VRIJESCHOOL – Gezondheid, m.n. die van de leerkracht (2)

 
Joop van Dam,  arts (nadere gegevens onbekend
.

Met vreugde in het nu aanwezig zijn
.

Wat zijn de momenten, waar je als individueel mens in de actualiteit staat, waar je in het nu present bent?

We kijken naar drie mogelijkheden.

Individueel

1.Dat gebeurt ten eerste in de zo genoemde “onbedoeld gelukte handelingen”. Een voorbeeld: een jonge leraar moet een koor gaan leiden. Maar hij is doodmoe, omdat zijn nog jonge baby de afgelopen nacht enkele malen heeft “gezongen”. Hij staat voor de kinderen en vraagt zich af hoe krijg ik met zo weinig energie dat koorzingen voor elkaar? En dan besluit hij: ik ga gewoon naar ze luisteren en daarvan genieten. Ze zingen en dan is het stil, wel een halve minuut. En dan zegt hij “wat mooi!” . Daarna zingen de kinderen de sterren van de hemel, want ze luisteren nu zelf ook naar elkaar. 

De spontane reactie op een levenssituatie (met name als je wil op de proef gesteld wordt en je niet uit routine kunt handelen) is een kort moment van “bij de tijd” geweest zijn. Je schiep even actualiteit. Wanneer je zo’n gebeurtenis middels de terugblik “oogst”, geeft dat je enerzijds een blije energie. Anderzijds geeft het een richtlijn voor de toekomst, want je kunt er meestal een algemeen inzicht uit winnen. Het in het bewustzijn brengen van deze Ik-activiteit werkt gezondmakend.

Het nu staat tussen verleden en toekomst in. Het verleden is klaar, het is aards geworden en heeft zijn vorm gekregen. De toekomst ligt nog open, staat bij wijze van spreken nog in de sterren. In de hemel liggen de mogelijkheden voor het handelen klaar en op een gegeven moment dient er een keus gemaakt te worden. Er is een mooi Engels gezegde:

Yesterday is history,
Tomorrow is a mystery,
Today is a gift,
That’ s why we call it present.

Dat wil zeggen, je moet datgene wat als mogelijkheid aangeboden wordt wel in ontvangst nemen. Je moet aanwezig zijn.

2. Er is een tweede mogelijkheid om dicht bij het moment te komen, waar mogelijkheden die in de geestelijke wereld klaar liggen, in de aardse situatie gerealiseerd worden. Dat ligt in de terugblik op het “wonder” , zoals het beschreven is in de voordracht “Was tut der Engel in unserem Astralleib?” [1]

Het gaat daar om het scheppen van het negatief: wat is er allemaal niet gebeurd. Het wonder, dat wat wél gebeurde, is het positief dat tevoorschijn komt tussen alle andere (niet werkelijk geworden) mogelijkheden. Uit de verschillende mogelijkheden werd er één gerealiseerd. Het blijkt, dat je elke dag wel een wonder kunt ontdekken. Als je dat eenmaal ervaren hebt, kijk je uit naar wat er de volgende dag zal gebeuren. Je raakt meer present.

3. Een derde mogelijkheid om actualiteit te ervaren is te vinden in het je terugherinneren van de top-ervaringen in je leven. De momenten waar je van top tot teen present was en beleefde: nu ben ik helemaal aanwezig en ben ik het meest mezelf.

Het lot brengt situaties, waar je (in de terugblik) kunt zien, wat het is waar je voor warm loopt, waar je eigenlijk voor gekomen bent op aarde.

In de zeventigerjaren lieten mensen, als protest tegen de kruisraketten die vanuit Amerika in Nederland geplaatst werden, zich aan de hekken rond de opslagplaatsen van die raketten vastketenen. Drie dagen en nachten lang brachten ze dan in barre omstandigheden door. En toch waren ze met vreugde present.

Vreugde is hier niet bedoeld als uitgelatenheid, maar als het beleven van een nieuwe energie en het overwinnen van de aardse zwaarte. Topervaringen zijn de momenten, waar iets nieuws in je begint.

Het gaat in alle bovengenoemde handelingen om de terugblik. De terugblik is bij uitstek een oefening van het Ik, van de individuele mens. De terugblik, die zoekt naar het wezenlijke dat in de afgelopen dag heeft plaatsgevonden, is voorbereiding voor de daarop volgende nacht.

In elke nacht vindt op een ander niveau opnieuw een terugblik op de dag plaats. En de vragen, die overdag je bezighielden, werken door. De mens is dan in een andere situatie, zijn hogere wezen wordt vergezeld door de individuele engel, die bij hem hoort. Door dat samenzijn schijnt licht op wat zich heeft afgespeeld en op de gestelde vragen. De engel verheldert de lotsgebeurtenissen en laat als het ware de mogelijkheden voor de toekomst zien. Wat op deze manier als gesprek tussen de mens en zijn engel in de nacht heeft plaatsgevonden kan bij het ontwaken niet in het gewone dagbewustzijn meegenomen worden, maar het kan zich wel bemerkbaar maken. Het werkt door in die laag van onze ziel, die eigenlijk altijd in de nacht gehuld is: in onze wil. In het denken zijn we wakker, het voelen heeft altijd de bewustzijnskwaliteit van het dromen. En als we willen, duiken we in het doen onder en verliezen het wakkere bewustzijn. Pas na afloop kunnen we waarnemen of het goed was wat we deden.
Maar de slapende wil kan als wilsintentie zich toch uiten, vooral wanneer er in de nacht iets heeft plaatsgevonden. Dan maakt de engel zich overdag bemerkbaar.

De onbedoeld gelukte handeling kun je beschouwen als een korte dialoog met de engel. Het wonder is een gelukte en wel bedoelde handeling van de engel zelf! En in de topervaringen ben je (door je engel begeleid) in levenssituaties terecht gekomen, waar je je realiseren kon: hiervoor ben ik eigenlijk op aarde gekomen. Hier wordt duidelijk wat ik belangrijk vind en wat ik eigenlijk wil.

Als je dag en nacht met elkaar kunt verbinden, dan ben je actueel. Je probeert in gesprek te komen en te blijven met je engel.

In het nu present zijn met een groep

Kun je als gemeenschap (een levens- of werkgemeenschap zoals een school, een therapeuticum, een boerderij, een heilpedagogisch instituut of een opleidingsinstituut) ook actueel en bij de tijd zijn? Kun je er waakzaam voor zijn, of je de dingen doet, die nu door deze gemeenschap mogelijk zijn? En kun je daarmee voorkomen, dat je bezigheden ontplooit, die twintig jaar geleden met recht gedaan werden, maar die nu niet meer passend of zelfs
ontwikkelingsremmend zijn? En kun je de valkuil vermijden, dat je activiteiten onderneemt die nog niet aan de orde zijn en waar de tijd misschien over twintig jaar rijp voor is?

Een gemeenschap kan de doorgangspoort zijn voor impulsen, die boven de individuele vermogens uitgaan en die door wezens gedragen worden, die het persoonlijke overstijgen. Het persoonlijke, individuele, is verbonden met de wereld van de engelen. Bij gemeenschappen kunnen hogere wezens werken. Aartsengelen kunnen zich met groepen verbinden. Als mensen zich samen voor iets inzetten, gezamenlijk als het ware een kring of een schaal voor een hoger doel vormen, dan kan een wezen uit de rangorde van de aartsengelen helpen, dat de mensen steeds nader tot elkaar komen. Hij zorgt voor de verbinding en de communicatie tussen de mensen

Hoe kan een gemeenschap actueel zijn?

Weer kun je zeggen: door als groep met vreugde in het nu aanwezig te zijn. Ik wil enkele voorwaarden beschrijven, die naar mijn ervaring belangrijk zijn.

Om te beginnen moet er leven in de brouwerij zijn, het moet zoemen op de werkvloer. En als er dan ook nog duidelijke ritmen zijn (een gezamenlijke dagopening, bepaalde dagen in de week, die een speciale telkens terugkomende kleur hebben, jaarfeesten enz.), tijdsvormen waarop je rekenen kunt, dan is er een levend organisme. In antroposofische terminologie: de gemeenschap heeft dan een gezond etherlichaam, waarin een hoger geestelijk wezen wonen kan.

Maar een gemeenschap heeft ook een ziel, een astraallichaam. Door het astraallichaam kun je de wereld waarnemen. De ontvankelijkheid van de ziel van een gemeenschap wordt bepaald door het vermogen van de leden van deze groep om met elkaar te communiceren. In een gemeenschap die open wil zijn voor impulsen van “boven” is het belangrijk dat het waamemingsorgaan voor deze impulsen niet door “ruis” gestoord wordt. Dat wil zeggen: je moet niet verhard geworden zijn ten opzichte van elkaar of allergisch, waardoor je ophoudt te communiceren. Als men zich doof opstelt ten opzichte van elkaar zal het gezamenlijke gehoororgaan voor dat wat de gemeenschap zou kunnen inspireren ook op bepaalde plekken verstopt zijn en niet in staat om waar te nemen wat van buiten naar binnen wil komen.
Vaak is het vruchtbaar om samen waar te nemen. Dat kan in de natuur zijn: de kleur van een edelsteen of de geur van planten of het geluid of de beweging van dieren. En dan elkaar vertellen, wat je opgevallen is. Bij een zo onbevangen mogelijke waarneming blijken de indrukken van de diverse deelnemers met elkaar samen te klinken of elkaar aan te vullen. Je merkt dat je samen tot een completere ervaring komt en dat je verrijkt wordt doordat de ander er is. Dit soort waarnemingsoefeningen verfrist en harmoniseert niet alleen de ziel van de enkeling, ook de ziel van de gemeenschap wordt er bewegelijker en ontvankelijker door.

Verwarmend en bezielend is het samen kijken naar kunst. Soms kan een vraagstelling een gezamenlijke zoekrichting geven. Bij Van Gogh bijv.: wat is bij portretten (de vroedvrouw, de postbode, de vrouw uit Arles) rondom de hoofden waar te nemen? Of bij Nolde: wat doen de kleuren? Na afloop van het kijken en het elkaar opmerkzaam maken is ieder afzonderlijk in een andere lichamelijke en innerlijke toestand gekomen. Men voelt zich in beide gebieden gevoed. Maar ook is er in de gemeenschap iets nieuws ontstaan. Als het gelukt is om objectief in het verwoorden van wat je ziet te zijn en je zo veel mogelijk je mening hebt teruggehouden, dan heb je een gezamenlijk werk gedaan. En zonder dat je er veel erg in had heb je ook de ander in zijn innerlijke bewegingen waargenomen.

Het waarnemen op zich is een ‘jonge’ bezigheid. Een klein kind is er goed in. Het zit nog niet met oordelen zich zelf in de weg. Als het met natuur- of kunstwaarneming lukt om uit de oordeelssfeer weg te blijven dan wordt iedereen weer jong. Dan is er geen verschil meer tussen de academicus en de praktisch werkende, tussen jong en oud, tussen man en vrouw. Dan begint iedereen weer opnieuw, wordt als het ware weer opnieuw geboren. Dat houdt in dat je open bent voor wat er op jou en de gemeenschap toe komt. Je oefent samen de onbevangenheid.

Nog een stap verder in het harmoniseren en verrijken van de ziel van een gemeenschap wordt gezet, wanneer een vorm van intervisie wordt gepraktiseerd, waar men zijn zorgen, problemen en mislukte handelingen met elkaar deelt. Het elkaar vertellen van de onbedoelde gelukkige (of gelukte) handelingen wekt vreugde en geeft vitaliteit. Het de ander deelgenoot maken van je spanningen, je verdriet, je mislukkingen heeft een heel andere werking. In de eerste plaats brengt iemand daarmee tot uitdrukking, dat hij beseft, dat je alleen in ontwikkeling komt door de ontmoeting met andere mensen. Dat het een illusie is te denken dat je alles alleen op kunt knappen. Wanneer je jezelf ter discussie durft te stellen in een groep geef je daarmee tevens te kennen, dat je het vertrouwen hebt, dat de mensen van die groep zorgvuldig en kuis met je probleem om zullen gaan. Dat ze niet je integriteit in twijfel trekken. De veiligheid in een groep wordt gewaarborgd wanneer er inclusiviteit heerst, dat wil zeggen: dat jouw probleem op het moment dat je het inbrengt het probleem van iedereen in de groep wordt. Dat is het samen oefenen van de positiviteit.

Alles wat tot nu toe beschreven is heeft betrekking op het onderlinge verkeer, het horizontale element. Een gemeenschap behoeft echter ook het verticale element, dat wat als doelstelling (als missie) alle mensen verenigt. Een gemeenschap kan nooit om der wille van de gemeenschap bestaan. Er moet zo te zeggen een ster boven de gemeenschap staan Deze missie is het Ik van de gemeenschap.

Net zoals het individuele Ik zich telkens moet vernieuwen, in ontwikkeling moet blijven, zo moet ook de gemeenschap zich regelmatig op haar missie bezinnen. De missie moet met de actualiteit te maken hebben.

Eén van de manieren waarop een werkgemeenschap het licht brandende kan houden, is het doen van een onderzoek samen. Dat kan een eenvoudig thema zijn, het gaat er om goede vraagstellingen te vinden. Lang geleden heb ik in mijn praktijk voor me zelf het thema gehad: kan ik aan de handdruk van de binnenkomende patiënt voelen, hoe het met hem of haar gaat? Later kwam in het lerarencollege van de school, waar ik schoolarts was iets soortgelijks aan de orde: wat kun je aan het handen geven van de kinderen merken? Elke week stelden we een nieuwe vraag, waar alle leraren dan een hele week waarnemend aan werkten. Na een week herkenden we verschillende kwaliteiten: slap/krachtig, droog/nat, warm/koud, voor in de hand/achter, kort of lang vasthouden. Volgende vraag: wat verandert er in de loop van de kleuterklas tot eind bovenbouw? Is er een verandering tussen de handdruk ’s ochtends en bij het weggaan? En heb je daar invloed op? Zes weken lang heeft het college telkens met een andere vraag geleefd en is iedereen benieuwd geweest wat de ander gevonden had en is de ontmoeting met de kinderen anders geweest. De gemeenschap is er door versterkt en iedereen is frisser, vitaler geworden. Tenslotte was er een nieuw inzicht gewonnen, dat aan anderen overdraagbaar was.

Een gemeenschap die zich niet aldoor vernieuwt door gezamenlijk nieuwe dingen te vinden, sterft. De mensen van het begin van de 21e eeuw zijn niet meer zo vitaal als de mensen het 50 jaar geleden waren. Toen konden velen nog 24 uur per dag en als het moest 7 dagen per week beschikbaar zijn. Thans is vrijwel iedereen door haast, door de vele shockerende gebeurtenissen, door een verstoord milieu, ongezonder geworden. Daarom is wat vroeger kon nu niet meer mogelijk. En het moet ook niet meer. Maar door het samen onderzoek doen kun je de individuele vitaliteit weer verhogen. Het is aan de tijd om als gemeenschap actief in ontwikkeling te zijn door initiatief te nemen in het verfrissen en vernieuwen van je gezichtspunten.

Heel vaak vormt dit soort activiteiten de sluitpost in de planning (en ook in de financiële begroting). Eerst moeten allerlei verplichtingen, administratieve taken, controles enz., voor de overheid verricht worden. Dodelijk vermoeiend! Maar je kunt dezelfde taken ook verbinden met een eigen vraag (in de observatie bijv. van het unieke van elk kind of in het je herinneren van wat je zelf hebt gedaan in de onbedoelde gelukte handelingen) en dan geeft hetzelfde werk (maar met een extra gezichtspunt gedaan) energie! Het extra vreet niet kracht, maar het geeft kracht.

Hoe kun je met vreugde als tijdgenoot present zijn?

Om deze laatste stap te doen vertel ik kort de inhoud van een artikel, dat ruim 15 jaar geleden in het weekblad van de Nederlandse artsen Medisch Contact verscheen. Prof. Marco de Vries, patholoog-anatoom schrijft over enkele wondergenezingen die hij in zijn archief heeft gevonden. [2]

Een vrouw, 64 jaar, ligt in een verpleegtehuis. Veertien jaar tevoren heeft ze een operatie aan de borst ondergaan wegens carcinoom, nu heeft ze een sterk vergrote lever vol metastasen, elke twee weken moet vocht uit de buik worden afgetapt, ze is volgens iedereen aan haar laatste levensweken bezig. Op een dag zit ze op de rand van haar bed als haar man op bezoek komt en zegt: ik wil naar huis terug, hier ga ik alleen maar dood. De zuster die de man op de gang was tegengekomen had gezegd: “Uw vrouw is niet meer zo aardig en meegaand als vroeger.” Ook de man merkte een houdingsverandering en zei: “Zo was ze niet opgevoed.” De man ging op de wens en het besluit van de vrouw in en zorgde dat er hulp thuis kwam, zodat ze het samen aankonden. De patiënt mocht voor de buikpuncties (elke twee weken) in het verpleegtehuis terugkomen. Ze kwam eerst na drie weken terug, toen na zes weken en daarna helemaal niet meer. Het verslag werd 10 jaar later geschreven, de lever was in grootte teruggegaan er was geen ascites meer en de vrouw was gezond.

Wat was er bij deze uitzonderlijke genezing gebeurd?

In de eerste plaats was de vrouw autonoom geworden. Ze had gezegd: hier zal ik doodgaan, maar ik doe het anders. Ik doe niet aan de gebruikelijke statistiek mee, ik ga mijn eigen weg. Ze maakte van een gesloten systeem, waar uitsluitend naar voorspelbaarheid op het biochemische vlak werd gekeken, een open systeem waar haar zingeving en wil naar de toekomst een rol speelden. Doordat ze met het Ik intensief present was, veranderde het ziekteverloop. Maar er gebeurde nog iets anders en daarom vooral vertel ik dit verhaal.

Haar man zei “ja” op haar besluit en maakte deze nieuwe instap voor haar mogelijk. Hij stond garant voor de ontwikkeling van de ander.

Deze publicatie deed 15 jaar geleden in de medische wereld nogal wat stof opwaaien. Thans is het idee, dat iemand door zijn innerlijke instelling het verloop van ziekte kan beïnvloeden. al veel meer vertrouwd geworden, (al is het bovengenoemde voorbeeld een uitzondering). Het is een nieuwe mogelijkheid, die pas in de twintigste eeuw bewust is geworden en nog maar sinds kort concreet in de praktijk gebracht wordt.

Het autonoom worden hoort bij het individualiseringsproces, dat een belangrijke rol speelt in het huidige maatschappelijke leven. Iedereen moet in de gelegenheid zijn om zichzelf te ontwikkelen.

Nóg nieuwer is het streven garant te willen staan voor de ontwikkeling van iemand anders. Dat berust op een nieuw besef: dat de mensen in hun ontwikkeling afhankelijk zijn van elkaar. Een ander mens helpt mee aan jouw ontwikkeling. Je kunt het niet alleen. Maar ook omgekeerd: je kunt meewerken aan de ontwikkeling van andere mensen. Je kunt je daarvoor ïnzetten (zoals de echtgenoot van de zieke vrouw uit het verpleegtehuis dat deed). Je kunt daarvoor ruimte maken. Uiterlijk, maar vooral ook innerlijk.

Het voorbeeld, dat me daarbij altijd weer in herinnering komt is Nelson Mandela, die bij het verlaten van de gevangenis (na 26 jaar) zei: ” Ik heb mijn bewakers vergeven”.
Vergeven is een vorm van geven. Mandela, die een nieuwe levensfase inging, maakte zo ruimte voor de mensen die hem aldoor bewaakt hadden, dat ze ook een nieuwe ontwikkeling konden beginnen. Door hen te vergeven.

Het vergeven is een nieuw principe, een jong vermogen in de mensheid. Vroeger – en ook thans nog heel vaak – was het “oog om oog tand om tand”. Dat was het voorchristelijke maatschappelijke principe. Sinds het begin van het Christendom is het principe van de vergeving mogelijk. Anders gezegd: het een ander lief te kunnen hebben als je zelf.

Nog anders gezegd: de ontwikkeling van een ander net zo belangrijk te vinden als je eigen ontwikkeling.

Daarmee hangt samen, dat in de twintigste eeuw ook een nieuw bewustzijn is ontstaan over de werkzaamheid van het lot. Over karma en reïncarnatie.

Vroeger bestond het bewustzijn van reïncarnatie vooral in het Oosten. Het hindoeïstische kastensysteem was alleen te verdragen als je de tijdelijkheid ervan in één incarnatie kon zien. In het boeddhisme kende men de reïncarnatie als het rad van de wedergeboorte en hoopte dat dit spoedig zou eindigen en men in het Nirwana zou komen. Weg van de aarde. Eindigen van het karma.

Maar sinds de negentiende eeuw al kwam er een ommekeer, met name in het Westen. Henri Ford was overtuigd van de werkelijkheid van de reïncarnatie. Hij verlangde naar ervaringen, waardoor hij zich kon ontwikkelen. Dat konden alleen aarde-ervaringen zijn, waar weerstanden overwonnen dienden te worden. Daarvoor was één leven niet genoeg. Wat zich ontwikkelt is het Ik, dat reïncarneert. Maar het heeft het karma op aarde als uitdaging nodig.

Deze nieuwe instelling tot het lot leidde tot nieuwe inzichten in de twintigste eeuw. Rudolf Steiner bracht een uitbreiding van de gezichtspunten over het karma, omdat hij waarnam, dat de mens in de twintigste eeuw tot nieuwe daden in staat was.

Het karma heeft niet alleen het aspect van het verleden – vorige aardelevens, die ons een bepaalde constitutie bezorgen, die ons vermogens maar ook onvermogens geven, gebeurtenissen die het lot arrangeert maar het heeft ook met de toekomst te maken. In de wijze waarop we met de lotsgegevens omgaan, scheppen we nieuw karma. Het karma uit het verleden noemt Steiner het maankarma, het overkomt ons. In het scheppen van het nieuwe karma, door Steiner het zonnekarma genoemd, is de zon opgegaan.

We zien de wereld om ons heen in vrijheid. Maankarma en zonnekarma zijn niet los van elkaar. Het verleden en de toekomst ontmoeten elkaar in het snijpunt van het nu. En daar speelt zich het lot in het bewustzijn af. We kunnen de situatie die we aantreffen als kans, als iets wat ons wordt aangeboden, waarnemen. Onze constitutie, onze al dan niet begaafdheden, maar ook de gebeurtenissen die op ons toekomen, kunnen we als mogelijkheden, als opstap beschouwen.

“Today is a gift, that’s why we call it present”.

Het gaat niet alleen om het aflossen van een schuld van vroeger of het aanvullen van een tekort (om het afrekenen met het verleden), maar de mogelijkheid bestaat om nieuwe kiemen te leggen, om iets nieuws, iets extra’s te scheppen.

Dat is mogelijk geworden door twee feiten. Rudolf Steiner heeft die twee gegevens waargenomen. Hij heeft het niet uitgevonden of bedacht, maar gezien, dat er nieuwe potenties waren in de mensheid.

Het eerste gegeven is, dat het bewustzijn van alle mensen is gegroeid. Het Ik is in functie getreden en kan creatief handelen. Niet alleen bij enkelingen, bij iedereen en mondiaal. De bewustzijnszon van de individuele mens is gaan schijnen. Dat is de vrucht van het individualiseringsproces.

Het tweede feit is dat er in de mensheidsgeschiedenis veranderingen zijn opgetreden. Het tijdperk van Mozes met de stenen tafelen met de tien geboden en het principe “oog om oog en tand om tand” is afgelopen. Het heeft plaats gemaakt voor de komst van Christus, die het principe van het vergeven bracht en die voor het mensen-Ik nieuwe mogelijkheden heeft geschapen. Het met Christuskracht vervulde Ik wordt wakker voor zijn medemens. Het individualisme moest bereikt worden. Het hoort bij deze tijd. Het krijgt zijn zinvolle vervolg in het “Heb uw naaste lief als u zelf”.

Door de Christuskracht kan de individuele mens er naar streven zich met steeds meer mensen te verbinden. Veel hangt ervan af, hoe men vanuit de eigen kern handelt. Of men voor zichzelf daden verricht of probeert deel te zijn van een groter geheel. Men kan zijn handelen in dienst stellen van een gemeenschap, en die kan steeds groter worden. Eerst de eigen groep, dan het instituut, dan de heilpedagogische beweging als zodanig.

Tenslotte kan men zijn werk in dienst stellen van een tijdperk. Dan is de groep voor wie men werkt zo groot geworden als de mensheid. Dan kan de inspiratie van een nog hoger wezen dan een aartsengel komen. De tijdgeest kan werkzaam worden.

Door te leven met de vragen van de tijd creëer je een nieuw netwerk. Je legt verbindingen met andere mensen in de wereld- Dat net is geweven uit nieuwe draden. En die nieuwe draden zijn geweven uit het besef, dat het sociale leven op karmawetten berust. Maar het is een karmarealiteit, die geen gesloten systeem meer is, maar een open systeem is geworden. De individuele mens kan er initiatieven in nemen en de andere mens kan daarop ingaan door er ruimte voor te maken of er aan mee te doen.

Je kunt met vreugde als tijdgenoot in het nu present zijn door vanuit het nieuwe bewustzijn voor het karma te werken. Dat is in het algemene leven van betekenis, maar het is ook mogelijk in de diverse sectoren van het leven, in de pedagogie, in de geneeskunde en zeker in de heilpedagogie.

Je kunt je altijd afvragen bij de kinderen waarmee je werkt en die problemen hebben: hoe kan ik dit leven vanuit het karma begrijpen? Wat is het kind van plan, wat is de bedoeling van zijn hogere wezen om zich met deze handicap te willen uiteenzetten? Dat is een vraag, die vooral naar de toekomst is gericht. Welke krachten worden in deze stuwing, die door de belemmering wordt veroorzaakt, gewekt? Eventueel zullen die krachten pas in een volgend leven gebruikt kunnen worden. En in die zin is het werken met de karmagedachte het werken met de krachten van de hoop op de toekomst.

