VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Pasteur

.

DE MICROBEN-VERDELGER
.

Een jaar of wat geleden deed zich in een restaurant in La Plata, Argentinië, het geval voor dat honderden gasten zich van een slasaus bedienden, die het toxine bevatte dat botulisme — een levensgevaarlijke voedselvergiftiging — veroor­zaakt. Toen dientengevolge 30 sterfgevallen plaatsvonden, werd de stad door angst aangegrepen. Onmiddellijk werd er een beroep gedaan op een laboratorium in Parijs, en nog diezelfde dag waren honderden ampullen vaccin boven de Atlantische Oceaan op weg. Deze snelle actie redde de andere slachtoffers het leven.

Op een suikeronderneming op Madagascar — thans* de republiek Malagasië — brak builenpest uit. Een medische ploeg van een der 21 overal ter wereld opgerichte dochterlaboratoria van dat­zelfde Parijse laboratorium werd erheen gestuurd en wist de epidemie tot staan te brengen.

Over de gehele wereld hebben vele miljoenen mensen hun leven te danken aan het Instituut Pasteur uit Parijs. Gesticht in 1888, in een tijd dat de meeste vondsten op medisch gebied nog het resultaat waren van een gelukkige greep van eenzame on­derzoekers in universiteitslaboratoria, heeft dit instituut het tijd­perk ingeluid van het georganiseerde medische onderzoek, be­oefend door geschoolde onderzoekers die stelselmatig een dodelijke ziekte te lijf gaan. De afgelopen 75 jaar heeft het de mensheid ontelbare geneesmiddelen en vaccins geschonken.

Louis Pasteur werd op 27 december 1822 te Drôle in Frankrijk geboren, maar tot 1885 bleef de kleine man, met een dun sikje en een half verlamd been, voor de buitenwereld nagenoeg een on­bekende. Anderen hadden microben gezien en beschreven, maar tot 1885 bleef de kleine man, met een dun sikje en een half verlamd been, voor de buitenwereld nagenoeg een on­bekende. Anderen hadden microben gezien en beschreven, maar Pasteur was de eerste die hun geweldige macht — ten goede en ten kwade — besefte. Hij had handboeken over de gisting ge­schreven die voor wijnbouwers, bierbrouwers en azijnfabrikanten nog steeds bijbels zijn. Hij had de grondslag gelegd voor de aseptische chirurgie in een tijd dat infectie nog de verschrikking van de operatiekamer was. Hij had de weg gewezen naar de ge­pasteuriseerde melk, die miljoenen kinderen de ravages van beentuberculose zou besparen.

Nu stelde Pasteur zich een nieuwe taak. In zijn kleine laborato­rium aan de rue d’Ulm wierp hij zijn talenten in de strijd tegen de hondsdolheid, een ziekte zo kwaadaardig dat er in de medische annalen nog geen geval van genezing bekend was. Als de smet­stof van deze ziekte eerst voldoende kon worden verzwakt, zo redeneerde Pasteur, kon ze misschien als vaccin worden toe­gepast, omdat ze het organisme zou prikkelen tot aanmaak van afweerstoffen tegen de onverzwakte, dodelijke smetstof.

Gevaar voor eigen leven trotserend, zoog hij met een glazen buisje speeksel uit de schuimende bekken van dolle honden en spoot dat bij konijnen in het bloed. Toen de konijnen aan de ziekte waren bezweken, haalde hij de ruggenstrengen – voornaam­ste doelwit van het dolheidsvirus — eruit en hing ze te drogen, hopend de smetstof daardoor zo te verzwakken dat ze geen ziekte meer kon veroorzaken. Dierproeven bevestigden zijn ingeving: een emulsie, bereid uit ruggenmerg dat 14 dagen was gedroogd, kon bij proefdieren geen rabiës meer verwekken. Wel beschermde het ze tegen besmetting.

Zou die emulsie nu ook mensen kunnen beschermen? Op 6 juli 1885 kreeg Pasteur de kans, het antwoord op deze kardinale vraag te vinden. Een jongetje van negen jaar, Joseph Meister, was 14 keer door een dolle hond gebeten, en menselijkerwijs ge­sproken ten dode opgeschreven. Pasteur besefte dat zijn vijanden in de medische wereld, als hij de jongen behandelde en het kind stierf toch, hem wel eens van moord zouden kunnen beschuldigen.

Met een bezwaard hart gaf Pasteur het slachtoffertje een in­jectie met vaccin van een 14 dagen gedroogde ruggenstreng. De volgende dag gaf hij de jongen een sterkere dosis, van een 13 da­gen gedroogde ruggenstreng. Zo ging hij gestadig verder. Ten slotte kreeg het kind een dosis uit een ruggenstreng van een pas de vorige dag bezweken konijn. Zoals Pasteur had gehoopt, was intussen bij de jongen de weerstand tegen de ziekteverwekker zo­veel groter geworden, dat zelfs die redelijkerwijs dodelijke in­jectie geen reactie veroorzaakte. Het kind was gered.

Het opzienbarende nieuws verspreidde zich. In een laatste hoop op redding verdrongen de mensen die door een dolle hond waren gebeten zich bij tientallen in het kleine laboratorium aan de rue d’Ulm. Tot hen behoorden 19 Russische boeren die ongeveer twee weken tevoren door een dolle wolf waren gebeten. Ze kenden maar één woord Frans: “Pasteur”. Omdat ze al zo lang geleden waren geïnfecteerd, had Pasteur weinig hoop dat hij hen zou kunnen redden. Toch probeerde hij het — en 16 van hen bleven in leven!

Nog nooit tevoren had een wetenschappelijke prestatie zo alge­meen tot de verbeelding gesproken. Spontaan ontstond er een actie in alle delen van de wereld. Pasteur moest een eigen instituut hebben voor zijn onderzoekingen. Schoolkinderen offerden hun snoepcenten. Een krant in Milaan zamelde onder zijn lezers 4000 gulden in. Tsaar Alexander III stuurde 75 000 gulden; ook de keizer van Brazilië en de sultan van Turkije droegen bij. Het grote bakstenen gebouw verrees aan de rue Dutot, later herdoopt naar een van Pasteurs beroemdste discipelen, in rue du Docteur-Roux. Bij de plechtige opening op 14 november 1888, bijgewoond door de president van de Republiek en andere hoogwaardigheids­bekleders, was Pasteur zo ontroerd dat hij tranen zat weg te pinken terwijl zijn zoon zijn toespraak voorlas.

Hoewel zijn gezondheid te wensen over liet, zat Pasteur vol plannen. De wereld schreeuwde om geschoolde onderzoekers; daarom moest zijn instituut een opleidingscentrum worden. Er waren geen farmaceutische fabrieken om serums en vaccins te bereiden; daarom moest het instituut dat doen. Ziekte kent geen landsgrenzen; daarom moesten medewerkers van het Instituut Pasteur de ziekte gaan bestrijden, waar ze ook mocht optreden.

Woekerend met zijn tanende krachten gaf Pasteur leiding aan zijn begaafde medewerkers. Albert Calmette moest naar Saigon voor het organiseren van een vaccinatiecampagne tegen pokken en hondsdolheid. Alexandre Yersin moest naar Hongkong om de builenpest te bestrijden. (Hij zou later de verwekker isoleren en een beschermend serum ontwikkelen.) Pierre Roux moest in Parijs blijven om zich te wijden aan de geduchtste aller kinder­ziekten : difterie.

Pasteur heeft slechts de eerste der grote triomfen van zijn in­stituut mogen beleven. In 1894, een jaar voordat Pasteur stierf, had Roux een difterie-antitoxine voor gebruik gereed. In een kinderziekenhuis verdeelde hij de difteriepatiëntjes in twee groe­pen. De ene kreeg de beste behandeling, in die dagen bekend — maar geen antitoxine. De andere groep kreeg dat wel. Van de 520 kinderen uit de eerste groep stierf 60 percent. Bij de 488 van de groep die het antitoxine van Roux kreeg, was de sterfte maar 25 percent. De weg naar de overwinning op deze afschuwelijke moordenaar lag open.

In de loop der jaren heeft het Instituut Pasteur de reputatie gevestigd, het productiefste medische researchlaboratorium ter wereld te zijn. Een der schitterendste prestaties van het instituut was de bereiding van een entstof tegen tuberculose, het BCG-vaccin (tegen bacillus Calmette-Guérin, die is genoemd naar twee medewerkers van Pasteur). Er zijn over de hele wereld ruim 200 miljoen mensen mee behandeld, en de onderdrukking van de tuberculose-epidemie die in Europa na de Tweede Wereldoorlog de kop opstak, is er grotendeels aan te danken. Voorts hebben medewerkers van het instituut het eerste antihistaminicum en de eerste synthetische curare bereid; deze laatste stof doet spiercon­tracties ophouden en brengt organen tot rust, zodat buikoperaties eenvoudiger worden.

In de hele geschiedenis is tyfus de verderf zaaiende vazal van de oorlog geweest; deze ziekte, door luizen verspreid, gedijt in de opeengepakte menigten der ontheemden en bij slechte hygiëni­sche toestanden. Het was een der grootste medische doorbraken in onze generatie, toen aan de vooravond van de Tweede Wereld­oorlog dr. Paul Giroud van het Instituut Pasteur een vaccin tegen tyfus ontdekte. Gedurende de oorlog heeft het Internationale Rode Kruis meer dan zeven miljoen doses verdeeld over krijgsgevangen­kampen en andere bedreigde plaatsen. Dat heeft er in hoge mate toe bijgedragen, dat Europa is behoed voor wat een der grootste rampen van onze tijd had kunnen worden.

Terwijl in de Verenigde Staten dr. Jonas Salk en dr. Albert Sabin aan een poliovaccin werkten, zocht in Parijs een pasteurien, dr. Pierre Lépine, in dezelfde richting. Alle drie vonden ze een effectief immunisatiemiddel, en miljoenen kinderen over de hele wereld zijn daarmee tegen poliomyelitis ingeënt.

Het Instituut Pasteur heeft zich schitterend geweerd bij het toepassen van eigen vindingen. Het heeft een gordel van dochter­laboratoria om de aarde gespannen. Dank zij het werk van mo­biele vaccinatiegroepen heeft zich in het voormalige Frans-West-Afrika — eens een broeinest van gele koorts — sinds 1953 geen enkel geval van deze ziekte meer voorgedaan.

Er ligt een wereld tussen het huidige Instituut Pasteur en het kleine laboratorium aan de rue d’Ulm. Bijna 2000 mensen werken in de heterogene verzameling gebouwen in Parijs zelf en in de voor­stad Garches; nog eens 2000 weren zich op buitenposten. Pasteur stond erop dat zijn instituut volstrekt onafhankelijk zou blijven. Met zijn huidige jaarlijkse budget van 40 miljoen francs is het niet aangewezen op overheidssteun, maar het bedruipt zich van de opbrengst van serums en vaccins, door giften, schenkingen van stichtingen en legaten.

Zo groot, druk en bedrijvig als het is, bewaart het nog herinne­ringen aan de begintijd. Op een gazon staat een bronzen beeld van een jongetje — Joseph Meister, als eerste voor hondsdolheid behoed, die de rest van zijn levensdagen conciërge op het instituut is gebleven. De werkkamers van Pasteur in zijn geliefde instituut zijn nog in de staat waarin ze verkeerden toen hij stierf. Zijn instrumenten en zijn aantekeningen liggen uitgestald in vitrines. Louis Pasteur is wel eens “een legende in de kroniek van de
mens­heid” genoemd. Die betiteling is ook toepasselijk op het instituut waarvoor hij de grondslag legde.
.

*artikel stamt uit de jaren 50 van de vorige eeuw

.

8e klas vertelstof: alle biografieën

Vertelstof: alle artikelen

8e klas: alle artikelen

Algemene menskunde: leeftijd 14 – 21 jaar

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

863-795

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – heemkunde (4-2)

.


VAN HOLEN TOT PAALWONINGEN


Duizenden jaren lang woonden de mensen uit het stenen tijdperk in natuurlijke grotten en holen. Deze diepe, donkere holten werden zeer gewaardeerd door onze voorouders: Allereerst waren het door de natuur geboden schuilplaatsen die goed te verdedigen waren tegen aanvallen van wilde dieren.
Bovendien boden ze beschutting tegen regen en kou.

Maar na een zekere tijd ruilde de mens deze schuilplaats voor een geriefelijker en gezonder onderkomen. Men had zich bekwaamd in het vervaar­digen van gereedschap en jachtwapens. Men kon dus het hout bewerken en vaartuigen bouwen. Het bouwen van een hut aan het water bood aanzienlijke voordelen: het onderkomen was in ver­houding veel geriefelijker en veiliger. De paalwoningbewoner kon vis vangen om in zijn behoefte aan voedsel te voor­zien. Hij had drinkwater bij de hand en hij kon gemakkelijk aanvallen van vijanden afwenden.

De oudste nederzettingen van paalwoningen ontstonden in de loop van het nieuwe stenen tijdperk (6000 tot 4000 jaar v. Chr.). Ze kwamen tot bloei in het daaropvolgende late stenen tijdperk  (3500-2500 v. Chr.) en zetten zich voort in de bronzen- en ijzeren tijdperken (van 2500-1000 v. Chr.)   Ze kwamen voornamelijk voor in een gebied dat te vergelijken is met het tegenwoordige Duitsland, Zwitserland en Italië.

3e klas 1

In het jaar 1854 zakte, als gevolg van een langdurige droogte, het waterpeil van het Meer van Zürich tot ver beneden normaal.

De bewoners van het dorp Obermeilen benutten de kans om hun akkers uit te breiden door een stuk van het meer met een dam af te sluiten. Tijdens het aan­leggen van die dam kwamen de arbeiders een laag zwarte klei tegen, waar een woud van palen tot vier meter diepte in geheid was. Tussen de palen vond men een grote hoeveelheid voorwerpen, zoals gereed­schappen van steen en beenderen, handgemaakte potten, overblijfselen van kookplaatsen en ander huisraad.
Voor de eerste keer had men een grote nederzetting van paalwoningen uit het stenen tijdperk ontdekt, woningen die op palen boven het water waren ge­bouwd.

De gebruiksvoorwerpen die uit de modder te voorschijn kwamen waren vier tot zesduizend jaar geleden voor het laatst gebruikt. Later heeft men in heel Europa tientallen zeer gaaf bewaarde overblijfselen van paalwoning-neder­zettingen ontdekt en onderzocht.

Bouwen op palen

Om zo’n paaldorp te bouwen, waren tientallen mannen enige jaren bezig. In die tijd leefden de gezinnen bij elkaar in stammen. Er was geen gebrek aan mankracht.
Als bouwplaats voor zulke nederzettingen gaf men de voorkeur aan meren en moeras­sen. Rivieren waren minder geschikt vanwege hun steeds veranderende waterstan­den: de perioden van droogte en gevaarlijke overstromingen.

Allereerst werden boomstammen, voorzien van een scherpe punt, in de modderachtige bodem geslagen. De palen staken ongeveer twee meter boven de waterspiegel uit. Op de palen werd een vloer van boomstammen gelegd, die men vastzette met behulp van houten pennen. Op de zo tot stand gekomen vlonder ging men hutten bouwen.
De hutten waren vierkant of rond. Ze werden ook uit boomstammen opgetrokken. De kieren tussen de stammen werden dichtgesmeerd met klei. Deze klei, verhard onder invloed van zon en lucht, veranderde in een zeer sterke pleisterlaag.

3e klas 2

3e klas 3

3e klas 4

3e klas heemkunde: alle artikelen

Heemkunde: alle artikelen

3e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas heemkunde

.

862-794

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – beelden

.

Jakob Streit, Weledaberichten 120, april 1980**

.

HET BELEVEN VAN BEELDEN EN DE KRACHT VAN DE FANTASIE
.

leder mens heeft een bron in de ziel, waaruit beelden en gedachten opwellen. Het is een scheppende bron die bij ieder individueel mens verschillend is.
De algemene benaming ervoor is ‘fantasie’.
Door de fantasie verbindt de mens zich actief met de wereld. Zij kan helpend en erop gericht zijn om ‘het goede te doen’, dus een ‘morele fantasie’ zijn — of zij kan, slechts op een egoïstisch doel gericht,
afgunstig, asociaal, brutaliserend zijn. Aan het goede zowel als aan de negatieve uitwassen van vijandigheid, vernietiging, zijn geen grenzen gesteld. Iemand met een uitgedroogde, verarmde fantasie zal meestal een passief en dof bestaan leiden. Zijn belangstelling is slechts op zijn alledaagse bestaan gericht. Fantasie die bepaald wordt door agressieve beelden heeft onmenselijkheid en leed tot gevolg.
Zoals de ontwikkeling van het menselijke organisme door een gezonde voeding wordt bevorderd en door verkeerde voeding kan worden belemmerd of geschaad is dat ook het geval bij de ‘fantasiemens’ in ons: beelden zijn opbouwende elementen van de ziel. Het voedsel voor het lichaam wordt door de mond opgenomen; oog en oor zijn hoofdzakelijk de poorten voor de eerste voeding van de ziel in de kindertijd. In de opvoeding kunnen wij er invloed op uitoefenen hoe het kind zijn fantasie ontwikkelt, of zij arm, verdroogd of bloeiend en creatief, misschien ook woekerend, chaotisch en ziekelijk wordt. Allerlei soorten van aangeboren aanleg worden positief of negatief beïnvloed door wat wij het kind van jongs af aan tegemoet brengen, waarheen wij het leiden of waarin wij het laten verdwalen.
Wij leven in een tijdperk van een ongeremde productie van beel­den. Daarom hebben wij als opvoeders meer dan ooit tot taak, voor de opbouw van een innerlijke wereld van beelden bewust, leidend en beschermend, te zorgen.

De uiterlijke beelden

Het ligt in de natuur, dat op de kleine kinderen met hun ontwakende zintuigen uiterlijke indrukken van de omgeving afkomen. Het vroegste beeld dat de kinder­ziel opneemt is dat van de moeder. Dat is niet hoe de moeder er gewoon uitziet, maar het beeld van haar wezen, of ze teder is, zachtaardig, troostend, bedrijvig en opgewekt, of hard, weinig tegemoetkomend, scheldend, slordig en knorrig. Het beeld van de vader staat hier naast. Is ook hij teder, helpend, opgewekt, conse­quent of onverschillig, zonder contact?

Vom Vader hab’ ich die Statur,      van vader heb ik de gestalte,
Des Lebens ernster Führen,           het leven serieus te nemen,
Vom Mütterchen die Frohnatur    van moeder mijn opgewekte aard
Und Lust zu fabulieren.                  en de zin om te fantaseren,

J.W. Goethe.

Opgewektheid, een blij gemoed en lachen openen poorten van de ziel. Als er in de omgeving van het kind een blijde, harmonische sfeer is, als de vroege overvloedi­ge contacten met mensen een gevoel van veiligheid geven, dan is de basis gelegd voor het opbloeien van de fantasie in het kinderlijke spel. Hoe eenvoudiger het speelgoed, de poppen en de beesten zijn, des te meer worden daardoor de fanta­siekrachten in het kind opgewekt om alles levend te maken. Vol verbazing opent de kinderziel zich: wij zien in dit gegeven een primaire kracht waardoor het kind bereid is een echo te laten weerklinken op hetgeen de wereld is. In de mogelijk­heid tot nabootsing ligt de tweede kracht die een verdere ontwikkeling op gang brengt. Hier is een wezenlijk verschil met de dieren, die door hun organen beperkt blijven. De mens kan een binnenwereld opbouwen, van waaruit hij zijn organen gaat besturen, waarmee hij zijn omgeving actief nabootst. Mensen, beroepen, dieren, de wind worden nagebootst, vanzelfsprekend ook de auto, de verkeers­agent, het vliegtuig. Al dit tot een echo worden van uiterlijke gebeurtenissen bete­kent een voortgaande verrijking van de innerlijke wereld van het kind.
Wat er in kleuterklassen gebeurt komt in belangrijke mate tot stand doordat de echo­werking wordt overgeleid in het spelen. Spelen betekent actief beelden vormen.
De moderne beschaving heeft meegebracht, dat kinderen veel te vroeg TV kijken. Dan kunnen ze niet met de grootste verbazing iets op zich laten inwerken; hier heersen beeldmotoriek en trucfilms, suggestieve inprenting van voorstellingen, waarvan de beelden dikwijls karikaturen zijn (Sesamstraat e.d.). Als het kind naar uitzendingen voor volwassenen kijkt, wordt het geconfronteerd met het huidige realisme via de fotomontage, die het absoluut nog niet kan verwerken. Er komt daar een optisch diffuus beleefde, chaotische stroom van beelden in de ziel van het kind binnen. Meestal wordt die als laatste ervaring van de dag in de slaap meegenomen, waar bij het onder de drempel van het bewustzijn verder flikkert. Dat daardoor de opbouw van de innerlijke creatieve beelden- en fantasiewereld van het kind aangetast wordt is een feit, dat nog door veel te weinig ouders wordt ingezien. In plaats van geassimileerde innerlijke beelden ontstaat een warwinkel van duizenden beelden die zonder een innerlijk verband in de ziel van het kind rondspoken. In plaats van fantasie op te bouwen is nerveuze fantasterij het resul­taat. Als een dergelijk chaotisch worden van de waarnemings- en denksfeer in het kind ontstaat, werkt dit dienovereenkomstig door in het gevoels- en wilsleven. Het is geen wonder als de kinderen dan i.p.v. echte gemoedsaandoeningen apathie en verkilling van de ziel vertonen en het wilsleven steeds ongeconcen­treerder wordt. Wij zouden het kind ertoe willen brengen dat het onbevangen de dingen in zijn omgeving en in de natuur kan zien en er in de ziel een echo daarvan weerklinkt. Door de lawine van dagelijks opgenomen bewegende foto’s wordt de blik echter een soort van staren, d.w.z. er wordt gekeken zonder dat de ziel nog kan meeleven met het waargenomene. De werking gaat in twee richtingen. Er zijn kinderen, bij wie het staren tot afstomping, lethargie wordt. Bij meer gevoelige kinderen, die steeds weer proberen om tot een mee-beleven te komen, ontaardt de overprikkeling in nervositeit. Vergeefs proberen ze om wat zij zien door de nabootsing psychisch te assimileren; maar het tempo en de frequentie van de beelden laten dat niet toe. De identificatie is altijd alleen maar heel even. Als ouders van kleine kinderen wisten, hoe schadelijk dit overgeleverd zijn aan een medium wat niet beheerst kan worden is, dan zouden zij wel drastisch ingrijpen. Zij zouden probe­ren te verhinderen, dat de ontwikkeling van de kinderlijke fantasie dag in dag uit ernstig wordt gestoord en beschadigd.
Tot zijn 10e jaar is het kind onkritisch en weerloos aan de beeldbuis overgeleverd en ook voor de latere ontwikkelingsja­ren is deze een belasting.

Maar kinderen hebben absoluut veel beelden nodig voor de ontwikkeling van de fantasie. Bepaalde soorten van beeld-beleven en -inhouden werken in positieve richting. De bioloog Adolf Portmann vatte het kinderlijke beleven van de omgeving samen in het begrip: primair wereldbeeld. Wij kunnen de kinderen van jongs af aan naar het ontdekken van ‘het boek der natuur’ leiden. Dat is ook voor
stads­kinderen mogelijk en nodig. Er zijn kamerplanten, parken, bossen in de omge­ving, recreatiegebieden, enz. Het is van belang, om met kleine kinderen samen te zoeken en te kijken, bijv. hoe in een bloempot de krokus, de narcis, de hyacint elke dag een beetje meer te voorschijn komt en tot bloem wordt. Onze verbazing en de bewondering voor wat mooi is gaat over op het kind. Bijgestaan door onze fantasie kunnen wij op eenvoudige manier over de zonnestraal vertellen die de bloem tevoorschijn lokt opdat de mensen daaraan vreugde beleven. Bij het uiter­lijk beleefde beeld voegen wij de poëtische stemming. Wij zouden samen met het kleine kind moeten zien, hoe de bijen de bloemen opzoeken of, als ’t ons zelf nog lukt om waar te nemen, hoe de vlinder met zijn tong honing uit de bloem zuigt. Een paar keer zulke kleine wonderen van de natuur met aandacht bekeken, kan tot gevolg hebben, dat het kind later liefde voor de natuur krijgt. Ook de band van het kind met het dierenleven moeten wij voor het kind tot stand brengen (zonder de domme karikaturen van de stripverhalen!). Een huisjes- of een naaktslak bekij­ken, zachtjes een voelhorentje aanraken, plezier hebben aan hoe de worm of de mier zich voortbeweegt, kijken hoe een spin haar web maakt, naar de sterren en de fasen van de maan kijken, de kleuren van de zonsop- en ondergang waarne­men. Als het ons dan lukt, poëtische antwoorden op het waarom? van de kinde­ren te geven, dieren en boemen in de trant van de sprookjes te laten spreken, dan komt de primaire beeldenwereld binnenin de fantasie en in het gemoed: er ontstaat een grondslag voor liefde en belangstelling voor de natuur en de wezens die erin leven.

