VRIJESCHOOL – Muziek – Bach – getallensymboliek

.

Eigenlijk begrijpen we er niets van

Onlangs* verscheen bij De Walburg Pers het boek Bach en het getal van Kees van Houten en Marinus Kasbergen. Een muzikale analyse waaruit blijkt dat werk van Bach tot in de kleinste details doortrokken is van een verbijsterende getallensymboliek.

Jelle van der Meulen en Jan Verweij hadden een gesprek met de auteurs.

‘De naam Bach wil men nog wel accepteren. De symbliek van de Rozenkruisers, och, dat is ook niet zo gevaarlijk. Maar de sterfdatum… Dat is het onwaarschijnlijkste van alles.’

Ieder die de muziek van Johann Sebastian Bach kent – en wie kent haar niet – weet dat zij zich kenmerkt door een strenge en heldere wetmatigheid, die zich laat vergelijken met de architectonische ritmiek van een gotische kathedraal. De aard van de verwantschap tussen die twee, Bach en een gotische kathedraal, laat zich niet gemakkelijk verwoorden, maar heeft te maken met het gevoel dat je bijvoorbeeld kunt hebben in de kathedraal van Chartres. De omhoog strevende lijnen, die in de nok met een zachte boog samenkomen in een spits, lijken de behoefte in de bezoeker te willen wekken de rug te strekken, of beter gezegd: het rechtop staan nadrukkelijk te voelen. Gotische kathedralen zijn gebouwd voor mensen die willen staan; maat en getal van zuilen, bogen en vensters passen bij geheven hoofden. Iets dergelijks geldt voor de muziek van Bach: zij omgeeft de luisteraar als de binnenruimte van een kathedraal waar vrije beweging mogelijk is. Of het nu de Brandenburgse concerten zijn, de fuga’s of de Passies, het is altijd muziek waarin je innerlijk kunt opstaan. Het woord dat wat mij betreft het meest dicht in de buurt komt van de betekenis van de muziek van Bach is: opstanding.

Onlangs verscheen een boek waarin een op zijn minst verrassend aspect wordt blootgelegd van de wetmatigheden in de muziek van Bach. De achterflap spreekt van een ‘bijna sensationele visie’, hetgeen nauwelijks overdreven is. De inhoud zal vele liefhebbers van de muziek van Bach, maar ongetwijfeld ook anderen, voor enkele onontkoombare vragen stellen.

De twee schrijvers, Marinus Kasbergen en Kees van Houten, zijn beiden van beroep musicus. De eerste doceert* muziektheorie, analyse en muziekgeschiedenis aan het Brabants conservatorium te Tilburg; de tweede is de vaste bespeler van het orgel van de Sint-Lambertuskerk te Helmond en doceert orgel aan het Utrechts conservatorium. Tijdens het gesprek dat wij met hen hebben, zeggen zij enkele keren op bescheiden en verbaasde toon ‘er ook helemaal niets van te begrijpen’. Net als iedere willekeurige lezer van hun boek, voelen zij zich geconfronteerd met feiten die niet gemakkelijk te begrijpen zijn.

Waar gaat het om? Al vele decennia deden geruchten de ronde dat Johann Sebastian Bach door middel van getallensymboliek op ‘kunstige’ wijze zijn naam verwerkte in zijn composities. Rond de Tweede Wereldoorlog zijn enkele publicaties verschenen, waarin van dit feit melding werd gemaakt. Behalve enkele onderzoekers, zoals de Nederlanders Dieben, Ketting en Bronkhorst, beschouwde men in het algemeen deze kennelijke gewoonte van Bach als curiositiet, die een nader onderzoek niet waard was. Ook andere geruchten doken op, zoals de bewering dat in de muziek van Bach diens geboortedatum en bovendien spreuken van Rozenkruisers verwerkt zouden zijn. Omdat er echter geen samenhangend en overtuigend onderzoek werd gedaan, bleef dit alles vaag en ongrijpbaar.