Samenvattend: wanneer je in de individuele terugblik zoekt naar de onbedoeld gelukte handelingen, wanneer je als gemeenschap door onderzoek je telkens vernieuwt, en wanneer je als tijdgenoot door het nieuwe venster van het karmabewustzijn naar het leven probeert te kijken, dan kun je met vreugde in het heden present zijn. Daarmee ontstaat de mogelijkheid, dat een verbinding gelegd wordt met de individuele engel, met een wezen uit de aartsengelenwereld en tenslotte met de tijdgeest.
.
[1] GA 182/138  
Vertaald en hier te lezen
[2] Prof. Dr. MJ.de Vries, “Crisis en transformatie, lessen van wonderbaarlijke patiënten”, Medisch Contact. 13 juni 1986.   Hier als boek.

.

Gezondheid, m.n. die van de leerkracht: alle artikelen

Gezondmakend onderwijs voor de kinderen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

Geen vreugde en snel moe (Rudolf Steiner Citatensite, 7 september 2019)

Zie ook de artikelen over ‘sociaal gedrag‘ bij Sociale driegeleding (onder nr. 5).
.

940-870

.

.

VRIJESCHOOL – 1e klas – impressie (2)

.

Een heel oud artikel – de 1e vrijeschool in Nederland bestond nog geen 10 jaar.
.

IETS UIT HET ONDERWIJS VAN DE EERSTE KLAS
.

Een der eerste eischen van Rudolf Steiner aan leeraar en onderwijzer is, dat de leerstof niet als een opeenstapeling van kennis aan het kind gegeven wordt, maar eerst door den opvoeder zelf innerlijk verwerkt wordt en pas dan, als die in hem den  vorm van een organisch geheel heeft gekregen, aan het kind wordt gebracht.

Dr. Steiner wil, dat dit organisch geheel op het geheele organisme der kinderziel werkt. Bereikt men dit in zekere mate in een les of periode, dan kan dat machtig harmoniseerend op de kinderen inwerken, zoodat denken, voelen en willen er door geactiveerd worden.
Om dit aan een paar voorbeelden uit de eerste klas duidelijk te maken, mag hier misschien iets verteld worden van een periode, waarin iets kon invloeien, hoe onvolmaakt ook, van de scheppende krachten van den opvoeder en die daardoor de kinderen intensief kon aangrijpen.
Het was de week vóór de Kerstvacantie. Gedurende de voorafgaande weken had het periode-onderwijs zich gegroepeerd om een der allermooiste sprookjes: Van de groene Slang en de schoone Lelie van Goethe. Het was verteld en naverteld, gespeeld, geschilderd en geteekend. En — van de sprookjesbeelden uitgaande — waren voor de kinderen letterbeelden ontstaan: de W van het water, de S van de slang, de R van den reus, de K van den koning, en zoo verder.
De laatste week vóór de Kerstvacantie was nu aangebroken en het onderwijs verlangde een afsluiting en bekroning.
Wat moest het zijn?
„De eerste woorden” was het antwoord, dat in mij opkwam. Een plechtig, ja bijna heilig oogenblik moest dat voor de kinderen zijn!
Uit dit gevoel en den inhoud der laatste periode kwam nu de idee.
De drie koningen van het Goethe-sprookje, zij veranderden in de drie koningen, die aan den hemel geschreven zagen in sterrewoorden de geboorte van het Christuskind. Nu kon ik voor de kinderen een driekoningengedicht maken en een groote teekening, waarin de eerste woorden als sterrebeelden aan den hemel straalden. In ’t refrein van het gedicht werd steeds aangesproken de stralende ster der koningen. De teekening was als volgt. Een groote vijfhoekige ster omstraalt een machtige gestalte: Maria met ’t kind in de armen. Rechts van haar, kleiner, Jozef op zijn staf geleund, links de drie koningen met hun gaven, aanbiddend en offerend. De ster straalt in het midden van een sterrenmelkweg, die het geheel in een zachten boog overwelft. In dezen weg nu verschijnen de eerste woorden: STRAAL STERRE.

’t Was een wonder, wat sommige kinderen van deze moeilijke teekening, tevens schrijfopgave, terecht brachten.

Langen tijd daarna heb ik den eerbied van de kinderen voor ’t schrijven moeten beschouwen als ten deele voortkomend uit een begin, dat hun den ernst er van deed beleven.

Zooals men bij het schrijven tot beeldend onderwijs komt, zoo brengt een vak als rekenen ons in de sfeer van het muzikale.

Rhythme neemt hier een centrale plaats in.

Maar ook andere elementen der muziek kan men bij het rekenen afgespiegeld vinden. Evenmin als de muziek, kan goed rekenonderwijs buiten gevoelsspanningen. Gemeenschapvormend werkt de muziek, gemeenschapvormend moet ook het rekenonderwijs zijn, niet individualiseerend.

Verder wordt de eisch, om bij het onderwijs aan de kinderen een geheel te brengen, ook bij het rekenonderwijs doorgevoerd. Niet met het optellen — ’t gebruikelijke uitgangspunt — kunnen we hier dan ook beginnen, ’t Verdeelen moet het primaire zijn.

Een voorbeeld moge dit toelichten.

We zijn met onze klas in de eurhythmiezaal, staan in een kring. „Met z’n hoevelen zijn we?” Samen tellen we af. De kinderen moeten zich nu verdeelen over de vier hoeken, maar gelijkelijk verdeelen! ’t Is wonderlijk te zien, hoe de kinderen, die bijna alleen nog maar tellen kunnen, nog haast geen sommen maakten, dit kunnen vinden. Nu de eene helft naar den raam-, de andere naar den muurkant. Dit is al veel moeilijken Geen kind kan ’t alleen goed doen. Als één ’t niet kan, doet de heele klas ’t fout. Knap en dom bestaat nu niet. Ieder raakt in vuur en moet op ieder letten.

Een tweede voorbeeld!

Nadat we een tijdje gerekend hebben, maar nog volstrekt niet alle moeilijkheden van optellen en aftrekken b.v. onder de knie hebben, gaan we plotseling met „reusachtige” getallen rekenen. De kinderen vertoonen daar een ontzaglijk verlangen naar.

Ik zet ze in groepjes van vijf bij elkaar, zonder schoenen en kousen. Nu kunnen ze samen wel met 100 vingers en teenen rekenen! „Steekt 87 vingers en teenen op!” ’t Is, of vonken van enthousiasme in ’t rond spatten! „Nu wil ik er maar 76 zien!” „Nu 70!” „Nu 90!” „Nu 63!” Ze kunnen het door het heilige vuur, dat hun wangen dan ook rood kleurt.

In iedere les moet zoo ’t geheele zielewezen van ’t kind gegrepen worden. Dan stroomt gezondheid en levenslust door de klas en wordt het bewustzijn langzaam en natuurlijk gewekt.

J. GERRETSEN, vrijeschool Den Haag in ‘Ostara’ 3e jrg.5/6, okt.1930

1e klas: alle artikelen

939-869

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Sint-Maarten (22)

.

ZAL ONS LICHTJE BLIJVEN BRANDEN?
.

Ook dit jaar* zullen op 11 november de knollen weer uitgehold worden. We halen er het vruchtvlees uit, dat gerijpt werd door de zomerzon en plaatsen er ons lichtje in, ons eigen zielenlicht. Dit ritueel heeft zoveel waarde als je beseft hoe wezenlijk dit lichtje is.

Als de kinderen in de optocht door de straten lopen, merken ze hoe moeilijk het kan zijn om je lichtje brandende te houden. Vaak waait het, soms regent het, soms ook loop je te hard. Het beste is om dicht bij elkaar te lopen om licht en warmte bij ons te kunnen houden.

Om ons heen zien we de afstervende natuur. Voor veel men­sen is dit niet de makkelijkste tijd van het jaar. Een tijd die er vaak donker, somber, mistig en troosteloos uit kan zien. Velen kennen rond deze tijd het gevoel van: “Mijn licht gaat uit”. We moeten dan zoeken naar het licht, want dat licht dat is er, als we maar goed kijken. Het leven kent ook zijn schaduwkan­ten, maar waar schaduw is, is ook licht. Wij moeten ons lichtje in de gaten houden, het inwendige licht van ons zielenleven dat wij allemaal in ons dragen. Soms is het onzichtbaar door alles wat er van buitenaf in ons komt. Het licht in ons moet blijven branden, daar moeten wij voor waken, zodat het kan gaan stralen en wij anderen kunnen verlichten en verwarmen. 11 November is de dag van St-Maarten. Toen St.-Maarten, toen nog Martinus, als jonge soldaat van 16 jaar aan de stadspoort van Amiëns kwam, zag hij daar een bijna naakte bedelaar. Martinus was te paard en droeg een rode mantel. Toen Marti­nus de man zag, die bijna bevroor van de kou, pakte hij zijn zwaard en sneed de mantel in tweeën. Een deel gaf hij aan de bedelaar en het andere deel was voor hemzelf. Die nacht zag Martinus in zijn droom Christus. Christus was de bedelaar die hij met een deel van zijn mantel omhuld had. De herfstheiligen leiden ons door de tijd naar Kerstmis. Met het zwaard houdt St.-Michaël de draak in toom. Met de kracht die daarbij vrijkomt kunnen wij aan het werk gaan. Met het zwaard snijdt St.-Maarten zijn krijgsmantel in tweeën. De tijd wordt hier gesplitst. De ene helft is het verleden om ons mee te verwarmen, de andere helft is voor ons hoger ik, voor de toekomst en voor onze naasten. Het zwaard is het heden, het ogenblik waarin wij zelf altijd weer moeten handelen. Wij hebben onze tekortkomingen, maar ook veel goeds in ons. Wij kunnen anderen zoveel geven. De kracht komt van binnenuit, uit de ziel en met die zielenkracht kunnen wij op onze beurt de ander helpen.

Hier (in mij) woont een rijk man
die mij hewel veel geven kan
Lang zal hij (in mij) leven
veel zal hij geven
Zalig zal hij sterven
de hemel zal hij erven
God zal hem lonen
met honderd duizend kronen
met honderd duizend lichten! aan
hier komt Sinte Maarten aan.

Het is ook de tijd dat wij naar binnen trekken. Het is het laat­ste feest, dat we nog even buiten zijn. Zo is dat ook met ons­zelf. We moeten van deze tijd gebruik maken om ook bij ons­zelf naar binnen te gaan. Dat is niet altijd zo gemakkelijk, want je komt jezelf tegen en je ziet ook je tekortkomingen. Maar het is de enige manier om aan jezelf te kunnen werken. Dan komt St-Nicolaas als derde herfstheilige bij ons aan. “St.- Nicolaas wil helpen een beter mens te zijn, opdat het kerstlicht strale in onze harten rein”. Het sinterklaasfeest staat eigenlijk bol van symbolen. De Sint die over de daken rijdt is de verbin­ding tussen hemel en aarde. Zijn baard is de wijsheid en zijn ouderdom het eind van het jaar. Hij komt met zijn knecht, die ons nog eens op onze tekortkomingen wijst. Zoals wij dat doen met onze surpises. Dan de geschenken in de schoen, de schoen het symbool van onze levensweg. En zo zijn er nog veel meer op te noemen. De Sint leert ons blij te zijn met dat­gene dat je geschonken wordt om dan op jouw beurt te leren een ander iets te schenken. Het is dus niet alleen maar een kinderfeest, het heeft ons veel meer te zeggen. Dit feest staat aan het begin van de advent. Een tijd van stilte. De stilte waar­aan we ons meer zouden moeten overgeven. Het zijn de laat­ste weken van voorbereiding op het Kerstfeest.

Stil nu, stil nu,
maak nu geen gerucht.
Stil nu, stil nu,
het ruist al door de lucht.
Het wonder komt heel zachtjes aan,
’t kerstkind wil naar binnen gaan.

Het feest van de geboorte van Christus, de geboorte van het ­licht dat wij ieder jaar weer mogen ontvangen, zijn licht. Wij staan nu nog voor het feest van Sint-Maarten. We maken ons klaar om de weg verder te gaan, de weg die we na de zomer met St.-Michaël zijn begonnen. Zal ons lichtje blijven branden? Om mijn lichtje brandende te houden en te laten stralen, zodat het kan verlichten daar waar het op dat moment het hardst nodig is, kies ik er voor om wat langzamer te gaan lopen.

Een goede herfsttijd wens ik U allen toe.

(José Berlage-Veldhuizen, schoolkrant Vrijeschool Brabant, okt.*1996)
‘

St.-Maarten: alle artikelen

938-868

VRIJESCHOOL Vertelstof – biografieën – Senefelder

.

Alois Senefelder
.

Uitvinder der steendrukkunst
.

Meer dan drie eeuwen na het uitvinden van de boekdrukkunst, om precies te zijn in het jaar 1771, werd Alois Senefelder geboren. Zijn vader was toneelspeler en bevond zich op dat ogenblik met zijn vrouw te Praag om daar een gastvoorstelling te geven. Toen Alois groter werd en ook toneelspeler wilde worden, maakte zijn vader er bezwaar tegen dat zijn zoon op de planken kwam. Hij had een heel andere loopbaan voor hem gedacht en stuurde hem naar de universiteit om rechten te studeren. De vader van Alois stierf echter al op jeugdige leeftijd, het gezin bleef onverzorgd achter. Alois moest zijn studie opgeven, doch hij ging niet bij de pakken neerzitten en probeerde op allerlei manieren geld te verdienen. Eerst zocht hij een kantoorbetrekking, toen hij hierin niet slaagde ging hij proeven nemen met verfstoffen, maar ook dit leverde niets op; daarop zocht hij zijn heil als dichter en schrijver. Dit laatste is de aanleiding geweest tot zijn latere zo belangrijke uitvindingen.

Zijn tweede grote werk, het ridderspel Mathilde von Altenstein, maakte hij naar de zin van de uitgever niet snel genoeg af, er ontstond daarop onenigheid, waarna Senefelder het eigenlijk maar zelf wilde uitgeven. Daar hij echter over weinig of geen geldmiddelen beschikte, kwam hij op het idee het werk zelf te drukken. Maar er was ook geen geld genoeg voor het kopen van letters en andere drukkersbenodigdheden. Hij wilde het drukken toen anders proberen, door de letters in staal uit te houwen en de plaat dan in perenhout in te slaan, waarbij de letters verhoogd achterblijven. Het geheel kon dan als houtgravure afgedrukt worden. Ook probeerde hij de letters in spiegelbeeld op een met etsgrond overtrokken koperplaat te schrijven en ze daarna met salpeterzuur in te etsen, om vervolgens de plaat bij een koperdrukker te laten afdrukken. Dit lukte, maar hij had maar één koperplaat ter beschikking en moest deze na gebruik afslijpen en polijsten, wat veel tijd kostte, terwijl de plaat steeds dunner werd. Hij nam daarop een zogenaamde keltheimertegel, die voor schrijfoefeningen gebruikt werd en ging zich hierop oefenen in het schrijven. Op een keer was hij bezig te oefenen en moest gauw een waslijstje schrijven, de wasvrouw stond al te wachten, en daar hij geen papier bij de hand had, schreef hij op de tegel met een inktsoort, samengesteld uit was, zeep en zwartsel. Toen hij de plaat later schoon wilde maken, kreeg hij de idee om hem eerst te bewerken met salpeterzuur en ziet, de geschreven letters waren iets hoger op de plaat blijven staan. Door daarop de plaat in te zwarten kon hij er afdrukken van maken. Een zekere professor Schmid had ditzelfde al tien jaar eerder uitgevoerd, Senefelder was hiervan niet op de hoogte en later is tussen Senefelder en Schmid over deze kwestie een grote strijd ontstaan, wie nu eigenlijk de uitvinder was.

De legende vertelt dat Senefelder op zijn uitvinding gekomen is, door iets af te drukken op een slijpsteen, tijdens zijn werk als toneelmeester bij het hoftoneel te München. Dit moet echter maar een sprookje zijn, daar Senefelder deze functie nooit vervuld heeft. In een leerboek, dat later van zijn eigen hand verschenen is, schrijft hij wel het verhaal van het wasbriefje, zodat wij kunnen aannemen dat dit inderdaad de aanleiding tot zijn uitvinding geweest is.

Met de verkregen resultaten was Senefelder niet tevreden, hij deed steeds nieuwe proeven, had wel succes, maar het gevolg was dat hij op het laatst geen geld meer ter beschikking had, om zijn experimenten voort te zetten. Toen hij nu probeerde geld te krijgen, werd hem een aanbod gedaan om voor tweehonderd gulden de plaats in te nemen van een loteling. Hier ging hij grif op in, en tijdens zijn militaire dienst zag hij een oud gezangboek, waarin de muzieknoten zeer slecht waren afgedrukt; dit bracht hem op het idee dat hij met zijn methode veel beter muziek zou kunnen drukken. Na afloop van zijn dienstverband begon hij er dan ook mee en kwam hierdoor in contact met de hofmusicus genaamd Gleiszner. Samen stichtten zij de firma Gleiszner en Senefelder, die zich in het bijzonder toelegde op het drukken van muziekwerken, waaronder er verschillende waren van de hand van Gleiszner.

In 1796, het eigenlijke jaar van de uitvinding der lithografie of steendrukkunst, vond Senefelder een inktsoort uit die geschikt was om er mee op een steen te schrijven, tevens ontdekte hij toen de eigenlijke chemische steendrukmethode. Bij alle oude methoden van drukken komt de inkt hoofdzakelijk terecht op het verhoogde gedeelte der clichés en geven deze delen bij het afdrukken uitsluitend de inkt af. Bij de scheikundige methode is dit geheel anders, het is onverschillig of de tekening vlak of verhoogd is. Het komt er slechts op aan, dat op de af te drukken lijn zich zulk een materie bevindt waaraan de inkt kleeft, terwijl de rest van de figuur van zodanige substantie is dat de inkt daar juist niet aan vast houdt. Het verschil in het vastkleven der inkt bij het besmeren is dus geen verschijnsel ten gevolge van verschil in mechanische aanraking, maar zuiver een verschil in scheikundige geaardheid.

Senefelder die dit alles uitvond, was een veelzijdig genie en bezat een buitengewone arbeidskracht. Naast al deze uitvindingen heeft hij nog veel gedicht en gecomponeerd, terwijl hij vaak zijn eigen werk voordroeg. Ook schreef hij heel wat krantenpolemieken en toen hij eens in Londen was en daar hoorde dat de Engelse koning 33000 pond beschikbaar stelde voor de uitvinder van een bestuurbare luchtballon, sloot hij zich vier weken in een bibliotheek op om er een studie van te maken. Na afloop van die vier weken besloot hij er maar mee uit te scheiden en zich weer bezig te houden met zijn steendrukkunst. In 1834 stierf deze man, van wiens uitvindingen wij thans nog steeds profijt trekken. Ter zijner nagedachtenis werd te München zijn borstbeeld opgericht.

alle biografieën

937-867

VRIJESCHOOL – Waarschuwing: valse informatie op Wikipedia

 

VRIJESCHOOLONDERWIJS op Wikipedia

Wat zegt Wikipedia over zichzelf:

‘De artikelen in deze encyclopedie worden geacht een neutraal standpunt uit te dragen. Wikipedia is in principe door iedereen te bewerken. Dat is ook een van de redenen dat Wikipedia geen garantie voor de juistheid en evenwichtige kwaliteit van de informatie kan geven. Daarnaast is, door het open karakter van het project, de kans op vandalisme altijd aanwezig’.

Het artikel ‘vrijeschoolonderwijs’ is voor het grootste deel geschreven door dezelfde figuur die vanaf deze blog – zonder mijn toestemming – dus gestolen – vele artikelen op een eigen blog heeft geplaatst.

Over het betreffende artikel.

VRIJESCHOOL – 5e klas – geschiedenis (3-2)

Nebukadnezar

.

Ten tijde van de geboorte van Nebukadnezar was zijn vaderland Babylonië een provincie van het machtige Assyrische Rijk. Toen Nebukadnezar68 jaar later  overleed, was hij de heerser van een norm Babylonisch Rijk, dat niet alleen Assyrië, naar ook  de meeste voormalige provincies omvatte. Hij regeerde zijn enorme gebied vanuit het prachtige paleis met de ‘hangende tuinen’ in Babylon. Tot zijn horigen behoorden ook de ‘kinderen Israels’ die hij vanuit Judea had laten wegvoeren en die hij in Babylon in ballingschap hield.

Deze verbazingwekkende omwenteling werd teweeggebracht door Nebukadnezar en zijn vader Nabopolassar. Zijn vader was tijdens de Assyrische heerschappij gouverneur in het zuidelijk deel van Babylonië. Hij zag dat de macht van de Assyrië afnam en kwam in opstand. Hij bevrijdde heel Babylonië. Daarna sloot hij een bondgenootschap met de koning van de Meden. Samen trokken ze op tegen Assyrië en verwoestten de hoofdstad Nïneve. Nebukadnezar begon zijn militaire loopbaan aan de zijde van zijn vader.
Zijn grootste overwinning behaalde Nebukadnezar toen hij nog kroonprins was. Dit was in een zeeslag tegen de Egyptenaren in 605 v. Chr. bij Karkemisj aan de Eufraat. De Egyptenaren waren opgerukt door Syrië en Palestina. Ze bezetten de gebieden die door de vluchtende Assyriërs werden
verlaten, in een poging hun oude bondgenoten voor de beslissende nederlaag te behoeden. Maar zelfs de Egyptische legers waren niet in staat de Assyriers te redden. Ze werden door Nebukadnezar vernietigend verslagen en moesten naar Egypte vluchten. Daardoor kregen de Babyloniërs de kans het hele gebied te veroveren. Nebukadnezar achtervolgde de Egyptenaren helemaal tot aan de Egyptische grens. Toen ontving hij het bericht dat zijn vader was gestorven en dat hij terug moest naar Babylon om daar de troon te bestijgen.

In de jaren daarna leidde Nebukadnezar vele veldtochten naar Syrië en Palestina. Hij deed dit om zijn rijk veilig te stellen en uit te breiden en om de opstanden – die meestal door de Egyptenaren werden uitgelokt – te onderdrukken.

Judea was een van de lastigste van zijn vazalstaten. Deze Hebreeuwse staat in Palestina had Jeruzalem als hoofdstad. In 600 v. Chr. kwam Judea in opstand tegen de Babylonische overheersing. Dit kon gebeuren omdat Nebukadnezar in een slag tegen de Egyptenaren zware verliezen had geleden en naar Babylon was teruggekeerd om na te denken over een nieuwe strategie. In 598 v. Chr. keerde hij naar Palestina terug en een jaar later viel hij Judea binnen. Hij trok Jeruzalem binnen en nam de koning mee naar Babylon. In 588 kwam Judea wéér in opstand. Deze keer werd Jeruzalem door Nebukadnezar belegerd. De stad gaf zich in 586 over. Nebukadnezar liet de stad plunderen en verwoesten. Ook de tempel van Salomo werd met de grond gelijkgemaakt. De meeste van de inwoners werden naar Babylon weggevoerd, waar ze 60 jaar in gevangenschap doorbrachten.

De stad waar de Hebreeërs terechtkwamen, was in die tijd de mooiste van de wereld. Nebukadnezar besteedde aan het opbouwen van Babylon evenveel aandacht als aan het instandhouden van zijn rijk. Onder zijn leiding werden er rond de stad een brede gracht gegraven en twee hoge muren opgetrokken. Een processieweg, bestraat met kalksteen, kwam door de Ishtarpoort de stad binnen en liep langs het koninklijk paleis en langs alle belangrijke tempels naar de rivier de Eufraat. Vele van de poorten en muren waren bedekt met geglazuurde tegels, met afbeeldingen van dieren. Nebukadnezar liet zijn paleis rond een aantal open binnenplaatsen bouwen. Op grote delen van het dak werden terrassen met tuinen aangelegd. Deze ‘hangende tuinen’ werden later door Griekse reizigers ‘één van de zeven wonderen van de Oudheid’ genoemd.

Nebukadnezar verliet in 567 v. Chr. voor de laatste keer de pracht en de luxe van Babylon, om ten strijde te trekken tegen de Egyptenaren. Het is bekend, dat hij de Egyptenaren in de buurt van hun land bestreed. Over de afloop van de veldslag is echter niets bekend. Er zijn maar weinig verslagen  over de laatste jaren van zijn heerschappij. In het Oude Testament wordt verteld, dat hij in deze
jaren waanzinnig werd, maar men heeft daarvoor geen bewijzen gevonden. Men acht het waarschijnlijker dat hij tot zijn dood het uitgestrekte rijk nog steeds doeltreffend regeerde. Het rijk waarvoor Nebukadnezar zo hard had gevochten bleef na zijn dood niet lang bestaan. Zijn opvolgers waren te zwak om de groeiende macht van de Perzen in het oosten te weerstaan. Binner paar jaar was Babylon weer onderworpen aan vreemde heerschappij, toen als deel van het Perzisehe Rijk.

Assurbanipal 4

5e klas: alle artikelen

935-866

VRIJESCHOOL – 5e klas – geschiedenis (3-1)

.

assurbanipal
.

Assurbanipal was de belangrijkste van de vele heersers van Assyrië. Dat hij dit is geworden had hij vooral te danken aan de leermeesters van zijn jeud. Een van zijn leermeesters was een generaal die hem alles leerde over de wrede oorlogsmethodes waarmee zijn voorvaderen het Assyrische Rijk hadden opgebouwd. Dit behelsde  het omsingelen en belegeren van de vijand, het plunderen en verwoesten van overwonnen steden, het wegvoeren van totale bevolkingen om opstanden te voorkomen.

Tijdens zijn koningschap liet Assurbanipal in zijn hoofdstad Nineve vele tempels en paleizen bouwen. Hij stichtte de eerste grote bibliotheek van de wereld en vulde deze met systematisch gerangschikte tabletten waarop in spijkerschrift onderwerpen als wetenschap, taal en geschiedenis werden beschreven. Ook werden op deze manier de fabels en heldendichten van die tijd en uit het verleden vastgelegd. Veel van wat we tegenwoordig over de Oudheid w eten, komt uit deze bron.
Het Assyrische Rijk werd opgebouwd vanuit Asyrië zelf. Het lag in het noorden van Mesopotamië en het was de beschaving, die ontstond na die van Sumer en Akkad. Vanaf de dertiende eeuw v. Chr. groeide het rijk onder de regering van opeenvolgende koningen onder wie Ttgiatpiler I en III, Asurnasirpal II. Sjalmaser III
en V, Sargon, Sennacherib en Esarhaddon, de vader van Assurbanipal.

