VRIJESCHOOL – 7e klas – sterrenkunde (1-4)

.

De jaargetijden aan de sterrenhemel

Nu na de dag en nachtevening de nachten het in lengte weer van de dagen gaan winnen, zullen velen onwillekeurig wat meer aandacht besteden aan de nachtelijke hemel. Maar hoe vind je de weg tussen de sterren, en wat is er eigenlijk te zien? Het heeft weinig zin iemand een sterrenkaart te geven, als hij geen enkel punt heeft waarop hij zich kan oriënteren.
De Grote Beer echter zal voor de meeste mensen wel een begrip zijn. Dit vertrouwde beeld aan de noordelijke hemel kan als baken dienen om ons in alle jaargetijden de weg langs het uitspansel te laten vinden.

Het zal velen nooit opgevallen zijn dat elk jaargetijde aan de sterrenhemel zijn eigen signatuur heeft. Elk ogenblik van het jaar zouden we aan de stand van de sterren kunnen zien in welk jaargetijde we zijn, welk jaargetijde hieraan vooraf ging, en wat er gaat komen.
In de herfst zien we in het westen de beelden van de zomer verdwijnen, de karakteristieke beelden van het najaar staan hoog aan de zuidelijke hemel, terwijl op de late avond de wintersterren in het oosten zichtbaar worden.

sterrenkunde-12

De voor de zomer kenmerkende sterrengroep is gemakkelijk te vinden. Zoals gezegd, in de herfst moeten we daarvoor de westelijke hemel bekijken. Maar eerst gaan we de Grote Beer zoeken aan de noordelijke hemel. Op het kaartje is te zien waar dit sterrenbeeld zich in de herfst ’s avonds bevindt. We staan met ons gezicht naar het noorden en betrekkelijk laag aan de hemel zien we de zeven bekende sterren staan. Voor het gemak zijn ze op het kaartje voorzien van Griekse letters. Als we de lijn van β naar ∝ vijf maal met zichzelf verlengen, vinden we een betrekkelijk alleen staande ster: de Poolster. Eigenlijk kunnen we niet van lijnen spreken: alle schijnbaar rechte lijnen op een sterrenkaart zijn in werkelijkheid boven.
Terug naar de Grote Beer. We verlengen de lijn y δ tot we in de melkweg terecht komen, dat is dus een heel eind want de melkweg staat hoog aan de hemel. Nu komen we terecht in de buurt van de helderste ster van het sterrenbeeld de Zwaan: Deneb. Gaan we nu vanuit Deneb een beetje schuin naar beneden, dan ontmoeten we de zeer heldere Wega in de Lier. Een flink eind links van Wega staat, in de melkweg, Altaïr, de helderste ster van de Adelaar. Deneb, Wega en Altaïr vormen samen de zomerdriehoek. In de zomer vindt men deze drie sterren hoog aan de zuidelijke avondhemel, terwijl men dan in het westen het lentetrapezium ziet verdwijnen, maar daarover later. Het herfstbeeld, dat in de zomer in het oosten zichtbaar is, staat nu in het zuiden hoog aan de hemel: het herfstvierkant, gevormd door de vier heldere sterren van Pegasus.

Ook deze configuratie kunnen we met behulp van de Grote Beer vinden. We trekken daarvoor een lijn vanuit 5 naar de Poolster en trekken die lijn door tot we op de zuidelijke helft van de hemel komen. We vinden dan het herfstvierkant.

In het oosten kondigt zich in deze tijd de winter reeds aan: de bovenste sterren van de winterzeshoek worden in de late avond al zichtbaar: als we van de Grote Beer doortrekken, komen we uit bij de heldere Capella in de Voerman.

Tot zover deze eerste verkenning van de sterrenhemel.

Rinke Visser, Jonas 10/11, 3e jrg.

7e klas sterrenkunde: alle artikelen

7e klas: alle artikelen

1296-1210

.

.

VRIJESCHOOL – menskunde en pedagogie (18-2)

.

OVER HET GEHEUGEN

HET GEHEUGEN BLIJFT EEN MYSTERIE

Ons leven is niet verenigbaar met het ontbreken van een geheugen. Zonder dat vermogen moeten we ons elke dag leren wassen en aankleden en ook de naam en het adres zijn onbekend. De psychologie heeft allerlei indelingen van het geheugen gemaakt. Een aantal vormen wordt niet meer zo scherp van elkaar onderscheiden als vroeger omdat zij berusten op verschillende stadia van hetzelfde proces. Drie typen staan echter nog recht overeind

Het motorisch geheugen dient er voor om aangeleerde bewegingen te onthouden. Vergeten speelt daarbij nauwelijks een rol. We kunnen na lange tijd nog steeds fietsen of schaatsen. Dit geheugen heeft veel te maken met de kleine hersenen die kennelijk weinig onder vergeetprocessen te lijden hebben.

Een tweede type is het episodisch geheugen waarin gebeurtenissen vastliggen. Deze bestaan uit onderling verbonden elementen die bewaard blijven zonder dat het tafereel is herhaald. Het is niet nodig, drie keer een film te zien om te weten wat er ongeveer gebeurde. Ook is een nadrukkelijke poging tot inprenting niet noodzakelijk.
Dit geheugen lijkt moeiteloos te functioneren, maar het is allerminst volmaakt. Dat blijkt uit tegenstrijdige getuigenverklaringen bij ongevallen en uit ruzies over wat bij een bepaalde gelegenheid is voorgevallen. Mensen onthouden verschillende onderdelen van dezelfde gebeurtenis en vullen na verloop van tijd zonder dat te beseffen gaten in het geheugen met verzinsels op. Een merkwaardige variant hiervan is het „flitslicht geheugen”. Als een dramatische boodschap wordt vernomen herinneren we ons jaren later niet alleen dat bericht zelf, maar ook allerlei irrelevante details die op en om de plaats des onheils zichtbaar waren. Het episodisch geheugen legt dus veel dingen vast zonder dat er een bedoeling in die richting is, en de informatie kan zelfs volstrekt zinloos zijn,

Taal
Het omgekeerde daarvan is dat iets niet wordt onthouden hoewel we er al vaak mee te maken hebben gehad. Vrijwel niemand is in staat een gedetailleerde tekening van zijn voordeur te maken.
Een deur dient er in de eerste plaats voor om gebruikt te worden. Misschien is dat ook wel de reden waarom wij er grote moeite mee hebben op foto’s onze handen te herkennen.
Verder is het episodisch geheugen in die zin aan de taal gekoppeld dat weinig beklijft uit de tijd dat de taal nog niet zo intensief gebruikt werd. Toch is het soms mogelijk daar nog iets van terug te vinden. Herinneringen aan de kindertijd zitten vaak vast aan reuksensaties. Het opsnuiven van de typische „kinderlucht” in peuterspeelzalen kan allerlei vergeten taferelen weer oproepen. Een aantal passages in het boek „op zoek naar de verloren tijd” van Marcel Proust wijst in die richting.

Het derde type is het semantisch geheugen. Dit omvat het leren van betekenissen in een ruime zin van het woord zoals dat in het onderwijs gebeurt. Als de informatie als los zand aan elkaar hangt vindt inprenting alleen plaats na een aantal herhalingen en stampwerk. Ook daarna gaat echter veel teloor, en de vraag is hoe dat komt.

Vergeten
Vroeger werd het vergeten in zijn algemeenheid toegeschreven aan het uitwissen van sporen die in de hersenschors zaten. Strikt genomen heeft niemand echter zo’n spoor kunnen vinden. De aanwijzingen zijn erg indirect. Als het gebied van de hippocampus wordt beschadigd is iemand niet meer in staat iets nieuws aan zijn geheugen toe te voegen. Bij oude mensen gebeurt dat geleidelijk. Dat komt ten dele door verlies van interesse en het bedenken van „kapstokken”, maar ook fysiologisch is er iets aan de hand. De hippocampus raakt zijn zenuwcellen relatief snel kwijt en bovendien ontstaat een zeker tekort aan de overdrachtsstof acetylcholine. Zogenaamde leerpillen in de vorm van het hormoonfragment ACTH 4-9 of piracetam, alsmede het „waarheidsserum” scopolamine kunnen daar niets aan veranderen.

Een tweede interpretatie van het vergeten is dat de informatie nog wel bestaat maar niet terug wordt gevonden. Dat kan op een gebrekkige manier worden vergeleken met een bibliotheek waarin niets is gecatalogiseerd. Wat voorbeelden van verschijnselen die hierin passen. We komen in de keuken op het idee dat een tang gehaald moet worden om iets te repareren. Als dat gedachteloos gebeurt weten we in de schuur niet meer waarom we daar staan. Terug lopen is dan een feilloze remedie,

Inbedding in een bepaalde situatie speelt ook een rol bij het niet herkennen van mensen op een plaats waar we hen nooit gezien hebben (een winkeljuffrouw op straat tegenkomen). Wat in een bepaalde omgeving is ingeprent, kan in een andere situatie relatief moeilijk worden opgespoord, Studenten weten daarover mee te praten. Het komt vaak voor dat zij de stof op hun kamer menen te beheersen, maar dat van alles vergeten is als zij de kale tentamenzaal betreden. Wat je leert wordt als het ware gehecht aan allerlei objecten, en als die er niet zijn gaat het herinneren moeizamer.
Men heeft hierover in Amerika een experiment gedaan. Studenten die colleges volgden in een „aangeklede” zaal onthielden beter wat te berde was gebracht. Ook de emotionele toestand is hier in het geding. Wat in een bepaalde emotionele toestand is geleerd, wordt in diezelfde stemming het best gereproduceerd.

Spectaculair ten slotte, is de hypnose. Er zijn mensen die onder hypnose bijna woordelijk kunnen vertellen wat tijdens een operatie onder narcose is gezegd (visuele en tastgewaarwordingen ontbreken dan overigens). Blijkbaar is het zelfs onder narcose mogelijk, een zeker contact met de omgeving te onderhouden. Hypnose is ook met succes gebruikt om kentekens van auto’s na ongevallen op te sporen en deze techniek staat centraal bij de zogenaamde regressie- en reïncarnatietherapie.
Men gaat er dan van uit dat stoornissen veroorzaakt kunnen zijn door trauma’s in een ver en duister verleden, Het is in dit geval echter moeilijk een onderscheid te maken tussen echte herinneringen en verbeeldingskracht. Bovendien kan hier kryptomnesie in het geding zijn, wat inhoudt dat iemand zich in een trancetoestand dingen herinnert zonder te beseffen dat het om herinneringen gaat.
In de parapsychologie zijn gevallen bekend van media die zich enigszins uitdrukten in talen die zij nooit willens en wetens hadden geleerd. Een befaamd voorbeeld was een dame die in haar jeugd als dienstmeisje verliefd was op een dominee die de gewoonte had dergelijke teksten hardop te lezen. Kritiekloze onderzoekers interpreteren dit verborgen geheugen ak een verzameling inblazingen vanuit een hiernamaals of vroegere levens, enkel en alleen omdat de betrokkenen zelf niet weten hoe ze het een en ander hebben klaargespeeld.
De effectiviteit van hypnotherapie berust mogelijk hierop dat men een probleem beter aan kan als er een verklaring voor lijkt te zijn.

Verdringing
Geven hypnose en kryptomnesie aan dat het geheugen buitengewoon goed kan functioneren, de tegenvoeter is plotseling geheugenverlies. Ook dat komt regelmatig in het nieuws. Iemand kan er in zekere zin baat bij hebben, bepaalde gebeurtenissen te vergeten. Dat gold misschien voor Edward Kennedy die zich niets kon herinneren van een auto-ongeluk in 1969 waarbij een secretaresse om het leven kwam. Men noemt dat verdringing of gemotiveerd vergeten, uitdrukkingen die overigens eerder beschrijvingen dan verklaringen van het verschijnsel zijn. Bij verdringing worden zowel vervelende ervaringen uitgewist. Als de prettige gebeurtenissen weer op de een of andere manier boven water worden gebracht, duiken ook de andere herinneringen tot verdriet van de betrokkene weer op.
Er gebeuren echter ook dingen waarbij elk aanknopingspunt ontbreekt. In februari 1978 ging de 24-jarige Steven Kupacki skiën op het Michiganmeer. Hij raakte verdwaald en het eerstvolgende dat hij zich kon herinneren was dat hij op de grond lag in andere kleren en voorzien van andere spuilen. Het was mei 1979 en niemand weet wat zich in de tussentijd heeft afgespeeld. Iets dergelijks is onlangs gebeurd met de Friese bloemist J. Speelman. Het kan in zoverre nog gekker dat er mensen zijn die uit verschillende persoonlijkheden bestaan. In dat geval is er niet alleen een doorlopende wisseling van karakter of rol, maar heeft de ene persoon ook geen toegang tot de herinneringen van de andere.

Hoe het ook zij, het geheugen is even onmisbaar als mysterieus. Ondanks onderzoek dat al meer dan een eeuw duurt heeft geen enkele wetenschap een stevige greep gekregen op hetgeen zich hier allemaal afspeelt, Wat dat betreft is het onderscheid tussen „gewone” en paranormale verschijnselen merkwaardig. Misschien noemen we iets alleen maar gewoon omdat het vaak gebeurt en niet omdat we het begrijpen.

Piet Vroon, de Volkskrant 02-04-1983

Geheugen [18-1]

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1295-1209

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Hemelvaart (29)

.

HEMELVAART

Wat schiet u te binnen bij het woord Hemelvaart? Ja precies, dat is een vrije dag! Dat was ook mijn eerste gedachte. En verder blijft de achtergrond toch wel in het vage. Volgens de christelijke traditie was dit de allerlaatste dag waarop Jezus in zijn aardse verschijningsvorm werd gezien. Niet direct iets om te vieren als een feestdag.

Ingebed tussen Pasen en Pinksteren, twee feesten met een indrukwekkend thema, verdwijnt Hemelvaart wat uit beeld. Ook in de beeldende kunst heb ik geen afbeelding kunnen vinden die deze bijdrage zou kunnen illustreren. Wat moeten we eigenlijk met de voorstelling van iemand die voor onze ogen opstijgt en door wolken aan het gezicht wordt onttrokken en tenslotte nooit meer door mensenogen gezien wordt?

Des te merkwaardiger is het dan dat dit thema toch herhaaldelijk opduikt. Ook de profeet Mohammed werd ten hemel gevaren en de joodse profeet Elias. Maar nog veel verder terug in de tijd, nog voor de zondvloed, wordt gesproken over Henoch. In de lijst van stamvaders die tot Noach voert, is Henoch de 7-de. Hij bereikt een leeftijd van 365 jaar en sterft niet, maar wordt om zijn vroomheid door God van de aarde weggenomen. Als we denken aan 7 dagen in de week en 365 dagen in het jaar dan ontmoeten we hier een oeroud cyclisch patroon.

Daarmee komen we wellicht dichter bij de wezenlijke betekenis van Hemelvaart. We kunnen ons voorstellen dat hier sprake is van een kosmisch principe dat alle aardse wetmatigheden overstijgt. Iets dat opkomt en ondergaat, maar- nooit vergaat! Het eeuwig leven waar Jezus herhaaldeiijk op zinspeelt. Is Jezus zélf ook niet een kosmische kracht?

De feitelijke verhalen, de Evangeliën, zijn verre van eensluidend. Zij zijn vaak overgeschreven uit oudere bronnen en verschillende talen gaven weer grond tot verwarrende interpretaties. Maar waar het ons om gaat, is het uiteindelijk beeld dat zich gevormd heeft, ja dat zich zo móest vormen. Daardoor heeft Jezus’ dood, verrijzenis en hemelvaart zich in een oeroud kosmisch patroon ingevoegd. Daardoor heeft de mystieke betekenis van Pasen, maar ook van Hemelvaart nog niets aan kracht ingeboet.

Met Pinksteren herdenken wij dat de bezielende geest neerdaalde op de apostelen en hun metgezellen in de vorm van vurige tongen. Het kan, ons opvallen dat de Joden op diezelfde dag reeds iets anders herdachten, namelijk de wetgeving van Mozes aan het volk op de berg Sinaï. In zekere zin in beide gevallen een vorm van geestelijke loutering. In beide gevallen vergezeld van vuur; de ene keer de reeds genoemde vurige tongen, de andere keer de bliksemflitsen.

Zoals het water de lichamelijke reiniging symboliseert, zo staat vuur voor de geestelijke reiniging. Pinksteren kan ons een vonk van inzicht schenken. Door Pinksteren kunnen wij ervaren hoe wij zelf deel uitmaken van de kosmos. Het kan ons vertwijfeld doen neerzitten om onze nietige onbelangrijkheid, maar het kan ons ook in dankbare eerbied doen opzien in het besef dat wij daar een deeltje van mogen zijn.

Harrie Vens, nadere gegevens onbekend

.

Hemelvaart – Pinksteren: alle artikelen

jaarfeesten: alle artikelen

1294-1208

.

.

VRIJESCHOOL – Onderwijs, hoe was het vroeger?

.

Soms is het goed naar het verleden te kijken – niet zo vanzelfsprekend voor een leekracht die met kinderen werkt: kinderen zijn de toekomst – maar het verleden geeft wel iets aan van bijv. de tijd van toen: wat vond men belangrijk en waarom.
“Elke tijd heeft zijn specifieke opdracht’, zei Steiner. Wat is de opdracht van deze tijd en wat is eigenlijk ‘deze tijd’. 

Het verleden: ook gewoon interessant!

In onderstaand artikel een schets van dat onderwijsverleden.

De zorgen van onze goede minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen zijn velerlei. Tekort aan onderwijzers en leraren: te lage salariëring en daardoor weinig animo deze beroepen uit te oefenen. Te grote klassen en te weinig scholen; maar anderzijds een tendentie om steeds meer inrichtingen voor middelbaar onderwijs te stichten, terwijl tal van gemeenten een hogeschool willen hebben, of liever nog een universiteit. Iedereen klaagt over gebrek aan praktische kennis en over een teveel aan schoolse wijsheid bij de schooljeugd. Maar als de minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen zijn mammoetwet nog eens heeft doorgelezen en alle klachten heeft onderzocht, kan hij toch de genoegdoening smaken dat het tegenwoordige onderwijs veel en veel beter is dan dat van onze voorouders…

In de 8e eeuw stichtte Sint-Willebrord de Domschool in Utrecht; deze school, waar ook Sint-Bonifatius les moet hebben gegeven, is de oudste school in ons land, waarover we iets beschreven vinden. De scholen waren in die tijd en nog lang er na een onderdeel van de kerk en de onderwijzers waren dan ook meestal geestelijken van lage rang. Het aantal scholen nam betrekkelijk snel toe, maar in de 9e eeuw vielen de Noormannen ons land binnen en met talloze kerken werden ook de meeste scholen verwoest. Men kon weer opnieuw beginnen.

