VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie (22-1)

.

SEKSUALITEIT (1)

Dat er op het gebied van de seksualiteit zich grote veranderingen hebben voltrokken wat o.a. openheid betreft, moge duidelijk zijn.
In de jaren ’60 – ’70 van de vorige eeuw – er was op zeker ogenblik sprake van een ‘seksuele revolutie’ stond, wat het onderwijs betreft’ de ‘voorlichting’ wel op het programma.

De in die tijd bekende Prof. van den Berg was in zijn ‘Metabletica‘ tot de conclusie gekomen, dat voorlichting nooit de essentie kan overbrengen van wat seksualiteit tussen mensen kan betekenen.
Vanuit Zweden is de voorlichtingsgolf gekomen, waarbij het vooral ging om de ‘technische’ details.
Voor veel scholen en individuele leerkrachten bleef het een moeilijk onderwerp. De discussie spitste zich soms toe op: waar gebeurt die voorlichting, thuis of op school?
Veel ouders hadden graag dat het op school gebeurde en veel scholen vonden dat het typisch iets was voor de intieme sfeer van het gezin.

En dan was er nog het vraagstuk van de leeftijd.

In ieder geval: naast het noemen van bepaalde bijzonderheden – ik kon bijv. aan een klas veel kwijt toen ik over de geboorte van onze dochter vertelde – was er niet een bepaald ‘lesstofpakket’, zoals die er nu veel meer zijn.

Dat was weer anders in de bovenbouw. De leerlingen waren ouder geworden, konden meer begrijpen en zich inleven.

In Jonas, half de jaren 1980 verschenen er drie artikelen die de seksualiteit van verschillende kanten benaderden.

Die bevatten opvattingen die nog altijd bruikbaar kunnen zijn in situaties waarin ze in de klas aan de orde zouden kunnen komen.

Het tedere midden 

Zoeken naar diepere zingeving van seksualiteit

De seksuele revolutie lijkt voorbij. Oude voorstellingen hebben hun dwingende kracht verloren. Taboes zijn doorbroken. In principe zijn alle vormen van
seksueel gedrag door onze samenleving geaccepteerd.

Heeft de revolutie er echter toe geleid dat seksualiteit een zinvollere betekenis in het leven heeft gekregen? Er is voldoende reden daar ernstig aan te twijfelen.

Met het omwoelen van het oude is het nieuwe niet vanzelf gegeven. Aart van der Stel poogt een omgeploegd terrein opnieuw te ontginnen.

In de manier waarop wij met seksualiteit omgaan tekent zich een van de paradoxale kanten van ons moderne menselijke bestaan af. Hoewel, na de verstikkende vrijheid-blijheid seksuele revolutie onder aanvoering van de NVSH, de seksualiteit ‘bevrijd’ en – met name na de ontwikkeling van de anticonceptiepil – voor iedereen toegankelijk is, kun je nog steeds niet zeggen dat de mens zich in het relationele soepeler gedraagt. Seks lijkt geen probleem meer in onze samenleving, alles kan en alles mag, maar het omgekeerde is waar: heel veel mensen weten niet meer hoe zij hun mens- en partnerzijn staande moeten houden tegenover die overdonderende vrijheid en lijden seksueel schipbreuk.

Het onderhouden van een relatie is zo’n ingewikkelde aangelegenheid geworden dat de inmenging van een of andere therapeut bijna onontbeerlijk is geworden. Dat heeft natuurlijk met allerlei sociale ontwikkelingen te maken waar de seksuele revolutie maar een exponent van is.

Zij het op een ander niveau (niet meer het technisch-biologische, want daar weten we alles van): seks is voor de moderne mens een probleem gebleven. Met name de rol die seks speelt in het contact tussen mensen en de inbreng die het mogelijkerwijs zou kunnen hebben in verdieping van die relatie is onduidelijk geworden. Gaat het nu om het ter wereld brengen van nieuwe mensen of om een driftmatige vorm van vrijetijdsbesteding?

Er is zo rond de seksualiteit een merkwaardig vacuüm ontstaan, want de oude opvattingen (voortplanting, binnen het huwelijk, alleen heteroseksuele contacten zijn toegestaan) zijn doeltreffend om zeep geholpen, maar de echt nieuwe laten nog op zich wachten. De pil en andere moderne anticonceptiva hebben seksualiteit en voortplanting radicaal losgekoppeld, trouwen doet haast geen mens meer, en zeker niet om seksualiteit mogelijk te maken, en de opvattingen omtrent homoseksualiteit zijn drastisch verruimd. Natuurlijk voelt iedereen wel aan dat veel meer dan vroeger het relationele-sociale aspect van de seksualiteit op de voorgrond komt te staan.

Daarnaast blijft het een lichamelijke aangelegenheid.
Hoe kun je seksualiteit als lichamelijk gegeven (en het gevaar op dit moment is dat dit aspect als de enige bijdrage aan ons menselijk bestaan gezien wordt) nu binnen loodsen in het relationele gebied; dat bij uitstek een psychisch-geestelijke aangelegenheid is. Dat is een vraag waarmee je, meer dan in het huidige materialistische natuurwetenschappelijke denken, juist in de antroposofie mee uit de voeten kunt.Tenminste, je kunt vermoeden dat een andersoortig mensbeeld zoals dat in de antroposofie gehanteerd wordt openingen biedt om dit probleem te benaderen. Dat andersoortige uit zich hierin dat het antroposofische mensbeeld een totaalbeeld geeft van de mens in al zijn facetten; allerlei samenhangen aangeeft waar je ze niet direct ziet en vooral het doen en laten van een mens betekenis en zin aangeeft in de biografie, de levensloop. Op seks toegespitst betekent dat aangegeven zou moeten kunnen worden in welke relatie het lichamelijke aspect staat, tot het feit dat seks zich tussen mensen
afspeelt. Waarom is een mens seksueel, waar komt dat vandaan en wat doe je eigenlijk als je met elkaar naar bed gaat? Wat heeft mijn eigen lichamelijke bevrediging te maken met degene die dat mogelijk maakt? Wat voegt mijn partnerzijn toe aan mijn belevenissen? Waarom is seks alleen minder leuk dan met iemand samen?

Bij het beantwoorden van dit soort vragen heb je behoefte aan nieuwe ideeën, aan een plaatsbepaling van de seksualiteit in het menselijke bestaan op grond van een zingeving die dieper gaat dan het feit dat seks prettig of nodig is om het menselijke ras voort te laten bestaan. In dit artikel wil ik schetsen hoe vanuit het antroposofische mensbeeld tot zulke nieuwe ideeën gekomen kan worden.

Het hele verschijnsel seksualiteit kan niet los gezien worden van het feit dat wij als mensen geslachtelijke wezens zijn. Je bent een man of een vrouw en zoniet dan is er sprake van ernstige pathologie! Seks moet zich dus afspelen binnen de polariteit van het mannelijke en het vrouwelijke. De hier gemaakte overgang van man naar mannelijk en van vrouw naar vrouwelijk is niet per ongeluk. Ik hoop aan te tonen dat ieder mens een mannelijk en een vrouwelijk element in zichzelf verenigt. Bij een vrouw staat het vrouwelijke element op de voorgrond en wordt het mannelijke teruggehouden; bij een man is dat andersom. Het lijkt zinvol om in dit verhaal verder te spreken van het mannelijke en het vrouwelijke en dat losgekoppeld te zien van de persoon, voorlopig tenminste.

Wanneer we iets zinvols over seksualiteit willen zeggen dan moeten we dus eerst een scherp beeld hebben van wat je dan in het menselijk functioneren mannelijk en vrouwelijk noemt. Je kunt trouwens niet zomaar over het menselijk functioneren spreken: een mens functioneert op verschillende niveaus die elk hun eigen wetmatigheden hebben.

Een voor dit verhaal bruikbare indeling, ontleend aan de antroposofie, is die van lichaam, ziel en geest. Daarbij is het lichaam alles wat we in de fysieke wereld aan de mens kunnen waarnemen, de geest de impuls om dit aardeleven aan te gaan en de ziel dat wat ontstaat als biografie wanneer die impuls in het stoffelijke gestalte krijgt. Een mens functioneert dus op lichaams-, zielen- en geestelijk niveau. Laten we elk niveau eens apart bekijken; hopelijk ontstaat zo een duidelijk beeld over wat nu precies mannelijk of vrouwelijk genoemd moet worden.

Adam-Eva spanningsveld

Elke daad wordt voorafgegaan door een plan, een al dan niet lumineus idee. Zo ligt ook aan elk mensenleven een plan ten grondslag. Voordat de mens het aardse bestaan betreedt is hij als idee, als spiritueel wezen in de voorstelling en verwachting van de ouders aanwezig. Er is alleen nog maar sprake van een toekomstige mens zonder meer, elke geslachtsaanduiding is daarbij speculatief, wishful thinking. De toestand waarin een mens dan verkeert kun je vergelijken met de paradijselijke situatie waarin de mens nog heel intens met God verbonden is en de aarde buiten het paradijs nog niet kent.

Er is in het paradijsverhaal sprake van één mens, Adam (wat ‘mens’ betekent) die mannelijk-vrouwelijk geschapen is. Er zijn nog geen geslachten. Wanneer Eva geschapen wordt, geboren uit het midden, namelijk de rib van Adam, komt daar verandering in. De eenheid ‘mens’ ontwikkelt zich tot een spanningsveld Adam-Eva en daarmee potentieel tot de polariteit man(nelijk)-vrouw(elijk) die voor de mens betekenis krijgt als beide echtelieden van de boom van kennis van goed en kwaad gegeten hebben. Het belangrijkste effect van die verboden vrucht is namelijk dat ze zich van hun naaktheid, dat wil zeggen van hun lichaam, bewust worden en dit bedekken. Dat heeft niets te maken met preutsheid of plotseling invallende koude in het paradijs: je bedekken is je afscheiden van de buitenwereld. Je komt tot jezelf binnen die ‘huid’ die je om jezelf aanbrengt. Wanneer het zover is dat Adam en Eva zich van hun lichaam en de daarmee verbonden geslachtelijkheid bewust geworden zijn, hebben zij de langste tijd doorgebracht in het paradijs. Zij betreden nu de aarde, elk met een eigen taak. Adam moet ‘in het zweet zijns aanschijns’ de aarde bewerken en daar moeizaam voedsel aan ontworstelen. De aarde is het gebied waar Adam, de man, mee verbonden wordt. Uit die aarde moet iets levends tevoorschijn gebracht worden. De aarde moet als het ware door de man op een hoger plan gebracht worden. Hierin zou je een ‘opwaartse’ richting kunnen zien: het startpunt voor Adam, de mannelijke mens, is de aarde, strevend naar de hemel, zoals een plant het licht tegemoet groeit.

Edvard Munch ‘Ontmoeting in het wereldruim’

Tot Eva, de vrouw of het vrouwelijke, wordt gezegd, dat zij ‘met smart haar kinderen zal baren, dat haar begeerte zal uitgaan naar haar man (de aarde!), die over haar zal heersen…’ Eva heeft het in zich als mogelijkheid om nieuwe mensen in het aardse te laten nederdalen. (Laat niemand hieruit afleiden dat de vrouw dus veroordeeld is om haar leven alleen in de keuken en in de kinderkamer door te brengen.) Door Eva wordt iets geestelijks – de impuls van hierboven – aards. Het vrouwelijke is ‘neerwaarts’ gericht: vanuit het kosmische, niet-aardse, naar de stoffelijke wereld toe.

Daar waar de mens geestelijk wezen, paradijselijk mens is, is hij (!) in principe ongeslachtelijk. Het gebied van het culturele, het wetenschappelijke en het religieuze is evenzo ongeslachtelijk, of zou dat moeten zijn. Feministische kunst heeft mijns inziens dan ook alleen maar betekenis en zin voor zover zij laat zien dat op een oneigenlijke manier één van beide seksen, hier de mannelijke, zich meester heeft gemaakt van het geestelijke, culturele leven. Feministische kunst op zichzelf is onzin. Maar in het geestelijke ontstaat vanuit het ongeslachtelijke het geslachtelijke. Het is als aanleg, als blikrichting aanwezig.

Embryonale fase

Zoals boven al even werd aangeduid ligt de situatie op lichamelijk niveau totaal anders.
Als lichaam, en laten we voor de duidelijkheid voorlopig over het volwassen lichaam spreken, ben je direct als man of vrouw herkenbaar. De man is zwaarder gebouwd dan de vrouw, hoekiger, aardser zou je kunnen zeggen. De vrouw is ronder, heeft minder zware botten, is ‘wolkiger’, onaardser, kosmischer. Om het overdreven duidelijk te stellen: het beeld van het mannelijk lichaam is het skelet, het meest aardse deel van ons lichaam, het beeld van de vrouw is dat van zo’n mollig engeltje dat, met een trompetje aan de mond, zoveel frontpagina’s van muziekboeken etcetera siert. Het lichaam van de man tendeert naar het uitgevormde kristal, de vrouw houdt zich daarin terug, en blijft plastischer, vloeibaarder bijna.
Dat het vrouwelijke op lichamelijk niveau ook als kosmisch gezien kan worden, wordt nog eens duidelijk aan de manier waarop het lichaam in de embryonale fase zijn geslachtelijk uiterlijk krijgt.

In eerste instantie is er in het embryo sprake van bepaalde kiemcellen die nog niet als mannelijk of vrouwelijk te herkennen zijn. Zij worden gevonden in de nabijheid van de nier-in-wording, de oernier. Die kiemcellen ‘zakken af’ in het embryo, wanneer de nier naar beneden uitgroeit. Wanneer de oernier beneden, in het gebied van de anus is aangeland, worden in dat gebied hoopjes kiemcellen gedeponeerd. De nier trekt zich dan terug en laat de kiemcellen achter, die zich zullen ontwikkelen tot seksorganen. Het interessante is nu dat op de een of andere manier de mens-in-wording op dat moment besluit of ‘het’ als meisje of als jongen door het leven wil gaan: bij het meisje wordt het klompje kiemcellen tot eierstok en stijgt het geheel een beetje op in het lichaam (de eierstokken liggen uiteindelijk in de buik naast de baarmoeder) en bij het jongetje worden de kiemcellen tot zaadballen, die een afdalende beweging maken en wel zodanig dat deze organen buiten het lichaam in de balzak komen te liggen, zover mogelijk naar beneden dus. Eierstokken en zaadballen spelen een belangrijke rol in de vorming van hormonen, die het uiterlijk van de mens, mannelijk of vrouwelijk, gaan bepalen.

Natuurlijk kan hier als tegenwerping gemaakt worden dat al vanaf het allereerste begin, namelijk bij de versmelting van zaad- en eicel, besloten is of iemand een man of een vrouw zal zijn. Dat is ook zo, maar je kunt het niet zien! Het gaat er in de speurtocht naar de geslachten niet om iets te bewijzen, maar eerder is het de bedoeling een en ander uit waarneembare verschijnselen aannemelijk te maken.

Hormonen

Niet alleen de ligging in het menselijk lichaam drukt iets uit van de polariteit mannelijk – vrouwelijk, ook in het functioneren wordt dat duidelijk. De eierstokken functioneren ritmisch en produceren één maal per maand een eitje, dat zich heel passief gedraagt en zich eventueel laat bevruchten. We spreken als we het over de cyclus hebben nog van maanstonden als verwijzing naar het feit dat de duur van de cyclus en de omlooptijd van de maan in het ideale geval gelijk zijn.

De zaadbal kent zo’n ritme niet maar produceert onophoudelijk zaadcellen, die uiterst actief zijn en een hele lange weg moeten zwemmen om een bevruchting tot stand te brengen. Op lichamelijk niveau is mannelijk het equivalent van aards-actief en vrouwelijk van kosmisch-passief.

Op hormonaal niveau is het overigens niet zo dat een man alleen maar mannelijk hormoon, testosteron, produceert en een vrouw alleen maar vrouwelijke hormonen, oestrogeen en progestageen. Elk menselijk lichaam produceert alle sekshormonen, met name in de bijnieren. (Functioneel zijn de seksuele organen dus toch nog met de nieren verbonden!) Een man wordt dus uiterlijk het meest beïnvloed door zijn testosteron, terwijl oestrogeen en progestageen zich als het ware terughouden. Het is niet goed denkbaar dat die vrouwelijke hormonen er zó maar zijn. Het menselijk lichaam verspilt geen energie; hoe beter je het leert kennen hoe duidelijker dat wordt. Wanneer we nu dat menselijk lichaam opvatten als een samenwerkingsverband van het fysieke lichaam (een antroposofische term voor alles wat de amorfe, aardse substantie van het lichaam is) en het vormkrachtenlichaam (dat samenstel van krachten die aan die amorfe materie een vorm geven), dan wordt een mogelijkheid zichtbaar om zowel mannelijk als vrouwelijk hormoon te plaatsen.

Bij een man bijvoorbeeld werkt het testosteron door tot in het fysieke, tot in de uiterlijke gestalte; het vrouwelijke hormoon, dat wel aanwezig is maar zich, zoals gezegd, terughoudt, beperkt zich tot het vormkrachtenlichaam en treedt alleen in het functionele naar buiten. Dat functionele, in feite een hogere vorm van lichamelijkheid, wordt dan zichtbaar in bijvoorbeeld het gedrag of het denken. (Denken kun je beschouwen als het functioneren van vormkrachten die niet meer nodig zijn voor de vorming van het lichaam, maar gemetamorfoseerd zijn tot denkkracht.)

In het mannelijk lichaam zie je dus dat het uiterlijk mannelijke innerlijk en onzichtbaar wordt ‘goedgemaakt’ door een vrouwelijk element: een man heeft de neiging te denken in grote, soms onpraktisch vage verbanden met gebrek aan oog voor details; hij gaat graag in discussie en vertoeft zoveel mogelijk in de wereld van de ideeën. Natuurlijk moet je met dit soort beweringen ontzettend oppassen. Wat is in het denken van een man nu echt vrouwelijk, dat wil zeggen kosmisch, en wat is bepaald door dat wat we het rolpatroon noemen? Het is niet de bedoeling om hier een uitputtende psychologie te schetsen uitgaande van de hierboven beschreven polariteit, maar het is zeker mogelijk.

Lichaam en geest zijn eikaars tegengestelden. In het geestelijke is de eenheid het uitgangspunt en de polariteit de ontwikkelingsrichting. Op lichamelijk niveau is dat precies andersom, want wat je lijf betreft ben je primair man of vrouw, maar je hebt het in je om je geslachtelijkheid te overstijgen en naar de andere sekse toe te groeien, zoals aangeduid met het verhaal over de hormonen.

Versmelting van kwaliteiten

Met het beschrijven van de mannelijke en de vrouwelijke tendensen in het menselijk functioneren, het aards-lichamelijk-seksuele enerzijds en het geestelijk-inidividuele-liefdevolle anderzijds, heb je echter nog geen levend mens voor je. Integendeel, als je met een ander mens te maken hebt, ervaar je hem of haar als totaalwezen en is er geen sprake van óf het lichaam óf de geest. Die elementen splitsen zich pas bij analyse van een contact uit; dan ontdek je dat elk contact een mannelijk aspect heeft, de lichamelijkheid van je gesprekspartner – en een vrouwelijk aspect – wat zijn iemands motieven en beweegredenen in het leven, wat is zijn stuwende impuls. Elk mens is een versmelting van mannelijke en vrouwelijke kwaliteiten op een heel eigen individuele manier.

Dat laatste is overigens aan elk mens het enig interessante: de lichamen van ons allen verschillen maar op onderdelen als lengte, gewicht, huidskleur etcetera en de wil om op aarde te komen is ook voor iedereen gelijk en niet meer dan een uitgangspunt. Nee, wat doet iemand met die twee gegevens en hoe heeft hij die in de samensmelting tot een evenwicht gebracht, dat is boeiend! Elk echt contact moet er op gericht zijn om wederzijds iets van dat evenwicht boven water te krijgen, op welk niveau dat contact zich voltrekt. Het is daarbij interessant om te merken dat zo’n individueel evenwicht, de middenpositie tussen lichaam en geest, zijn stempel drukt op het hele functioneren van een mens, geestelijk, lichamelijk en emotioneel.

Hoe iemand zijn lichaam ‘gevormd heeft’ is ingekleurd door dat midden, denk maar aan de temperamenten die zich niet beperken tot het psychische maar ook lichamelijk duidelijk afleesbaar zijn. En in de kunst zie je dat terugkomen in het feit dat bijvoorbeeld de schilderijen van Rembrandt, hoe verschillend onderling ook, toch allemaal als van hem afkomstig herkenbaar zijn aan dat wat je een picturaal handschrift zou kunnen noemen. De mens smeedt uit de hem ter beschikking staande tegengestelde krachten een uiterst individueel evenwicht met een heel eigen kleur die door de hele persoon heen zichtbaar is en alle geledingen doortrekt: Rembrandt is Rembrandt in zijn waarnemen, aanvoelen van stemmingen en weergave daarvan. Misschien kunnen we met deze constateringen tot enig begrip komen van de problemen die er leven met betrekking tot de seksualiteit.

Materialistisch

‘Mannen willen te vaak vrijen en vrouwen willen dat te weinig’. Zo zou je het klachtenpatroon over het seksuele gedrag van de respectievelijke tegenpartijen kunnen samenvatten. Het blijkt moeilijk om op een wederzijds bevredigende manier in eikaars seksuele behoeften te voorzien, ook al zou je dat niet zeggen als je zo om je heen kijkt; zoals in het begin van dit artikel al geconstateerd springen de ‘moderne mensen’ nogal gemakkelijk bij elkaar in bed.

Edvard Munch ‘De kus’

Als je nagaat wat er in die ‘gemakkelijke’ relaties eigenlijk gebeurt, dan moet je concluderen dat geen van beide partijen echt los kan komen van het puur lichamelijke. Ieder ‘loopt zijn eigen hormonen achterna’. Het gaat om het bevredigen van de eigen behoeften en begeerten aan het lichaam van de ander. Kortom, we gaan er nogal materialistisch mee om.
Dat is trouwens niet zo gek want we leven in een zeer materialistische (is mannelijke) tijd. Alles draait om de materie; het hele natuurwetenschappelijke onderzoek is erop gericht om aan de stof elk denkbaar geheim te ontfutselen en dat te gebruiken om de materie te manipuleren. Ook de seksualiteit is hier niet aan ontsnapt getuige bijvoorbeeld het onderzoek van het seksuele gedrag van de mens in allerlei laboratoriumopstellingen door Masters en Johnson.

In denken en doen overheerst het fysieke dat in dit verhaal mannelijk werd genoemd. Deze tijd is een echte mannentijd, het mannelijk-aardse is, ook in het omgaan met ons lichaam, toonaangevend. Denk in dit verband ook aan medisch-wetenschappelijke verworvenheden als anticonceptie, vruchtwateronderzoek en reageerbuisbaby’s, waarmee het hele proces van de voortplanting gereduceerd is tot een technisch probleem.

Ook voor de antroposofie is het stoffelijke het uitgangspunt bij het verkrijgen van kennis over de aardse werkelijkheid. Wat de natuurwetenschap bij haar onderzoek boven water haalt aan feitenmateriaal wordt dan ook beslist niet afgewezen of ontkend. De antroposofie verschilt met betrekking tot die feiten uit de natuurwetenschap in haar manier van benaderen en interpreteren van de verschijnselen. In de fenomenologie, de leer der verschijnselen, gaat het dan niet alleen om feiten maar veel meer om processen: hoe gedraagt de plant of het menselijk lichaam zich, hoe verlopen organische processen in de tijd en hoe verhouden ze zich tot elkaar. Zo werkend krijg je langzamerhand een idee over datgene wat achter het materiële schuilgaat, wat de goudsbloem tot goudsbloem maakt, de man tot man en de vrouw tot vrouw. Je krijgt het vermoeden dat niet-materële, geestelijke krachten zich in het stoffelijke uitdrukken en er hun eigen vorm aan geven. De stof is het vehikel van onzichtbare, kosmische krachten. Wanneer je dus én de stof leert kennen in zijn eigen wetmatigheden én op zoek gaat naar datgene wat zich van die stof bedient, dan ben je pas écht materialistisch bezig!

