VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 304A – voordracht 7

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: vspedagogie  voeg toe apenstaartje gmail punt com

GA 304A

ANTHROPOSOPHISCHE MENSCHENKUNDE UND PÄDAGOGIK

9 openbare voordrachten gehouden tussen 25 maart 1923 en 30 augustus 1924 in verschillende steden.

Vertaling

ANTROPOSOFISCHE MENSKUNDE EN PEDAGOGIEK

In de Gesamt-Ausgabe GA 304A is geen inhoudsopgave weergegeven.

voordracht 1: Pädagogik und Kunst – Stuttgart 25 maart 1923
is uitgegeven bij uitgevrij Pentagon, samen met
voordracht 2: Pädagogik und Moral – Stuttgart 26 maart 1923 – onder de titel: Pedagogie, kunst en moraliteit

Inleidende woorden bij een euritmieopvoering 27 maart 1923
Voordracht [3]  [4]  [5]  [6]  [8]  [9]

Voordracht 7, Den Haag 19 november 1923

Blz. 124

Die Kunst der moralischen und physischen Erziehung

Sehr verehrte Anwesende! Es ist der Wunsch ausgesprochen worden, daß ich heute noch einiges zu dem am letzten Mittwoch hier über die Waldorfschul-Pädagogik Gesprochenen hinzufüge. Das wird vielleicht mit Rücksicht darauf, daß, als ich am letzten Mittwoch den Vortrag hielt, der heutige Vortrag noch nicht vorgesehen war, in einer etwas aphoristischen Weise geschehen. Ich habe vor einigen Tagen darauf aufmerksam gemacht, wie die hier gemeinte pädagogische Kunst arbeiten will aus einer wirklichen Menschenerkenntnis, das ist, einer allseitigen Menschenerkenntnis, einer Menschenerkenntnis nicht bloß nach dem leiblichen oder seelischen, sondern nach dem Vollmenschen, den man ja unterscheiden kann nach Leib, Seele und Geist, die wiederum zu einem einheitlichen Ganzen zusammenwirken. Andererseits habe ich ja schon betont, daß es sich darum handelt, den ganzen Menschen in seinem Erdenleben von der Geburt bis zum Tode im Auge zu haben, wenn man eine wirkliche Erziehungskunst und Unterrichtskunst ausüben will. 

Zeer geachte aanwezigen! De wens is uitgesproken dat ik vandaag nog iets toevoeg aan wat er de vorige woensdag hier over de vrijeschoolpedagogie werd gezegd. Dat moet wellicht, rekening houdend met verleden woensdag, toen ik die voordracht hield, de voordracht van vandaag nog niet gepland stond, op een beetje aforistische manier gebeuren. Enkele dagen geleden heb ik erop gewezen, hoe de pedagogische kunst die hier bedoeld wordt, wil werken vanuit een echte menskunde, d.w.z. een menskunde die de mens van alle kanten kent, niet alleen maar van de lichamelijke of psychische kant, maar een menskunde die over de gehele mens gaat die je in kan delen naar lichaam, ziel en geest, die op hun beurt samenwerken voor het totale geheel. Aan de andere kant heb ik al benadrukt dat het erom gaat de hele mens in zijn aardse bestaan vanaf de geboorte tot aan de dood in het oog te vatten, wil je een echte opvoedkunst en onderwijskunst uitvoeren.

Denn mancherlei von dem, was man durch die Erziehung und durch den Unterricht veranlagt in dem ersten Lebensalter, das kommt erst zur Offenbarung, entweder nach der gesun­den oder nach der kranken Seite des Menschen hin, oftmals im spätesten Leben. Und derjenige, der als Erzieher oder Unterrichter nur im Auge hat das Kind in seiner gegenwärtigen leiblichen und geistigen Konstitu­tion, der sich seine Erziehungskunst nur bildet nach dieser gegenwär­tigen Organisation des Kindes, der vermag dann nicht in sachkundi­ger Weise so zu wirken, daß das, was er veranlagt, in gesunder, den Menschen tüchtig machender, den Menschen in sich harmonisch machender Weise im späteren Alter zum Ausdruck kommt. Das aber hat die Erziehungskunst im Auge, die hier gemeint ist. Sie ist, gerade weil sie dieses Ziel verfolgt, nach keiner Richtung hin einseitig. Man könnte leicht glauben, weil aus anthroposophischer Geisteswissenschaft, also

Want veel van wat je door de opvoeding en door het onderwijs in de vroege leeftijd aanlegt, komt pas tot uiting, of naar de gezonde, dan wel de ongezonde kant van de mens, vaak op het laatst van zijn leven. En degene die als opvoeder of leerkracht alleen maar oog heeft voor het kind in zijn huidige lichamelijke en geestelijke constitutie, en die zijn opvoedkunst alleen maar vorm geeft voor de constitutie van het kind nu, die is dan niet in staat op een adequate manier zo te werken dat wat hij aanlegt, de mens op een gezonde manier competent maakt, de mens harmonieus maakt, wat in het latere leven tot uiting komt. Maar dat wil de opvoedkunst waarover hier wordt gesproken. Die is, omdat ze dit doel nastreeft, in geen enkel opzicht eenzijdig. Je zou makkelijk kunnen denken, omdat deze opvoedkunst uit de antroposofische geesteswetenschap, dus

Blz. 125

aus einer wirklich exakten Erkenntnis des Geistigen im Menschen und in der Welt heraus, diese Erziehungskunst ihr Gepräge erhalten hat, daß diese Erziehungskunst in einseitiger Weise gerade nach dem Geistigen hin tendiert. Das ist aber durchaus nicht der Fall. Gerade bei ihr kommt, weil sie den ganzen Menschen ins Auge faßt, das Physisch-Leibliche in einem ausgesprochenen Maße zur Geltung. Ja, man könnte sogar sagen, es wird die erzieherische und unterrichtliche Behandlung des Geistigen und Seelischen so eingerichtet, daß dasjenige, was der Erzieher heranbil­det am Kinde, in der denkbar besten Weise auch auf die physische Gesundheit wirkt.
Wir erziehen in der Waldorfschule in Stuttgart und in den Schulen, die sich daran angliedern so, daß mit jeder Maßnahme für das Geistige auch die denkbar beste Wirkung dieses Geistigen auf das Leibliche in Aussicht genommen ist. Und das muß man eigentlich bei einer wirklichen, einer wahren Erziehungskunst. Denn beim Kinde ist nicht in derselben Weise wie beim Erwachsenen das Seelisch-Geistige von dem Physisch-Leibli­chen streng geschieden. Man weiß es ja, welch große Schwierigkeiten es den sogenannten Philosophen heute macht, wenn sie irgendeine Ansicht gewinnen wollen über das Verhältnis des Geistigen zum Körperlichen im Menschen. 

vanuit een daadwerkelijke exacte kennis van het geestelijke in de mens en in de wereld, deze haar stempel opgedrukt heeft gekregen, zodat deze opvoedkunst op een eenzijdige manier met name naar het geestelijke neigt. Dat is echter geenszins het geval. Juist bij deze opvoedkunst komt, omdat die naar de hele mens kijkt, het fysiek-levende op een uitgesproken manier tot zijn recht. Je zou zelfs kunnen zeggen dat het opvoedkundige en onderwijskundige omgaan met het geestelijke en het psychische zo georganiseerd is dat wat de opvoeder aan het kind vormt, op de denkbaar beste manier ook op de lichamelijke gezondheid van invloed is.
We voeden op de vrijeschool in Stuttgart en op de scholen die zich daarbij hebben aangesloten zo op dat met iedere geestelijke activiteit rekening wordt gehouden met de best denkbare uitwerking op het lichamelijke. En dat moet je strikt genomen bij een werkelijke, echte opvoedkunst doen. Want bij een kind is het ziel-geestwezen niet zo strikt gescheiden van het fysiek-levende als bij de volwassenen. Je weet wel wat voor grote problemen de zogenaamde filosofen van nu hebben, als ze een of ander gezichtspunt willen ontwikkelen over de relatie van de geest van de mens tot zijn lichaam.

Da ist das Geistige auf der einen Seite. Es wird erfahren innerlich durch das Denken, durch das übrige Seelenleben. Es verläuft so, daß es in sich durchaus unähnlich ist demjenigen, was uns entgegen­tritt, wenn wir in der gebräuchlichen Weise in der Physiologie, der Anatomie, den Menschen seiner Körperlichkeit nach studieren. Zwi­schen dem, was wir da innerlich erleben als das Seelisch-Geistige, und dem, was uns dann eine Betrachtung oder Untersuchung des Menschen in leiblich-physischer Weise bietet, kann nicht leicht unmittelbar eine Brücke geschlagen werden.
Sieht man aber in unbefangener Weise auf das Kind und seine Entwik­kelung hin, und hat man ein Auge dafür, was alles in dem Kinde geschieht, wenn es so um das siebente Jahr herum das erste bedeutsame metamorphosierende Lebensereignis durchmacht, den Zahnwechsel, sieht man auf das alles hin, dann fällt einem auf, wie das ganze Seelenle­ben des Kindes mit diesem Zahnwechsel anders wird, als es vorher war. Wir sehen vorher bei dem Kinde in einer Art elementar-traumhaften

Aan de ene kant heb je het geestelijke. Innerlijk wordt dat ervaren door het denken, door het overige gevoelsleven. Het verloopt zo dat het beslist niet lijkt op wat we zien wanneer we op de gangbare manier in de fysiologie, de anatomie, de mens bestuderen wat zijn lichaam betreft. Tussen wat we dan innerlijk beleven als het psychisch mentale en wat dan een beschouwing oplevert of een onderzoek van de mens naar wat er levend-fysiek gebeurt, kan niet makkelijk een brug worden geslagen.
Als je echter onbevangen naar het kind en zijn ontwikkeling kijkt en als je er oog voor hebt wat er allemaal in het kind gebeurt wanneer het zo rond het zevende jaar de eerste belangrijke metamorfose in het leven doormaakt, de tandenwisseling, valt op hoe het hele zielenleven van het kind met deze tandenwisseling anders wordt dan het daarvoor was. Daarvoor zien we bij het kind hoe op een soort elementair-dromerige

Blz. 126

Weise die Vorstellungen, die es hat, auftauchen. Wir sehen zwar gerade in dieser ersten Lebensepoche ein ausgesprochenes Gedächtnis sich entwickeln, aber wir sehen, wenn wir beobachten können, wie dieses Gedächtnis eine Umwandlung erfährt gerade durch den Zahnwechsel oder während des Zahnwechsels. Und zwar tritt die folgende Umwand­lung ein: Kann man beobachten, so muß man sagen, daß so bis zum Zahnwechsel hin die innere Tätigkeit, die bei der Erinnerung spielt, die also im Gedächtnis lebt, mehr ähnlich sieht einer äußeren Gewohnheit, wie sie sich mit Hilfe des Körperlichen im Kinde ausbildet, als später. Das Kind erinnert sich auch, und sogar sehr gut; aber dieses Erinnern, das kommt einem mit Recht vor wie das wiederholte Ausüben einer Tätigkeit, die man sich als Geschicklichkeit angeeignet hat. Dieses ganze Gedächtnis des Kindes in der ersten Lebensepoche ist eigentlich eine innere Geschicklichkeit, ein Herausbilden einer inneren Gewohnheit, währenddem nach dem Zahnwechsel und später es so wird, daß das Kind wirklich auf seine Erlebnisse erst zurückschaut, also erst innerlich in der Vorstellung wie in einer Art von Rückschau die gehabten Erlebnisse überblickt. So ändert sich im Gedächtnis, im Erinnerungsvermögen, radikal das Seelenleben des Kindes.

manier de voorstellingen die het heeft, opduiken. We zien wel dat er zich juist in deze eerste levensfase een uitgesproken geheugen ontwikkelt, maar we zien, als we dat kunnen waarnemen, hoe dit geheugen een metamorfose ondergaat juist door de tandenwisseling of gedurende de tandenwisseling. De volgende verandering voltrekt zich: als je het kan waarnemen moet je zeggen, dat zo tot de tandenwisseling die innerlijke activiteit die bij het zich herinneren meespeelt die dus in het geheugen zetelt, meer overeenkomst vertoont met een uiterlijke gewoonte; hoe zich dit met behulp van het fysieke meer ontwikkelt dan later. Het kind kan zich iets herinneren en zelfs heel goed; maar dit zich herinneren doet zich terecht aan ons voor als het zich herhaaldelijk uitoefenen van een activiteit die zich gevormd heeft als iets wat je als vaardigheid hebt geleerd.. Het hele geheugen van een kind in de eerste levensfase is eigenlijk een innerlijk vermogen, het uiten van een innerlijke gewoonte, terwijl na de tandenwisseling en later, het zo wordt dat het kind werkelijk voor het eerst terugkijkt op zijn belevingen, dus voor het eerst innerlijk in de voorstelling, als een soort terugkijken de ervaren belevingen overziet. Zo wordt in het geheugen, in het herinneringsvermogen het zielenleven van het kind radicaal anders.

So ist es auch mit dem Vorstellen. Betrachten Sie nur unbefangen die Vorstellungen des Kindes. Da lebt in den Vorstellungen im hohen Grade überall Wille. Das Kind kann gar nicht absondern ein inneres Wollen von einem gedanklichen Erleben. Aber dieses Trennen, das tritt mit dem Zahnwechsel ein. Kurz, es ist so, daß wirklich gründlich das Seelenleben des Kindes mit dem Zahnwechsel eine Metamorphose erfährt. Was ist denn da aber in Wirklichkeit geschehen? Nun, was das Kind als das eigentliche Seelenleben nach dem Zahnwechsel in sich offenbart, das kann natürlich nicht aus Nichts hervorgebracht worden sein, das war vorher auch schon da, aber es äußerte sich nicht so wie später; es wirkte in den Wachstumskräften, in den Ernährungskräften des Organismus. Es war eine organische Kraft, und hat sich erst in Gedächtniskraft verwandelt, oder überhaupt in freie Seelenkraft verwandelt. In dieser Beziehung müssen wir uns wirklich gewöhnen, wenn wir sach- und fachgemäß in der Behandlung des Kindes wirken wollen, bei der Menschenbetrachtung genau soviel Mut zu haben wie bei der

Zo is het ook met het voorstellen. Kijk eens onbevangen naar de voorstellingen van het kind. In die voorstellingen zit in een hoge mate overal de wil. Het kind kan helemaal wat het innerlijk wil, losmaken van wat hij er denkend bij beleeft. Dit losmaken nu, gaat gebeuren bij de tandenwisseling. Kortom: het is zo dat het zielenleven van het kind bij de tandenwisseling door een fundamentele metamorfose gaat. Wat is er in werkelijkheid gebeurd? Wel, wat het kind als zijn eigenlijke zielenleven na de tandenwisseling laat zien, kan natuurlijk niet uit het niets tevoorschijn zijn gekomen, dat was er daarvoor ook al, maar het kwam niet zo als later tot uitdrukking; het was actief in de groeikrachten, in de voedingskrachten van het organisme. Het was een organische kracht die in geheugenkracht veranderd is of eigenlijk in vrije krachten voor de ziel. Wat dit betreft moeten we er de gewoonte van maken wanneer we adequaat en vakkundig willen werken met het kind, net zoveel bereidheid te tonen als bij de

Blz. 127

heutigen Physik. Da reden wir davon, daß es eine sogenannte latente Wärme gibt, das heißt, daß Wärme an Substanz gebunden ist und nicht als Wärme erscheint. Wenn aber durch irgendeinen Vorgang diese Wärme herausgeholt wird aus der Substanz, dann wird sie freie Wärme; vorher war sie gebundene Wärme. In der Physik sind wir an eine solche Betrachtung gewöhnt. Dem Menschen gegenüber müßten wir aber den gleichen Mut haben. Wir müssen uns sagen: das Seelenleben des Kindes ist mit dem Zahnwechsel ein freies Seelenleben geworden; vorher war es an organische Wachstumskräfte gebunden, wirkte in den Ernährungs- ­und Wachstumsvorgängen. Da ist so viel zurückgeblieben, als für das spätere Leben notwendig ist, aber ein Teil hat sich abgegliedert und ist freies Seelenleben geworden. Das ist etwas, wenn man es nun nicht bloß als abstrakte Wahrheit sagt, wie es hier gesagt werden muß, sondern wenn man es auf unmittelbare Konkretheit als Erzieher selber beobachtet, das ist etwas, was wirklich wiederum geradeso wunderbar ist, nur ist es zarter, feiner, intimer zu beobachten, wie es ja wirklich das größte Wunder darstellt, das man in der Welt erleben kann, wenn der aufmerksame Beobachter sieht, wie aus den unbestimmten Gesichtszügen des ganz jungen Kindes die bestimm­ten werden, wie das zappelnde Bewegen übergeht in immer mehr und mehr orientiertes Bewegen der Gliedmaßen.

huidige fysica. Daar spreken we erover dat er een zogenaamde latente warmte bestaat, d.w.z. dat warmte aan substantie is gebonden en niet als warmte verschijnt. Wanneer echter op de een of ander manier die warmte uit de substantie gehaald wordt, wordt dat vrije warmte; daarvoor was de warmte gebonden. In de natuurkunde zijn we aan dergelijke beschouwingen gewend. Wat de mens betreft: hier moeten we dezelfde bereidheid hebben. We moeten zeggen: het zielenleven van het kind is met het wisselen van de tanden een vrij zielenleven geworden; daarvoor was het aan de organische groeikrachten gebonden, was het actief in voedings- en groeikrachten.
Er is zoveel achtergebleven als voor het latere leven nodig is, maar een deel heeft zich afgezonderd en is vrij zielenleven geworden. Dat is iets – als je het niet alleen maar als een abstracte waarheid hanteert, zoals dat hier moet gebeuren, maar wanneer je het direct concreet als opvoeder zelf waarneemt, dan is het iets wat werkelijk weer zo wonderbaarlijk is, alleen je moet het fijnzinniger, subtieler, intiemer waarnemen, want het is werkelijk het grootste wonder van de wereld dat je daar beleven kan wanneer je als opmerkzame waarnemer ziet hoe vanuit de ongevormde gezichtstrekken van het heel jonge kind die geprononceerde ontstaan, hoe de trappelende bewegingen overgaan in een steeds meer gericht bewegen van de ledematen.

Dieses Herauskommen desjenigen, was im Zentrum des Kindes ist an die Oberfläche des Organismus, das ist ja etwas Wunderbares, und wer das mit einem offenen, intimeren Künstlerauge betrachten kann, der erlebt tatsächlich im werdenden Kinde die Formentfaltung, die Gestaltentfaltung ganz wunderbarer Weltgeheimnisse. Aber in ähnlicher Art sieht man dann, wenn das Kind gerade in das schulpflichtige Alter kommt, also wenn es den Zahnwechsel durchmacht, wie das, was unten steckte in den Wachstumskräften, nun frei wird, und sich als Seelenleben entfaltet. Wenn man es im Konkreten, im Einzelnen sieht, dann erwacht eben in uns der Erziehungsenthusiasmus. Und wir können dann überführen allmählich, wirklich in sachgemäßer Weise, das, was im Kinde lebte bis zum Zahnwechsel hin.
Das Kind ist ja bis zum Zahnwechsel hin Willenswesen, aber ein Willenswesen nicht wie der Mensch im späteren Lebensalter, sondern

Dit naar buitenkomen, dit aan de buitenkant zichtbaar worden van wat er in de kern van het kind zit, is iets wonderbaarlijks en wie dat met een open, fijngevoelig kunstenaarsoog kan waarnemen, beleeft daadwerkelijk in het zich ontwikkelende kind met de ontplooiing van vormen, het gestalte krijgen, heel wonderbaarlijke wereldgeheimen.
Maar net zo zie je dan, wanneer het kind de schoolleeftijd bereikt, dus wanneer het zijn tanden wisselt, hoe dat wat diep in de groeikrachten aanwezig is, nu vrij komt en zich als gevoelsleven ontplooit. Wanneer je het concreet, in detail ziet, dan wordt in ons het enthousiasme voor de opvoeding wakker. En dan kunnen we geleidelijk, werkelijk adequaat verder leiden wat er in het kind leefde tot aan de tandenwisseling.
Het kind is tot aan de tandenwisseling wilswezen, maar geen wilswezen zoals de mens op latere leeftijd, maar niet zoals hij dat op latere leeftijd is, maar

Blz. 128

ein Willenswesen, das zugleich ganz Sinn ist. Natürlich ist das ver­gleichsweise gesprochen, aber das Kind ist eigentlich, wenn ich mich so ausdrücken darf, ein umfassend großes Sinnesorgan. Und wie in jedem Sinnesorgan nicht bloß das Wahmehmungsvermögen lebt, sondern auch der Wille – er lebt nur in den ausgesprochenen Sinnesorganen in einer etwas verborgenen Weise -, so lebt eben in diesem Willensmäßigen des Kindes bis zum Zahnwechsel hin der Wille als Sinnesorgan. Und das Kind nimmt wahr alles, was in seiner Umgebung ist, in einer viel intimeren, zarteren Weise, aber zugleich in einer solchen Weise, daß es innerlich, bis ins innerste Wesen der organischen Bildung überall nach­geahmt wird. Das Kind ist ein feiner Nachahmer. Es ist sehr merkwür­dig, aber das Kind reagiert nicht nur auf dasjenige, was es sieht in den Bewegungen der Gliedmaßen bei den Menschen seiner Umgebung – es lernt ja auch die Sprache, indem es nachahmt dasjenige, was es hört -, aber nicht bloß auf diese Dinge schaut es hin und ahmt sie in sich nach, sondern es ahmt sogar Stimmungen nach, ja Gedanken. Und man sollte schon auf die Imponderabilien des Lebens schauen können, auf die unwägbaren Dinge des Lebens.

een die tegelijkertijd een en al zintuig is. Natuurlijk is dit vergelijkenderwijs gezegd, maar het kind is eigenlijk een omvattend groot zintuig. En zoals in ieder zintuig niet alleen het vermogen zit om waar te nemen, maar ook de wil – die huist alleen op een verborgen manier in de uitgesproken zintuigen – zo huist in het wilsleven van het kind tot aan de tandenwisseling de wil als zintuigorgaan. En alles wat er in zijn omgeving is, neemt het kind waar op een veel subtielere, fijnzinnigere manier, maar tegelijkertijd op een manier waarbij het kind innerlijk, tot in de kern van zijn organische vorming overal nabootst. Het kind is een fijne nabootser. Het is erg merkwaardig, maar het kind reageert niet alleen op wat het ziet in de bewegingen van de ledematen bij de mensen in zijn omgeving – het leert ook de taal als het nabootst wat het hoort – maar niet enkel en alleen kijkt het, het bootst ze in zichzelf na, maar zelfs stemmingen bootst het na, gedachten. En je moet echt wel naar deze imponderabele dingen in het leven kunnen kijken, naar de onweegbare dingen in het leven.