Het nauw met de godsdienst verweven zijn bracht veelal mee dat de scholen vlakbij de kerk of zelfs ertegenaan werden gebouwd. Vooral in de vroege middeleeuwen was zo’n school desondanks uiterlijk en innerlijk niet veel bijzonders. Zijn wij tegenwoordig gewend aan gebouwen waar licht en lucht vrij toegang hebben, de scholen van vroeger waren dikwijls niet veel meer dan houten hutten met daken van stro en bestaande uit twee lokalen: een als leslokaal voor de kinderen en een als woonruimte voor de onderwijzer. Het schoollokaal had een vloer van aangestampt leem, die ’s zomers met biezen en ’s winters met stro werd bedekt. Banken of lessenaars waren er niet; de kinderen zaten op de grond. Dit was niet omdat de school maar een gewone lagere school was; tot in de 15de eeuw zaten zelfs de studenten van de beroemde universiteit van Parijs op de vloer!

Het doet ons vaderlandse hart goed te weten dat ons land in het verbeteren van deze toestanden een grote rol heeft gespeeld. Reeds in 1430 had de Latijnse School in Middelburg banken. De Latijnse School in Gouda kende toen nog wel geen banken, maar de toen met stro bedekte vloer was er in elk geval al van steen. Voor licht en lucht moest men overigens langer op verbetering wachten. De ramen bestonden uit verglaasd en geolied papier, waardoor de ventilatie uiteraard niet ideaal was. De verlichting bestond uit vetkaarsen en was dus beslist onvoldoende. Pas de uitvinding van de lantaren bracht verbetering, zij het nog uiterst bescheiden.

U begrijpt dat van een behoorlijke schoolhygiëne bij dergelijke toestanden weinig sprake kon zijn, afgezien van het feit dat in die jaren het woord hygiëne nog niet was uitgevonden. Op het erf van de reeds genoemde Latijnse School in Middelburg stonden twee gebouwtjes: „die stille, het aesement ofte die heymelicheit, daer die scoelkynderen op gaan.” De kinderkens van de laagste klassen hadden overigens gemakshalve ook „een ymer en een tobbekyn” te hunner beschikking!

Het kwam dikwijls voor dat een school werd ondergebracht op de tweede etage van een of ander gebouw, en soms nog hoger. Het parterregedeelte was in Gouda en Middelburg ingericht als pakhuis en als stal voor de paarden van dóórtrekkende reizigers. In Breda gebruikte de Rederijkerskamer het benedengedeelte voor zijn bijeenkomsten, terwijl het later werd gebruikt als opslagplaats voor het transportmateriaal en de werktuigen van de gemeente en voor de brandweer. In Alkmaar diende de parterre als vergaderzaal van de gilden.

Ook vroeger was de schooljeugd natuurlijk rumoerig, vervelend en bij tijd en wijle nogal ordeverstorend. Worden de belhamels tegenwoordig in een hoek gezet of de gang opgestuurd, in de oude tijd werden ze in een klein kamertje gestopt, een soort cel, waar ze moesten blijven tot hun gevoel voor orde en netheid was teruggekeerd en ze voldoende waren afgekoeld. En dat was nog een milde straf, want de roede en de plak waren met graagte gehanteerde leermiddelen -maar daarover straks.

Het feit dat de scholen vooral in het begin door geestelijken werden bestuurd, bracht mee dat die scholen in de eerste plaats werden bestemd voor jongens die tot de geestelijke stand wilden worden opgeleid. Hieruit vloeide voort dat geleidelijk een ander soort school ontstond, waar weliswaar het godsdienstonderwijs een grote plaats bleef innemen, maar waar het onderricht verder niet de geestelijke stand tot einddoel had. Wilde men in die dagen evenwel vooruitkomen, dan moest men toch kennis hebben van de Latijnse taal – bijna alles werd in het Latijn geschreven – vandaar dat deze scholen reeds spoedig de naam kregen van Latijnse School; hierboven werden er enkele genoemd. Zo’n Latijnse school viel in twee delen uiteen: de hoge- of bovenschool omvatte 5 klassen, de lage- of benedenschool twee klassen voor elementair onderwijs, die septanos en sextanos heetten dus de 7e en 6e klas. Uit deze manier van tellen blijkt dat men niet in een opklimmende reeks sprak van 1e, 2e, 3e, enz. tot 7e klas, maar van 7e, 6e, 5e enz. tot 1e; dit systeem wordt trouwens nu nog op de Duitse gymnasia gebezigd.

De zogenaamde grote school was doorgaans een openbare gemeenteschool, waar alle kinderen konden worden aangenomen. Langzamerhand werden er evenwel ook particuliere scholen opgericht, omdat vele tot welstand komende ouders niet wilden dat hun kinderen met die van een mindere stand in één klas zaten. Deze ontwikkeling was echter niet ten voordele van de onderwijzer oftewel rector van de grote school. Deze ontving in de eerste tijden geen salaris, maar had meestal de school gepacht en had dan als inkomsten de enkele stuivers per jaar, die hij van de gegoede ouders kreeg, terwijl de minder gegoede ouders hun kinderen een bijdrage van de oogst of van de slacht voor de meester meegaven. De rest van zijn inkomen moest de goede man vinden in bijverdiensten in de kerk, waar hij als geestelijke van lagere rang bij vele plechtigheden kon assisteren. Het ontstaan van particuliere scholen betekende dus voor de onderwijzer een klont uit de pap. Het gevolg was dat hier en daar het oprichten van bijzondere scholen werd verboden, in Haarlem bijvoorbeeld. In andere plaatsen moesten de ouders die hun kroost naar een bijzondere school stuurden, de rector van de grote school een schadevergoeding geven, in Den Haag bijvoorbeeld twee carolusgul-dens per jaar.

Het ambt van onderwijzer stond intussen niet in hoog aanzien. Alleen al omdat de meester door allerlei bijverdiensten aan zijn boterham moest zien te komen, werd hij vooral op de kleinere plaatsen een manusje van alles. Dirck Adriaenszoon Valckoog, onderwijzer in Barsingerhorn, heeft tegen het einde van de 16e eeuw in een lang vers het een en ander over het onderwijs in zijn dagen verteld en zegt over de meester onder meer:

„om dat dick en vaecken een sober regiment
bij den schoolmeesters hier te lande wordt bekent,
om redenen dat hier salariën is wat magher,
waer door sy dick moeten zijn een clagher…”

„Ten eersten mach de schoolmeester wel een notaris syn,
een schatgaarder, een secretaris fijn,
d’impost uitryckenen, end’ ook droogscheren,
hair afsnyden, somstyds ook wonden cureren,
glasemaken, cloetmaken en dootkisten,
steenhouwen, schilderen, stoelen verwen en vernisten,
oock schoenlappen ende clompen maken,
rou korf maken ende den acker haken,
boeckbinden op veteren en breyen netten,
een paer koeyen houden, ossen vetten,
somtyds met naayen een stuyver verdienen,
oock uytsteken hechten in houten, in bienen,
boecken uytschryven, boelbrieven infangen
etlyke lepeleryen, daer een stuyver oft twee aenhangen …”

In de steden was het niet zó erg. Daar had de overheid al veel eerder een behoorlijke invloed op het onderwijs gekregen en werden de bepalingen dat de meester een kleine jaarwedde moest ontvangen, steeds veelvuldiger. Zo ontving rector Aernout in Nijmegen 1420 een lap zwarte lakense stof van de gemeente. Ongeveer honderd jaar later kreeg de toenmalige rector alle schoolgelden, het recht van vrij wonen, vrijdom van belasting en dan bovendien nog een jaarwedde. Vooral in de 17e eeuw werd het echter voor de onderwijzer wat beter en de man wordt zowaar een geëerd en geacht lid van de maatschappij. In brieven spreekt men hem aan met: „eerwaarde, geleerde, konstrijke”. Hij gaat gekleed in een lange wijde tabberd met korte mouwen en een geplooide halskraag. Hij draagt een bonnet met een geborduurde rand en een zijden met gouddraad doorweven knop. Op school staat hij niet meer, maar zit als een vorst aan zijn lessenaar.

Dit mogen uiterlijkheden zijn geweest, maar het was niet mogelijk deze uiterlijke waardigheid te bezitten indien men geen blijk had gegeven zijn zaakjes te kennen. In de Amsterdamse Schoolkeur, een soort stedelijke Wet op het Onderwijs, van 6 september 1623 was vastgelegd dat niemand les mocht geven die niet ten overstaan van een stedelijke commissie een examen had afgelegd en van de burgemeester geen acte van toelating had ontvangen. Dit gold niet alleen voor de rector, de „bovenmeester”, maar ook voor de „ondermeesters”. Buitenlanders waren dan ook dikwijls verrast in ons kleine land een goed georganiseerd onderwijssysteem te leren kennen. Reeds toen werden in Holland ook vreemde talen, in de eerste plaats Frans, maar toch ook Engels, Duits en Italiaans onderwezen.

De coëducatie was vroeger blijkbaar ook al een probleem; afzonderlijke jongens- en meisjesscholen bestonden er niet, maar toch werden de geslachten gescheiden gehouden, hetgeen blijkt uit hetgeen de hiervoor genoemde meester ‘Valckoog vertelt:

„De meyden sullen sitten in een loco alleen ende die knechten sullen oock sitten by een, na ’t fondament der scholen hem is streckende op datter geen oneerbaerheyt tusschen hen sy verweckende”

Men nam in die dagen geen blad voor de mond! Leiden was blijkbaar een moderne stad, want daar kregen de jongens en meisjes in één lokaal les. De dochters van de gegoede burgerij gingen overigens meestal naar de scholen in nonnenkloosters, waarvan men er in vrijwel elke stad een paar kon vinden; de dochters van edellieden gingen naar de kloosterschool in Loosduinen of bezochten de abdijschool in Rijnsburg.

De scholen hadden geen naam en zouden dan ook moeilijk te herkennen zijn geweest, ware het niet dat ze een uithangbord boven de deur hadden met in grote letters aankondigingen als SCHOOL of HIER ONDERWIJST MEN KINDEREN. Om het nog duidelijker te maken, stond er soms een bijbelspreuk op geschilderd. Niet erg aantrekkelijk en uit modern reclamepsychologisch oogpunt af te keuren, waren de uithangborden waarop plak en roede stonden afgebeeld!

Schoolboeken waren lange tijd schaars. Tot ver in de middeleeuwen gebruikte men nog de abecedariën uit de tijd van Karel de Grote. Dit waren boeken, waarin het alfabet stond, alsmede het Onze Vader en enkele andere veel voorkomende gebeden. Eigenlijk konden de abecedariën moeilijk boeken worden genoemd, daar zij aan de wand hingen. Oorspronkelijk waren ze uit perkament vervaardigd en met de hand beschilderd; later werd de tekst op bordpapier gedrukt. Nog later verschenen de zogenaamde Haneboeken: boeken waar op de voor- en achterkant een haan stond afgedrukt, welk beest als voorbeeld diende voor stiptheid en ijver: „Kinders, leert uw lessen wel.”

Als de hedendaagse jeugd de klas wordt uitgestuurd of honderdmaal moet schrijven „Ik mag niet vervelend zijn”, dan behoeft die jeugd niet te mopperen. Ondeugendheid kon vroeger met roede en plak ongenadig worden gestraft en niemand die daarvan iets mocht zeggen, want de meester was een onaantastbaar man. De plak was een schijfvormig slaginstrument op een korte stok. Hij kon rond zijn of ovaal, dik of dun, met een gladde oppervlakte of met ruiten besneden (dit laatste om de klap op de binnenkant van de hand des te gevoeliger te doen zijn). Waren de plakken gemaakt van gevlochten koperdraad of waren ze voorzien van spelden of naalden, dan was het nog minder leuk ermee te worden gestraft, maar de schooljeugd gaf daaraan toch de voorkeur boven de afstraffing met de roede, welke op vele scholen zelfs nog werd vervangen door riemen of bullepezen. Het kon echter nog erger. Op menige binnenplaats, vooral op de latere gestichtsscholen, stond een geselpaal en het was heus niet ongewoon wanneer kinderen aan die paal werden gebonden en ongenadig werden gegeseld.

Andere tijden, andere zeden. Wat we nu terecht ten zeerste afkeuren, werd in vroeger jaren zeer pedagogisch gevonden, al vond niemand het natuurlijk een pretje zelf zoiets te moeten ondergaan. Als tegenwicht waren er de schoolvermaken, waarvoor de gemeente soms geld gaf om het er eens gezellig van te nemen. De jeugd had gemeenschappelijke maaltijden op Driekoningen, Vastenavond of Onnozele Kinderen (28 december). Het feest van Vastenavond was extra gezellig, want dan konden de kinderen de zotskap opzetten en nam de meester de benen. De hele school ging achter hem aan, nam hem gevangen, bracht hem terug naar de klas en bond hem op zijn stoel vast. Wilde de meester vrijkomen, dan moest hij eerst trakteren en een dag vaststellen waarop er geen school zou worden gehouden, maar alleen spelletjes zouden worden gedaan.

Deze traditie is niet in onze onderwijswetten vastgelegd, al houdt vrijwel elke onderwijzer of leraar wel zijn particuliere verteldagen. In grote lijnen is de school nog wel hetzelfde als honderden jaren geleden, want kinderen zijn kinderen en schoolmeesters zijn ook onuitroeibaar. Maar het onderwijs en de onderwijsmethoden zijn in enkele eeuwen van primitief tot zeer goed geëvolueerd. Daarom mag onze minister van onderwijs toch niet klagen, ondanks de vele problemen die hem kwellen.

Schoolmeester met leerlingen uit ongeveer 1500. Let op de roede in ’s meesters hand!

J.H.W.boelen, nadere gegevens onbekend

.

Het eerste lees- en rekenboekje

.

1293-1207

.

.

.

VRIJESCHOOL – Engels – hogere klassen

.

Er kunnen allerlei redenen zijn om met een (hogere) klas eens iets op te voeren voor een lagere. Voor de laatste is het goed om te zien wat ze later allemaal geleerd hebben en kunnen; voor de hogere klas is het soms goed – wanneer het bijv. sociaal in zo’n klas wat moeilijker gaat, om gezamenlijk aan iets te werken, waarbij veel moet worden samengewerkt: kleding, achtergrondattributen, in tweetallen repeteren enz.

Hier volgt een origineel ( dus niet vertaald) spelletje voor de lagere klassen, waarmee je het natuurlijk ook kunt proberen op te voeren. Halfverwege klas 2, bijv. – het hangt er natuurlijk vanaf hoe ‘ver’ je klas is.

SLEEPING BEAUTY    A Play for the First Grade

This little fairy tale play was written by Mrs. Birdsall who is a pioneer in Waldorf School education and one of the first teachers of our school. At present* she is the librarian at the Kimberton Farms School. Sleeping Beauty has been used several times by first-grade teachers successfully. It is being given by Miss Paulsen’s first grade in the 25th Anniversary Assembly.

Scene I — In A Garden

Enter Queen:
Oh, would I had a daughter fair
With eyes of blue and golden hair.

Enter Frog:
Your wish, dear Queen,
shall be fulfilled,
For so, in truth,
the gods have willed.
A daughter shall be born to you
With golden hair and eyes of blue.

Frog hops off stage, and happy Queen exits skipping.

Scene II — In Palace Hall

King and Queen enter, followed by nurse with baby and all the fairies.

King:
Dear friends, we come together here
To give our thanks and make good cheer.
A daughter, beautiful to see
Has come to bless my Queen and me.

Queen:
Come fairies all, and wish your best
In order that my child be blest.

Fairies come forward to give their gifts.

First fairy:
Dear babe, I give you beauty rare
As roses in the summer air.

Second:
And I bring wisdom,

Third:
goodness too,
Let us bestow, dear babe, on you.

Fourth:
And I bring grace: where ’er she treads
The flowers scarce will bend their heads.

Fifth:
I give you health. Grow straight and strong
And walk your pathway with a song.

Sixth:
May riches also be your part.

Seventh:
And may you have a loving heart.

Eighth:
May truth attend you on your way,

Ninth:
And happiness be yours each day.

Tenth
May you have many, many friends,

Eleventh:
And peace be yours till your life ends.

Bad Fairy enters:
My gift is very quickly told,
For when the child’s fifteen years old,
A spindle shall her finger prick.
The princess shall fall dead so quick
Not all your gifts can help her then.
She ne’er shall live or breathe again. (Exit)

Good Fairy
Alas! I cannot quite undo
This cruel wish that’s come to you.
She shall not die, so spare your tears,
She shall but sleep one hundred years.                           (All exit)

Scene III — The Tower

Old woman:
Spin, spin the princess doom,
The princess comes, so soon, so soon.

Princess enters:
I wonder what is in this room.
I think I’ll see.

Old woman:
Come in, my dear.

Princess:
Good day, little mother.

Old woman:
Good day, fair child.

Princess: What do you do with this soft, white stuff?

Old woman:
Spinning, fair child, to get thread enough.

Princess:
And what is this thing spinning round so gay?

Old woman:
A spindle; my dear.

Princess:
Then teil me, pray,
If I may not hold it, mother dear?

Old woman:
Surely you may and have no fear.

Princess pricks finger, falls on couch. Old woman leaves with an evil laugh.

Scene IV — Before Hedge of Thorns

Hedge:
The hedge of thorns are we,
As you can plainly see.
One hundred years have passed.
The prince comes, at last!

Prince gallops in:
The hedge of thorns I do not fear.
I vow I’ll wake the princess dear.

(strikes hedge which falls apart).

Ah, what vision rare is this!
*Tis she! I’ll wake her with a kiss.
Sleeping Beauty, rise.
Open now thine eyes!

Princess:
Ah, my prince,
I dreamed of you!

Both:
And now our dream has all come true!

King and Queen enter and kiss the princess. Grand procession of all characters follows.

Virginia F. Birdsall, datum onbekend
THE RUDOLF STEINER SCHOOL ASSOCIATION 15 East 79tb Street, New York 21, N. Y.
President: Frances Walling Treasurer: Anne Barnes
Vice President: Margaret C. Wesson Editor: Christy Barnes
Secretary: Ellen Kitchen and Virginia E. Paulsen
Membership in the Association, including the quarterly Bulletin, is $2.00 per year. Singles copies of the Bulletin, 25c each.
.
1292-1206

.

.

VRIJESCHOOL – Rekenliedjes

.

Vanuit menskundige aspecten kan rekenen makkelijk worden verbonden met ‘ritme’ – in zekere zin dus: met muziek. In onderstaand artikel vind je interessante gedachten over de toepassing van muziek bij het rekenen. Door de kennis van het mensbeeld dat de basis vormt van de vrijeschoolpedagogie zul je wellicht hier en daar tot andere conclusies en aanpak komen, maar het is altijd goed te onderzoeken hoe waardevol de vindingen van anderen (kunnen) zijn.