Tedere midden

Het hele bovenstaande verhaal over het mannelijke en het vrouwelijke kun je beschouwen als een fenomenologische voorstudie om de seksualiteit ook echt materialistisch te benaderen. Hoe doe je dat dan? Allereerst door je te engageren met de stof, dat is je eigen lijf. Dat is het minst moeilijke gedeelte van het werk: je ziet aan je eigen lijf of het mannelijk of vrouwelijk is, je vindt het prettig om te vrijen, te strelen, gestreeld te worden en tot een hoogtepunt te komen. Seks is gewoon lekker en dat hoef je niet weg te drukken. Maar wil de seksualiteit echt een menselijk niveau bereiken dan moet er meer gebeuren. Dan moet je zoeken naar dat wat zich achter het lichamelijke verschuilt, bij jezelf en bij de ander. Daarvoor moet je je hormonen als het ware een beetje terugdringen. De ander, of die nu van hetzelfde of het andere geslacht is doet niet ter zake, moet tot zijn recht kunnen komen. Als vrouw kan je niet van een man verwachten dat hij net zo ‘kosmisch’ georiënteerd is als je zelf bent. Je moet begrip ontwikkelen voor het mannelijke aspect van het menszijn. En als man moet je temidden van het mannelijk-aardse plaats gaan maken voor het vrouwelijk-kosmische. Maar je moet nog verder! Het gaat niet alleen om de polen, de tegenstellingen, maar om het individuele midden zoals boven beschreven. Wat voor midden verschuilt zich achter dat lichaam van mijn partner, wie is dat eigenlijk?

Seks heeft zo zijn natuurlijke en zijn tegennatuurlijke kanten, tenminste bij de mens. In het genot ben je aards-egoïstisch op jezelf gericht, in je ‘fenomenologische arbeid’ kosmisch-liefdevol op zoek naar het individuele in de ander. Bovenal leer je natuurlijk in alle activiteiten die op de ander gericht zijn iets van je eigen persoon ervaren: ik ben seksueel actief en ik schep voor een ander ruimte.

In de seksualiteit wordt zo een mogelijkheid zichtbaar om op een aardse wijze de eigen geestelijke gestalte waar te nemen door het samengaan met een ander op een heel intieme manier. Daarbij past geen agressieve egoïstische zelfbevrediging maar tederheid, ruimte scheppen voor de ontmoeting. Tegenover de eigen geslachtelijke eenzijdigheid plaatst zich het tedere midden.

.

Aart van der Stel, Jonas 19, 11-05-1984

.

deel 2  deel 3

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1670-1565

.

.

.

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsbelemmeringen (3)

.

Annet Schukking, Jonas 13, 19-02-1988
.

kinderen die niet praten
.

Stralend kijkt een baby je aan. Blijdschap, herkenning! Er komt een lachje, kleine kirrende geluidjes.

Of juist het tegendeel. De blik is ernstig onderzoekend. Er komt een koddige frons tussen de ogen, de mondhoeken trekken omlaag, lipjes beginnen te trillen, mekkerend geblaat zet in en zwelt aan tot gebrul.

Een baby kan nog niet praten, maar de drang om zijn gevoel te uiten leeft al in hem. Ook in rust maakt hij allerlei geluidjes, van een simpel ‘urruh’ tot uitbundig kraaien toe.
Na de babyfase, na het zich oprichten, gaan zitten, gaan staan, gaan lopen, beginnen de eerste woordjes te komen. Het kind begint te praten, zich met de taal te verbinden. Dit is uiterst belangrijk want met de taal leert een mens aan veel meer uitdrukking te geven dan dat hij met kreten en bewegingen kan doen.

Het kind begint in de loop van de volgende jaren in steeds wijdere kringen dingen om zich heen te zien, te benoemen en met elkaar in verband te brengen, hij gaat denken en vragen stellen (de bekende ‘waarom?’ periode), hij begint zelf verhaaltjes te vertellen en eigen woorden te creëren. In een stormachtig tempo maakt het kind zich een verbluffend vocabulaire eigen en een heel leven lang gaat dit proces door, zij het steeds kalmer aan.

Naast de moedertaal kunnen andere talen worden geleerd en het gebruik van de eigen taal kan steeds meer verfijnd, gedifferentieerd, rijker en creatiever worden. Maar het allerbelangrijkste van taal is dat het de mogelijkheid geeft om gesprekken te voeren, niet alleen de gewone communicatie, maar gesprekken waarin zowel de diepste gevoelens als de beste gedachten uitgesproken kunnen worden.

Hoe belangrijk de taal voor een mens is als middel om aan zijn meest wezenlijke behoefte — het zich ontwikkelen — te voldoen, is nergens zo indrukwekkend te voorschijn gekomen als in de biografie van Helen Keller, het doof-blinde kind dat eigenlijk pas mens begon te worden nadat zij door een speciale, aan haar handicap aangepaste methode, toegang kreeg tot de taal.

‘Wanneer een kind van twee jaar nog niet begint te praten, dat wil zeggen enkele woordjes te spreken of te brabbelen, dan is er iets mis’, zegt Xavier Tan, kinderpsychiater te Amsterdam.

Wat kan er mis zijn? Het kind kan doof zijn, er kan een hersenbeschadiging zijn of er kan iets met het spraakorgaan niet in orde zijn. Wanneer geen van deze problemen aan de orde is en het kind wèl begrijpt wat er gesproken wordt zonder dat het zelf tot spreken komt, kan het zijn dat je te maken hebt met een dysfatische ontwikkeling.

Vroegtijdige diagnose

Xavier Tan, een kleine donkere man met opvallend fijngevormde handen, werd geboren in Djakarta en groeide op in het vooroorlogse Indonesië. Zijn grote liefde geldt Bali, waar, vooral in de minder toeristische gebieden, nog een oorspronkelijke cultuur aanwezig is die onder andere sterk leeft in ritme, klank en dans. Dit zijn elementen die Tan onder meer toepast om bij zijn patiëntjes de spraakstroom op gang te krijgen.

Tan spreekt levendig en straalt dat soort gemoedswarmte uit dat eigen is aan mensen die in de buurt van de evenaar geboren en getogen zijn. Zijn opleiding is echter westers-wetenschappelijk. Toen zijn aanvankelijke wens chirurg te worden om praktische redenen niet realiseerbaar bleek, heeft hij zich in de kinderpsychiatrie gespecialiseerd. In zijn betoog wisselen kleine gespeelde situaties zich af met medische termen, Amerikaanse praktijkvoorbeelden en flitsen uit Europese cultuur.

Telkens weer roept Tan hoe belangrijk het voor een kind is dat vroegtijdig de diagnose wordt gesteld. Aandacht voor het beeld van de dysfatische ontwikkeling bestaat relatief kort. Tan kwam in zijn werk als consulent van LOM-scholen kinderen tegen waarbij het niet ging om een vertraging in de algehele ontwikkeling, maar waarbij hij te maken had met kinderen die de taal beter kunnen begrijpen dan dat ze die kunnen spreken. Er bestond een opvallende stoornis in de overgang van een waarneming, een gevoel, een gedachte, een beleving of een idee naar het gesproken woord. Tan merkte tot zijn verbazing dat dit verschijnsel niet werd onderkend. Toen hij begon in te zien welke rampzalige consequenties dit voor een kind kan hebben, was zijn conclusie: ‘Daar moet iets aan gedaan worden!’.

‘Als het een kind van een jaar of twee niet lukt om te gaan praten terwijl het er wel aan toe is, de drang wel aanwezig is, en het de respons niet krijgt waar het behoefte aan heeft, dan gaat het zich in zichzelf terugtrekken. Dat heeft begrijpelijkerwijs invloed op zowel zijn emotionele als zijn cognitieve, verstandelijke ontwikkeling. Wanneer je er niets aan doet zal zo’n kind zich als zwakzinnig gaan gedragen. Het kan dan ten onrechte in een zwakzinnigeninrichting terecht komen. En krijg het daar maar weer eens uit! Dat is bijna onmogelijk.

Praten doe je met je gevoel

Eind 1982 werd de Stichting Dysfatische Ontwikkeling opgericht en sindsdien is Tan bezig om met een groeiend team van medewerkers een multi-disciplinaire diagnostiek en therapie in praktijk te brengen. Het team bestaat uit een kinderneuroloog, een psycholoog, twee logopedistes en twee ergotherapeuten. ‘Maar het mooiste zou zijn als je het werk dat deze mensen doen allemaal in één of twee personen zou kunnen samenvatten’, zegt Tan.

Als kinderpsychiater houdt hij zich bezig met de gevoelsontwikkeling. De hele spraak-taalontwikkeling bij een kind is tot nu toe altijd onderzocht door linguïsten (taalgeleerden), neurologen of psychologen. De laatste tien jaar heeft men op het gebied van de neurofysiologie veel ontdekkingen gedaan, maar niet zo geïntegreerd.

‘Je moet van veel dingen afweten om dat te kunnen integreren. In de academische wereld zijn in de loop der eeuwen vakken als muziek en beeldende kunst afgevallen. Deze tendens is nadelig, en bij kinderen merk je dat deze muzische kant nodig is bij de vroege ontwikkeling (vóór vier à vijf jaar).

We weten tegenwoordig dat er twee hersenhelften zijn, de rechter- en de linkerhemisfeer, ieder met hun eigen bepaalde functies. De verbinding tussen die twee komt bij deze kinderen niet goed op gang. Als je rechtshandig bent, ontstaat er een taalcentrum in de linkerhelft. De rechterhemisfeer, daar zitten dingen als beleven van muziek en tekenen, die totaal anders zijn dan wat bij de linker hoort, die meer voor het logische is, voor een bepaalde vorm van praten.

Wat is praten? Hoe doe je dat? Ik zeg: praten, in ieder geval zoals kinderen praten, dat doe je met je gevoel! Daartoe behoort bij voorbeeld de intonatie, die door kinderen feilloos begrepen wordt.’ Tan acteert en slaat met zijn vuist op tafel: ‘Ik heb het je toch gezegd! Héé? … Eh! Dat zijn nauwelijks woorden, dat is puur intonatie.’

Kinderen kunnen dat ook prachtig imiteren, constateren Tan en ik. Ik herinner me hoe een vierjarig jongetje mij eens een boekje ‘voorlas’, letterlijk de tekst zoals die op iedere pagina stond, weergaf met alle intonaties waarmee zijn vader het hem ontelbare malen had voorgelezen, alleen al op de visuele herkenning van de pagina en de plaatjes zonder dat er natuurlijk van echt lezen sprake was.

Moeilijk voor academici

Tan: ‘Bepaalde dingen weten we, bij voorbeeld dat een kind al direct na de geboorte kan onderscheiden: menselijke stem — niet menselijke stem, een paar uur na de geboorte! Wat we ook weten is dat één hersencel een hele hand kan zien; dat is bij apen zo, maar dat moet bij mensen ook zo zijn. Dat is de rechterhersenhelft.
Die hele hersenfysiologie blijkt moeilijk direct in linker- of rechter hemisfeer te onderscheiden: wat bekijkt iemand analytisch en wat ziet hij in één oogopslag. Als je een kamer binnenkomt, kun je al meteen een totaalindruk krijgen (Gestalt) en pas daarna ga je analyserend waarnemen. Het is een tweeduidige vorm van waarnemen.

Mensen in een land als Bali nemen anders waar dan in het tegenwoordige Europa en Amerika. Daar overheerst de linker hemisfeer; het digitale en de computer.’

‘Je moet je voorstellen dat je twee vormen van waarnemen hebt, zeker bij het jonge kind. Dat is ook nodig, dat is survival of niet-survival, overleven of niet overleven, je moet meteen kunnen zien: vijand of niet-vijand. Dat soort aspecten is moeilijk voor academisch gevormde mensen: ‘Ach, dat is niet aantoonbaar’, zeggen ze dan.

Er is al veel onderzoek gedaan op het gebied van hersenfysiologie, maar het is voornamelijk onderzoek bij volwassenen. Het kind is natuurlijk in ontwikkeling. Cellen moeten nog op hun plaats komen. Komen ze niet op hun plaats, dan ontstaan bij voorbeeld bij het spreken verwisselingen van lettergrepen. Verder is de hele motoriek belangrijk voor de spraak-taalontwikkeling. Daarmee raak je de werkgebieden van euritmie en toneel. De Russische toneelpedagoog en -theoreticus Stanislavski (1863-1938) zegt: als je een poes aait op toneel, moet je niet zomaar wat doen, je moet je terugverplaatsen in hoe je als kind een poes hebt geaaid, dan komt die motoriek vanzelf.’ ‘Het is moeilijk om een algemeen beeld te geven van de therapie. Er spelen veel factoren een rol: leeftijd, motoriek, wat kan het kind wel, waar kun je op aansluiten. Iedere profielschets zal weer anders uitvallen. Je gaat mee in wat het kind al kan en dit stimuleer je op de juiste manier door middel van spel, klank, muziek (eenvoudige kinderliedjes), ritme (schommelen) en beweging. Steeds moet het totaalbeeld in het oog worden gehouden. Bij het toespreken speelt ook de intonatie een belangrijke rol.

Allereerst moet je een relatie met het kind krijgen. De moeder moet een paar keer komen praten, de kamer zien. Het behandelingsteam moet ook mobiel zijn. Als een kind erg jong is, gaan kinderpsychiater, logopediste en ergotherapeute op huisbezoek. Doel is het kind in een ontspannen situatie en een vertrouwde omgeving te ontmoeten en andersom: dat het kind de therapeuten leert kennen.

Een hulpmiddel bij de behandeling is het visueel maken van de taal. Een Zweedse vrouw, Ragnhild Söderbergh, heeft geheel vanuit het gevoelsbeleven van het kind, een methode ontwikkeld om dove kinderen te leren lezen. Ik veronderstel trouwens dat het probleem van de spellingfouten, dat je tegenwoordig zoveel tegenkomt, samenhangt met een meer auditief gericht taalonderwijs, terwijl het vroeger meer op het visuele letterbeeld gericht was.

De leesmethode van Ragnhild Söderbergh staat centraal in onze geïntegreerde groepsbehandeling en deze taal wordt uitgevoerd via een kleuterleidster. Er is nu een groepje kinderen in de leeftijd van vier tot negenjaar dat één maal per week anderhalf uur therapie krijgt.

Het is frappant dat moeders die onze folder lezen vaak zeggen: dat is het, dat heeft mijn kind. Ze hebben een soort instinct, ze herkennen het onmiddellijk. Ik denk dat moeders vaak instinctief het juiste voor hun kind doen.’

Weten, wat je doet

‘Het komt er op aan dat je met het juiste affect komt. Dat kun je echter niet alléén met instinct. Je moet wéten, wat je doen moet, kennis hebben. Het is heel belangrijk dat je alle determinanten (bepalende factoren) van de spraak-taalontwikkeling versterkt, zoals lichamelijk contact, spel, zingen, ritmische beweging. Laat je een kind schommelen, dan komt er al gauw iets van a – la – la. Zegt het kind al een woordje, bij voorbeeld ‘pappa – auto’, dan haak je daar op in: o, ben je met pappa in de auto geweest. Niet invullen wat het wil zeggen, ook niet corrigeren. Spontaan kunnen deze kinderen zich ook beter uitdrukken in een dialoog. Die moet je niet direct aangaan als je zo’n kind tegenover je krijgt. Je begint zelf te kwebbelen, zo van: ‘o, je komt met je vader’, en dan ga je door zodat het kind alleen maar hoeft mee te lopen en ja of nee te zeggen.

Dysfatische ontwikkeling bestaat in graden. De duur van de behandeling is zeer variabel. Die is afhankelijk van de ernst van het beeld, de leeftijd waarop het ontdekt wordt en waarop de therapie wordt ingezet. Verder ook van complicaties zoals dyspraxie (storing in de verbinding tussen denken/voorstellen en doen) of epilepsie, en van de intelligentie van het kind. Het zijn vooral de jonge kinderen, tot ongeveer zes jaar, die een behandeling vragen met een vrij hoge frequentie.

Als een kind op school zit, hangen behandeling en begeleiding samen met wat een school hierin kan bieden. Eventueel begeleidt men ook de leerkrachten van het kind. Bij jonge kinderen moeten de ouders veel doen bij de behandeling.’

Kind-onvriendelijke cultuur

Xavier Tan heeft een dubbele functie bij de Stichting Dyfatische Ontwikkeling. Behalve coördinator van het onderzoek- en behandelingsteam is hij ook voorzitter van het bestuur van de stichting. Hij meent dat hij het interview moet geven vanuit deze laatste functie. Wat hij zinvol vindt, is dat men er toe komt het beeld te onderkennen. Informatie geven over de therapie, bij voorbeeld door het beschrijven van een case, of het vermelden van resultaten hoort volgens hem in een vakblad thuis, daar waar deskundigen hierover kunnen oordelen en discussiëren.

Over stoornissen van de spraak of van het taalbegrip bij volwassenen als gevolg van hersenbeschadiging is, medisch gezien, al veel bekend, van kinderen die in het begin van de ontwikkeling van deze vermogens staan, nog vrijwel niets, ook in het buitenland niet. Tan werkt met kinderen uit Hamburg, Curacao en Boston. Bij navraag bij verscheidene artsen en psychiaters blijkt dat ook in de antroposofische geneeskunde geen duidelijkheid is over de dysfatische ontwikkeling. Dat kan te maken hebben met het relatief kleine aantal kinderen dat deze ontwikkeling vertoont; ook kan het zijn dat door het muzisch-ritmisch element van het peuter- en kleuteronderwijs in de vrijescholen al veel ‘vanzelf’ genezen wordt.

Tenslotte rijst de vraag of je ook hier weer te maken hebt met de invloed van de uitgesproken kind-onvriendelijke cultuur waarin vooral de stadskinderen opgroeien en waarvoor meestal te weinig compensatie wordt geboden.

Hoe dan ook — het gaat, denk ik, niet alleen om alertheid op een goed verloop van de spraak-taal-ontwikkeling van het jonge kind, ook de verzorging van het gevoelsleven van de baby van het prille begin af aan vraagt nadrukkelijk om aandacht.

.

Een aantal gezichtspunten is zeker nog actueel. Het dysfatisch ontwikkelingscentrum is nog actief. Meer hierover.

.

Ontwikkelingsbelemmeringen: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

1669-1564

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (9-2)

.

Zie voor een inleiding op deze artikelen deel 1

Een artikel – vanuit weer andere motieven – over het basisinkomen stond op 7 juli 2018 in Trouws Letter en Geest, waarin een aantal duidelijke parallellen met de visie van Brüll.

De eigenlijke vraag luidt niet of het basisinkomen financierbaar is

Een moedig rapport. Dat vindt professor Zwart van het in juni* verschenen rapport van de wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid.

Tenminste, in aanmerking genomen dat het voorstel van de Raad voor alle burgers een gedeeltelijk basisinkomen in te voeren, bepaald niet alledaags is.

Het moment voor het voorstel van de WRR lijkt op het eerste gezicht goed gekozen. Om te beginnen speelt sinds enige tijd in politiek Den Haag de vraag, hoe het stelsel van sociale zekerheid moet worden herzien. Dat er iets moet gebeuren is duidelijk. De verhouding van de zogeheten collectieve sector (rijksschatkist en sociale fondsen samen) ten opzichte van de marktsector (handel, nijverheid, industrie) is immers fors uit de hand gelopen. Een kind met een waterhoofd zou men een beetje oneerbiedig kunnen zeggen. En aangezien met name door de toename van het ziekteverzuim, de arbeidsongeschiktheid en de langdurige werkloosheid, de uitgaven voor sociale zekerheid een bijzonder groot beslag leggen op het geheel van de collectieve sector, wordt steeds krachtiger de vraag gesteld naar de financierbaarheid. Bovendien sluiten de premieheffings- en uitkeringsprocedures in het geheel niet meer aan bij de toegenomen tendens naar individualisering. Verder was juni jongstleden minder dan een jaar te gaan naar de verkiezingen. Het moment, waarop in de regel de nieuwe partijprogramma’s in discussie beginnen te komen.

Goed gekozen dus, zo leek het. Maar de reacties op het rapport toonden aan, dat de situatie in Nederland nog niet rijp is voor drastische hervormingen. Nog maar nauwelijks was het standpunt van de WRR wereldkundig geworden of het hele bonte gezelschap van smaak- en opiniemakers, dat zich in ons land over zo’n zaak pleegt uit te laten, viel er languit overheen. Dat gebeurde zo snel, zo eensgezind en zo afwijzend, dat het veel weg had van moord met voorbedachte rade.

Het leek erop, dat alle betrokkenen slechts een kapstok nodig hadden om er hun bij voorbaat reeds vaststaande afwijzing aan te kunnen ophangen. En die werd gelukkig gevonden in het ontbreken van een gedetailleerd financieel plaatje. Voor de voorstanders moet het een schrale troost geweest zijn, dat het allemaal nogal doorzichtig was. Immers, een eenvoudige rekensom had kunnen leren, dat ook in het huidige arbeidsbestel elke Nederlander direct of indirect, via de marktsector of langs andere weg, in geld of in natura de een of andere vorm van inkomen geniet. Het gaat – wat de praktische uitwerking betreft – bij het basisinkomen hoogstens om een overheveling en individualisering van inkomensbestanddelen, al dan niet in combinatie met wijzigingen in het stelsel van premie- en belastingheffing.

Het is natuurlijk wel jammer, dat de discussie zo snel deze wending heeft genomen, want daardoor is misschien ten onrechte bij velen de indruk gewekt, dat de introductie van het basisinkomen noodzakelijkerwijze catastrofale financiële gevolgen met zich meebrengt.

De eigenlijke vraag luidt echter niet of het basisinkomen financierbaar is. Het gaat erom hoe hard een gemeenschap van mensen moet werken om een redelijke bestaanszekerheid (niveau van levensonderhoud) voor iedere burger te kunnen bieden en voorts welke motieven er zouden kunnen bestaan om dat ook inderdaad te doen.

Nog spijtiger is het, dat juist het tweede deel van deze vraagstelling tot nu toe niet in gesprek is gekomen. Daardoor blijft mijns inziens helaas onopgemerkt dat de introductie en geleidelijke verwerkelijking van een basisinkomen een perfecte oefening in eigentijdse gemeenschapszin zou zijn. Zo’n oefening zou een prachtige kans bieden om de vastgelopen maatschappelijke wagen weer in het goede spoor te krijgen van een vernieuwingsproces dat niet ingegeven wordt door puur partijpolitieke belangen maar door het verlangen bezig te zijn met de dingen, die moeten gebeuren omdat de geest van de tijd dit van ons verlangt, ongeacht onze wereldbeschouwelijke of politieke komaf.

Schaduwmaatschappij

Zoiets klinkt natuurlijk gauw theatraal, toch is er alle reden om het zo te stellen. Het huidige arbeidsbestel lijdt namelijk bepaald niet aan een oppervlakkige, voorbijgaande verkoudheid. De kwaal zit veel dieper en is ook veel hardnekkiger. Zij, die sinds kort betogen dat er in onze samenleving een tweedeling dreigt tussen de mensen die werk hebben en die buitenspel staan, tussen actieven en gedwongen inactieven, geven er blijk van dit te beseffen. Maar ik heb de neiging er nog een schepje bovenop te doen. De tweedeling waarop geduid wordt is in feite veel dramatischer.
Sinds enige tijd is er een ontwikkeling gaande die tot gevolg heeft dat er naast of achter de zogeheten reguliere maatschappij een complete schaduwmaatschppij aan het ontstaan is. Niet alleen met een zwartgeldcircuit, maar ook met tal van niet-officiële leefvormen, met gedragingen waarop de officiële rechtsorde nauwelijks nog enig vat heeft en met opvattingen, waarden en normen, die in het officiële woordenboek van onze cultuur niet te vinden zijn.