Man sollte sich in der Umgebung des Kindes eigentlich nicht einmal einen unlauteren Gedanken, den das Kind nicht haben soll, gestatten, denn die feinen Vibrationsvorgänge, die in uns geschehen bei einem unlauteren Gedanken, sie ahmen sich im kindlichen Organismus nach. Was alles zwischen Mensch und Mensch spielt, das wird ja gewöhnlich gar nicht berücksichtigt. Und in dieser Beziehung ist das Urteil auch der Wissenschaft heute wenig geschärft. Gestatten Sie, daß ich wie in Parenthese etwas einfüge, das uns darauf hinweisen könnte, wie doch mancherlei spielt nicht nur zwischen Mensch und Mensch, sondern sogar zwischen dem Menschen und dem Tier, das sich nicht hineinzwängen läßt in dasjenige, was man durch die gewöhnlichen Sinnesorgane sieht, ohne daß es etwa schon zum Über­sinnlichen gehört, von dem ich in diesen Tagen hier viel gesprochen habe. Es war eine Zeitlang sehr viel die Rede von den «rechnenden Pferden». Die hauptsächlichsten dieser rechnenden Pferde, die, soviel ich weiß, in Elberfeld waren, habe ich nicht gesehen, wohl aber ein besonde­res Exemplar, das Pferd des Herrn von Osten in Berlin. Dieses konnte ich in seiner ganzen Entfaltung studieren. Man erlebte da, wenn man

Je zou in de omgeving van het kind je ook nooit een oneerlijke gedachte die een kind niet zou moeten hebben, moeten veroorloven, want het fijnzinnige meebewegen dat in ons plaatsvindt bij een oneerlijke gedachte, wordt in het kinderlijke organisme nagebootst. Op alles wat zich tussen de mensen afspeelt, wordt in het algemeen niet zo gelet. En wat dat betreft is het oordeel van de wetenschap tegenwoordig niet zo scherp.
Sta mij toe dat ik tussen haakjes iets toevoeg dat ons erop zou kunnen wijzen, hoe er toch veel speelt, niet alleen tussen de mensen, maar ook tussen mens dier dat je niet zomaar een plekje kan geven in wat je door de gewone zintuigorganen ziet, buiten dat dit al een beetje tot het bovenzintuiglijke hoort, waarover ik deze dagen heb gesproken.
Een tijdlang werd er heel veel gepraat over ‘rekenende paarden’. De belangrijkste van deze rekenende paarden die voor zover ik het weet, in Elberfeld waren, heb ik niet gezien, wel echter een bijzonder exemplaar, het paard van mijnheer van Osten in Berlijn. Dat kon ik bij wat het vertoonde, heel goed bestuderen. Je voelde, als je

Blz. 129

zunächst oberflächlich betrachtete, wie der Herr von Osten neben seinem Pferd stand und einfache Rechenaufgaben gab. Das Pferd stampfte das Resultat der Aufgabe mit dem Fuße, und es war das für die Leute ein großes Wunder. Aber nicht nur gewöhnliche Menschenkinder haben sich das angeschaut, sondern es ist sogar ein Buch von einem Privatdozenten, einem Professor, über dieses Pferd des Herrn von Osten geschrieben worden, ein Buch, das sogar ein stark negatives Interesse erregen kann. Die Urteilsfällung dieses betreffenden Professors ist nun eine ganz eigentümliche. Er kann sich gar nicht eine rechte Vorstellung machen, woher es denn kommt, daß dieses Pferd des Herrn von Osten, wenn der Herr von Osten sagt: Fünf und sechs ist? -just bei elf mit dem Fuße stampft. Daß das Pferd nicht in menschlicher Weise rechnen kann, das ist ja natürlich für jeden klar, der weiß, wie eng die Organisation zusammenhängt mit den Fähigkeiten. Also natürlich war es ein Unsinn, wenn die Leute meinten, daß die Pferde wirklich rechnen können. Sondern man müßte nachdenken darüber, was da eigentlich spielt, ohne daß das Pferd so rechnet, wie der Mensch rechnet; aber die Rechenpro­bleme löste das Pferd. Da hat sich der betreffende Privatdozent die Vorstellung gemacht: wenn der Herr von Osten ausspricht: Fünf und sechs ist? – dann weiterzählt bis zehn, elf, dann hat er ein feines Mienenspiel

vooralsnog oppervlakkig keek, hoe de heer van Osten naast zijn paard stond en eenvoudige rekensommetjes opgaf. Het paard stampte de uitkomt van de opgave met zijn hoef en dat was voor de mensen een groot wonder. Nu hebben daar echter niet alleen gewone mensenkinderen naar gekeken, maar er is zelfs een boek verschenen van een privaatdocent, een professor, over dit paard van de heer van Osten, een boek dat ook een negatieve belangstelling wekken kan. De manier van oordelen van deze betreffende professor is heel eigenaardig. Hij kan zich er geen juiste voorstelling van maken, hoe het toch komt dat dit paard van de heer van Osten, als deze zegt: ‘Hoeveel is vijf en zes?’ precies tot elf met zijn hoef stamt. Dat het paard niet op een menselijke manier kan rekenen is natuurlijk voor iedereen duidelijk die weet hoe nauw het organisme verbonden is met de vaardigheden.
Dus het was natuurlijk onzin dat de mensen dachten dat die paarden echt konden rekenen. Maar men zou er toch over na moeten denken wat zich daar eigenlijk afspeelt wanneer het paard niet zo rekent als de mens doet, maar toch de rekensom oplost. Nu kwam de betreffende docent tot de voorstelling: wanneer de heer van Osten uitspreekt vijf en zes is? – dan verder telt tot tien, elf, hij dan een zeer subtiele gezichtsuitdrukking heeft.

Und dieses feine Mienenspiel, das zeigt, wenn der Herr von Osten angekommen ist bei elf, etwas Besonderes; dann vibriert bei ihm etwas ganz anders als bei zehn. Das bemerkt das Pferd und dann stampft es. – Also, es sind feine Vibrationen, die das Pferd bemerkt. So ist die Theorie. Aber da ist ein Einwand, den der betreffende Gelehrte sich ja auch natürlich selber machte: man müßte doch auch wohl beobachten können, wie das Mienenspiel des Herrn von Osten ist. Da sagt aber der Herr Privatdozent: Ja, das kann ich nicht beobachten, solch eine feine Beobachtung hat der Mensch nicht. – Also, es folgt daraus, daß ein Pferd eben eine bessere Beobachtung hat, als ein Privatdozent. – Nun, das geht doch ein wenig sehr weit, und es handelt sich ja tatsächlich um etwas ganz anderes.
Als ich dieses ganze Verhältnis des Herrn von Osten zu seinem Pferde studierte, da war mir das Allerwichtigste jenes merkwürdige Gefühls-und Empfindungsverhältnis, das Herr von Osten mit seinem Pferd

En deze subtiele gezichtsuitdrukking die aangeeft wanneer de heer van Osten bij elf is aangekomen, vertoont iets heel bijzonders; dan vibreert er bij hem iets totaal anders dan bij tien. Dat voelt het paard en dan stampt het. Dus, het zijn fijne vibraties die het paard voelt. Dat is de theorie. Maar, daar is wel iets tegenin te brengen en dat doet de betreffende geleerde natuurlijk zelf ook: je zou toch ook wel  moeten kunnen waarnemen, hoe die gezichtsuitdrukking van de heer van Oosten is. Maar dan zegt de docent: maar ik kan dit niet waarnemen, zo’n subtiele waarneming heeft de mens niet. Dus, daaruit volgt dat een paard beter kan waarnemen dan een privaatdocent. Nu, dat gaat toch wel wat ver en het gaat inderdaad om heel iets anders.
Toen ik de hele houding van de heer van Osten naar zijn paard bestudeerde, was voor mij het allerbelangrijkste die bijzondere gevoels- en gewaarwordingsrelatie tussen de heer van Osten en zijn paard

Blz. 130

fortwährend aufrechterhielt, indem er nämlich aus seiner Tasche fort­während Zuckerstückchen herausnahm und sie dem Pferd gab, während es rechnete. Dadurch entspann sich eine animalische Zuneigung des Pferdes, die aufrechterhalten wurde durch die Zuckerstückchen; es lebte etwas von animalischer Dankbarkeit in dem Pferd. Das sind solche Imponderabilien des Lebens. Dadurch nahm das Pferd tatsächlich etwas wahr, und zwar nicht durch das Mienenspiel des Herrn von Osten, sondern auf den Wogen des animalischen Dankbarkeitsgefühls, das durch den Zucker bewirkt war, wurde hinübergetragen das Fühlen des Herrn von Osten, wenn er die Zahl elf aussprach, wenn das Pferd sechs und fünf ist elf anzeigen sollte. Also es handelte sich darum, daß ein intimes Verhältnis hergestellt wurde, so daß das Pferd sich einfühlen konnte in Herrn von Osten, und in dem lag eine Art von Gefühlsüber­tragung. Ich will das jetzt nicht weiter ausführen, wollte es hier nur erwähnen; es hat sich mir ergeben nach sorgfältigem Studium. Ich führe es an zum Beweise dafür, daß bei primitiveren Wesen tatsächlich ein Einfühlen in andere stattfindet.

die hij voortdurend in stand hield door steeds maar uit zijn jaszak suikerklontjes te halen en die aan zijn paard te geven, als dat rekende.
Daardoor ontstond een dierlijke gehechtheid van het paard die in stand werd gehouden door de suikerklontjes; in het paard was iets aanwezig van dierlijke dankbaarheid. Dat zijn van die onweegbare dingen in het leven. Daardoor nam het paard inderdaad iets waar, weliswaar niet de uitdrukking van de heer van Osten, maar gedragen door het dierlijke gevoel van dankbaarheid dat door de suiker werd veroorzaakt, gingen de gevoelens van de heer van Oosten over op het paard als hij het getal elf uitsprak, wanneer het paard vijf en zes is elf moest aangeven.  Dus het ging erom dat er een subtiele band ontstond, zodat het paard zich voelend kon inleven in de heer van Oosten en dan vond er een soort overdracht van gevoel plaats. Ik wil het nu niet verder uitwerken, ik wilde het alleen maar noemen; ik kwam er achter na een zorgvuldige bestudering. Ik breng het naar voren als bewijs dat bij minder ontwikkelde wezens daadwerkelijk een invoelen in de ander plaatsvindt.

Und so ist es in hohem Grade beim kleinen Kinde. Das Kind lebt eben das, was es auch nicht mit Augen sieht und mit Ohren hört, an den anderen Menschen mit, und lebt es in sich weiter. So daß wir uns tatsächlich einen unlauteren Gedanken in seiner Nähe nicht gestatten sollen, wenn sich dieser unlautere Gedanke auch nicht in Vibrationen nachweisen läßt. So ist das Kind ein feingestimmtes Sinnesorgan, ist ganz und gar ein Nachahmer. Aber denken Sie, was das bedeutet. Das bedeutet, daß dasjenige, was in der Umgebung des Kindes geschieht, sich bis in die physische Organisation des Kindes in einer, allerdings nicht mit äußeren, groben Instrumenten nachweisbaren, aber doch vorhande­nen Weise fortpflanzt. Wenn also ein jähzorniger Vater in der Nähe des Kindes den Ausdruck seines Jähzorns in die Welt setzt, und so immer neben dem Kinde lebt, dann erlebt das Kind diese Äußerungen, diese Offenbarungen des Jähzorns mit bis in seine Blutzirkulation, bis in die Gestaltung seiner Säfte hinein. Und der ganze physische Organismus bildet sich nach dem, was das Kind in seiner Umgebung eben in geistig-seelischer Art beobachtet hat. So ist das Kind ein Nachahmer in seiner ersten Lebensepoche bis zum Zahnwechsel.

En zo zit het in hoge mate bij het kleine kind: het kind beleeft zelfs wat het niet met de ogen ziet en de oren hoort, met de andere mensen mee en beleeft het dieper in zich mee. Zodat we ons geen oneerlijke gedachten in zijn omgeving moeten permitteren, ook al laat deze oneerlijke gedachte zich niet in trillingen bewijzen. Op deze manier is het kind een fijn afgestemd zintuigorgaan, helemaal een nabootser. Maar denk eens wat dat betekent. Dat betekent dat wat er in de omgeving van een kind gebeurt, doorwerkt tot in de fysieke organisatie van het kind op een manier die weliswaar niet met uiterlijke, grove instrumenten aanwijsbaar is, maar wél doorwerkt. Wanneer dus een opvliegende vader in de omgeving van het kind uitdrukking geeft aan zijn opvliegendheid en zo met het kind samenleeft, dan beleeft het kind deze uitingen, wat naar buitenkomt aan woedeaanvallen, mee tot in zijn bloedsomloop, tot in de vorming van de sapstromen. En het hele fysieke organisme ontwikkelt zich naar wat het kind in zijn omgeving op een mentaal-psychische manier waarneemt. Op deze manier is het kind in zijn eerste levensfase tot aan de tandenwisseling een nabootser.

Blz. 131

Aber die Nachahmung lebt sich aus auf physische Weise in seinen physischen Organismus. Wir tragen durch das ganze Leben hindurch in der feineren Zusammenset­zung unserer Gefäße, unseres Blutes, in der feinen Zusammensetzung des Nervensystems alles das in uns, was angestiftet worden ist in uns in der ersten Lebensepoche. Und so ist, man möchte sagen, in handgreifli­cher Weise die allererste Erziehung, die im Elternhause oder sonst von der Umgebung in selbstverständlicher Weise ausgeübt wird, im eminen­testen Sinne körperliche Erziehung. Auch alles Geistige, was mit dem Kinde geschieht, geht bis ins Körperliche hinein. Und was die zarte Organisation des Kindes aufnimmt im Körperlichen, das bleibt eben in seinen Wirkungen und Ergebnissen vorhanden im Erdenleben, bis der Mensch stirbt.
Wenn das Kind nun durch den Zahnwechsel gegangen ist, so tritt diese Sinnennatur zurück, und das Kind sondert das besondere Vorstellen von dem sinnlichen Wahrnehmen ab. Aber was beim sinnlichen Wahrneh­men das Wesentliche ist, was beim Kinde in der ersten Lebensepoche überhaupt das einzig Tonangebende ist – das Kind hat ja keine abstrak­ten Begriffe, und wenn wir ihm solche beibringen, ist es ein Unfug-, was das einzig Tonangebende ist, das ist die Anschaulichkeit, die Bildhaftig­keit.

Maar de nabootsing ontwikkelt zich ongehinderd op een lichamelijke manier in het fysieke organisme. Wij dragen in het fijnere complex van onze gevoelens, ons bloed, in het fijnere complex van het zenuwsysteem alles dat veroorzaakt wordt in onze eerste levensfase, het hele leven met ons mee. En het idee ligt voor het oprapen dat de allereerste opvoeding die thuis plaatsvindt of anders vanuit de omgeving in de hoogste zin van het woord vanzelfsprekend een lichamelijke opvoeding is. Ook alles wat er geestelijk met het kind gebeurt, werkt door tot in het fysieke. En wat de tere organisatie van het kind in het lichaam opneemt, blijft in de werking en met de gevolgen in het aardeleven aanwezig tot de mens sterft. Wanneer het kind dan bezig is zijn tanden te wisselen, houdt deze zintuignatuur zich meer terug en het kind zondert dan de bijzondere manier van voorstellen af van het zintuiglijke waarnemen. Maar wat bij het zintuiglijk waarnemen het belangrijkste is, wat bij een kind in de eerste levensfase vooral het toonaangevende is, is dat het kind geen abstracte begrippen heeft en wanneer wij hem die bijbrengen, is dat een onding – want alleen toonaangevend is, wat er te zien is, het beeldende.

Die fordert jetzt bis zur Geschlechtsreife auch das ganze Vorstel­lungs- überhaupt das ganze Seelenleben des Kindes. Das Kind will bildhaft unterrichtet sein. Und Sünde wider die Entwickelung der menschlichen Natur ist jede intellektualistische Unterweisung bis zur Geschlechtsreife hin. Aus dem Bildhaften, aus dem künstlerisch Erfaß­ten heraus muß das Kind tatsächlich erzogen und unterrichtet werden. Da ist es aber so, daß auf das Verhältnis zwischen dem Erziehenden und Unterrichtenden und dem Kinde ungeheuer viel ankommt. Ich möchte das an einem Beispiel klarmachen.
Man kann nämlich sehen: Wenn man versucht, dem Kinde eine höhere Wahrheit beizubringen, sagen wir, die Wahrheit von der Unsterblichkeit der Seele, dann muß man diese Wahrheit in ein Bild bringen. Man kann dann etwa dem Kinde sagen, indem man es nach und nach dazu führt:
Da ist die Raupe, die verpuppt sich. Man zeigt dem Kinde die Puppe, den Kokon; dann zeigt man ihm, wie der Schmetterling ausfliegt. Dann erklärt man dem Kinde, daß die menschliche Seele in dem menschlichen

Dat wordt tot aan de puberteit ook voor het hele voorstellingsleven, eigenlijk voor het hele gevoelsleven van het kind gevraagd. Het kind wel beeldend onderwezen worden. Iedere intellectualistische manier van lesgeven, is tot de puberteit een onverantwoord vergrijp wat de ontwikkeling van de menselijke natuur betreft. Vanuit het beeld, vanuit het kunstzinnige moet het kind opgevoed worden en onderwijs krijgen. Maar daarbij is het zo dat er buitengewoon veel aankomt op hoe de relatie is tussen opvoeder, lesgever en het kind. Ik zal dat met een voorbeeld laten zien.
Je kan namelijk zien: wanneer je probeert het kind een hogere waarheid bij te brengen, laten we zeggen de waarheid over de onsterfelijkheid van de ziel, moet je deze waarheid als beeld brengen. Dan kan je bijv. tegen het kind zeggen wanneer je het geleidelijk daarin meeneemt: hier is een rups die zich gaat verpoppen. Dan laat je het kind de pop, de cocon zien; dan laat je hem zien hoe de vlinder daaruit opvliegt. Dan leg je het kind uit dat de ziel van de mens in het lichaam

Blz. 132

Körper so ruht wie der Schmetterling im Kokon, daß die menschliche Seele eben nur unsichtbar ist und mit dem Tode ausfliegt. Natürlich will man dem Kinde damit nicht einen Beweis geben für die Unsterblichkeit der Seele; das würde selbstverständlich einen richtigen Einwand ergeben, den die Leute auch schon gemacht haben. Ich habe nur im Auge, wie man in anschaulicher Weise dem Kinde ein Bild gestalten kann von der Unsterblichkeit der Seele. Beweise dafür wird das Kind schon später kennenlernen. Das Kind soll eben in der Epoche vom Zahnwechsel bis zur Geschlechtsreife von allem Bilder empfangen; die beleben sein Seelenleben, die gestalten sein Seelenleben fruchtbar für das ganze menschliche Leben.
Nun kann ein Zweifaches eintreten. Einmal kann ein Lehrer da sein oder ein Erzieher, der sich denkt: Ich bin sehr gescheit, das Kind ist sehr dumm. – Das ist ja das Natürlichste, oder scheint es wenigstens zu sein, daß man das denkt. Wie soll man nicht als Lehrer sehr gescheit sein und das Kind sehr dumm! Also bildet man für das dumme Kind diese Vorstellung von dem auskriechenden Schmetterling und erzählt sie dem Kinde. Man wird nicht viel Erfolg sehen. Es greift die kindliche Seele nicht an.

lichaam net zo rust als de vlinder in de pop, maar dat de mensenziel onzichtbaar is en met de dood naar buiten vliegt. Natuurlijk wil je het kind daarmee geen bewijs leveren voor de onsterfelijkheid van de ziel; dat zou vanzelfsprekend op terechte bezwaren stuiten, die de mensen ook al hebben laten horen. Ik heb alleen op het oog hoe je op een aanschouwelijke manier voor het kind een beeld scheppen kan voor de onsterfelijkheid van de ziel. Bewijs daarvoor zal het kind later wel leren kennen. Het kind moet in de tijd vanaf de tandenwisseling tot aan de puberteit voor alles beelden krijgen; die impulseren het zielenleven, die vormen zijn zielenleven op een vruchtbare manier voor heel het mensenleven. Nu kan er iets op twee manieren gebeuren. Enerzijds kan daar een leraar of een opvoeder zijn die bij zichzelf denkt: ik ben heel intelligent, het kind is heel onnozel. Dat is het meest vanzelfsprekende, tenminste het schijnt zo te zijn dat men dit denkt. Hoe zou je als leerkracht niet heel intelligent zijn en het kind zeer onnozel! Dus maak je voor dit onnozele kind die voorstelling van de naar buiten kruipende vlinder en dat vertel je. Dat zal niet veel opleveren. De kinderziel wordt niet geraakt.

Es kann aber auch etwas anderes eintreten. Es kann so sein, daß man sich gar nicht sagt: Ich bin als Lehrer sehr gescheit und das Kind ist sehr dumm. Ich will auch nicht gerade sagen, man soll sich das Gegenteil in die Seele setzen. Aber man kann etwas anderes tun. Man kann auf dem Standpunkte stehen, daß man selber in diesem Bilde ein von den Geistkräften der Welt in die Natur hineingesetztes Bild sieht, so daß man selber gläubig diesem Bilde gegenübersteht, daß man selber dieses Bild als etwas empfindet, was die schaffenden Kräfte der Natur vor einen hingestellt haben als ein Abbild dessen, was auf einer höheren Stufe als das Heraustreten der Seele aus der Leiblichkeit auftritt. Durchdringt man dieses Bild mit eigener Gläubigkeit, steht man selber in diesem Bilde voll darinnen und bringt man es dem Kinde aus jenem Enthusiasmus heraus bei, in dem man selber drinnensteht als ein an das Bild Gläubiger, dann wirkt es, dann wird es für das Kind fruchtbar.
An einem solchen Beispiel sieht man, daß man noch so gescheit sein kann als Lehrer und Erzieher, das hilft einem nicht viel. Es hilft für

Maar er kan ook wat anders gebeuren. Het kan zo zijn, dat je helemaal niet zegt: als leerkracht ben ik heel intelligent en het kind is zeer onnozel. Ik wil ook niet beweren dat je het omgekeerde hoeft te voelen. Maar je kan wat anders doen. Je kan op het standpunt staan dat je zelf in dit beeld een beeld ziet dat de geestelijke krachten van de wereld in de natuur hebben geplaatst, zodat je zelf in dit beeld gelooft, dat je zelf dit beeld ervaart als iets dat de scheppende krachten van de natuur voor je plaatsen als een beeld van wat op een hoger niveau als het vrij worden van de ziel uit het lichaam optreedt. Kun je dit beeld vullen met je eigen geloof erin, leef je zelf volledig met dit beeld en geef je dit vanuit je enthousiasme dat je zelf helemaal in dit beeld gelooft, dan is het werkzaam, dan wordt het voor het kind vruchtbaar.
Aan zo’n voorbeeld zie je dat je nog zo intelligent kan zijn als leraar en opvoeder, maar het helpt niet veel. Bij sommige dingen helpt het

Blz. 133

manche Dinge, gescheit zu sein, auch beim Lehrer ist es natürlich besser, gescheit zu sein als ein Tor; aber es ist nicht das, was ihn zum wirklichen Erziehungskünstler macht. Was ihn zum wirklichen Erzieherkünstler macht, das ist, daß er der ganzen Welt mit seinem eigenen Gemüte so gegenübersteht, daß ein lebendiges Verhältnis zum Kinde möglich ist, daß dasjenige, was in ihm lebt, sich fortsetzen kann in dem kindlichen Gemüt. Dann ist vorhanden nicht eine erzwungene Autorität, sondern eine selbstverständliche Autorität. Und diese selbstverständliche Autori­tät ist es, auf das aller Unterricht und alle Erziehung zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife aufgebaut werden muß. Daher müssen wir tatsächlich auf die Bildhaftigkeit des Unterrichts im Beginne des schulpflichtigen Alters den allergrößten Wert legen, alles in Bildhaf­tigkeit dem Kinde beizubringen. Und erst möglichst spät, womöglich erst, wenn die Geschlechtsreife heranrückt, also zwischen dem dreizehn­ten und vierzehnten Lebensjahre, kann man langsam beginnen mit denjenigen Schulgegenständen, die ein abstraktes Denken notwendig machen. Denn wir sollen das Kind möglichst spät herausreißen aus dem unmittelbaren Wirklichkeitserleben der Umgebung, sollen es drinnen stehenlassen in diesem Wirklichkeitserleben der Umgebung. Denn es ist so zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife, daß da noch etwas vorhanden ist, aber in leiserer Art, von dem, was im ersten zarten Kindesalter bis zum Zahnwechsel hin vorhanden ist: daß sich alles in die physische Leiblichkeit hinein fortsetzt

als je intelligent bent, ook voor een leraar is het natuurlijk beter intelligent te zijn dan een dwaas, maar het is niet iets wat hem tot een echte opvoedkunstenaar maakt. Wat hem tot een echte opvoedkunstenaar maakt is dat hij met zijn ziel zo naar de hele wereld is gericht, dat er een levendige relatie tot het kind mogelijk is, dat wat er in hem leeft, ook in de kinderziel kan leven. Dan is er geen sprake van een afgedwongen autoriteit, maar van een vanzelfsprekende. En daarop moet het hele onderwijs tussen de tandenwisseling en de puberteit opgebouwd worden. Vandaar dat we echt de allergrootste waarde moeten hechten aan het beeldende onderwijs bij het begin van de leerplichtige leeftijd, alles moet beeldend aan het kind gebracht worden. En zo laat mogelijk, als het gaat pas als de puberteit gaat beginnen, dus tussen het dertiende en het veertiende jaar, kan langzamerhand begonnen worden met die vakken die een abstract denken noodzakelijk maken. Want we moeten het kind zo laat mogelijk losweken uit zijn directe echte belevingswereld van de omgeving, daar moeten we het houden. Want tussen de tandenwisseling en de geslachtsrijpheid is het zo, dat er nog iets aanwezig is, maar iets subtieler, van wat in het prille kinderleven tot aan de tandenwisseling aanwezig is: dat alles verder werkt tot in het levend-lichamelijke.