Esarhaddon veroverde Egypte. Het werd zijn laatste overwinning, want hij stierf kort na de beslissende veldslag. Assurbanipal werd tot koning gekroond. De afgezette Egyptische vorst putte daaruit moed en probeerde zijn troon te heroveren. Assurbanipal was daardoor gedwongen tegen Egypte ten strijde te trekken. Er waren twee veldtochten nodig om de orde te herstellen. Assurbanipal veroverde en plunderde de oude hoofdstad van Egypte, Memphis, en de nieuwe hoofdstad, Thebe.

Een veel grotere bedreiging voor zijn heerschappij kwam uit Babylonië, ten zuiden van Assyrië. De jongere broer van Assurbanipal, Sjamasj-sjoem- oekin, was daar de machthebber. De jongere broer regeerde 16 jaar onder toezicht van de regering in Nineve. Maar na verloop van tijd kwam Sjamasj-sjoem-oekin onder invloed van het nationalisme van de Babyloniërs en andere onderworpen volkeren, zoals de Arabieren en de Elamieten. In 652 v. Chr. kwam hij in opstand tegen de Assyrische heerschappij. Assurbanipal reageerde op de opstand, door Babylon te belegeren. Hij wachtte rustig totdat de inwoners waren uitgehongerd. Twee jaar nadat het beleg was begonnen, doodde Sjamasj-sjoem-oekin zichzelf door in de vlammen van zijn brandend paleis te springen. De stad hield het nog twee jaar vol voordat de inwoners zich overgaven. Assurbanipal liet Babylon plunderen, maar in plaats van de verwoesting te voltooien liet hij de stad herbouwen en benoemde een Babyloniër als plaatselijk heerser.
De bondgenoten van de Babyloniërs, de Arabieren en de Elamieten, weigerden hun verzet te staken en  vochten in hun eigen landen verder. Het kostte Assurbanipal weinig moeite de Arabieren te verlsaan. Maar met de Elamieten was dat minder eenvoudig. De oorlog tegen hen woedde negen jaar. In 639 v. Chr. werd eindelijk de Elamietische hoofdstad Susa door de Assyriërs ingenomen en gebrandschat.

Er is weinig bekend over de laatste 12 jaar van de regering van Assurbanipal. Het grootste deel van het rijk bleef intact en er heerste voorspoed. Het werd door de provinciale gouverneurs kundig geregeerd. Ze konden daarbij rekenen op de steun van de Assyrische garnizoenen. De koning koos waarschijnlijk, net als zijn vader, twee van zijn zoons als troonopvolgers. Maar de opvolgers van Assurbanipal waren niet in staat een oplossing te vinden voor de problemen die hij achterliet. De voortdurende veldslagen hadden vele mensenlevens geëist. Dit leidde ertoe dat latere koningen voor hun legers afhankelijk waren van buitenlandse soldaten.

De koninklijke schatkist was door het enorme bouwprogramma en het weelderige hofleven van Assurbanipal leeggeraakt. In 612 v. Chr. werd Nineve door de samenwerkende Babyloniërs en Meden ingenomen en geplunderd. De Assyriërs vochten verder, maar ze werden al snel verslagen. De meesten van hen, in het bijzonder de ambachtslieden, werden tot slaaf gemaakt.

Vrijwel alle volkeren uit de Oudheid hebben tot de tegenwoordige tijd hun stempel op de beschaving gedrukt. Dat is met de Assyriërs niet het geval. Ze zijn werkelijk volledig in andere culturen opgenomen. Er zijn slechts de ruïnes van de Assyrische steden en de grote bibliotheek, om ons te herinneren aan het eens zo machtige Assyrische Rijk en de laatste grote leider, Assurbanipal.

Assurbanipal 1Assurbanipal op leeuwenjacht. De jacht was een van de favoriete vrijetijdsbestedingen van de Assyrische adel. Deze illustratie is een deel van een Assyrisch reliëf.

Assurbanipal 2

 

De wederopbouw van Nineve is vastgelegd op dit spijkerschrift-kleitablet. Het tablet is gevormd als een achthoekig prisma en beschrijft de 15 poorten die naar de stad leidden en het plan voor de aanleg van een park. Assurbanipal was in zijn tijd een toonaangevend geleerde. Hij was degene, die opdracht had gegeven voor de bouw van de schitterende bibliotheek in Nineve. Dit kleitablet en vele andere met spijkerschrift beschreven tabletten werden hier opgeslagen. Ze behandelden vele onderwerpen. Assurbanipal herbouwde Assurbanipai herbouwde Nineve tot de mooiste stad van de Oudheid. Van het Assyrische rijk maakte hij een wereldmacht.

Assurbanipal 3

Een reconstructie van Nineve, de hoofdstad van Assurbanipal. Op de afbeelding staan de paleizen van Nimrod kort nadat ze werden voltooid. De paleizen stonden aan de oever van de rivier de Tigris. Men kan zich er slechts een voorstelling van maken hoeveel vakmanschap en inzet er nodig was om – met slechts de primitiefste werktuigen als hulpmiddel – deze indrukwekkende bouwwerken tot stand te brengen. Deze illustratie komt uit het boek De Monumenten van Nineve van Austin Layard.

5e klas: alle artikelen


934-865

VRIJESCHOOL – 1e klas – impressie

een kijkje in de eerste klas
.

De eerste weken in de eerste klas hebben de kinderen o.a. veel liedjes gezongen, ritmes geklapt en gestampt en zich kunnen inleven in de beeldenwereld van de sprookjes.

Hoe leid je nu de kinderen binnen in hun nieuwe rijk? Enkele voorbeelden mogen dit misschien een beetje verduidelijken;
“s Morgens (in de Michaëlstijd)  in het hoofdonderwijs zing ik meestal enkele liedjes met de kinderen bijvoorbeeld ’t Michaëlslied:

‘Michaël, sterrenheld, kom ons te hulp hier op aarde;
Michaël, overwin de draak, de ddraak die ons steeds wil belagen,
Michaël, sta ons bij!’

Samen met de kinderen gaan we het nieuwe lied direct 1 of 2 keer zingen, daarna 1 à 2 keer de woorden langzaam en duidelijk uitsprken, waarna we het gezamenlijk nogmaals zingen. Hierna zingt een gedeelte van de klas (bv. alle meisjes, een bepaalde rij enz.) en luistert de rest van de klas (en uiteraard omgekeerd) Tenslotte wordt het lied opnieuw door de hele klas 1 of 2 keer gezongen. Het- zingen herhaalt zich op deze wijze enige dagen achtereen.

Het lopen van bepaalds ritmes (oriëntatie en beleven van en in de ruimte) begint met eenvoudige oefeningen. In de herfsttijd maak je enkele korte 3 tot 4-regelige gedichtjes als b.v.

‘Alle blaadjes dwarr‘len in het rond;
zie, daar liggen ze op de grond.n

Dit versje ga ik hooguit éénmaal zeggen met de kinderen; (ieder kind op zijn plaats), hierna gaan we meteen het ritme lopen in de kring. Dit gaat als volgt:
Alle in het gedichtje onderstreepte  woorden of woorddelen worden (aanvankelijk door mij, later door de kinderen) bij ‘t uitspraken beklemtoond en terwijl het kind deze woorden (woorddelen) spreekt, doet het tegelijkertijd een stop voorwaarts; na het woord ‘rond’ volgt een korte rust (bv. 2 tellen) waarna op de bovenstaande manier de rest van het gedichtje wordt gedaan. Na ‘grond!’ rapen de kinderen -als het ware- zoveel mogelijk blaadjes van de aarde, gooien ze in de lucht en laten ze dwarrelen -maken dwarrelende bewegingen. Hierna wordt het gedichtje herhaald. Soms wordt het door één jongen of één meisje apart gedaan, daarna weer door de hele klas.

Als de kinderen naar een verhaal geluisterd hebben, bv. over ‘De Bijenkoningin’,  leren ze vanuit dat verhaal een rijmpje of versje en/of liedje; zo’n rijmpje kan dan bijvoorbeeld zijn:

“De prins beschermt de bijen tegen het vuur,
de bijen helpen hem van uur tot uur’.

Het rijmpje wordt vele keren voorgesproken, waarna het door de kinderen wordt n1a-gesproken.
Dit gebeurt, opdat de kinderen zich het verhaal over de bijen kunnen herinneren, wanneer erop teruggekomen wordt in een latere taalperiode, waarbij dan tevens de ‘bijenletter’ tevoorschijn komt.

(1978, nadere gegevens ontbreken)

1e klas: alle artikelen

933-864

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Coster, Gutenberg, Manutius

.

Laurens Janszoon Coster, Gutenberg en Manutius
.

Uitvinders van de boekdrukkunst
Eeuwen en eeuwen geleden hebben vernuftige en onbekend gebleven mannen in China al ontdekt, dat men lettertekens in blokken hout kon graveren en dat men deze kon gebruiken, om de tekens op papier af te drukken. Door die blokken in een rij onder elkaar te leggen, kon men zo hele volzinnen drukken. Wie de eigenlijke boekdrukkunst heeft uitgevonden, zal men wel nooit weten. Volgens sommigen was het Laurens Janszoon Coster uit Haarlem, volgens anderen Johann Gutenberg uit Mainz.
Laurens Janszoon Coster werd te Haarlem geboren en leefde daar in de vijftiende eeuw. Zijn vader stamde uit een zijtak van Brederode, een der meest aanzienlijke geslachten in Nederland. Coster voerde evenmin als zijn vader de familienaam, maar volgde de gewoonte van die tijd door alleen zijn vaders doopnaam bij de zijne te voegen. Men neemt algemeen aan, dat Laurens Janszoon het kostersambt van de grote kerk te Haarlem vervuld heeft. Voor de kerkhervorming was dit ambt geheel iets anders dan thans, het was in die tijd een zeer aanzienlijke betrekking; de koster was in het bijzonder belast met het bewaren van de kerksieraden en met het beheer van de eredienst. Dit kostersambt, dat later ook door andere familieleden van hem vervuld werd, is de oorzaak dat deze titel tot familienaam geworden is. Naast zijn kostersbetrekking is hij koopman in wijn, kaarsen, olie en zeep geweest. Sommigen beweren dat hij tevens herbergier was, anderen daarentegen merken op, dat dit niet het geval was, maar dat alleen de wijn bij vergaderingen gebruikt op zijn naam uit de stads- of raadskelder werd afgegeven. Hij bekleedde namelijk ook nog verschillende belangrijke betrekkingen in het stadsbestuur, zoals lid der vroedschap, schepen en thesaurier der stad Haarlem en woonde uit dien hoofde vele belangrijke vergaderingen bij.
Dat Laurens Janszoon de boekdrukkunst uitgevonden heeft, staat niet onomstotelijk vast, er wordt vaak over de Costerlegende geschreven, die opgetekend is door een Hollandse geneesheer en geschiedschrijver Hadrianus Junius. Daar het hier de plaats niet is, om er over te redetwisten wie gelijk heeft, willen wij volstaan met het neerschrijven van deze Costerlegende. Junius baseert zijn uitspraak dat Coster de uitvinder der boekdrukkunst is op inlichtingen, die hij verkreeg van bepaalde ingezetenen van Haarlem. Hij schrijft, dat Coster omstreeks 1440* op zekere dag in de Hout wandelde, een oude gewoonte van vele Haarlemmers. Al wandelend sneed hij enkele letters uit de bomen; toen deze op de grond vielen, ontstond er een afdruk in het zand. Hij nam ook proeven om met deze letters afdrukken op papier te maken. Zijn schoonzoon was hem hierbij behulpzaam en samen ontdekten zij een betere inktsoort. Al spoedig ging Coster ertoe over, de beukehouten letters te vervangen door loden en daarna door tinnen. Van deze tinnen letters zijn later wijnkannen gemaakt, die in het Costerhuis te Haarlem bewaard werden. De boekdrukkunst bloeide sterk op en Coster moest zijn bedrijf uitbreiden; hiertoe nam hij verschillende leerlingen in dienst. Een van hen, een zekere Johann, leerde het lettergieten en zetten en toen hij hierin goed bedreven was, nam hij op een Kerstnacht, toen iedereen naar de kerk was, de gelegenheid waar, om met de gehele lettervoorraad er van door te gaan. Hij vluchtte via Amsterdam, Keulen naar Mainz en opende daar een drukkerij.
Dit hele verhaal ontstond uit de overlevering; het was eertijds door een zekere boekbinder Cornelis aan een leermeester van Junius verteld. Inderdaad heeft men kunnen vaststellen dat er tussen 1474 en 1522 in Haarlem een boekbinder van die naam bestaan heeft. Tegen dit alles dient echter ingebracht te worden, dat geen van de vroegdrukken uit Mainz of omgeving het lettertype vertoont van de primitieve Hollandse druk. Technisch heeft men met zekerheid kunnen vaststellen, dat de te Mainz ontwikkelde boekdrukkunst niet afkomstig is uit Holland. Er zijn later wel primitieve stukken Hollands drukwerk gevonden; de tekst dezer stukken is niet alleen in het Hollands gedrukt, maar de ontworpen lettertypen zijn sterk gelijkend op de toentertijd in Holland geschreven letters. Enkele dezer bladen zijn gevonden in de banden der rekeningboeken van de Haarlemse kerk en dateren uit 1474 en later, ook is bekend dat Cornelis ze gebonden heeft.
Uit het bovenstaande moeten wij zeker concluderen, dat wat ieder op school leert, als zou Coster de boekdrukkunst uitgevonden hebben, niet zonder meer aangenomen mag worden.
Johann Gutenberg, omstreeks het jaar 1398 te Mainz geboren, heet in zijn land ‘de Vader van de boekdrukkunst’. Zijn eigenlijke naam was Gensfleisch, maar hij adopteerde de naam van de geboorteplaats van zijn moeder, de stad Gutenberg.
Toen hij twintig jaar was en een goede school had doorlopen, verliet zijn familie Mainz en vestigde zich te Straatsburg. Johann had een grote aanleg voor werktuigkunde en was een knap mecanicien. Het is niet bekend onder welke omstandigheden zijn neiging tot het maken van lettertypes en drukletters zich begon te ontwikkelen. Misschien had hij iets gehoord over het boekdrukken in China, maar het kan ook zijn, dat hij op de gedachte is gekomen door het gebruik van zegels. Reeds op middelbare leeftijd was hij zo bedreven in het maken van drukletters, dat hij het plan opvatte boeken te drukken.
Gutenberg was voor geen kleintje vervaard; als eerste begin wilde hij niet minder dan het boek der boeken, de Latijnse bijbel, gaan drukken. Natuurlijk had hij daarvoor geld nodig. Hij kende een rijke goudsmid in Mainz, Johann Faust; misschien voelde die er iets voor een flinke duit te verdienen. Hij zocht Johann Faust op en zei: ‘Zie je die bladzijde? Heb ik dat geschreven? Of heeft iemand anders het geschreven? Mis! Dat heb ik niet geschreven, maar ik heb het in een ommezien gemaakt. Ik heb de letters gesneden in houtblokjes, de blokjes naast elkaar gelegd, er inkt op gesmeerd en er papier op gelegd. Daarna heb ik een rol genomen en hier is de afdruk, minstens zo goed als het handschrift van een schrijver. Je weet zelf wel, hoe duur manuscripten zijn; alleen mensen met heel veel geld kunnen zich de weelde veroorloven ze te kopen. Op mijn manier zal iedereen ze kunnen aanschaffen. Hier valt geld te verdienen, Johann Faust; Ik ga een groot aantal afdrukken maken van de complete bijbel. Denk eens aan wat die zullen opbrengen! Een fortuin zit erin, maar dan moet je beginnen de noodzakelijke kosten voor te schieten.’ Na lang aarzelen stelde Faust hem een som gelds ter hand om te kunnen beginnen en hij beloofde hem verder te helpen, als hij tekort kwam. Gutenbergs eerste werk was het huren van een graveur, om lettertypes te maken. Hiervoor koos hij Peter Schöffer uit, een bekwaam vakman, die zijn uiterste best deed om mooie letters te maken. Toen begonnen Gutenberg en een paar assistenten de letters te zetten, de bladzijden te drukken en te binden. Zo maakten ze een aantal afdrukken van de bijbel. Het werd een boekwerk van 1282 bladzijden in twee kolommen en tweeënveertig regels per kolom. Eén exemplaar van die bijbel is voor 1½ miljoen dollar door de regering van de Ver. Staten gekocht en ondergebracht in de bibliotheek van het Congres in Washington D. C.**; er bestaan nog slechts twee exemplaren van de bijbel van Gutenberg op de hele wereld.
Dat had Johann Faust eens moeten weten! Hij had zich door de
welbespraaktheid van Gutenberg laten overreden, maar was niet erg enthousiast gestemd over de afloop van de onderneming. In 1450 had hij hem 800 gulden voorgeschoten en die waren in 1452 op. Opnieuw ging Gutenberg naar hem toe en opnieuw gaf Faust hem, ditmaal na lang tegenstribbelen en zeker niet van harte, 800 gulden. Het is mogelijk, dat Gutenberg minder bijbels verkocht dan hij verwacht had; misschien besteedde hij het geld ook voor andere doeleinden. In ieder geval deed Faust hem een proces aan, dat hij in 1445 won. Volgens sommigen liet Faust toen alle lettertypes en de hele inventaris van de boekdrukkerij in beslag nemen en nam Peter Schöffer in dienst om de drukkerij voort te zetten. Vast staat echter, dat in 1457 het eerste boek verscheen met de naam van de drukker en de datum, waarop het gedrukt was: het psalmboek van Mainz, gedrukt door Johann Faust en Peter Schöffer. Naderhand hebben die twee samen nog een aantal andere boeken gedrukt en uitgegeven. Gutenberg bleef in Mainz en ging door met het drukken, maar verkeerde steeds in grote geldelijke moeilijkheden, want hij leende voortdurend geld en slaagde er niet in zijn schulden af te lossen. Later kreeg hij een rijksbetrekking met een klein salaris en stierf in 1468 op bijna zeventigjarige leeftijd.
Toen Gutenberg aan zijn bijbel werkte, was Teobaldo Mannucci (een Italiaan), of ‘kleine Aldo’, zoals hij genoemd werd, een jongetje van een jaar of vijf. Zijn familie was rijk en gaf hem een uitstekende opvoeding. Eerst had hij een paar gouverneurs, die hem thuis onderwijs gaven en later kreeg hij onderricht van bekende mannen in Rome en Ferrara. Op een goede dag maakte hij kennis met een boekdrukker en van die dag af dateert zijn geestdrift voor het boekdrukkersvak. Teobaldo Mannucci was een aristocraat met innemende manieren en daaraan is het waarschijnlijk toe te schrijven, dat hij grote sommen gelds los wist te krijgen van invloedrijke mannen. Met dat geld begon hij eerst de boeken te drukken, waarvan hij het meest hield. Hij vestigde zich in Venetië en ging daar om met geleerden, die zich in de conversatie uitsluitend van het klassieke Grieks bedienden. Samen lazen zij kostbare, op velijn (kalfsperkament) geschreven boeken, door broodschrijvers gekopieerd van de Griekse klassieken. Hij was diep onder de indruk van de grote wijsheid en schoonheid, die hij in die boeken vond en van de fijne geest, die eruit sprak. Als hij deze geschreven boeken drukte, zou hij een werk verrichten, dat de mensheid ten goede kwam, want dan zouden veel meer mensen in staat zijn ervan te profiteren. Achtereenvolgens drukte hij toen de filosofie van Aristoteles, de blijspelen van Aristophanes, de treurspelen van Sophocles, de geschiedkundige werken van Herodotus en Xenophon, de redevoeringen van Demosthenes, de gedichten van Pindarus en het Symposion en de Staat van Plato.
Van 1490 tot 1515, het jaar van zijn dood, had Aldo Mannucci, of Manutius, voor niets anders aandacht dan voor het drukken van Griekse, Latijnse en Italiaanse manuscripten, waaronder ook die van Dante en Petrarchus.
Omdat Manutius zelf zoveel van de klassieken hield en wenste, dat ze onder de ogen van zoveel mogelijk mensen zouden komen, maakte hij zijn boeken in klein formaat en stelde de prijs niet hoog. De druk was echter uiterst verzorgd en de uitgave zo aantrekkelijk, dat men zijn boeken niet kon zien zonder de lust bij zich te voelen opkomen, ze ook te lezen. Hij vond ook de cursiefdruk uit, waardoor de illusie werd gewekt, dat men een geschreven boek las.
Toen Aldo Manutius in het vijfenzestigste jaar van een welbesteed leven, gewijd aan de beschaving, stierf, zetten zijn zwagers en zijn zoon – later ook zijn kleinzoon – zijn werk voort. De familie Manutius drukte en publiceerde in totaal ruim negenhonderd boekwerken in Ventië, voornamelijk van de klassieken. De boeken, die van de pers van Aldo Manutius kwamen, verwierven om hun verzorgde uitgave en elegante verschijning grote vermaardheid; ze hadden als kenteken een anker en een dolfijn. De boeken verschenen in de zestiende eeuw; thans, in de twintigste eeuw, behoren de aldine-uitgaven voor de bibliofielen tot de meest gezochte ter wereld, en in Engeland heeft men zelfs aan sommige, in typografische zin buitengewoon geslaagde en aan zeer hoge esthetische eisen voldoende edities het epitheton aldine gegeven. Groter en meer verdiende eer heeft het nageslacht Aldo Manutius, een van de pioniers van de boekdrukkunst, niet kunnen bewijzen.
* De keuze van het jaar 1440 berust echter op traditie, daar er geen enkele aanwijzing bestaat voor dit bepaalde jaar. In de jaren 1740, 1840 en 1940 zijn echter ondanks dit feit een groot aantal gedenkboeken verschenen.
**Washington D. C. aan de rivier de Potomac, de hoofdstad der Ver. Staten in het District of Columbia.
‘
932-863

VRIJESCHOOL – 5e klas – geschiedenis (2-4)

.

zie de inleiding op deze artikelen

De volkerensmeltkroes aan de Eufraat en TiGris

Er is misschien geen streek op aarde, waar zoveel verschillende volkeren zijn samengekomen. In vele sagen wordt de wieg der mensheid in Mesopotamië gelegd.

voor de leerkracht

Veltman blz. 22

De eerste cultuurscheppers in het Tweestromenland zijn de Sumeriërs
(Gilgamesh). Bij de Sumerische cultuur wordt geleidelijk beeldbewustzijn vervangen door eigen denken, kosmologie door astronomie, sociale kosmische ordening door regeling van staatswege (wetten).

Het is niet toevallig dat de Sumeriërs het schrift uitvinden, dat al snel tot een abstract letterschrift wordt. Er moest nl. door documenten bewaard worden wat eerst door onmiddellijk schouwen werd waargenomen. De hemelse kroniek gaat in de menselijke over. De beeldentaal wordt tot begripstaal. Uit de smeltkroes komt de Babylonische spraakverwarring. Nog veel oude wijsheid is te vinden in de Sumerische wereldbeschouwing. Naast de exoterische maat- en
getalwetenschap
der Babyloniërs blijft een esoterische stroming van Sumero-Chaldeërs lopen. Door het centraal-aziatisch mysteriecentrum van Manu werden er drie belangrijke sociale cultuurimpulsen gegeven.

1.India (behoeden van de godsdienst)

2.Perzië (landbouw, veeteelt, economie)

3.Sumer-Akkad (staatvorming en recht)

Sumerië bewaarde de impuls het zuiverst. Akkad heeft veel Turanische invloed. De Assyriërs staan het meest onder de Turanische Marsimpulsen.

Uit deze smeltkroes komt de Israëlitisch-Joodse ontwikkelingslijn.

Abraham komt uit Ur!

dictaat

Veltman blz. 23

Veltman blz. 24

De monding van Eufraat en Tigris met de oudste steden.

Babylonië en het tweestromenland.

In dezelfde periode waarin zich de ontwikkeling van Egypte voltrok, ontstond in Voor-Azië een grote cultuur in het Tweestromenland. Deze cultuur is niet zo’n geheel als de Egyptische en iets ouder dan deze. Het Tweestromenland, ook Mesopotamië geheten, is een brede vlakte, aan de noordzijde afgesloten door de hoge bergtoppen van Armenië, aan de oostzijde door de bergruggen van Iran, in het westen door de Syrische woestijn en in het zuiden door de Indische oceaan. In vroeger tijden was de brede vlakte, waardoor de twee grote rivieren Eufraat en Tigris stromen, een vruchtbaar paradijs. Thans is deze vlakte grotendeels woestijn, waaruit de oude steden als vervallen ronde kleiheuvels omhoogsteken. Al in 5000 v. Chr. was deze vlakte bewoond. Een volk, SUMERIERS geheten, trok door Perzië in oeroude tijden en vestigde zich aan de monding van de Eufraat. De Sumeriërs schreven op kleitafeltjes en er zijn vele sagen bewaard gebleven. Beroemd is hun verhaal van de schepping der wereld, dat aldus begint:

TOEN BOVEN NOG NIET BENOEMD WAS DE HEMEL,
HET VASTE BENEDEN GEEN NAAM NOG DROEG,
TOEN OERSCHEPPER APSU, OERMOEDER TIAMAT
MUMMU HUN WAAT’REN INEEN DEDEN VLOEIEN;
TOEN ER GEEN LAND WAS, GEEN RIET ZICH ROERDE,
GEEN NAAM NOG WEERKLONK EN GEEN LOT BESTEMD WAS…
TOEN ZIJN UIT DE DIEPTE DE GODEN ONTSTAAN.

De belangrijkste goden scheidden zich af van de oergrond. Dit waren

ANU – de hemelgod
ENLIL – de aardgod
EA – de wijze watergod.

De oerdraak Tiamat trachtte met behulp van een aantal monsters de nieuwe goden te vernietigen. Niemand durfde Tiamat aan te vallen. Ea’s zoon, de jonge, stralende MARDUK ondernam het waagstuk en hij kreeg de leiding van de goden. Marduk trok ten strijde, hij bliksemde Tiamat neer, scheurde haar in tweeën en schiep de hemel uit de ene, de aarde uit de andere helft. Daarna gaat hij voort met het scheppen van een nieuwe wereld.