De innerlijke beelden

Naast dit gaandeweg veroveren van de ‘uiterlijke beelden’ vraagt het kind ook om innerlijke beelden. Het waarom-vragen is hiervoor een teken.

Waarom is de maan koud en de zon warm?’

Waar zijn de sterren overdag?’

Waarom fluit de merel en tsjilpt de mus?’

Daarmee komen wij in het gebied van de innerlijke poëtische, sprookjesachtige beelden, die een antwoord bevatten dat het gemoed van het kind bevredigt. Vanaf het 4e jaar ontstaat steeds meer het vermogen om uit woorden en kleine vertellingen innerlijke beelden te vormen. Het kind wil steeds meer sprookjesach­tige vertellingen horen, waarvan er vele elke dag weer herhaald kunnen worden. Door de herhaling worden de innerlijke beelden concreter. Het kind gebruikt bij het omvormen van de woorden tot innerlijke beeldgebeurtenissen zijn actieve fantasiekrachten. Dat gaat zelfs zover, dat het al bij het begin van de vertelling in zijn innerlijke beeldenwereld betoverd is. De schat aan sprookjes is hier een hulp waardoor er een polarisering van een innerlijke, nog diffuse overvloed van beelden ontstaat, de beelden worden geordend in figuren die sympathiek (het goede) en die antipathiek (maskers van het boze, duistere, onmenselijke) zijn. Voor heel jonge kinderen zou de nadruk bijna uitsluitend moeten vallen op het sympathieke, vriendelijk-goede en vrolijke, het boze slechts even geschetst moeten worden. Maar tegen het 7e jaar verlangt het kind steeds meer de duidelijke polariteit, de heks, de boze wolf, de draak die worden overwonnen. Aan deze beelden beleeft het in de fantasie de toekomst van het leven, het bedreigende en bemoeilijkende van de levenssituatie.
‘Het toetst in de fantasie de eigen, jeugdige moed, de eigen hulpvaardigheid, trouw en liefde en begint naar standvastigheid te verlan­gen, die het bedreigende meester kan worden.’ (Wilh. Korff).

Ouders en opvoeders zijn echt in staat door vertellingen de kinderziel te begeleiden en daardoor een liefdevolle band te scheppen. Niet via de grammofoonplaat* maar door het gesproken woord, vanuit het gemoed van de verteller (vooral van de vader en de moeder) zou het heel jonge kind zijn innerlijk voedsel in de vorm van beelden moeten krijgen. In de ziel wordt daardoor het vermoeden opgewekt om beelden te scheppen, rijker aan fantasie te worden. Daarvoor wordt de grondslag gelegd voor menselijkheid en echte moraliteit. En ook van een later ontwakend denken dat niet abstract wordt maar steeds weer in het menselijke uitmondt. De in het innerlijk oprijzende beelden, die de vrucht zijn van het contact met de verteller, wekken het vermogen om uit woord en zin actief het daarin verborgen beeld te beleven. Dit kan later bij het lezen blijken. Letters en tekens verdwijnen, beelden komen te voorschijn! Een belangrijke hulp hierbij is het artistiek goede, aan het kind aangepaste, prentenboek. Maar ook hier geldt: het kind ertoe aansporen om te kijken, met hem samen de platen bekijken, misschien uitvoerig bij zo’n plaat vertellen. Dan gaan de beelden ook ‘spreken’. Een weinig gewetensvolle industrie heeft de onuitputtelijke reeksen van strips op de markt gebracht. Maar al te veel ouders menen zich voor een paar guldens van hun unieke en schone plicht te kunnen loskopen; ze nemen daarbij de successievelijke deformatie van de fantasie van hun kinderen op de koop toe. Als die niet wordt opgebouwd naar de in de mens sluimerende wetten, ontstaan er onherroepelijk innerlijke defecten, die de psycholoog of de psychiater dan later maar moet herstellen. De huidige maatschappij, overgeleverd aan de moderne media, dient zich hierop wel te bezinnen. Aan het eind** van ‘de eeuw van het kind’ weerklink de roep: ‘redt de fantasie!’

 
*Of wat er tegenwoordig aan middelen bestaat, zoals cd en video, pc en smartphone

.

Jakob Streit was zelf een begenadigd verteller.

Uitgeverij Christofoor:
Jakob Streit werd geboren in het Zwitserse stadje Spiez aan het meer van Thun. Zijn kinderjaren waren nauw vervlochten met de planten en de dieren waartussen hij op de berghellingen speelde. Later, na de onverwachte dood van zijn vader, besloot Streit onderwijzer te worden. Tijdens zijn eerste baan als onderwijzer op een dorpsschool begon hij verhalen te schrijven en poppenspelen voor de verschillende klassen van de school. En zo werd hem ten slotte gevraagd het beroemde spel van Wilhelm Tell in Interlaken te regisseren.

Hij schreef o.a.:

En het werd licht  (voor een deel hier toegankelijk
Het bijenboekje
Tatatoeks reis naar de kristalberg
Immanuel
Dierenverhalen

Vertelstof: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen 

Opvoedingsvragen: alle artikelen (19: o.a. over de moderne media)

Vrijeschool in beeld: alle beelden

861-793

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Magalhaen

.

VEROVERAAR DER ZEEËN
.

Het begon met het zoeken naar specerijen. Sinds de tijd, dat de Romeinen de smaak te pakken hadden gekregen van de sterk gekruide gerechten uit het Oosten, kon het Westen er onmogelijk meer buiten. Tot ver in de middeleeuwen was het voedsel in Europa onvoorstelbaar laf. Vruchten, die nu heel ge­woon zijn, waren toen nog onbekend. Er waren geen tomaten, geen maïs, evenmin thee en koffie. Zelfs de tafels der rijken boden niets waarmee deze eentonigheid kon worden doorbroken, tenzij men specerijen kon bemachtigen.

Die waren alleen in Indië te krijgen en de handelswegen daar­heen en weer terug waren zo lang en gevaarlijk — zozeer be­dreigd door bandieten — dat specerijen tegen de tijd dat zij Euro­pa bereikt, hadden, uitermate kostbaar geworden waren. Zo wer­den gember en kaneel op een apothekersbalans gewogen. Peper­korrels gingen per stuk en waren hun gewicht in zilver waard.

De stoutmoedigheid die leidde tot de reizen van Columbus, Dias, John Cabot en andere grote ontdekkingsreizigers uit die tijd, kwam bovenal voort uit een brandend verlangen nieuwe, onbedreigde handelsroutes naar de Specerij-eilanden in het Verre Oosten te vinden. En nadat Vasco da Gama, die in 1498 de zuide­lijke tip van Afrika rondde, Indië had bereikt, begon er een wed­loop om handels- en militaire posten in het Verre Oosten te be­zetten. In 1505 zonden de Portugezen een vloot uit om in Indië factorijen te vestigen en een jonge Portugese soldaat, de 24-jarige Fernao de Magalhaen, reisde mee. Van deze en volgende expedi­ties naar Malakka (nabij het huidige Singapore, toegangspoort tot de Specerij-eilanden) kwam Magalhaen terug als een man van ervaring en met een Maleise slaaf, die hij in Malakka had gekocht. Deze slaaf, die hij Enrique noemde, zou een verbazingwekkende rol spelen in Magalhaens latere loopbaan.

Magalhaen had nu de blik op verre einders gericht en hij droomde ervan de Specerij-eilanden te bereiken door naar het westen te varen, zoals Columbus vóór hem had willen doen. Ook andere avonturiers — onder wie Amerigo Vespucci, Cortez en Cabot — hadden de Amerikaanse kust afgezocht op een door­gang naar Indië, en waarschijnlijk had Magalhaen zich laten leiden (en naar later zou blijken misleiden) door een geheime kaart — gebaseerd op Vespucci’s waarnemingen — die een zee-engte aangaf, verborgen achter Cabo Santa Maria in Uruguay.

Hoe het ook zij, terwijl andere ontdekkingsreizigers bescheiden zeiden: “Ik hoop een zee-engte te vinden,” kondigde Magalhaen met overtuiging aan: “Ik wéét waar ik die moet vinden.” En op grond van die zekerheid vroeg hij koning Manuel I van Portugal een vloot uit te rusten om die nieuwe weg naar het oosten te ont­dekken.

Toen de koning zijn steun aan zo’n onzeker avontuur weigerde, bood Magalhaen Portugals grootste mededinger in de specerijenhandel, Spanje, zijn diensten aan. Bij het Spaanse hof maakte zijn boute bewering dat hij als enige de ligging van de geheime paso kende, diepe indruk. Koning Karel, die er tuk op was zijn Portugese rivaal een slag voor te zijn, zegde de verlangde steun toe en machtige Spaanse bankiers namen het op zich een vloot van vijf schepen uit te rusten.

Op dat ogenblik gaf koning Manuel zijn ambassadeur in Spanje order de onderneming te torpederen. Zo werd Magalhaen bij zijn voorbereidingen voortdurend belemmerd door ruzies, vertra­gingen en onlusten. Bemanningen vond hij slechts met de grootste moeite. Maar onder het allegaartje avonturiers raakte toevallig een jonge Italiaan verzeild, Antonio Pigafetta, die meeging omdat hij “de pracht en verschrikkingen van de oceaan” wilde zien. Het nageslacht is hem veel verschuldigd, want hij hield uiterst zorgvuldig een dagboek bij van deze historische reis.

Magalhaens vloot vertrok op 20 september 1519 uit de Spaanse haven Sanlúcar. Van de 265 man aan boord namen de meesten voor eeuwig afscheid van hun vaderland. Voor het vertrek gaf Magalhaen een order uit, dat de vier andere schepen elke avond tot dichtbij het vlaggenschip de Trinidad moesten koersen om beve­len voor de nacht in ontvangst te nemen. Dank zij deze dagelijkse contacten werd de discipline gehandhaafd.

De gezagvoerders hadden verwacht aan boord van het vlaggenschip te worden genodigd en geraadpleegd te worden over de te volgen koers. Maar Magalhaen vroeg niet naar hun mening. Zij hadden overdag de vlag maar te volgen en ’s nachts het baken, met de gehoorzaamheid van een hond. Toen Magalhaen dus zuidwaarts zeilde langs de kust van Afrika, in plaats van een zuid­westelijke koers naar Brazilië te volgen zoals men had verwacht, vroeg Juan de Cartagena, kapitein van de San Antonio, ronduit waarom de koers was gewijzigd. Waarschijnlijk had Magalhaen dat gedaan in de hoop een gunstige wind in de zeilen te krijgen, maar hij antwoordde slechts, dat niemand het recht had hem om uitleg te vragen. Daarmee nam hij Cartagena zozeer tegen zich in, dat deze op een avond weigerde de San Antonio naar het vlaggenschip te sturen om orders in ontvangst te nemen. Voor iedereen op de vloot was het nu duidelijk, dat Juan de Cartagena het onbe­perkte gezag van de Portugese bevelhebber niet erkende.

Magalhaen liet er enige dagen overheen gaan. Toen, alsof hij capituleerde, belegde hij een vergadering van de vier kapiteins aan boord van het vlaggenschip. Juan de Cartagena kwam met de anderen mee en, woedend over Magalhaens weigering uitleg te geven over de nieuwe koers, zegde openlijk de gehoorzaamheid op. Onmiddellijk ontbood Magalhaen zijn militaire adjudant en liet de muiter arresteren.

Magalhaens neef Mesquita kreeg nu het bevel over de San Antonio en de vloot vervolgde zijn koers zonder verdere incidenten. Op 13 december, na elf weken op zee te zijn geweest, liep men de baai van Rio de Janeiro binnen. Voor de vermoeide bemanning moet die baai een paradijs geweest zijn. De inboorlingen kwamen uit hun hutten aan de rand van het bos te voorschijn en begroetten de zeelieden heel nieuwsgierig, maar zonder achterdocht.

Na dertien dagen — om uit te rusten en leeftocht in te nemen — hervatte Magalhaen de reis zuidwaarts langs de kust van Brazilië en bereikte op 10 januari 1520 Cabo Santa Maria. Daarachter zagen de matrozen een lage heuvel, die oprees uit een wijde vlakte en noemden die Montevidi — nu Montevideo. De reusach­tige baai, die zij toen binnenvoeren, was in feite de monding van de Rio de la Plata, maar daar had Magalhaen geen vermoeden van. Veertien dagen lang verkende hij dit water en tot zijn bittere teleurstelling ontdekte hij, dat het slechts de monding van een grote rivier was.

Magalhaen besefte dat geen van de kapiteins iets van zijn teleurstelling mocht vermoeden. Dus voer hij vastberaden verder langs een kust, die er voortdurend verlatener begon uit te zien. Magalhaen verkende elke baai met telkens opflakkerende en telkens weer ijdel blijkende hoop. Al verder naar het zuiden zeilde de vloot. De dagen werden steeds korter, de nachten langer. De zeilen zagen wit van de sneeuw, stengen en ra’s werden versplinterd in orkanen. Een halfjaar was voorbijgegaan en de zuidpoolwinter was in aantocht. Magalhaen scheen zijn doel nog geen stap genaderd. Op 31 maart 1520 doemde er een nieuwe inham op. Het was een afgesloten baai. Niettemin ging Magalhaen er binnen. Het was een beschutte plek en er scheen veel vis te zijn, dus gaf hij bevel tot ankeren. Hij had besloten in dit Port San Julian, deze onbekende, verlaten baai, te overwinteren.

Hier opgesloten en op karige rantsoenen gesteld, begon de be­manning te morren, terwijl de spanning tussen Magalhaen en de Spaanse gezagvoerders zodanig steeg dat het op een open rebellie uitliep. Onder dekking van de nacht ging de muiter Cartagena met twee andere Spaanse kapiteins en dertig gewapende man­schappen aan boord van de San Antonio en nam bezit van dat schip, waarbij één officier werd vermoord. Magalhaen besloot nu tot straffe maatregelen over te gaan. Hij zond zijn provoost, Espinoza, op wie hij bouwen kon, met vijf man naar de Victoria en gaf hem een brief mee voor de muitende kapitein Luis de Mendoza.

De muiters aan boord van dit goed bewapende schip koesterden geen argwaan, toen zij het kleine bootje zagen naderen. Hoe kon­den zes mannen een schip met een bemanning van zestig koppen aanvallen? Alsof hij alle tijd had klom Espinoza aan boord en overhandigde Magalhaens brief aan kapitein Mendoza, waarin deze op het vlaggenschip werd ontboden. Mendoza las de bood­schap en barstte in lachen uit omdat de valstrik duidelijk was. Maar zijn lach eindigde in een afschuwelijk gereutel, want de provoost stak hem een dolk in de keel.

Magalhaen had geen moeite met het arresteren van de twee muitende gezagvoerders, die overgebleven waren, Juan de Car­tagena en Gaspar Quesada. Quesada werd ter dood veroordeeld. Juan de Cartagena, de eigenlijke leider van de muiterij, en een priester, die getracht had een tweede muiterij te beginnen, waren niet minder schuldig dan Quesada. Maar Magalhaen besloot hen op de kust achter te laten. Toen de vloot opnieuw onder zeil ging, werden de twee aan hun lot overgelaten, met een voorraad proviand en wijn. De Almachtige God zou beslissen of zij daar zouden sterven.

In Port San Julian hadden de Spanjaarden niets dan rampen gehad. Zodra de winter voorbij was, moest de kleine Santiago, het meest wendbare schip van de vloot, op verkenning buiten de baai. Het schip ging onder in een storm, hoewel de bemanning veilig aan land wist te komen. Magalhaen zond prompt een boot uit om de schipbreukelingen te redden.

Op 24 augustus 1520 gaf Magalhaen ten slotte bevel het ramp­spoedige San Julian te verlaten, met een laatste blik op het on­gelukkige tweetal dat moest achterblijven. Een van zijn schepen was gezonken, twee van zijn kapiteins waren dood, er was bijna een jaar voorbijgegaan sedert het begin van de reis ………….een jaar waarin men geen duimbreed verder was gekomen, niets ontdekt had en niets bereikt had.

Het moeten de somberste dagen van Magalhaens leven geweest zijn. Hij probeerde verder te zeilen, maar gedurende nog twee lange maanden werd hij door stormen voor de barre kust opge­houden. Toch was hij dicht bij zijn doel, zonder het te weten. Op 21 oktober 1520 kreeg hij witte klippen in zicht, die zich boven een vreemd gekartelde kustlijn verhieven en al spoedig liep hij een diepe baai binnen, waar het water zwart getint was. Er was geen spoor van menselijk of plantaardig leven te bekennen. Niets dan een huilende wind. De manschappen keken bedenkelijk naar de inham, donker als Hades en omringd door bergen. Maar Magal­haen, geobsedeerd door de gedachte aan een verborgen straat, drong erop aan deze merkwaardige baai te verkennen. De San Antonio en de Concepción gehoorzaamden aarzelend toen hij die twee schepen bevel gaf zo ver zij konden naar het westen te varen, maar na vijf dagen terug te keren om rapport uit te brengen.

Nauwelijks had de vloot zich in twee delen gesplitst of het water in de baai werd opgezweept door een storm en Magalhaens schip werd bijna op de rotsen geworpen. Maar zijn grootste bezorgd­heid gold de San Antonio en de Concepción. De orkaan moest hen in de zee-engte overvallen hebben en als er geen wonder was gebeurd, waren zij nu te pletter geslagen. Na vier dagen angstig afwachten kwam er een zeil in zicht. God zij dank, er was één schip gered! Nee, beide schepen, want zowel de San Antonio als de Concepción kwamen veilig en wel terug. De twee gezagvoerders brachten Magalhaen het vurig verbeide nieuws. De schepen die naar het westen waren voortgedreven, zouden op de rotsen te pletter ge­slagen zijn, indien zich niet op het laatste moment een doorgang voor hen had voorgedaan. Al hadden zij het westelijke uiteinde daarvan niet verkend, zij twijfelden er niet aan of dit was een zeestraat. Beter nieuws had de zwaar beproefde Magalhaen niet kunnen krijgen. Men moest dus niet langer aarzelen. Met vast­beraden moed de doolhof in, die hij op dat moment Todos los Santos noemde, maar die bij het nageslacht Straat Magalhaen zou heten.

Toen de zeestraat zich ten slotte opende en de wijde oceaan voor hen lag, rolden er vreugdetranen in zijn zwarte baard, zo lezen we. Nu ontbood Magalhaen de gezagvoerders om te rapporteren hoe het met de proviand stond. Zij hadden hun eerste doel bereikt. Waren zij nu bereid verder te zeilen om een weg naar de Specerij­eilanden te ontdekken? Hij kon niet ontkennen, dat de geringe voorraad leeftocht ernstige gevaren meebracht. Maar hijzelf bleef daar onbevreesd onder. Men zou doorzeilen. Magalhaen gaf zijn kapiteins echter bevel, de bemanningen onkundig te laten over het tekort aan proviand. De San Antonio, uitgezonden om een diepe zijarm te gaan verkennen, keerde niet terug op de afgesproken tijd. Dagenlang zocht Magalhaen vergeefs naar het schip en ten slotte vroeg hij een astroloog een horoscoop te trekken. De astro­loog bracht de boodschap over die de sterren hem gegeven hadden en ditmaal bleek die juist te zijn. De San Antonio, zei hij, was ervan­door en had koers gezet naar Spanje.

Opnieuw stond Magalhaen voor een verschrikkelijk dilemma. Het grootste deel van de mondvoorraad was aan boord van de San Antonio. De reis voortzetten zou nu vrijwel gelijk staan met zelfmoord. Toch besloot hij dat te doen. Op 28 november 1520 zetten de drie overgebleven schepen koers over de onbekende oceaan in noordwestelijke richting. Ergens achter de einder moes­ten de Specerij-eilanden liggen, de eilanden die hun rijkdom zouden brengen. En daarachter moesten China en Hindoestan te vinden zijn. En daarachter, in de verre verte, het vaderland, Spanje. Met kanonschoten brachten de drie eenzame scheepjes een eerbiedige groet aan de onbekende zeeën.

De eerste tocht over deze tot dusver naamloze oceaan is een der onsterfelijke daden in de geschiedenis der mensheid. Magalhaen zeilde de leegte binnen. Zijn manschappen waren uitgeput. Zij hadden honger en ontbering achter de rug en honger en ontbering lagen nu ook dreigend voor hen. Hun kleren waren tot op de draad versleten, de zeilen verrot en het want was aan rafels. Velen moeten hun kameraden, die ervandoor waren, benijd hebben. Niettemin zeilden ze verder en nog kwam er geen land in zicht. Hij moest Japan al lang voorbij zijn, dacht Magalhaen. In feite had hij van de uitgestrekte oceaan, die hij de Stille noemde, omdat het er zo vredig was, nog geen derde bezeild. Op 24 januari 1521 kregen ze een eiland in zicht (St. Paulus) en daar namen ze proviand in. Daarna vertrouwden ze zich opnieuw aan de uit­gestrekte wateren toe.

Niet minder dan negentien man, ongeveer een tiende van het aantal, dat nog over was, stierven een vreselijke dood op deze martelende reis over de Stille Oceaan.

Ten slotte klonk er op 6 maart 1521 een kreet uit het kraaienest: ‘Land vooruit!” Het was net op tijd. Indien men nog twee, drie dagen in die leegte had moeten ronddobberen, was er wellicht geen woord over deze heroïsche reis voor ons bewaard gebleven. Maar daar lag een eiland! Nauwelijks was de vloot de baal bin­nengevallen of kleine, beschilderde bootjes met zeilen vervaardigd uit palmbladeren staken van wal. Behendig als apen klauterden de naakte natuurkinderen aan boord en, alsof dat de gewoonste zaak van de wereld was, eigenden zich prompt elk voorwerp toe dat niet spijkervast was. Zelfs de roeiboot van de Trinidad werd in triomf meegevoerd. Magalhaen besloot de diefachtige eilanders mores te leren en stuurde veertig gewapende matrozen op hen af, die de hutten platbrandden en meenamen wat zij maar vinden konden — kippen, vis en fruit.

Deze plundertocht redde de Spanjaarden van de ondergang. Drie dagen rust, verse vruchten, vlees en water maakten dat de meeste bemanningsleden weer spoedig op krachten kwamen. Met hernieuwde moed vervolgde men de reis naar het westen. Toen men een week later nog een eiland en toen nog een in het zicht kreeg, wist Magalhaen dat zij gered waren. Hij had een volledig onbekende archipel ontdekt, de Filippijnen, en daarmee Keizer Karel een nieuwe provincie bezorgd, die langer onder de Spaanse kroon zou blijven dan enig gebied door Columbus, Cortez of Pizarro ontdekt.

Op 28 maart bereikte de vloot Mazzava, een klein eilandje in de Filippijnengroep, en hier had Magalhaen een van de merk­waardigste ervaringen van zijn leven. Terwijl de drie grote, vreemde schepen naderbij kwamen, dromden de vriendelijke bewoners samen op het strand en Magalhaen zond zijn slaaf Enrique op hen af in de juiste veronderstelling, dat de inboorlingen meer vertrouwen zouden hebben in een kleurling dan in een ge­baarde blanke.

Toen gebeurde het wonderlijke. Terwijl babbelende eilan­ders om Enrique heen kwamen staan, ontdekte de Maleise slaaf tot zijn verbijstering, dat hij heel veel kon verstaan van wat zij zeiden. Het was al heel wat jaren geleden dat hij in zijn eigen taal had horen spreken. Door dit verbazingwekkende voorval wist Magalhaen dat hij zijn doel bereikt had. Hij was weer in het deel van de wereld waar Maleis gesproken werd. Wat enige geleerden gedroomd hadden, was nu zekerheid geworden. De aarde was rond, want men was er nu omheengevaren.