Nun, so stark, daß eigentlich alles organisch wird, was das Kind wahrnimmt, was das Kind erlebt bis zum Zahnwechsel hin, ist es in der zweiten Lebensepoche nicht mehr. Aber noch immer ist ein ungeheurer Unterschied, wie das Geistige an das Kind herangebracht wird auch in bezug auf die physische Entwickelung des Kindes. Und da muß tatsäch­lich etwas von dem Lehrer erreicht werden, was man nicht durch Theorien erreichen kann, sondern nur durch das Künstlerische, das in der Erziehung webt und wirkt. Halten wir uns da wiederum an eine Einzelheit: Man kann noch so sehr theoretisch weuem, man solle das Kind nicht mit Gedächtnisstoff überladen. Das ist alles sehr schön, wenn es abstrakt gesagt wird, auch richtig. Aber darum handelt es sich dann doch schließlich, daß ja das Kind daraufhin organisiert ist, schon auch

Wel, zo intensief dat eigenlijk alles wat het kind waarneemt, wat het beleeft tot aan de tandenwisseling, tot in de organen komt, is dat in de tweede levensfase niet meer. Maar er is nog steeds een ongelooflijk verschil hoe het geestelijke met het oog op het fysieke aan het kind gegeven wordt. En de leerkracht moet daadwerkelijk iets bereiken wat niet door theorieën bereikt kan worden, maar alleen door het kunstzinnige dat door de opvoeding heengaat en werkzaam is. Laten we nog eens bij een detail blijven: je kan theoretisch nog z0 uitbazuinen: ‘je moet het kind niet met geheugenstof overladen’; het is allemaal heel mooi, als het abstract wordt gezegd. Maar waarom het tenslotte dan toch gaat is, dat het kind zo in elkaar zit, dat het ook

Blz. 134

ein Gedächtnis zu entwickeln. Also Gedächtnisstoff muß schon dem Kinde zugemutet werden, nur muß man durch eine wirkliche Menschen­erkenntnis fühlen und beobachten können, wieviel richtig ist an der Zumutung von Gedächtnisstoff, und wieviel falsch ist, denn davon hängt ungeheuer viel ab.
Derjenige, der ein erzieherischer Künstler ist, der wird an dem Ausse­hen des Kindes selbst etwas haben wie ein Barometer, wieviel er dem Kinde an Gedächtnisstoff zumuten darf und wieviel nicht. Denn die Sache ist so: Muten wir einem Kinde zuviel Gedächtnisstoff zu, was geschieht dann? Ja, wo wird denn die Kraft des Gedächtnisses herge­holt? Sehen Sie, was da geschieht im Zahnwechsel, daß die Wachstumskräfte, die Kräfte, die in der Ernährung wirken, frei werden und seelisch wirken, was da auf einmal im großen geschieht, das geschieht später auch fortwährend. Deshalb müssen wir uns Wachstumskräfte zuführen aus der Verarbeitung der Nahrung, weil das ganze Leben des Menschen ein Umsetzen der gesunden Wachstumskräfte, die in den Organbildun­gen, der Blutbildung wirken, eine Umsetzung der Kräfte in freie Seelen-kraft ist.

een geheugen ontwikkelt. Dus geheugenstof moeten we wel van het kind verlangen, maar je moet alleen wel door een echte menskunde voelen en waar kunnen nemen, hoeveel er aan geheugenstof gevraagd kan worden en hoeveel er verkeerd is, want daarvan hangt ongelooflijk veel af.
Wie opvoedkunstenaar is, ziet aan een kind zoals bij een barometer, hoeveel hij het kind aan onthoudstof mag vragen en hoeveel niet. Want het zit zo: vragen we van een kind te veel geheugenstof, wat gebeurt er dan? Want waar wordt de kracht om te kunnen onthouden vandaan gehaald? Wat er bij de tandenwisseling plaatsvindt, is dat de groeikrachten, de krachten die in de voeding werkzaam zijn, vrij komen en als zielenkrachten gaan werken; wat hier ineens in het groot gebeurt, dat vindt later voortdurend plaats. Vandaar dat we onszelf steeds groeikrachten moeten geven door de verwerking van ons voedsel, omdat het hele leven van de mens een omvorming van de gezonde groeikrachten die in de vorming van de organen, van het bloed werken, een omvormen is van krachten in vrije zielenkrachten.

Was nun da im Zahnwechsel auf einmal, in einem Ruck sozusagen geschieht, das geschieht fortwährend, wenn wir irgend etwas der Erinne­rung einverleiben. Das was auf uns wirkt, wirkt ja wirklich auf den physischen Organismus mit, wenn wir es wahrnehmen, wenn es uns mitgeteilt wird in Worten und so weiter. Daß da der physische Organis­mus mitwirkt, das erfährt derjenige, dem zugemutet wird, daß er etwas der Erinnerung einverleiben soll, daß er etwa ein Gedicht auswendig lernen soll. Man schaue sich den an, der etwas auswendig lernen soll, was er da alles macht mit seinem physischen Organismus, um diesem physi­schen Organismus die Sache einzuverleiben. Was dann aber im physi­schen Organismus sitzt, das kann noch nicht erinnert werden; da muß das, was in den Wachstumskräften, in den Kräften der Ernährung zugrunde liegt, zunächst umgesetzt werden in seelische Kräfte, und in den seelischen Kräften bewirkt es die Erinnerung. Wenn ich dem Kinde zuviel zumute für die Erinnerung, dann entziehe ich ihm zuviel Lebens-kräfte, vitale Kräfte, und die Folge davon ist, daß ich sehen kann, wenn ich den ganzen Zusammenhang durchschaue: das Kind wird blaß, das

Wat er bij de tandenwisseling opeens, in één klap gebeurt, zogezegd, dat gebeurt voortdurend, wanneer we iets in de herinnering incorporeren. Wat op ons inwerkt, werkt daadwerkelijk in op ons lichaam als we het waarnemen, als het ons meegedeeld wordt met woorden enz. Dat het fysieke organisme daarbij meewerkt, ervaart degene die gevraagd wordt om iets in zijn  herinnering op te nemen, dat hij bijv. een gedicht uit zijn hoofd leert. Dan moet je eens kijken naar zo iemand die iets uit zijn hoofd moet leren en wat die doet met zijn fysieke organisme om de zaak daarin op te nemen. Wat echter in het fysieke zit, kan nog niet worden herinnerd, dan moet, wat in de groeikrachten, aan de krachten van de voeding ten grondslag ligt, eerst omgezet worden in zielenkrachten en de zielenkrachten bewerkstelligen dat het herinnering kan worden. Wanneer ik aan het kind te veel vraag om te herinneren, dan onttrek ik aan hem te veel levenskrachten, vitale krachten en het gevolg daarvan is dat ik kan zien als ik de hele samenhang snap: het kind gaat wit zien, het

Blz. 135

Kind bekommt etwas, was aus entzogenen organischen Kräften herkommt, es wird ängstlich. Nun muß man ein Auge haben für dieses Blaßwerden, für dieses Ängstlichwerden. Denn wenn man fortwährend in der wüstesten Weise darauf loszielt, dem Kinde zuviel Gedächtnisstoff zuzumuten, dann bleibt es im Wachstum zurück. Dieses Zurückbleiben im Wachstum hat man verursacht durch falsche geistige Zumu­tung, durch einen falschen Gedächtnisstoff. Und was man da anrichtet im Organismus, das drückt sich im spätesten Alter noch aus in den mannigfaltigsten Stoffwechselkrankheiten, indem besonders eine Abla­dung von Harnsäure oder dergleichen im Organismus stattfindet.
Da haben Sie dasjenige, was außerordentlich wichtig ist: Man muß die geistige Führung des Kindes so leiten, daß sie in den Organismus in der richtigen Weise hineinwirkt, daß man zum Beispiel nicht so durch das Überladen mit Gedächtnisstoff bei dem Kinde wirkt, daß im späteren Alter Stoffwechselkrankheiten hervorkommen. Und wenn die Leute den Zusammenhang zwischen Gicht und Rheumatismus im späteren Alter und zwischen dem falschen Unterricht in bezug auf die Zumutung mit zu vielem Gedächtnisstoff kennen würden, dann würden sie erst auf einem wirklichkeitsgemäßen Boden in bezug auf die Erziehungskunst stehen.

kind krijgt iets wat weggehaald wordt uit orgaankrachten, het wordt bang. Voor dit bleek worden, voor dit bang worden, moet je oog krijgen. Want wanneer je voortdurend onstuimig van het kind verlangt dat het te veel moet onthouden, blijft het in groei achter. Dit achterblijven in groei heb je veroorzaakt door  verkeerd mentaal te verlangen, door verkeerde geheugenstof. En wat je daarmee in het organisme aanricht, komt op hoge leeftijd nog tot uitdrukking in de meest uiteenlopende stofwisselingsziekten, wanneer in het bijzonder een afzetten van urinezuur of iets dergelijks in het organisme plaatsvindt.
Hier heb je iets wat buitengewoon belangrijk is: je moet het kind geestelijk zo leiden dat dit op de juiste manier op het organisme inwerkt, dat je dus niet door het kind te overladen met geheugenstof, er op latere leeftijd stofwisselingsziekten voorkomen. Wanneer men de samenhang tussen jicht en reuma op latere leeftijd en tussen het verkeerde onderwijs wat betreft het verlangen van te veel geheugenstof zou kennen, dan zouden we pas echt op een fundament staan dat met de werkelijkheid overeenkomt wat betreft de opvoedkunst.

Dann würde man wissen, daß es nicht gilt: eine geistige Erzie­hung für sich, eine physische Erziehung für sich, weil alles, was man in Ider geistigen Erziehung tut, gerade beim Kinde hineinwirkt in die Physis, und alles was man für die physische Entwickelung tut, wiederum hereinwirkt ins Geistige. Wenn Sie bei einem Kinde wahrnehmen, es hat einen melancholischen Charakter, bei einem anderen, es hat einen mehr sanguinischen Charakter, so ist das ganz etwas anderes für die Behand­lung des Kindes. Wenn Sie zum Beispiel nun merken, der melancholische Charakter kann einmal gefährlich werden in physischer Beziehung, so ist es not­wendig, sich mit den Eltern in Verbindung zu setzen. Und die Waldorf-schule ist eine Schule, die ganz darauf aufgebaut ist, mit der Elteinschaft in enger Verbindung zu stehen.
In der Waldorfschule werden jeden Monat, zuweilen auch öfter, die Eltern der Kinder zu einer Elternver­sammlung gerufen. Da wird gesprochen über das, was eben notwendig ist im Zusammenwirken von Schule und Elternhaus. Und da ist sehr

Dan zou je moeten weten dat niet geldt: een geestelijke opvoeding op zich, een lichamelijke opvoeding op zich, omdat alles wat je in de geestelijke opvoeding doet, juist bij het kind doorwerkt tot in het fysieke en alles wat je voor de lichamelijke ontwikkeling doet, werkt op zijn beurt weer in op het geestelijke. Wanneer je bij een kind waarneemt dat het een melancholisch karakter heeft en bij een ander kind dat het een sanguinisch karakter heeft, dan betekent dat voor de aanpak van het kind heel iets anders.
Wanneer je je b.v. nu realiseert dat het melancholisch karakter weleens gevaarlijk zou kunnen worden in fysiek opzicht, dan is het noodzakelijk om contact te zoeken met de ouders. En de vrijeschool is een school die er helemaal  op gebaseerd is om met de ouders nauw contact te onderhouden.
Op de vrijeschool worden iedere maand of soms vaker de ouders gevraagd om de ouderavond te bezoeken. Daar wordt dan besproken wat nu eenmaal nodig is bij het samenwerken tussen school en ouderlijk huis. En er is heel

Blz. 136

vieles notwendig. Man sieht also beispielsweise, ein Kind hat einen melancholischen Charakter, man weiß, daß das zusammenhängt mit der Absonderung in den Verdauungsdrüsen, besonders der Absonderung der Leber, man weiß ferner, daß das wiederum zusammenhängt mit dem Zuckergenuß. Man regelt nun im Zusammenwirken mit den Eltern die Diät in bezug auf den Zuckerzusatz zu den Speisen. Man steht also als Erzieher auf der einen Seite auf dem Boden, daß man überall das Physische berücksichtigt, insofern es die Unterlage des Geistigen sein kann, und daß man auf der anderen Seite das Kind so erzieht, daß man den möglichst gesunden Körperzustand hervorbringt mit Hilfe des Geistigen.
Nehmen Sie nun den umgekehrten Fall. Nicht Überladung mit Gedächtnisstoff, sondern das Gegenteil; ich meine also einen modernen Lehrer, der da sagt: Man darf nichts dem Gedächtnis zumuten, wir sehen ganz ab von Gedächtnis. – Ich möchte oftmals denjenigen Leuten, die immer wieder rufen: Anschauungsunterricht! Anschauungsunterricht! -sagen: Ja, wenn man zuwenig dem Erinnerungsvermögen zumutet, so wird man das auch am Kinde bemerken. Das Kind färbt sich dann in ungesunder Weise ins Rote hinein in seiner Hautfarbe. Es beginnt aber auch über allerlei inneren Druck zu klagen, und endlich merkt man: das Kind wächst in ungeheuerlicher Weise. 

heel veel nodig. Je ziet dus b.v. dat een kind een melancholisch karakter heeft, je weet dat dit samenhangt met de afscheiding in de stofwisselingsklieren, m.n. in de lever; verder weet je dat dat weer samenhangt met het gebruik van suiker.
Samen met de ouders bespreek je het dieet wat betreft de hoeveelheid suiker in de voeding. Enerzijds sta je als opvoeder basaal op het standpunt dat je overal rekening houdt met het fysieke, in zoverre het de basis kan zijn voor het geestelijke en dat je aan de andere kant het kind zo opvoedt dat je met hulp van het geestelijke de grootst mogelijke lichamelijke gezondheidstoestand creëert.
Nemen we het omgekeerde: geen overbelasting met geheugenstof, maar het tegenovergestelde; ik bedoel dus een moderne leerkracht die zegt: ‘je mag van heg geheugen niets vragen, wij zien helemaal af van het geheugen.’
Ik zou tegen de mensen die steeds maar roepen ‘aanschouwelijkheidsonderwijs!, aanschouwelijkheidsonderwijs!’ vaak willen zeggen: ja, maar als je te weinig van het herinneringsvermogen vraagt, zal je dat ook aan het kind merken. Dan krijgt het kind een meer ongezonde rode huidskleur. Het begint dan ook te klagen over inwendige druk en uiteindelijk merk je dat het kind op een onbehoorlijke manier groeit.

Und geht man der Sache nach, so bemerkt man, daß durch ein Entziehen des notwendigen Gedächtnisstoffes der Körper ungeeignet wird, in der richtigen Weise die Nah­rungsmittel, die aufgenommen werden, in seine Organe aufzusaugen. Bei zu geringem Gedächtnisstoff fängt schon der Magen an, nicht genug Säure abzusondern, oder die Säuren, die er absondert, sind nicht hin­länglich, um in der richtigen Weise die Verdauung zu befördern. Das geht über in den gesamten Organismus; er wird weniger resorptionsfä­hig, als er sein soll. Und man kann es erleben, wie ein solcher Organis­mus eines Menschen später, nach Jahren, wenn er so etwas durchge­macht hat in der Schule, immer hungrig ist, und trotzdem nicht ordent­lich innerlich arbeitet. Der Mensch neigt dann leicht dazu, ganz beson­dere Formen von Lungenkrankheiten und dergleichen zu bekommen. Überall wird derjenige, der wirkliche Menschenerkenntnis übt, nicht im Wolkenkuckucksheime einer bloßen Geistigkeit verschweben, sondern

En ga je de zaak na, dan merk je dat door het onttrekken van de noodzakelijke geheugenstof het lichaam niet meer in staat is om op de juiste manier voedingsstoffen die opgenomen worden in de organen te absorberen. Bij te weinig geheugenstof begint de maag al met het niet genoeg zuren af te scheiden, of de zuren die hij afscheidt zijn niet toereikend om op de juiste manier voor de juiste vertering te zorgen. Dat heeft gevolgen voor het organisme; dat kan minder opnemen dan zou moeten. En dan kan je beleven hoe zo’n menselijk organisme, later, na jaren wanneer hij zoiets op school heeft meegemaakt, altijd honger heeft en bij wie het van binnen desondanks toch niet goed werkt. De mens neigt dan makkelijk naar het krijgen van bijzondere vormen van longziekten e.d. Overal zal degene die echte menskunde beoefent niet in de zevende hemel van alleen maar het geestelijke zweven, maar 

Blz. 137

er wird eben im Auge haben den ganzen Menschen nach Geist, Seele und Leib. Das aber ist ganz besonders für die Erziehungskunst notwendig.
Man muß ja in der Schule in der richtigen Weise abwechseln, das Kind einerseits intellektuell beschäftigen – wobei ich intellektuell nur anwende für die Dinge, die im Seelischen direkt beigebracht werden; das Intellek­tuelle als solches ist ja zunächst zu vermeiden bis in die Nähe der Geschlechtsreife -, und man hat das Kind physisch mit Gymnastik, Turnen und so weiter in der Eurythmie zu beschäftigen. Und wenn man da ein Abstraktling ist, und diese Dinge aus abstrakten Grundsätzen heraus einteilt – oftmals geschieht es sogar, damit der möglichst bequeme Stundenplan herauskommt -, dann heißt das alles nichts. Sondern das Folgende ist zu berücksichtigen: wenn man das Kind vor sich hat und man bringt ihm im Leseunterricht, im Schreibunterricht, im Rechenun­terricht etwas bei, was vor allen Dingen auf seine Seele wirkt, dann geschieht im Organismus ein Vorgang, in dem sich klar und deutlich zeigt, wie alles das, was dem Kopfe zugemutet wird, polarisch entgegen­gesetzt wirkt dem gegenüber, was den Gliedmaßen, dem Bewegungssy­stem, dem motorischen System zugemutet wird. Es ist gar nicht wahr, daß man zum Beispiel weniger ermüdet im Turnen oder in der Gymna­stik als beim Lesen- und Schreibenlernen.

hij zal de hele mens op het oog hebben, naar geest, ziel en lichaam. En dat is vooral voor de opvoedkunst heel erg belangrijk.
Je moet op school op de juiste manier afwisselen, enerzijds het kind intellectueel werk geven – waarbij ik intellectueel alleen maar gebruik voor de dingen die op psychisch niveau direct bijgebracht worden; het intellectuele als zodanig zou je tot ongeveer aan de puberteit moeten vermijden, en lichamelijk moet je het kind  met gymnastiek, turnen enz., de euritmie laten werken.
En wanneer je een abstract iemand bent en deze dingen vanuit abstracte uitgangspunten indeelt – dikwijls gebeurt dat zelfs, zodat het meest geschikte lesrooster ontstaat – dan heeft dat allemaal niets te betekenen. Je moet echter met het volgende rekening houden: wanneer je het kind voor je hebt en je brengt het iets bij van lezen, schrijven, rekenen wat in eerste instantie op het gevoel werkt, dan vindt in het organisme een proces plaats waaraan je duidelijk kan zien hoe alles wat we van het hoofd vragen, polair tegenovergesteld werkt aan wat we van de ledematen, van het bewegingssysteem, het motorische systeem vragen. Het is zeker niet waar dat je bijv. minder moe wordt bij gymnastiek dan bij het leren van lezen en schrijven.

Das haben die äußerlichen Untersuchungen der experimentellen Psychologie ergeben. Wenn eine Turnstunde inmitten von anderen Stunden liegt, etwa von neun bis zehn Rechnen, von zehn bis elf Turnen, von elf bis zwölf Geschichte, dann ist das Kind nicht ausgeruht für die Geschichtsstunde, wenn es geturnt hat, sondern im Gegenteil.
Da handelt es sich dabei um etwas ganz anderes. Es handelt sich darum, daß derjenige, der wirkliche Menschenerkenntnis üben kann, weiß: es wirkt etwas im Organismus, wenn auch nur halbbewußt. – Und beim Kinde bleibt ja vieles halbbewußt, was dann überhaupt im Men­schenleben nicht beobachtet wird, was später überhaupt nicht mehr ins Bewußtsein hinaufgenommen wird. Es wirkt da dasjenige, daß durch die mehr seelisch-geistige Betätigung das Begehrungsvermögen erregt wird, daß man dieses auch auswirken läßt, daß man also nicht in äußerlicher Weise bloß einteilt. Man muß eben den seelisch-geistigen Unterricht so einrichten, daß dadurch die innere körperliche Stimmung für die Gymnastik

Dat is uit onderzoeken van de experimentele psychologie wel gebleken. Wanneer een gymuur midden tussen andere ligt, zoiets als van negen tot tien rekenen, van tien tot elf gymnastiek, van elf tot twaalf geschiedenis, dan is het kind niet uitgerust voor het geschiedenisuur als het van tien tot elf gegymd heeft, in tegendeel.
Het gaat daarbij om iets heel anders. Het gaat erom dat iemand die echte menskunde uit kan oefenen, weet: iets werkt in het organisme, ook al is het halfbewust. En bij een kind blijft vaak veel onbewust waar dan in het leven van de mens echt niet meer naar gekeken wordt, wat later zeer zeker niet meer bewust opgenomen wordt.
Daar werkt het zo dat door de meer zielen-geestactiviteit de begeertekracht opgewekt wordt, dat je dit ook zo laat werken en dat je dus niet alleen maar uiterlijk een indeling maakt. Je moet nu eenmaal het gevoelsmatig-geestelijke onderwijs zo vormgeven dat daardoor de innerlijke lichamelijke stemming voor de gymnastiek ontstaat.

Blz. 138

erregt wird. Wenn ich das Kind turnen lasse, wenn es kein innerliches organisches Verlangen darnach hat, dann wird das Turnen bei dem Kinde so wirken, daß das Kind sehr bald zeigt: es wird nicht mehr fertig mit der Fortleitung der Kräfte, die es nicht in den Leibes­übungen nach innen fortsetzt. Es muß ja beim Menschen alles dasjenige, was in der körperlichen Bewegung sich entwickelt, nach innen fortge­setzt werden. Während wir unseren Leib in Bewegung haben, werden innerlich Stoffwechselvorgänge durchgeführt; etwas, was ein ins Leben umgesetzter Verbrennungsprozeß genannt werden kann, wird da ausge­führt. Und was da ausgeführt wird, das wirkt im ganzen Organismus weiter. Wenn ich das Kind Gymnastik ausführen lasse, ohne daß es Begierde darnach hat, dann wird es mit diesem inneren Stoffwechselvorgang nicht fertig, und die Folge davon ist, daß ich merken werde: solch ein Kind wird durch die Gymnastik stark emotionell. Allerlei Leidenschaften entwickeln sich bei ihm. Ich kann das Kind sogar, wenn ich es ohne organische Begierde turnen lasse, dazu bringen, daß sich eine innere Stimmung in krankhafter Weise ausbildet, die bis zu Wutanfällen das Emotionelle treibt. Das ist etwas, was in den Charakter des Menschen für das ganze Leben übergehen kann.

Wanneer ik het kind laat gymmen als het daar vanuit zijn innerlijk organisme geen zin in heeft, dan zal de gymnastiek bij het kind zo werken dat het al snel laat zien dat het met de krachten die het met de lichaamsoefeningen niet naar binnen laat gaan, niet veel meer kan. Bij een mens moet alles wat hij met lichamelijke beweging ontwikkelt, zich naar binnen voortzetten. Als ons lichaam in beweging is, vinden er inwendig stofwisselingsprocessen plaats; iets is daar gaande wat een in leven omgezet verbrandingsproces genoemd kan worden. En wat daar gebeurt, werkt in heel het organisme verder. Wanneer ik het kind laat gymmen zonder dat het dat graag wil, krijgt het deze inwendige stofwisselingsactiviteit niet voor elkaar en het gevolg daarvan is dat ik zal merken: zo’n kind wordt door de gymnastiek nogal emotioneel. Bij hem ontwikkelen zich allerlei sterke, heftige gevoelens. Ik kan het kind zelfs als ik het zonder organische zin laat gymmen, ertoe brengen dat een innerlijke stemming zich op een ziekmakende manier ontwikkelt, dat het tot driftaanvallen komt. Dat kan dan voor het verdere leven in het karakter van de mens gaan zitten.

