt moeten klaar gemaakt, de kamers verwarmd en de was­kaarsen ontstoken moeten worden voor de ochtenddienst in de kapel, wanneer er geen vuur was in de grote haard?

En zo had iedere  jongen op zijn beurt de week van het aanhouden van het vuur en hij, wiens beurt het was, moest te middernacht op­staan en zoveel hout op de haard leggen als nodig was om het vuur tot de morgen aan te kunnen houden. En Sint-Servatius zou heel boos geweest zijn op de jongen, die de haard gedurende de nacht zou hebben laten uitgaan.

Zo had dan Kentigernus de week om het vuur aan te houden, en hij deed dit reeds verscheidene dagen met de uiterste zorg. Maar de jon­gens wachtten op een gelegenheid om hem hun poets te bakken. De vierde nacht stond Kentigernus weer op, juist toen de klok van de kapel “twaalf” sloeg en ging naar beneden om het nodige hout op de haard te leggen. Maar nauwelijks kwam hij in de grote voorhal of hij merkte, dat er iets niet in orde was. Brr! – het was er kil en koud en hij zag geen enkel gloeiend vonkje in de haard. Huive­rend liep Kentigernus naar de haard, en pookte uit alle macht de zwarte, verkoolde houtblokken op. Maar er lag niets dan een hoopje witte as en half uitgebrand hout!

Toen voelde Kentigernus zich de moed ontzinken, want hij wist dat hij voor zijn nalatigheid berispt zou worden, al vermoedde hij wel, dat iemand water op het vuur moest hebben gegooid om het zodoende uit te doven. Hij begreep zeer goed, dat de andere  jongens dit ge­daan hadden om hem in ongelegenheid te brengen.
Het eerste ogenblik wist hij niet, wat hij doen zou, tot hij opeens moed vatte, een blok hout uit de hoek haalde en dit op de ashoop legde. En neer­hurkend blies hij het zacht aan. En o, wonder! nauwelijks had hij met zijn adem de as doen opstuiven en het mos, waarmee het grote houtblok begroeid was, doen trillen, of de hele haard was vol dansende vlammen, het hout begon te knetteren en het vuur laaide hoog op. Met een glimlach van geluk op het gelaat kroop Kentigernus weer in bed, zonder een van de slapende jongens, die getracht hadden hem zo’n part te spelen, wakker te maken.
Toen nu de jongens ’s morgens wakker werden, gaven zij elkaar
veelbetekenend knipoogjes en stootten elkaar geheimzinnig aan, elk ogenblik verwachtend Sint-Servatius te zien binnenkomen, met gefronste wenkbrauwen, om de nalatige Kentigernus een berisping toe te dienen. En iedere jongen nam zich reeds in stilte voor, plechtig te verklaren, dat het vuur vrolijk brandde, toen hij naar bed gin, en dat dus Kentigernus vergeten moest hebben in de nacht naar bene­den te gaan, om er nieuw hout op te doen. Doch zij waren niet in de gelegenheid deze leugens aan de man te brengen..Want op de gewo­ne tijd werd de bel voor het ontbijt geluid en toen zij beneden kwamen, vonden zij een goed onderhouden vuur in de haard en Kentigernus bezig met de waskaarsen in de kapel te ontsteken. En zij hebben niet geweten, hoe dit alles zo heeft kunnen gebeuren tot lang, zeer lang daarna, toen Kentigernus reeds vele andere wonderen verricht had en hij wijd en zijd bekend was als een Heilige. Maar intussen haatten de  jongens hem meer dan ooit, omdat zij za­gen, dat Sint-Servatius hem steeds meer liefkreeg.
En opnieuw tracht­ten zij een plan te beramen om hem in ongenade te doen vallen. Ditmaal echter verzonnen zij iets, dat nog veel wreder was. Want als dit plan lukte, zou dit niet alleen Kentigernus een bestraffing bezorgd en Sint-Servatius ongelukkig gemaakt hebben, maar zou het ’t leven gekost hebben aan een onschuldig wezentje, dat nooit iemand kwaad gedaan had.

Sint-Servatius was een goedhartige, vriendelijke oude man en hij bezat een roodborstje, waarvan hij bijzonder veel hield, – een klein beestje, met ronde, zwarte oogjes, dat zijn ontbijt uit de hand van Sint-Servatius at. En wanneer zijn meester zijn psalmen zong, ging de kleine koorzanger op de schouder van Servatius zitten en sloeg met de vleugeltjes en tjilpte alsof hij wilde trachten de lofliederen mee te zingen

Op zekere morgen nu doodden de jongens het roodborstje en sneden het het kopje af. En de grootste van de jongens nam het dode vogeltje in de hand en gevolgd door de anderen, liep hij huilend naar Sint- Servatius, alsof hij een groot verdriet had. “O Vader,” riep de jongen, “kijk eens wat die boze Kentigernus ge­daan heeft! Kijk eens naar uw roodborstje, dat Kentigernus gedood heeft!”

Toen begonnen zij allen als uit één mond op Kentigernus te schelden, terwijl enkelen van hen beweerden, hem zijn boze daad te hebben zien verrichten.

Natuurlijk was Sint-Servatius zeer bedroefd en boos. Zacht en teer nam hij het levenloze lichaampje in de hand en ging Kentigernus zoeken, terwijl de jongens hem op de tenen naslopen om te zien hoe deze ontmoeting wel zou aflopen. En achtereenvolgens kwamen zij aan het venster, waarin Kentigernus op de vensterbank zat. En Sint-Servatius, naar hem toegaande, legde zwaar de hand op zijn schouder. “Zie eens hier, knaap,” riep hij met droeve stem, “aanschouw deze wrede daad en zeg zelf, op welke manier de moordenaar gestraft moet worden. Had ik het roodborstje niet even lief als ik u liefheb, on­dankbare jongen?”
Kentigernus werd bleek van schrik en verdriet en grote tranen kwamen hem in de ogen. “Och, dat arme vogeltje,” zei hij. “Hield ook ik niet even goed van hem? Wie heeft het gedood, Vader?”
“Jij, jij hebt het gedaan, we hebben het zelf gezien!” riepen de jongens allen in koor uit.
Kentigernus, zich omkerend, zag hen met de grootste verwondering aan. Hij zei geen enkel woord terug, maar zijn wangen werden vuur­rood en zijn ogen flikkerden. Dit was meer dan zijn geduld verdra­gen kon.
“Wat heb je hier tegenin te brengen?” vroeg Sint-Servatius streng. Toen, vol droefheid zich tot hem kerend, sprak Kentigernus: “O,Vader, hoe kunt u geloven, dat ik tot zo iets wreeds in staat zou zijn, dat ik het vogeltje zou kunnen doden en u ver­driet aandoen? Ik heb het niet gedaan.” “Kun je dat bewijzen?” vroeg Sint-Servatius op steeds strenge toon, want hij meende, dat de jongen een leugen had bedacht om zijn schuld te verbergen.
“Geef mij het roodborstje, Vader”, zei Kentigernus, de hand uitstrekkend. “Ik zal het bewijzen, dat het niet deze hand was, die zich lafhartig vergreep aan zo’n teer wezen als dit kleine vogeltje.” En het dode, slappe lijfje in de ene hand en het kopje in de an­dere hand nemend, stond hij daar vóór hen allen, opziend naar de hemel, terwijl hij een kort gebed sprak.
“O Vader in de hemel,” bad hij, “geef mijn beminde vader op de aarde het bewijs, dat ik deze wrede daad niet beging. Wanneer ik onschuldig ben, geef mij dan de macht het kwaad ongedaan te maken en het leven weer te geven aan de kleine zanger, die met zijn liefelijk lied zo graag uw lof verkondigde.
Toen zette hij zacht het kopje op de plaats waar het behoorde en terwijl zijn tranen vielen op de hals van het roodborstje, scheen het alsof het weer aan zijn lichaampje vastgroeide. De veertjes be­wogen zich en de zwakke vleugeltjes trilden zwak. De zwarte oogjes openden zich en uit het keeltje kwam een zacht getjilp. Toen wip­te het roodborstje uit Kentigernus’ hand, huppelde over de grond tot voor de voeten van Sint-Servatius en vloog op zijn meesters schouder. En daar zittend zong het een jubellied, dat klonk door de gehele voorhal. Maar de schuldige, boze jongens staken allen hun vingers in de oren en verbleekten, alsof zij verstonden wat hij zei en alsof het hun jaloezie, hun wreedheid en hun valsheid aan het licht bracht.

Zo kwam Sint-Servatius te weten dat Kentigernus onschuldig was en hoe alles zich had toegedragen. En meer dan vroeger was Kentigernus zijn meester dierbaar, die hem op allerlei manieren hielp een grote, goede Heilige te worden. Ook het roodborstje werd zijn trouwe, liefhebbende vriend, want nooit scheen het vogeltje te vergeten, dat Kentigernus het door zijn gebed het leven weergegeven had. Daarom zong het zijn mooiste lied voor de knaap. Zijn schoolmakkers hadden van die tijd af de grootste eerbied voor Kentigernus, die onder bijzondere hoede van God scheen te staan.

Uit: ‘Een boek van heiligen en hun dieren‘

 

2e klas vertelstof: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

2e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 2e klas

778-713

VRIJESCHOOL – 2e klas – vertelstof – legenden (3-3)

.

Verteltijd ca. 25 min

DE KOE VAN DE HEILIGE LAUNOMARUS

Sint-Launomarus was eenmaal herdersjongen geweest in de weiden van het zonnige Frankrijk en had meegeleefd met de vriendelijke bewoners van de schaapskooien en stallen. Daarom kende hij hen zelf en hun doen en laten zo goed en voelden zij op hun beurt een vriend in hem. Alleen door met hen mee te voelen, kom je achter het geheim van hun wezen, omdat de dieren zelf niet kunnen spreken.

Sint-Launomarus nu had een koe, die hij zeer bijzonder liefhad, een mooie, glanzend zwart-en-witte koe, die graasde in de groene weiden van Chartres in de nabijheid van het klooster en die ieder­e avond thuis kwam om gemolken te worden en met haar zachte neus streek ze dan langs de hand van haar meester om hem te vertellen hoeveel ze toch van hem hield.
Mignon was een zeer wijze koe, men kon dat af­meten naar de krommingen aan haar horens en naar de rimpels in haar voorhoofd tussen de ogen; en ook nog en wel voornamelijk, naar de wijze waarop zij met haar staart sloeg. En bovendien, een koe opgevoed door een heel klooster met geleerde mannen en die Launo­marus, de wijste man uit het gehele land, tot meester en vriend had, moest wel wijs wezen.

Het was een donkere nacht na melktijd. Launomarus had Mignon naar haar stal gebracht met haar avondeten, uit hooi bestaande en had haar goedenacht gewenst en aangenaam herkauwen. Hierna had hij de zware schuurdeur gesloten en was naar zijn cel gegaan om te sla­pen, tot de morgen opnieuw zou aanbreken.

Maar nauwelijks was hij met zijn lantaarn door de poort van het klooster verdwenen of er kwamen uit het bos vijf zwarte figuren te voorschijn, kruipend en sluipend langs de wal en over de bin­nenhof naar de zware eiken poortdeur. Zij waren allen gehuld in lange, zwarte kapmantels, waarvan zij de kappen dicht over hun gelaat getrokken hadden, alsof zij bang waren herkend te zullen worden. Zij zagen er boos uit die mannen en zij hadden grote messen zodanig tussen hun gordels gestoken, dat zij die er gemakkelijk uit konden trekken. Het was een bende rovers, naar de stal geko­men om de koe van Launomarus te stelen, die bekend stond als de mooi­ste uit de hele streek.
Zeer behoedzaam openden zij de grote deur en zeer behoedzaam kro­pen zij over de grond naar Mignons stal en bonden een stevig touw om haar nek om haar weg te voeren. Maar vooraf waren zij zo
voor­zichtig een prop in Mignons bek te stoppen waardoor zij niet loei­en kon om het gehele klooster zodoende te waarschuwen, in wat voor ge­vaar zij verkeerde. Mignon was daar zeer boos over, want juist had zij dit willen doen, toen zij merkte, dat de mannen geen vrienden, maar boze mensen waren, die met niet veel goeds in hun zin bij haar of in het klooster gekomen waren.

Maar nu bleef haar niets anders over dan stom en zwijgend met hen mee te gaan, hoewel zij voortdurend schopte en trachtte zich te ver­zetten en zoveel leven probeerde te maken als zij maar kon. De monniken wa­ren evenwel vast in slaap en lagen ronkend op hun harde britsen zonder maar enigszins te vermoeden wat er zo dicht bij hen ge­beurde. Alleen Launomarus draaide zich in zijn slaap om en prevel­de: “Ho, Mignon, sta stil!”, toen hij het doffe geluid van schoppen hoorde. Maar toch werd zelfs Launomarus niet wakker, om zijn dier­bare Mignon te redden uit de handen van de boosdoeners die haar gestolen hadden.

De rovers gingen haastig met haar door de laan, over de welbekende weide naar het dichte, donkere bos, waar zij haar gemakkelijk kon­den verbergen voor de ogen van een ieder, die voorbij mocht komen.
Nu was het die nacht wel bijzonder donker, zodat zij slechts zeer flauw konden zien, waar zij zich bevonden en de paden kruisten en overkruisten elkaar in zoveel richtingen, dat de rovers weldra met elkaar begonnen te twisten over het pad dat zij eigenlijk ne­men moesten. En zij kenden dit gedeelte van de streek niet zo heel goed, want zij waren afkomstig uit een andere provincie, alleen naar het land van Launomarus gekomen, omdat zij gehoord hadden van zijn be­roemde koe en omdat zij begerig waren die te bezitten.
Het duurde niet lang of de rovers waren verdwaald tussen het gewirwar van doornen en struiken en wisten helemaal niet mee, waar zij waren of in welke richting zij verder moesten gaan. De een zei: “Laten wij deze weg nemen,” wijzend naar het noorden en de ander zei: ” Neen, neen! wij moeten deze weg uit,”  en hij wees recht naar het zuiden heen. En de derde pruttelde tegen en zei: “Ho, jongens! niet daarheen, maar deze kant,” en hij wees naar het oosten, terwijl de vierde Mignon naar het westen toe keerde en uitriep: “Jullie hebben het allemaal mis, kameraden. Daar moeten we heen.” De vijfde rover evenwel bekende, dat hij het werkelijk niet wist. “Laten wij de koe volgen,” riep hij, “zij is de enige die in het donker zien kan. Ik heb altijd gehoord, dat de dieren ons goed lei­den, wanneer wij de zaak geheel aan hen overlaten.”
Daar nu de andere rovers niet het minste begrip hadden, welke richting zij moesten volgen, leek hun dit plan even goed aannemelijk als de andere plannen.

