VRIJESCHOOL – 6e klas – meetkunde (2-3/3)

.

Hier volgt een impressie van de 3e week van de periode meetkunde in klas 6.

1e week    2e week    4e week

De derde week

Een eerste dag
Na een paar weken kan het zijn dat als je deze werkwijze volgt, toch in een heel andere tijdsindeling terechtkomt. Dat is uiteraard geen enkel punt: het gaat in jouw klas op jouw manier. Beschouw deze ‘weken’ en ‘dagen’ dus als een soort indicatie, maar bewandel je eigen weg.

Iedere dag weer herhalen wat er al geleerd is. Misschien huiswerkopdrachten om het geleerde toe te passen; gerichte opdrachten die ook over de stof van voorbije dagen kan gaan. Geef kinderen die gemotiveerd zijn extra opdrachten (mee), bijv. om ‘terug te herkennen’ hoe een vorm tot stand is gekomen; of vraag ze naar geheel eigen vormen (die als huiswerk niet per se (in)gekleurd hoeven te zijn.
Voor de natuurkunde gaf Steiner een bepaalde ‘leerweg’ aan. ‘De drie stappen‘. Daar heb je ook wat aan voor de meetkundedagen. Je moet ze inpassen in hoe jij je lessen hebt opgebouwd.

We gaan weer willekeurige lijnen trekken die elkaar moeten snijden:

meetkunde-36

We bekijken verschillende snijpunten:

meetkunde-47-1

meetkunde-47-2

meetkunde-47-3

En wanneer we die accentueren zien we hoeken ontstaan.
Bij alle kinderen heel verschillende. Die worden op het bord getekend. Dan zou je kunnen vragen die hoeken in een volgorde te zetten, een volgorde van bijv. groot naar klein of omgekeerd.
Wanneer je de kinderen vraagt die hoeken met hun armen te maken, de ene hoek na de andere, en dan heel snel, zien we als vanzelf ‘de’ hoek een beweging worden, zoals we de lijn als beweging hadden in de eerste week en wanneer we dan plotseling onze armen stilhouden, hebben we ‘een’ hoek.
De idee hoek is een beweeglijke hoek die zich bevindt tussen onze zich bewegende armen. Verrassend is, dat dus op zeker ogenblik wanneer de armen bijna horizontaal zijn, er nog steeds sprake is van een hoek en als we ze horizontaal hebben en nog verder gaan, we nog steeds een hoek hebben.

Dat betekent dat ook de horizontale, dus anders gezegd de lijn of het lijnstuk, vanuit een bepaalde optiek óók een hoek is.

Dat is bijzonder. Gevraagd naar een andere heel bijzondere hoek vinden de kinderen de rechte hoek. Alle hoeken die kleiner of groter zijn, zijn er in een groot aantal: er is maar 1 rechte hoek (en 1 gestrekte)

Hoe heten dan de andere. Opnieuw is het interessant om de kinderen zelf de namen te laten vinden. Natuurlijk leren we dan de officiële namen:
meetkunde-48

1.scherpe hoek
2.rechte hoek
3.stompe hoek
4.gestrekte hoek
5.inspringende hoek

Uiteraard komt nu ook het sympool voor hoek: ∠  en voor de rechte hoek:

meetkunde-49

voor deze bestaan er verschillende

Als opdracht zou je nu weer de zesster en zeshoek in 1 tekening kunnen laten maken en daarin moeten dan de verschillende hoeken zichtbaar worden.

meetkunde-50

rood= scherpe hoek
groen=scherpe hoek
paars=stompe hoek
blauw= gestrekte hoek
groen + rood=rechte hoek

Een tweede dag
We gaan terug naar de tweede week, de derde dag en herhalen het ontstaan van de rechte lijn en bepaalde eigenschappen daarvan, zoals ‘de verzameling puntjes’.

Dan kun je teruggaan naar de geschiedenisperiode van de 5e klas, naar Babylonië en weer wijzen op de sterrenkunde, de kennis van wat zich aan de hemel vertoont.
Wellicht vertel je een eigen ervaring, bijv. dat je in Ierland was, in Newgrange en heb je – al dan niet kunstmatig – gezien hoe de zon op midwinterdag naar binnen straalt en een bepaalde ruimte precies verlicht.
Je kunt nu vooruitlopen op de sterrenkunde van klas 7 en samen met de Babylonische geleerden de zonneboog aan de hemel beschrijven met een lijn als verzameling van puntjes: die dag staat de zon op tijdstip x daar; de volgende dag op hetzelfde tijdstip x daar (ietsje verder opgeschoven).

De zonnebaan wordt weergegeven met de cirkel en het verschuiven van het punt waar de zon opkomt met de punten, die eigenlijk heel dicht tegen elkaar aan horen te liggen, maar waarvan je er voor de duidelijkheid maar een paar tekent.

En, de Oude Babyloniërs stelden die zonnetijdstippen vast op een aantal van 360 per jaaromgang als product van 12 maanden en 30 dagen per maand.

meetkunde-29

Dat betekent dat we door de middellijn te tekenen 2 halve bogen krijgen, waarvan we er 1 tekenen:

meetkunde-31

Als de hele boog ‘volgens afspraak’ 360 punten heeft, dan de halve boog 180.
Stel dat deze punten naar de middellijn afdalen en ze nemen de kortste weg, dan moeten ze loodrecht naar beneden:

meetkunde-30

Dat betekent dat de middellijn uit 180 puntjes bestaat, hoe klein of groot deze ook is. Dat kunnen we voor iedere lijn zeggen: nee, lijnSTUK: het eerste en laatste puntje valt samen met het begin en einde van de cirkelboog.

Ik merkte altijd wel dat deze redeneringen voor sommige kinderen naar een abstractie gaan die nog moeilijk voor ze is. Maar meestal neem je ze wel mee in het begrijpen, als je het rustig opbouwt en er vooral weer op terugkomt en het juist door de kinderen die het nog moeilijk vinden laat uitleggen om te zien hoe ver ze zijn.

Omdat we het woord ‘punt’ al gebruiken voor een plaatsbepaling – op een lijn(stuk) of erbuiten, ligt het voor de hand dat de puntjes aan de hemelboog = halve cirkelboog – anders moeten heten. Die heten graden en hebben het symbool  º.  In hoeverre je nu al over ‘minuten en seconden’ moet spreken, hangt er misschien vanaf of je op de landkaart het plaatsbepalen al hebt behandeld.
Zo niet, dan zou ik wachten, want voor de meetkunde zijn ze in de 6e klas niet belangrijk.

Zo leren we nu dat de cirkel bestaat uit 360º  en de halve dus uit 180º. En deze is gelijk aan de gestrekte hoek, die dus ook 180º is.
We trekken de belangrijkste conclusie: dat een hoek ook graden heeft!

We strekken de armen weer horizontaal: de hoek is 180º. We maken de hoek kleiner. Hoeveel graden is die? Moeilijk te zeggen. Nog kleiner ( we hebben nog steeds een stompe hoek!). We weten het aantal graden niet. Wanneer weten we dat wel. Ah, ja: als we op de helft zijn. Dan hebben we 90º. Maar dat is de rechte hoek!
Hoewel we niet precies weten hoe groot een hoek is die kleiner is dan 90º, kunnen we nu wel de scherpe hoek nader definiëren:

rechte hoek: 90º
scherpe hoek: < 90º
stompe hoek: >  90º
gestrekte hoek: 180º
inspringende hoek > 180º

Het kan nog iets nauwkeuriger – dat wil de meetkunde: precies, exact zijn.

Als we met de armen in de rechte hoek = 90º deze kleiner maken en dus terugtellen, komen we uiteindelijk met de armen in de gestrekte hoek en met het tellen bij 0 uit. Dat is op zich weer verrassend: die gestrekte is dus 180º, maar tegelijkertijd ook 0º.
Nu kunnen we aangeven:

rechte hoek: 90º
scherpe hoek: 0º of >0º < 90º  (groter dan 0 en kleiner dan 90 of tussen 0 en 90º)
stompe hoek: ,  >90º maar kleiner dan <180º :  >90º   <180º
gestrekte hoek: 180º
inspringende hoek > 180º  = ?

Het blijkt bij de inspringende hoek, wanneer we die met de armen groter maken dat we uiteindelijk de hele cirkelboog beschrijven, dus tot aan de 360º:

inspringende hoek > 180º  < 360º

De kinderen kunnen dat dus verwoorden als: de inspringende hoek heeft een grootte die ligt tussen de 180 en de 360 graden.

Een ezelsbruggetje:

Nu tekenen we een lijn en richten op 2 punten met enige afstand van elkaar 2 loodlijnen op. We nemen voor de loodlijn een grootte van 3 cm. We verbinden de gevonden punten met een streepjeslijn. Die lijnen lopen dus evenwijdig. Een nieuw begrip, met het woord dat er bij hoort: parallel.

We gummen de loodlijnen weg. De parallelle lijnen blijven staan en daarvan maken we deze tekening:

meetkunde-67

Omdat de lijnen parallel lopen, is het niet moeilijk in te zien dat hoek A het spiegelbeeld is van hoek C1. We leren nu meteen dat we de gelijkheid van de hoeken aangeven met een boogje in de betreffende hoeken. Zo ook: hoek B met hoek C2.
We weten hoe groot hoek C is: als gestrekte hoek: 180º. We kunnen nu ook zeggen: C1  +  C3  +  C2 zijn 180º.
Voor C1 en C2 kunnen we echter invullen: A  en B.
De hoeken A + C3  + B zijn daarmee dus ook 180º.
En daarmee hebben we aangetoond dat de 3 hoeken van een driehoek samen 180º zijn.

Nu trekken we een lijn en nemen tussen de passer een grootte van bijv. 3 cm. We nemen op de lijn een willekeurig punt A en passen de afstand af op de lijn, snijpunt B. Vanuit A zetten we ook nog ongeveer middenboven de lijn een boogje. Dan doen we dat laatste ook vanuit B en het snijpunt noemen we C. We hebben nu een driehoek geconstrueerd. Wat kunnen we van die driehoek zeggen.

meetkunde-68

Dat de 3 zijden gelijk zijn. Hij heet dan ook: gelijkzijdige driehoek

Wat weten we van de hoeken? Ze zijn daarom ook gelijk en als 3 gelijke hoeken samen 180º zijn, dan is elke hoek 60º

We nemen weer een lijn en passen lijnstuk AB af. Met een grotere afstand tussen de passer cirkelen we vanuit A en B om boven de lijn: snijpunt C en trekken AC en BC:

meetkunde-69

Zo wordt de gelijkbenige driehoek gevonden. We kunnen alleen weten dat hoek A gelijk is aan hoek B, over de grootte weten we niets.

Nu tekenen we een rechthoekige driehoek met de al geleerde constructie: richt op een lijn op een willekeurig punt A een loodlijn op; pas op deze loodlijn een willekeurige grootte af: snijpunt C; cirkel vanuit A met een andere willekeurige grootte op de basislijn een lijnstuk af: snijpunt B; verbindt B met C:

meetkunde-70

gevolgd door een rechthoekige driehoek waarbij AC en BC even groot zijn:

meetkunde-71

Dit is de gelijkbenige  rechthoekige driehoek.
Hoek A = 90º; bij een gelijkbenige driehoek zijn er altijd 2 hoeken even groot; dat zijn hier dus hoek B en C. Samen zijn de hoeken 180º; voor hoek B en C blijven er 90 over: ze zijn ieder 45º.

Met deze kennis gewapend tekenen we een cirkel met middelpunt M en nemen een willekeurig punt op de cirkelboog A; met dezelfde passeropening cirkelen we vanuit A om op de cirkelboog: B; we verbinden MA; AB; BM en hebben een gelijkzijdige driehoek gekregen: (we noemen die lijnen weer even en passant de stralen)

Opdracht: hoe groot zijn ∠ M, A, B?
Omdat MA = AB = BM hebben we te maken met een gelijkz. ∆;  ∠ M, A, B zijn dan alle drie 60º.

meetkunde-72

We verlengen AM (we vragen steeds aan de kinderen wat voor lijnen we krijgen: hier dus de middellijn (2x straal = 2r) en richten in M de loodlijn op: snijpunt met cirkelboog: C; we trekken CB. We zien nu dat ∠ M eigenlijk uit 2 ∠ ∠ bestaat. Dat moeten we dan ook aangeven:   M1   M2.  Dat geldt ook voor ∠ B.

Kun je nu zeggen hoe groot M2  en B2  zijn?

meetkunde-73

∠  M1   M2  zijn samen 90º. ∠  M1  als hoek van een gelijkzijdige driehoek is 60º; dan is M90 – 60= 30º
CM = BM, de driehoek MCB is gelijkbenig en dus zijn de hoeken C en B2  gelijk. Omdat hoek M2  30º is, blijven er 180 – 30 = 150º over voor 2 hoeken, d.w.z. iedere hoek is 75º.

Probeer de grootte van de gekleurde ∠ ∠ te bepalen.

meetkunde-50

Met deze opdracht, die ook thuis afgemaakt mag/moet worden, is de derde dag voorbij.

Een vierde dag

Nadat we alles van gisteren herhaald hebben, bekijken we de opdracht. Hoe groot zijn de hoeken in bovenstaande tekening.
De rode hoeken bevinden zich alle in gelijkzijdige driehoeken, dus zijn die 60º.

De rode hoek van 60 ligt op een rechte lijn naast een paarse hoek. Samen zijn deze 180, dus de paarse hoek is 120. In de gelijkbenige driehoeken met de groene en paarse hoeken, blijven na aftrek van 180 – 120 = 60 over: Iedere groene hoek is 30º.

Gisteren stelden we vast dat de rode en de groene hoek samen een rechte hoek vormen = 90, dat hebben we hiermee dus bewezen.

We zijn nog niet klaar met onze ontdekkingsreis langs de hoeken. We nemen deze tekening weer:

meetkunde-72

We weten al een hele tijd dat AB een zesde deel van de cirkelboog is. Omdat de hele cirkelboog 360 is, is het stuk AB dus 60º.

Toen we voor het eerst kennis maakten met de graden, maakten we de tekening dat de puntjes van de cirkelboog loodrecht op de middellijn vallen.
Dat geldt ook voor de (denkbeeldige) puntjes op de cirkelboog AB. Dat betekent dat het lijnstuk AB ook 60º is.
Wanneer we de hoeklijnen van M volgen, komen we bij A en B uit. Hoek M, dat hadden we al gevonden, is ook  60º en nu zien we dat hoek M en het lijnstuk AB een soort eenheid vormen. Hoek M is dan ook eigenlijk hoek AMB. We ontdekken ook dat, wat de graden betreft hoek M = AB.

Hoe zouden we hoek M kunnen noemen. Het is de hoek van het middelpunt, dus ligt het voor de hand dat deze middelpuntshoek heet. Die is even groot als het lijnstuk waar hij bij hoort en bij de boog die daar weer bij hoort. Natuurlijk heeft die lijn ook een aparte naam: koorde: de lijn die twee punten op de cirkelboog verbindt.

Wat kun je nu ook van de middellijn zeggen? Het is de langste = grootste lijn die 2 punten op de cirkelboog verbindt, dus mag hij de grootste koorde worden genoemd.

De boog die bij de koorde hoort, zou natuurlijk koordeboog moeten heten, maar dat woord wordt zelden gebruikt.

De naam van het vlak tussen de boog en de koorde heet segment.

Nu kunnen we zeggen dat de middelpuntshoek even groot is als de koorde waar hij bij hoort en ook omgekeerdL weet je hoe groot de koorde is, dan weet je hoe groot de hoek is die erbij hoort.

We zien op de tekening hierboven dat er ook op de omtrek van de cirkel hoeken kunnen liggen. Vanzelfsprekend hebben die de naam  omtrekshoek. Wat kunnen we daarover te weten komen?

meetkunde-74

Dit is de tekening die we zojuist ook maakten: MA = AB. We weten al dat hoek A = 60. Hoek A is eigenlijk hoe CAB wat betekent dat de hoek bij de koorde(boog) CB hoort. Die is 180 – 60 = 120. Hoek A is als omtrekshoek even groot als de helft van de koorde die bij hem hoort.

Misschien heb je in klas 5 in de geschiedenisperiode waarin Griekenland aan bod kwam, iets verteld over Thales. Anders kun je dat nu doen.

Van hem stamt een stelling, je zou kunnen zeggen een wet waaraan niet te tornen valt: het is altijd zo!

Als de omtrekshoek de middellijn omsluit, is deze hoek 90º, waar deze zich ook bevindt:

meetkunde-75

Hoek C, D en E behoren als omtrekshoek bij de grootste koorde = AB = 180º en zijn daarvan de helft, dus 90º.

Dit gegeven is ook weer kunstzinnig te verwerken:

meetkunde-76

Ga uit van een middellijn; richt de loodlijn op; trek de loodlijn, ook naar de tegenovergestelde cirkelboog. Maak de omtrekshoeken. Deel de koordelijn doormidden; pas de helft af op de overige koordebogen en maak op de punten de omtrekshoeken; ga zo door.

Kleur kan, maar hoeft niet; ook zwart-wit is mooi:

meetkunde-77

Als afronding van ‘de hoeken’ zou je nog de volgende kunnen aanleren:

meetkunde-78

Lijn a en b lopen parallel; ze worden gesneden door lijn c die met lijn a de hoek A en met lijn b de hoek B vormt. Hoek A en B bestaan beide uit 4 hoeken.

Wanneer we uit A op a naar links omcirkelen met de afstand AB (op c) ontstaat de gelijkzijdige driehoek ABC en wanneer we dit vanuit B op lijn b doen naar rechts de gelijkz. driehoek ABD. De driehoeken zijn gelijk, de hoeken ook. Dat betekent dat hoek A3 even groot is als hoek B2. Deze hoeken kun je a.h.w. verwisselen. Omdat ze binnen de parallelle lijnen liggen heten ze:
verwisselende binnenhoeken – zijn even groot.

Voor hoek A2 en hoek B3 kunnen we hetzelfde verhaal houden: ze zijn even groot, maar liggen nu buiten de parallelle lijnen en daarom heten deze hoeken:
verwisselende buitenhoeken – zijn even groot.

De hoeken A1 en B1 (de hele hoek – de lijn CB is niet van invloed) zijn precies dezelfde hoeken, die heten:
overeenkomstige hoeken – zijn even groot.

De hoeken A1 en A2 liggen naast elkaar en heten:
nevenhoeken – zoals we al geleerd hebben:  zijn samen 180º

De hoeken A1 en A4 staan tegenover elkaar en heten:
overstaande hoeken – ze zijn evengroot

Met de opdracht om nog een fraaie tekening met de stelling van Thales te maken en alle hoeken van de hoekentekening te benoemen – ze kunnen dubbele namen hebben, is deze dag ten einde.

vijfde dag

De herhaling van dag 4 is belangrijk om al de nieuwe stof te laten beklijven. Wanneer je te snel verder gaat en de leerlingen maken zich de stof niet eigen die je behandeld hebt, is het net of het toch niet zo belangrijk is. als je het zelf niet belangrijk genoeg vindt, kan je het beter achterwege laten. Doe je het wel, dan moet je zorgen dat het bezit wordt van de leerlingen.
Dat betekent ook: oefenen met opdrachten.

Bijv.:
=Teken door een punt S drie lijnen. Geef de zes hoeken, die er ontstaan, met cijfertjes aan. Noem nu van elke hoek de beide nevenhoeken. Noem ook van elke hoek de overstaande hoek. Hoe groot is de som van alle zes de hoeken? Doet het er wat toe hoe groot de hoeken afzonderlijk zijn?

meetkunde 79

=Hier is /_ A3 = 20°. Hoe groot is /_ A1 en /_ A2?

=Een hoek is even groot als zijn nevenhoek. Hoe groot is die hoek?

=Twee overstaande hoeken zijn eikaars complement. Hoe groot is elk?

De begrippen complement en supplement zijn nog niet genoemd. Dat kan nu:
complement: twee hoeken waarvan de som 90º is heten elkaars complement

suppplement: twee hoeken waarvan de som 180º is heten elkaars supplement

=Een hoek is 2 x zo groot als zijn nevenhoek. Hoe groot is die hoek?

=Het verschil van twee nevenhoeken is 40°. Bereken ze allebei.

Je kan er zelf ook bedenken, maar de leerlingen snappen het pas echt als ze zelf opgaven – met het antwoord – kunnen maken en aan elkaar voorleggen. (Bijv. in groepjes van 2)

Omdat het volgende week de 4e en laatste week is van de periode, is het goed dat er niet te veel werk onafgemaakt blijft. Daarvoor zou je de resterende tijd van deze vijfde dag kunnen gebruiken.
Voor wie klaar is, bestaat weer de mogelijkheid om met alles wat tot nog toe geleerd is, een kunstzinnige tekening te maken.

meetkunde 80

Veel behandelde hoeken zichtbaar, evenals de koorden en segmenten; gelijkzijdige en gelijkbenig, ook rechthoekige. Een mooie vondst!
(Toch kan de leerling, na het compliment (geen complement) worden gevraagd de tekening nog eens te maken met dunnere potloodpunten, dunner aangegeven verdeelpunten en dunnere verbindingslijnen, exact getrokken – dit is te slordig).

.

suggesties voor de periode:

1e week
2e week
4e week

6e klasalle artikelen (waarbij de meetkunde-artikelen)

meetkundealle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 6e klas- meetkunde: alle beelden

.

1227-1146

.

..

VRIJESCHOOL – 1e klas – heemkunde (2-2)

.

Dit verhaaltje zou ook in een 2e klas nog gebruikt kunnen worden. 
Het gaat er bij heemkunde vooral om dat er verwondering kan zijn; dat de hele wereld nog met elkaar spreekt e.d (zie heemkunde [2]  en [3] bijv.

In de volkscultuur van vele landen bestaan kleine verhalen over ‘hoe iets aan zijn naam is gekomen’. 
Met name is daar sprake van in de zgn. ‘christuslegenden’ of soms ‘christussprookjes’ genoemd; ook wel ‘marialegenden’. (zie kerstverhalen)

.

Hoe het sneeuwklokje zijn naam kreeg

Het was zomer toen God de vader de aarde schiep en alle kleuren verdeelde. Alleen de sneeuw werd vergeten. De engelen hielpen mee. Het gras werd groen, de rozen rood en de hemel blauw. En zo kreeg alles zijn kleur. Maar toen de sneeuw naar beneden dwarrelde, had ze geen kleur en ze stapte naar God en sprak: ‘Moet ik zo door de wereld gaan?’

Nee, dat was niet de bedoeling, maar helaas waren de kleuren op en zat er voor de sneeuw niets anders op dan door de wereld te trekken en iemand bereid te vinden zijn kleur met de sneeuw te delen.

Eerst kwam de sneeuw bij de roos. Maar die wilde niet delen. Ze riep: ‘Koude sneeuw, ga weg of ik prik je met mijn doorns, want jij bijt mijn bladeren en knoppen af!’
Ook bij de gele dotters ving de sneeuw bot. ‘Wij hebben geen geel over’, spraken ze, “wees liever blij dat niemand je koude vlokken kan zien!’
Toen de sneeuw verder trok en bij de blauwe klokjes kwam, verborgen deze zich angstig in het gras. Voort ging de sneeuw van bloem tot bloem, naar de stenen en het gras, naar de bomen en de zee, zelfs naar de mensen en de dieren, maar niemand wilde zijn kleur delen.

Ten slotte bleef er nog een klein wit bloempje over. ‘Jij bent de laatste aan wie ik het kan vragen’, sprak de sneeuw verdrietig, “maar je zult ook wel niet willen delen’.
Het bloempje evenwel sprak: ‘Als je werkelijk wit wilt worden, dan weet ik wel raad. Want het zou erg gesteld zijn met Gods schepping, wanneer niemand wat hartenwarmte heeft om zijn kleur met je te delen’.
En het bloempje schraapte iets van zijn witte kelkje en gaf dit aan de sneeuw. En zo kreeg de sneeuw de helderste en reinste kleur van alle schepselen.
En tot het bloempje sprak de sneeuw: ‘Jij zult in de lente de eerste zijn. En zelfs als je door mijn kleed heen groeit zal ik je nog geen pijn doen’.

En dit bloempje was natuurlijk het sneeuwklokje en als je goed kijkt zie je dat het kleine groene puntjes heeft op de plek waar het iets van zijn witte pracht heeft afgeschraapt om met de sneeuw te delen.

*deze titel gaf ik er aan – er stond slechts: een Noors volksverhaal. Bron onbekend)

.

1e klas heemkundealle artikelen

Heemkundealle artikelen

1e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld1e klas: alle beelden

.

1226-1145

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – (Kring)spelen (3)

.

HERDER, LAAT JE SCHAAPJES GAAN

Jaren geleden probeerde Melly Uyldert de kinderspelen als ‘verborgen schat’ voor de lezers van haar blad ‘De kaarsvlam” uit te leggen.

Over dit spelletje zegt ze:

Het mooiste en diepzinnigste van deze groep van kinderspelen, die de overgang der zielen van de ene bestaanstostand in de andere weergeven, is waarschijnlijk wel: „Herder, laat je schaapjes gaan!”

Tussen twee evenwijdige strepen ligt het veld, waar de schaapjes doorheen moeten trekken. Dat is ook zo bij ‘Schipper mag ik overvaren’ en bij ‘overlopertje’ dat ervan is afgeleid. Achter de ene streep staat een herder met zijn kudde, achter de andere een andere herder, die de eerste uitnodigend toeroept:  Er is ook een middenstreep, zodat er twee velden zijn waar de schapen overheen moeten, de ‘dreef’ of ‘drift’.

De ene herder:

Herder, laat je schaapjes gaan!

Waarop de herder antwoordt: Ik durf niet!

Waarom niet?

Om de boze wolf niet!

De boze wolf zit gevangen tussen twee ijzeren tangen,
tussen zon en maan — herder, laat je schaapjes gaan!

De wolf zit inderdaad in een hok aan de zijkant van het veld. Maar als de herder in goed vertrouwen zijn schaapjes naar de overkant jaagt, springt hij te voorschijn en pakt zoveel schaapjes als hij kan, die hij in zijn hol sleept. De anderen bereiken de veiligheid achter de streep en nu begint het spel opnieuw in omgekeerde richting, net zo lang tot alle schaapjes door de wolf gepakt zijn.

Wat betekend dan toch eigenlijk dat: tussen zon en maan?

Om dat te begrijpen, moeten wij ons verplaatsen in de zielstoestand van onze voorouders, voor wie het duister dezelfde beangstigende gedaante had als nu voor onze kinderen, als zij ’s avonds — half slapend, half wakend — alleen in de donkere slaapkamer liggen. Vaak hebben zij dan angst voor een wolf, het zinnebeeld waarin zich ook in de droom allerlei angsten vertonen, in de eerste plaats de driften, die het geweten verontrusten: begerigheid, drift, onwaarachtigheid. De wolf is tegelijk symbool voor de uiterlijke en voor de innerlijke duisternis, en zo vinden wij dit beeld ook in de oude Germaanse mythen terug: de Fenriswolf, de vijand der zielen. In de Germaanse voorstelling worden zon en maan vervolgd door twee wolven uit het geslacht van Finrir: de een jaagt de zon na om deze te verslinden en de ander loopt voor de zon uit en probeert de maan te grijpen. De wolf Fenrir wordt ook wel voorgesteld is de verslinder van zon en maan zelf. De Asen namen hem gevangen en boeiden hem met de toverband Gleipnir en werd daarop tussen twee rotsen (de tangen?) vastgemaakt.
Wanneer de schemering over het land komt aansluipen als een alles verslindend dier, wordt de kinderlijke mens zich van gevaar bewust. Gelukkig als het verdwenen zonlicht spoedig door het maanlicht wordt vervangen, dan zit de duisternis gevangen tussen zon en maan! — (De voorstelling van de duisternis als wolf komt nog voor in de Franse uitdrukking voor de schemering tussen dag en nacht: entre chien et loup.)
De boze wolf loert in de ziel gedurende de overtocht van het bewustzijn van waken naar dromen. Dan zijn de gedachten en gevoelens zonder herder.

De herders zijn Anne en Holda, (de geboorte- en de doodsengel), Oerd en Skoeld, de eerste en de derde norne; de ene roept, de andere laat gaan. Het veld is het aardse leven, waar de zielen bedreigd worden door de boze wolf als het Kwaad. Eenmaal in zijn macht kunnen de zielen na hun dood niet in de hemel komen, maar moeten in het vagevuur blijven. De wolf als personificatie der duistere machten bedreigt de zielen in het niemandsland tussen hemel en aarde op hun weg heen of terug.