Das alles kann für eine wirkliche gesunde körperliche Entwickelung des Menschen nur vermieden wer­den, wenn man als Erziehungskünstler die richtigen seelischen Instinkte dafür hat, wie man die Gymnastikstunde legen muß im Verhältnis zu den anderen Stunden, wo Geistig-Seelisches getrieben wird, damit in dieser letzteren Stunde dann erwacht die Begierde nach Gymnastik. Dadurch aber kann dann diese Gymnastik im Organismus so weiterwir­ken, daß der Organismus in richtiger Weise verbrauchen kann, was in ihm sich entwickelt an Kräften durch die Gymnastik.
Es kommt also wirklich darauf an, daß man eine Art Künstler ist, der mit künstlerischer Anschauung, aber auch mit jener ungeheueren Ver­antwortlichkeit, die natürlich dem unlebendigen Kunstwerke gegenüber nicht vorhanden ist, dem werdenden Menschen im Kinde gegenüber­steht. Dem werdenden Menschen, das heißt, diesem wunderbaren Spiel von tausenderlei ineinanderwirkenden Kräften. Das läßt sich nicht mit theoretischer Pädagogik durchschauen, ebensowenig wie man jemand

Dit alles kan voor een echte gezonde lichamelijke ontwikkeling van de mens alleen vermeden worden, wanneer je als opvoedkunstenaar het juiste gevoelsmatige instinct ervoor hebt, hoe je de gymnastiekles moet plannen wat betreft de andere uren waarin activiteit van geest en ziel plaatsvindt, zodat in die uren dan de zin in gymnastiek ontstaat. Daardoor kan dan deze gymnastiek in het organisme zo verder werken dat het organisme op de juiste manier de krachten kan gebruiken wat aan krachten door de gymnastiek in hem ontwikkeld wordt.
Het komt er dus echt op aan dat je een soort kunstenaar bent die met een kunstzinnige blik, maar ook met een buitengewoon groot verantwoordelijkheidsgevoel dat wat een kunstwerk betreft er natuurlijk niet is, maar er wel is voor de wordende mens in het kind.

De wordende mens wil zeggen dit wonderbaarlijke spel van ontelbare krachten die op elkaar inwerken. Dat kan je met theoretische pedagogiek niet doorzien, net zo min als je iemand

Blz.139

anweisen könnte, mit theoretischer Physiologie seine Verdauung selber zu regeln. Das läßt sich eben nur mit intuitivem Anschauen machen.
Und so wird eben derjenige, der aus voller Menschenerkenntnis heraus erzieht, im Geistigen so erziehen und unterrichten, daß der gesunde Körper dabei zustande kommt. Und er wird das Körperliche in der Weise regeln, daß es die gesunde Grundlage für die allseitige Entfaltung des Geistigen bilden kann. Das kann aber nur dann gesche­hen, wenn ein solches Verhältnis intimen Zusammenempfindens zwi­schen dem Unterrichtenden und Erziehenden und dem Kinde vorhan­den ist, wie ich es angedeutet habe an dem Beispiel von dem Bilde des auskriechenden Schmetterlings für das Faktum der menschlichen Unsterblichkeit. Ist dieses Verhältnis vorhanden, dann wird sich auch für das rein Geistige das selbstverständliche Autoritätsgefühl ausbilden, von dem ich im vorigen Vortrage gesprochen habe als von etwas Notwendigem in der allgemeinen Pädagogik. Es wird wirklich der Lehrende und Erziehende für das Kind sozusagen der Repräsentant von Wahrheit, Schönheit und Güte sein. Das Kind soll nicht in abstrakter Weise durch ein bloßes Urteil – das gehört in das spätere Lebensalter hinein – entscheiden, was wahr und was falsch ist, was schön und was häßlich ist, was gut und was böse ist.

zou kunnen leren om met theoretische fysiologie zijn stofwisseling zelf te regelen. Dat kan alleen met intuïtief waarnemen.
En zo zal degene die vanuit een gedegen menskunde opvoedt, het geestelijke zo opvoeden en onderwijzen dat daarmee een gezond lichaam ontstaat. En hij zal het lichamelijke zo behandelen dat daarmee een gezonde basis voor een veelzijdige ontwikkeling van de geest gevormd wordt. Dat kan alleen als er een fijnzinnig samenklinken is tussen de ziel van de leraar en opvoeder en het kind, zoals ik al aangegeven heb met het voorbeeld van het beeld van de vlinder die naar buiten komt en het feit van de menselijke onsterfelijkheid. Is die relatie aanwezig dan zal zich ook voor het puur geestelijke het vanzelfsprekende gevoel voor autoriteit ontwikkelen waarover ik in de vorige voordracht heb gesproken als over iets noodzakelijks in de algemene pedagogiek. De leraar en opvoeder moet voor het kind de echte representant zijn van waarheid, schoonheid, goedheid. Het kind moet niet op een abstracte manier door alleen maar een oordeel – dat hoort in de latere leeftijdsfase – besluiten wat waar en onwaar is, wat mooi en lelijk is en wat goed of slecht.

Sondern es soll das Kind etwas als wahr empfinden, wenn der selbstverständlich innig verehrte Lehrer oder Erzieher es als wahr empfindet. Dieser muß der Durchgangspunkt sein. Es muß das Kind als schön empfinden lernen, was der Lehrende und Erziehende als schön empfindet, und was da entsteht dadurch, daß das richtige Verhältnis zwischen Kind und Lehrer vorhanden ist. Ebenso ist es bei gut und böse.
Dadurch wird aber namentlich für die moralische Erziehung eiwas in der kindlichen Entwickelung besorgt, wovon unbedingt notwendig ist, daß es in der richtigen Art besorgt wird. Sehen Sie, der Mensch wird innerlich geradezu verkrüppelt in moralischer Richtung, wenn ihm zu früh in moralischen Geboten: Du sollst, du sollst nicht! – Das darfst du tun, das darfst du nicht tun! – moralische Begriffe in abstrakter Weise beigebracht werden. Das Kind soll erleben an dem führenden Lehrer und Erzieher, was gut und was böse ist. Dazu muß aber das verbindende Glied da sein dadurch, daß der Lehrer auf das Kind so wirken muß, daß

Het kind moet daarentegen iets ervaren van wat waar is als de vanzelfsprekende intens vereerde leerkracht of opvoeder het als waar ervaart. Daarlangs moet het gaan. Het kind moet leren ervaren wat mooi is wat de leraar en opvoeder als mooi ervaart en wat ontstaat omdat tussen het kind en de leraar de goede verbintenis aanwezig is. Dat geldt ook voor goed en kwaad. Daardoor krijgt de ontwikkeling van het kind iets van een morele opvoeding waarbij het noodzakelijk is dat dit op een goede manier tot stand komt. De mens wordt innerlijk in moreel opzicht lam geslagen wanneer hij te vroeg abstracte morele begrippen krijgt in de trant van: ‘dat moet niet! dat mag je wel, dat niet!’ Het kind moet aan de leraar en opvoeder die hem leidt, ervaren wat goed en wat verkeerd is. Dan moet er wel de verbindende schakel zijn zodat de invloed van de leerkracht op het kind zo moet werken dat

Blz. 140

dem Kinde das Gute gefällt, daß es Wohlgefallen am Guten hat, daß es Abscheu vor dem Bösen hat. Wir müssen zunächst für das Moralische dahin wirken, daß wir nicht gebieten das Moralische und verbieten das Unmoralische – fassen Sie das, meine sehr verehrten Anwesenden, gut auf, es kommt auf diese Nuance sehr viel an -, sondern daß wir bei dem Kinde zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife im Gefühle, nicht in den Willensimpulsen, das Erleben des Guten und des Bösen entwickeln. Das Gute muß uns innerlich gefallen. Wir müssen Liebe, Sympathie für das Gute entwickeln, bevor wir es als verpflichtend für den Willen entwickeln. Was moralisch für den Willen sein soll, das muß erst herauswachsen aus dem, was moralisch für das Gefühl Wohlgefallen oder Verabscheuen war. Und wiederum können wir am besten das, was da im Kinde sich entwickeln soll, dadurch zur Entfaltung bringen, daß wir im Bilde wirken. Wenn wir als Lehrende und Erziehende genug Phantasie haben, um hinzustellen historisch–moralische Gestalten, denen man nicht folgen soll, wenn man versteht, das so recht anschaulich zu schildern, so daß im Kinde Wohlgefallen oder Mißfallen an den Taten erwächst, oder wenn wir solche Geschichten erfinden – das ist noch besser, dadurch sind wir als Erziehende mit dem, was wir hinstellen für das Wohlgefallen, noch mehr verbunden -, dann erwecken wir aus dem Gefühl heraus das moralische Erleben.

dit het goede fijn vindt, er sympathie voor heeft en het verkeerde verafschuwt. Voor de moraliteit moeten we zo te werk gaan dat we het morele niet gebieden en het niet-morele verbieden – let hier goed op, geachte aanwezigen, deze nuance is belangrijk, maar dat we bij het kind tussen de tandenwisseling en de puberteit in het gevoel, niet in de wilsimpulsen, de beleving van het goede en kwade ontwikkelen. We moeten het goede innerlijk fijn vinden. We moeten liefde, sympathie voor het goede ontwikkelen voor we het als een verplichting voor de wil ontwikkelen. Wat voor de wil moreel moet zijn, moet eerst door de ziel ontstaan, door wat het gevoel aan sympathie en antipathie voor het morele beleeft. En ook hier kunnen we het beste door het beeldende werken om dit in het kind te ontwikkelen. Wanneer we als leraar en opvoeder genoeg fantasie hebben om figuren uit de geschiedenis te behandelen met een moraliteit die je niet na moet volgen; wanneer je in staat bent heel aanschouwelijk zo te vertellen dat er in het kind sympathie of antipathie voor de daden ontstaat of wanneer je dergelijke verhalen maakt – dat is nog beter want daardoor ben je als opvoeder nog meer verbonden met wat je wil brengen – dan wek je vanuit het gevoel de morele beleving.

Und dann geschieht das Merkwürdige, daß wenn das Kind geschlechtsreif wird, ebenso wie die Geschlechtsliebe sich aus dem Organischen herausentwickelt, sich aus einem richtig geleiteten moralischen Wohlgefallen oder Mißfallen die richtigen moralischen Impulse des Willens entwickeln. Und das ist das Größere des Erziehens, daß dasjenige, was sich erst durch inneres seelisches Wachstum aus einem keimhaft Veranlagten wirklich erst entwickeln soll, auch von selbst sich entwickelt. Das ist eine bessere Erziehung als diejenige, die alles hineinpfropfen will in das Kind. Wollen wir moralisch erziehen, so muß die Moral im Willen wachsen, aber sie wächst nur, wenn wir den Keim dazu in das Kind legen. Und das können wir in der Lebensepoche, wo das Kind auf die Liebe und Sympathie zum Lehrer angewiesen ist, indem wir das Gefühl entzünden des Wohlgefallens am Guten, des Mißfallens am Bösen.

En dan gebeurt het bijzondere dat wanneer het kind dan in de puberteit komt, in de geslachtsrijpheid, vanuit het lichamelijke, uit de op de juiste manier geleide sympathie voor het morele of de antipathie voor het niet-morele, de juiste morele impulsen van de wil zich ontwikkelen. En dat is het grootsere van het opvoeden, dat wat zich eerst door innerlijke groei van het gevoel vanuit wat als kiem is aangelegd, zich werkelijk eerst ontwikkelen moet, zich ook vanzelf ontwikkelt. Dat is een betere opvoeding dan bij het kind alles erin te willen proppen. Als we de moraliteit willen opvoeden, dan moet de moraal in de wil groeien, maar dat gebeurt alleen, wanneer wij daarvoor een kiem in het kind planten. En dat kan alleen in de leeftijdsfase waarop het kind op de sympathie en de liefde van de leraar aangewezen is, wanneer wij het gevoel van sympathie voor het goede, antipathie voor het slechte aanwakkeren.

Blz. 141

Es kommt eben überall darauf an, daß wir in der richtigen Lebensepo­che das Rechte an den Menschen heranbringen. Dann wirkt dieses Rechte im späteren Alter sich aus. Ebenso wie wenn wir den Keim der Eiche in den Boden versenkt haben, oben einmal die Zweige und die Blätter und die Früchte sich entwickeln, so entwickelt sich, wenn wir den richtigen Keim hineingelegt haben im Kinde im siebenten, achten Jahre zu dem moralischen Wohlgefallen oder Mißfallen, im siebzehnten, achtzehnten Jahre das entsprechende Pflichtgefühl.
Von ganz besonderer Bedeutung ist aber, daß wir in diesem Sinne auch wissen, die religiöse Entwickelung des Kindes zu leiten. Diese religiöse Entwickelung des Kindes, sie kann nicht eigentlich, wenn sie innerlich wahr sein soll – und eine religiöse Erziehung führt eigentlich nur wirklich zu etwas Religiösem, wenn diese religiöse Empfindung ganz tief innerlich aus der menschlichen Seele selbst hervorgeht -, sie kann überhaupt nicht dadurch erzielt werden, daß man den Inhalt irgendeiner religiösen Geschichte oder den Inhalt eines Bekenntnisses dem Kinde vermittelt. Sondern alle religiöse Erziehung muß eigentlich dadurch an die menschliche Seele herangebracht werden, daß der Leh­rende und Erziehende imstande ist, die religiöse Stimmung im Kinde zu erregen. Ist sie nicht in ihm selbst, so kann er sie auch nicht im Kinde entwickeln.

Het komt er telkens op aan of we op de juiste leeftijdsfase het juiste aan de mens meegeven. Dan werkt dit juiste tot in het latere leven door. Net zo als wanneer we een eikel in de grond geplant hebben, zich ooit daarboven de takken en bladeren en vruchten ontwikkelen, zo ontwikkelt zich, als we in het kind op zijn zevende, achtste jaar de juiste kiem hebben geplant voor het instemmen of afwijzen van iets op moreel vlak, het daarbij horende plichtsbesef. Heel belangrijk is echter, dat we wat dit betreft, ook weten hoe we de religieuze ontwikkeling van het kind moeten leiden. Die kan eigenlijk niet, wanneer ze innerlijk waar moet zijn – een religieuze opvoeding leidt eigenlijk alleen werkelijk tot iets religieus, wanneer dit religieuze gevoel heel diep vanuit het innerlijk van de menselijke ziel komt – zeer zeker niet bereikt worden doordat men de inhoud van een of ander religieus verhaal of de inhoud van een geloofsrichting aan het kind doorgeeft. Eigenlijk zou elke religieuze opvoeding aan de menselijke ziel gegeven moeten worden doordat de leerkracht en opvoeder in staat is de religieuze stemming in het kind op te roepen. Als hij die niet heeft, kan hij die ook niet in het kind ontwikkelen.

Ist die religiöse Stimmung aber in ihm, dann hat er nur nötig, das zu tun, was wir in der Waldorfschule für den sogenannten «Freien Religionsunterricht» ausüben.
Die Waldorfschule ist, das möchte ich hier auch ausdrücklich betonen, keine Weltanschauungs schule. Wir wollen nicht junge Anthroposophen in der Waldorfschule erziehen, sondern wir wollen die Anthroposophie dazu benützen, daß die Waldorfschule im rechten Sinne des Wortes eine Methodenschule sein kann. Das ist sie. Nur die richtige Erziehungsme­thode wollen wir auf allen Gebieten gewinnen durch Anthroposophie. Es ist eine Verleumdung, wenn gesagt wird: in der Waldorfschule solle Anthroposophie gelehrt werden. Gerade um dieses Urteil nicht aufkom­men zu lassen, weil es durchaus unrichtig ist, habe ich von Anfang an bestimmt für die Waldorfschule, daß der Religionsunterricht gegeben wird von den entsprechenden Religionsgemeinschaften. So daß die katholischen Kinder katholischen Religionsunterricht von katholischen

Heeft hij echter dat religieuze gevoel, dan hoeft hij alleen maar te doen wat wij op de vrijeschool voor het zogenaamde ‘vrije godsdienstonderwijs’ doen.
De vrijeschool is, dat zou ik hier ook nadrukkelijk willen onderstrepen, geen wereldbeschouwelijke school. Wij willen in de vrijeschool geen jonge antroposofen opvoeden, maar wij willen de antroposofie gebruiken opdat de vrijeschool in de juiste betekenis van het woord een methodeschool kan zijn. Dat is ze. Alleen de juiste opvoedmethode op elk gebied willen wij door antroposofie bereiken. Het is laster wanneer er gezegd wordt: in de vrijeschool moet antroposofie aangeleerd worden. Juist om dit oordeel niet te laten ontstaan, omdat het volstrekt onjuist is, heb ik vanaf het begin voor de vrijeschool bepaald dat het godsdienstonderwijs wordt gegeven door de desbetreffende geloofsgemeenschappen. Zodat de katholieke kinderen katholiek godsdienstonderwijs kunnen krijgen van katholieke

Blz. 142

Geistlichen erhalten können, daß die evangelischen Kinder evangelischen Religionsunterricht vom evangelischen Religionslehrer erhalten können.
Nun waren durch die besonderen Verhältnisse, in denen die Waldorfschule gegründet worden ist, viele Dissidentenkinder in der Schule. Für diese wurde zunächst probeweise ein freier christlicher Religionsunter­richt eingerichtet von
uns. Und wir haben dabei die Befriedigung erlebt, daß Kinder von ganz atheistischen Eltern in diesen freien Religionsun­terricht mit Zustimmung ihrer Eltern kamen. Man kann schon sagen, dieser freie Religionsunterricht ist außerordentlich gut besucht. Aber wir sind streng darauf bedacht, daß wir es nicht mit einer Weltanschauungs­schule, sondern mit einer Methodenschule zu tun haben. Einer Metho­denschule in weitestem Sinne, so daß das Richtige an das Kind in der richtigen Weise und im richtigen Zeitpunkte herangebracht wird. Also nur für die Kinder, die freiwillig dazukommen, ist der freie Religionsun­terricht da. Allerdings sind das weitaus viel mehr Kinder als die, die vom katholischen oder evangelischen Religionslehrer Unterricht erhalten. Das ist etwas, wofür wir nichts können. Sie fühlen sich im freien Religionsunterricht außerordentlich angemutet, und er ist ein durch und durch christlicher; während sie sonst davonlaufen. Aber das erzähle ich nur als eine Tatsache, nicht um ein Urteil auszusprechen.

geestelijken; dat de evangelische kinderen evangelisch godsdienstonderwijs kunnen krijgen van evangelische godsdienstonderwijzers.
Door de bijzondere omstandigheden waardoor de vrijeschool werd opgericht, waren er veel ‘dissidenten’kinderen op school. Voor hen wordt bij wijze van proef door ons een vrij, christelijk godsdienstonderwijs ingericht. En daarbij ervoeren wij de vreugde dat kinderen van volkomen atheïstische ouders met toestemming van hen naar dit vrije godsdienstonderwijs toekwamen. Je mag wel zeggen dat dit vrije godsdienstonderwijs buitengewoon goed bezocht wordt. Maar we letten er streng op dat we niet met een wereldbeschouwelijke school van doen hebben, maar met een methodeschool. Een methodeschool in de ruimste zin van het woord, zodat het kind het juiste op de juiste manier en op het juiste tijdstip bijgebracht kan worden. Dus het godsdienstonderwijs is er alleen voor de kinderen die er vrijwillig heen gaan.
En inderdaad zijn dat verreweg veel meer kinderen dan die, die van katholieke of evangelische godsdienstleerkrachten les krijgen.
Daar hebben wij niets mee van doen. Zij voelen zich bij het godsdienstonderwijs buitengewoon aangesproken en het is door en door christelijk; terwijl ze er anders voor weglopen. Maar dat zeg ik alleen als feit, niet om een oordeel uit te spreken.

Ja, nun ist es aber so, daß dieser freie Religionsunterricht von folgen­dem Gesichtspunkte aus eingerichtet ist: Eigentlich kann religiös gewirkt werden in jeder Stunde, bei jedem Gegenstand. Und das geschieht auch bei uns. Wenn der Lehrer selbst dasjenige, was im sinnlich-physischen Leben da ist, durch die eigene Stimmung seiner Seele überall anknüpft an das Übersinnlich-Göttliche, so geht eigentlich alles, aber nicht in einer sentimentalen, mystisch-verschwommenen Weise, sondern in selbstverständlicher Weise aus dem Physischen ins Geistige über. Man muß dabei nur das nötige Taktgefühl haben. Dann aber kann das, was da durch die verschiedenen Unterrichtsgegenstände an das Kind herangebracht wird, in religiöser Stimmung zusammenge­faßt werden. Dazu haben wir dann diese paar besonderen Religionsstun­den, die wir extra in der Woche den Kindern geben lassen im freien Religionsunterricht. Da wird also einfach das was sonst lebt im Unterricht

Maar nu is het echter zo dat dit vrije godsdienstonderwijs vanuit de volgende gezichtspunten ingericht is: eigenlijk kan er ieder uur religieus gewerkt worden, in ieder vak. En bij ons gebeurt dat ook. Wanneer de leerkracht zelf, wat er in het zintuiglijk-materiële leven is, door zijn eigen zielenstemming overal aansluit bij het bovenzintuiglijk-goddelijke, dan gaat eigenlijk alles, maar niet op een sentimentele, mystiek-vage manier, maar op een vanzelfsprekende manier vanuit het materiële naar het geestelijke over. Daarbij moet je wel het nodige gevoel voor tact hebben. Daardoor echter kan wat door de verschillende vakken het kind wordt bijgebracht, in religieuze stemming samengevat worden. En daarbij hebben we dan nog deze paar bijzondere godsdiensturen die we extra in de week aan de kinderen laten geven in het vrije godsdienstonderwijs. Daar wordt dus simpelweg dat wat anders in het onderwijs leeft

Blz. 143

und hinführt zum Göttlich-Geistigen, zusammengefaßt durch das, was sich erhebt als eine Hinlenkung zum Göttlich-Geistigen aus der Naturbetrachtung, aus der Beobachtung des geschichtlichen Erlebens des Menschen. So daß nach und nach bei richtiger Entwicklung der religiösen Stimmung ja in der Tat im Kinde die sittlichen Impulse als dasjenige gefühlt werden, wo der Gott in der Menschennatur, in der menschlichen Wesenheit selber spricht. Dazu muß allerdings eines entwickelt werden, das für die moralische Erziehung und auch für die richtige Entwickelung der religiösen Stim­mung von Bedeutung ist, und was heute oftmals viel zuwenig berück­sichtigt wird: Man muß früh anfangen, im Kinde zu entwickeln ein ehrliches, aber auch ganz offenes Gefühl von Dankbarkeit. Gewiß, in dem naturgemäßen Verhältnis, in dem selbstverständlichen Verhältnis, das sein muß zwischen Unterrichtendem und Erziehendem und dem Kinde zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife, muß die Liebe heranwachsen, und auf diese Entfaltung der Liebe muß viel Sorgfalt verwandt werden.

en naar het goddelijk-geestelijke leidt, samengenomen door wat zich verheft vanuit de natuurbeschouwing, vanuit het bezien van de historische beleving van de mens, als een zich richten op het goddelijk-geestelijke. Zodat stap voor stap bij de juiste ontwikkeling van de religieuze stemming daadwerkelijk in het kind de morele impulsen beleefd worden als iets waarbij de god in de natuur van de mens, in het mensenwezen zelf, spreekt. Daarvoor moet echter één ding ontwikkeld worden dat voor de morele opvoeding en ook voor een goede ontwikkeling van de religieuze stemming belangrijk is en wat tegenwoordig veel te weinig gezien wordt: we moeten er vroeg mee beginnen in het kind een eerlijk, maar ook heel open gevoel te ontwikkelen voor dankbaarheid. En zeer zeker moet in de natuurlijke relatie, in de vanzelfsprekende relatie die er tussen de leerkracht, de opvoeder en het kind tussen de tandenwisseling en de puberteit moet bestaan, liefde groeien en aan de ontplooiing van de liefde moet veel toewijding worden besteed.