De week op Mazzava was de gelukkigste episode van Magalhaens reis. Calamboe, de koning van het eiland, bereidde hem een gastvrije ontvangst en bezorgde hem een overvloed van voed­sel en water. Hij behoefde nu alleen nog maar naar de Specerij-eilanden te varen om zijn opdracht te vervullen. Toch wilde hij de Filippijnen niet verlaten zonder deze archipel tot permanent Spaans bezit te hebben gemaakt, en daarvoor was het niet vol­doende één klein eiland bezocht en geannexeerd te hebben. Hij vroeg Calamboe daarom wat het grootste van de naburige eilan­den was en vernam dat dit Zebu (Cebu) heette. Daarheen zette Magalhaen koers, “want,” zo schrijft de trouwe Pigafetta, “zijn noodlot wilde het aldus.”

Zodra hij Cebu in zicht had gekregen, wist Magalhaen dat dit een plaats van groot belang was. In de haven lagen jonken uit vreemde streken en een groot aantal binnenlandse schepen. Om zich als heer van donder en bliksem aan te dienen liet Magalhaen een kanonsalvo afvuren, waarop de eilanders in alle richtingen vluchtten. Daarna zond Magalhaen Enrique onmiddellijk aan land om als tolk te fungeren en de vorst van het eiland mee te delen dat de donder geen teken van vijandschap was, maar een eerbewijs voor de machtige Radja van Cebu. De admiraal, aldus Enrique, was bereid Zijne Majesteit een verscheidenheid van kostbare goederen te tonen en handelsbetrekkingen met hem aan te knopen. Humabon, Radja van Cebu, nodigde Magalhaens afgezanten op een banket en verklaarde een eeuwigdurend vredes­verdrag met de vreemdelingen te willen sluiten. Zijnerzijds deed Magalhaen zijn uiterste best de vriendschap te bevorderen en de betrekkingen werden zo hartelijk, dat de Radja en de meesten van zijn hovelingen spontaan het verlangen kenbaar maakten christenen te worden.

Zo vierden de Spanjaarden op zondag 14 april 1521 hun groot­ste triomf. Op het marktplein werd een groot kruis opgericht aan de voet waarvan de Radja en vijftig anderen neerknielden en met grote plechtigheid gedoopt werden. Het nieuws werd overal bekend. De volgende dag kwamen er hoofden van de naburige eilanden om ook in deze magische ceremoniën te worden inge­wijd. Binnen enkele dagen hadden bijna alle eilandhoofden trouw aan Spanje gezworen en waren zij besprenkeld met water uit het doopvont.

Magalhaen was over de hele linie geslaagd, alsof engelen zijn pad hadden verlicht. Maar toen deed zich een onverwachte tra­gedie voor. Op een heel klein eilandje, Mactan, dicht bij Cebu, heerste een vorst, Silapulapu, die zich nooit aan de Radja van Cebu had onderworpen. Sedert de komst van de Spanjaarden had hij gedaan wat hij kon om te voorkomen dat de andere eilandhoofden de vreemdelingen van proviand zouden voorzien. Deze weigering om leveranties te doen leek Magalhaen een uitstekende reden om een demonstratie op touw te zetten. De Radja van Cebu stelde voor duizend krijgers tegen Mactan in te zetten, maar Magalhaen sloeg dit aanbod af. Hij wilde bovenal een bewijs geven van het prestige van Spanje door aan te tonen, dat inboorlingen gewapend met krissen en speren, een Spaans soldaat in een stalen harnas zelfs geen verwondingen konden toebrengen. Daarom nam hij niet meer dan zestig man mee en nodigde hij de Radja uit de strijd vanaf een schip gade te slaan.

Tot Magalhaens ongeluk bezat het vorstje van Mactan echter een machtig bondgenoot in de vorm van de kustlijn. De boten konden niet over een koraalrif heenkomen, met dat gevolg dat een landingsdetachement van veertig man, met Magalhaen zelf aan het hoofd, gedwongen was naar de kust te waden, verstoken van de dekking, die de haakbussen en kruisbogen van de boten af verschaften. In groten getale wachtten de inboorlingen hen met uitdagende kreten op. Pigafetta, een van de aanvallers en zelf door een pijl gewond, beschrijft het gevecht als volgt:

Toen de eilanders zagen dat het geschut van onze boten hen niet bereikte, renden zij op ons toe en bestookten ons met pijlen, spiesen en speren, zodat wij ons vrijwel niet verdedigen konden. Toen ze ontdekten, dat onze lichamen geharnast waren maar onze benen niet, mikten zij vooral daarop. Magalhaen kreeg een giftige pijl in zijn voet, waarna hij bevel tot langzaam terugtrekken gaf. Maar vrijwel al onze manschappen sloegen overhaast op de vlucht, zodat er niet meer dan zes of acht bij hem bleven. Al jaren kreupel, kon hij niet snel meekomen. De eilanders herkenden Magalhaen en begonnen nu voornamelijk op hem te richten, waarbij hem tot tweemaal toe de helm van het hoofd werd geslagen. Hij bleef door­vechten tot een zware slag op zijn linkerbeen hem voorover in het water deed vallen. Toen wierpen de eilanders zich op hem en door­staken hem met speren en zwaarden tot hij dood was.

De Spanjaarden verloren niet meer dan acht man bij deze schermutseling, maar de dood van hun aanvoerder maakte de tegenspoed tot een ramp. Er was meteen een eind gekomen aan de mythe van hun onkwetsbaarheid. Was de Radja van Cebu er niet getuige van geweest, hoe Silapulapu, een der meest on­beduidende prinsjes, de blanke god had verslagen?

Maar het was een domme belediging, Magalhaens slaaf Enrique aangedaan, die de uiteindelijke tragedie veroorzaakte. De trouwe Enrique had tot het laatste moment aan de zijde van zijn meester gestreden. Men had hem gewond teruggebracht naar het schip, waar hij bewegingloos in zijn mat gewikkeld lag. Daarop was Duarte Barbosa, die samen met Joao Serrao tot het leiderschap van de expeditie verkozen was, zo dwaas geweest om de arme drommel toe te voegen, dat een hond er niet zo maar zijn gemak van kon nemen als zijn meester dood was. Als hij dus niet prompt aan wal ging om als tolk te fungeren bij de uitwisseling van goe­deren, zou hij een stevig pak slaag krijgen. Enrique liet niets merken, maar hij was diep gekwetst in zijn trots als Maleier. Gehoorzaam ging hij naar de markt, maar daar smeedde hij een samenzwering met de Radja van Cebu. Toen, vier dagen na Magalhaens dood, kwam Enrique bij de kapiteins terug met ver­heugend nieuws. De Radja, zei hij, wilde een schat aan juwelen naar de koning van Spanje zenden. Wilden de kapiteins Barbosa en Serrao aan wal komen om die in ontvangst te nemen?

Serrao en Barbosa liepen blindelings in de val. Al met al gingen er negenentwintig Spanjaarden aan land en onder hen bevonden zich de meest ervaren officieren en stuurlieden. (Gelukkig was Pigafetta nog altijd ziek vanwege zijn verwonding en bleef aan boord). Na een plechtige ontvangst werden de mannen naar een palmhut gebracht, waar een banket gereed stond. Plotseling hoorden degenen, die op de schepen waren achtergebleven, schreeuwen en gillen. De arglistige Radja van Cebu was bezig zijn gasten af te maken. Joao Carvalho, aan wie nu het bevel toeviel, gaf order de kanonnen op de stad te richten. Het ene salvo na het andere werd afgevuurd. Daarna wendden de schepen de steven en vertrokken in alle haast.

Van de 265 schepelingen, die in Sevilla gemonsterd hadden, waren er niet meer dan 115 over, zodat de drie schepen onderbemand waren. De beste oplossing was dus om een van de drie op te offeren. De wrakke Concepción werd daarop gelost en in brand gestoken. De overige twee schepen zetten de reis samen voort, de Trinidad en de Victoria. Hoe node de oorspronkelijke bevelhebber op deze geslonken vloot werd gemist, bleek nu uit de onzekere koers die men voer. In plaats van koers te zetten naar de Molukken, waar men dichtbij was, zwierf men zes maanden rond. Ten slotte, op 8 november 1521, landde men op Tidore, een der Specerij-eilanden. De bewoners waren uiterst vriendelijk. Al wat Spanjaarden maar konden verlangen werd in overvloed verschaft. In wilde haast kochten zij specerijen, waarvoor zij hun musketten, mantels en gordels in ruil gaven. Want nu gingen zij huiswaarts, waar zij rijk zouden worden met de verkoop van deze schatten, die zij hier zo gemakkelijk hadden verkregen.

De schepen werden geladen en van proviand voorzien. Maar terwijl de zeilen gehesen werden, kreunde de Trinidad onder de lading en sprongen de naden open. De Victoria kon niet langer wachten. Men besloot 51 schepelingen op de Trinidad achter te laten, totdat het schip gerepareerd zou zijn.

De reis van de gehavende Victoria rond de tweede helft van de aardbol, nadat men over de eerste helft dertig lange maanden had gedaan, is een der meest heroïsche daden uit de geschiedenis van de zeevaart. Men had proviand voor ruim vijf maanden in­genomen, maar geen zout kunnen krijgen, zodat de grote voorraad varkensvlees in de tropische zon begon te rotten. Om de stank kwijt te raken wierp de bemanning de hele voorraad overboord.

Als gevolg daarvan werd de hongersnood opnieuw hun met­gezel, terwijl zij de Indische Oceaan overstaken. De Victoria was barstensvol specerijen geladen. Maar wie kan met uitgedroogde lippen en een lege maag peperkorrels kauwen, de bijtende smaak van kaneel verdragen of nootmuskaat slikken in plaats van brood? Dagen achtereen werd het ene verschrompelde lijk na het andere overboord gezet. Meer dan twintig bemanningsleden waren ge­storven toen de Victoria op 9 juli 1522, na zes maanden varen, op de rede van Santiago op de Kaap Verdische Eilanden voor anker ging. Men had de Kaap de Goede Hoop gerond en was langs de oostkust van Afrika gezeild.

Dit was een Portugese haven in een Portugese kolonie. Aan wal gaan betekende zich aan de vijand overleveren. Maar de honger liet geen keus en de bevelhebber, Sebastian del Cano, zond enige manschappen aan wal met de instructie dat zij moesten zeggen dat hun schip uit Amerika kwam. De boot van de Victoria keerde terug, volgeladen met proviand, en ging toen om een tweede lading. Maar plotseling zag del Cano, dat enige schepen in de haven bezig waren uit te varen. Hij begreep dat men zijn list doorzien had. Hij liet zijn kameraden aan hun lot over, lichtte snel het anker en hees de zeilen.

Hoe kort en riskant het verblijf op de Kaap Verdische Eilanden ook was geweest, Pigafetta, de ijverige kroniekschrijver, ontdekte er opnieuw een wonder, een fenomeen, waarvan hij als eerste in de wereld getuige was. De mannen, die aan wal waren gegaan om proviand te halen, waren teruggekeerd met het verbazingwekken­de nieuws, dat het daar donderdag was, hoewel het aan boord ongetwijfeld woensdag was. Met de grootste nauwkeurigheid had Pigafetta zijn dagboek drie jaar lang bijgehouden. Kon hij mis­schien een dag gemist hebben? Hij vroeg dit aan Alvo, de stuur­man, die in zijn logboek de dagen eveneens had bijgehouden, en Alvo was er even zeker van dat het woensdag was. Door voort­durend in westelijke richting te koersen moesten de wereldrei­zigers op de een of andere onverklaarbare manier een kalenderdag hebben verloren en Pigafetta’s verslag van dit vreemde verschijn­sel zou later in Europa heel wat verbazing wekken. Tot dusver had niemand vermoed dat men, door tegen de wenteling van de aarde in te gaan, een dag wint.

Nog was de Victoria echter niet thuis. Met krakende spanten, langzaam en moe en met het laatste beetje energie legde het schip de laatste etappe af. Van de 66 opvarenden, die van de Specerij­-eilanden waren vertrokken, was er nog slechts een handjevol over, dat wanhopig moest blijven pompen. Toen ze op 4 september 1522 Kaap St. Vincent, in de zuidwestelijke hoek van Portugal, in zicht kregen, waren zij “zwakker dan mannen tevoren ooit geweest waren”. Twee dagen later zeilden zij de monding van de Guadalquivir binnen — vanwaar zij drie jaar tevoren vertrokken waren. De volgende ochtend voer de Victoria de rivier op naar Sevilla.

Sevilla! “Geef een salvo!” riep del Cano. Er klonk een donderend saluut over de rivier. Met de ijzeren monden van deze kanonnen had men drie jaar eerder Spanje vaarwel gezegd. Met dezelfde kanonnen had men een plechtige groet gebracht aan Straat Magalhaen en daarna aan de Stille Oceaan. Met deze grote stukken had men voor de pas ontdekte Filippijnen een saluut afgevuurd, maar nooit hadden die ijzeren stemmen zo luid en zo jubelend geklonken als nu zij aankondigden: “We zijn terug. We hebben gedaan wat niemand voor ons ooit gedaan heeft. Wij zijn als eersten rond de aarde geweest.”

In Sevilla had zich een enorme menigte op de kade verzameld. Diep ontroerd keken de burgers naar de achttien overlevenden, die van de Victoria aan wal gingen. Zij zagen hoe de mannen haast niet konden lopen van zwakte. Hoe ziek en uitgeput waren deze helden, ieder van hen tien jaar ouder geworden in die drie jaar van ontbering. Maar alvorens iets te nemen van het hun ge­boden eten wilden ze een plechtige gelofte nakomen, die ze hadden afgelegd toen de nood het hoogst was, en liepen barrevoets in boeteprocessie naar de kerk. Plechtig dankten zij de Almachtige voor hun redding en murmelden gebeden voor hun bevelhebber, die bij Mactan gevallen was en voor de meer dan tweehonderd kameraden, die het leven hadden verloren.

Het nieuws van hun terugkeer was als een lopend vuurtje door Europa gegaan. Sinds de reis van Columbus had geen enkele gebeurtenis bij de tijdgenoten zoveel opschudding verwekt. De geografen behoefden nu geen enkele twijfel meer te koesteren. Nu er een schip uit de haven van Sevilla was vertrokken en na voort­durend een westelijke koers te hebben gevolgd in de haven van Sevilla was teruggekeerd, was bewezen, dat de aarde een bol was, rondom bedekt door een oceaan. Onder Spaanse vlag was Colum­bus het moderne ontdekkingswerk begonnen en onder diezelfde vlag had Magalhaen het voltooid. In een periode van dertig jaar had men over de wereldbevolking meer geleerd dan in de duizend jaren, die daaraan waren voorafgegaan.

Zelfs de bankiers, die de vloot hadden uitgerust, hadden reden tot verheugenis. De 520 kwintalen (ongeveer 26 ton) specerijen, die de Victoria als lading had thuisgebracht, waren 45 000 dukaten waard — een zoet winstje. De lading van dit schip maakte het verlies van de vier andere meer dan goed — indien men het ver­lies van meer dan tweehonderd mensenlevens tenminste niet meetelde. In de hele wereld waren er maar een stuk of tien man­nen, die door paniek werden bevangen toen bekend werd, dat één schip van Magalhaens armada veilig was teruggekeerd. Dat waren de muitende officieren, die met de San Antonio ervandoor waren gegaan en meer dan een jaar tevoren in Sevilla waren aan­gekomen. Zij hadden hun muiterij voorgesteld als een patriot­tische daad en geen melding gemaakt van enige zeestraat. Zij hadden alleen verteld over het bereiken van een “baai” en be­weerd, dat Magalhaen voornemens was geweest de vloot aan de Portugezen uit te leveren. Gelukkig voor deze muiters was del Cano, de kapitein, die het er levend had afgebracht, hun mede­plichtige geweest bij de muiterij van San Julian. Dank zij hem ontkwamen zij aan hun straf.

Del Cano oogstte veel van de lof, die Magalhaen toekwam. In feite bleek de prestatie, waarvoor Magalhaen zijn leven had ge­geven, voor niemand van veel nut te zijn. Zoveel schepen, die naderhand door Straat Magalhaen probeerden te zeilen, gingen daarbij ten onder, dat zeevaarders gedurende tientallen jaren deze gevaarlijke doorgang vermeden en er de voorkeur aan gaven hun goederen via de omslachtige landroute door de engte van Panama te verschepen. Natuurlijk bleven tevens velen de oude weg via de Kaap de Goede Hoop gebruiken.

Binnen één generatie was de Straat bijna vergeten. Achten­vijftig jaar na Magalhaens ontdekking maakte Drake er gebruik van voor een verrassingsaanval op de Spaanse koloniën aan de westkust van Zuid-Amerika. Maar sedertdien wordt de route, waarvan Magalhaen had verwacht, dat zij de voornaamste ver­bindingsweg tussen Europa en de zuidelijke zeeën zou worden, alleen door walvisvaarders en enkele andere schepen gebruikt. Toch zal de geschiedenis nooit de man vergeten, die de Straat voor het eerst bevaren heeft — de man, die de juiste omvang van onze aardbol ontdekte en tevens bewees tot welke hoogten een moedig mens kan stijgen.

.

8e klas vertelstofalle biografieën

Vertelstofalle artikelen

8e klasalle artikelen

Algemene menskundeleeftijd 14 – 21 jaar

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

860-792

.

 

 

VRIJESCHOOL – 5e klas plantkunde – de beuk

.

Kim Lapré†, Forum 21-04-2015
.

DE BEUK
.

De beuk wordt graag gekozen omdat hij zo statig is. Een beu­kenlaan waar de kronen elkaar raken doet aan als een gewelf en heeft iets plechtigs. De boom kan wel 40 meter hoog worden. De stam is glad en grijs en is gevoelig voor schorsbrand. De Germanen dachten aan Freya bij de beuk en jong geliefden snijden wel eens een hartje in de bast.

Nu wordt de boom steeds hoger en waar blijft het hartje? Groeit dat mee de hoogte in? Wat denkt U? Vlak naast het fietspad door het bos* staat een beuk met een gezicht, dat door kras­sen ontstaan is. De geest van de boom kijkt ons aan. De schrijver Tolkien, van ‘In de ban van de ring” laat de bomen leven en spreken.

Zou het gezicht iets betekenen? En dat kan allemaal door de mooie gladde stam.

De jonge bladeren hebben een pluizi­ge rand, die verdwijnt na het voorjaar. In een beukenbos is het licht zacht groen. Heel anders dan in een op­stand van Douglas. Daar is het donker en vooral koel in de zomer. In een beukenbos schijnt de zon niet op de grond, het licht is gedempt, maar het is er niet donker, wat sparren zo sterk kunnen hebben. Denkt U maar aan zo’n naam als het Zwarte Woud.

De beuk heeft heel kleine bloemen die nauwelijks te zien zijn. Mannelijke en vrouwelijke bloemen groeien aan één tak Tegen de herfst hangen napjes aan de takken die in vier delen open vou­wen en daaruit vallen twee beuken­nootjes op de grond. Eekhoorns verzamelen die graag als wintervoorraad. Door de schaduw in een beukenbos groeit er eigenlijk niets op de grond. Hoe komt dat? De beuk maakt met zijn takken horizon­tale vlakken waardoor de bladeren al het licht filteren dat op de grond valt. Deze statige boom verdraagt geen ondergroei. In de herfst verkleuren de bladeren tot een prachtig beukengoud.

De bladeren bevatten looizuur waar­door zij niet direct verteren. Het looi­zuur is nuttig voor de boom, omdat hij beschermd wordt tegen planten­ziekten.

Wist U trouwens dat groene thee eveneens looizuur bevat? In Japan is een grootschalig onderzoek geweest naar gebitsaantasting. Het bleek dat mensen die regelmatig groene thee drinken veel minder tandbederf heb­ben.

De beukennootjes zijn licht giftig voor mensen. Eekhoorns en varkens kunnen daar goed tegen. Het schijnt dat met wat boter gebakken beukennoot­jes minder schadelijk zijn. De beuk heeft een schimmel nodig om stikstof en fosfor uit de bodem te kunnen op­nemen. De schimmel wordt betaald met suiker dat in het blad gevormd wordt.

Drie schimmel”bloemen” kennen wij eigenlijk allemaal. De cantharel, de vlie­genzwam en het eekhoorntjesbrood. In 1982 vond ik nog cantharellen in het bos en daarna nooit meer. Ze zijn gewoon te smakelijk om te overleven.

De beuk kan op zand groeien mits er wat leem in te vinden is. De wortels mogen niet in het water staan. De vliegenzwam heeft heel sterk ‘ge­bloeid’ na de ramp in Tsjernobyl. Men zei toen dat die zwam de radio­activiteit uit de grond opslaat.

Op landgoederen staan vaak alleen­staande rode beuken. Die werden geplant bij een wisseling van eigenaar, maar ook vanwege de hoge status. De rode beuk was namelijk zeldzaam.
Ik vond een bericht dat van 10.000 ge­plante beukenzaden er slechts één was die rood werd. Daardoor was de rode beuk niet alleen zeldzaam, maar ook heel duur. Alleen de notaris kon zich zo’n boom veroorloven, waardoor de rode beuk ook wel de notarisboom genoemd werd.

Nu zag ik op internet dat een kweker kleine rode beukjes aanbied voor € 0,89 per stuk.

Bij heftig onweer sta je veilig onder een beuk, zegt men. Dat heb ik nooit uit­geprobeerd, maar in ieder geval sta je wel beschut tegen de regen onder een grote beuk.

Jonge beuken worden graag aan­geplant als haag. Zij verliezen hun blaadjes pas als de nieuwe bladeren uitkomen.
De legende vertelt dat de duivel de heerschappij op aarde zou krijgen als er geen bladeren meer aan de bomen zouden zijn. Maar God voorkwam dit door de beuk zijn dorre bladeren te laten behouden tot er weer nieuw blad te zien zou zijn.

*in de woonplaats van de schrijver

beuk

5e klas: alle artikelen

Rudolf Steiner over plantkundealle artikel

Vrijeschool in beeld5e klas plantkunde

859-791

VRIJESCHOOL – Plantkunde – plantendelen – vrucht

.

Bij de plantkunde gaat het allereerst om de essentiële zaken: de elementen, het verloop in de tijd, de vergelijking met de kinderlijke ontwikkeling. En alles wat leidt tot grote verwondering: in het ‘leesboek voor de plantkunde’ van Gerbert Grohmann vind je daarvoor prachtige lesstof. Natuurlijk is er ook steeds sprake van allerlei delen van de plant en het is goed dat de kinderen er veel leren, d.i. vooral kunnen herkennen. Je kunt in de 5e klas 2 perioden plantkunde geven; doe je er één, dan ook nog 1 in de 6e, anders kom je nooit door alle stof heen. Voor de 6e leent het leren van allerlei benamingen zich weer meer, dan het jaar daarvoor. De vele namen die ik hieronder weergeef, zijn vooral voor de leerkracht bedoeld, als ‘vakkennis’ en hoeven door de kinderen natuurlijk niet alle gekend te worden. Een overzicht van de voornaamste delen en hun benamingen.

DE VRUCHT
.

De vrucht is het resultaat van de rijping van een bestoven vruchtbeginsel; de daarin aanwezige zaadknoppen zijn veranderd in za­den, die na zekere tijd kunnen kiemen. Er zijn vlezige en droge vruchten.

De vlezige vrucht:

de zaden liggen ingebed in een sappig vruchtvlees, omgeven door een soepele schil. Vaak zitten de zaden in een harde kern, die weer in het vruchtvlees ligt. Na rijping laat de vrucht los en valt af.

Deze beide schematische tekeningen tonen twee doorgesneden vlezige vruchten en wel steenvruchten, omdat het zaad opgesloten ligt in het steenharde endocarp, de binnenlaag van de vruchtwand, waaromheen zich het mesocarp, de middenlaag, bevindt, die wel vlezig is. Het geheel is omgeven door het epicarp, de vruchthuid. Bv. olijf (a), zoete kers (b).

plantendelen 89

Bij de perzik is de steen erg groot.

plantendelen 90

Bij een pitvrucht is de binnenlaag van het vruchtvlees leerachtig. Bv. appel.

plantendelen 91

Wanneer de zaden los in het vruchtvlees liggen, heten de vruchten bessen. Bv. druif. In droge vruchten liggen de zaden over het algemeen niet in vruchtvlees. De droge en vaak harde vruchtwand vormt een soort doos, die al dan niet spontaan openspringt.

plantendelen 92

Niet openspringende droge vrucht:
de vrucht gaat niet open om de zaden vrij te laten, maar laat als geheel los, vaak door de wind, en valt op de grond. Na rotting van het buitenste deel kiemt het zaad tot het jonge plantje.