Het veld van gevaren is ook hier de stroom van vergetelheid, en men zou kunnen zeggen: de wolf is het vergeten, dat de ziel grijpt wanneer zij zowel bij haar neerdaling in het embryo als bij haar terugkeer uit andere werelden bij het ontwaken elke ochtend, de herinnering aan de hemelse heerlijkheid verliest. Zij zou die willen behouden, maar ze wordt haar afgegrist door de wolf, het dagverstand met zijn grote muil. Dezelfde muil verslindt alles wat de ziel zich op aarde verzameld had, bij haar overgang naar het hiernamaals.

De schapen kunnen de wolken voorstellen. De wolken staan onder Odin, de god van hemel en sterren. Odin is dan de schaapherder. Hij wordt door Fenrir belaagd en is niet veilig voor deze is geboeid. Daarom durft de herder zijn schapen niet te laten gaan vóór de wolf gevangen is. Wanneer de herder daar gerust op is, laat hij zijn schapen gaan. Maar de wolf rukt zich los en werpt zich op zijn vijanden. De dag van de wereldstrijd is aangebroken. De Asen zullen te gronde gaan.

De wolf, als men denkt aan de wolf Fenrir uit de Edda, kan ook gezien worden als de gestalte van Saturnus of Satan, die de mens zwaar op de proef stelt door hem sterk in zijn eigen ik te isoleren, gedrukt door een te zwaar verantwoordelijkheidsbesef. Wanneer het volle maan is en Saturnus midden tussen Zon en Maan staat, lijkt dit op de situatie als van de twee herders tegenover elkaar met de wolf er midden tussenin. Saturnus maakt dan een vierkant (rechte hoek) zowel op de Zon als op de Maan, en wie bij zo’n constellatie geboren wordt, heeft zijn leven lang zwaar door Satumus te lijden, die voelt zich eenzaam en in zijn ik opgesloten, inderdaad in het hol van de wolf, die ook de dood voorstelt, die tussen de levengevers Zon en Maan niet veel kon uitrichten, (Goethe had een dergelijke geboorte-figuur: Zon op de midhemel, Maan op het diepste punt en Saturnus op de ascendant.) Satumus is echter tegelijk dóór zijn streng gezag ’s mensen geweten en tevens zijn i n w ij d e r, die hem door de beproevingen verder brengt. De mens moet door de onderwereld (het onderbewuste) van zijn eigen ziel gaan, zoals dat in de oudheid bij de mysteriën gebeurde en tegenwoordig bij een goede psycho-analyse, om tot de waarheid en ten slotte de geestelijke wereld der eenheid te geraken. Zo gaat men als het ware bij levenden lijve reeds door zijn vagevuur. Dat is het hol van de wolf.

Zo zien wij in dit spel niet alleen de drie gebieden als de voorgeboortelijke sfeer van Anne, de aardse sfeer en de sfeer hiernamaals van Holda, maar ook als de drie fasen van het ontwikkelingsproces der ziel: de eerste als het onbewuste leven van de naïeve ziel, omgaand met voorstellingen (beelden); de tweede als het bewuste ik-leven, te midden van abstracte gedachten (zoals Satumus de mens geeft) en de daaruit gevlochten problemen; en de derde als de fase dergenen, die Satumus wel ontmoeten, maar niet in zijn macht geraken en tijdig de synthese der tegenstellingen ontdekken, dus de eenheid bereiken, de reïntegratie.

Het ontkomen aan de wolf en zelfs het uiteindelijk overmeesteren van deze macht: duisternis, waan, begeerte, beperkt verstand, eigenwaan, onwaarachtigheid, is hèt grote motief, in het zieleleven van ieder mens, in occulte scholing, weergegeven in spel en sproke en mythe: Edda, Roodkapje, De wolf en de zeven geitjes!

Roodkapje was zeven jaar, toen haar grootmoeder ziek werd. De leeftijd waarop het kind naar school gaat en in de macht van de wolf geraakt. Met het rode kapje van begeerte had het ikje zich afgesloten voor de inspraak der natuur en betrad zelfstandig de dwaalwegen in het woud des levens. Edda betekent tegelijkertijd grootmoeder en oude wijsheid. Zij was verzwakt en werd een gemakkelijke prooi van de wolf, die zich, met grootmoeders muts op, aan het ikje voordeed als de oude wijsheid. En ook haar, Roodkapje, verslond! Maar Vidar verslaat Fenris, de jager doodt de wolf, bevrijdt het ik uit de donkere buik van de waan, en zie: daar komt de oude grootmoeder mede te voorschijn! Want het ik, dat zich bevrijdde van de dwingelandij van het lagere verstand, herkreeg het intuïtief begrip van de wijsheid der voorouders! Ook in de grote ontwikkelingsgang der mensheid komt een punt, waar de wolf verslagen wordt en een betere tijd begint.

Nemen wij een voorlopig afscheid van de drie hoedsters der zielen in het kinderrijmpje:

Daar waren eens drie eendjes in een pontje;
het ene heette Bontje,
het tweede heette Gontje,
en het derde heette Klisklasklepelklontje!
Dat vond eens een klontje, en wou het niet geven aan Bontje;
toen nam Bontje een steen,
en gooide die naar Klisklasklepelklontjes been!
Wel foei, Bontje, zei toen Gontje, neem jij een steen,
en gooi jij die naar Klisklasklepelklontjes been!?

In elk geval: Bontje, Gontje en Klisklasklepelklontje, ze zijn er nog! Met dwang en geweld kan men de voorstellingswereld van een volk veranderen, nieuwe namen gevend aan levende zielebeelden. Al werden haar afbeeldingen in steen tot een lieflijke onbekendheid, al vermomde het bakerrijmpje ze als eendjes en verbasterde men haar namen — het volksgeheugen is trouw: het beeld der drie jonkvrouwen is uit de volksziel nimmer uitgewist — het leeft nog vandaag de dag!

Melly Uyldert in diverse artikelen

peuters/kleuters: alle artikelen

1225-1144

.

.

VRIJESCHOOL – Schimmenspel

.

SCHIMMENSPEL

Wat voor een stemming roept het in ons op als we met een nevelige herfstdag naar buiten lopen en toeschouwer zijn van de vormen en kleuren om ons heen.

De nevel verstilt de bomen, de huizen, een koe op het.weiland; het is of een onzichtbare sluier iets gevangen houdt van de ware vorm, de ware kleur. Meestal krijgen wij, mensen, ook iets verstilds, gedrukts, tastends, omdat we ons niet uiteen kunnen zetten met de omgeving.

De lijsterbes, de appelboom in de tuin krijgen iets onwezenlijks, het huis aan de overkant vervaagt, was de schoorsteen lang of kort? Alles doet een appèl aan je herinnering – hoe was het ook weer –

Dan komt het moment dat de zon het wint van de grijsheid, er gaat zich iets oplossen, de kracht van het licht breekt door en soms verrassend snel is alles er weer: de rode bessen aan de lijsterbes, de gele appels in de appelboom, de schoorsteen van het huis aan de overkant.

Hoe kunnen we voor onszelf in de duisternis het licht gaan beleven: door de innigheid op te roepen, kleur aan te brengen aan onze belevingswereld, wat alleen kan als het licht eraan meewerkt. Dat is het boeiende, inspirerende van bijv. transparanten maken met zijdevloei, juist in dit jaargetij.

Een vorm die voor het hele gezin en ook voor allen die pedagogisch of kunstzinnig werken in welke zin dan ook, een avontuur kan zijn, is het aloude schimmenspel. Daarin zijn geweldig veel mogelijkheden. Het doek is altijd het uitgangspunt. De zijde waar het spel zich afspeëlt is goed belicht; de toeschouwer zit aan de andere kant in het donker. Als men zoiets gaat ondernemen moet men weten dat de spelers altijd schimmen zullen blijven; het kost het uiterste aan uitbeeldingsvermogen.

Een andere mogelijkheid is op het doek een decor aan te brengen van dun karton, daar bewegen zich uitgeknipte figuurtjes heen en weer langs het doek.

Jaren geleden in de Michaelstijd hebben we met een groep ouders en een kleuterleidster een prachtige Michaelslegende gevonden en getracht dit in een schimmenspel te verwerken.

Het werd een reis langs alle soorten materiaal, en van het schuchtere op weg gaan werd het jaar na jaar anders terwijl het motief hetzelfde bleef. Onze indruk was dat zwart-wit voor de kinderen niet aanvaardbaar is. Tussen het licht en het duister ligt een gebied van de kleur en dat neemt het kind in zich op, daarin beleeft het alle zielestemmingen van het verhaal. We vonden dat het decor levendigheid kreeg door het gebruik van zijdevloei en schapenwol.

Werkwijze:
Het contour wordt geknipt uit niet te dik karton; er blijven grote ruimten over waar we het materiaal gaan inwerken, maar eerst moeten we houvast hebben.

schimmenspel-1

witte lijnen: de uitgeknipte contouren met gekleurde schapenwol

schimmenspel-2

kartonnen groepje kan berg op en af

Structuur:
U werkt aan één motief waar het hele verhaal zich af kan spelen, vooral niet teveel hooi op de vork nemen, want alles wat open is vereist een werkstuk. U kunt dan beter later nog voorzichtig wat wegknippen.

Dan nemen we een oud stuk laken (wel gaaf), leggen het goed plat; de contour wordt er opgelegd; kijkt u goed naar de verhoudingen – onder kunt u een flinke baan karton overhouden, dat valt straks weg als we met gordijnen gaan opbouwen.

We lijmen wet transparante ljjmstift prit of pelistift de contour op het laken, zijkanten en onderkant kunnen zelfs even vastgeniet. Maar het moet niet zichtbaar zijn.

U weet dat wat u rechts uitwerkt – links gezien wordt en andersom!

Nu zoekt u in een of andere kamer of op zolder een werkterrein; het geheel wordt opgehangen, zó hoog, dat u er zelf makkelijk bij kunt en misschien zelfs zó, dat de kinderen eraan mee kunnen gaan helpen. Achter is een bureaulamp opgesteld die uw werkterrein verlicht, voor het doek moet genoeg ruimte overblijven om toeschouwer te kunnen zijn.

Nu gaan we aan het werk en steeds wordt het een kiekeboespel: ‘Achter maak ik iets wat ik voor kan bekijken’, denkt u eraan dat u niet in de lamp kijkt, dat is storend voor het beeld. Het moet alleen licht zijn.

We nemen alle kleuren zijdevloei die er in de handel zijn en gekleurde schapenwol en gaan nu als het ware schilderen, boetseren met dit materiaal.

Met zijdevloei kunt u grillige vormen scheuren, knippen als iets een speciale vorm moet hebben en voorzichtig frommelen, dan krijgt u onverwacht schaduwen en verdiepingen, die u goed kunt gebruiken bij rotspartijen, gebergten, stammen en takken en bladerdak van geboomte, struikgewas. Nooit te precies, iets aan het toeval overlaten en aan de fantasie.

De vaste contourlijnen van het karton gebruikt u om het zjjdevloei vast te plakken, ook weer met stift. Er ontstaat een ondergrond waar we met al de voorgenoemde technieken kunnen verdergaan. Lijmt u nooit grote delen op elkaar, maar hier en daar iets, zodat het net vast zit, dan blijven nog genoeg openingen om een ander kleurtje tussen te schuiven en zelfs bepaalde lijnen die er niet moeten zijn met gekleurde schapenwol weg te werken; gaat u mee met het landschap, gebergte of glooiing, u zult zien, al doende krijgt u het te pakken.

De figuurtjes worden niet te star in de vorm uitgeknipt, zodat het vrolijke, het statige, het sombere, als houding naar voren komt, bedreven mensen kunnen zich wagen aan bijv. beweegbare armpjes. De figuurtjes krijgen een stevig kartonnen voetstuk. In een doe-het-zelfzaak zijn dunnen houten roetjes te krijgen die we van boven iets splijten en met wat bisonkit of iets dergeljjks wordt het kartonnen voetstukje in het spleetje vastgelijmd. Er is nu een goed speelstokje aan het figuur. De haren kunnen weer van schapenwol zijn.

De belichting:
Zijn nieuwsgierige, inventieve vaders en grote zoons al eens komen kijken, dan moeten ze een kriebelgevoel krijgen: hier wil ik wel een belichting bij maken! – Zo niet, gaan we zelf experimenteren, hebben wij ook gedaan.

We zijn begonnen met de bureaulamp en geëindigd met een
dia-projectieapparaat! Goed neergezet krijgen we daarvan een mooi basislicht. Wij kochten verschillende kleuren cellofaan. Het best hanteerbaar zijn stukken van boven en onder vasthechten aan karton en-dan heen on weer bewegen dichtbij de lichtbron. In een later stadium kwamen we op het idee een raamwerk te maken; door lagen op elkaar te leggen van het cellofaan kunnen we kleuren verdiepen en veranderen in de stemmingen die opgeroepen worden. Dit alles in de volgorde van het verhaal.

Dit moet voor ieder een eigen ontdekkingstocht zijn.

Als alles geschapen is, gaan we spelen. Eén leest of vertelt het verhaal maar met een beweeglijkheid, omdat de spelers begeleid moeten worden – ook kun je ineens het idee krijgen: hier hoort wat muziek bij en dan wordt de lier of de fluit bijv. erbij gehaald.

De generale repetitie volgt: op de plaats waar echt het schimmenspel zal uitgevoerd worden, moet het doek voorzichtig overgebracht. Het beste kan boven en onder een lat getimmerd, misschien iets om al bij de eerste bewerkingen stil te staan; anders trilt al uw mooie zijdevloei en schapenwol van de plaats. Een gordijn hangt u aan de onderste lat op, zodat het tot de grond rijkt. De spelers moeten niet zichtbaar zijn. U zult zien: de uitvoering is kostelijk en ik hoop dat het u zo vergaat als bij ons. Het wordt elk jaar weer: ‘uit de mottenballen gehaald’, iets bijgewerkt en weer beleefd: in de duisternis het licht te plaatsen en de innigheid op te roepen, kleur te brengen aan onze belevingswereld.

Heel in het kort volgt hier ‘onze’ Michaelslegende.

Het begint al met een prachtig beeld: Er was eens lang geleden een eiland dat klein en verlaten in de grote wereldzee lag. Machtige golven kwamen aanrollen en spatten in glinsterende druppels waarin de zon duizend keren weerspiegeld werd op de rotsen uiteen. Hier en daar was er tussen de rotswanden een kleine inham. Daar rolden de golven statig naar binnen, hielden hun wildheid in toom en bereikten tenslotte het strand als vriendelijke bezoekers, waar ze met een laatste buiging van het glinsterende water een schat van geschenken achter lieten op het strand.
Dichtbij het strand stonden armelijke vissershutjes. De.kinderen speelden veel op het strand. Eén van hen was Angelina die met een ziek voetje geboren was en hinkend door het leven moest gaan. De kinderen waren altijd blij als ze in de buurt was omdat zo altijd vrolijk was en grapjes maakte. Aan de andere kant van het eiland was het gevaarlijk. Angelina’s vader, de visser, had het zelf gezien en verteld dat diep onder de aarde een draak huisde. Soms zagen ze zelfs de dikke dampen en hoorden ze het gerommel.

Toen dat eens weer zo was in de avond, klommen de vissers met hun vrouwen en kinderen langs het bergpad omhoog naar een kapel waar ze kaarsen ontstaken en een vurig gebed zonden naar de aartsengel Michael. Een van de jongetjes die al gauw genoeg had van het bidden, liep naar buiten om steentjes te rapen en deze met een wijde boog naar beneden te gooien. Eensklaps bleef zijn arm in de lucht hangen, hij merkte het zelf niet eens, rende terug naar de kapel en riep de mensen toch vlug naar buiten te komen, zelf hielp hij Angelina. Toen zagen ze allen dat een lichtende boot zich voortbewoog naar het eiland, met een gouden gestalte, in de hand een opgeheven zwaard. Ze keken toe hoe de gestalte uitsteeg en zich vastberaden naar de plek des onheils richtte. Met angst in het hart zagen ze de gestalte verdwijnen in de dikke vuile dampen en het gerommel zwol aan. Plotseling, na een heldere lichtstraal was er stilte en een weldadige rust kwam in de mensenharten en over het eiland.

De lichtgestalte keerde terug, lang nagekeken door het vissersvolk. De vissers die de volgende dag vroeg op zee waren hadden nog nooit zo’n vangst gehad. Dankbaar waren allen en zo gingen ze op weg naar de plaats waar het wonder was geschied. Op de plaats waar vroeger de dampen en het gerommel opstegen hoorden ze nu het geklater van een bron dië ontsprong uit de rotsen. Angelina zat met haar blote voetjes in het bronwater, maar nauwelijks had ze het aangeraakt of ze voelde dat ze weer krachtig op haar benen kon staan, ze kon weer huppelen en springen net als de andere kinderen. Vele mensen trokken naar de bron, zieken vonden er genezing en in de kapel werden vele kaarsen ontstoken; een dankgebed vervulde de ruimte.

Schoolkrant vrijeschool Den Haag, nadere gegevens onbekend

Je kunt ook eens een keer, bijv. met een 5e klas, een schimmenspel maken van o.a. een sprookje van Grimm.
Als je veel aan de kinderen zelf overlaat, komen je de mooiste vondsten tegemoet. Op allerlei gebied: hoe pas je de tekst aan; wat laat je zien; wat kún je (technisch) laten zien; welke spullen heb je allemaal nodig. Ze zullen veel vragen aan je stellen waarop je ook samen weer antwoorden kan vinden: uiteindelijk moet jij als leerkracht soms besluiten.
Omdat er door de kinderen veel samen moet worden gewerkt bij het ontwerpen en uitvoeren, is het ook zeer werkzaam voor het gevoel van ‘samen’: het sociale.
.

Suggesties: altijd welkom:  vspedagogie voeg toe apenstaartje gmail punt com

handschaduwbeelden

1224-1143

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – carnaval (21)

.

CARNAVAL EN RELIGIE

Inleiding

Carnaval is in oorsprong en diepste wezen een religieus feest. Deze stelling te verdedigen is niet zo moeilijk, al kan ik mij voorstellen dat voor veel lezers van een periodiek, verschijnend in het protestants-christelijke Noorden een extra dosis argumenten nodig is. Wellicht voelt men zich een beetje gerustgesteld door mijn aarzeling de vorige stelling om te zetten in de stelling: carnaval is in oorsprong ert diepste wezen een christelijk feest.
Binnen het bestek van een artikel diep op deze stelling ingaan is onmogelijk; ik kies bewust voor enigszins ‘anecdotische prikkelliteratuur’. De snelwandeling door de geschiedenis kan mij op het verwijt komen te staan dat deze beschouwing een modelvoorbeeld is van de drie spijkers-theorie, omdat ze op basis van enige elementen uit de Oudheid, het begin van de jaartelling en de Middeleeuwen vérgaande conclusies trekt. Het zij zo.

Carnaval een religieus feest?
Juist de laatste jaren is onder aanvoering van Dietz-Rüdiger Moser een nieuwe discussie opgelaaid over de oorsprong en de diepste betekenis van vastenavond.(1) Voor hem en zijn epigonen is er nauwelijks ruimte voor twijfel; de vastenavond is een christelijk feest, waarvan de oorsprong zeker niet eerder gezocht hoeft te worden dan de elfde of twaalfde eeuw.

Moser en velen voor hem zijn evenwel de frappante – hierna nog te bespreken – overeenkomsten met voor-christelijke feesten niet ontgaan. Hoe zijn die te verklaren? Van historisch onaantastbare continuiteitslijnen is zeker geen sprake. Zijn er schijnbaar spontaan – soms met intervallen van eeuwen – steeds weer met carnaval verwante feesten ontstaan? Zijn deze mogelijk steeds weer bewust heringevoerd “durch absicht-voller Rückgriff nach fast einem Jahrtausend”(2), met een volkomen andere “intentionaliteit”?

Om van opmerkelijke overeenkomsten met andere oude feesten te kunnen spreken, moet men op zijn minst aangeven wat men als wezenskenmerken van carnaval beschouwt en welke gemeenschappelijke noemers men meent te kunnen ontdekken in de hedendaagse vastenavond-viering en voor-christelijke feesten en gebruiken. Als wezenskenmerken beschouw ik: nieuwjaars- en lenterituelen, godenbruiloft, dood of herrijzenis van een (god)koning, initiatiefeest, rolomkering of tijdelijke maatschappelijke gelijkheid.

Verwante voor-christelijke feesten (3)
Voor Mesopotamië weet Gudea van Sirgulla al voor 2600 voor Christus te melden dat er bij gelegenheid van het Zagmuk-Nieuwjaars of Sacaea – feest, medio maart, niet gewerkt mocht worden, dat de slavin gelijk was aan haar meesteres en dat de slaaf ging aan de zijde van zijn heer. Een prachtig pronkschip op wielen werd in processie naar het heiligdom van Marduk gevoerd.
Vele eeuwen later noemt de priester-historicus Berosus (340-270 v. Chr.) in zijn Babylonica als hoofdpersoon aan boord van dit cultische wagenschip een zekere Zoganes. Dit blijkt een in koninklijke gewaden gehulde misdadiger die gedurende enkele dagen aan het einde van het jaar de rol van koning mag spelen met alle lusten en lasten van dien. Op de laatste dag van zijn heerschappij vindt een huwelijk plaats tussen hem en een priesteres, die de rol van de godin Ishtar vertolkt. Dit huwelijk wordt door velen gezien als een afspiegeling van het heilige huwelijk dat zich op 21 maart zou voltrekken tussen Vader Zon en Moeder Aarde; de ‘aardse’ huwelijken hadden mede ten doel de góden te herinneren aan hun jaarlijkse hernieuwing van dit heil- en vruchtbaarheid-brengende Heilig Huwelijk.
Na de trouwerij wordt Zoganes de koninklijke mantel uitgetrokken, krijgt hij zweepslagen en wordt terechtgesteld.

Zulke ceremoniele rituelen bij gelegenheid van het Nieuwjaarsfeest, steeds uitmondend in het offeren van de koning of een plaatsvervanger, zijn in de antieke culturen wijdverbreid. De oergedachte welke eraan ten grondslag ligt, is dat de godheid aan het eind van het jaar moet sterven voor de zonden van het volk, opdat het volk het nieuwe jaar met een schone lei zal kunnen beginnen. Er is dus sprake van een zuiveringsrite.

Doch terug naar het koningsoffer waarmee men de god van de vruchtbaarheid mild hoopte te stemmen. Daardoor werd het koningschap per definitie een eenjarige aangelegenheid. Het mag dan ook geen verwondering wekken dat onze verre voorvaderen gezocht hebben naar een oplossing voor dit dilemma. Zij meenden dit te vinden door het inschakelen van een plaatsvervangend of substituut-koning, ook wel Sarpuchi genoemd.(4) Deze kon dan, zonder een gevaar te zijn voor het koningshuis, na korte tijd om het leven gebracht worden.

Dat het echter wel eens mis kon lopen, bewijst het volgende verhaal dat zich afspeelt in het jaar 2050 voor Christus. (5) In dat jaar was Era-Immitti uit de dynastie van Isin koning van Sumerië en Akkadië. Tijdens de boeteceremonie aan het eind van het jaar, maakte ook hij plaats voor een ruilko-ning, in het onderhavige geval zijn tuinman Ellil-Bani. En zie, altijd overtreft de werkelijkheid de stoutste fantasie, want wat gebeurt? Era-Imitti sterft tijdens dit feest en tuinman Ellil-Bani zou nog 24 jaar aan het bewind blijven.

Soortgelijke berichten zijn er ook voor Egypte (feesten van Isis en Osiris), voor Griekenland (rond Dionysos en Kronos; de Anthesteria en Kronia) en voor het Romeinse Rijk (de Saturnalia en de Lupercalia).

Een enkel woord over de Saturnalia. Bij dit oud-stedelijke Oudejaarsfeest eerde men de god Saturnus. Hij leerde mensen de akkerbouw en herinnerde de Romeinen aan de ‘gouden eeuw’, waarin eenieder gelukkig was en er geen slavernij bestond. De heren bedienden hun slaven en droegen op het hoofd de ‘pileus libertatis’, de muts voor de vrijgelaten slaven.(6)

Ook tijdens deze Saturnalia werd een schijnkoning gekozen en wel door het lot.(7) In het jaar 303 na Christus viel dit in het Romeinse legerkamp Durostorum in Moesië op een zekere Dasius. Deze nu was Christen en weigerde de rol van schijnkoning te spelen, omdat de rituele zelfdoding op het altaar van Saturnus niet met zijn christelijke opvatting in overeenstemming te brengen was. Deze weigering tot zelfdoding heeft hij toen met de dood moeten bekopen. Hij is zowaar heilig verklaard. Een heilige gemankeerde Prins Carnaval?

Het is intussen zeer duidelijk dat er alle overeenkomst is tussen de tijdelijke schijnkoningen uit het verleden en de moderne Prinsen Carnaval die na korte tijd gedoemd zijn te verdwijnen.

Nog een enkel woord over de Lupercalia, die steeds plaatsvonden in februari. Tijdens dit feest deelden in huiden van wolven (lupi) en andere offerdieren gehulde personen met februa klappen uit aan vrouwen. Die februa waren uit vellen van offerdieren gesneden zwepen. Het doel van dit gebeuren was tweeledig; enerzijds een vruchtbaarheidsritueel (slag met de levensroede) en anderzijds een bestraffing voor alle zonden en nalatigheden tijdens het voorbije jaar. (De naam van de maand februari komt van februare en dat heeft te maken met reinigen, louteren). Na dit alles zal niemand verbaasd zijn dat de god waar bij deze feesten alles om draait Lupercus heet (zijn gemalin heet Luperca) en dat hii werd geacht onheil te kunnen verhoeden en loutering en reiniging te kunnen bewerkstelligen. De Luperci, gevormd uit de patricische jeugd, vormden de dragers van deze cultus. Bij de optochten tijdens deze feesten ‘ werd vaak met ouderwetse ploegen rondgetrokken om aan de geesten van de overleden voorvaderen duidelijk te maken dat men zich niet aan nieuwlichterij had schuldig gemaakt en dat alles bij het (goede) oude was gebleven.(8)

Bij deze volksfeesten wordt als het ware speels de wedergeboorte van de kosmos uit de chaos en van de rijken en staten uit de anarchie, gesymboliseerd door een tijdelijke omgekeerde wereld, tot uitdrukking gebracht.

De besproken kenmerken zijn zodanig, dat men niet alleen zonder reserve van een diep religieus feest mag spreken; men kan zelfs stellen dat veel elementen ervan in het christendom zijn terug te vinden, bijvoorbeeld in de sacramenten. Lijkt het initiatie-ritueel met zijn Mannbarschaftsriten niet sterk op het doopsel (voor volwassenen) en het vormsel (Mutprobe), doen deze zuiveringsriten (purificatory rites ann het eind van de maand februari) niet aan de biecht denken; herinnert het koningsoffer, soms overgaand in een kannibalistische maaltijd niet denken aan de Eucharistie; doet de via een gesimuleerd overlijden geënsceneerde ontmoeting van de-meestal vlak voor hun huwelijk staande initianten – wel aangeduid als de “messagers de l’au-dela” – met de geesten van de overleden voorvaderen niet denken aan het Oliesel. Daarbij bedenke men dat het huwelijk gold als een symbolisch bloedig sterven, en dat ook de initiatie als zodanig werd beschouwd. Wat dat huwelijk zelf betreft: de tijdens de jaarwisseling bewust in de volle openbaarheid ‘geconsumeerde’ huwelijken van complete jaargangen jongelui (door personen die daarvan niet meer begrepen wel als orgiën betiteld) passen in alle opzichten perfect in het patroon.

Het is zoals Fortmann het eens uitdrukte in zijn boek Hoogtijd: “Volksgebruiken zijn immers als lege hulzen, die worden doorgegeven en door iedere generatie, door ieder individu met een nieuwe inhoud kunnen worden gevuld.”(9) Zo kregen door het christendom de oude gebruiken een nieuwe inhoud en lading.

Het christendom zou het ondanks deze grondgedachte overigens toch steeds moeilijk hebben met dit feest, waarbij de gelovige balanceert op het smalle pad tussen deugd en ondeugd of, om het met Freud te zeggen, op de rand van het exces.

Het mag geen verwondering wekken dat parallellen zijn getrokken tussen de Christus en de tijdens de nieuwjaars- en lentefeesten geofferde koningen.(10) De Romeinen – vertrouwd met de Saturnalia – en de Joden – vertrouwd met feesten rond Haman en Mordechai – behandelden Jezus immers als zo’n tijdelijke koning; Hem werd in Jeruzalem een purperen mantel omgehangen, Hij werd met doornen gekroond en tenslotte gekruisigd met boven zich het opschrift: INRI – Jezus van Nazareth Koning der Joden. En…Hij stierf zelf, omdat de misdadiger Barabbas niet als Sarpuchi (plaatsvervanger) werd geaccepteerd.