Aber die Dankbarkeit muß so entwickelt werden, daß das Kind das Empfangene spürt. Was es auch sei, das von dem anderen Empfangene fordert das Fühlen der Empfindung der Dankbarkeit heraus. In dem Aufleben der Dankbarkeit wird eine unge­heure Bereicherung der Seele entwickelt. Man sollte schon beim ganz kleinen Kinde darauf sehen, daß es in das Gefühl der Dankbarkeit hineinwächst. Sieht man beim kleinen Kinde schon darauf, dann modifi­ziert sich, metamorphosiert sich dieses Dankbarkeitsgefühl dann, wenn das Kind in die zweite Lebensepoche kommt, in Liebe. Die Liebe bekommt diese besondere Färbung in allen Lebensverhältnissen, daß sie durchsetzt ist von Dankbarkeit. Und wer ein wenig das soziale Leben der Menschen beobachten kann, der weiß, was für ein wichtiger Impuls gerade bei der Behandlung der großen sozialen Fragen das wäre, wenn wir die Menschen wiederum so erziehen könnten, daß Dankbarkeit in ihnen lebt. Denn diese Dankbarkeit ist eine Brücke, die sonst nicht geschlagen werden kann zwischen Menschengemüt und Menschenge­müt, zwischen Menschenherz und Menschenherz.
Wenn die Menschen verstehen würden, einander in Dankbarkeit 1gegenüberzustehen, dann würde vieles von dem nicht da sein, was heute

Maar de dankbaarheid moet zo ontwikkeld worden, dat het kind merkt wat het ontvangt. Wat het ook is, wat het van de ander ontvangt, het roept het gevoel op dat dankbaarheid ervaren wordt. Met het ontstaan van dankbaarheid wordt de ziel buitengewoon rijker. Bij het heel kleine kind moet je er al op letten dat het naar het voelen van dankbaarheid toegroeit. Als je daar bij een klein kind al op let, dan verandert, metamorfoseert zich dit gevoel van dankbaarheid, wanneer het kind de tweede levensfase binnengaat, in liefde. In elke levensrelatie krijgt de liefde deze bijzondere kleur omdat ze doortrokken is van dankbaarheid. En wie een beetje het sociale leven van de mens kan waarnemen, weet wat voor een belangrijke impuls m.n. voor de aanpak van de grote sociale problemen het zou geven, wanneer wij de mensen weer zo zouden kunnen opvoeden dat er in hem dankbaarheid leeft.
Want deze dankbaarheid is een brug die anders niet gebouwd kan worden tussen de gevoelens van de mensen, tussen de harten van de mensen.
Als de mensen zouden begrijpen, met dankbaarheid tegenover elkaar zouden staan, dan zou er veel van wat er tegenwoordig

Blz. 144

in einer grotesken Weise oftmals als sogenannte soziale Forderungen, sozialer Radikalismus und dergleichen auftritt, wobei ich mich nicht engagiere für diese oder jene Lösung des sozialen Problems. Was ich darüber zu sagen habe, können Sie in meinem Buche «Die Kernpunkte der sozialen Frage» nachlesen. Aber dann, wenn diese Dankbarkeit früh im Kinde als Keim gelegt wird, wenn sie sich hineinlebt in jene Liebe beim Kinde zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife, wenn sie dem Kinde anerzogen wird auch seelisch, so daß mit der Geschlechtsreife auch die Seele sich entfaltet in rechter Liebe zu den Menschen, zu der ganzen Natur, zu den göttlich-geistigen Wesenhaftigkeiten, wenn da überall die Dankbarkeit mitgeht, dann entfaltet sich hieraus in dem Menschen die religiöse Stimmung so, daß er etwas in sich haben kann, das ein ungeheurer Schutz der Seele sein kann: die Dankbarkeit gegen­über den göttlich-geistigen Mächten für das Leben überhaupt. Es ist wichtig für die innere Erwärmung des Lebens, für die innere Gestützt­heit des Lebens, daß wir dieses Gefühl haben können: Wir sind dankbar für dieses Erdenleben den göttlich-geistigen Mächten. Das ist eine starke Lebenskraft, dieses Gefühl der Dankbarkeit für das Leben. Ich möchte sagen: was intensiviert im Blute die organischen Kräfte für den Leib, das liegt in ähnlicher Weise in dem, was geistig vitalisiert die Seele, wenn diese Seele dem ganzen Weltenall gegenüber in bezug auf das eigene Leben dankbare Liebe entwickeln kann.

op een groteske manier dikwijls als zogenaamde sociale eisen, sociaal radicalisme e.d. zich voordoet, waarbij ik mij niet geroepen voel tot deze of gene oplossing van het sociale probleem. Wat ik daarover heb te zeggen, kan u nalezen in mijn boekDe kernpunten van het sociale vraagstuk‘.
Maar dan, als deze dankbaarheid vroeg in het kind als kiem aangelegd wordt, wanneer die een deel wordt van die liefde bij het kind tussen de tandenwisseling en de puberteit, wanneer het kind daarmee opgevoed wordt, ook met zijn gevoel, zodat met de puberteit ook de ziel opengaat voor de echte liefde voor de mens, voor de hele natuur, voor de goddelijk-geestelijke wezens, wanneer er overal dankbaarheid bij is, dan ontwikkelt zich hieruit in de mens de religieuze stemming zo, dat hij iets met zich mee kan dragen dat een buitengewoon beschermend gevoel geven kan: dankbaarheid voor de goddelijk-geestelijke machten, voor het leven in het algemeen. Om het leven innerlijk warmte te geven, om in het leven innerlijke steun te ervaren, is het belangrijk dat we dit gevoel hebben: wij zijn de goddelijk-geestelijke machten dankbaar voor dit aardeleven. Dit gevoel van dankbaarheid is een sterke kracht voor het leven. ik zou willen zeggen: wat in het bloed de organische krachten voor het lichaam intensiveert, ligt op een gelijksoortige manier in wat geestelijk de ziel vitaliseert, wanneer deze voor het hele universum in relatie tot zijn eigen leven dankbare liefde kan ontwikkelen.

In solcher Art kann man versuchen, durch die hier gemeinte Erzie­hungs- und Unterrichtskunst dasjenige in der Umgebung des Menschen zu tun, was diesen Menschen nicht einseitig körperlich und daneben einseitig seelisch erzieht, sondern dasjenige in der Umgebung des Men­schen zu tun, was ineinanderströmen läßt in richtiger Art den im Körper lebenden Geist, und den, den schaffenden Geist tragenden Körper. Da unterrichtet man zu gleicher Zeit geistig und physisch. Das ist das einzig richtige; denn im Menschen ist auch die Einheit von Geistigem und Physischem da. Nur muß eben eine solche Erziehung nicht eine einsei­tige theoretisch-wissenschaftliche Erziehung sein, sondern sie muß sein eine wirkliche Kunst. Eine Kunst, die im Lehrenden und Unterrichten­den lebt, muß die Erziehung, muß aller Unterricht sein. Dann aber darf man schon den Glauben haben, daß die Natur selber mit den in ihr

Op zo’n manier kan je proberen, door de hier bedoelde opvoedings- en onderwijskunst datgene in de omgeving van de mens te doen, wat deze mens niet eenzijdig lichamelijk en daarnaast eenzijdig psychisch opvoedt, maar dát in de omgeving van de mens te doen wat op de juiste manier samen laat stromen de geest die in het lichaam leeft en het lichaam dat deze scheppende geest draagt. Dan geef je tegelijkertijd geestelijk en lichamelijk les. Alleen dat is het juiste; want ook in de mens zit de eenheid van het geestelijke en het lichamelijke. Nu moet natuurlijk zo’n opvoeding niet eenzijdig, theoretisch-wetenschappelijk zijn, maar die moet een echte kunst zijn. Een kunst die in de leerkracht leeft, dat moet opvoeding, dat moet het hele onderwijs zijn. Dan mag je er echter ook in geloven dat de natuur zelf met

Blz. 145

schaffenden göttlich-geistigen Mächten die große Künstierin ist. Und wer nicht überführen kann die abstrakten Naturgesetze in das künstleri­sche Gestalten, der begreift im Grunde genommen nicht, was in der Natur webt und lebt.
Aber worauf läuft denn diese ganze Anschauung über Erziehung und Unterricht als auf ihren Grundnerv hinaus? – Ja, man spricht heute viel davon, das Kind solle so oder so erzogen werden. Man macht Vorschrif­ten über einen mehr oder weniger intellektuellen Unterricht und Erzie­hung, über einen mehr oder weniger willensmäßigen Unterricht und Erziehung. Es ist alles sehr schön. Man spricht viel vom Kinde, das soll man auch. Auf das Kind soll alles Augenmerk der Erziehung gerichtet sein. Aber das kann eben nur dann der Fall sein, wenn der einzelne Lehrer und Unterrichter und Erzieher wirklich tief hineinschauen kann mit einem, das Ganze des Menschen erblickenden künstlerischen Auge auf das Kind. Daher muß alle wirkliche Erziehungsfrage hingelenkt werden auf eine Lehrerfrage, eine Erzieherfrage. Und dazu ist gerade die Waldorfschul-Pädagogik geworden, und alles das, was wir treiben in den Konferenzen, in den Verhandlungen der Lehrer untereinander. Denn schließlich ist ja das Lehrerkollegium die Seele einer solchen Erziehungs­kunst, aber es ist nur dann die Seele, wenn zusammenwirken die einzelnen Individualitäten.

de in haar scheppende goddelijk-geestelijke machten die grote kunstenares is. En wie de abstracte natuurwetten niet overleiden kan naar kunstzinnige vormen, begrijpt in de aard van de zaak niet, wat er in de natuur levend en scheppend bezig is
Maar waar kom je dan met deze hele beschouwing over opvoeding en onderwijs uit, bij welke kern? Tegenwoordig heeft men het er veel over dat het kind zus of zo opgevoed moet worden. Er worden voorschriften opgesteld over een meer of minder intellectueel onderwijs, meer of minder intellectuele opvoeding, over een meer of mindere opvoeding, meer of minder onderwijs van de wil. Dat is allemaal heel mooi. Men heeft het veel over het kind, en dat moet ook. Alle aandacht van de opvoeding moet op het kind gericht zijn. Maar dat kan alleen in het geval dat de individuele leerkracht en opvoeder werkelijk intensief met een kunstzinnig oog dat de hele mens ziet, het kind kan waarnemen. Vandaar dat elke echte opvoedingsvraag gericht moet worden op de vraag naar de leraar, de opvoeder. En daarvoor is er nu juist de vrijeschool gekomen en alles wat we doen in de lerarenvergaderingen, in het overleg van de leraren onderling. Want uiteindelijk is het lerarencollege de ziel van zo’n opvoedkunst, maar alleen dan wanneer de individuele mensen met elkaar samenwerken.

Aber lassen Sie sich das zum Schlusse sagen: Wenn man in eine Schule hineingeht, die im Sinne dieser Erziehungskunst geführt wird, wenn man betrachtet die ganze Gesinnung des Lehrerkollegiums, von der doch ausstrahlt alles dasjenige, was in jeder Klasse, mit jedem einzelnen Kinde geschieht, dann muß es so sein, als ob über der Türe, wo sich die Lehrer für ihre intimsten Beratungen versammeln, ständen die immerdar mah­nenden Worte: «Alle Erziehungskunst soll sein für Euch die Erstehung der Forderung Eurer eigenen Selbsterziehung. Eure Selbsterziehung, Ihr Lehrer, ist der Keim alles desjenigen, was Ihr als Erzieher der Kinder wirken könnt. Ja, Ihr werdet nichts anderes wirken für die Kinder, als was aus Eurer Selbsterziehung hervorgeht.» – Das muß aber nicht nur stehen wie ein Mahnwort von außen, sondern das muß tief eingeschrie­ben sein in das Herz, in die Seele, in das Gemüt jedes einzelnen Lehrenden und Erziehenden. Denn das, was in Wirklichkeit den Menschen

Maar mag ik dit dan tot slot tot u zeggen: wanneer je een school binnengaat die in de geest van deze opvoedkunst geleid wordt, wanneer je naar de hele stemming van het lerarencollege kijkt, waarvan toch alles uitstraalt wat er in iedere klas, met ieder apart kind gebeurt, dan moet het zo zijn alsof er boven de deur waarachter de leraren samenkomen voor hun meest vertrouwelijk overleg, de woorden staan die voortdurend een aansporing zijn: ‘de hele opvoedkunst moet voor jullie het opkomen van de vraag zijn naar jullie eigen zelfopvoeding. Jullie zelfopvoeding, leraren, is de kiem van alles wat je als opvoeder voor de kinderen werkzaam kan laten zijn. Je zou niets anders voor de kinderen moeten laten werken dan wat uit jullie zelfopvoeding ontstaat.’
Maar dat moet er niet alleen staan als een aansporing  van buitenaf, maar dat moet diep ingeschreven staan in het hart, in de ziel, in het gevoel van iedere indiviuele leerkracht en opvoeder. Want wat daadwerkelijk de mens

Blz. 146

so erzieht, daß er ein tüchtiges Mitglied der Weltenordnung sein kann, ist, daß er nützlich ist seinen Mitmenschen. Was in dieser Art für die Erziehung geleistet werden kann und geleistet werden muß, ganz besonders in unserer Zeit, wo das Leben so kompliziert geworden ist, wo das Leben anstelle der abbauenden Kräfte aufbauende Kräfte braucht, was da wirksam sein muß, das ist die Erkenntnis, daß die wahre, die wirkliche menschliche Erziehung, die Erziehung zur Liebe, diejenige ist, die zwar durch die hingebungsvolle Anstrengung des Kopfes als Mittel gefördert wird, die aber in ihrem Wesen hervorgeht aus Seele, Gemüt und Herz des Lehrers.

zo opvoedt dat hij een krachtig lid van de wereldorde kan zijn, is dat hij van betekenis is voor zijn medemens. Wat op deze manier voor de opvoeding bereikt kan worden en bereikt moet worden, in het bijzonder wel in onze tijd waarin het leven zo ingewikkeld is geworden, waar het leven in plaats van de afbrekende krachten opbouwende nodig heeft, wat daar werkzaam moet zijn, is het besef dat de echte, werkelijke menselijke opvoeding, de opvoeding tot liefde, datgene is dat weliswaar door de toegewijde inspanning van het hoofd als middel ontwikkeld wordt, dat echter in wezen uit de ziel, gemoed en hart van de leraar komt.

.

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2855-2677

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Scheikunde – alle artikelen

.
Scheikunde
D.G.Ruaris over: wat is scheikunde; alchemie; relatie stofwereld-mens; op school: kwaliteiten beleven; de verschijnselen: samenhangen; mens en plant; 

7e klas scheikunde: alle artikelen

8e klas scheikunde

10e klas scheikunde: practicum zeepbereiding

11e klas scheikunde

.

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2854-2676

.

.

.

VRIJESCHOOL – 11e klas – scheikunde

.

Ik denk dat dit artikel meer dan veertig jaar geleden geschreven is. De inhoud echter, is onveranderd nu ook nog actueel. 
Het stamt in ieder geval uit een tijd dat alle 11-klasleerlingen in het hoofdonderwijs deze periode kregen. 
De hoofdzaak was een fenomenologische benadering van de verschijnselen om vandaaruit als jong mens je plaats in de wereld van de verschijnselen te leren begrijpen. M.a.w.: de rode draad door het vrijeschoolonderwijs: leerstof is ontwikkelingsstof.  

.
E. de Groot-Klomp, vrijeschool Den Haag, nadere gegevens ontbreken.

.

SCHEIKUNDE IN DE ELFDE KLAS
.

Wij gaan kijken naar die elementen die de mens in grotere hoeveelheden gebruikt om zijn lichaam op te bouwen en proberen het wezen van deze stoffen te begrijpen uit hun verschijningsvorm in de wereld en hun gedrag bij chemische proeven. Hieruit leiden wij dan ook hun toepassingen af en hun betekenis voor de mens. Ik noem maar enkele punten:

Enkele weken kunnen wij zonder voedsel, een paar dagen zonder water, maar slechts enkele minuten zonder zuurstof. Zuurstof is het element dat direct met ons leven verbonden is. Bijna alle levende wezens hebben zuurstof nodig en ademen koolzuurgas uit. Ook bij alle verbrandingsprocessen gebruiken wij zuurstof en produceren wij koolzuurgas. Gelukkig is er een proces dat maakt dat wij steeds nieuwe zuurstof krijgen en niet omkomen in het koolzuurgas: Als de zon zijn warme licht naar de plant toestraalt, vormen de groene delen van de plant uit het koolzuurgas in de lucht en het water dat hij met zijn wortels opneemt, voor de mens verse zuurstof. Wij geven de plant koolzuurgas, de plant geeft ons zuurstof. Welke elementen spelen hierbij nu een rol? Wat zijn zuurstof, waterstof, koolstof en magnesium.

Wij pakken een stuk diepzwarte houtskool. Met water, met zuren, met basen, met lucht doet dit niets. Een inactieve stof. De gordijnen gaan dicht en wij maken een houtskoolhoopje op de tafel, we blazen extra zuurstof aan en steken de kooltjes aan. Dat is een prachtig gezicht! Eerst begint het kooltje rood te gloeien, dan geel, dan fel wit. Dat felle licht is verblindend, doet ons denken aan de zonnekrachten, die het hout gevormd hebben. Plotseling schieten roodgele vonken naar alle kanten. Een fijne proef! Grijze as blijft over en in de lucht is volop koolzuurgas ontstaan (dit tonen wij even aan met kalkwater).

De zuurstof heeft de inactieve koolstof wakker gemaakt; met koolzuurgas kun je van alles gaan doen. Zuurstof hoort bij het leven, activeert andere elementen, maakt in het algemeen een andere stof beter oplosbaar en minder giftig.

Nu kijken wij waar zuurstof voorkomt: vrij in de lucht en in verbinding met andere elementen in het water, in alle levende wezens en in de aardkorst. We begrijpen makkelijk dat we technisch zuurstof kunnen krijgen uit de lucht en uit het water.

Hoe zou een mens zijn die zich helemaal gedraagt als zuurstof? Een ideale leraar die steeds probeert in de ander zijn ware wezen tot ontplooiing te brengen.

En de koolstof, was dat misschien de steen der wijzen? Als koolzuurgas is het de bron van alle leven en geeft de plant zijn vorm en stevigheid. Maar de zwarte kool was ook altijd het symbool van de dood (Weet u wel, die zeeroversvlag?).

Wij vergelijken grafiet (chemisch = koolstof = C) en diamant (chemisch = koolstof = C). Dat is toch een wonder! Eén element als grafiet; een zeer zachte vormverliezer, pikzwart, alle licht absorberend, de elektriciteit geleidend; en als diamant: keihard, zijn vorm behoudend, licht doorlatend of in kleurenspel terugkaatsend, de elektriciteit niet geleidend.

Nu kijken wij naar het waterstofgas. Eerst blazen we uit de cilinder grote bellen in een teil met zeepsop. Direct stijgen ze op naar het plafond. Even een kaars op een stok bij de bellen in de teil. Een enorme knal en vlam!

Dan nemen we kleine ballonnetjes en blazen ze op met waterstofgas, weer de kaars erbij, steeds weer die afschuwelijke knallen! Alleen de jongens vinden dit echt leuk. Maar nu gaan we naar buiten en laten een tros ballonnen los, langzaam stijgen ze steeds hoger met de wind mee, over de duinen naar zee. Ja, dit is wel de meest wezenlijke eigenschap van waterstof, het is het “gassigste” gas wat bestaat. Vrij algemeen is een stof in verbinding met waterstof vluchtiger dan hij als element was. Ook na het sterven verlaten veel vluchtige waterstofverbindingen het aardse lichaam en stijgen mee omhoog.

Wat zou ons lichaam zijn zonder zuurstof en waterstof?

Een stuk vormeloze kool of op zijn best een keiharde diamant. Hoe zou een mens zijn helemaal als waterstof? Misschien een idealist in een materialistische wereld of soms ook een “zweverd” die niet met zijn voeten op aarde wil staan?

Nu nog het magnesium: wij nemen een stukje magnesiumlint met de tang, steken het aan en kijken met onze ogen bijna dicht door onze oogharen naar het felle witte licht van de brandende magnesium. Een verblindende kunstzon!

Zonder hulp van dit zonne-element straalt onze echte zon vergeefs want magnesium zit in de groene blad kleurstof (= chlorofyl) van de plant. Als dit er niet is kan de koolzuurassimilatie niet plaatsvinden en krijgen wij geen zuurstof. Als een wonder grijpt dit alles in elkaar.

Wie vervoert in ons lichaam de zuurstof? De rode bloedkleurstof (= hemoglobine).

Als wij nu de ingewikkelde formule van chlorofyl in structuur schrijven beslaat hij een hele bladzijde en in het midden staat het magnesium. Bijna helemaal dezelfde formule heeft hemoglobine, alleen staat hier in het midden het ijzer.

Zo proberen wij van 12 elementen te begrijpen wat hun betekenis is voor mens en wereld.

.

Scheikunde: alle artikelen

11e klas: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

.

2853-2676

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (12-2-5)

.

Hanneke Steutel en H. de Brey, keel-, neus- en oorarts, Weledaberichten nr 174, najaar 1997

.

De wonderbaarlijke luchtwegen van een kind
.

Zit je in de wachtkamer bij een keel-, neus- en oorarts (KNO-arts), dan zie je dat zeker de helft van de patiënten uit kinderen bestaat. Meestal zijn dit kinderen van nul tot zeven jaar, die zijn doorgestuurd omdat ze bijvoorbeeld last hebben van hun keel of problemen hebben met hun oortjes. Vooral dat laatste lijkt meer en meer voor te komen. In vergelijking tot tien jaar geleden [art. is uit 1997] wordt namelijk bij steeds meer kinderen een buisje in de oren geplaatst, waardoor ze weer beter kunnen horen.
Waarmee kan deze ontwikkeling te maken hebben? En wat voor processen vinden er in het kind plaats als hij last heeft van ernstige neus- of keelverkoudheid of van verstopte oren?

Een eigen lichaam vormen

Wanneer je als trotse ouder de ontwikkeling van je kind op de voet volgt, zul je af en toe grote bewondering voelen voor zijn prestaties: kruipen, lopen, praten, enzovoort. Maar behalve deze prestaties die het levert, gebeurt er met je kind in de eerste zeven jaar van zijn leven ook nog iets anders wat belangrijk is: hij vormt zijn lijfje om.

Als je naar het hoofd van een jong kind kijkt, zie je dat de schedel betrekkelijk groot is en het aangezicht nog vrij klein. Eerst heeft een kind een klein (wip-) neusje, maar langzamerhand groeit dat uit en krijgt het meer vorm. Precies hetzelfde gebeurt eigenlijk achter de neus, want zodra het aangezicht uitgroeit, groeien de bijholten mee.

Een fikse verkoudheid

Bij het ene kind verloopt deze omvorming gemakkelijker dan bij het andere. Heeft het kind bijvoorbeeld een erfelijke aanleg voor luchtweginfecties, dan zal het daar op den duur last van krijgen. Maar ook kinderen zonder deze aanleg ontkomen niet aan een fikse verkoudheid af en toe. Op zich kan zo’n verkoudheid heel nuttig zijn, omdat je kind daaraan weerstand kan ontwikkelen.

Pas wanneer het te vaak voorkomt of het kind er zichtbaar onder lijdt, wordt het tijd om de huisarts te raadplegen. Waarschijnlijk schrijft de huisarts in eerste instantie neusdruppeltjes of neusspray voor. En wanneer het van toepassing is, zal hij de ouders adviseren om het kind warmer te kleden, hem een tijdje niet te laten zwemmen, of in plaats van zoete, zure melkproducten te geven. Ook kan hij de ouders aanraden om (tijdelijk) te stoppen met roken; in ieder geval in de nabijheid van het kind. Blijken deze maatregelen niet te helpen en blijft het neusje verstopt zitten, dan verwijst de huisarts het kind naar de KNO-arts.