En zij stroopten het touw over Migons kop en zeiden: “Ziezo! vooruit koe, wijs jij ons den weg!”

Mignon zag hen door de duisternis heen met haar grote bruine ogen aan, in zichzelf lachend. Het scheen te mooi te wezen om waar te zijn! De rovers hadden haar dus vrij gelaten en vroegen haar, hun de weg uit het bos te wij­zen, terug naar hun eigen streek. Mignon lachte nog eens een keer in zichzelf, maar nu zo hard, dat de rovers dachten, dat zij stikte en namen de prop uit haar mond. Dit was juist, wat zij wilde, want zij verlangde om weer te gaan herkauwen. En zij schudde de kop en zei vriendelijk: “Boe!” alsof zij zeggen wilde: “Kom maar mee, lieve mensen, ik zal je de weg wel wijzen.”
Maar in werkelijkheid dacht ze zij zichzelf: “Aha! mijn brave jongens, nu zal ik je eens een aardig tochtje la­ten maken.”
Mignon was een zeer wijze koe; zij had niet met gesloten ogen ge­graasd in de weiden buiten Chartres, maar had ze integendeel wijd open gehouden, zodat zij alle paden door het bos en de venen kende, van het noorden naar het zuiden, zowel als van het oosten naar het westen. Zelfs in donker wist zij de weg  door het dichtste kreupelbos goed te vinden. Maar zij dacht: “Ik moet de weg niet te gemakkelijk maken voor die boze mannen.” En zij voerde hen in een kring rond, dwars door de modder en de braamstruiken en door moerassen heen, over beekjes en door grote modderige vijvers, al maar in een kring rond, de hele nacht door. En zij hadden graag eens willen rusten, maar ze liep zo hard door, dat zij haar niet konden inhalen, om haar eens even te doen stilstaan. En zo moesten zij ook wel doorlopen, want in de duisternis wilden zij haar witte gedaante niet gaarne uit het oog verliezen. Gebeurde dat, dan zou­den zij reddeloos verloren zijn, daar zij nooit uit deze wildernis zouden weten te komen.
En zo liet Mignon hen de hele nacht hij­gend en blazend, door het nat wadend achter zich aanlopen, zodat zij op het laatst helemaal uitgeput waren; koud en huiverig van het nat, met schrammen bedekt van de doornen en stijf als tien bonenstaken. En toen Mignon hen ten laatste, ongeveer een uur na zonsopgang op een open plek bracht, straalde hun gelaat van blijdschap.
“Ik geloof, dat ik mij deze plek herinner”, zei de eerste rover. ”Ja, het ziet er hier zo bekend uit. We moeten zeker dicht bij huis wezen,” zei de tweede. ”We moeten zo ongeveer vijfentwintig mijlen af zijn van de monniken van Chartres”, zei de derde, “en ik wilde, dat we wat te eten hadden.” “Over een uur zullen wij de koe veilig in ons eigen hol hebben”, zei de vierde, “en dan zullen we wat brood en melk krijgen.” Maar de vijfde viel hem in de rede en zei: “Kijk eens! Wie is die man daar in het grijs?”
En terwijl ze in de aangewezen richting keken, begonnen de rovers op­eens hevig te beven. Maar Mignon riep met luide stem, blij ver­rast: “Boe!” en rende naar de man toe, die achter het kreupelhout te voorschijn was gekomen. Het was Sint-Launomarus in eigen persoon. Overal had hij gezocht naar zijn kostbare koe, want toen hij naar de schuur gegaan was om Mignon te melken, had hij deze leeg gevon­den en haar sporen met die van de vijf rovers in de vochtige aarde hadden hem de gehele geschiedenis verteld en hem tevens gewezen, welke weg het gezelschap genomen had. Maar het was niet het plan van de heilige Launomarus om de rovers te bestraffen of angst aan te jagen. En hij ging naar hen toe, want zij waren zo geschrokken toen zij hem zagen, dat zij nog altijd bevend aan dezelfde plek vastgenageld stonden en helemaal vergeten hard weg te lopen. “Goedemorgen, vrienden,”  zei Launomarus vriendelijk. “Ik zie, dat jullie mijn koe teruggebracht hebben die vannacht voor het eerst in haar leven haar stal verlaten heeft en ver weg is gelopen. Ik dank u, goede vrienden, dat jullie mijn Mignon teruggebracht hebben, want niet alleen is zij een schat op zichzelf, maar zij is mijn beste vriendin en ik zou heel ongelukkig geweest zijn, wanneer ik haar kwijt geraakt was.”

De rovers staarden Launomarus sprakeloos van verbazing  aan en kon­den hun oren en ogen nauwelijks geloven. Waar kwam die man van­daan? Wat bedoelde hij eigenlijk? Maar toen zij tot het besef
kwa­men, hoe vriendelijk zijn stem was en merkten, dat hij hen niet beschuldigde, noch hen wilde straffen, waren zij zéér beschaamd. Vol schuldgevoel bogen zij het hoofd, en als door een en hetzelfde gevoel gedreven, vielen zij tegelijk neer aan zijn voeten, terwijl een van hen bekende, hoe alles zich had toegedragen en hem vergif­fenis vroeg.
“Wij hebben de koe gestolen, Meester,” zei de eerste. “En haar zoveel mijlen ver weggebracht,” zei de tweede. “Wij zijn boze rovers en verdienen gestraft te worden,” zei de derde. “Maar wij smeken U ons te vergeven,” riep de vierde uit. “Laat ons heen mogen gaan, goede Vader, smeken wij U,” verzocht de vijfde. “En wees zo goed ons op de rechte levensweg terug te brengen, want wij zijn daar helemaal van afgedwaald”.

“Neen, neen,” antwoordde Sint-Launomarus vriendelijk, “de koe heeft u een lange weg laten maken, is het niet zo? en jullie zullen zeker wel erg moe en hongerig zijn. Jullie kunnen nu niet verder reizen.”
En inderdaad waren zij te deerniswaardig om aan te zien, zodat het hart van de Heilige met medelijden vervuld was. “Volgt mij,” zei hij. En zij waren te zwak en te vermoeid, om ook maar aan
on­gehoorzaamheid te denken.
En zo vormden zij in alle ootmoed met hun zevenen een processie, Launomarus en de koe vrolijk vooruit lopend. Want deze beiden waren zeer verheugd weer bij elkaar te zijn, en liefdevol had Launomarus onder het gaan zijn arm om Mig­nons glanzende nek geslagen.

Maar hoe groot was de verbazing van de vijf rovers, toen zij na verloop van een paar minuten een hoek omsloegen en opeens het kloos­ter vlak voor zich zagen, met dezelfde schuur, waaruit zij Mignon in de afgelopen nacht gestolen hadden!
Al die tijd dus had de verstandige koe hen in een grote kring rondom haar eigen huis ge­leid. En na al dat waden door de modder en dat kruipen door het struikgewas in donker, waren zij in de morgen nog niet verder ge­komen op hun tocht dan zij in het begin geweest waren. Wat een wijze koe was dat geweest! En wat een heerlijk ontbijt van pap en hooi en zoete koolraap gaf Launomarus haar, omdat zij ‘s nachts zo hard gewerkt had.

De vijf rovers kregen ook een goed ontbijt, maar waarschijnlijk genoten zij er niet zo van als Mignon, want hun geweten was be­zwaard. Daarbij zaten zij aan tafel in het klooster en stonden alle monniken er op een rij zwijgend en met vrome gezichten bij, wat niet geschikt was om hen op hun gemak te stellen.
En toen de rovers hun brij aten, zei Launomarus zacht: “Deze is van Mignons melk gemaakt, vrienden. Het is de beste melk uit geheel Frankrijk, die u heden voor uw ontbijt van harte gegund is, daar wij alle reden hebben om dankbaar te zijn, dat jullie die niet voor altijd buiten ons bereik hebt gebracht. O, mijn vrienden, wij zouden zo’n kostbare koe, zo’n goede vriendin, zulk een trouwe leidsvrouw moeilijk kunnen missen. Ik vertrouw dus, dat jullie haar diensten niet meer nodig zullen hebben. Bij daglicht zullen jullie zeker wel alleen je weg naar huis kunnen vinden, wanneer ik u die wijs. De straatweg is ruim en recht voor eerlijke lieden. Ik raad u, die rechte weg te gaan.”

En toen zij verfrist en uitgerust waren, deed Launomarus hen uit­geleide en wees hun de weg, die zij te gaan hadden zoals hij beloofd had. Hij en Mignon stonden op de top van een kleine heu­vel en keken hen na, of zij wel het goede pad hielden. En toen zij uit het gezicht verdwenen waren, keerden zij zich om en keken el­kaar aan, de wijze Heilige en de wijze koe. En beiden lachten zij in zichzelf.

Uit: ‘Een boek van heiligen en hun dieren‘

2e klas vertelstof: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

2e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 2e klas

.

776-711

VRIJESCHOOL – 2e klas – vertelstof – legenden (3-2)

.

Verteltijd ca. 16 min.
.

DE HEILIGE BRIGITTA EN DE WOLF VAN DE KONING

Iedereen heeft wel eens gehoord van Brigitta, het kleine heilige meisje van Ierland. Haar naam is dan ook even goed bekend als die van de heilige Patricius die de slangen van het eiland verdreef.
De heilige Brigitta had lange, gouden haren en was heel mooi. Vele wonderlijke dingen zijn met haar gebeurd, die opgeschreven staan in de heilige boeken. Maar ik vermoed toch, dat je nog nooit gehoord hebt over wat zij deed met de wolf van de koning. Het is een heel wonderlijke geschiedenis, die aldus gebeurde.

De koning van Ierland bezat een tamme wolf, die een paar jagers voor hem gevangen hadden, toen hij nog een teer, klein, pas geboren wolfje was. En deze wolf liep, als hij er zin in had, helemaal vrij rond in het park bij het paleis en had een heerlijk leven.

Maar op zekere morgen sprong hij over de hoge muur die het park omgaf en dwaalde een heel eind van huis af, wat heel dwaas en onvoorzichtig van de wolf was. Want in die dagen waren de wilde wolven zeer gehaat en gevreesd bij de mensen, van wie zij dikwijls het voedsel sta­len en wanneer iemand zo’n boze wolf wist te doden, voelde hij zich een heel gewichtig man. Bovendien had de koning zelf een prijs uitgeloofd aan iedereen die hem een dode wolf bracht. Want bij wilde dat zijn koninkrijk een gelukkig en vredig rijk zou zijn, waar de kinderen de gehele dag in de bossen konden spelen,  zonder dat zij gevaar liepen door wilde dieren te worden opgegeten.

Het is niet moeilijk te raden, wat er gebeurde met de wolf van de koning.

Een grote, domme boerenjongen was met zijn boog en pijlen uitgetrokken naar het bos, toen hij opeens een groot, bruin beest over een heg zag springen en over de wei zag weglopen. Het was de wolf van de koning, die van huis wegliep en zich erg vrolijk en dartel voelde, omdat dit de eerste keer was, dat hij zoiets deed. Maar de boerenjongen wist van dit alles niets.
“Aha”,  zei hij in zichzelf, “ik zal je wel gauw krijgen, mijn beste wolf en dan zal de koning me een geldstuk geven, waarvan ik een hoed en een nieuw pak kleren kan kopen voor de feestdagen.
En zonder er verder over na te denken of de wolf die het koninklijk merk op zijn oor had, eerst nog eens van dichtbij te bekijken, schoot de jongen zijn pijl recht op hem af. De wolf van de koning maakte een hoge sprong in de lucht en viel toen dood op het gras neer, het arme dier. De boer was erg in zijn schik en sleepte het dode dier regelrecht naar het paleis van de koning en klopte aan de poort.

“Doe ópen!” riep hij. “Open de poort voor de moedige jager die een wolf heeft geschoten voor de koning. Doe open, zodat ik mijn beloning kan ontvangen.”

En hij werd eerbiedig verzocht binnen te komen en de opper­kamerheer geleidde hem naar de koning, die op een rood fluwelen troon in de grote zaal gezeten was. En de man trad de zaal binnen, terwijl hij het levenloze lichaam van de wolf van de koning bij de staart achter zich aansleepte.

“Wat is dat hier?” vroeg de koning op ontevreden toon, toen de opper­kamerheer onder een diepe buiging hem met zijn staf op de vreemde­ling wees. De koning had een slecht humeur en hield er niet van in de morgen bezoeken te ontvangen. Maar de domme boer was te trots op zijn daad en te zeer vervuld daarvan, dan dat hij de misnoegde trek op het gelaat van de koning opmerkte.

“Hier hebt U een wolf, Sire,” zei hij trots. “Ik heb een wolf voor U geschoten en nu kom ik om de beloning vragen die U hebt uitgeloofd.”
Doch op hetzelfde ongelukkige ogenblik sprong de koning met een kreet van toorn op.  Hij had het merk op het rechteroor van de wolf gezien.

“Hier! Grijp de booswicht!”, riep hij tot zijn soldaten, “Hij heeft mijn tamme wolf vermoord, hij heeft mijn lieveling doodgeschoten! Weg met hem naar de gevangenis; morgen moet hij sterven!”
Het hielp de arme man niets, of hij al gilde en schreeuwde en trachtte uit te leggen, dat alles een ongelukkige vergissing was. De koning was woedend. Zijn wolf was gedood,  en de moordenaar moest sterven.
In die dagen was dit de wijze, waarop koningen degenen straften, die hen in enig opzicht mishaagd hadden. Uitstel bestond niet, alle dingen geschiedden onmiddellijk. En zo werd de arme man, naar een donker, duf gevangenishol gesleurd, waar hij schreiend, zich in wanhoop de haren uittrekkend, werd achtergelaten, wensend, dat de wolven maar nooit door Noach in zijn ark uit de zondvloed gered waren.