Rekenliedje!

Hoe kun je elf paardebloemen eerlijk verdelen?

Pabo-docente Marjolein Kool heeft de teksten geschreven voor een cd met rekenliedjes voor groep drie. De liedjes zijn prima te gebruiken als aanvulling op een rekenmethode.

“Met de cd kun je bij rekenen en wiskunde meer doen dan alleen de methode volgen”, zegt Marjolein Kool. “Het maakt het rekenonderwijs gevarieerder.” Kool geeft* aan de pabo Domstad in Utrecht les in de didactiek van rekenen en wiskunde. En ze is hoofdredacteur van Willem Bartjens, een tijdschrift voor reken- en wiskundeonderwijs op de basisschool. Kool is ook nog dichteres. Samen met drs. P heeft ze het gedichtenboek Wis- en natuurlyriek geschreven. “Als aardigheidje tussendoor worden de gedichten nog wel eens gebruikt in de wiskundelessen in het voortgezet onderwijs.”

Rondje rekenliedjes heet de cd met liedjes over tellen van hoeveelheden, terugtellen van tien naar nul, splitsen, delen en passen en meten. Optellen en aftrekken en sommen bedenken ontbreken natuurlijk niet. Anneke Noteboom, die werkzaam is bij het instituut voor leerplanontwikkeling SLO heeft samen met Kool de onderwerpen voor de cd bedacht en een handleiding met lessuggesties geschreven. In de docentenhandleiding staat een schema op welk moment de liedjes bij de verschillende rekenmethoden kunnen worden gebruikt. Voor de leerlingen is er een speel-rekenboek met allerlei aanvullende opdrachten. “Hoewel de melodie soms wat moeilijk is, pakken de kinderen de liedjes zo op”, zegt Kool. Leuke bijkomstigheid voor de kinderen is dat Frank Groothof uit Sesamstraat de liedjes zingt.

Superwonderbril
In ieder liedje zit een moeilijkheid of een conflict verwerkt waardoor kinderen aan het denken worden gezet. In het Verjaardagslied moeten twee jarige dieren elf paardebloemen met zijn tweeën verdelen. Kool: “Wij hadden bedacht dat de oplossing van de kinderen zou zijn een bloem teruggeven of een bloem doormidden breken. Maar waar komen ze op? We zetten ze bij elkaar in een vaas en dan kunnen de dieren er samen van genieten.” Bij de Superwonderbril wordt een aantal munten over twee handen verdeeld. De ene hand gaat open en daar liggen drie muntjes. Hoeveel zitten er in de hand die gesloten is? Kan ik dat zien met de superwonderbril? “Intussen zijn de leerlingen allerlei splitsingen van getallen aan het leren”, zegt Noteboom. “Bij kleine aantallen heb je grotere kans dat kinderen die minder rekenvaardig zijn ook mee kunnen komen. Wat je hierbij ziet is dat de kinderen aan elkaar gaan uitleggen hoe het zit.” Als je aan leerkrachten van groep drie vraagt waar ze in de reken- en wiskundeles met de kinderen mee bezig zijn, noemen ze meten en meetkunde meestal niet. “Dat onderdeel vinden leerkrachten moeilijk en dan heb ik het niet alleen over de leerkrachten van groep drie. Als ze even in tijdnood komen, slaan ze meetkunde over.” Bij Wat past er in mijn schoenendoos gaan de kinderen voorwerpen vergelijken op basis van lengte, breedte en hoogte. Bij het Schaduwlied worden de kinderen geconfronteerd met schaduw als meetkundig fenomeen. Kool: “Hoe zit het met je schaduw als je onder een lantaarnpaal door loopt, daar kun je het dan met ze over hebben.”

Bij de Stoelendans leren de kinderen ruimtelijke begrippen toe te passen. Aan de orde komen begrippen als eromheen, rechts, andersom, erop en omhoog. Bij Springen komen even en oneven getallen aan bod Kool: “Als ze het niet snappen geeft dat niet, want ze hoeven het niet direct te snappen: Bij deze twee liedjes moeten de kinderen ook in beweging komen.

De tafels
Op het tweede deel van de cd staat alleen de muziek van de liedjes en kunnen de kinderen met elkaar nieuwe sommen of telrijen bedenken. Op de basisschool waar de cd is uitgeprobeerd gebeurde dat vol overgave. Voor leerkrachten die zelf willen musiceren is de bladmuziek van de reken-cd te downloaden via http://www.zwijsen.nl. Van leerkrachten krijgen Kool en Noteboom de vraag om een cd over de tafels te maken. Er is al een cd op de markt waar met housemuziek op de achtergrond de tafels worden opgezegd. Kool: “Wij willen het op een andere manier aanpakken, bijvoorbeeld met vermenigvuldigstrategieën als uitgangspunt. Zoals verwissele als je 5 x 6 weet, weet je 6 x 5 ook. En een keer minder: als je 10 x 8 weet, kun je 9 x snel berekenen.” De tafel-cd, die meer onderwerpen dan vermenigvuldigen zal bevatten, wordt voor groep vier.

Meetlied
Ik wilde wel eens weten:
Hé, hoe lang is onze gang?
Ik heb hem opgemeten.
Hij was dertien stappen lang.

Dat wilde ik noteren,
maar toen zei de meester: ‘Wacht,
laat mij het eens proberen.’
En bij hem was het maar acht!

Schaduwlied

Ik sliep laatst als een roosje
in de schaduw van een boom.
Toen werd het na een poosje
alsmaar warmer in mijn droom.

Het zonnetje daarboven
scheen weer helemaal op mij.
De schaduw was verschoven.
Of deed jij de boom opzij?

Knikkerlied
Alle knikkers willen rollen.
Hoeveel zijn het er deze keer?
Ikke negen, Robin één en samen
is dat tien meneer.

Robin wint het eerste potje.
Robin krijgt er eentje meer.
Ikke acht en Robin twee en
samen is dat tien meneer.

Tineke Snel in Het Onderwijsblad *05-04-2003
(Overname met toestemming van de Aob)

Rekenen: alle artikelen

1291-1205

.

.

VRIJESCHOOL – Rekenen – over getallen

.

GETALLEN

Wie een getal onder de tien moet raden, bijvoorbeeld om het ene overgebleven taartje te mogen verschalken, kan het best drie of zeven zeggen. Want dat zijn de getallen die het meest genoemd worden als mensen naar hun lievelingsgetal wordt gevraagd.

Dat er met deze getallen wat aan de hand is, weet zelfs een kind. Want ze figureren veelvuldig in sprookjes en kinderrijmpjes: De drie kleine kleutertjes op een hek, de wolf die zeven geitjes oppeuzelt of de zeven kikkertjes in een boerensloot.

Psychologe drs M. Milikowski promoveert volgende week vrijdag* aan de
Universiteit van Amsterdam op een onderzoek naar de manier waarop mensen omgaan met de getallen één tot en met honderd. Niet alleen vroeg ze proefpersonen naar hun lievelingsgetal en naar de associatie die ze bij een getal hebben, ook onderzocht ze met welke getallen het gemakkelijk rekenen is en met welke moeilijker.

Als schoolkinderen wordt gevraagd hoe lang een trein over één rondje doet als hij er tien in 30 minuten aflegt, dan geven ze snel het juiste antwoord. Maakt de trein echter twaalf rondjes in 84 minuten, dan levert het antwoord heel wat meer hoofdbrekens op.

Milikowski vroeg zich af, of valt te voorspellen welke sommen het gemakkelijkst te maken zijn. Of er in de hersenen een soort opslagmechanisme is waardoor dicht bij elkaar liggende getallen ook veelvuldiger met elkaar worden geassocieerd.
Daarvoor deed ze associatie-experimenten, zoals ook in de taalkunde worden gedaan. Een proefpersoon zegt bijvoorbeeld in meer dan vijftig procent ‘zwart’ als hij ‘wit’ op een beeldscherm te lezen krijgt. Milikowski vroeg haar proefpersonen associaties bij getallen te maken. Hoog – maar nooit boven de 50 procent – scoorden bijvoorbeeld de paren 59-60, 70-7, 9-3, 25-5 en 100-10.

De associaties bleken overigens niet wederkerig. Het aantal mensen dat 3 zegt als het 9 ziet bijvoorbeeld, is bijna twee keer zo groot als zij die de associatie 9 krijgen als ze 3 zien. Ook wordt het cijfer twee onevenredig vaak als associatie genoemd, terwijl het aantal associaties dat men bij twee krijgt, niet boven het gemiddelde uitstijgt.

Milikowski constateert dat er grote verschillen zijn tussen verschillende categorieën van getallen, als ze kijkt naar de frequentie waarin ze in associatie-experimenten worden genoemd. De enkelvoudige getallen, de cijfers 0 tot en met 9, worden veruit het meest genoemd, gevolgd door de tientallen. Daarna komen de getallen die deel uitmaken van de tafels van vermenigvuldiging en tenslotte de getallen die geen deel uitmaken van deze tafels.

Ook bij het onthouden van getallenrijen scoren de eencijferige getallen en de tientallen het best. Verder blijken proefpersonen 59 en 41, gevraagd naar het gevoel dat ze erbij hebben, heel vervelende getallen te vinden en ze worden ook slecht onthouden. Maar de kroon spant 67. Dat moet wel het rotste getal op aarde zijn, want mensen blijken het niet alleen een ‘naar’ getal te vinden, ze weigeren ook het te onthouden als het in een rijtje voorkomt.

Het is misschien een beetje raar om mensen te vragen welk gevoel ze bij een getal krijgen, en Milikowski moest constateren dat een aantal proefpersonen dacht dat ze gek was, maar toch blijken mensen sympathie of antipathie voor bepaalde getallen te hebben. Denk alleen maar aan het getal dertien, waarvan velen menen dat het ongeluk brengt.

Op de schaal ‘goed-slecht’ scoren vooral de even getallen goed (met 10 en 100 als.absolute toppers) en de oneven getallen slecht (met 67 en 53 als slechtste). Verder worden 87 en 83 als ‘zware’ getallen beschouwd en 22 en 4 als ‘lichte’. En 13 en 19 vonden Milikowskis proefpersonen ‘opwindend’; 80 en 82 juist ‘kalm’.

Achteraf kwamen sommige proefpersonen met hele ontboezemingen over wat ze bij diverse getallen voelden. 7 is geen goed getal voor mij, vertelt één van hen. ‘Het is onvriendelijk, net als 11.’

Een ander over het getal 13: ‘Het is een ongeluksgetal. Ik geloof er niet zo in, maar… Het is ook een priemgetal en 13, geen goede leeftijd ook.’

Dat getallen worden geassocieerd met gevoelens uit het dagelijks leven en dat ze een rol spelen in de interpretatie daarvan is ouder dan de weg naar Rome. Bij de Babyloniërs was zeven het aantal delen waaruit alle volkomen dingen bestonden. Er waren zeven hemelen, zeven afdelingen van de onderwereld met zeven poorten.

OOK IN DE BIJBEL speelt zeven, als teken van volmaaktheid, veelvuldig een rol. De Schepping duurde niet voor niets zeven dagen en Joshua moest op de zevende dag, zeven keer om de stad Jericho trekken terwijl zeven priesters op zeven ramshoorns bliezen.

Dertien* geldt als ongeluksgetal: er is geen dertiende rij stoelen in vliegtuigen, vaak missen hotelkamers 13 en in flatgebouwen wil ook nog wel eens de dertiende etage ontbreken. En over het onheil dat ons op vrijdag (de dag waarop Jezus werd gekruisigd) de dertiende kan overkomen, kunnen we beter zwijgen.

Het bijgeloof in het getal 13 hangt in de Westerse wereld samen met het laatste avondmaal van Jezus waaraan dertien personen deelnamen. Judas verlaat als eerste de tafel en zal ook als eerste sterven nadat hij Jezus verraden heeft. Dertien wordt daarom ook wel het Judasgetal genoemd. In Nederland herinneren de gezegden ‘De dertiende man brengt de dood an’ en ‘Dertien aan tafel, morgen één dood’, nog aan die betekenis. In het Midden-Oosten is dertien ook een ongeluksgetal. Het is immers één meer dan twaalf, het getal dat aansluit bij de verdeling van het uitspansel ïn sterrenbeelden.

Tot in de Middeleeuwen was dertien onder Christenen in Europa echter juist een geluksgetal. Het was immers een combinatie van tien (de tien geboden) en drie (de heilige drieëenheid). In de kabbalistiek – waarin op grond van onder meer de getalswaarde van de (Hebreeuwse) letters inzicht wordt gekregen in God en zijn verhouding tot mens en wereld – is dertien ook een geluksgetal. En ook op andere plekken in Joodse geschriften komt dertien naar voren als een getal van verlossing.

De Christelijke leer heeft heel wat getallen een betekenis gegeven. De 1, ondeelbaar, werd het symbool van God, 3 de drieëenheid, 7 en 12 zijn heilige getallen omdat ze de drieëenheid combineren met de vier elementen (water, lucht, aarde, vuur): 3 + 4 en 3 x 4. Het getal 10 staat voor de Christelijke volmaaktheid, terwijl het getal 11 de onmatigheid en de zonde symboliseerde.

De Griekse filosoof Pythagoras (zesde eeuw voor Christus) en zijn volgelingen brachten de getallensymboliek bij uitstek in praktijk. Elke scholier kent de stelling van Pythagoras over de rechthoekige driehoek waarin de lengte van de schuine zijde de wortel is van het de som der kwadraten van de rechte zijden  (c2=a2+b2).

Net zoals deze stelling een belangrijke bouwsteen werd van de meetkunde, hebben andere ideeën van de meester en zijn discipelen religie en literatuur beïnvloed. Voor Pythagoras draaide alles om orde en regelmaat. Hij zou hebben ontdekt dat de intervallen op de muzikale toonschaal zich verhouden als 1:2, 2:3 of 3:4, waarmee de eerste vier gehele getallen uit de wiskunde worden vastgelegd.,

Hij en zijn volgelingen bouwden deze gedachte uit en concludeerden ten slotte dat alles in het universum te meten is met gewone gehele getallen. Zij waren buitengewoon gefascineerd door even en oneven getallen, waarmee ze de wereld indeelden. De oneven getallen behoren tot de rechter zijde en ze hangen samen met de beperking, het mannelijke, rust, eerlijkheid, licht en goedheid en – in meetkudige zin – het vierkant.

De even getallen behoren toe aan de linker zijde; het oneindige (want ze zijn oneindig deelbaar), het vrouwelijke, beweging, oneerlijkheid, donker en kwaad en de rechthoek. Dit contrast tussen even en oneven, tussen het ondeelbare (God) en het oneindige, heeft een belangrijke rol gekregen in het volksgeloof en in theologische speculaties.

Plato bijvoorbeeld, zag in alle even getallen slechte voortekens. In tegenstelling tot de hedendaagse proefpersonen van Milikowski die de even getallen juist als positief waarderen.

Pythagoras introduceerde ook het perfecte getal, waarvan de componenten bij elkaar opgeteld weer het betreffende getal leveren. Zes is het eerste perfecte getal (1+2+3=6) en 28 het volgende (1+2+7 + 14=28). Inmiddels zijn er 23 van zulke perfecte getallen ontdekt. Zes is zelfs een dubbel perfect getal want ook 1 x 2 x 3 levert 6 op.

‘In de structuur van de wiskunde zit iets bovenmenselijks’, verklaart emeritus-hoogleraar wiskunde prof.dr F. van der Blij, de vroege drang van de mens tot getallensymboliek. ‘Het is een manier om de onzekerheid van het leven een zekerheid te geven.’

Van der Blij meent dat veel wiskundigen denken dat de wiskunde een ontdekking is van ideeën. De aantrekkingskracht van wiskunde zit ook in de oneindigheid. Er is altijd een getal te bedenken dat groter of kleiner is. ‘Vroeger geloofde men in de eindigheid der dingen, maar de wiskunde heeft dat denken op z’n kop gezet.’

Over de bijzonderheid van bepaalde getallen, moet wiskundige Van der Blij een beetje lachen. Alle getallen zijn bijzonder, is zijn stelling. Want het eerste getal dat niet bijzonder is, is juist daardoor ook weer speciaal, waardoor het volgende getal het eerste niet-bijzondere getal wordt, enzovoort.

Van der Blij vergelijkt het tellen en het toekennen van getallen aan gebeurtenissen met de eerste grottekeningen van de primitieve mens. Door hun tekening – wellicht gebruikt voor de jacht of in de magie – kregen ze macht over wat ze waarnamen. ‘Ook als je het kunt tellen, heb je er macht over’, stelt Van der Blij.

In veel primitieve culturen – vooral onderzocht aan het eind van de vorige eeuw, begin van deze eeuw – is de bevolking gezegend met drie telwoorden: één, twee, veel. Andere maken bij het tellen combinaties. De Braziliaanse Bakaïri-indianen zeggen tokále als ze één bedoelen en aháge voor twee. Vijf is bij hen
aháge-aháge-tokále.

Het is niet verwonderlijk dat bij veel natuurvolken 5 vaak met ‘hand’, 10 met ‘beide handen’ en 20 met ‘mens’ (inclusief de tenen) wordt aangeduid. De Groenlandse Eskimo zou, volgens de in 1947 gehouden oratie van dr J. Popken tot hoogleraar aan de Univeriteit Utrecht, het getal 53 hebben uitgedrukt als ‘aan de derde man aan de eerste voet drie’, Wat betekent dat men eerst vingers en tenen van twee mannen moet aftellen daarna de vingers van een derde man en vervolgens drie tenen van diens voet.

In de moderne samenleving gebruiken we zonder aarzelen getallen, waarvoor handen en voeten absoluut te kort schieten. Van bijvoorbeeld de lezer van een krantenartikel wordt verwacht dat deze een miljoen, miljard of zelfs biljoen nog kan bevatten.

Onderzoekster Milikowski vraagt zich af of zulke getallen nog wel kunnen worden onthouden. Daarvoor gaat zij, inmiddels werkzaam bij de afdeling publieksstudies van de Universiteit van Amsterdam, onderzoeken hoe getallen het best kunnen worden gepresenteerd aan argeloze krantenlezers.

Heeft het bijvoorbeeld zin om te schrijven dat 1.123.000 Nederlanders de film Schindlers List hebben gezien? Denkt de lezer dan: ‘heel veel’ mensen hebben de film gezien, of rondt hij of zij het aantal kijkers automatisch af op ruim een miljoen? En hoe kunnen getallen het best gepresenteerd worden: cijfers of letters?

