VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – H.G.Wells

 

DE KABOUTER DIE EEN REUS WAS

Toen ik op een zoele voorjaarsmorgen door Regent’s Park m Londen wandelde, zag ik een gezette gestalte die met aan iedere hand een kind voorthobbelde, en ik dacht: “Zou dat nu het ‘Brokje Vuur’ zijn?” Ik kwam vlug naderbij. Plotseling zei een schelle stem, krassend als een griffel over een lei: “Zo, schoffies — dat is vandaag genoeg geweest voor een ouwe man,” en terwijl hij de kinderen een zetje gaf, plofte hij op een bank neer.
Ik aarzelde een ogenblik. De man die ik daar zag zitten, stond bekend om zijn onverwachte reacties; zou hij me vriendelijk te woord staan of in een stortvloed van boze woorden losbarsten? Ik besloot het erop te wagen.
“Neem me niet kwalijk — bent u H. G. Wells?” vroeg ik. “Wie anders? Is er dan nog iemand die er zo gammel en afge­takeld uitziet?”

Herbert George Wells was toen in de 70. Als romanschrijver, ziener, historicus en pedagoog had hij ruim 100 boeken en brochures geschreven. Hoewel hij klein van stuk was, met korte armen en heel kleine handen en voeten, deed hij iemand zijn uiterlijk vergeten enkel en alleen door zijn uitbundigheid en zijn woordenvloed. Hij was een ontwapenende kabouter, vol tintelend leven. Zijn vrienden noemden hem het “Brokje Vuur”, omdat zijn kleine gestalte zo’n felle vitaliteit herbergde.
Toen we daar die ochtend zo zaten, kregen we het over van alles: van God en Mammon tot schoenen met dikke spijkers en Hitler. Ik was me direct bewust van zijn buitengewone gave om louter door zijn bezielde en bloemrijke taal het alledaagse tot iets zeer boeiends te verheffen. Hij borrelde van levenslust en ik had het gevoel — wat me bij een eerste ontmoeting zelden overkomt  dat ik echt contact met hem had.

Wells was het tegengestelde van een veinzer, wars van de huichelarijtjes waaraan zovelen van ons zich schuldig maken. Kort daarna bezocht ik hem in zijn mooie huis in Hanover Terrace. Hij droeg een oude grijze pullover, een gekreukelde flanellen broek en afgetrapte trijpen pantoffels. Klip-klap, klip-klap, zo slofte hij de trap af om mij te begroeten en bij elke stap stak hij zijn hand onder de pullover om op zijn rug te krabben.
Hij had een conciërge kunnen zijn die in zijn zondagmiddagdutje was gestoord.
Even later begon hij te praten. Onmiddellijk werd hij een ander mens. Ik werd vooral getroffen door het kogelronde voorhoofd, de ogen waaruit warmte en intelligentie straalden en de hoge maar bezielde stem.
Nog afgezien van intellect en persoonlijkheid, maakte de verbeeldingskracht van deze man hem tot een der grootste wetenschappelijke zieners van onze tijd. Lang voordat ze een feit waren geworden, zag hij de tank voor zich, het vliegtuig en de oorlog in de lucht. Zestig jaar voordat het zover was gaf Wells een briljante
beschrijving van een H-bom-explosie.

Hij schreef ook over ruimtevaarders in een tijd dat de meeste wetenschapsmensen dat bespottelijk vonden: “Er zal een tijd komen dat mannen in hermetisch gesloten omhulsels pijlsnel omhoog zullen stijgen in de eenzaamheid van de ruimte en om de aardbol zullen cirkelen terwijl zij geheime berichten uitzenden; astro­nauten, gemaskerd en gekleed in rubber, die in de ruimte de eerstc onderzoekingen doen welke het lot van de mens zullen veranderen.”

Hij heeft zes natuurwetenschappelijke romans geschreven. Zij voorspelden niet alleen stuk voor stuk de toekomst, maar bevatten tevens een boodschap voor de gehele mensheid.
De onzichtbare man, verschenen in 1897, wees op de gevaren van absolute macht, wanneer die niet in toom wordt gehouden door zedelijke normen. Dit is door de opkomst van Hitler en nazi-Duitsland dan ook wel gebleken. De slaper ontwaakt, een beschrijving van deze wereld zoals die er over twee eeuwen zal uitzien, heeft beangstigend duidelijk aangetoond, dat de technische vooruitgang de gewone menselijke vooruitgang zou overvleugelen en vertroebelen. In Het eiland van dr.Moreau liep Wells vooruit op de schanddaden in concentratiekampen.

Wells’ huis stond in het hartje van Londen en keek uit op het prachtig groene Regent’s Park; hij had een heel breed venster laten aanbrengen om een wijd uitzicht te hebben dat paste bij zijn visionaire aard. Vlak naast het huis stond de garage. Op de wanden had hij een aantal tekeningetjes gemaakt: voorstellingen van het ontstaan der beschaving, van het allereerste begin der keverachtige trilobieten tot de mens. Boven de primitieve tekeningen had hij geschreven: “Onbegrensde energie ten goede of ten kwade. Hebt gij het intellect, hebt gij de wil om het leven te doen voortbestaan?”