Niet ver van deze plaats leefde de kleine, heilige Brigitta.

Toen zij zich die mooie plek tot woning koos, was er nog geen enkel huis in de nabijheid; alleen stond er een grote eik waaronder zij haar hutje bouwde. Dit bestond slechts uit één vertrek en het dak was bedekt met gras en stro. En het was zó klein, dat het op een poppenhuis leek en Brigitta zelf was als een grote pop met gouden haren – de mooiste pop die ooit bestaan had.

Zij was zó mooi en zó goed, dat de mensen wensten dicht bij haar te wonen, om haar zacht, lief gelaat dikwijls te kunnen zien en haar stem te horen. En toen zij ontdekt hadden, waar zij haar hut gebouwd had, kwamen de lieden van alle kanten uit de omtrek met hun vrouwen en kinderen en hun huisraad, hun koeien en var­kens en kippen aanzetten, en vestigden zich op het groene gras, on­der de grote eik en ze zeiden: “Wij willen wonen waar de heilige Brigitta woont.”

En zo werd het ene huis na het andere gebouwd en ontstond er een heel dorp rondom haar kleine hut en het dorp werd Kildare genoemd, wat in het Iers betekent: ‘hut van de eik’.
En weldra was Kildare zo gezocht dat zelfs de koning er een paleis en een park wenste te hebben. En in dit park nu was de wolf van de ko­ning gedood.

Brigitta kende de man die de wolf had doodgeschoten en toen zij hoorde in welke diep ongelukkige toestand hij zich bevond, was zij zeer bedroefd, want zij was een zeer goedhartig, klein meis­je. En zij vond het wel heel dom van hem, dat hij de tamme wolf had gedood, maar het was toch een ongeluk geweest van hem en zij vond, dat hij daarvoor niet zo streng moest worden gestraft. En zij wilde dat zij iets kon doen om hem te helpen, te redden zo dit mogelijk was. Maar dit was zeer moeilijk, want zij wist, wat voor een slecht humeur de koning had en zij wist ook, hoe trots hij geweest was op die wolf, die de enige tamme wolf was in het hele land.

Brigitta liet haar wagen met haar witte paarden inspannen en reed daarmee naar het paleis van de koning, zelf nog niet wetend wat zij doen moest om de koning tot bedaren te brengen en hem te be­wegen, de man vrij te laten, die, meende ze, niets kwaads gedaan had.

Maar ziet! terwijl de paarden langs de lerse venen renden, zag de heilige Brigitta opeens een grote, witte gedaante op haar af­stormen. Eerst dacht zij, dat het een hond was. Maar neen, een hond kon zo groot niet zijn en weldra zag zij, dat het een wolf was, met grote ogen en een rode tong, die uit zijn bek hing. En toen hij de verschrikte paarden had bereikt, kwam hij met een grote sprong opeens in de wagen, waarin Brigitta zat, en legde zich aan haar voeten neer, even kalm en rustig als een hond dit gedaan zou hebben. Hij was geen tamme wolf, maar een wilde, die nooit te voren de aanraking van een mensenhand gevoeld had. En hij liet zich door Brigitta strelen en liefkozen en allerlei lieve dingen in zijn oor fluisteren. En hij bleef volkomen stil aan haar voeten liggen tot de wagen voor de poort van het paleis reed. Toen strekte Brigitta de hand uit en riep hem en het grote witte dier volgde haar rustig door de poort en de trappen op en door de lange zaal, totdat zij voor de roodfluwelen troon stonden waar­op de koning met gefronst, bars en streng gelaat gezeten was. Het moet een eigenaardig gezicht zijn geweest, die twee, het klei­ne meisje in haar groen gewaad met haar gouden haren, als een slui­er neervallend tot op haar knieën en staande naast haar sterke, witte wolf, even groot als zij, met zijn gele, schitterende ogen scherp voor zich uitstarend, de rode tong uit zijn bek.

Bri­gitte  legde zacht haar hand op zijn kop, die dicht aan haar schou­der kwam,  en boog voor de koning.
Doch de koning zat onbewegelijk op zijn troon, zozeer had deze aanblik hem verrast.
Brigitta be­schouwde zijn stilzwijgen evenwel als toestemming hem te mogen toespreken.
“U hebt uw tamme wolf verloren, o Koning,” zei ze. “Maar ik heb een betere voor U meegebracht. Nu Uw eigen wolf dood. is, is er geen andere tamme in het gehele land. Maar zie deze aan! Geen enkele witte wolf is er ergens in Uw rijk te vinden en deze is én tam én wit. Ik heb hem getemd, mijn Koning. Ik, een klein meisje, heb hem tam gemaakt, zodat hij vriendelijk is en zacht, zoals U ziet. Kijk, ik kan hem aan zijn grote oren trekken en hij gromt niet. Kijk, ik kan mijn kleine hand in zijn grote, rode muil
leg­gen en hij bijt niet. Sire, ik geef hem aan U. Spaar om mijnentwil dan het leven van die arme, dwaze man, die onwetend Uw dier doodde. Geef mij zijn arm leven in ruil voor deze goede, vriendelijke wolf” en zij glimlachte zacht, terwijl zij zo pleitte.

Zwijgend keek de koning eerst naar het grote, witte dier, waarin hij groot behagen schiep, toen naar het schone meisje, dat hem met haar blauwe ogen zo ernstig aankeek. En die blik beviel hem wel.

Toen verzocht hij haar, hem de gehele geschiedenis te vertellen, hoe zij aan dit dier kwam en waar en hoe zij hem gekregen had. En toen zij haar verhaal gedaan had en de koning eerst zijn grote verbazing erover had laten blijken, begon hij te lachen. Dat was een goed teken, want ook in het verhaal van Brigitta schiep hij groot welbehagen. En het was zo iets vreemds voor de koning om in de morgen reeds te lachen, dat de kamerheer bijna flauw viel van verrassing en Brigitta wist nu zeker, dat haar bede verhoord zou worden. Nog nooit had men de koning zo goedgehumeurd gezien. Want hij was een ijdel mens en het denkbeeld, dat hij dit mooie, grote dier, wiens gelijke in het gehele land niet te vinden en wiens geschiedenis zo wonderbaarlijk was, zou bezitten, streelde hem uitermate.
En toen Brigitta hem zo smekend aankeek, kon hij geen weerstand bieden aan de vragende blik van haar zachte, blauwe ogen, uit vrees, dat zij zich met tranen zouden vullen.

En zo schonk hij, op verzoek van Brigitta, de boer vergiffenis, stelde zijn leven in haar handen en beval de soldaten hem vrij te laten uit de ge­vangenis.
Toen zij de koning zeer vriendelijk bedankt had, verzocht zij de wolf naast de roodfluwelen troon te gaan liggen en voor­taan trouw en goed te zijn voor zijn nieuwe meester. En nadat zij nog eenmaal voor het laatst zijn ruige kop gestreeld had, ver­liet zij de wolf en haastte zich, de onnozele boer in haar wa­gen mee te nemen, voordat de koning nog tijd had zich misschien te bedenken.

De man was zeer gelukkig en dankbaar. Maar zij gaf hem een ernstige vermaning op weg naar huis en raadde hem aan voortaan niet meer zo on­bedacht te zijn.
“Heer Domheid,” zei zij, toen zij hem bij de deur van de hut af­zette, “veel beter is het, in het geheel niet te doden dan het le­ven te nemen van arme, tamme creaturen.  Ditmaal heb ik u het leven gered, maar een volgende keer zou je het weleens kunnen verliezen. Bedenk, dat het beter is, dat twee boze wolven ontvluchten, dan dat een vrien­delijk dier gedood wordt. Wij kunnen onze goede dieren niet missen, Heer Domheid. Beter nog kunnen wij zo’n domme jongen als jij missen.”

En ze verdween in haar hut onder de eik, de onnozele jongen ach­terlatend, om na te denken over wat zij hem gezegd had en zich te schamen over zijn daad.

De nieuwe wolf van de koning leefde verder gelukkig in het park van het paleis en Brigitta kwam hem dikwijls opzoeken, zodat hij geen tijd had heimwee te krijgen of zich eenzaam te voelen.
.

Uit: ‘Een boek van heiligen en hun dieren‘

2e klas vertelstof: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

2e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 2e klas

775-710

VRIJESCHOOL – Vertelstof- biografieën – Peary

.

PEARY VAN DE POOL

Op 5 september 1909 stoomde een vuilzwart dikwandig scheepje met de naam Roosevelt, komende uit het noorden fier de haven van Indian Harbor op Labrador binnen. Aan boord bevond zich Robert E. Peary, die reeds zevenmaal daarvoor tevergeefs gepoogd had de Noordpool te bereiken. Vanuit het radiostation van het kleine stadje zond hij nu deze onthullende boodschap aan zijn vrouw: eindelijk geslaagd. Aan de pers seinde hij vervolgens vijf simpele woorden waarvan hij voelde dat zij de wereld zouden elektriseren: pool bereikt, Roosevelt intact, Peary.

Peary

Na de reis langs de kust van Labrador te hebben vervolgd ankerde de Roosevelt in Battle Harbor, waar een gecharterd schip langszij kwam welks dekken bijna water maakten van wege de talrijke dagbladverslaggevers. Onmiddellijk schreeuwden zij naar Peary om commentaar op “de grote ruzie”.

“Ruzie? Welke ruzie?” vroeg Peary. Nou, tussen hem en Cook natuurlijk. Wist hij dan niet dat dr. Frederick A. Cook een jaar daarvoor, in 1908, als eerste de pool had bereikt; dat dr. Cook er eerst onlangs in geslaagd was naar de buitenwereld terug te keren en dat hij zijn prestatie amper vijf dagen voor Peary uit Indian Harbor zijn telegram verzond, wereldkundig had gemaakt? Twee mannen die beiden een doel hadden bereikt dat men drie eeuwen lang had gezocht en die dat vrijwel gelijktijdig bekend maakten – het was het beste verhaal van de laatste tien jaar!

Peary scheen niet onder de indruk. Zeker, hij had enkele dagen daarvoor in Indian Harbor radioberichten over Cook en diens beweringen ontvangen, maar hij had deze als ondenkbaar verworpen. Tenslotte bevond de pool zich in het hart van een met ijs volgepropte Poolzee, op 400 mijl van het dichtstbijzijnde land en Eskimo’s die dr. Cook op diens arctische “jachtpartij” hadden vergezeld (tijdens welke tocht Cook naar hij thans beweerde zijn reis naar de pool zou hebben gemaakt) hadden Peary later verzekerd dat zij het vasteland geen moment uit het oog hadden verloren.

Die middag hield Peary een persconferentie waarop hij met verve zijn eigen verhaal vertelde. Zijn bemanning en hij hadden New York verlaten op een snikhete julidag in 1908. In Cape York op Groenland begon hij de Eskimo’s op te pikken die hem tijdens zijn jarenlange verblijf in het Noorden hadden geholpen en die hij goed had leren kennen. “U bent net als de zon,” zeiden zij, komt altijd weer terug.” Zij waren verheugd hem opnieuw te kunnen helpen en zij klommen bepakt en bezakt, met vrouwen en kinderen en met hun van huiden gemaakte tenten, hun sleden en hun honden aan boord.

Peary was toen 52 jaar oud. Twintig jaren had hij gewijd aan het zoeken van de pool — sedert die zonnige namiddag in Washington toen hij bij toeval een boek over de exploratie van de Noordpool in handen had gekregen en hij door de betovering van het Noorden gegrepen werd. Sindsdien had hij ongetelde ontberingen en herhaalde nederlagen geleden. Hij had aan zijn speurtocht een veelbelovende carrière bij de Marinestoomvaartdienst der Verenigde Staten opgeofferd. Maar zelfs zijn hartverscheurende expeditie van 1906, waarvan zijn mannen en hij slechts met de grootste moeite waren teruggekeerd nadat zij de pool tot 174 mijlen waren genaderd, had hem evenmin van zijn doel kunnen afbrengen als de plotselinge dood van zijn financier en het volslagen fiasco van zijn laatste boek. Ditmaal was hij vastbesloten zijn doel te bereiken of niet levend terug te keren. Het was zijn laatste kans.

Voetje voor voetje baande de Roosevelt zich een weg door de smalle waterwegen tussen Groenland en Ellesmere eiland, van Baffin Baai tot vlak bij de Poolzee. Terwijl de Roosevelt in het ijs gevangen lag brachten zij daar de winter door. Intussen bouwden de Eskimo’s sleden en jaagden op extra voedsel — muskusossen, kariboe’s, ijsberen en zeehonden. Matt Henson, de potige neger die al vele jaren aan Peary’s expedities had deelgenomen, bouwde sleden van een type dat Peary had geperfectioneerd. De Eskimovrouwen naaiden bontkleding, die Peary warmer en duurzamer had bevonden dan welk kledingstuk uit de beschaafde wereld ook. Bij temperaturen van 60 graden onder nul hardden de ontdekkingsreizigers zich voor de dingen die komen gingen.
Daar men aannam dat de pool in het hart van de met ijs volgepropte Poolzee lag, bestond het probleem daarin dat men met een zo gering mogelijk gewicht zo snel mogelijk van Cape Columbia naar de pool en terug moest zien te komen — een reis van omstreeks 1600 kilometer “uit en thuis”. Alle benodigde uitrusting voor mannen en honden moest met sleden worden vervoerd en als men elk overtollig onsje vermeed kon men juist genoeg meenemen opdat een paar man de pool konden bereiken. Het plan was het spits af te bijten door een aantal voorposten in te richten, welker bezetting voedseldepots moest aanleggen en iglo’s bouwen om te kunnen schuilen. Daarna zou een uitgelezen groepje in zo hoog mogelijk tempo en bevrijd van zware lasten het aldus geëffende pad volgen en de pool tot op 150 mijl zien te naderen. Daar zou de laatste bevoorradingsploeg terugkeren, terwijl een nieuwe, uitgelezen groep bliksemsnel naar de pool zou trachten door te stoten daar zij terug zou moeten zijn eer de ijsmassa door het eerstvolgende springtij werd opengebroken. Het was een wedstrijd met de tijd, het weer, het water en de dood.