En omdat bovendien niet duidelijk was op welke wijze verificatie van deze ‘geruchten’ een bijdrage kon leveren aan een beter begrip van de muziek van Bach, liet het officiële Bachonderzoek dit veld braak liggen. Geïntrigeerd door het onderwerp en ontevreden over de onduidelijke stand van zaken, besloten Kees van Houten en Marinus Kasbergen twaalf jaar geleden* een poging te wagen de sluier op te lichten. Sindsdien hebben zij tienduizenden uren gewerkt, hetgeen inhoudt: analyseren, maten en noten tellen, vergelijken van uitkomsten, zoeken naar regelmatig voorkomende getallen, enzovoort. Met als conclusie na twaalf jaar: de geruchten zijn waar. Of sterker nog: de geruchten zijn meer waar dan zelfs in de stoutste dromen voor mogelijk was gehouden.

De conclusie van de schrijvers is dat er in de composities van Bach steeds weer een samenhangend complex van getallen te vinden is dat zowel de totale structuur als alle details beheerst. Die getallen verwijzen naar woorden, zoals bijvoorbeeld de naam van Bach. De manier om die getallen te vinden is steeds dezelfde: uitgaande van een louter muzikale analyse van een werk, worden maten en noten in logische en vanzelfsprekende structuren verdeeld. Uiteindelijk levert dat reeksen van getallen op, die verwijzen naar bepaalde betekenissen.

Die betekenissen hangen op eenvoudige wijze met de getallen samen. Kees van Houten en Marinus Kasbergen zijn hierbij uitgegaan van het Latijnse alfabet dat in Bachs tijd werd gebruikt (en dat twee letters minder heeft dan het onze; de i was gelijk aan de j, de u aan de v). De eerste letter van het alfabet krijgt het getal 1, de tweede het getal 2, de derde het getal 3, enzovoort.
De naam Bach kan dan getalsmatig worden geschreven als 2.1.3.8. De initialen van Bach, J.S.B., worden 9.18.2. De gehele naam Johann Sebastian Bach krijgt op deze wijze als getal 58.86.14, nadat de letterwaarden van de verschillende woorden bij elkaar zijn opgeteld. Een hele reeks van ‘Bach-getallen’ ontstaat door er diverse rekenkundige operaties mee uit te voeren, zoals 2 maal 138, of 21 plus 38, of 21 maal 3 maal 8.
Kasbergen en Van Houten zijn zo tot een rekenkundige reeks van zo’n 120 getallen gekomen die te maken (kunnen) hebben met de naam van Bach. Dat lijkt op het eerste gezicht een heleboel, zodat de factor ‘toeval’, wanneer het gaat om het voorkomen van die getallen in de composities, niet moet worden uitgesloten. In werkelijkheid echter is de kans dat je bij een willekeurige getalskeuze tussen de 1 en de 3000 toevallig op een ‘Bach-getal’ stuit slechts 2,9 procent. (Nog andere redenen sluiten volgens de schrijvers toeval geheel uit Daarover straks meer.)

Het eerste hoofdstuk van het boek geeft 25 voorbeelden van composities of fragmenten van composities waarin de naam van Bach getalsmatig is verwerkt. Wij kiezen er een enkele uit, en wel Sinfonia 6 in E (Inventiones). ”Het hoofdmotief daarvan is:

In 27 van de maten van het stuk komt dit motief voor. In 14 niet. Het eerste getal staat voor J.S. (9 plus 18): het tweede voor Bach (2+1+3+8). Het stuk heeft twee casuren.
De schrijvers: ‘Na 17 maten vinden we een cadens in B en op maat 34 staat een fermate. Door van deze cesuren gebruik te maken kunnen de 27 en de 14 in letters worden onderverdeeld. Voor de cadens liggen 8 maten zonder motief en 9 maten met het motief. Na de cadens liggen 6 maten zonder motief en 18 maten met motief. De zes maten zonder motief worden door de fermate onderverdeeld in

Zo ontstaat het volgende geheel:

cadens

Er is hier dus sprake van een compositie waarvan alle elementen op basis van een muzicologische analyse te herleiden zijn tot geen andere getallen dan Bach-getallen. Toeval lijkt onwaarschijnlijk’.