Bij een eenzadige dopvrucht of nootje zit het ene zaadje niet aan de wand vast. Bij o.a. veel vertegenwoordigers van de composieten­familie zit aan de dopvrucht zijdeachtig vruchtpluis vast, de haarkroon, op een steel:

plantendelen 93

Bij de lipbloemenfamilie zijn er vier dopvruchtjes per bloem, die samen een vierde­lige splitvrucht vormen.

plantendelen 94

De vruchten van de schermbloemenfamilie zijn dikwijls tweedelige splitvruchten of dub­bele dopvruchten, die uit één bloem ontstaan:

plantendelen 95

De graanvrucht is een vrucht waarvan de wand stevig is vergroeid met het ene zaadje:

plantendelen 96

Het gevleugelde nootje is een dopvrucht waaraan een vliezige vleugel is bevestigd:

plantendelen 97

Soms ontstaan er uit één bloem twee gekoppelde, gevleugelde nootjes: een gevleu­gelde dubbele dopvrucht. B.v. Spaanse aak.:

plantendelen 98

Openspringende droge vrucht:
deze springt spontaan open als hij rijp is, om de zaden te verspreiden.

De peul is een droge, openspringende vrucht, gevormd uit één vruchtblad (a); bij rijpheid splijt hij geheel open met behulp van twee kleppen (b): de zaden zijn aan de naden bevestigd. Bv. erwt.

plantendelen 99

De hauw heeft in het midden een vlies, waar de zaden aan vastzitten en dat wordt gespannen en omgeven door twee kleppen, die open kunnen springen:

plantendelen 100

De doosvrucht is een droge vrucht, die de zaden óf door kleppen, zoals bij het maarts viooltje (a), óf door spleten, zoals bij de klaproos (b), laat ontsnappen:

plantendelen 101

Schijnvruchten:

de bloembodem, waarop meerdere, vrije vruchtbladeren zijn ingeplant, zwelt op en vormt evenveel droge of vlezige vruchtjes als er vruchtbladeren waren.

Doorsnede door een framboos, met de steenvruchtjes vastgehecht op de bloembodem:

plantendelen 102

De aardbei bestaat uit een grote, vlezige en sappige bloembodem, met een groot aantal dopvruchtjes aan de oppervlakte:

plantendelen 103

Samengestelde vruchten:

deze zijn ontstaan uit een dichte bloeiwijze.

De vruchtjes, gevormd uit de bloeiwijze van de zwarte moerbei vormen een samen­gestelde vrucht, in wezen een katje:

plantendelen 104

Bij de ananas zijn de vruchten met elkaar en met hun schutbladeren vergroeid:

plantendelen 105

Een vijg heeft een vlezige en sappige bloembodem, die hol is en van binnen met kleine bloemen is bekleed:

plantendelen 106

Plantendelenwortel   blad  bloem  bloeiwijze   

5e klas: alle artikelen

Rudolf Steiner over plantkundealle artikel

Vrijeschool in beeld5e klas plantkunde

.

858-790

.

VRIJESCHOOL – Plantkunde – plantendelen – bloeiwijze

.

Bij de plantkunde gaat het allereerst om de essentiële zaken: de elementen, het verloop in de tijd, de vergelijking met de kinderlijke ontwikkeling. En alles wat leidt tot grote verwondering: in het ‘leesboek voor de plantkunde’ van Gerbert Grohmann vind je daarvoor prachtige lesstof. Natuurlijk is er ook steeds sprake van allerlei delen van de plant en het is goed dat de kinderen er veel leren, d.i. vooral kunnen herkennen. Je kunt in de 5e klas 2 perioden plantkunde geven; doe je er één, dan ook nog 1 in de 6e, anders kom je nooit door alle stof heen. Voor de 6e leent het leren van allerlei benamingen zich weer meer, dan het jaar daarvoor. De vele namen die ik hieronder weergeef, zijn vooral voor de leerkracht bedoeld, als ‘vakkennis’ en hoeven door de kinderen natuurlijk niet alle gekend te worden. Een overzicht van de voornaamste delen en hun benamingen.

DE BLOEIWIJZE
.

Het bloeiende deel van de plant bestaat óf uit alleenstaande bloemen óf uit een of meer bloeiwijzen.
Met deze laatste term wordt een verzameling bloemen bedoeld die een gemeenschappelijke bloemsteel bezitten. Vele bloeiwijzen zijn gemengd en kunnen dan zeer ingewikkelde structuren vormen.

Plant met één alleenstaande bloem:

plantendelen 70

De tros

is een bloeiwijze gevormd door een aantal bloemen waarvan de bloemstelen, die praktisch alle even lang zijn, vastgehecht zitten aan de algemene bloemsteel, die het verlengde is van de hoofd- of zij-as.

(a) Schematische tekening van de tros en (b) een voorbeeld van een tros, met de stengel en de algemene bloemsteel, bij de aalbes:

plantendelen 71

Bij de samengestelde tros zijn de zijde­lingse bloemstelen op hun beurt weer trosvor­mig vertakt en zijn deze vastgehecht aan de hoofdas van de primaire tros. Bv. wijnstok:

plantendelen 72

Een pluim

is een verzameling van samen­gestelde trossen, met lange bloemstelen van ongelijke lengte die rondom de hoofdas zijn geplaatst. Het geheel heeft de vorm van een piramide. Bv. bijvoet:

plantendelen 73

De aar:

wordt gevormd door een groep zittende bloemen, d.w.z. zonder steel aan de stengel vastgehecht.

Schema van een enkelvoudige aar:

plantendelen 74

Schema van een samengestelde aar:

plantendelen 75

Als de aar dicht, lang en als geheel afvallend is, noemt men dat een katje:

plantendelen 76

De schermvormige tros:

houdt het midden tussen een scherm en een tros: de bloemstelen zijn ongelijk van lengte, zodanig dat de bloemen praktisch op de dezelfde hoogte staan.

Schematische tekening van een schermvormige tros: (a) peer; bij het gewoon duizendblad (b) is hij samengesteld.

plantendelen 77

Een scherm:

is een bloeiwijze waarvan de bloemstelen even lang zijn en in één punt te zamen komen. Aan de voet van de bloemsteeltjes bevindt zich vaak een omwindsel.

Schematische tekening van een enkelvoudig scherm. B.v. zure kers (a); klimop (b).

plantendelen 78

De meeste vertegenwoordigers van de schermbloemenfamilie hebben een samenge­steld scherm, d.w.z. dat er zich aan het eind van elke bloemsteel niet één bloem, maar een schermpje van bloemen bevindt:

plantendelen 79

Aan de voet van de bloemstelen van het scherm vormt een krans van schutblaadjes een omwindsel. Bv. (wilde) peen. De schutblaad­jes aan de voet van een schermpje heten het omwindseltje:

plantendelen 80

Het napje van de eikel is een omwindsel, gevormd door stevige schubben die aan de basis van de vrucht blijven zitten. Ze omgeven telkens maar één enkele vrucht.

plantendelen 81

Een hoofdje

is een groep bloempjes die in een dichte aar zijn samengepropt op een verbreding van de bloemsteel: de bloembodem.

Schematische tekening van een hoofdje (a). Vergeleken met het maarts viooltje bestaat het madeliefje (b) niet uit één bloem, maar uit een groep van bloemen; elk wit lintje is een bloem (lintbloem) en elk bolletje in het gele hartje is ook een bloem (buisbloem). Alleen de gele bloemen hebben in dit geval meeldraden, die een saamhelmig androecium vormen.

plantendelen 82

plantendelen 83

Een ander soort hoofdje: de korenbloem.
Onder het hoofdje bevinden zich de schut­blaadjes, die samen het omwindsel vormen.:

plantendelen 84

De bloeikolf

is een dichte aar, die bij de aronskelk in een steriele knots eindigt en wordt omgeven door een vliezig schutblad, de bloemschede:

plantendelen 85

Een bijscherm:

is een bloeiwijze waar aan het eind van de hoofdassen een bloem staat en deze assen zich onder iedere bloem in een of twee zijtakken vertakken.

Een bijscherm noemt men ééntakkig wan­neer onder elke bloem slechts één zijtak staat, die in een bloem eindigt. Als deze zich altijd aan dezelfde kant ontwikkelt, dan wordt dit bijscherm een sikkel genoemd:

plantendelen 86

Als zich nu eens aan de ene en dan weer aan de andere zijde een zijtak tot bloem ontwikkelt, heet het bijscherm een waaier:

plantendelen 88

Het bijscherm is samengesteld wanneer iedere bloemsteel twee zijtakken draagt, die ieder een bloem aan het eind hebben staan:

plantendelen 87

Plantendelenwortel   stengel    blad  bloem   vrucht

Plantkunde: alle artikelen

5e klasalle artikelen

Rudolf Steiner over plantkundealle artikel

Vrijeschool in beeld5e klas plantkunde

.
857-789

.

VRIJESCHOOL – Plantkunde – plantendelen – bloem

 

Bij de plantkunde gaat het allereerst om de essentiële zaken: de elementen, het verloop in de tijd, de vergelijking met de kinderlijke ontwikkeling. En alles wat leidt tot grote verwondering: in het ‘leesboek voor de plantkunde’ van Gerbert Grohmann vind je daarvoor prachtige lesstof. Natuurlijk is er ook steeds sprake van allerlei delen van de plant en het is goed dat de kinderen er veel leren, d.i. vooral kunnen herkennen. Je kunt in de 5e klas 2 perioden plantkunde geven; doe je er één, dan ook nog 1 in de 6e, anders kom je nooit door alle stof heen. Voor de 6e leent het leren van allerlei benamingen zich weer meer, dan het jaar daarvoor. De vele namen die ik hieronder weergeef, zijn vooral voor de leerkracht bedoeld, als ‘vakkennis’ en hoeven door de kinderen natuurlijk niet alle gekend te worden. Een overzicht van de voornaamste delen en hun benamingen.

BLOEM


De bloem, die eigenlijk slechts een zeer gespecialiseerde spruit is, is het orgaan dat
voor de geslachtelijke voortplanting van de plant zorgt. Het is het voornaamste, doch niet het enige middel om de soort te handhaven.

tweeslachtig
bloem heeft zowel
meeldra­den, dat zijn de mannelijke voortplantingsorga­nen,
als een stamper, het vrouwelijke voort­plantingsorgaan.

éénslachtig
bloem heeft slechts de organen van één geslacht

volkomen bloem
bezit kelk, kroon, meeldraden en stamper;

onvolkomen bloem
wanneer een van deze onderdelen ontbreekt.

De bloem zit aan het eind van een bloemsteel, aan de basis waarvan zich een klein blaadje bevindt, het schutblad, dat er anders uitziet dan de andere bladeren.

zittend
de bloemsteel ontbreekt.

regelmatig of onregelmatig
al naar gelang ze re­gelmatig of tweezijdig symmetrisch is.

De volkomen bloem:
Een volkomen bloem is voorzien van bloembekleedsels, gevormd door de kelk en de kroon, het androecium (het geheel der meel­draden) en het gynoecium (de stamper, be­staande uit vruchtbeginsel, stijl en stempel):

plantendelen 45

De onderaanblik van de bloem laat ons de bloembekleedsels zien, samengesteld uit de kelk, gevormd uit de kelkbladen, en de kroon, gevormd door de kroonbladen; en tevens de bloemsteel, een vertakking van de stengel, die de bloem draagt:

plantendelen 46

De kelk:
het buitenste bekleedsel van de bloem, bestaande uit een of meerdere
kelkbla­deren en meestal groen van kleur. Soms is er ook een bijkelk aanwezig. Van de witte lelie hebben de kelkbladeren dezelfde kleur als de kroonbladeren: samen met deze laatste vormen ze dan het bloemdek.

Losbladige kelk:
de kelkbladeren staan vrij van elkaar. Bv. vogelmuur:

plantendelen 47

Vergroeidbladige kelk:
de kelkbladeren, gedeeltelijk over hun lengte verbonden, vormen een getande buis. Bv. zeepkruid:

plantendelen 48

Kelk waarvan één kelkblad helmvormig is. B.v. blauwe monnikskap:

plantendelen 49

De kroon
is het binnenste bekleedsel van de bloem, bestaande uit een aantal kroonbladeren. De taak van de kroon is belangrijk: de levendi­ge kleuren ervan, de geur die ze verspreidt en de suikers van de honingklieren aan de voet van vele kroonbladeren trekken insecten aan, waardoor de bestuiving kan plaatshebben.

Losbladige kroon:
de kroonbladeren zijn vrij. Bv. tormentil, gewoon nagelkruid.

plantendelen 50

Vergroeidbladige kroon:
de kroonbladeren zijn geheel of over een deel van de lengte met elkaar vergroeid en vormen hier een trechter­vormige kroon. Bv. haagwinde.

plantendelen 51

Soms kunnen een of meer kroonbladeren een spoor hebben. B.v. wilde akelei:

plantendelen 52

Regelmatige bloem:
de bloem kan op vele manieren in twee gelijke helften worden ver­deeld. Bv. gewoon nagelkruid

Onregelmatige bloem:
de bloem is tweezijdig symmetrisch, d.w.z. er is slechts één spiegel­vlak. Er is dus een linker- en een rechterkant. Bv. driekleurig viooltje.

plantendelen 53
plantendelen 54

Van voren gezien is de bloem tweezijdig symmetrisch:

plantendelen 55

Een onregelmatige bloem met een tweelippige kroon, waarvan twee kroonbladeren de bovenlip vormen en drie de onderlip. Bv. witte dovenetel:

plantendelen 56

Voortplantinsorganen
Het androecium en het gynoecium zijn de mannelijke en vrouwelijke voortplantingsorganen van de bloem.

Dwarsdoorsnede door de bloem van de sleedoorn.

Men onderscheidt de kelkbladeren, de kroonbladeren, de meeldraden en de stam­per.

De meeldraden
bestaan elk uit een helm­draad en een helmknop.

In het midden van de tekening is de stamper of gynoecium te zien, die wordt gevormd door het
vruchtbeginsel (een bolletje dat de zaadknoppen omsluit),
de stijl en de stempel.

Androecium en kroon zijn hier perigynisch, omdat ze boven de basis van het vruchtbeginsel op de kelk zijn ingeplant (a).

Als de uitgeholde bloembodem en het vruchtbeginsel vergroeid zijn, heet het laatste ‘onderstandig’ en is de bloem epigynisch (b):

plantendelen 57

Androecium en kroon zijn hier hypogynisch, want de kroonbladeren en de daarmee vergroeide meeldraden zijn onder het vruchtbe­ginsel ingeplant, dat dan ‘bovenstandig’ heet:

plantendelen 58

Het androecium:
dit zijn de meeldraden, die de pollenkorrels bevatten.
Het aantal meeldra­den is dikwijls kenmerkend voor een familie of een orde.

Een androecium is éénbroederig wanneer de helmdraden óf aan de basis (a) óf geheel (b) met elkaar zijn vergroeid.

plantendelen 59

 

Een tweebroederig androecium, omdat van de 10 meeldraden er 9 via hun helmdraden met elkaar zijn vergroeid en er één vrij is. Bv. gewone rolklaver.

plantendelen 60

 

Een androecium is veelbroederig wanneer de meeldraden in drie of meer bundels zijn gegroepeerd. Bv. sintjanskruid.

plantendelen 61

 

Een androecium is saamhelmig wanneer de helmdraden niet, maar de helmhokken wel zijn vergroeid en een cilinder vormen, waar de stijl doorheen gaat. (a) Lintbloem van de paarden­bloem, (b) buisbloem van het madeliefje.

plantendelen 62

Het androecium is tweemachtig wanneer van de 4 meeldraden er 2 kort en 2 lang zijn.

plantendelen 63

Een androecium is viermachtig wanneer van de 6 meeldraden er 4 lang en 2 kort zijn.

plantendelen 64

Het gynoecium
of de stamper is een orgaan dat variabeler en complexer is dan het androecium. Het bestaat uit tenminste één vruchtblad, dat een vruchtbeginsel of een hok ervan vormt met daarop de stijl en de stempel. In het algemeen bestaat het uit meerdere losse of vergroeide vruchtbladeren.

Stamper van speenkruid die uit een aantal vrije vruchtbladeren bestaat (a); bij wildemanskruid (b) heeft elk vruchtblad een pluimvormige stijl.

plantendelen 65

Stamper bestaande uit 5 vruchtbladeren, die vrij zijn aan de top, maar vergroeid aan de basis. Bv. monnikskap (a), kerstroos (b).

plantendelen 66

Stamper bestaande uit 5 vruchtbladeren, waarvan de vruchtbeginsels vergroeid zijn, maar de 5 stijlen vrij staan. Bv. (wild) vlas.

plantendelen 67

Stamper bestaande uit 3 geheel vergroeide vruchtbladeren, zodat er een driehokkig vruchtbeginsel is ontstaan, met één stijl, die in een bolvormige stempel eindigt met drie korte lobben. Bv. tulp:

plantendelen 68

Stamper van een klaproos, waarvan het vruchtbeginsel aan de top een vergrote, schijf­vormige stempel met stervormige lobben bezit:

plantendelen 69

 

plantendelenwortel   stengel    blad   bloeiwijze   vrucht

Plantkunde: alle artikelen

5e klasalle artikelen

Rudolf Steiner over plantkundealle artikel

Vrijeschool in beeld5e klas plantkunde

 

 

 

 

856-788

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Braille

.

HIJ GAF DE BLINDEN TOEGANG TOT HET BOEK
.

In het jaar 1812 was een jongetje met stralende bruine ogen in de zadelmakerij van zijn vader, in het Franse dorpje Coupvray, aan het spelen. Plotseling pakte hij twee scherpe elzen en liep er triomfantelijk mee weg. Toen struikelde hij. Bij dat ongeluk verloor het kind het gezichtsvermogen aan één kant. Kort daarop werd het helemaal blind.

De dorpsbewoners waren vriendelijk. “Daar komt de kleine Louis,” zeiden zij als ze het tikken van zijn stokje hoorden. Zo­veel tikken naar de grote boom waar hij ging zitten om uit te rusten. Weer zoveel tikken naar de vijver waar hij kon horen hoe zijn vriendjes zich vermaakten. Toen hij ten slotte na een jaren­lange worsteling erin slaagde zijn methode van blind lezen en schrijven te ontwikkelen, noemde Louis Braille het “gestolde tikken”.

Op zijn tiende jaar ging Louis naar de school voor blinden in Parijs, de Institution Nationale des Jeunes Aveugles. De oprichter van deze school, Valentin Hauy — de onbezongen pionier van het onderwijs aan blinden — leerde Louis het alfabet door zijn vingers te leiden over de 26 letters, die uit twijgjes waren samen­gesteld. Daarna begon Louis aan de boeken die Hauy nauwgezet had gemaakt met uit stof gesneden letters die op de bladzijden waren geplakt. Elke letter was 7 centimeter hoog en 5 centimeter breed, een hopeloos omslachtige methode. De fabel van Reinaert de Vos bijvoorbeeld vulde zeven boeken van elk ruim drie kilo.

Toen Louis 14 was ontdekte een andere leerling de ribbels op een gedrukte kaart waarin het zetsel ver was doorgedrongen. “Meester, meester,” riep hij en liep naar Hauy. De meester zag dadelijk wat hij bedoelde en begon reliëfletters te maken met losse lettervormen. Maar de letters moesten minstens 2 ½
centime­ter hoog zijn. Een “boek” was nog steeds iets enorms en het lezen ervan nog steeds een tantaluskwelling. Het was hartver­scheurend voor Louis die zo dolgraag wilde leren. Op die manier kon de cursus van een kwartaal wel vijf jaar duren.

Naarmate Louis opgroeide, wies ook zijn ergernis over zijn ”onwetendheid”. Bij een bezoek aan het ouderlijk huis zei hij tegen zijn vader: “Blinden zijn de eenzaamste mensen ter wereld. Hier kan ik aan hun roep de vogels van elkaar onderscheiden, ik ken de ingang van het huis aan de deurstijl. Maar zal ik ooit weten wat er buiten mijn gehoor en mijn gevoel ligt? Alleen boe­ken kunnen de blinden hun vrijheid geven. Maar de boeken voor blinden zijn niets waard.”

Op een dag kreeg hij een prachtig idee. Hij zou een code met tekens voor woorden en uitdrukkingen bedenken. De blinden zou­den misschien zelfs kunnen schrijven. De hele zomer knipte hij stukjes leer, die hij zijn vader afbedelde, tot zijn handen er kapot van waren. Hij probeerde codes gebaseerd op driehoeken, vier­kanten en cirkels, die elk door variaties verschillende letters voor­stelden, maar er was geen bruikbare code bij.

Op een dag zat Louis, intussen zelf onderwijzer aan de Institu­tion Nationale des Jeunes Aveugles geworden, in een café in Parijs, terwijl een vriend hem de krant voorlas. Hij luisterde lui naar een verslag van een kapitein van het Franse leger die een systeem van reliëfpunten en -strepen had ontwikkeld om in het donker te gebruiken. Het verhaal luidde dat een bericht op de tast kon worden gelezen zonder dat het nodig was een lucifer aan te strijken. Toen de betekenis van dit nieuws tot Braille doordrong, begon hij te roepen en op de tafel te slaan.

De eigenaar kwam aanhollen. “Meneer Braille, meneer Braille, ik smeek u, u stoort mijn gasten”.

Braille zei nederig: “Vergeef mij, heren. Maar ik heb het on­doorgrondelijke probleem van de blinden opgelost — hun eeuwen­lange doodse afzondering doorbroken.”

De volgende dag ging hij, in gezelschap van een vriend, kapi­tein Charles Barbier opzoeken. “Wilt u mij uw methode van ‘nachtschrijven’ uitleggen?” vroeg hij aan de kapitein. “De blin­den zullen u daarvoor eeuwig dankbaar zijn.” Braille beschreef hoe de blinden afgesloten waren van het licht dat boeken hun konden schenken, van de mogelijkheden die het lezen in een ver­duisterde wereld kon openen.

“Maar natuurlijk,” zei de kapitein. “Daar had ik helemaal niet aan gedacht.” Daarna legde hij uit hoe hij met een els putjes had gemaakt in dik papier, zodat er aan de andere kant bobbeltjes te voelen waren. Er was een eenvoudige legercode ontworpen: één stip kon “opmars” betekenen, twee stippen “terugtrekken”, en zo voort. “U zoudt er een code voor de hele taal mee kunnen opbouwen. Dat lijkt wel mogelijk,” besloot hij.

“Het is mogelijk!” riep Braille. “Laat ik als eerste van alle blin­den ter wereld u bedanken.”

Van die dag af had Braille vijf jaar lang geen rust — toen werd het eerste boek dat gebruik maakte van het “Braille sy­steem” uitgegeven. De ironie van het lot wilde dat voor zijn sy­steem hetzelfde gereedschap werd gebruikt waardoor hij blind was geworden, de els. Vijf jaar van vallen en opstaan, gedurende welke tijd hij door een slopende ziekte geteisterd werd, waaraan hij ten slotte op 43-jarige leeftijd zou bezwijken. Braille gebruikte een sleutel van zes gaatjes die samen een rechthoek vormden en hij ontwikkelde 63 mogelijke combinaties die, naast de letters van het alfabet, symbolen gaven voor leestekens, samentrekkingen en korte woorden, zoals “en” en “voor”.

Tegen 1836, toen hij 27 was, was Braille klaar met een keuze uit het werk van John Milton in zijn systeem. “Het ligt voor de hand dat ik voor de eerste toepassing van mijn systeem uit het werk van deze grote blinde dichter put,” zei hij. Tijdens een lezing over zijn systeem aan het instituut, voor zijn leerlingen en de leer­krachten van vele scholen en universiteiten, liet hij zien hoe hij bijna even snel kon “pons-schrijven” als iemand hem kon voor­lezen. Daarna las hij terug wat hij had geschreven, met bijna dezelfde snelheid als een ziende lezer.

Maar zijn collega’s waren jaloers. “Hij heeft dit gedeelte uit zijn hoofd geleerd,” zeiden ze. Braille richtte toen een verzoek tot de Académie francaise om een onderzoek en hij hoopte dat onder invloed van de Académie zijn systeem vaste voet in de blindenscholen zou krijgen. Maar zijn verzoekschrift werd afgewezen: “de blinden ontvangen voldoende opleiding en onderricht met het reliëfsysteem.”

De leerlingen van het instituut vroegen aan Braille echter of hij hun zijn methode in het geheim wilde leren. Niet alleen dat hij hiertoe bereid was, hij ponste ook rekenkundige problemen en liet hun zien hoe ze vergelijkingen konden oplossen. Daarna werk­te Braille een code voor muziekschrift uit en hij werd een bekwaam organist.