Speelt zich aan de vooravond van de vasten een ritueel af dat in diepste wezen een voorafspiegeling is van de gebeurtenissen daarna, met Pasen?

Carnaval een christelijk feest?
De voorgaande beschouwing laat er – althans voor mij – geen twijfel over bestaan dat wij bij het carnavalsfeest te maken hebben met een religieus feest met pre-christelijke wortels. Men vindt er overigens ook buiten het christendom parallellen mee, zoals Sierksma aantoont in zijn boek Tibet’s terrifying Deities; ook in Lhasa was met Nieuwjaar sprake van een tijdelijk omgekeerde wereld, met een tijdelijke heerser die nadien als een zondebok werd weggestuurd.(11)

Is carnaval dus allengs een christelijk feest geworden? Heeft dit feest door het christendom een zodanige metamorfose ondergaan dat de lijnen met het verleden vrijwel zonder betekenis zijn geworden? Een ding is zeker: het vroege christendom had grote problemen met de oude heidense kalenderfeesten.

Aan de lopende band is tijdens synodes en concilies gepoogd orde op zaken te stellen.(12) Het waren de uitspraken van Caesarius van Arles (470-542), die omstreeks het jaar 500 in zijn preken tegen deze heidense gebruiken van leer trok, die de bouwstenen gevormd lijken te hebben voor de Indiculus superstitionum et paganiarum (kleine index van bijgelovige heidense gebruiken). In deze index opgesteld tijdens de synode van Leptines in 742, werd onder andere stelling genomen tegen de “Spurcalibus in februario”. Ongeveer tezelfder tijd (ca.750) wordt in een homilie gezegd : “Degene die in februari door allerlei minder . oirbare handelingen de winter probeert uit te drijven, is geen christen, maar een hei-den.”(13) De biechtboeken rond het jaar 800 bevatten steeds de vraag of men zich tijdens de feesten in januari en februari als dier (hert, beer) of oud wijf had verkleed. Daarop stond een niet geringe penitentie!

Geleidelijk werd aan het kerkelijk gezag duidelijk dat men er met verboden niet kwam. Het inzicht groeide dat beter gepoogd kon worden de gebruiken te kerstenen en ze een plaats te geven in de liturgie en in het kerkelijk jaar. Deze koers-wending kreeg duidelijk gestalte toen bij de synode van Benevento (in 1091) het begin van de veertigdaagse vasten definitief werd vastgesteld op de dag, welke we sinds die synode aswoensdag noemen. De zondagen werden bij de telling van de vastendagen officieel dus niet meer meegeteld. Zodoende spreekt men wel van de nieuwe (rechte) vastenavond, ook wel papen-vastenavond en van oude of boeren vastenavond (in Basel heeft men deze oude variant aangehouden en viert men carnaval dus een week later). Op dezelfde wijze gaat een veertigdaags vasten vooraf aan het Driekoningenfeest, ofwel grootnieuwjaar (als feest ouder dan kerstmis).(14) Laat men daarbij steeds de zondag en zijn ‘broederdag’ de zaterdag weg, dan komt men op 12 november. Dat verklaart dan de start van het carnavalsseizoen op de 11e van de 11e, de feestdag van Sint Maarten.

Nadat dit lentefeest aldus gekerstend was en een plaats in de liturgie had gekregen, is het niet zo verwonderlijk dat kerkelijke autoriteiten er concreet bij betrokken raakten. Enige voorbeelden. In 1284 beval paus Martinus IV – volgens een overigens discutabele bron uit 1585 – de gelovigen aan enige dagen vastenavond te houden en vrolijk te zijn. Paus Martinus V, die notabene op de elfde november 1417 in Kon-stanz tot Paus werd gekozen, kreeg zelfs de bijnaam ‘papa carnavale’. Niet vanwege de keuze datum, maar omdat hij enige dagen veel te weining vond; hij stond een periode van uitgelatenheid voor van enige weken.

In Ermatingen (Thurgau am Untersee) wordt op zondag Lae-tare – midden in de vasten dus – de zogenaamde ‘Groppenfas-nacht’ gevierd; die gaat – zo wil de legende – terug op een uit 1415 daterend privilege van de door het concilie van Constanz afgezette paus Johannes XXIII. De afgezette paus (een van de drie die de kerk toen rijk was) moet aldaar gastvrij onderdak gevonden hebben en als dank daarvoor het privilege verleend hebben midden in de vasten carnaval te vieren, deels met door hem ter beschikking gestelde ‘pauselijke middelen’. Ziedaar een effectieve toepassing van de parabel van de onrechtvaardige rentmeester.(15) Het aantal voorbeelden kan naar believen worden uitgebreid.

Steeds echter stond de voorbereiding op de vasten voorop, zoals Geiler von Kaysersberg (1445-1510), de beroemde frans-ciscaanse predikant, niet naliet te benadrukken “die Christ-liche Catholische Kirche erlaubt eine ehrliche recreation und Wollustbarkeit, damit ihre geistliche Kinder,desto williger seyn, die heilige Fasten zu halten.”(16)

Het meest opmerkelijk is de houding van de Jezuiten. In 1552 verleende paus Julius III – op verzoek van de stichter van de orde van de Jezuiten, Ignatius van Loyola – aan het Collegium Germanicum in Rome de toestemming om binnen het college een carnavalskoning te kiezen.(17) Diens rijk duurde zes dagen, inclusief verkiezing door het lot, intronisatie, banketten, Rüge-gerichte en de opvoering van literaire vastenavondspelen. Van doorslaggevende betekenis was evenwel de afscheidsrede van de koning op carnavalsdinsdag. Daarin maakte hij duidelijk dat zijn rijk in deze wereld kort en vergankelijk is en wees hij op de nietigheid van alle aardse heerlijkheid. Het doel hiervan was de Jezuiten in spé, alvorens ze in Duitsland zouden worden ‘ingezet’, terdege te prepareren op hun confrontatie met de vastenavondvierende gelovigen en hen via zo’n vastenavondspel in het gareel te krijgen.

Een veel stringentere aanpak uit die tijd, waarvan het initiatief eveneens bij de Jezuiten lag, betrof de invoering van het ‘Veertiguren’-gebed. Een ‘gebedsestafette’ en ‘ge-bedsmarathon’, ter compensatie en ter voorkoming van de talrijk geachte vastenavondzonden

De narrenfeesten
De houding aan de ‘top’ van de kerkelijke pyramide wordt vooral vermeld omdat die niet zonder belang is voor het gedrag aan de ‘basis’. Hoe het daar toeging wordt in geuren en kleuren verteld in de beschrijvingen van de narren- en ezelsfeesten. De centrale rollen in deze feesten vervulden in het begin de geestelijken die slechts de lagere wijdingen hadden ontvangen: de subdiakens. Tijdens het feest kwamen zij echter op de eerste plaats. Zij speelden de rol van zotten-bisschop of Ezelspaus. Ook hier dus de omgekeerde wereld! Beroemd is geworden de Missel des Fous. De tekst was geschreven, althans uitgegeven, door de latere aartsbisschop van Sens.(18)

Het opdragen van schertsmissen met drinkgelagen, koeterwaalse taal, het laten van boeren, waren aan de orde van de dag.(19) De Kerk kon blijkbaar niet anders dan toch een zekere therapeutische waarde aan het feest toekennen en zich er tegelijk tegen verzetten. Zo’n forse aanval kwam in 1445. In dat jaar vonden de theologen van Parijs de gedogende houding welletjes. Zij bepleitten dat de verbodsbepalingen, al uitgevaardigd in 1435 op het concilie van Basel, ook werkelijk ten uitvoer moesten worden gebracht. Ze schreven:

“De priesters dragen maskers tijdens de mis, ze dansen in het koor verkleed als vrouwen, koppelaars of speellieden en ze zingen schandelijke liederen. Op het altaar eten ze zwarte pudding en vette worsten, terwijl de celebrant, waarschijnlijk op zijn manier, bezig is. De dobbelstenen rollen en de wierook wordt gestookt van oude schoenzolen.

Ook rennen en springen ze door de kerk. En dan gaan ze naar buiten in hun vermommingen. Met karren en wagens trekken ze door de stad en geven schaamteloze voorstellingen, waarmee ze de lachlust van het publiek opwekken, dat ook verder uitgedaagd wordt met smerige liedjes en obscene gebaren.”(20)

De heren theologen besluiten hun brief met de vermelding dat ze het ergste nog niet willen noemen. Overigens dacht men reeds toen aan dit feest een ventielfunctie toe; pas veel later zou Schurtz voor dit verschijnsel het treffende woord ‘Ventilsitte’ bedenken.(21) Een latere brief, eveneens van de Theologische Faculteit van Parijs, was véél milder van toonzetting.

“Wij vieren het feest niet in ernst, maar louter als scherts, om ons als onze voorouders te vermaken, opdat onze aangeboren zotheid tenminste eenmaal per jaar kan uitrazen. Wijnvaten zouden barsten wanneer niet geregeld de sponningen geopend worden om lucht te laten ontsnap pen. (…) Derhalve geven we ons enige dagen over aan zotheden, om daarna met des te meer ijver naar de dienst van God te kunnen terug keren.”(22)

De zot wil net als anderen, zijn zotternij het liefst in groter verband bedrijven. Vandaar narrengezelschappen. De vraag rijst of de gezellen van de Blauwe Schuit waaraan Jacob van Oostvoren in 1413 een beroemd geworden leerdicht wijdde, zo’n narrengezelschap vormden. De datering – het kwam uit “upten rechten vastenavond” – wijst in die richting. De samenstelling van het gilde en gedrag van de leden is in elk geval zo, dat men enig begrip voor de reacties van de Parijse theologen kan opbrengen. Men zie wat voor ‘tuig van de richel’ er aan boord was: berooide adel, hoge geestelijken die handelen in prebenden en achter de vrouwen aanzitten, verwende zoontjes van de burgerij, die hun erfdeel al dobbelend en drinkend verbrassen, ambachtslieden en middenstanders die hun winst verzuipen, geile vrouwen enzovoort, kortom lieden die het nodige op hun kerfstok hebben.

Enklaar ging er in zijn studie Varende Luijden (1937) dan ook inderdaad van uit dat hier sprake was van een min of meer realistische schildering van het doen en laten van deze vagabonden (vagantes).(23) Pleij, die notabene “upten rechten vastenavond” in 1979 promoveerde op dat beroemde gedicht, komt tot een volledig omgekeerde conclusie. Hij acht het ondenkbaar dat in een tijd waarin de kerk een zo machtige positie innam een dergelijke – ook al is het maar tijdelijke – “Umwertung aller Werte” zou hebben gedoogd. Pleij gaat er daarom – zonder twijfel terecht – van uit dat de bezetting niet echt uit ‘maatschappelijk wrakhout’ bestond. Hij houdt vol dat het veeleer meer gaat om lieden die tijdens een wagenspel, door middel van liederlijk gedrag, aangeven wat er van de mensen terechtkomt als men de maatschappelijke waarden en normen omkeert of nog concreter, de Tien Geboden negeert. Het toneelspel was een uitstekende methode om dit de analfabete toeschouwers aan het verstand te brengen.(24)

De Reformatie
Tegen het eind van de Middeleeuwen veranderden de tijden, met alle gevolgen van dien voor de toen nog in volle bloei staande volksgebruiken en -feesten. Maar al te gemakkelijk wordt de Reformatie als verklaring aangevoerd voor de teruggang ervan. Nog tal van andere factoren hebben echter een rol gespeeld. De verkeersmogelijkheden werden beter, de verstedelijking nam toe als gevolg van een sterke instroom van buiten en mondde uit in toenemende onderlinge anonimiteit. De boeren – de uitgesproken dragers van het volksleven – verloren hun belangrijke plaats in het openbare leven aan patriciërs, zakenlieden en geleerden. De steden werden burchten van een humanistisch-burgerlijke levensstijl. De zo typische gemeenschapszin verminderde en men oriënteerde zich meer ‘dies-seitig’: de ontdekking van de boekdrukkunst en de verbreiding van het boek speelden daarbij ook een rol.

De Reformatie heeft, schrijft Kohier in haar boek Martin Luther und der Festbrauch, alleen versneld en eerder zichtbaar gemaakt, wat het aanbrekende nieuwe tijdperk met al zijn structuurveranderingen toch bewerkstelligd zou hebben.(25) Luther, en zeker de jonge Luther, was geen uitgesproken tegenstander van dit volksfeest. Een lutheraan schreef:

“Sonder wer zu dem andern diese Fastnachtzeit freundschafft und kurtzweil suechen wolt, das solches offen parlich unverstellt und mit Erbarer beschaydenhayt beschehen mög und soll.”(26)

Door het feit echter dat Luther de vasten afschafte, bracht hij evenwel een ontkoppeling tot stand die niet zonder gevolgen bleef.

In een gedetailleerde studie van Scribner wordt de relatie carnaval en Reformatie voor de beginperiode (1520-1543) nagegaan.(27) Al in 1520 organiseerden in Wittenberg ongeveer honderd studenten een carnavalsoptocht met op de hoofdwagen de bul waarin de Paus dreigde Luther in de ban te doen; de wagen ging in vlammen op en een als paus verklede student wierp zijn tiara in het vuur. Het ‘winter uitdrijven’ veranderde in uitdrijven van de Paus. Omgekeerd werd in katholieke streken Luther in effigie in plaats van de ‘Winterpopanz’ aan het vuur prijs gegeven.

In feite fungeren deze en andere carnavalsgebeurtenissen als propaganda voor de Reformatie. Scribner gaat nog verder. Hij stelt zelfs dat zo’n radicale verandering van geloofsovertuiging voor de gewone man psychisch niet op te brengen geweest zou zijn, als de carnaval hem deze overgang niet had vergemakkelijkt.

Voor Nederland is de houding van Luther van veel minder belang dan die van Calvijn. Daarover ontbreekt nog een indringende studie. Von Martin schrijft in zijn boek Ordnung und Freiheit dat de nieuwe calvinistische levensopvatting alle wereldse genot als zondig bestempelde.(28)

Te beginnen in de jaren tachtig van de zestiende eeuw regent het in Nederland dan ook verbodsbepalingen.(29) In 1596 al verdedigde Bogerman zijn stellingen tegen de vastenavondviering. Walich Siewersz schreef in 1604 in zijn Roomsche mysteriën:

“die welcke haer ghereformeert noemen ende daervoor aanghesien willen zijn, ‘vieren vastenavonden’ met allerley nerreye, sotternye, mommerie, dansen,spee-len, dronckenschap, gulsicheyt ende al wat de Heydenen op deselve tyd als sy ‘hare Bacchinalia hielden, plachten te doen'”.(30)

Dat kan natuurlijk niet. Nochtans, men zou de waarheid geweld aan doen door het verzet in Nederland en Vlaanderen eenzijdig op het conto van het calvinisme te schrijven. Reeds in de vijftiende eeuw klonken er al allerlei protesten op tegen de vastenavondvieringen, ook van de burgerlijke overheden.

Het verzet was derhalve het resultaat van een veel bredere weerstand tegen – toegegeven – vaak zéér platvloerse feesten, waarbij “kap en kogel” werden verbrast. Door de Verlichting nam het verzet alleen nog maar in hevigheid toe. Ondanks het feit, dat carnaval als een “roomse superstitie” ^n “paepsche stoutigheyt” werd gebrandmerkt en de kinderen tijdens de godsdienstles leerden opzeggen dat de vastenavond een “rechte Bacchusdag” was, strijdig met Gods woord, hield het volk er in de gehele zeventiende eeuw aan vast.(31)

De contrareformatoren
De contrareformatoren (de hervormingsbeweging vanuit de katholieke Kerk zelf, in gang gezet tijdens het Concilie van Trente 1545-1563) zouden véél feller van leer trekken om deze feesten er onder te krijgen. Veel verkondigingen van deze contrareformatoren zijn bewaard gebleven. Een preek van een van hen bevat zowaar een curieuze verklaring voor het woord Fasznacht. Hij verkondigde namelijk:

“Fasznacht houden, dat is niets christelijks, maar iets heidens, niets menselijks maar iets duivels. Waaraan heeft de Fasznacht zijn naam anders ontleend, dan aan vat (Fasz), geledigd in duistere nacht? Van een vat stamt de naam, want het is een heidens vreugde feest, ter ere van de dikbuikige zuipgod Bacchus.”(32)

Een ander zegt:

“Wat is dit overmatig eten en drinken en het daaruit voortkomende godslasteren, het lichtzinnig dansen, kussen en zich verkleden, anders dan een opnieuw bespotten en kruisigen van Christus?”(33)

Neen, dan was de omstreeks 1600 in Wenen predikende augustijner monnik Abraham a Santaclara tenminste milder. Van hem kon er tenslotte nog de beoordeling af dat het hier om “eine ehrliche Recreation” ging.(34)

Door de gebundelde krachten van de kerken, vaak gesteund door de burgerlijke overheid kreeg de carnaval het zwaar te verduren. In de hoofdcentra van cultuur en beschaving staakte eerst de zogenaamde elite de deelname en daarna nagenoeg alle volwassenen. Het feest overleefde vrijwel alleen in de perifere regio’s, voornamelijk in de vorm van gebruiken voor kinderen.

Maar de brand bleek niet echt geblust; het bleek een ondergrondse ‘veenbrand’. In 1823 zou het feest in Keulen weer stevig oplaaien. Maar eerst de nieuwe visie van de reeds genoemde D.R.Moser.

De visie van D.R.Moser
In 1976 bepleit D.R.Moser een accentverlegging van het onderzoek naar de achterliggende intenties van feesten en gebruiken. (35) Hij vindt bovendien dat schilderijen, boekillustraties (de psalteria, onder andere), kunstwerken, beeldhouwwerken als produkten uit het volk voor het volk in deze vaak minstens zo veelzeggend zijn als geschreven bronnen, omdat die nogal eens het perspectief van de alfabete elite weergeven en soms zelfs verhullend zijn.

Inhoudelijk komt Moser tot de conclusie dat parallellen met voor-christelijke feesten, respectievelijk feesten voor het jaar 1000 te ver gezocht zijn. Hoogstens is er sprake van enige ‘vorm verwantschap’, soms veroorzaakt omdat gebruiken bewust zijn heringevoerd, maar met een volkomen andere intentionaliteit.

Dat de woorden Fastnacht en Fasnacht tot dusver nog nooit in teksten van voor die tijd zijn aangetroffen is voor hem dan ook volkomen logisch (hetzelfde geldt overigens voor de diverse afleidingen van carnaval). Hij ziet het vastenavondspel, ja zelfs de Vastenavond als geheel, primair als een pedagogisch-didactisch instrument dat bewust door de kerk werd gehanteerd om de mens naar zijn eigenlijke bestemming te verwijzen. Hij ziet het als “eine kurze Zeitspanne pervertierter Gottesherschaft”, als een “erlaubte Entfaltung des Unerlaubten”, als een ideologisch gefundeerd geestelijk spel met een kathechetische functie en met als centrale thematiek de zeven hoofdzonden, de ijdelheid (vanitas) voorop. Het is er op gericht tussen Aswoensdag en Pasen (tijdens de vasten dus) een “metanoia”, een geestelijke ommekeer, te bewerken. Deze visie vindt zijn fundament in Augustinus’ werk De civitate Dei en vooral in diens zogenaamde twee statenmodel. Daarin is sprake van een ‘civitas terraena’ of ‘civitas diaboli’ waarvoor Babylon model staat, en een ‘civitas dei’ waarvoor Jeruzalem en Rome model staan, (zie schema)

carnaval-3

Nieuw is niet alleen de behavioristisch aandoende techniek om uit (uitgebeeld) gedrag rechtstreeks conclusies omtrent de achterliggende intenties te trekken, veel meer geldt dat nog voor de nieuwe hoofdinterpretaties ten aanzien van die intenties – dat wil zeggen dat er sprake zou zijn van een bewust ingevoerd didactisch scenario – en de – voor sommigen bepaald schokkende – hoofdconclusie de vastenavond als geheel en rollen en onderdelen daaruit, te duiden vanuit de ‘civitatis diaboli’.

Enkele voorbeelden aangedragen door Moser’s Freiburgse studenten (36):

– De nar blijkt niet zo maar een figuur die al of niet vanwege beperkte geestelijke capaciteiten voortdurend de maatschappelijke orde verstoort, neen, hij is iemand waarover al een psalm uit de dertiende eeuw schrijft: “dixit insipiens in corde suo: non est deus”. Hij is dus een ongelovige. Ja-en dat vond toen iedereen – dat is dwaas. Hij draagt bellen om ons te herinneren aan het woord van Paulus, de gelovigen voorgehouden op carnavalszondag: “al spreek ik met de tongen van engelen, als ik de liefde niet heb…”

– Het woord ‘Schembart’ uit de beroemde Nurnberger Schembartbucher, tot dusver meestal beschouwd als een afleiding van scema – masker -, zou een verbastering van Scheinbote (schenpot) zijn, de onechte boodschapper die niet de Blijde Boodschap brengt, kortom de duivel.

– De Narrenbron wordt niet meer gezien als een voor de handliggend onderdeel van reinigings- en zuiveringsriten, met tegelijk een vernieuwend en verjongend effect. In de Middeleeuwse literatuur is ze vaak – aldus Kimminich – eerder een poel van verderf en zonde; niet zozeer een ‘fons vitae’ maar veeleer de ingang naar de onderaardse hel. In de narrenbron zagen de duivel en de nar, de godloochenaar en de antichrist elkaar. De opperste “Herr Mummerer und Schembart” kan dan moeilijk iemand anders zijn dan Vorst Lucifer, de opperduivel, de antichrist.

– Het getal elf staat voor de overschrijding van de decaloog, de tien geboden; geen ludiek getal dus, maar het symbool voor de zonde. Daarom ook staan op zoveel Middeleeuwse klokken de wijzers op vijf (is elf) voor twaalf; de zesdaagse periode van donderdag voor carnaval (op veel plaatsen Weiberfastnacht) tot en met carnavalsdinsdag, ziet D.R.Moser als de negatieve afspiegeling van het zesdaagse scheppingsverhaal.

Vele volkskundigen, H.Moser (niet te verwarren met zijn naamgenoot D.R.) voorop, beschouwen deze visie als een ‘wetenschappelijke oorlogsverklaring’.(37) Hij distancieert zich volledig van deze theorie. Dat de Kerk, en heel concreet ordes als de Franciscanen en Capucijnen hun theologische opvattingen tot volksgebruiken zouden hebben omgesmeed en aldus bewust de vastenavond bedacht en ingevoerd hebben lijkt hem absurd. Zo mogelijk nog absurder lijkt het hem dat zij de boetvaardigheid via de curieuze omweg van tot zonde prikkelende vastenavondspelen zouden hebben willen bewerkstelligen. Zeker is dat door D.R.Moser en zijn studenten interessant materiaal op tafel is gekomen onder andere doordat zij voortdurend verbindingen aangeven tussen de volksgebruiken en hun Middeleeuwse betekenis en het misformulier dat tot Vaticanum II is gehanteerd. Weinig volkskundigen beschikken over de  theologische en liturgische kennis om dit te kunnen. Het gaat dan ook wel erg ver als H.Moser stelt dat juist deze theologische kennis D.R.Moser tot een “verhangnisvolles Hindernis”, een noodlottige handicap, geworden is.

Heel duidelijk is dat D.R.Moser in zijn visie een voorloper is van Pleij, die Moser’s studie in 1979 overigens nog niet kende. Deze immers constateert dat het bij de activiteiten van de gezellen van de Blauwe Schuit moet gaan om ‘wagenspelen’ met een didactisch en dramaturgisch doel, die op zijn minst door de Kerk werden gedoogd.

Noch Pleij noch Moser blijkt het al uit 1964 daterende proefschrift te kennen van de augustijn Vermeulen, gewijd aan zijn ordegenoot Jan de Leenheer (1642-1691). Dat is jammer want Jan de Leenheer heeft in 1669 in Brussel een werkje gepubliceerd getiteld Toneel der Sotten (ook: Theatrum Stultorum). Vermeulen schrijft:

“Welnu al die mensen die moreel verkeerd handelen, en allen die in een of ander maatschappelijk opzicht zich belachelijk maken, doordat ze hoe dan ook defectief zijn of optreden, zal Jan de Leenheer ten tonele voeren; hij zal hun publiekelijk de zotskap op het hoofd drukken en hun daarna de narrenspiegel voorhouden, zodat zij zichzelf te kijk kunnen zien staan in al hun zotheid, leden van het gezelschap der Gekken.”(38)

Uiteindelijk is zijn Toneel dus een school der zeden, evenals de preekstoel, maar zijn stijl is anders, namelijk ioco-serium… Ook stelt Vermeulen “de nexus tussen de zonde of de anderszins detectieve gedraging en de dwaasheid is een traditioneel gegeven” en tenslotte: “Ook reeds bij Augustines heeft de Leenheer op talloze plaatsen in allerlei werken de nexus-zonde, dwaasheid, kunnen aantreffen”. Een scherpe uitspraak gelet op het feit dat de zonen van Augustinus volgens hun regel en spiritualiteit het element van het menselijk hart de voornaamste plaats dienden te geven bij hun activiteiten.

De heropbloei en de actuele situatie
Reformatie, Contrareformatie en Verlichting leidden tot een zodanige mentaliteitsverandering dat het vastenavondfeest allengs verwaterde tot simpele kinderspelen, ommegangen met de foekepot of ‘Heischebrauche’, hier en daar op de dorpen gent- of gansrijden en – veel voorkomend – worst eten. Logisch, vlak voor de vasten eindigde immers de slachtperiode. Het ontbreken van de diepvries dwong er toe om stevig te schransen en dat maakte dan weer dorstig. Ook de armen kregen de kans hun magen eens goed te vullen. Geen optochten meer, geen bals en redoutes met dure verkleding. De omgekeerde jas was de enige verkleding; op zich nog niet zo gek overigens als uitdrukking van de omgekeerde wereld.

Maar in het begin van de negentiende eeuw begon het tij te keren.(39) De Romantiek – hoezeer ook op het individu en zijn innerlijk gericht – bracht een nostalgisch neigen naar het verleden, zowel het klassieke verleden als – al spoedig-naar de periode voor de Franse Revolutie, met zijn adel. Vandaar de opkomende neiging, zegt Heers

“de gouverner la ville a travers la fête par une teinte aristocratique souvent bien afficheé et dans le choix des thèmes de la représentation par le reflet d’une culture bien plus élitiste, courtoise, princiere humaniste”.(40)

In 1823 was het dan zover. In Keulen zagen een aantal vooraanstaande burgers en zakenlieden in, dat de Pruisische officieren die het na de aftocht van de Franse troepen voor het zeggen hadden, ongetwijfeld nog verdere beperkingen zouden opleggen aan de volkse vastenavondgenoegens. Een “festordnendes Comitee” werd geïnstalleerd met als hoofddoel een optocht naar Venetiaans model (waarmee men waarschijnlijk via de Franse bezettingstroepen, die immers ook Noord-Italië bezet hadden, vertrouwd was) rond Held Carnaval (let wel, niet Prins Carnaval). Het werd een eclatant succes. Het Keulse carnaval was geboren en daarmee een nieuwe trend die via Düsseldorf, Koblenz en Mainz al snel ook naar diverse steden in de huidige provincie Limburg zou overslaan, als eerste naar Maastricht (Momus 1840) en Venlo (Jocus 1842).

Opmerkelijk is dat onder de diverse steden die er vroeg bij waren, veel garnizoenssteden waren, en onder de initiatiefnemers van het eerste uur ook de nodige officieren – vaak Hollanders, meestal niet katholiek en zeker in een aantal gevallen lid van de vrijmetselarij. Vreemd is dat niet; immers waar de katholieke geestelijkheid ofwel duidelijk afwijzend of zeer terughoudend was, mocht men slechts initiatieven verwachten van zeer liberale katholieken ofwel van degenen die niet onder het gezag vielen van de katholieke geestelijken. Sterker nog, die dat best bewust wilden bruskeren.

De grote economische malaise van de zeventiger jaren van de vorige eeuw deed evenwel de ontwikkeling weldra stokken. In de tachtiger jaren zijn er nieuwe initiatieven. Oprichting van de Oeteldonkse club (1881), Marotte in Sittard (1881) en de heroprichting van Jocus in Venlo (1870); de eerste met naam en toenaam genoemde prinsen, die meer waren dan anonieme figuren tijdens een optocht, duiken op.