Rozenkruisers

Tot dusver kan men de vraag stellen: wie heeft er baat bij te weten dat Bach kennelijk zijn naam als een soort van verborgen handtekening in zijn composities begroef?

Door een volgende stap die Kees van Houten en Marinus Kasbergen hebben gemaakt, wordt de kwestie echter op een ander niveau getild. Tegelijk wordt de vraag naar het waarom van dit alles dringender.

In het tweede hoofdstuk van hun boek zetten de schrijvers uiteen hoe spreuken van de Rozenkruisers op dezelfde wijze als de naam van Bach ten grondslag liggen aan diens composities. Het gaat hier in hoofdzaak om de zogenaamde ‘grafspreuk’, zoals deze te vinden is in de Fama Fraternitatis, een boek dat in 1614 verscheen en een oproep bevat aan alle geleerden van Europa te reageren op de inhoud ervan. De Rozenkruisersbroederschap zegt in de Fama een methode van onderzoek te kennen, waarmee dingen onderzocht kunnen worden die totaal verschillend zijn van de werkelijkheid waarmee de wetenschap bekend was.

In de Fama wordt een en ander verteld over het leven van Christian Rosencreutz (aangeduid met de initialen C. R. C.), de stichter van de Rozenkruisersbroederschap. Verhaald wordt van zijn reizen naar Arabië en Egypte, waar hij wordt onderwezen in tal van wetenschappelijke vakgebieden. Na zijn terugkeer in Europa draagt hij deze kennis over aan enkele trouwe monniken. Geruime tijd na zijn dood wordt zijn grafkamer door een van de opvolgers van zijn leerlingen gevonden in het ‘Broederhuis’ van de broederschap. Achter een verborgen plaat in de muur blijkt een deur te zijn, waarop de woorden staan: ‘Na 120 jaar zal ik open gaan’. Deze deur blijkt de toegang te zijn tot een zevenhoekige kamer; bodem en zoldering zijn elk in zeven driehoeken verdeeld. In het midden staat een altaar met de spreuk: ‘ACRC Hoc Universi Compendium Vivus Mihi Sepulchrum Feci’. (‘Altaar CRC. Deze samenvatting van het heelal heb ik mij tijdens mijn leven tot graf gemaakt’). Als het altaar wordt geopend, blijkt daar onaangetast het lichaam van Christian Rosencreutz te liggen.

Er is in de loop van de eeuwen veel geschreven over de Rozenkruisers, alhoewel er historisch eigenlijk maar weinig over bekend is. Volgens Rudolf Steiner, die in 1907 een reeks voordrachten hield onder de titel ‘Die Theosophie des Rosenkreuzers’, gaat het om een belangrijke geestesstroming die in hoofdzaak in het verborgene werkzaam was. Hij beschrijft Christian Rosencreutz als een belangrijke individualiteit, die als leraar optrad van een aanvankelijk kleine groep leerlingen. Tot ver in de achttiende eeuw beschermde de broederschap zich tegen de openbaarheid van het maatschappelijke leven en onderwierpen de leden ervan zich aan strenge regels, waaronder die van geheimhouding. In de achttiende eeuw, aldus Rudolf Steiner, bracht de broederschap enkele spirituele wijsheden naar buiten in de cultuur. Hij noemt daarbij twee voorbeelden: Lessings ‘Erziehung des Menschengeschlechtes’ en Goethes ‘Die Geheimnisse’. Een belangrijk kenmerk van de Rozenkruisers noemt Rudolf Steiner de verhouding tussen leerling en leraar, die ‘helemaal niet kan worden gekarakteriseerd als een geloof aan een autoriteit’. Het uitgangspunt van de Rozenkruisers was ‘modern’: de leerling kan bij het verwerven van spirituele kennis en vermogens weliswaar geholpen worden door een leraar, maar dient zijn weg principieel op eigen kracht te gaan.