Er waren altijd bezoekers. Uit de hele wereld kwamen mensen om de ouder wordende profeet te zien en te vereren: studenten,  hoogleraren, staatslieden, schrijvers, schilders, wetenschapsmensen — op elk gebied had hij vrienden.

Wells bezat een enorme moed, zowel lichamelijk als zedelijk. Toen in de Tweede Wereldoorlog de bommen om het grote huis in Hanover Terrace neerhagelden, trokken velen van zijn buren uit de stad weg, maar H.G. wilde daar niet van weten. Hij had met opzet Hanover Terrace nummer 13 gekozen om het bijgeloof te tarten. Toen de zware voordeur door de luchtdruk van een bomontploffing uit de scharnieren werd gerukt, bracht hij op de voorgevel een nummer 13 van een meter hoog aan.

Op een keer kwam een forse vrachtautochauffeur op straat op Wells af en zei dat hij hem zou neerslaan om iets dat hij had schreven. Doodgemoedereerd zei H. G.: “Goed, sla me neer maar op die manier win je het geschil niet.” De man bracht zijn geweldige vuist tot op een centimeter van Wells’ gezicht en keek hem woedend aan. Wells stak zijn kin naar voren en wachtte. Plotseling liet de man zijn knuist zakken en liep mompelend weg.

Wells toonde ook moed toen zijn vrouw Catherine stierf. Zij waren 33 jaar getrouwd geweest. Ze werden verliefd in 1894 en Wells schreef later: “Wij waren een bijzonder roekeloos stel. Wij begonnen ons gezamenlijke leven met nog geen 50 pond tussen ons en de algehele ondergang . En we hadden er heel veel plezier in.”
De persoonlijkheid van zijn vrouw had twee kanten. In haar particuliere leven bleef zij uitsluitend iemand die Catherine heette, een gevoelige, beschaafde vrouw — en in het openbaar gaf zij zich als iemand die Wells al gauw “Jane” doopte, een praktische, zakelijke vrouw die zich met de financiën van haar man belastte en zijn werkuren met een beschermend web omhulde. Jarenlang deed ze zijn typewerk, vulde aangiftebiljetten voor de inkomstenbelasting in, gaf raad en kritiek en ruimde voor hem de dagelijkse moeilijkheden uit de weg.
Haar dood, in 1927, betekende voor Wells een uitermate zwaar verlies. Hoewel hij een man met een onvoorstelbare veerkracht was, duurde het geruime tijd eer hij die slag te boven kwam. Toen begon hij opnieuw te schrijven, en hij ging reizen. Hij bezocht Amerika en Rusland; als diplomaat-op-eigen-houtje ontmoette hij mannen als Roosevelt, Lenin en Stalin. H. G. was het niet eens met Stalin — en wond daar geen doekjes om. Hij zei de mensen altijd precies wat hij dacht.

Zijn vitaliteit kende geen grenzen. Soms belde hij zijn vrien­den om twee uur in de nacht op en begon honderd uit te praten. Hij kon de halve nacht opblijven om te lezen, verscheen dan aan het ontbijt en gaf een briljante analyse van het boek. Om 12 uur ’s nachts zei hij eens tegen mij: “Een jongeman zoals jij moe? Stel je niet aan!”

Er is inmiddels een eeuw verlopen sinds Wells in 1866, zoals hij het uitdrukte, “belletjes blazend en met nietsziende oogjes het universum aanschouwde en er zwakke handjes naar uitstak.” Hij kwam ter wereld in een tijd die geheel en al in het teken stond van koningin Victoria, toen de vrouwen rokken tot op de grond droe­gen, vaders onfeilbaar waren en Groot-Brittannië — in de ogen van iedere Engelsman — het centrum van de beschaafde wereld was. Zijn ouders, Joseph en Sarah Wells, woonden boven hun porseleinwinkel te Bromley in Kent. Het waren starre, kortzichtige mensen en zij hadden er geen idee van wat een onstuimig ventje zij hadden voortgebracht. Evenmin konden zij zich voorstellen hoezeer zijn geschriften en gloednieuwe denkbeelden in talloze landen de mensen en hun beschavingen zouden beïnvloeden.

Dat was de grootste bijdrage die Wells leverde: het voorlichten van de gewone man. Zijn Gezamenlijk avontuur van mens en wereld is in ten minste 20 talen verschenen en door ruim twee miljoen lezers gekocht. Wells leerde de mensen denken. Als internationaal pedagoog overvleugelde hij de scholen en de leraren, bracht uitgestrekte gebieden van kennis binnen het bereik van het gewone individu en wist het fascinerende van nieuw verworven kennis over te dragen. Hij leerde de mensen zich niet te laten verblinden door de tradities van het verleden, maar hun eigen verstand te gebruiken. Hij liet hen vooruit kijken. De wereld wemelde van de moge­lijkheden; het kwam er slechts op aan dat wij leerden ze te ver­wezenlijken.