Door het zwartgeldcircuit keurig om te dopen tot ‘informele economie’ wordt de kloof tussen deze twee maatschappijen niet verkleind. Integendeel, in werkelijkheid is de informele economie slechts het topje van een ijsberg, die onder water snel uitdijt met allerlei vreemde aangroeisels. De snelle aanwas van deze groeisels zegt iets over onze samenleving. Om te beginnen, dat er blijkbaar een toenemend aantal mensen is, dat geen reële verbinding meer kan of wil vinden met de bestaande thans nog gangbare institutionele bedding van het maatschappelijk proces. En daarachter gaat een niet direct zichtbare maar wel werkzame tendens schuil, namelijk, dat het steeds moeilijker wordt om tussen groeperingen, die ondanks alle traditionele tegenstellingen tot voor kort toch nog betrekkelijk dicht bij elkaar stonden, bruggen te slaan als het gaat om het antwoord op de vraag hoe het leven zinvol geleefd kan worden. Dit is naar mijn mening de eigenlijke dramatiek van het einde van de twintigste eeuw. En die mag ons niet onberoerd laten. Een samenleving, die zo’n splitsingsproces toelaat, ondergraaft haar eigen toekomst. Geen gemeenschap kan immers op den duur bloeien op basis van een voortwoekerende scheiding der geesten. ‘Niet op zijn beloop’ laten betekent wel, dat we onze ideologisch en dogmatisch gekleurde brillen afzetten en al onze energie aanwenden om onbevangen opmerkzaam te worden voor de veranderingen die in de kleurstelling van het maatschappelijke decor optreden.
Dit decor leek kort na de Tweede Wereldoorlog ontworpen te zijn voor een blijspel of een familieserie in overzichtelijke afleveringen, en met het uitzicht op een goede afloop. Wederopbouw, economische groei, tripartiet overleg, de Europese Gemeenschap, de uitbouw van het stelsel van sociale zekerheid waren de titels van de afleveringen. Toen eenmaal in de loop van de zestiger jaren aan het vertrouwde maatschappelijke decor ook de nieuwe kleur van de eerste naoorlogse generatie van volwassenen was toegevoegd, leek de samenleving behalve sterke economische benen ook nog een echt menselijk, gedemocratiseerd gezicht te zullen krijgen.

Nieuwe zakelijkheid

Hoe anders is het uitgepakt. Nieuw links werd nieuw rechts; de hippies van toen maakten plaats voor de yuppies (de tekst heeft jappies) van nu; het nieuwe occultisme werd de nieuwe zakelijkheid; discussiëren werd saneren en persoonlijke groei werd weer verdrongen door economische groei. De zogenaamde zwijgende meerderheid leerde weer zijn mond open te doen en sprak: niet kletsen maar poetsen. Geheel in één lijn met deze gang van zaken werd reeds in de troonrede van 1984 aangekondigd, dat er ten aanzien van een aantal vraagstukken sprake leek te zijn van een keerpunt en een jaar later rond Prinsjesdag 1985 zonder aarzeling gezegd, dat het weer ‘beter gaat’. Met alle respect voor het ombuigingswerk dat tot nu toe in de tachtiger jaren verricht werd, moet toch vastgesteld worden dat de onverholen juichtonen in de jongste troonrede misplaatst zijn. Krasser gezegd: het is eigenlijk stuitend, dat een regering het oordeelsvermogen en het levensgevoel van de Nederlandse burger zo slecht inschat, dat zij het aandurft om een dermate eenzijdig beeld te presenteren.

Stuitend, omdat 0,1 procent koopkrachtverbetering – voor een deel van de bevolking -aangeprezen wordt als een verbetering van het bestaan. Enige tijd geleden spraken we nog over de kwaliteit van het bestaan, vandaag is dat blijkbaar gereduceerd tot statistische koopkrachtverbetering.

Stuitend ook, omdat er zoveel niet gezegd wordt wat wel tot het totaalbeeld hoort. Niets wordt er gezegd over de polarisatie in de internationale betrekkingen, niets over de toenemende tendens naar nationalisme, groepsegoïsme en protectionisme; niets over de stijging van het aantal zelfdodingen onder jongeren, niets over de opkomst van een volksbreed alcoholisme, niets over de verzuimcijfers die de pan uitrijzen en de bedroevende leerresultaten op scholen; niets over de kleine en grote criminaliteit, niets over terrorisme en fraude en niets over de opkomst van een nieuw soort analfabetisme: het onvermogen van jonge mensen om gewoon met elkaar te communiseren.

Materiaalmoeheid

Op het gevaar af te worden aangezien voor een doemdenker moest mij dit toch van het hart. Waarom? Omdat ook deze zaken onverbrekelijk deel uitmaken van het door ons zelf geschapen maatschappelijke decor. Maar vooral ook, omdat we scheve afwegingen zullen maken en foute beslissingen zullen nemen, wanneer we de talrijke symptomen die wijzen op de noodzaak van een fundamentele heroriëntatie, niet serieus nemen. Niet door schijnbeelden of door vlucht uit de werkelijkheid, maar door er nuchter en eerlijk naar te kijken, zullen we wakker worden voor de kansen op een andere werkelijkheid. En wakker worden moeten we. Tenzij we natuurlijk willen vergeten dat in de zeventiger jaren de arbeidsmarkt structureel ontregeld raakte, dat op de overgang van zeventiger naar tachtiger jaren hetzelfde gebeurde met de geld- en kapitaalmarkt en dat thans hetzelfde bezig is te gebeuren met de wereldmarkt van goederen en diensten. Werkloosheid, internationale schulden, en protectionisme zijn de symptomen dat de drie traditionele peilers van het economisch bestel, te weten de kapitaalmarkt, de arbeidsmarkt en de markt voor eindproducten zeer ernstige tekenen van materiaalmoeheid vertonen. En in zo’n geval is het goed na te gaan of het ontwerp wel goed was.

Wakker worden is de boodschap, tenzij we verder willen leven met de illusie, dat na de welvaartsmaatschappij en de verzorgingsmaatschappij thans de informatiemaatschappij de grote nieuwe kans voor een paradijs op aarde zal worden. Een illusie noem ik dat, omdat ernstig te betwijfelen valt, of een maaltijd high technology met chips variée en saus informatica ons levensgevoel echt zullen verkwikken.

En tenslotte: tenzij we zo naïef zouden zijn te veronderstellen dat de sociale bewegingen die ons in het recente verleden zo hebben bezig gehouden met de opkomst van de nieuwe zakelijkheid echt verdwenen zouden zijn. Zo eenvoudig is dat niet. Het is hoogstens de vraag, waar, wanneer en in welke vorm zij weer aan de oppervlakte zullen komen.

Misverstanden

Alle reden dus om concrete aanleidingen die er in de sociale werkelijkheid zijn om dingen te veranderen – zoals de wijziging van het stelsel van sociale zekerheid – niet met een opportunistisch aanpassingsbeleid te benaderen, maar met de houding, dat zulke noodzakelijke veranderingen een kans betekenen op een fundamentele doorbraak. Dat zal alleen lukken wanneer er een élan in de samenleving ontstaat om stoutmoedige, misschien op het eerste gehoor zelfs absurde denkbeelden met interesse te beluisteren en als vanzelfsprekend een open, eerlijke kans op uitwerking te geven. Als het gaat om het basisinkomen houdt dit wel het een en ander in.

Om te beginnen dat we een aantal misverstanden proberen recht te zetten.

Ten eerste: een basisinkomen is niet, zoals wel beweerd wordt, hetzelfde als een arbeidsloos inkomen of een soort premie voor ‘niet meer hoeven werken’. Arbeidsloos inkomen bestaat principieel niet. Adam Smith leerde reeds dat de rijkdom van een natie afhangt van de arbeid die verricht wordt. En dat is ook vandaag nog zo (uiteraard zonder daarmee de rol van kapitaal te onderschatten). Met andere woorden: inkomen moet eerst gegenereerd worden door menselijke inspanning, door prestaties te leveren. Dit weerspiegelt zich hierin dat ieder volwassen mens de vraag wordt gesteld wat hij bijdraagt aan de gemeenschap (prestatie-aspect) en wat hij verlangt van die gemeenschap (inkomens-aspect). Er is evenwel geen dwingende wet die zou zeggen dat die twee aspecten altijd direct via een beloningsstelsel gekoppeld dienen te zijn. In de praktijk is dat ook niet zo. Er zijn tal van uiterst zinvolle arbeidsprestaties die niet via de marktsector en dus ook niet via een beloningssysteem lopen. Of de mensen die zulke prestaties leveren ook een inkomen verwerven hangt af van de behoefte aan zulke inspanningen en van de hoogte van het nationaal inkomen. Nog korter gezegd: bij dit aspect van het basisinkomen gaat het uiteindelijk om de vraag hoe we onze prioriteiten stellen, hoe we onze solidariteit beleven en hoe we gestalte geven aan onze mondigheid.

Ten tweede: de arbeidsmarkt is geen echte markt, maar een schijnmarkt. Principieel is dat zo, omdat arbeid niet als koopwaar verhandelbaar is (tenzij we de slavernij weer willen invoeren) en praktisch niet omdat het zogenaamde vrije spel van aanbod en vraag, gereguleerd door de hoogte van de prijs, in dit geval nog veel gebrekkiger werkt dan dit al op de enige echte markt – de markt voor eindprodukten – het geval is.
Directe overheidsplanning en overheidsregelgeving is geen effectief alternatief. Men kan natuurlijk uitrekenen hoe lang de gemiddelde werkweek moet zijn om iedereen bij een gegeven of te verwachten volume aan arbeidsplaatsen aan betaald werk te helpen. Men kan zelfs democratisch beslissen dat de arbeidsweek collectief geregeld wordt. Maar de zeer teleurstellende ervaringen die inmiddels zijn opgedaan met het inleveren van loon of prijscompensatie in ruil voor herbezetting zou ons de ogen moeten openen voor het feit dat de werkelijkheid anders in elkaar zit. Wat ons op dit punt echt dwars zit is dat we gevangen blijven in het keurslijf van de betaalde arbeid. Onbegrijpelijk is dat natuurlijk niet, omdat velen, met name vrouwen die nog geen deel hebben kunnen nemen aan het circuit van betaalde arbeid juist hierin hun emancipatiestreven willen of menen te kunnen verwerkelijken.

Ten derde: in tegenstelling met wat vaak gedacht of gehoopt wordt is het onmogelijk om in het moderne economische leven voor jezelf te zorgen. De moderne wereldeconomie berust op wederzijdse afhankelijkheid en arbeidsdeling. Wie onbevangen kijkt ziet dat niemand nog voor zich zelf werkt. In werkelijkheid is mijn concrete arbeid altijd gericht op de behoefte van een ander en worden mijn behoeften gedekt uit de arbeidsinspanningen van anderen. Objectief altruïsme kunnen we dit noemen. Ons echte probleem op dit punt is dat ons bewustzijn en de psychologische werkelijkheid achterlopen op dit grondgegeven van het economische leven. Natuurlijk beleven we aan ons ‘verdiende loon’ gevoelens van erkenning en frustratie. Dat is maar al te menselijk. Uiteindelijk is het echter, in een economie met arbeidsdeling zo, dat ik met mijn verdiende loon aan de benzinepomp voor niets kom als een ander die niet gevuld heeft. Economie en psychologie moeten wel uit elkaar gehouden worden.

Ten vierde: ondernemerschap en kapitalisme zijn niet noodzakelijkerwijze gekoppeld. Het is waar, dat in het moderne economische leven gewerkt wordt met grote kapitaalmassa’s. Het is waar dat het te goedkoop worden van kapitaal voor ernstige verstoringen zorgt en het is ook waar dat er scheve machtsverhoudingen zijn en dat kapitaal egoïstisch gebruikt wordt. Maar dat wil nog niet zeggen, dat ondernemerschap per definitie fout of immoreel is. Integendeel, ondernemerschap of liever ‘ondernemende arbeid’ of ‘risicovol in het leven’ staan en het maken van winst vormen in diepste wezen de grondslag voor alle echte emancipatie of vrijwording. Dit moet wel onderscheiden worden van de private eigendom van productiemiddelen en de manier waarop winst verdeeld wordt. Als we dit niet gaan doorzien zullen we niet tot een zinvolle invulling van ons arbeidsethos komen en blijven steken in klassieke, steriele werkgever – werknemer tegenstellingen. Met als enig perspectief het voortduren van de loonafhankelijkheid of, bij onvoldoende betaalde arbeid de keuze tussen de wachtkamer van de uitkeringsgerechtigden en het zwartgeldcircuit.

Dilemma

Wanneer het ons eenmaal gelukt is om deze misverstanden uit de wereld te helpen, wacht ons vervolgens de vraag wat nu eigenlijk de betekenis van een basisinkomen is. Hierop zijn twee antwoorden te geven.

Ten eerste geeft een gemeenschap van mensen – een volk, een staat – middels het basisinkomen uitdrukking aan zijn solidariteit. Vinden we solidariteit niet nodig, ouderwets of niet realistisch dan moeten we ook niet aan een basisinkomen beginnen. Het wordt dan een vlag op een modderschuit. Maar ik zie het zo: het loutere feit dat ik in een bepaald volk geboren ben geeft mij het recht op een redelijke, individuele bestaanszekerheid. Dat is te zien als een uitgangspunt, een bodemvoorziening voor een menswaardig leven (hetgeen trouwens ook bij de voorvechters van het huidige stelsel aanvankelijk het motief was). Geen volk is zo lui dat het niet een nationaal inkomen zou kunnen voortbrengen in een orde van grootte die dit mogelijk maakt. Hiertegenover staat natuurlijk de verwachting dat met uitzondering van kinderen, zieken en ouderen, iedere burger zich in de een of andere vorm zal inzetten voor anderen, hetzij via de marktsector hetzij op een andere manier. Die andere manier wordt nu nog veelal misprijzend of meewarig aangeduid als vrijwilligerswerk. Maar waarom eigenlijk? Zou het slecht zijn wanneer wij echt op weg gingen naar een ‘vrijwilligerscultuur’? Niet realistisch hoor ik sommigen al roepen. Iedereen zal proberen te ontvluchten aan de marktsector; de prikkel voor toetreding tot de arbeidsmarkt blijft nodig. Mijn antwoord is: ja voor sommigen en neen voor anderen en hoe die verhouding in werkelijkheid zal komen te liggen weet niemand. Laten we niet vergeten, dat die zogenaamde prikkel nu ook niet of slechts zeer gebrekkig werkt.

Ten tweede is het basisinkomen het middel bij uitstek voor emancipatie. Wanneer we blijven vasthouden aan de klassieke loonarbeid zullen we eeuwig met een onoplosbaar dilemma blijven zitten. Enerzijds zullen we die arbeid blijven vervloeken, omdat hij mensen afhankelijk maakt. Anderzijds zullen we hem blijven omhelzen als het middel tot emancipatie. De geschiedenis – met name van socialistische partijen – heeft getoond, hoe groot dit dilemma is. Hierbij valt te bedenken dat arbeid, of in ieder geval een groot deel ervan, in een industriële samenleving met een hoge graad van arbeidsdeling eerder anti-emancipatorisch is dan het tegenovergestelde. Zijn we soms de pogingen vergeten van de vijftiger en zestiger jaren om tot humanisering van de arbeid, tot werkstructurering en tot taakverruiming te komen? De mogelijkheden hiertoe bleken beperkt en inmiddels is die situatie zeker niet verbeterd. Daarom is terugkeer naar volledige werkgelegenheid in een klassiek bestel van betaalde arbeid uit een oogpunt van emancipatie en menswaardigheid eigenlijk helemaal geen aantrekkelijk vooruitzicht.

Een basisinkomen voor iedereen betekent geen vetpot, maar het zal zeker bijdragen aan verkleining van de onrechtvaardigheidsgevoelens. En die zijn, meer dan soms wordt gedacht kiemen voor sociale onrust en conflict. Bovendien verschaft het iedereen de mogelijkheid om op basis van deze uitgangspositie zelf te kiezen hoe hij verder met zijn leven wil omgaan. Is dat emancipatorisch of niet? Pas nadat wij zover zijn gekomen dat wij ook de essentiële karakteristiek van het basisinkomen voor ons zijn gaan zien, komt de vraag hoe de praktische verwerkelijking kan gebeuren. Het antwoord hierop kan kort zijn: er zijn eindeloos veel varianten denkbaar en mogelijk. Als er één ding maar niet gebeurt, namelijk dat het in één klap voor iedereen op dezelfde manier zou worden ingevoerd. Dat zou een ramp zijn, omdat dit niet meer past bij de individualiseringstrend in onze samenleving en omdat er ook tijd voor gedragsverandering nodig is. Er moet geoefend kunnen worden om ervaring op te doen. Initiatiefprojecten zijn hiervoor een goede vorm, al dan niet met begeleiding en al dan niet met financiële steun. In ieder geval zal er een periode moeten komen met vele verschillende vormen van arbeid, van vrijwilligerswerk en freelancewerk aan de ene kant tot en met klassieke arbeidsovereenkomsten in de vorm van een vast dienstverband. Een hulp om dit op gang te krijgen is deeltijdarbeid. Het is hoogst opmerkelijk, dat juist deze deeltijdarbeid – geheel buiten bewust overheidsbeleid om – in de afgelopen jaren explosief in de samenleving is toegenomen. Laten we enig vertrouwen hebben en de samenleving een kans geven zich zelf uit te spreken.

De regering heeft dit inmiddels niet meer nodig geoordeeld. In de tweede week van oktober heeft zij zich met haar standpunt, dat een (gedeeltelijk) basisinkomen niet ingevoerd moet worden, gevoegd in de lange rij van ‘afwijzers’. ‘De maatschappelijke discussie … is het afrondende stadium al dicht genaderd’, zo luidt het.

Laat ik nu nog steeds denken, dat die discussie nog moet beginnen. Maar ja, het is al eerder gebleken, dat men over (brede) maatschappelijke discussies zeer verschillend kan denken. Het kabinet ziet als enig positief kenmerk, dat in het advies van de WRR ook ‘toetredingsprikkels voor de arbeidsmarkt’ behouden blijven. En dat is nu net het enige wat niet nieuw, maar door en door oud is. Beter dan zó kan niet aangetoond worden, dat het inderdaad een moedig rapport is.

Cees Zwart, Jonas 6, 15-11-1985
Cees Zwart was buitengewoon hoogleraar in de Sociale Pedagogie aan de Erasmusuniversiteit te Rotterdam en medewerker van het NPI, Instituut voor Organisatie-Ontwikkeling te Zeist. Tevens was hij rector van de Vrije Hogeschool.

Zie ook [1]  en [2]

Sociale driegeledingalle artikelen waaronder vrijeschool en vrijheid van onderwijs

.

1668-1563

.

.

VRIJESCHOOL – 2e klas – vertelstof (3-13)

.

ODILIA

Een van de legendes die vrijwel in elke 2e klas van de vrijeschool wordt verteld, is die van Odilia.

Hier volgt een achtergrondartikel over haar leven:

EEN HELDIN DIE HET LICHT ZAG

In de wijngaarden van de Elzas hangen de laatste druiventrossen nog aan de ranken, gekrompen door de vorst, gelezen, maar te licht bevonden voor de laatste persing van de eiswein.
Vanuit het wijnstadje Molsheim rij ik* omhoog, de donkere bergen in.

De Elzas ligt als een groot plat bord achter me, gevuld met rijkdom.

Voor me rijst de Sankt-Odiliënberg op. Boven op de top prijkt het in de zevende eeuw gestichte klooster.
Al van ver zie ik het immense beeld van Odilia, dat voor het klooster staat. Met een wijds armgebaar zegent ze de Elzas, die helemaal aan haar voeten ligt. In haar tijd werd het hertogdom geregeerd door haar vader Etticho, ook wel Adalric genoemd. Hij was een broer van de Frankische koning Childéric.

Ik laat mijn auto achter in de winterse verlatenheid van een plomp geasfalteerd parkeerterrein, dat de natuurrijke omgeving van het klooster voor een deel heeft vernield. Slechts een bus vol vrolijke priesterstudenten, in toog, deelt vandaag met mij de vreugde van de pelgrimage. De huidskleur van de jonge mannen vertelt dat ze uit Afrika en Azië komen. Armoede levert nog roepingen op. Het lijkt al een beetje waar te zijn wat de Paus zijn Kerk voor ogen houdt: Europa wordt opnieuw een missiegebied.

Net zoals in de tijd van Odilia. Een nieuwe kerstening, nu vanuit voormalige missielanden. Deze jeugdige en opgewekte priesters in opleiding hebben echter niets van de steile, oude mannen uit de overlevering van de kerk, zoals bijvoorbeeld Bonifacius en Servatius.

Het klooster heette oorspronkelijk Hohenburg, naar de naam van het jachtslot dat Etticho op deze rots had gebouwd. Vanaf de transen kijk ik in een diepe afgrond en heb ik uitzicht over dorpen, stadjes en wijngaarden, tot aan het Zwarte Woud toe.

Het klooster is het vertrekpunt van talrijke goed aangegeven wandelroutes door hoogten en laagten van de Elzas, voor zowel zondagnamiddagwandelaars als voor ervaren randonniers die van bergtop naar bergtop lopen.

Odilia werd in 660 geboren in Oberehnheim (nu Obernai). Ze was het oudste kind van Etticho. Als baby moet ze hartveroverend mooi zijn geweest, maar helaas was ze blind. De hertog was boos op zijn vrouw omdat ze hem geen mannelijke opvolger had geschonken, maar een blinde dochter aan wie helemaal geen eer te behalen viel.
Ze zou nooit een prins als echtgenoot kunnen vinden. Etticho wilde het meisje niet eens zien; hij verstootte haar. In die tijd betekende dat niet minder dan dat hij haar voor de wolven wilde leggen. Maar de moeder, hertogin Bereswinde, wist Odilia te redden. Ze gaf haar in het geheim aan de voedster mee. Die bracht het kind onder in een nonnenklooster te Baume-les-Dames (bij Besançon), waar Odilia in vroomheid werd opgevoed. Op twaalfjarige leeftijd werd ze gedoopt. Toen gebeurde het wonder. Op het moment dat het doopwater haar ogen beroerde, zag ze het licht. Verrukt over dit mirakel besloot ze haar verdere leven aan God te wijden.

Eindelijk durfde men Etticho te vertellen dat Odilia nog leefde. Nu ze niet meer gehandicapt was, accepteerde hij haar als zijn dochter en nam haar in zijn huis op. Maar, Odilia’s belofte negerend, probeerde hij haar uit te huwen. De opvoeding door de nonnen bleek echter op vruchtbare bodem te zijn gevallen. Odilia bleef haar gelofte trouw. Ze ontvluchtte het kasteel in Obernai. Etticho, die een mooie partij voor zijn beeldschone dochter had gevonden, een vazal van het koningshuis der Merovingers die veel land en goed in de familie zou binnenbrengen, ging naar haar op zoek. Toen hij haar had gevonden, op de flanken van wat later de Sankt-Odiliënberg zou gaan heten, wist ze zich te verschuilen in een grot die zich, na haar gebed om hulp, in de rotsen vormde.
Toen haar vader over dit wonder vernam, zag hij in dat ze hem toch steeds dank zij bovennatuurlijke hulp zou ontkomen, en stemde hij erin toe dat ze op de wonderberg een vrouwenklooster stichtte.