Sterfdatum

Terug naar Bach. Het zou te ver voeren hier uit de doeken te doen op welke wijze in het werk van Bach naar de Rozenkruisers wordt verwezen. De methode van onderzoek van Kees van Houten en Marinus Kasbergen is principieel dezelfde als bij de naam van Bach. Twee aspecten treden in samenhang met de Rozenkruisers op de voorgrond: (variaties van) de naam van Christian Rosencreutz en de hierboven geciteerde grafspreuk uit de Fama. Tal van voorbeelden worden door de schrijvers in het boek uitgewerkt. Het kost de lezer soms enige moeite de complexe uitleggingen direct te volgen; een vasthoudende interesse leidt, althans wat ons betreft, tot de overtuiging dat er inderdaad sprake is van een consistente verwerking van Bach van genoemde motieven.

Het ligt voor de hand na te gaan of er iets historisch bekend is over Bach en de Rozenkruisers. Dat blijkt niet het geval. Alhoewel er een en ander uit zijn nalatenschap bewaard is gebleven, zoals brieven, is er niets dat wijst op een mogelijk lidmaatschap van de broederschap. Ook zijn er geen aanwijzingen die iets kunnen zeggen over de bedoeling die Bach had bij het verwerken van spreuken van de Rozenkruisers in zijn composities.

Na deze tweede ‘ontdekking’ van Kees van Houten en Marinus Kasbergen volgt nog een derde. Het is tevens de meest onwaarschijnlijke. De schrijvers: ‘Het was de grafspreuk van Christian Rosencreutz zelf die ons leidde tot de laatste, ontstellende ontdekking. Zelf begrijpen we er ook niets van. Toch is het onontkoombaar. We kunnen niet anders dan tot de conclusie komen dat Bach zijn eigen sterfdatum in zijn composities heeft verwerkt. Hij moet dus weet hebben gehad van het moment dat hij zou sterven’.

Johann Sebastian Bach stierf op 28 juli 1750. Wanneer men uitgaat van de jaartelling van de Rozenkruisers en het geboortejaar van Christian Rosencreutz (1378) als het jaar nul neemt, stierf Bach in het (Rozenkruisers)-jaar 372. Op deze manier geteld wordt de sterfdatum van Bach: 28.7.372. Het zijn deze getallen, of bepaalde variaties ervan, die Van Houten en Kasbergen op markante plaatsen in de muziek van Bach hebben aangetroffen.

Er zijn samenvattend dus drie ‘complexen’ van getallen: de eerste samenhangend met de naam van Bach, de tweede met de Rozenkruisers (jaartallen, naam van Christian Rosencreutz, grafspreuk) en de sterfdatum van Bach. De laatste stap die Kasbergen en Van Houten hebben gemaakt, is aantonen dat deze complexen niet fragmentarisch hier en daar te vinden zijn, maar in samenhang met elkaar voorkomen, en dan bovendien op zo’n manier dat de betreffende composities tot en met de laatste noot of maat een ‘symbolische’ weerspiegeling zijn van genoemde betekenissen. Zij putten hun voorbeelden uit de Inventiones, de Brandenburgse concerten, het Weihnachtsoratorium, de orgelsonates, de Goldbergvariaties, de Hohe Messe, het openingskoor van de Johannes Passie, de ‘wohltemperierte Clavier’, de Christuswoorden van Johannes en de Mattheus Passie, de cantate’s, enzovoort.

De drie ‘complexen’ samen geven een voorspelbaar aantal getallen die in de zin van de getallensymboliek ‘betekenisdragend’ kunnen worden genoemd. Onder de 1800 (het gemiddelde van de door Van Houten en Kasbergen behandelde aantallen noten of maten per compositie) is het mogelijk 6416241742 betekenisdragende combinaties van getallen te vinden. Dat lijkt veel. Als je dat echter vergelijkt met de willekeurige, dat wil zeggen niet-betekenisdragende combinaties die onder de 1800 mogelijk zijn, dan valt de uitkomst in het niet. Een onderzoek, uitgevoerd met behulp van een computer, heeft duidelijk gemaakt dat de kans dat je ‘toevallig’ stuit op een getallencomplex die voldoet aan de door Van Houten en Kasbergen gestelde voorwaarden, gelijk is aan één op een half miljard. Toeval lijkt derhalve een te verwaarlozen factor.