Nare gevolgen

Luchtweginfecties lijken op het eerste gezicht vrij gewoon en ongevaarlijk, maar verwaarloos je ze, dan kunnen ze nogal wat gevolgen hebben. Wanneer bijvoorbeeld in het oor de zogenoemde buis van Eustachius verstopt is, zuigt zich een vacuüm in het middenoor en trekt het trommelvlies naar binnen. In het slechtste geval kunnen hierdoor de gehoorbeentjes ernstig beschadigd raken: het kind kan alleen nog zeer slecht horen. Om deze aandoening weer te herstellen is dan een operatie nodig.

Het kan ook gebeuren dat een kind zo verkouden is, dat het nog uitsluitend door de mond ademt en zijn mond steeds open laat hangen. Hierdoor ontstaat op den duur het gevaar dat hij een zogenoemde overbeet krijgt, dat wil zeggen dat zijn kaken niet meer goed sluiten. Deze overbeet moet dan weer met een beugel worden gereguleerd.

Behalve duidelijke lichamelijke stoornissen, kun je tenslotte bij dit soort ‘waterige’ kinderen ook een aantal andere, meer algemene verschijnselen  waarnemen: ze zijn vaak nerveus en lastig in de omgang en zitten geen moment stil. Vooral dit laatste kan door bepaalde evenwichtsstoornissen worden veroorzaakt, die kunnen optreden als er vocht in de oren zit.

Neusamandelen

Kinderen, en vooral jonge kinderen, steken elkaar gemakkelijk aan met hun verkoudheid. Dat heeft niet zozeer met hun constitutie te maken, als wel met een soort natuurwet die zegt dat ieder jong mens er baat bij heeft een aantal infecties door te maken. Daardoor kan hij zijn afweerstoffen opbouwen. Met name na een virusinfectie ontwikkelen zich namelijk in het bloed bepaalde eiwitten die de weerstand van het kind verhogen en hem sterker maken.

Komt een kind met een luchtweginfectie bij de KNO-arts, dan zal deze daarom niet zo snel overgaan tot een rigoureuze maatregel als het wegnemen van de neusamandel. Want juist in die neusamandel worden eiwitten opgebouwd die afweerstoffen bevatten. Bovendien verdwijnt de neusamandel op den duur vanzelf; na het twaalfde jaar heeft bijna geen enkel kind er meer een. Wanneer een kind echter toch alsmaar blijft snotteren omdat zijn neus wordt afgesloten door een gezwollen neusamandel, moet er natuurlijk wel krachtiger worden ingegrepen.

Keelamandelen

Ongeveer hetzelfde geldt voor de keelamandelen. Bijna elk jong kind heeft grote keelamandelen (groot betekent hier dus niet dat er iets mis is!). Ook deze keelamandelen worden in de loop der jaren steeds kleiner. Op hun twintigste jaar hebben de meeste mensen kleine, gladde keelamandelen; die hebben dan genoeg weerstand opgebouwd en kunnen dus ‘verdwijnen’. Uiteraard gaat het ook bij keelklachten om de ernst van de klacht. Als een kind bijvoorbeeld vaak last heeft van ontstoken keelamandelen, als hij niet meer groeit, slecht eet en lusteloos is, kan het raadzaam zijn de keelamandelen er toch uit te halen. In zo’n geval werken de keelamandelen namelijk als een rem; ze houden de krachten tegen die het kind nodig heeft om zich goed te kunnen ontwikkelen.

Gezonde reactie

Vergeleken bij twintig jaar geleden [art. is uit 1997] worden er tegenwoordig bij kinderen veel minder neus- en keelamandelen weggehaald. Misschien werd deze ingreep destijds vaak onnodig toegepast, maar het kan ook zijn dat de specialisten inmiddels meer zicht hebben gekregen op hoe het ziektebeeld verloopt, waarbij ze er meer van uitgaan dat de klachten dikwijls ook min of meer vanzelf kunnen overgaan.

Bij oorproblemen zijn op dit moment de trommelvliesbuisjes erg populair: heeft een kind een zogenoemd slijmoortje, dan wordt er een buisje in zijn oor gezet. Het buisje is een dankbaar middel, want een kind kan direct weer goed horen. Anderzijds is ook hierbij gebleken dat de klachten spontaan kunnen verdwijnen.

Men zegt weleens dat een kind dat last heeft van zijn oren, niet meer wil horen en dat het zich op zo’n manier voor zijn omgeving probeert af te schermen. Je kunt je dan ook afvragen of dit verschijnsel niet kenmerkend is voor onze tijd, waarin aan de ene kant ontzettend veel belang wordt gehecht aan een goed gehoor, terwijl aan de andere kant onze zintuigen overbelast dreigen te raken door een overvloed aan indrukken. Een oorprobleem bij een kind kan in dat geval als een heel gezonde reactie worden gezien, al gaat er ook een heleboel aan hem voorbij. Maar ook hier geldt dat je vooral goed naar het kind moet blijven kijken om te kunnen bepalen waar het om een positieve bijdrage aan zijn ontwikkeling gaat, en waar de hulp moet worden ingeroepen van een arts. Vaak zonder woorden vertelt het kind zijn verhaal.

.

Opvoedingsvragen: [12] verkouden

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2852-2675

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (12-2-4)

.

Ineke van der Duijn Schouten en George Maissan, huisarts, Weledaberichten nr. 171 winter 1996

.

Kouwelijkheid

.
Nu de buitentemperatuur daalt en we weer afhankelijk worden van de temperatuur binnenshuis, worden ook onze individuele behoeftes meer zichtbaar. ‘Kan de verwarming een beetje hoger? Het is hier koud!’, zegt de een. ‘Wat?’ roept de ander. ‘Stel je niet aan, het is hier juist warm. Kijk maar, hij staat op twintig graden.’
Aan die objectieve maatstaf zal een notoire koulijder meestal weinig hebben. Zijn handen en voeten vormen zijn graadmeter. Die zeggen hem dat hij het koud heeft, hoe lastig hij dat zelf ook vindt.

Hoe komt het eigenlijk dat sommige mensen zo kouwelijk zijn, terwijl andere nergens last van schijnen te hebben?

Bescherming

Bij kouwelijkheid kun je naar verschillende aspecten kijken. Kou heeft alles te maken met de mate waarin je je beschermt tegen een lage temperatuur.
Dat klinkt logisch, maar als je kijkt hoe weinig het gemiddelde modebeeld inspeelt op winterse kou, ziet het er anders uit.
‘Ben ik eigenlijk warm genoeg gekleed?’ is dus de eerste vraag die je kunt stellen. Niet alleen de hoeveelheid kleding, ook de kwaliteit ervan speelt een grote rol. Synthetisch materiaal bijvoorbeeld neemt de lichaamswarmte niet op, terwijl wol de warmte juist vasthoudt.

Warmteritmes

Van een heel andere orde is de manier waarop ons lichaam buiten ons toedoen en onafhankelijk van buitentemperatuur en klimaat omgaat met warmte. In ons lichaam werkt een innerlijke klok die heel secuur en ritmisch het opwarmen en afkoelen regelt. Vanaf ongeveer drie uur ’s nachts begint het binnenste van het lichaam warmer te worden, terwijl de buitenkant, de huid, steeds koeler wordt. Vanaf drie uur ’s middags vindt er het omgekeerde plaats: dan wordt het centrum van het lichaam koeler, terwijl de huid juist warmer wordt en warmte afgeeft aan de omgeving. Als je kouwelijk bent heb je het ’s morgens vaak het moeilijkst omdat dan de opwarmfase nog niet is voltooid. Ben je net uit bed dan heb je daar nog niet zo’n last van omdat de ‘nestwarmte’ je nog omhult.

Al gauw echter kan er een onbestemd, onbehaaglijk gevoel ontstaan dat je in eerste instantie niet waarneemt als kou. Je voelt je niet lekker in je vel zonder precies te kunnen zeggen wat eraan schort. Zou je op dat moment warme handen hebben (wat waarschijnlijk niet het geval is) dan zou je kunnen voelen dat er allerlei plekken zijn waar het akelig koud is. De beschikbare warmte gaat om te beginnen naar het centrum, het stofwisselingsgebied, en er blijft dan maar weinig warmte over voor de overige regionen, met name voor de uiteinden.

Levenszin en warmtezin

Veel mensen hebben chronisch last van kou zonder dat ze dat in de gaten hebben. Ze zouden zichzelf niet als kouwelijk beschrijven. Wel hebben ze soms te maken met steeds terugkerende oor- of blaasontstekingen of verkoudheden, maar de link met kou wordt niet gelegd. Vaak is het de huisarts of de fysiotherapeut die constateert dat onderrug, buik of voeten wel erg aan de koude kant zijn. Pas als er van alles aan wordt gedaan om de warmtehuishouding op gang te brengen, wordt enig verschil merkbaar. Het begint met een heel subtiel gevoel van behaaglijkheid, van je een beetje thuisvoelen in je eigen lichaam. Het is net alsof je er een nieuw zintuig bij hebt gekregen waarmee je heel voorzichtig verkent hoe het met je gesteld is. Dit zintuig, dat net als het gehoors- en gezichtszintuig een echt zintuig is, wordt ook wel de ‘levenszin’ genoemd. Met dat zintuig neem je ook waar of je trek hebt, moe bent, dorst hebt, of je je op je gemak voelt of juist niet. Bij de een is de levenszin heel goed ontwikkeld, bij een ander is het nog onontgonnen terrein. De opvoeding speelt daar vaak een belangrijke rol in. Als je eigen waarnemingen of iets prettig of niet prettig voelt, al vroeg door anderen werden ontkend, zul je later waarschijnlijk eerder de neiging hebben om niet naar je lichamelijke signalen te luisteren.

Met de levenszin neem je dus waar of je je goed voelt, maar niet de fysieke warmte op zich. Daarvoor heb je een ander zintuig nodig: de warmtezin. Het woord warmtezin klinkt wat geheimzinnig, maar het ligt minder ver van ons af.

Maatregelen tegen kou

Wat kun je doen tegen kouwelijkheid? Afgezien van warme kleding (vooral onderkleding als tweede huid is belangrijk) is lichaamsbeweging (gymnastiek, hardlopen, fietsen) een uitstekende remedie tegen kou. Daarnaast kunnen wissel-voetbaden, lichaamsverzorgingsproducten, verschillende medicamenten (zie hiervoor de huisapotheek)* en eventueel een warme kruik op de koude plekken de warmtehuishouding op gang brengen. Ook met voeding valt het een en ander te doen. Elke dag een beetje rauwkost eten stimuleert de spijsvertering. Niet te veel, want van veel rauwkost krijg je het juist koud omdat er dan te veel warmte naar het stofwisselingsgebied moet om dit te verteren. Daarnaast kun je kruiden gebruiken die warmte opwekken zoals anijs, kummel, venkel en tijm.

Bij het overwinnen van kou gaat het vooral om het activeren van de levenszin en de warmtezin of anders gezegd: naar jezelf leren luisteren en je eigen waarnemingen serieus nemen. Wie zichzelf kent als een koukleum mag zich dus een beetje gelukkig prijzen, want hij heeft het zintuig dat menigeen moet herontdekken al ontwikkeld.

*

Middelen om warm van te worden

Altijd last hebben van kou is vervelend, maar er is iets aan te doen. Door middel van (wissel)baden en inwrijvingen help je de warmtehuishouding op gang te komen.

Inwrijvingen

Wrijf je lichaam elke morgen in met Arnica Massageolie, met name buik en bovenbenen. Van lieverlee voel je je omgeven door een warmte-mantel die beschermend werkt tegen de kou. Met masserende bewegingen wordt de bloedsomloop nog beter geactiveerd. Masseer altijd in de richting van het hart om de veneuze bloedsomloop te stimuleren.

Wrijf de voetzolen daarnaast ’s morgens in met Weleda koperzalf (Cuprum metallicum praeparatum 0,4% Unguentum). Koper heeft de eigenschap de warmte te geleiden. In plaats van koperzalf kan ook Weleda koperolie worden genomen (Cuprum metallicum praeparatum 0,4% Oleum). Doe dit een maand lang, pauzeer twee weken en zet de inwrijvingen weer een maand voort. Wrijf ’s avonds de koude plekken dun in met Venadoron Gel. Deze vetvrije gel bevat ook koper. Venadoron werkt behalve verwarmend ook bindweefsel versterkend.

Wisselbaden

Zeer stimulerend op de bloedsomloop werken wissel-voetbaden. Hiervoor zijn twee bakken of emmers nodig en een badthermometer. Vul de ene bak met warm water van 38 graden, de andere met koud water. Voeg aan het warme water al naar gelang het tijdstip van de dag een halve dop Rozemarijn Bad of Lavendel Bad toe. Rozemarijn werkt verfrissend en opwekkend en is geschikt voor de ochtend, ’s Avonds is Lavendel Bad aan te bevelen omdat dit ontspant en de slaap bevordert. Doe je voeten vijf minuten in het warme water en tien tellen in de koude bak. Vervolgens weer vijf minuten warm, nu verhoogd tot 40 graden, en tien tellen koud. Herhaal dit nog een keer en eindig met koud. Doe wollen sokken aan en loop even rond, zodat de doorstroming goed op gang komt.

Baden

Neem twee keer per week een bad met Kastanje Bad. Dat brengt het bloed en de lymfestroom in beweging en versterkt het bindweefsel. Gebruikt twee dopjes per bad die worden toegevoegd terwijl het bad volloopt.

Zie artikel Vat op kou   (ook waarom hier Weledaproducten staan)
.

Menskunde- en pedagogie:  [11] warmte

Antroposofisch leven: warmte

Opvoedingsvragen: [12] verkouden

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2851-2674

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (75)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

.

het monster van de vuursteenmijn

In een verhaal uit de tijd dat de mensen nog geen metalen kenden, maar wel vuursteen konden gebruiken voor hun werktuigen en wapens. Goede vuurstenen moesten gedolven worden, soms wel tien meter onder de grond.
In Zuid-Limburg ws ook zo’n mijn, waar Fins vader dagelijks afdaalde in de mergelgroeve. Het was eervol werk, want het betekende welvaart voor de nederzetting. Als Fins vader er te oud voor wordt, volgt Finn hem op: een hele eer. Vele kameraden zijn jaloerts op hem, maar Finn zou wel willen ruilen, want in de nauwe schachten krijgt hij te maken met het monster…
Spanning te over, zeker ook wanneer er een grote bosbrand woedt.

Tonny Vos-Dahmen

Uitgeverij Wolters-Noordhoff 
in de reeks ‘de vroege lijsters’

Boek

Leeftijd v.a. 11jr

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs.

.

2850-2673

.

.

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – voedingsleer (6-5)

.
Evenals andere artikelen in de reeks ‘7e klas voedingsleer’ gaat dit niet direct over de periode. Er zal soms over ‘warmte’ gesproken (moeten) worden. 
Daarom zijn de artikelen daarover hier bij elkaar gehouden, al zouden ze ook elders geplaatst kunnen worden.

.

Weledaberichten nr.171 winter 1996

.

Warmteprocessen

.

Het gebruik van warmte bij de bereiding van geneesmiddelen

Ziekteprocessen kunnen worden beschouwd als eenzijdigheden die verwant zijn met bepaalde natuurprocessen. Als de relatie tussen een bepaald proces in de natuur en het ziekteproces herkend wordt, dan wordt deze ‘natuurkwaliteit’ omgevormd zodat ze voor de mens bruikbaar wordt als geneesmiddel. Uniek voor Weleda is dat deze omvorming gebeurt door middel van acht zogenaamde warmteprocessen. Door gebruik te maken van de verschillende warmteprocessen, kunnen verschillende kwaliteiten van planten zodanig omgezet worden, dat ze hun werking hebben op specifieke lichaamsdelen.

Macereren

Door macereren ontstaan de zogenaamde koude aftreksels. Deze kunnen door verschillende vormen van maceratie (letterlijk: inweken) ontstaan. Bijvoorbeeld door verse planten(delen) in een aardewerken vat te overgieten met een mengsel van water en alcohol. Dit blijft dan 10 tot 14 dagen bij een temperatuur van 17°-20°C staan, en er wordt af en toe in geroerd. Dit proces berust op het principe van de osmose tussen de plantenbrij en het water-alcoholmengsel. Hierdoor ontstaat een tinctuur.

Koude aftreksels zijn wat hun werking betreft te vergelijken met rauwkost. Zij vergen de inzet van het totale lichaam: het hele organisme moet meewerken om de stof te verwerken. Daarom werken ze op het hele lichaam, tot in de periferie van het zenuwstelsel toe (bijvoorbeeld in het middenoor).

Digereren

Digereren is eigenlijk ‘verteren’: de plantenbrij wordt net zo lang op een temperatuur van 37°-40°C gehouden tot de hele massa vloeibaar is geworden (verteerd is). Dit kan soms negen maanden duren.

Het geneesmiddel wordt op deze manier ‘voorverteerd’ en door dit te doen op lichaamstemperatuur, vindt het middel een makkelijke aansluiting bij de zogenaamde ritmische processen (bloedcirculatie, ademhaling). Veel geneeskrachtige planten voor het hart worden aan dit proces onderworpen.

Infunderen

Het Latijnse werkwoord ‘infundere’ betekent overgieten of opgieten. De eenvoudigste vorm daarvan is thee zetten. Deze bewerking wordt voornamelijk toegepast bij zachtere planten delen zoals bladeren, bloemen, loof en toppen. De fijn gemaakte kruiden worden met alcohol vermengd en blijven dan 15 minuten staan. Hierna wordt het mengsel met kokend water overgoten en 5 minuten aan de kook gehouden. Het mengsel blijft na afkoeling 24 uur lang afgesloten staan en wordt daarna uitgeperst en gefilterd. Omdat het mengsel bereid wordt in een afgesloten vat, blijven de etherische oliën behouden.

Deze aftreksels worden vooral toegepast in het gebied van de grovere vertering en om de activiteit van de klieren op te wekken of soms te verzwakken (in het geval van salie).

Koken

Het kookproces wordt toegepast bij harde, gedroogde plantendelen, zoals wortels, bast en hout en bij gedroogde vruchten en zaden. Dit gebeurt met behulp van een terugvloeikoeler, waardoor de vluchtige bestanddelen na condensatie weer in het afkooksel terug kunnen vloeien.

Wat gekookt is, is makkelijker verteerbaar en vergt van het lichaam minder inspanning dan bijvoorbeeld koude aftreksels. Daardoor komt de werking van afkooksels niet tot in de periferie van het lichaam, maar concentreert zich op het stofwisselingssysteem.

Roosteren

De gedroogde planten worden bij een temperatuur van 165°-200°C verhit in een gesloten ketel. Bij roosteren wordt de celstructuur van de plantendelen vernietigd, waardoor zeer veel nieuwe aromatische en andere vluchtige stoffen worden gevormd. Bij koffie bijvoorbeeld konden tot nu toe 700 componenten worden vastgesteld. Deze vluchtige bestanddelen verbinden zich weer met het geroosterde deel doordat het als condens terugslaat. Preparaten die door roosteren zijn verlegen vergemakkelijken de spijsvertering. Zelf doen we dit bijvoorbeeld door brood te roosteren als we last hebben van diarree.

Distilleren

Bij distillatie gaat het om een volledige scheiding van de vluchtige bestanddelen en het plantaardige basismateriaal. De vluchtige delen (vooral etherische oliën) ontsnappen in gasvorm en worden door afkoeling weer vloeibaar gemaakt (condensatie). Deze vloeistof heet distillaat. De zouten, extractie-stoffen en basissubstanties van de plant blijven achter.
De etherische oliën hebben een groot toepassingsgebied:

Inwendig gebruikt werken zij stimulerend op de spijsvertering, zweetafdrijvend (alleen in het geval van salie vochtvasthoudend), urine-afdrijvend, desinfecterend, bevorderend op de melkafscheiding (zogvorming), kalmerend en ontkrampend.

Uitwendig gebruikt werken zij desinfecterend en stimuleren ze de doorbloeding. Etherische oliën worden vrijwel nooit puur of in sterke concentraties toegepast. Het meest gangbaar zijn verdunningen van 5 à 10% verwerkt in vette olie, zalven en emulsies (voor badproducten).

Verkolen

Bij verkolen wordt de temperatuur van het roosteren opgevoerd totdat de plantenmassa roodgloeiend is. Alleen moeten hier de vrijkomende dampen juist wel kunnen ontsnappen. Wat achterblijft is de plantaardige kool, waarvan de specifieke plantenstructuur nog herkenbaar is. De kool blijft drager van de oorspronkelijke specifieke geneeskrachtige kwaliteiten.

Het uitdrijven van al het gasvormige maakt van de achtergebleven houtskool een stof die spontaan lucht en gassen bindt. Dit is het uitgangspunt voor het toepassen van houtskool bij winderigheid, gistvorming bij een slechte spijsvertering, diarree, en overal waar het proces van in- en uitademen verstoord is.

Verassen

Bij het bereiden van een medicinale plantenas is het belangrijk dat de (plantaardige) grondstof direct vlamt en tot as verbrandt en niet bijvoorbeeld vanuit een al bestaande toestand na roosteren of verkolen verder verast wordt. De grondstof wordt zo lang verhit tot alle koolstoffen (opgloeiende stukjes) zijn verdwenen. De plantenas bevat dan alleen nog anorganische (minerale) verbindingen van de elementen calcium, kalium, natrium, magnesium, ijzer, koper, mangaan en sporen van vele andere metalen. De samenstelling en verhouding zijn voor elke plant anders. Aan de as kun je zien welke hoeveelheden ijzer (bruin), koper (groen) of mangaan (paars) erin zitten.

De assen worden gebruikt bij storingen van de ademhaling.

.

7e klas voedingsleeralle artikelen

7e klasalle artikelen

Vrijeschool in beeld7e klas

.

2849-2672

.

.

.

.


.

VRIJESCHOOL – Oud-leerlingen geïnterviewd

.

De vereniging van vrijescholen heeft een aantal leerlingen geïnterviewd onder de titel:

VAN DE VRIJESCHOOL

Hier is deze interviewreeks te vinden.

Op deze blogZijn oud-vrijeschoolleerlingen gezonder?

.

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2848-2671

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Scheikunde (1-2)

.

D.G. Ruaris, R.S.school Haarlem, nadere gegevens onbekend.

scheikunde

Denn Alchemie heisst: etwas das noch nicht vollendet ist, zu seinem Ende zu führen.
Paracelsus

Scheikunde is afgeleid van Scheide-kunst: de kunst van het scheiden. Dit is één aspect van dit vak dat op de school een zeer bescheiden rol toebedeeld is
Het andere aspect hangt samen met het woord al-chemie (= de chemie), wat tot het ‘deftige’ woord van scheikunde geworden is n.l. chemie.

De alchemisten worden vaak. omschreven als lieden die óf de zaak wilden flessen, n.l. goud maken (wat niet kan, dus ook niet kon), óf wegdroomden in niet relevante beschouwingen over de materie. Vaak wordt vergeten dat vele reacties stoffen en apparaten door de bemoeienissen van de alchemisten ontdekt of gemaakt zijn.

Wanneer je probeert de geschriften van de alchemisten te lezen dan blijkt dat dit zeer moeilijk is, zeker voor een chemicus nu. Er spreekt een beschouwingswijze uit deze geschriften die ‘t tegenwoordige denken verre ligt. De benadering van de stofwereld is een totaal andere dan die van ons.

Wanneer wij de stoffen om ons heen bekijken dan zijn deze gegeven’, er is geen directe relatie tussen deze stofwereld en ons zelf. Behalve als wij iets moeten maken of wanneer wij gaan eten of drinken. Op dat ogenblik ontdekken wij dat b.v. een brug moeilijk van papier, zilver of klei gemaakt kan worden; en ook dat wij sommige stoffen lekker vinden om te eten en andere minder. Wij ontdekken dat de verschillende stoffen kwaliteiten bezitten.

Een van de aspecten van het scheikundeonderwijs in een vrijeschool is de poging leerlingen te scholen in kwaliteitsbeleven; hiermede hangt dan direct samen dat de relatie die er is tussen mens en natuur zichtbaar gemaakt moet worden, niet alleen wat de stoffen betreft, maar ook wat de stofomzettingen betreft.

Wanneer je naar een vuur kijkt, een brandende tak of een brandend stuk papier dan doe je een aantal waarnemingen, tenzij je maar wat voor je uitstaart. Je ziet daar kleuren, beweging vormveranderingen, rook, as verdwijnen van de brandende stof; je hoort vaak allerlei. Je voelt warmte, ziet lichtverschijnselen,
Je ziet geen zuurstof of lucht verbranden (je weet hoogstens dat deze voor de verbranding nodig zijn).