Odilia’s stichting had succes, vooral vanwege het verhaal over de wonderlijke manier waarop ze het licht had gezien: zowel het aardse licht als het licht van God. Voor veel mensen gold het vrome meisje al als een heilige. In korte tijd sloten zich zo veel jonge vrouwen bij de kloostergemeenschap aan dat al spoedig een tweede klooster nodig was. Dat werd Niedermünster, aan de voet van de Sankt-Odiliënberg, het hospitium dat de geschiedenis inging als het eerste ziekenhuis van de Elzas.

Eerst bezoek ik de kleine kapel met de stenen tombe, waarin het lichaam van Sint-Odilia rust: het hart van het heiligdom. Het is er ijskoud, maar ook doodstil. Er is niemand, zodat ik de zwak verlichte ruimte op mijn gemak kan bekijken. Odilia rust in een sarcofaag, uitgehakt in de rots. Rond de sarcofaag is een stevig en betralied praalgraf gebouwd, dat haar voor al te opdringerige aanbidders behoedt. Zeven schilderijen rond de tombe tonen de belangrijkste feiten uit haar leven, zoals het doopsel waarbij ze het licht zag en de opname in de grot die haar verborg.
In de kapel ernaast bevindt zich het graf waarin het lichaam van de grillige hertog Etticho heeft gerust. Waarom juist zijn resten uit de sarcofaag zijn verdwenen tijdens de vele plunderingen die de Hohenburg in de loop der eeuwen hebben geteisterd, terwijl het lichaam van Odilia met rust werd gelaten, is een raadsel. In de tiende eeuw, ook wel ‘de duistere eeuw’ genoemd, plunderden heidense Magyaren het klooster. Ze lieten geen steen op de andere. Waarschijnlijk hadden ze te veel ontzag voor de heilige Odilia omdat ze, toen al zo aanbeden, een heidense priesteres in haar zagen. In de loop van de volgende eeuwen werd het klooster herhaaldelijk vernield en opgebouwd. Tijdens de reformatie was het aanzien van de heilige plaats vooral gedaald door het wereldse gedrag van de nonnen die er woonden. Van opofferende heiligen, die in zelfgekozen armoede leefden, waren ze veranderd in zelfzuchtige secreten, die zich zo schandalig werelds gedroegen dat ze door de bisschop van Straatsburg uit de kerk werden gezet. Bij hun gedwongen vertrek liet de hemel weten dat de bisschop juist had gehandeld: de bliksem sloeg in en het klooster brandde totaal af.

Toch bleven de pelgrims komen. Opnieuw werd er een kerk gebouwd en in de volksmond veranderde de naam ‘Hohenburg’ in ‘Sankt-Odiliënberg’. Weer later sloeg de Franse Revolutie toe. Soldaten verdreven de Premonstratenzer monniken die zich op de berg hadden gevestigd, en knoopten er een stuk of tien op. In de volgende jaren werd de kerk gebruikt als fabriek, stal en volksonderkomen.

In 1853 kocht de bisschop van Straatsburg de kerk van de staat terug. Broeders en nonnen bouwden alles weer op. Weer stroomden de pelgrims toe. In de jaren vijftig van deze eeuw** verleende Paus Pius XII aan Odilia de titel ‘Schutspatroon van de Elzas’. Of ze die titel verdient, valt te betwijfelen, vooral als je de talrijke vernielingen van haar eigen huis bekijkt.

Op 11 oktober 1988 bezocht paus Johannes Paulus II het graf van Odilia, waarvan grote en kleine prenten in de kiosken getuigen. Ze laten de paus zien, biddend voor de tombe.

Blijft de vraag: wat ligt er in de kist? Wie kan met zekerheid zeggen dat het lichaam van Odilia aan alle plunderaars, van heidenen tot revolutionairen, is ontkomen?

In de kleine kerk naast de kapel met de tombe, wordt een eeuwigdurend gebed gehouden. Voor het altaar knielen, in voortdurende aanbidding, steeds twee gelovigen, zowel jongeren als ouderen, elkaar dag en nacht aflossend, zingend of biddend voor een mooie toekomst voor de hele mensheid. Voor de rots zelf zal die toekomst uitstekend zijn, getuige de vele souvenierwinkels en restaurants die de kapel omsluiten. Achter het kloostergebouw staan twee kapellen, op de plekken waar Odilia zelf altijd gebeden zou hebben. De ‘Kapel van de Tranen’ is gebouwd op wat, in haar tijd, het kloosterkerkhof moet zijn geweest. In de rots rond de kapel zijn sarcofagen uitgehakt waarin, volgens de legende, de eerste volgelingen van Odilia te ruste zijn gelegd. Onderzoek heeft uitgewezen dat ze al van vele eeuwen vroeger zijn, net als de fundamenten van de aanpalende Engelenkapel, die ooit een heidense tempel droegen. Wat mooi illustreert hoe de christelijke kerk voortbouwt op de haar voorgaande religies. De mozaïeken in de kapel laten zien welke rol de engelen in de godsdienst hebben gespeeld. Ook voor de kerstening van Europa, want Cherubijnen en Serafijnen zijn ware neven en nichten van de Sirenen.

Al lang voor de komst van het christendom was deze plek al een heilig oord. Er zijn aanwijzingen dat de berg in de bronstijd en zelfs al in de Neolitische tijd werd bewoond.

De Kelten die hier in de ijzertijd woonden, de stam der Médiomatriques, hebben er lange tijd hun religieuze feesten gevierd en offers gebracht aan hun zonnegod Belen. Te zijner ere hadden ze op dit raakpunt tussen aarde en hemel altaren gebouwd en dolmens opgericht.

De Romeinen, die heersten over het land vanaf 50 voor Christus, namen de natuurlijke vesting, die door de Kelten was verlaten, weer in gebruik en noemden de berg Altitona, wat zoiets als ‘donderende hoogte’ betekent. Ze herstelden de muren, bouwden een kazerne en hoge wachttorens. In hun tempel aanbaden ze de godin Rosmerto, patrones van de oostelijk gelegen Romeinse gebieden.

In Odilia’s tijd werd deze voorouderlijke heilige plaats nog steeds bezocht door de nieuwbakken christenen, die van het pas verworven geloof nog niet veel meer begrepen dan dat ze het onder dwang hadden moeten aannemen. Pas bekeerd hielden ze naast de nieuwe religie ook hun heidense goden in ere. Morden de mensen aanvankelijk omdat Odilia met klooster op de heilige rots van hun voorvaderen zat, tegen de dochter van de ruwe graaf Etticho durfden ze niets te ondernemen. Dat was levensgevaarlijk. Een jonge vrouw van mindere afkomst zouden ze vanwege heiligschennis hebben gelyncht. Ook hertog Etticho zelf had weinig op met het christendom dat hem door bekeerde koningen was opgelegd. Hij vond het geloof voor vrouwen. Misschien had hij een profetische blik. Heden ten dage bezoeken vooral vrouwelijke pelgrims het bedevaartsoord, wat trouwens geldt voor alle bedevaartsoorden. Mannen houden niet van heilige vrouwen en zeker niet van heilige maagden.

Na het bezoek aan het klooster loop ik de fraaie wandelroute rond de Heidenenmuur, een imposant bouwwerk van tien kilometer lang, dat door de Kelten moet zijn aangelegd. De hele top van de Sankt-Odiliënberg wordt er door omsloten. Een deels door de natuur aangewezen citadel die door Kelten, Romeinen en Franken als vesting werd benut. Een strategische plek van de eerste orde. Er is een route die in een uur of vier flink doorlopen voert langs de deels intacte resten van nog andere heidense heiligdommen. Het is een geliefd pad voor mensen die geloven in de invloed van de aarde op gezondheid van geest en lichaam. Ze zoeken genezende krachten en vitaliteit in aardstraling, die vooral op de religieuze plekken uit de oudheid heel krachtig heet te zijn en daar nog versterkt wordt door straling vanuit de kosmos. Sommige onderzoekers denken dan ook dat de heilzame invloed van het bedevaartsoord gelegen is in deze straling, waarvan de Druïden al de genezende werking hebben gekend. De zon werpt een feeëriek licht tussen de bomen van het oerbos, dat terugkaatst op de groene fluorescerende korstmossen op de restanten van de heidense muur. Vroeger was de muur vier meter hoog en gemiddeld anderhalve meter dik. Daarop was nog eens een hoge palissade aangebracht, wat de berg, die door zijn steile wanden toch al nauwelijks kon worden beklommen, tot een onneembaar fort maakte. De ommuurde ruimte besloeg 118 hectare,meen oppervlakte waar bij belegering velen hebben gewoond en gewerkt. Archeologische vondsten getuigen daarvan.

Aan het begin van het wandeltraject liggen een paar Romeinse graven, oneerbiedig open en bloot, half gevuld met dorre bladeren. De bolvormige tumuli in de omgeving verraden dat hier nog meer Romeinen rusten.

Een paar kilometer verder naar het zuiden ligt, nog steeds binnen de vesting, de grot van de Druïden, een megalitisch grafmonument waar de Kelten offers brachten. Op deze plek wordt door kenners de hoogste dosis straling gemeten. Een uurtje uitrusten in of op deze dolmen moet heilzaam zijn voor lijf en geest, ook voor wie er niet in gelooft.

Vlakbij de grot stortte op 20 januari 1992 in dikke mist een vliegtuig van Air France neer. 87 Mensen vonden de dood in de vlammen. Een eenvoudig houten bordje herinnert aan de ramp. In het hekwerk zijn honderden kruisjes aangebracht, gevlochten van takken. Boeketten bloemen hangen in de draad. Daartussen een eenvoudig houten kruisje, waarop in beverig handschrift staat geschreven:

‘Renée, geboren 11-3-1966, hier smartelijk overleden op 20-1-1992, toen haar leven zo mooi was.’

Drie priesters, in toog, staan er te bidden. Ik vraag of ik ze mag fotograferen.

‘Dat mag, maar liever niet en face’, zegt een van hen, die zich, als we in gesprek raken, bekend maakt als abbé Bernhard. ‘We zijn niet zo geliefd in Frankrijk.’ Op mijn verbaasde vraag vertelt hij dat ze priesters zijn van Lefèbre, de aartsconservatieve kardinaal die zo behoudend was dat hij door Rome uit de kerk is gezet. Ze komen hier vaak bidden, zegt abbé Bernhard. Hij is ervan overtuigd dat veel van de omgekomenen zijn gebed hard nodig hebben. Kinderen van deze egoïstische tijd als ze waren, zijn hun zielen natuurlijk nauwelijks voorbereid op de dood.

Na een wandeling van twee uur is het pad terug op de smalste plek van de ingemuurde ruimte; het klooster. De noordroute gaat door het overige deel van het vestingswerk. De verbazingwekkende en nog geheel gave delen van de Heidenenmuur slingeren zich langs de helling. Op enkele plaatsen in de muren staan de poorten naar de uitvalswegen nog overeind.
Kilometers verder, al weer bijna terug bij het klooster, ligt de grot die zich op zo wonderlijke wijze voor Odilia opende toen haar vader haar achterna zat.

Na de wandeling voltooid te hebben, neem ik me voor om haar de volgende dag nog eens te maken, maar dan andersom. Ik ben nog lang niet uitgekeken.

Om geen genade gemist te hebben, daal ik af naar de plek waar Odilia een bron deed ontstaan, toen ze op een van haar tochten tussen de beide door haar gestichte kloosters een oude uitgeputte man tegenkwam. Bij de bron vullen pelgrims flessen met bronwater en strijken het langs de ogen, hopend daarna beter te kunnen zien. Odilia is ook de patrones van de ooglijders. Ik dep water uit de bron op mijn ogen, maar mijn geloof is te klein: ik heb mijn leesbril nog net zo hard nodig.

Tien minuten verder naar beneden liggen de resten van het klooster Niedermünster. Een stevig hekwerk voorkomt verdere sloop van de ruïne. De aanpalende boerderij is gebouwd van stenen van het munster. Op een steenworp afstand staat een niet te definiëren kerkje, van later datum, te kleumen in een nat weiland. Een koppel duiven met opgezette veren treurt in een half dichtgetimmerd, raam over het verval. Uit een bron ter grootte van een wasbak ontspringt een beekje, zo dun als een potlood, dat sierlijke krullen in het weiland schrijft.

Terug bij het klooster klinkt ijl gezang uit de kerk naar buiten. Vijf uur. De vespers worden gezongen door de laatste nonnen die het convent bewonen. Negen stemmen. Eén stem minder dan een paar weken geleden. Een op de deur geplakt bericht vertelt dat op 24 december 1992, in de leeftijd van 62 jaar, de ziel van soeur Georges-Marie haar aardse lichaam heeft verlaten, nadat ze 38 jaar bruid van Christus is geweest. Eén stem minder maakt het koor iets ieler. En wat wanneer zuster Ignatia-Marie uitvalt? En na haar zuster Joséphine-Marie? Zullen de zes overgeblevenen het nog kunnen opnemen tegen de sterke bariton van rector Jaques Ponts, helemaal alleen in de rechterbeuk, die nog geen vijftig is en te zijner tijd het hele koor van nonnen zal overleven? Wie volgt daarna rector Jaques op?

Kopzorgen voor de kerk, die zoveel zielen geestelijk te voeden heeft, maar weinigen uitverkoren acht om aan de tafel des Heren voor te gaan. Zorgen die ook nu al de Sankt-Odiliënberg beheersen en die doorklinken in de eenvoudige stemmen van de nonnen. De voorzangeres heeft de stem van Soeur Sourire, de zingende non die in de jaren zestig zoveel harten veroverde met haar ongekunstelde liedjes.

Het gezang roept een weldadige rust op in het sfeerrijke licht van de donkere, winterse kerk, die naar kaarsen en wierook geurt. Na de wandeling in de ingetogen stilte van de bossen rond de Heidenenmuur vind ik hier een andere, maar net zo weldadige rust. Even voel ik me in de middeleeuwen en is het net of Sint-Odilia zelf, met haar eerste medezusters, in de kerk aanwezig is. De legende heeft me in haar greep. De Sankt-Odiliënberg, met zijn vele tastbare herinneringen aan het verleden, zo dicht bij elkaar, is een spiritueel fenomeen. Zelfs een moderne heiden als ik voelt zich na een bezoek aan deze plek geestelijk opgekalefaterd.

Wat allemaal waar is van de legende van Odilia, het kan me niet schelen, maar haar naam zij geprezen. Vooral als ik te harer ere in het pelgrimsverblijf een flink stuk Odiliëntorte eet. Bosbessenvlaai. Een typische Elzaslekkernij met een aardse geur en met een hemelse nasmaak.

Bronnen: G. Altenbach en B. Legrais: Lieux Magiques et Sacrés d’Alsace et des Vosges. Editions du Rhin,
ISBN 2 86339 012 0.
F. Petry en R. Will: Le Mont Sainte-Odile. Guides Archéolgiques de La France, ISBN 211 080954 X.

Ton van Reen, Volkskrant, 03-04-1993

.

De legende werd heel mooi verteld door Jakob Streit: Ich will dein Bruder sein

2e klas: vertelstof

Rudolf Steiner over: vertellen

2e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 2e klas

.

1667-1562

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (4-6)

.

Het ene eetprobleem is het andere niet

.

Wat te doen als je kind veel te weinig (of veel te veel) eet? Een eenduidige remedie tegen eetproblemen bestaat niet. Goed kijken naar je kind is een eerste vereiste om erachter te komen waar het probleem zijn oorsprong heeft. Huisarts George Maissan geeft een paar voorbeelden uit zijn praktijk, met adviezen voor de aanpak ervan.

Tot nu toe was het zo’n lief, rustig kind. Alles ging vanzelf’, verzucht de vader van de 26 maanden oude Pim.
Ik kan een glimlach nauwelijks onderdrukken. ‘Gefeliciteerd, u heeft een zoon.’ Verbouwereerd kijkt hij me aan. Hij heeft me net omstandig uitgelegd dat het zo echt niet verder kan. Pim wil niet meer eten. Vooral de warme maaltijd is een strijd. Groenten worden met een luid ‘nee’ afgewezen. Ik vertel hem dat zijn zoon in de fase van het nee-zeggen is gekomen. Hij zet zich af tegen zijn omgeving en in Pims geval richt zich dat op het eten. Door nee te zeggen versterkt hij zijn ontluikende zelfbewustzijn. Je zou dat een soort tweede geboorte kunnen noemen. Vandaar mijn felicitatie.

Het oplossen van zo’n eetprobleem vraagt van ouders wel wat creativiteit.

Het is belangrijk dat je er geen machtsstrijd van maakt. Je kunt je peuter het beste wat afleiden met een verhaaltje of een spelletje. Het probleem zal vanzelf weer over gaan als het zelfgevoel van je kind zich zover heeft ontwikkeld dat hij het niet meer nodig heeft voortdurend nee te roepen. Maar dat vraagt van ouders wel een oefening in zelfwaarneming: ‘Ben ik duidelijk genoeg naar mijn kind?’ Want het heeft in deze fase herkenbare grenzen nodig. Dat komt al tot uiting in kleine dingen als de manier waarop je het kind aanspreekt: ‘Kom, we gaan naar buiten’ in plaats van ‘Wil je naar buiten?’ of: ‘We gaan nu eten’ in plaats van ‘Wil je iets eten?’

Te klein en te licht

Een heel ander kind is de driejarige Robbert, die samen met zijn moeder heel mijn spreekkamer vult. Hij vraagt honderd uit over mijn computer, rent op zijn tenen rond en zit, tot wanhoop van zijn moeder, overal aan. Hij ziet er bleek en mager uit maar kijkt wakker uit zijn heldere, blauwe oogjes. Robbert eet al maanden heel weinig of niets. Zijn ontlasting komt verschillende keren per dag en is altijd dun. ’s Nachts is hij vaak wakker en wil dan drinken. Dat doet hij overdag ook veel.

Als ik hem onderzoek voelt zijn lichaam, met uitzondering van zijn hoofd, koud aan. Hij is duidelijk te klein en te licht voor zijn leeftijd. Als hij gaat tekenen, bespreek ik met zijn moeder hoe we het probleem gaan aanpakken. Robbert verliest zich helemaal in de dingen om hem heen. We zullen moeten proberen hem interesse bij te brengen voor zijn binnenwereld, dat wil zeggen zijn stofwisseling. Dit kun je doen door een vaste regelmaat van drie maaltijden per dag aan te houden en hem dan vooral veel zoete vruchten en de bloemige delen van planten te eten te geven, naast meelspijzen en pap. Ook stel ik voor dat zijn moeder of vader hem regelmatig (om het anderhalf uur) op de bank op schoot neemt en samen met hem een prentenboek bekijkt of hem een verhaaltje voorleest. Dat brengt ritme in zijn dag. Om zijn warmteorganisme te verbeteren en hem wat af te sluiten voor de buitenwereld, raad ik Baby- en Kinderbad aan (driemaal per week) en Calendula Babyolie om hem ’s ochtends en ’s avonds mee in te smeren.

Als ondersteunend medicijn schrijf ik tweemaal daags tijdens het eten een halve tablet Nahrkraftquell* voor en driemaal daags voor het eten vijf druppels Anaemodoron*, dat ervoor zorgt dat het ijzer in de voeding beter door het lichaam wordt opgenomen.

‘Kan ik dat ook aan Yvon, mijn dochter van zeven, geven?’ vraagt Robberts moeder. ‘Die eet ook bijna niets.’ Ik vertel haar dat dat inderdaad kan, maar dat het eetprobleem van haar dochter toch van een heel andere aard is. Yvon is een licht en vlinderig meisje. Het is alsof ze overal net even aan tipt. Ze heeft niet de rust om zich door een rijstebrijberg aan eten op haar bordje te werken. Zij wil heus wel wat eten maar ze is zo snel vol. Ze kan alleen maar kleine hapjes aan en floreert daar eigenlijk ook goed op. Een kind als Yvon kun je best wat vaker op de dag kleine, lichte hapjes als een yoghurtje, een rijstewafel of een vrucht geven.

Uit de kluiten gewassen

Weer een heel ander eetprobleem heeft Gerard, een uit de kluiten gewassen kleuter van vijfeneenhalf. Bij het wegen en meten slaat hij alle records. Zijn waarden passen niet op de grafiek die bij zijn leeftijd hoort. Als ik over zijn eetgedrag doorvraag, blijkt dat hij altijd kan eten en geen enkele maat weet te houden.

Gerard is wat je noemt een ‘stofwisselingskind’. Hij schrokt alles in hoog tempo naar binnen zonder waar te nemen wat hij eet en hoeveel hij eet. Het vermogen om het voedsel dat je eet werkelijk te proeven, verdwijnt vaak wanneer kinderen te vroeg te veel en te sterke smaken aangeboden krijgen. Door een kind eenvoudige, bij de leeftijd passende voeding te geven kunnen de zin voor smaak en geur zich geleidelijk ontwikkelen. Gerard moet geholpen worden om waar te gaan nemen wat hij eet en wanneer zijn buikje vol is. Dit kan door hem langzaam en rustig te leren eten en tijdens de maaltijd af en toe een vraag over het eten te stellen. Voor hem zijn rauwkost en zure ingrediënten belangrijk.

.

* Deze zelfzorgmiddelen zijn ook zonder dokstersrecept verkrijgbaar bij drogist en apotheek (soms bestellen).

George Maissan, arts, Weleda Puur Kind nr 5, lente 2000

.
Opvoedingsvragenalle artikelen

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

.

1666-1561

.

.

VRIJESCHOOL – Ritme (3-19/2)

.

slapeloosheid

Regelmatig begeef ik* mij in het holst van de nacht naar de krakende sponde, om als gevolg van de fantastische verantwoordelijkheden die op mijn schouders drukken te constateren dat er niets te slapen valt.
„Want alle zijn is tot niet zijn geschapen”, zo houd ik mij dan hoopvol voor met de dichter Bloem.
Dat helpt als regel niet. Meestal strompel ik dan een verdieping lager en drink melk, aangelengd met door een morsig kruidenvrouwtje verhandelde
biologisch-dynamische honing, en ik smeer de borst in met kaarsvet. Ook dat haalt als regel niets uit.

De volgende stap behelst dat ik me de meest schandelijke taferelen ga voorstellen, wat slechts leidt tot grote waakzaamheid. De slotfase bestaat uit het reciteren van zoveel mogelijk uitspraken, afkomstig uit de Upanishaden of geschriften der mystici, hetgeen verzandt in de constatering dat hun ideeën eigenlijk even schandelijk waren.
Kortom, ik ben bij tijd en wijle een slapeloze tobber die zich troost met de gedachte dat er in de onmiddellijke omgeving zo’n vier miljoen vergelijkbare typetjes zijn.

Waar komt slapeloosheid vandaan en valt hier iets in de marge te rommelen?
In Amerika zijn er honderd speciale slapeloosheidsklinieken, maar hier moeten we het doen met een agoog die nooit te vinden is. Volgens talrijke verhandelingen is slapeloosheid multicausaal bepaald. Ik ben allergisch voor dat woord: als simpele dingen in het Latijn worden gezegd, weet meestal geen hond wat er gaande is. Dat bleek laatst ook uit een geschrift waarin stond dat iemand leed aan jactatio capitis nocturna et restless legs. Kortom: hij sloeg ’s nachts met zijn hersens tegen de rand van het bed, onderwijl de dekens van zich aftrappend.

Eén invloedrijke factor is de zon die zich in dit jaargetijde** wel eens wil laten zien en die naar verluidt door sommigen zelfs wordt opgezocht. Veel zonlicht ontregelt de pijnappelklier in ons brein, een nietig orgaantje dat onder andere tal van lichamelijke en geestelijke ritmen sychroniseert. Bar veel licht schijnt er voor te zorgen dat dit ding de kluts kwijt raakt, met als gevolg dat de ritmen in kwestie als losgeslagen raderen rond gaan tollen.