Nog voor de winternacht ten einde was begon de race — op de 22e februari (de geboortedag van George Washington) van het jaar 1909. Zes dagen lang werden de mannen opgehouden door open water of door ijsgeulen, ontstaan door het afdrijven van het pakijs. Zodra het ijs zich weer had gesloten haastten zij zich verder – om opnieuw op open water te stuiten. ’s Nachts werd hun kamp bijna vernield door een geul die zich midden tussen de iglo’s opende. De mannen repten zich in veiligheid. Had Peary er niet op gestaan dat zij Eskimokleding droegen waarin zij zowel goed konden werken als slapen, en hadden de mannen zich in de onhandige slaapzakken bevonden die de meeste ontdekkingsreizigers gebruikten, dan waren zij stellig verdronken. Maar het ijs sloot zich weer en zij snelden verder noordwaarts. 

Op 1 april, op precies 133 mijlen van de pool, keerde kapitein Bob Bartlett met de laatste proviandslede terug, ten einde de terugweg open te houden. Peary trok verder met Henson — een magnifiek sledevoerder — en vier uitgelezen Eskimo’s. Er was precies genoeg voedsel om de tocht heen en terug te kunnen maken. In deze ijzige wildernis was het van het grootste belang om er spoed achter te zetten en hun dagmarsen varieerden van 25 tot 30 mijlen

Om 10 uur in de ochtend van de 6de april 1909 arriveerde het gezelschap aan de Noordpool. Peary schudde elk van zijn mannen de hand. Er werden foto’s genomen; als bewijs van de geleverde prestatie liet hij een aandenken achter en nam namens de Verenigde Staten bezit van het gebied. Er werden vijf vlaggen geplant; één daarvan was het gehavende zijden embleem waarvan Peary op elk van de noordelijkste punten die hij bij zijn voorafgaande pogingen had bereikt een stukje had achtergelaten. In de dertig uren dat hij aan de pool verbleef verrichtte Peary 39 waarnemingen van punten die verscheidene mijlen uiteen lagen De terugkeer leverde echter een probleem op. Zij moesten nu zelfs nog sneller reizen dan op hun weg noordwaarts. Weldra zou het ijs door springtijen breken. Elke dag van de terugweg legde Peary nu grotere afstanden af. Reservekleding werd weggeworpen, de rantsoenen werden ingekrompen. Op gezette tijden sliepen zij enkele uren in de iglo’s die op de heenreis waren neergezet, en repten zich vervolgens weer voort. Zij bereikten een der gevreesde geulen en staken deze op ijsschotsen over, terwijl hij voortdurend breder werd.

Eindelijk: Kaap Columbia! Hier aten en sliepen zij twee dagen achtereen alvorens zich naar een hartelijk welkom op de Roosevelt te begeven. Tijdens hun geforceerde marsen hadden de aanvoerder en zijn mannen stuk voor stuk zo’n tien kilo aan gewicht verloren. Maar voor het eerst sinds jaren kon Peary ’s nachts de slaap weer vatten. Eindelijk had hij zichzelf gerechtvaardigd! Hij had namens de Verenigde Staten aanspraak gemaakt op de Noordpool en hij verheugde zich erop bij zijn terugkeer de dank van het vaderland te oogsten om zich vervolgens in vrede te kunnen terugtrekken.

En nu vond Peary hier in Battle Harbor in plaats van vrede een vernederende controverse. Hij had dr. Cook goed gekend; deze had immers als chirurg deel uitgemaakt van een zijner eerste expedities. Maar Peary was er zeker van dat dr. Cook niet in staat kon zijn geweest de talrijke gevaren van de verovering van de pool te overwinnen. Aan de hand van wetenschappelijke bijzonderheden legde hij aan de verslaggevers uit waarom. Tot zijn ontzetting bleek een aantal van de reporters niet geïnteresseerd in wetenschappelijke bewijzen; zij wilden “een verhaal”. Had Peary met ijsberen gevochten? Was hij door wolven of muskusossen aangevallen? Nee, dat was hij niet. Nou, dr. Cook anders wél. Geleidelijk drong de waarheid tot Peary door. Nadat hij een heel mensenleven aan een grote ambitie had opgeofferd, werd hem nu betwist dat hij als eerste de pool had bereikt en werd zijn persoonlijke integriteit in twijfel getrokken! Goed dan, zoals hij een mensenleven lang voor de pool had gevochten, zou hij nu strijden voor de erkenning die hem toekwam.

Op het moment waarop Peary zijn aankondiging deed bevond dr. Cook zich in Kopenhagen, waar hij op zijn terugweg van de pool was aangegaan. Toen men hem om commentaar op het nieuws van Peary vroeg, zei dr. Cook sluw: “Als Peary zegt dat hij de pool heeft bereikt, dan geloof ik hem.” Toen Peary plompverloren verklaarde dat Cook het land knollen voor citroenen had verkocht, antwoordde Cook: “De eer is groot genoeg dat anderen erin kunnen delen.” Waarmede hij Peary in de hoek drong van de slechte verliezer.

Dr. Cook had een voorsprong. Bij aankomst in de haven van New York werd hij welkom geheten door een schip met 1000 be­wonderaars aan boord. Er werden erepoorten opgericht en span­doeken in de straten gehangen. Hij begon aan een snelle lezingen­tournee, waarvoor hij tot 10 000 dollar per avond kreeg. Zijn krantenartikel bracht hem 24 000 dollar op en in totaal incasseerde hij voor al zijn activiteiten 400 000 dollar. Peary ontving slechts 4000 dollar voor zijn krantenartikel en 40 000 dollar plus een bescheiden jaargeld voor zijn boek- en tijdschriftmateriaal.
Uitgedaagd om wetenschappelijke bewijzen van zijn helden­daad over te leggen, zoals uitgebreide zonnewaarnemingen, zei dr. Cook dat hij deze waardevolle gegevens aan een vriend zonder vaste verblijfplaats had meegegeven. En toen critici fouten ont­dekten in zijn krantenrelaas, beweerde hij dat hij niet in staat was geweest de proeven te corrigeren en dat zijn boek alles zou bewijzen.

Tegen de tijd dat Peary in New York arriveerde was de viering van het Hudson-Fulton eeuwfeest in volle gang. Toen de Roosevelt de Hudson opvoer jouwden en floten de Cook-sympathisanten en riepen zij beledigingen. Peary antwoordde niet. Aanvankelijk weigerde hij alle eerbetoon tot de beide pretendenten hun bewijsmateriaal aan een onpartijdig tribunaal hadden kunnen overleggen en er een oordeel over was uitgesproken. Maar het werd duidelijk dat dit nooit zou gebeuren. Hij legde zijn bewijsmateriaal voor aan een commissie van de National Geographic Society; het werd zorgvuldig onderzocht en geaccepteerd. Hij hield lezingen voor diverse wetenschappelijke genootschappen, maar weigerde er ooit geld voor aan te nemen.

Een Pittsburghs dagblad stelde een enquête in naar de sympa­thieën van de lezers. Het resultaat was 10 tegen 1 ten gunste van Cook. Invloedrijke dagbladen steunden hem krachtig. Eerst toen Cook al twee maanden winstgevende lezingen had gehouden legde hij zijn gegevens voor aan de universiteit van Kopenhagen (die hij als onbevooroordeeld beschouwde) om daarmede het bewijs te leveren dat hij aan de pool was geweest. Zijn bewijs werd botweg afgewezen.

Geleidelijk keerde het tij. Steeds meer mensen schaarden zich aan de kant van Peary wegens diens waardige houding en zijn bereidheid om met zijn bewijzen voor den dag te komen. De vuurproef voor de grote controverse kwam tijdens de openbare behandeling in het Congres van het wetsontwerp om Peary in de rang van schout-bij-nacht te pensioneren. Aanvankelijk werd Peary, in plaats van de dank van de natie te oogsten, door de aanhangers van Cook in het Congres aan de kaak gesteld. Hetgeen hem niet belette zelfs de meest beledigende en niet ter zake doende opmerkingen zorgvuldig te beantwoorden. Wekenlang sleepten de verhoren zich voort, tot zijn lastige ondervragers het eindelijk opgaven. Peary was aan de winnende hand.

Een andere aanval kwam van bepaalde hem vijandig gezinde officieren van de Marine. Peary’s promotie zou volgens hen in strijd zijn met de anciënniteit. Ook werd erop gewezen dat hij als gevolg van zijn langdurige perioden van afwezigheid (de mars naar de pool) niet had deelgenomen aan de officiële loopproeven van de Marine. En dus strekte Peary die tijdens een vroegere expeditie door het bevriezen van zijn voeten al zijn tenen (op zijn kleine teen na) had verloren, opnieuw de benen en legde 40 kilometer in zes uur af. De volgende dag deed hij over dezelfde afstand zeven en een half uur. Zijn critici waren tot zwijgen gebracht.

Twee jaar na zijn moedige prestaties aan de Noordpool werd hij eindelijk in de rang van schout-bij-nacht gepensioneerd, met terugwerkende kracht tot 6 april 1909, de dag waarop hij de pool had bereikt. Zijn prestatie werd nu officieel erkend door het Congres en door de president der Verenigde Staten, zoals reeds eerder door de meeste wetenschappelijke genootschappen was gebeurd. Eindelijk had Peary de strijd gewonnen!

Dr. Cook beleefde nieuwe avonturen. Op het hoogtepunt van de controverse zwoeren twee inwoners van New York, waaronder een zeekapitein, dat zij door dr. Cook waren betaald om zonnewaarnemingen te verschaffen die zouden moeten bewijzen dat hij aan de pool was geweest. Edward Barrill, de gids die dr. Cook had vergezeld bij diens beweerde succesvolle beklimming van de berg McKinley in 1906 en anderen die aan deze expeditie hadden deelgenomen, verklaarden dat dr. Cook nimmer de top had bereikt. Dr. Cook zette zijn serie lezingen voort, verdween verscheidene maanden naar Zuid-Amerika, keerde daarna naar de Verenigde Staten terug en verdween geleidelijk uit de openbare belangstelling. In 1923 werd hij tot 14 jaar gevangenisstraf ver­oordeeld wegens het misbruiken van de Posterijen voor een oliezwendel. Na vijf jaren van zijn straf te hebben uitgezeten werd hij op erewoord vrijgelaten en in mei 1940 kreeg hij onvoorwaardelijke gratie van president Franklin D. Roosevelt.
Dr. Cook stierf nog geen drie maanden nadien.

Toen de controverse was bedaard kon Peary eindelijk genieten van het rustige huiselijke leven waar hij zo naar verlangd had. Terwijl hij tijdens de Eerste Wereldoorlog een serie lezingen hield begon hij in de zomer van 1917 aan bloedarmoede te lijden. Moedig beweerde hij dat hij ook deze slag te boven zou komen, maar ditmaal zou hij de verliezer blijken. Op de 19de februari 1920 zakte hij weg in een coma en de volgende morgen vroeg doofde na een laatste opflikkering het licht in zijn moedige geest.
.

8e klas: alle artikelen

Vertelstof: alle biografieën

Vertelstof: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

 

774-709

VRIJESCHOOL – Vertelstof – de zinrijke vertelling (1)

.

DE  ZINNIGE VERTELLING TUSSEN SPROOKJE EN FABEL

 

Hieronder volgt een gedeeltelijke vertaling en een bewerking van een artikel, verschenen in ‘Erziehungskunst’ [1]

De uitdrukking ‘sinnige Geschichte’ heb ik vertaald met ‘zinrijke vertelling’.

De uitdrukking ‘sinnig’ i.v.m. vertellen, wordt door Steiner gebruikt, bv. in een voordracht [2], waarin hij spreekt over het belang dat kinderen de natuur niet meteen in abstracte natuurwetten moeten leren kennen, maar op ‘liefdevol aanschouwende’ manier.

Zo wordt wel gezegd dat de ‘sinnige Geschichte’ tussen het sprookje en de fabel staat.

Het sprookje gaat het o.a. om grootse mensheidsmotieven: geboorte en dood, geluk en ongeluk; lot en noodlot; wilskracht en zwakte; egoïsme en altruïsme. Over een koning (in ons) of de prins(es) in ons. Wel met beelden van ‘vroeger’, maar toch ook weer tijdloos.

De fabel is wat dat betreft kijken door een vergrootglas, met oogkleppen: naar het alledaagse, het lichamelijk gebondene: begeerte, sluwheid, list, egoïsme, deugden en ondeugden, belichaamd in dát dier met die specifieke eigenschappen. Dat stukje dier zit ook in ons.

Het kind ontwikkelt zich

Het behoeft geen betoog dat het kleine kind een nabootser is. Het wil nadoen wat het buiten zich ziet, beleeft. Het heeft veel fantasie waardoor de wereld voortdurend getransformeerd wordt in zijn eigen wereld: een stuk hout is een hond, of een paard of wat maar past in het spelbeeld. ‘Fantasiewereld en werkelijkheid gaan voortdurend in elkaar over’ (Jakob Streit). Buiten en binnen zijn nog niet gescheiden.

Dat verandert met de tandenwisseling. Van de levenskrachten die vooreerst aan het fysieke lichaam werkten, komt een deel ‘vrij’ en vormt nu mee aan de ziel. Voor nadere uitleg: zie  ‘kind en etherlijf’.