TOEN MARDUK DER GODEN WOORD VERNOMEN HAD
KREEG HIJ HET PLAN OM IETS GROOTS TE SCHEPPEN.
HIJ OPENT DE MOND EN KEERT ZICH TOT EA,
EN DEELT HEM MEE DE GEDACHTE ZIJNS HARTEN:
“EEN GOD MOET MEN SLACHTEN
EN MET ZIJN VLEES EN MET ZIJN BLOED
MOET KLEI VAN DE AARDE WORDEN VERMENGD!
BLOED ZAL IK VERZAMELEN EN GEBEENTE,
DE MENS ZAL IK OP DE AARDE ZETTEN
DE MENS ZAL IK SCHEPPEN EN “MENS” ZAL ZIJN NAAM ZIJN.
DE GODEN TE EREN.’DAT ZAL ZIJN PLICHT ZIJN!
UIT BLOED EN GEBEENTE MAAK IK DE MENSEN
DE DIENST DER GODEN ZAL HUNNE TAAK ZIJN
ZIJ ZULLEN VOOR ALTIJD DE GRENSSTENEN ZETTEN
ZIJ ZULLEN DE DRAAGKORF IN HANDEN NEMEN
OM DE HEILIGE HUIZEN DER GODEN TE BOUWEN.
ZIJ ZULLEN DE LANDERIJEN VERDELEN
DOOR KANALEN DE LOOP VAN HET WATER RICHTEN,
DE LANDEN BEVLOEIEN, DE PLANTEN VERZORGEN,
ZIJ ZULLEN DE HUIZEN EN TEMPELS BOUWEN,
HET GRAAN OPSTAPELEN, HET VELD BEBOUWEN,
OPDAT HET VRUCHT DRAAGT EN RIJK WORDT DE AARDE”

ZO SCHIEP DAN DE MACHTIGE MARDUK DE MENSEN,
HET VEE SCHIEP HIJ OOK, EN HET WILDE GEDIERTE.
HIJ WEES DE TIGRIS EN EUFRAAT HUN BEDDING.
HIJ SCHIEP HET GRAS EN HET RIET DER MOERASSEN,
DE PALMEN, DE STRUIKEN EN GROENE GEWASSEN
DE VELDEN EN TUINEN, DE BOSSEN EN BERGEN…

Veltman blz. 25                                                                                              khshaa = koning
vergelijk Shah

Veltman blz. 26

de rots van Behistun

Een triomfmonument van de Perzische koning Dareios. Deze rotsinscriptie maakte het Sir Henry Rowlandson mogelijk om het spijkerschrift te ontcijferen, in Perzisch.(A en B) met de vertaling in het Babylonisch (C) en het Elamitisch(D). Koning Darius heft bestraffend de arm op tegen 9 oproerkraaiers
(stadhouders, die hij onderwerpen moest). Zijn voet staat op de valse Smerdis, die zich voor koning wilde uitgeven. Boven in de lucht zweeft Ahura Mazda.

Toen de Sumeriërs het mondingsgebied van Eufraat en Tigris bereikten, troffen zij daar uitgestrekte moerassen aan. Met veel ijver legden zij het land droog. Riet en klei was het enige materiaal waarover zij in overvloed beschikten. Op lage heuvels in het moerasland bouwden zij hun huisjes van riet en klei. Daken waren plat of gebogen, deuren en steunpalen waren van hout. Het drooggelegde land was vruchtbaar: gerst en vlas werden rijkelijk verbouwd. De Sumeriërs bezaten ook vee (koeien, schapen, geiten en varkens). Met bootjes, voorzien van een hoge, kromme voorsteven, bevoeren zij plassen en rivieren. De Sumeriërs waren niet alleen flinke boeren, maar ook ondernemende handelslieden. Uit de berglanden van Perzië voerden zij hout en vruchten, groenten, palmbomen en edele metalen in. Het eens zo moerassige land kreeg een geheel ander aanzien: Sumer werd een bloeiend akkerland met palmbomen, vijgenbomen, wijnstokken en bloemen.

De aard der Sumeriërs was mild en wijs. Zij waren gedrongen en stevig van gestalte, hun kaken waren breed, hun neus spits. Het voorhoofd was laag en de kin was gladgeschoren. Hun kleding bestond uit een lendenschort, later droegen zij een wollen mantel met een kap.
De sterrenkunde, de rekenkunde en de bouw- en edelsmeedkunst stond op een hoog plan bij de Sumeriërs. Ook ontwikkelden zij een letterschrift. De schrifttekens werden met een rietstengel in een vochtig kleitafeltje gedrukt. Het oudste schrift was een beeldschrift, zoals in Egypte, maar al spoedig kreeg iedere klank een speciaal teken. De vorm van de rietstengel gaf aan elke indruk een spijkerachtig of wijnachtig(?) aanzien. Het schrift uit Mesopotamië wordt “spijkerschrift” genoemd.

De Sumeriërs bouwden steden die tegen water (en vijanden) beschermd werden door aarden wallen. Huizen en paleizen werden van baksteen (in de zon gedroogd) en hout opgetrokken.Talloze kanalen en sloten doorsneden het land. Mesopotamië werd een vruchtbaar paradijs.

De stichter en inwijder van deze Sumerische cultuur is volgens de overlevering een strijdbaar held geweest. Gilgamesh heette hij en hij was koning over de stad URUK. Zijn lotgevallen zijn bewaard in een lang, verhalend gedicht (EPOS), geheel in spijkerschrift op klei geschreven.

Het begin van het Gilgamesh epos:

SHA NÁGEA IMÚRU                                 DIE ALLES ZAG,

ADI SHIDDI MÁTI                                     TOT HET EINDE DER WERELD;

SHA KULLATI IDU                                     DIE KENDE HET HEELAL

KALAMA IHSUSU                                       EN AL WAT BESTAAT;

PUZRAT IMMA                                            DIE ALLE GEHEIMEN

MITHÁRISH IHITU                                    WIST TE DOORGRONDEN

ENZ.                                                                DIE WIJSHEID BEZAT

EN ALLES UITVORSTE…

HIJ HEEFT HET VERBORGENE AANSCHOUWD
EN HET GEHEIM ONS GEOPENBAARD
HIJ BRACHT BERICHT VAN VOOR DE ZONDVLOED

GILGAMESH is voor 2/3 van goddelijke oorsprong, maar l/3 aan hem is sterfelijk en de geweldige held zal moeten sterven. Gilgamesh heerst met straffe hand over URUK. De goden scheppen hem een tegenstander, de harige ENDIKU. Gilgamesh weet echter deze wildeman met worstelen te overwinnen. Een hechte vriendschap ontstaat uit deze strijd. Samen overwinnen zij de reus CHUMBABA uit het cederbos, samen doden zij de hemelstier, die door de godin ISHTAR op aarde was gebracht. Gilgamesh heeft Ishtars gunst versmaad, de vertoornde godin neemt wraak. Endiku moet sterven, getroffen door de giftige adem van de hemelstier. Gilgamesh is ontroostbaar na de dood van zijn dierbare vriend. Hij staat voor het raadsel van de dood en hij begint een lange zwerftocht om de onsterfelijkheid te zoeken. Hij vindt Utnapishtim, de enige mens, die de zondvloed heeft overleefd en het eeuwige leven heeft verkregen. Utnapishtim vertelt zijn bezoeker van de zondvloed:

“ZODRA DE GRAUWE MORGEN AANBRAK,
STEEG VAN DE EINDER EEN ZWARTE WOLK,
WAARIN DE STORMGOD ADAD LOEIT.
EN VOOR HEM UIT TREKKEN HERAUTEN
SHULLAT EN CHANISH OVER HET BERGLAND.
DE SLUISPALEN RUKT NERGAL UIT,
NINURTA VERNIELT DE WERELDDAM!
DE GODEN DER DIEPTE ZWAAIEN FLAMBOUWEN,
DOEN HET LAND IN LAAIENDE GLOED ONTVLAMMEN.
ONTZETTING VOOR ADAD DRONG DOOR TOT DE HEMEL.
HET LICHT VERANDERT IN DUISTERNIS.
HET WIJDE LAND BREEKT ALS EEN AARDEN KRUIK….
EEN DAG LANG WOEDDE DE ZUIDERSTORM,
BLIES HAASTIG HET WATER TOT OP DE BERGEN
DE MENSEN STIERVEN ALS IN EEN VELDSLAG…
GEEN MENS ZAG DE ANDER…
VAN DE HEMEL UIT WAS GEEN MENS TE ZIEN…
DE GODEN SCHROKKEN VAN DEZE STORTVLOED
EN VLUCHTTEN NAAR DE HEMEL VAN ANU
EN HURKTEN DAAR ALS BANGE HONDEN.
EN.ISHTAR MET HAAR SCHONE STEM
KRIJST ALS EEN VROUW IN BARENSNOOD
DE WERELD VAN GISTEREN WERD TOT KLEI
WEE MIJ, WANT IK GAF SLECHTS RAAD
EN IK RIED DEZE ZONDVLOED AAN!
O MIJN MENSEN DIE IK VOORTBRACHT…
HEB IK HEN GESCHAPEN OM DE ZEE
TE VULLEN ALS VISBROED?
DE GODEN DER DIEPTE KLAAGDEN MEE,
DE GODEN ZATEN GEBOGEN EN WEENDEN…

De wijze Utnapishtim legde Gilgamesh een oefening op teneinde de onsterfelijkheid te verkrijgen: 7 dagen en nachten moest hij wakker blijven. Dan zal hij de goden ontmoeten. Gilgamesh faalt: hij slaapt in en onverrichter zake moet hij terugkeren naar Uruk. Utnapishtim wijst hem het “levenskruid” om hem voor alle vergeefse moeite te belonen, maar onderweg kaapt een slang het kruid weg.

Het raadsel van de dood heeft Gilgamesh niet opgelost en het blijft bestaan voor alle mensen, die na hem op aarde leven.

Veltman blz. 27

Veltman blz. 28

De Akkadiërs
Omstreeks 300 v. Chr. komt aan het vredelievend rijk van de
Sumeriërs een eind. De AKKADIËRS veroveren het. Deze Akkadiërs behoorden tot het Semitische volk, evenals Joden, Arabieren, Phoeniciërs en Syriërs. De Semitische volken zijn ijverig en bezitten een scherp verstand. Hun karavanen en vloten trekken naar alle windstreken om handel te drijven.
De Semiten waren geordend in familiegroepen. Het familieleven was zeer belangrijk voor hen. Zij wilden ook hun bloed zuiver houden en daarom sloten zij geen huwelijken met vrouwen uit andere volken. De oudste werd bij hen steeds als de wijste beschouwd. Hun god is “de god van hun vaderen”. Onder de Akkadische koning SARGON werden Sumeriërs en Akkadiërs tot één volk gemaakt. Hij stichtte een groot rijk met de stad BABYLON als hoofdstad. Het eerste Babylonische wereldrijk. In deze tijd ontstond een grote oorlogszuchtigheid onder de volken van Voor-Azië. Tevens kwam een machtige wil tot bouwen tevoorschijn. Grote steden verrijzen met muren en torens, tempels en paleizen.
Het Akkadisch is volkstaal geworden, maar het Sumerisch bleef de taal van priesters en ingewijden.

Onder koning HAMMURABI (+ 1880 v.Chr.) worden Sumeriërs en Akkadiërs nog steviger samengesmeed. De Sumeriërs moeten de lange Akkadische baard dragen, de Akkadiërs moeten de Sumerische kleding aantrekken.
Door het feit, dat in het rijk twee talen en tweeërlei gebruiken zijn, ontstaat voor het eerst in de geschiedenis een soort vergelijkende taalwetenschap: woordenlijsten, vertalingen en geschriften met taalregels zijn gevonden, die uit Hammurabi’s tijd dateren.
Ook was een wetgeving nodig: precieze regels en voorschriften, die aangeven, waarop ieder staatsburger recht heeft en hoe het recht van de een staat tegenover het recht van de ander.
De koning is een machtig heerser, maar ook hij moet zich houden aan de wet, die hij zelf gegeven heeft!

Hammurabi liet alle wetten des rijks optekenen in spijkerschrift op een twee meter hoge zuil. Deze zuil is bewaard gebleven. De wetten waren gegrond op de familieband en sterrenkunde. De priesters namen de hemellichamen waar en gaven aan,hoe men op aarde volgens de waarheden der sterrenwetten moest leven. De Babyloniers hadden een grootse sterrenkunde tot ontwikkeling gebracht,d ie invloed heeft tot in onze dagen.

De Babylonische goden werden “heer van hemel en aarde ” genoemd.
Wat hemelse wet was, moest ook op aarde gebeuren. De Babyloniërs deelden hun land in met grenspalen, genoemd naar sterrenbeelden. Zij gaven de tekens van de Dierenriem een naam; zij deelden het jaar in naar de loop van zon en maan. Zij maakten de indeling van 1 dag=12 uur, 1uur = 60 minuten, 1 minuut = 60 seconden. Zij ontwierpen de eerste tijdmeters : zand-en waterklokken.
Ook in de rekenkunde en meetkunde bezaten de Babyloniërs een grote vaardigheid. Van hen stamt de deling van de cirkel in 360 graden en de 4 hoofdbewerkingen bij het rekenen. Hun getalstelsel was 60-tallig. 12 dierenriemtekens keer 5 planeten). Onder de hemellichamen vereerden zij die het meest, welke het dichtst bij ons staan: Mercurius (EA), Venus (ISHTAR), Maan (SIN), Jupiter (MARDUK)  Adad (Mars), Anu (Saturnus), Shamash (Zon). De grote tempeltoren van Babylon of E-temen-ank bestond uit zeven verdiepingen; elke verdieping was gewijd aan een planeetgod en had een eigen kleur. Ook het lot van de mensen stond te lezen in de sterren.

Zo ontleenden de Babyloniërs hun ordening van het aardse leven aan de wetten des hemels.

ASSUR
Van het eerste Babylonische rijk heeft zich een volk vrijgevochten, dat honderden jaren geheel Voor-Azië zou doen sidderen. De hoofdgod van dit rijk heette Assur en daarom noemden deze mensen zich Assyriërs. Zij bezaten de scherpzinnigheid van de Semiten, het rekentalent van de Babyloniërs en de wreedheid van de Mongolen. Naast de edele cultuur der oude Sumeriërs en Akkadiërs is het Assyrische volk een duistere, bloeddorstige verschijning in de geschiedenis. De koningen zijn koel, wreed, bekwaam en zuinig. Zij schiepen een leger dat zijn gelijke niet had;e en zwaarbewapende slagorde van gepantserde speerdragers, ondersteund door boogschutters, troepen snelle ruiterij en strijdwagens, een artilleriepark met belegeringsmachines.

Onder de eerzuchtige koning TILGLATH-PILESAR bezwijkt het ene volk na het andere voor het geweld. Babylon wordt veroverd. Zelfs de machtige farao van Egypte buigt voor de Assyriër. Het Assyrische leger treft als een bliksemstraal. Geen volk kan het weerstaan. Oorlogsmachines (stormrammen en geschut)beuken de muren der steden tot puin.Wreed is het lot der gevangenen; mannen worden op palen gespietst, vrouwen als slavinnen weggedreven. Alle buit en kostbaarheden worden weggesleept om de Assyrische hoofdstad NINIVEH te verfraaien.
Onder koning ASSUR-NASIR-PAL is Assyrië een wereldrijk geworden. In vredestijd is de koning een groot jager. In de steppen jaagt hij de wilde stier, in het oosten, aan de Indische grens, de olifant.Vanaf zijn strijdwagen doodt hij in de loop van zijn leven 800 leeuwen, te voet verslaat hij er 120.

De latere koning ASSUR-BANI-PAL is bekend door zijn grote BIBLIOTHEEK. Alle kleitafels, die hij te pakken kan krijgen, sleept hij daarheen. Prachtige paleizen bouwt hij met reliefs, die zijn triomfen in oorlog en op jacht verheerlijken.
Maar in het jaar 612 v. Chr. heeft het uur der wrake geslagen. De onderdrukte volken staan tegen Assyrië op onder koning KYAXARES van Medië. De bloedstad Niniveh wordt ingenomen en verwoest. Het Assyrische rijk houdt op te bestaan.

Veltman blz. 29

Nebukadnezar bouwde een aantal tempels in het zjiidelijk deel van de stad opnieuw. Van de tempelwijk naar zijn paleis legde hij een grote weg aan, de “Processieweg”, die leidde door de mooiste poort van de stad, gewijd aan Ishtar. Daarachter lag het reusachtige koninklijke paleis en de regeringsbureaus. Boven alles uit stak de “Zikkurat” of tempelberg van Marduk, een ware “Toren van Babel”. Weelderige tropische plantentuinen verrezen op terrassen boven het koninklijk paleis. Deze tuin, de “hangende tuin”, was gebouwd ter ere van de Medische prinses Amites, die in de hete Babylonische vlakte heimwee had naar haar schone bergachtige paleistuinen in Medië. De Ishtarpoort, geheel bekleed met diep-blauwe, geglazuurde tegels, was versierd met stieren en draken.

De stad was ontzagwekkend versterkt met driedubbele muren, ook doorgetrokken langs de Euphraat. De grote buitenmuur omsloot voor een deel bouwland, zodat de inwoners bij een beleg voedsel van eigen stadsbodem konden krijgen. Ook groef Nebukadnezar een groot kanaal tussen eufraat en Tigris en liet tussen beide rivieren een sterke muur bouwen om de invallen der Meden af te weren, ca. 25 km benoorden Babylon. In de vruchtbare vlakte, vol wuivend koren en palmbossen lag de stad als een eiland. De Babylonische koning beschikte niet over het prachtige marmer van Niniveh, maar hij maakte zijn stad tot een symphonie van zachtgele, saffraangele en barnsteengele schoonheid. Wat kan de mens al niet scheppen met klei, het nederigste der materialen. De muren der stad maten 18 km in omtrek.

Veltman blz.30

ASHURNASIRPAL neemt een stad in:

“Van de soldaten versloeg ik 600 met ‘ t zwaard,
3o00 gevangenen verbrandde ik in ‘t vuur,
Ik liet niemand als gijzelaar in leven.
De lijken stapelde ik torenhoog op.
De stadsvorst kreeg ik levend in handen.
Hem vilde ik en hing zijn
huid op de muur van Damdamusa.”

NAHUM 3:1-3

profetie over Niniveh

“Wee de bloedstad! Louter leugen,
vol verscheuring, zonder ophouden rovend!
Hoor zweepgeklap, hoor wielgeratel!
En jagende paarden en opspringende wagens!
Steigrende rossen en vlammende zwaarden
en bliksemende lansen
en tal van verslagenen, een menigte doden
en eindeloos veel lijken…..

Veltman blz.31

NINIVEH, STAD VAN MARMER.

Niniveh is zo volledig verwoest, dat men meer dan 1000 jaar niet heeft geweten, waar het gelegen was. Alexander de Grote en Xenophon passeerden de plek,
zonder dat zij er een woord aan gewijd hebben. Later zijn er resten van tempels en paleizen gevonden op de grote heuvel van Kuyunjik en de kleine van Nebi Junus (volgens overlevering het graf van Jona). Niniveh was prachtig gelegen en zeer versterkt.Volgens de voorspellingen zou de stad nooit genomen kunnen worden “wanneer het water haar vijand niet werd”. In 612 v.Chr. toen Meden en
Babyloniers de stad belegerden, zwol de Khosr zo hevig,d at er een overstroming in de stad ontstond  en een groot stuk van de muren instortten.

Toen verbrandde de koning (Sardanapalos) zich in zijn burcht en de stad viel.

Sennacherib (de Bijbelse Sanherib) laat zijn kroniekschrijvers optekenen, welke verbeteringen hij in de stad doet aanbrengen.

”Verleg de funderingen van het paleis, want een riviertje heeft hen ondermijnd. Roep de opzichters der slaven, breng stam na stam in slavernij, Chaldeërs , Ciliciërs, Arameeërs’, om klei op hun zwetende ruggen te torsen en tot baksteen te kneden, Sloop het oude paleis, verleg het opstandige riviertje, vul zijn bedding op met aarde, hoger dan te voren. Laat de timmerlui aanrukken om ahornen, palmen, moerbeibomen ,ceders, cypressen, pijnbomen en groene amandelbomen tot planken te zagen en te schaven; snijdt het ivoor; houwt ’t marmer uit de groeven dichtbij, beeldhouwt de muren en zet met koper beslagen stenen leeuwen aan de poorten, plant een park zo groot dat de heuvel eruitziet als het Ainanusgebergte! Voedt de Khosr bij met stromen van de heuvels uit de verte om een geregelde watervoorziening van de vlakte te waarborgen. Graaft een meer, waarin hij zich uitstorten kan en laat het riet in deze plassen groeien, opdat wilde zwijnen en ooievaars er zich verzamelen. En plant er tenslotte de wonderlijke katoenbomen, die als schapen geschoren moeten worden en maak er kleren van. Daarna moet de stadsmuur verbeterd worden en vijftien poorten zullen erin gebouwd of hersteld worden. Niniveh mag het aan niets ontbreken en de beeldhouwers zullen al deze grote dingen vereeuwigen…’

Veltman blz.32

CHALDEA (2e Babylonische rijk)

Na de val van Assyrië wordt door de Semitische Chaldeeën een Nieuw Babylonisch rijk gesticht. Babylon wordt weer hoofdstad van Mesopotamië. De bekendste koning van dit rijk is NEBUKADNESAR, die 43 jaar lang op de troon zit. Hij heeft veel van de Assyriërs geleerd en zijn legers onderwerpen het ene land na het andere. Ook JERUSALEM neeent hij in en voert de Joden weg in ballingschap. Zij moeten in Babel wonen voortaan. Onder het bestuur van Nebukadnezar wordt Babel vergroot en verfraaid. De stad wordt een wonder voor het oog.
Driedubbele muren en torens verrijzen. De prachtige, blauw betegelde ISHTAR-poort is een wonder van schoonheid. Op een hoog terras legt de koning voor zijn vrouw een geweldige tuin aan (de z.g. hangende tuinen). Babel glanst in geel, roze en oranje tint. Hoog boven alles torent de ZIKKURAT van Marduk. Nebukadnezar was zeer trots op zijn stad.

“ZIE, DIT IS HET GROTE BABEL,
DAT IK MIJ TOT EEN KONINKLIJKE ZETEL HEB GEBOUWD
EN TOT EEN TEKEN MIJNER HEERLIJKHEID:”

De opvolgers van Nebukadnezar waren weelderig en slap. Belsasar zag het vlammend schrift aan de wand.

De profeet Daniël vertaalde het MENE-MENE-TEKEL UPHARSIN met:

Geteld zijn uw dagen,
gewogen zijt gij en te licht bevonden,
gedeeld wordt uw rijk door de Persen!

De Perzische koning KYROS veroverde Babylon in 539 v.Chr. Alle landen van Indië tot Egypte behoren onder Kyros opvolgers tot het Rijk van de “KONING DER KONINGEN”, dat is:van de koning der Persen.

Veltman blz.33

Babylon, Ishtar-poort

Veltman blz.34

5e klas geschiedenis: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas – geschiedenis – Mesopotamië 

5e klas: alle artikelen

931-862

 

VRIJESCHOOL – 5e klas – geschiedenis (2-3)

.

zie de inleiding op deze artikelen

voor de leerkracht:

Egypte

Veltman blz. 14

EGYPTE (3e cultuurperiode)
In de derde grote cultuurperiode krijgen wij te maken met een tweeling-cultuur: Egypte en Babylon dragen gezamenlijk de ontwikkeling der mensheid. Beide culturen hebben veel bijgedragen tot de voortgang der mensheid.
Egypte is een merkwaardig land: een diepe vruchtbare sleuf in de hoge, rossige woestijn. Een zeer afgesloten gebied, welks inwoners ook een zeer gesloten karakter bezaten. Egypte is een uniek land en zijn inwoners beschouwden zich ook als de enige mensen, die op de wereld als mensen leefden.

In het Zuiden is Egypte afgesloten door de eerste cataract of stroomversnelling van de machtige Nijl, die door de diepe sleuf in de woestijn stroomt – in het Noorden ligt de Middellandse zee, in het Oosten en Westen ligt de gloeiende Sahara.

Het Nijldal is ingesloten door sterke, roodachtige kalkrotsen. Het is 875 km lang en nergens breder dan 20km. De Nijl zendt aan zijn monding een waaier van rivierarmen naar zee. De Grieken noemden zo’n driehoekige riviermonding DELTA, naar hun driehoekige letter delta. Ieder jaar wanneer de heldere, groenige Sirius of Sothis aan de hemel opkomt (juni), beginnen de bruinig-groene wateren van de Nijl te zwellen.
De rivier treedt buiten zijn oevers, overstroomt het land en laat bij zijn terugkeer in de bedding een dikke laag slib op het land achter.
Het smalle Nijldal is dan ook ongelofelijk vruchtbaar. “Egypte is een geschenk van de Nijl”, zeiden de Grieken.

Het Deltaland was in oude tijden vol moerassen en meren, waarin dichte papyrus rietkragen groeiden en paars-witte lotusbloemen bloeiden. Ontelbaar vele watervogels bevolkten dit gebied: bonte eenden, wilde ganzen, ooievaars, maraboes, ibissen, grijze kraanvogels en roze flamingo’s kwamen in grote getale voor. Ook leefden er nijlpaarden, krokodillen en grote slangen.

Het Nijldal was mooi, was begroeid met palmbossen, wilde vijgenbomen, acacia’s en wilgen. Aan de rand van de woestijn leefden veel soorten antilopen, struisvogels en giraffen. Leeuwen, panters en jakhalzen maakten jacht op hen.

In Egypte leefden al mensen in de vroegste tijden. Zij leefden van jacht, en visserij. Een grote Leraar der mensheid kwam uit het Iraanse gebied en bracht de landbouw,de veeteelt en de sterrenwijsheid van Zarathustra in het
Nijldal. (?) De Egyptenaren noemden deze Wijze
Thoth en zeiden, dat zij alle meetkunde, sterrenkunde, schrijfkunst en kalenderindeling aan hem te danken hadden.