De echte doorbraak in Nederland komt pas veel later, en verrassend genoeg tijdens de economische crisis na de Eerste Wereldoorlog. Als verklaring worden ten onrechte wel eens ‘brood en spelen’-achtige theorieën aangevoerd. In de provincie Limburg – want daarover gaat het in deze periode – speelden veel praktischer overwegingen een rol. De verantwoordelijke personen in de diverse kleinere plaatsen langs de grens – vaak verre van enthousiaste pleitbezorgers voor dit feest-zagen zich genoodzaakt het initiatief te nemen tot de viering in de eigen parochie- of gemeenschapshuizen, om te voorkomen dat de jeugd massaal de grens overtrok naar het inmiddels door de nazi’s beheerste Duitsland. Terloops zij vermeld dat Hitler niet heeft nagelaten te pogen dit feest – waarvan Fehrle inmiddels tot diens tevredenheid de arische wortels had aangetoond – naar zijn hand te zetten. Als ware thomisten huldigden de voornoemde verantwoordelijken, de pastoor voorop, dus ‘de leer van het kleinere kwaad’.

De Fransman Varagnac verklaarde de opbloei als volgt: “Wij zijn een volk van kopers geworden, we kopen alles, dus ook ons vermaak; pas als we daar geen geld meer voor hebben, gaan we er weer toe over onszelf te vermaken.”(41)

Carnaval na de Tweede Wereldoorlog
De grote opmars van de carnaval in Nederland, doch ook in veel andere Europese landen, is van recente datum. Het aantal meerderjarige carnavalsverenigingen (twee keer elf jaar oud) is dan ook vrij gering. Het feest is echter met dermate sterke ‘historiseringstendenzen’ omgeven dat slechts weinigen zich realiseren dat de concrete plaatselijke vieringen in de huidige vorm zo jong zijn.

Vanwaar die plaatselijke opbloei, beneden en allengs boven de rivieren? De basis ervoor was door de na Vaticanum II doorgevoerde wezenlijke verlichting van de vasten- en onthoudingswetten toch komen te vervallen? Binnen de contekst van dit artikel kunnen slechts de hoofdoorzaken worden aangestipt. Ten zuiden van de rivieren waren belangrijke factoren:

– Steeds meer dorpen bereikten de kritische grootte om een zelfstandig feest te kunnen organiseren, beschikten over de organisatoren en de accomodaties.

– Van overheidswege en zakenleven kwamen zekere stimulansen.

– Het feest was salonfähig geworden, zodat uit alle lagen van de bevolking mensen mee gingen doen.

Ten noorden van de rivieren kwam daar nog bij:

– De vervaging der fronten tussen het katholieke zuiden en de provincies boven de rivieren; het aandeel van de katholieke bewoners nam in veel plaatsen toe, uit hun gelederen kwamen dan ook vaak de initiatiefnemers.

– De toenemende tolerantie over en weer, uitmondend in het doorbreken van de verzuiling.

– Door de televisie en door bezoeken aan het Zuiden werden allerlei vooroordelen overwonnen.

In 1953 stelde de NCRV in het programma Vragen aan voorbijgangers, ten aanzien van carnaval onder andere de vraag: moet er tussen carnaval en vasten (lijdenstijd) geen tegenstelling worden gezien? Veel, vooral protestantse luisteraars schreven inderdaad in de carnaval een soort ‘ontkrachting’ van of een ‘demonstratie’ tegen de vasten te zien, of een ‘het met God op een akkoordje gooien’. Katholieken spraken in hun reacties veeleer van een soort ‘afscheidsfuif’ of van ‘voor wat hoort wat’.(42)

Een ander ernstig bezwaar tegen de carnaval dat in protestantse kring te beluisteren viel, betrof het niet in achtnemen van de zondagsrust. In katholieke contreien werd die aanvankelijk ook serieus genomen, zij het niet zo uitgesproken. De grote optochten trokken daarom op maandag; in Duitsland spreekt men van de Rosenmontagszüge. Trekt een optocht ergens op zondag dan mag men aannemen dat het hier een jonge viering betreft. Carnavalsverenigingen boven de rivieren, deels daterend uit de periode dat de vrije zaterdag al een feit was (1961), losten het vraagstuk daarom zeer praktisch op door de optocht op zaterdag te laten trekken.

De relatie vastenavond-vasten is een gecompliceerde en de meningen erover zijn zeer verdeeld. Ik geloof in elk geval niet, dat men de carnaval als een vorm van ‘hamsteren in vreugde’ kan beschouwen en ook niet dat de carnaval is ingevoerd om het volk “die Fastenzeit leichter auf zu bürden.” (43)

D.R.Moser komt tot dezelfde conclusie: hij schrijft “es fehlen stichhaltige Gründe für eine autogene Entstehung dieser Festzeit (hij doelt hier op carnaval) zumal als Reaktion auf ein nachfolgendes Ereignis”.(44) De Paasviering kan men duiden – behalve uiteraard vanuit de vreugde over de verrijzenis des Heren – vanuit de blijdschap dat de vasten doorstaan is, de carnavalsviering niet als een anticipatie erop. De keten van oorzaak en gevolg kan geen andere zijn dan uitbundig feesten, omdat het voorbije jaar goed is afgesloten en de vruchtbaarheid brengende zon de winter definitief heeft verjaagd. Als reactie op deze festiviteiten volgt dan de vasten. Met de hem eigen scherpte zegt D.R.Moser, die ik bepaald niet met instemming citeer, “die Erfahrung dieser Perversion (carnaval dus) provoziert der Willen zur Umkehr, mithin die ‘Metanoia’, die demonstrative Hinwendung, zu einem neuen Leben aus dem Geist Gottes.”(45)

Burke geeft ons in zijn prachtige boek Helden, Schurken und Narren bovendien nog het volgende te overdenken: de carnaval vormde niet alleen en zelfs niet in hoofdzaak een grote tegenstelling met de vasten, maar veeleer met het normale alledaagse leven. Door de vasten werd het contrast alleen nog extra aangescherpt. De carnavalsdagen staan eerst en vooral in contrast tot de andere 360 a 362 dagen van het jaar.(46)

Het ‘afschaffen’ van de vasten is overigens niet zonder betekenis en risico voor de toekomst van de carnaval. Het feest dreigt daardoor zijn verankering in de tijd te verliezen en daardoor de oude volkswijsheid te negeren die luidt: “Mann soll die Feste feiern wie sie fallen”. Inderdaad in België ziet men al carnavalsoptochten trekken van Driekoningen tot Tweede Paasdag. Een toch waarlijk niet geringe autoriteit als La Barthe schreef in zijn Grote Feestenboek : “Er geldt immers een absolute regel: het carnavalsfeest dient plaats te vinden tijdens de veertig vastendagen tot en met Paasmaandag”. (47) Dit terwille van de toeristische promotie verlengde seizoen leidt onherroepelijk tot een ‘verdunning’ en te vergaande ‘aanlenging’ van het feestgebeuren. Dat kan niet want ook voor feesten geldt het gezegde: “lekker is maar één vinger lang”.

Samenvatting en conclusies
Men kan moeilijk anders dan concluderen dat de carnaval, zoals alle grote feesten trouwens, diep religieuze wortels heeft.

Het is duidelijk dat in de eerste helft van het millennium dat thans ten einde loopt, het christendom er sterk meegeworsteld heeft en gepoogd het een plaats te geven in de liturgie. Reformatie en later ook Contrareformatie deden er alles aan het feest te onderdrukken, goeddeels met succes. Aan de socio-religieuze fronten kwam het feest echter terug aan de katholieke zijde van het front, als een soort waarmerk van de katholieke levensstijl (het overwegend protestantse Basel is een goede uitzondering op de regel).(48)

Het herstel begon in Keulen in 1823, maar de carnaval is in Nederland pas na de Tweede Wereldoorlog aan een opmerkelijke opmars begonnen. Waarom? Om warmte te brengen in een te koele samenleving? Omdat dit volksfeest toch een ‘sociologische meerwaarde’ in zich bergt boven individuele party’s? Omdat het equilibreren op het smalle grenspad tussen deugd en ondeugd – zo schreef pastoor Poels in zijn verdediging van vastenavond – als betekenisvol wordt ervaren?

De diepe motieven waarom dit feest duizenden jaren heeft overleefd zullen nooit geheel (kunnen) worden onthuld; wellicht overleefd het juist om die reden.

Noten
1. Moser, D.R., “Fastnacht und Fastnachtspiel” in: Nürenberger Forschungen Neurenberg, 1976.
Moser, D.R., “Narren, Prinzen, Jesuïten” in: Zeit-schrift för Volkskunde. Stuttgart, 77 (1981), dl. 2.
Moser, H., “Zur Problematik und Methodik neuester Fastnachtforschung”, in: Zeitschrift für Volkskunde 80 (1984), dl. 1.
Moser, H., “Kritisches zur neuen hypothesen der Fastnachtforschung in: Jahrbuch för Volkskunde. Uürzburg, 1982, 6.
Moser, D. R., “Perikopenforschung und Volkskunde” in Jahrbuch für Volkskunde 1983, 6.
Schiendler, N., e.a., Karneval, Kirche und die verkehrte welt”, in Jahrbuch fur Volkskunde 1984,7. Moser, D.R., Fastnacht-Fasching-Karneval. Graz, 1986.
2. Moser, Fastnacht-Fashing, 42.
3. Fransen, Th., Carnaval ontmaskerd? Maasbree, 1981. Fransen, Th. en Gommans, G., Alaaf, Carnaval in Nederland en België. Utrecht, 1984.
Frazer, G., The Golden Bough. Londen, 1955(3).
4. Beek, M.A., “De plaatsvervangende koning”, in: Supplements to fetus testamentum. Leiden, 1966.
5. Weidkuhn, P., “Festivals and Carnivals” in: Cultures, 1976, III, dl. 1.
6. Heers, J., Fêtes des Fous et Carnaval. Fayard, 1983.
7. Frazer, G., The Golden Bough, dl. II en IX.
8. Fransen, Th. en Gommans, G., Alaaf.
9. Fortman, H., Hoogtijd. Bilthoven, 1970, 29.
10. Frazer, G., The Golden Bough, dl. VI, 412-423.
11. Sierksma, F., Tibet’s terrifying Deities. Sex and agression in religious acculturation. Den Haag, 1966.
12. Volksleben. Untersuchungen des Ludvig Uhland Insti-tutes der Universitat Tübbingen,band 6: “Fast-nacht”, 1964, b) band 11: “Der Nürnberger Schembartlauf”, 1965, £.) band 12: “Dörfliche Fasnacht zwischen Neckar und Bodesee”, 1966, d) band 51: “Masken zwischen Ernst und Spiel”, 1967, dl. XVIII. e) band 51: “Narren freiheit”, 1980.
13. Volksleben, band 6: “Fastnacht”, 25.
14. Moser, D.R., Fastnacht-Fasching-Karneval.
15. Thalmann, R. en Hofer, Fr., Das Jahr der Schweiz in Pest und Brauch. München, 1981.
16. Moser, D.R., Fastnacht-Fasching-Karneval, 33.
17. Ibidem.
Moser, D.R., in: Zeitschrift für Volkskunde, jrg 77.
18. PLeij, H., Het gilde van de Blauwe Schuit. Amsterdam, 1979.
19. Ibidem.
20. Fransen, Th., Carnaval ontmaskerd?, 25.
21. Fransen, Th., Ventilsitten. Nijmegen, 1956. (kandi-daatsscriptie)
22. Fransen, Th., Carnaval ontmaskerd?, 26.
23. Pleij, H., Het gilde van de Blauwe Schuit.
24. Ibidem.
25. Kohier, E., Martin Luther und der Festbrauch. Keulen, 1959.
26. Linker, K., Stadt unter der Schellenkappe. Frank-furt, 1977, 30.
27. Scribner, B., in: Volkskultur: Zur Viederentdeckung des vergessenen Alltags.
(16.-20. Jahrhundert) R. van Dülmen (ed.) Frankfurt, 1984.
28. Martin, A. von De spanning tussen Orde en Vrijheid. Utrecht, 1962.
29. Fransen, Th., Carnaval, een poging tot een ethisch positieve beoordeling. Nijmegen, 1960. (doctoraal scriptie)
30. Ter Gouw, J., Volksvermaken, s.1., s.a., 187.
31. Rogier, L.J., Geschiedenis van het katholicisme in Noord-Nederland in de zestiende en zeventiende eeuw., s.1., s.a. dl.2, 785.
32. Volksleben, band 6: “Fastnacht”, 32.
33. Moser, D.R., in: Jahrbuch für Volkskunde, V, 25.
34. Ibidem, 26.
35. Moser, D.R., “Fastnacht” in: Hans Sachs.
Moser, D.R., Fastnacht-Fasching-Karneval.
36. Moser, D.R. (red), Kulturgeschichtliche Forschun-gen,in drie delen uitgegeven, Remscheid 1983-1986.
37. Moser, H., in: Volkscultuur, 1986, dl. I.
38.Vermeulen, A., Jan de Leenheer O.E.S.A.: Moralisator en Humanist. Venlo, 1964, 106-108.
39. Burke,P., Helden, Schurken und Narren. Europaische Volkskultur in der frühen Neuzeit, Stuttgart, 1981.
40. Heers, J., Fêtes des Fous, 298-299.
41. Varagnac, A., Civilization traditionelle et genres de vie. Parijs, 1948, 364.
42. Fransen, Th., Carnaval in Limburg, een sociologische benadering. Nijmegen, 1960.
43. Moser, D.R., in: Zeitschrift für Volkskunde (1977), 170.
44. Ibidem,190.
45. Moser, D.R., Fasnacht-Fasching-Karneval,340.
46. Burke, P., Helden, Schurken und Narren.
47. La Barthe, H. en Renoy, J., Het Grote Feestenboek, folklore in België. Zaventem, 1980.
48. Fransen, Th., “Carnaval bezien door een sociaalwetenschappelijke bril” in: Carnaval niet van gisteren. Den Bosch, 1980.

Th. Fransen

Met welwillende toestemming van de schrijver over wie het volgende valt te vermelden:

Carnavalistisch Curriculum Vitae
Geboren in Vortum-Mullem 24-09-1933
Daar vinden sinds 1739 aantoonbaar ononderbroken op carnavalsmaandag de metworstrennen plaats en werd al in 1888 een vastenavondvereniging opgericht; ik stam dus uit een narrennest

Opleiding
Mulo Diploma   1950
HBS Diploma  1953
Mil Dienst 26/11/53- 17/06/54
Werken  tijdens studie Sociologie/Etnologie
Kandidaatsexamen:: Ventilsitten. Een analytisch- sociaalpsychologische benadering (1956)
Doctoraalscriptie ethiek: Carnaval. Poging tot een ethisch  positieve benadering (1959)
Idem emp. Sociologie:  Carnaval in Limburg.  Een  sociologische benadering (1960) .  Gebaseerd op 120 interviews van Gennep tot Vaals; initiatief Culturele Raad Limburg ( Jo Hanssen)
Kandidaatsexamen:  16/07/57
Doctoraal examen: 30/06/60

Arbeidsverleden
Kaski Den Haag:   1960-1963
Gemeente Venlo:  1963 -1995 (hoofd afd. Onderzoek en beleidsplanning)

Betrokkenheid bij  carnaval en volkscultuur
Doctor Humoris Causa Brugge                                                                   1965
Ere-bestuurslid BCL/adviseur ed. (Bond carnavalsver. Limburg)  1973
Bestuurslid carnavals Museum Limburg te  Venlo. vanaf                 1974
“Student” NUL (Narren Univ Limburg) Maastricht  sinds                 1975
Namens BCL  jaarlijks betrokken  bij bijeenkomsten NEG sinds    1976                            Mede-organisator van de  meerdaagse  NEG bijeenkomsten in
Venlo (1977), Venlo (1985), Den Bosch (1991)                                                                               Ridder (Narrenbroederschap)  Het Gulden Vlies Brugge                 1985
Doctor Humoris Causa Dülken                                                                  1985
Initiatiefnemer en redacteur van  het jaarlijkse Duitstalige                                     bulletin van de  NEG  van                                                                            1995/ 2012
Lid Hoofdbestuur NEG van                                                                         2001/2012
Grootkanselier  der Kanselarij Nederland  Gulden Vlies                  2003/2007
Eregrootkanselier  sinds                                                                              2008
Erelid NEG  sinds                                                                                           2012
Hoge persoonlijke  carnavalsonderscheidingen in binnen-  en buitenland
Orde van de Bronsgroene Leeuw  Liveke Belgisch Limburg           1986
Oorkonde  Vriend van de Blauw Sjuut                                                   1990
Commandeur Goud bij Jocus                                                                     1995
Verdienstorden   van de NEG                                                                     1995
in combinatie met  bondsonderscheiding  BCL                                   1995
Orde van Verdienste van  de BCL                                                             1997
Erelid BCL                                                                                                       2012
Tal van hoge onderscheidingen:  BDK (Dld) Hefari (Zw)  en FCF (Fr)

Boeken over carnaval
Carnaval Ontmaskerd     Maasbree 1981
Alaaf Carnaval in Nederland en België   Spectrum Utrecht  1984
Gekke Maondaag  Binneste boete  Velden 2008                                                                       Hèt carnavalsboek Van Lentefeest  tot Festival  2014
Bijdragen in diverse binnen- en buitenlandse boeken en tijdschriften en artikelen in kranten, waaronder een artikel gebaseerd op bijna 600 diepte interviews in Venlo  in 1975 ( gepubliceerd in Rheinisches Jahrbuch  für Volkskunde jrg 23  1978)

 -Voordrachten bij ( inter)nationale symposia:  Venlo 1971, Den Bosch 1981 ( tevens organisator ), Nice  1984, Venlo 1985, Venetië 1994, Mainz 1997, Endingen 2007
. Gastcolleges voor de Universiteiten van Mainz, Tilburg en Maastricht
. Spreekbeurten op initiatief van de NEG  in diverse Duitse steden ( Fulda, Nidda, Darmstadt en Speyer)
. Idem bgv bijzondere jubilea van  gereputeerde carnavalsverenigingen  in binnen- en buitenland van Kiel tot Zürich
. Vele tientallen voordrachten voor o.a.   heemkunde kringen, volksuni-versiteiten en Volkshochschulen, service clubs  enz
. Talrijke interviews voor landelijke en regionale bladen en omroepen (radio en  TV ) in binnen en buitenland

 Vele tientallen recensies van carnavalsboeken

 Grote carnavalsreizen
Reis  naar Mardi Gras  in New Orleans  1988( 12/2- 29/2)
Reis naar Carnaval in Recife en  Rio 1995  ( 23/2 – 7/3)

Onderscheidingen buiten de carnaval
Ridder Oranje Nassau.                                                          Venlo 17-10-95
Bundes Verdienst Kreuz am Bande                                   Den Haag 27-08-97
reden:  jarenlange intensieve  betrokkenheid bij de  Euregio Rijn  Maas Noord, maar tevens  van wege rol bij grensoverschrijdende samen werking tussen Volksuniversiteiten in Limburg  en de Duitse grensstreek  

 Bij  de toekenning van beide onderscheidingen werd de internationale  bestuurlijke en wetenschappelijke betrokkenheid bij carnaval in de laudatio gememoreerd; de president van de NEG  (Ph Becker uit Mainz ) was in Den Haag bij de uitreiking door de Duitse Ambassadeur aanwezig.
Prof. Dr.S.R. STEINMETZ –penning, verleend  door de Bond van   Nederlandse Volksuniversiteiten                                                               Venlo  26-10-2000
reden:  med- oprichter VU Venlo 1972 en bestuurslid tot 2000; daarvoor vanaf 1967  lid van het bestuur van het Gerlach-instituut en docent; lid van het bestuur van de Limburgse VU en van de NVN ( = samenwerking Maatsch. tot Nut van ’t Algemeen, de Volksuniversiteiten en het Nivon in Limburg ) en namens deze lid van het Hoofdbestuur van de BNVU : Den Haag; Grensoverschrijdend overleg Limburgse VU en die in Duitse  grensstreek

Carnaval: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

1223-1142

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-2)

.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE – GA 293

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA295) [3]

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken een context geven bij alle voordrachten.
De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

OVER DE ZGN. ‘ONGEDRUKTE PASSAGE’

Al in zijn openingszin gebruikt Steiner de woorden ‘geestelijk’ en ‘geestelijke werelden’.
Maar wat is ‘geest’, ‘geestes’leven; ‘geestelijk’; ‘geestes’wereld; ‘geest’wereld en wat er nog zou kunnen volgen.
We komen toch meestal niet verder dan die woorden in de sfeer te plaatsen van ‘kerkelijk’ of ‘geloofs-‘; of we hebben de geesteswetenschappen, zoals de filosofie. In het beste geval komen we nog tot iets ‘mentaals’, maar tegelijkertijd wordt beweerd dat dit mentale slechts het gevolg is van hersenactiviteit: ‘wij zijn ons brein’; en de mens als geesteswezen – als een volstrekt uniek wezen – is niet meer dan ‘de naakte aap’.

Voor de toekomstige leerkrachten aan de 1e vrijeschool was dat niet het geval. De meeste hadden al veel mededelingen van Steiner gehoord; ze hadden Steiners boeken gelezen; ze waren volop ‘bezig met antroposofie’ en ‘geest’ had voor hen in ieder geval inhoud.

ZO ANDERS!

(< > naar deze passage wordt verwezen vanaf een andere pagina)

Hoe anders was dat voor mij!
Ik leerde de vrijeschool  kennen, door wat ik tijdens een hospiteerperiode in een vrijeschoolklas zag. (We spreken nu over ‘stage’). Als leerling – je sprak nog niet van ‘student’ – van de Gemeentelijke Kweekschool in Rotterdam, (de Pabo moest nog worden geboren) – kwam ik in de 5e klas van de Rotterdamse vrijeschool.

IN MIJN JEUGD

ging ik regelmatig naar de kerk en op zondag naar de zondagschool – mijn lagereschool was een openbare.
In de kerk hoorde ik over God en de duivel; de geesten voor Gods troon, over Gods geest die o.a. ‘over de wateren’ zweefde. Maar met het vorderen van ‘de jaren des onderscheids’, nam ook de twijfel aan alles toe en ik zei de kerk vaarwel; met woorden als ‘geest’ hield ik me niet meer bezig.

IN HET JAAR

vóór ik op de Haagse vrijeschool mijn eerste 1e klas kreeg, volgde ik vaak lezingen vanuit een antroposofische visie over veel uiteenlopende onderwerpen.
Ter voorbereiding las ik veel ‘Vrije Opvoedkunsten'[4] en het verbaasde me telkens weer dat de meeste artikelen, hoewel al jaren oud, toch heel actueel bleken te zijn. Sommige auteurs hielden ook voordrachten en toen ik die begon te bezoeken, kreeg ik een voor mij heel acceptabel wereldbeeld uitgelegd. Zelfs het begrip ‘geest’ kreeg een inhoud waar ik wél wat mee kon.
En met het motto van de onnavolgbare Leendert Mees: ‘don’t say no, just say ‘oh’, [5] kon alles wat ik niet begreep, rustig wachten.

AAN HET WERK

De maanden vóór ik in augustus 1970 met mijn allereerste 1e klas zou beginnen, probeerde ik me zo goed mogelijk inhoudelijk voor te bereiden. Dat betekende bijna vanzelf dat ik ook met de ‘Algemene menskunde’ begon. Immers, dat is toch de gang van zaken: je wil je verdiepen, dus studeer je en probeer je de inhoud van je studie-onderwerp je eigen te maken. Dat lukte nauwelijks: inhoudelijk vond ik het moeilijk; ‘dingen’ onthouden had bijna geen zin; ik voelde onbewust dat het om een heel andere manier van denken ging, maar ook van waarnemen en ik ervoer al snel dat je antroposofie ‘er niet even bij doet’. Ik ben, uiteraard met grotere of kleinere tussenpozen, wel mijn hele vrijeschooltijd met dit boek bezig geweest en het is me vaak opgevallen dat ik dan weer iets las, waar ik de vorige keren kennelijk overheen gelezen had, want de betreffende passage leek me volkomen nieuw.
Door de andere voordrachtenreeksen (GA 294, 295) leerde ik de temperamenten kennen. Eerst was het de zoveelste typologie die ik bestudeerde – dat had ik op de kweekschool al veel vaker gedaan – maar nu deed zich het feit voor, dat de bestudering van de temperamenten [6] eigenlijk geen zin had, zonder ook daadwerkelijk met kinderen samen te zijn. Een frappante ervaring: een theorie die weinig waard blijkt zonder de praktijk van het leven. 

Ik hospiteerde in de verschillende klassen en zag het praktische vrijeschoolleven: de schilder- en tekenuren; de muziek, het periode-onderwijs; de extra hulp aan kinderen met ontwikkelings- en leerproblemen; het niet-Nederlandse talenonderwijs – kortom: het echte vrijeschoolleven.
De andere kant van het verhaal is dus de theorie – wat zijn de achtergronden die tot deze praktijk leiden en hoe maak ik me die eigen.

DE EERSTE VERGADERING

In de week vóór het schooljaar weer zou beginnen, werd de eerste lerarenvergadering gehouden.
Er zou worden gesproken over de ‘ongedrukte passage’. Die was dus aanvankelijk niet in een boekuitgave (GA 293) te lezen.

Steiner laat aan duidelijkheid niets te wensen over: vóór het vrijeschoolwerk begint, wil hij zich ‘bezinnen op de verbinding met de geestelijke werelden‘.
Wij zijn als mens geen wezens die op deze aarde uitsluitend een lichamelijk leven leiden; wij zijn ook ziel en geest. En zoals ons fysieke lichaam leeft op en van deze aarde, zo behoort onze ziel tot de wereld van de ziel en onze geest tot de wereld van de geest, de geestelijke wereld.

En dan zit je in zo’n vergadering, als nieuwkomer met totaal geen vrijeschoolachtergrond of antroposofische kennis, levend in een wereld waarin velen – vaak minder bewust door het vertrouwen in ‘de’ wetenschap – er wel min of meer van overtuigd zijn dat we ‘hogere dieren’ zijn; dat de schepping is begonnen met de oerknal en: niks ziel en/of geest: ‘wij zijn ons brein’.

Dat is ook voor vele leerkrachten de wereld waarin ze leven, de studiewereld waaruit ze komen en die ze meenemen het leven in; waarmee ze op de een of andere manier vrijeschoolleerkracht (willen) worden.

Toen ik later op pas opgerichte scholen werkte, gingen we eenmaal per jaar een weekend ergens heen om ons te bezinnen op ons werk. Omdat de groepen niet zo groot waren, was het mogelijk dat iedereen eens vertelde waarom hij of zij op de vrijeschool werkte. Buitengewoon indrukwekkend vond ik de biografieën van iedere collega; de levensloop van hem of haar die uiteindelijk (ook) naar deze school had geleid. Bij iedereen was de impuls méér van onderwijs en opvoeding te maken, dan ieder op de een of andere manier wel ergens had geleerd. De sterke wil om ‘geen vat te vullen, maar een vuur te ontsteken’ was bij iedereen aanwezig. De sterke wil om kinderen recht te doen: d.w.z. ze in het onderwijs dát te geven, waarom ze onbewust vragen: wat ze vanuit hun natuurlijke ontwikkeling verlangen en nodig hebben.

DE AFSTAND TOT DE WERELD VAN DE GEEST

Maar voor velen – ook voor mij dus – was die afstand naar ‘de geestelijke werelden’ groot. Eigenlijk: onoverbrugbaar groot. Je hoorde erover, je las erover, je wees het niet af, want je voelde ook zeer duidelijk dat het onderwijs waarvoor je zo enthousiast was, er nooit zou zijn gekomen zonder Steiners visie op die geestelijke wereld: als realiteit. Velen deden hun best die relatie met ‘een’ of ‘de’ geestelijke wereld aan te halen – er zijn van Steiner meditaties voor – velen probeerden zich op deze weg te scholen. Ik ook, maar ik moet zeggen dat het mij niet is gelukt. Met vlagen, maar dan kwam de klad er weer in: veel te druk: voorbereiden voor de andere dag; organisatie van de school; (bestuurs)vergadering(en); ouders bezoeken en er was je partner, later je gezin, de verhuizingen, de verbouwingen; er bestond ook nog familie waarvoor je nauwelijks tijd had: een verjaardag door de week: kan eigenlijk niet, ik moet nog zoveel voorbereiden; en de achtergronden en, en…..

Vaak veel te veel en niet hygiënisch wat het levensritme betreft.

NIEUWKOMERS

En dan, als je in de lerarenvergadering zit, bijv. als nuchtere docent wiskunde, die afgekomen is op de vacature en wel iets weet van de vrijeschool als school met een prettig onderwijsklimaat, gaat het over de ‘ongedrukte passage.’