Pas in het laatste stadium van zijn ziekte was hij ervan over­tuigd dat zijn systeem bijval had verworven. Een van zijn leer­lingen, een meisje, gaf een pianorecital voor een deftig Frans publiek. Aan het eind van het concert liep zij tikkend met haar stok naar de rand van het toneel, maar de luisteraars gingen door met klappen. Ze stak smekend haar hand op.

“Messieurs et mesdames — ik smeek u, vrienden. Uw applaus is niet voor mij. Het behoort toe aan een man die stervende is . . .”

Daarna vertelde zij hoe Braille haar zijn methode had bijge­bracht om boeken en muziek te lezen. “Hij heeft niet alleen de blinden het gezicht gegeven, maar hij heeft hun ook muziek ge­geven om bij te schreien,” zei ze, terwijl de tranen haar over de wangen liepen. Dat zijn systeem niet algemeen werd aanvaard was een kwestie van jaloezie, voornamelijk van de kant van die­genen die een contract hadden voor het vervaardigen van reliëfboeken voor de blinden, voegde ze eraan toe.

Toen de Franse pers hiervan melding maakte, begonnen de hoofden van het instituut voor de verontwaardiging van het publiek te zwichten. De vrienden van Braille kwamen aan zijn ziekbed om hem te vertellen wat er was gebeurd. “Dit is de derde keer in mijn leven dat ik mijzelf toesta te huilen,” zei hij. “De eerste keer was toen ik blind werd. De tweede keer toen ik over het ‘nachtschrij­ven’ hoorde. En nu huil ik omdat ik niet voor niets heb geleefd.”

Hij stierf enkele dagen later.

Braille’s systeem werd zozeer een onderdeel van het blindenonderricht dat de naam van de uitvinder zelfs in 1895 in de meeste standaardwoordenboeken nog als een gewoon zelfstandig naam­woord werd gespeld om een systeem aan te duiden. Het is nu zelfs aangepast aan het Chinees en elke maand* verschijnen er over de gehele wereld verschillende tijdschriften in braille, o.a. van de Amerikaanse, Duitse, Japanse, Spaanse en Zweedse edities van de Reader’s Digest; artikelen uit Het Beste worden maandelijks door de Nederlandse Blindenbibliotheek in braille gepubliceerd.

Voor de zadelmakerij in Coupvray staat een welsprekend borst­beeld dat ter ere van Louis Braille werd opgericht. De meeste borstbeelden hebben een nietsziende blik. Maar dit heeft de barmhartige ogen van een Franciscus van Assisi.

*dit verslag is waarschijnlijk uit de jaren 50 van de vorige eeuw.

.

8e klas vertelstof: alle biografieën

Vertelstof: alle artikelen

8e klas: alle artikelen

Algemene menskunde: leeftijd 14 – 21 jaar

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

855-787

VRIJESCHOOL – 2e klas – vertelstof – legenden (3-15)

.
Verteltijd ca. 20 min.

DE KAMELEN VAN DE HEILIGE FRONTO
.

Dit is een Egyptisch verhaal.

Midden in een grote, gele zee van zand lag een klein, groen eilandje, een oase. Overal elders brandde de zon op het zand, en op de rotsen en op de laagvlakten, en de kale heuvels tegen het westen. Maar hier was er schaduw onder de palmen, en een bron met koel, helder water. Het leek op een klein paradijsje, maar toch waren de mensen die daar woonden, verre van gelukkig. Want er heerste misnoegdheid en ontevredenheid, en er werd gemurmureerd en gemord. En toch wilden juist deze mensen leven als heilige kluizenaars, een leven leiden van goedheid en gehele zelfopoffe­ring. Doch het is moeilijk goed te zijn, wanneer men bijna sterft van honger. Zeventig van hen leefden in dit eenzame kamp te midden van de woestijn, zeventig hongerige monniken, die dagen achtereen niet anders gehad hadden dan enkele olijven om zich mee te voeden. En zij gaven één onder hen de gehele schuld van dit hun leven vol ont­beringen. Het was Fronto, die hen overgehaald had, hun heerlijk kloos­ter te Nitria te verlaten, waar de overige broeders nog altijd in vrede en overvloed leefden. Het was Fronto, die hen gevoerd had naar deze ellendige woestijn, om daar in eenzaamheid God te dienen, zo­als de heilige mannen deden in de eerste dagen van het Christendom. Maar Fronto was een heilige, vol moed en vast geloof. Hij had hun voorspeld, dat het hun ook in de woestijn niet zou ontbreken aan het nodige, wanneer zij maar niet bezorgd zouden zijn over zich­zelf, en vertrouwden, en zij hadden hem geloofd. En zo pakte iede­re monnik wat olijven in zijn knapzak en wat tuingereedschap om te spitten en om koren te planten en volgde Fronto naar de woestijn. Na vele dagen reizen vonden zij deze plek, ver naar het oosten heen gelegen, waar geen karavanen hen zouden komen storenwant zij lagen buiten de gewone reisweg. Doch weldra hadden zij hun hele voorraad verbruikt en zagen zij geen kans andere te krijgen. Wat moesten zij doen? En zij vroegen Fronto om raad, maar als enig antwoord verzocht hij hen geduldig te blijven. Doch nadat zij vele dagen achtereen honger geleden hadden, begonnen zij te morren en te spreken van terugkeren. Fronto echter was diep verontwaardigd over dit voorstel. “De Heer zal ons bijstaan,” zei hij. “O, jullie kleingelovigen!” En hij verzocht hen weer aan hun werk te gaan en te trachten hun honger te vergeten. Toen haalden de monniken de koorden van hun pijen wat strakker aan, doch dit hielp helaas al zeer weinig. Nooit hadden zij vroeger zo lang achtereen gevast als nu! Dagelijks werden zij bleker en magerder en hun lange pijen fladderden om hun uitgeteerde ledematen heen. De enke­le dadels, die aan de palmen van hun oase groeiden, waren sinds lang opgegeten en de arme monniken begonnen te kauwen aan de toegeknoopte einden van hun pijkoorden, zichzelf wijs makend dat het brood was. O, hoe verlangden zij naar een stuk hard zwart brood, dat gebruikt werd in het klooster aan gene zijde van de heuvels!
En iedere dag vielen hun wangen meer in en werden zij wanhopiger, tot zij ten laatste op zekere avond allen tezamen, verenigd tot een deerniswaardig, uitgeteerd, bleek troepje naar Fronto gingen, smekend: “Breng ons terug naar Nitria of wij sterven. Wij kunnen het niet langer uithouden!”
En Fronto, bleker en meer uitgeteerd dan de anderen, voor hen staand, maar niettemin met het licht van een groot, mooi vertrouwen in de ogen, zei: “Wacht nog een klein poosje, mijn broeders. Ons is gezegd geen zorgen te maken voor de dag van morgen en niet te vragen: “Wat zullen wij eten en wat zullen we drinken.”
“Wij denken ook slechts aan de dag van heden, niet van morgen,” vielen enkelen hem in de rede. “Wanneer wij vandaag te eten hadden, zouden wij ook niet over morgen bekommerd zijn. Maar wij sterven van honger*”
“Geduld broeders, geduld,” hernam de Heilige, “wanneer wij nu terugkeren, zouden wij tonen geen vertrouwen in Gods woord te hebben. Wacht nog tot morgen: komt er dan geen hulp, dan geef ik u verlof heen te gaan zonder mij. Ik keer niet terug.”

En de monniken gingen heen, morrend en zeer ongelukkig. Toch hadden de woorden van de Heilige enige indruk gemaakt, en zo besloten zij te wachten tot morgen, en ieder strekte zich op zijn vloermat in de kleine cellen, die zij in het zand hadden afgetekend, neer. En met verzuchtingen van honger in hun gebeden gemengd, deden zij hun best om te slapen en hun lange tijd van ontbering te
ver­geten.

Fronto echter kon niet slapen, want hij was zéér bedroefd en te­leurgesteld, omdat zijn broeders hun geloof en vertrouwen verloren hadden, en omdat hij zich zo eenzaam en verlaten voelde, verlaten in deze grote woestijn door de vrienden, die hem juist door hun liefde en vertrouwen hadden moeten helpen. En gedurende de gehele nacht bad hij geknield op zijn vloermat de Heer, zijn belofte te vervullen, en de twijfelende monniken te tonen, hoe klein hun geloof en hoe gering hun vertrouwen geweest was. Onderwijl droomden zijn broeders luid van allerlei spijzen die zij zich in hun ver­beelding zagen toegediend, en het maakte Fronto zéér bedroefd hun zwakke stemmen te horen.

Eindelijk vertoonden zich de eerste bleek-roze stralen aan de hemel. Plotseling rees Fronto, die geknield neerlag met zijn rug naar de deur van zijn cel, overeind. Hoor! wat was dat voor een ge­luid, dat in de frisse morgenlucht tot hem kwam? Het moest wel zeker het getjingel van bellen zijn. En haastig begaf de goede Heilige zich naar buiten, met een glimlach van hoop om zijn bleke lippen en een kleur op zijn ingezonken wangen. Want hij wist, dat zijn gebed verhoord was. En waarlijk! ver in het noordwesten zag hij een zwarte streep, als rupsen over het zand kruipend, in de richting van de oase. Steeds nader kwam, het; en nu kon hij duidelijk zien wat het was, een rij waggelende grote kamelen; terwijl het getjingel van de belletjes, bevestigd aan hun tuig, als een bewijs klonk, dat uitkomst nabij was. Het bellengerinkel had evenwel de andere monniken ook doen ontwaken.

Met een kreet van vreugde kwamen zij uit hun cellen gestort en ren­den de kamelen tegemoet, die nu vlak bij het kamp waren aangekomen. En vallend over hun te lang geworden pijen of door zwakte en uitput­ting neerstortend, waren deze arme monniken als mensen op een zin­kend schip, die de reddingsboot in het zicht krijgen. Sommigen sprongen op en neer van louter vreugde, anderen klapten als kinderen in de handen en bijna allen hadden tranen in de ogen.

Daar waren zeventig kamelen, goedaardige wezens met grote zachte ogen en platte hoeven, die hen over het zachte zand droegen alsof het sneeuwschoenen waren. Grote pakken, die een rijke inhoud be­loofden, droegen zij op de rug; regelrecht gingen zij op de cel van Fronto af, waarvoor zij stilhielden. En hoe welkom werden zij daar ontvangen! De monniken sloegen de armen om de halzen van de die­ren, toen zij neerknielden in het zand, en kusten hen op de kop alsof zij lang verloren broeders terugzagen. Fronto evenwel zocht naar hun eigenaar, naar de man, die hen geleid had; doch hij vond niemand bij hen.  Geheel alleen, zonder gids, hadden zij de weg ge­vonden door de woestijn. Een groot licht van vreugde straalde op Fronto’s gelaat.

De Heer heeft hen gezonden, “zei hij. En de monniken bogen de hoof­den, diep beschaamd over hun twijfel.

Hoe hongerig zij ook waren, verzorgden de monniken toch eerst de vermoeide dieren, die van zo ver gekomen waren om hen te redden. Enige namen de zware lasten van hen af, wasten zacht en voor­zichtig hun gloeiende, vermoeide poten, en gaven hun fris water uit de bron te drinken. Weer anderen plukten van het malse, groe­ne gras van de oase voor hun uitgehongerde lotgenoten, en knoop­ten de bossen hooi los, die enkele kamelen hadden meegebracht, om een bed van te maken voor de uitgeputte dieren, waarna zij allen te samen vlug een soort van hok bouwden voor de zeventig kamelen in de schaduw van de palmbomen. En daar lieten zij de geduldige schepsels uitrusten en kalm hun voedsel herkauwen met het verkwik­kend gevoel, dat de lange, gloeiend-hete afmattende reis nu vol­bracht was.

Hierna begaven de broeders zich naar Fronto, om nu eindelijk hun eigen ontbijt gezamenlijk te nuttigen, en zij vonden hem verdiept in het lezen van een brief, die hij onder het zadel van de voor­ste kameel gevonden had. Het was een brief uit Alexandrië, die de reden van de zending der kamelen verklaarde.
Vier nachten vóór deze namelijk lag een zekere Glaucus, een rijk koopman uit Alexandrië in zijn zomerverblijf uitgestrekt op zijn rustbank. Juist had hij zijn avondeten gebruikt, bestaand uit de meest uitgezochte spijzen, en voelde hij zich volkomen gelukkig, toen hem opeens de zeventig monniken in de gedachte kwamen, die vóór enige tijd uit Nitria vertrokken waren om met de hulp, die de Heer hen zenden zou, in de woestijn te gaan leven. En hij voelde iets als een dolksteek in het hart; misschien waren zij wel ster­vend van honger, terwijl hij zelf zich in overvloed baadde. En een vurig verlangen om de mannen aan voedsel te helpen kwam in hem op. Ja, hij zou hun te eten sturen, van alles wat hij zelf gebruikt had zou hij ook hun zenden.

En zo had hij de volgende morgen zeventig kamelen met allerlei proviand laten bepakken, vijf van hen bovendien met bossen stro voor henzelf. En hij bracht ze tot de rand van de woestenij, en zond deze schepen van de woestijn geheel zonder drijver of gids de grote zandzee in, aan henzelf overlatend de goede haven te vinden. Hij was voor zichzelf overtuigd, dat de Heer hen veilig naar de monniken zou leiden. Dit was het slot van de brief.
En zo was het gebeurd. En wat lieten de arme, uitgehongerde monniken zich hun ontbijt, bestaande uit allerlei vruchten, als verse vijgen en olijven en dadels, citroenen en sappige druiven en granaatappelen, goed smaken! Ook was er nog brood en olie en noten en heerlijke, goudgele honingraat. Glaucus had in waarheid goed voor hen gezorgd. In een blijde kring gezeten in het zand, genoten zij er volop van. En toen zij verzadigd waren, bezochten zij opnieuw de kamelen, die hun het leven gered hadden, en dankten hen met liefkozingen. De ka­melen schenen hen te begrijpen! Zij zagen hen met hun grote, don­kere ogen vriendelijk aan en dachten, terwijl zij ernstig aan het herkauwen waren: “Ziet gij nu, dat de Heer u niet vergeten, noch verlaten heeft. Wij zijn maar onnozele stomme dieren, maar toch zijn wij dwars de woestijn door tot jullie gekomen zonder enige vrees en zonder een ogenblik af te dwalen, omdat wij geloofden en vertrouwden. Waarom vertrouwden ook jullie niet net zo?” En opnieuw waren de monniken diep beschaamd en zij vroegen Fronto vergiffenis voor hun kleingelovigheid en zwakheid.

De volgenden morgen tuigden zij de kamelen dadelijk weer op voor de terugreis naar Alexandrië, want zij begrepen, dat Glaucus zeer verlangde te weten, of zijn dieren hun zending goed volbracht hadden. De helft van de proviand gaven zij weer mee, want voor hun sobere maaltijden hielden zij genoeg over voor een geheel  jaar. Met tranen in de ogen zonden de monniken hun vrienden, de kamelen, weer de woestijn in, doch in het vaste vertrouwen, dat zij de terugweg even­goed zouden vinden en veilig en behouden in Alexandrië zouden aan­komen. En ieder in de deur van zijn cel staand, zagen zij hen lang­zaam over het gele zand wegtrekken, tot de kamelen ten laatste helemaal verdwenen achter de heuvelen, die als grote golven verrezen tussen hen en de wereld der steden.

Acht dagen waren er nu verlopen sedert Glaucus zijn kamelen had uitgezonden, en nog had hij niets van hen vernomen, zodat hij on­gerust begon te worden. Zeventig kamelen zijn een kostbaar bezit! zelfs voor een rijk koopman, en hij zou hen niet gaarne verloren hebben. Reeds vreesde Glaucus, dat hij dwaas en onverantwoordelijk gehandeld had; er waren toch vele rovers in de woestijn, en er was niemand om deze onbeheerde karavaan te beschermen. Zou de Heer ge­nadiglijk de zorg op zich nemen voor dingen, die geheel en al aan Hem werden overgelaten?

Stil en in sombere gedachten verdiept zat Glaucus in zijn tuin te midden van de zijnen. En ook zij meenden, dat hij te onbezonnen en al te overijld gehandeld had; doch zij durfden hem dit niet te zeggen,
uit vrees van hem nog ongelukkiger te maken. De aanvoerder der kamelen was de lievelingskameel van Glaucus’ dochter Emilia. Diep bedroefd zat zij in een verborgen hoek van de tuin, terwijl ze huilde over haar lieve kameel Humpo, die zij dacht nooit meer te zullen zien, toen zij plotseling, evenals dit bij Fronto gebeurd was, het gerinkel van bellen hoorde. En opspringend liep zij snel de grote weg op.
“Wat is er, Emilia, mijn kind? riep haar vader haar toe, door haar plotselinge beweging uit zijn overpeinzingen opgeschrikt. “0, Vader, Vader!” riep zij hem toe, “ik geloof, dat ik tussen de bergen het gerinkel hoor van kameelbellen!
En zo was het ook, want toen allen zich uit de tuin spoedden naar de weg, hoorde men duidelijk het getjingel nader en nader komen. Weldra kwam de lange rij van zeventig kamelen, met Humpo aan het hoofd, in het gezicht, de helft beladen met het proviand, dat de onzelfzuchtige monniken zich niet hadden willen toe-eigenen. En nauwelijks had Emilia haar armen om de nek van haar geliefde Humpo geslagen en hem enige lieve woordjes in zijn slappe oren gefluisterd, of hij knielde voor haar neer, terwijl hij haar vol tederheid met zijn grote, bruine ogen aankeek.

Nu was Glaucus overtuigd, dat de Heer welgevallen aan hem had gehad, en hem geholpen had zijn plicht te doen. En elk jaar opnieuw zond hij zijn zeventig kamelen geheel alleen, zonder leider, de woestijn in, naar de ver afgelegen oase, en werden de kamelen de meest ge­liefde vrienden van Sint-Fronto en zijn monniken.

.

2e klas vertelstofalle artikelen

Vertelstofalle artikelen

2e klasalle artikelen

Vrijeschool in beeld2e kla

.

854-786

.

VRIJESCHOOL – Menskundige achtergronden: zintuigen

.

Dit is een globaal overzicht. Hier en daar werden opmerkingen gemaakt over ‘rekenen’.
.

DE ZINTUIGEN: POORTEN NAAR DE WERELD
.

Men kan geen didactische principes formuleren, indien niet ingegaan wordt op de manier waarop het kind in relatie staat tot de wereld rondom. Nu wordt er gewoonlijk uitgegaan van de 5 bekende zintuigen. Dr. Steiner zag echter de zintuigen als een compositie van WILLEN, VOELEN en DENKEN, en ontwikkelde daaruit een zintuigleer die als volgt geschetst zou kunnen worden:

III Zintuigen die de relatie           12 IK-zin                     DENKEN
leggen naar de wereld                11 gedachtezin
van het geestelijke                      10 woordzin
wereld                                           9 gehoorzin

II Zintuigen die de relatie          8 warmtezin             VOELEN
leggen naar de zichtbare           7  gezichtszin
wereld                                        6  reukzin
5  smaakzin

I Zintuigen die de relatie           4 evenwichtszin       WILLEN
naar het eigen lichaam              3 bewegingszin
leggen                                       2  levenszin
                                                  1  tastzin

(Daar men kan spreken van ‘lagere’ (I) en ‘hogere’ zintuigen en staat de tastzin als laagste in de rij die doorloopt tot het ‘hoogste’ zintuig: de IK-zin.)

1. De tastzin

Naast hetgeen men zich doorgaans bij de tastzin voorstelt, gaat dr.  Steiner met recht ‘dieper’ op de tastfunctie in: Als we een voorwerp betasten nemen we niet in de eerste plaats dat voorwerp waar, maar de verandering die dat in onszelf teweeg brengt: door te tasten beleven we de begrenzing van ons eigen lichaam. Voor het kleine kind, levend vanuit de wilsimpuls, geeft de tastzin de mogelijkheid tot een wilsmatige IK-beleving. Het is dan van groot belang, waaraan je jezelf ervaart. Is dat hard, zacht, warm, kil, mooi of lelijk.
Daarom wordt het materiaal in de kleuterklas, maar ook in de hogere klassen, met zorg uitgezocht. Voor het kind moet die vroege IK-beleving iets zijn waarin het zich met grote sympathie begeeft. Allereerst wordt daarom gebruik gemaakt van natuurlijk materiaal voor poppen en speelgoed: echte wol, hout, maar ook het zand dat tussen je vingers glijdt, of de zachte bijenwas die je kneedt, dient dat doel.

Het heeft ook zin het rekenmateriaal aan dit doel ondergeschikt te maken. Daarbij moet m.i. echter de praktische bruikbaarheid van het materiaal dat men de kinderen in handen geeft niet over het hoofd gezien worden. Ik zou het af raden om eerst-klassers met te kleine voorwerpjes, zoals bijvoorbeeld maïskorreltjes o.i.d. te laten werken. Hoe makkelijk valt zo’n korrel op de grond en dan rekent het kind opeens met nog maar 9 dingen in plaats van met 10. Daarbij moet er rekening gehouden worden met het feit dat de motoriek van kinderen nog maar weinig ontwikkeld is. Wie herinnert zich niet de jeukende vingers die je krijgt van het priegelen met kleine dingetjes waarop je net geen greep hebt?

Een mooie oplossing om goed tastbaar materiaal te maken voor een klas, zag ik in een school, waar een ouder van berkentakken met de cirkelzaag plakjes zaagde ter grootte van damstenen. Dat gaat razend snel en als je ze vernist, heb je  prachtig materiaal, dat ook niet bederven kan, zoals met onze oude vertrouwde kastanjes zo vaak gebeurt.

In het tasten grijpt het kind zich een weg naar de wereld. Niet voor niets ligt er een relatie tussen grijpen en be-grijpen. In het feit dat kinderen tegenwoordig onvoldoende spelend en tastend de stoffelijke wereld ‘gegrepen’ hebben, zou wel eens een oorzaak kunnen liggen voor leerproblemen die ook in het rekenen optreden.

2. De levenszin

Door dit zintuig wordt de mens gewaar hoe hij zich voelt: men ervaart behagelijkheid, lichamelijk ongenoegen, pijn. Evenzeer als de tastzin de basis legt voor het ’t tastend’ sociaal functioneren, zo oefent het kind zich door de levenszinervaringen, in het waarnemen van de processen die zich in hem voltrekken. Het zal de volwassene later in staat stellen ook innerlijke processen bij de ander waar te nemen; niet alleen lichamelijk gericht, maar ook processen als het denken, de gedachtegang van de ander (en zichzelf) waar te nemen. De school heeft hierin vooral de taak het kind in deze zintuigsfeer positieve gevoelens te laten ervaren. Geborgenheid, veiligheid stimuleren de levenszin op positieve wijze.

In het onderwijs moet voorkomen worden dat de levenszin negatieve ervaringen overbrengt. Die kunnen bijvoorbeeld opgeroepen worden door onvoldoende tegemoet te komen aan de natuurlijke behoeftes van de kinderen wat betreft spelen en spelend verkennen. Juist in deze onbewuste wereld van de wilszintuigen worden makkelijk blokkades gelegd die later moeilijk meer te traceren zijn. Begint het kind te vroeg abstract te rekenen en voelt het zich daardoor uit zijn speelwereld verdreven, dan kunnen zo de rekenproblemen voor later gelegd worden.

3.De bewegingszin

Met dit zintuig neemt men de eigen beweging waar. Niet alleen de bewegingen als lopen en grijpen, maar ook de kleine genuanceerde bewegingen die o.a. met het beleven van vorm te maken hebben. Dit zintuig wordt op velerlei wijzen aangesproken. Allereerst in de naïeve sfeer van spelen en bewegen. Een spelend kind, in de zandbak bijvoorbeeld, pakt, grijpt met zijn handen, maar kan daarbij al zingend, het bovenlichaam ritmisch bewegen. Het zingen maakt duidelijk hoe ‘lekker’ het kind zich voelt: het kind gaat helemaal op in tastzin, bewegingszin en levenszin. Door alle klassen heen wordt de bewegingszin bewust aangesproken in allerlei ritmische oefeningen als ondersteuning van de hoofdvakken, in spelletjes bij alle vakgebieden, maar zeker ook bij het handwerken, de gymnastiek en – op puur kunstzinnige wijze – in de euritmie. De relatie tussen ervaringen in het bewegingsgebied en de bewegelijkheid in het (latere) denken, in betrekking tot b.v. het leren lezen, maar ook in relatie tot het rekenen wordt steeds meer onderkend.