Het 6/7-jarige kind wordt meer een ‘navoeler’ al werkt de nabootsingskracht nog heel lang door (soms langer dan we denken…) De ziel wil beleven en zo ontstaat er een diepe behoefte aan beelden. Ook de fantasiekrachten veranderen en het vermogen om te onthouden neemt toe. Er is sprake van verinnerlijking. De vrijgekomen vormkrachten – zelf scheppend – willen geen abstracte feiten en wetten, maar levensvolle beelden. Het is bekend dat de meeste kinderen dol zijn op verhalen, vooral die het kan meebeleven.
Het kleine kind heeft eigenlijk een grenzeloos vertrouwen in zijn (directe) omgeving. Door het nadoen leert het de meest essentiële menselijke vaardigheden: rechtop lopen, spreken en daarmee het denken. Het is met zijn omgeving existentieel verbonden. Dat verdwijnt niet, maar komt alleen op andere manier tot uitdrukking.
Met de tandenwisseling komt er zo’n verandering, maar ook rond het negende, tiende levensjaar.

Eerst is de wereld net zo als hij zelf is; hij maakt niet veel onderscheid tussen zichzelf en die wereld, knuffel kan ook pijn hebben, zoals hij zelf; de wereld heeft een ziel! Knuffel kan praten en honger hebben, moet ook slapen.

Rond het 9e jaar is dat niet meer zo; de wereld is al weer anders. Het openstaan voor die wereld is er nog steeds, maar niet meer zo vanuit het kind zelf, het wil nu de wereld in zich opnemen, toelaten zoals die wereld is.

En daar vertellen wij dan over: hoe die wereld is. Maar met in het achterhoofd het inzicht dat die wereld nog lang niet in de kale, intellectuele natuurkundige wetten-abstracties verlangd wordt. Nee, de verhalen moeten nog voedsel voor de ziel zijn: er moet iets te beleven zijn; waarmee je sympathie kunt hebben, of wat je juist moet afwijzen; wat lief is en niet; wat mooi is, bewonderenswaardig; wat te denken geeft (bedenkelijk is).

In klas 1 en 2 kan daarom het ‘zinrijke’ verhaal, zo’n zinvolle rol vervullen.

Aanwijzingen voor het vertellen

Steiner zegt:
In de bedoelde verhalen kunnen bv. zon en maan, regen en wind, wolken en bergen enz. nog met elkaar spreken en handelen zoals mensen doen. En wanneer je op deze manier aan de kinderen iets vertelt, zie je dat ze in deze verhaaltrant opgaan.[3]

Wanneer je Steiners ‘Het viooltje’ bestudeert, zie je dat de kern van het verhaal het gesprek tussen het viooltje en de hond en het viooltje en het lam is. Door het uiterlijke beeld heen, word je iets gewaar van ‘ziel’. Dat beleven de kinderen mee. Ze hebben medelijden met het viooltje, maken zich ook zorgen, worden eveneens getroost en zijn ook blij. Spanning is er tussen het boze en goede antwoord; je merkt die spanning soms aan de ademhaling. Een eind goed, al goed is wel een noodzaak.
De kinderen kunnen deze stemmingen diep in zich opnemen. Vaak heb ik meegemaakt dat, wanneer het verhaal ten einde was en ik zweeg, er nog even een diepe stilte bleef. En vaak, bij veel kinderen, daarna een diepe zucht! (van verlichting?)

Steiner over dit verhaaltje:
‘Als het gaat om er met de kinderen over te spreken, is het niet goed om met hen de conclusie uit het verhaal te trekken: ‘dat men in het leven dikwijls bang is voor iets wat men verkeerd begrijpt of wat verkeerd voorgesteld wordt’.
De beelden moeten hier hun werk doen en pas veel later bestaat de mogelijkheid dat ze veranderd zijn in conclusies.[3]

Het zinrijke verhaal(tje) is toch enigszins een vergelijking voor het menselijk leven in samenhang met iets religieus, iets goddelijks. En waar dit aanwezig is, is ook vaak iets moreels aanwezig.

Steiner heeft voor de bespreking van de fabel aangeraden om vóór de vertelling met de kinderen te spreken.

Hier komt hij er met de kinderen op terug ná het vertellen, maar, om aan te geven dat de kinderen misschien iets willen vragen.

Steiner oppert in die voordracht dat een kind misschien zou kunnen vragen: ‘Waarom heeft die hond dan zo’n lelijk antwoord gegeven?’
Hij geeft de verklaring voor het feit dat de hond vaak een waakhond is, die ‘de mensen schrik moet aanjagen.’ Hieruit kun je concluderen dat Steiner hier het ‘lelijke, kwaadaardige, boze’ een functie geeft. Het wordt dus niet zomaar veroordeeld, maar op de juiste plaats gezet.

Er is nog een ander verhaaltje van Steiner, ‘De ruiker’, de bos bloemen waarin Steiner de kinderen iets meedeelt door middel van een droom.

Zoiets is goed te gebruiken wanneer je in je klas kinderen hebt, die niet meer zo gemakkelijk meegaan in ‘dat planten en dieren met elkaar spreken’.

Steiner vertelt dit op een zgn. maandfeest – wanneer de kinderen van de hele school aan elkaar laten zien en horen wat ze de afgelopen maand geleerd hebben.[4]
Aan het einde van het verhaal zegt hij: ‘Want de zielen van de mensen krijgen de mooiste krachten voor hun leven als ze volwassen zijn, wanneer ze zo’n bos bloemen uit de school hebben kunnen meenemen. Dat zijn levenskrachten die er tot de dood zijn en zelfs daarna.’

Hoe vind je zelf verhalen

Dat is nog niet zo gemakkelijk. De kans bestaat dat je te snel iets ‘bedenkt’, ook dat het te ‘intellectueel is’. Grenzen zijn niet eenvoudig te trekken.

Het gaat ook hier om het beeld: wat spreekt daar doorheen, wat heeft het te zeggen.
In ‘Opvoeding in het licht van de antroposofie’ zegt Steiner:
‘Steeds moet voor ogen gehouden worden, dat abstracte voorstellingen op het zich ontwikkelende etherlichaam geen effect hebben, maar wel beelden, die reëel en levendig voor de innerlijke aanschouwing staan. Natuurlijk moeten deze dingen met de grootst mogelijke tact gehanteerd worden, opdat ze geen ave­rechtse uitwerking hebben. Bij het vertellen komt alles aan op de manier, waarop het gedaan wordt. Daarom is het niet mogelijk het mondelinge verhaal willekeu­rig door voorlezen te vervangen.
Het innerlijke aanschouwen van beelden, of, zoals men ook zou kunnen zeggen het zinnebeeldige voor­stellen, komt ook nog op andere wijze in aanmerking voor de leeftijdsfase tussen tandenwisseling en puber­teit. Het is noodzakelijk, dat het kind de geheimen van de natuur, de levenswetmatigheden zo min moge­lijk in de vorm van intellectuele, nuchtere begrippen opneemt, maar in symbolen. De geestelijke samen­hang der dingen moet in de vorm van gelijkenissen voor de ziel treden op zodanige manier, dat de wet­matigheden van het leven onder het beeldgewaad meer vermoed en aangevoeld dan verstandelijk begre­pen worden. ‘Alles Vergangliche ist nur ein Gleichnis’, dat moet bepaald een strak te volgen stelregel voor de opvoeding in deze fase zijn.

Het is voor de mens van onvoorstelbaar gewicht, dat hij de raadselen van het bestaan in de vorm van ge­lijkenissen verneemt, voordat hij ze leert kennen in de formulering van natuurwetten. Een voorbeeld moge dit verduidelijken. Veronderstel, dat men met een kind wil spreken over de onsterfelijkheid van de ziel, over het uittreden van de ziel uit het lichaam. Men moet dat zo doen, dat men bijvoorbeeld de vergelij­king gebruikt van de vlinder, die uit de pop te voor­schijn komt. Zoals de vlinder zich uit de pop los­maakt, zo stijgt de ziel na de dood uit de woning van het lichaam op. Geen mens zal in verstandelijke be­grippen precies vatten, wat er in werkelijkheid bij zo­iets gebeurt, als hij niet vroeger dit gebeuren in een dergelijke beeldvorm heeft leren kennen. Door zulk een gelijkenis spreekt men namelijk niet alleen tot het verstand, maar ook tot het gevoel, tot de innerlijke gewaarwording, tot de gehele ziel. De jonge mens, die dat alles in zich heeft opgenomen zal later, wanneer hem de dingen in verstandelijke begrippen geleerd worden, daar met een geheel andere stemming tegen­over staan. Het is zelfs zeer ongelukkig voor de mens, als hij niet eerst met het gevoel de levensraadselen kan benaderen. Het is noodzakelijk, dat de opvoeder voor alle natuurwetten en wereldgeheimen gelijkenis­sen tot zijn beschikking heeft.
Hieruit blijkt buitengewoon duidelijk, hoezeer de geesteswetenschap bevruchtend op het praktische le­ven werken moet. Wanneer iemand gelijkenissen be­denkt op grond van een materialistische intellectuele beschouwingswijze en deze gelijkenissen dan aan kin­deren vertelt, zal hij in de regel zeer weinig indruk maken. Zo iemand moet namelijk die beelden eerst geheel intellectualistisch in elkaar flansen. Zulke ver­zonnen beelden, waartoe men zich met moeite verwaardigd heeft, werken niet overtuigend op kinderen. Wanneer men namelijk in beelden tot iemand spreekt, dan werkt op hem niet alleen wat men zegt of aan­toont, maar er gaat van degene, die vertelt, een fijne geestelijke stroom uit naar degeen, die de mededeling ontvangt. Als de verteller zelf niet een warm gevoel heeft voor zijn beeld, als hij niet zelf aan zijn gelijke­nis als aan een werkelijkheid gelooft, dan maakt hij geen indruk op zijn toehoorder. De juiste uitwerking heeft het beeld slechts, wanneer het gevormd wordt uit een geesteswetenschappelijke overtuiging, wanneer de gelijkenissen zelf uit de geesteswetenschap voort­vloeien. Iemand die de antroposofische inzichten als levende gedachten in zich draagt, behoeft zich niet af te pijnigen om de bovengenoemde gelijkenis van de vrijkomende ziel te vinden, want voor hem is dit waarheid. Voor hem is het te voorschijn komen van de vlinder uit de pop dezelfde gebeurtenis op een la­gere trap van de natuur, als het zich losmaken van de ziel uit het lichaam, waarbij zich dit gebeuren op een hoger niveau afspeelt. Hij gelooft er zelf aan uit volle overtuiging, en dit geloof gaat als in een geheimzin­nige stroom van de spreker op de toehoorder over en wekt eveneens overtuiging. Zo stroomt leven, onmid­dellijk, tussen opvoeder en leerling over en weer.'[5]

Wanneer de leerkracht aan de ene kant moeite doet tot het wezen van de dingen door te dringen, moet hij aan de andere kant ook precies weten hoe de natuur en de natuurprocessen in elkaar zitten. Er moet per se naar een exacte fantasie gestreefd worden. Gesprekjes en wat de planten en dieren bv. doen, moet wel bij hun gewoonten en wezen passen. Je moet dus ook van deze kant de planten en dieren bestuderen. Dat is meestal er over lezen, wat anderen geschreven hebben. [6]
Maar ook tijdens wandelen kun je geïnspireerd raken. Wanneer je een eigen tuin hebt, kun je ook van alles waarnemen. En ook op reis, in andere natuurgebieden, zou je ook tot mooie gedachten kunnen komen. Voorwaarde is wel dat je in rust en overgave openstaat voor wat de natuur je te bieden heeft. En dan kan het maar zo zijn, dat er plotseling bepaalde gedachten door je heen schieten; je hebt een inval.
Je moet die nog uitwerken en of het wat geworden is, zal vooral uit de reacties van de kinderen blijken. Je weet bij voorbaat al dat het altijd beter kan; dus waarom niet gewoon begonnen.

Het sneeuwklokje en de beukenhaag

Onder een beukenhaag die nog de verdorde blaadjes van vorig jaar draagt, spruiten de eerste sneeuwklokjes tevoorschijn. Ze zitten in de schaduw van het blad en willen in het licht. ‘Och beukenhaag’, jammeren ze, ‘jij hebt je bladerkleed van vorig jaar nog aan en daar hebben wij last van, wij krijgen zo geen zon! Trek dat nu maar eens uit!’ De beukenhaag wordt er verlegen van en weet geen goed antwoord. Daar ritselt het in de twijgen en beneden op de grond. Een merel is het en een egel; zij hebben het gesprek gehoord en nu bemoeien ze zich ermee. ‘Jullie zijn heel dom’, zegt de merel fel, ‘wat denken jullie; het was voor ons vogels van de winter heel fijn dat wij ons in de beukenhaag konden verstoppen: alle bomen waren kaal!’
‘Daar zeg je wat,’ stemt de egel in, ‘ik kon mijn honger nog stillen vóór de winter kwam, omdat er onder het loof nog allerlei kleine friemeldiertjes zaten.
De beukenhaag vindt het fijn dat hij zichzelf niet hoeft te verdedigen en de sneeuwklokjes zwijgen beschaamd en wachten geduldig af tot de zonnewarmte ook hen bereikt.

De anemonen

Het heeft deze winter nog niet gesneeuwd, alleen de vorst was streng en de aarde was zo bevroren dat ze helemaal kruimelig werd. Dat was niet verkeerd, maar kon toch de sneeuw niet vervangen. De aarde klaagde: ‘Als er geen sneeuwvlokken vallen, komt er veel te weinig sterrenkracht naar de aarde. Hoe kan ik dan in het voorjaar voor alle planten zorgen?’

Dat hoorden de wortels van de anemonen en ze vroegen de aardmannetjes die bij hen woonden: ‘Ga naar alle voorjaarsbloemen: het leverbloempje, de krokus, de narcis, de boterbloem en nog naar andere bloemen en bespreek met de dwergen hoe we de aarde kunnen helpen. De dwergen dachten er ernstig over na. Toen ze weer bij hun bloemen kwamen zeiden ze: ‘We hebben besloten om ’s nachts het fijne licht dat van de sterren neerschijnt tot een draad te spinnen en die zullen we in de wortels van de planten vlechten. Zo kunnen we de aarde misschien helpen.’ En dat deden ze.

Toen het lente werd hadden de planten in hun bloemen de stralen van de sterren; er waren zoveel anemonen dat ze de aarde met een wit sterrenkleed bedekten. ‘Zie je, moeder aarde,’riepen ze, ‘nu heeft het toch gesneeuwd, louter witte sterrenbloemen!’ Wat was de aarde blij. – En als je goed naar de anemonen kijkt, dan zie je zes bloemblaadjes, net als de sneeuwvlokken met hun zes sterrenstraaltjes.