Misschien wel het best als symbolen, zoals de Maya’s in Latijns Amerika deden of de Pythagoreeërs met hun geometrische figuren. Want het menselijk brein is nu eenmaal beter in staat om figuren en symbolen te onthouden dan cijfers. Een wereldbol zou kunnen staan voor vijf miljard, een voetbalstadion voor tienduizend. Maar wat moet je dan antwoorden op de vraag: ‘noem-es ’n symbool onder een voetbalstadion?’

Maarten Evenblij, Volkskrant *21-10-1995

.

*Accipicchia, o jee, vrijdag de 17′! Veel Italianen zullen die dag nog eens extra over hun malocchio-hangertje wrijven. Het getal 17 brengt in Italia namelijk ongeluk. Het is niet helemaal duidelijk waarom dit zo is. Een verklaring luidt dat het te maken heeft met de schrijfwijze in Romeinse cijfers. 17 wordt met deze cijfers namelijk als XVII geschreven. In de middeleeuwen, toen Italiaanse volkeren voornamelijk dialect spraken en er veel analfabetisme was, verwarden ze xvii en vixi. Het laatste betekent in het Latijn ‘ik heb geleefd’, en werd veel op graven van overledenen geschreven. Vandaar dus dat het getal 17 in Italia met de dood wordt geassocieerd, en dus vermeden moet worden.

Dat verklaart ook meteen waarom de Renault 17 in Italia R177 heet, en waarom de vliegtuigen van Alitalia geen stoelnummer 17 hebben. Het bijgeloof gaat soms zelfs zo ver dat in sommige straten huisnummer 17 wordt overgeslagen. Nummer 16 wordt dan gevolgd door 16a en daarna komt 18. Zo omzeil je het ongeluk!

(calendria italiana)

.

Milikowski over: discalculie

Rekenen: alle artikelen

1290-1204

.

.

VRIJESCHOOL – Een schoolboekje

.

UIT DE KINDERJAREN VAN HET SCHOOLBOEKJE

In 1836 werd een boekje, het „Nommerkransje”, uitgegeven als een van de eerste pogingen het leren rekenen voor de kinderen aantrekkelijk te maken.

‘Nut en vreugde’ te bieden was het doel van het Nommerkransje, een van de eerste boekjes waaruit de Nederlandse kinderen leerden tellen en rekenen….

De inhoud van de boekjes uit het begin van de negentiende eeuw varieerde van zoetsappig braaf tot het meest verbazingwekkende realisme: de beschrijving van de drie doodgeschoten haasjes doet óns haast wellusitg aan!


Een voorbeeld van het zoetsappig brave: stille Piet waagt zich niet ‘roekloos’op het ijs en de schrijver noemt dat maar een wijze daad!


Het Nommerkransje werd uitgegeven in 1836: in die tijd was het algemeen gebruik dat de kinderen tijdens de maaltijden aan tafel stonden – kijkt U maar ; tien en een is elf’.


Kennelijk was de verjaardag van de koning toen een even groot feest als koninginnedag nu: dankbaar maakte de schrijver gebruik van die feestelijkheden voor een van zijn sommetjes.

Tachtig leerlingen, twee onderwijzers: wat dit betreft is er niet zoveel veranderd in al die jaren…..

Mijn spelen is leren,
mijn leren is spelen,

En waarom zou mij dan
het leren vervelen ?

Het lezen en schrijven|
verschaft mij vermaak.

Mijn hoepel, mijn priktol
verruil ik voor boeken;

Ik wil in mijn prenten
mijn tijdverdrijf zoeken,

’t Is wijsheid, ’t zijn deugden,
naar welke ik haak.\

HET VROLIJK LEEREN.

De regels hierboven schreef Hieronymus van Alphen bijna twee eeuwen geleden in zijn kindergedichtje „Het vrolijk leren”, en daarmee luidde hij voor het Nederlandse kind een tijdperk in waarin het lezen en leren veel aantrekkelijker werden dan voordien het geval was. Van Alphens bundel Proeve van kleine Gedigten voor Kinderen, die in 1778 verscheen bij de weduwe Jan van Terveen te Utrecht, was het eerste Nederlandse kinderboek dat niet uitsluitend ten doel had de kinderen te stichten en iets te leren, maar bovendien enig vermaak en een prettige ontspanning beoogde. Als zodanig was de bundel het begin van de Nederlandse kinderliteratuur.

Bijna alles wat voor die tijd voor kinderen in druk was verschenen, was niet erg op de „lieve kleinen” afgestemd: leerboekjes over de godsdienst, de deugden, het rekenen, spellen en lezen. Hun inhoud was meestal dor, zakelijk en miste de kinderlijke toon. Onder Duitse invloed was Hieronymus van Alphen in ons land de eerste die wél de kinderlijke toon benaderde. Het succes van zijn in 1778 verschenen dichtbundeltje was enorm. In datzelfde jaar beleefde het vier herdrukken, binnen drie jaar elf, en doordat Van Alphens initiatief onmiddellijk navolging vond, ontketende hij daarmee een ware lawine van kinderboeken, waardoor hun aantal in een jaar of vijf van nul tot vele honderden steeg….

In het begin van de vorige eeuw had Nederland al zó’n omvangrijke productie van kinderboeken, dat deze, gerekend naar het aantal titels per jaar, waarschijnlijk weinig voor die van tegenwoordig onderdoet. Het waren in vele gevallen beeldige boekjes, formaat als van een pocketboek of kleiner, voortreffelijk gedrukt en prachtig geïllustreerd met kopergravures of houtsneden.

De inhoud ervan varieerde van zoetsappig braaf tot het meest verbazingwekkende realisme. Op het gebied van ziekten en en dood, sociale toestand en sex, had men nauwelijks geheimen voor kinderen. Vaak werd gewezen op de broosheid van het menselijk bestaan. Als een meisje haar broertje opwekt ook blij te zijn, te dansen, te zingen en springen, antwoordt Pietje:

Neen, al ben ik klein,
Licht kan mij op heden
Nog de dood vertreden.
Zou ik dan zo dartel zijn?

KOSTELIJKE LEER- EN LEESBOEKJES

Het leren lezen en spellen was honderden jaren lang een nogal saaie, moeizame aangelegenheid geweest. Pas tegen het einde de achttiende eeuw kwam daar verandering in toen pioniers Nieuwold en De Perponcher opmerkelijk frisse en aantrekkelijke lees- en leerboekjes publiceerden. Treffend is bijvoorbeeld een dialoog tussen een moeder en kind in Nieuwolds boekje met de veelzeggende titel: Wij zijn kinderen met elkanderen, ik ben er ook bij:

De Moeder. Maar wat doet gij wanneer gij slaapt ?
Het kind. Dan sluit ik mijne oogjes toe.
De Moeder. Hoe sluit gij uwe oogjes toe?
Het kind. Met de oogleden.
De Moeder. Die oogleden zijn evenals kleine gordijntje; dies kan men ophalen, en neder laten vallen.

In onze ogen minder kinderlijk is wat we lezen in Nieuwolds boekje voor de eerste klas van de lagere school:

„Frans-man! Wees hups,
heus en kuis; niet wulps!’

Zeer origineel en raak zijn de schoolboekjes van De Perponcher, waarvan wij hier een bladzijde verkleind weergeven.

Hierbij vergeleken is de bestseller van N. Anslijn, De brave Hendrik, eigenlijk een achteruitgang:

„Kent gij Hendrik niet, die altijd zo beleefd zijnen hoed af neemt als hij voorbijgaat? Vele mensen noemen hem de brave Hendrik, omdat hij zo gehoorzaam is, en omdat hij zich zo vriendelijk jegens ieder gedraagt. Hij doet nooit iemand kwaad. Er zijn wel kinderen die hem niet liefhebben. Ja, maar dat zijn dan ook ondeugende kinderen. Alle brave kinderen zijn gaarne bij Hendrik. Kinderen, die met Hendrik omgaan, worden nog braver, want zij leren van tem, hoe zij handelen moeten ”

Wat ons van die spreekwoordelijk geworden „Brave Hendrik” toch wel weer meevalt, is dat uit het vervolgdeeltje blijkt dat Hendrik ,ene vriendin” heeft: Maria.

Gij kent zeker deze Maria wel. Het is dat meisje, hetwelk altijd zo zindelijk in de kleren is.”

In Gezondheidslessen en -regelen voor de kinderlijke leeftijd,
uitgegeven door de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, lezen we ter waarschuwing tegen koud drinken:

Een braaf en bevallig meisje, op ene danspartij wat al te veel bezweet geworden zijnde, had de onvoorzichtigheid om, ter lessing van hare dorst, de bierkan aan hare mond te stellen, en met volle teugen daaruit te drinken. Ogenblikkelijk ontwaarde zij daarvan de zo dodelijke uitwerking. Haar gezicht werd verduisterd, haar gelaat opgezet en blauw; ene duizeling greep haar aan, zij viel neder en was binnen enige ogenblikken een lijk!

Datzelfde boekje voor kinderen bevat een hoofdstuk onder de titel „Vlied den wellust” — dermate schokkend realistisch dat vele lezers zouden protesteren als we het in Margriet zouden afdrukken!

HET MOOIE ABC
D kennis van het ABC opent de toegang tot de wereldliteratuur. Wat begon met het ABC-bordje, bestaande uit een plankje of kartonnetje met handvat en daarop een perkament of papierblaadje, tegen slijtage en vuil beschermd door een doorzichtig hoornblaadje en een koperen lijstje, ontwikkelde zich tot ABC~boekjes, die soms openden met de afbeelding van een haan, bijvoorbeeld onder het motto:

’s Morgens de haan
zijn ijver bewijst.

Leert, jonge jeugd,
dat men u ook zo prijst.

Dergelijke „Haneboeken” werden lange tijd bij het onderwijs gebruikt. In de 26ste druk anno 1819 van zo’n haneboek lezen we:

Een kind, dat goed leert,
Niet vloekt en niet zweert,
Dat graag naar school gaat,
Dat niet te veel praat,
Dat tot Gods eer leeft,
Dat naar Zijn wet streeft,
Hem met zijn hart mint,
Dat is een braaf kind.

Betje Wolff noemde dergelijke versjes terecht „dweperachtige zotternijen”. Gelukkig kwamen er ABC-boekjes met pittiger versjes, waarvan het bekendste werd:

A is een aap-je,
dat eet uit zijn poot.

B is de bak-ker,
die bakt voor ons brood.-

Ook voor het leren van de cijfers en de getallen kwam men tot steeds aantrekkelijker boekjes, zoals Niets is nul, waarvan wij hier een aantal pagina’s reproduceren. Grappig is hierin Jans antwoord op Trijns vraag waar hij heen gaat: „’k ga, mijn lieve Trijn, waar vrouwen niet nieuwsgierig zijn”

Vele boekjes met kopergravures werden met de hand gekleurd — met waterverf in grote gezinnen, waarbij de kinderen meehielpen. Tot de fraaiste exemplaren op dit gebied behoort het Nommerkransje door J. F. L. Müller, dat in 1836 werd uitgegeven door Joh. Guykens te Amsterdam — op de bladzijden hiervoor volledig gereproduceerd — waarvan het volgend jaar bij de uitgeverij J. M. Meulenhoff een facsimile-herdruk verschijnt, naar ik hoop tot veler genoegen.

Leonard de Vries, in het weekblad Margriet, nadere gegevens onbekend

.

Schrijven: alle artikelen

.
Rekenen
: alle artikelen 

1289-1203

.

.

VRIJESCHOOL – Leerproblemen (3-1)

.

DYSCALCULIE

Het mysterie van de dyscalculie

Mensen met dyscalculie zijn interessant.
Neem Stanley, die de tafels niet kan leren. Hoeveel was 6 x 6 ook weer? Vorige week wist hij het nog, maar nu niet meer. 54? 32? 38? 50? Maar als ik hem vraag naar de maten van een klasgenoot – ook vorige week bepaald – weet hij ze nog precies: 55 kilo en 159 centimeter.

Of neem Omar. Als ik hem uitprobeer op het leren van de tafel van 12 geeft dat nuL resultaat: geen enkel product is goed. Maar als ik hem, op dezelfde manier, acht leeftijden van zes familieleden, hun huis en hun poes laat leren reproduceert hij die getallen feilloos, alle acht. Hoe oud was de poes ook weer? 19. En het huis? 104. En de moeder? 56. No problem.

Waarom vindt 2 x 12 niet zijn plek, maar de leeftijd van 23 wel? Dat is het raadsel van de dyscalculie. Althans: een van de raadsels.

Laten we eerst eens zien wat er gebeurt als kinderen leren rekenen. Ze moeten een nieuw systeem gaan leren.
Een, twee, drie, vier, vijf – elk aantal is verschillend, en heeft behalve een eigen naam en een eigen symbool ook zijn eigen karakteristieke betekenis. Dat gaat zo door tot tien, waarna patronen zich naar vorm en inhoud beginnen te herhalen. De bedoeling is dat je voor de betekenis achter die namen en symbolen een zekere waardevastheid ontwikkelt en de meest markante patronen soepel leert gebruiken. Mensen met dyscalculie missen, zo lijkt het, de ankers die getallen in het geheugen op hun plek moeten houden. Wat was dat ook weer, 9? Even tellen. O ja, daar is hij. De waardebepaling wil maar niet beklijven, zelfs niet in het gebied tot 10, waarin anderen inmiddels blindelings de weg weten. Dat biedt geen goed uitgangspunt voor het vastleggen van de regelmaat in het systeem.

Er is dus tussen dyslexie en dyscalculie een belangrijk verschil. Het leesprobleem van dyslectici is niet inhoudelijk. Als de tekst wordt voorgelezen, snappen ze hem prima. Hun probleem zit hem in de vertaling van letters in klanken – die is niet nauwkeurig genoeg.
Mensen met dyscalculie hebben wel een inhoudelijk probleem. Het is de betekenis van de getallen die zij niet goed op orde krijgen.

De langzaamste
Dyscalculie is een omstreden begrip, om een aantal redenen. De eerste is dat elke vaardigheid goede en slechte beoefenaars kent. Ik bijvoorbeeld kan niet zuiver zingen; het onthouden en reproduceren van een melodie kost me meer moeite dan menig ander. Maar ben ik daarom meteen een dys-? Laat een klas hardlopen en sommigen sukkelen steevast achteraan. Moet je dat nou een stoornis noemen?
Op elke taak heb je goeden, middelmatigen en slechten, dat is de consequentie van het vergelijken. Iemand moet nu eenmaal de langzaamste zijn. Dus waarom zou je iets normaals als zwakker kunnen rekenen dan anderen, een bijzondere naam moeten geven? Die redenering klopt, maar ze houdt geen rekening met de omstandigheden. Als ik niet zuiver hoor en zing, heeft dat weinig consequenties. Maar stel je eens voor dat ik verplicht elke ochtend een uur lang van blad zou moeten zingen, halve noten correct raken, tweede stemmen improviseren. Dan mocht ik toch willen dat iemand op het idee kwam om mij tot dys- te verklaren. Dan zouden ze moeten zeggen: doe met haar maar een simpele liedje. Of geef haar een piano, die weet tenminste hoe een bes klinkt.

Rekenen lijkt daarop. Het vereist een steeds beter gestemd intern klavier. En sommige mensen krijgen dat stemmen maar niet behoorlijk voor elkaar.

Opvallend gebrek
Het tweede bezwaar tegen de term dyscalculie is dat we niet weten waarop we precies moeten letten. Wat moet iemand nu eigenlijk niet kunnen om dyscalculisch te mogen heten? Dat is inderdaad verre van duidelijk. Elke onderzoeker lijkt weer iets anders op het oog te hebben.

Dat bleek onlangs nog bij een discussie in het rekenblad Volgens Bartjens. Sommige onderzoekers menen dat dyscalculie zich op wel vijf, zes of zeven manieren kan uiten. Het ene kind krijgt de tafels niet in zijn hoofd, het tweede snapt niets van meten, het derde draait de cijfers om en verwart 53 met 35.

Dat kan allemaal een uiting van dyscalculie zijn. Anderen zeggen: Onzin, zolang je geen gemeenschappelijke oorzaak kunt aanwijzen, mag je zulke verschillende problemen niet onder één noemer brengen.

Dat laatste is eigenlijk waar. Om betrouwbaar te kunnen oordelen, heb je een algemeen aanvaard model nodig dat zegt: zo werkt het rekenen, bij dyscalculie werkt deze verbinding of component niet goed, en dat merk je door zwak presteren op taak X. Bij dyslexie heeft men dat aardig voor elkaar. Er is een verklarend model en er zijn taken die deze specifieke stoornis betrouwbaar aanboren. Maar bij dyscalculie zijn we zover nog niet. Toch loop je als rekenonderzoeker tegen verschijnselen aan die roepen om een kwalificatie. Een opvallend gebrek aan number sense, dat hebben sommige mensen echt. En dat heeft verregaande consequenties voor het rekenen. Zo werkte ik vorig jaar met een meisje van elf jaar dat behoorlijk kon leren, prima kon lezen (ze verslond de Harry Potters in hoog tempo), maar niet kon rekenen. Wat mankeerde er dan aan? Ik merkte al gauw dat ze getallen niet kon onthouden als ik ze noemde. ‘Wat zei je ook weer?’ 64. ‘O ja.’ Ze staarde ingespannen in de lucht. ‘Mag ik het opschrijven?’ Dat mocht. Maar waarom was dat nodig? ‘Als ik ga denken over een getal dan wordt het paars in mijn hoofd. Ik denk en ik denk en dan komt er een rookwolk en dan zie ik het niet meer.’ Daarom telt ze op haar vingers, of door kruisjes te zetten op papier.

Wat ze niet goed ‘ziet’ is de betekenis, de waarde, van een getal. Dat bleek toen ze me ging uitleggen wat ze allemaal niet kon. Bijvoorbeeld een som als 80 + 50 loste ze op door 8 en 5 op te tellen tot 13. ‘En dan zet ik er een 0 achter. Maar dat is natuurlijk fout.’ Toen ik zei dat het antwoord goed was, reageerde ze stomverbaasd. En wel hierom:

‘Ik geloofde nooit dat daar over de honderd uit kon komen.’ Als ze op haar intuïtie afging, werd de uitkomst namelijk veel kleiner. ‘Negenenzeventig of zo.’

Met sprongen vooruit
Je kunt op zo’n verschijnsel op twee manieren reageren. Je kunt zeggen: Dat vind ik toch wel dyscalculisch. Je kunt ook zeggen: Dat kind heeft het getallengebied tot 100 nooit op een goede manier leren kennen. Zulke kinderen moeten namelijk de waarden van getallen eerst veel grondiger beleven voor je ze aan de sommen zet.