Wellicht moet bij het ritmische aspect van de rekendidactiek eens overwogen worden hoe en wanneer je nu expliciet de bewegingszin en het ritmisch aspect aanspreekt. Mijns inziens zijn er twee in­valshoeken.

De ene is die, waarbij je ervan uitgaat dat het ritme en de be­weging als vanzelfsprekend structurerend functioneren. In zuiver­ste vorm beleef je dat in de structuur die innerlijk gegeven wordt aan b.v. het monotone druppelen van water. We horen die identieke tikken toch al gauw als: tik – tok; tik – tok ….
Daarvan maak je gebruik wanneer je de kinderen de rijen van 2 of drie laat lopen in de eerste klas. Beweging en ritme komen dan nog van binnen uit.

De  andere  mogelijkheid  is, dat er een beweging aangeleerd wordt bij een bepaalde structurering. Bijvoorbeeld in een oefening als: 1 2  3  4;  1 2 3 4;  1 2 3 4; 1 2 3 4,  waarbij het verschuivende accent in klap of stap moet worden weergegeven.

Daarbij gaat het erom dat een bepaald inzicht in de structurering van de getallenwereld in een bewegingsvorm wordt omgezet. Maar nu is het ’t denken dat de structuur aanbrengt.

Onvermeld mag ook niet blijven, dat met goed bedoelde bewegings­vormen, vaak juist het tegenovergestelde bereikt wordt: het geven van een hoofdrekenopgave aan een kind, dat onmiddellijk moet antwoorden bij het vangen van een pittenzakje of bal, kan bij een melancholisch kind absoluut blokkerend werken: door het zakje dat je ‘hem in zijn maag splitst’ wordt het denken ten enen male onmogelijk. Wanneer op zo’n manier de bewegingszin geweld wordt aangedaan, kan het effect net zo negatief zijn, als wanneer bijvoorbeeld de gezichtszin wordt belast en alleen nog maar sterretjes ziet. Met andere woorden: bewegen hoeft niet altijd goed te zijn!

4.De evenwichtszin

Door de evenwichtszin ervaart de mens dat hij vrij in de wereld staat. Ook aan dit zintuig doet dit kind zijn zeer vroege ervaringen op. Het proces van: liggen – oprichten – zitten – staan – lopen, is een en al oefening van de evenwichtszin. Het ‘in evenwicht zijn’ heeft een relatie met het zich evenwichtig voelen, zich op zijn gemak voelen. Het geeft het kind later de mogelijkheid zich op een bepaald gebied van het leven bijzonder op zijn gemak te voelen. Verder is de relatie met het horen voor de hand liggend, niet alleen door de situering van het evenwichtsorgaan in het binnenoor, maar ook door datgene wat we kennen als: gespitst luisteren, de luisterende aandacht richten. Een dergelijke luisterhouding is steeds verbonden met een bijzondere beleving van het eigen evenwicht: men gaat recht zitten of staan, heft het hoofd, zoekt een evenwichtige luisterhouding.

Wanneer de evenwichtszin geweld wordt aangedaan, dan lijdt dat tot sterke lichamelijke reacties, zoals bij zeeziekte. Bij b.v. bal­letdansers of kunstrijdsters op de schaats blijkt dat e.e.a. sterk verbonden is met de oriëntatie in de ruimte. Heb je bij het draaien van een pirouette geen vast blikpunt, dan verlies je je gevoel voor evenwicht; daarom moet je daarvoor een bepaalde kijk-techniek aanleren. Met andere woorden, de evenwichtszin heeft te maken met het overzicht dat je op de omgeving hebt. Natuurlijk wordt de evenwichtszin direct aangesproken bij bij­v. het lopen van een vorm [en is het af te raden om een klas wankelend van 100 – 0, achteruit lopend te laten tellen!], maar op subtielere wijze wordt dit zintuig ook betrokken in de oriëntatie die men het kind geeft op de wereld van het rekenen. Verricht het kind daar handelingen (moet het die soms zelfs lopend uitdrukken) waarbij het de oriëntatie op een bekende horizon mist, dan ontstaat onzekerheid en ‘onwel bevinden’.

In de rekendidactiek zouden we met name moeten zoeken naar vormen die de overgang van het beeldrijke introduceren van leerstof, naar het abstractere verwerken meer verbindt. Veronachtzaam je dat, dan komt de aanbieding van de leerstof los te staan van de verwerking. Dat kinderen dan een afkeer van rekenen ontwikkelen ligt dan voor de hand.

5.De reuk

Dit is een van de bekende zintuigen. In het geheel van dr. Steiners zintuigleer is de reuk op te vatten als een meer persoonlijke manier van tasten. Al tastend distantieert de mens zich van de wereld, in het ruiken wordt de wereld dichterbij gehaald en vraagt daarin om een persoonlijk oordeel. Hoe bijzonder de mens – ook religieus – met de reuk verbonden is, merkt men aan b.v. reukoffers, of het wierook branden bij godsdienstige plechtigheden. Ook ons spraak­gebruik kent nog: In een slechte reuk staan, daar zit een luchtje aan of, een ‘geur van heiligheid’. In de dualiteit van het ‘aangename’ en het ‘onaangename’ ligt de grondslag voor het omgaan met moraliteit.

6.De smaakzin

Het proeven is nog persoonlijker dan het ruiken. Het ruiken kunnen we niet uit de weg gaan, maar proeven is een eigen, bewuste daad. In de grondhouding van het proeven wordt datgene aangelegd wat te maken heeft met ‘goede smaak’. Alles wat men de kinderen bijbrengt aan eetcultuur is een gebaar dat verbonden is met het oordeelsvermogen, met smaak en ethiek. In onze taal kennen we het bijzondere woord ‘opvoeden’ waarin – veel meer dan in het Duitse ‘erziehen’ of het Engelse ‘to educate’  – de relatie ligt naar het gebied van de smaak, naar een genuanceerd leren beleven van de wereld.

Voor alle  ‘gevoelszintuigen’ geldt dat we daarmee een ingang heb­ben bij het kind, via de wegen die in de ontwikkelingsfase tussen het 7e en 14e jaar door het kind zelf onderzocht en ontdekt wor­den. Wat betreft de reuk en de smaak komen we dan in het gebied, waarin zin en tegenzin, genieten en afschuw leven. Hierbij ligt de verbinding met het kunstzinnige voor de hand. De reuk is daarbij de subtielste van de twee. In overdrachtelijke zin spreek je daarmee in het onderwijs datgene aan wat te maken heeft met de vraag of iets ten diepste waar is of niet.
Voor het rekenen ligt die waarheid in de verbinding met de kosmische waarheid van het rekenen, die voor ons zichtbaar wordt in de alomvattende structuur van de rekenwereld.

Het morele aspect van het rekenen wordt natuurlijk gevoed door bijvoorbeeld het feit dat in de rekenopgave 8 = .. + .., niet naar de rekenaar toegerekend wordt, maar er juist ‘verdeeld’ wordt. Maar een laag dieper ligt het gebied waarin het kind wil beleven dat de leraar zelf de waarheid van het rekenen doorgrondt heeft en zelf de schoonheid van die absolute wereld beleefd heeft. Niet voor niets wil Bindel [1] de leraar opvoeden door in hoofdzaak in zijn boeken op die inhoudelijke kant in te gaan. Het gevaar is natuurlijk, dat de verbinding met de didactische realiteit verlo­ren wordt. Maar de didactiek wordt ook vleugellam als het fundament van de innerlijke verbinding niet gelegd wordt; als het kind niet ervaart dat de leraar een ‘neus’ voor het rekenen heeft.

De smaakzin, de goede smaak, wil in het rekenen gestreeld worden door o.a. datgene wat te maken heeft met de kunstzinnige verwer­king van de rekenleerstof. Dat heeft dus niets te maken met ver­sierinkjes om de rijtjessommen, of nog erger, met het vagelijk krassen van wat kleur dóór het rekenwerk. De smaakzin laat zich strelen door opgaven waarin de schoonheid van het rekenen tot zijn recht komt. Bekend zijn natuurlijk de ‘rekensterren‘ die ontstaan als de diverse getallenrijen zich door de 10- of 12-cirkel bewe­gen. Maar ook alle relaties die binnen het honderdveld zichtbaar gemaakt kunnen worden, of de bewegingen langs de getallenlijn kunnen dit zintuig aanspreken. Vooral in de lagere klassen ligt de opgave voor de didactiek in het zoeken van mogelijkheden om die schoonheid op papier tot leven te laten komen.

7. De gezichtszin

Door het oog komt de wereld als beeld in de mens. We ervoeren in de eerste zes zintuigen onszelf t.o.v. de wereld. Door het zien, zijn we in staat uit onszelf te komen: we richten de blik op iets wat buiten ons is. Het zien leert de mens daarbij de zielenhouding vinden die omschreven kan worden als ‘beeldend denken’. Ons praktische denken is geschoold door onze oogervaringen. In de school is het ‘zien’ en de mogelijkheid tot beeldend denken, de belangrijkste sfeer waarin we het kind aanspreken. Zelfs in de dingen die we tot het kind zeggen in verhaal, beschrijving of explicatie doen we steeds een beroep op het beeldend vermogen van het kind. Door het kijken krijgt de wereld om ons heen stemming en kleur, vorm en zin. Door het beeldend vermogen kan het kind stemming en kleur geven aan alles wat anders dode leerstof zou zijn.

Door de lespraktijk van de vrijescholen, lijkt het vaak of ons onderwijs in de eerste plaats auditief georiënteerd is: we ver­tellen verhalen, we leggen mondeling uit (als dat al zou moeten), we leren in het bewegingsonderwijs de dingen aan vanuit de mondelinge ondersteuning.

Maar al te vaak zie je echter kinderen die veel meer visueel in­gesteld zijn. Het zijn de kinderen die het rekenen toch zichtbaar moeten maken. Is het vreemd dat die kinderen, als we voortdurend en dwingend aan hun gehoor appelleren (pittenzakje in je maag splitsen) toch stiekem op hun vingers blijven vertrouwen? Wat dat betreft zouden we moeten proberen een zinvolle synthese te laten ontstaan tussen de visuele aanpak die het realistisch reke­nen heeft ontwikkeld en de vrijeschoolmethodiek. Wat eerder ge­zegd is over de evenwichtszin m.b.t. het hebben van een oriëntatiepunt, is in dit verband ook van belang.

8.De warmtezin

Niet alleen doet ons dit zintuig warmte en koude ervaren, het is met recht een zielenzintuig waarmee we onze persoonlijke relatie tot de dingen in de wereld beleven. Sympathie en antipathie komen voort uit de directe sfeer van de warmtezin. Vooral waar het de sociale opvoeding betreft is dit gebied van belang: het wekt krachten in de mens waardoor hij zich met bepaalde dingen kan verbinden of zich er juist van kan afwenden. Ook hier ligt voor de school een belangrijk aanknopingspunt. Niet alleen geeft de leerkracht de kinderen beeldend onderwijs, maar in alles wat daarin verbeeld wordt spreekt men direct sympathie en antipathie aan. Niet als oordeel, maar als mogelijkheid het kind zelf persoonlijk bij de dingen te betrekken. Veelal zal men datgene dat men het kind voorhoudt zo veel mogelijk van verschillende kanten belichten, waardoor het leert op genuanceerde wijze de wereld tegemoet te treden.

9. De gehoorzin

Dit zintuig is het eerste dat behoort tot het ‘hogere’ gebied van het denken, van het geestelijke leven. Natuurlijk kan het kleine kind ook al horen, maar de luisterende aandacht, waarmee men echt toehoort, leert het kind pas in de puberteit ontwikkelen. Hoe dit zintuig zich ontwikkelt, beleeft men als men ziet hoe kleine kinderen b.v. bij een concert maar heel kort geconcentreerd kunnen blijven, terwijl een volwassene “één en al oor” is. Het horen is tevens een sociaal zintuig, het schept de relatie naar de andere, door middel van de taal. In de basisschool kan dit zintuig nog niet puur aangesproken worden: het doceren is daar ook nog niet op zijn plaats; zoals reeds eerder aangevoerd werd moet, in hetgeen het kind hoort op de eerste plaats het beeldende aangesproken worden. Een bijzonder gebied dat via het gehoor wordt aangesproken is het muzikale horen. Vooral in het zelf zingen en het luisteren naar het samen zingen wordt het gehoor geschoold. Daarin wordt men dan een van de bijzondere verschijnselen van deze groep zintuigen gewaar: wanneer hetgeen men hoort zich losmaakt van het concrete geluid, maar juist het ‘ongehoorde’ een rol gaat spelen, zoals bijvoorbeeld bij het samenklinken van tonen, in de meerstemmigheid, dan verdiept de beleving zich zeer sterk.

10.De woordzin

Door dit zintuig kunnen we afzonderlijke klanken ervaren als woorden, als dragers van begrippen. Het is geen zintuig­functie die een gegevenheid in zichzelf is, maar ze ontstaat door de opvoeding en wordt door het kind in zichzelf vrijgemaakt op grond van de eerdere zintuigervaringen. Met name het leren lezen is sterk verbonden met dit zintuig. Zou men het leren lezen losmaken van het beeldend beleven van de wereld, dan moest het kind veel te vroeg een beroep doen op dit woordzintuig en zouden de begrippen die het kind met de klanken verbindt hol en leeg zijn. In het aanvankelijk leesonderwijs, wordt geprobeerd juist dit gebied nog niet rechtstreeks aan te spreken.

11.De gedachtezin
Door dit zintuig is de mens in staat, hetgeen hij in het gesprokene (geschrevene) hoort, nog dieper dan door het voorgaande zintuig te beleven. Nu worden de afzonderlijke begrippen samengevoegd tot een logische gedachtegang. Ook dit zintuig doet zich daarin kennen als een sociaal gericht zintuig: we ontmoeten daardoor de ander in hetgeen hij denkt en spreekt. Die ontmoeting kan alleen dan volwaardig zijn, als men ook een waarde toekennen kan aan hetgeen men gehoord heeft. Bij de zintuigen die een verbinding hebben met het gebied van het willen en het voelen werd reeds uiteengezet dat door deze zintuigen in de eerste plaats concreet de KWALITEIT van de dingen ervaren wordt. Spreekt men de gedachtezin te vroeg aan dan maken we daardoor de dingen die we aan de kinderen duidelijk willen maken los van de totale beleving van de wereld; we laten het kind gedachten en ideeën consumeren, zonder dat het kind daaraan het eigen oordeelsvermogen schoolt.

12.De  IK-zin

Door dit zintuig zijn we – door de metamorfose van alle eerdere zintuigervaringen heen – in staat ook de persoonlijkheid van de ander te leren kennen uit hetgeen we horen, zien, bemerken van de ander. Daarbij gaat het niet meer alleen om het beeld dat we zien, de klanken, de woorden of gedachtegang die we horen, nu worden we geconfronteerd met zijn persoonlijkheid, met zijn IK. Dit zintuig is de basis van de mensenkennis en het hele gebied van de levenservaring. Het wordt gewekt in het kind door alle andere zintuigervaringen, waaraan de opvoeder aanvankelijk de kwaliteiten die het kind later zelf moet leren ervaren, nog vertellend, beeldend zal toevoegen. De Ik-zin wordt echter ook in hoge mate ontwikkeld door het feit dat het kind merkt dat de opvoeder zelf in staat is in hetgeen hij ziet, hoort, merkt van het kind, zich een beeld te vormen van de (zich ontwikkelende) persoonlijkheid van het kind. Het legt in hoge mate verantwoording bij de opvoeder en leerkracht zich niet te verliezen in oppervlakkige oordelen, maar werkelijk luisterend, kijkend, zich een objectief beeld van het kind te vormen.

DE ZINTUIGEN ALS ONTWIKKELINGSGEGEVEN

Uit het voorgaande moge duidelijk geworden zijn, dat de
vrijeschoolpedagogiek ervan uitgaat, dat de ervaringen die het kind door de zintuigen in de wereld opdoet, niet zomaar registraties zijn van zijn omgeving. Door de opvoeding leren de kinderen hun zintuigervaringen een plaats te geven in hun belevingswereld. Dit leerproces is niet te “programmeren”: wat het kind zich daarin eigen maakt is zijn persoonlijke verworvenheid, zijn eigen daad. De opvoeder of leraar is slechts in staat een veelheid aan zintuigervaringen, overeenkomstig de ontwikkelingsfase van het kind, aan te bieden. Die zintuigervaringen dienen zeker gestructureerd en methodisch opgebouwd te zijn waar het de school betreft; de verwerking van dat alles is een zielenproces dat het kind zelf tot stand brengt. De leerkracht kan daarin niet rechtstreeks ingrijpen. Het is slechts mogelijk bij een ontwikkeling die naar het oordeel van de leerkracht of eventuele hulpverleners te eenzijdig of onvolledig is, andere, genuanceerder zintuigindrukken aan het kind te geven. De ervaring die in de vrijeschool is opgedaan met deze remediërende aanpak, leert, dat het steeds mogelijk blijft bij de eerste WILS-zintuigen aan te sluiten, ook al is het kind in zijn ontwikkeling al aan die fase ontgroeid.

Vaak blijkt dat leerproblemen ontstaan zijn doordat juist het gebied van het denken (gehoors-, woord-, gedachte-, en Ik-zin), geïsoleerd aangesproken is. Deze vier ‘hogere’ zintuigen die bij het leerproces verbonden zijn met het ‘kennen’, zijn niet vanzelfsprekend aanwezig, maar ontwikkelen zich als een metamorfose van de lager gelegen zintuiggebieden.

Schematisch kan dit verband als volgt geschetst worden:

Ik – zin

gedachtezin                                                   Door de WILS- en
                                                                      GEVOELSzintuigen
woordzin                                                       kan het kind zijn
                                                                      ervaringen omvormen
gehoor                                                           tot kennis

warmtezin
                                                                    het kind leert de wereld
gezichstzin                                                  en zijn relatie tot de
                                                                    wereld kennen
smaak

reuk

evenwichtszin
                                                                    het kind leert
                                                                    zichzelf kennen
bewegingszin

levenszin

tastzin

.

[1] Bindel

Dit artikel verscheen ongeveer in deze vorm in het boek ‘Rekenen in beweging’ – 1e druk
Dit werk is uitverkocht en wordt niet meer herdrukt.
Met toestemming van de uitgever staat het integraal op deze blog.

Zintuigen: alle artikelen (onder nr.9)

Algemene menskunde: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

853-785

VRIJESCHOOL – Ritme (3-1-3)

.

Walther Bühler, Weledaberichten nr.122, dec 1980
.

DE BETEKENIS VAN RITMISCHE VORMGEVING AAN HET LEVEN
.

Bijna alle cultuurvolken van de Oudheid bezaten reeds een eigen kalender. Dit bewijst, dat de mens niet alleen in de ruimte en de tijd leeft, zoals alle andere wezens, maar een bewustzijn van de tijd heeft en de behoefte voelt om daaraan vorm en ordening te geven. De maatstaf daarvoor vindt hij in de grote, ons totale leven doortrekkende kosmische ritmen, in ’t bijzonder van de loop van de dag, de periodiciteit van de maan en van de jaarlijkse zonnebaan.
Ontkiemen, bloeien en vruchtvorming in de plantenwereld openbaren op allerlei manieren, hoe het leven op aarde zijn oorsprong heeft in deze ritmen en zijn voortbestaan ervan afhankelijk is.
De hogere dierenwereld en de mens hebben veel ritmische processen losgemaakt van de kosmos, bijv. in de polsslag. Aan dit feit bovenal hebben zij hun eigen vrije beweeglijkheid en zelfstandigheid te danken. Een derde vorm van levensritmiek ontstaat uit het maatschappelijke en sociale leven van de mensen. Want eet- en slaappauzes, werk- en vrije tijd, maatschappelijk en reisverkeer hebben een bewuste regeling nodig, die zonder ritmisch zich herhalende geledingen ondenkbaar is. Hiervoor heeft de mens door middel van de kalender en de chronometer twee onmisbare instrumenten gemaakt.

Een gezonde ordening van het menselijk leven heeft tot uitgangspunt, dat alle drie ritmische gebieden, de aards-kosmische ritmiek van de omringende wereld, de ritmiek van de organen in de mens en de elementen van de tijd die het maatschappelijke leven begeleiden, in harmonie gebracht en gehouden worden. Dat is geen gemakkelijke taak, maar zij raakt de vrije vormgeving aan het leven van iedere mens afzonderlijk. Hoe bewuster en intenser hij daarin de grondkrachten van het ritme kan opnemen, hoe meer de voorwaarden voor de instandhouding van de lichamelijke en psychische gezondheid worden geschapen.
Aan het menselijke bestaan een ritmische structuur te geven is een sociaal-hygiënische taak van de eerste orde. In het hierna volgende zal met het oog hierop worden geprobeerd enkele gedachten te formuleren over het wezen van het ritme.

Losmaking uit het ritme als voorwaarde voor de vrijheid

Ritme is de voorwaarde voor al het leven en vervangt kracht. Maar juist de hoogste vormen van het leven, ongebondenheid, snel reageren en handelen, willekeur en vrijheid vooronderstellen losmaking uit het ritme. Het losmaken uit het natuurlijke verband ver­eist een doorbreken van de ritmen en de — op zijn minst tijdelijke — opheffing van hun orde scheppende kracht. Het rinkelen van de telefoon of een klop op de deur onderbre­ken in het klein het regelmatige werk zoals dat in het groot voor een ongeluk gebeurt. Want een brand of een ongeval in het verkeer vereisen dat er met tegenwoordigheid van geest snel gehandeld wordt en juist dat handelen valt buiten het kader. De kat die voor een muizengat loert of de urenlang onbeweeglijke kruisspin moeten hun prooi bliksem­snel kunnen pakken. Maar ook in de grote natuur staat tegenover de regelmatige, berekenbare loop van de sterren, die in de Oudheid als de harmonie der sferen werd beleefd, de onberekenbaarheid van lawines en plotselinge weersveranderingen, aardbe­vingen en vulkanische uitbarstingen. En bestaat niet juist de vrijheid van de menselijke individualiteit hierin, dat zij te allen tijde dingen die onvoorspelbaar zijn kan denken of doen of zelfs nieuwe dingen kan uitvinden en maken in een dikwijls unieke toppresta­tie?

De polariteit van gebondenheid aan de natuur en vrijheid

Er is dus in het totale bestaan een gebied, dat zich van het ritme kan en moet losmaken om hogere dierlijke vormen van gedrag en een bewust, willekeurig, psychisch-geestelijk leven van de mens mogelijk te maken. Tegenover deze pool staat een andere, die wij het gebied van de continuïteit kunnen noemen.
Sinds duizenden jaren stroomt de Rijn ononderbroken vanaf zijn bronnen naar de zee. Maar ook in het organisme van de bovenge­noemde dieren gaan heel fijne levensprocessen onophoudelijk verder, onafhankelijk van het feit of zij rusten of zich bewegen, slapen of voedsel opnemen. Ook in ons organisme stroomt het bloed — slechts onderbroken in het hart — onophoudelijk voort. In de haarvaten zelfs zonder polsslag. In alle cellen vinden de meest subtiele stofwisseling­sprocessen voortdurend plaats en worden zuurstof en kooldioxide in de celademing dag en nacht, uur na uur, zelfs seconde na seconde uitgewisseld, onafhankelijk van alle andere regelmatige of onregelmatige processen. Hier hebben wij te maken met de zuiver organische kant van het leven, die zijn fundament in het plantenrijk heeft. Daar hebben deze continuprocessen de overhand. Zij leiden naar de totaal onbewuste biolo­gische diepten van het menselijke organisme en worden door het vegetatieve zenuw­stelsel gecontroleerd en bestuurd. Zij moeten voor het bewustzijn en de willekeur ont­oegankelijk blijven om in een voortdurende, ononderbroken beweeglijkheid een grond­slag te kunnen bieden voor het hogere leven. Wij vinden dus niet alleen in het leven van de natuur maar ook in de mens grote tegenstellingen. Tegenover de pool van de continuïteit, waarin de gebondenheid aan de natuur, de onbewustheid en de opbouw van de organen het overwicht hebben, staat de pool van de discontinuïteit met de mogelijkheid van de bewustheid, de willekeur en de vrijheid.