De kersenboom en de appelboom
Wisselvallig was het dit jaar met het voorjaarsweer. De noordenwind streek met zijn koude adem over de aarde, zo dat de bloesem het nog niet waagde zich te vertonen. Maar de zon scheen toch ook al zo verlokkend warm. ‘Wij houden het niet meer uit, we willen naar buiten en de zon zien!’ Steeds meer groene kelkblaadjes lieten de witte bloesemkindertjes uit de knoppenbedjes stappen. Dat gaf een bloesempracht! Overgoten met deze pracht stond daar de kersenboom. En veel meer kersenbomen, heuvel op, heuvel af, net zo mooi. Ze jubelden tot de voorbijtrekkende wolken: ‘Wij bloeien, wij  bloeien!’

Eén kersenboom was bijzonder prachtig. Hij keek om zich heen of andere zijn schoonheid wel zagen. Toen zag hij naast zich een appelboom staan, die er nog bijna net zo uitzag als in de winter. ‘Word wakker, slaapkop!’, riep de kersenboom naar zijn buurman, ‘zie je dan niet hoe alles bloeit en blij is met de zon?’ – ‘Rustig aan’, antwoordde de appelboom, half dromend, ‘ik wacht tot het warmer wordt.’ En zo ging het ook. De zon deed wel haar best de appelboom wakker te maken en stuurde haar zonnekinderen naar de appelbloesemknoppen om ze te verwarmen. Die werden daar aan de buitenkant heel roze van. En ineens stond ook de appelboom in volle bloei. Hij zag eruit alsof hij met het ochtendrood was overgoten. Hij was zeker net zo mooi als de kersenboom.
Wat was er met hém gebeurd? Zijn pracht was bijna weer voorbij. De bloesemblaadjes waren uitgevallen en de lege stelen strekten zich uit in de lucht. ‘Ik heb haast,’ zei de kersenboom, ‘ik wil mijn kersen klaar hebben; de kinderen hebben mijn zoete kersen nodig na zo’n lange winter’. En hij hield zijn takken in de zon.  – Het duurde maar een paar weken en toen staken de kinderen de kersen in hun mond en hingen ze over hun oren. –
Kersen moet je snel opeten, want ze blijven niet zo lang goed.

Heel anders is dat met de appels. De appelboom nam ook de tijd voor zijn appels. Het werd herfst, toen kon je ze pas plukken. En toen waren alle appels nog lang niet rijp. En hoe lang kun je die stevige, sterke appels wel niet bewaren? Tot Kerstmis zeker en nog wel langer. Dat komt, omdat de appelboom in alles zorgvuldig is, daarom gaan zijn vruchten langer mee. Wij mensen kunnen wel blij zijn met allebei de bomen, want ze geven ons rijke vrucht, ieder op zijn tijd.

De pioenroos en de brandnetel
Buiten het hek groeiden brandnetels langs een harde grindweg; daarachter in de tuin groeide een prachtige pioenroos in zwarte, luchtige tuinaarde. Er liep een grootvader met zijn kleinzoon voorbij. Het kind plukte bloemen die langs de kant van de weg stonden. Daarbij raakte het de brandnetels en snel trok het zijn handje ‘au’ roepend terug. ‘Booswicht,’ riep het, ‘ik heb je toch niets gedaan, waarom brand je me!’ Zijn dwalende ogen vielen op de pioenroos achter het hek; de prachtige knoppen waren aan het opengaan. ‘Wat zijn die mooi, die rode bloemen; en wat is die brandnetel gemeen, die heeft niet eens bloemen.’
Grootvader ging op een bankje langs de weg zitten en nam zijn kleinzoon op schoot en begon over de brandnetel te vertellen. ‘Kijk, die rode bloemen daar in die tuin, hebben het goed: die staan in vruchtbare grond, worden verzorgd, krijgen water en zo kunnen ze mooie, grote bloemen ontwikkelen die zo ongeveer bloeien wanneer het Pinksteren is; daarom heten ze ook pinksterrozen.
De brandnetel groeit altijd op plaatsen waar het niet in orde is, waar rommel ligt en waar bijna geen bloemen willen groeien. Met zijn vuurkracht die jij gevoeld hebt, maakt hij de grond schoon en maakt die weer geschikt voor andere planten. Daar geeft hij al zijn krachten aan, zodat hij niets meer over heeft voor mooie bloemen. Maar, kijk nu eens’, ging grootvader verder, hij nam zijn kleinzoon weer bij de hand en liet hem iets moois zien dat op een brandnetelblad zat. Het was een mooie vlinder, een dagpauwoog. ‘Daar heb je nu de bloem van de brandnetel! Die twee houden van elkaar, het zijn vrienden! Wat voor geheim daar nog meer achter zit, vertel ik je later.’ Toen vloog de vlinder op. ‘O’, zei het kind bewonderend. Het had volkomen vrede met de brandnetel; die was toch wel heel hulpvaardig en had mooie vrienden.

ANDERE VOORBEELDEN
Een ‘sinnige Geschichte’- een zinrijke vertelling – die het hele leven mee kan groeien, is bv. ‘de geschiedenis van de waterdruppel’.

In de 1e klas kun je vertellen dat de waterdruppel op zijn reis van de hemel naar de aarde veel meemaakt. Hij praat met de wolken, de wind, valt met ontelbare andere naar beneden, komt in een donkere kloof terecht en komt weer in een bruisende bron tevoorschijn, speelt als beekje met de bloemen aan de oever, zet het molenschoepenrad in beweging, draagt houtvlotten en schepen en komt uiteindelijk in de grote zee terecht. Daar roepen de zonnestralen hem weer naar de hemel terug.

Steeds kun je op zo’n verhaal terugkomen: in de heemkundeperiode in de 3e klas, wanneer het over de landbouw gaat, het graan en de kringloop van het water of wanneer je met de kinderen een gedicht leert waarin het water belangrijk is.

Belangrijk is dat je als leerkracht de moed hebt om het te proberen, ook al gaat het nog moeilijk en ben je niet tevreden.

Je moet het vormgeven van zo’n verhaal niet onderschatten: welke woorden kies je, hoe is de stemming. Dieren kun je met een paar temperamentsstemmingen karakteriseren waardoor de tegenstellingen meer voor zich spreken. Je moet wat kunstzin hebben om zo’n verhaal te componeren. Soms kan het een gedicht zijn – naverteld als zinrijk verhaal.

In het leesboek ‘Zonlicht’ staan veel voorbeelden. Daarvan kun je er veel vertellen; later lezen de kinderen ze dan nog een keer. Maar toch is het het mooist als je de meeste zelf maakt en niet alles van een ander gebruikt, omdat die het beter kan of omdat je te weinig tijd hebt.

‘Wat je zelf voor de kinderen maakt, gaat het hele leven mee, dat heeft iets buitengewoon verfrissends’, aldus Steiner [6]

Als de leerkracht zijn eigen ziel in beweging zet, actief zijn beelden schept, stroomt dit levendige naar de kinderenzielen en vindt daar hun eigen levendigheid en fantasie: ‘leven voedt leven’.

Wijsheid van beelden bereikt diepere lagen van de kinderziel dan begrippen. Wanneer een kind eerst iets met zijn gevoel heeft opgenomen, kan het daar beklijven om later pas door het verstand op een nieuwe manier begrepen te worden.

Kinderen luisteren heel graag naar verhalen. Je kunt bijna van ‘honger’ spreken.

Wat gebeurt er als deze behoefte niet wordt bevredigd? Een uitspraak van Steiner luidt: ‘wanneer het verlangen naar beelden, gelijkenissen om de wereld te begrijpen niet wordt bevredigd, slaat het om in ‘rebelsheid’. Er ontstaan rebellie, revolutionairen, ontevreden mensen.’

(Te denken valt bv. aan de studentenopstanden van 1968 – de verbeelding aan de macht)

Kan de honger naar beelden via tv, film, internet, het gamen; strips ermee te maken hebben?

Is er een samenhang tussen het ontstaan van de ‘fantasterijbeelden’ en het gebrek aan beeldend onderwijs?

Misschien dat de antwoorden op deze vragen je nog meer stimuleren om de kinderen met ‘echte’beelden te voeden.

[1] Inge Finkbeiner: Die ‘sinnige Geschichte’ zwischen Märchen und Fabel, Erziehungskunst, 56e Jr.-10-1992.
[2] GA 177, 20/21-10-1917
[3] GA 311/13-08-1924       op deze blog vertaald/40
[4] GA 298/03-05-1923     vertaald Beste ouders, lieve kinderen  blz. 98
[
5] GA 34/330-331              vertaald De opvoeding van het kind     blz. 43-44
[
6] GA 306/19-04-1923     op deze blog vertaald/105

Aanbevolen literatuur:

Over het zinrijke verhaal

M.Matthijsen: (14) Theorie en praktijk van de ’Sinnige Geschichte’

Over planten en dieren:

planten:

Gerbert Grohmann: 
Pflanze, Erdenwesen, Menschenseele
Die Pflanze, Bd. I und II
Lesebuch der Pflanzenkunde – vertaling
Die Metamorphose der Pflanzen

Wilhelm Pelikan:
Heilpflanzenkunde I und II

A.Usteri:
Pflanzenmarchen und Sagen
Pflanze, Menschen und Sterne
Die Pflanzenwelt im Jahreslauf
Pflanzenskizzen

dieren

Hermann Poppelbaum:
Mensch und Tier
Tierwesenkunde

Wolfgang Schad:
Säugetier und Mensch

F.H.Julius:
Das Tier zwischen Mensch und Kosmos

F.A.Kipp:
Höherentwicklung und Menschenwerdung

Gerbert Grohmann:
Tierform und Menschengeist
Lesebuch der Tierkunde

Karl König:
Bruder Tier

boeken met zinrijke vertellingen

Jakob Streit:
Tiergeschichten
Bergblumenmärchen
Zwergengeschichten
Zwerg Wurzelfein
Kindheitslegenden – vertaald

Elisabeth Klein:
Von Pflanzen, Tieren, Steinen und Sternen

Michael Bauer:
Pflanzenmärchen, Tiergeschichten und  Sagen – vertaald

Herbert Hahn:
Sonne im Tautropfen

Dan Lindholm:
Wie die Sterne entstanden – vertaald
Die Stimme der Felswand

Udo de Haes:
Die Mühle und der wachsende Riese
Zonnegeheimen 1,2,3,4

Walter Schmidkunz:
Christuslegenden

Leo Tolstoi:
Das ABC-Lesebuch
Volkserzahlungen

Erhard Fucke:
Die Bedeutung der Phantasie …

Jörg Erb:
Blumenlegenden
Tierlegenden

Käthe Wolf-Feuer:
Jasmin und andere Erzahlungen

Hermien IJzerman
Bloemensprookjes, fabels en legenden

Vertelstof: alle artikelen

 

773-708

 

 

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiners ‘sinnige Geschichte’ (2)

.

Rudolf Steiner:
.

DE RUIKER
.
Er waren eens twee kinderen, die op een zondag een wandeling maak­ten. Toen zij naar huis terugkeerden, had ieder kind een ruiker bloe­men. Het ene kind zei: „Wat heb ik een mooie ruiker!” Het andere sprak: „Mijn ruiker is mooi!”. Ieder vond alleen zijn eigen ruiker mooi.

Het ene kind had namelijk in zijn ruiker mooie bloemen vol geurige sappen, maar ook gewoon gras. Zelfs een paar korenhalmen, zelfs distels had dit kind in zijn ruiker. Het andere kind had alleen zoetgeurende bloemen, louter zoetgeurende bloemen.

Nu zei het kind met zijn geurige bloemen tegen het andere: „Hoor eens, jouw ruiker, waar zo van alles in is, vind ik niet mooi!” Maar evenmin vond de ruiker met geurige bloemen genade in de ogen van het andere kind.

Hoe denken jullie nu, beste kinderen, dat het verhaal verder gaat?
Wel kinderen, het kind met de ruiker met distels en halmen heeft het andere kind iets verteld. Luister maar, wat het vertelde:

„Eens op een zondag ben ik ook gaan wandelen en buiten ben ik in slaap gevallen en heb ik gedroomd”.
„Wat heb je gedroomd?”
„Luister: ik lag in een wei”, vertelde het kind, „en daar kwamen grote en kleine dieren en die spraken met elkaar. Er was een heel wonderlijk, heel heel klein nietig diertje en een groot beest. Het hele kleintje was een bij, het grote een kalf. Het kalf en de bij praatten met elkaar.

En de bij zei: „Och jij kalf, jij begrijpt helemaal niets van de plan­ten, maar ik, ik begrijp alles, ik weet welke planten zoetgeurend zijn en daar zuig ik de honing uit. Dan breng ik de honing naar de mensen en de mensen houden heel veel van honing. Als ik niet naar alle mooie bloemen met lieflijke geuren zou vliegen, zou er voor de mensen geen honing zijn”.

Toen zei het kalf: „Hoor eens, ik zou niet alleen van de zoet-
geurende bloemen, die jou zo goed smaken, kunnen leven. Alle bloemen, waar jij onbezorgd voorbij vliegt, moet ik eten en als ik ze niet zou eten, zou er geen melk op de wereld bestaan. Zonder melk zouden de mensen zich niet kunnen voeden en dan zou er ook geen honing nodig zijn, want dan zouden er ook geen mensen zijn, die er van aten”.                                                                                                              Zo spraken de twee kinderen met elkaar. En het kind, dat de rui­ker met geurige bloemen had, begreep toen, dat het iets moest leren. Het andere kind had het juiste al door zijn droom geleerd.

Het kind met de geurige bloemen begreep nu, dat er niet alleen geu­rige bloemen kunnen zijn. Het begreep, dat er verschillende soorten van bloemen moeten zijn, die samenwerken en het kind leerde nu hou­den van de ruiker met allerlei planten er in.