De Egyptenaren woonden in tenten van twijgen of riet, bekleed met huiden. Hun gereedschap was van steen of hout, maar zij leerden al spoedig om kopererts uit de bergen te halen. De vele schepen, die op de Nijl voeren, waren van riet. Hout was zeldzaam in Egypte.

De Egyptenaren waren gekleed in een schortje van linnen en sandalen van riet of leer. De vrouwen droegen een dun, nauwsluitend linnen kleed zonder mouwen.

In het leven van de Egyptenaren nam de verering van de Goden de eerste plaats in. Naar hun zeggen regeerden in de oudste tijden de Goden zelf.

De aarde was een afspiegeling van de hemel. Het is onder zoals boven, zei de Egyptenaar. In de natuur ,in planten, dieren en sterren werkten goddelijke wezens, die elk een eigen naam hadden.

De hoogste goden waren voortgekomen uit het Wereldei.

Een van de hoogste goden was de Zonnegod RE.
De aarde was het levende lichaam van Re’s zoon KEB
De hemel was Kebs vrouw (en zuster) NUT
De luchtgod SHU hield hemel en aarde gescheiden.
De oudste zoon van KEB en NUT was OSIRIS
Hun dochter was ISIS
Osiris en Isis hadden een zoon HORUS

In een schone Egyptische mythe wordt verteld, hoe Osiris als een wijs en zachtmoedig vorst op aarde heerste. Hij schafte het mensen eten af, hij gaf de mens zijn rechte houding, hij leerde hen rechtvaardig te zijn en de aarde te bebouwen.

Isis, zijn vrouw, de grote Moedergodin, bracht de mens de taal en de
innigheid van de ziel.
Osiris had echter een boze broeder, die SETH heette. Deze was jaloers op Osiris en stond hem naar het leven. Seth lokte hem in een kist en wierp die in de Nijl.
Isis
was ontroostbaar. Weeklagend zocht zij Osiris, vond hem na vele omzwervingen en begroef hem. Osiris stond uit de dood op en leefde voort als rechter en koning van het Dodenrijk. Horus-met-het-valkenoog wreekte zijn vader Osiris en versloeg Seth. Aan Horus dankte de Egyptenaar de kracht tot denken en de hoge vlucht van de gedachten.

De Egyptenaar wist, dat hij zijn mens-zijn in houding, spraak, gedachte te danken had aan Osiris, Isis en Horus. Deze drie goden werden dus het meest vereerd. Op aarde had de Egyptenaar Osiris verloren, maar na de dood vond hij de opgestane terug. Zo werd het aardse leven een voorbereiding voor het eeuwige leven met Osiris.

Na 3000 voor Chr. bloeit in Egypte een uiterlijke cultuur op met machtige monumenten.
Meetkunde, sterrenkunde, schrijfkunst, bouw- en beeldhouwkunst, de dodencultus, wetten en geneeskunst, het is vrij plotseling in grote volmaaktheid aanwezig.
Dit alles was in de eeuwen daarvoor door de priesterwijsheid voorbereid. De regering van de goden was gaandeweg overgedragen op één mens: de priesterkoning of FARAO

De eerste grote farao, die de landen van BOVEN-EN BENEDENEGYPTE onder zijn leiding brengt, heet MENES. Hij is de vertegenwoordiger van Osiris op aarde. Hij draagt de dubbele kroon met de heilige Uraeusslang, de kromme scepter en de dorsvlegel van het Recht. Hij stichtte de stad MEMPHIS, die de hoofdstad van het rijk werd. Onder Menes’ opvolgers verrijzen machtige piramiden en tempels.

De landbouw en de meetkunde
Egypte heeft 3 jaargetijden: Overstromingstijd- Zaaitijd-Oogsttijd. De priesters deelden het jaar in volgens hun sterrenkunde in 12 manen; elke maan telde 28 dagen. Onze kalender komt uit Egypte. Ook wij hebben nog steeds het zonnejaar(plus minus 360 dagen) en de maanmaand (plus minus 30 dagen.

Na de overstroming van de Nijl waren alle grenzen tussen de landerijen uitgewist. Alle land moest opnieuw gemeten  en verdeeld worden. Zo ontstond de meetkunde, die alleen door priesters en hun helpers mocht worden beoefend. Met stokken, verbonden door een touw, werden cirkels in de vochtige grond getrokken. Figuren met rechte hoeken maakte men met het 12 knopen touw.

In de juiste volgorde verdeeld leverde dit touw de Egyptische “heilige driehoek” op, waarvan de zijden “Osiris” (3), “Isis” (4-)en “Horus”(5) heetten. Elk ontving na de meting een rechthoekig stuk land. Het ploegen gebeurde eerst met een hakstok, al spoedig echter werd een ploeg gebruikt met ossen. Om iedere akker groef men een greppel, die steeds vol water werd gehouden. Uit de kanalen en de Nijl haalde men ’t water omhoog en goot het in de greppels met een SHADUF, een soort machine om emmers omhoog te hijsen. De shaduf gebruikt men nog steeds in Egypte.

Egypte was het eerste grote landbouwgebied v.d. oudheid. Men verbouwde : gerst, tarwe, spelt en vlas in grote hoeveelheden. Als huisdieren hadden de Egyptenaren: ossen, koeien, ezels en geiten. Bijzonder geliefd was de kat, die als heilig dier werd beschouwd; maar ook de hond stond als huisdier in ere.

Veltman blz. 15

Veltman blz. 16

De schrijfkunst
Het schrift van de Egyptenaren was een beeldenschrift. Het bestond al voor de bouw der piramiden. De Egyptenaar tekende de schrijftekens of beitelde hen uit. Vele schrijftekens gaven het beeld van dagelijkse dingen. Sommige beelden stelden één woord voor; andere lettergrepen; later gaven de beelden enkele klanken weer, die een soort alfabet vormden. Klinkers werden niet geschreven. Het schrijven was een heilige taak. Fouten werden met de dood gestraft. Het schrift en de schrijfkunst was immers van de goden afkomstig. Bovendien kon een schrijffout de ernstigste gevolgen hebben voor de gestorvene, die alleen door het Dodenrijk kon komen, wanneer hij alle spreuken, namen en gebeden kende. Eén verkeerde spreuk zou hem de hel in plaats van de hemel kunnen opleveren. De Egyptische schrijver was derhalve een man van gewicht. Van papyrusriet werd een soort papierrol geperst. De schrijver ging gehurkt zitten en gebruikte zijn strak gespannen schort als schrijftafel. Zijn pen was een schuin afgekauwde rietstengel, zijn inkt een soort poederverf, die in een bakje met water werd aangemaakt.
Er zijn nog vele papyrusrollen bewaard gebleven. Sommige zijn tientallen meters lang en het schrift is dikwijls nog zo gaaf en fris, dat zij gisteren pas geschreven schijnen te zijn. Een van de belangrijkste papyrusrollen is het zgn. DODENBOEK, waarin de reis van de gestorvene naar Osiris is beschreven. De dode werd geoordeeld door 42 rechters, zijn hart werd gewogen op een weegschaal. Viel het oordeel goed uit, dan mocht hij naar Osiris’ Koninkrijk. De boosaards werden door een monster verslonden.

De Egyptenaren hebben later een lopend schrijfschrift ontwikkeld: het hiëratische schrift. Daarna het nog eenvoudiger demotische schrift.

Het oudste schrift heet hiëroglyfisch, d.w.z. heilige ingrifsels.

Alle tempelwanden, zuilen en gebouwen waren met dit schrift volgeschreven. De Fransman Champollion (uit Napoleons tijd) heeft het Egyptische schrift voor ’t  eerst ontcijferd.

Uit hoofdstuk 125 van het dodenboek

“WAT MOET WORDEN GEZEGD, WANNEER MEN AANKOMT IN DE HAL VAN DE TWEE GODINNEN DER WAARHEID, OM DE GELATEN DER GODEN TB AANSCHOUWEN.
ERE ZIJ U, GROTE GOD, HEER DER BEIDE GODINNEN DER WAARHEID! IK BEN TOT U GEKOMEN OM UW SCHOONHEID TE AANSCHOUWEN. IK KEN U EN UW NAAM EN IK KEN DE NAMEN DER TWEE-EN-VEERTIG GODEN, DIE MET U ZIJN IN DE HAL VAN DE BEIDE GODINNNEN DER WAARHEID, ZIJ DIE LEVEN VAN HEN, DIE BOOSHEID HEBBEN GEDAAN, EN DIE VAN HUN BLOED DRINKEN.
ZIE, IK BEN TOT U GEKOMEN ,IK BRENG DE WAARHEID EN IK HEB DE ZONDE DER MENSEN UITGEDREVEN.

IK HEB GEEN MENS ONGELUKKIG GEMAAKT.

IK HEB NIET GELOGEN.

IK HEB NIETS GEDAAN, WAT DE GODEN EEN GRUWEL IS.

IK HEB GEEN DIENAAR ZWART GEMAAKT BIJ ZIJN OPZICHTER.

IK HEB NIEMAND ZIEK GEMAAKT.

IK HEB NIEMAND HONGER DOEN LIJDEN.

IK HEB NIEMAND DOEN WENEN,

IK HEB NIET GEDOOD.

IK HEB GEEN BEVEL TOT DODEN GEGEVEN.

IK HEB GEEN OFFERSPIJS UIT DE TEMPEL GENOMEN.

IK HEB DE OFFERBRODEN DER GODEN NIET AANGEROERD.

IK HEB DE MUMMIE-WINDSELS DER ZALIGEN NIET GEROOFD.

IK HEB GEEN KIND DE MELK ONTNOMEN.

IK HEB GEEN DIER VAN ZIJN VOEDSEL VERDREVEN.

IK HEB GEEN WATER AFGEWEERD, WAAR HET NIET MOEST.

IK HEB GEEN VUUR GEBLUST, WAAR HET NIET MOEST.”

De Piramide

Raadselachtig en groots zijn de eerstelingen der Egyptische Bouwkunst. Aan de Nijl tegenover Memphis staan nog steeds vele piramiden, die ondanks de roofzucht van de Arabieren betrekkelijk weinig beschadigd zijn. De oude Egyptenaren moeten over reusachtige lichaamskrachten hebben beschikt om de geweldige steenbrokken waaruit de piramiden bestaan los te hakken, te vervoeren en op te stapelen. Wat het eerst opvalt bij deze bouwwerken, is de grote rol, die het getal drie heeft gespeeld bij het plan van de architect.

Het getal drie was het getal van Osiris en inderdaad is de piramide een gebouw, dat geheel en al uit de eredienst van Osiris is ontstaan. Op een inschrift in een van de piramiden staat:

O HORUS! EEN OSIRIS IS DEZE ZIEL.
EEN OSIRIS IS DIT BOUWWERK
EEN OSIRIS IS DEZE PIRAMIDE!

De oprichtingskracht die Osiris de mens schonk, komt in de piramide tot uiting. Verder gaf de licht- en schaduwwerking van de gladgepolijste steenmantel iedere avond een beeld van de mensenziel ,die van de aarde opstijgt om door de dood verenigd te worden met het lichtrijk van Osiris. Iedere avond zag de Egyptenaar een lichte driehoek omhoog stijgen langs de zijvlakken en in het toppunt verdwijnen.

De naam piramide komt van pir-em-us (=uit ’t huis van het lichaam gaan). De piramiden waren inwijdingsplaatsen van de Osiris-en Isismysteriën.

Na de dood van de farao werd diens gebalsemd lichaam in het bouwwerk opgenomen. Daarna werd de piramide afgesloten. De nieuwe farao bouwde een nieuwe. De grootste piramide is die van Cheops (of Chufu). Hij is 147m hoog en 230m breed. Hij is gebouwd uit 2.300.000 steenblokken van 2,5 ton per stuk.  Gedurende de overstromingstijd werkten 100.000 Egyptische boeren en slaven 20 jaar lang om de blokken uit te hakken en hen per boot te vervoeren.

De tempel
Na de tijd der piramidebouwers ontstonden in Egypte steeds mooiere en grotere tempels. De wanden waren versierd met hiëroglyfen en reliëfs. In de opbouw speelt de drieheid een grote rol.
De priester schreed eerst door een baan van SFINXEN, dan kwam hij aan twee OBELISKEN en vervolgens schreed hij door een tempelpoort, bewaakt door 2 piramide-achtige torens of PYLONEN. In de tempel was geen enkel raam, men was daarin van de wereld afgesloten. Eerst ziet men de VOORHOF, waarin de Osiriszuilen omhoog rezen. Helder zonlicht viel in deze ruimte. Vervolgens zag men een tweede, overdekte en schemerige ZUILENHAL met schone wanden vol beschilderde reliëfs. Het laatste deel was het ALLERHEILIGSTE. Het was er geheel donker. Daar moest de mens zelf het offerlicht ontsteken.
In al het oprijzende en verlichte van de tempel beleefde de Egyptenaar de Osiriskracht (pylonen, zuilen, poorten).
In de brede wanden beleefde hij de omhullende moeder Isis. In het doorschrijden van de tempel tot in het duistere allerheiligste beleefde hij de stootkracht van de jonge Horus.

Veltman blz. 17

Veltman blz. 18

Veltman blz. 19

HYMNE AAN OSIRIS

HEIL U,-GROTE EN VERHEVENE,
DIE ‘OERSCHEPPINGSKRACHT’ HEET!
DE OUDSTE ZOON VAN KEB EN NUT
TRAD AAN, UIT HET VERBORGENE.
GEEN GOD VOLBRACHT, WAT HIJ VOLBRACHT,
HIJ IS DE HEER DES LEVENS,
DE MENS LEEFT DOOR ZIJN WEZEN,
GEEN LEVEN WORDT GESCHAPEN ZONDER HEM!
HEER VAN DE GROEIENDE, WENTELENDE TIJD
IS OSIRIS IN ABYDOS, HEER VAN BUSIRIS,
GEBIEDER VAN HET WESTEN IS HIJ.
VERSIERD MET HET HOGE VERENPAAR
HEEFT HIJ DE HEMEL AANGERAAKT.
DE ‘ZIEL BIDT IN DE DIEPTE TOT DE SLANG,
DIE AAN OSIRIS HOGE VOORHOOFD STAAT.
RE HEEFT ZIJN HEERLIJKHEID GESCHAPEN.
EN SHU HEEFT DIEPE, GROTE EERBIED
VOOR HEM IN HET MENSENHART GELEGD!

De dode spreekt:

Ik leef, ik sterf, ik ben Osiris
ik leef, ik groei als graan
Keb heeft mij verborgen
Ik leef, ik sterf,
Ik ben de gerst.
Ik verga niet!

De dode spreekt:

“Hier ben ik
Mijn graf liet ik achter.
Gij sterke, ik aanschouw U!

Door ’t dodenrijk schreed ik,
Osiris aanschouwde ik,
Het duister verdreef ik

Open staat de poort
Tussen aarde en hemel,
Mijn pad is vol vreugde.

Heil U, elke God, elke ziel!
Uit de duistere diepte
Schijnt mijn licht!”

IKHNATON
De oude priesterkoningen regeerden rechtvaardig en goed. Hun macht was echter zo groot, dat bij de latere farao’s begeerte en hebzucht de overhand kregen. Vooral na de inval van de HYKSOS, een volk uit Azië, werden de farao’s echte veroveraars. De Aziaten hadden in Egypte de eerste geduchte oorlogsmachine ingevoerd n.l. het paard.
Nadien rennen de veroveraars Thothmes en Ramses over de slagvelden met snelle strijdwagens. De farao’s zijn op veldtocht, thuis is de macht in handen van de AMON-RE priesters.

In de 14e eeuw voor Christus verschijnt echter de jonge farao IKHNATON als een gouden dageraad. Hij stelt alle goden terzijde en daarmee de machtige Amon Ra priesters uit Thebe.
Hij wil geen oorlog voeren. Zijn enige god is ATON, de zon, die niet alleen voor Egypte schijnt, maar ook voor andere volkeren!
Ikhnaton sticht een nieuwe hoofdstad AKHET-ATON. Hij liet zich natuurgetrouw afbeelden. Dit was een grote omwenteling in het starre Egyptische gebruik! Ikhnaton dichtte zelf prachtige zonnehymnen.

Na Ikhnatons. opvolger Thuthanchamon raakte het Egyptische rijk in verval en kwam in de 6e eeuw voor Christus in handen van de Perzen,die het inlijfden bij hun wereldrijk.

ZONNE-HYMNEN van IKHNATON

HOE GROOT EN MENIGVULDIG ZIJN UW WERKEN, ATON!
AL ZIJN ZIJ DAN VERBORGEN VOOR DE STERVELINGEN,
O, ENIG GOD, NAAST WIE GEEN ANDER GOD BESTAAT.
HET KUIKEN IN HET EI GEEFT GIJ LEVENSADEM,
GIJ GEEFT HET VORM EN HET VERBREEKT DAARMEE ZIJN SCHAAL,
EN ALS HET UITKOMT, PIEPT HET LUID EN KAN AL LOPEN.
GIJ SCHIEP DE AARDE GANS ALLEEN, NAAR UW WIL,
DE MENSEN EN DE DIEREN, AL WAT LOOPT OP AARDE,
EN ALLES, WAT OP VLEUGELEN DAARBOVEN VLIEGT,
DE LANDEN VAN EGYPTE EN VAN SYRIA.
GIJ ZETTE ELK MAN OP ZIJN PLAATS EN MAAKTE AL,
WAT HIJ VAN NODE HEEFT. ELK HEEFT ZIJN EIGEN VOEDSEL.
ZIJN DAGEN ZIJN BEPAALD. DE TALEN EN DE’HUIDSKLEUR,
ZIJ ZIJN VERDEELD. VERSCHILLEND MAAKTE GIJ DE VOLKEN!
HOE HEERLIJK EN HOE SCHOON GLANST GIJ AAN DE HORIZON,
GIJ, ATON, LEVENDE VANAF HET OERBEGIN.
IN ‘T OOSTEN OPGAAND GEEFT GIJ ALLE LANDEN LICHT
MET SCHOONHEID. EN WANNEER GIJ AAN DE HEMEL STAAT, OMARMEN UW VERHEVEN STRALEN ALLE LANDEN.
DE MENS WORDT WAKKER EN GAAT OP ZIJN VOETEN STAAN
EN HIJ BEGINT ZIJN DAGTAAK. BLIJDE IS HET VEE
IN ‘T MALSE GRAS. DE VOGELS KOMEN UIT HUN NEST
EN HUN OMHOOGGEHEVEN VLEUGELS BIDDEN TOT U.
DE SCHEPEN VAREN REEDS STROOMAFWAARTS OF STROOMOP
ZELFS VISSEN SPRINGEN UIT DE STROOM OMHOOG TOT U,
WANT DIEP DRINGEN UW STRALEN IN DE OCEAAN.
OP U RUST ALLER OCG, GIJ OORSPRONG VAN DE SCHEPPING,
WANNEER GIJ HOOGVERHEVEN OVER D’AARDE STRAALT!

Veltman blz. 20

Veltman blz. 21
In een latere uitgave – mij onbekend – zou nog een tekening staan van een schrijver met papyrusrollen en gereedschap.
De schrijver schrijft hiëratisch schrift met penseel van uitgekauwd riet. Zijn papier, gemaakt van het merg van de papyrusrietstengel, twee lagen kruiselings samengedrukt en vervolgens in vuur gehard. Zijn schrijfinkt is gemaakt van poeder, verpulverd, met water aangemaakt. Het lapje dient als wisser. Aan de linkerkant ligt een leren koffer met schrijfrollen. ernaast staat een koperen waterbakje.

5e klas geschiedenis:  alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas geschiedenis: Egypte

5e klas: alle artikelen

930-861

VRIJESCHOOL 5e klas – geschiedenis (2-2)

.

de tekst in blauw is van mij
‘

Perzische cultuur

Ashem Vohü Vahiotem Asti
Usta Asti, Usta Ahmâi
Hyat Ashai Vahistâi Ashem.

Reinheid is het hoogste.goed
Zegen is het. Gezegend hij
Die steeds naar hoogste Reinheid streeft.

IRAN

(OER-PERZISCHE CULTUURPERIODE)

Tussen de Perzische golf en de Kaspische Zee ligt een woest hoogland. Kale, grillige bergketens sluiten het aan alle kanten af. De grond is schraal, de meren zijn zout, het klimaat is bar. Overdag brandt de zon uit een wolkenloze hemel en doet de lucht trillen boven de hete steenmassa’s, ’s nachts fonkelen myriaden sterren in een ijskoude, diepblauwe hemel.

De mensen die in dat land voor 7000 jaar leefden, noemden zich Aryers
(edelen) en het land Aryana of Iran. De belangrijkste volksstammen werden later MEDEN en PERZEN genoemd.

De Oer-Perzen waren groot van gestalte, zij hadden een blanke huid, blauwe, ogen en blond haar. Is dit juist? Zij waren verwant aan de oude Indiërs en ook aan ons. Hun taal was een zustertaal van het Sanskrit.

Het leven van de Perzen in dat verre land kostte moeite. Alles moest aan de harde bodem ontwrongen worden. Zo was de Pers op strijd ingesteld; strijd tegen het klimaat, tegen de steenachtige bodem, tegen mensen en dieren.

Zijn aard was geheel anders dan die van het rijke, weelderig begroeide Indië. Krijgshaftig was her karakter der Perzen, woest en onbuigzaam. Geduchte boogschutters en jagers waren zij. Zij doodden vele dieren, aten het vlees en kleedden zich in de huiden. Geheel bedekt met leer waren zij. Op het hoofd droegen zij een leren kap of puntmuts. De woningen der Oer-Perzen waren van steen. Soms waren het huizen die geheel en al ïn de rotswanden uitgehakt waren. Vensters ontbraken geheel en al. Een enkel gat gaf toegang tot de woning. Meestal waren deze woningen gelegen aan bergbeekjes.

Bij dit woeste volk verscheen een wijze, gezonden door de Manu.(?)  Hij heette ZARATHUSTRA of “Goud Ster”. Hij bracht de Perzen een nieuwe leer, die veel later in de heilige boeken van de ZEND-AVESTA is opgetekend.
In de zielen van dit volk, zo ontembaar en wild, bracht hij de impuls tot reinheid in daad, woord en gedachte.

Onder invloed van de grote Zarathustra (en zijn opvolgers, die ook Zarathustra heetten, werden de Perzen een cultuurvolk.

De leiding van deze cultuur ging later over op koningen, bijgestaan door magiërs(priesters).

De Perzen beleefden de wereld in tegenstellingen: brandende hitte tegenover felle koude; heldere dag tegenover zwarte nacht; verblindend licht tegenover duisternis; hemel tegenover aarde. Deze tweeledigheid kreeg in de leer van Zarathustra een verheven vorm.

In den beginne waren er twaalf Amshaspands of Wereldgeesten. Zij stonden onder leiding van twee broedergoden:

AHURA MAZDA (=de grote zonneglans ) en ANGRAMANIJU (de erge boze).

Ahura Mazda of Ormuzd wilde de wereld verder scheppen en zeven Amshaspands volgden hem. Angramaniju en vijf duistere Amshaspands wilden niet meewerken en worden zo tot boze d.i. tegenwerkende wezens.

De duistere Angramaniju of AHRIMAN kon niets tegenover de schepping van Ormuzd stellen en ging toen de wereld vergiftigen en bederven. Ahura Mazda had op aarde ook de mens geschapen en de mens riep hij op als medestrijder om het licht te doen zegevieren.

Veltman blz. 35

De mens was echter in zijn ziel vergiftigd door Ahriman, die angst, twijfel en leugen als gaven aan de mens had gebracht. Zarathustra leerde, dat de mens, die zich reinigde van boosheid, leugen en onzuiverheid het lichtrijk voor Ormuzd vergroten kon. Wie waarheid sprak, het goede deed en dacht, heroverde zijn ziel op Ahriman en stelde haar opnieuw open voor Ormuzd’s lichtkracht. Niet alleen de mens was bedorven door Ahriman’s duistere werk, maar ook de natuur: Planten waren gaan woekeren, dieren waren wild,v erscheurend of giftig geworden.
Wie de natuur haar gang liet gaan, liet haar over aan de klauwen van Ahriman. Daarom leerde Zarathustra de Perzen, dat zij de natuur ook op Ahriman konden veroveren. Hij schonk aan de eerste koning Djemshid een gouden dolk van Ormuzd. De Perzen leerden met de dolk de aarde open te scheuren, daarna te zaaien, planten te kweken en de soorten te veredelen. Wilde dieren moesten getemd en tot huisdieren worden gemaakt. Het water van de bergriviertjes moest over de akkers worden geleid om de aarde vruchtbaar te maken. Zo werden de Perzen tot landbouwers en zij kregen de aarde lief. Arbeid was tevens godsdienst. Zij wonnen melk, wol, leer en trekkracht, brood en vele veldvruchten. Hun werk was echter niet voor eigen nut, maar in hoofdzaak bedoeld als deel van de strijd voor Ormuzd tegen Ahriman. Hun arbeid moest de aarde terugwinnen uit de macht der duisternis. De Perzische landbouw en veeteelt is van grote betekenis geweest voor de gehele ontwikkeling van de gehele mensheid. De Perzen kweekten onder leiding van hun priesters granen (tarwe, rogge, gerst, spelt uit wilde grassoorten. Onze groenten, zoals sla, kool, uien, peterselie, prei, asperges zijn oorspronkelijk uit Perzië afkomstig, evenals vele vruchten. Appel, peer, abrikoos, pruim en kers zijn Perzisch van oorsprong. De Perzik bewaart de herinnering aan deze oorsprong zelfs in zijn naam.
Vele bloemen, zoaJs lelie, hyacint en roos werden in Perzië voor ’t eerst gekweekt. Paard, rund, schaap, geit, hond, kat, kippen en andere huisdieren werden gefokt uit wilde diersoorten.
Delen van Iran werden langzamerhand herschapen in bloeiende tuinen. Zo machtig werkte Zarathustra’s woord na. De Perzen bleven vóór alles naar waarheid en reinheid streven. De goden vereerden zij door op de bergen grote vuren te branden. Het vuur was heilig en reinigde de wereld.

De Perzen konden hun doden niet toevertrouwen aan aarde, water of vuur. Het lijk behoorde toe aan Ahriman en de zuivere elementen mochten niet besmet worden. Men legde de doden op hoge rotsen of torens neer.