Die twee reacties zijn allebei valide en sluiten elkaar ook niet uit. Rekenonderzoeker Julie Menne heeft mooie resultaten geboekt met een programma waarin kinderen verschillen in aantal en grootte heel lijfelijk leren snappen: sprongen voor de tientallen, hupjes voor eenheden. Zo springen ze elke dag een tijdje door het gebied tot 100. ‘Met sprongen vooruit’ heet het programma en bij veel kinderen heeft dat blijkens haar onderzoek inderdaad zo gewerkt.
Maar dat sluit niet uit dat er toch zoiets bestaat als dyscalculie. Ook dyslectici kunnen met adequate hulp uitgroeien tot voldoende vlotte lezers, wat niet wegneemt dat ze dyslectisch zijn of waren. Er zijn er ook die ondanks alle hulp en inspanning problemen blijven houden.

Heel lang is gedacht dat rekenen een kwestie was van algemene logische vermogens. Als je goed kon abstraheren, dan moest je wel goed rekenen. Dat was ook de overtuiging van de befaamde theoreticus Piaget: juist in het rekenen, zo meende hij, manifesteerde zich de intelligentie. Daarin kon je het ontluikende abstractievermogen in actie zien.
Die zienswijze is niet langer houdbaar. De cognitieve machinerie waarop onze rekenkunsten zijn gebouwd, blijkt in rudimenaire vorm ook bij andere diersoorten aanwezig zijn. Veel beesten beschikken over ‘number sense’ en menselijke baby’s reageren ook al vroeg op een verschil in aantal. Die ontdekking is geen kleinigheid, want juist dat abstracte getalbegrip leek zoveel intelligentie van de mens te vergen. Nu blijkt dat een geboortegeschenk te zijn dat aan veel soorten dieren wordt uitgedeeld. De logica van meer en minder, van erbij en eraf, is niet door ons verzonnen, maar ingebouwd door de natuur. Hoe zou dat natuurlijke mechaniek er uit kunnen zien? De mooiste uitleg komt van wiskundige en neuropsycholoog Stanislas Dehaene. Wat wij van nature hebben, schrijft hij in zijn boek Number Sense, is een ingebouwde waardemeter voor aantal. Die meter is behoorlijk onnauwkeurig. Hij kan 2 van 3 onderscheiden, en 20 van 30. Maar tussen 6 en 7 ziet hij weinig verschil, en 19 en 20 zijn voor dat instrument één pot nat. Zonder taal en jaren van fine tuning komt het precisiewerk niet van de grond. Maar toch: het beginsel is er. Nu rekenen zo’n specifieke basis blijkt te hebben is het idee van een specifieke rekenstoornis ook plausibeler geworden. Het past veel beter bij de nieuwe optiek dan bij de oude. En als het idee eenmaal bestaat, kun je daar bepaalde waarnemingen bij thuisbrengen. Heel wonderlijk is dat: vroeger zag niemand ooit dyscalculici, nu lijkt iedereen wel een geval te kennen. Je leest erover en je denkt: Aha. Je kunt iets benoemen wat voorheen een raadsel was.

Goede didactiek
Ook de meeste rekenspecialisten aanvaarden tegenwoordig dat dyscalculie bestaat. De discussie gaat over wat het is, hoe je het herkent en, ook niet onbelangrijk, hoe vaak het voorkomt. Sommigen menen dat drie tot zes procent van de kinderen eraan lijdt. Anderen houden het op hooguit enkele promillen. Een glibberig concept is het dus wel. Maar toch: erkend. En dat is een grote verandering.

In zijn in 1992 verschenen en veel gebruikte boekwerk Rekenproblemen hield de Leidse orthopedagoog Ruijssenaars de boot nog nadrukkelijk af. Een primaire rekenstoornis was in zijn toenmalige optiek moeilijk denkbaar, gegeven het abstracte karakter van de rekenkunst. In de nieuwe editie die Ruijssenaars samen met de rekenonderzoekers Van Lieshout en Van Luit vorig jaar heeft doen verschijnen, is dyscalculie zelfs naar de titel van het boek gepromoveerd. Eerst heette het ‘Rekenproblemen’, nu: ‘Rekenproblemen en dyscalculie’. De benadering waarvoor het drietal heeft gekozen komt hierop neer: als een voor het overige normaal functionerende leerling een hardnekkig rekenprobleem heeft, dat niet het gevolg is van een ander mankement (bijvoorbeeld een verstandelijke handicap) en evenmin de schuld is van gebrekkig onderwijs, dan zou je aan dyscalculie kunnen gaan denken.

Zulke mitsen en maren zijn natuurlijk wel nodig. De meeste zwakke rekenaars zijn immers niet dyscalculisch en een goede rekendidactiek haalt menig kind alsnog over de streep.

Marisca Milikowski, Onderwijsblad Aob, nr. 17  8 oktober 2005

Leerproblemen: alle artikelen
.

Rekenen: alle artikelen

.

1288-1202

.

.

VRIJESCHOOL – zintuigen – evenwichtszin (4-2)

.

Van alle zintuigen zijn we ons het minst bewust van de voortdurende invloed van het evenwichtszintuig. We hebben er, net als van de meeste andere zintuigen in ons hoofd, twee en deze zitten, samen met het slakkenhuis van het oor, in het rotsbeen, het hardste bot van de schedel.

Het evenwichtsorgaan is opgebouwd uit drie halfcirkelvormige kanaaltjes die loodrecht op elkaar staan en zo de drie dimensies bestrijken. En, eronder, twee kleine holtes die, net als de kanalen, gevuld zijn met vloeistof die beweegt wanneer het hoofd wordt bewogen. In de holtes bevindt zich het eigenlijke zintuig dat gevormd is uit rechtopstaande haarcellen waarop kleine steentjes liggen, die bewegen als het hoofd van positie verandert. Het ene in het horizontale vlak en het andere in het verticale. De halfcirkelvormige kanalen hebben ook een bolvormige verwijding waar een zelfde soort haarcellen de beweging van de vloeistof oppikken. De kanalen pikken de beweging op van het hoofd en de holtes de stand ervan. De signalen worden samen met de signalen uit de zintuigorgaantjes van de gewrichten en de spieren en de signalen van de ogen onbewust verwerkt in het cerebellum, ofwel de kleine hersenen. Dat is een belangrijk onderdeel van de hersenen dat maar zelden ter sprake komt. Hoewel het maar tien procent uitmaakt van het hersenvolume bevat het wel vijftig procent van de totale hoeveelheid zenuwcellen. De kleine hersenen spelen een hele grote rol in het evenwicht, maar ook bij andere vaardigheden. Welke dat zijn, valt gemakkelijk samen te vatten aan de hand van de symptomen van dronkenschap. Het eerste gebied in de hersenen waar het mis gaat bij alcohol is namelijk het cerebellum. Dat levert evenwichts- en coördinatieproblemen van de spieren op, waaronder die van de spraak. Maar ook cognitieve problemen. Er gaan verder ook wat signalen van het evenwichtsorgaan via de thalamus (de censor in de hersenen waar alle zintuigelijke prikkels langs gaan, behalve de reuk) naar de hersenschors, maar er is nog geen overeenstemming over welke gebieden daar de grootste rol in spelen.

Op vier poten is het niet zo moeilijk om je evenwicht te bewaren maar wij staan op onze twee benen in een labiel evenwicht. Wij registreren, als we staan of bewegen, voortdurend of wij in evenwicht zijn, ook al zijn we ons daar hoogst zelden van bewust. In evenwicht staan is onze grondhouding. Wij houden ons hoofd hoog en de rug recht. Wij zijn de enige wezens bij wie alle gewrichten, van enkelgewricht tot kaakgewricht, dan in één (frontaal) vlak staan. En het evenwichtsorgaan ligt ook in dat vlak. Wij willen, nee wij moeten evenwichtig zijn. Wij hebben een standpunt. Wij staan ergens voor. Dat is nog eens een reden van bestaan. Als je je evenwicht verliest, verlies je je waardigheid. Nergens verkneukelen mensen zich meer om dan om hoogwaardigheidsbekleders die ergens over struikelen. Het is maar een mechanisch gebeuren, maar de omstanders interpreteren het als een sociale val. En vergeet de gênante vertoning niet die dronkenschap oplevert. Daar is meer reden voor schaamte, die de dronkenman (vrouw) overigens niet voelt.

Waar mensen vaak enorm van schrikken is de eerste keer dat ze worden geconfronteerd met de duizeligheid die het syndroom van Menière veroorzaakt. Het levert het gevoel op dat je jezelf kwijt bent. Patiënten komen dan in paniek op het spreekuur omdat ze denken dat er iets vreselijks met hun hersenen is gebeurd en dat hun bestaan op het spel staat. Bij zeeziekte beleven mensen iets vergelijkbaars. De evenwichtszin heeft daarom veel meer betekenis dan alleen de verwerking van de objectieve prikkels van de zwaartekracht en onze bewegingen. Het verzorgt de grond onder onze emoties, onze stemmingen en zelfs onder onze morele oordelen, kortom onder ons hele bestaan. Van alle zintuigen is het het eerste waar een kind mee moet worstelen, namelijk wanneer het leert staan. Het moet het evenwicht echt veroveren. Zonder een goede evenwichtszin zul je je nooit goed kunnen ontwikkelen als mens. Of, anders gezegd, het is geen slechte keus om evenwichtsoefeningen te doen wanneer je je ontwikkeling een goede evenwichtige basis wilt geven.
.

Arie Bos in Stroom nr.4 herfst 2014
.

Arie Bos : ‘Hoe de stof de geest kreeg‘ ; ‘Mijn brein denkt niet, ik wel

zintuigen: alle artikelen

1287-1201

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (1-2/4)

.

DE KONINGIN VAN DE ROSENTUIN* 

Er was eens… een meisje dat een poos eenzaam in de hut van de boer op de bergweide moest wonen. Het was hooi­tijd en weer een zware dag geweest. Toen het avond werd ging ze op een steen zitten die tussen het onkruid lag, dat overal om de hut heen woekerde. Ze legde haar handen in haar schoot om uit te rusten van het vermoeiende werk. Hoog om haar heen gloeiden en glansden de bergtoppen in het laatste zonlicht. Het leek wel of de hele berg­keten van de ‘Rosentuin’* tot één gouden wand was omgetoverd en of door die uitstraling het geheim, dat hij bevatte, juist nog meer verborgen werd dan anders.
Maar gloed en glans brachten het meis­je niet in verrukking, want die
betove­rende rijkdom riep alleen maar treuri­ge gedachten aan haar eigen armoede op. Nooit zouden eigen huis en haard bereikbaar zijn, voor haar en de jon­gen die haar ’t liefste was. ‘Ach lieve God’, zuchtte ze, ‘sinds die
oorlogs­benden alles verwoest en verbrand hebben, is voor ons alle kans op een dragelijk leven verkeken!’
Zo zat dat meisje daar in de eenzaam­heid, ingesponnen in zorgelijke gedach­ten.

Plotseling schrok ze op uit haar neer­slachtigheid door een helderglanzend licht; Toen ze opkeek om te zien waar dat licht vandaan kwam, zag ze dat een rijzige vrouw voor haar stond, schitterend en schoon, en boven alles koninklijk.
‘Kom’, zei de vrouw vol goedheid en wenkte haar. Het meisje legde haar hand op haar hart, als om het overwel­digende kloppen te bedaren. Ze veegde met haar schort de tranen uit haar ogen en ze ging mee. En zo bestegen zij hoger en hoger samen de ‘Rosentuin’ die gloeide in de avond­zon en ondanks het klimmen was het alsof alle zware vermoeidheid van haar afviel.

Dat éne woord – ‘Kom!’ – was haar als een belofte, die verhalen over goede en kwade verschijningen, in het ge­bergte, in haar wakker riep. Verhalen van de koning die daar boven zou wo­nen en van zijn gemalin, van haar die de ‘Rosentuin’ regeerde. De stilte van de berg omving hen steeds meer, de duisternis nam toe. Nog ho­ger stegen zij, stap voor stap, zwijgend. De vrouw ging een donkere, geheim­zinnige spelonk binnen en het was of de berg hen in zich opnam… Toen, plotseling, stonden zij in een prachtige zaal: niets dan stralende rijk­dom, lichtglans, alles even prachtig, en daarachter meer zalen en kamers met zilverachtig glanzende vloeren en kris­talheldere vensters. Daarbuiten zag het meisje een heerlijke tuin vol rode ro­zen. Ze zag het zilverachtige speelse water van een bron, ze zag jonge vrou­wen baden in een waterbekken, ze hoorde betoverend snarenspel en ge­zang. De sluier die over het geheim van de ‘Rosentuin’ had gelegen, was weggenomen!

Intussen zagen ze gedienstige dwergen, die wonderlijk mooie dingen aandroe­gen. Op bevel van de koningin brach­ten zij een kluwen wol. De koningin gaf het aan het arme meisje met de woorden: ‘Neem dit kluwen gerust van me aan. De beste wol die ik heb. En als je nooit aan iemand vertelt waar het vandaan komt, zal het ook nooit opraken. Nu, doe braaf je best, blijf vlijtig en weef aan je geluk!’

Met dit kostbare geschenk is het meis­je naar een oude tante gegaan, om met de wonderwol te weven. Ze weefde en weefde de mooiste dekens en doeken, want de wol raakte nooit op en glans­de alsof hij geschoren was van het Gul­den Vlies zelf.

Eens – nadat haar dagtaak al volbracht was – zat het meisje nog vlijtig te we­ven in de maneschijn. Plotseling stond weer, nu glanzend in het zilveren maanlicht, die koninklijke gestalte voor haar: de koningin van de ‘Rosen­tuin’, die haar een prachtig weefsel van gouddraad gaf. De koningin nam de handen van het meisje in haar beide handen en liet haar zó het kunstige pa­troon van het weefsel aftasten. Zij wees haar hoe zij de stof met bloem­ranken en vogelfiguren kon versieren.

De jongen die het meisje ’t liefste was, is met de kostbare stoffen naar alle windstreken eropuit getrokken, om ze in steden en aan edellieden op burchten, te verkopen. Na verloop van tijd waren ze samen zo ver, dat er ge­noeg was voor ‘eigen huis en haard’; zelfs voor iets op het brood en voor een paardje in de stal, was nog wat over. Dat werd me een bruiloft! En als het ’t meisje gelukt is, om nooit te verklappen waar de wol vandaan kwam, dan is haar wonderkluwen nóg niet opgeraakt en leven ze tot op de huidige dag, gelukkig en tevreden met elkaar.

* De ‘Rosentuin’ of ‘Rosengarten’ is een bergketen in de Dolomiten die vooral bekend is geworden door zijn rozerode glans bij zonsondergang. Veel sagen en sprookjes die betrekking hebben op dit ge­bied zijn nog bekend.

Vrouw Holle – Beatrijs Gradenwitz  (138)

Lili Chavannes ‘Jonas’ nr.11., 25-01-1980

*Vrij vertaald door Caroline Bos-Everts uit Karl Paetow, Volkssagen und Marchen um Frau Holle, Uitg. Adolf Sponholtz Verlag.
Er bestaat nog een vertaling met als titel ‘De rozentuin’. Waarom mevrouw Bos voor ‘Rosentuin’ heeft gekozen, is niet geheel duidelijk.

Sprookjes: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: sprookjes

.

1286-1200

.

.

VRIJESCHOOL – Zintuigen – evenwichtszin (9-4/2)

.

De evenwichtszin

Dit zintuig bepaalt op grond van een innerlijke waarneming onze positie ten opzichte van de ruimte. We nemen onszelf waar in een statische toestand, in rust. Rudolf Steiner zegt hierover: de evenwichtszin is innerlijke rust, het is zichzelf beleven als geest. In deze rust wordt heel sterk onze oprichtingskracht zichtbaar.

De evenwichtszin heeft drie aanknopingspunten in het lichaam: de evenwichtsorganen in het oor, de zonnevlecht en de knieën. De laatste twee punten zijn niet zo bekend, maar wel onmiddellijk herkenbaar als je denkt aan de waggelende gang van de dronkaard. Het lukt niet meer om met de knieën de zwaartekracht te overwinnen. Het ik is daar niet toe in staat. De zonnevlecht komt in beeld bij bij­voorbeeld hoogtevrees, of zeeziekte: een gevoel van misse­lijkheid overvalt je op het moment dat je je niet meer op een goede manier op de omgeving kunt oriënteren.

Van boven naar beneden
Het kleine kind overwint de zwaartekracht van boven naar beneden: het wiebelende hoofdje van de pasgeborene ‘staat’ na enkele weken. Zodra het kind het hoofd zelf over­eind kan houden, ontstaat een andere verhouding tot de omgeving! Daarna leert het kind om het bovenlijf zelf recht­op te houden, het kind gaat zitten. Nu kan het de handen vrijer bewegen, spelen. Weer een nieuwe verhouding tot de omgeving. De volgende stap is dat het kind kan gaat staan: vanuit de liggende afhankelijkheid heeft het kind zich opgericht en komt het op zijn eigen benen te staan.

Dankzij de evenwichtszin kunnen wij ons oprichten en op de omgeving oriënteren. Het is onze persoonlijkheid, onze individualiteit die met dit proces te maken heeft. De wezen­lijke beleving van het evenwicht is dat we rechtop kunnen blijven ook als er een verandering optreedt in een van de ruimterichtingen (boven/onder, voor/achter, links/rechts). We kunnen in de bergen wandelen, in de botsautootjes zitten of een probleem oplossen, wij beleven onszelf – weliswaar onbewust- steeds verticaal. Dat komt omdat alle veranderingen in het evenwicht als het ware meteen bij het ontstaan door het evenwichtsorgaan worden glad gestreken, vereffend. Maar verlies je per ongeluk je even­wicht, bijvoorbeeld doordat je struikelt, dan kan dat voor je lijf en voor je zelfgevoel een pijnlijke ervaring zijn. Het jonge kind moet zich dit evenwicht eerst veroveren en leert letterlijk met vallen en opstaan. Op die manier krijgt hij zijn eigen verhouding tot de omgeving.

Uniek zijn
Wanneer Rudolf Steiner spreekt over zichzelf beleven als geest, spreekt hij over het meest individuele van de mens. Daarmee is de evenwichtszin dus verwant. Hierdoor kun­nen we ons IK in de drie ruimterichtingen gewaarworden. Hierin drukt zich ons eigen unieke menszijn uit. (Hieruit volgt dat een mens evenveel evenwichtshoudingen aan kan nemen, als er individualiteiten zijn!) Wanneer de even­wichtszin zich niet goéd kan ontwikkelen ontstaat er in de ziel een drang tot vernietigen, tot zelfvernietiging.

Voor het jonge kind is het van levensbelang dat het tijd en ruimte krijgt om te groeien en te rijpen. Het forceren of te vroeg uitlokken van ontwikkelingen kan de bewegingszin overvragen. En een overvraagde bewegingszin leidt tot een verzwakking van het beeldende vermogen!