Kortom; een groot aantal verschijnselen die vooralsnog weinig samenhang vertonen.

Wanneer je nu probeert al deze verschijnselen te ordenen dan ontdek je dat elk in een van drie gebieden thuishoort; deze drie gebieden zijn niet absoluut gescheiden.

‘bovengebied’                  grootste bewegelijkheid, spitse vormen, vonken,
  .                                          rook. licht, kleur (oranje, geel); vorm valt uiteen.

‘middengebied:               veel minder bewegelijkheid, één geheel, warmte,
  .                                          donkere kleuren, vonken.

‘ondergebied’:                 vast, wat gloeien, asvorming, uiteenvallen van de vaste         .                                       stof.

Je zou deze gebieden ook met de volgende woorden kunnen karakteriseren;

Na deze wat grove indeling – iedereen kan dit voor zichzelf proberen na te denken en vooral eerst vuren te gaan waarnemen (b.v. een kaarsvlam) en dan te ordenen – kun je gaan kijken of je ergens in de natuur processen vindt die een overeenkomst met deze ordening van de verbranding vertonen. Misschien ontdek je bij ’t bekijken van planten, dat dit ook een soort vuur is, waarbij de bloem tot het “bovengebied”, de stengel en blad tot het “middengebied” en de wortel tot het “ondergebied” horen.
De verdere uitwerking hiervan, aan de lezer.

Wanneer deze ontdekking gedaan is kan de vraag opkomen: en hoe past de mens in dit ordeningsschema? ‘Het antwoord is even eenvoudig als verrassend:

De mens is een omgekeerd brandend vuur; of de mens is een omgekeerde plant.

Hierover nadenkend kom je tot de volgende overeenkomsten (schematisch);

Natuurlijk is niet “bewezen” dat de mens een omgekeerde plant is, noch dat de mens een omgekeerd brandend vuur is, De innerlijke zekerheid dat deze overeenkomsten reëel zijn, kan slechts ieder voor zich verkrijgen, door zo onbevooroordeeld als mogelijk de verschijnselen te gaan waarnemen en wat deze verschijnselen tot uitdrukking brengen te laten “spreken”.

Om nu terug te komen op de Alchemisten, zij noemden de processen die in de drie gebieden plaatsvinden Sulfur, Mercuur en Sal, Hoewel de drie namen sal, mercuur en sulfur overeenkomen met zout, kwik en zwavel, werden de stoffen niet bedoeld, maar waren zij uitdrukking van processen.

Je kunt nu de volgende rangschikking maken:

Wanneer de rangschikking vuur – plant in wezen juist is, dan kun je verwachten dat verschillende plantendelen ook andere verbrandingsverschijnselen zullen laten zien.

.

Scheikunde: alle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

.

2847-2671

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (74)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

joël en de veenheks
.

De hoofdrolspeler in het boek is de joodse jongen Joël Meier die met zijn ouders in een rustig Drents dorp. Als het oorlog is, worden het gezin  gedeporteerd naar Westerbork. Jo, zoals hij vaak wordt genoemd, weet te ontsnappen. Hij wordt door een klasgenoot verraden en moet opnieuw vluchten en tracht zich schuil te houden in de boshut van hem en zijn vriend Henk. Diens vader zit bij het verzet en brengt hem naar een onderduikplek. Hij moet nog een keer vluchten en gaat dan het veen in. Een sneeuwstorm wordt hem te machtig. Hij komt bij op de bank hut van een vrouw, die, omdat ze zo’n lelijk gezicht heeft, de veenheks wordt genoemd. Joël. Zij wordt heel ziek en Jo moet naar het dorp om een arts te halen…..

Een spannend en boeiend boek voor kinderen en volwassenen. De schrijver weet de gevoelens van Jo heel goed over te brengen, zodat kinderen van zijn leeftijd met hem mee zullen voelen. Het leert tegelijkertijd over de verschrikkingen van de oorlog en wat het betekent als we elkaar niet meer als mens zien.

In 1977 het beste kinderboek van het jaar.

Beene Dubbelboer

Uitgeverij Wolters-Noordhoff 1992
in de reeks ‘de vroege lijsters’

Boek

Leeftijd v.a. 11jr

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs.

.

2846-2670

.

.

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – ‘over de eerste dier- en plantkunde in de pedagogie van Rudolf Steiner (2/2)

.

Gerbert Grohmann:

‘OVER DE EERSTE DIER- EN
PLANTKUNDE IN DE PEDAGOGIE VAN RUDOLF STEINER’

deel 2: 

PLANT – AARDE – MENSENZIEL

Uitwerkingen van de 10e werkbespreking
In GA 295 [1]

Grohmann blz. 115

Deze werkbespreking heeft als inhoud een groots opgezette schets van hoe je het methodisch voor elkaar kan krijgen dat er in het kind een gevoel gewekt wordt dat de aarde geen doods wereldlichaam is, maar een organisme dat leeft, bezield is en doortrokken van geest.
Alle details van de werkbespreking staan in dienst van deze grote opdracht en moeten dientengevolge op waarde worden geschat.
Ook de indrukwekkende beelden van de bomen en de paddenstoelen, de samengesteldbloemigen enz., staan geenszins op zichzelf. Deze alleen maar te gebruiken als welkome voorbeelden, zou tekort doen aan de diepere betekenis die aan hen ten grondslag ligt en die hun pas hun ware belang geeft.

Rudolf Steiner heeft er dikwijls op gewezen en er vanuit de meest verschillende samenhangen over gesproken hoe belangrijk het is, dat de toekomstige generatie de aarde als organisme leert begrijpen, niet alleen maar vanuit een natuurwetenschappelijke basis, maar met name vanwege de wezenlijke relatie van de mens met zijn aardse bestaan. Een positieve levenshouding die helpt om de opgaven in het leven aan te kunnen, moet al op school als gevoelsbeleving aangelegd worden. Ook de opvatting over het leven van de plant en de zinvolle samenhang daarvan met het leven van het aarde-organisme, speelt daarbij een rol.
En opnieuw wordt de manier van het beschouwen van de plantenwereld door een menselijk doel bepaald. Tegelijkertijd echter – mag wel gezegd worden – wordt de plantenwereld ook bevrijd uit een doodskist waarin deze door de vele doodse beschouwingen is neergelegd.

Rudolf Steiner legde in het begin van de 10e werkbespreking uit (twee opmerkingen die we al eerder besproken hebben, kunnen we hier weglaten) dat, als het zomer wordt, ja met de lente al, de slaap zich over de aarde verspreidt, die steeds dieper wordt. In de herfst, wanneer de planten er niet meer zijn, houdt de slaap weer op. Verder legde Rudolf Steiner aan zijn uitleg een vergelijking van de slaap bij de mens en die van de aarde ten grondslag. Hij zei, dat wanneer de mens inslaapt, zijn gevoelens,

Blz. 116

zijn hartstochten enz. mee de slaap in gaan. Maar daarin zouden ze er als planten uitzien.
Dan volgen de voorbeelden die al op blz. 107 gegeven zijn, van de kokette dame en de saaie mens. Aan de kokette dame kan helderziend worden waargenomen hoe er tijdens haar slaap voortdurend narcissen haar neus verlaten; bij de saaie mens komen er reusachtige bladeren vanuit zijn hele lijf.

Wanneer de mens in slaap valt – zo schets Rudolf Steiner verder – houdt alles op wat zielenleven is, bij de plantenwereld daarentegen, die ’s zomers slaapt, begint het zielenleven met het inslapen (d.w.z. het zielenleven van de aarde wordt in de planten zichtbaar). De plantenwereld ’s zomers is niet, zoals een deelnemer denkt, het dromen van de aarde, maar de aarde slaapt ’s zomers. Dromen zou je kunnen zeggen over hoe de plantenwereld er in de lente en de herfst uitziet.

Het maarts viooltje bijv. zou je, als het groen is, nog met dromen kunnen vergelijken, maar niet wanneer het bloeit. Dan kun je de planten pas weer in de tijd wanneer de bladeren vallen, met dromen vergelijken.

In het verdere verloop van de werkbespreking ontwierp Rudolf Steiner voor een toehoorder het beeld van een bloesemboom. Hij gebruikte daarvoor weer de vorm van de directe rede tegen de kinderen. Rudolf Steiner zei:

‘Kijk eens goed naar een boterbloem, of een andere bloem die we uit kunnen graven. Onderaan zie je de wortels, dan de stengel, de bladeren, de bloemen en dan de meeldraden en de stamper, waaruit de vrucht wordt voortgebracht.’ Zo’n plant laat men de kinderen ook in het echt zien. Dan gaat men met de kinderen naar een boom: ‘Kijk eens, stel je die plant eens voor naast deze boom! Hoe ziet deze boom er dan uit? Ja, hij heeft onderaan ook wortels, zeker, maar dan is er geen stengel, maar een stam. Dan spreidt hij eerst nog zijn takken uit en dan lijkt het wel of op die takken pas de eigenlijke planten groeien. Want op die takken zitten veel blaadjes en bloemen. Er groeien als het ware kleine plantjes op die takken. We kunnen een weiland dan ook heel anders zien: over de hele wei groeien van die gele boterbloemen. De wei is bedekt met planten die allemaal hun wortels in de aarde hebben. Maar bij een boom is het alsof men de wei heeft opgepakt, omhooggetild en rond gebogen, zodat al die bloemen pas daar bovenop groeien. De stam is zelf een stuk aarde. De boom is hetzelfde als de wei, waarop de planten groeien.

Blz. 117

Hier hebben we dus het eerste beeld van deze werkbespreking! Rudolf Steiner maakt geen onderscheid tussen boomstam en groene stengel. Dit onderscheiden is niet alleen feitelijk nodig, maar speelt ook pedagogisch-methodisch een belangrijke rol, omdat later de begrippen ‘omhoog gegroeide aarde’, ‘uitwassen van de aarde’ voor boomstammen uitgewerkt moeten worden. Wanneer de aarde het voor elkaar krijgt zich omhoog te werken en levende, of half levende heuveltjes op te werpen, moet zij zelf levend zijn. Het hout van de boom is rotssteen op vegetatief niveau. Wanneer het bij zeer oude wilgen, linden of eiken vermolmt, wordt dat een soort aarde, ‘boomaarde’, precies zoals gesteente tot aarde kan verweren. De groene plantenstengel daarentegen, hoort niet bij het aardse. Die is een onderdeel van de eigenlijke plant die blaadjes, bloemen en vruchten draagt en alleen kan worden begrepen als resultaat van gestalte scheppende etherische kracht rondom de aarde.
Het weefsel van het cambium van de bomen dat het hout en de bast van de boom opbouwt, streeft naar een zo snel mogelijke verdichting, zelfs mineralisering, zonder daarvoor tijd te hebben gehad een echte plant te worden. Je zou het cambium het levende orgaan van de aarde kunnen noemen binnen de plant, waardoor de aarde haar recht laat gelden. Is dus de tendens als eigenschap van een boomstam duidelijk door het aardse bepaald, zo is aan de groene plant alles tegengesteld aan het aardse. Groeirichting, vorm en stofvorming worden alle door de kosmos bepaald. De boom heeft de stengelachtige gestalte van zijn takken en twijgen (vooral de jonge) en de zuilenvorm van de stam slechts a.h.w. van de stengel ‘geleend’, want de processen van hout- en bast(schors)vorming leunen aan tegen die van de stengel.
Wanneer we met de kinderen over de rol van de aarde bij de vorming van bomen spreken, zullen we waarschijnlijk de beschouwingen van hierboven niet nodig hebben, omdat kinderen beelden zoals deze onmiddellijk begrijpen. Voor de volwassene is het echter goed, ook de natuurwetenschappelijke grondslagen te doordenken.[2]   [zie Grohmann: leesboek voor de plantkunde – over de bomen]

Dan gaat Rudolf Steiner met het beeld verder. De boom wordt in een composiet zoals paardenbloem of kamille veranderd. ‘Te snel opgeschoten bomen’ worden de composieten later genoemd, bomen dus, waarbij niet eerst een stam wordt gevormd, ook geen kroon waardoor de aparte bloemen over de ruimte worden verdeeld, maar de vele kleine bloempjes blijven dicht opeen gedrongen in het korfje

Blz. 118

en vormen het bloemhoofdje, omdat alles zo snel moet gaan. Ten slotte worden boom, composiet en gewone planten simpelweg vergelijkend naast elkaar geplaatst. Rudolf Steiner schetst als volgt:

En dan gaan we van de boom naar de paardenbloem of de kamille. Die hebben ook wortels in de aarde; er is iets als een stengel en bladeren. Maar daar boven is de bloem samengesteld, daar staan allemaal kleine bloemetjes naast elkaar. Bij de paardenbloem is het immers zo dat die samengesteld is, hij heeft allemaal kleine bloemetjes, bloemetjes die helemaal volledig zijn en in de paardenbloem vastzitten. En nu hebben we dus: de boom, de samengesteldbloemigen en de gewone plant, de stengelplant. Bij een boom is het zo alsof de plantjes er pas bovenop groeien. Bij de samengesteldbloemigen zit de bloem op de gewone plaats; maar dat zijn geen bloemblaadjes, dat zijn talloze volledig ontwikkelde bloemen.

In het volgende stukje worden ook de paddenstoel en de varen erbij betrokken. Die zijn eveneens eenzijdigheden als plantengestalte. Maar dat is hier nu niet het meest wezenlijke, hoe verhelderend het ook mag zijn. De voorbeelden worden gegeven, omdat ze mogelijk maken met de kinderen de stap te zetten van het zintuiglijke naar het niet-zintuiglijke. De paddenstoel brengt alleen tot ontplooiing wat het bloei-achtige, vrucht-achtige aangaat, de varen bestaat alleen maar uit bladeren. De andere delen ‘mislukken’. Ze komen er niet, omdat de aarde die bij zich houdt. Dat betekent echter, dat ze a.h.w. in het levenslichaam van de aarde opgelost blijven. Ze zijn alleen in de krachten aanwezig, zoals later wordt gezegd. 

En nu stellen we ons het verhaal weer heel anders voor: dat de plant alles onder de aarde houdt. Ze wil wortels ontplooien, maar komt er niet toe. Ze wil bladeren ontvouwen, maar krijgt het niet voor elkaar. Alleen dat daar boven, dat wat anders in de bloem zit, ontvouwt zich: dan ontstaat er een paddenstoel. En als dan ook de wortels daaronder mislukken en er alleen maar bladeren ontstaan, dan ontstaan er varens. Dat zijn allemaal verschillende vormen, maar het zijn allemaal planten.’

In de volgende zin gaat Rudolf Steiner weer tot de directe rede over. We horen weliswaar niets nieuws,

Blz. 119

maar voelen toch hoe er volgens Rudolf Steiner met kinderen over wat al bekend is, gesproken moet worden. 

‘Ja, wat denk je nu eigenlijk, waarom is de paddenstoel eigenlijk een paddenstoel gebleven? Waarom is de boom een boom geworden? Laten we eens een paddenstoel met een boom vergelijken. Wat voor verschil is er? Is het niet zo, alsof de kracht van de aarde naar buiten is gedrongen, alsof haar innerlijk buiten zichtbaar is geworden in de boom en de hoogte in is gegaan, om daar pas bloemen en vruchten te ontwikkelen? En bij de paddenstoel heeft ze dat wat anders altijd op de aarde omhoog groeit in zichzelf vastgehouden, alleen het allerbovenste niet, dat zijn de paddenstoelen. Bij de paddenstoel is de boom onder de aarde, alleen de krachten ervan zijn aanwezig. De paddenstoel is, wat anders het buitenste van de boom is. Als er ergens heel veel paddenstoelen groeien, dan is het alsof daar onder een boom is, alleen, hij is in de aarde. Als we een boom zien, dan is het alsof de aarde zichzelf omhoog heeft geduwd, zich heeft uitgestulpt en haar innerlijk naar buiten brengt.’

Met de laatste zin is zogezegd het sleutelwoord gevallen. Aan de planten kun je het zien: er is iets in de aarde aanwezig wat onzichtbaar is, wat echter naar boven kan komen en daar een zichtbare gestalte aan kan nemen. De begrippen die we nodig hebben om de ziel van de aarde te begrijpen, zijn daarmee gevormd, zonder dat we ook maar een ogenblik de concrete basis hebben verlaten. 
Dan gaat Steiner verder:

Als de aarde dus paddenstoelen laat groeien, dan houdt ze de kracht van de groeiende boom in zich vast. Maar wanneer de aarde bomen laat groeien, dan brengt ze de groeikracht van de boom naar buiten.’

Daar heeft u iets wat als het zomer wordt zeker niet binnen in de aarde is, maar wat er uitkomt. En als het winter is, dan duikt het de aarde in. Als het zomer is, dan zendt de aarde door deze kracht van de boom haar eigen kracht in de bloemen, ze laat ze zich ontvouwen, en wanneer het winter is neemt ze die kracht weer in zich terug. Waar is eigenlijk de kracht die ’s zomers daar buiten in de bomen rondwaart — groot in de bomen en heel klein in een viooltje – in de winter? Die is ’s winters onder in de aarde. En wat doen dan de bomen, de samengesteldbloemigen en al die andere wanneer het hartje winter is? Dan ontvouwen ze zich helemaal onder de aarde, dan zijn ze binnen in de aarde, ze ontplooien het zielenleven van de aarde.

Stel je toch eens voor wat die aarde allemaal gewaarwordt, voelt! Want wat jullie de hele zomer allemaal kunnen zien, de bloemen, de bladeren, alles wat zo overvloedig groeit en bloeit, de boterbloemen, de rozen,

Blz. 120

de anjers: ’s winters is het onder de aarde, en dat wat daaronder de aarde is, voelt dan, is boos of blij!’

 Zo krijgt men geleidelijk een begrip van het leven dat zich ’s winters onder de aarde afspeelt. Dat is de waarheid! En het is goed als men dat de kinderen bijbrengt. Dat is niet iets wat de materialistische mensen zweverig zouden kunnen vinden

Verder zegt Rudolf Steiner dat je op deze manier het echte zielenleven krijgt dat zich in de planten weerspiegelt. Onder de aarde bevindt zich zoiets als een reusachtige boom. Alleen wat de aarde daarvan niet bij zich kan houden en wat op het aardoppervlak naar buiten komt, wordt door natuurkrachten van buiten tot die rudimenten van bladeren omgewerkt zoals we die zien in mossen, varens e.d. Wat deze planten echter onder de aarde ontplooien, blijft ethersubstantie. 
Dan is er weer sprake van de boom die op aarde de groeit: 

De boom is zelf een stukje aarde, de stam en de takken. Wat daar gebeurt, is dat datgene wat bij paddenstoelen en varens nog onder de grond is naar buiten wordt getild. Als een boom langzaam de aarde in zou zakken, zou dus alles aan hem veranderen: als men hem zou laten zakken, dan zouden zijn bladeren en bloemen veranderen in varens, mossen en paddenstoelen en voor hem zou het dan winter worden. Alleen, hij onttrekt zich aan het winter worden. Hij is datgene wat zich enigszins aan het winter worden onttrekt. Maar zou ik zo’n paddenstoel of zo’n varen bij de kraag kunnen grijpen en steeds verder de aarde uit trekken, dan zou ik een hele boom uit de grond trekken. Want dat wat daar beneden aan ethersubstantie bestaat zou dan met de lucht in aanraking komen. En wat paddenstoelen waren, dat zouden in de lucht bloesems worden en er uitzien als bomen. En de eenjarige planten staan hier midden tussen. De samengesteldbloemige is datgene, althans in één bepaalde vorm, wat dan ontstaat. Als ik een samengesteldbloemige terug zou sturen, dan zouden zich ook enkel afzonderlijke bloemen ontwikkelen. De samengesteldbloemige is iets wat men een te snel opgeschoten boom zou kunnen noemen.
 Zo kan er ook een wens leven in de aarde. De aarde heeft de behoefte om de wens te laten wegzinken in de slaap. Dat doet ze ’s zomers, en de wens stijgt omhoog als een plant. Boven wordt hij dan pas zichtbaar – als waterlelie. Onder in de aarde leeft deze als wens, boven wordt hij een plant.

De aarde slaapt in de zomer en is in de winter wakker, maar ze kan op verschillende plaatsen gelijktijdig slapen, dromen en wakker zijn, zoals ook op verschillende plaatsen naast elkaar zomer en winter, lente en herfst bestaan. Ze kunnen echter ook daar waar het dan zomer is, dus slaaptijd, op een paar plaatsen wakker zijn.

Blz. 121

Dat is bijv. het geval waar veel paddenstoelen groeien (niet de paddenstoel is wakker, maar de aarde).

Een lichte sluimer kunt u vergelijken met de gewone planten, een toestand van waken tijdens de slaap met de paddenstoelen – waar veel paddenstoelen zijn, daar is een plaats waar de aarde wakker is gedurende de zomer – en een heel intense, diepe slaap met de bomen. Daaraan kunt u aflezen dat de aarde niet net zo slaapt als een mens, maar dat de aarde op de ene plaats meer slaapt en op de andere meer wakker is, hier meer slaapt, daar meer wakker is. Zo is het ook bij de mens, die immers in het oog en in de andere zintuigorganen tegelijkertijd naast elkaar slaapt, waakt en droomt.
.

[2] Zie boeken van de schrijver
Die Pflanze
Heilpflanzen
Metamorphosen
Meer
Op deze blog:  leesboek plantkunde
leesboek voor de dierkunde

.
Zur ersten Tier-und Pflanzenkunde in der Pädagogik Rudolf Steiners
Menschenkunde und Erziehung Band 3
Verlag Freies Geistesleben Stuttgart, 1979
ISBN 3 7725 0203 2

Inhoudsopgave

Werkbespreking 9 Werkbespreking 11
Vragen
.

[1] GA 295  vertaald
Uitverkocht: een scan ervan via vspedagogie@gmail.com

Plantkundealle artikelen

Vrijeschool in beeldPlantkunde

.

2845-2669

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (12-2-3)

.

Er is op deze blog veel verschenen  over warmte.
We weten allen uit eigen ervaring hoe belangrijk warmte is voor ons fysieke welzijn, maar ook voor het mentale en psychische.
De tegenhanger is de kou, en die kan je, (maar ook jou) vatten.

.

Ineke van der Duijn Schouten en George Massain, huisarts, Weledaberichten nr.170 najaar 1996

.

Vat op kou
.

Verkoudheid: wc kennen de verschijnselen allemaal. Je bent rillerig, je neus zit verstopt of je snuit de ene na de andere zakdoek vol, je hebt een duf hoofd en hoewel je je niet echt ziek voelt, zou je het liefst onder de wol kruipen. De dokter haal je er meestal niet bij, want je weet dat het op de een of andere manier vanzelf weer over gaat. Er zijn ook mensen die bijna niet weten wat het is om verkouden te zijn. Zij lijken er immuun voor, terwijl anderen met een zekere regelmaat snipverkouden op de bank hangen, met een stapel zakdoeken binnen handbereik. Wat is zoiets alledaags als verkoudheid eigenlijk? Waarom krijgt de een het wel en de ander niet en wat kun je er aan doen?

Warmtemantel 

Het woord verkouden komt van het Middelnederlandse woord couden, wat ‘afkoelen’ betekent. Als je verkouden bent, ben je dus afgekoeld. Je kunt ook zeggen: je bent een en al kou. Dat klopt met het gevoel dat je hebt als de verkoudheid begint. Hoe hoog de verwarming ook staat, je hebt het ijskoud en je wordt niet warm. Dat komt doordat er iets aan de hand is met de ‘warmtemantel’. Zo’n warmtemantel hebben we allemaal. Hij beschermt ons tegen de kou, net zoals een gewone mantel dat doet. Zien kun je hem niet, maar je kunt hem wel voelen. Als iemand anders zijn arm op tafel legt en je houdt je hand er een paar centimeter boven, dan voel je na enkele ogenblikken een warmtestroom. Die warmtestroom kun je over het hele lichaam waarnemen. Een arts kan bij een lichamelijk onderzoek vaak heel goed aftasten op welke plek sprake is van een stoornis in die warmtestroom. Die plek straalt dan geen warmte uit. Er zit als het ware een gat in de warmtemantel, waardoor de kou van buiten naar binnen kan stromen en de eigen warmte ‘weglekt’.