Het kind, dat geslapen en gedroomd had, kon zeggen: „Ja, het kalf heeft het gezegd: er zijn verschillende bloemen, maar alle bloe­men worden gebruikt en daarom heeft een ruiker, waar alle soorten van planten in zijn, veel meer waarde en is veel kostbaarder dan één, die alleen maar zoetgeurende bloemen heeft!”

Als jullie nu naar school gaat, beste kinderen, is dat voor jullie zo, alsof je op een mooie zondag een wandeling maakt en jullie moet van de school het allerbeste mee in het leven nemen. En als je een ruiker in het leven meenemen kunt van alles, wat jullie leraren jullie geleerd hebben, dan zul je aan zo’n ruiker de grootste vreugde beleven. Maar alle bloemen moeten er in zijn, niet alleen de zoetgeurende! Dat moet jullie leren, dat je ook dikwijls iets moet opnemen, wat niet alleen geurig is.

Als je ernstig en vlijtig leert, dan zul je merken, dat je in je latere leven niet alleen een ruiker met zoetgeurende bloemen meebrengen kunt, maar een ruiker, waarin al het levende verzameld is, waar het leven afhankelijk van is.

Denk er aan, beste kinderen, dat telkens wanneer jullie leraren iets moeilijks van jullie vragen, je hun met liefde gehoorzaamt. Van de school krijg je de mooiste ruiker voor het leven mee en je zult hem het waardevolste vinden, als er verschillende planten voor het leven in zijn.

Iedere herinnering aan de schooltijd zal je een kracht voor het leven geven, want de volwassen mensen winnen de schoonste krach­ten voor hun leven, als ze zulk een ruiker uit de school kunnen mee­nemen. Dat zijn levenskrachten, die standhouden tot aan de dood, ja tot zelfs daarna.
GA 298/171
Vertaald/98
.

Rudolf Steiners ‘sinnige Geschichte (1)

Rudolf Steiner: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

 

772-707

 

.

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Michelangelo

.

HET EPOS VAN MICHELANGELO

.

Wat gebeurde er achter die hoge schutting? De stad Florence wist het niet. Maanden-, nu al jarenlang hoorden de voorbijgangers het gerinkel van staal op steen, het geklop van hamer op beitel. Maar iedereen wist dat dat stuk marmer verknoeid was door een andere beeldhouwer, die het onpraktisch smal en dun had uitgehouwen en er vlak boven de basis een diepe, driehoekige houw in had geslagen. Vele kunstenaars hadden het al bekeken, maar het stadsbestuur wist tientallen jaren geen raad met deze onoverwinnelijke reus.

Toen, op een maandagmorgen (13 september 1501), kwam de jonge Michelangelo Buonarroti met een beitel in de hand aanstappen om zijn krachten te beproeven. Twee en een halfjaar zwoegde hij eraan. Toen de juryleden zagen wat hij had gedaan, kenden zij hem een beloning van 400 gouden florijnen toe (een waarde van ongeveer 7000 gulden in 1966) en mocht hij een plaats voor zijn werkstuk kiezen. Michelangelo koos schaamteloos de opvallendste plaats — vóór het grote paleis op het Plein der Edelen.

Michelangelo

.

Veertig mannen zwoegden vier dagen lang met windas en rollen om het beeld naar zijn standplaats te brengen. Met vaste blik trotseert David zijn vijand, de reus Goliath. Iedere fout in het originele blok marmer is veranderd in volmaaktheid. De langgerektc, dunne vorm is het stevige lichaam van een hoogopgericht atleet geworden; de houw bij de basis is de ruimte tussen de krachtige benen. Iedere pees en spier, iedere ader in de gespannen ledematen is gevormd met een precisie alsof er inderdaad het warme bloed van een jonge vechter doorheen stroomt. “David” is, net als  alle grote werken van Michelangelo, meer dan een beeld; het is een levende waarheid — nog even levend als 500 jaar geleden.

Michelangiolo di Ludovico Buonarroti Simoni werd geboren in 1475 in Caprese, in midden-Italië, dicht bij de oorsprong de Tiber. De vrouw van een steenhouwer werd zijn min; hij had zijn beroep met de moedermelk ingezogen, gekscheerde hij later.
Zijn moeder stierf toen hij zes jaar was en het zou bijna 60 jaren duren voordat hij weer de tederheid van een vrouw ondervond. Hij groeide op in een ruwe mannenwereld, met egoïstische middelmatige broers die hun hele leven op zijn zak teerden en een inhalige, klaaglijke vader. Op school ging het niet best met de jongen. Hij tekende altijd, ook thuis op de muren. Dus kreeg hij slaag. Omdat dit niets hielp, kreeg hij meer slaag, en harder. Maar de kunstenaar bleef ongebroken.

Buonarroti senior wilde geldelijk profijt trekken uit de weerspannige jongen en stuurde hem op 13-jarige leeftijd naar het atelier van de beroemde gebroeders Ghirlandaio in Florence.
Hier kreeg hij zijn enige schilderlessen. Op een dag bestudeerden enkele leerlingen een vrouwenfiguur, getekend door Domenico Ghirlandaio; Michelangelo pakte een dikker potlood en corrigeerde de tekening, en, wat erger was, Domenico zag dat de brutale knaap gelijk had. Het gevolg was dat Michelangelo werd weggestuurd van het atelier (met een uitstekend getuigschrift).
Hij belandde in de kunstfabriek van Bertoldo, de beeldhouwer die klassieke beeldhouwwerken nabootste voor Lorenzo de Medici, de rijkste bankier van Europa en de officieuze dictator  van Florence, wiens bijnaam “De Luisterrijke” luidde.

Aan Michelangelo werd de ruwe bewerking opgedragen van blokken marmer in de tuinen van de Medici. Iedere dag werden zijn jonge schouders sterker, zijn blik zekerder — zo zeker dat toen Lorenzo toevallig een beeldje in handen kreeg dat de jongen had gemaakt uit een stukje afvalmarmer, hij hem meenam naar zijn paleis, hem kleedde in fluweel en liet bedienen samen met zijn zonen. Aan die vorstelijke tafel, waaromheen zich dichters en geleerden schaarden, nam voorlezen de plaats in van babbelen. Hier hoorde de jongeling de verheven gedachten van Plato, de machtige verzen van Dante. Een tweede talent, het dichterschap, werd in hem geboren; hij zou de auteur worden van 77 sonnetten die in hun oprechtheid als uit zijn ziel gehouwen schijnen.
Zijn ziel was groot als die van een profeet uit de oudheid vol verheven visioenen en zedelijke hartstocht. En toch was zijn karakter vol erbarmelijke, menselijke fouten. Hij was arrogant, lichtgeraakt en scherp van tong en in een vechtpartij met een oudere leerling liep hij een gebroken neusbeentje op. Die misvorming is altijd gebleven en ging dieper dan zijn gezicht. Want de man die schoonheid aanbad, vond zichzelf nu afstotelijk. Hij was niet groot, had heel brede schouders en was misschien geen knappe jongeman, maar de jaren zouden zijn gerimpelde gezicht onvergetelijk maken — de bittere, krachtige mond, de lichtbruine ogen vol van een haast bijbelse droefheid en liefde.

In 1492 stierf Lorenzo en zijn zoon Piero wist geen betere bezigheid voor Michelangelo te bedenken dan hem op een wintermorgen te laten halen en hem een reusachtige sneeuwpop te laten maken op de binnenplaats van het paleis. Weldra verliet de jonge kunstenaar de stad en belandde langs allerlei omwegen in Rome.
Daar maakte Michelangelo zijn eerste meesterwerk — een  Madonna die de gestorven Christus op haar schoot heeft. Hij hoorde bezoekers het werk aan een andere kunstenaar toeschrijven en daarom sloop hij op een avond de Sint-Pieter binnen en hakte er zijn naam in; de “Piëta” is het enige werk dat Michelangelo van een handtekening heeft voorzien.

Toen Julius II paus werd, maakte hij grootse plannen voor monumenten en gebouwen waarvan hijzelf dikwijls het middelpunt moest worden. Zo verhaastte hij de afbraak van de oude Sint-Pieter om zelf de hoeksteen voor een nieuwe kerk te kunnen leggen. Michelangelo was toen in Florence, maar Julius dacht dat de historie van hem de grootste graftombe zou verwachten die ooit gebouwd was en daarom liet hij de grootste kunstenaar komen.

Zo begon zijn vriendschap met Michelangelo, een vriendschap die voor de helft uit ruzie bestond. Julius was geestdriftig over Michelangelo’s plannen voor de graftombe. Er zouden niet minder dan 40 beelden van heiligen en profeten op voorkomen, allen geschaard om de baar van de Paus. Michelangelo vertrok naar Carrara om marmer te kopen, maar toen hij eindelijk terugkwam om Zijne Heiligheid te vragen, de vrachtkosten te betalen, liet paus Julius, nu gewikkeld in een dure oorlog tegen Bologna, hem de deur wijzen. Michelangelo schreef onmiddellijk een woedende brief aan de Paus en vluchtte toen, geschrokken van zijn eigen onbezonnenheid, naar Toscaans grondgebied, onbereikbaar voor de pauselijke macht. De Paus eiste dat Florence hem zou arresteren en terugsturen. Koelbloedige Florentijnen haalden in plaats daarvan de kunstenaar over, Julius in Bologna te ontmoeten, en om hem te vrijwaren voor gevangenneming verleenden ze hem de rang van gezant.
De Paus was vergevensgezind nu Bologna was verslagen en Michelangelo keerde met hem naar Rome terug.
Maar de een of ander had Julius ervan overtuigd, dat het ongeluk brengt als je tijdens je leven je eigen graftombe laat bouwen. Bovendien waren de opkomende schilder Raphael en zijn bloedverwant Bramante, de architect van de nieuwe Sint-Pieter in aanbouw, jaloers op Michelangelo. Zij haalden Julius over van Michelangelo te eisen dat hij het plafond van de pauselijke particuliere kapel, de zogenaamde Sixtijnse kapel, zou beschilderen. “Ik ben geen schilder,” protesteerde de beeldhouwer. “Laat Raphael dat maar doen.” Maar Julius hield aan en de daaropvolgende vier jaren was Michelangelo praktisch een gevangene   — eerst van de Paus, later van zijn eigen inspiratie.

Nooit had enige kunstenaar een afschrikwekkender opdracht gekregen. De Sixtijnse kapel is een donker, smal,  hokkerig bouwsel, meer hoog dan breed. De ruimte van het plafond wordt onderbroken door koekoekachtige ramen, waardoor allerlei ongebruikelijke hoeken en bochten ontstaan. Dit alles, 900 vierkante meter, moest worden beschilderd in fresco-techniek, dat wil zeggen met kleuren die vermengd zijn met water, niet met olie, en die worden opgebracht op nog natte kalk. In de tijd dat de kalk droogt, drogen ook de kleuren en de kunstenaar moet dus in een hoog tempo werken.

Michelangelo beklom de ladders, liep over de steigers, ging op zijn rug liggen en schilderde boven zijn hoofd. Hij werkte als een slaaf van zijn eigen scheppingsdrift en vergat vaak te eten en te slapen; hij stuurde de ene assistent na de andere weg en sloot de deur voor iedereen, behalve een oude bediende — en Paus Julius.
Julius had geen verstand van kunst, maar wel gevoel voor schoonheid. Hij wist ook dat het leven maar kort is. “Wanneer is het nu eindelijk klaar?” tierde hij vaak.
Ten slotte zei Julius: “Het is klaar, zeg ik je. Kom van die steiger af’, of ik laat je eraf gooien.” Sidderend, want hij was er een keer afgevallen, stemde Michelangelo erin toe, het werk prijs te geven aan de blikken van society,
kunstenaars en geestelijkheid. Daar boven hen, als Genesis geschilderd tegen het uitspansel, was het verhaal van de Schepping, van de Zondeval en de Zond­vloed! God is geschilderd terwijl Hij met een gebiedend gebaar de Hemelen scheidt. Hij ademt het stof leven in, en zie, daar staat Adam, naar Zijn beeld; Gods vinger laat die van Adam juist los terwijl de Mens zijn Schepper met verering aankijkt. En
onder de bescherming van de arm des Almachtigen richt Eva, gretig en bevreesd, haar blik op haar heer en meester. Profeten en sibillen vullen de moeilijke plekken. Het plafond telt 343 hoofdfiguren, stuk voor stuk subliem; elk onderdeel heeft de kracht van beeldhouwwerk.

Dezelfde oudtestamentische grootsheid komt tot uitdrukking in de marmeren “Mozes”, een fragment van de nooit voltooide graftombe voor Paus Julius — zo majestueus dat het de somberheid van de kerk die het herbergt verlicht. Het is alsof de Profeet zich met zijn tenen vastklampt aan de Berg Sinaï terwijl de donder en bliksem van de Heer rondom hem schijnen te woeden; hij houdt de tafelen der wet in zijn handen en zijn ogen schitteren van verontwaardiging. Volgens de overlevering heeft Michelangelo, toen hij dit beeld had voleindigd, het een laatste hamerslag gegeven en bevolen: “Spreek nu!”

Maar terwijl Michelangelo door zijn kunst zulke nooit verouderende waarheden tot uitdrukking bracht, waren de tijden waarin hij leefde vol godsdienstige onenigheden. Wereldse buitensporigheden hadden niet alleen de financiële maar ook de morele schatten van het Vaticaan tot op de rand van een bankroet gebracht. Het resultaat was dat half Europa tot opstand kwam in de protestantse revolutie. Franse, Duitse en Spaanse legers drongen Italië binnen, dat zelf werd verscheurd door een burgeroorlog. Paus Clemens, die nu in het Vaticaan zetelde, rukte op tegen Florence. In haar nood riep de stad der kunstenaars haar grootste zoon terug. Maandenlang zwoegde Michelangelo aan het versterken van heuvels en het plaatsen van kanonnen.