Daarnaast is er naar de wetenschap beweert een biologische dispositie. Deze houdt in dat het slachtoffer chronisch overactief is, wat tijdens de slaap betekent dat hij zelfs wakker wordt van een vier blokken verderop doorgetrokken toilet. Dan hebben we natuurlijk de onvermijdelijke ziekten die tot slapeloosheid voeren, zoals daar zijn de pijn van rheuma, maagzweren, versleten harten, migraine, astma, weigerachtige nieren en schildklieren die als gekken een activerend hormoon maken.

Op zielkundig niveau zijn slechte slapers blijkens tests hoogst problematische mensen, maar ik zou me ook kunnen voorstellen dat een mens sjagrijnig wordt van slecht slapen. Niettemin wordt volgehouden dat hier iets aan de hand is. Slechte inslapers zijn angstig en slechte doorslapers depressief. Zou je op den duur niet depressief worden van dat altijd maar weer ontijdig ontwaken?

Vervolgens is er nog de massa mensen bij wie slapeloosheid herleid kan worden tot frequent bezoek aan de slijterij, alsmede de geneesmiddelenslikkers. Veel slaapmiddelen hebben als eigenaardige bijwerking dat zij slapeloosheid in de hand werken. Iets dergelijks geldt voor middelen tegen depressies en anticonceptiepillen. Misschien mogen we zelfs zeggen dat de seksuele revolutie wortelt in door slapeloosheid opgeroepen verveling. Het zou me althans niets verbazen als zo’n redenatie binnenkort in een sociaal-wetenschappelijk proefschrift wordt aangetroffen.

Nu kan het voor de duidelijkheid geen kwaad ons af te vragen hoe lang we eigenlijk behoren te slapen. Dat is dan jammer: we weten het niet. De individuele verschillen zijn enorm. Het heeft er de schijn van dat probleemloos levende wezens veel minder slaap nodig hebben dan de tobbers onder ons. (Als die laatste groep in het zuloïsme*** werkzaam is heb ik overigens nog een opwekkende mededeling: er komt over twee jaar een taakverdelingsronde die driemaal zo fors is als de huidige, namelijk 900 miljoen gulden, welterusten).

Bij wijze van regeltje kunnen we slechts zeggen dat de hoeveelheid slaap afneemt met de leeftijd en ergens ligt tussen achttien uur per etmaal bij de zuigeling en zes uur bij de bejaarde. In sommige opzichten zouden slapelozen lijken op zuigelingen: zij proberen het slechte slapen goed te maken door overdag dutjes te doen, met als ondermijdelijk gevolg dat de vermoeidheid ’s avonds onvoldoende kan toeslaan.

Ook ordinaire conditionering kan hierbij een rol spelen. Als u de slaapkamer betreedt en bij de aanblik van de opgestelde parafernalia wordt herinnerd aan duizenden doorwaakte nachten, is dat voldoende reden om alweer niet te slapen. De remedie ligt voor de hand: slaap buitenshuis, of schilder de kamer, zet het bed aan de andere kant en houd desnoods een regenjas aan. Op die manier moet de conditionering uitgeblust kunnen worden.

Andere denkers zeggen dat slapeloosheid wordt veroorzaakt door de neiging alleen in bed te tobben. Gebruik uw werk daar eens voor. Tenslotte zijn er een paar leefgewoonten die u moeiteloos uit de ellende zouden helpen. Ga op vaste tijdstippen naar bed, sta op vaste momenten op (geslapen of niet), en haal slaap overdag nooit in. Verder moet u stoppen met slechts een klein aantal genoegens, te weten drank, sigaretten, chocola, kaas, koffie, thee, cola en sommige vormen van sex, naar men fluistert. Voor het overige mag u me tot 4 uur bellen in verband met toelichtingen.

.

*Piet Vroon***, Volkkrant, **28-06-1986

.

Ritme: alle artikelen

.

1665-1560

.

VRIJESCHOOL – Ritme (3-19/1)

.
slapeloosheid

‘Ik heb de hele nacht geen oog dicht gedaan’

Het slapen blijkt vaak een moeizaam verworven toestand te zijn, die men dikwijls alleen bereikt door het innemen van slaapmiddelen, wanneer hulpmiddeltjes als schaapjes tellen en warme melk met honing ook niet meer helpen.

Uit de publikaties over het slaapmiddel ‘Halcion’ en de vele reacties erop, bleek dat zeer veel mensen een slaapmiddel nodig hebben om in slaap te kunnen vallen.

Behalve dat men zich zorgen kan maken over de – ongewenste – bijverschijnselen van de slaapmiddelen en de onzorgvuldigheid waarmee sommige hiervan op de markt gebracht worden, roept het feit dat deze middelen op zo’n grote schaal ingenomen worden, vragen op.

Waarom valt men aan het eind van de dag niet ‘gewoon’ in slaap?

Wat is slapen en wat is wakker zijn? Bob Witsenburg, arts, gaat in zijn artikel op deze vragen in.

‘Ik heb de hele nacht geen oog dichtgedaan’. Een thema dat in verschillende variaties voor velen van ons een proleem is, soms tijdelijk, maar soms ook blijvend. We blijven er vóór en met onszelf mee worstelen en vinden een enkele keer zelf een oplossing. Maar vaak ook wordt de slapeloosheid als een medisch probleem gezien, op te lossen door een tabletje.

Waarom hebben we eigenlijk slaap nodig? Deze vraag kun je op meerdere niveaus bekijken.

Lichamelijk kun je zeggen dat we ons lichaam tijdens het wakker-zijn, met ons bewustzijn ‘afbreken’, totdat het natuurlijke gevoel van vermoeidheid aangeeft, dat de afbraak zó ver is gevorderd, dat nu de periode van opbouw, de slaap, is aangebroken. Zo’n afwisseling is een ritme. Deze ritmische afwisseling is bijvoorbeeld terug te vinden in de lever, die van drie uur ’s nachts tot drie uur ’s middags een afbraakfase kent, waarbij suiker aan het bloed wordt afgegeven, en van drie uur ’s middags tot drie uur ’s nachts een opbouwfase, waarbij suiker tot leversubstantie (zetmeel) wordt opgebouwd. Mensen in ploegendienst en bijvoorbeeld stewardessen, ervaren dit ritme vaak zeer concreet. Zij merken bijvoorbeeld dat zij zich lichamelijk ’s nachts niet fit voelen, moe zijn, terwijl ze toch genoeg geslapen hebben. Of juist overdag niet kunnen slapen, wanneer dat bij hun werk zo uitkomt. Het lichaam is dan nog in de afbraakfase. Bij mensen die grote tijdsverschillen met vliegtuigen overbruggen, verkeert het leverritme nog in de fasen die hoorden bij de tijd van het land waar ze net vandaan kwamen. De aanpassing kan enkele dagen duren. Psychologisch betekent de slaap onder meer een verwerkingsproces, waarbij de gebeurtenissen en ervaringen van de dag ‘vergeten’ worden, en na verwerking in diepere bewustzijnslagen de volgende dag, of nog veel later, als levenservaring en vermogens te voorschijn komen.

Uitdrukkingen als ‘de ochtend is wijzer dan de avond’, of ‘ik zal er eens een nachtje over slapen’, zijn hier voorbeelden van.

Wat de geestelijke aspecten van het slapen betreft, kunnen we in de eerste plaats kijken naar het bewustzijn. Van dit bewustzijn zou je kunnen zeggen dat het overdag polair is aan ons nachtbewustzijn. Als we goed wakker zijn, beleven we onszelf door middel van onze zintuigen als centrum van de wereld, tegenover de wereld.

Letterlijk staan we in het centrum van onze eigen horizon. Ons waakbewustzijn is een centrum-bewustzijn. Ons slaapbewustzijn daarentegen is een omtrek-bewustzijn. Als centrum hebben we onszelf verloren, en we zijn in zekere zin in een wijde omtrek uitgespreid. Als overgangsbelevenis kennen we wellicht allemaal het verschijnsel -hopelijk zelden -, dat je eens bij een lezing bijna bent ingeslapen, en daarbij soms niet meer weet of datgene wat er in je omgaat je eigen gedachten zijn, of de gedachten van de spreker. Plotselinge zintuigindrukken, zoals iets dat valt, een stemverheffing en dergelijke, brengen je dan weer ineens ‘tot jezelf’.
Om het verwerken in de nacht van je dagervaringen mogelijk te maken, moeten deze belevenissen iets eigens gekregen hebben. Wat dit betekent, kunnen we ons voorstellen als we ons afvragen, hoeveel indrukken en ervaringen er op ons afkomen, die we ons niet eigen kunnen maken. Denk aan de veelheid, heftigheid en te snelle opeenvolging van informatie door televisie, radio, kranten, lawaai op werk of straat, snelverkeer, reclames, verstrooiing in vakanties, etcetera. Wie van ons kan zijn indrukken, informaties en ervaringen nog allemaal, of zelfs maar gedeeltelijk, zelf kiezen? En wie heeft daarna de rust om ze ook zelf te laten bezinken en te verwerken? Om maar te zwijgen over of het je lukt er ten slotte nog iets mee te doen.

Het zijn vaak de niet-eigen gemaakte indrukken, gevoelens en ervaringen, die ons het gezonde slapen belemmeren. Niet-eigen maken overdag, geeft een niet-zelfverwerken ’s nachts. De kwaliteit van onze dagervaringen is hierdoor meebepalend voor de kwaliteit van ons slapen.

Omgekeerd zal ook de kwaliteit van onze slaap ook de kwaliteit van ons werken overdag beïnvloeden.

Wat kunnen we nu aan slapeloosheid doen? Even kort iets over slaapmiddelen. Zij werken alleen symptomatisch, laten je wél slapen, maar de slapeloosheid zelf wordt erger. Hoe langer je ermee doorgaat, hoe moeilijker het is om te stoppen. En het nachtelijk verwerkingsproces gaat waarschijnlijk grondig de mist in.

Lichamelijk gezien is regelmaat het belangrijkste. In het algemeen is een ritmisch bestaan, met een steeds terugkerende regelmaat van activiteit en ontspanning, maaltijden en slaaptijden, essentieel. Hoe regelmatiger de periodes van activiteit (afbraak) en rust (opbouw) elkaar afwisselen, hoe sterker de uitslagen, dat zijn de dieptes en de hoogtes van onze slaap-waakcurve kunnen worden. Niet alleen is het nodig voor voldoende rust ’s nachts te zorgen, (en uren vóór 12 uur, het uur dat de zon weer aan zijn opmars begint tellen dubbel), maar ook dat de periode van ingespannen werk overdag, niet te lang duren. Niet voor niets duren colleges gemiddeld 45 minuten, en daarna is er even pauze. Soms is het zelfs noodzakelijk om aan het begin van de middag een echte middagpauze te maken, om alles even los te laten, bijvoorbeeld door te rusten, of te wandelen. Wandelen is sowieso een goede activiteit vóór het slapen, omdat het het denken tot rust kan brengen, en de bloedsomloop aanzet. En het is juist de bloedsomloop, die in nauwe relatie met onze opbouwprocessen, ’s nachts actief wordt. Met koude voeten bijvoorbeeld, kun je niet slapen.

Op meer psychologisch niveau zullen we eerst misschien wat vóóroordelen moeten overwinnen. Vaak hoor je mensen zeggen: maar ik móet toch slapen, want anders… Ja, wat anders?

Wat zou er gebeuren als je eens een week niet sliep? Weekje ziektewet? Extra vakantie nodig? Zal je tenslotte niet vanzelf in slaap vallen, als de vermoeidheid te erg wordt? Er zijn twee mogelijkheden: óf je haalt het slaapverlies wel weer in, óf je moet je leven anders inrichten, wat misschien wel hoog nodig is. En bedenk dat mensen die menen dat ze ‘de hele nacht geen oog dicht’ doen, vaak tussen door wel degelijk blijken te slapen, maar dat juist dié momenten zich aan de herinnering onttrekken. Laat dus dat moeten-slapen maar eens weg, het is juist een sterke belemmering tot inslapen. Bovendien geldt, dat hoe ouder je wordt, hoe minder slaap je nodig hebt. Maar we kunnen ook veel positieve dingen doen. Zo kunnen we proberen alle vluchtigheid in ons waarnemen te vermijden, want door iets echt waar te nemen, tot je te nemen, is ook een echt verwerken mogelijk. Lezen doen we bijvoorbeeld vaak veel te snel en te vluchtig. Het spreekt voor zich, dat we ondertussen niet de radio of televisie laten aanstaan. En het sterkste werkt, als we onze waarnemingen en informatie zélf kunnen kiezen, en er niet steeds voor ons gekozen wórdt. Daar hoort bij de vraag, of het juist is om allerlei krachtige indrukken emotioneel in je op te nemen, waarvan je weet dat je ze toch niet verwerken kunt. Verwerken in de zin van tot je te laten doordringen, en er daarna iets mee te kunnen doen. Horen hierbij niet vele live-uitzendingen over kapingen, gijzelingen, sensationele ongelukken, etcetera?

Wat de geestelijke kant betreft is er nog één soort persoonlijke oefening, die ik in verband met slapen en waken zou willen noemen, en die in de antroposofie bekend is als ‘rückschau’ en ‘vorschau’. In de rückschau, of terugblik, kijken we ’s avonds terug op onze dag, waarbij we de gebeurtenissen aan ons voorbij laten trekken, in omgekeerde volgorde, dat wil zeggen, het laatste het eerst. Het resultaat is, dat de dag nog eens in vogelvlucht via het denken in het voorstellingsleven vóór ons staat. Als dat lukt, zonder opnieuw de emoties van de dag te beleven, kunnen de belevenissen daarna, in de nacht, ‘vergeten’ worden. In dit vergeten geschiedt het verwerken.

Wat gebeurt er in het algemeen met dingen die we vergeten? Vergeten wil zeggen dat ze in een onbewuste laag van ons dóórwerken. Het betekent niet dat de ervaringen voor ons verloren zijn. Zoals we dingen, die we met veel moeite vroeger geoefend hebben, zoals muziekoefeningen, later als een vanzelfsprekendheid ter beschikking hebben. De moeizame oefeningen en probeersels die er vroeger aan voorafgingen, zijn vergeten. Ze zijn nu tot vermogen geworden, schijnbaar moeiteloos de muzikant ter beschikking staand. Zo is er een dergelijk verwerkingsproces met alle dagelijkse ervaringen. Als we ze uit de voorstelling loslaten, kunnen ze in de nacht tot vermogens worden. Het nachtbewustzijn is hetzelfde bewustzijn als van waaruit onze wilsimpulsen stammen. Vergeten ervaringen van gisteren, kunnen op deze manier geïntegreerd worden in de wilsimpulsen van morgen. Als je ergens een nachtje over moet slapen, betekent dit dat je je vragen van vandaag, de kans geeft om tot je eigen wilsimpulsen van morgen te gaan behoren. Als je metéén zou beslissen, doe je misschien iets wat niet echt bij je hoort.

In de vooruitblik ’s morgens, kun je je dan afvragen wat je die dag te doen staat. Welke dingen er allemaal moeten, maar vooral welke dingen je die dag met enthousiasme tegemoet gaat. Juist dit enthousiasme maakt persoonlijke inzet mogelijk. Zo’n enthousiasme maakt, dat je er helemaal bij bent. En hoe meer je er overdag zelf bij bent, hoe beter je het ’s nachts zelf weer los kunt laten. Zo kun je ook vanuit je intensiteit van beleven, je slaap-waakdiepte beïnvloeden.

Deze twee oefeningen kunnen helpen bij de twee slaapstoornissen die er zijn; de inslaapstoornissen, en de dóórslaapstoornissen. Bij de inslaapstoornissen blijven de dagbelevenissen, emoties en zorgen, aan ons vastkleven, en we kunnen of durven ze niet los te laten. De afbraakprocessen van het waakleven hebben ons te sterk te pakken, en belemmeren zo het inslapen. De dag terugdenken zonder de emoties, alsof het een ander betreft, kan ons er dan van bevrijden. Met vertrouwen kunnen we onze dag aan de vergetelheid van de nacht prijsgeven, want om in te slapen heb je vertrouwen in je levenssituatie nodig. Het vertrouwen, dat ook al laat je al je zorgen en problemen los, deze je niet zullen overweldigen.

De andere belangrijke slaapstoornis, is de doorslaapstoornis. Hierbij worden mensen juist vroeg wakker, bijvoorbeeld drie uur, en slapen dan niet meer in. Wat de lichamelijke kant hiervan betreft, heeft dit vroege ontwaken vaak te maken met het eerder genoemde leverritme. Hierbij is het opbouwproces in ons te zwak. Het kan ook samenhangen met te veel dingen in de dag die allemaal moeten, en waar we geen persoonlijk enthousiasme meer voor voelen, of waarin een eigen inbreng niet meer is te verwezenlijken. We schrikken terug voor de dag, waardoor die al op ons valt, nog vóór we uitgeslapen zijn. In de vooruitblik kunnen we proberen te ontdekken welke punten in de dag ons enthousiasme kunnen wekken, en welke punten in de dag de moeite van de eigen inzet toch waard zijn, waardoor je een moed stukje kunt vinden, om de dag te beginnen.

Om in te slapen heb je vertrouwen in je levenssituatie nodig. Om dóór te slapen heb je moed nodig om de volgende dag te beginnen. In de terugblik en de vooruitblik kunnen we dit vertrouwen en deze moed proberen te ontwikkelen.

Bob Witsenburg, arts, Jonas 3, 5-10-1979

.

Ritme: alle artikelen

.

1664-1559

.

.

VRIJESCHOOL – Kinderbespreking – alle artikelen

.

Rudolf Steiner over: kinderbespreking

[1-1] Het kind ‘een raadsel’.
[1-2] Het kind als ‘kunstwerk’; de schroom om een kind te ‘doorgronden’.
[1-3] Het belang van waarnemen.
[1-4/1] Over het te sterk en te zwak incarnerende Ik.
Met een opsomming van de vakken die daarbij kunnen helpen.
[1-4/2]
Kim Lapré werkt bovenbedoelde opsomming verder uit.

over waarnemen van beweging; samenhang beweging/spreken.

[2] Het raadsel doorgronden...
Joop van Dam over: het boek ‘Du sollst sein Rätsel lösen’, (niet vertaald*) van Christof Wiechert; de inhoudelijke kanten van de kinderbespreking.

[3] Labels als molenstenen
Marcel Seelen
over: wat doet een ‘label’; wat is wezenlijk voor een kind met een probleem (als bv. ADHD); praktijkvoorbeelden; leraar probeert een stigmatiserend patroon te doorbreken

[4] Een weg naar het wezen van het kind
Heiner Priess
over: waarnemen van een kind; kinderbespreking als oefening in lerarencollege; hoe en in welke wereld ontwikkelen kinderen zich nu?; de beschrijving van een kind; wat weet je van de ‘voorgeschiedenis’; wat kunnen we in overeenstemming met de meest innerlijke wil van het kind voor zijn ontwikkeling doen; doel: dat we niet óver het kind spreken, maar dat het kind zich in ons uitspreekt

[5] Hoe verschijnt het kind ons in de lichamelijke gestalte die het zich heeft opgebouwd?
Leo Klein over: de lichamelijke kenmerken waarnemen.

.
Christof Wiechert: Du sollst sein Ratsel lösen

.

1663-1558

.

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsfasen (1-6)

.

En morgen gezond weer op

Behalve uitrusten en groeien, gebeurt er nog meer in de slaap van een kind: hij leert. De indrukken die hij overdag opnam, bergt hij ’s nachts op in zijn lichaam. Daarmee kan hij de volgende ochtend weer een beetje meer dan de dag ervoor. Antroposofisch kinderarts Edmond Schoorel vertelt over de betekenis van de slaap voor een klein kind.

Als ik een rozige zuigeling met zijn handjes naast z’n hoofd in diepe rust zie, word ik meestal stil en eerbiedig. Zo’n kind is een toonbeeld van gezondheid. Als ik een kleuter in een nachtmerrie zie, zwetend, roepend, niets ziende en angstig, moet ik oppassen niet ongerust te worden. Bij dit kind weet ik zo net nog niet of het op dit moment met z’n gezondheid bezig is. Slaap heeft veel aspecten. De slaap van een zuigeling is anders dan die van een kleuter of een schoolkind. De slaap na een boswandeling is anders dan die na een spannende film. Hoe ontwikkelt de slaap zich eigenlijk? Waarvoor is slaap nodig? Waardoor wordt het slapen gestoord en wat kun je doen aan slaapproblemen?

Ontwikkeling van de slaap

Een schoolkind slaapt normaal gesproken elf uur, een kind van een jaar of twee twaalf uur en een pasgeborene zestien uur per dag. Logisch: een baby moet vooral groeien, heeft nog maar weinig waar te nemen en nog niets met z’n verstand te snappen. Maar er is meer aan de hand. Slapen is namelijk een door en door ritmisch proces. Als een kind ter wereld komt, kan het nog niet slapen. Dat moet het, hoe vreemd dat misschien ook klinkt, nog leren. Door in een slaapritme te komen wordt het aardeburger, mens onder de mensen. Dat wordt het natuurlijk ook door andere invloeden als voeding, warmte, koude, gezelligheid, geluiden, liefdevolle bejegening enzovoort. Maar door de afwisseling tussen slapen en waken leert het geleidelijk om in een 24-uursritme te komen. Het allereerste ritme ontstaat na zes tot acht weken. Het is dan echter nog geen 24-uursritme maar een ritme dat zich uitstrekt over een periode van 25 uur. Daardoor verschuiven de slaaptijden en wordt een baby, die eerst om vijf uur wakker werd, een dag later om zes uur en weer een dag later om zeven uur wakker. Langzaam maar zeker verschuiven de slaaptijden en pas met een maand of drie komt een 24-uursritme tot stand, in het eerste levensjaar is er behalve de nachtslaap nog een ochtend- en een middagslaap. Het tweedejaar alleen nog een middagslaapje. In deze eerste twee jaren maakt het nog niet zoveel uit of het donker is in het slaapvertrek. Het kind slaapt toch wel. Maar daarna komt de tijd dat het wel degelijk scheelt of de gordijnen dicht zijn of niet. Dat betekent dat de slaap mede wordt bepaald door het licht, door de zon. Vanaf dat moment kan bijvoorbeeld het begin van de zomertijd het ritme grondig verstoren. Een kind kan zich verbinden met de aarde doordat het tot in zijn slaap-waakritme wordt beïnvloed door de zon. Bij mensen die in een onderzeeër of anderszins in het duister leven, verdwijnt het 24-uursritme al snel en daar komt het ‘oude’ 25-uursritme weer voor in de plaats.

REM-slaap

Nog belangrijker dan het aantal slaapuren is het ritmische verloop van de slaapperiode. Het slapen kent, net als het waken, verschillende stadia. De diepte van de slaap wordt uitgedrukt in vier stadia die op een EEG zijn te onderscheiden. Het belangrijkste is misschien wel de zogeheten REM-fase. Zo’n fase maakt een mens verschillende keren per nacht door. Dan wordt er heftig gedroomd, allerlei orgaanfuncties draaien op volle toeren en de ogen bewegen snel heen en weer (Rapid Eye Movement). Deze REM-fasen zijn van levensbelang want ze spelen een essentiële rol in de informatieverwerking en in de leerprocessen. Ondertussen weet de slaper natuurlijk van niets, hij is bij wijze van spreken bewusteloos.

Zuigelingen besteden de helft van hun slaap, dus een derde van de dag, aan REM-slaap. In die tijd zijn ze dus niet alleen aan het groeien maar ook aan het leren. Rond het derde jaar beslaat de REM-slaap nog 25% van de slaaptijd en in de schooltijd zo’n 20 procent.