Ritme als evenwicht

Hoe echter overbrugt de natuur die tegenstellingen, die — elk op zichzelf — elkaar zouden moeten uitsluiten? Door de kunstgreep van het ritme!
Zij laat het tot een regel­matig, maar op zichzelf elastisch wisselend spel van de zo verschillende processen komen en bewerkstelligt op die manier bemiddeling en evenwicht. Elders heeft de schrijver van dit artikel uitvoerig beschreven, hoe ritme zich slechts tussen polaire gegevens en toestanden kan ontwikkelen en het overwicht van één kant of een vernie­tigende botsing verhindert. Daardoor echter ontstaan ondanks de nodige spanningen, evenwicht en harmonie. Voor het organisme betekent dit stabiliteit en gezondheid ondanks de veelheid van uiteen- of elkaar tegenstrevende functies. Dat bereikt pas door het ritme de mogelijkheid om als totaliteit te functioneren.

In de wisselwerking van waken en slapen, het ritme dat het sterkst in ons leven ingrijpt, openbaart de natuur haar geheim. De dingen bewust beleven en overdenken, reageren en handelen worden door de bewustzijnspool van de discontinuïteit bepaald. Deze losmaking uit de regelmaat die aan de natuur gebonden is, gaat echter onvermijdelijk gepaard met fysiologische afbraak die ons vermoeit. De natuur schenkt ons daarom de grote pauze van de slaap en omgeeft ons in a.h.w. paradijselijke diepten met de daar overheersende opbouw- en regeneratieprocessen die de pool van de continuïteit uitma­ken. Het resultaat merken wij als we ’s morgens verkwikt ontwaken.

De driegeleding van de functiegebieden

Bij nader inzien kunnen wij in alle orgaansystemen een dergelijke driegeleding van de functies ontdekken. Het ademhalingsritme dat ieder kent, dat de binnen- met de buiten­wereld verbindt en in de ademwegen van de bronchiën slechts het op en neer, het heen en weer van de in- en uitademing kent, lost zich reeds in de longblaasjes (alveolen) in de continue gasuitwisseling van zuurstof en kooldioxide op. Hier begint de ‘inwendige ademhaling’ die verbonden is met de stroom van het bloed. Vanuit de bewustzijnspool kunnen wij door hoesten, kreunen, lachen of zelfs ademhalingsoefeningen min of meer willekeurig in het ademhalingsritme ingrijpen en dit verlengen, verstoren of onderbre­ken. Op deze mogelijkheid berust zowel het geluid dat de dieren maken als het vermo­gen om te kunnen spreken dat de mens heeft. Maar het alveolare ademhalingsproces van de longblaasjes gaat — voor geen enkele ingreep toegankelijk — onophoudelijk verder.

In het gebied van de stofwisseling nemen wij als voorbeeld de uitscheidingsprocessen. Dag en nacht wordt in de nieren ononderbroken urine geproduceerd. Wij kunnen deze onbewuste functie slechts indirect beïnvloeden door overvloedig te drinken of dit juist niet te doen. In de blaas, die als een ‘stuw’ fungeert en die de tegenpool van de nieren is, wordt deze stroom volledig onderbroken. Dit orgaan wordt toegankelijk voor onze zintuigelijke waarneming en wordt, zodra wij zindelijk zijn geworden, min of meer onre­gelmatig wat betreft de uitscheiding door het bewustzijn beheerst. De bemiddelende rol tussen beide polen is toebedeeld aan de ritmisch geregelde peristaltische beweging van de urineleider. Soortgelijke omstandigheden gelden voor de uitscheidingsfuncties van de darm.

Elke aantasting of verstoring van de ritmische functies verzwakt onze gezondheid. Talloze ziektetoestanden in onze tijd vinden hun oorzaak in ontregelingen van het ritme, ieder kent het gevaar dat door gejakker, overbelasting in het beroep of anderszins, maar ook door onverstand of willekeur de bewustzijnspool de overhand krijgt en zomede het totale organisme teveel wordt afgebroken. Het gevolg is een mens, die lijdt onder stress, nerveus, prikkelbaar en vegetatief-labiel is. Het toppunt van nervositeit is de slapeloosheid, een van de meest verbreide ziekten in onze tijd. Hier wordt wel heel duidelijk hoe sterk wij ontwrichtend ingrijpen in het grondritme van ons leven, dat het totale wisselspel van lichaam en ziel, van onbewust en bewust leven reguleert. De mens als het meest bewuste en vrije wezen van de schepping is aan dit gevaar in hoge mate blootgesteld.

Hij heeft zich voorts door de talloze gevolgen die de wetenschap en de techniek voor het bestaan hebben, het meest losgemaakt uit zijn oorspronkelijke verbondenheid met de natuur en de kosmische ritmiek. Dit geldt in het bijzonder voor de verstedelijking van het bestaan. Het is niet toevallig dat daarom de meeste doodsoorzaken te wijten zijn aan ziekten van het hart en de bloedsomloop, d.w.z. storingen in de centrale functies van ons ritmische systeem.

Verzorging van het ritme en gezondheid

Toch kunnen wij een ‘terug naar de natuur’ niet onvoorwaardelijk bepleiten. Het komt er evenwel op aan, dat wij op alle gebieden van het leven een meer bewuste omgang tot stand brengen met de tijd en de ritmische vormgeving daaraan. Het opbouwen van nieuwe ritmische structuren op elk gebied en ook in het maatschappelijke leven moet op een hoger plan voor wat verloren is gegaan in de plaats komen. De mensheid heeft dit steeds aangevoeld en ook belangrijke aanknopingspunten hiervoor gevonden. In het religieuze leven bijv. werd steeds het natuurlijke jaarverloop door regelmatige feesten en het dagverloop door bepaalde godsdienstige gebruiken ritmisch gevormd. Het zou goed zijn, als wij met het oog hierop al onze gewoonten bijv. wat het eten betreft, eens onder de loupe namen. Min of meer regelmatig kunnen wij wat het tijdstip, de soort en de hoeveelheid betreft, voedsel opnemen. Hoe regelmatiger het ritme van onze maaltijden is, des te beter is dat voor het organisme. Dat maakt het ons ook duidelijk: na elke hap begint het kauwen als een eerste verwerking in de vorm van een ritmisch proces, dat in de verscheidenheid van de peristaltische bewegingen van de maag en de dunne darm onbewust wordt voortgezet. Slechts op die manier kan het voedsel in het continue opzuigproces via de darmvlokken van de dunne darm worden omgezet en zo in de eigenlijke inwendige voeding van het organisme overgaan. Slordig, te vlug kauwen of schrokken ontregelen het ritme en tasten de maag aan. Zorgvuldig kauwen en aandacht bij het eten — zonder afleiding door lawaai, radio, muziek e.d. — betekenen tegelijkertijd verzorging van het ritme. Iets dergelijks zou voor haast alle gebieden van het leven aangetoond kunnen worden.

De natuurlijke pauze van de slaap kan onze beste leermeester zijn voor alle vormgeving aan pauzes en vrije tijd. Hier hebben wij te maken met het te juister tijd en ritmisch in te schakelen proces tegenover inspannend werk. Zich alleen maar laten gaan, nietsdoen of wat zitten suffen verschaffen geen echte verkwikking. In de slaap is activiteit, die wij regeneratie noemen! Wij ontspannen het best als wij ons in onze vrije tijd op een andere, zinrijke manier inspannen, ieder, die regelmatig sport beoefent, tuiniert of artistiek bezig is, kent dit.
Wij zagen, dat ritme de tegenstellingen verbindt en in harmonie brengt. De grootste tegenstelling echter is die van lichaam en ziel, resp. materie en geest. De mens, die een stoffelijk wezen en drager van de geest tegelijkertijd is, staat daardoor in het grootste spanningsveld van de schepping. Dit wisten de voorchristelijke priesters en ingewijden reeds. Zij hebben, doordat zij de week van zeven dagen voorstelden en in het tijdsver­loop invoegden, een grootse bijdrage geleverd tot de sociale ordening van de mens­heid.

Het weekritme immers verbindt als een oerbeeld het door de natuur gegeven noodza­kelijke werken aan de aarde in het dagelijkse leven met de voor een geestelijk wezen noodzakelijke richting naar het bovenzinnelijke en hoogste, d.w.z. naar de bronnen van zijn goddelijke oorsprong op de zondag. Zeer grote polariteiten van het leven worden daardoor geactiveerd en in evenwicht gebracht. De regelmatige afwisseling van werken en rusten, van werkdag en zondag (die in christelijke zin ‘dies domini’, de ‘dag des Heren’ is) heeft een diepe psychisch-hygiënische functie. Als men deze lijn doortrekt zou er van alle pauzes of het zich-inhouden in het leven iets heilzaams kunnen uitgaan. Dat gebeurt, als wij ons regelmatig in de vanzelf optredende of door ons tot stand gebrachte pauzes actief overgeven aan een kunstzinnige activiteit, aan bezinning, aan de inhoud van spirituele lectuur, aan meditatie of gebed. Vanzelfsprekend sluit deze hoge vorm van verzorging van het ritme alle andere vormen van een zinrijke vormgeving aan vrije tijd of vakantie niet uit.

Wij verwerkelijken daarmede tegelijkertijd nog in een ander opzicht het diepere geheim van de ‘heiligheid van de slaap’, want daarin is de ‘uitgeademde ziel’ — hoewel onbewust — overgegeven aan de hogere werelden. Zij ontvangt daaruit voor elke dag een impuls en richtinggevende kracht. Zulke krachten in het bijzonder zoeken vurig de kin­derzielen, die thans in de wereld zoals zij nu is geworden hun weg moeten vinden. Daarom is het regelmatige tafel- en avondgebed in de opvoeding van het kind zo belangrijk, naast alle andere ritmische vormgeving van het kinderleven, die door de verjaardagen en andere feesten regelmatige hoogtepunten moet krijgen, ieder, die in de hier aangeduide richting ervaringen opdoet, zal een grondleggende uitspraak van Rudolf Steiner, de grote levenskunstenaar, bevestigd vinden: ‘Men kan een wezen of een zaak des te meer aan zichzelf overlaten, naarmate men er meer ritme in gebracht heeft’.

.

Meer van de schrijver

Ritmealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

852-784

.

VRIJESCHOOL – Zintuigen – tastzin (2-4-1)

.

Norbert Glas, Weledaberichten nr.135 april 1985



HET TASTEN EN DE TASTZIN
.

Om de tastzin te begrijpen is het van belang dat wij het tasten op zichzelf als een bijzonder gecompliceerd proces zien. Al het “nieuwe” wat hij ons laat gewaarworden dringt tot ons door, doordat er subtiele of grovere verschuivingen, vooral in het gebied van onze lichaamsoppervlakte plaatsvinden. Het orgaan voor het tasten is onze huid. Een betrekkelijk klein gedeelte van de slijmvliezen, bijv. in de mond, heeft eveneens nog zoals onze huid het vermogen om te tasten. De lippen en de tong zijn zelfs heel gevoelige waarnemers. Voor het tasten zijn altijd heel fijne of wat sterkere bewegingen nodig waar­door het een of andere voorwerp in een innig contact met het waarnemende orgaan moet worden gebracht. Beweging is nodig omdat alleen op die manier een bepaalde verschuiving van de huid of van het slijmvlies tot stand komt. Hieruit blijkt, dat de ervaringen die wij via de tastzin opdoen, zich vooreerst slechts in ons eigen lichaam kunnen afspelen. Nu hangt het ervan af, hoe wij de bewegingen van onze huid of ons slijmvlies interpreteren. In het begin is het een soort van raadselspel waarin wij door het betasten van een uiterlijk voorwerp worden betrokken. Fysiologisch ligt het voor de hand dat die ervaringen vooreerst worden bepaald door de subtiliteit van het sensitieve zenuwstelsel dat voor de dikwijls geringe mate van bewegingen gevoelig blijft. Hoe gering die bewegingen zijn blijkt bijv. uit het feit dat wij in staat zijn om de aanraking van een heel dunne haar op de huid, en nog duidelijker, op de tong te merken. Het valt niet te betwijfelen, dat voor het gevoelige tasten een bijzonder fijn ontwikkeld zenuw­stelsel nodig is. Als wij bijv. van een horlogemaker zeggen dat “hij het in zijn vingers heeft” dan is dat een illustratie hiervoor.

Dit is de ene kant van het kenproces, dat zich bij elke zintuigelijke waarneming afspeelt: het zintuig wordt op een bepaalde manier geprikkeld en het proces wordt via het zenuw­stelsel naar binnen geleid.

De andere kant bestaat hierin, dat wij innerlijk, door ons denken het begrip van het voor­werp vinden dat wij hebben betast. Het is gemakkelijk te begrijpen dat er zich een hoogst bewegelijk denken moet afspelen opdat wij in staat zijn heel subtiele verplaatsingen ten gevolge van bewegingen in het gebied van onze huid onmiddellijk te ontraadselen.

Waarnemingen van het eigen lichaam door middel van het tasten
.
Eigenlijk nemen wij slechts onszelf waar in het tastbeleven. Dit is van grote betekenis in het begin van onze ontwikkeling. Onze “incarnatie” of “belichaming” bestaat immers hierin, dat de persoonlijkheid allengs bezit neemt van het lichaam.
Het behoort tot de taken van de tastzin, vooral in het begin van ons bestaan, dat het heel jonge kind leert om steeds meer zichzelf te beleven. De lippen reageren vanaf het begin het sterkst op de prikkel van de aanraking. De zgn. zuigreflex ontstaat onmiddellijk bij een zacht betasten van de lippen van de zuigeling. Het is van belang dat het kind zichzelf op die manier kan beleven: dit verwekt welbehagen. Het kan worden vergeleken met het gevoel van iemand, die zich na innerlijke inspanning verkwikt voelt. Dan is hij zichzelf. Het kind echter is voortdurend op weg om zichzelf te worden. Het verlangen naar het tastbeleven is in het zuigelingenstadium niet alleen beperkt tot het zuigen en het vanzelfsprekend verlangen om alles in zijn mond te stoppen. Daar bevindt zich im­mers de grootste gevoeligheid van het tasten. Ook de vingertjes van het kind proberen aldoor om alles te betasten. Dit blijft gedurende lange tijd bestaan, de opvoeders be­grijpen niet altijd, dat in het betasten van de dingen de wordende mens op zoek is naar zijn eigen wezen.

Bij een gezonde opvoeding zal men er stellig op letten dat na het eerste half jaar het duimzuigen langzamerhand moet ophouden. Want als die manier om zich zelf te beleven te lang voortduurt – dus tot na het eerste jaar- pakt het kind niet de voortzetting van de verdere tastervaringen.
Hoe meer de schooltijd van het kind nadert, hoe meer het zich moet bevrijden van dat aspect van de tastzin dat zich sterk richt op het eigen innerlijk. Men dient in het oog te houden, dat in elke zintuigelijke functie, zelfs in elk zintuig, twee verschillende wer­kingen tot uiting komen: de ene kracht die naar binnen toe op de eigen lichamelijke ervaring is gericht, en de andere, die meer gericht is op het actief beleven van de buitenwereld.

Tot het zevende jaar is de gerichtheid van de tastzin in de hierboven beschreven manier volledig terecht, daarna niet meer. Dientengevolge zal een gezonde opvoeding ernaar streven, de kinderen na het zevende jaar uit de voorafgaande ontwikkelingsperiode verder te leiden. Men zal alles in het werk moeten stellen om “overblijfselen”, die dan meestal in de gedaante van ondeugden optreden, te laten verdwijnen.

Tastzin en psychische eigenschappen

Aan de tastzin merken wij hoe gemakkelijk het is om alles aan onszelf getoetst te beoor­delen, al naar gelang ervan hoe het op ons innerlijke leven werkt. Wij geraken bij het tasten in gevaar, totaal in het subjectieve te blijven steken. Dit gebeurt, als wij de din­gen die wij betasten niet anders beleven dan het kleine kind doet, d.w.z. is het aange­naam of onaangenaam, wol, koud metaal of een scherpe schaar aan te raken. Er zijn in het bijzonder twee eigenschappen, die op een negatieve manier door de tastzin kunnen worden gestimuleerd: egoïsme en nieuwsgierigheid. Hierbij moet onmiddellijk worden aangetekend, dat het heel bijzonder aankomt op de leeftijd: want van het kleine kind- dus beneden de zeven jaar- kunnen wij gerust zeggen, dat beide eigenschap­pen, egoïsme en nieuwsgierigheid, terecht bestaan op grond van het feit dat het kind, vóór het schoolrijp is, zijn ik sterk in het lichaam naar binnen moet trekken om zijn lichaam op te bouwen. Het moet leren om zichzelf door het contact met de buitenwereld innerlijk te beleven. Daarom is het gedurende die periode terecht een egoïst. Als echter deze vorm van zelfzuchtigheid later niet verdwijnt dan neemt de mens iets mee in zijn verdere leven wat in dat stadium niet meer terecht is. Aan de tastzin kan het egoïsme nauwkeurig worden bestudeerd omdat juist bij het betasten, zoals reeds eerder gezegd, altijd het gewaarworden van het eigen lichaam primair is. De nieuwsgierigheid staat met het tasten, voor zover dit uitsluitend betrekking heeft op onze huid, in nauwe relatie. De nieuwsgierigheid brengt ons ertoe alles te willen betasten en te weten te komen opdat wij daarop met een zekere wellust kunnen reageren. Dit betasten vindt vanzelfsprekend daarbij ook in de overdrachtelijke zin plaats, maar het heeft zijn oorsprong in het beleven van het kind als het fysiek iets beetpakt.

Actief beleven van het tasten

Terwijl de ene werking van de tastzin op de ziel hierin bestaat dat alleen de op hem zelf gerichte gevoelens van de mens worden opgewekt, kan door een anders gerichte werking in de ziel een geheel nieuwe kracht ontstaan. De hierboven beschreven zelf­zucht hangt samen met de zuiver passieve overgave aan het zintuigelijk beleven door middel van het tasten. De mens kan zich echter ook totaal anders gedragen. Hij kan opzettelijk alles vergeten wat hij persoonlijk als gewaarwording door het tasten merkt. Hij negeert bewust of de aanraking lust of onlust, welbehagen of onbehagen opwekt. Hij streeft ernaar om alleen maar te voelen wat het betaste voorwerp hem vertelt. Op die manier kan de nieuwsgierigheid worden omgezet in onzelfzuchtige belangstelling, in eerbied voor hetgeen van buitenaf wordt ontvangen.
Als er eerbied wordt gevoeld, ontwaakt er in de ziel een activiteit die van binnen naar buiten een stroom van levende krachten leidt welke, vooral na de kindertijd, juist door egoïsme en nieuwsgierigheid worden verzwakt en gestoord. Door eerbied te gevoelen schenkt de ziel leven en een gezonde ontwikkeling aan de totale mens. In de scholen wordt er steeds weer geklaagd dat de kinderen zo weinig respect hebben voor wat in hun omgeving aanwezig is. Hoe kan men dit door de opvoeding verhelpen? Stellig door een voortdurend oefenen van de tastzin op zo’n onzelfzuchtige manier gelijk hierboven is beschreven. Bij alles waaraan de handen te pas komen moet het kind steeds weer merken, wat het aan het materiaal kan beleven waarmee wordt gewerkt. Het leert bijv. de fijnheid, de warmte en de zachtheid van een echte wollen draad te voelen. In tegenstelling daarmee voelt het hoe koel en stijf een katoenen draad is. Een kind moet leren hoe hout in het algemeen en eiken-, berken-, kersen-, en dennenhout verschillend aanvoelen. Veel vakken bieden steeds weer de gelegenheid om gewaarwordingen door middel van het tasten bewust te maken. In de plantkunde kan worden geleerd hoe anders bijv. een perenblad dan een salieblad, de stengel van de iris dan die van de akkerpaardenstaart aanvoelt.

En in de mineralogie kan het kind het verschil tussen een kwartskristal, een stuk zwavel, een stuk pyriet of een gewoon stuk glas door middel van de tastzin leren kennen. Als de kinderen dan de voorwerpen beetpakken, gebeurt dat ten gevolge van echte be­langstelling voor de wereld. Zo kan de mens worden opgevoed in het juiste tasten zo­dat gedurende het leven de eerbied in de ziel toeneemt. Het is ook duidelijk dat mensen die door hun lot genoodzaakt zijn de tastzin te ontwikkelen, het gemakkelijker zullen hebben om eerbiedskrachten te ontwikkelen.

Grote musici, die over het fijnste tasten moeten beschikken om bijv. aan een viool de mooiste toon te ontlokken, blijken dikwijls een grote eerbied voor anderen te hebben. Ook de beeldhouwer, die een zuiver en subtiel gevoel voor zijn materiaal moet hebben, ontwikkelt innerlijk alle voorwaarden voor het ontluiken van de eerbied. Dat in onze tijd het gevaar bestaat dat de mensen opgroeien met een toenemend tekort aan gevoelens van eerbied staat waarschijnlijk in verband met de verwaarlozing van de tastzin. Wij bedoelen in dit verband dat gedeelte ervan, dat juist door innerlijke activiteit moet worden gecultiveerd. Dit tekort heeft in hoge mate te maken met de huidige be­schaving. De materialen waarmee wij tegenwoordig omgaan zijn immers totaal verschil­lend van de substanties, waarmee men nog een eeuw geleden werkte. Wij worden om­ringd door een lawine van dingen die van plastic zijn gemaakt. Hout, dat wonderbaarlijke levende materiaal, verdwijnt meer en meer. Bij het speelgoed is het verregaand door plastic verdrongen.

Bij het spel betasten de kleine vingertjes van de kinderen voortdurend de koele, lichte en lege substantie van dit kunstmatig vervaardigde materiaal.
Als wij het bovenstaande samenvatten wordt het duidelijk hoe de tastzin naar twee kanten leidt zodra men zijn invloed op de ziel in aanmerking neemt. Als de mens blijft staan bij hetgeen alleen het lichaam door middel van de tastzin ervaart, resulteert er behalve ziekte alleen nog zoiets als zelfzucht en nieuwsgierigheid. In zover echter de goed ont­wikkelde en gecultiveerde tastzin de eerbied voor de wereld opwekt, wordt het mogelijk dat de mens zich ook voor het hoogste openstelt.


.

Uit: “Gefahrdung und Heilung der Sinne”

Zintuigenalle artikelen 

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

 

 

851-783

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Caruso

.

CARUSO, DE GEWELDIGE
.

Anna Caruso schonk het leven aan 21 kinderen, waarvan er slechts drie de leeftijd der volwassenen hebben bereikt. Eén hiervan, het achttiende, is misschien wel de grootste zanger geworden van alle tijden. Hij maakte in 1903 zijn debuut in Amerika op de planken van de Metropolitan Opera in New York, en op datzelfde toneel zong hij in 1920 zijn laatste aria. Acht maanden later stierf hij. Miljoenen mannen en vrouwen van vele naties treurden om hem, en duizenden droegen rouw. Met hem was niet alleen een prachtige stem heengegaan, maar bovenal een prachtig mens, door iedereen op handen gedragen.

 

 

In de dagen van Caruso was de radio nog onbekend, en spre­kende films bestonden al evenmin. Wie Caruso wilde horen, kocht een kaartje en ervoer zijn optreden in levenden lijve, of men draaide de grammofoon op en hoorde zijn stem uit de hoorn schallen. Het publiek als geheel genomen was natuurlijk maar klein, vergeleken bij de miljoenen radioluisteraars en televisie­kijkers van tegenwoordig. Maar wat het applaus betreft: aan weinig lievelingen van het publiek is ooit een dergelijke ovationele hulde gebracht als aan Enrico Caruso.

Hij beperkte zich hoofdzakelijk tot het Franse en Italiaanse operarepertoire — dat toen, evenals nu, voor “zware kost” door­ging — maar zó buitengewoon waren de omvang en draagkracht van zijn stem, zó meeslepend was zijn expressief vermogen, dat hij ieder gehoor onder de ban van zijn betovering wist te brengen, en de mensen met een brok in de keel liet zitten. Hemzelf waren de emoties na afloop van de voorstelling wel eens te machtig, zodat hij in de kleedkamer dan zat uit te huilen.

Zijn vaste toneel was natuurlijk de Metropolitan, maar in alle wereldsteden, van Buenos Aires tot Moskou, was zijn faam spreek­woordelijk. Waar hij kwam krioelde het van vereerders. In de restaurants stonden de mensen op en applaudisseerden als hij binnenkwam. Om al dat gedoe te ontlopen at hij meestal thuis, of in een goedkoop Italiaans eethuisje in de New Yorkse West Side, waar hij zijn vrije middagen graag verdeed met een spelletje kaart met de eigenaar. Met elke post kwamen er cadeaus, zoals bonbons en andere lekkernijen, kostbare sieraden, of zijn eigen portret op zijde of wol geborduurd.
Zeep, sigaren en duizenden andere artikelen kregen zijn naam als handelsmerk. Er was een concern dat al zijn restaurants “Caruso” noemde. Nog steeds prijkt zijn naam op een merk spaghetti en op een bepaald soort conserven. Iemand had een renpaard Caruso gedoopt, en elke keer als het paard liep, zette de zanger trouw tien dollar op hem. Het paard won nooit.