Voor het jonge kind is ook ritme van levensbelang. Dat ondersteunt al zijn leer- en levensprocessen. Levenszin, bewegingszin en evenwichtszin gaan hier samen: de afwis­seling tussen beweging en rust, tussen volhouden en uit­rusten en je daardoor lekker in je vel voelen. Dat kan door een herkenbaar dagritme, door terugkerende en herkenba­re handelingen. Voor de nabootsing is het heerlijk als het kind mee kan doen met de huishoudelijke karweitjes.

Daar zitten niet alleen alle basisbewegingen in, maar ze geven het kind ook een gevoel van voldoening!

Voor de evenwichtszin is het belangrijk om de onbevangen­heid van het kind niet te storen. Het is goed om bij het jonge kind je bewust te zijn van gevaarlijke situaties, maar probeer om het niet voortdurend te vermanen. Dat remt, maakt het kind onzeker. Volg je je kind vol vertrouwen, dan voelt het zich zeker en leert het omgaan met weerstanden.

Alle vier op een rij
Van de zintuigleer wordt weleens gezegd, dat ze het eerste hoofdstuk is van de antroposofische menskunde. Hierin neemt het vierledige mensbeeld een centrale plaats in.

De zintuigen zijn ook telkens in vieren verdeeld. Zo hangt de tastzin samen met het fysieke lichaam, de levenszin met het etherlichaam, de bewegingszin met het astrale lichaam en de evenwichtszin met ons IK. Maar je kunt er ook op een andere manier naar kijken.

In de tastzin leert het kind ervaren: de wereld is waar, in de levenszin: de wereld is goed. Dat is in het vorige artikel aan bod gekomen.

Hoe zit dat met de bewegingszin? Een van de kwaliteiten die in de ziel ontstaan door de bewegingszin is het vermo­gen tot verbeelden en door een ander, door kunst of de natuur bewogen te worden. Dan kunnen we ervaren: de wereld is mooi.
De evenwichtszin voegt niet zozeer een nieuw element toe. Wanneer je de evenwichtszin verbindt met ons IK, dan zou je kunnen zeggen dat er een nieuwe dimensie ontstaat.

Daar komen deze drie samen: de wereld is waar, goed en mooi: dat is de wereld waarin ik wil zijn.

Als dat er zo staat, realiseer ik me dat het voor ouders een klus is om het jonge kind in deze werkelijkheid te laten leven, want onze wereld is niet vanzelfsprekend waar, goed en mooi. Het vraagt een inspanning van ons om dat aan de kinderen zichtbaar te maken!
.

Suzanne van Kempen, Seizoener, lente 2006

.

Evenwichtszin

.

Zintuigen: alle artikelen

.

1285-1199

.

.

VRIJESCHOOL – Zintuigen – bewegingszin (9-5/2)

.

Van de tast- en de levenszin zou je kunnen zeggen dat ze de buiten- en de binnenkant zijn van onze zelf­waarneming en ons zelfbeleven. De huid als concre­te buitenkant, de grens tussen onszelf en de ander, is het orgaan voor de tastzin. De levenszin zit eigenlijk overal aan de binnenkant en geeft ons het gevoel dat we ‘een-geheel’ zijn, dat we lekker in ons vel zitten. Zo geeft dit zintuigpaar naar binnen en naar buiten, houvast voor de zelfwaarne­ming. Het andere paar, de bewegingszin en de evenwichts­zin, maken de relatie zichtbaar tot de omgeving.

Bewegingszin
Natuurlijk denk je bij bewegingszin aan bewegen. Bij een zintuig gaat het steeds om waarnemen. Met de bewegings­zin nemen we onze eigen bewegingen waar. Het geeft ons de veranderingen door die optreden in de stand van het lichaam. Bij de pasgeboren baby is dit zintuig nog nauwe­lijks ontwikkeld. Al snel begint het kind te bewegen en later spelend te oefenen. De spierspanning, de beweging zelf, de spiervaardigheid, alles moet ontdekt, veroverd en geoefend worden. Het bijzondere van de werkzaamheid van zintuigen is, dat deze tot stand komt zonder tussenkomst van het verstand. Dus het jonge kind oefent, beweegt en speelt onbekommerd, om het bewegen, om het spelen zelf. Net zolang en zo vaak tot de bewegingen diep en onbewust in het lichaam zijn verzonken.

Nabootsing

De bewegingszin neemt dus de eigen bewegingen waar.

Toch zeggen we dat het jonge kind vooral leert door nabootsing. Dat zijn bewegingen, gewoontes van een ander. Hoe zit dat dan? Waarmee neemt het kind die bewegingen waar?

Er is een diepe samenhang tussen de bewegingszin en de nabootsing. Voor alle mensen geldt dat de bewegingen van een ander, in een lichte mate door ons spiersysteem mee­bewogen worden. Die veranderingen neemt de bewegings­zin waar. En dat geeft de impuls tot nabootsing. Niet bij alle kinderen zien we dat de impuls tot nabootsen vanzelfspre­kend tot stand komt. Bijvoorbeeld autistische kinderen lij­ken die impuls niet te volgen of te beleven en komen niet tot nabootsen.

Ons strottenhoofd werkt volgens ditzelfde principe.

Wanneer een ander mens spreekt, beweegt ons strottenhoofd in een lichte mate mee. Dat kun je erva­ren als een spreker veel kucht of met een hese stem praat. Vanzelf ga je ook kuchen of je keel schrapen. Zo vormt het strottenhoofd al voordat het kind spreekt de basis­vormen voor de spraak.

Voor het jonge kind is het dus van groot belang, dat de directe omgeving de moeite van het nabootsen waard is.

Lopen,spreken, denken

De meeste kinderen leren in deze volgorde drie belangrijke stappen in hun ontwikkeling.

Deze drie vermogens hangen samen met de bewegingszin. Uit het bovenstaande stukje krijg je al een gevoel voor de samenhang tussen lopen (bewegen) en spreken. Zowel ons strottenhoofd, als ons spiersysteem bewegen (dankzij de bewegingszin) mee met de bewegingen en de gespro­ken taal uit onze omgeving. De stap naar denken komt tot stand door de ervaringen die het kind opdoet: het ervaart hoe dichtbij of veraf iets is, krijgt gevoel voor verhoudin­gen, ervaart de consequenties van de zwaartekracht. Kortom: grijpen, doen wordt ‘be-grijpen’.

Een oud chinees spreekwoord zegt:

Als ik hoor, dan vergeet ik
Als ik zie, dan onthoud ik
Als ik doe, dan begrijp ik.

Dat denken en bewegen samenhangen wordt ook duidelijk in taal. We spreken van een bewegelijk denken, van ver­starde ideeën. Gedachten kunnen met iemand op de loop gaan.

En iemand die vastzit in zijn denken, kan door lopen, door bewegen zijn gedachten weer vlot trekken!

Een goed ontwikkeld zintuig wordt een vermogen voor de ziel. Kijk maar naar de kunstenaar: een pianist moet lang­durig oefenen en zijn muziekstuk letterlijk in de vingers krijgen. Zodra die vaardigheid verankerd is in het lichaam, wordt dit een poort naar een nieuw vermogen: de vertol­king of de verbeelding. Deze stijgt uit boven de vaardig­heid. Bijzonder is dat degene die luistert nu hierdoor in de ziel bewogen kan worden. Wat bij de kunstenaar nadrukke­lijk zichtbaar of hoorbaar wordt, gebeurt ook bij ons, bij het kind. Een vaardigheid die opgenomen is in het lichaamsplan, wordt een poort naar de beeldkrachten. Die werken in het denken, in de fantasie, in het uitdrukken van jezelf.

Bewegingszin en vrijheid
Een beweging ontstaat omdat we iets willen. We willen iets pakken, iets doen, ergens naartoe. Je zou kunnen zeggen dat een beweging dus eigenlijk begint bij het eindpunt. Op weg naar dat eindpunt, oefent het kind zowel vanzelf als met vallen en opstaan. Het vermogen dat hierdoor ont­staat, geeft ons een gevoel van vrijheid, niet langer zijn we gebonden aan de beperking, aan wat we eerst niet konden. Het heffen van de handen, het vrij kunnen roteren van het bovenlijf, het overwinnen van de zwaartekracht, zijn primai­re ervaringen van vrijheid. Is het niet bijzonder dat we onze eigen zwaarte optillen zonder dat als zwaar te beleven!

Nog sterker kunnen we vrijheid beleven in ons denken.

Toen mijn invalide moeder nog leefde, vertelde ze me eens: “Als ik pijn heb, of het zwaar heb, dan ga ik in gedachten op reis. Zo vergeet ik even hoe het hier is en geniet ik van de zon en van een andere cultuur”.

Door dit vermogen van de bewegingszin, van de beeldkracht ontstaat een beleven van vrijheid, zelfs in een situatie van fysieke gebondenheid. Wanneer de bewegingszin zich niet goed kan ontwikkelen, kan een gevoel van gebondenheid ontstaan. Je voelt je aan je lijf gebonden en vastzitten in een beweging die nog niet van jou is. in de ziel kan dat gevoel van gebondenheid lei­den tot depressiviteit.
.

Susan van kempen, Seizoenerzomer 2006
.

Bewegingszin

.
Zintuigen: alle artikelen

.

1284-1198

.

..

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-1-1)

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE – GA 293

GA= Gesamt Ausgabe, (volledige uitgave): de genummerde reeks boeken en voordrachten van Steiner.

Duitse tekst
Vertaling 

Blz. 17 vert. 17

Een taak, niet van het intellect en het gemoed, maar moreel en geestelijk

Wat dat kan betekenen, wordt hier uiteengezet.

In het leven ‘zien’ we er voorbeelden van. Waarom déze voorbeelden, wordt alleen duidelijk door het artikel te lezen waarnaar de link hierboven gaat.

Amnesty International
Amnesty beschrijft onterechte opsluitingen en martelingen. Wanneer je de analyses, de opsomming van aantallen leest, kun je je terecht boos voelen of verontwaardigd. Het daarbij laten valt m.i. onder ‘intellect en gemoed’; actief worden, brieven schrijven, ‘het er niet bij laten zitten’ omdat het onrechtvaardig is, is de kant van het morele, roept de vraag op wat recht is, wellicht wat recht dient te zijn.
Verantwoordelijkheid en besluiten tot een daad heeft met de wil te maken, die vanuit een bepaald perspectief de tegenhanger is van het (eenzijdig) denken: het intellect.

0-0-0

Deken van plastic bij Nova Zembla
Wetenschappers hebben het in beeld gebracht; geanalyseerd. Ze weten het (intellect) en zijn terecht bezorgd (gevoel). Maar de verantwoording (moraliteit) ligt bij de politiek. Die moet iets doen! De wil hebben en kunnen opbrengen om iets te doen!

0-0-0

Joris Luyendijk:
‘Ik sprak een structurer, zo heet een bankier die financië­le producten bouwde en verkocht die hij zo complex maakte dat de kopers ervan niet begrepen dat ze ze niet be­grepen. Hij verdiende per jaar zo’n miljoen euro. Hij was een voor rede
vatba­re en hoog intelligente man die miljonair werd door mensen te belazeren. Hij wist precies wat hij deed, en had er ook een door­timmerde rechtvaardiging voor: alles wat hij deed, viel binnen de wet. En als hij ’t niet had gedaan, had iemand anders het wel gedaan.

Ik vroeg een professio­neel belegger in koffie: denk je wel eens na over de gevolgen van jouw beslissingen voor al die koffieboertjes in Azië, Afrika en Zuid-Amerika? Hij raakte ervan in de war. “Ik ben gewoon een getallenman”, zei hij. “Ik doe de analyses, in mijn kantoor, met mijn collega’s.”

Deze mensen waren absoluut niet immoreel (dat zijn de wetsovertreders wel) maar, in hun eigen woorden: ‘amoreel’. Ik noem ze koele kikkers. Geen monsters, vaak huldigen ze privé een strenge moraal en zijn ze zelfs diepgelovig. Kun je, vroeg ik dan, tegelijkertijd God en de Mammon dienen? Ja, dat kan best: een keurige burger kan, als hij als soldaat optreedt, toch ook mensen doden?

Deze amoraliteit is de sleutel voor begrip van onze tijd. Als je amoreel bent kun je makkelijk ‘neutraal’ blijven en de andere kant op kijken wanneer collega’s – binnen de wet – dingen doen waarvan ze absoluut niet zouden willen dat anderen die met hen deden. Bovendien: als zij het niet doen, doet de concurrent het en gaan we uiteindelijk failliet.

Daarom zal een moreel appel aan beurs­genoteerde banken die zelf een amorele grond­slag hebben, niets uitrichten of opleveren. Be­halve veel vrome woorden, pr en een bankierseed.

“Iedereen is hebzuchtig. Als jij een T-shirt koopt voor drie pond, denk je dan aan de stakker in Bangladesh die twaalf uur per dag werkt voor een shitsalaris?”

In de eerste wereld leven we met z’n allen ten koste van de andere vijf miljard, wilde hij maar zeggen.

Hoe kun je mensen nu aanspreken op de immorele uitkomsten van hun wettelijk geoorloofde, amorele gedrag?’

Een paar opmerkingen uit de  ‘Bergredelezing’ die Joris Luyendijk dinsdag 2/2/16 hield in de Amersfoortse Bergkerk.

0-0-0

Rudolf Steiner:
Es muß für die Erdenentwicklung eine Zeit kommen zur Vorbereitung von zukünftigen planetarischen Zuständen der Erde, in der es unmöglich ist, daß der einzelne irgend etwas auf der Erde genießt auf Kosten des anderen. Geradeso wie sich das einzelne Blatt oder das einzelne Blütenblatt der Pflanze als ein Glied der ganzen Pflanze fühlt und Leid und Freude der ganzen Pflanze miterlebt – bildlich gesprochen -, so muß eine Zukunft über die Erde kommen, in der der einzelne kein Glück haben will auf Kosten des Ganzen, in der er sich als ein Glied der ganzen Menschheit fühlt.

Er moet voor de aarde-ontwikkeling een tijd komen als voorbereiding op toekomstige planetaire toestanden van de aarde, waarin het onmogelijk is dat de enkeling op aarde van iets geniet op kosten van de ander. Net zoals een enkel blad of een enkele bloem zich een deel voelt van de hele plant en vreugde en verdriet van de hele plant meebeleeft – figuurlijk gesproken – zo moet er op aarde een toestand gaan heersen waarin de enkeling niet gelukkig wil zijn op kosten van het geheel, waarin hij zich als deel van de hele mensheid beleeft.
GA 218/177
Niet vertaald 


0-0-0    

Variabele beloningen
Sluw bonusplan voor topman Renault-Nissan.

Hoge bonussen voor topmanagers die worden overgemaakt naar een bv in Nederland. Een bv die speciaal is opgericht voor bonussen en om belastingtechnische redenen is gevestigd in Nederland. Zie daar het plannetje dat de Britse investeringsbank Ardea Partners bedacht voor een klant. Die klant is Carlos Ghosn, al jaren topman van Renault-Nissan.
Of het plannetje ooit werkelijkheid wordt is twijfelachtig, want persbureau Reuters legde er beslag op en besteedde er uitgebreid aandacht aan. Dat zal de aandeelhouders van Renault niet zijn ontgaan. Bij de grootste aandeelhouder, de Franse staat, is al langer irritatie over de bezoldiging van Ghosn, die 15,6 miljoen euro opstreek over het jaar 2015. Na commentaar van de Franse staat verlaagde Renault de variabele beloning van Ghosn met 20 procent.
Renault is al jaren grootaandeelhouder van Nissan en werkt ook samen met een andere Japanse autobouwer: Mitsubishi. Ardea geeft Ghosn adviezen over de nadere uitwerking van die samenwerking. In het plannetje van Ardea zouden topmanagers flinke bonussen krijgen als die nauwere samenwerking tot forse kostenbesparingen zou leiden. Een derde deel van die bonussen zouden de bestuursvoorzitters en president-commissarissen van Renault, Nissan en Mitsubishi opstrijken. In de praktijk zou dat vooral Ghosn zijn, topman van Renault en president-commissaris bij Renault, Nissan en Mitsubishi.
Trouw 14-06-2017

0-0-0

Nasleep affaires kost betrapte banken 290 miljard euro
Een Brits bureau berekende hoeveel schadevergoedingen en boetes banken betaalden na hun manipulaties.
De twintig grootste westerse banken waren in 2012 tot en met 2016 samen 264 miljard pond (grofweg: 290 miljard euro) kwijt aan kosten die het gevolg waren van illegale of twijfelachtige activiteiten. Amerikaanse banken, Bank of America voorop, waren het meeste geld kwijt, gevolgd door Britse banken. Onder de twintig banken is één Nederlandse: ING. Die raakte 910 miljoen pond kwijt door diverse affaires.

Dit blijkt uit een studie van de CCP Research Foundation, een Britse instelling die al een paar jaar onderzoek doet naar de bedragen die banken kwijt zijn als ze worden betrapt op twijfelachtige of illegale praktijken. CCP Research turft niet alleen de boetes die banken daarvoor hebben gekregen (van overheden of andere toezichthouders), maar rekent ook de bedragen mee die banken moeten betalen om gedupeerde klanten schadeloos te stellen. Andere uitgaven, zoals rekeningen voor juristen en advocaten en kosten voor de uitvoering van schadeloosstellingen, rekent CCP Research eveneens mee.

In het bedrag van 264 miljard pond zitten niet alleen de bedragen die de banken in die periode daadwerkelijk hebben moeten betalen, maar ook de sommen die ze vast apart hebben gezet om toekomstige uitgaven te dekken. Een exact bedrag in euro’s is moeilijk te geven omdat een deel van die uitgaven een paar jaar geleden is gedaan en het Britse pond toen veel meer waard was dan nu. Momenteel is een pond bijna 1,10 euro waard.

De hoogste rekeningen waren in de periode 2012-2016 voor Bank of America: 45,59 miljard pond. Daarna volgen JP Morgan (33,64) en Morgan Stanley (24,36).