“Natuurlijk heeft dit alles een grappige kant,” zei hij eens tegen mij. “Zie je, toen ik mijn vrouw voor het eerst het idee van een wereldgeschiedenis voorlegde, dachten we dat dat ons geld zou kosten. Wie kon van geschiedenis een best-seller maken? Maar ten slotte bracht het me een klein fortuin op. En het heeft die droog­stoppels van geschiedkundigen eens flink door elkaar geschud — en hoe!”

De langste tijd van zijn huwelijksleven woonde Wells op een buitengoed, Easton Glebe in Essex. In de weekends kwamen er beroemde gasten logeren. Die vermaarde weekends verliepen vol­gens een bepaald patroon. Men ging vrijdagavond om een uur of half elf naar bed om zich voor te bereiden op de vermoeiende dagen. (H. G. had speciaal nachtgoed ontworpen dat hem in staat stelde ’s nachts op te staan om te schrijven, wanneer hij daar zin in kreeg, zonder het koud te krijgen — en soms zat hij nog te schrijven als het al licht werd.) Dan brak de zaterdag aan — en het “balspel”. Dit vond plaats in een schuur. En dan gebeurde het dat George Bernard Shaw aan één kant van het tennisnet stond naast J. W. N. Sullivan, de wiskundige, en Wells en bijvoorbeeld Arnold Bennett aan de andere kant, om tegen een rubberbal te meppen en hem na te rennen met genoeg energie om een oorlog te winnen en met een geschreeuw dat deed denken aan een Indianenfilm. Dit was Wells’ manier om in goede conditie te blijven, pret te hebben en plichtplegingen opzij te zetten.

Wells zei eens: “Het kan mij niet schelen of ik als koning word gekroond of in de goot verhonger — ik volg de leiding!” Met “leiding” bedoelde hij zijn overtuigingen. Deze standvastigheid was er de oorzaak van dat hij herhaaldelijk beschimpt en gehekeld werd. Zijn roman Ann Veronica liep vooruit op de vrije, ontwikkel­de, onafhankelijke moderne jonge vrouw, en dat in een tijd waarin dergelijke denkbeelden nog revolutionair waren. Die roman hielp de suffragettes in de strijd om het kiesrecht en gelijke rechten als de man die zij dank zij hem wonnen. Wells was in zekere zin een soort van mannelijke suffragette.

Een van zijn opvattingen die de meeste weerstand opriepen was zijn afkeer van de Britse monarchie. Hij wilde deze door een republiek vervangen. Wanneer hij maar kon, schreef en sprak hij over dat onderwerp met een openhartigheid en een woorden­rijkdom die negen tienden van de natie ergerden.
Wanneer hij zich geroepen voelde over de toekomst te schrijven, beschikte Wells over een meesterlijke welsprekendheid: “Het kan dus zijn dat dit avontuur tot in lengte van dagen zal duren en dat ons ras zal voortbestaan. De ondoordringbare wolken die ons leven aan alle kanten hebben omsloten, verbergen wellicht ontelbare beproevingen en gevaren, maar zelfs in hun diepe schaduw is de begrenzing niet absoluut; er zijn tijden en seizoenen, stemmin­gen van geestvervoering — als het ware momenten van openba­ring — waarin het ganse heelal om ons heen schijnt te stralen door de aanwezigheid van nu nog onvoorstelbare dingen.”

Enige jaren voor zijn dood, in 1946, schreef H.G. zijn eigen “in memoriam”, dat aldus begon: “H.G. Wells is gistermiddag in het Paddington-ziekenhuis ten gevolge van een hartverlamming overleden. Het belangwekkendste in Wells was dat hij weigerde de eenvoudige, maatschappelijke status te aanvaarden waartoe hij scheen voorbestemd, en voorts de onverzettelijkheid waarmee hij vasthield aan zijn rol van vrije burger in een nieuwe wereld die geleidelijk aan uit de ruïnes oprees.”

Het laatste beeld dat ik mij van hem herinner, is dat van een man die op en neer sprong voor het brede venster van zijn huis bij Regent’s Park. Hij was toen 79, een vermoeid man, die be­greep dat zijn einde naderde. (Hij stierf een jaar later.) Maar die avond scheen hij bijzonder uitgelaten. Londen onderging een hevige luchtaanval. Het afweergeschut was oorverdovend, zoek­lichten priemden in alle richtingen door de lucht en er kwam geen eind aan de overvliegende bommenwerpers. “Kijk!” riep hij. “Ik weet me geen raad van angst — maar is het niet geweldig op­windend?”

alle biografieën

740

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.