Het voorwoord van het boek eindigt met de regels: ‘Was het bij Bach spel of ernst, of ernstig spel? Legt u het boek terzijde met een glimlach van verwondering of met een uit scepsis betrokken gezicht? Feiten hebben iets onbarmhartigs, maar ze verdienen wel dat men er kennis van neemt’.

Twee eigenschappen van het onderzoek maken dat het aandacht verdient. In de eerste plaats de presentatie en de methode: het gaat om feiten die op een voor ieder te controleren wijze zijn verzameld. De resultaten worden zoveel mogelijk ‘droog’ gepresenteerd: zij spreken voor zich en worden niet in een bepaalde richting gemanouvreerd. In de tweede plaats willen de schrijvers met de feiten niet meer of minder aantonen dan dat zij ‘waar’ zijn. Zij laten verder geheel open wat de betekenis is van hetgeen zij aandragen. In dit opzicht is hun onderzoek beslist bescheiden te noemen. Alhoewel het onderwerp er alle aanleiding toe geeft, vervallen zij niet in occultische zweverigheid of overspannen gevolgtrekkingen.

In het gesprek dat wij met hen voeren, kunnen zij hun verbazing en verwondering niet verbergen. We vragen of Bach in zijn kennelijke getalsmatige verwerking van betekenissen uniek is.

Marinus Kasbergen: ‘We moeten natuurlijk zeggen dat wij dat niet weten, omdat wij geen even uitgebreid onderzoek naar andere componisten hebben gedaan. Maar we hebben wel het sterke vermoeden dat het nergens zo vergaand en consistent aan de orde is. Bij Bach gaat het om een samenhangend geheel van getallen dat ten grondslag ligt aan een totale compositie. Bij andere componisten vind je wel incidenteel iets. Maar neem nu het openingskoor van de Johannes Passie. Die bestaat uit 7000 noten. Al die noten passen tot en met de laatste noot in een duidelijk geheel. Daarin komen samenhangend voor: de naam van Bach, de naam van Christian Rosencreutz, de grafspreuk en de sterfdatum van Bach. Als je dat ziet denk je: mijn lieve hemel, wat is hier voor iemand aan het werk geweest?’

Kees van Houten: ‘Het is volkomen onvoorstelbaar. Natuurlijk kun je je voorstellen dat een componist zo hier en daar getalsymboliek in zijn werken aanbrengt. Dat gebeurt bij andere componisten ook wel. Maar bij Bach moet je je een andere vorm van bewustzijn voorstellen’.

Jullie denken niet dat het een kwestie is geweest van nauwkeurig rekenen en tellen door Bach ?

Marinus Kasbergen: ‘Je moet dan wel aan een bijzondere vorm van tellen denken. Als je alle manuscripten overziet, zul je nergens één aanwijzing vinden dat Bach iets met getallen heeft uitgeprobeerd. Kladblaadjes bestaan niet. Er zijn schetsen van Beethoven, waar hij thema’s en motieven uitprobeert. Bij Bach is zoiets er niet. Er is in de nalatenschap van Bach werkelijk niets te vinden dat op rekenarij wijst’.

Kees van Houten: ‘Men gaat er overigens in het algemeen van uit dat Bach zijn composities vrijwel direct, zonder correcties, uitschreef. Nee, het enige aanknopingspunt tot het begrijpen van wat zich bij Bach heeft voltrokken, is de muziek zelf. Die is van zo’n enorme kwaliteit, dat ik die geniale symboliek erbij plaatsen kan. De genialiteit van de muziek correspondeert met de geniale compositorische onderlagen ervan, inclusief die van de getallensymboliek. Ik stel het mij zo voor dat Bach in een totaalbeeld zijn composities voor ogen had, zowel muzikaal als getalsmatig. Hij hoefde niet op een kladblaadje te rekenen, omdat hij het in een beeld voor zich zag’.

