VRIJESCHOOL – Zintuigen – tastzin (9-2/2)

.

HET TASTEN EN DE TASTZIN.

Om de tastzin te begrijpen is het van belang dat wij het tasten op zichzelf als een bijzonder gecompliceerd proces zien. Al het “nieuwe” wat hij ons laat gewaarworden dringt tot ons door, doordat er subtiele of grovere verschuivingen, vooral in het gebied van onze lichaamsoppervlakte plaatsvinden. Het orgaan voor het tasten is onze huid. Een betrekkelijk klein gedeelte van de slijmvliezen, bijv. in de mond, heeft eveneens nog zoals onze huid het vermogen om te tasten. De lippen en de tong zijn zelfs heel gevoelige waarnemers. Voor het tasten zijn altijd heel fijne of wat sterkere bewegingen nodig waar­door het een of andere voorwerp in een innig contact met het waarnemende orgaan moet worden gebracht. Beweging is nodig omdat alleen op die manier een bepaalde verschuiving van de huid of van het slijmvlies tot stand komt. Hieruit blijkt, dat de ervaringen die wij via de tastzin opdoen, zich vooreerst slechts in ons eigen lichaam kunnen afspelen. Nu hangt het ervan af, hoe wij de bewegingen van onze huid of ons slijmvlies interpreteren. In het begin is het een soort van raadselspel waarin wij door het betasten van een uiterlijk voorwerp worden betrokken. Fysiologisch ligt het voor de hand dat die ervaringen vooreerst worden bepaald door de subtiliteit van het sensitieve zenuwstelsel dat voor de dikwijls geringe mate van bewegingen gevoelig blijft. Hoe gering die bewegingen zijn blijkt bijv. uit het feit dat wij in staat zijn om de aanraking van een heel dunne haar op de huid, en nog duidelijker, op de tong te merken. Het valt niet te betwijfelen, dat voor het gevoelige tasten een bijzonder fijn ontwikkeld zenuw­stelsel nodig is. Als wij bijv. van een horlogemaker zeggen dat “hij het in zijn vingers heeft” dan is dat een illustratie hiervoor.

Dit is de ene kant van het kenproces, dat zich bij elke zintuigelijke waarneming afspeelt: het zintuig wordt op een bepaalde manier geprikkeld en het proces wordt via het zenuw­stelsel naar binnen geleid.

De andere kant bestaat hierin, dat wij innerlijk, door ons denken het begrip van het voor­werp vinden dat wij hebben betast. Het is gemakkelijk te begrijpen dat er zich een hoogst bewegelijk denken moet afspelen opdat wij in staat zijn heel subtiele verplaatsingen tengevolge van bewegingen in het gebied van onze huid onmiddellijk te ontraadselen.

Waarnemingen van het eigen lichaam door middel van het tasten.
Eigenlijk nemen wij slechts onszelf waar in het tastbeleven. Dit is van grote betekenis in het begin van onze ontwikkeling. Onze “incarnatie” of “belichaming” bestaat immers hierin, dat de persoonlijkheid allengs bezit neemt van het lichaam.
Het behoort tot de taken van de tastzin, vooral in het begin van ons bestaan, dat het heel jonge kind leert om steeds meer zichzelf te beleven. De lippen reageren vanaf het begin het sterkst op de prikkel van de aanraking. De zgn. zuigreflex ontstaat onmiddellijk bij een zacht betasten van de lippen van de zuigeling. Het is van belang dat het kind zichzelf op die manier kan beleven: dit verwekt welbehagen. Het kan worden vergeleken met het gevoel van iemand, die zich na innerlijke inspanning verkwikt voelt. Dan is hij zichzelf. Het kind echter is voortdurend op weg om zichzelf te worden. Het verlangen naar het tastbeleven is in het zuigelingenstadium niet alleen beperkt tot het zuigen en het vanzelfsprekend verlangen om alles in zijn mond te stoppen. Daar bevindt zich im­mers de grootste gevoeligheid van het tasten. Ook de vingertjes van het kind proberen aldoor om alles te betasten. Dit blijft gedurende lange tijd bestaan, de opvoeders
be­grijpen niet altijd, dat in het betasten van de dingen de wordende mens op zoek is naar zijn eigen wezen.