De financiële records die Caruso in dat lang vervlogen tijdperk vestigde, zijn nooit geëvenaard. Zijn inkomsten kwamen uitslui­tend van zijn optreden op het podium, en van zijn grammofoon­platen. Aan de Metropolitan heeft hij nooit meer dan $ 2500 per avond gevraagd, maar op Cuba kreeg hij $ 10 000 en in Mexico $ 15.000. Eens sloeg hij een aanbod van  $ 250 000 af, voor een tournee van twee maanden door Zuid-Amerika. Alles bij elkaar heeft hij in zijn leven een kleine tien miljoen dollar verdiend.

Zijn populariteit was, ten dele althans, een uitvloeisel van zijn grootheid als mens. Hij bezat een kinderlijke naïviteit die hem dreef tot de gulle gebaren waarvoor het publiek hem aanbad. Op een avond in Brussel drong er van buiten een groot rumoer tot in zijn kleedkamer door. Toen Caruso een raam opendeed zag hij een menigte van ettelijke duizenden teleurgestelde mensen: de schouwburg was tot de nok toe uitverkocht. Het was een gala­voorstelling, opgeluisterd door de aanwezigheid van koninklijke gasten. Caruso dacht een ogenblik na, en begon toen voor de mensen op straat alle belangrijke aria’s te zingen uit de opera waarin hij die avond op de planken zou staan.

Eens zat hij cheques te tekenen voor de meer dan tweehonderd mensen die hij steunde. Op een gegeven ogenblik merkte zijn vrouw op: “Zouden al die mensen het eigenlijk wel verdie­nen? . . .” waarop hij antwoordde: “Nee, Dodo, je hebt gelijk. Maar kun jij dan uitmaken wie wél en wie niet?”

In Cleveland liep hij op een ochtend met zijn secretaris Bruno Zirato te wandelen. “Het is onrechtvaardig,” zei hij plotseling. “Wij komen hierheen, we pakken het geld aan en verdwijnen weer. Eigenlijk moesten we hier iets achterlaten.” Toevallig kwamen ze juist voorbij een etalage met porselein. Caruso schoot de winkel binnen en kocht de hele voorraad. Hij liet alles naar New York zenden om het onder zijn behoeftige vrienden te ver­delen. Naderhand wist hij steeds iets van het geld dat hij met zijn optreden verdiende, naar diezelfde stad terug te hevelen.

In de dagen van zijn grootste roem was hij een tamelijk gezette man van middelbare lengte, met boordmaat 18 en al dun haar op de kruin. Hij was uitermate zindelijk, bij het fanatieke af. Hij baadde tweemaal daags en studeerde onderhand zijn aria’s, waarvan de muziek op een speciale lessenaar stond die op de rand van de badkuip paste. De deur bleef open en in de kamer ernaast begeleidde zijn pianist hem uit de partituur. Ook wanneer hij ’s morgens werd geschoren, gemasseerd, gepedicuurd en gemani­cuurd, studeerde hij zijn eerstvolgende rol in.

Mensen die niet even kieskeurig waren als hij zelf, kon hij niet uitstaan. Een prima donna die hij op het toneel het hof moest maken, ontlokte hem eens de klacht: “Het is al vreselijk om met iemand te moeten zingen die nooit in bad gaat, maar om in vuur en vlam te raken voor iemand die naar knoflook ruikt, nee!”

Enrico was de zoon van een monteur en werd in Napels ge­boren. Hij was maar een paar jaar op school. Zijn vader wilde dat hij, evenals hijzelf, monteur werd, en met veel slaag kreeg hij zijn zoon af en toe een beetje aan het werk. Maar Enrico wilde maar één ding: zanger worden. In dit voornemen werd hij voortdurend gesterkt door zijn moeder. Zijn eerste auditie bij een zangleraar was geen groot succes. De professor, een zekere Giuseppe Vergine — wiens bekendheid voornamelijk aan deze anekdote te danken is — zei na het proefzingen tegen hem: “Je hebt een stem om cokes mee te kloppen.” Maar Caruso kreeg toch toestemming om de lessen te volgen. Over zijn armoede in die dagen vertelde hij aan zijn vrouw: “Mijn zwarte pak was groen uitgeslagen, ik kocht een potje zwarte kleurstof en verfde het pak bij voordat ik naar de les ging. Ik knipte overhemdfrontjes van wit papier om er netjes uit te zien. Elke dag moest ik een heel eind lopen om op les te komen en schoenen kostten geld, dus ik zong op bruiloften en begrafenis­sen; zo kon ik dan weer een paar schoenen kopen. De zolen waren van karton. Halverwege het huis van de maestro begon het te regenen. Zodra ik binnen was zette ik de schoenen bij de kachel om ze te laten drogen. De zolen krulden om, en ik moest op blote voeten naar huis.”

Aan het eind van het seizoen waren er examens en Caruso smeekte of hij mee mocht doen. Signor Vergine vond wel dat hij vorderingen had gemaakt, maar was niet erg onder de indruk. Toch bezorgde hij Caruso een of twee kleine engagementen en ten slotte een baantje als invaller voor de eerste tenor van een klein rondreizend operagezelschap. Op zekere dag kwamen ze in een stadje waar Caruso vrienden had. Min of meer in de over­tuiging dat men hem ’s avonds toch niet nodig zou hebben, zocht hij zijn makkers op, en onder het genot van ettelijke flessen wijn werden er gezamenlijk oude Napolitaanse liederen gezongen. Enrico had hem een klein beetje om toen een toneelknecht hem kwam roepen omdat de tenor ter elfder ure ziek was geworden. Caruso rende naar het theater. Hij zong goed, maar tot ergernis van de directie en tot verrukking van het publiek bonsde hij al zwaaiend tegen zijn medespelers aan, struikelde over zijn eigen voeten en maakte er een gezellige boel van. De zaal brulde van het lachen en riep: “Ubriacone!” ofte wel dronkenlap.

De directeur ontsloeg Caruso zodra de akte was afgelopen en een ontmoedigde negentienjarige droop af naar zijn kamer. Zijn eerste kans had hij gekregen en gemist. Maar de toneelknecht kwam terug om hem buiten adem te vertellen dat het publiek de andere tenor had uitgefloten, en nu stampvoetend zat te roepen om II Ubriacone. Caruso ging terug en triomfeerde.
Vanaf die dag schoot hij omhoog. In de loop van de eerstvolgende tien jaar werd hij een van de beroemdste tenoren in de Italiaanse operawereld, en zong hij in vele Europese landen. Toen kreeg hij een uitnodi­ging om in het Metropolitan Opera House in New York te komen zingen, waar hij debuteerde in Rigoletto.

De noodzakelijke attributen voor een groot zanger noemde Caruso eens: “een grote borstkas, een grote bek, 90 percent ge­heugen, 10 percent intelligentie, veel hard werken, en dan nog iets in het hart.” Hijzelf bezat dit alles in hoge mate, zowel in intellectueel, emotioneel, moreel en fysiek opzicht. Hij had een enorme borstkas die hij meer dan tien centimeter kon uitzetten.
Voordat hij het toneel opging, nam hij altijd een strikt ritueel in acht, dat hij zichzelf had voorgeschreven. Eerst gorgelde hij diep met warm zout water, dan inhaleerde hij een beetje Zweeds snuifpoeder om ruimer te kunnen ademen. Daarop volgde een wijnglas vol whisky, een glas spuitwater en ten slotte een vierde part van een appel. In de zakken van zijn kostuum stopte hij twee kleine flesjes met warm zout water, om dat in te kunnen nemen als er tijdens de voorstelling wat slijm in zijn keel kwam. In zo n geval draaide hij het publiek onopvallend zijn rug toe, slikte snel de inhoud van een der flesjes door, en vervolgde zijn rol zonder dat iemand in de zaal er iets van gemerkt had.

Caruso was erg gevoelig voor kritiek. Toen de recensenten in Boston een voorstelling afkraakten, zwoer hij dat hij in die stad nooit meer zou optreden — en hij hield woord. Over ’t algemeen echter was hij vrolijk geluimd. Hij maakte graag grapjes — hij noemde dat “funnies” maken — en zijn grapjes leven ook van­daag nog in onze herinnering voort. Bij een opvoering van Tosca moest de bariton Antonio Scotti, in de scène in het schilders­atelier, zich bukken om een onder de ezel gevallen penseel op te rapen. Scotti bukte zich, maar tot zijn schrik bleek het penseel onwrikbaar aan de vloer te zitten. Caruso had het vastgespijkerd.

In “Listen to the Mocking Words” vermeldt David Ewen de vol­gende anekdote. Caruso en Geraldine Farrar maakten een gram­mofoonopname van een duet uit Madame Butterfly. De sessie met de ouderwetse apparatuur was eindeloos en vermoeiend, zodat Caruso even de straat opging voor een hartversterking in het café op de hoek. Toen hij terug was en het duet werd hervat, zong de prima donna plagend de woorden: “Oh! Gij hebt een borreltje op!’ in plaats van de voorgeschreven tekst. In zijn antwoord zong Caruso: “Neen! Ik heb twee borreltjes op!”

De beminnelijkste episode in deze uitzonderlijke levenshis­torie is misschien wel het verhaal van zijn huwelijk. Toen hij 45 was en op het hoogtepunt van zijn carrière stond, ontmoette hij Dorothy Park Benjamin, een schuchter, ingetogen meisje van even twintig. Zij had pas enkele jaren daarvoor de kloosterschool verlaten. Hij maakte haar het hof en kreeg haar, ondanks de tegenstand van haar conservatieve New Yorkse familie. Hun huwelijksleven, dat maar drie jaar mocht duren, was een idylle. Dat komt duidelijk uit in de biografie die zij van hem heeft ge­schreven, maar sterker nog in zijn brieven aan haar. Die brieven zijn uniek, en de fouten in de Engelse taal verhogen nog hun charme. Hier volgt een willekeurig uitgekozen passage:

“Mijn hart bonst zo hard, ik geloof dat het naar je toe wil vlie­gen, nooit, nooit zal ik je verlaten. . . Ik wou dat je binnen in mij was om te zien hoeveel ik van je houd. Wat moet ik doen om je daarvan zeker te maken? Ik geloof dat ik al mijn best heb gedaan om je mijn liefde te tonen, en ik probeer nog steeds alles te doen om je ervan te overtuigen. Geloof maar dat jouw Rico je aanbidt. . .

De twee leidden een rustig leventje in een suite van een New-Yorks hotel. Caruso ging niet graag uit, hij hield niet van al die mensen om hem heen. Zo zaten ze het liefst thuis: hij met zijn goudgerande bril aan het postzegels en knipsels inplakken, zij met een boek. Tegen middernacht kreeg hij dikwijls honger; hij liet dan een brood brengen met een paar biefstukjes erbij. Hij placht het brood in de lengte door te snijden, legde het vlees ertussen en at het geheel bij wijze van een dubbele boterham. Wanneer Caruso een uitnodiging voor een diner aannam, gaf hij onveranderlijk de boodschap aan de gastvrouw mee, dat zijn vrouw naast hem moest zitten. “Zeg tegen mevrouw”, luidde zijn instructie dan, “dat ik getrouwd ben om met mijn vrouw samen te zijn. Als ik gescheiden van haar moet zitten, kom ik niet.”

Toen Caruso in december 1920 een aria zong in het eerste bedrijf van L’Elisir d’Amore, kreeg hij een bloeding; een ader in zijn keel was gesprongen, maar hij wilde per se tot het eind van de eerste akte doorzingen. Een verslaggever van de New York Times heeft het gebeurde opgetekend: “Zijn eigen zakdoek die rood zag van het bloed, had hij weggegooid, en de koorleden kwamen beurtelings dicht bij hem staan om hem zo onopvallend mogelijk hun zakdoek toe te stoppen. Hij gebruikte ze de één na de ander tot ze allemaal onder het bloed zaten, en af en toe kwa­men er druppels bloed op zijn lippen.” Op de eerste rij zat Doro­thy Caruso, wanhopig wenkend dat hij het toneel moest afgaan.

Op kerstavond keerde hij nog eenmaal naar de Metropolitan terug, maar stortte opnieuw in. Zevenmaal werden de abcessen aan zijn longen geopereerd, maar gezongen heeft hij nooit meer. De eerstvolgende zomer vertrok hij naar Napels. Daar, in een klein hotelletje met het uitzicht op de baai, stierf hij, achtenveertig jaar oud.

In haar boek schrijft Dorothy: “Ik heb bij de radio zitten luisteren naar de opnamen van zijn prachtige stem, tijdens een herdenkingsprogramma. Hij zelf zou dat eerbetoon prettig gevon­den hebben. Hij zou gezegd hebben: “Wat aardig van de mensen om na zoveel jaar nog aan mij te denken.”

.

 

8e klas vertelstofalle biografieën

Vertelstofalle artikelen

8e klas: alle artikelen

Algemene menskundeleeftijd 14 – 21 jaar

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

850-782

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – nabootsing

.

Klara Hatterman, Weledaberichten nr 128 dec.1982
.

DOOR DE NABOOTSING VINDT HET KIND ZIJN WEG NAAR DE WERELD
.

Als wij het kleine kind na de geboorte en gedurende de eerste jaren gadeslaan wat zijn fysieke lichaam en zijn psychisch-geestelijke vermogens betreft, dan zien wij hoe onaf en daardoor hulpeloos dat menselijke wezen om te beginnen is toegerust voor de aardse taken.

Het hoofd met zijn nog niet gesloten fontanellen is in verhouding tot het overige lichaam groot. De ledematen en het lichaam zijn nog niet volledig ontwikkeld, zelfs de organen hebben nog niet hun blijvende vorm. Door de ligging op de rug in het horizontale vlak zijn de beentjes en handjes nog naar de hemel gericht; dit is in tegenstelling tot het dier, dat zijn ledematen naar de aarde heeft gekeerd en ze na de geboorte onmiddellijk gebruikt om zich op de aarde te plaatsen en te gaan lopen. Het trappelen van de zuigeling gebeurt spontaan, ongecontroleerd, ongecoördineerd, is niet op een doel gericht. Ook het leren van de taal vergt een lange tijd van ontwikkeling. De psychische reacties zijn in het begin sterk aan het lichaam gebonden. Het bewustzijn bevindt zich nog in een schemertoestand.

Hoe vindt het kind nu zijn weg naar de aardse wereld? Hoe leert het zich aan die wereld aan te passen? Kunnen wij als ouders of opvoeders bijv. iemand leren lopen en spreken? Wij worden ons van onze machteloosheid pas bewust als er een kind wordt geboren, dat zich niet opricht om te lopen en dat niet zover komt dat het kan spreken. Kinderen zijn voor ons levende raadsels. Vanuit ons aardse standpunt lijken zij ons onvolkomen. Toch voelt elk ouderpaar, dat met liefde en het vermogen om zich in te leven zijn kind koestert en verzorgt, de grote uitstraling die ervan uitgaat. Vol verbazing, open en met overgave leeft het zich in de wereld in. Onbeperkt vertrouwen schenkt het de mensen en in zijn levensuitingen wordt een krachtige wil zichtbaar, die het hele lichaam impulseert.

Wij kunnen dat aan een voorbeeld duidelijk maken: de moeder (of de vader) komt bij het bedje van de paar maanden oude zuigeling. In haar stem weerklinken vreugde en geluk bij het zien van het mensenkind dat aan haar is toevertrouwd. Het kind antwoordt niet alleen met een glimlach; het innerlijke contact met haar doordringt zijn hele lichaam, de ledematen nemen het prettige gevoel op, ze beginnen te bewegen en te trappelen, de lippen vormen klanken. De taal en de liefdevolle genegenheid van de moeder gaan over op het kind; het ontsluit zich. Het neemt nog niet de inhoud van de woorden als begrippen waar, maar de liefde en de vreugde wekken rechtstreeks de intensiteit en de activiteit van de wil op; in het nog weke en soepele lichaam werken zij vormend op de organen. De spraakorganen, bijv. het strottenhoofd, worden verder gevormd en de ademhaling wordt verdiept.

Zich geborgen voelen en genegenheid maken in het kind latente krachten vrij, die in hem sluimeren en erop wachten dat zij gewekt worden. Het zijn psychisch-geestelijke krach­ten die bij zijn individuele wezen behoren. De individualiteit, die uniek en onsterfelijk is, heeft de lange kindertijd nodig om het overgeërfde lichaam in bezit te nemen en te veranderen. De mens heeft zijn oorsprong in de geest. Van daar brengt het kind een kracht mee, die het meest intensief in de eerste levenstijd is; zij komt tot uiting als het nog dromend aan de wereld is overgeleverd en neemt tegen het 8e jaar af: de naboot­sing. Daardoor worden de grondslagen van het mens-zijn verworven:

de oriëntering in het fysieke vlak:
lopen

de relatie van mens tot mens in het psychische vlak:
spreken

het begrijpen van samenhangende gedachten in het geestelijke vlak:                                
denken

Het kind leert deze vaardigheden zonder een bewuste intellectuele leiding. Het zou ze echter nooit verwerven zonder het voorbeeld van de mens. Slechts dankzij het ik van dit voorbeeld kan het ik van het kind zich gezond ontplooien.

Het kind heeft een buitengewone belangstelling voor alles wat de mens doet. Het neemt door zijn waarneming uit de gestes en de mimiek rechtstreeks het wezenlijke op en bootst dit op geniale wijze na; het leeft nog verenigd met de omringende wereld. Een voorbeeld kan dit verduidelijken:

Een verhuizer komt met een zware kist het huis binnen. Het jongetje van drie jaar staat vol verbazing naast zijn moeder en kijkt ademloos toe hoe de werkman de last torst en de kist op de grond neerzet. In de komende dagen speelt de jongen alleen nog maar verhuizer. Hij zoekt een kartonnen doos (die is licht en er zit niets in), hij tilt hem op zijn schouders en bootst precies het gedrag van de sjouwer na: de gekromde rug, de zware stappen, de gespannen gelaatsuitdrukking en ten slotte de opluchting als de vracht wordt neergezet. En ten slotte veegt hij met de rug van zijn hand het zweet af.

In de verdere ontwikkeling van het kind na het derde levensjaar ontwaken nieuwe vermogens, die zich als krachten van de fantasie openbaren. Zij komen vooral in het spel van het kind tot uiting. Van binnenuit worden zij tegenover de buitenwereld geplaatst. Ook dit spel berust op nabootsing. Wat er in de buitenwereld gebeurt wordt echter niet zonder meer overgenomen: het kind wordt zelf creatief, verplaatst zich in de rol van mens en dier en imiteert ook technische bewegingen. Het verandert de dingen. Wat bijv. kan een lap al niet zijn? Een rok voor het verkleden; een meer waar schepen op varen; met een paar knopen erin wordt het de mooiste pop. Deze nieuwe band met de wereld wekt vreugde, sympathie voor het aardse bestaan en levenslust. Scheppende krachten zijn geestelijke krachten die het kind opvoeden omdat zij nog niet door het intellectuele denken zijn verlamd en rechtstreeks in het handelen overgaan. Het spel is voor het kind volledige ernst, maar het is niet op een doel gericht zoals de arbeid van de volwassenen. Het kind moet vrij zijn om in zijn omgeving ongestoord individueel bezig te kunnen zijn en zijn indrukken op kinderlijke wijze te verwerken. De individualiteit mani­festeert zich door de keuze van de motieven en de intensiteit van het handelen. Waarom zijn er tegenwoordig zoveel kinderen, wier gezondheid al met drie jaar is aangetast, die agressief, in hun motoriek gestoord zijn, bang en schuw tegenover de wereld staan, die niet kunnen spelen en passief als toeschouwers de dingen hun gang laten gaan?

Veel volwassenen hebben heden ten dage dikwijls weinig begrip voor het kleine kind. Hun inzichten en handelwijze worden vaak door een materialistische wereldbeschou­wing bepaald. Gemakzucht, egoïsme, afkeer van werk en ontevredenheid zijn daarvan veelal het resultaat en sluipen onwillekeurig in de kinderkamer binnen. Men zou liefst zo gauw mogelijk het kind willen voorbereiden op de moeilijke wereld. Slechts in een behoede sfeer die het kind zekerheid, liefde en warmte schenkt, kan de nabootsing zich ontplooien. Als deze waarden verloren gaan sterft dit vermogen af. Dat leidt tot innerlijke verarming en verlamming van creatieve activiteiten. In onze tijd zijn er tendenties zichtbaar die vijandig zijn aan het kind, verruwing opwek­ken en het kind de beschermende omhulling ontnemen.

Speelkamers, die overladen zijn met kant en klaar technisch speelgoed en apparaten, bieden voor de fantasie geen mogelijkheid tot ontplooiing en stimuleren de creativiteit niet. Ook door de volwassenen bedachte zogenaamde leerspelletjes zijn in dit vroege kinderstadium totaal misplaatst omdat ze tot vroegtijdige intellectuele prestaties prikkelen en de levens- en groeikrachten van het kind aantasten.

Massamedia zoals bijv. de televisie toveren het kind een tweedimensionale schijnwereld voor ogen. De natuurlijke behoefte aan beweging, de ruimte te veroveren en zich daarin te oriënteren, wordt belemmerd en gestuwd. De intermenselijke betrekkingen, waar­aan het kind sociaal gedrag kan leren, worden verstoord en de lichamelijke functies worden beschadigd. De normale gezichtshoek van 180° wordt bij het tv-kijken tot 8° vernauwd.

Uit het hierboven beschrevene kunnen wij afleiden, dat het kind zich aan de mens moet oriënteren, iets wat door de beeldbuis niet kan worden vervangen. Op de volwassenen wordt een beroep gedaan, het kind door onze levenshouding en mentaliteit een waardig voorbeeld te geven. Er is in onze tijd een geweldige inspanning nodig om tegenover de schadelijke invloeden die op het kind afkomen, positieve dingen te plaatsen. Daartoe behoren:

het streven naar zelfkennis en zelfopvoeding,
eerbied voor de geestelijke oorsprong van de mens,
streven naar inzicht omtrent de levensstadia van lichaam, ziel en geest,
kunstzinnige activiteit.

Door dit laatste wordt o.a. een nieuw begrip voor het van leven doordrongen spel ook bij de volwassene ontwikkeld. Een gevoel voor het wordende in het kind kan zich ont­plooien.

De vraag kan nu terecht rijzen: zullen de kinderen voldoende zijn toegerust voor de toekomst? Zij moeten immers binnengaan in een hoog ontwikkelde, technische wereld en prestatiemaatschappij, die hoge eisen stelt.

Inderdaad zijn de eerste zeven jaren voor het verdere leven van uitermate grote beteke­nis. Maar… is de intellectuele opvoeding met natuurwetenschappelijke begrippen en verklaringen voor dit leeftijdsstadium de juiste weg? Is het niet van nog meer belang het kind voor de toekomst een gezond lichaam, de mogelijkheid om initiatieven te ont­plooien, zelfvertrouwen, openheid voor contacten en belangstelling voor de wereld mee te geven op zijn levensweg?

De ontwikkeling van het kind gaat niet in een rechte lijn, maar door gedaanteverande­ringen, die wij als opvoeders moeten kennen: later optredende intellectuele vermogens ontwikkelen zich aan het zinrijke handelen dat doorzien kan worden. De oorsprong van het leven aan te kunnen, van het vermogen om initiatieven te ontwik­kelen in sociaal verband ligt in het nabootsende zich inleven in de wereld. Grondslag van een later mogelijk vrij handelen uit tegenwoordigheid van geest is het creatieve spel in de eerste kinderjaren.

Zijn het niet juist deze kwaliteiten die ons in staat stellen onze hoogontwikkelde techni­sche wereld ten volle verantwoordelijk tegemoet te treden?

Geesteswetenschappelijk inzicht omtrent het wezen van de mens kan ons duidelijk maken hoe belangrijk de taak van ouders en opvoeders voor deze leeftijdsfase is. Daar­uit kan geestdrift ontvlammen om mee te werken aan de vormgeving van de toe­komst.

.

Kleuterklas – nabootsing

Rudolf Steiner over nabootsen: alle artikelen
(in die artikelen afbeelding met nabootsing)

Nabootsing

Peuters en kleuters

.

849-781

 

 

 

 

 

 

.