Want vóór Steiner met zijn voordrachtenwerk bij de oprichting van de vrijeschool in Stuttgart begon, wilde hij zicheerst bezinnen op hoe wij de verbinding met die geestelijke machten nu concreet leggen, in wier opdracht en mandaat ieder van ons in zekere zin zal moeten werken.’
Hij ziet zijn inleidende woorden als ‘een soort gebed tot de machten die de taak hebben imaginerend, inspirerend en intuïterend achter ons te staan, nu wij deze opdracht op ons nemen.’ [7]

Wat ik hier zo beschreef, met een wat persoonlijk karakter, kunnen veel meer vrijeschoolleerkrachten schrijven. We hebben ‘weet’ van een geestelijke wereld, maar er echt in doordringen lukt niet.
Misschien wel bij een enkeling. Maar wie zou van zichzelf durven beweren dat hij dat inzicht heeft. Nog nooit heb ik het van iemand vernomen, noch persoonlijk mondeling, maar ook niet in de vele publicaties over de vrijeschoolpedagogie.

OPDRACHT

We hebben dus enige ‘weet’ van de geestelijke wereld, van geestelijke machten. Maar zo concreet dat we, als we ons werk op de vrijeschool beginnen, er volledig van overtuigd zijn dat we dat gaan doen in de opdracht en met het mandaat van die geestelijke machten?

Later in de voordracht wordt Steiner voor mij concreter: dan gaat hij uitleggen wat er met ‘geest’ wordt bedoeld.

Maar wanneer hij in 1919 zijn 1e voordracht houdt, lijkt het net of al de toehoorders dat al weten en hij geeft ze meteen een handreiking hoe ze de verbinding met deze geestelijke machten kunnen realiseren of in ieder geval proberen te realiseren: in de ongedrukte passage.

DE ONGEDRUKTE PASSAGE

Steiner wilde niet dat de betreffende passage werd gestenografeerd. Ik heb nooit ergens gezien waarom niet, al kun je er wel je gedachten over hebben.

Vond hij de woorden te sacraal voor de drukletter? In de trant van Maria die de woorden van Gabriël in haar hart bewaarde en overdacht. Was dat de bedoeling? In de Duitse uitgave van GA 293 uit 1960 staat de passage niet, wel in die van 1992 en derhalve ook in de vertaling. Waarom werd er besloten Steiners wens niet (meer) te respecteren?

In de vertaling vinden we de volgende tekst:

een soort gebed:
Steiner wilde dus niet dat het betreffende gebed werd gestenografeerd. Het werd door twee cursisten, Caroline von Heydebrand en Herbert Hahn, achteraf als volgt opgetekend.

Notities van Caroline von Heydebrand:

‘Laat ons onze gedachten zodanig richten dat wij het bewustzijn kunnen hebben: achter ieder van ons staat zijn engel, wiens handen zacht op ons hoofd rusten; deze engel geeft jullie de kracht die je nodig hebt. — Boven jullie hoofden zweeft de reidans van de aartsengelen. Zij geven aan elkaar door wat de een de ander te geven heeft. Zij verbinden jullie zielen. Daardoor ontvangen jullie de moed die je nodig hebt. (Uit moed vormen de aartsengelen een schaal.) – Het licht van de wijsheid wordt ons geschonken door de verheven wezens van de archai, die niet een gesloten kring vormen, maar die uit verre oorsprongen verschijnen en in verre verten verdwijnen. Zij dringen slechts als een druppelvorm in deze ruimte door. (In de schaal van de moed valt van de heersende tijdgeest een druppel van het licht der tijd.)’

In de Duitse uitgave staat dit tekeningetje, behorend bij de versie van Von Heydebrand:

ga-293-blz-217

Notities van Herbert Hahn:

‘Wij mogen, omdat wij ons actief op de pedagogie van deze vijfde cultuurperiode richten en ons als leerkrachten daarvoor willen inzetten, voor ogen houden dat de wezens van de derde hiërarchie bereid zijn zich met ons werk te verbinden.

Achter ieder lid van het toekomstige lerarencollege zien wij de engel staan. Hij legt beide handen op het hoofd van de hem toevertrouwde aardemens. En door deze houding en dit gebaar laat hij kracht overstromen. Het is een kracht die aan het te volbrengen werk de noodzakelijke imaginaties meegeeft. Creatief imaginerend, krachtig imaginaties wekkend, staat zo achter ieder de engel.

Gaat de blik naar boven, dan zweeft daar boven de hoofden van de toekomstige leraren een schare aartsengelen. Rondgaand en weer teruggaand in hun kring dragen zij dat wat uit de geestelijke ontmoeting van de enkeling met zijn engel wil voortspruiten, naar ieder van de anderen. En zij dragen het, door de kracht van alle anderen verrijkt, weer naar de enkeling terug. – In dit rondgaan, dat als een geestelijk beeldhouwen aandoet, vormt zich boven de hoofden van de in gemeenschappelijk streven verbonden personen – een schaal. En deze schaal heeft een heel bepaalde substantie: hij is gevormd uit moed. – Tegelijkertijd laten de rondzwevend verbindende aartsengelen in hun beweging, in hun scheppende werkzaamheid inspirerende krachten instromen. Zij ontsluiten de bron van de inspiraties die wij voor ons werk nodig hebben.

Wanneer de schouwende blik nog verder naar boven gaat, bereikt hij het domein van de archai. Zij treden niet als een gezamenlijkheid op. Maar uit hun sfeer, de sfeer van het licht, laten zij een druppel vallen in de schaal van de moed. Wij mogen het zo beleven dat deze lichtdruppel ons geschonken wordt door de goede geest van onze tijd, die achter de stichter en achter de stichting van deze nieuwe school staat. Het zijn scheppende intuïtiekrachten die in dit lichtgeschenk werken. Zij willen in hen die nu het jonge pedagogische werk beginnen, de noodzakelijke intuïties wekken.

Zo neemt, kracht, licht en moed schenkend, de derde hiërarchie aan deze stichting deel. Imaginerend, inspirerend en intuïterend wil zij zich verbinden met ons aardse handelen.’ [8]

IN NAAM VAN DE GOEDE GEEST

Vóór Steiner nader ingaat op wat met geest wordt bedoeld, spreekt hij zijn dank uit. Hij doet dat – de vertaling heeft: in naam van’, dat enigszins dwingend betekent: ‘op gezag van’.
Zou het ook ‘uit naam van’, ‘namens’ kunnen betekenen? Het betekent m.i. toch dat Steiner a.h.w. plaatsvervangend optreedt voor de goede geest, wiens taak het is de mensheid te leiden en te verlossen van nood en ellende; wiens taak het is de mensheid te brengen tot een hoger ontwikkelingsstadium in onderwijs en opvoeding uit diens naam dankt Steinerde goede geesten, die ons aller heer Molt de goede gedachte ingegeven hebben om in deze richting en op deze plaats voor de verdere ontwikkeling van de mensheid dat te doen, wat hij door de oprichting van de Waldorfschool heeft gedaan.

Als ‘nieuwkomer’, zal ik nog maar even zeggen, weet je nu in ieder geval dat het tóch om onderwijs en opvoeding gaat, dat dit op een hoger ontwikkelingsniveau gebracht moet worden en dat dit een onderdeel is van de taak van de goede geest, de mensheid te leiden en te verlossen van nood en ellende.

Dan kunnen er wel wat vragen rijzen: wie is die goede geest; wie zijn die andere goede geesten; zijn dat dezelfde als de geesten die genoemd worden in de ongedrukte passage, die ons willen helpen bij ons werk?

Steiner noemt ze hier niet.

Maar bij de vele gelegenheden waarop hij over de geestelijke wereld sprak, in het bijzonder over de hiërarchieën, beschreef hij de aartsengel Michaël als de leidende tijdgeest. Een tijdgeest van wie sterke impulsen uitgaan. Maar die niet zonder de mens gerealiseerd kunnen worden. Hij moet ze begrijpen én ernaar handelen. Ze moeten tot daad worden, alleen wéten is niet genoeg.

Op deze blog staan ook artikelen over de jaarfeesten, waaronder het Michaëlsfeest.

De vele aspecten die in deze artikelen over Michaël geschreven worden, bieden de gelegenheid een dieper inzicht te krijgen in wat met ‘Michaël’ wordt bedoeld.

In Michaël, aarde en mensheid is er sprake van ‘het komt niet meer aan op de natie, maar op de mensheid als geheel; op de enkeling.

In andere beschouwingen over Michaël wordt hij beschreven als een tijdgeest – een abstractere naam, een idee of ideeën, onstoffelijk, maar zichtbaar gemaakt in wat we dan zien in de kunst waarin Michaël wordt afgebeeld, symbolisch?

Maar bij alles wat rondom deze tijdgeest wordt gezegd, voel je a.h.w. dat ‘het in de lucht hangt’, dat het er is, dat het komen wil: de mens als mens, ongeacht afkomst, ras, sekse enz. Niet meer behorend tot een ras of een natie, maar grensoverstijgend tot ‘het geslacht mens’ (Rosenstock-Huessy). De drang naar vrijheid, naar zelfontplooiing. Wie probeert zijn tijd te begrijpen, ziet het overal om zich heen.
Wie Steiners ‘De weg tot inzicht in hogere werelden‘ ‘kent’ zal vaak zijn tegengekomen dat – het gaat hier om de ontwikkeling van de geestelijke wezens die de hiërarchieën vormen – de ontwikkeling geremd wordt door wezens die in die ontwikkeling niet meegaan, die ‘achterblijven’, die het oude willen conserveren.

Het heeft er veel van weg dat ook in onze tijd ‘de Michaëlische’ ontwikkeling van wegvallende grenzen, grotere verantwoordelijkheid voor het geheel, vrije ontplooiing voor het individu – altijd in de context van meer verantwoordelijkheid voor de gemeenschap – op vele gebieden ook wordt geremd. De grenzen weer dicht? Terug naar de gulden? Eigen volk eerst?

De sociale nood is hoog, in onze tijd nog altijd: honger, armoede, oorlog, vluchtelingen enz.

Ook in Steiners tijd: de 1e Wereldoorlog.

Steiner beweert een antwoord te hebben op de vraag hoe de sociale nood veranderen, verdwijnen kan. Dat is zijn conceptie van de Driegeleding van het sociale organisme‘. Dat is in zijn overtuiging ook het concretiseren van de Michaëlische tijdgeest – wat de geestelijke wereld wil – . Waarop de geestelijke wereld wacht. De spirituele daden van de mens als mogelijkheid voor de geestelijke wereld om zich te ontwikkelen.

De regeringen van Duitsland en Oostenrijk die wel naar Steiners ideeën wilden kijken, doen er uiteindelijk niets mee. De driegeleding zal niet worden gerealiseerd. ‘Geen feest in de hemel!’

Maar dan vraagt Emil Molt aan Rudolf Steiner een school op te richten – vrij van de staat. Dat betekent toch nog iets van de idee van de driegeleding realiseren. Dat is – ik zeg het nu een beetje oneerbiedig – goed nieuws voor de geestelijke wereld.
Zo begrijp ik tenminste Steiners opmerking:

Een feestelijke handeling van de wereldorde,
in een andere vertaling staat een ‘feestelijke gebeurtenis in de ordening der werelden’

Op haar blogMooiteneemt Merel Boon je mee op haar zoektocht naar het wezenlijke van de ‘ongedrukte passage’.

Ruud Gersons spreekt erover op zijn website:
Inleiding, uitleg en vertaling in het Nederlands, klik hier

**Beste Leo
<2>De kans is niet groot dat je dit leest. Toch wil ik het hier uitgesproken hebben: door jou kreeg ik dit mooie beroep: vrijeschoolleerkracht.<2>

Daarvoor ben ik je heel dankbaar!

=

De vraag naar de, of een geestelijke wereld, of naar God, wordt door velen gesteld en dus door velen beantwoord. Dat is vaak zeer verrijkend!
‘Professor, bestaat God?

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[
2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven
[4] Vrije Opvoedkunst – archief
[5] Leen Mees
[
6] Over temperamenten
[7]  imaginerend, inspirerend en intuïterend: De termen imaginatie, inspiratie en intuïtie worden door Steiner gebruikt om de drie hogere kenvermogens aan te duiden. Wat deze vermogens inhouden zet hij o.a. uiteen in De wetenschap van de geheimen der ziel en in Zelfkennis en hoger inzicht, wv-d2, ga 12, 16 en 17 (eerdere vertaling van ga 12: De trappen van het hogere bewustzijn, Zeist 1982).
(Laatst genoemd boek tref ik op de website van Christofoor niet aan, wel De weg tot inzicht in hogere werelden)
[8GA 293/218
vertaald/238-239

.
Meer over blz. 17/18 [1-2-1]

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1223-1142
 

.

**

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over euritmie

.

RUDOLF STEINER OVER EURITMIE

Rudolf Steiner hield een aantal voordrachten over euritmie.
Ze zijn in de GA genummerd: 277*; 277A; 278 en 279

Ook in de pedagogische voordrachten spreekt hij bij tijd en wijle over euritmie. Uit deze voordrachten: GA 293-311 zullen hier zijn opmerkingen volgen.

Verschenen in aparte artikelen (volg link) de opmerkingen uit: GA 293; GA 294: GA 297; GA 298; GA 300A; GA 300B; GA 300C; GA 301; GA 302; GA 302A; GA 303; GA 304; GA 304A; GA 305; GA 306GA 307; GA 308; GA 309; GA 310; GA 311

Aangezien euritmie ‘zichtbare spraak en muziek’ is, zal Steiner dus vaak wanneer hij over euritmie spreekt, ook muziek en spraak erbij betrekken.
In het Duits staat vaak ‘Sprache’ dat vertaald kan worden met spraak en taal. Waar met ‘spraak’ is vertaald, kan in veel gevallen ook ‘taal’ worden gelezen. Euritmie is niet alleen een zichtbaar ‘spreken’, het is ook zichtbare taal.

Ook maakt hij vaak het verschil met gymnastiek duidelijk. Wanneer dat het geval is, wordt dat hier aangegeven; de bladzijaanduiding heeft betrekking op de vertaling:

muziek: GA 294/18; 44; 45-49    GA 302/42-45     57   GA 308/53 e.v.  GA 309/103 e.v.

spraak: GA 294/45-49  vooral ook over gedichten en reciteren;
GA 205/29 zie onder
GA 297 /217-220;   GA 300C/14;  GA 301/93-97   GA 301/249-252   256-259   GA 302A/51-52  GA 304/166 e.v  GA 304A/119-120  GA 305/158-159   247 e.v. GA 306/202;  GA 307/355; GA 308/53 e.v.

gymnastiek: GA 294/53-54-55;   GA 297/184-186/178-179 217-220;    GA 300A/174; GA 300B/12; GA 300C/14; GA 301/ 93-97   201/201   252    259     GA 302/38-39    42-45 (over: de ene dag euritmie, de andere gymnastiek)  GA 304/118  168 e.v.   GA 304A/ 55-57; GA 305/252 e.v.; GA 307/307; GA 309/107  GA 310/83 e.v.  GA 311/110 e.v. 

euritmie en:
moreel zwak kind: GA 301/119307
(gezondheids)krachten, vitaliteit ontwikkelen: GA 304A/27
liegen en euritmie GA 304A/58-59  GA 305/253   GA 309/108
wilsontwikkeling GA 304A/58-59

euritmiefiguren GA 305/158-e.v.      GA 307/304-e.v.
beweging, kleur, sluier                 VRIJESCHOOL in beeld: klankfiguren

Beknopte inhoud van de opmerkingen in de verschillende voordrachten:

GA 293
vert. 195 euritmie moet onderwijs levendiger maken; het intellectuele doorbloeden.

GA 294
vert. 29 mens van nature muzikaal; kleine kind wil bewegen: euritmie heft zwaarte in ledematen op
vert. 31 werken vanuit het hoofd: invloed op etherlijf en fysiek lichaam; werken vanuit ledematen: invloed op Ik en astraallijf;
vert. 47/48 plastisch-beeldende en een muzikaal-dichterlijke stroom: euritmie kan ze in zich verenigen;
vert. 54-58 harmonie teweegbrengen in dionysisch en apollinisch;
muziekonderwijs; plastisch-beeldend werkt individualiserend-muzikaal-dichterlijk socialiserend; wezenlijk: het muzikale in een gedicht; interpreteren v.e. gedicht: verschrikkelijk!; belang van zingen;
vert. 68=73 betekenis grammatica; zelfstandig naamwoord, bijv. nw., werkwoord en Ik; euritmie en luisteren, luisteren = sociaal; wijsheid van de taal;
heilige naam niet uitgesproken, maar weergegeven door gebaar.

GA 297
blz. 178: euritmie is kunst; menselijk lichaam is het instrument; verschil met gymnastiek; naast kunst ook pedagogische en hygiënische waarde.
blz. 185: Als opmerking uit publiek: euritmie verwaarloost het sterker worden van de spieren,
blz. 186: daarom niet alleen maar euritmie op school, ook gym. Steiner: ook gymnastiek!
blz. 194: een zichtbare taal met door bovenzinnelijk schouwen waargenomen bewegingen van het strottenhoofd.
blz. 217: er is niets tegen gymnastiek.
blz, 218: euritmie in 1e plaats een kunst, maar ook hygiënisch-gezondmakends en pedagogisch-didactisch; bewegingen afgelezen aan bewegingen van strottenhoofd; geen willekeur in de bewegingen; bezielde beweging;
blz. 219: wat is dichtkunst; wat is reciteren;
blz. 220: op de vrijeschool een verplicht vak; nodig voor wilsinitiatieven

GA 298
blz. 13: Kunstzinnig onderwijs voor een sterke gevoel- en wilskracht. Euritmische, de zinvolle beweging, in plaats van wat alleen maar berust op het anatomische en fysiologische van het lichaam.

GA 300A
blz.66: euritmie vanaf klas 1 (er bestond nog geen kleuterklas), gym. vanaf 4
gymleraar en euritmist(e) in elkaars les
blz, 78: begin met de nadruk op muziek
blz. 113: klanken in andere talen, bijv. de Engelse I
blz. 120 en 123: euritmie is een verplicht vak
blz. 135: hoofdkinderen maken mooie opstellen, lich. begaafde doen goed euritmie; hoe ga je om met de hoofdkinderen; ventileer goed!
blz. 174: gymnastiek naast euritmie
blz. 239: absolute en relatieve tonen
blz. 242: zelf euritmieschoenen maken (in die tijd); niet muzikaal? toch euritmie

GA 300B
blz.12: euritmie i.p.v. alleen maar uitgaan van anatomie en fysiologie. Kunstzinnig onderwijs: wils- en gevoelsversterkende kracht.
blz. 218: niet in een te grote zaal
blz. 293-296  over de relatie gym en euritmie, waarin ze verschillen; over de klankfiguren en de betekenis van de kleuren;

GA 300C
blz. 14: 
wat is euritmie; vergelijking met gymnastiek
blz. 96/97: over de klankfiguren en hoe die met de leerlingen te behandelen zie ook: GA 305
blz.  103: door exameneisen moeten er in klas 12 vakken uitvallen: de euritmie niet!

GA 301
blz.93: euritmie: bezielde gymnastiek – gymnastiek meer fysiek;
blz. 94: kinderen die niet graag euritmie doen; euritmie (ook op 95): zichtbare spraakklank, zichtbare beweging strottenhoofd, enz.; spreken als gevoels- en wilsactiviteit; tegengestelde van dromen;
blz. 95: gymnastiek: geen wilsinitiatieven; gevolgen voor maatschappij;
blz. 96: werking van euritmie voor aandacht voor de wereld; zangles, euritmie en gymnastiek door 1 leraar;
blz. 119: morele zwakte en euritmie vóór het 9e jaar
blz. 200: zie blz. 95
blz. 249: inleidende woorden bij een euritmieopvoering op 15 mei 1920 Dornach
euritmie vanuit gezichtspunt van iets puur kunstzinnigs; een pedagogisch-didactisch gezichtspunt en een hygiënisch gezichtspunt.
euritmie zichtbaar geworden studie van spraakklanken;(bij het vertalen heb je te maken met Sprache = taal en spraak, dus kun je voor spraak ook taal lezen);
blz. 250: taal is sociaal; wat een gedicht moet zijn;
blz. 251: euritmiebewegingen zijn niet willekeurig; reciteren;
blz. 252: pedagogische euritmie: bezielde gymnastiek
blz. 253: euritmie leidt tot wilsinitiatief, meer dan gymnastiek

blz. 256: inleidende woorden bij een euritmieopvoering op 16 mei 1920 Dornach
euritmie zichtbaar geworden studie van spraakklanken; (bij het vertalen heb je te maken met Sprache = taal en spraak, dus kun je voor spraak ook taal lezen);
blz. 257: wat is een gedicht; reciteren;
blz. 259: euritmie ontstaan door zintuiglijk-bovenzintuiglijke studie (Goethe)
ped. euritmie werkt op de wil; gymnastiek versterkt alleen het lichaam; voert terug tot ritme: hygiënisch aspect;

GA 302
(blz.: vertaling)
blz. 38: euritmie: bezielde, vergeestelijke beweging; gymnastiek: fysieke beweging
blz. 43-45: wat gebeurt er met de leerstof in de wezensdelen gedurende de nacht; gezondmakende invloed euritmie; de ene dag euritmie – de andere: gymnastiek|
blz. 57: ook bij euritmie wordt fysieke lichaam aangesproken
blz. 61: euritmie bevrijdt het geestelijke uit de ledematen
blz. 126: wanneer kind euritmie doet, schrijft het iets in de wereld

GA 302A
(blz.: vertaling)
blz. 50: astraallijf openbaart zich in strottenhoofd; astraallijf en etherlijf werken samen; euritmie: opgetekende vibraties;
blz. 51: geen willekeur; bewegingen geestelijke wereld via euritmie op aarde;
blz. 111: euritmie bezield, gymnastiek – mits goed uitgevoerd – opent de weg naar iets geestelijks

GA 303
(blz.: vertaling)
blz. 327: euritmie is fysiek-lichamelijk, tegelijkertijdzinvol doortrokken van het geestelijk-psychische
blz. 351: euritmie gaat naar het wilselement, naar de totale mens, de volledige mens.
woord en gebaar in huidige tijd gespleten; euritmie zoekt eenheid

GA 304
blz. 117: euritmie belangrijk voor hoe je in de wereld staat; voor lichaam, ziel en geest;
blz. 118: geen miniek o.i.d., bewegingen afgelezen aan het lichaam;
blz. 166: euritmie en intelligentie;
blz. 167: euritmie: zichtbaar gemaakte bewegingstendenzen (strottenhoofd)
blz. 168: bewegingen niet willekeurig, maar wetmatig;
blz. 169: werken vanuit heel de mens= wekken intelligentie;

GA 304A
blz. 27: euritmie genereert gezonde krachten;
blz.55: euritmie is bezielde en geestrijke gymnastiek;
blz. 56: zoeken van de verhouding van het menselijk circulatie- en bewegingssysteem t.o.v. de ruimte en de innerlijke vorming, de innerlijke dynamiek;
In de euritmie heb je meer te maken met die kwalitatieve innerlijke dynamiek die zich afspeelt tussen het ademhalings- en het circulatiesysteem;
Verschil met gymnastiek;
blz. 57: door euritmie beweeglijker voorstellingsleven;
werkt op de wil;
blz. 58: euritmisch kun je niet liegen
blz. 59: nodig: wilsontwikkeling (door euritmie)
blz. 119: kunst werkt op de wil;
spraak en gebaar;

GA 305
blz. 158: euritmiegebaar: zichtbaar gemaakte teruggehouden beweging van het strottenhoofd bij het maken van klanken;
klankfiguren; zie ook GA 300C
blz. 159/162: klankfiguren, wat betekenen de kleuren, over de sluier, waar zit het wilselement
blz. 162: volgorde waarin de kinderen de klanken worden aangeleerd; de R;

blz. 245: inleidende woorden bij een euritmieopvoering op 18 aug. 1922 Oxford
euritmie zichtbaar geworden studie van spraakklanken; (bij het vertalen heb je te maken met Sprache = taal en spraak, dus kun je voor spraak ook taal lezen)
euritmie wil geen danskunst, geen mimische kunst, geen pantomime en dergelijke zijn, maar wil door het kunstmiddel van een werkelijk zichtbare taal werken.
Euritmie als impulsbeweging
blz. 246: bovenzintuiglijk waarnemen van bewegingsimpuls voor euritmiegebaar:
gebaren als bewegingsstroom;
blz.247: hoe moet er bij euritmie gereciteerd worden;
blz. 248: de therapeutisch-hygiënische kant
blz. 250: er wordt vertoont uit een mysteriedrama

blz. 251: Inleidende woorden bij een euritmieopvoering op 19 aug. 1922 Oxford
euritmie zichtbaar geworden studie van spraakklanken; (bij het vertalen heb je te maken met Sprache = taal en spraak, dus kun je voor spraak ook taal lezen)
Euritmie geen gymnastiek, geen dans, ze moet een kunstvorm zijn.
Ondersteunt het taalonderwijs;
blz. 252: verschil met gym.:  euritmie: gymnastiek van ziel, van geest werkt op de wil:
blz. 253: met euritmie kun je moeilijk liegen

GA 306

blz. 187-190: over kunstzinnig spreken, reciteren, declameren;
blz. 190: verschil met dans; het individuele van de  euritmist

blz. 199: euritmie wil zichtbare taal, zichtbaar zingen zijn;
blz. 200202: euritmiebewegingen: de vormen van de luchtstromen die de mens bij het spreken verlaten;
blz. 202-203: reciteren is niet de proza-inhoud benadrukken; het wezenlijke van het dichterlijke; dat wil euritmie zichtbaar maken
blz.  203-205: euritmie geen mime, dans, enz.
blz. 205: over belichting

GA 307
blz. 119: euritmie om het woord in de wil te krijgen
blz. 303: pedagogische euritmie niet af te zonderen van kunstzinnige euritmie
blz. 304: e.v.: over de euritmiefiguren; grondkleur; sluier; gezicht en uitdrukking
blz. 307: over gymnastiek en de ruimterichtingen

blz. 353: euritmie geen dans, mime; afgelezen aan bewegingen van spraakorganen;
blz. 355: speciale spraakkunst, declamatie vereist; euritmie is niet voor het intellect, maar voor de waarneming; het instrument is het lichaam;

GA 308
blz. verwijzen naar vertaling

Blz. 82: astraallijf is muziek; astraallijf en toonladder: schouders, armen Blz. 83: e.d.; spraak en Ik;
Blz. 84: taalgenius en Ik; euritmie: tooneuritmie voor astraallijf,  woordeuritmie voor Ik
Blz. 85: plastiek voor het etherlijf; muziek voor het astraallijf; spreken voor het Ik


GA 309
vert. 103/104
gebarentaal van nature; spraakcentrum in hersenen; spraak en arm en hand;
vert. 104 spreken en de manier van lopen;
vert. 105 euritmie maakt spreken zichtbaar
vert. 106 wat er in de mens gebeurt als hij zingt; euritmie: zichtbaar zingen
vert. 107 euritmie op de vrijeschool: gymnastiek voor ziel en geest; er is ook therapeutische euritmie
vert. 108 euritmie gaat oneerlijkheid tegen

GA 310
vert. 83-84 etherlijf als plastisch kunstenaar, astraallijf als musicus gaan samen in euritmie; verschil met gymnastiek;
vert. 119 een kinderopvoering ná een kunstzinnige opvoering.

GA 311
vert. 110 t/m 112
Euritmie, turnen, gymnastiek. Het wezen ervan. Euritmie brengt innerlijkheid naar buiten. Door turnen voegt de mens zich in de ruimte.

*Rudolf Steiner: vorm en beweging Over euritmie: toespraken bij de euritmievoorstellingen in de jaren 1918 tot 1924. GA 277, gedeeltelijk vertaald in Euritmie. Zes inleidingen.

Uit andere voordrachten:

GA 205/29

Und ein anderes, hier darf es gesagt werden, wir sind unter uns, es muß eben von mir manches gesagt werden, weil es leider von anderer Seite zu wenig gesagt wird. Wir bemühen uns jetzt in der Begleitung der Eurythmie seit vielen Jahren einer Rezitations- und Deklamations­kunst, welche wiederum zu den alten guten Kunstprinzipien zurück­geht, wiederum erinnert an dasjenige, was in der Poesie eigentlich Kunst ist, der Rhythmus, der Takt, das Tonhafte, das Bildhafte, wäh­rend in unserer unkünstlerischen Zeit eigentlich die Dichtung nur mehr prosaisch rezitiert wird. Man rezitiert das Prosaische, das Wortwört­liche, man geht nicht zurück zu dem Untergrunde des Rhythmischen, des Taktmäßigen; und weil in Begleitung unserer Eurythmie das wie­derum gesucht wird, was zum Beispiel Goethe meinte, als er mit dem Taktstock wie ein Kapellmeister selbst seine Jambendramen einstu­dierte mit seinen Schauspielern, indem er auf das wirklich Künstlerische in der Poesie hinwies, weil wir von einem Unkünstlerschen wiederum zu einem Künstlerischen zurückgehen, deshalb erheben die Protektoren oder die Leute selbst, die heute, während sie vorgeben, Dichterisches zu rezitieren, allerlei Prosaisches quaken und blöken, die erheben sich quakend und blökend aus ihrer Unfähigkeit heraus und pöbeln an diejenigen, die sich widmen dem Rezitieren, das wiederum die wirk­liche Kunst dieses Rezitierens zur Geltung bringen will.