Bij een gezonde opvoeding zal men er stellig op letten dat na het eerste half jaar het duimzuigen langzamerhand moet ophouden. Want als die manier om zich zelf te beleven te lang voortduurt -dus tot na het eerste jaar- pakt het kind niet de voortzetting van de verdere tastervaringen.
Hoe meer de schooltijd van het kind nadert, hoe meer het zich moet bevrijden van dat aspect van de tastzin dat zich sterk richt op het eigen innerlijk. Men dient in het oog te houden, dat in elke zintuigelijke functie, zelfs in elk zintuig, twee verschillende wer­kingen tot uiting komen: de ene kracht die naar binnen toe op de eigen lichamelijke ervaring is gericht, en de andere, die meer gericht is op het actief beleven van de buitenwereld.

Tot het zevende jaar is de gerichtheid van de tastzin in de hierboven beschreven manier volledig terecht, daarna niet meer. Dientengevolge zal een gezonde opvoeding ernaar streven, de kinderen na het zevende jaar uit de voorafgaande ontwikkelingsperiode verder te leiden. Men zal alles in het werk moeten stellen om “overblijfselen”, die dan meestal in de gedaante van ondeugden optreden, te laten verdwijnen.

Tastzin en psychische eigenschappen.
Aan de tastzin merken wij hoe gemakkelijk het is om alles aan onszelf getoetst te beoor­delen, al naar gelang ervan hoe het op ons innerlijke leven werkt. Wij geraken bij het tasten in gevaar, totaal in het subjectieve te blijven steken. Dit gebeurt, als wij de din­gen die wij betasten niet anders beleven dan het kleine kind doet, d.w.z. is het aange­naam of onaangenaam, wol, koud metaal of een scherpe schaar aan te raken. Er zijn in het bijzonder twee eigenschappen, die op een negatieve manier door de tastzin kunnen worden gestimuleerd: egoïsme en nieuwsgierigheid. Hierbij moet onmiddellijk worden aangetekend, dat het heel bijzonder aankomt op de leeftijd: want van het kleine kind- dus beneden de zeven jaar- kunnen wij gerust zeggen, dat beide eigenschap­pen, egoïsme en nieuwsgierigheid, terecht bestaan op grond van het feit dat het kind, vóór het schoolrijp is, zijn ik sterk in het lichaam naar binnen moet trekken om zijn lichaam op te bouwen. Het moet leren om zichzelf door het contact met de buitenwereld innerlijk te beleven. Daarom is het gedurende die periode terecht een egoïst. Als echter deze vorm van zelfzuchtigheid later niet verdwijnt dan neemt de mens iets mee in zijn verdere leven wat in dat stadium niet meer terecht is. Aan de tastzin kan het egoïsme nauwkeurig worden bestudeerd omdat juist bij het betasten, zoals reeds eerder gezegd, altijd het gewaarworden van het eigen lichaam primair is. De nieuwsgierigheid staat met het tasten, voor zover dit uitsluitend betrekking heeft op onze huid, in nauwe relatie. De nieuwsgierigheid brengt ons ertoe alles te willen betasten en te weten te komen opdat wij daarop met een zekere wellust kunnen reageren. Dit betasten vindt vanzelfsprekend daarbij ook in de overdrachtelijke zin plaats, maar het heeft zijn oorsprong in het beleven van het kind als het fysiek iets beetpakt.