Verrassend is die uitkomst niet. Die banken bundelden jaren geleden hypotheken, verkochten ze en prezen ze ter verkoop aan, terwijl ze wisten dat het ging om hypotheken die vaak waren afgesloten door arme huiseigenaren die rente en aflossing mogelijk niet konden betalen. Ook andere banken maakten zich voor en rond 2008 schuldig aan de verkoop van zulke hypotheekpakketten – En zijn daarvoor beboet. De ‘slechte-hypotheekaffaire’ mondde uit in de grote financiële crisis van 2008. Voor de betrokken grote banken leidde de afhandeling van deze affaire tussen 2012 en 2016 tot 66 miljard pond aan kosten.
Naast vijf Amerikaanse staan er vier Britse banken in de top tien van CCP Research. Het gaat om Royal Bank of Scotland (21,51 miljard), LLoyds (20,47), Barclays (17,05) en HSBC (11,39). Britse banken, Lloyds voorop, kregen tussen 2012 en 2016 een hoge rekening gepresenteerd voor verzekeringen die klanten afsloten (of moesten afsluiten) als ze een krediet bij de bank wilden krijgen. Die verzekeringen gaven weinig dekking.
Bovendien schoten de banken tekort bij de afhandeling van klachten.
Andere affaires waarvoor banken uiteindelijk moesten bloeden waren het gemanipuleer met het toonaangevende Europese rentetarief (Libor), gerommel met valuta en het ontduiken van het (Amerikaanse) verbod om zaken te doen met landen als Iran, Soedan en Cuba. Voor dat laatste kreeg ING in 2012 een forse boete voor zaken die voor 2007 werden gedaan. Volgens CCP Research was ING in de periode 2012-2106 910 miljoen pond kwijt aan de afhandeling van affaires. Daarmee belandde ING in de lijst van twintig banken op de gedeelde negentiende plaats. Rabobank was betrokken bij de Libor-zaak, maar komt in de lijst van twintig niet voor.
Trouw, 16-08-2017

0-0-0

In 2011 veroorzaakte ING maatschappelijke onrust doordat de raad van commissarissen – o.l.v. Jeroen van der Veer – voorstelde de toenmalige topman Hommen een bonus te geven van 1,25 miljoen euro.
Anno 2018 gebeurt weer iets dergelijks – opnieuw onder van der Veer: topman Hamers wordt een loonsverhoging in het vooruitzicht gesteld van ruim 50%. Door de publieke verontwaardiging wordt het voorstel ingetrokken. ‘Dat’, zegt hoogleraar bedrijfsethiek Wim Dubbink, ‘is geen overwinning van de moraliteit. Bij de bank, in de hele sector, is moraliteit ver te zoeken.’

Er is de politieke neiging om de bankensector en de beloning van topmensen met steeds meer regels te omgeven. Die wens om meer regels klonk de afgelopen dagen in Den Haag ook weer.

“Regels maken geen moraliteit. In Nederland wordt heel veel gediscussieerd over integriteit, en heel vaak eindigt dat in het opstellen van nieuwe regelgeving. Politiek Den Haag zou eigenlijk maar één regel moeten stellen waarin geëist wordt dat er in organisaties over moraliteit gesproken wordt. De banken kunnen wat dat betreft een voorbeeld nemen aan de gezondheidszorg: daar zijn allerlei manieren bedacht om openingen te vinden naar het gesprek over moraliteit. Van het voeren van moreel beraad tot het werken met technieken die mensen confronteren met de morele connotaties van hun werk. Die helpen je om de argumenten die je aanvoert voor je handelen te toetsen op hun moraliteit. Moraliteit kan niet zonder zelfreflectie, zonder gesprek. Die zelfreflectie heeft Dubbink bij ING niet gezien. De raad van commissarissen kijkt op een legalistische manier naar integriteit: blijven we binnen de regels? Dat is het effect van een politiek die alles telkens maar weer vanuit regels benadert. De politiek weet geen weg naar moraliteit te vinden buiten het stellen van regels om. Het paradoxale gevolg daarvan is dat de moraliteit steeds verder naar de rand wordt geduwd.”
Trouw, 14-03-2018

0-0-0

2017:
De rijkste 1 procent van de wereld bezit 22 procent van het mondiale inkomen.

2019:
[62] In 1905 formuleerde Rudolf Steiner zijn ‘sociale hoofdwet’
In 2019 bezitten op een wereldbevolking van 7.670.000.000    26    mensen evenveel als 3.800.000.000 mensen die tot de armsten behoren.

0-0-0

De tien rijkste mensen bezitten samen zes keer meer vermogen dan de armste 3,1 miljard mensen.
                                     Michiel Servaes, directeur Oxfam Novib

De tien rijkste mannen werden in de pandemie dubbel zo rijk.

Ongelijkheid 

Elke 26 uur kwam er tijdens de pandemie gemiddeld één miljardair bij, zegt Oxfam. Een fikse pandemiebelasting voor de allerrijksten kan helpen om de ongelijkheid terug te dringen.

Het vermogen van de tien rijkste mannen ter wereld is verdubbeld in de eerste twee jaren van de pandemie, van ongeveer 700 miljard tot 1500 miljard dollar. Tegelijkertijd zijn meer dan 160 miljoen mensen extra in de armoede terecht gekomen, wat een trendbreuk is met voorgaande jaren.

“Het feit dat de tien rijkste mensen nu samen zes keer meer vermogen bezitten dan de armste 3,1 miljard mensen legt de extreme ongelijkheid in de wereld bloot”, zegt Michiel Servaes, algemeen directeur van ontwikkelingsorganisatie Oxfam Novib. De cijfers komen uit het rapport Inequality Kills van Oxfam dat vandaag* verschijnt.

Die tien rijkste mannen zijn Elon Musk (Tesla), Jeff Bezos (Amazon), Bernard Arnault (Franse zakenman), Bill Gates (mede-oprichter Microsoft), Larry Ellison (techbedrijf Oracle), Larry Page en Sergej Brin (oprichters Google), Mark Zuckerberg (Facebook), Steve Ballmer (voormalig topman Microsoft) en Warren Buffett (belegger). 

0-0-0

Quote 500: de rijken werden weer rijker – op de allerrijkste na dan

Zakenblad Quote publiceerde zijn jaarlijkse ‘rijkenlijst’ weer. Natuurlijk staat Charlene de Carvalho-Heineken bovenaan, al nam haar vermogen wat af. De meeste rijken werden afgelopen jaar 2024 rijker.

Rijken worden vaak nog rijker. Die wijsheid ging afgelopen jaar (weer) op voor de 500 meest vermogende Nederlanders. Hun vermogen groeide met bijna 5 procent, berekende zakenblad Quote, dat sinds 1997 jaarlijks een lijst opstelt van de 500 meest vermogende Nederlanders.

Quote schat het gezamenlijke vermogen van de top-500 – soms gaat het niet om individuen maar om meerdere personen – op 253 miljard euro. Het komt daarmee op een veel hoger bedrag uit dan het Centraal Planbureau dat in augustus met een rijken-studie kwam. Daarin werd het vermogen van de 1500 rijksten geschat op 135 miljard. Dat cijfer had betrekking op het jaar 2022, maar dat kan geen verklaring zijn voor het enorme verschil met de bevindingen van Quote.

Marktwaarde

Waar hem dat grote verschil wel in zit? Quote-redacteur Tim Jansen stelt dat het Planbureau keek naar mensen die in Nederland wonen en dat Quote kijkt naar het vermogen van mensen met een Nederlands paspoort. Charlene de Carvalho-Heineken, met 12,1 miljard de meest vermogende Nederlander, woont in het buitenland. Dat geldt ook voor Ralph Sonnenberg, de nummer 2 op de Quote-lijst.

Charlene de Carvalho is de dochter van wijlen biermagnaat Freddy Heineken en is grootaandeelhouder van het Heineken-concern. Sonnenberg is grootaandeelhouder van Hunter Douglas, de fabrikant van Luxaflex. Overigens zag De Carvalho haar vermogen met 4 procent dalen: dat kwam doordat haar aandelen Heineken vorig jaar minder waard werden. Quote raamt Sonnenbergs vermogen op 7 miljard euro.

Verder speelt volgens Jansen mee dat het CPB uitging van de boekwaarde van bezittingen, zoals bedrijven, terwijl Quote uitgaat van de marktwaarde. Die ligt doorgaans hoger dan de boekwaarde – soms kan dat veel schelen. Het CPB keek naar de rijkdom van personen, bij Quote kunnen meerdere personen op één plaats staan: omdat ze samen eigenaar zijn van een bedrijf of gezamenlijk erfgenaam zijn.

Buitenlandse bezittingen

Het CPB meldde destijds dat het lang niet altijd zicht had op alle bezittingen van de meest vermogenden, zeker niet op buitenlandse bezittingen. Als Quote weet heeft van dat soort bezittingen, maakt het een schatting van de waarde ervan.

Ook Jansen vindt het verschil in uitkomsten tussen de twee onderzoeken groot. “Rijken zijn rijker dan het CPB meldt.” Quote schat in gevallen van twijfel de waarde van bezittingen aan de conservatieve kant in, zegt hij. Rijken kunnen dus ook rijker zijn dan Quote vermoedt. NRC, dat dit jaar een onderzoek deed naar de financiële handel en wandel van Charlene de Carvalho, schatte haar vermogen op 16 miljard euro.

Quote turfde 52 miljardairs, een record. De meeste personen op de lijst zijn ondernemer. Ruim de helft bouwde zijn of haar bedrijf zelf op. Dat geldt voor Remon Vos, mede-eigenaar van het beursgenoteerde bedrijf CTP, dat vooral in Oost-Europa bedrijfsterreinen ontwikkelt, bouwt en beheert. Vos woont volgens Quote in Praag. Het CPB concludeerde ook dat het oprichten van een onderneming dé manier is om (puissant) rijk te worden.

Verstappen de jongste

Plek vier op de lijst is voor de zussen Gérita en Inge Wessels, dochters van de in 2017 overleden bouwer en rasondernemer Dik Wessels. Zij zijn grootaandeelhouder van het investeringsfonds Reggeborgh, dat onder meer eigenaar is van het bouwbedrijf VolkerWessels. Wijnand Pon, grootaandeelhouder van het familiebedrijf Pon, dat onder meer auto’s importeert en fietsen produceert, staat met een geraamd vermogen van 5,4 miljard op de vijfde plaats. In de top tien staan verder onder meer ondernemer Marcel Boekhoorn (2,8 miljard) en de drie kinderen van Karel van Eerd, voormalig topman van supermarktconcern Jumbo.

Nog een paar namen: Ali Niknam, oprichter van de onlinebank Bunq, zag zijn vermogen met bijna 50 procent toenemen naar 2,5 miljard euro. Dat kwam vooral doordat zijn belang in een Belgisch bedrijf sterk in waarde steeg. Niknam staat twaalfde, acht plaatsen hoger dan Raymond Cloosterman, de oprichter van Rituals. Autocoureur Max Verstappen (27) is de jongste op de Quote-lijst. Hij is ook een van de weinigen die in loondienst is. Zijn geschatte vermogen: 210 miljoen euro. De nummer 500, Theo van Workum die met zijn bedrijf Rent-All licht- en geluidsapparatuur verhuurt, is goed voor 130 miljoen. Nooit eerder had de rodelantaarndrager van de Quote-500 zo’n groot vermogen.

0-0-0

Economisch geweld
Dat vooral arme landen geen toegang hebben tot vaccins, draagt ondertussen bij aan de extreme ongelijkheid in de wereld. Vrouwen en andere achtergestelde groepen zijn tijdens de crisis extra hard geraakt. Oxfam spreekt hierbij van ‘economisch geweld’, waarbij de rijkste en machtigste mensen worden bevoordeeld ten koste van de meerderheid van de bevolking.

Er zijn ook positieve ontwikkelingen. Zo heeft de Chinese overheid meer oog gekregen voor de ongelijkheid in het land en spreekt president Xi Jingping inmiddels over het belang van ‘gedeelde welvaart’. 
Trouw 17-01-2022

2023

INKOMENSONGELIJKHEID

Allerrijksten werden 1.500 miljard dollar rijker in 2023

NEW YORK. De allerrijksten ter wereld zijn met nog twee dagen te gaan dit jaar 1500 miljard dollar rijker geworden. Dat blijkt uit de vrijdag gepubliceerde Bloomberg Billionaires Index van de 500 rijkste mensen in 2023. In 2022 verloren ze gezamenlijk nog zo’n 1400 miljard dollar. Tech-miljardairs gingen er vooral flink op vooruit. Zij zagen hun vermogen met bijna 50 procent groeien, vooral dankzij de toenemende belangstelling voor kunstmatige intelligentie. Niemand deed het beter dan Elon Musk, die de titel van rijkste persoon ter wereld heroverde op de Franse luxemagnaat Bemard Amault van LVMH. Musk voegde dit jaar nog eens 95,4 miljard dollar toe aan zijn immense fortuin, vooral vanwege het succes van autoconcern Tesla en ruimtevaartbedrijf SpaceX. (ANP/Bloomberg)

0-0-0

Ook de hebzucht heeft een geschiedenis: ‘Hebzucht, een filosofische geschiedenis van de inhaligheid’, Jeroen Linssen. (Meer)

0-0-0

ERGERNIS OVER ‘GRAAIZUCHT’ EN EXCESSIEF HOGE BELONINGEN IN HET BEDRIJFSLEVEN

“De graaizucht bij bedrijven is nog nooit zo groot geweest als nu.” Een prikkelende tekst en helemaal als die uit de mond komt van een kopstuk in de financiële wereld. En een kopstuk is Nicolai Tangen. Hij is de baas van Norges Bank Investment Management, ’s werelds grootste staatsinvesteringsfonds, dat in 9338 bedrijven belangen heeft en ook belegt in (staats)leningen. Eind maart hadden al zijn bezittingen een waarde van 1128 miljard euro. Het fonds wordt gevuld met de opbrengsten uit de Noorse olie- en gasindustrie, de beleggingsopbrengsten komen ten goede aan de Noorse bevolking.

Zo begint een artikel in Trouw van 20-05-2022

Tangen beweert dat vooral in de Verenigde Staten de graaizucht bij bestuurders van beursgenoteerde bedrijven grote vormen heeft aangenomen. Hij vindt ook dat bestuurders en commissarissen in eerste instantie verantwoordelijk zijn voor de enorm hoge beloningen, maar ook de aandeelhouders van die bedrijven. zouden zich vaker tegen excessieve beloningen moeten keren.

De laatste maanden deed het Noorse staatsfonds het: protesteren tegen het beloningspakket van Patrick Gelsinger, topman van chipfabrikant Intel: in totaal 178 miljoen dollar. Het sprak zich uit tegen de 99 miljoen dollar die Apple-voorman Tim Cook in zijn tiende jaar als bestuursvoorzitter mocht opstrijken.

Er komt wel meer verzet van aandeelhouders, zo lezen we: bij Coca-Cola en Accenture (consultancy) vonden bijna de helft van de stemmende aandeelhouders de beloning van respectievelijk James Quincey (25 miljoen) en Julie Sweet (23,1 miljoen) te gortig. Ongebruikelijk veel.

En in Nederland? Aandeelhouders nemen hier al vaker stelling tegen beloningsvoorstellen of tegen de manier waarop die voorstellen worden uitgevoerd. De aandeelhouders van Philips keerden zich vorige week en masse tegen de bonus van 1,8 miljoen euro voor topman Frans van Houten. Maar de commissarissen van Philips legden dat naast zich neer. Van Houten krijgt zijn bonus toch.

De stemming over de meest bizarre beloning was overigens vorige week, bij de aandeelhoudersvergadering van het Amerikaanse concern Universal Music Group (UMG), dat een beursnotering heeft in Amsterdam. Topman Lucian Grainge kreeg niet alleen 270 miljoen bijgeschreven, hij ontving twee bonussen om wel heel bijzondere redenen. Hij kreeg 195 miljoen dollar omdat hij UMG naar de beurs had gebracht en nog eens zo’n 40 miljoen dollar omdat een Chinese aandeelhouder zijn belang in UMG had vergroot en een Amerikaanse belegger toetrad tot het rijtje grootaandeelhouders. Diezelfde aandeelhouders bepaalden deels ook de uitslag van de stemming over Grainge’s beloning: goedgekeurd.
Trouw, 20-05-2022

0-0-0

HERVERDELING

De rijkste mensen dragen niet de zwaarste lasten

In Nederland is minder herverdeling van hoge naar lage inkomens dan tot nu toe gedacht werd, schrijft het Centraal Planbureau.

e sterkste schouders dragen in Nederland niet de zwaarste lasten. Die opvallende conclusie trekt het Centraal Planbureau (CPB) deze vrijdag in een gedetailleerde studie naar alle Nederlandse huishoudens.

Middeninkomens en hoge inkomens betalen relatief ongeveer evenveel belasting: rond de 40 procent van hun inkomen. Nog opvallender zijn de uitersten. Voor de 0,01 procent hoogste inkomens is de belastingdruk ongeveer twee keer zo laag: 21 procent. De laagste inkomens betalen juist relatief méér belasting.

„Dat topinkomens een stuk minder belasting betalen, is een nieuwe uitkomst. Het heersende beeld – dat hoge inkomens meer belasting betalen -blijkt niet uit deze studie.”

Minder premies

Een belangrijke verklaring is dat het planbureau nu alle belastingen meerekent. De inkomstenbelasting is hoger voor wie meer geld verdient. Maar voor andere belastingen geldt een omgekeerd effect.

Zo kennen de sociale premies (voor onder meer werkloosheids- en arbeidsongeschiktheidsregelingen) een bovengrens. Wie een hoger salaris heeft, hoeft over dat deel van het loon geen premie te betalen. Dus hoe hoger je loon boven die grens uitkomt, hoe lager je relatieve premielast.

Ook de belasting op consumptie (btw en accijnzen) raakt lage inkomens harder. Zij geven een groter deel van hun inkomen uit, hoge inkomens houden meer over om te sparen.

Het CPB baseert zich op 2016: een van de laatste jaren waarvoor volledige en gedetailleerde data beschikbaar waren.

Bijstand en toeslagen

Per saldo ziet het CPB alsnog een herverdeling van rijk naar arm, al is die kleiner dan uit eerdere studies naar voren is gekomen.

Deze herverdeling loopt niet via de belasting, maar via de uitgaven van de overheid. Allereerst profiteren de laagste inkomens sterk van allerlei vormen van inkomensondersteuning: van bijstandsuitkeringen tot toeslagen.

Maar het planbureau heeft breder gekeken, ook naar publieke uitgaven die ‘in natura’ bij huishoudens terechtkomen, zoals onderwijs en zorg.

Veel van dit soort uitgaven komen ongeveer gelijkmatig terecht bij hoge en lage inkomens. Zo vloeit er ongeveer evenveel onderwijsbudget naar hoge als naar lage inkomens. Relatief gezien profiteren de lage inkomens hier het meest van: als percentage van hun inkomen gaat het om grote bedragen.

Een kleiner aantal uitgaven, zoals de jeugdzorg en langdurige zorg, komt ook in absolute zin vooral bij lage inkomensgroepen terecht.

Zónder herverdeling via de overheid zou de helft laagste inkomens ongeveer 19 procent van het nationale inkomen ontvangen, becijfert het CPB. De overheid krikt dat op naar 29 procent.