En nog wat anders, hier mag dat worden gezegd, we zijn onder elkaar, ik moet van mij uit nog veel zeggen, omdat het helaas van de andere kant te weinig wordt gezegd. We doen al vele jaren bij de begeleiding van de euritmie een beroep op een recitatie- en declamatiekunst die weer terugkeert naar de oude, goede kunstopvattingen, weer herinnert aan wat in de poëzie eigenlijk kunst is, het ritme, de maat, de toon, het beeldende, terwijl in onze onkunstzinnige tijd eigenlijk de dichtkunst min of meer prozaïsch gereciteerd wordt. Men reciteert het prozaïsche, het letterlijke, men gaat niet terug naar de basis van het ritmische of de maat; en terwijl in de begeleiding van onze euritmie dat nu weer wordt gezocht, wat Goethe bijv. bedoelde toen hij met de maatstok zoals een kapelmeester zelf zijn jambendrama’s instudeerde met zijn toneelspelers, toen hij op het werkelijk kunstzinnige in de poëzie wees; en daarom, omdat wij weer van iets onkunstzinnigs naar iets kunstzinnigs terugkeren, hemelen de beschermers of de mensen zelf die tegenwoordig als ze aangeven iets dichterlijks te reciteren zich op en kwaken en kwekken allerlei wat proza is, die hemelen zich kwakend en kwekkend op vanuit hun onvermogen en gaan ordinair tekeer tegen degenen die zich wijden aan het reciteren dat weer de echte kunst van dit reciteren tot zijn recht wil laten komen.
GA 205/29
Niet vertaald

Euritmie: alle artikelen

Opspattend grind

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

1222-1141

.

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (45)

.

AFGODERIJ

leven-o-t-203

1. Masseben (opgerichte stenen van Gezer).
„Binnen de stad of althans in haar onmiddellijke nabijheid was voor de KanaÄnieten de plaats, waar de goden worden vereerd (Statenvert. „hoogten”). Zo’n hoogte, die niet minder dan vijftien eeuwen achtereen in hoge eer is geweest, hebben de opgravingen in Gezer ons weer voor ogen gesteld. Daardoor kunnen we ons althans met enige zekerheid een beeld vormen van de bekende „hoogtedienst” waartegen Israëls profeten zo lang hebben gestreden. We vinden hier een aantal „opgerichte stenen”; onder deze trekt de kleine de meeste aandacht: het bovenste deel ervan is gepolijst, zoals dat alleen kan ontstaan door de altijd weer vernieuwde aanraking van devote lippen, die met vuur de steen kussen, of wel van handen, die in bloed of olie gedoopt, daarmee de steen zalven ter ere van de godheid. (A. Noordtzij).

leven-o-t-204

2. Babylonische godheid in de gedaante van een vis. Deze godheid herinnert aan de Filistijnse god Dagon. Men neemt gewoonlijk aan, dat hij een visgod was. Uit 1 Sam. 5 blijkt, dat het Dagonbeeld van Asdod hoofd en armen had. Of het onderstuk in visvorm uitliep, hangt af van de vraag, of we vers 4 aldus moeten lezen: „slechts zijn visvorm was op hem gebleven”, dan wel: „slechts zijn romp was op hem gebleven”. In het eerste geval (dat nog steeds waarschijnlijk is) heeft Dagon het hoofd en het bovenlijf van een mens gehad, waarschijnlijk de romp van een vis.” (Prof. Noordtzij).

leven-o-t-205

3. Vrouwelijke godheid.
De figuur is gehuld in een nauwsluitende kledij, die de lichaamsvormen goed doet uitkomen; de godin draagt halsketting, gordel en enkelring. Op het hoofd heeft zij een kroon naar Hethietisch model. De vrouwelijke godheid van het Kanaänietisch heidendom is de pendant van de mannelijken Baäl, naast wie zij herhaaldelijk wordt genoemd (Richt. 2 : 13; 10 : 6; 1 Sam. 7 : 4; 12 : 10). De naam is: Astarte, in het Hebreeuws As’toreth; meervoudsvorm Astaroth; daarnaast ook Asjerah. De Statenvert. heeft hiervoor „bos” maar het is duidelijk, dat wij b.v. in de „vierhonderd profeten van het bos” (1 Kon. 18 : 19) te doen hebben met dienaren van deze godheid. (Daarnaast komt het woord Asjerah ook nog in een andere zin voor, namelijk als de benaming van een voorwerp, dat tot de Kanaänietische eredienst behoorde; wel heeft de Statenvert. hiervoor ook „bos”, maar dit voorwerp is hoogstens een enkele boom, liever nog een boomstam of paal). Astarte vertegenwoordigt de vrouwelijke natuurkracht en wordt als de bron van alle vruchtbaarheid, als de verwekkende en onderhoudende godin van het leven vereerd” (Prof. G. C. Aalders).

leven-o-t-206

4. Baäl.
De naam van de mannelijke godheid in het Kanaänietisch heidendom. Oorspronkelijk is Baäl geen eigennaam; de goden werden niet bij hun naam genoemd, maar deze vervangen door het vage „baäl” d. i. heer of eigenaar van bepaalde heilige bronnen, bomen, dieren, bergen, stenen of plaatsen. Van deze lokale Baäls, die dus waarschijnlijk slechts beschouwd werden als de verpersoonlijking van de grote mannelijke godheid, smeekte de Kanaäniet de vruchtbaarheid van zijn land en alle goede gaven (Hosea 2:4). — De Baäldienst in de dagen van Achab en Izebel was gewijd aan de god der Feniciërs; deze dienst te bestrijden was dus nationale en godsdienstige plicht.

leven-o-t-207

1. Moloch
(volgens H. Vincent). Moloch is een woord, dat eigenlijk hetzelfde is als „melek”, dat koning betekent; vermoedelijk is Moloch hetzij slechts een andere naam voor Baäl in zijn verderfbrengende gedaante, hetzij een van de verschillende Baäls van Kanaän geweest. In Jer. 32 : 35 worden Moloch en Baäl gelijkgesteld. Moloch is de god van de verterende zon, die door de ritus van het „door het vuur gaan” gediend werd (Lev. 21 : 21; 2 Kon. 23 : 10). — De hier afgebeelde „Moloch” is een „stierenkop”, die ook herinneringen wekt aan de kalverendienst (1 Kon. 12 : 28) en drukt de gedachte aan de zinnelijke dienst uit door het mannelijk lid boven de neus op het voorhoofd. — Maar het is een betwiste kwestie of dit beeld wel „echt” is.

leven-o-t-208

2. Babylonisch levermodel.
Bij de Babyloniërs speelde de waarzegging uit de lever (hepatoscopie) een grote rol. Men beschouwde de lever van het geslachte dier met grote aandacht; „de lever bezien” (Ezech. 21 : 21) was geen uitvinding van mensen maar een gave van de godheid. De zonnegod „bepaalde de juiste stand van de ingewanden in het lijf van het schaap” en „schreef zelf in het lijf van het offerlam het orakel op”. Geen schaapslever is volkomen gelijk aan de andere. Steunende op dit feit, heeft men een geheel stelsel opgebouwd, om uit de lever der offerdieren de toekomst te voorspellen. Zo in het gezicht van Ezechiël 21 : 21. De koning van Babel staat op de kruisweg, aan het begin van de beide wegen om waarzeggerij te plegen: hij schudt de pijlen, ondervraagt de terafim, beziet de lever. — Nu werd ook bij Israël de lever wel beschouwd als de zetel van het leven en van het gevoel (Spr. 7 : 23; Klaagl. 2 : 11). Maar de Israëlietische wet heeft de bijgelovige praktijken onmogelijk gemaakt, door het voorschrift dat de leverkwabben der offerdieren verbrand moesten worden (Ex. 29:13; Lev. 3:4; 4:9).

leven-o-t-2093. „Assyrische” goden.
Relief van Tiglath Pileser III uit Kalach. Assyrische soldaten met spitse krijgshelm dragen godenbeelden; misschien als buit; in dat geval zijn het geen Assyrische goden. De voorste (a, b) schijnen vrouwelijke godheden te zijn; beide zitten. De derde godheid is grotendeels verborgen in een kast (c). De vierde (d) godheid is een bliksemgod met de dubbele bliksem in de linker- en de bijl in de rechterhand. De processie kan een trotse uiting wezen, hoe Assyrië’s macht sterker is dan de goden der volken (Jes. 36 : 19; 2 Kon. 18 : 34).

leven-o-t-210

4.Beeld van de godin Diana in de tempel te Efeze. Diana, de Latijnse naam voor de Grieksche godin Artemis was een godheid, die in de Grieks-Oosterse wereld veel geëerd was. De dienst van Artemis van Efeze, de „Diana der Efeziërs” was wijd verbreid („aan welke gans Azië en de gehele wereld godsdienst bewijst”, Hand. 19 : 27). Oorspronkelijk was de dienst van deze godheid een Oosters getinte natuurdienst; het beeld van Diana had dan ook verschillende zinnebeeldige kentekenen, die wezen op vruchtbaarheid en groeikracht. Afbeeldingen werden als wijgeschenk door vereerders van Diana meegenomen naar huis (Hand. 19 : 24).

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas: vertelstof

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas Oude Testament

1221-1141

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis – verhaal (14-3)

.
Vanaf 6 jr. Voorleestijd 5 min.

Naar een Duits verhaal van Christel Sprengel
.

De heilige nacht

Het gebeurde eens, lang geleden, dat door een grote stad een vrouw liep. Je kon zien aan haar gang dat ze zó moe was; zij sleepte zich voort, klopte aan iedere deur aan en klaagde:
‘O,  bittere nood, mijn kind klopt aan,
Heeft geen plaats voor een beddeke staan.

Maar de deuren bleven gesloten.
Toen verzuchtte de vrouw: “De mensen horen mij niet, misschien verstaan de dieren mij wel”.

En zo verliet zij de stad. ’t Werd donker en een voor een pinkten de sterren tevoorschijn. ’t Was koud, ijs en sneeuw lagen over de velden. De vrouw wandelde vermoeid voort tot zij kwam bij een stal, die een­zaam en verlaten stond, geen boerderij was in de omtrek te bekennen.
En toch was er leven in die stal; een os en een ezel woonden daar samen en leefden tevreden met elkaar.
Ook daar klopte de vrouw aan en begon weer:

‘O,  bittere nood, mijn kind klopt aan.
Heeft geen plaats voor een beddeke staan’.

Maar het was of de wind haar woorden meenam. Toch hoorden de dieren haar en de deur werd voor haar geopend, en zij lieten haar binnen en verwarmden haar verstijfde leden met hun warme adem.

Het was in diezelfde tijd dat een broertje en een zusje in een klein kamertje bijeen zaten en wachtten op hun moeder die maar niet thuis kwam. Ze was die morgen al vroeg weggegaan naar haar werk.

’t Werd al donkerder en donkerder en het meisje begon te huilen.
‘Wees nu maar stil,’ troostte het broertje,  ‘als moeder komt zal zij de
kerstkaarsen aansteken’.                                       .

En zo spraken zij erover hoe dat zou zijn als een voor een de lichtjes aan gloeiden en alles in de kamer anders zou worden. Eindelijk kwam de moeder thuis, maar zij stak alleen de lamp aan en deed alsof het een gewone avond was.
Toen vroeg het meisje: “Moeder, steek je de kaarsen niet aan ?” en het jongetje drong aan: “Het is toch kerstnacht”.

Boze, harde woorden kwamen uit de mond van de moeder: “Heilige Nacht ? Dat was eens, lang geleden, als er ooit een heilige nacht geweest is! Er is geen liefde meer op aarde, wij hebben geen geld om kerstfeest te vieren”.

En met deze woorden zette ze het karig maal op tafel. Daarna zijn ze alle drie stilletjes naar bed gegaan.

De moeder sliep al gauw in, maar de twee kinderen bleven wakker. ‘t Was of ze op iets lagen te wachten, zou er dan toch nog iets gebeuren? Luister, daar werd op het raam getikt en toen ze samen naar buiten keken, zagen ze de os en de ezel staan en hoorden hen roepen;
“Er is iets in de stal geschied,
Komt, komt en ziet.”

Toen ze dat hoorden glipten ze stilletjes hun bed uit. In hun haast vergaten zij zich aan te kleden en op hun tenen om hun moeder niet te wekken, slopen ze in hun hemdje de straat op. Os en ezel namen hen op hun warme rug en liepen de slapende stad uit tot ze bij het bos kwamen. Nogmaals riepen os en ezel:

‘Er is iets in de stal geschied
Komt, komt en ziet.”

Daar kwamen uit alle hoeken en gaten alle dieren tevoorschijn, wilde en tamme tezamen.

Wat liep, kroop en vloog kwam achter os en ezel aan die met de kin­deren op de rug de weg wezen.

Eindelijk na een lange tocht door het bos en over het veld stonden ze stil bij de stal waar os en ezel hun woning hadden.

Toen riepen ze voor de laatste maal:

‘Er is iets in de stal geschied
Komt, komt en ziet.’

De sterren glansden nog helderder alsof de hemel zijn ogen opsloeg. Allen verdrongen zich in de stal om te zien wat daar wel gebeurd was. Zij zagen een vrouw met een kindje dat deze nacht geboren was. Lieflijk lag het daar in het hooi, maar het had niets aan, de moeder had geen doeken om het in te winden.

Het broertje en zusje zagen dat en trokken hun hemdjes uit en gaven het aan de moeder voor haar kind.

Zij merkten niet dat zij nu net zo bloot waren als het kindje; ze keken toe hoe licht het werd in de stal en hoe hoog.
Zij zagen engelen afdalen, deze zongen en wiegden het kind. De vrouw zag er in de glans van het licht als een koningin uit. Liefderijk boog zij zich over de kinderen, streelde de dieren en ver­gat er geen een!

Toen brachten os en ezel het broertje en zusje weer naar huis.
Hoe verbaasd was de moeder toen zij haar slapende kinderen de
volgende morgen zag.                                                                                  !,

Ze hadden beiden een nieuw hemdje aan van zijde dat je nergens op
aarde zult vinden.

Kerstverhalenalle

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldKerstmis                         jaartafel

.
.
1220-1140

..

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (33)

Hoewel het vieren van jaarfeesten een onderdeel is van wat op de vrijeschool gebeurt, geeft Steiner er in zijn pedagogische voordrachten geen aanwijzingen voor. Dat er over de jaarfeesten op deze blog van alles is te vinden, betekent niet dat alle achtergronden die hier worden gegeven voor iedere school in gelijke mate gelden. Bovendien is ‘school’ in dit opzicht te abstract. Het gaat om de mensen die er vorm aan geven. Omdat het bij de achtergronden om  religieuze, spirituele of godsdienstige inhoud gaat, ligt het voor de hand dat iedere individuele leerkracht daarmee een bepaalde verbinding heeft – van een oppervlakkige tot een diepe.
De achtergronden die hier worden gegeven, zijn dus meer bedoeld om de sfeer te schetsen waaruit de concrete vorm van een jaarfeest is voortgekomen.
Een artikel over Kerst, geschreven vanuit antroposofische gezichtspunten.
.

De plaats van Kerstmis in de gang van het jaar:

Als we op weg gaan naar het hoogtepunt van het winterseizoen, dat we met sneeuw en ijs, met vorst en heldere lucht tegemoet zien, gaat de aarde kort daarvoor door een merkwaardige sfeer van een melancholische stemming. Het in de zomer vol levenslust opgebouwde leven, dat de hemel en de sterrenhemel tegemoet werd gedragen, zinkt terug, valt weg.  De val van de bladeren, de grijze hemel, het late gloren van de dag en het snel weer avond worden, hebben een soms bedrukkende invloed op het gemoed van de mens. Het lijkt wel of de afstervende natuur de mens mee wil trekken in de afgrond van de jaarlijks terugkerende dood.
Is het echter eenmaal echt winter, dan verdwijnt dat treurige gevoel al snel. De merkwaardig nuchtere helderheid van een zonnige winterdag reinigt het innerlijk van de mens en de duisternis verdwijnt uit zijn gemoed en verheldert de zelfstandige denkende activiteit van de mens. De mens heeft zich tot een winterse denker omgevormd. De dood in de natuur is de tegenspeler van het menselijke zelfbewustzijn. Alle twee: de neergang buiten en het opstaan in het innerlijk zijn op een raadselachtige manier met elkaar verbonden. Als mens zijn we verbonden met de werkingen in de natuur, maar juist in de winter wordt dit gebonden zijn op een bepaalde manier vrij gemaakt: natuur en mens zijn gescheiden van elkaar, maar tegelijk is er ook sprake van een open zijn voor elkaar. Kunnen we hier iets verder in doordringen, in dat winterraadsel van het enerzijds verbonden zijn en het anderzijds tegenover elkaar staan?

De aarde heeft een kosmische voorgeschiedenis. Zij is het product van een tweevoudige scheiding en haar substantie het resultaat van een dubbele loutering. Want wanneer de aarde altijd met de zon verbonden zou zijn gebleven, dan had ze nooit aarde kunnen worden. In de kosmisch vlammende gloed van de zon had ze niet de rust en ook niet de gestalte-kracht kunnen vinden, die nodig was als grondslag voor het tot stof worden van de mens en de natuurrijken. Dan zou die gestalte-kracht in de zon zijn verbrand. Het was nodig dat de aarde zich bevrijdde van het vuurproces van de zon, dat in oude tijden het “sulfur-proces” werd genoemd. Wat er in het belang van de totale kosmos ontwikkeld moest worden, kon slechts in het trage tempo van de aardegeschiedenis rijp worden. Die rijping had behoefte aan de tragere tijdmaat van de aarde tegenover de kosmisch brandende snelheid van de zon.

Maar de aarde moest zich ook afscheiden van de maan. Was de aarde met de maan verbonden gebleven, dan had ze het aarde-worden niet kunnen bereiken. Met de verstarrende kou van de maan verenigd, zou er teveel verharding zijn opgetreden, alvorens het leven zich bewegend en plastisch had kunnen ontwikkelen. Wat er aan leven zou zijn ontstaan, zou direct verhout zijn, en de bloesem zou in de knop verdroogd zijn. Om niet te vervallen tot stilstand en de rust van de dood, moest de verstarrende, verhoutende kracht van de aarde losgemaakt worden. Door de afscheiding van de maan, werd het verstarrende losgelaten.

De aarde ontwikkelde het eigenaardige en moeilijk te beschrijven midden tussen verbranden en verhouten(verharden), een wonderlijke toestand tussen kosmische snelheid en dodelijke verstarring. In oude tijden werd deze toestand “mercurius-proces” genoemd. Het pendelen tussen zon en maan is een als maar doorgaand proces, een gebeuren, wat we terugzien in het RITME. De aarde is eigenlijk onzichtbaar; het is een bovenzinnelijk wezen. Alleen dat aan haar is echt aarde, wat door het loskomen van de zon en de maan, in de invloed is gekomen van het pendelende mercurius karakter.

Dit mercuriale ritme ligt ook ten grondslag aan het jaarverloop. In de zomer wordt de aarde door een “sulfur-tendens” gegrepen. In de zomer bestaat voor de aarde altijd het gevaar van de verbranding. In de winter werkt de verhoutings(verhardings)tendens van de maan en is er altijd weer het gevaar van de verstarring.

Maar de aarde is niet alleen in het tijdsverloop tussen zomer en winter een pendelende mercurius. Ook ruimtelijk is ze, als geheel, Mercurius. Wat we op een bepaalde plaats, bijvoorbeeld onze woonplaats, als seizoen-loop beleven, is op de hele aarde ruimtelijk tegenwoordig. Zomer en winter zijn tegelijkertijd aanwezig, doordat ze op het noordelijk en het zuidelijk halfrond tegenover elkaar staan. Dus de vier seizoenen zijn op de aarde als geheel voortdurend gelijktijdig aanwezig. Rondom de evenaar is het eigenlijk eeuwig zomer. Hier is het gevaar van verbranding het grootst. Bij de Noord-en Zuidpool is het eeuwig winter en daar is het gevaar van de verstarring het grootst. Het Mercurius-karakter van de aarde is dus duidelijk aanwezig.

De Mercurius-Aarde, de onzichtbaar actieve aarde werkt het intensiefst aan de oppervlakte van de aarde. In de grenslagen van atmosfeer, hydrosfeer en aardkorst wordt het mercurius-karakter heel duidelijk. In de lente stijgt iets elementairs, iets geestelijks op in de “luchtmantel” van de aarde en streeft met een zeker heimwee naar de sterren. En het licht van de sterren en van de zon komt (met haar kosmische kracht) de aarde nooit zo sterk tegemoet dan in de zomer. De uitwisseling tussen kosmos en aarde is dan op zijn hoogtepunt. Wanneer dan de aarde in de winter onder de invloed komt van de verstarrende krachten van de maan komt het mercuriale tot rust.

In de sneeuw zien we de mercuriale tendens tot bolvorming terug, die op elke ondergrond plastische rondingen vormt. Kijk je naar de aarde als geheel, dan verschijnt het als een druppel, als sfeer in het wereldal. De in de winter door de rusttendens van de maan aangegrepen Mercurius toont zich als kogelvormig, als bol. Terwijl in de zomer de processen van verbranden en verstarren elkaar doordringen, gaan ze in de winter uiteen. In de winter krijgen deze processen hun fysiognomische uitdrukking. Zou de zon in de zomer de waterige
mercurius-bol steil van boven treffen, dan zou die meteen verdampen. De zon zou, wat zich in de winter bolvormig tot ronding maakt, oplossen en er zou een vlak ontstaan. Maar dat gebeurt niet. In de winter is de zon machteloos geworden. De zwavel(sulfur)werkingen laten zich (net zoals Mercurius) fysiognomisch zien. Het zwavelproces van de winter bereikt de aarde-zoals de zomerzon in het gebied van de polen- tangentiaal, d.w.z als een raaklijn. We bewonderen in deze tijd graag de bijna vlak, plat, horizontaal invallende winterzon, die door onze kamer kan gaan en haar fysiognomische lichtkring op de tegenoverliggende wand schildert. Maar ook het verhoutings(verhardings)proces wordt fysiognomisch in de winter: de wereld van planten, bomen en struiken verschijnt met ontbladerde takken in de wereld. En de uitdrukking daarvan is verstarring en dood. Je kunt je moeilijk voorstellen dat daaruit zich nieuw leven kan ontwikkelen.

De hoop, dat de aarde weer vrij kan worden van de dood van de winter, is terecht, omdat we weten dat de zon langzaam maar zeker weer meer invloed krijgt. Na het hoogtepunt van de winter,  verandert de lichtinval en vanuit het horizontale groeit de vertikale lichtinval. Maar op welke grond komt de stijgende zon aan? Hoe kan de zon het in de winter verharde “maanleven” in een dragend “aardeleven” veranderen?

De kiemkracht van de winterlijke aarde-grond ontstaat uit de kracht van het zout. Terwijl de maanresten in de aarde leiden tot verharding en verhouting, vormt de aarde zelf het ZOUT.  In het zout gaat de verhardingstendens niet in de richting van het maanachtige verhouten, maar in de aardse kristalvorming. Zoutkristallen zijn de harde vorm van de aarde, verhouting en verharding hoort bij de maan. En de in het zout sluimerende kiemkracht laat zich zien in de mogelijkheid van het zout om op te lossen. Wil je hout verlossen uit de verharding, dan moet je het verbranden, waardoor het hout via de omweg van de as en de oplossing daarvan weer in de mercurius-kringloop wordt teruggebracht. Zout echter is aan de ene kant aarde-vast, maar ook bereid zich op te lossen in het mercuriale water en daardoor de aarde weer te verbinden met de kringloop van het leven. Dat noemde men in oude tijden het “zout-proces”. Hiervandaan komt het “huwelijk”tussen de zwavelige zuren en de maanachtige basen, tussen lichte zonnekracht en donkere maangrond. En in dit huwelijk komen alle twee de polen tot zoutvormende aarde-rust.

Toch zou de wassende zon uit de aarde geen nieuw leven kunnen wekken, als het nieuwe leven niet in de aarde zou sluimeren, als niet al levenskiemen in de aarde op de kosmische warmte zouden wachten. Maar hoe komen deze levenskiemen in de vaste en verstarde aarde-grond?

Alle wezens op aarde zijn op een of andere manier deel van het mercurius karakter van de aarde. Zo ook het leven en dan met name de plantenwereld. In het mercuriale midden van het blad neemt ze het verbrandingsproces van de zon op in de bloesems en de verhoutingskracht van de maan in de wortels. Maar waar het op aankomt is de mercuriale activiteit van het blad, die alles doordringt, zowel bloesem als wortel. Het is echt een heel goed maatje voor de aarde bij het vervullen van de Mercurius-missie. Net zoals de aarde, maakt ook het blad heel duidelijk zichtbaar de gang door de seizoenen. Als de plant in de zomer bloeit, nadert ze de zon en ontwikkelt haar “zwavel”-organen: bloesem en vrucht. Gaat ze samen met de aarde de winter in dan reduceert ze zichzelf tot het kiemende leven in wortel, hout en zaad tijdens de verstarring van de wintertijd. Het Mercuriuswezen is innig verbonden met de aarde. Dat zie je bijvoorbeeld terug in de opeenvolging van de seizoenen. Ze zijn innig met elkaar verbonden. Kijk je bijvoorbeeld naar eenjarige planten dan is het echt niet zo, dat ze alleen tot dit jaar behoren. Ze komen voort uit een kracht, uit een kiem van het voorafgaande jaar. Als de plant in de zomer tot bloei komt, leeft ze in het nu. De zon die schijnt, wekt de bloei, waarin de “zwavel”-brand begint. Maar het verloopt op een milde manier, die bij de aarde hoort. Want elke bloei(bloesem) is een gebeuren van verbranding, maar wel een gebeuren dat bij de aarde hoort. En zoals uit het minerale(aardse) vuur de imponderabilien van warmte en licht zonder vorm in de wereld bevrijd worden, terwijl minerale as op de bodem valt, zo bevrijden zich uit de levendige verbranding van de plantenwereld in het bloeien de elementengeesten in de wereld, om het wezen van de aarde mee te delen. Maar ook daar valt as op de bodem: de stof die vrij komt uit de bloesem en vooral het vrijkomende zaad. Novalis, die de onorganische verbranding van de plant begrijpelijk wilde maken zei:”Alle as is stuifmeel en de kelk is de hemel”. Met het zaad ontwikkelt de plant zijn eigen toekomst en ook de toekomst van de aarde. Zo staat de plant als bemiddelende Mercurius tussen de tijden: in haar zaad ligt de toekomst al opgesloten; wortel, uitloping en stengel stammen uit het voorbije jaar; in het blad komen het verleden en de toekomst bij elkaar. En de bloesem(bloei) is louter NU,  het vergankelijke ogenblik. Opdat de aarde in het nieuwe jaar toekomst heeft, liggen in haar de asresten van het planten-vuur als zaad en dat wacht op de stijgende zon, die wekkend zal optreden in een nieuwe levenscyclus.

Ook de mens is een Mercurius-wezen. In zijn hoofd is de winterse verhardingskracht en in zijn stofwisseling is oplossing en verbranding actief en deze twee uitersten worden door de ritmische (mercurius)organisatie in evenwicht gehouden. In de gezonde mens moet het nooit eenzijdig zomer of winter worden. Ontstaan zomer (of winter) toch, dan moet dat direct weer worden opgeheven. Voor de mens geldt: “De winteractiviteit roept de zomeractiviteit op, de zomeractiviteit de winteractiviteit.” Deze evenwichtstoestand wordt bewerkstelligd door Mercurius en daardoor is Mercurius zowel ruimtelijk als wat betreft de tijd in de mens aanwezig. Zijn pendelbewegingen zijn impliciet, intensief werkzaam; bij de gezonde mens komen ze nooit extensief te voorschijn. Zou de zomer met de verbrandingskracht geisoleerd in de mens actief worden, dan zou ziekte het gevolg zijn. Alle ontstekingen hebben te maken met eenzijdige zomer-zwavel activiteit. Sclerose-ziekten ontstaan door geisoleerde, ziekmakende winteractiviteit. De mens draagt dus de kosmische verhoudingen in zich. De maan als “maatje” van de aarde, die het zonlicht spiegelt, komt ons in onze hersenen microkosmisch tegemoet. Zonder die spiegelfunctie van de hersenen zouden we niet het voorwerp-aardebewustzijn hebben. We zouden dan niet de nuchtere, wereld spiegelende winterse denkers zijn. Maar de maan liet in oude tijden bij zijn uittreding uit de aarde het winterse maanleven achter in de aardkorst. Zo draagt ook de mens in het vrouwelijke organisme de maanachtige baringskrachten in zich. Maand na maand wachten ze op de bevruchting en daardoor de omvorming van maanachtig leven in kiemend aarde-leven. Elk mensenkind dat op aarde ontvangen wordt, daalt als bode van de zon in de “maangrond” van de moederlijke schoot.