In later tijd wilden dè Perzen het licht van Zarathustra ook onder andere volken brengen. Daarom stichten zij een wereldrijk. Tegen de boze Turaniërs in de vlakten, noordelijk van Iran, voerden zij een lange en heldhaftige strijd; de heldendaden der Perzen zijn later in het koningsboek (SHAM-NAMEH) van FIRDUSI in schone verzen neergeschreven.

In de 6e eeuw voor Christus stichtten de Perzen onder koning KURUSH (CYRUS) een wereldrijk. Deze koning veroverde Babylon en bevrijdde de Joden, die daar in ballingschap zuchtten.

Veltman blz.35

(HET HOOGLAND VAN IRAN.) (voor de leerkracht)

De perzische cultuur staat in het teken van de Tweelingen. Het typische van het tweelingteken is, dat zij elkaar kruiselings vasthouden en dat één kind licht en het andere donker is. Het grandioze van de wereldbeschouwing van Zarathustra bestaat wel hierin, dat in zijn leer de oorsprong van het Boze (terugblijven van dat oorspronkelijk goed was) zo duidelijk is aangegeven. Ahriman is de broeder van Ormuzd. Hij blijft achter in de ontwikkeling en wordt zo tot een macht, die alles vergiftigt en de mensen tot leugen verleidt.

Dr. Steiner geeft aan hoe de oer-Perzen het astrale lichaam tot ontwikkeling moesten brengen. Vandaar hun ongebreidelde woeste hartstochten, waarin de machtige roep om zuivering en reinheid van Zarathustra gaat weerklinken als een muziek, die de wilde dieren tot bedaren brengt. De Turaniërs, nakomelingen van de Atlantische oer-Turaniërs, maken de ontwikkeling niet mee. Zij blijven woeste jagers (recht onder het Tweelingenteken staat de Schutter!) en werden door de Perzen beleefd als een typisch Ahrimanisch volk, waarmee zij een heilige strijd te voeren hebben. Alles wat de Atlantische impulsen wil vasthouden, werkt storend op de nieuwe cultuurontwikkeling. Men denke aan de verwoestende aanvallen der Hunnen onder Attilla, der Mongolen onder Djengis Khan en die der Turko-Tartaren onder Timur-Lenk! Het duistere Turan roert zich nog steeds in de ontwikkeling der mensheid!

UIT DE ZEND-AVESTA

LUISTER NIET NAAR DE LEUGENAAR!
HUIS EN HOF, LAND EN WERELD
ZAL HIJ VERDERVEN!
O, WEER U TEGEN SLECHTE GEDACHTEN.

EENS SPATTE ‘T VUUR
NAAR ALLE KANTEN,
MAAR EENS ZAL’T AL
EEN VUURVLAM ZIJN…….

GA GENE WEG
OF DEZE WEG,
WEES ROOK OF VLAM!
LAAT U VERDRUKKEN
IN DE STIKWALM
OF LAAT U LAAIEND
NAAR BOVEN STUWEN

DE KEUS IS U!

GEBED

IK STEL MIJ OPEN
VOOR ELKE REINE GEDACHTE,
VOOR ELK EDEL WOORD,
VOOR ELKE EDELE DAAD.

IK WEER GEHEEL
ELKE BOZE GEDACHTE,
ELK SLECHT WOORD,
ELKE SLECHTE DAAD.

ALLES WAT MENS HEET,
REIN IN GEDACHTEN,
REIN IN WOORDEN,
REIN IN DADEN,
ZAL IN HEMELSE GLANS WANDELEN OP AARDE.

U ERKEN IK, HEILIGE AHURA MAZDA.
O, KOM OP UIT DE NACHT, TREED UIT HET DUISTER
IN HET LICHT.
EN GIJ, WORDT WARM, VERSTEENDE HARTEN!
MIJN WOORDEN ZWIJGEN: HEILIGE STILTE HEERST…..
DE WAARHEID STROOMT DE WERELD IN,
DE ZON BUIGT NEER TOT IEDER WEZEN.
SCHENK OOGST EN WASDOM, O, AHURA!

Uit de Avesta
          Vendidad  (Farkant III).

“Schepper van de Aarde-Wereld, Reine Geest!
Hoe groeit de Reinheid volgens Uw Wet?”
Toen antwoordde Ahura Mazda:
“Wanneer men ijverig graan verbouwt,- …….
O,heilige Zarathustra!
Wie de vruchten des velds kweekt,
Hij bevordert de Reinheid
Evenals met 100, met 1000, met 10.000 gebeden!
Wanneer er vruchten komen, sissen de deva’s
Wanneer  het graan opkomt, hoesten de deva’s
Wanneer de halmen groeien, huilen de deva’s
Wanneer er dikke aren zijn, vluchten de deva’s.
Zij vluchten ter helle als gesmolten ijzer…..”

De belangrijkste Perzische gebeden: Ashem Vohu en Ahuna Vairya werden evenveel gebeden als Paternosters en Avemaria’s.

Men begon bij het opstaan 5 Ashem-Vohu’s op te zeggen.

Ashem Vohu

Reinheid is het hoogste goed
Zegen Is het. Gezegend hij
Die steeds naar hoogste Reinheid streeft.

Ashem Vohû Vahistem Asti
Usta Asti, Usta Ahmâi
Hyat Ashai
Vahistâi Ashem.

Yatha Ahu Vairya
                (Ahuna Vairya of Honover)

Naar ’s Heren wil doet hij
Die uit Reinheid handelt.
De gaven van de Goede Geest.
Geworden hem voor daden die
Hij voor Ahura Op aard’ volbrengt.
Wie Armen steun verleent,
Vermeerdert Mazda’s Lichtrijk.

Veltman blz. 13

5e klas geschiedenis: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas geschiedenis: Perzië

5e klas: alle artikelen

929-860

VRIJESCHOOL – 5e klas – geschiedenis (2-1)

tekst in blauw van mij
‘

Toen ik in de jaren zeventig van de vorige eeuw voor het eerst in de 5e klas geschiedenis moest geven, was er niet zoveel achtergrondinformatie om binnen niet al te lange tijd de periode(n) te kunnen voorbereiden.

Er circuleerde wel een soort periodenschrift dat door de Leidense vrijeschoolleraar Paul Veltman was samengesteld.
Daarvan maakten veel jongere leerkrachten gebruik en ik vormde daarop op een bepaald ogenblik geen uitzondering.

Paul Veltman genoot aanzien binnen de vrijeschoolbeweging en dan ligt het mede voor de hand dat je – ook al omdat hij veel vrijeschoolonderwijservaring had – op zijn kennis en aanwijzingen voortborduurt.

Nu – zoveel jaren later – moet ik toch enige kanttekeningen plaatsen bij Veltmans werk ‘OUDE GESCHIEDENIS’ deel 1.

OUDE GESCHIEDENIS.

Deel I.

OERTIJD

VOOR-INDIË

PERZIE

EGYPTE

BABYLONIE

ASSYRIE.

De inhoud wordt voorafgegaan door dit voorwoord:

De inhoud van dit geschrift is een samenvoeging van dictaat voor de kinderen in de klas èn informatie voor de leraar, zoals dat eens in een geschiedenisperiode van de heer Veltman is ontstaan.
De vraag naar vermenigvuldiging van dit werk is ontstaan op een landelijke vergadering van vijfdeklasleraren in de cursus 1974-1975, toen het niet mogelijk bleek het oorspronkelijke geschrift binnen de tijd van één cursusjaar alle betreffende leraren ter oriëntatie ter beschikking te stellen.

Door medewerking van Rotterdamse vrijeschoolleraren kon het geschrift langere tijd ter beschikking gesteld worden aan een werkgroep van de Geert Groote School te Amsterdam, die het stencilwerk verzorgde.

Hopelijk biedt het die oriëntatie, die het met name voor nieuwe leraren mogclijk maakt om binnen de korte tijd van enkele periodenweken in een jaar, met enthousiasme tot een eigen verwerking van deze uitgebreide leerstof met zijn klas te kunnen komen.

Namens de werkgroepen,
Geert Grooteschool, Amsterdam

De inhoud van dit geschrift is een samenvoeging van dictaat voor de kinderen.
Vooral in het begin valt op dat Veltman veel aandacht besteedt aan ‘Atlantis’.
Hij beroept zich op Steiner en geeft vervolgens zijn antroposofische gezichtspunten over Atlantis aan de kinderen door.
Wie echter Steiner volgt in diens opmerkingen over ‘antroposofie in het onderwijs’ moet tot de conclusie komen dat Veltman daarmee geen rekening heeft gehouden, wellicht (mede) veroorzaakt door een interpretatie van een opmerking van Steiner, waarover zo dadelijk meer.

LEGENDA.

Dr. Steiner:
Theosophie des Rozenkreuzers.
Geheimwissenschaft
Akashachronik
Unsere atl.Vorfahren
Welt,Erde,Mensch
Bhagavad-Gita.

Pfeiffer; In Gaia Sophia I

Wachsmuth: Entw.der Erde, Werdegang der Menschheit

Uehli; Aegyptische Kultur, ein Isisgeheimnis.

Breasted; Ancient times ,

Lewis Spence; Atlantis

Scott-Elliot; History of Atlantis.

Jan Romein: Wereldgeschiedenis

Het moge duidelijk zijn dat deze achtergrondliteratuur voor het grootste gedeelte bestaat uit antroposofie. Dat kan voor de leerkracht buitengewoon verdiepend zijn, maar niets van de inhoud ervan hoort thuis in het geschiedenisonderwijs van de 5e (en andere!) klas(sen).

Algemeen
Na het Polaire en Hyperboraeïsche tijdperk, het Lemurische- en het Atlantische tijdperk, begint onze Na-Atlantische tijd, die 5 cultuurperioden tot op heden, heeft opgeleverd. (oer-Indische,oer-Perzische, Babylonische, Egyptische, Grieks Romeinse en onze eigen Westerse).

Deze cultuurperioden zijn een neersleg van de kosmische, menselijke ontwikkeling. De zon doorloopt alle tekens van de Dierenriem in 25920 jaren,(een wereldjaar). Wanneer de zon op 21 maart in een bepaald teken staat, is een cultuurperiode op zijn hoogtepunt. In onze cultuurperiode komt de zon langzamerhand op 21. maart in de Vissen te staan.

In de- 4e cultuurperiode was hii in de Ram, in de 5e in de Stier, in de 2e in Tweelingen, in de 1e in de Kreeft. Elke cultuurperiode duurt ongeveer 2160 jaar. Men ziet in zo’n periode sterk de invloed van het dierenriemteken. v.b. Stiercultus van de Egyptenaren, Perzen en Kretensers. Ramsoffers van Mozes en Abraham, Grieken en Romeinen. Aan de dualiteit van Iran en Turan, Ormuzd en Ahriman(tweelingen).

Veltman blz. 1

 

Het Atlantische tijdperk
Dr. Steiner heeft uitdrukkelijk aangegeven om onbeschroomd over Atlantis te spreken tegenover de kinderen.

In al zijn pedagogische voordrachten (GA 293-311) spreekt Steiner met geen woord over Atlantis. In GA 300, de notulen van de pedagogische vergaderingen van de vrijeschool Stuttgart waarbij Steiner aanwezig was, is slechts op 1 plaats iets te vinden, waar Veltman wellicht aan refereert:

=

(  ) aber wir dürfen nicht davor zurückschrecken, bei den Kindern von dem atlantischen Land zu sprechen. Wir dürfen das nicht überspringen.’
GA 300A/86
‘

Maar we mogen er niet voor terugschrikken bij de kinderen over het Atlantische Land te spreken. Dat mogen we niet overslaan.

=

Dit antwoord volgt op een vraag hoe je voor de geologie een verbinding legt naar de Akasha-Kroniek.
Het is opmerkelijk dat Steiner hier de verbinding van de lesstof naar de antroposofie niet afwijst, terwijl hij 5 dagen eerder  heeft gezegd:

=

Wir wollen keine anthroposophische Dogmatik lehren. Anthroposophie ist kein Lehrinhalt, aber wir streben hin auf praktische Handhabung der Anthroposophie. Wir wollen umsetzen dasjenige, was auf anthroposofischem Gebiet gewonnen werden kann, in wirkliche Unterrichtspraxis.
GA 293/15
Niet opgenomen in de websiteversie

‘Wij zullen in onze lessen geen antroposofische dogma’s onderwijzen. Antroposofie is geen lesinhoud – we streven ernaar de antroposofie in de praktijk te brengen. We zullen de inzichten die de antroposofie ons schenkt, omzetten in werkelijke lespraktijk.
vertaald/15

=

De leraar die dit vraagt moet geologie geven. In de verdere leerplanaanwijzingen zien we dat het geologie-onderwijs een vaste plaats krijgt in klas 9, maar die was er in 1919 nog niet; de conclusie ligt voor de hand dat deze vraag dan gesteld is door een 8e-klasleraar. De geologie van klas 6 had een heel andere inhoud en daaronder kwam er helemaal geen geologie aan bod, dus voor klas 5 kan deze opmerking al helemaal niet gegolden hebben.

Dan kan de opmerking, volgend op blz.86 van GA 300A:

=

Auch im geschichtlichen Zusammenhang können wir daran anknüpfen.

Ook in geschiedkundige samenhang kunnen we eraan vastknopen.

=

geleid hebben tot Veltmans opmerking.
Maar in alle verdere aanwijzingen voor het leerplan, noch in klas 8 en noch in klas 5, niet bij geologie en niet bij geschiedenis en verder in geen enkele pedagogische voordracht is ooit meer sprake van ‘Atlantis’.

Dat wil niet zeggen dat Atlantis in de 5e klas niet ter sprake mag komen; maar alles gaat om de manier waarop.

Veltman vervolgt:
Niet alleen in de geesteswetenschap is Atlantis een feit. Wiskundige bewijzen bestaan in de archeologie niet, maar vele geleerden . (Spence, Dacqne, Braghine, Wachsmuth, Donnelly, Frobenius) hebben zich met het Atlantisprobleem beziggehouden, Interessant is het, dat men in vele hypothesen Atlantis plaatst in IJsland, Noorwegen,Tunis, Sahara, Midden-Afrika ,N-Amerika, Groenland, Midden-Amerika, Zuid-Amerika, dus in alle streken die aan het werkelijke Atlantis geraakt hebben. Combinatie van feiten, bekend geworden in geologie, oceanografie, biologie, archeologie, filosofie, etnologie, antropologie, kosmografie, plantengeografie, geven reeds vele aanwijzingen dat de bakermat van de huidige culturen gelegen moet hebben op een continent, gelegen tussen Amerika, Europa, en Afrika.
In Atlantis zijn voor het eerst mensenrassen met verschillende huidskleur tot ontwikkeling gekomen. (Rmoahals,Tlavatli,Tolteken,Turaniërs, Semiten, Akkadiërs, Mongolen).
Het 4e wereldras begon misbruik te maken van de etherische krachten, door hen aan te wenden voor persoonlijke doeleinden. Zwarte magie trad op, met het gevolg, dat de elementen in hun structuur werden aangetast. Enorme natuurrampen waren opgeroepen, die het grote continent deden afbrokkelen en verzinken. De laatste nagalm van dit proces vindt men in Plato!s beschrijving van het eiland Poseidonis, gelegen ter hoogte van de huidige Azoren. Ook de verdwijning van dit laatste fragment van Atlantis wordt door Plato in verband gebracht met de goddeloosheid der bewoners. In de periode van verval leidt de Manu uittochten van ‘t Atlantische continent naar Centraal Azië. De kleine groep kolonisten moest zuiver bewaren, wat dc vrucht van de Atlantische mensheidsontwikkeling was geweest.
Een groep ging langs een noordelijke route, via Schotland, Midden Europa, Rusland. Een 2e groep ging langs de kusten van de Middellandse zee. Vanuit het nieuwe centrum van de Manu (in ’t beschermde Tarimbekken) gaan de impulsen voor de cultuurperioden uit. Zendboden met spirituele opdrachten gaan naar Voor-Indie, Iran, later ook naar Mesopotamië en Egypte. Geologisch valt deze tijd samen met de ijstijd.

Tot zover Veltmans tekst voor de leerkracht.

Waar ik zelf twijfel of de tekst in een periodenschrift hoort, heb ik gecursiveerd.

Oude Geschiedenis

inleiding

Waarom leren wij geschiedenis?

Met alle mensen en volken, die nu op aarde wonen, zijn wij verbonden. Zij ademen dezelfde lucht in als wij, dezelfde zon beschijnt allen; wij hebben hen en zij ons nodig.

Het is das goed te leren van andere landen on volkeren.

Wij zijn met hen verbonden in de RUIMTE.

Hoo? Dat leert ons de AARDRIJKSKUNDE.

Maar in vroeger tijd hebben op aarde mensen geleefd en gewerkt, waarmee wij óók verbonden zijn. Zij hebben ons iets geschonken, waardoor wij nu kunnen leven, zoals wij leven.

Zonder de BOUWKUNST van Egypte en Babylon, van Griekenland en Rome zouden wij niet kunnen bouwen zoals wij nu doen.

Zonder de landbouw van de oude Perzen zouden wij nu niet zoveel groenten en vruchten, hebben. Zelfs ons alledaagse brood zou ons ontbreken.

Niet in de RUIMTE zijn wij met vroegere mensen en volken verbonden, maar in de TIJD.

Hoe? Dat leert ons de GESCHIEDENIS.

De oudste overleveringen van de mensheid bestaan uit MYTHEN, SPROOKJES,

SAGEN on LIEDEREN, (HYMNEN) ter ere van de goddelijke wezens.

In vroeger tijd hadden de mensen geen gedachten en begrippen zoals wij die nu hebben, maar zij leefden en spraken in beelden.(??)

De grote en rijke fantasie, die de beelden opriep is meer en meer verloren gegaan ,Het denken in vaste begrippen is ervoor in de plaats gekomen. Door dit denken heeft de mens de aarde leren beheersen met wetenschap en techniek. De beeldenwereld is nog wel aanwezig in de dromen, die wij hebben. Ook kleine kinderen, zieken en krankzinnigen hebben de beeldenwereld in zich.

Wanneer in ons midden plotseling een Indiër uit de oertijd zou verschijnen en in zijn beeldentaal zou gaan spreken, zou men hem niet begrijpen, (ook al sprak hij in onze taal). Ja men zou hem waarschijnlijk in een krankzinnigengesticht brengen. ….

En omgekeerd; een mens uit de huidige tijd zou voor de Indiërs uit de oertijd een raadsel zijn. Snel zou hij aan de goden geofferd worden, omdat hij God noch mens, dier noch.duivel was.

Alleen de mens is van alle levende wezens in staat steeds nieuwe vermogens te verwerven in zijn ontwikkeling.,,

De geschiedenis laat ons die ontwikkeling zien.

Als een grote stroom, met voortdurende veranderingen, gaat de mensheid voort. De innerlijke en uiterlijke krachten van de mens zijn in de loop van duizenden jaren geheel anders geworden.

Deze krachten noemt men het BEWUSTZIJN van de mens.

Het begin van de cultuurperioden

Wanneer een volk een bepaalde ontwikkeling v.h. menselijk bewustzijn heeft doorgemaakt en onder grote, door de goden geïnspireerde, leiders een taak volbrengt, die voor de gehele mensheid van betekenis is spreken wij van een CULTUURVOLK.

De oudste cultuur die wij kennen is de Oud-Indische cultuur.

Het begin van deze cultuur valt samen met een ongehoorde ramp, die zich op aarde voltrekt. Een heel werelddeel met een oeroude beschaving, bewoond door zwarte, rode, gele, bruine en blanke rassen, verzonk in de woeste golven van de oceaan. Prachtige steden met tempels en havens,burchten en torens werden weggevaagd. Aardbevingen en stormvloeden vernietigden het ATLANTIS-CONTINENT. In deze tijd verstarde tevens een groot deel van de aarde in de greep van het landijs, dat in massieve kilometerdikke plakken vanuit de Noordpool kwam aanschuiven, mens en dier en plant verjagend of verdelgend: de IJSTIJD is in volle gang. De ondergang van ATLANTIS door de vreselijke vloedgolven is bewaard in de ZONDVLOEDSAGEN van vijftig volkeren.

Het meest uitvoerige verhaal vindt men bij de Griekse filosoof PLATO.

In alle sagen is het duidelijk dat de ramp een gevolg was van de slechte daden der Atlantiërs, die zich niet aan de orde der Goden stoorden. Voor de ondergang van Atlantis waren echter groepen van kolonisten naar andere werelddelen getrokken. De grootste leider van hen, die een groep naar Centraal-Azië bracht, wordt door de Indiërs MANU genoemd.

De Oud-Indische cultuurperiode begon omstraaks 8000.jaar vóór de geboorte van Christus.
In de Indische sagen wordt de stichter van de Indische cultuur  Manu,  de “Vader der Mensheid” genoemd.

Hoe Plato over Atlantis schrijft (Kritias en Timaios)

“De mijnen schonken edele metalen en smeltbare ertsen, waaronder een soort koper, die nu nog enkel in naam bekend is en na ’t goud als ’t kostbaarste metaal gold. De bossen verschaften hout voor allerlei bouwwerken en voedsel voor wilde en tamme dieren in grote kudden. Zo waren er talrijke olifanten, want er groeide rijkelijk voedsel in moerassen, vijvers en stromen, op de bergen en in de vlakten, niet alleen voor vele kleine diersoorten, maar ook voor de grootste en vraatzuchtigste. De gehele natuur was van welriekende geuren vervuld, die de aarde door haar planten, bloemen en vruchten uitademde, en ook bloeide daar een heerlijke veldvrucht, een boom die spijs, drank en kostelijke olie voortbracht, ooft en zoete versnapering, die de maag van de verzadigde tot lokkende verkwikking dient. Dat alles werd in rijke overvloed voortgebracht door het eiland, dat toenmaals in het koesterende zonlicht baadde. Daar de aarde de mensen alles schonk, bouwden zij tempels en paleizen, havens en schepen, doch tevens bebouwden zij het ganse land……Doch toen de van de godheid afstammende verheven eigenschappen door de voortdurende menging met de kinderen der sterfelijken begonnen te verminderen en de al te menselijke eigenschappen boven kwamen en op de karakters der mensen de overhand kregen, toen waren zij niet meer bij machte hun geluk te dragen en zij ontaardden……
Doch de over allen regerende Godenvader zag in hun verstokte harten en zijn toorn werd opgewekt, toen hij hun verheven geslacht zo ontaard bevond; hij wilde hen laten boeten……

VOOR-INDIE

Voor-Indië is een groots land met enorme vruchtbaarheid en levenskrachten. Een weelderige plantengroei overdekt ’t land. Machtige oerwouden wisselen af met vruchtbare vlakten, begroeid met allerlei soorten bomen, heesters en bloemen. Alle klimaten van pool-tot woestijnklimaat zijn in Indië te vinden, alle belangrijke plant- en diersoorten, alle huidskleuren onder de bevolking komen daar voor. Indië is als het ware één gehele aarde in ’t klein. Krachtige olifanten, ranke herten en glanzende tijgers bevolken ’t oerwoud. Veelkleurige slangen, metaal-blauwe pauwen, bonte vlinders en manenloze woestijnleeuwen leven er. In ’t noorden sluit een duizelingwekkend hoog gebergte de horizon af. De Himalaya met zijn 8000m. hoge toppen wordt ’t “dak der wereld” genoemd.
In ’t zuiden, gevormd als een puntig olifantsoor, woonde een donkerkleurige bevolking.Tussen ’t hoge noorden en ’t bergachtige zuiden liggen de grote vlakten van de rivieren Indus en Ganges.

De scharen van Manu kwamen uit ’t noorden in Indië binnen. De oer-Indiërs behoorden tot het ras der Ariërs. Zij waren rijzig en schoon van gestalte blank van huid, blond van haar en blauwogig. Het Sanskrit heeft ‘nobel’, ‘rein’, ‘puur’. Zij leidden een zwervend leven en trokken met hun kudden in het land rond.

’s Zomers zochten zij de koele bergen en ’s winters de zoele vlakten op. De zomer kan in Voor-Indië een kwelling zijn: de verschroeiende zon en stofregens doen de mens smachten naar het koele licht van de maan. De regentijd brengt nieuwe groeikracht en de zware donderslagen die deze tijd inluiden worden met vreugde begroet. De dondergod Indra is een van de meest geliefde goden geweest bij de oude Indiërs.
De Indiërs waren eenvoudig gekleed in katoen en linnen. Zij woonden in ronde katoenen tenten met een paal in het midden. Iedere dag offerden zij op hun huisaltaar aan de god Agni, de gcd van het reinigende vuur, die bemiddelaar was tussen goden en mensen. Het voedsel dat zij tot zich namen, bestond uit melk en melkgerechten, wortels en vruchten. Nooit doodden zij een dier; zij beschouwden het als hun vriend.

De taal van de Indiërs heet SANSKRIT en is aan de onze verwant. Nog steeds is deze taal in gebruik bij de priesters en alle heilige liederen, hymnen en gedichten zijn in ’t Sanskriet opgetekend. Vele woorden in ’t Sanskrit kan men terugvinden in Grieks en Latijn en in onze eigen taal.

Veltman blz. 2

Langs de rivier de Indus trokken de oer-Indiërs steeds meer naar ’t zuiden. Zij kwamen daar in aanraking met de zwarte bevolking die in versterkte steden woonde.
De steden der zwarten werden veroverd, de Indiërs begonnen de grond te bebouwen en leidden geen zwervend leven meer…Manu had de leiding overgedragen aan de zeven Wijzen, de heilige Rishi’s geheten. Het volk werd zeer streng gescheiden in 4 kasten of standen die zelfs verschillend van huidskleur waren

1.BRAHMAN      (priesters)                 blank
2.KSHATRIJA’S (ridders)                    rood
3.VAISIJA-S        (handwerkslieden) bruin
4.SUDRA-S          (boeren)                    zwart
het is mij niet bekend of dit klopt

Buiten de kasten stonden de PARIA’S (onreinen), de nakomelingen van de donkere oerbevolking. Het was de leden van een kaste streng verboden om met een lid van een andere kaste te trouwen of mee om te gaan. Een lid van een kaste voelde zich zelfs verontreinigd wanneer hij werd geraakt door de schaduw van een Paria.