Na de voorbereiding in andere stadia van de slaap, worden in de REM-slaap de ervaringen van de dag ingebouwd in de organische processen. Ze worden als het ware lijfelijk. Je kunt ook zeggen: ze komen in het geheugen. En zo is het ook: er is een directe relatie tussen de REM-slaap en het geheugen.

Waarvoor is slaap nodig?

Tijdens de slaap rust het lichaam uit van de vermoeienissen van de dag. Wat overdag wordt afgebroken, wordt ’s nachts weer hersteld. Is het kind dan ’s morgens weer de oude? Absoluut niet! Want als het goed is hebben de biologische processen van de slaap ervoor gezorgd dat de indrukken van de dag het lichaam ’s nachts ook hebben veranderd, ’s Morgens wordt iemand anders wakker dan hij de avond ervoor naar bed is gegaan. Natuurlijk zijn dat maar hele kleine veranderingen, maar bij kleine kinderen zijn ze goed waarneembaar.

Welke dingen bijdragen tot die veranderingen van het lichaam, het geheugen en de vermogens van het kind, hangt af van de leeftijd en de indrukken die het kind meekrijgt. Een baby maakt heel veel mee, zij het nog grotendeels onbewust Maar ook die onbewuste ervaringen zijn van grote betekenis.( In de nacht beïnvloeden ze de leerprocessen van het lichaam die eveneens onbewust tot stand komen. Een schoolkind of een puber is al veel bewuster (mede)mens geworden. Hij neemt ook de ervaringen die hij overdag opdoet in de omgang met anderen ’s nachts mee in de verwerkingsfasen van de slaap. Daar beïnvloeden ze de psychische leerprocessen. Ze dragen bij aan de vorming van zijn belevingswereld, zijn opvattingen en zijn stemmingen. Een volwassene staat overdag zo bewust in het leven, dat hij ’s nachts echt tot inzicht kan komen. Hij kan over een problemen ‘een nachtje slapen’ en de volgende ochtend met de oplossing wakker worden.

Wat stoort de slaap?

Een kind kan hinder hebben van zwaar verteerbaar eten, buikkrampjes, koorts, pijn of andere fysieke hindernissen. Maar ook minder lichamelijke zaken kunnen de nachtrust bederven. Veel kinderen slapen onrustig als hun ouders niet in huis zijn, als ze de volgende dag jarig zijn of als Sinterklaas in aantocht is. Kennelijk zijn er niet-fysieke invloeden die van buitenaf op de slaap werken. In het algemeen kun je zeggen dat alle slaapproblemen eigenlijk waakproblemen zijn. Als er overdag een goede afwisseling is tussen activiteit en ontspanning, tussen druk-doen en rustig zijn, tussen op-je-hoede-zijn en laten-vieren, tussen eten en een lege maag, dan zal het ritme van de slaap de indrukken wel opvangen en verwerken. De indrukken die een kind overdag opdoet, nemen daarbij een belangrijke plaats in. Voor het kleine kind zijn zintuigprikkels al gauw te veel. Daar heeft het dan ’s nachts last van.

Wat kun je doen aan slaapproblemen?

Bij ieder slaapprobleem kun je ervan uitgaan dat het ritme moet worden benadrukt. Probeer daarnaast de situatie voor het kind zo veilig mogelijk te maken. Bouw ’s avonds de dag af door op de rand van het bed op de dag terug te kijken en de onopgeloste zorgen van je kind in beheer te nemen tot de volgende ochtend. Misschien wil hij graag een lichtje aan of de lamp op de overloop. Of geeft dat juist enge schaduwen? Zijn er akelige geluiden en griezels in de kamer? Laat je kind vertellen wat het meemaakt, hoor het aan en geef geruststellend commentaar. Ontken het niet, want dan lijkt het alsof je je kind niet gelooft. Ga er ook niet in mee: dan raakt hij zijn houvast in de realiteit kwijt. Want dat ben je als ouder voor je kind: zijn toetssteen voor de dagelijkse, aardse werkelijkheid.
’s Nachts kun je dat niet meer zijn. Dan schept het kind zijn eigen, nieuwe werkelijkheid.
.

Edmund Schoorel, arts. Weleda Puur Kind 6, herfst 2000
.

Edmond Schoorelboeken

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1662-1558

.

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (4-5)

.

Eten als peuterwapen

Wanneer een kind niet wil eten, kan dat allerlei redenen hebben. Het kan de vorige dag een keer laat zijn geworden waardoor het simpelweg te moe is om te eten. Dan is de remedie: gewoon gauw naar bed!
Of er kan zich een ziekte aan het ontwikkelen zijn die het kind de eetlust ontneemt. Soms ook reageren kinderen op spanningen in het gezin met een verzet tegen eten.
Pas wanneer een kind een aantal weken moeilijk doet over eten, kun je gaan spreken over een eetprobleem.
De eerste vraag is dan: is er een lichamelijke oorzaak? Wanneer je twijfelt of je zorgen maakt, overleg dan met je consultatiebureau-arts of huisarts.

In het grootste deel van de gevallen is er echter sprake van een probleem dat in pedagogische zin een beroep op je doet.
Niet voor niets wordt moeilijk eetgedrag een van de ‘peuterwapens’ genoemd. Zeker wanneer je kind bij opa en oma of bij de buren met smaak eet wat het thuis weigert, is het goed niet elke weigering te accepteren. Het kan onderdeel zijn van de koppigheidsfase van een peuter, en die kan ontaarden in een strijd die ouders tot wanhoop drijft. Dan is het zaak allereerst de angst en bezorgdheid te overwinnen dat een kind tekort komt en schade ondervindt van een periode slecht eten. Wanneer er geen lichamelijk probleem is, zo leert de ervaring, is dat vrijwel nooit het geval.

Die geruststelling maakt het iets gemakkelijker de strenge maatregelen te nemen die in veel gevallen helpen. En die zijn: alle snoep en koekjes schrappen en de maaltijden kort houden. Verder zijn er zo’n twintig minuten om het bordje leeg te eten, daarna verdwijnt het. Bij de volgende maaltijd krijgt het kind dan weer hetzelfde voorgezet wat het eerder weigerde.
In zo’n geval helpt het om de momenten van de ‘tussendoortjes’ te benutten en een tijd lang van drie naar vijf maaltijden te gaan. De essentie van deze maatregelen is: consequent gedrag. Scènes en dwang werken daarbij averechts, gezelligheid en ongedwongenheid helpen. Uiteraard is er niets op tegen om het (warme) eten dat een kind weigert in bijvoorbeeld een gepureerde soep of groententaart te ‘verstoppen’.

Besef echter dat ook een klein kind al een smaak heeft die respect verdient.

.

Machteld Huber, arts, Weleda Puur Kind nr. 5, lente 2000

.

Opvoedingsvragenalle artikelen

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

.

1661-1557

.

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de dierkunde (7) – over de dromedaris

.

GERBERT GROHMANN

            ‘LEESBOEK VOOR DE DIERKUNDE’

blz. 52                                                                                                     hoofdstuk 7

Het Duits is enigszins verwarrend. De kameel met twee bulten heet ‘Trampeltier’. ‘Kamel’ is in het Duits de kameel met één bult, die wij dromedaris noemen, een woord dat ook in het Duits bestaat als ‘Dromedar’. Grohmann gebuikt hier steeds ‘Kamel’ als het over de dromedaris gaat. Vandaar de eerste zin: ‘Die Kamele, auch Dromedare genannt’.

Het kamelengeslacht waartoe ook de dromedarissen behoren, vertoont veel verwantschap met de herkauwers, want beide diersoorten behoren tot de herkauwers. Wat is erger, iemand een rund noemen of als os bestempelen of hem voor kameel uit te schelden? [Kamel = ‘ezel, domkop’] Wie zou deze vraag makkelijk kunnen beantwoorden? Maar wacht maar eens af wat de bioloog daarover te zeggen heeft. Misschien kan hij ons het juiste antwoord geven. Zo gaat dat, wanneer de mens op de een of andere manier iets van het dier overneemt. Meteen houdt hij dan een beetje op mens te zijn.
Maar aan de andere kant, wie heeft nu eigenlijk het recht een dier minder te achten, omdat het maar een dier is? Zeker geen mens, want dieren worden toch juist zo volmaakt in hun soort, ook zo nuttig of dienstbaar omdat ze iets bepaalds volmaakt ontwikkeld hebben of goed kunnen, veel beter dan de mens het ooit zou kunnen. Moeten we daarom dan minder van hen houden?
De koe kan buitengewoon goed het groenvoer verteren om daaruit uiteindelijk melk te laten ontstaan. In haar verschillende magen zondert ze het voedsel af en verandert het. Iedereen weet toch wat voor ingewikkelde buik ze heeft. Die is veel volmaakter en zit gecompliceerder in elkaar dan de onze. In haar kop is ze daarom oliedom. Maar wat maakt dat uit als ze daarvoor in de plaats in haar buik zo kunstig gebouwd is. Daar is ze bijna de hele dag bezig. Acht uur alleen al moet ze per dag grazen. Dan gaat ze liggen om te herkauwen, want dat is haar belangrijkste taak. Nee, deze goede runderen zijn echt ijverig en ze worden bij hun werk dan ook niet graag gestoord.

Aan de dromedaris zie je al uit de verte dat hij hoewel hij ook een herkauwer is, niet zo’n grote buik heeft. Hij heeft ook één maag minder dan andere herkauwers. want hij heeft geen boekmaag. Daarvoor in de plaats zitten de goede eigenschappen in de lange en sterke poten. Hij kan vracht dragen en je kan zelfs op zijn rug rijden. Het is echt een origineel dier, deze dromedaris, ondanks veel echt wel slechte eigenschappen, maar daarover hebben we het niet.
De gezichtsuitdrukking van de dromedaris lijkt onbewogen, zelfs een beetje onnozel waaraan in het bijzonder ook de overhangende bovenlip bijdraagt. Die is gespleten. De oogpupil is een langwerpige, scheefstaande spleet. Aanhankelijkheid aan de mens, ook aan die hem verzorgt en beschermt, kent de dromedaris niet. Hij is gedienstig als hij daartoe wordt gedwongen en stribbelt tegen, als het maar eventjes kan.

Het is beter om maar eerst de slechte eigenschappen van het dier te noemen, zodat later de goede des te meer opvallen.
Laten we eens luisteren naar hoe de beroemde bioloog Brehm zijn slechte ervaringen met dromedarissen samenvat:
‘De enige eigenschap waar de dromedaris groot mee is, is zijn vreetlust; al het andere valt daarbij in het niet. Hij heeft buitengewoon weinig verstand. Onaangedaan vertoont hij geen liefde en geen haat, het is hem wat alles betreft om het even, behalve zijn voer en de jongen. Prikkelbaar wordt hij, zo gauw hij zich moet inspannen; als z’n boosheid niets helpt, schikt hij zich weer onverschillig in wat hij doen moet, zoals in al het andere. Als hij kwaad is, wordt hij boosaardig en gevaarlijk. Echt afschuwelijk is zijn grenzeloze angst. Het gebrul van een leeuw laat meteen de karavaan uiteenvallen; iedere dromedaris werpt ogenblikkelijk z’n vracht af en gaat ervan door.  Van het huilen van een hyena wordt hij buitengewoon onrusitg; een aap, een hond, een schildpad, voor hem zijn het verschrikkelijke schepsels. Ik ken geen ander dier waarmee het op een vriendelijke manier omgaat. Met de ezel lukt dat nog wel; het paard ziet hij als het meest afschuwelijke dier. Van zijn kant lijkt de dromedaris de andere schepsels met dezelfde wrevel aan te kijken, als waarmee hij naar de mens kijkt.
De dromedaris komt wat edelmoedigheid betreft achter aan de rij van alle huisdieren. Hij heeft echt geen enkele grote karaktereigenschap; hij verstaat de kunst om de mens razend te maken. En daarom heeft ook de benaming [Duits Kamel, kameel] een diepere betekenis, want wanneer je een mens die naam geeft die alle eigenschappen van een os, ezel, schaap en muildier in zich verenigt, kun je geen beter voorbeeld kiezen.’
Na deze woorden van de natuuronderzoeker Brehm is het nu wel duidelijk of het erger is om iemand een os of een rund te noemen of een kameel.

Maar wanneer er nu zoveel slechte eigenschappen van de dromedaris te berde zijn gebracht, is het toch niet anders dan eerlijk en billijk om ook de vele eigenschappen naar behoren onder de aandacht te brengen die het dier tot een bijna niet te vervangen vriend en helper van de mens maken. Als je ooit van dieren kan zeggen dat ze met ‘huid en haar’ door hun vlees en vet, ook door de melk, talloze mensen het leven mogelijk maken, dan moet er toch in de allereerste plaats aan de dromedaris gedacht worden. Hij is lastdier en rijdier, geeft kleding en voedsel sinds oertijden, wat we bijv. uit de Bijbel weten. De melk kan door het hoge vetgehalte beslist niet worden gedronken. Zelfs de mest die in de morgen geproduceerd wordt, wordt meegenomen, want in de woestijn waar geen hout is, is het een kostbaarheid. Overdag droogt het in de hitte en ’s avonds doet het dienst als brandstof voor het vuur bij het kamp. Niets mag ongebruikt verloren gaan! Reusachtige stukken woestijn en steppenland maakt de dromedaris door zijn veelzijdige nuttigheid pas bewoonbaar. Hij maakt het leven mogelijk voor veel volksgemeenschappen. Toen het Suezkanaal er nog niet was, trokken grote karavanen van Suez naar Port Said door de woestijn.
Ten zuiden van de 12e breedtegraad kan de dromedaris niet meer leven, daar ook niet in woestijnen of op de steppen. Van Noordwest-Indië naar Klein-Azië, in Palestina en het land van de Nijl, uiteindelijk in heel Noord-Afrika wordt hij als onmisbare helper gefokt. Hij is naar Australië en Amerika gehaald. Vooral in vochtig-hete klimaten kan hij in zijn thuisland niet en ook niet ergens anders bestaan.
Laten we nu eens naar zijn eten kijken.
Ondanks de vreetzucht die we al genoemd hebben, is er aan de andere kant geen dier dat met weinig zo tevreden is als de dromedaris, vooral wanneer er simpelweg geen voedsel is. Als het avond is geworden en de drijvers de dieren van hun last bevrijd hebben, beginnen de dromedarissen zelf naar voedsel te zoeken. Van hun drijvers kunnen ze op lange woestijnreizen niet meer dan een paar handen gierst of gerst krijgen. De drijver houdt dit karige voer voor hen in zijn omslagdoek bij zich. Wat de dromedaris nog vindt is dor en droog, hard en doornig. Maar daar geeft hij niets om. Hij vermaalt alles met zijn sterke tanden en omdat de lippen en de bek verhoornd zijn, voelt hij er ook niets van. De strohutten van de woestijnbewoners die met bladeren gedekt zijn, moeten met een muur beschermd worden, anders vreten de dromedarissen ze tot aan de grond toe op. Bijzonder graag halen ze ook de bladeren van de bomen naar beneden. Dierenonderzoeker Brehm vertelt dat hij op zijn reizen steeds weer op scherpe doorns trapte die door de zolen van zijn laarzen drongen of door de leren neuzen van zijn schoenen; maar dat de dromedaris dat soort doornen met graagte opvrat. Met een dergelijk karig voedsel kan een dromedaris zeker geen vet produceren.
Nu heeft de dromedaris boven op zijn rug iets heel wonderlijks meegekregen dat hem helpt wanneer hij door gebrek in nood raakt: zijn bult. Die is in betere tijden  door eten ontstaan, want het is niets anders dan een vetbuikje dat hij op zijn rug draagt. Er zitten geen beenderen in en daarom kunnen ze dikker worden en weer dunner al naar gelang het goede of slechte dagen zijn. Wie zijn vetbuik op zijn rug draagt, wordt bij het lopen niet gehinderd. Als een bult goed vol zit, kan die wel 15 kg wegen, maar wanneer die opgebruikt is, weegt die nog maar 2 kg en je ziet hem haast niet meer. Wat een geluk voor iemand die zo lang een voorraad voedsel heeft!
Ook wat drinken betreft zijn de dromedarissen onderweg met weinig tevreden. Als ze veel verse bladeren vinden, kunnen ze ook wel helemaal zonder water, maar anders zakken ze in elkaar wanneer ze geen drinken krijgen. Met hun bijzonder verfijnde speurzin nemen ze een bron al op grote afstand waar. Ze weten ook de plaastsen nog waar ze vroeger weleens hebben gedronken, strekken de halzen, rennen erop los en laten zich niet tegenhouden tot ze bij hun doel zijn. Dan slurpen ze begerig en heel lang en het hele lijf schijn het water op te zuigen, maar dat de dromedaris speciale waterzakken in zich heeft die het voor droge tijden kan vullen, is echt een voorstelling waarom hij die het weet, moet glimlachen.
Alle streken op aarde hebben dieren als helper en elk doet dat op zijn manier. In het hoge noorden is het dat half in het wild levende rendier, ook een herkauwer, in de Afrikaanse woestijn is het de dromedaris. De loggere kameel met zijn twee bulten die in Azië tot ver in het noorden voorkomt en daar eveneens als lastdier, vlees- en melkdier gefokt wordt, noemen we hier terloops. De lama die heel verwant is aan de dromedaris, dient in het hooggebergte van Zuid-Amerika als lastdier. Door zijn andere lichaamsbouw is hij juist voor het gebergte bijzonder geschikt. 

De dromedaris daarentegen is alleen geschikt voor vlak land of een beetje bergachtig. Daarin ligt zijn eenzijdigheid, maar ook zijn kracht. Juist voor deze leefruimte vind je geen geschikter dier. De hoge poten beweegt hij in telgang, dat betekent dat er twee poten aan dezelfde kant tegelijk naar voren worden gezet. Daar komt de wat schommelende gang vandaan, het schommelen van het schip van de woestijn. Maar wanneer hij steil van de berg naar beneden moet, wordt hij onzeker. Zijn eigen lichaam met de lange poten moet hij wel als een last ervaren die hem steeds opzij trekt. Nee, van iemand die zo is als de dromedaris kan je niet verlangen dat die steil naar beneden van een berg afdaalt!

Het is vanzelfsprekend dat er van een dier dat al duizenden jaren onder de menselijke zorg leeft – wilde dromedarissen zijn er niet meer – wel net zoveel rassen moeten zijn dan bij paarden en runderen. Zware, logge kamelen die vooral gebruikt worden voor het dragen van vracht, vind je bijv. in Egypte. Ook in de vruchtbare gebieden van Noord-Afrika worden zulke kamelen gehouden. Men gebruikt ze niet om op te rijden. Daarvoor zijn toch de in de hoogte gegroeide slanke dromedarissen met de hoge poten die de berijder in snelle loop door de woestijn dragen, zodat geen paard volgen kan, een trots geslacht! De woestijnrijders kunnen daarom alleen maar geringschattend naar de zwaar uitgevallen vrachtkamelen kijken. Ook bij dromedarissen spreekt men van edele en onedele soorten. Beroemd geworden is de rit op de dromedaris van de profeet Mohammed die haastig vluchtend op een ‘hedjin’, een rijkameel of pelgrimskameel genoemd in twaalf uur de afstand van Kairo naar Alexandrië aflegde.

Wat gebeurt er allemaal tot de karavaan eindelijk klaar is, de dromedarissen gevangen en bepakt? Laten we het Brehm, de ervaren woestijnreiziger, laten vertellen:
‘De dromedarissen die de vracht verder moeten brengen, zijn pas gisteren aangekomen en vreten met het onschuldigste gezicht de muur van een strohut op, waarvan de eigenaar even afwezig is en die nagelaten heeft zijn huis met doornstruiken te beschermen. Een paar dromedarissen ondersteunen het geschreeuw van de drijver met dat van henzelf in afwachting van wat er gaat komen; bij de andere, die nog niet meebrullen, betekent dat zoveel als: ‘Onze tijd is nog niet aangebroken, maar die komt wel. Ja, die komt! De zon geeft de tijd aan voor het namiddaggebed, de tijd van elk begin volgens Arabische begrippen.  De gebruinde mannen stormen naar alle kanten om hun aan de huizen vretende of ergens anders onheil aanrichtende dromedarissen te vangen; gauw daarna zie je ze met hen tgerugkomen. Iedere dromedaris wordt tussen de klaarstaande goederen van zijn lading geleid en met een onbeschrijfelijk gorgelend geluid gevraagd of door een paar zweepslagen die de vraag ondersteund, te gaan liggen. Met uiterste tegenzin gehoorzaamt het schepsel dat wel een vermoeden heeft dat er een aantal zware dagen in schrille kleuren aankomen. Eerst brult hij met gebruikmaking van zijn longen op een manier die door merg en been gaat en weigert duidelijk hoorbaar en vastbesloten zijn nek uit te steken voor de vracht. Hij schikt zich in het onvermijdeliljke, maar niet met berusting en overgave, maar met alle tekens van een gemoed dat in hoge mate is verstoord, met het draaien van zijn ogen, het laten zien van zijn tanden, met stoten, slaan, bijten, kortom met ongekende grimmigheid. Eindelijk schijnen de longen leeg te zijn. Maar nee: er worden andere stemmen opgezet en in een afgrijselijke volgorde iets klagelijkere tonen aangeheven.’

Zo schetst Brehm het. Ja, ze zouden het weleens kunnen voorvoelen, deze dieren, dat hun nood en ontbering wacht. Op veel plaatsen ken je de karavaanroute aan de geraamten van dromedarissen die aan hun einde zijn gekomen. Dieren die in elkaar gezakt zijn, kun je niet anders dan simpelweg laten liggen. Dan komen uit duizelingwekkende hoogte, waar je ze nauwelijks nog als een puntje kan zien, de grote aasgieren naar beneden. Ze hebben de woestijn afgezocht naar buit en de dode dromedaris ontdekt. Met hun vreselijke snavels scheuren ze wat eetbaar is van het karkas af, steken hun kop met de kale hals in de holte van de ingewanden en verslinden gretig wat daar is te vinden. Scharen andere aasvogels komen erbij, vechten, tot er nog alleen maar een skelet op de grond ligt dat in de zon verbleekt. Zo neemt het leven van de woestijn het dode lichaam van de dromedaris weer in zich op.
Alsof de woestijnbodem hen heeft gemaakt als een deel van zichzelf, zo zijn de poten van dromedaris. Ze lopen maar op twee tenen, net zoals de andere tweehoevige zoogdieren, runderen, herten en ook giraffen. Ze staan allemaal maar alleen op de derde en vierde teen van de voet. De andere tenen zijn verkommerd. De teennagels zijn bij de dromedarissen tamelijk klein, veel kleiner dan bij andere tweehoevigen, maar de dromedarisvoet is met een eeltkussen gepolsterd. Dan kan hij niet wegzakken in het zand. Die merkwaardige zolen hebben hem de naam eeltpotige gegeven.
Men zegt wel na vele ervaringen, dat de dromedarissen bang zijn. Ze worden ook onrustig als ze een woestijnstorm aan voelen komen, een zandstorm, de samum.  Al lang voor die aankomt, hebben ze die met hun fijne zintuigen waargenomen. Dan beginnen ze steeds sneller te lopen om hem nog voor te blijven. Maar tenslotte gaan ze liggen, met de rug in de windrichting en leggen ook hun gestrekte hals in het zand. Zo houden ze het uit, tot die alles doordringende gloeiende hitte weer voorbij is. Ze lijden zeker niet minder dan de mens die onder de vracht beschutting heeft gezocht. De zon is door de dikke wolken verduisterd en nog voor ze weer zichtbaar wordt, zijn sommige dromedarissen aan de droogte en de gloeiende hitte bezweken. Met de tong uit de bek blijven zij op de route liggen.
Wanneer de dromedaris gaat rusten, bijv. ’s avonds, wanneer hij gaat herkauwen, komen de eeltkussens hem goed van pas. Hij ligt erop als op een ondergrond die het zelf meegebracht heeft, omdat ze aan hem vastgegroeid zijn. Die kussens worden gevormnd wanneer de dromedaris groter wordt, op z’n borst, op zijn ellebogen, op zijn zoolgewrichten, op de knieën en de hielen, overal dus, waar het liggend met de bodem in aanraking komt. Je kan wel bewondering hebben voor de wonderlijke samenhang van dit dier met het landschap waarin het leeft. Ja, tot in zijn lichaamsbouw is de dromedaris zelf een stukje woestijn geworden.
Tot slot moet er ook nog iets worden gezegd over de jonge dromedarissen. Iedere dromedarismoeder of  -merrie brengt er jaarlijks maar één ter wereld. Hij is meteen beweeglijk en speelt vrolijk met de andere. De kalfjes hebben een mooie, wollige huid. Ook wanneer ze niet meer door hun moeder gezoogd worden, mogen ze nog jarenlang vrij rondspringen. Dan lopen ze hun moeder achterna en zo raken ze aan het lange reizen gewend. Na ongeveer drie jaar moeten ze dan leren zalf lasten te dragen of de ruiter op hun rug te verdragen. Dat is natuurlijk zoals bij alle last- en rijdieren een zwaar werk waarbij het niet zonder slaag toegaat. Maar de moeite wordt beloond, want een edele berijdbare dromedaris is net zoals een edel paard, de trots van zijn berijder.