Kerstmis, de geboorte van Jezus, voltrekt zich op het hoogtepunt van de aarde-winter. Kijk je terug op de jaarcycli die je in je leven mag doorlopen, dan lijkt het erop alsof elke lente de kracht heeft om de verstarring van de winter geheel en al op te lossen. Kijk je echter naar de geschiedenis van de aarde en de geschiedenis van de mensheid, die daar zo innig mee verbonden is, dan zien we dat de kracht van de winter steeds groter wordt. Het lijkt erop alsof de aarde haar jeugd achter zich gelaten heeft en binnen is getreden in de fase van de ouderdom. De aarde kan de mens niets meer geven van de eens zo levend aanwezige overschotskrachten. De winterse doodsstemming op de ons omgevende aarde-lichamen (de dingen) wordt als maar groter. Maar tegelijkertijd is de maanachtige spiegelkracht van het menselijk bewustzijn en de intellectuele helderheid toegenomen. Daardoor is het ziele-leven van de mens in de moderne tijd steeds meer in een maanachtig geesteslicht gekomen: kil en koud.  Maar ook dit bewustzijn wacht op de bevruchting. De maanachtige intelligentie is de voorwaarde voor de winterse overwinning van de zon in de geestwereld. Maar bevruchting is van node.

De aartsengel, die Maria de komst van de Zonne-held verkondigt, door wie de doof geworden maankwaliteit van de aarde voor de toekomst bevrucht moest worden, is ook een voorbereider en boodschapper van een “geest-bevruchting” van het menselijk bewustzijn. Gabriél (de aartsengel die zo sterk verbonden is met de maan), heeft zich door alle tijden heen verbonden met de erfelijkheid in het menselijk bestaan. Daarbij was de aartsengel actief in het barende maanleven.

Maar nu gaat het om het volgende (Wintersonnenwende in Wahrspruchworte)

DIE SONNE SCHAUE
UM MITTERNÄCHTIGE STUNDE.
MIT STEINEN BAUE
IM LEBLOSEN GRUNDE.

SO FINDE IM NIEDERGANG
UND IN DES TODES NACHT
DER SCHÖPFUNG NEUEN ANFANG
DES MORGENS JUNGE MACHT.

DIE HÖHEN LASS OFFENBAREN
DER GÖTTER EWIGES WORT;
DIE TIEFEN SOLLEN BEWAHREN
DEN FRIEDEVOLLEN HORT.

IM DUNKEL LEBEND
ERSCHAFFE EINE SONNE.
IM STOFFE WEBEND
ERKENNE GEISTESWONNE.

RUDOLF STEINER

Klaus Dumke, Die Drei, december 1991.
Vertaling Wim Maas.

Kerstmis: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: kerstmis

1219-1139

.

.

 

 

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (34)

.

opspattend grind

In Trouws ‘De Verdieping’ stond onder
‘DE OPVOEDVRAAG’:

Wat merkt een baby van ouderlijke onmin?

Woorden hebben waar de baby bij is, blijft daar iets van hangen?

Ze heeft een goede relatie met haar vriend, maar er is natuurlijk weleens ruzie, schrijft een moeder. “We hebben niet bepaald een groot appartement, dus als we woorden hebben, kan onze dochter dat horen of zit ze er zelfs bij. Ze is net 6 maanden en lijkt er geen last van te hebben, maar is dat ook zo?

Dat er aan het meisje niets te merken is, zegt niet alles. Waar het ene kind huilt, kan het andere juist verstarren of zich heel stil houden in zo’n situatie, zegt Eva Potharst. Ze werkt als kinder- en jeugdpsycholoog bij UvA Minds en ontwikkelde bij dat academisch behandelcentrum een mindfulnesstraining voor ouders met baby’s. Een kind van zes maanden kan niet praten, ze onthoudt zo’n ruzie dus niet in woorden, zegt Potharst.  (   )

Als ouders schreeuwen of met deuren gooien, allicht dat het kleintje dat opmerkt. Maar ook een ruzie die met de ‘silent treatment’ wordt uitgevochten, kan een baby volgens Potharst aanvoelen. “Kinderen ontwikkelen zich voor een belangrijk deel door de interactie met hun ouders. Ze zijn erg gericht op sociale stimulansen, op het gezicht en de stem van vader en moeder.” Er zijn allerlei onderzoekstechnieken om stress of emoties bij baby’s te meten. Minutieus observeren, de pupilgrootte meten of speeksel testen op het stresshormoon cortisol. Potharst: “Al heel jong kunnen baby’s verschillende gezichtsuitdrukkingen onderscheiden, stemmen herkennen. Ze kunnen dus ook angstig worden van stemverheffing, of van een boos gezicht. Ook stress van ouders voelen ze aan. Mensen denken vaak: hoe jonger kinderen zijn, hoe minder ze doorhebben. Dat is echt een fabeltje. <1>Sommige kinderen zijn al voor de geboorte getraumatiseerd, die komen schrikachtig ter wereld. Dus ook bij een baby’tje van drie weken zou ik elkaar niet de tent uit vechten.”

René Goedhart is relatie- en gezinstherapeut in Zwolle. Hij hoort ouders vaak zeggen, ‘O maar de kinderen waren er niet bij toen wij ruzie maakten’, of: ‘Ze lagen gelukkig te slapen’. Goedhart heeft gewerkt in de reguliere jeugdzorg, bij de reclassering en bij het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling. Nu behandelt hij, in een instelling voor geestelijke gezondheidszorg, kinderen met een verslaving en psychische problemen. In twintig jaar heeft hij gezien wat ruzies, echtscheidingen en huiselijk geweld kunnen doen: kinderen raken gestresst, hebben geen vertrouwen in anderen, kunnen zich niet concentreren of ontwikkelen gedragsproblemen. Ook als ouders dachten dat hun kinderen er niet zo’n last van hadden.”

Trouw, 26-10-2016

RUDOLF STEINER
Wat er in zijn stoffelijke omgeving voorvalt, bootst het kind na en door de activiteit van het na­bootsen worden zijn fysieke organen in de vormen gesmeed, die dan als model behouden blijven. Je moet echter het woord ‘stoffelijke omgeving’ in de ruimste zin opvatten. Hiertoe behoort bijvoorbeeld niet alleen, wat zuiver stoffelijk om het kind heen voorvalt, maar ook alles, wat zich in zijn omgeving afspeelt en wat waargenomen kan worden door zijn zintuigen, wat van de stoffelijke ruimte uit op zijn geest kan inwerken. Daartoe behoren ook alle morele of immorele, alle verstandige en dwaze handelingen, die het kind voor ogen krijgt.
GA 34/324 en verder:

Wanneer de nabootsing van gezonde voorbeelden in een  atmosfeer van warme genegenheid mo­gelijk is, dan is het kind in zijn ware element.

Het mensenwezen doet datgene wat zijn omgeving doet. Bekijkt u het kind maar eens vol aandacht en u zult zien: het kind is een nabootsend wezen, het doet datgene wat de volwas­senen doen. In het leven van het kind is het van groot belang dat de mensen die in de omgeving van het kind leven alleen datgene doen wat het kind kan nabootsen; zelfs alleen dat­gene denken en voelen wat het kind kan nabootsen.
GA 296/18
Opvoeden en onderwijzen/blz. 27

In de levensfase van geboorte tot tandenwisseling is de mens helemaal een nabootsend wezen. Je moet je voorstellen dat de mens in deze eerste levensfase op een buitengwone intieme manier in relatie staat tot zijn omgeving. In zekere zin gaat alles wat mensen uiterlijk doen, ja zelfs wat mensen voelen en denken op een bepaalde manier voor een kind zo in zijn werk dat het kind nabootsend vertrouwd raakt met die processen in zijn omgeving.
GA 304/160
Niet vertaald

Op nog veel meer plaatsen spreekt rudolf Steiner over het belangrijke verschijnsel van hoe het kleine kind op zijn omgeving reageert.

HET KLEINE KIND IS EEN EN AL ZINTUIG!

DOOR DE NABOOTSING VINDT HET KIND ZIJN WEG NAAR DE WERELD

NABOOTSING

Rudolf Steiner: alle artikelen

Opspattend grind: alle artikelen

1218-1138

.;

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (44)

.

SYNAGOGE YAN KAPERNAUM

leven-o-t-201

1. De Synagoge van Kapernaum
zoals die was in de eerste eeuw

leven-o-t-202

2. Doorsnede en gezicht in deze Synagoge (naar Heinrich Kohl en Carl Watzinger, Antike Synagogen in Galilea).
Op een in zee vooruitstekende landberg liggen de oude ruïnes van de Synagoge van Kapernaüm: de benedenstukken van de muren staan nog overeind. Het was tot 1905 een ruïne; daarna hebben in de jaren tussen 1905 en 1921 onderzoekingen plaats gevonden; met grote toewijding is alles minitieus nagegaan; Franciscaner monniken, die met de wacht zijn belast, hebben getracht uit de voorhanden stukken het zó te groeperen, dat men een beeld van de Synagoge kreeg. En de geleerden Kohl en Watzinger hebben in hun boek over oude Synagogen in Galilea enkele tekeningen gegeven, die een reconstructie geven van de oude Synagoge in Kapernaüm. Het is, naar grote waarschijnlijkheid, de in Lukas 7 : 5 vermelde Synagoge, door de Romeinse centurio, de hoofdman over honderd, gebouwd. De Synagoge van Kapernaüm was gebouwd op een terras, iets hoger dan het oeverland: wie binnen wil treden, moet dus eerst dit terras beklimmen, dat 3.30 m. breed is; in het Westen (links) voert een trap van vier treden, in het Oosten een trap van dertien treden (rechts); dat verschil in treden is een gevolg van het feit, dat het terrein in Oostelijke richting daalt. De lengteas van het gebouw is Noord-Zuid; het voorfront is dus Zuid; de richting naar Jeruzalem, naar de Heilige stad, waarheen de Joden bij het gebed hun aangezicht wendden. Van het terras geven drie poorten toegang tot de eigenlijke Synagoge; de vierde deur rechts tot een hof, die aan de westzijde begrensd is door de muur van de Synagoge, aan de drie andere zijden door zuilenhallen. De Synagoges in Galilea hadden in de frontzijde drie deuren. In de hof was vermoedelijk een fontein, waarin men handen en voeten kon wassen.

Van binnen had de Synagoge aan drie zijden een zuilenhal; daarboven waren (wellicht) de plaatsen voor de vrouwen (ƒ). De stenen vloer in het midden (nu nog te zien) is dan de oude plaats van de Synagoge: daar is dus de plaats, waar de voeten van de Heiland  de bodem hebben betreden: hier heeft hij genezen de man wiens rechterhand dor was (Lukas 6 : 6). In deze synagoge heeft hij geleerd en hier heeft de Heiland de bezetene verlost van de onreinen geest (Markus 1 : 21—28). Hier heeft Christus gesproken van het Brood dat uit de hemel gedaald is: deze dingen zeide Hij in de synagoge, lerende te Kapernaüm (Joh. 6 : 59).

Vlak achter de frontzijde was een estrade (verhoogde plaats) met een lessenaar voor de lezing van de wet en met de kast of ark (bij c) voor de wetsrollen en de heilige boeken. Aan weerszijden daarvan staan twee kandelaars.

Links (bij g) is de hof; de lijn boven is een golvende lijn van het heuvellandschap.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas: vertelstof

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas Oude Testament

1217-1137

.

VRIJESCHOOL – Meetkunde (4-8)

.

Alexander Strakosch: ‘Geometrie durch übende Anschauung’
blz. 30 t/m 33

Over de driehoek

Met minder dan drie rechte lijnen is het niet mogelijk een gesloten figuur te maken. Daarom is de driehoek de eenvoudigste figuur. Maar wanneer je deze nader bekijkt, blijkt dat ze tegelijkertijd m.b.t. haar eigenschappen en haar relaties tot het hele vlak, het meest uitgebreid is.

Kijken we nog eens naar dit regelmatige cirkelveld:

meetkunde-49

dan zien we eerst alleen maar cirkels.Doordat deze er zijn, zijn er ook overal driehoeken:

meetkunde-strakosch-6-5

Op het eerste gezicht zie je zulke driehoeken die de rechte lijnen als zijde hebben die je vanuit een punt van een ‘klein blad’ naar de andere kan trekken. Daar sluit zo’n lijn in dezelfde richting aan bij een volgende en heel het vlak vertoont zich als overdekt met drie paar parallel getrokken lijnen die met elkaar allemaal hoeken van 60º vormen. Voor de lengte van een zijde kun je een veelvoud van ‘kleine blaadjes’ nemen, ook van ‘grote’, steeds krijg je driehoeken met gelijke hoeken, gelijke zijden, de een aan de ander. Zo kun je met gelijkzijdige driehoeken heel het vlak opvullen, zonder dat er ruimte overblijft.
Verrassend is het echter, wanneer je merkt, dat dit ook voor gelijkbenige driehoeken geldt, zelfs voor heel onregelmatige.
In het eerste geval staat het veld loodrecht t.o.v. van de basislijn van de gelijkbenige driehoeken die in de lengte getekend zijn.
Vergelijk deze tekeningen:

meetkunde-strakosch-6-6

meetkunde-strakosch-6-7

Bij deze laatste is het veld in de lengte getrokken en bovendien schuin vervormd, maar nog steeds bedekken de niet-gelijkzijdige-niet gelijkbenige driehoeken samenhangend het hele vlak.

Kijken we naar een gelijkzijdige driehoek in een cirkelveld op de volgende 3 tekeningen:

meetkunde-strakosch-6-8meetkunde-strakosch-6-9meetkunde-strakosch-6-10

en trekken de hoogtelijnen (dat zijn zoals bekend de loodlijnen die vanuit een hoekpunt op de tegenoverliggende zijde neergelaten worden), dan zien we:

1.De drie hoogtelijnen van een driehoek snijden elkaar in een punt, waarbij ieder de beide andere in de verhouding 1 : 2 deelt, een deel is dus  1/3 , het andere   2/van de hoogte.
In deze tekening bij de ‘kleine blaadjes’ te zien:

meetkunde-strakosch-6-8

2.De op het midden van iedere zijde opgerichte loodlijnen: middelloodlijnen snijden zich in 1 punt. Omdat ze ook door het er tegenoverstaande hoekpunt gaan, vallen ze samen met de hoogtelijnen en er vindt dezelfde verdeling plaats. Het snijpunt is overal even ver van de hoekpunten verwijderd, dus middelpunt van de omgeschreven cirkel. Ieder punt van een middelloodlijn is van de eindpunten van de zijde die erbij hoort, even ver verwijderd, omdat hij als top van een gelijkbenige driehoek gezien kan worden:
meetkunde-strakosch-8-2

3.De rechte lijnen die het  midden  van een zijde met het daar tegenover liggende hoekpunt verbinden, hebben de eigenschap dat zij elke parallel aan deze getrokken rechte lijn halveren. Ze heten zwaartelijn.

4. Je kan ook nog rechte lijnen trekken die iedere hoek doormidden delen. Ook deze snijden elkaar in een punt en hebben dezelfde verdelingsverhouding als de andere lijnen. Hun snijpunt ligt even ver van de lijnen af, dus is dat het middenpunt van de ingeschreven cirkel.*

*Je vindt de raakpunten als je vanaf het middenpunt op iedere zijde een loodlijn neerlaat. – De tekeningen:

meetkunde-strakosch-6-8meetkunde-strakosch-6-9

meetkunde-strakosch-6-10

laten steeds een gelijkzijdige driehoek zien, maar in verhouding tot het cirkelveld met verschillende zijdegrootte: 2 grote bladeren, 4 kleine en 3 kleine blaadjes.

.

Daaruit kan geconcludeerd worden:
In een gelijkzijdige driehoek vallen
1. de hoogtelijnen,
2. de middelloodlijnen,
3. de zwaartelijnen,
4. de hoekdeellijnen samen en snijden elkaar in een  punt, waarbij ze zich t.o.v. elkaar verhouden als 1/3  : 2/kortweg in de verhouding  2/3.

5. In deze tekening:

meetkunde-strakosch-6-11

|

staat een gelijkzijdige driehoek met de omgeschreven cirkel en de cirkel die door het midden van de zijden, door de voetpunten van de hoogtelijnen en door de voetpunten van de middelloodlijn gaat. (Ook al vallen hier deze punten alle drie op een en dezelfde zijde, dan is het toch nuttig, dit feit te weten. Deze laatste cirkel heeft bij de gelijkzijdige driehoek ook de eigenschap, elk van de drie zijden in een punt, het middelpunt te raken. Het is een zgn. ingeschreven cirkel. Deze cirkel: zie volgende tekening:

meetkunde-strakosch-6-8
gaat ook door de halveringspunten van het deel van de hoogtelijn (nl. vanaf het middelpunt van de ingeschreven cirkel) die naar een hoek loopt. De verbindingslijnen van deze punten vormen een gelijkzijdige driehoek, die van de middelpunten van de zijden een tweede, beide driehoeken samen een hexagram.

De straal van de ingeschreven cirkel is een derde van de hoogtelijn. Wanneer je de lijn die de zijde doormidden deelt  60º draait in de richtinhg van de pijl:

meetkunde-strakosch-6-11

om het gemeenschappelijke middelpunt van de beide cirkels, dat echter tegelijkertijd het doorsneepunt van alle drie de lijnen die de zijde delen is, dan valt deze op de richting van de volgende deellijn.
Omdat de straal van de omgeschreven cirkel dubbel zo groot is als die van de ingeschreven cirkel en omdat het deelpunt van iedere zwaartelijn op de binnencirkel ligt, is bij de gelijkzijdige driehoek ieder punt van de binnencirkel vanaf het middenpunt net zo verwijderd als vanaf de buitencirkel. Dat zie je bijv. aan de dubbel getrokken lijn.
Dit feit kan ook zo worden verwoord:
Wanneer je de zwaartelijnen verlengt tot ze de omtrek snijden, dan is de afstand tussen deze punten en het gemeenschappelijke snijpunt van alle drie deze lijnen dubbel zo groot als de afstand van dit gemeenschappelijke snijpunt vanaf ieder punt waarin de zwaartelijn de binnencirkel snijdt.

Dat mag vanzelfsprekend lijken, er wordt toch op iets gewezen waarvan de betekenis later zal blijken.

Er liggen dus in een gelijkzijdige driehoek twaalf punten op de omgeschreven cirkel waarvan het middelpunt tegelijkertijd het middelpunt is van een ingeschreven cirkel:
1.de middelpunten van de zijden die steeds gelijk zijn aan de voetpunten van de middelloodlijnen;
2.de voetpunten van de hoogtelijnen;
3.de middelpunten van het bovenste gedeelte van de hoogtelijnen;
4.de punten waar dezwaartelijnen doorheen gaan naar de cirkel.

Omdat bij een gelijkzijdige driehoek de hoogtelijnen de zijden doormidden delen, vallen op iedere zijde deze twee punten samen, vormen een dubbelpunt. net zo vallen de net genoemde punten waardoorheen de zwaartelijnen naar de cirkel gaan, samen met de halveringspunten van de grotere stukken van de hoogtelijnen, omdat de hoogtelijnen tegelijkertijd zwaartelijnen zijn  Er zijn dus weer drie dubbelpunten, in totaal dus twaalf punten. 

*

Hoe liggen de verhoudingen bij de gelijkbenige driehoek met deze karakteristieken of bijzondere punten en de cirkel met de twaalf punten.

Teken je in een en dezelfde gelijkbenige driehoek:
1.de hoogtelijnen,
2. de middelloodlijnen,
3.de zwaartelijnen
4.de hoekdeellijnen

dan kun je vaststellen, dat de drie rechte lijnen van iedere groep zich in 1 punt snijden, maar de snijpunten vallen niet meer samen, ze liggen naast elkaar, echter allemaal op de hoogtelijn naar de basis:

meetkunde-strakosch-8-1meetkunde-strakosch-8-2meetkunde-strakosch-8-3meetkunde-strakosch-8-4

.

De cirkel met de twaalf punten heeft het middelpunt op de hoogtelijn. Van binnenuit raakt deze echter de zijden van de driehoek niet meer, maar snijdt deze op de middens en in de voetpunten van de hoogtelijnen. Alleen de basis raakt hij van binnenuit:

meetkunde-strakosch-8-7

.

dus dit punt is wèl een dubbelpunt. Ook hier deelt het snijpunt van de zwaartelijn deze in de verhouding 2/3. 

De zojuist uitgetekende relatie kan zo worden uitgesproken: de afstand van het snijpunt van de zwaartelijnen van hun snijpunten naar de cirkel met de twaalf punten is half zo groot als de afstand van het snijpunt van de zwaartelijnen naar de cirkelomtrek.

Het onderste punt van de cirkel met de twaalf punten moet hier dubbel tellen
1.als middelpunt van de zijde (en tegelijkertijd als voetpunt van een middelloodlijn).
2.als voetpunt van een hoogtelijn.

Het bovenste punt van de cirkel moet ook dubbel tellen:
1.als middelpunt van het bovendeel van de hoogtelijn,
2.als doorsnijdingspunt van een zwaartelijn door de cirkel die de middens van de zijden verbindt.
De overige acht punten liggen gescheiden, ieder op vier stralen die uit iedere onderste hoek komen.

Het middelpunt van de cirkel met de twaalf punten ligt op de hoogtelijn die bij de basis hoort en wel zo in het midden tussen de snijpunten van de drie hoogtelijnen en die van de drie middelloodlijnen.

Hoe is de verhouding nu tussen de beide driehoeken waaruit in deze tekening het hexagram gevormd kon worden?

meetkunde-strakosch-6-8

De hoeken van die driehoek die dezelfde positie heeft als de hoofddriehoek (tophoek naar boven) liggen op de halveringspunten van het bovenste deel van de hoogtelijn, de hoeken van de andere die op zijn tophoek staat, liggen op de halveringspunten van de driehoekszijden. De zijden van beide driehoeken zijn parallel aan een van de driehoekszijden.

De zwaartelijnen van de hoofddriehoek zijn tegelijkertijd de zwaartelijnen van een van de beide ingeschreven driehoeken en wel deze, die de tegenovergestelde positie heeft als de hoofddriehoek: dat was voor de gelijkzijdige driehoek vanzelfsprekend, maar het is toch belangrijk erop te wijzen dat deze verhouding blijft bestaan.

Dan zijn er nog de vragen:
1.Bij de gelijkzijdige driehoek zijn alle snijpunten van de speciale rechte lijnen samengevallen, bij de gelijkbenige driehoek is dit niet meer het geval. Is er nog een samenhang?
2.Bij de gelijkzijdige driehoek is de verhouding van de verdeling van deze lijnen  1/3  : 2/3.
Gaat deze verhouding helemaal verloren?

Deze tekening:

meetkunde-strakosch-8-7

laat zien dat alle drie de snijpunten op de hoogtelijn naar de basis liggen: het bovenste is van de middelloodlijnen (tegelijkertijd middelpunt van de cirkel), dan dat van de zwaartelijnen en ten slotte het snijpunt van de hoogtelijnen. De afstand van de beide laatstgenoemde punten tussen elkaar is precies dubbel zo groot, als de afstnad van de beide eerste. De verhouding  2/3. tot  1/komt hier dus op deze manier tevoorschijn.

Een bijzonder geval is een gelijkbenige driehoek, waarvan de benen een rechte hoek vormen. De tophoek is dan tegelijkertijd het snijpunt van de drie hoogtelijnen waarvan er zelfs twee samenvallen met de benen. Om de verhouding van de twaalf punten helder te krijgen, is het aan te bevelen, als vooroefening een gelijkbenige driehoek te bekijken, waarvan de overstaande hoek een beetje kleiner is dan een rechte hoek en dan pas de gelijkbenige rechthoekige driehoek. Op deze manier kun je goed volgen welke punten op elkaar vallen.
Het uitvoeren hiervan wordt aan de oefenende lezer overgelaten.

Meetkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 6e klas meetkunde

.

1216-1136

.

.

VRIJESCHOOL – Bewegen

.

Vrijeschoolleerkracht Joep Eikenboom schrijft sinds enkele jaren op zijn blog

AUDREY MCALLEN’S ‘THE EXTRA LESSON’

zeer belangrijke artikelen over de ontwikkeling van kinderen waarbij de gezichtspunten van Audrey McAllen uitgangspunt zijn.

De artikelen van Joep vormen voor een belangrijk deel de menskundige en pedagogisch-didactische achtergronden van de onderwerpen die ik op deze blog heb weergegeven wat betreft BEWEGEN:

o.a.  lichaamsoriëntatie; hinkelen, bikkelen, touwtjespringen, vingerversjes,  pittenzakjes 

Het serieus werk maken van de gezichtspunten van Audrey McAllen betekent o.a. een dieper inzicht krijgen in de samenhang van beweging en ontwikkeling en de betekenis voor de wezensdelen van de mens: ether- astraallijf en Ik; en de betekenis ervan voor de ontwikkeling van met name de zgn. lichaamszintuigen.

Het resultaat van al deze gezichtspunten mondt uit in een lijst met activiteiten voor op school en thuis:

Vaardigheden voor op school en/of thuis

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

1215-1135

.

VRIJESCHOOL – lagere klassen – pittenzakjes en ballen

.
PITTENZAKJES EN BALLEN
Eén van de belangrijkste dingen die in de lagere klassen van een vrijeschool gebeuren, is de kinderen gelegenheid geven ‘in hun lichaam’ te komen.
Voor velen of sommigen wellicht een vreemde uitdrukking, maar wie de ontwikkeling van een kind vanaf de geboorte volgt, ziet dat het kind als groeiende persoonlijkheid steeds meer met zijn lichaam kan: dat wordt bedoeld.

De nog chaotische bewegingen die de baby met zijn ledematen maakt, worden naarmate het kind ouder wordt, steeds gerichter, ze worden steeds meer gestuurd.
Maar dat proces neemt een langere tijd in beslag wanneer je kijkt naar de steeds fijnere motoriek die vereist is om in het leven van alles te kunnen doen.

Juist in die eerste jaren van de basisschool staat het kind enorm open voor al de oefeningen die hem helpen te ‘incarneren’ – hem helpen heer en meester te worden over zijn eigen bewegingen.

Vele middelen staan ons daarbij ten dienste: lichaamsoriëntatie; hinkelen, bikkelen, touwtjespringen, vingerversjes, evenwichtsbalk, pittenzakjes en nog wel meer.

Vooral de pittenzakjes zijn bij de kinderen zeer gewild.

Wanneer je daarmee veel hebt geoefend en de kinderen behendiger zijn geworden in het opgooien en vangen, kun je ook met ballen werken.

Een gouden regel voor het opgooien is: je mag zo hoog gooien dat je het pittenzakje/de bal ook kunt vangen. (Zonder die beperking gaan sommige zakjes/ballen – vooral in de gymzaal – (veel) te hoog!

Hier volgen wat spelletjes met pittenzakjes, die later ook met ballen kunnen worden gedaan:

Wat de moeilijkheidsgraad betreft: de oefeningen zijn soms eenvoudig (voor klas 1) moeilijker (misschien bewaren voor klas 2). Moeilijk (pas in klas 3).
Uiteraard moet je dat zelf beoordelen: wat kunnen mijn kinderen en wat ga ik ze leren.

De bal die hiervoor het meest geschikt is, heeft een middellijn van 6 à 7 centimeter. De bal mag niet te hard, maar ook weer niet te zacht zijn en moet goed kunnen stuiten.
Tennisballen zijn iets kleiner, maar kunnen na verloop van tijd heel goed.

Je past de spelsuggesties natuurlijk aan aan wat het kind al kan: kan het nog niet met één hand vangen, dan eerst oefenen met twee handen:

Waar ‘bal’ staat, kun je eerst ‘pittenzakje’ lezen.

1. Gooi de bal met de rechterhand omhoog en vang hem met dezelfde hand.
2. Gooi de bal met de rechterhand omhoog en vang hem met de linker.
3. Gooi de bal met de linkerhand omhoog en vang hem met de linker weer op.
4. LINKS opgooien, RECHTS vangen, dan weer als 1, 2, 3 enz.

Deze handelingen herhalen, tot de bal hoogstens 30 cm omhoog gegooid wordt. We blijven op dezelfde plaats staan.