De 10 procent hoogste inkomens ontvangt door overheidsingrijpen een kwart van het nationale inkomen in plaats van een derde.
NRC 25-03-2022

0-0-0

In zijn boek ‘Solidarität’ heeft de schrijver Heinz Bude het over ‘ontspoorde ongelijkheid’. 
Hij zegt[1] 

Terug naar wat u eerder zei: u ziet het rechts-populisme als een teken dat mensen niet meer geloven in het idee van het sterke individu. Waarom ervaren ze dat als een leugen?

Er is een nieuwe vorm van weerzinwekkende rijkdom, overal ter wereld, met ongelijkheid niet alleen tussen de boven- en de onderkant van de samenleving, maar veel directer, naast je, op je eigen gang. Er zijn huishoudens waarin beide partners precies even hoogopgeleid zijn, maar de een verdient vier- en de ander tienduizend euro. Ben je een beetje slim en weet je de weg in de digitale wereld, dan kun je tweeduizend per dag verdienen. Wanneer je jammer genoeg leraar bent met een vast contract, zul je nooit meer dan vierduizend bruto verdienen. Per maand.

“Zulke ongelijkheid was er vroeger niet, of veel minder. Ze is ontspoord. De belofte was: we leven in een prestatiemaatschappij, maar in werkelijkheid rijmen prestatie en beloning niet. Minimale verschillen in prestatie hebben grote gevolgen voor het inkomen. Wat we hebben, zijn steeds meer winner takes all-markten. Dat is het resultaat van de laatste veertig jaar. De top krijgt zeer veel en steeds meer. En de rest zoekt het maar uit. Dat maakt de mensen woest. Ik kan dat begrijpen. Daar móéten we iets tegenover zetten.”
Wat dan?
“Een begrip van solidariteit voor nu, voor het tijdperk na het neoliberalisme. Anders ingevuld dan vroeger, existentieel en urgent. De politiek kan niet meer uitgaan van een ervaren collectief, zoals klasse. Klassiek links dacht aan een ‘wij’ van onderdrukten en uitgebuiten. Dat bestaat niet meer. Er zijn te veel winnaars en verliezers die zich niet meer laten verenigen.” »
“Solidariteit”, schrijft Bude, “gaat om mijn bereidheid me te openen voor de noden en het lijden van mijn medemensen, en mijn gevoel van verantwoordelijkheid en bekommernis om het geheel”.
De vraag van rechtvaardigheid is: Wat komt je toe? Solidariteit vraagt: Wat heb je nodig? Die laatste vraag hebben onze verzorgingsstaten veel te weinig gesteld.”
Alleen op het ‘ik’ kun je in de huidige tijd nog een urgent idee van een ‘wij’ funderen. Niet vanuit klasse of voorgegeven groep.”
“We leven momenteel in een tijd – en daarom is het echt het ogenblik van de solidariteit – waarin de erkenning van onze kwetsbaarheid zich kan verbinden met de erkenning dat de hele planeet kwetsbaar is. Dat de aarde op ons is aangewezen. Anders gaan we samen ten onder.” «
[1] In interview in Trouw Letter&Geest
19-10-2019

Salaris:

De Saudische topclub Al-Hilal biedt Kylian Mbappé een jaarsalaris van 700 miljoen euro. Wat gaat de Franse sterspeler doen?*

700 miljoen euro per jaar,
58,3 miljoen euro per maand,
13,3 miljoen euro per week,
1,9 miljoen euro per dag,
79.000 euro per uur,
1300 euro per minuut en
22 euro per seconde. 

Trouw, 26-07-2023
*hij ziet ervan af: spelen in de Champions League is fijner.

Inmiddels is het aantal mensen dat onder de armoedegrens leeft, weer toegenomen…

0-0-0

Voor sommige rijken lijkt het besef te groeien dat het anders moet:

De relatief weinig rijken t.o.v. de vele armeren vind je ook in Duitsland: de armere helft van de bevolking bezit slechts 1,2 procent van al het vermogen. In Oostenrijk bezit de rijkste 1 procent naar schatting 50 procent.

En dat laatste vindt de Oostenrijkse Marlene Engelhorn onbestaanbaar.
Zij erfde als erfgename uit de BASF-familie miljoenen. Daarover hoeft ze in Oostenrijk geen belasting te betalen. Dat vindt zij onjuist en daarom geeft ze 90% haar geld weg, 25 miljoen euro.
„Families kunnen geld doorgeven alsof het adellijke dynastieën zijn. Hoe past dat in een democratie?”
„Ik heb dit geld omdat het niet belast is”, aldus Engelhorn. ‘Ik heb dit geld omdat de regering haar opdracht verzaakt vermogen zo in de maatschappij te verdelen dat het niet uitsluitend en volstrekt onrechtvaardig bij mij landt.”

Marlene Engelhorn

Een burgerraad van vijftig willekeurig gekozen Oostenrijkers moet beslissen hoe het geld wordt besteed.

Engelhorn is niet tevreden met het belastingbeleid in Oostenrijk. Ze nam al eerder het initiatief ‘Taxmenow’, en staat daarin niet meer alleen: het is een collectief van zo’n zestig vermogenden in Duitstalige landen die pleiten voor herverdeling van geld.

Er is nu een ‘Goede Raad voor Herverdeling’ opgericht, die met hulp van experts maar zonder inspraak van Engelhorn gaat bepalen hoe het geld wordt besteed.

Marlene Engelhorn gaat diametraal in tegen de opvattingen van veel van haar voorouders, die decennialang succesvol onder het belasting betalen uit wisten te komen.

De oprichter van BASF, Friedrich Engelhorn, verkocht zijn aandelen nog bij leven en kocht met dat geld het farmaceutische bedrijf Boehringer in Mannheim, dat onder andere malariamedicijnen produceerde. Vier generaties later verkocht Curt Engelhorn de firma Boehringer voor 19 miljard Duitse mark aan de Zwitserse farmaceut Roche. De Duitse staat zag daarvan geen cent, want de familie en het bedrijf stonden ingeschreven op Bermuda. „De heer Waigel zal zich ergeren”, zei Curt Engelhorn destijds in Der Spiegel over de toenmalige minister van Financiën Theo Waigel (CSU). Andere familieleden werden veroordeeld voor belastingontduiking.

Naast de vele niet-morele (immorele) voorbeelden, nu een waarvan ik wel durf te zeggen dat het een moreel-geestelijke daad is.

Bron: 8-uur journaal 11-01-2024 en diverse dagbladen.

Laat mij toch meer belasting betalen

Het besef lijkt te groeien dat het ‘socialer’ moet:

Activistische miljonairs

Patriotic Millionaires is een van oorsprong Amerikaanse organisatie, opgericht in 2010, waarin vermogende mensen pleiten voor hogere belastingen voor de rijken. Inmiddels hebben zich miljonairs en miljardairs overal ter wereld aangesloten. Onder de activistische vermogenden is bijvoorbeeld ook de Oostenrijkse Basf-erfgename Marlene Engelhorn die in 2024 90 procent van haar miljoenenerfenis weggaf.  Zie artikel in Trouw

.

Algemene menskunde: over egoïsme

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1283-1197
*

.

,

,

,

VRIJESCHOOL – Is de vrijeschool een antroposofische school (3-1/3)

.

over dierkunde

IS DE VRIJESCHOOL EEN ANTROPOSOFISCHE SCHOOL?

Deze vraag stelt Luc Cielen, leerkracht met een zeer lange praktijkervaring waarvan een deel bij de Federatie van steinerscholen in België; het grootste deel op scholen die hij zelf oprichtte en waar hij de vrijeschoolpedagogie op zijn manier en met zijn gezichtspunten in de praktijk bracht.

Op mijn blog [rechts in de kolom BLOGROLL] staat een linkverwijzing naar een van zijn sites waarop hij vele gezichtspunten over o.a. zijn praktijk van het lesgeven heeft gepubliceerd.

Hier verwees ik naar hem toen het ging over ‘blokschrift aanleren of niet’, en stelde:
Het is zeer de moeite waard om zijn gedegen uiteenzettingen over de vrijeschoolmethodiek grondig te bestuderen!

Nu heeft Luc zich op zijn site LUXIELEN in een reeks artikelen uitgesproken over de vraag of de vrijeschool, in Vlaanderen steinerschool genoemd, een antroposofische school is.

In zijn eerste artikel zegt hij:
‘Is de steinerschool een antroposofische school? In vele opzichten niet, maar de wetenschappelijke vakken zijn wel sterk getekend door de antroposofie. Er is werk aan de winkel om de steinerscholen hiervan te bevrijden. Ik probeer al vele jaren de steinerleerkrachten hiervan bewust te maken, maar dit dringt moeilijk door. Dat Steiner zelf meer dan eens gezegd heeft dat er geen antroposofie in de school mag komen, is een uitspraak van hem die blijkbaar niet gehoord wordt.’ 

Luc is in de reeks van inmiddels 11 artikelen tot de conclusie gekomen dat er ‘een te groot antroposofisch keurslijf’ is waaruit – volgens hem – de scholen zich moeten bevrijden.’

Ik vraag me met hem af: wat is ‘het antroposofische’ in de school, waar vind je het.

Bij het lezen van de pedagogische voordrachten viel het mij op dat Steiner er steeds maar weer op terugkwam dat de vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school moet zijn:

Rudolf Steiner over antroposofisch onderwijs

Luc is van mening dat er wél sprake is van ‘antroposofische dogma’s’ en hij geeft veel voorbeelden van wat in zijn optiek antroposofie in het vrijeschoolonderwijs is.

In Is de steinerschool een antroposofische school (1) gaat het over geschiedenis, dier- en plantkunde.

Luc:
‘Het vak mens- en dierkunde dat Steiner voorschreef voor de vierde klas van de lagere school, begint met het antroposofische mensbeeld. De dierenwereld deelt hij, in analogie met het driedelige mensbeeld, in in kopdieren, borstdieren en rompdieren. De voorbeelden die hij gaf, worden nog steeds in alle steinerscholen onderwezen: de inktvis als kopdier, de adelaar en leeuw als borstdieren en het rund als rompdier. Zeldzaam zijn de leerkrachten die van deze richtlijn afwijken en zich meer richten op de wetenschappelijke indeling van de dierenwereld.’

Beste Luc,
Wanneer je het mensbeeld meteen ‘antroposofisch’ noemt, wekt dat de indruk dat het ‘antroposofie’ is. Maar de indeling in hoofd, romp en ledematen is geen exclusief antroposofische, maar staat o.a. in ‘Anatomie en fysiologie van de mens (onder 4.5). Voor de dierenwereld is deze indeling: kop, borst, poten een gangbare en ook deze op de mens toepassen, levert niet iets ‘antroposofisch’ op, maar geeft simpelweg een beeld van de realiteit.

(Een interessante gevolgtrekking zou kunnen worden gemaakt: als de indeling hoofd-romp-ledematen een realiteit is en de antroposofie beschrijft deze indeling, dan beschrijft de antroposofie dus een realiteit. Wie zou daar tegen kunnen zijn? Als die indeling ‘waar’ is, beschrijft zij dus de waarheid!)

De indeling die je aangeeft in kopdieren, borstdieren en rompdieren, zou ik, wat de laatste betreft in ieder geval nog met ‘ledematen’ nader willen bepalen. Het gaat niet alleen om de vorm, maar vooral toch om de functie: bij de vorm van het hoofd: het waarnemende (de zintuigen) intellect; bij de borst: het aan bloedsomloop en ademhaling gebonden gevoel en bij de romp/ledematen: de daaraan gebonden stofwisseling.
Dat is ook een realiteit die de antroposofie eveneens beschrijft, zonder dat daarmee die realiteit ineens antroposofie is.

Je zegt: ‘De voorbeelden die hij (Steiner) gaf, worden nog steeds in alle steinerscholen onderwezen: de inktvis als kopdier, de adelaar en leeuw als borstdieren en het rund als rompdier.’
Ik zou hier iets genuanceerder willen zeggen: ‘Van de voorbeelden die hij gaf’, want er is sprake van meer dieren: muis, lam, paard, schaap, kameel enz.
Maar, inderdaad, de door jou genoemde dieren komen wel het meest aan bod.

Voor waar het om gaat, zijn het ook bijna wel de meest representatieve dieren.

Je zegt: ‘Zeldzaam zijn de leerkrachten die van deze richtlijn afwijken en zich meer richten op de wetenschappelijke indeling van de dierenwereld.

Maar dat ‘zeldzaam’ lijkt me vanzelfsprekend!
Wat jij ‘richtlijnen’ noemt, heb ik altijd beleefd als een pedagogisch principe met een diepe inhoud.

Je hebt ze misschien ook wel moeten leren, de pedagogische principes, destijds toen je voor je onderwijzersdiploma studeerde. Ik wel en wat me zo opviel in de praktijk van het lesgeven was, dat ondanks deze principes, lesgeven toch vooral kennisoverdracht was.
Een van de principes is, datJe uit moet gaan van de belangstelling van het kind. Natuurlijk, vanzelfsprekend!
Wanneer ik op je site je aanwijzingen voor dierkunde bekijk, vind ik die heel sterk. Ik kan het niet helpen dat ik meteen de ‘vrijeschoolelementen’ zie: boeiend vertellen, fabels, legenden, boetseren, schetsen, liederen, gedichten.

Maar ik mis ook iets – in mijn ogen iets heel wezenlijks.
Ik las ook je 8e artikel.

Je schrijft:
Het is dan ook een noodzaak dat alle elementen in een steinerschool die vanuit een antroposofische visie afkomstig zijn, eruit verwijderd worden.

In mijn ogen is het wezenlijke dit:
De verhouding van de mens t.o.v het dier. De eenzijdigheid van het dier t.o.v de veelzijdige mens. Het dier dat moet, de mens die een mogelijkheid tot vrijheid heeft en daardoor kan. De handen waarmee de mens kan scheppen, maar ook vernielen. Dat vind ik in je aanwijzingen voor het lesgeven niet terug en als je dat er bewust hebt uitgelaten omdat je van mening bent dat dit antroposofie is, heb je de moraliteit weggelaten, die zeer zeker geen exclusieve aangelegenheid van antroposofisch denken is, getuige de talloze filosofische opvattingen over moraliteit.
Door de dieren (als kop-, borst- of ledematendier) te karakteriseren en de kinderen gevoelsmatig te laten ervaren: eigenlijk zijn wij dat ook, maar toch weer anders, heb je een mogelijkheid ze een bepaalde samenhang te laten ervaren tussen henzelf en het dierenrijk.
Of, om het nog wat ruimer te nemen: dat ze bij de wereld horen en de wereld bij hen!

Die gezichtspunten gaven mij destijds het gevoel van: hier heb ik het verdiepte pedagogische principe van ‘uitgaan van de belangstelling’. Kan die groter zijn als het over jou gaat?

Eigenlijk heb ik het over een van de eerste zinnen in de voordracht waarmee de vrijeschool begint – uit ‘algemene menskunde als basis voor de pedagogie’:
‘wij kunnen onze taak alleen naar behoren vervullen, wanneer wij haar niet slechts beschouwen als een aangelegenheid van het intellect en van het gemoed, maar als een taak die in de hoogste zin moreel en geestelijk is;’ (  )

Ik ben er nog niet zo van overtuigd dat deze opvatting uit ‘Steiners gezond boerenverstand’ komt.

Ik krijg de indruk, Luc, dat jij ‘moreel-geestelijk’ eruit wilt, omdat je van mening bent dat dit ‘antroposofie’ is. Als ik het verkeerd heb: neem me niet kwalijk!

Die mening deel ik absoluut niet.
Als ik kijk naar wat er in de wereld gebeurt, dan hebben we als mensheid een veel grotere moraliteit nodig.
Ik volg ‘de richtlijnen’ niet omdat ze van Steiner zijn of omdat er dan ‘iets antroposofisch’ wordt gedaan. Mij geven die gezichtspunten van Steiner een mogelijkheid om met morele opvoeding bezig te zijn – dat staat helemaal los van Steiner en de antroposofie, maar zit regelrecht vast aan wat de wereld nodig heeft: meer moraliteit! Meer eerbied voor mens en wereld, hier dus mens en dier. En je hoeft maar om je heen te kijken om te zien dat de wereld dat meer dan ooit nodig heeft.
En daarom ben ik als leerkracht blij die mogelijkheid gekregen te hebben.

En daarom is het in mijn ogen goed dat je kunt concluderen: ‘Zeldzaam zijn de leerkrachten die van deze richtlijn afwijken en zich meer richten op de wetenschappelijke indeling van de dierenwereld.’

Ik weet niet precies wat je bedoelt met ‘wetenschappelijke’ indeling. Is dat de koe als: rijk, stam, klasse, orde enz; of als zoogdier naast vis en insect?
Is dat feitenkennis i.p.v. karakteriseren of naast karakteriseren. In het laatste geval krijgen de kinderen natuurlijk heel wat feiten en passant mee, die ook geleerd moeten worden. Als stofwisselingsdier met haar vier magen – pens en lebmaag moeten zeker gekend worden – en met haar vijfentwintig meter darm is het toch een heel ander dier dan de ‘wakkere’ inktvis, waarvan natuurlijk ook geleerd moet worden dat hij octopus heet en acht tentakels heeft, een papegaaienbek, een sifon, om maar wat te noemen.

Hoe kunstzinnig zet je dier en mens in de wereld.

Dit kunnen we ons niet genoeg realiseren:
dat pedagogische kunst uit moet gaan van het leven en niet van een aftreksel van wetenschappelijk denken.
(Wegwijzer 110)

Dat is volgens mij hier een essentiële vraag.

Kunst = wil en wil = moraliteit.
Wetenschap kan pas in zijn volle glorie na het 12e, moet dan ook en komt in de bovenbouw dan zonder meer – vooral door de huidige exameneisen – ruim aan de orde.

Rudolf Steiner over dierkunde: alle artikelen
.

Kritiek van Perra op ‘het indoctrinerende van de dierkunde’
.
Dierkunde: alle artikelen


.

VRIJESCHOOL in beeld: dierkunde
.

Meer commentaren op Luc Cielens artikelenreeks:
Ís de steinerschool een antroposofische school’:

[1-1] geschiedenis [1]
[1-2geschiedenis [2]
[1-4plantkunde
[2de ochtendspreuk voor de lagere klassen
[3de ochtendspreuk voor de hogere klassen
[4] meer spreuken
[5] nog meer spreuken
[6] en nóg meer spreuken
[7] het schoollied
[8] atheïst of agnost: kun je dan vrijeschoolleerkracht zijn?
[9jaarfeesten
[10] euritmie en gymnastiek
[11] muziekonderwijs

.
vrijeschool en antroposofie
alle artikelen
.

1282-1196

.

.