Jullie zijn twaalf jaar geleden met het onderzoek begonnen. Wat was de aanleiding? Marinus Kasbergen: ‘We waren er al langer in geïnteresseerd. Op zeker moment verhuisde Kees van Houten, zodat we dichter bij elkaar kwamen te wonen. Toen hebben we gezegd: we gaan er serieus mee aan de slag. Het proces verliep eigenlijk zo dat er eerst geruchten waren over van alles en nog wat. Ook was er enige fragmentarische informatie. Dat is bij ons gaan klonteren. Vervolgens hebben wij jarenlang hard gewerkt. Er ontstond gaandeweg een steeds groter wordend meer van feiten, waarvan maar een deel in ons boek is terecht gekomen’.

Kees van Houten: ‘Op een bepaald moment besloten we om noten te gaan tellen. Aanvankelijk hadden wij ons beperkt tot maatstructuren, omdat dat meer voor de hand ligt. We konden ons eenvoudig niet voorstellen dat de wetmatigheden zouden doorwerken tot in de aantallen noten. Daarbij gaat het immers om veel grotere hoeveelheden. Maar als je dan eenmaal besluit te gaan tellen… We hebben krankzinnige dingen moeten doen om geniale dingen te ontdekken.’ Noten tellen! Dat vraagt tijd. Daar moet je ook gek genoeg voor zijn. Even het openingskoor van de Johannes Passie noot-voor-noot uittellen. Wil je dat doen op basis van een verantwoorde muzikale analyse, dan zit daar uren en uren werk in’.

Marinus Kasbergen: ‘Ik weet een beetje wat componeren is. Als je je een voorstelling probeert te maken van hoe Bach gewerkt heeft, staat je verstand stil. Dat ontdek je als je aan zoiets tijdrovends begint als het tellen van noten’.

Er is niets historisch bekend over een relatie tussen Bach en de Rozenkruisers. Zien jullie een inhoudelijke relatie? Is er iets in zijn muziek dat spoort met de strevingen van de Rozenkruisers ?

Marinus Kasbergen: ‘Als het zo is dat Bach iets met de Rozenkruisers van doen heeft gehad en niettemin in 1723 Cantor in Leipzig is geworden en dat ook is gebleven, dan moeten er raakvlakken zijn geweest tussen die lutheraanse omgeving en de Rozenkruisers, Dat is een logische gedachtegang’.

Kees van Houten: ‘De religieuze beleving van Bach stond boven een bepaalde kerk. Ik heb de indruk dat het streven van de Rozenkruisers was ook boven de diverse partijen te staan. En wat Bachs aanstelling als Cantor betreft: hij had het nodig zijn religieuze gevoelens te uiten in de muziek. Daartoe bood de lutherse kerk hem een mogelijkheid. Maar ook is bekend dat Bach zich aangetrokken voelde tot het piëtisme, waar een meer persoonlijke geloofsbeleving centraal stond. Daar waren Cantates echter uit den boze. Dat was te cultureel. Ik denk dat hij in zijn hart verwantschap voelde met het piëtisme, maar dat de lutherse kerk muzikaal gesproken meer mogelijkheden bood’.

Het meest opmerkelijke feit van jullie onderzoek is dat Bach zijn sterfdatum verwerkte in zijn werken. Hoe hebben jullie dat ontdekt? Bestonden daar ook geruchten over? Marinus Kasbergen: ‘Ja, maar volkomen vaag. Er is echter een voorbeeld in ons boek dat je er haast vanzelf naartoe brengt. Daar vind je in het hart van het Magnificat de grafspreuk rondom de getallen 28.7. Die getallen liggen daar zo helder in de muziek, dat je je wel moet afvragen: wat betekenen die getallen? Dan denk je op zeker moment aan de sterfdatum’.