Actief beleven van het tasten.
Terwijl de ene werking van de tastzin op de ziel hierin bestaat dat alleen de op hem zelf gerichte gevoelens van de mens worden opgewekt, kan door een anders gerichte werking in de ziel een geheel nieuwe kracht ontstaan. De hierboven beschreven zelf­zucht hangt samen met de zuiver passieve overgave aan het zintuigelijk beleven door middel van het tasten. De mens kan zich echter ook totaal anders gedragen. Hij kan opzettelijk alles vergeten wat hij persoonlijk als gewaarwording door het tasten merkt. Hij negeert bewust of de aanraking lust of onlust, welbehagen of onbehagen opwekt. Hij streeft ernaar om alleen maar te voelen wat het betaste voorwerp hem vertelt. Op die manier kan de nieuwsgierigheid worden omgezet in onzelfzuchtige belangstelling, in eerbied voor hetgeen van buitenaf wordt ontvangen.
Als er eerbied wordt gevoeld, ontwaakt er in de ziel een activiteit die van binnen naar buiten een stroom van levende krachten leidt welke, vooral na de kindertijd, juist door egoïsme en nieuwsgierigheid worden verzwakt en gestoord. Door eerbied te gevoelen  schenkt de ziel leven en een gezonde ontwikkeling aan de totale mens. In de scholen wordt er steeds weer geklaagd dat de kinderen zo weinig respect hebben voor wat in hun omgeving aanwezig is. Hoe kan men dit door de opvoeding verhelpen? Stellig door een voortdurend oefenen van de tastzin op zo’n onzelfzuchtige manier gelijk hierboven is beschreven. Bij alles waaraan de handen te pas komen moet het kind steeds weer merken, wat het aan het materiaal kan beleven waarmee wordt gewerkt. Het leert bijv. de fijnheid, de warmte en de zachtheid van een echte wollen draad te voelen. In tegenstelling daarmee voelt het hoe koel en stijf een katoenen draad is. Een kind moet leren hoe hout in het algemeen en eiken-, berken-, kersen-, en dennenhout verschillend aanvoelen. Veel vakken bieden steeds weer de gelegenheid om gewaarwordingen door middel van het tasten bewust te maken. In de plantkunde kan worden geleerd hoe anders bijv. een perenblad dan een salieblad, de stengel van de iris dan die van de akkerpaardenstaart aanvoelt.

En in de mineralogie kan het kind het verschil tussen een kwartskristal, een stuk zwavel, een stuk pyriet of een gewoon stuk glas door middel van de tastzin leren kennen. Als de kinderen dan de voorwerpen beetpakken, gebeurt dat ten gevolge van echte be­langstelling voor de wereld. Zo kan de mens worden opgevoed in het juiste tasten zo­dat gedurende het leven de eerbied in de ziel toeneemt. Het is ook duidelijk dat mensen die door hun lot genoodzaakt zijn de tastzin te ontwikkelen, het gemakkelijker zullen hebben om eerbiedskrachten te ontwikkelen.

Grote musici, die over het fijnste tasten moeten beschikken om bijv. aan een viool de mooiste toon te ontlokken, blijken dikwijls een grote eerbied voor anderen te hebben. Ook de beeldhouwer, die een zuiver en subtiel gevoel voor zijn materiaal moet hebben, ontwikkelt innerlijk alle voorwaarden voor het ontluiken van de eerbied. Dat in onze tijd het gevaar bestaat dat de mensen opgroeien met een toenemend tekort aan gevoelens van eerbied staat waarschijnlijk in verband met de verwaarlozing van de tastzin. Wij bedoelen in dit verband dat gedeelte ervan, dat juist door innerlijke activiteit moet worden gecultiveerd. Dit tekort heeft in hoge mate te maken met de huidige be­schaving. De materialen waarmee wij tegenwoordig omgaan zijn immers totaal verschil­lend van de substanties, waarmee men nog een eeuw geleden werkte. Wij worden om­ringd door een lawine van dingen die van plastic zijn gemaakt. Hout, dat wonderbaarlijke levende materiaal, verdwijnt meer en meer. Bij het speelgoed is het verregaand door plastic verdrongen.

Bij het spel betasten de kleine vingertjes van de kinderen voortdurend de koele, lichte en lege substantie van dit kunstmatig vervaardigde materiaal.
Als wij het bovenstaande samenvatten wordt het duidelijk hoe de tastzin naar twee kanten leidt zodra men zijn invloed op de ziel in aanmerking neemt. Als de mens blijft staan bij hetgeen alleen het lichaam door middel van de tastzin ervaart resulteert er behalve ziekte alleen nog zoiets als zelfzucht en nieuwsgierigheid. In zover echter de goed ont­wikkelde en gecultiveerde tastzin de eerbied voor de wereld opwekt, wordt het mogelijk dat de mens zich ook voor het hoogste openstelt.

(Norbert Glas, Weledaberichten nr.135 april 1985)
.

Uit: “Gefahrdung und Heilung der Sinne”

zintuigen: alle artikelen

 

801

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

2 Reacties op “VRIJESCHOOL – Zintuigen – tastzin (9-2/2)

  1. Pingback: VRIJESCHOOL – Zintuigen – alle artikelen | VRIJESCHOOL

  2. Pingback: VRIJESCHOOL – Zintuigen – tastzin (9-2/1) | VRIJESCHOOL

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.