De oudste geschriften der Indiërs zijn heilige boeken en heten VEDA’S (heilig woord). Zij bestaan uit een verzameling heilige liederen, gebeden en offerspreuken. Later zijn boeken met geheime priesterwijsheid (UPANISHADS) opgeschreven.
Later zijn zeer grote dichtwerken ontstaan in de z.g. heldentijd, een verzameling godensagen en lotgevallen van Indische helden.

Het RAMAIJNA behandelt de geschiedenis van de held RAMA, die zijn schone vrouw moest terugveroveren op een boze demon. Het MAHABHARATA behandelt in hoofdzaak de strijd van de held ARDJHUNA en zijn 4 broers tegen de 100 Korawa’s.

Het schoonste deel van dit heldendicht, dat meer dan 100.000 SHIOKA’S ( = 2-regelig vers) telt heet het BHAGAVAD-GITA (het lied van God) en handelt over een tweegesprek tussen de held ARDJHUNA en KRISHHA, een als koningszoon vermomde god, aan de vooravond van de geweldige 18-daagse veldslag. Behalve de strijd van de PANDU’s en KURU’s zijn er nog andere prachtige verhalen in het Mahabharata te vinden, bv. dat van NALA EN DAMAlJANTI, SJIWA en PARVATI, SAVITRI en IJAMA.

De belangrijkste goden der Indiërs waren

BRAHMA, de Schepper
VISHNU, de Behoeder en
SHIVA, de Vernietiger van het Heelal

Later werden deze goden als een Drie-eenheid beschouwd. Maar ook vereerden de Indiërs vele lagere goden:

AGNI , de god van het vuur
INDRA, de dondergod
VARUNA, de god der wateren
VAIJU, de god der winden
IJAMA , de god des doods
SURIJA, de zonnegod
SOMA , de maangod
KALI, god van de duisternis en boosheid.

Verder was hun hemel gevuld met een onnoemlijk aantal lagere goden, demonen en andere wezens.

In Indië is alles ruim, breed, groot en ingewikkeld: de tempels gelijken een opeenstapeling van beelden en ornamenten, de gedichten zijn honderdduizend regels lang, een koning heeft soms zestigduizend zonen, een held leeft elfduizend jaar.
Alle kunst, alle maatschappelijke verschijnselen, zijn echter doortrokken van één machtig beginsel: het goddelijke.

In de lange geschiedenis van de Indiërs is er één mens geweest, die zo hoog in zijn ontwikkeling was gestegen, dat hij na zijn leven niet terug behoefde te komen.
Deze mens is de Buddha geweest. In zijn laatste leven werd hij geboren als prins in een vorstelijk geslacht; hij leerde bijtijds zijn taak kennen, zei het hofleven vaarwel en zocht de eenzaamheid.
Na grote beproevingen en vele moeiten, werd hem de “Grote Verlichting” ten deel (d.i. de hoogste wijsheid, die een mens met hulp van de goden op aarde kan verwerven). Hierdoor werd hij tot Buddha. Na zijn dood steeg hij op naar het NIRVANA, d.w.z. hij was van zijn levens op aarde verlost en rustte in de schoot van Brahma. De leer die hij predikte wordt Buddhisme genoemd.

Van Buddha
De mens die men in de geschiedenis de Buddha noemt, heeft ongeveer van 550-470 v.Chr. in Indië geleefd. Naar de overlevering verteld, is hij in de stad Kapilarasthu geboren, als zoon van koning Suddhodana en koningin Maya. Prins Siddharta groeide op in weelde en pracht (zijn vader trachtte alles, wat zijn zoon aan het denken kon brengen, van hem weg te houden).Vergeefs!
Op enige tochten in de zorgvuldig gereinigde stad zag hij een oude, een  zieke, een.dode en een bedelmonnik. Zijn wagenmenner lichtte hem in. Prins Siddharta ging nadenken over het leven en hij herkende zich als een Bodhisatwa(=hij,die een Buddha moet worden). Hij liet rijk, ouders en zijn vrouw Gopa en zijn bezittingen achter, trok de bergen in als bedelmonnik en bereikte door grote krachtsontplooing de staat van “Verlichting”. Nadien predikte hij zijn leer met zijn leerlingen van stad tot stad trekkend. Zijn lievelingsleerling heette Ananda. Op tachtigjarige leeftijd stierf Buddha. Zijn preken en spreuken zijn later opgetekend.
Buddha’s leer heeft zich verbreid over geheel Voor-Indië; men werd zijn volgeling tot in het verre China, Japan en Tibet, zelfs tot in Maleise eilanden. De leer van Buddha was niet vijandig aan de oude godsdienst der Brahmanen, maar de verschillen in Kaste werden opgeheven.

Ieder mens, koning of knecht, priester of boer, kon het ‘pad des heils’ betreden.

De Indiërs hebben de wereld niet veroverd, maar Buddha’s leer drong zonder geweld tot ver over de grenzen. Onderling voerden de Indische koninkrijken wel strijd. Zij waren zwak en geraakten onder de heerschappij van Perzen, Grieken en Mongolen, ten laatste onder de Engelsen.

De grote Gandhi heeft Indië vrij van Engeland trachten te maken zonder geweld. Door de geestkracht van zijn werk werd Indië na de 2e wereldoorlog inderdaad vrij.

Veltman blz. 3

Voor de leerkracht:

Het is interessant dat India niet slechts in de ruimte een afspiegeling van de gehele aarde is, maar ook in de tijd spiegelt de Indische geschiedenis de andere cultuurperioden.

Veltman blz. 4Dan komen de Engelsen in het etherisch rijke Indië. Het is niet toevallig dat zij als dragers van het 5e cultuurtijdperk zich zo diep met India verbonden hebben!

HYMNE AAN AGNI (rig-veda)

O AGNI, HEILIG VUUR,
STRALEND IN REINE GLANS,
GIJ ZUIVERT ONS LEVEN.
GEEF  ONS VOEDSEL EN KRACHT.
BESCHERM ONS EN WEER HET ONGELUK AF!
GIJ OMVAT ALLE GODEN
ALS EEN RAD DE SPAKEN
GIJ ZIJT ONZE PRIESTER!
WIJ LOVEN U, AGNI,
GIJ GLANZENDE, STRALENDE!
HOOR ONZE BEDE…..

TEKST UIT DE UPANISHADS.

“GIJ, BRAHMA, ZIJT VROUW, GIJ ZIJT MAN
GIJ ZIJT DE DONKERBLAUWE BIJ EN DE GROENE PAPEGAAI
MET RODE OGEN. UW KIND IS DE BLIKSEM. GIJ ZIJT DE SEIZOENEN EN DE ZEEËN. GIJ HEBT GEEN BEGIN, GIJ DOORDRINGT ALLES, EN ALLES IS GEBOREN UIT U!”

BRAHMAANS GEBED (bij ’t opstaan)

BHUMA KSHAMAMI (aarde vergeef mij).

Veltman blz. 5HET HEILIGE WOORD ‘OM’ (AUM)

UIT HET BHAGAVAD-GITA , 11e zang

“Heer” sprak ARJHUNA, “indien gij meent, dat ik het verdragen kan, openbaar dan Uw eeuwige zelf aan mij!”
“Aanschouw dan, o prins, mijn duizenden vormen, aanschouw het heelal, dat in mij besloten is. Ik zal U het hemelse gezicht verlenen”, sprak KRISHNA.

Toen openbaarde VISHNU zich aan KUNTI’s zoon, met vele monden en ogen, vele wonderbaarlijke gezichten, vele hemelse versierselen en wapenen, bloemen en gewaden, gezalfd met zalven van hemelse geur, vol wonderbaarlijkheid, glanzend en eindeloos, met vele gelaten naar alle kanten gewend. Zijn schittering was als de schittering van duizend zonnen. En in dat lichaam zag Arjhuna het ganse heelal in al zijn onderdelen tot één verenigd. Zijn haren rezen te berge, hij boog het hoofd en sprak met gevouwen handen vol verbazing:

“Mijn God ik aanschouw U en alle goden zie ik in uw lichaam, elk naar zijn rang en alle schepselen; ik zie BRAHMA, tronend op zijn lotosbloem, en alle wijzen en de heilige slangen, oneindige vorm, ik vind aan u geen grenzen; ontelbaar zijn uw armen, magen, monden, ogen. Aan U is geen begin, geen midden en geen einde!
Gij zijt onverwoestbaar en onvergankelijk. Zon en maan zijn uw ogen, het vlammende vuur is uw mond. Gij vervult de vier hoeken des hemels en de ruimte tussen hemel en aarde. In u treden de scharen der DEVA’s binnen met gevouwen handen, vrede roepend. De RISHI’S en de heiligen zingen Uw lof met heilige zang.
Nu zie ik u, o VISHNU,  alomtegenwoordig, de hemel steunend in duizend kleuren, met opengesperde monden en vlammende ogen, nu beeft mijn hart, mijn rust is heengegaan.Vreselijk zijn uw monden met knarsende slagtanden, gloeiend als vuren op de dag des oordeels.
Wees mij genadig god der goden, toevlucht van het heelal! De zonen van DHRITARASHTRA, en menig koning; BHISMA, DRONA, KARNA, en ook vele vrienden zie ik uw vreselijke monden binnengaan, als motten die zich haasten naar het vuur tot hun vernietiging, zo zwermen deze helden uw monden binnen. Zeg mij, wie gij zijt, o vreselijke, o god der goden. Genade! Heer, uw wegen zijn voor mij verborgen!”

BUDDHA VERTELDE OVER ZICHZELF:

Ik groeide op, door zorgen omringd.
In de tuin van mijn vader waren vijvers met blauwe, witte en rode lotosbloemen – slechts voor mij bestemd. De fijnste reukwerken uit Benares, de fijnste zijden stoffen, alles was voor mij. Dag en nacht werd een wit scherm boven mij gehouden, opdat ik geen last zou hebben van hitte en stof. Ik had drie paleizen voor mij alleen: een voor de winter, een voor de zomer en een voor de regentijd en de bajaderen dansten voor mij. Zo levend in rijkdom, pracht en praal, kwam de gedachte bij mij op: Ook ik ben overgeleverd aan ouderdom, ziekte en dood! Moet ik daar nu van schrikken? Toen week de glans der jeugd, de schijn van gezondheid en kracht van mij en zo trok ik na korte tijd heen; ondanks mijn krachtig lichaam, mijn schone donkere lokken ging ik heen, tegen de wil van mijn vader en ondanks de smart van mijn vrouw. Met geschoren hoofd en in het gele kleed van de boetvaardige, verliet ik alles en zocht de eenzaamheid.

UIT BUDDHA1S LEVEN ZOALS DE INDIËRS HET VERTELLEN.

Van de goden kreeg de Bodhisatwa voor zijn geboorte deze opdracht:

“HET IS TIJD NEDER TE DALEN EN BUDDHA TE WORDEN TENEINDE OUDERDOM, ZIEKTE EN DOOD TE OVERWINNEN. EN DE DORSTIGE WEZENS DER WERELD HET WATER VAN DE ONSTERFELIJKE ZALIGHEID TE BRENGEN”!”

De pasgeboren Buddha deed zeven passen naar alle windstreken en sprake

“IK BEN DE EERSTE IN DE WERELD.  IK BEN DE GROOTSTE IN DE WERELD. DIT IS MIJN LAATSTE GEBOORTE. IK ZAL EEN EIND MAKEN AAN HET LEED VAN ZIEKTE’, OUDERDOM EN DOOD!”

Uit het snarenspel der Bajaderen klonk Prins Siddharta tegen:

“DE TIJD IS VOOR U GEKOMEN, O.HEER! LAAT NEERDALEN HET WATER VAN DE ONSTERFELIJKE ZALIGHEID, OM DE DORSTIGE WEZENS DER WERELD TE VERKWIKKEN! SNEL ONTVLIEDEN DE MENS DE VREUGDE DER JEUGD, ALS EEN SNELLE BERGRIVIER. ZIJ VERDWIJNEN ALS EEN WOLK IN DE HERFST, WEZENLOOS ALS EEN LUCHTSPIEGELING IN DE WOESTIJN, ALS SCHUIM, ALS EEN ECHO, ALS EEN DROOM!”

Toen de heilige Buddha was heengegaan, beefde de aarde, de donder rolde en Brahma sprak:

“AFLEGGEN ZULLEN ALLE WEZENS DEZER WERELD HUN LICHAAM, ZOALS DEZE GROTE MEESTER, DE ONVERGELIJKELIJKE, DIE DE WEG VAN BUDDHA GING,DE HEER DER KRACHTEN, DIE VOLLEDIG ONTWAAKT HET NIRWANA INGING.”

Toen de heilige in het Nirwana binnenging, sprak de eerbiedwaardige ANANDA:

“ER WAS EEN HEILIGE SCHRIK, EEN HEILIGE HUIVERING BEEFDE DOOR DE WERELD, TOEN DE ONTWAAKTE, DIE VOOR ONS HET OERBEELD VAN HET HOOGSTE EN SCHOONSTE WAS, HET-NIRWANA BINNENGING!”

 

Veltman blz. 9

Veltman blz. 7

Veltman blz. 6

Veltman blz. 8

 

Veltman blz. 10Dit kaartje niet!

Veltman blz. 11Ook dit lijkt me niet zinvol

En deze ook niet:

Veltman blz. 12

5e klas: geschiedenis: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas – geschiedenis – India

5e klas: alle artikelen

928-859

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over schrijven en lezen (4)

.

tekst in blauw van mij; in groen van Steiner; in zwart de vertaling daarvan. ‘Niet vertaald’ wil zeggen: er is geen officiële vertaling; deze vertaling is dan van mij. Verbetersuggesties welkom: vspedagogieatgmailpuntcom

.

Waldorf ~ 1st grade ~ Letter: T ~ Table:

Tafel = T
.
Deze en onderste illustratie zijn niet van Steiner
.

HOOFDLETTER/KLEINE LETTER


In de vertaling van GA 294, de uitgave van 1987, is een voetnoot (nr 2) opgenomen:=
=In het Duits wordt als voorbeeld de f van Fisch gebruikt. Rudolf Steiner ging dus uitdrukkelijk uit van geschreven of kleine letters. Pas later kwam de ommezwaai naar hoofdletters.=

De Duitse uitgave van 1990 heeft deze voetnoot niet.

Ik weet niet waarop de vaststelling ‘ging uitdrukkelijk van geschreven of kleine letters uit’ is gebaseerd. De f op blz.9, lijkt een kleine letter te zijn;

GA 294 blz. 9

maar in de andere voordrachten waarin Steiner de F als voorbeeld neemt, zie je toch een hoofdletter.
Als de voetnoot hierop duidt, is er sprake van ‘pas later’, maar in dezelfde GA 294 is een paar dagen later de B als voorbeeld een duidelijke hoofdletter.

GA 294 blz.69En in de 1e voordracht hierin is ook sprake van het lezen van het woord KOPF, duidelijk met hoofdletters, op blz. 13 al; dat noopt niet tot een opmerking: ‘pas later kwam de ommezwaai naar hoofdletters’.

GA 303/165

GA 303 blz.165


GA 304a/175

GA 304A blz 175


GA 305/98

blz. 98


GA 306/81

GA 306 blz.81


GA 307/156

blz. 156a


GA 309/57

GA 309 blz. 57 1


GA 310/58

GA 310 blz. 58 2


GA 311/32

GA 311 blz. 32 2

Het ligt niet voor de hand dat Steiner eerst ‘uitdrukkelijk’ de kleine letter in gedachten had. Nadat hij heeft laten zien hoe je uit het beeld (van de Fisch) de klank = f = hebt aangeleerd (in Steiner over schrijven en lezen 5 zegt hij:


Du lernst also kennen das Zeichen für das Fischsprechen im Anfange.

Je leert dus kennen het teken voor het begin van het woord Fisch.’ wanneer je dat uitspreekt
GA 294/10
vertaald/11 (1)

Je leert dus het teken voor het begin van het woord. Het teken is niet de klank, – dan is dat dus het letterteken – aan het begin van het woord. Dat is in het Duits een hoofdletter.

Op blz. 59 van de vertaling spreekt Steiner over ‘BAD’ en op blz.62 over ‘OVEN’ en ‘VOGEL’ (vert. voor het voorbeeld REBE, BÄR) waarbij de letters in hoofdletters in de voordracht worden weergegeven, waarbij  Steiner de B ook in het midden van een woord laat verschijnen.
Een duidelijker bewijs dat het hem om de hoofdletter gaat, is er niet!

En dit wordt nog versterkt door het voorbeeld van de A die overduidelijk een hoofdletter is:

GA 294 blz.73

GA 294/63
vertaald/63 (1)

De keus voor de hoofdletter is logisch vanuit het Duits, waar de zelfstandige naamwoorden met een hoofdletter worden geschreven.

Maar dat is het niet alleen. Op veel plaatsen wijst Steiner op het ontstaan van het schrift en de vormen zoals wij die nu kennen. Die komen uit het oorspronkelijke Latijnse schrift.
De vraag naar het uitgangspunt voor de lettervormen beantwoordt Steiner met:

 Ja, die lateinische Schrift ist der Ausgangspunkt, weil diese die charakteristischen Formen enthält.Und dann erst, wenn es nötig wird, geht man über auf die deutsche, die gotische Schrift, die eigentlich ganz verschwinden sollte.

Ja, het Latijnse schrift is het uitgangspunt, omdat dit de karakteristieke vormen bevat. En pas als het nodig is gaat men over op het Duitse, het Gotische schrift, dat eigenlijk helemaal zou moeten verdwijnen.
GA 295/20
vertaald/20 (3)

=

Het Latijnse schrift bevatte eerst alleen hoofdletters. Kleine letters bestonden nog niet.

Het eerste schrijfonderwijs ziet Steiner nog niet zo als ‘schrijven’. (Zie opm. GA 297/25). Hij wil het kind laten kennis maken met een beeld. Een beeld dat een letter gaat worden. En waarbij een klank hoort.
Op verschillende plaatsen onderbouwt hij het waarom daarvan met menskundige gezichtspunten.

Hier volgen de belangrijkste opmerkingen van Rudolf Steiner over het begin van het schrijfonderwijs:

So werden wir herausholen aus dem zeichnerischen Element zuerst die Schreibformen der Buchstaben, dann die Druckformen. Wir wer­den das Lesen aufbauen auf dem Zeichnen.

Zo zullen we uit het tekenen eerst de geschreven vormen van de letters ontwikkelen, dan de gedrukte. We zullen het lezen daaraan vastknopen.
GA 294/11
vertaald/12 (1)

=

(  ) Wir erteilen den Schreibunterricht so, daß wir ihn vom Zeichenunterricht ausgehen lassen, daß wir zunachst nicht auf Buchstaben Rücksicht nehmen, sondern Formen zeichnen lassen.

We geven de schrijfles zo, dat we deze vanuit het tekenonderwijs beginnen, dat we niet meteen rekening houden met letters, maar vormen laten tekenen.
GA 297/108
Op deze blog vertaald/108

=

Wir beginnen nicht etwa damit, daß wir dem Kinde das Schreiben so beibringen, daß wir es die Buchstaben lehren. Wir lehren daher schreiben, indem wir ausgehen vom Zeichnen oder gar vom Malen von anschaubaren Formen. Wir bringen zunächst etwas, was ein künstlerisches Element ist, an das Kind heran und entwickeln dann aus dem Künstlerischen heraus, aus dem Zeichnen, aus dem Malen, die Formen der Buchstaben

We beginnen er niet mee, als we het kind leren schrijven, om het letters aan te leren. We leren het schrijven aan door uit te gaan van het tekenen of zelfs het schilderen van aanschouwelijke vormen. We geven het kind eerst iets kunstzinnigs en uit dit kunstzinnige, uit het tekenen, uit het schilderen, ontwikkelen we dan de vormen van de letters.
GA 297/258
Op deze blog vertaald/258

=

(  )  Wir lehren nicht das Lesen und Schreiben, wie man das gewöhnlich tut, sondern wir gehen bei unserer Methode von dem Kindlich-Künstlerischen aus. Wir beginnen überhaupt nicht mit dem Lesen, nicht einmal mit dem Schreiben im gewöhnlichen Sinne des Wortes, sondern mit einer Art malendem Zeichnen, zeichnendem Malen. ( ) Dann führen wir all­mählich das, was aus dem Künstlerischen herausgeholt ist, über in die Buchstabenformen zuerst durch das Schreiben, und vom Schrei­ben aus gehen wir erst zum Lesen über. Das ist unser Ideal.

Wij leren het lezen en schrijven niet aan, zoals dat gewoonlijk gedaan wordt, maar we gaan bij onze methode uit van wat kinderlijk-kunstzinnig is. We beginnen helemaal niet met lezen, niet eens met schrijven in de gewone zin van het woord, maar met een soort schilderend tekenen of tekenend schilderen. ( ) Dan leiden we, wat we uit het kunstzinnige gehaald hebben, over naar de lettervormen, eerst door ze te schrijven en van het schrijven gaan we pas naar het lezen. Dat is ons ideaal.
GA 297a/25
Op deze blog vertaald/25

=

Aus dem Künstlerischen gehen wir vor, aus dem Künstlerischen holen wir zuerst das Schreiben, dann das Lesen heraus. Dadurch entsprechen wir wirklich dem, was im Kind liegt.

Wij beginnen met het kunstzinnige; uit het kunstzinnige halen we eerst het schrijven, dan het lezen. Daarmee doen we overeenkomstig met wat in het kind besloten ligt.
GA 297a/57
Op deze blog vertaald/57

=

So gehen wir in der Stuttgarter Waldorfschule nicht vom Lesen-lernen oder gewöhnlichen Schreibenlernen aus, sondern künst­lerisch von einem Malerischen, von einem Zeichnerischen. Wir ent­wickeln die Buchstabenformen erst aus diesem Zeichnerischen heraus, entwickeln überhaupt zuerst auf diese Weise aus dem Künstlerischen heraus. Wir lassen das Kind auch mit Farben hantie­ren – wenn das auch schwieriger ist und erst aus dem Schmutzigen heraus entwickelt werden muß. So beginnen wir mit dem Künst­lerischen und entwickeln daraus das Schreiben und dann erst das Lesen. Und so soll überhaupt ein Künstlerisches über den ganzen Unterricht ausgegossen werden.

Zo gaan we op de vrijeschool niet uit van het leren lezen of op de gebruikelijke manier leren schrijven, maar vanuit het kunstzinnige, vanuit het schilderen, vanuit het tekenen. We ontwikkelen de lettervormen pas uit dit kunstzinnige element, dus eerst op deze manier, uit het kunstzinnige. We laten het kind ook verfkleuren gebruiken – ook als dat moeilijker is en eerst het morsen* overwonnen moet worden. Dus we beginnen met het kunstzinnige en ontwikkelen daaruit het schrijven en dan pas het lezen. En zo moet er dus over heel het onderwijs iets kunstzinnigs gegoten worden.
GA 297a/148
Vertaald

=

Man kann nicht mit dem Lesen beginnen und nicht mit den Buchstabenformen, die in ihrer heutigen Gestalt dem inne­ren Erleben des Menschen fremd sind. Man muß mit einer Art malendem Zeichnen beginnen. Das Kind muß Formen malen und zeichnen, die so ähnlich gewissen Vorgängen und Dingen sind, wie die Zeichen in der Bilderschrift vorzeitiger Völker waren. Bild muß zuerst sein, was das Kind von den Dingen und Vorgängen der Welt fixiert. Dann sollte man vom Bilde zum Buchstabenformen überge­hen, wie die Bilderschrift sich in die abstrakte Zeichenschrift hinein entwickelt hat. Erst wenn das Kind auf diese Art vom malenden Zeichnen zum Schreiben gekommen ist, sollte man zum Lesen übergehen.

Je kunt niet met lezen beginnen en niet met de lettervormen die in hun tegenwoordige gedaante vreemd zijn voor de innerlijke beleving van de mens. Je moet met een soort schilderend tekenen beginnen. Het kind moet vormen schilderen en tekenen die nog lijken op bepaalde processen en dingen zoals de tekens in het beeldenschrift van vroegere volkeren. Eerst moet het beeld er zijn van wat het kind van de dingen en processen in de wereld vasthoudt. Dan moet je vanuit dit beeld overgaan naar de lettervorm, zoals het beeldschrift zich tot het abstracte symboolschrift heeft ontwikkeld. Pas wanneer het kind op deze manier vanuit het schilderende tekenen tot schrijven is gekomen, moet je overgaan op het lezen.
GA297a/168
Op deze blog vertaald/168

=

Im kindlichen Zeichnen, ja selbst im primitiven Malen kommt der ganze Mensch zur Entfaltung eines Interesses an dem, was er tut. Man sollte deshalb das Schreiben aus dem Zeichnen heraus entstehen lassen. Aus Formen, an denen der kindlich-künstlerische Sinn des Kindes zur Geltung kommt, entwickle man die Buchstabenformen. Aus einer Beschäftigung, die als künstle­risch den ganzen Menschen zu sich heranzieht, entwickle man das Schreiben, das zum Sinnvoll-Intellektuellen hinführt. Und erst aus dem Schreiben heraus lasse man das Lesen erstehen, das die Aufmerksamkeit stark in das Gebiet des Intellektuellen zusammenzieht.

(bovenstaand citaat is ook te vinden in GA 300b/13)

In het kinderlijk tekenen, ja zelfs in het onbeholpen schilderen, ontplooit de hele mens zijn interesse bij wat hij doet. Daarom zou je het schrijven uit het tekenen moeten laten ontstaan. Uit vormen waarbij de kinderlijke kunstzin tot zijn recht kan komen, ontwikkel je de vormen van de letters. Uit een bezigzijn dat als iets kunstzinnigs de hele mens erbij betrekt, zou je het schrijven moeten ontwikkelen, dat tot iets zinvol intellectueels leidt. En pas vanuit het schrijven laat je het lezen ontstaan, waarbij de aandacht sterk op het intellectuele komt te liggen.
GA 298/13
Op deze blog vertaald

=

Wir gehen – ich will das nur erwähnen – davon aus, daß wir das Kind zuerst gewisse Formen zeichnen lassen, damit sich aus diesen Formen diejenigen entwickeln, die in den Buchstaben liegen. Wir lassen das Kind vom Schreiben ausgehen, um ins Lesen hineinzukommen. Denn je mehr man ausgeht von dem, was im ganzen Menschen begründet ist, desto besser ist es für die Entwicklung des Kindes.