Nog even afgezien van het feit dat het om iets gaat dat moeilijk voorstelbaar is, waarom zou Bach zijn eigen sterfdatum hebben willen aanbrengen in zijn werk?

Marinus Kasbergen: ‘Ik begrijp dat ook niet. Maar één ding staat voor mij vast: als iemand de eigen sterfdatum kent, is er iets bijzonders aan de hand. Maar wat? Er moet veel meer aan de hand zijn. Ik kan onmogelijk accepteren dat iemand als Bach op de hoogte is van zijn sterfdatum, zonder dat dat iets essentieels betekent. Als het er alleen maar om gaat dat hij die sterfdatum alsmaar in zijn muziek verwerkt vanuit een soort van ijdeltuiterij, dan snap ik daar niets van. Er moet een zin achter steken die ons nog ontgaat. Stel dat ik de sterfdatum van mijn vader neem, en die betrek op zijn leven, dan ben ik ervan overtuigd dat er niets uitkomt. Maar bij Bach zie je bijvoorbeeld ook nog het volgende merkwaardige. Als je zijn totale aantal levensdagen optelt, kom je op 23869. En als je de getallen van de namen Johann Sebastian Bach met elkaar vermenigvuldigt kom je uit op 96832. Precies het omgekeerde dus. In ons boek hebben wij aan dit feit enkele gedachten vastgeknoopt over de circel en de kreeft’.

Kees van Houten: ‘Marinus, dat is een punt waar ik kritiek op hoor. Mensen vinden dat wij op dit punt gaan zweven’.

Marinus Kasbergen: ‘Dat kan ik mij voorstellen. Wij vonden dat wij moesten proberen er een verklaring voor te vinden. Op het moment dat je iets verklarends neerschrijft, stel je je heel kwetsbaar op. Maar laat iemand maar eens proberen een betere verklaring te geven. En als ik eerlijk ben moet ik zeggen dat ik er ook niets van begrijp. Ik ben zelfs bij benadering niet in staat aan te voelen wat de kern van de zaak is. De kwestie van de sterfdatum is het moeilijkste te aanvaarden. De naam van Bach wil men nog wel accepteren. De symboliek van de Rozenkruisers, och, dat is ook niet zo gevaarlijk. Maar de sterfdatum? Dat is het onwaarschijnlijkste van alles’.

Wat betekenen de resultaten van jullie onderzoek voor het beeld dat wij hebben van Bach?

Kees van Houten: ‘Als deze feiten worden geaccepteerd, en ik zie niet hoe dat anders zal gaan, kan het beeld van Bach grondig veranderen. Veel mensen hebben een heel bepaald beeld van Bach, bijvoorbeeld van de vrome componist. Vooral in Nederland is Bach geannexeerd door bepaalde geloofsgroepen. De Mattheus Passie is een kerkgang geworden. Voor die mensen zal het een shockerend boek zijn. Er duiken aspecten op die niet zo een-twee-drie zijn in te passen in het calvinistische geloofsbeeld’.

Marinus Kasbergen: ‘Als wij iets van Bach kunnen leren, dan is het dat hij met beide benen recht in het goede leven stond. Juist mede daardoor was hij in staat tot dit soort bijzondere aangelegenheden. Ik ben ontsteld als ik hoor dat mensen zeggen: ach ja, heel interessant wat daar over Bach wordt beweerd. En vervolgens gaan zij dan over tot de orde van de dag. Ik denk dan: gut, wat wij ontdekt hebben, dat kan toch helemaal niet? Dat is toch onmogelijk? Ik kan niet anders dan er bij blijven stilstaan met een grote verwondering’.

Bach en het getal – Kees van Houten en Marinus Kasbergen. Uitg. De Walburg Pers. Prijs € 29,95

Jelle v.d.Meulen, Jan Verweij, Jonas 19, *05-10-1985

.

Biografieën: Bach

Muziek

.

1529

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.