Uit het bloedvergieten en de angst van deze tijden groeit Michelangelo’s werk van diepste vredigheid — de graftombe van de Medici’s. Om deze tombe te bezoeken — en de stroom van bezoekers laat nooit af— gaat men naar de kapel naast de kerk van San Lorenzo in Florence en betreedt een ruimte, door Michelangelo ontworpen, die een vinger legt op de polsslag en de rusteloze geest doet bedaren. Daar staan, tegenover elkaar bij de muren, de twee graftomben, een voor Lorenzo de Medici, een voor zijn broer Giuliano. Gekleed in een licht harnas, zijn hand op het zwaard dwars over zijn knieën, staart de jonge Giuliano hunkerend naar de jaren die hij niet meer mocht meemaken. Deze figuur wordt gewoon “Het Actieve Leven” genoemd; haar tegenhanger “Het Beschouwelijke Leven” toont een peinzende Lorenzo, aarzelend de hand voor de mond, terwijl de helm de ogen beschaduwt die langs eenzame paden de dood tegemoetzien.

En weer legde een nieuwe Paus (hoe snel volgden zij elkaar op, hoe velen heeft Michelangelo overleefd!) de ouder wordende kunstenaar een uitputtende taak op de schouders. De muur van de Sixtijnse kapel achter het altaar moest nog versierd worden. En zo schilderde de beeldhouwer “Het Laatste Oordeel”. Michelangelo was nu oud — ouder dan zijn leeftijd, uitgeput door zijn worsteling met reusachtige opdrachten. Korte tijd had hij een innige vriendschap met een adellijke vrouw, Vittoria Colonna. Haar openbaarde hij, als voor niemand anders, zijn flinkere en verheven gedachten. Toen de dood haar overviel, werd hij haast een kluizenaar in een donker huisje in Rome. Hij leefde als een arm man, terwijl hij in feite zijn broers onderhield en een fortuin in contanten had verborgen in zijn atelier. Heimelijk schonk hij grote bedragen aan arme deugdzame meisjes, opdat ze een goed huwelijk konden doen.

Toch begon Michelangelo nog na zijn 70ste aan een nieuwe carrière als architect. Hij was nog een leerling toen hij werd aangewezen om de Sint-Pieterskerk te voltooien, die 50 jaar na het leggen van de hoeksteen nog een dakloze huls was. Vele bouwers hadden eraan gewerkt; het enige dat alle plannen gemeen hadden was de grootte, want dit moest de grootste kerk ter wereld worden. Het was een zo langdurige taak dat Michelangelo tussendoor tijd had, allerlei andere gebouwen overal in Rome te ontwerpen – kerken, paleizen, bruggen, musea. Zijn stijl beheerste op den duur de Eeuwige Stad als een machtige lofzang waarvan de akkoorden tot steen zijn verstild.

Sommige van Michelangelo’s plannen voor de Sint-Pieter werden nooit uitgevoerd, maar de grote dubbelplatige koepel is helemaal van hem en ze is een roemrijke kroon op deze schitterende kerk en op zijn leven. Uitvoerders zeiden dat het onmogelijk was, maar langzaam, laag voor laag, rees de grote stenen bult omhoog, schitterend van proporties, iedere laag als een uitdaging aan de zwaartekracht voortkruipend naar het middelpunt.
“Ik ben zo oud,” zei hij, “dat de dood aan mijn mantel trekt.” Maar voordat hij op 89-jarige leeftijd stierf, zag Michelangelo Buonarroti zijn werk bijna voltooid — de grootste en prachtigste koepel ter wereld. Vol licht en orgelgeschal en jubelend koorgezang, een wijde en luchtige climax van macht, bevat deze koepel — als iets ter aarde dit kan — een laatste echo van deze titanische geest.

8e klas: alle artikelen

Vertelstof: alle biografieën

Vertelstof: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

767-702

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 2 klas – vertelstof (4)

.

Bron?

.

Ierse legende

Verteltijd ca 10 min.
.

DE VRIENDELIJKE HUT

Lang, lang geleden trok er over de weg van Donegal naar Killybegs een groepje zigeuners. Het waren arme lieden die met het lappen van ketels probeerden aan de kost te komen en hier en daar een ei of een lam stalen als de pot té schraal was. Maar van karige beetjes kan men niet veel monden vullen en toen de zigeuners door Cam-Na-Ween trokken, besloten zij afstand te doen van het jongst-geboren kind en legden het te vondeling op de drempel van de hut van Bridget en Gonal Hegarty.

Nu waren in die dagen de tijden zwaar en Bridget en Conal hadden zelf al een groot gezin, maar een kind onderdak weigeren doet men in Ierland niet en dus werd het liefderijk opgenomen. De kleine Oona groeide op tot een mooi meisje, misschien wel het mooiste van heel Cam-Na-Ween en de landen daar ver omheen en de jongens uit die streek hadden haar graag tot vrouw genomen. Maar men was er niet vergeten dat zigeuners dit kind hadden gebracht en iedere jongeling wiens hart in vuur en vlam stond voor de lieftallige Oona, vergat maar gauw hoe aantrekkelijk dat meisje in de hut van Bridget en Gonal was en koos zich een degelijke Ierse huisvrouw. En dus bleef Oona alleen bij de twee oudjes van wie zij veel hield en die ze liefderijk verzorgde. In haar hart koesterde zij een schone droom: als eens Bridget en Conal zouden zijn overleden zouden zij misschien aan haar de hut achterlaten. Zij zou dan een eigen huis hebben, met voor de ramen zonnig-gekleurde gordijnen en boven het vuur een grote koperen ketel die altijd glimmend zou zijn gepoetst. Maar voor Bridget stierf zei ze: ‘Oona, de hut is voor mijn zoon Michael en zijn jonge vrouw. Neem uit de kist het linnengoed dat je toekomt. Misschien zal er ergens een man zijn die nog met je wil trouwen.”

En Oona vouwde haar linnengoed tot een bundel en vertrok, vastbesloten ooit haar schone droom waar te maken. En overal was wel een hutje dat haar wachtte, waar zij een ziek kind kon verzorgen of waar zij de taak van de overleden huisvrouw kon overnemen. Want Oona kon hard werken en er was veel liefde in haar hart. Maar nergens was er een plekje voor haar alleen en geen man kon vergeten dat zij een zigeunerkind was.

De jaren verstreken en hoe ouder en krommer Oona werd, hoe meer haar bezittingen groeiden; overal waar ze had gewerkt hadden de mensen haar linnen en potten en pannen geschonken ~- zoveel dat ze tenslotte wel een wagen nodig had om ze te vervoeren.

Toen zij al heel oud was, woonde ze in de hut van Brian MacManus. Het was in de tijd van de grote hongersnood en voor ieder was er niet meer dan de dagelijkse lepel pap. Het deed Oona pijn te zien hoe hongerig de ogen van de kinderen waren, maar zij kon haar eigen kleine hapje niet afstaan, want de vrouw was ziek en zonder dat beetje eten had ze niet kunnen werken en het gezin zo goed mogelijk verzorgen. Maar toen het midwintertijd werd en de restanten van de laatste mislukte oogst nog kariger geworden, kon zij de ellende en het verdriet niet langer aanzien en pakte haar bezittingen bijeen.
‘Jullle kunnen nu wel voor jezelf zorgen. Je hebt mij niet langer nodig’ zei ze. ‘God weet dat dat waar is’, zei vrouw MacManus.

Maar de man zei: ‘Zwijg toch, vrouw! Weet je niet wat voor avond dit is?’ En de vrouw sprak verbitterd: ‘Ik weet het. Het is kerstavond. Maar in deze tijden is iedere avond gelijk aan de andere. De oude vrouw is gek. Laat haar gaan!’  En Oona zei: ‘Mogen God en Maria u op deze avond bijstaan!’ en zij nam haar bundel over de schouder en stapte de heldere vriesnacht in. Ze nam de weg door Carn-Na-Ween die naar zee leidt en bij ieder hutje stond ze stil en keek naar binnen. Bijna iedere haard was haar vertrouwd, bijna ieder gezin had ze gekend. Langzaam volgde ze het steile pad de heuvels in, en toen zij de laatste hutten ver achter zich had gelaten, ging ze zitten aan de rand van het veen.

‘Ik heb nog nooit zo gezeten’, bedacht ze verwonderd. ‘Voor het eerst is er niemand voor wie ik moet zorgen, niemand die eenzaam, ziek of verdrietig is’. En terwijl de sneeuw zich zachtjes om haar schouders legde, dacht ze: ‘Hïer heb ik altijd willen zijn. Het is hier stil en mooi en hier zal ik wachten tot hij komt. En hij zal komen als een geliefde, die mij in zijn armen neemt en zegt: ‘Kom Oona, wees niet bang!’ en ik zal mijn hand in de zijne leggen en voor altijd mogen rusten.
Eigenlijk wist Oona niet goed meer wat er hierna gebeurde. Vaag herinnerde zij zich dat ze nog het Elfenland had willen bezoeken, dat naar men zei aan de rand van het veen en de moerassen lag. Maar ze was te moe, haar hoofd viel op haar schouder en ze droomde van het verhaal van ‘Conall van de Duizend Zangen’, die eens op een midzomernacht op dezelfde plek had liggen slapen en die was wakker geworden met een hoofd vol feeënmuziek en van Willy Donogue die op een late voorjaarsavond door het elfenrijk was gereden en had gezien hoe de bewoners daar buiten rondreden, om hun schouders kleedjes van dauw en bloemen in de goudblonde lokken. Van dit alles droomde Oona, terwijl de sneeuw haar langzaam toedekte. Het zou zeker een Witte Kerstmis worden en men vertelde wel dat dan het Vriendelijke Volkje de huizen verliet om gezamenlijk het wonder van de geboorte te aanschouwen. En als dat zo was zou de oude vrouw in deze nacht zeker niet alleen zijn.

Toen Oona, na vele uren te hebben geslapen, wakker werd, had ze het gevoel dat iemand naar haar stond te kijken. Voorzichtig probeerde zij haar benen te strekken en ze voelde hoe ze daarbij iets aanstootte. Toen zij naar haar voeten keek, dacht ze dat de duisternis en haar oude ogen haar parten speelden. Zij zag daar een heel klein mannetje staan; een dwerg nog kleiner dan de hand van een man.
Maar toen Oona goed keek, zag zij rechts en links, voor en achter haar honderden van die dwergen en ze zei:
‘Wees maar niet bang. Ik wist niet dat jullie hier waren. Zoeken jullie iets?’ ‘Jou en niemand anders,’ zeiden de mannetjes met lachende knopgezichtjes. En Oona begreep dat dit het Vriendelijke Volkje moest zijn. ‘Waarom lachen jullie?’, vroeg ze verwonderd.

‘Om jou natuurlijk! Je leven lang heb je voor anderen gezorgd en nooit heb je iets gevraagd en nooit heeft een mens je zichzelf of zijn woonplek geboden. En daarom zijn wij nu hier. Slaap nog maar wat, kind van zigeuners, vanaf heden doen wij het werk!’

En van onder haar deken van sneeuw zag Oona hoe het Vriendelijke Volkje heen en weer rende, hoe het stenen en riet aansjouwde en hoe het die stenen begon te stapelen en er balken op aanbracht en hoe op die balken het dak werd gelegd en hoe daar een Vriendelijke Hut werd gebouwd. En toen het werk gedaan was zeiden de dwergen: ‘Word wakker, Oona Hegarty, word wakker!’ ‘Maar ik ben wakker,’ zei Oona, ‘hoewel ik het gevoel heb alsof ik droom.’ ‘Dan pakken we nu je bundel en kun je eindelijk naar huis gaan’.
De duizenden kabouters pakten haar bundel en droegen hem de hut binnen en toen Oona over de drempel stapte zag ze dat alles net zo was als zij haar leven lang had gedroomd: voor de ramen hingen zonnige gordijntjes en boven het vuur een glimmend gepoetste koperen ketel. En zij zag dat er nog veel meer was: tafels en stoelen, potten en pannen en de lepel waarmee men het ‘griddle-bread’ roert.

Oona keek naar de dwergen. ‘Ik weet niet waarom jullie dit deden’, zei ze  ‘en ik wil ook niets vragen, behalve één ding: breng mij iedere Witte Kerstmis mensen die ongelukkig, ziek of eenzaam zijn. Ik zal het vuur dan opstoken, waaraan zij zich kunnen verwarmen en ik zal het brood bakken waarmee zij hun maag kunnen vullen. Hier zullen zij dan tevreden en gelukkig zijn.’ ‘Wij beloven het je, Oona Hegarty’, zeiden de elfjes. En toen waren ze weg Nog even hoorde Oona hun heldere stemmen in de verte, daarna werd alles stil.

Doodmoe viel de oude vrouw in een diepe slaap en toen zij wakker werd, hoorde ze hoe de klink van de deur werd opgelicht. Vriendelijk zeï ze: ‘Kom binnen Maggie MacManus, ik heb al op je gewacht.’

Het uitgehongerde kind was verbaasd de stem van Oona te horen en een vrouw te zien die Oona misschien wel, maar misschien ook niet was. Zij lag geknield voor de haard en keerde het ‘griddle-bread’ en ze was jong en mooi; haar ogen waren hemelsblauw en haar lokken goudblond en zij leek wel iemand die tot het elfenvolk hoort.

‘Ga maar bij de haard zitten, Maggie,’ zei ze. ‘Je mag zoveel eten als je wilt en als je buik vol is mag je weer naar huis gaan.’

En toen Maggie weer thuis kwam vertelde ze van de Vriendelijke Hut en van Oona die weer als een jonge bruid was. Maar hoewel alle inwoners van Carn-Na-Ween nog maanden naar het hutje zochten, vonden zij het niet. En pas toen er weer een Witte Kerstmis was, zag de weduwe Molly Maclntyre, die was weggelopen omdat men haar naar het armenhuis wilde brengen, een kleine hut, waar achter de ramen een warm licht scheen. Maar zij is nimmer teruggekomen om in Carn-Na-Ween te vertellen hoe behaaglijk het daar was in die hut aan de rand van het veen.

Maar in Carn-Na-Ween weet men dat áls er een Witte Kerstmis is, er altijd hoop is voor een arm, eenzaam mens, dat de weg zal gaan die naar Killybegs leidt en daar zal worden ontvangen door een jonge vrouw die een Vriendelijke Hut bewoont.
,

2e klas vertelstof: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

2e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 2e klas

.

764-700

.