.

dromedaris
kameel en dromedaris

Grohmannleesboek voor de dierkunde – inhoud

dierkundealle artikelen

Grohmannleesboek voor de plantkunde

VRIJESCHOOL in beeld4e klas- dierkunde

.

1582

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Ritme (3-18)

.

slapen/waken
.

Overlevingskansen en het omgaan met dag en nacht

Dag en nacht – waken en slapen: een ritme dat niet door ieder als vanzelfsprekend wordt ervaren. De een wordt ’s ochtends fris en verkwikt wakker, de ander heeft de hele dag nodig om te herstellen van de slaap en begint ’s avonds pas weer te leven.
Ate Koopmans: ‘Een machtige paradox die het leven met zich meebrengt’.

De toekomst heeft vele kanten. Vooraan in het bewustzijn staat de bedreiging door de massale kernbewapening. Andere bedreigingen voor het leven van de mensheid zoals milieucatastrofes, grondstoffengebrek, overbevolking, golven zo nu en dan in het bewustzijn omhoog om daarna weer een tijdlang weg te ebben. Men herinnere zich in dit verband de publicaties van de Club van Rome.

Het eigenaardige van deze bedreigende toekomstperspectieven is dat ze alle in wezen geen toekomstperspectieven hebben. Je bent ervan overtuigd dat het belangrijk is ze te verhinderen. Maar het zijn perspectieven van een einde, van dood en ondergang.

Er zijn ook toekomstperspectieven die met het leren te maken hebben. Het eigenaardige van deze perspectieven is echter, dat ze niet, of slechts met grote innerlijke inspanning tot bewustzijn gebracht kunnen worden.

Het leven voltrekt zich in ritmen; bij de plant in biologische ritmen, bij de mens ook in bewustzijnsritmen. De meest opvallende is het ritme van dag en nacht. Het belangrijkste perspectief van de toekomst is voor mij het omgaan met dag en nacht, met slapen en waken, geworden. Net iets belangrijker nog dan de verhindering van de catastrofes die ons bedreigen. Omdat het in het laatste geval gaat om het verhinderen van doodsprocessen, in het eerste geval om het ontwikkelen van nieuw leven.

De stedelijke bevolking – en wie behoort daar tegenwoordig niet toe – heeft zich in aanzienlijke mate geëmancipeerd van het dag- en nachtritme. Wie gaat er tegenwoordig nog voor twaalf uur naar bed? Een steeds zeldzamer categorie. De landbevolking – zeker die van voor de oorlog – schudde meewarig het hoofd bij ’t idee de kippen in hun eentje op stok te laten gaan. Dit was tegennatuurlijk, eigenlijk een soort opstand tegen Onze Lieve Heer. Het proces van verstedelijking en het losraken, zich emanciperen van het ritme van dag en nacht hangen naar mijn gevoel duidelijk samen. De mens slaapt steeds meer wanneer hij wil – met of zonder pillen.

De wijze van slapen en ontwaken is zeer verschillend. Ieder heeft daar zijn eigen grondtype in (uiteraard kan dat veranderen gedurende het leven). De een wordt ’s ochtends wakker en is onmiddellijk present. Fris en fluitend stapt hij of zij het bed uit en het bad in. Vertelt dan sterke verhalen aan het ontbijt. Voor een ander die dit moet meemaken is dat een grote ramp, uiterst vermoeiend. Die ander behoort wellicht tot een heel andere categorie van wakker worden. Het grootste deel van de dag is een kwestie van dofheid en dufheid. Pas tegen de avond begint hij te leven. En naast deze extremen zijn er oneindig veel varianten. ‘Zeg mij hoe gij slaapt en waakt en ik zal u zeggen hoe ge in elkaar zit.’ Het klinkt misschien wat boud, maar hoeft niet ver naast de waarheid te zijn. Mensen van het laatste extreem – pas tegen de avond beginnen te leven – zullen bij onbevangen waarneming tot de conclusie komen dat slapen een rampzalige zaak is. Je kunt weliswaar niet zonder, maar als je je eraan overgeeft, maakt het je doodziek en je hebt een groot deel van de dag nodig om je ervan te herstellen. De eerste groep – de ‘frisse jongens’ – zal het daar totaal niet mee eens zijn: slaap verkwikt, in de slaap herstel je je, slaap is de gezondste bezigheid die je je kunt denken. Een machtige paradox die het leven met zich meebrengt. Beiden spreken uit ervaring!

Kijken we eens nader door dit poortje van ervaringen van een gezondmakende slaap en een ziekmakende slaap! Er slapen kennelijk twee verschillende mensen in ons. In de één is die slaper een gezondmaker, in de ander een ziekmaker.

Voor deze paradox is het antroposofische mensbeeld werkelijk een machtige ‘toverdoos’. Vier geledingen in de mens doordringen elkaar twee aan twee: het fysieke en het levenslichaam samen als het levende lijf dat in bed blijft liggen; anderzijds het zielenlichaam (of: astraallichaam) en het ik, die zich beide gedurende de slaap anders tot het slapende lijf verhouden dan in de waaktoestand.

In de slaap gebeuren er – grofweg gesproken – twee dingen. Het astraallichaam heeft zich losgemaakt uit de organen die het bewuste dagleven verzorgen – zoals de zintuigen en de hen verzorgende zenuwen. In de slaap werkt het astraallichaam anders op de organen en processen in. Het bemiddelt tussen een kosmische wereld van werkende oerbeelden en het slapende lichaam. Derhalve trekt het astraallichaam zich in de slaap als het ware terug op zijn thuisfront, dat wil zeggen het land waar de kosmische oerbeelden, de plannenmakers van de organen werkzaam zijn. Daarom is de naam astraallichaam (sterrenlichaam) weliswaar misschien wat ‘geladen’, maar wel zinvol. Het verkwikkende van de slaap is te danken aan deze opbouwende, ‘voedende’ werkzaamheid van het astraallichaam uit de krachten van de kosmische oerbeelden van de organen.

Totaal anders is het met het levende lichaam dat in bed blijft liggen. Ook daar gaan de processen door, maar nu tijdens de slaap met een zekere eenzijdigheid. De belangrijke werkzaamheid van het astraallichaam en het ik zijn immers weggevallen: we slapen. Het levende lichaam is in een aantal zeer belangrijke processen en organen verlaten door het meest eigenlijke van de mens: het astraallichaam en het ik. Het slapende lichaam heeft daardoor de neiging van de ‘eigenlijke’ mens te vervreemden. We kunnen dat waarnemen bij het ontwaken als we onze oplettendheid vergroten. Het gevoel van ‘niet goed wakker’ te kunnen worden, is daar een globaal en wat al te grof voorbeeld van. Bij een nauwkeuriger waarneming ondervinden we dat dit proces veel genuanceerder kan plaats vinden. We kunnen bemerken dat achter dit ‘ergens’ niet goed wakker kunnen worden bepaalde ziektetendensen in ons liggen. En wel van zeer verschillende aard. Degene die pas ’s avonds begint te leven komt uit zijn lichamelijkheid een heel bepaalde, misschien heel onschuldige ‘vervreemdingstendens’ tegen. Maar zo’n tendens kan ook bij de fris-uit-het-bed-springer te vinden zijn, maar dan bijvoorbeeld beperkt tot één proces, of één orgaan.

Wat zit hier achter? Om dit te doorzien moeten we het levenslichaam leren kennen. Zoals het fysieke lichaam verwant is met de zichtbare stof, zo is het levenslichaam dat met de onzichtbare wereld van de elementen, van elementaire wezens. Zo moet men hier uiteindelijk heel zakelijk, en vooral zonder in paniek te geraken, spreken over demonische elementaire wezens die in het levenslichaam kunnen werken, hun werkzaamheid uitbreiden nu de ‘eigenlijke mens’ er in de slaap niet bij is. Zij uiten zich of op natuurlijke wijze – in een lichamelijk ziekteproces – of op het psychische of morele vlak. Het demonische karakter ligt- objectief besloten in het feit dat ze de menselijke lichamelijkheid vervreemden van het astraal lichaam en het ik.

Op deze wijze kunnen we met het antroposofisch mensbeeld een schuchter begin maken ervaringen met slapen en waken te doorlichten. Een korte tussenopmerking over de vraag: waar haal je het recht vandaan op een bepaald moment die ‘toverdoos’ er bij te halen? Je begon eerst fatsoenlijk fenomenen te beschrijven, maar plotseling kwam je met het antroposofisch mensbeeld om de hoek.
Rudolf Steiner zegt dat hij deze verschillende wezensdelen van de mens en hun doen en laten schouwt, ‘ziet’. Wij kunnen dit misschien alleen denken. De vraag is nu echter wat we met die gedachten en ideeën doen.

Op dat gebied kunnen we de accenten heel verschillend leggen. We kunnen met het speculatieve verstand over de ideeën gaan denken. Bijvoorbeeld over hoe waarschijnlijk of onwaarschijnlijk ze zijn, etcetera. We kunnen ze echter ook nog op een of andere manier beproeven, namelijk door de ideeën als het ware te investeren in de waarnemingen en ervaringen en dan te kijken wat er met dit, dat wil zeggen ons ervaringsgebied, gebeurt. Doet het iets? Worden de ervaringen misschien doorzichtiger? Of veranderen we zelf? Kunnen we het betreffende gebied anders hanteren, of veranderen misschien zelfs de ideeën zelf. Gaan ze groeien, worden ze minder ‘dun’, meer concreet, verzadigder, zodat we ze bijna ‘met ogen zien’. Kortom: we gaan een ‘spiritueel pragmatisme’ hanteren, als we in filosofisch jargon willen spreken.

Zoals je bij het astraallichaam gedurende de slaap naar de kwaliteit van bemiddelaar van kosmische oerbeelden kunt zoeken, kun je ook vragen naar de kwaliteit van het ik in de nacht. Het meest dichtbij, lijkt me, is uit te gaan van de heel gewone vraag: wat wil ik eigenlijk gaan doen? Je stelt hem bijvoorbeeld ook op die wijze in de levensfase van een beroepskeuze. Wat wil ik eigenlijk? Of wat wil ik eigenlijk met dit leven of met de komende levensperiode? Een vraag die door de meesten van ons zo tussen zestien en eenentwintig jaar voor het eerst bewust wordt gesteld – en dan het hele leven door op gezette tijden terug kan komen (wat te hopen is). Als je die vraag nu eens ‘omstulpt’ – buiten je gewone zelf plaatst. ‘Wat zou voor mijn zelf – vanuit een objectief perspectief van mens te willen worden – het beste zijn door te maken op aarde’. Je voelt nu onmiddellijk: houd ik die vraag uit?

Het is een karmische vraag, de vraag naar een levenslot dat ik zoek of kies of intendeer. Waar wordt die vraag gesteld? Die vraag leidt ons als het ware naar de kwaliteit van het ik gedurende de slaap. Gedurende de slaap treedt het ik in relatie tot zijn eigen hoger wezen. Uit deze sfeer komen besluiten, zoals het ‘inbouwen’ in je lichaam van een handicap als uitdaging om bijvoorbeeld heel bepaalde wils- of gevoelskrachten in het leven te ontwikkelen. De vraag van het ‘wat wil ik eigenlijk’ staat hier in een heel andere dimensie: sub specie aeternitatis – in het perspectief van de eeuwigheid. En niet alleen met betrekking tot jezelf, maar ook ten opzichte van andere mensen, andere wezens.

Wat heeft dit te maken met de toekomst? Zoals reeds gezegd: ik geloof zeer veel. Onze verregaande emancipatie van slapen-waken van het dag-nachtritme is slechts een uiterlijk symptoom van de emancipatie van de mens van de natuur en van de kosmos. Deze emancipatie voltrok en voltrekt zich. Daar is niets tegen in te brengen. Parallel aan deze emancipatie ontwikkelt zich niet alleen de stedencultuur, maar ook de wetenschap, de industrie, de milieuproblematiek, de hygiëne met de bevolkingsexplosie, de kernsplitsing met de atoombom, enzovoort. Dat is een zeer veelzeggende samenhang, waarop in het verleden wel vaker werd gewezen. Maar ik geloof niet dat er vaak de conclusie aan werd verbonden: mens, zorg voor de toekomst dat je iets nieuws leert in het omgaan met slapen en waken. Niet terug naar de ‘natuurlijke staat’ van met de kippen op stok, maar op een manier die perspectieven biedt voor een ontwikkeling.

Het wezenlijke van de antroposofie ligt mijns inziens in het feit, dat zij een praktijk-gerichte wetenschap is om de verhouding van slapen en waken op een nieuwe wijze te leren hanteren. En wel zo dat daaruit gezond-makende, genezende impulsen voor de menselijke samenleving voortkomen. Dat lijkt een vreemde en boute ‘definitie’. Maar als je kijkt naar de door Rudolf Steiner gegeven schilderingen van de antroposofische scholingsweg met de verschillende oefeningen en hun werking en ook maar de eerste stappen en ervaringen hebt opgedaan, dan merk je dat dit te maken heeft met inslapen en ontwaken. Als je de dag zo beëindigt dat je in een beeld of een spreuk geconcentreerd en met de grootst mogelijke innerlijke activiteit een korte tijd leeft, beïnvloed je de slaaptoestand. Je neemt met deze ‘meditatie’ in de waaktoestand een initiatief waardoor je anders leert slapen. Dat wil zeggen dat je gunstig en bevorderend werkt op de genezende, gezondmakende werking van de slaap uit de wereld van de oerbeelden. Maar dat is niet het enige. Je komt tevens in een bewustere relatie tot dat wezen dat zich onder andere manifesteert in de vraag: wat wil ik eigenlijk – morgen, in de komende levensfase, met dit leven.

En een andere aanbeveling is deze meditatie te laten voorafgaan door een terugblik op de dag. Maak in deze terugblik beelden van de mensen waarmee je te maken had, van je ontmoetingen of uiteenzettingen met mensen: exacte en concrete, sappige beelden. De energie en de krachten die je daarin investeert, doen je in de slaaptoestand anders in relatie treden tot de mensen-ikken waar je mee te maken had. Ook zij zijn het die zich verbergen achter de vraag ‘wat wil ik eigenlijk’. Op deze wijze werk je als het ware via de omweg van de nacht tevens op de sociale vermogens die in het dagleven van ons verlangd worden. En ook in het sociale en maatschappelijke leven kun je over ziekte en gezondheid spreken, in een hogere zin.

Het omgaan met dag en nacht is zowel in natuurlijk als ook in sociaal opzicht een vraagstuk van ziektetendensen en genezende, gezondmakende krachten. Uit de nacht haalt de mens diepe morele impulsen, positieve en negatieve. Gezondheid en ziekte, christelijke naastenliefde en kernbommen komen beide in zekere zin uit de wereld van de nacht, maar wel op verschillende wijze en uit verschillende bron. Die verschillende wijzen en die verschillende bronnen bewust op het spoor te komen is daarom zo belangrijk, omdat daaruit pas echte keuzes kunnen voortkomen.

.

Ate Koopmans, Jonas, 18-03-1983

.

Ritme: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1659-1555

.

.

VRIJESCHOOL – 1e klas – schrijven en lezen (2-14)

.

Een artikel uit ‘de oude doos’. Maar het bevat nog altijd actuele opvattingen over het vrijeschoolonderwijs in klas 1 en over de 1e-klasser.
De oorspronkelijke spelling heb ik laten staan.

HET BELANG VAN DE EERSTE KLASSE OP DE VRIJE SCHOOL

Het grootste bezwaar, dat de ouders hebben om hun kinderen dadelijk vanaf de eerste klas op de Vrije School te brengen is, dat ze niet direct lezen en schrijven leeren. Tegenwoordig maakt men zich ongerust, wanneer een 6-jarig kind niet net zoo geleerd in de boeken leest als een volwassen mensch.

Een tijd, waarin psychologisch inzicht alleen langs experimenten wordt verkregen en waarin het technische hulpmiddel zoo geperfectioneerd wordt, dat de mensch er haast machinaal nauwkeurig op reageeren moet, ziet het gebeuren, dat een kind vóór zijn 7e jaar in den kortst mogelijken tijd het lezen en schrijven leert.

En toch zijn er vroeger tijden geweest, waarin de menschen nog niet in den tegenwoordigen zin lezen en schrijven leerden. Men beoordeelt echter die menschen uit oude tijden als dom en kinderlijk, terwijl men het tegenwoordig zoo ver gebracht heeft. Wanneer men echter ingaat op de zielekennis en op de geestkennis der oudere menschheid, dan ontdekt men verbluffende wijsheid. Toen kwam het ook niet in de menschen op over opvoeding te praten en zulke zonderlinge proeven te doen, als men tegenwoordig doet om iets te weten te komen.

Men is vergeten, dat een oudere menschheid een schrift gevormd heeft. Tegenwoordig is het schrift een conventioneel iets.

Toen de eerste Europeanen in Amerika kwamen, vonden de Indianen de schriftteekens kleine demonen en duivels. Zij ondervonden wat eigenlijk onbewust een kind ook ondervindt, nl. het abstracte en beeldlooze van den verstarden vorm, waarmee zich de ziel niet meer verbinden kan. Omdat ze echter zoo graag leeren wat een volwassene kan, nemen ze het in zich op.

Een gevoeliger onderzoek langs geesteswctenschappelijken weg merkt wel degelijk, dat in het kind een reusachtige antipathie leeft tegen deze vreemde vormen. Desniettegenstaande zijn ze gedwongen de letters te leeren, dus iets, wat hun menschelijk vreemd is met het zieleleven te verbinden. Dat is door een fijner onderzoek te merken aan den slaap der kinderen. Deze wordt n.l. door ongezonde droomen gekweld. Na eenigen tijd kan men opmerken, dat dc gezondheid er onder begint te lijden.

Hoe komt dat?

De zielefuncties van het kind zijn in de eerste jaren volkomen gebonden aan het lichamelijke. Overal waar het lichaam groeit, neemt ook de ziel actief deel aan het groeien en vormen. Het zijn de zielekrachten, die voor het herinneren en voorstellen, gebruikt worden, welke na het 7e jaar vrij komen. Gebruikt men ze voor het leeren van abstracte letters, dan worden die zielekrachten sterk afgeleid van den lichaamsarbeid en verstoren deze. Bij sommige kinderen toont zich zoo’n stoornis dadelijk, bij andere eerst veel later en weer andere pas op ouden leeftijd in den vorm van allerlei ziekten.

Wacht men af, tot de.kinderen na het tandenwisselen, de zielekrachten voor het herinneren vrij krijgen, dan kan men veel beter de letters leeren en ook schrijven. Vervolgens moet men nu ook de goede methode vinden, om sympathiek te maken, wat de kinderen onbewust antipatisch is.

Daarom moet men in de eerste plaats het kinderkarakter kennen, weten welke vermogens in zijn ziel verborgen liggen. Onderzoekt men of een kind fantasierijk of -arm is, hoe het geheugen werkt, hoe de wil in het kind werkt, hoe het zich beweegt en of het graag of niet graag teekent, dan kan men de wegen tot de persoonlijkheid vinden. Maar een algemeen klassikaal onderwijs moet met algemeene gezichtspunten kunnen werken. Het algemeene gezichtspunt moet zijn de kunst.

Het kind speelt. Zijn spel is echter niet voor het kind wat het spel voor den volwassene is. Wanneer men dus zegt: het leeren moet spelend gaan en men meent daarbij, het kind moet zoo spelen, als wij dat opvatten, dan spreekt men als een dilettant. Want het spel is voor den volwassen mensch een grap, een pleizier, iets wat dus niet de inhoud van het leven is. Het spel van een kind is de ernstigste inhoud van zijn leven, het is de waardigste wijze waarop het de wereld beleeft. Wanneer men het spel, als spel, als grap of vreugde invoegt in het onderwijs, zal men onpaedagogisch werken. Laat men dit spel overgaan in het kunstzinnige en doet men dit met dezelfde ernstige heilige overgave, als waarmee het kind vroeger speelde, dan heeft men de juiste opvoedingskunst gebruikt. Het is noodig om de methode te gebruiken, die een middenweg volgt tusschen kunstmatig inhameren en dilettantisch spelen.

Wanneer de kinderen in de eerste klas op de Vrije School komen, leeren ze dus zich kunstzinnig bezig te houden met dezelfde vreugdevolle ernst, waarmee ze vroeger gespeeld hebben. Ze moeten met hun onhandige vingers en handen op het papier met water en verf werken en men zal ze door de vreugde van het kleurbcleven, tot het kunstzinnige samenvoegen der kleuren brengen. Ze teekenen of plasticeeren. Daardoor groeien de kinderen met hun innerlijk zielewezen op fijne wijze in de dingen, die ze zelf maken, die echter de autoriteit hun opgegeven heeft. Door het muzikale en dichterlijke element groeit het in een muzikale dichterlijke wereld om hen heen. Men wekt eigenlijk de groeikrachten op gezonde wijze. En het kind neemt in zich op, wat het zoo geleerd en ervaren heeft. De kunstzinnige beelden en tonen leven verder in den nacht in zijn droomleven en werken aan den opbouw van het lichaam mee. Men kan merken, dat de kinderen den volgenden dag ontvankelijker terug komen. De beelden komen weer te voorschijn en willen nu verder ontwikkeld. worden. Men laat ze vormen loopen en met de hand bewegen. Het geheele menschenwezen is kunstzinnig in actie.

Heeft men dit in voldoende mate gedaan met de kinderen, dan kan men tot het schrijven overgaan. Evenals de oude volken een natuurlijken overgang hebben gemaakt van het beeldenschrift tot het abstracte schrift, zoo moet ook ieder kind door het kunstzinnige beeld in het schriftteeken een weg vinden. Uit het teekenen en schilderen ontstaan de beelden, die men na lange herhaling in een teekenschrift over kan brengen. Het schrijven is een veel actiever bezigheid dan het lezen. Dit begint eerst wanneer het kind voldoende kan schrijven om het geschrevene terug te lezen.

Een schrift, dat met liefde geteekend is, kan ook schooner zijn dan een mechanisch geschreven schrift. Wat in het eerst deprimeerend was voor de ouders, om hun kinderen niet met trots te kunnen vergelijken met anderen die al lezen en schrijven kunnen, verandert in een voldoening, wanneer ze zien: hun kind is gezond gebleven, gaat met vreugde naar school en kan nu schrijven met groote liefde.
.