Onbewoond

Waardoor kan zo’n gat in de warmtemantel ontstaan? Allereerst moet je je deze warmtemantel niet voorstellen als iets dat een vaste vorm heeft, maar als iets beweeglijks, iets dynamisch. Hij beweegt min of meer met ons mee en reageert op wat wij meemaken. Hij is nauw verbonden met ons ‘ik’, het deel van ons wezen waarmee we zelfsturend optreden en richting aan ons leven geven. Als je stevig in het zadel zit, de dingen die je doet overziet en je je fysiek ook goed voelt, kan de warmtemantel je van top tot teen omhullen. Maar als je voor je ogen een ongeluk ziet gebeuren en je schrikt je wild, dan trekt je ‘ik’ zich even terug: je bent er even niet meer bij. Tegelijkertijd ‘krimpt’ dan de warmtemantel, waardoor deze het lichaam niet meer volledig kan omsluiten.

Op zo’n moment kan de kou van buiten vat op je krijgen. De een reageert met een stijve nek of spit, een ander wordt verkouden. Wat gebeurt er in het laatste geval? Dan gaat de stofwisseling op volle toeren werken om het tekort aan warmte aan te vullen en het gat te dichten. Ook in de spieren vindt een verhoogde stofwisseling plaats: rillen of klappertanden is een extra activiteit van de spieren om warmte op te wekken. Van alle kanten worden er in het lichaam vuurtjes gestookt om het snel warm te maken. De verhoogde activiteit van de stofwisseling heeft tot gevolg dat ook de afscheidingsproducten toenemen. Met name via de slijmvliezen worden veel uitscheidingsproducten weggewerkt. Dat je neus vol zit met slijm als je verkouden bent is dus het gevolg van verkouden zijn en niet de oorzaak, zoals we meestal geneigd zijn te denken.

We noemden zojuist een hevige schrik als mogelijke aanleiding voor het ‘ik’ om zich terug te trekken. Veel vaker echter is de oorzaak minder heftig en komt hij van binnenuit. Oververmoeidheid of stress bijvoorbeeld kunnen maken dat het ‘ik’ geen heer en meester meer is over het hele lichaam. Bepaalde gedeeltes raken dan ‘onbewoond’ en worden koud. Vaak zijn dat de uiteinden van het lichaam, dus de handen en vooral de voeten. Ook als je buiten jezelf raakt van woede kan de warmtehuishouding worden verstoord.

Grens

Hoe kun je voorkomen dat je verkouden wordt? Uit het bovenstaande is duidelijk geworden dat zaken als stress en jezelf kwijt raken raken van invloed zijn op de warmtehuishouding. Het is dus belangrijk ervoor te zorgen dat je niet uitgeput raakt. Wanneer die grens bereikt is, is voor iedereen verschillend.
Bij de een kan dat al zijn na een paar drukkere dagen dan normaal, bij een ander kan het weken duren voor het lichaam ho roept door verkouden te worden. Wie uitgerust is, heeft ook meer weerstand bij omstandigheden die van buiten komen, zoals een flinke regenbui.

Daarnaast kun je je warmtemantel van buitenaf verzorgen. Let er bijvoorbeeld eens op of je voeten goed warm zijn. Heel veel mensen hebben chronisch last van koude voeten, vaak zonder dat ze er erg in hebben. Een voetenbad met Rozemarijn Badmelk verwarmt het lichaam door en door en kan soms net een opkomende verkoudheid tegenhouden. Als je het snel koud hebt, helpt dagelijks inwrijven van buik, benen en voeten met Arnica Massage-olie. Verder kun je in de winter zorgen voor een ‘tweede huid’ door wollen of zijden hemden te dragen. Wol heeft als voordeel boven katoen dat de vezels warmte kunnen doorlaten én vasthouden. Bij wollen hemden denk je misschien direct aan kriebelende, onooglijke hobbezakken, maar die tijden liggen gelukkig achter ons.

Achter een simpel iets als verkoudheid blijkt veel meer schuil te gaan dan je op het eerste gezicht zou vermoeden. Het heeft alles te maken met onszelf en met onze eigen grenzen. Dit inzicht zal ons in de toekomst waarschijnlijk niet meteen vrijwaren van kouvatten. Het is echter een hoopvol perspectief dal het wel mogelijk is val te krijgen op kou.

.
In het artikel stond deze illustratie:

Mantelzorg: Peter van Aarnhem.
Meer werk van Peter van Aarnhem

.
Ik heb in sommige artikelen waarin producten van Weleda werden genoemd, mijn zeer positieve ervaringen hiermee doorgegeven.
Dat staat niet gelijk met ‘de’ vrijeschool maakt reclame voor Weleda. IK maak er reclame voor – overigens zonder dat Weleda daarin betrokken is.
Tijdens mijn verkoudheden waren en zijn nog – hoewel ik, nadat het vrijeschoolwerk stopte – veel  minder verkouden was dan toen ik nog lesgaf – onderstaande middelen een goede hulp gebleken.
Genezen doen ze niet – je moet een griep gewoon ‘uitzieken’, maar ze ondersteunen en verlichten. Het geeft mij een goed gevoel middelen te gebruiken van een firma die al meer dan honderd jaar ‘mens en natuur als eenheid’ zien.
.

De R is weer in de maand:

INFLUDO

Als je verkouden bent en je hebt het druk, dan is de verleiding groot om net te doen alsof er niets aan de hand is. Een enkele keer lukt het misschien om dan toch van een verkoudheid af te komen. Meestal echter moet je maatregelen nemen, wil je niet na een week sukkelen alsnog ziek worden. Zo’n maatregel is Infludo.
Infludo is samengesteld uit antroposofische en homeopathische middelen die allemaal de eigenschap hebben om de symptomen die bij een griep horen, op te wekken. Dat klinkt op het eerste gezicht wat eigenaardig. Je wilt immers van een verkoudheid of opkomende griep af, en dan zou je die juist gaan opwekken? Hoe zit dat in elkaar?

Infludo is erop gericht om de natuurlijke lichamelijke afweer te stimuleren. Je onderdrukt zodoende niet het ziekteproces, maar je helpt juist dit te overwinnen. Met andere woorden: met Infludo wek je de symptomen van griep op en vervolgens gaat het lichaam aan de slag om de ziekte de baas te worden. Laten we als voorbeeld Aconitum nemen, het hoofdbestanddeel van Infludo. De Nederlandse naam voor Aconitum is monnikskap, een giftige plant die je een acute koortsaanval zou kunnen bezorgen. Daarbij voel je je dan hondsberoerd en kunnen er gevoelens van angst optreden. Deze verschijnselen doen zich ook bij griep voor, maar dan in veel mindere mate. Door Aconitum in een sterk verdunde vorm in te nemen, worden de afweerkrachten opgewekt. Van Aconitum bestaan overigens allerlei variaties die de arts voor verschillende situaties kan voorschrijven.

Infludo bevat verder Bryonia (heggerank), eucalyptus, Eupatorium Perfoliatum (waterhennep), Sabadilla (luiszaad) en fosfor. Zou je fosfor onverdund nemen, dan zou je rillerig en koortsig worden: dat zijn de symptomen van verkoudheid. In verdunde vorm immiteert fosfor de koorts en activeert zo de warmtehuishouding.

Infludo is zonder recept te koop bij de apotheek en bij veel drogisten. Bij griep en verkoudheid neem je elke twee uur 5 à 8 druppels.

De ziekte wordt hierdoor dus niet onderdrukt, maar je hebt er wel beduidend minder last van. Infludo kan ook gebruikt worden om griep en verkoudheid te voorkomen. Neem dan als de R in de maand is iedere dag 7 druppels bij het ontbijt. Als je veel last hebt van onrust kun je in plaats van Infludo, Ferrum phosphoricum comp* gebruiken. Ook bij kinderen werkt dit middel rustgevender dan Infludo.

Beperk de hoeveelheid eiwitten in je voeding drastisch zolang de verkoudheid duurt. Je lichaam probeert zich via het slijm juist van eiwitten te ontdoen. Van nog meer eiwit (melk, kaas, vlees) zou de slijmproductie alleen maar toenemen. Neem in plaats daarvan regelmatig een mengsel van citroen-, grapefruit- en sinaasappelsap met warm water en een lepel honing. Deze lekkere grog brengt vorm in de ongebreidelde stofwisselingsactiviteit.

Naast deze basismiddelen die de griep of verkoudheid als geheel aanpakken, zijn er verschillende middelen die je kunt gebruiken bij andere vervelende bijkomstigheden van griep en verkoudheid:

Hoest

Weleda Hoestelixer.

Droge hoest

Om het slijm los te maken: Lichenes comp*. In deze siroop zijn verschillende korstmossen met honing en anijsolie tot een smakelijke siroop verwerkt.

Hoesten met veel slijmvorming

Doron druppels.

Keelpijn

4 maal daags 1 tablet Pyriet/Zinnober* gecombineerd met Bolus Eucalypti comp* (1 theelepel op een glas water, ieder uur gorgelen en de laatste slok doorslikken).

Keelpijn en opgezette klieren

De hals inwrijven met Archangelica comp zalf*.

Verstopte neus

Weleda Neusspray 

Een stoombad met Eucalyptus olie (Oleum Aethereum Eucalypti 10%*) helpt ook goed om weer door de neus te kunnen ademen. Doe een dopje olie in een schaal kokend water en houd je hoofd een minuut of tien in de stoom. Bedek het hoofd met een handdoek, zodat de stoom niet kan ontsnappen. Belangrijk: was je gezicht en hals daarna heel goed met lauw water om weer op normale temperatuur te komen en blijf minstens een uur binnen. Je kunt je anders letterlijk opnieuw een verkoudheid op de hals halen.

Zware ademhaling

De borst dun inwrijven met Oleum Aethereum Salviae 10%*. Dit is een vluchtige olie uit salieblad die erop is gericht om de huid goed te doorbloeden en te doorwarmen. Hierdoor kun je weer ruimer ademen.

Om weerstand op te bouwen kun je preventief een Duindoornelixerkuur doen (3 maal daags een dopje, gedurende 10 dagen). Duindoornelixer verhoogt het weerstandsvermogen en geeft extra energie. Het heeft een opvallend hoog gehalte aan vitamine C, vitamine E en carotine (dat zorgt voor de aanmaak van vitamine A). Is de verkoudheid of griep eenmaal daar, dan helpt een Vlierelixer-kuur (3 maal daags een dopje, gedurende 10 dagen). Vlierelixer reguleert de vochthuishouding en intensiveert de warmteprocessen in het lichaam.

* verkrijgbaar bij de apotheek, vaak alleen in Duitsland en soms moet een recept worden meegestuurd.

.

Menskunde- en pedagogie:  [11] warmte

Antroposofisch leven: warmte

Opvoedingsvragen: [12] verkouden

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2844-2668

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen – muziek (8-2)

.

Op de vrijeschool wordt veel ‘aan muziek gedaan’.
Wat in onderstaand artikel beschreven wordt, vindt ook in de peuter/kleuterklas plaats.

Wat kun je thuis doen (of laten).

.
Saskia Stienstra-Kalff, Weleda Puur Kind, nr. 16 2005
.

Bewogen door muziek

.

Het leven is vol muziek: vogels die je ’s ochtends wakker fluiten, een zingend kind in de zandbak, een kerkklok, het geluid van de wasmachine, zelfs elk seizoen kent z’n eigen melodie. Ook zonder dat je bewust zingt of speelt is muziek bijna overal ingebed in het dagelijks leven, volkomen natuurlijk. En het kind heeft zijn oren wijd open. Hoe kun je hier als ouder muzikaal bij aanknopen?

Geen leven zonder muziek. Klank, hard of zacht, snel of langzaam, gevolgd door een andere klank, afgewisseld met stiltes, het is één en al trilling. En dat doet iets met je. Muziek doet bewegen. Denk maar aan een kind dat spontaan begint te dansen bij het horen van een draaiorgel. En muziek raakt: het geeft houvast, biedt troost, schept vreugde. Zelfs mensen die niet kunnen horen, schijnen toch door de trilling bewogen te kunnen worden.

In cadans

De kleuters in mijn muziekles gaan heel vanzelf mee in de ritmeoefeningen. Ze zitten op het puntje van hun stoel en hebben hun oren wijd open.
‘Hoor je wel wat ik nu doe, ’t gaat maar door ik ben niet moe,’ zeggen we, wel drie of vier keer achter elkaar. Dan tik ik met één stokje in iedere hand het ritme op de grond, bij elk woord één tik. Ze doen direct mee, niet eens omdat ik zeg dat zij dat moeten doen, maar omdat ze meebewegen met wat ze horen, met wat ze zeggen. Zelfs de rust in de zin wordt door hen als vanzelfsprekend ingevoegd. Dan leggen we de stokjes weg en gaan in een kring staan. Nu maken we de beweging van de maat. We zetten één stap naar voren en één naar achteren, 1-2, 1-2, in een eindeloze herhaling. Terwijl we blijven bewegen, pakken we het
ritmeliedje weer op. Anders dan met de stokjes doen we nu niet bij elk woord één stap, maar bij een paar en zo krijgen ze een cadans te pakken. Moeilijk? Het is onvoorstelbaar hoe gewoon het voor hen is. Een enkel kind dat niet direct meekomt, deint mee op de beweging van de anderen en komt zo toch in de cadans terecht. Hoe kan het ook anders? Wordt niet ieder klein kind wel eens wiegend in slaap gesust?

Elk moment zijn eigen geluid

Als je beseft hoe het leven vol ritme is dat overal in doorklinkt, is het zinvol je af te vragen hoe de sfeer is van de muziek die jij een kind aanbiedt. Dat er een groot verschil is tussen hardrock muziek en klassieke cellosonates, tussen een Ierse gezongen ballade en trommelgeluid van een Afrikaanse djembé, behoeft geen nadere toelichting. Elk moment z’n eigen geluid en elk individu zijn eigen voorkeur, maar in het besef dat er werking van uitgaat, kun je als ouder wel doelbewust bepaalde muziek meer of minder aanbieden.

Muziek legt de basis voor het harmonisch ontwikkelen van tal van vaardigheden bij kinderen, zowel motorische als cognitieve. Het is dus van groot belang dat zij hier vroeg mee in aanraking komen. Je kunt dichtbij huis beginnen, want nagenoeg ieder kind vindt het heerlijk om te zingen. Het zingt spontaan bij het spelen in bad, bij het aankleden van de pop. Het neuriet, het murmelt, het bromt met de auto’s. En wat kunnen kinderen genieten van samen zingen. Dat kun je niet genoeg doen, juist de heel eenvoudige liedjes met niet meer dan vijf of zes noten. Zo gaat de molen of Schuitje varen theetje drinken. En zeker bij jonge kinderen geldt: hoe meer bewegingen erbij, hoe leuker. Dit zijn mijn wangetjes, Twee emmertjes water halen, voor je het weet klappen en stampen ze met je mee.

De kracht van eenvoud

Bij het aanleren van een liedje is het meestal al genoeg als je gewoon begint.
Halverwege beginnen ze al mee te zingen, het gaat bijna vanzelf. Zoals ook het slaapliedje dat je ’s avonds zingt bij het kinderbed: plotseling blijkt je kind het te kennen. Al die tijd heeft het zich tijdens het luisteren kunnen innestelen.

Denk niet te snel dat je niet kunt zingen, het gaat om de intentie waarmee je zingt. En anders neurie je maar wat. Als je zelf niet thuis bent in liedjesland, schroom niet en haal bijvoorbeeld het klassieke boek Een mandje vol amandelen in huis of het nieuwere Liedjes met een hoepeltje erom. Een prachtige cd vind ik Hé Hallo van Ingrid Tjaden met oude en nieuwe liedjes. De kracht van de eenvoud is bewaard gebleven en haar interpretatie is zeer uitnodigend voor het jonge kind om mee te zingen, stampen of tikken.

Maar wees kritisch. Niets is zo geestdodend als een cd waarop de liedjes aan elkaar geplakt lijken door de eentonigheid van computerbeat, de toonsoort hetzelfde blijft en zelfs het ritme nauwelijks verandert.

Kinderen zullen misschien uit volle borst meezingen, maar het is maar zeer de vraag of ze er werkelijk iets van oppikken van wat muziek hen kan brengen. Er gaat niets boven de heldere stem van een zanger(es) die alleen of samen met een muzikant een lied vertolkt. Een lied kent een begin en een einde: uit de stilte komt het op en in stilte verdwijnt het weer.»

Een mandje vol amandelen, samengesteld door W.J. Stam-van der Staay
Liedjes met een hoepeltje erom, samengesteld door Joke Linders en Toin Duijx

Zie ook de vele liedjes op: vrijeschoolliederen

En bijv. op Tineke’s Doehoek

.

Muziek: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Opspattend grind   nr. 7

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2843-2667

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Niet-Nederlandse talen – Engels

.
Bron onbekend
.

EVERYBODY,  SOMEBODY, ANYBODY, NOBODY

Whose Job is this??
This is a story about four creatures.
Named: Everybody, Somebody, Anybody and Nobody.

There was an important job to be done.
Everybody was asked to do it,
Everybody was sure that somebody would do it,
Anybody could have done it, but nobody did it.
Somebody was angry about that because it was everybody’s job.
Everybody thought anybody could do it but nobody realized that everybody would not do it.
It ended up everybody blamed somebody, when nobody did what anybody could have done.

Wiens opgave is het ?
Dit verhaaltje gaat over vier wezens:
Dit zijn, Iedereen, Iemand, allen en niemand,

Er moest iets heel belangrijks gebeuren.
Iedereen werd gevraagd om het te doen.
Iedereen was er van overtuigd dat iemand het zou willen doen.
Allen had het vermogen om het belangrijke werk uit te voeren maar niemand deed het.
Iemand was boos hierover omdat het de taak was van iedereen.
Iedereen dacht dat iemand het zou kunnen doen maar niemand realiseerde zich dat niemand het zou willen doen.
Het eindigde ermee dat iedereen iemand de schuld gaf toen niemand uitvoerde wat iedereen had kunnen doen..

.

Niet-Nederlandse talen: alle artikelen

.

2842-2666

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (15-2)

.
Over slaapproblemen bij jong en oud.

Ineke van der Duijn Schouten en George Maissan, huisarts, Weledaberichten nr. 173 zomer 1997

Wakker tegen wil en dank

.

Het lijkt allemaal zo simpel: je glijdt ’s avonds moe onder de dekens, draait je nog eens lekker om en vervolgens geef je je over aan de slaap. De werkelijkheid is bij veel mensen echter minder eenvoudig: zij liggen uren en uren klaarwakker, lezen een half boek, drinken een glas warme melk, ijsberen heen en weer en vallen pas tegen de ochtend in slaap. Over één slapeloze nacht is nog wel heen te komen, maar zijn het er meer, dan wordt het wakker zijn een probleem, je belandt dan al gauw in een vicieuze cirkel: overdag ben je niet wakker genoeg om goed te kunnen functioneren en ’s avonds wil de begeerde slaap maar niet komen omdat je te wakker bent.

Hoe komt het dat zo veel mensen daar last van hebben?

Wakker worden

Als we iemand betitelen als ‘een wakker mens’ is dat altijd positief bedoeld. We hebben het dan over iemand die helder kan denken en de juiste dingen op het juiste moment doet. Wakker zijn overdag is in zekere zin een ‘must’, althans voor een volwassene. Ben je dat niet, dan laat je je al gauw knollen voor citroenen verkopen of je slaat jezelf achteraf voor het hoofd omdat je niet alert genoeg reageerde.

Opmerkelijk is dat niet alleen onze tijdgeest ons ertoe dwingt wakker te zijn, ook onze levensloop stuurt aan op wakkerheid, maar dan letterlijk: we hebben gedurende ons leven steeds minder slaap nodig. Een pasgeboren baby is in de regel maar weinig uren van de dag echt wakker. De meeste tijd is hij bezig met zijn grote opdracht: slapen, eten en weer slapen. Daarna nemen de periodes dat hij wakker is toe.
Als peuter is zijn slaapbehoefte al zo afgenomen dat hij aan een middagslaap van enkele uren genoeg heeft. De kleuter kan toe met af en toe een middagslaapje en slaapt ’s nachts de klok rond. Daarna komt er steeds een uur van wakker zijn bij, tot de gemiddelde slaaptijd van een volwassene, zo’n zeven à acht uur, is bereikt. Zijn we eenmaal boven de zestig, dan slapen we vaak nog maar een uur of zes.

Zintuiglijke prikkels

Vooral bij een opgroeiend kind kun je zien wat wakker zijn betekent: met al zijn zintuigen neemt het de indrukken uit zijn omgeving op.
Het tast, kijkt, ruikt en luistert met grote overgave naar alles wat op hem afkomt; en dat is veel vandaag de dag. Te veel meestal, want niet alleen volwassenen, maar ook steeds meer kleuters, peuters en baby’s zijn hun normale mate van wakkerheid kwijt.
Bij baby’s uit zich dat, afgezien van weinig slapen, vaak in spugen; bij peuters en kleuters in overmatig druk zijn en aandacht vragen. Overdag rennen ze rusteloos van het een naar het ander, ’s avonds moeten de ouders grote moeite doen om hen in bed te krijgen. Interessant genoeg krijgen zulke wakkere kinderen nogal eens vocht in hun oren: een natuurlijke bescherming van het lichaam tegen te veel prikkels.

De vraag naar de hoeveelheid indrukken die ongemerkt zijn opgenomen kan ook de al te wakkere volwassene zichzelf stellen.
In de file rijden, vergaderingen bijwonen en de bijbehorende stukken lezen, boodschappen doen, kranten, film, ouderavonden en verjaardagen bijhouden, we zijn er misschien wel aan gewend, maar we krijgen daardoor heel wat te verstouwen. De hele dag wordt er op die manier een appel gedaan op je zintuigen en die doen wat wij willen dat ze doen: ze staan wijd open. Veel indrukken zijn onbewust naar binnen gekomen en spoken daar rond als er niemand is die ze een halt toeroept. Je blijft daardoor wakker tegen wil en dank.

Prikkels verminderen

De beste remedie tegen overmatige wakkerheid van kinderen is om de hoeveelheid zintuiglijke prikkels te verminderen die op hen afkomen. Je kunt je bijvoorbeeld afvragen hoe vaak er ‘ruis’ van radio of cd-speler op de achtergrond aanwezig is, op welke sterkte er aan tafel wordt gepraat en hoe hard of zacht de deuren worden dichtgedaan. Een halve dag winkelen in de stad betekent voor kleine kinderen een overweldigend aantal indrukken. Thuis blijven met een leuke oppas of een dagje naar opa en oma is voor hen vaak een plezieriger oplossing, ’s Avonds twintig minuten op schoot plaatjes kijken of voorgelezen worden uit een spannend boek is een knus tegenwicht tegen televisiekijken. Het naar bed gaan wordt daardoor meestal minder problematisch.

Voor volwassenen die vaak wakker liggen is het een hulp om na gedane arbeid zoveel mogelijk bewust de zintuigen open te zetten. Je zegt dan bijvoorbeeld tegen jezelf: ik kijk, ik lees of ik praat, maar ik doe niet alles tegelijk. Vaak scheelt het al als je je realiseert wat je normaal allemaal opslorpt aan informatie. Een week verblijven op een mooie plek met weinig motorisch verkeer, waar je bovendien verstoken bent van radio, krant en tv kan wat dit betreft een eye-opener zijn.

De dag afsluiten

Een andere remedie tegen een te grote wakkerheid is om ’s avonds de dag nog eens door te nemen. Allerlei dingen die je die dag zijn overkomen, indrukken die je hebt opgedaan, passeren zo de revue. De kunst daarbij is om ‘van buitenaf’ naar je doen en laten te kijken. Je maakt steeds een ‘plaatje’ van de situatie en wandelt, bij voorkeur van achteren naar voren, de dag door tot het moment van opstaan, zonder ergens te blijven hangen. Hierdoor breng je de zintuigen tot rust en je sluit de dag met al zijn ups en downs af. Het kost de nodige inspanning, maar het is een uiterst effectieve manier om de vele indrukken die een mens wakker houden, hun plaats te geven. Vaak lukt het niet eens om de dag helemaal ‘af’ te maken en overmant de slaap je tegen wil en dank.

.

Opvoedingsvragenalle artikelen

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2841-2665

.

.

.

.

.