We gaan – dat wil ik slechts opmerken – ervan uit dat wij het kind eerst bepaalde vormen laten tekenen, opdat zich uit deze vormen ook die vormen kunnen ontwikkelen die in de letters zitten. Wij laten het kind van het schrijven uitgaan om zo bij het lezen te komen. Want hoe meer je uitgaat van wat de hele mens als aanleg heeft, des te beter het voor de ontwikkeling van het kind is.
GA 298/73
Vertaald/15

=

Von dem, was das Kind gerne hinzeichnet, was es aus seinem ganzen Wesen heraus macht, muß man es vernünftig, verständig hinüberführen zu den Buchstabenformen. Dann erst kann man das Lesen daraus entwickeln.

Vanuit wat het kind graag tekent, wat het vanuit heel zijn wezen maakt, moeten we hem met inzicht en verstand naar de lettervormen leiden. Dan pas kan zich daaruit het lezen ontwikkelen.
GA 298/74
Vertaald/15

=

Sie wissen ja, wir beginnen nicht so mit dem Lesen- und Schreibenlernen, wie das heute vielfach geschieht. Wir entwickeln, indem wir mit dem Schreibenlernen beginnen, die Buchstabenformen, die sonst dem Kinde fremd sind, aus dem heraus, zu dem das Kind mit in­nerem Behagen sich hinwendet aus einer Art künstlerischer Tätigkeit, künstlerischem Formensinn.

U weet wel dat wij niet op die manier met lees- en schrijflessen beginnen, zoals dat tegenwoordig veel gebeurt. Wij ontwikkelen, wanneer we met leren schrijven beginnen, de lettervormen die anders een kind vreemd blijven, uit iets waar een kind zich met voldoening op richt, uit een soort kunstzinnig werken, uit een kunstzinnig vormgevoel.
GA 298/129
Niet vertaald

=

Man sollte das Lesen sehr stark aus dem malenden Schreiben herausarbeiten. Die Formen müßte man aus dem Künstle­rischen heraus ableiten.    

Je zou het lezen zeer sterk uit het schilderende schrijven moeten ontwikkelen. De vormen zou je uit het kunstzinnige moeten afleiden.
GA 300a/96
Niet vertaald

=

Bringen wir deshalb an das Kind, so wie es heute ist, das heran, was nun schon unsere konventionelle Schrift geworden ist, so wirken wir doch nur auf den Intellekt. Deshalb sollen wir ausgehen nicht vom eigentlichen Schreibenlehren, sondern ausgehen von einem gewissen künstlerischen Erfassen derjenigen Formen, die dann in der Schrift, auch in der Druckschrift, zum Ausdrucke kommen.

Brengen we aldus het kind zoals het nu is, bij, wat nu dan ons conventionele schrift geworden is, dan werken we toch alleen maar op het intellect. Daarom moeten we niet uitgaan van het feitelijk leren schrijven, maar van een zeker kunstzinnig pakken van die vormen die dan in het schrift, ook in het drukschrift tot uitdrukking komen.
GA 301/79
Op deze blog vertaald/79

=

( ) es ist durchaus notwendig, gerade um das siebente, achte Lebensjahr nicht von einer intellektuellen Erziehung auszugehen, sondern von einer mehr ins Künstlerische hineingehenden Erziehung. So daß man zum Beispiel nicht das Schreiben auf intellektuelle Weise beibringt aus den Buchstabenformen heraus, sondern beibringt nach und nach aus einer Art primitiven Zeichnens.

( ) het is beslist nodig, juist rondom het zevende, achtste jaar, niet van een intellectuele opvoeding uit te gaan, maar van een die meer naar de kunstzinnige kant gaat. Zodat je bv. het schrijven niet op een intellectuele manier uit de lettervormen haalt, maar stap voor stap uit een soort eenvoudig tekenen.
GA 301/234
Op deze blog vertaald/234

=

Und wenn wir dann nicht zum abstrakten Zeichen, sondern zum Bild gehen im Schreiben- und Lesenlernen, so entfernen wir uns dadurch, daß es sein Wesen betätigen muß, nicht von seinem Wesen; wir lassen es nicht sich ganz entfernen von dem, was sein Wesen ist. Wir bringen übend und anstrengend das dem ganzen Menschen bei.

Als we dan niet naar abstracte tekens toe gaan, maar naar het bééld bij het leren schrijven en lezen, dan verwijderen we ons door het feit dat hij (het kind) zijn wezen actief moet inzetten, niet van zijn wezen; we laten hem (het kind) zich niet geheel en al verwijderen van wat zijn wezen is. Oefenend en door inspanning brengen we hem de gehele mens bij.
GA 302/129
vertaald/127

=

Erst auf künstlerische Weise das Schreiben beibringen, und dann übergehen zuerst zum Lesen von Geschriebenem und dann allmählich zum Lesen, da es schon sein muß, von Gedrucktem.

Eerst op kunst­zinnige wijze het schrijven aanleren, dan allereerst overgaan tot het lezen van het geschreven woord, en vervolgens langza­merhand tot het lezen — als dat dan zo nodig moet — van het gedrukte woord.
GA 303/170
vertaald/185

=

Das führt dazu, wenn wir die Kinder hereinbekommen in die Wal­dorfschule, daß wir alles zunächst, was wir an die Kinder heranbringen, aus dem Künstlerischen heraus arbeiten. Konkret gesprochen : wir beginnen nun nicht beim Lesen, sondern beim Schreiben; allein das Schreiben darf nicht in irgendein intellektuelles Verhältnis zum Kinde gebracht werden, sondern wir beginnen zunächst damit, daß wir das Kind Formen malen und zeichnen lassen, die eigentlich aus seinem menschlichen Wollen wie von selbst hervorgehen.

Dat leidt ertoe, dat wanneer we de kinderen bij ons op de vrijeschool krijgen, we eerst alles wat we het kind aanreiken, uit het kunstzinnige halen; concreet: we beginnen nu niet bij het lezen, maar bij het schrijven; alleen, het schrijven mag niet in een of andere intellectuele verhouding tot het kind komen te staan, maar wij beginnen eerst het kind vormen te laten schilderen en tekenen, die in wezen van zelf uit zijn menselijke wil tevoorschijn komen.
GA 304/152
Niet vertaald

=

Wir müssen wieder dazu zurückkehren, dem Kinde zunächst dasjenige, was es auszudrücken hat, im Bilde auszudrücken. Das können wir nur, wenn wir nicht beim Schreiben beginnen, und auch nicht beim Lesen, sondern wenn wir beim Malen beginnen. Und so unterrichten wir so, daß wenn das Kind in die Volksschule hereinkommt, wir es zunächst an die Farben heranbringen. Es ist unbequem, die Kinder machen alles schmierig, aber dem muß man sich fügen. Das Kind lernt die Farben behandeln, und man kann es über die Farbe hin zu den Formen bringen. Es kommen, wenn der Lehrer dazu die Fähigkeit hat, allmählich aus den Formen, die die Gegenstände bedeuten, allmählich die Formen der Buchstaben heraus. Dann bekommt das Kind dazu ein Verhältnis.

We moeten er weer naar terugkeren om voor het kind dat wat het moet gaan uiten, in een beeld te brengen. Dat kunnen we alleen, wanneer we niet met schrijven beginnen en ook niet met lezen, maar wanneer we met schilderen beginnen. En dus geven we zo les, dat we als het kind op de basisschool komt, het kennis laten maken met de kleuren. Het is wat lastig, de kinderen maken alles vuil*, maar dat moet je maar op de koop toe nemen. Het kind leert met kleur om te gaan en met de kleur kun je het ook bij de vormen brengen. En uit de vormen ontstaan, wanneer de leerkracht bekwaam is, langzamerhand de dingen, waaruit langzamerhand de lettervormen tevoorschijn komen. Dan verbindt het kind zich daarmee.
GA 304a/157
Niet vertaald

=

Zuerst kommt das malende Zeichnen, zeichnende Malen. Aus dem malenden Zeichnen, zeichnenden Malen wird das Schreiben hervorgeholt, aus dem Schreiben erst das Lesen.

Eerst komt het schilderende tekenen, tekenende schilderen. Uit dit schilderende tekenen, tekenende schilderen komt het schrijven; uit het schrijven pas het lezen.
GA 304a/158
Niet vertaald

=

Nun führen wir das Kind an die heutigen abstrakten Buchstaben heran, zu denen es gar kein Verhältnis hat! Was hat man zu tun? Das hat man zu tun, daß man das Kind zunächst gar nicht mit Schreiben und Lesen plagt, sondern malendes Zeichnen, zeichnendes Malen an das Kind heranbringt. Es betätigt dabei den ganzen Leib, wenn man es anfangen läßt zu malen, es an die Farben und Formen heranbringt. Man lasse es in den einzelnen Formen nachahmen dasjenige, was es schaut, was es sieht; dann führt man hinüber dasjenige, was im Bilde ist, in dem Laut.

Nu laten we het kind kennis maken met de huidige abstracte letters, waarmee het helemaal geen verbinding heeft. Wat moet je doen? Je moet om te beginnen het niet  plagen met schrijven en lezen, maar je moet het kind schilderend laten tekenen of tekenend laten schilderen. Wanneer je het laat beginnen met schilderen, het met kleur en vorm in aanraking brengt, dan gebruikt het z’n hele lijf. Je moet het, wat het waarneemt, wat het ziet, in aparte vormen laten nabootsen; dan ga je vandaaruit, wat in het beeld zit, naar de klank.
GA 304a/173
Niet vertaald

=

Auf diese Weise lernen die Kinder vom siebenten, achten Lebensjahre ab malendes Zeichnen, zeichnendes Malen. Man muß allerdings mehr achtgeben; es ist nicht so bequem, man muß nachher aufräumen; die Kinder machen alles schmutzig mit den Farben, es muß gereinigt wer­den; aber diese Dinge werden eben hingenommen werden müssen. Und man lernt zuerst aus der Farbe und Form heraus Ähnlichkeiten schaffen mit den Dingen draußen. Dann geht man über auf das Schreiben. Zunächst lernt das Kind schreiben, weil es damit den ganzen Körper in Bewegung bringt, nicht einen Teil bloß. Und dann geht man über zu dem Lesen. Das Kind gelangt im neunten Jahre etwa dazu, aus dem Schreiben heraus, das es aus dem Malen gebildet hat, das Lesen zu lernen.

Op deze manier leren de kinderen vanaf zeven, acht jaar schilderend tekenen, tekenend schilderen. Je moet zeker beter opletten; het is niet zo gemakkelijk, je moet naderhand opruimen: de kinderen maken met de verf alles vies*, het moet schoongemaakt worden; maar deze dingen moeten we voor lief nemen. En met kleur en vorm schep je eerst wat op dingen in de buitenwereld lijkt. Dan ga je naar het schrijven. Eerst leert het kind schrijven, omdat het daarmee met zijn hele lichaam kan bewegen en niet alleen een gedeelte. En dan ga je over op het lezen. Het kind kan op z’n negende, vanuit het schrijven dat uit het schilderen gevormd is, leren lezen.
GA 304a/174
Niet vertaald

=

Erziehungskunst, die auf Menschenerkenntnis beruht, geht so vor, daß sie wirklich alles aus dem Kinde heraus entwickelt, nicht bloß sagt, es soll die Individualität entwickelt werden, sondern es auch wirklich tut. Das erreicht man dadurch, daß man zunächst überhaupt nicht vom Lesen ausgeht. Das Kind geht auch vom Zappeln aus, von Willensäußerungen, nicht vom Anschauen. Das Anschauen kommt erst später. Und so ist es nötig, nicht vom Lesen auszugehen, sondern vom Schreiben, aber das Schreiben auch so zu betreiben, daß es aus der gan­zen Menschenwesenheit als etwas Selbstverständliches herauskommt. Daher beginnen wir mit dem Schreibunterricht, nicht mit dem Lese-unterricht, und versuchen allmählich dasjenige, was das Kind in der Nachahmung selber entwickeln will durch seinen Willen, durch seine Hände, auch hinzuleiten zum Schreiben.

Opvoedkunst die berust op kennis omtrent de mens werkt zo dat werkelijk alles vanuit het kind ontwikkeld wordt. Ze zegt niet alleen dat de individualiteit ontwikkeld moet worden, ze doet het ook echt. Dat bereikt men alleen doordat men om te beginnen al volstrekt niet van het lezen uitgaat. Het kind begint ook met te spartelen, met uitingen van de wil, niet met die te beschouwen. Het beschouwen komt pas later. Evenzo is het noodzakelijk niet van het lezen uit te gaan, maar van het schrijven. Schrijven echter op een zodanige wijze dat het als iets vanzelfsprekends tevoorschijn komt vanuit het menselijk wezen. Daarom beginnen wij met het schrijfonderricht, niet met het leesonderricht en proberen langzamerhand hetgeen het kind in de nabootsing zelf gaat ontwikkelen door middel van zijn wil, door middel van zijn handen, tot schrijven te laten worden.
GA 305/97
vertaald/102 (2)

=

So sind wir in der Waldorfschule in der Lage, aus dem Künstlerischen heraus dasSchreiben zu lehren. Dann läßt sich das Lesen nachher wie von selbst lernen. Es kommt etwas später als gewöhnlich, aber es läßt sich wie von selbst lernen.

‘

Zo zijn wij op de vrijeschool in de gelegenheid het schrijven aan te leren vanuit het kunstzinnige. Het leren lezen gaat daarna als vanzelf.
GA 305/101
Vertaald/87

=

So wenden wir uns an dasjenige, was das Kind will gerade im Zahnwechselalter und unmit­telbar darnach. Und schon daraus ergibt sich für Sie, daß man zuerst aus dem zeichnenden Malen und dem malenden Zeichnen – denn für das Kind ist es gut, wenn es gleich Farben verwendet, es lebt ja in der Farbe, das weiß jeder, der das Kind kennt -, wenn man aus dem malenden Zeichnen zum Schreiben übergeht und erst aus dem Schrei­ben das Lesen gewinnt.

Dus richten we ons op datgene wat het kind met name in de tijd van de tandenwisseling en meteen daarna wil. En daaruit volgt voor u dat u eerst uit het tekenende schilderen en het schilderende tekenen – want voor het kind is het goed, wanneer het meteen kleur gebruikt, het leeft met kleur, dat weet iedereen die het kind kent, wanneer je uit het schilderende tekenen naar het schrijven overgaat en pas dan uit het schrijven het lezen haalt.
GA 306/81
Op deze blog vertaald/81

=

(  ) Der Unterricht für unsere Kinder soll auch im Schreiben und Lesen aus dem Künstlerischen hervorgeholt werden.

Het onderwijs voor onze kinderen moet ook voor schrijven en lezen uit het kunstzinnige tevoorschijn gehaald worden.
GA 307/263
Vertaald/338

=

So kann ich das Ganze der Schrift hervorgehen lassen nicht aus abstraktem Nachahmen der Zeichen, wie sie heute sind, sondern aus dem Erfassen der Dinge selber, die im zeichnenden Malen, im malenden Zeichnen der Kinder entstehen. So kann ich die Schrift hervorholen aus dem zeichnenden Malen, aus dem malenden Zeichnen. Dann stehe ich in der lebendigen Bildhaftigkeit darinnen.

Zo kan ik het hele schrift tevoorschijn laten komen, niet door het abstracte nabootsen van de tekens zoals die tegenwoordig zijn, maar uit het meebeleven van de dingen zelf die in het tekenende schilderen en het schilderende tekenen in het kind ontstaan. Zo kan ik het schrift tevoorschijn halen uit het tekenende schilderen, uit het schilderende tekenen. Dan sta ik midden in het levende beeldelement.
GA 308/40
Vertaald/63-64

=

Daher wird ein Lehrer, der in dieser Weise mit Menscheneinsicht sich verbindet,darauf achten, aus dem zeichnenden Malen und malenden Zeichnen, wie ich es angedeutet habe, das Schreiben zu entwickeln, bis das Kind so weit ist, daß es dasjenige, was es innerlich als Wort, als Satz empfindet, aufschreiben kann.

Vandaar dat een leerkracht die zich op deze manier met inzicht in de mens verbindt, erop zal letten dat hij het schrijven ontwikkelt uit het tekenend schilderen en het schilderend tekenen, zoals ik heb aanghegeven, tot het kind zo ver is, dat het wat het innerlijk beleeft als woord, als zin kan opschrijven.
GA 308/59
Vertaald/91

=

Dann habe ich auseinandergesetzt, wie das Schreiben bildhaft an das Kind herangebracht werden muß, wie aus dem zeichnenden Malen, aus dem malenden Zeichnen die Buchstabenformen herausgeholt wer­den müssen. Dies malende Zeichnen und zeichnende Malen muß von all den Künsten, die das Kind in die Zivilisation hineinführen, zualler­erst gepflegt werden. Alles was schon von vornherein auf die dem Kinde ja ganz fremden Buchstabenformen hinweist, ist eigentlich päd­agogisch ein Unfug; denn die fertigen Buchstabenformen einer heutigen Zivilisation wirken wie kleine Dämonen auf das Kind.

Verder heb ik uiteengezet hoe het kind het schrijven beeldend moet krijgen aangeleerd, hoe uit het tekenend-schilderen, uit het schilderend-tekenen de lettervormen moeten worden gehaald. Dit schilderend-tekenen en tekenend-schilderen is van al de kun­sten die het kind in de civilisatie binnenvoeren, het allereerste dat moet worden gedaan. Alles wat al bij voorbaat verwijst naar de voor het kind volkomen vreemde lettervormen, is pedagogisch gezien ongepast; want de kant en klare lettervormen van de huidige civilisatie werken als kleine demonen op het kind.
GA 310/68
Vertaald/71-72

=

Das Schreiben, das ein abstrakt gewordenes Zeichnen ist, soll sich aus dem malenden Zeichnen oder dem zeichnenden Malen heraus entwickeln.

Schrijven, dat abstract geworden tekenen is, moet zich ontwikkelen uit het schilderend tekenen of het tekenend schilderen.
GA 310/113
Vertaald/119

=

Künstlerische Gestaltung des Schreibunterrichts, so daß er aus dem Malen hervorgeht – ich werde das morgen noch ausführlicher beschreiben -, künstlerische Gestal­tung in der Überführung des Schreibens, das aus dem Malen herauskommt  zum Lesen, künstlerische Gestaltung des Lesens und Schrei­bens

Kunstzinnig gegeven schrijfonderwijs, zo, dat het uit het schilderen ontstaat – ik zal dat morgen nog uitgebreider beschrijven – kunstzinnig vormgegeven het schrijven dat uit het schilderen ontstaat, en overgaat in lezen, kunstzinnige vormgeving van lezen en schrijven, van wat het kind op simpele wijze moet leren uitrekenen -het moet allemaal één zijn.
GA 311/22-23
Op deze blog vertaald/22-23

=

Dagegen hat das Kind von vornherein künstlerischen Sinn, sinn-bildende Phantasie. An diese muß man appellieren, an diese muß man sich wenden. Und man muß versuchen, zunächst gar nicht an diese konventionellen Buchstaben heranzurücken, die in der Schrift und im Druck der zivilisierten Menschheit gegeben sind, sondern man muß zunächst versuchen, ich möchte sagen, in einer geistvollen Weise – verzeihen Sie, daß ich das Wort anwende – die Kulturent­wicklung der Menschheit mit dem Kinde durchzumachen.

Het kind heeft daarentegen van begin af aan een kunstzinnig gevoel, zingevende fantasie. Hieraan moet je appelleren; hierop moet je je richten. En je moet proberen eerst helemaal niet met die conventionele letters bezig te zijn die in schrift en druk van de geciviliseerde mensheid gegeven zijn, maar je moet eerst proberen, ik zou willen zeggen, op een geestrijke manier – neem me niet kwalijk dat ik het woord gebruik – de cultuurontwikkeling met het kind te doorlópen.
GA 311/31
Op deze blog vertaald/31

=

*Dat hoeft helemaal niet. Wanneer je vanaf de eerste schilderles goede gewoonten aanleert, je les goed voorbereidt, zodat je weet wat van alles de volgorde is, kan er weinig misgaan. Wie eerst de waterpotten of de verf uitdeelt, vraagt om moeilijkheden, natuurlijk: die komen het allerlaatste en moeten zo worden neergezet dat ze niet van het tafeltje kunnen vallen of gestoten kunnen worden. Schilderkieltjes beschermen de kleding; echt nodig zijn ze niet: de verf gaat met het wassen makkelijk uit de kleren, behalve Pruisisch blauw, dat je ook snel van de vloer moet halen, want vlekken laten zich moeilijk(er) verwijderen.

 

(1) blz. in uitgave 1987

Rudolf Steiner over schrijven:

[1]   onze huidige lettervormen zijn ontstaan in het verleden; de vormen staan niet meer in verband met hun oorsprong; voor kinderen zijn het (wezens-)vreemde tekens

[2] om aan kinderen de lettertekens aan te leren, daarbij uitgaand van een beeld, is het niet nodig om de historische beelden te gebruiken. Eigen fantasie is voldoende.

[3] om de beelden te kiezen die voor het kind een letter gaan worden, is het van het grootste belang het wezenlijke verschil tussen klinker en medeklinker in acht te nemen.

[5] de conventionele letter wordt aangeleerd vanuit een beeld, eerst schilderend/tekenend of tekenend/schilderend; Steiners voorbeelden daarvan uit alle pedagogische voordrachten.

[6] de menskundige achtergronden van de schrijf- en leesmethode. Kunstzinnig werken: schilderen/tekenen; maar ook: vanuit de wil; totale mens – deel mens:hoofd; abstractie en intellect(ualisme); allerfysieks-halffysiek-bovenfysiek

[7] over de manier van leren lezen: van het geheel naar de delen – maar niet fanatiek; over leesmethodes (uit zijn tijd): spelmethode, klankmethode, normaalwoordenmethode; deze in verband gezien met het verschil klinker-medeklinker (zie [3])

[8] Steiners methode, mits consciëntieus gevolgd, kost meer tijd dan reguliere methodes. Dat wordt heden ten dage nog steeds schromelijk verward met ‘achter lopen’.

schrijven/lezen: alle artikelen

Rudolf Steiner over…..: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: letterbeelden

Waldorf ~ 1st grade ~ Letter: R ~ Little Red Riding Hood ~ chalkboard drawing:

Roodkapje = R

Deze en bovenste illustratie zijn niet van Steiner
927-858

.

VRIJESCHOOL – 2e klas – vertelstof – een fabel

.

Meestal, soms wel eerder, maar in het algemeen in de 2e klas, doen zich voor het eerst ‘streken’ voor, die we met gemak herkennen in de fabels.

En het is een gouden greep van Rudolf Steiner geweest om de vertelstof voor de 2e klas te laten bestaan uit de fabels. [1]

Zo was er eens een kind dat een ander kind dat ruim in het snoep zat, naar de mond begon te praten met het duidelijke doel wat zoets los te peuteren. De ‘aanbedene’ kreeg, toen er zich meer vleiers meldden, wel enig argwaan, maar schonk toch gul van de rijke voorraad.
Aan de ogen van de ‘aanbidders’ was heel goed te zien, dat ze er niet veel van meenden.

De andere dag begon ik een klassengesprekje over of de kinderen weleens geprobeerd hadden thuis of ergens anders iets voor elkaar te krijgen met mooie woorden. Er kwamen genoeg voorbeelden. ‘In het gevlij komen, naar de mond praten, flemen, huichelen’ waren woorden die aan de woordenschat konden worden toegevoegd.

Na een poosje was het genoeg en ik zei: ‘Luister eens naar dit verhaal’ en vertelde de fabel van de raaf en de vos.

Om er later nog iets mee te kunnen doen, zette ik hem op rijm, zo een dialoog makend, die door alle kinderen, of in de rol van de raaf, dan wel die van de vos, gespeeld  zou kunnen worden.

DE VOS EN DE RAAF*

Een raaf op zijn gemak gezeten,
wilde van de kaas gaan eten.
Daar kwam een vos over het pad
die wel zin in iets lekkers had.
Toen zag hij meneer raaf en zei: (zacht bij zichzelf:)
‘Dat hapje is wel wat voor mij.

(Zich tot de raaf richtend:)

‘Welke vogel is zo gaaf,
O, bent u het, meneer raaf.
Wat zit u sierlijk op uw tak,
hoe schoon is toch uw verenpak,
wat zijn uw poten slank,
en dan….uw hals zo rank.
En uw vleugels zijn voorwaar
nog sterker dan van de adelaar.
Nooit zag ik zo’n mooi dier,
zo prachtig en zo fier.”

Zo sprak de vos, met zijn gevlei**
maakte hij de raaf heel blij.

‘Als uw stem zo mooi is als uw veren<
moet men u als koning wel vereren.’

‘kra, kra,’ kraste de raaf –
de kaas viel naar beneden,
recht in de vossenbek.
Hij riep tevreden:
‘Een stem heb je, zoals ik hoor,
maar hersens niet!’

En ging er met de kaas vandoor.

[1] in GA 295/19 is nog geen sprake van legenden]
Vertaald/20   

*i.p.v. de raaf, komt ook ‘kraai’ voor; in sommige bewerkingen is er sprake van ‘mevrouw, of juffrouw’ raaf/kraai.

In een iets andere vorm:

De Vos en de Raaf

Een raaf stal uit het open venster eens een kaas
En zette zich voor ’t feestmaal in een hoge boom.
Dat zag de vos, die naderde met zulke woorden:
„Hoe heerlijk straalt, o raaf, uw vederkleed;
waart geniet stom — geen vogel kon zich met u meten.
Doch als de dwaas zijn stem nu wil verheffen,
Omlaag valt uit de snavel dan de kaas, die sluw de vos
Met greet’ge tanden opvangt. Nu eerst jammert,
Maar te laat, de raaf om zijn bedrogen domheid.

PHAEDRUS

Om de fabels als leesstof te gebruiken: suggestie

 

**gevlij of gevlei

2e klas vertelstof: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

2e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 2e klas   o.a. fabels en legenden

.

926-857

.

.

.