Kinderen die dat allemaal kunnen, mogen de bal hoger gooien. Ook het recht omhoog gooien is nog moeilijk en moet je oefenen.

Kunnen de kinderen hoger gooien, zodat ze even tijd hebben, vóór ze weer moeten vangen, dan kun je de bewegingen van 1, 2, 3 en 4 herhalen, met dit verschil, dat tussen opgooien en weer vangen éénmaal in de handen moet worden geklapt.

Dit wordt herhaald, tot alle handelingen als vanzelf gaan.

Dan oefenen we alles met twéé, en later zelfs met drie en vier handklapjes tussen opgooien en vangen!

Dezelfde oefeningen als onder 1, 2, 3 en 4. echter zonder handgeklap, maar nu slaan we de hand die de bal moet vangen plat op de knie, maar zo, dat het been niet gebogen mag worden. Alleen het bovenlichaam mag hier dus bewegen.

1. Bal rechts omhoog, klap op de rechterknie, vang op.
2. Bal rechts omhoog, klap met linkerhand op de linkerknie, links vangen.
3. Bal links omhoog, klap op linkerknie, links vangen.
4. Links omhoog, rechts klappen, rechts vangen.
5. Als 1.
6. Als 2, enzovoort.

Allerlei combinaties zijn mogelijk:

Nadat we de knie hebben ‘beklapt’, klappen we een keer in de handen, vóór we de bal vangen met de hand die hierboven is aangewezen. We krijgen dus dit:

1. Bal rechts omhoog, klap op rechterknie, klap in de handen, vangen met rechterhand, enz.

Wanneer alle oefeningen met de variaties voldoende beoefend zijn (dat wil zeggen, dat alles vlot achter elkaar gaat zonder erbij te denken), oefenen we alle worpen gehurkt.

Zelfs hoog opgooien en even gaan zitten en weer opstaan en vangen, behoort tot de mogelijkheden.

Naar elkaar gooien:
Hierbij is het belangrijk dat de kinderen ‘mooi’ naar elkaar gooien: dat is: niet hard en zo dat de ander het zakje kan vangen: dus het liefst met een boogje:

Twee rijen tegenover elkaar met in het begin een afstand van bijv. 1 meter. Zakje in de rechterhand: overgooien naar de hand van de overbuurman: dat is zijn linker. Overpakken naar de rechter en weer gooien.
Dat kan eerst met 1 zakje.
Wanneer dat lukt: ieder gooit zijn zakje naar de overkant; rechter hand gooit, linkerhand vangt. En omgekeerd.
Kruiselings gooien kan ook, maar dan kunnen de zakjes elkaar raken.
Dat is op zich ook een opdracht die nog best lastig is.
De afstand tussen elkaar kan groter worden: die mag alleen groter worden als er bij de afstand ook daadwerkelijk gevangen kan worden.

De kinderen staan in een lange rij.
Op een bepaalde afstand staat de opgooier ervoor.
Deze gaat, laten we zeggen, op 2m afstand van het eerste kind staan en gooit het zakje op.
Het eerste kind moet uit de rij komen en het zakje vangen.
Nu gooit deze het zakje omhoog en nummer 2 in de rij, rent om het zakje te vangen, enz. De kinderen die geweest zijn, kunnen een wachtrij vormen aan de overkant.
De afstand tussen de opgooier en het kind kan groter worden. De opgooier moet dan hoog en recht omhoog kunnen gooien.

Het zakje in de rechterhand en dat naar rechts achter je rechterbeen brengen en vandaar naar links en om het rechterbeen weer naar voren tussen het linker- en het rechterbeen, alwaar de linkerhand is aangekomen om het zakje over te pakken.
Deze hand gaat nu linksom achter het linkerbeen naar de rechterkant ervan en geeft het zakje tussen de benen door aan de rechterhand.
Op deze manier wordt een lemniscaat beschreven.
Van langzaam naar vlug, bijv.

Het zakje op het hoofd leggen en proberen zo ver mogelijk te ‘schrijden’ zonder dat het eraf valt. Je mag het niet met de handen aanraken: gevallen = opnieuw beginnen.
Van ‘schrijden’ naar lopen en van lopen naar rennen, zonder dat het van het hoofd valt.

Met het zakje op het hoofd proberen op je hurken en later zelfs op de grond te gaan zitten en weer te gaan staan.

Hinkelen met een zakje op je hoofd is ook moeilijk.

Zittend op je stoel en zakje een beetje naar voren gooien en proberen met je gesloten benen/voeten op te vangen.

Je zakje op je rechtervoet leggen, een beetje omhoog gooien en met je linker opvangen. Ook omgekeerd.

Staan, zakje in je rechterhand, arm opzij strekken, omhoog naar je hoofd bewegen en ‘ergens’ boven je hoofd naar je linker hand gooien die daar inmiddels ook ‘ergens’ is aangekomen. Eerst nog een beetje kijken, maar later niet meer en nog later: met ogen dicht.

Zakje voor op het hoofd. Hoofd naar voren buigen tot zakje valt: opvangen.

Zakje op het achterhoofd leggen. Hoofd nog verder achterover tot het zakje valt en dan opvangen achter je rug.

Het liefst speelden mijn klassen het tikkerspel met de zakjes dat van lieverlee in de klas(sen) de vorm aannam van:

Er is een tikker, die ook een zakje op het hoofd heeft. Hij bevindt zich aan de ene kant van de ruimte. De kinderen die ‘m’ niet zijn, staan aan de andere kant, eveneens het zakje op het hoofd. De tikker moet nu kinderen proberen te tikken. Lukt dat, dan zijn ze (even) af en moeten op de bank gaan zitten.
Als het zakje van je hoofd valt, ben je ook af. (Als je het stiekem aanraakt, ook)
Valt het zakje van het hoofd van de tikker, dan komt wie af was, weer terug in het veld.
Je kunt de tikker ook een bepaalde tijd laten tikken en dan tellen hoeveel kinderen hij getikt heeft. En dan kijken welke tikker het meest succes had.

Er is ongetwijfeld nog veel meer zinnigs en leuks te bedenken en inmiddels bedacht.
Ook de kinderen hebben vaak leuke vondsten!

Van het opruimen kun je ook nog iets maken: ik had een tenen mand met een doorsnede van ca 50,  60 cm. De kinderen gingen er met hun zakje in de hand in een ruime kring omheen staan om op 1,2, 3: hun zakje in de mand werpen.
Als het mis was, zakje weer pakken: maar let op, wanneer er veel kinderen naar voren rennen en bukken, kunnen ze lelijk met hun hoofdjes tegen elkaar komen, dus liet ik ze altijd in ‘zo min mogelijk stappen’ er naartoe lopen. (Die stappen worden dus groot en dan is er niet veel vaart).
In totaal 3 pogingen. Dan niet gelukt: zakje in de mand gooien vanaf de afstand waarop het wel lukt.

Hetvolgende kan alleen met ballen:

Oefeningen tegen een muur
1. Gooi de bal met beide handen tegen de muur en vang hem met beide handen op.
2. Gooi de bal met beide handen tegen de muur en vang hem met de rechterhand op.|
3. Gooi de bal met beide handen tegen de muur en vang hem met de linker op.
4. Gooi de bal met de rechterhand tegen de muur en vang hem weer op met de rechterhand.
5. Gooi de bal met de rechterhand tegen de muur en vang hem met de linkerhand op.
6. Gooi de bal met de linkerhand tegen de muur en vang hem weer met de linker op.
7. Gooi de bal met de linkerhand tegen de muur en vang hem met de rechter.

Herhaal dezelfde oefeningen tot alles vlot achter elkaar gaat, zonder dat de bal op de grond valt.

Een paar variaties:
1. Tussen het tegen de muur werpen en het weer opvangen van de bal, wordt één keer in de handen geklapt, om daarna hetzelfde te proberen met twee, drie en zelfs vier en vijf maal in de handen te klappen.
2. Na het gooien van de bal tegen de muur en het weer vangen, één keer met de vlakke handen op de knieën slaan. Denk erom: benen gestrekt houden!
3. Zelfde oefeningen gecombineerd, dus behalve dat we in de handen klappen, slaan we ook een keer op de knieën.
4. Zelfde oefeningen, maar dan gehurkt.
laten stuiten
Gooi de bal met de rechterhand tegen de muur, vang hem niet direct op, maar laat hem eerst op de grond komen. De bal springt dan weer omhoog, en eerst dan vang je hem met beide handen.

Kijk nu eens, hoeveel keer je dat achter elkaar kunt doen, zonder fouten te maken.

Probeer hetzelfde nu eens met je linkerhand op de rug.

Hoe vaak kun je dat?

Nu alles nóg een keer, maar dan links. Dus eerst links gooien, bal laten stuiten en met beide handen vangen, en daarna alles met de linkerhand. De rechterhand dus op je rug.

Zou je alles nu ook kunnen op één been?

Nu hetzelfde weer met handenklappen. Eén, twee, of meer keer klappen!

Nu klap je met je handen achter de rug!

Het wordt steeds moeilijker, maar ook spannender!

Til je rechterbeen op, en gooi de bal met je rechterhand onder je been door tegen de muur, zet je been weer neer, en vang de bal weer op, met beide handen.

Til je linkerbeen op, gooi met je linkerhand de bal onder dat been door tegen de muur, zet je been weer op de grond en vang de bal met allebei je handen.

Als je goed de bal onder je benen kunt doorgooien en weer vangen, probeer hem dan eerst te laten stuiten, voor je hem weer vangt.

Kom zo weinig mogelijk van de plaats!

Nu wéér hetzelfde proberen, en wéér met handenklappen, voor je de bal vangt.

Het wordt dus deze volgorde.

1. Rechterbeen optillen.
2. Rechterhand gooit de bal onder rechterbeen door tegen de muur.
3. Rechtervoet weer naast de linker.
4. Handen klappen.
5. Bal laten stuiten.
6. Bal met twee handen vangen.

Doe hetzelfde met je linkerhand, dus onder je linkerbeen door. Dan doen we alles weer rechts, dan weer links, en zo maar door!

Zou je het tien keer kunnen zonder fouten?

Ga met je rug naar de muur staan en gooi nu je bal over je hoofd met twee handen tegen de muur, draai je vlug om met je gezicht naar de muur en vang hem weer met beide handen. Gooi de bal met je rechterhand over je rechterschouder, draai om en vang!

Gooi de bal met je linkerhand over je linkerschouder, draai je om en vang!

Probeer nu hetzelfde, maar vang de bal nu met één hand inplaats van met beide handen.

Éérst links, dan rechts.

Ga eens op je linkerbeen staan en laat je rechter, van voor naar achter, heen en weer schommelen.

Pak nu je bal, gooi hem met je rechterhand tegen de muur en vang hem weer op met beide handen, terwijl je door blijft schommelen met je rechterbeen.

Maak de volgende oefeningen, maar blijf op je linkerbeen staan, terwijl je doorgaat met het voor- en achterwaarts schommelen met je rechterbeen.

1. Bal rechts gooien. Tegen de muur. Beide handen vangen.
2. Bal rechts gooien. Tegen de muur. Rechts vangen.
3. Bal rechts gooien. Tegen de muur. Links vangen.
4. Bal links gooien. Tegen de muur. Beide handen vangen.
5. Bal links gooien. Tegen de muur. Links vangen.
6. Bal links gooien. Tegen de muur. Rechts vangen.

Hetzelfde met handgeklap. Denk eraan, dat je been blijft doorschommelen.

Alles wordt nu herhaald, terwijl we op het rechterbeen staan en met de linkervoet van voor naar achter schommelen.

1. Hou de bal met je rechterhand vast en strek je arm recht langs je hoofd omhoog. Gooi de bal in horizontale richting tegen de muur, dus in rechte lijn, en vang hem weer met je rechterhand op.
2. Gooi de bal met de linkerhand in horizontale richting tegen de muur, terwijl je linkerarm gestrekt langs je hoofd is, en vang hem weer links op.
3. Nu hetzelfde met twee gestrekte armen, en met twee handen vangen.
4. Links werpen, rechts vangen.
5. Rechts werpen, links vangen.

Gooi de bal tegen de muur op de normale manier, dus nu hoef je je hand niet boven je hoofd te houden.

Je gooit de bal met je rechterhand, laat hem op de grond stuiten, maar nu ga je de bal niet opvangen, maar met je platte rechterhand terug tegen de muur slaan.

Je houdt je rechterhand met de palm naar boven als je slaat, net of je hand een koekepannetje is, of een slaghout.

Je slaat dus op die manier de bal weer tegen de muur en vangt hem met beide handen op.

De volgorde van deze worp is dus:

1. Rechts gooien.
2. Stuiten.
3. Met platte rechterhand terugslaan.
4. Zonder stuiten met beide handen opvangen. Hetzelfde doen we nu links.

Ga nu op ongeveer een halve meter afstand van de muur staan, gooi de bal rechts tegen de muur, vang de bal niet op, maar sla hem horizontaal met de vlakke hand tegen de muur terug.

Horizontaal wil zeggen, in rechte lijn. Je moet je rechterhand dus geopend een beetje voor je uit houden, op dezelfde hoogte waar de bal de muur raakt. Nu mag je de bal niet vangen, maar je moet hem weer terugslaan, tegen de muur.

Hoe vaak kun je de bal zonder vallen achter elkaar terugslaan?

Je zult merken, dat je het verschrikkelijk vlug moet doen.

Wanneer je het rechts goed kunt, ga je hetzelfde links proberen.

Als je het met je linkerhand net zo goed kunt als met je rechter, kun je het met beide handen gaan oefenen.

De volgorde wordt dan zó:

1. Gooi bal, met je rechterhand.
2. Muur.
3. Rechts terugslaan.
4. Muur.
5. Links terugslaan.
6. Muur.
7. Rechts terug, enzovoort.

Hoeveel pannenkoeken lust jij wel?
Het kind gaat met de bal bij de muur staan en gooit hem steeds weer tegen de muur, terwijl het na het opvangen hardop telt: EEN!

Dit gaat zo door, tot de bal valt.

Dit ‘telspelletje’ kan met een onbeperkt aantal kinderen gespeeld worden.

De kinderen beginnen tegelijkertijd en gooien in hetzelfde tempo.

Wie de meeste pannenkoeken lust, ergo: wie een en ander het langst volhoudt, heeft gewonnen. Het pannenkoekenspelletje kan met alle mogelijke variaties gespeeld worden. Met stuiten, met handgeklap, op één been, met omdraaien,met één hand, enzovoort, enzovoort.

Juffrouw Katrijntje
De bal wordt tegen de muur gegooid en vóór dat die weer wordt opgevangen, maakt het kind de bewegingen, die volgens het liedje door juffrouw Katrijntje worden gemaakt.

Juffrouw Katrijntje (gooien en vangen)

Zat achter ’t gordijntje (door de vingers kijken)

Wat deed ze daar?

(gooien en vangen)

Ze kamde haar haar (gebaar van haar kammen)

Ze poetste haar tandjes

(vingers langs de tanden heen en weer)

Ze waste haar handjes (handen wassen)

Ze droogde ze af

(afdrogen door ze langs de jurk te strijken)

Ze stak z’in d’r zij (handen in de zij)

En knielde erbij.

(knielen)

Karel I
Tussen opgooien en vangen worden de gebaren :emaakt.

Karel Eén
(gooi, vang)
Brak zijn been
(gooi, vang)
EEN!
(gooi, been vooruit, vang)

Karel Twee
(gooi, vang)
Sprong over de zee
(gooi, vang)
EEN!
(gooi, spring, vang)
TWEE!
(gooi, spring, vang)

Karel Drie
(gooi, vang)
Had een stijve knie
(gooi, vang)
EEN!
(gooi, knie buigen, vang)
TWEE!
(gooi, knie buigen, vang)
DRIE!
(gooi, knie buigen, vang)

Karel vier
(gooi, vang)
Dronk vier glaasjes bier
(gooi, vang)
EEN!
(gooi, hand aan de mond, vang)
TWEE!
(gooi, hand aan de mond, vang)
DRIE!
(gooi, hand aan de mond, vang)
VIER!
(gooi, hand aan de mond, vang)

Karei Vijf
(gooi, vang)
Sloeg zijn wijf
(gooi, vang)
EEN!
(gooi, sla op de knie, vang)
TWEE!
(gooi, sla op de knie, vang)
DRIE!
(gooi, sla op de knie, vang)
Doorgaan tot en met VIJF.

Karei Zes
(gooi, vang)
Stampte de kurk op de fles
(gooi, vang)
EEN!
(gooi, stamp op de grond, vang)
TWEE!
(gooi, stamp op de grond, vang)
Enz. tot en met ZES

Karei Zeven
(gooi, vang)
Stond te beven (gooi, vang)
EEN!
(gooi, bibberen, vang)
TWEE!
(gooi, bibberen, vang)
Enz. tot en met ZEVEN.

Karei Acht
(gooi, vang)
Stond op wacht
(gooi, vang)
EEN!
(gooi, salueren, vang)
TWEE!
(gooi, salueren, vang)
enz.

Karei Negen
Moest voeten vegen
(gebaar van voeten vegen)
tot en met NEGEN.

Karel Tien
Liet z’n jurkje zien
(jurkje vastpakken tussen gooien en vangen,
tien maal)

KareL Elf
Fietst naar Delft
(nu elf keer tussen gooien en vangen een trapbeweging maken met de rechtervoet)

KareL Twaalf
Luidt de klok
Op het oude kippenhok
(twaalf keer tussen gooien en vangen een been heen en weer laten schommelen)

Karei Dertien
Lag aan de ketting
(dertien maal gebaar met hand aan de hals)

KareL Veertien
Kroop in de kist
Zonder dat KareL Vijftien het wist
(vijftien maal tussen gooien en vangen op de hurken)

KareL Vijftien
At andijvie (eetgebaar)

KareL Zestien
Klapte tot besluit
Het hele liedje uit.
(zestien keer tussen gooien en vangen klappen)

Kaatsebal ik heb je al
Tussen gooien en vangen maken we de gebaren.

Kaatsebal
Ik heb je al
Gevangen
In de ene hand
In de andere hand
Met handjesgeklap
Met voetjesgestap
Van rommeldebom
En keer om.

Klapperdeklap
Het kind gaat voor de muur staan, gooit de bal en telt:
‘EEN!’
Voordat de bal wordt gevangen klapt het één keer in de handen.
Weer gooien. Tellen: ‘Twee’. Voor het vangen twéé keer in de handen klappen.
Gooien, tellen: ‘Drie’, en drie keer in de harden klappen.
Dan ‘VIER’, ‘VIJF’, enzovoort.

Als het spel met meer kinderen wordt gespeeld, heeft het kind dat het verste komt, gewonnen.

Aanvang
1. Aanvang!
(bal tegen de muur en vangen)
2. Dubbele stand!
(bal laten stuiten, op de grond, dan tegen de muur, en vangen)
3. Rechterbeen!
(bal onder rechterbeen door gooien, laten stuiten, tegen de muur, vangen)
4. Linkerbeen!
(bal onder linkerbeen doorgooien, stuit op de grond, tegen de muur, vangen)
5. Van voor naar achter!
(bal tussen de gespreide benen op de grond laten stuiten, tegen de muur, opvangen)
6. Van achter naar voren!
(met de rug naar de muur wordt de bal tussen de benen doorgegooid, stuit op de grond, springt tegen de muur, het kind draait zich weer vlug om met het gezicht naar de muur en vangt de bal met beide handen)

Ook op dit spelletje zijn vele variaties door de kinderen bedacht. Voor een outsider klinkt een gezegde als: ‘aanvang met zoentje’, of ‘aanvang met de viedel’ wonderlijk in de oren, maar het kind dat door een ander gevraagd wordt: ‘zullen we aanvang met zoentje?’, weet onmiddellijk, dat het hierboven beschreven spelletje wordt bedoeld, terwijl als voorwaarde voor het goed uitvoeren van het spel tusen het gooien en vangen een zoentje op de rug van de rechterhand gegeven moet worden.
‘Aanvang met viedeldans’ betekent, dat gedurende het spelletje op de plaats gehuppeld moet worden.
‘Aanvang met hurken’ en ‘aanvang met klappen’ is duidelijk!

Tweeling
De bal wordt met twee handen tegen de muur gegooid, met twee handen teruggeslagen tegen de muur en met twee handen weer opgevangen. Het liedje (of liever gezegd: dreuntje) dat gezongen wordt is:

Tweeling
Die ik ving
Tweeling
Ging naar de zee
Tweeling
Ik mocht mee
Tweeling
Tante Griet
Tweeling
Jij mag niet
Tweeling
Uit is ’t lied.

Rarara wie heeft die bal?
De meespelende kinderen gaan naast elkaar op een rijtje staan, terwijl het kind dat moet raden, op een afstand van ongeveer 10 passen met de rug naar de anderen moet gaan staan. Dit kind is dan de ‘rader’.
De rader gooit de bal over zijn hoofd naar de kinderen die achter hem staan. De bal wordt gevangen door een van de kinderen, die onmiddellijk weer een rij vormen.
Allen staan met de handen op de rug. Eén van hen heeft dus de bal achter zijn rug verborgen. Nu wordt gezongen:

Ra-ra-ra wie heeft die bal,
Die mooie bal van goud?

De rader draait zich dan om en moet zeggen, welk kind de bal achter de rug heeft.
Raadt hij goed, dan mag hij in de rij gaan staan, en het kind met de bal wordt op zijn beurt nu rader.
Raadt hij mis, dan wordt de bal hem weer toegegooid, en begint het spel van voren af aan, met dezelfde rader.

Lummel
Lummel is een zeer geliefd spelletje en wordt door drie kinderen gespeeld.
Twee kinderen gaan op een afstand van ongeveer 10 meter (tien flinke passen) van elkaar staan, en de derde – de lummel – staat in het midden.
De beide kinderen gooien elkaar de bal toe, en nu mag de lummel proberen, de bal te vangen. Lukt hem dat, dan is hij lummel-af, en moet degene die de bal het laatst geworpen heeft, in het midden gaan staan, en is op zijn beurt de lummel.

Trefbal
De kinderen worden in twee partijen verdeeld. Het aantal meespelers is onbeperkt, maar het leukst is het spel als we met een groepje van meer dan acht zijn.
De beide partijen voorzien zich van een kenteken. Dit kan gemakkelijk gedaan worden, door om de rechterarm van de ene partij een zakdoek te binden.
Door loting wordt uitgemaakt, welke partij het eerst begint.
De spelregels van trefbal zijn zeer eenvoudig: Het is niet toegestaan om met de bal te lopen. Zodra de bal in het bezit van een der spelers is, moet hij proberen iemand van de tegenpartij te raken. Lukt hem dat, dan is de getroffene af en moet aan de kant gaan staan.
Mist de bal zijn doel, dan komt de bal in het bezit van de tegenpartij.
Alle spelers mogen proberen de bal met de handen te vangen.
Het spel is uit, wanneer alle spelers uit het veld zijn, op één na.
De partij waartoe deze behoort, is de winnaar.

Tunnelballetje
Alle meespelers gaan in een kring op de grond zitten, met opgetrokken knieën, dicht tegen elkaar. Er is nu een cirkelvormige tunnel gevormd, waardoor een bal kan worden gerold. Een van de kinderen staat in het midden van de kring en moet proberen, de bal te pakken, terwijl de anderen de bal door de tunnel rollen. De vanger mag van zijn plaats komen.
Als de bal is aangeraakt, wordt dit ook als gevangen beschouwd, en een ander wordt als vanger aangewezen.

Fopbal
Alle spelers, op één na, staan in een kring of op een rij naast elkaar, met tussenruimten van ongeveer één meter.
In het midden van de kring, of op een afstand van ongeveer 5 meter van de rij, staat de ‘fopper’.
De fopper gooit de bal naar een van de anderen, die hem moet opvangen. Voordat hij de bal vangt, moet hij echter een keer in de handen klappen. Daarna gooit hij de bal naar de fopper terug.
Vergeet hij te klappen, dan is hij af en moet wachten tot het spel uit is, voor hij weer mag meedoen. Ook als hij de bal laat vallen, is hij af.
De fopper mag nu een schijnbeweging maken, dus net doen alsof hij de bal wil gooien naar een bepaald kind, maar in werkelijkheid gooit hij de bal naar een ander.
Als nu het kind, dat oorspronkelijk dacht de bal in zijn bezit te krijgen, in de handen klapt, is hij af, evenals de ander, die de bal onverwacht toegeworpen krijgt en vergeet in de handen te klappen!
Tenslotte is er nog één speler over, en die mag dan in het volgende spel de fopper zijn.

Komt-ie wel of komt-ie niet?
.Alle kinderen gaan naast elkaar op een rijtje staan, met een pas tussenruimte.
Een van de kinderen, die de bal heeft, gaat op tien passen afstand voor de rij staan, in ’t midden.
De kinderen in de rij staan met de handen op de rug, en roepen:
‘Komt-ie wel of komt-ie niet?’
Het kind met de bal roept nu een naam van een van de kinderen en maakt een beweging alsof hij de bal naar het kind dat hij geroepen heeft, wil gooien.
In werkelijkheid gooit hij naar een ander kind.
.Als het kind dat is geroepen, de handen van de rug haalt, is het af.
Het is natuurlijk ook mogelijk, dat het kind dat is geroepen, de bal werkelijk krijgt toegeworpen.
.Als iemand de bal laat vallen, is hij ook af.
Wie ’t laatst overblijft is winnaar en mag op zijn beurt gooien.

Stand in de wand
.Alle kinderen staan om het kind dat de bal heeft heen. Dit kind gooit de bal recht omhoog, en roept: ‘stand in de wand voor Karel!’.
Nu maken alle kinderen dat ze uit de buurt komen, behalve Karel, die de bal moet opvangen. Zodra Karel de bal in zijn bezit heeft, roept hij:
‘Stand in de wand!’ en niemand mag meer van zijn plaats komen.
Karel mag nu proberen een van de stilstaande kinderen met de bal te raken.
Dit kind mag niet van zijn plaats komen, maar mag wel, door bijvoorbeeld te bukken, proberen de bal te ontwijken.
Wordt het kind toch geraakt dan is hij af.
Karel gooit de bal nu opnieuw omhoog en roept een andere naam.
Als hij de ander niet heeft geraakt, wordt het kind, waarop hij heeft gemikt, balwerper.

Hoog en laag
Alle kinderen staan met de rug tegen de muur.
Een van hen staat vóór de rij en werpt de bal naar het eerste kind van de rij.
Terwijl het gooit roept het:
Hoe vind jij … en noemt dan de naam van een van de andere kinderen.
Zonder te spreken kan het kind, dat de bal heeft gevangen, zijn of haar mening over het betreffende kind kenbaar maken, door de manier waarop de bal wordt gegooid.
HEEL LIEF: De bal zo hoog mogelijk recht omhoog en weer opvangen.
SOMS LIEF SOMS STOUT: Bal met een boogje teruggooien.
GAAT NOG AL: Bal over de grond terugrollen.
STOUT: Bal teruggooien met stuiten.
Dan krijgt het volgende kind uit de rij de bal toegeworpen.

Namenradertje
Het aantal meespelers is onbeperkt. Een van de kinderen heeft een bal en gaat daarmee op een paar meter afstand tegenover een van de anderen staan.
Terwijl het de bal gooit naar de ander, roept het de eerste en laatste letter van een naam. Denkt het kind bijv. aan: Johan, dan roept het onder het gooien: ‘J’ en ‘N’.
Het andere kind, dat de bal heeft gevangen, moet nu raden welke naam de ander in gedachten nam.
Weet hij het niet onmiddellijk, dan mag hij een aantal vragen stellen en trachten op die manier de naam aan de weet te komen.
Bijv.: Is het een jongen of een meisje?
Ken ik hem goed?
Woont ze in de straat?
Kan hij de naam niet raden, dan roept hij:
‘Niet thuis’ en gooit de bal terug.
Raadt hij fout, dan moet de bal ook worden teruggegooid!
Als hij goed raadt, werpt hij de bal terug en mag weglopen, tot het eerste kind (dus het kind dat de bal eerst heeft gegooid en weer heeft opgevangen, nadat het had bevestigd dat de juiste naam was geraden) roept: ‘Hela sta stil.’
Op dat moment moet het kind dat wegloopt onmiddellijk stil staan (met het gezicht naar het kind met de bal) en van zijn armen een hoepeltje maken, door de handen te vouwen en de armen enigszins te buigen.
Nu mag het kind met de bal per lettergreep van de geraden naam één pas in de richting van het armenhoepeltje maken. In dit geval dus: JO (één pas) HAN (nog één pas). Nu moet de bal door het hoepeltje worden gegooid. Lukt dat, dan moet de ander de rol ovememen.

Zintuigen: o.a. evenwichtszin; bewegingszin

Spel: alle artikelen

1214-1134

.