D. J. v. BEMMELEN, Ostara (vrijeschool Den Haag), 2e jrg. 02-1928

.

Schrijven en lezen: alle artikelen

Rudolf Steiner over schrijven en lezen

1e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 1e klas 

.

1658-1554

.

VRIJESCHOOL – Sprookjes – Er was eens……(9-1)

.

er was eens, maar hoe lang nog……?

Rond de sprookjes is het eigenlijk wonderlijk gesteld.
“Je moet me geen sprookjes vertellen’, staat toch min of meer gelijk aan: ‘Je moet niet tegen me liegen.’ Of  ‘me geen onzin verkopen.’
In dit verband delen ze het lot van de mythe. Ook deze wordt vaak gelijk gesteld aan iets wat niet klopt. De mythe wordt dan – of moet dan worden ‘ontmaskerd’ of ‘ontzenuwd’.

In zijn boek ‘Er was eens en er is nog’  verklaart C.J.Schuurman’  sprookjes. Hij zegt: ‘Mythen en sprookjes zijn de dromen van de mensheid die zo een expressie van het wezen van de ziel vertolken. We zien in de symbolen onszelf weerspiegeld in onze neigingen, verlangens en onze zoektocht naar bewustwording.’

De ‘leugens’ en/of ‘de onzin’ maken bij hem plaats voor dieper liggende symboliek. Is dat de waarheid achter de sprookjes?
Voor Schuurman wel, maar iemand die een recensie over het boek schreef, merkt op: ‘De inleiding behelst een theorie over het sprookje, die alleen als curiositeit waarde heeft’. En even verder: ‘een opvatting volgens welke sprookjes een “oneindig gevarieerde uitbeelding van het kosmisch gebeuren” en een “uitdrukking van wat in de onderstroom van de ziel leeft” zijn, kan nergens anders in uitmonden dan in een zeer speculatieve wijze van uitleggen.

Maar niet alleen Schuurman heeft zich aan uitleg gewaagd. Ook Freud bijv. En het hoeft niet te verbazen dat hij ze bekeek vanuit zijn visie op seksualiteit. [7-1]

Erich Fromm schreef ‘Dromen, sprookjes, mythen
De recensent van dit boek zegt: ‘Fromm wil de ‘symbolische taal’, waarin moeilijk grijpbare innerlijke ervaringen uitdrukking vinden in narratieven van gebeurtenissen in de buitenwereld, onder de aandacht brengen. Hij noemt het de enige universele taal van de mensheid, de hele geschiedenis en alle cultuurverschillen overstijgend. We riskeren deze taal te vergeten omdat ze een andere logica vormt dan ons conventioneel rationeel realisme.’

En dan is er bijv. ‘De symbolische betekenis van de klassieke sprookjes
Daarvan wordt gezegd: ‘Een symbool is een openbaring en een versluiering van een waarheid die erachter verborgen ligt. Sprookjes, en haar symbolen, worden van generatie op generatie doorgegeven en zijn levend gebleven omdat “de mens er het werkelijk levende in gevonden heeft’.

In ‘Waar kom je vandaan en waar wil je naartoe? van Bert Voorhoeve, is ook sprake van ‘beeldentaal’.

En Jung had weer zijn visie in ‘De mens en zijn symbolen

Over de mythe zei Rudolf Steiner dat deze wel op zevenvoudige manier verklaard kan worden. Of hij dat over de sprookjes ook heeft gezegd, is mij niet bekend, maar het zou me niet verbazen, gezien de vele interpretaties die er in de loop van de tijd gegeven zijn.

Ook Rudolf Steiner heeft over de sprookjes gesproken: Sprookjes

De recensent zegt erover:
‘Drie voordrachten door de grondlegger van de antroposofie (1861-1925). De eerste voordracht gaat over het sprookje in het licht van de antroposofie. De ziel heeft sprookjesbeelden nodig om ervaringen een plaats te geven. Omdat in oude tijden ieder mens nog helderziende vermogens bevatte die nauw verbonden waren met de geestelijke belevenissen van de ziel, kon de mensenziel toen sprookjesbeelden scheppen. De tweede voordracht behandelt de beeldentaal van de sprookjes. Sprookjes moeten worden geduid vanuit de achterliggende geestelijke werkelijkheid. Deze werkelijkheid wordt waargenomen door de gewaarwordingsziel, de verstandsziel of de bewustzijnsziel. Sprookjesmotieven als de reuzen, betoverde gestalten, het huwelijk worden in deze voordracht geduid. In de derde voordracht gaat Steiner in op de Rozenkruiserwijsheid in de sprookjes. Men voelde aan dat de oude geestelijke schatten aan het verdwijnen waren en dat men ze in de toekomst door de wetenschappelijk gefundeerde theosofie weer terug moest zien te krijgen. Dit vond plaats aan het begin van de negentiende eeuw. Het boek is niet gemakkelijk te lezen, maar achtergrondkennis over de antroposofie is niet per se noodzakelijk.’

Op grond van Steiners mededelingen zijn anderen de sprookjes verder gaan onderzoeken, o.a.
Friedel Lenz ‘Bildsprache der Märchen‘; Rudolf Meier ‘Sprookjeswijsheid‘; Rudolf Geiger: ‘Met sprookjesprinsen op weg’

Het moge duidelijk zijn dat er nogal wat invalshoeken zijn van waaruit je naar sprookjes kan kijken.

En dat gebeurt af en toe:

Hier vanuit feministisch perspectief, dissertatie van Floor van Twuyver.

Waar mevrouw van Twuyver het vandaan heeft, weet ik niet, maar ze beweert dat sprookjes vooral favoriet zijn bij meisjes.
Ik zou dat vanuit een jarenlange praktijk als sprookjesverteller niet kunnen bevestigen: ik zag nooit een grotere interesse bij de meisjes t.o.v. de jongens.
De dissertatie begint al wat feministisch gekleurd: prinsessen in torens die wachten tot de knappe prins hen komt redden van de draak of over
Sneeuwwitje die weg moet vluchten omdat ze te mooi bevonden wordt door haar stiefmoeder.

Als het moet gaan om ‘de kracht van de vrouw’ had mevrouw van Twuyver ook kunnen beginnen met het zusje in ‘Broertje en zusje’ waarin zij haar broertje redt; of hetzelfde motief in ‘De zeven raven’ of Grietje die Hans toch maar mooi uit zijn kooi redt.

Ze zegt: ‘Ik vraag me af wat voor invloed dit heeft op jonge kinderen. De lessen die zij trekken uit het moraal wat aanwezig is in sprookjes, kunnen van invloed zijn op het beeld wat zij (later) krijgen van de samenleving.

Dat is op zich natuurlijk een interessante vraag, waar ik ook het antwoord niet op weet. Dat is altijd de onmogelijkheid bij de opvoeding: je kan het niet dubbel doen: een opvoeding met en een opvoeding zonder sprookjes om dan te vergelijken wat het aan een kind heeft gedaan. Dat is bij veel meer dingen zo.

En: ‘De lessen die zij trekken uit het moraal wat aanwezig is in sprookjes, kunnen van invloed zijn op het beeld wat zij (later) krijgen van de samenleving’, gaat voorbij aan de vele sprookjes waarin het goede wordt beloond of gierigheid wordt bestraft enz. (Is het niet ‘de moraal(v!) die; en beeld dat?). Het is toch meer het ballonnetje van een suggestieve veronderstelling van de negatieve invloed van sprookjes op kinderen, vooral: de meisjes! – dat de schrijfster van het proefschrift hier oplaat.

Aan het proefschrift kan je zien hoe je over de sprookjes kan denken, gaat denken, wanneer je vertrekpunt ‘feminisme’ is.
Dat is trouwens ook zo wanneer het sprookje vanuit een heel andere optiek wordt bekeken, wanneer je vertrekpunt de symboliek is zoals die gevonden kan worden door de ontwikkeling van de mens, de menselijke ziel te bestuderen met bijv. antroposofische gezichtspunten, zoals Friedel Lenz, Meier, Geiger en Voorhoeve doen.

Het is niet mijn bedoeling met bovengenoemde gezichtspunten de feministische te weerleggen. Dat kan ook simpelweg niet, omdat de uitgangspunten totaal andere zijn. Alsof ‘Twee-oogje’ hetzelfde zou (moeten) zien als ‘Drie-oogje’.

Maar de feministische zienswijze pleit wél voor aanpassing van de sprookjes. Die zouden herschreven moeten worden.
Als dat gebeurt, is dat op basis van intellectuele gezichtspunten. Of zoals Fromm zegt: We riskeren deze (sprookjes)taal te vergeten omdat ze een andere logica vormt dan ons conventioneel rationeel realisme.’
En de feministische bril is dan wellicht niet conventioneel, zeer zeker wel rationeel en realistisch. Van deze tijd.
En dat is het grote verschil met het echte sprookje: het is van alle tijden!
Herschreven sprookjes kunnen geen sprookjes meer zijn, zoals ‘ze in oude tijden zijn ontstaan toen ieder mens nog helderziende vermogens bevatte die nauw verbonden waren met de geestelijke belevenissen van de ziel, toen kon de mensenziel nog sprookjesbeelden scheppen.’ (Steiner)
De ‘achterliggende geestelijke realiteit’ waarover Steiner spreekt, is niet de realiteit van een ‘hier en nu’ die vanuit feministische, rationele gezichtspunten de sprookjes als inhoud zouden moeten krijgen.

Op de vrijescholen worden sinds jaar en dag sprookjes verteld. Dat zijn zeker niet alleen de sprookjes die de gebroeders Grimm verzamelden. Alle mogelijke volkssprookjes kunnen worden gebruikt.
In de kleuterklassen (groep 1 en 2) en in de 1e klas (groep 3) zijn sprookjes de vertelstof.

Af en toe gaan er stemmen op of niet ook de vrijeschool de inhoud van de sprookjes zou moeten herzien, met het oog op bijv. feministische motieven. ‘Aanpassen aan de moderne tijd’ heet het dan en ‘ze zijn al 200 jaar oud, dat moet nodig gemoderniseerd’.

Wie niet in de eerste plaats naar de beeldentaal kijkt, naar de achterliggende geestelijke realiteit zoekt, zal tot andere interpretaties komen die met het ‘waarom de sprookjes op de vrijeschool zo verteld worden als ze worden verteld’, niet veel te maken hebben.

Sprookjes herschrijven leidt m.i. onvermijdelijk tot intellectualisering van het sprookje, tot de beeldenstorm ervan.

Rudolf Steiner gaf zijn pedagogische aanwijzingen om een onderwijs te creëren dat ‘moreel-spiritueel’ is, i.p.v. een onderwijs van ‘het intellect en het gemoed’.

Ik ben van mening dat volkssprookjes veel meer moreel-spirituele inhoud bevatten, dan intellectueel-gemoedelijk bedachte (feministische) verhalen, die ik ‘per definitie’ geen sprookjes kan (en zal) noemen.

.

Pieter HA Witvliet

.

Sprookjes: alle artikelen

.

1657-1553

.

.

.

https://openaccess.leidenuniv.nl/bitstream/handle/1887/34454/%27Spiegeltje%2C%20spiegeltje%27%20een%20blik%20op%20de%20verhouding%20van%20Sneeuwwitje%20tot%20het%20hedendaags%20feminisme.pdf?sequence=1

https://www.nu.nl/cultuur-overig/5348528/sprookjes-worden-al-eeuwen-aangepast-maar-essentie-blijft.html

link naar artikel over infantilisering taalgebruik https://www.independent.ie/entertainment/british-prizewinning-author-slams-dumbing-down-of-language-in-childrens-books-37022860.html

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 2 (2-6-1)

.

In dit artikel ging het om

‘De mens als kosmisch wezen’

Daarin werd opgenomen uit GA 294, 2e voordracht Steiners uiteenzetting over de samenhang van de mens met de kosmos, met als uitgangspunt het ademen.

Op andere plaatsen spreekt hij daar ook over, vaak weer net iets anders. 

GA 192     blz. 77

Wir sehen hin auf unsere Atmung. Wir haben beim normalen Atmen 18 Atemzüge in der Minute. Das gibt in einem Tage bei 24 Stunden ungefähr 25.920 Atemzüge. So daβ wir in einem Tage rhythmisch hintereinander vollziehen das Einatmen und das Ausatmen ungefähr 25.920 mal. Das ist das kleinste Atmen das unser individueller Mensch entfaltet. Schon im Alten Testament hat man das Patriarchealter auf 70 Jahre ungefähr angenommen. Das sind ungefähr 25.920 Lebenstage.
Wenn Sie nun nehmen jenen groβen Atemzug, der mit uns gemacht wird, indem wir am Morgen untertauchen mit unserem Ich und Astralleib in unsern Ätherleib und physischen Leib, so daβ wir morgens einatmen unser Geistig-Seelisches und abends wieder ausatmen, wenn Sie das nehemen als einen Atemzug, der jeden Tag vollzogen wird, dann vollzieht unser Lebenstag, der ungefähr 71 Jahre umfaβt 25.920 Atemzüge.Das heiβt, jener groβe Geist, der da atmet, indem wir geboren werden und sterben, der atmet in seinem Lebenstag, der unser ganzes Menschenleben umfaβt, so oft ein und aus wie wir in 24 Stunden. So sind wir angepaβt mit unserem menschlichen Atmen jenem geistigen Atmen das der Geist vollzieht, für den das Ein-und Ausatmen ist, was für uns Geborenwerden und Sterben ist. Wir sind das Ergebnis seiner Atemzúge in unserem Wach-und Schlafesleben. Und die Sonne, von der Sie ja wenigstens ahnen können, daβ sie eine Beziehung zu unserem Erleben hat: der Mensch beobachtet wie ihr Aufgang vorrückt im Tierkreisbild um eine bestimmte Anzahl Grade jährlich, so daβ, wenn der Frühlingspunkt liegt an einer bestimmten Stelle eines bestimmten Tierkreisbildes, er das nächsdte Jahr weiter verschoben ist usw. So kreist der Aufgangpunkt der Sonne scheinbar um die ganze Ekliptik herum, in dem, was ein platonisches Weltenjahr genannt wird, und das umfaβt 25920 Jahre.

Laten we onze ademhaling nemen. Wanneer we normaal ademhalen, doen we dat 18 keer per minuut. Dat is op een dag van 24 uur ongeveer 25920 keer. Zodat we op een dag ongeveer 25920 keer ritmisch achter elkaar in- en uitademen. Dat is het kleinste ademhalingsritme dat wij als individuele mens hebben.
Al in het Oude Testament heeft men de leeftijd van de aartsvaders op ongeveer 70 jaar gesteld*. Dat zijn om en nabij 25920 levensdagen.
Wanneer we nu de grote ademhaling nemen die we ’s morgens ondergaan wanneer ons Ik en astraallijf bezit neemt van ons etherlijf en fysieke lichaam, zodat we ’s morgens ons geest-zielenwezen inademen en dat ’s avonds weer uitademen, beschouwen als een ademhaling die iedere dag plaatsvindt, dan voltrekt zich dat wat op één dag uit ons leven dat ongeveer 71 jaar duurt, in 25920 ademhalingen.
Dat betekent dat die grote geest die ademt wanneer we geboren worden en sterven, tijdens zijn levensdagen die ons hele mensenleven omvat, zo vaak in- en uitademt als wij doen in 24 uur.
Zo zijn we met ons ademen als mens aangepast aan het geestelijk ademen dat de geest voltrekt voor wie het in- en uitademen is, wat voor ons geboren worden en sterven betekent. Wij zijn het resultaat van zijn ademhaling in ons waak- en slaapleven.
En de zon waarvan je op z’n minst wel een gevoel kan hebben dat die iets met ons leven op aarde te maken heeft: de mens neemt waar dat het punt waar zij opkomt in het sterrenbeeld jaarlijks met een paar graden opschuift, zodat het lentepunt op een bepaalde plaats in een bepaald dierenriemteken ligt en dat dit jaarlijks wat verschoven is. Zo loopt het punt waar de zon opkomt schijnbaar door de hele ecliptica wat een platonisch wereldjaar wordt genoemd en dat ongeveer 25920 jaar duurt
Een dag in ons leven bevat 25920 ademhalingen, ons leven tussen geboorte en dood omvat 25920 levensdagen, een groot zonnejaar ongeveer 25920 levensjaren.
Zo voegen wij ons naar datgene wat ademen is in het zon-aardeproces door een platonisch wereldjaar. Hier zie je een wereldritme waarmee de mens deel uitmaakt van de kosmos.
GA 192/77

*Daar is vrij veel onderzoek naar gedaan. Men heeft wel iets gevonden dat bijv. de hoge leeftijd van Methusalem verklaart en als men dan een andere berekening hanteert is hij i.p.v. 969 jaar, 78 jaar. Maar dat had tot gevolg dat ermet deze berekening iemand is geweest die op 3-jarige leeftijd een kind heeft verwekt. Kortom: die leeftijden zijn raadselachtig en de aartsvaders zijn geen 70, zoals Steiner hier zegt, maar rond de 180 jaar. 

GA 201    blz. 57

Der Mensch hat in seinem Atmungsrhythmus-die 18 Atemzüge in der Minute-etwas, was in einer merkwürdigen Übereinstimmung steht mit anderem im Weltenall. Wir haben 18 Atemzüge, die ausgerechtnet für den Tag, 25920 tägliche Atemzüge ergeben. Das ist aber dieselbe Zahl, die man bekommt, wenn man ausrechnet wieviel Tage eine so normale Lebensdauer von etwas 72 Jahren hat. Auch das sind ungefähr 25920 Tage. So daβ in einem Tag irgend etwas ausatmet unseren astralischen Leib und unser Ich, und wiederum einatmet beim Aufwachen, aber nach demselben Zahlen-rhythmisch.Und wiederum, wenn wir die Zahl der Jahre nehmen, welche die Sonne braucht, wenn sie scheinbar oder wirklich, darauf kommt es jetzt nicht an, vorrückt in ihrem Frülingspunkte-immer schreitet sie um ein Stückchen vor jedes Jahr-so braucht sie 25920 Jahre, um einmal ihren Frühlingsausgangspunkt um den ganzen Himmel herumzuführen: ein platonisches Jahr.
Es ist eigentlich dieses menschliche Leben bis ins Kleinste, bis in den Atemzug und bis in seine irdische Begrenzung zwischen Geburt und Tod nachgebildet den Gesetzen des Weltenalls.

De mens heeft in zijn ademritme de 18 ademhalingen per minuut – iets wat op een bijzondere manier overeenkomt met iets anders in de wereldruimte. Wij hebben 18 ademhalingen, dat is per dag 25920 ademhalingen. Dat is echter hetzelfde getal dat je krijgt wanneer je uitrekent hoeveel dagen een normale leeftijd van 72 jaar heeft. Ook dat zijn ongeveer 25920 dagen. Net zo als we op één dag ons Ik en astraallijf uitademen en bij het wakker worden weer inademen, volgens dezelfde getallen, ritmisch.
En ook, wanneer we het getal van het aantal jaren nemen dat de zon nodig heeft, wannneer die, schijnbaar of in werkelijkheid, daar komt het niet op aan, verder gaat met het lentepunt – ze gaat steeds een stukje verder, ieder jaar – dan heeft ze 25920 jaar nodig om weer bij beginlentepunt te komen: een platonisch jaar. [ik meen gelezen te hebben, maar ik weet niet meer waar – dat ook dit punt iets verder ligt dan 25920 jaar geleden]. Eigenlijk is dit menselijk leven tot in het kleinste, tot in de ademteug en tot in zijn aardse begrenzing tussen gebooret en dood nagevormd naar de wetten van het wereldal.

blz. 58

Nehmen Sie die 18 Atemzüge in der Minute, das gibt in der Stunde 1080, in 24 Stunden 25920 Atemzüge. Das heiβt, wir muβten multiplizieren 18 mit 60 mal 24, um 25920 Atemzüge im Tage zu bekommen. Nehmen wir das aber als den Umlauf des Frühlingspunktes um den Himmel. Würden wir das nun dividieren durch 60 mal 24, so würden wir natürlich wiederum 18 bekommen. Wir würden 18 Jahre bekommen. 18 Jahre, was würde denn das eigentlich sein? Überlegen wir uns das einmal, was diese 18 Jahre bedeuten würden. Die 25920 Atemzüge entsprechen einen 24 stündigen Menschentag beziehungsweise sagen wir, dieser 24stündige Menschentag ist also der Tag des Mikrokosmos. 18 Atemzüge entsprechen der Einheit des Rhythmus. Nehmen wir jetzt einmal-scheuen wir uns dessen nicht-den ganzen Umlauf des Frühlingspunktes um den Himmel als einen groβen Himmelstag, nicht bloβ als das platonische Jahr, sondern als einen groβen Himmelstag. Nehmen wir ihn als Himmelstag oder Weltentag, wie sie wollen, als Tag des Makrokosmos. Wenn wir die Atemzüge aufsuchen würden im Makrokosmos die entsprechen würden den Atemzüge des Menschen in einer Minute, wie lange müβten die denn dauern? Es müβten diese Atemzüge 18 Jahre dauern. Ein 18jähriges Atmen, ausgeführt von demjenigen Wesen das dem makrokosmos entspricht.

Neem nu eens de 18 ademhalingen per minuut, dat zijn er in een uur 1080, in 24 uur 25920. Dat betekent dat we 18 moeten vermenigvuldigen met 60 keer 24 om aan 25920 ademhalingen per dag te komen. Dat nemen we nu als de omlooptijd van het lentepunt langs de hemel. Als we dat zouden delen door 60 keer 24, dan zouden we natuurlijk weer 18 krijgen. Wij zouden 18 jaar hebben. 18 jaar, wat is dat dan? Je moet goed nadenken over deze 18 jaar. De 25920 ademhalingen komen overeen met een dag van 24 uur bij de mens, we zeggen dus a.h.w. deze dag van 24 uur in een mensenleven is als de dag van de microkosmos. 18 ademhalingen komen overeen met de eenheid van het ritme. Maar nu nemen we – we hoeven er niet voor terug te schrikken – de hele omloop van het lentepunt langs de hemel als één grote hemeldag, niet alleen als het platonisch jaar, maar als een grote hemeldag. We beschouwen deze als hemeldag of werelddag, wat u wil, als dag van de macrokosmos.
Wanneer we de ademhalingen zouden zoeken in de macrokosmos die overeenkomen met de ademhalingen van de mens in een minuut, hoe lang zouden die dan moeten duren? Die zouden 18 jaar moeten duren. Een ademhalingsperiode van 18 jaar, uitgevoerd door het wezen dat met de macrokomos overeenkomt.
GA 201/57
Niet vertaald

blz. 63

Viele tausend Jahre vor unserer Zeitrechnung war es den Ägyptern bekannt, daβ nach 72 Jahren die Fixsterne in ihrer scheinbaren Bewegung der Sonne um einen Tag vorausgeeilt sind. Die Sonne dreht sich [scheinbar] wesentlich langsamer als die Fixsterne, und nach 72 Jahren sind die Fixsterne schon ein Stück vorausgeeilt.Deshalb verschiebt sich ja der Frühlingspunkt, weil die Fixsterne vorauseilen wenn der Frühlingspunkt weiter und weiter rückt, dann müssen sich ja die Fixsterne gegenüber dem Stand der Sonne verschoben haben. Nun, die Sache ist so, daβ nach 72 Jahren tatsächlich die Fixsterne der Sonne um einen Tag voraus sind. So findet man, daβ nach 72 Jahren die Sterne Ende des 30.Dezember an einem bestimmten Punkte ankommen, die Sonne kommt erst Ende des 31.Dezember an demselben Punkte an. Sie ist also langsamer gegangen um einen Tag. Nach 25920 Jahren bleibt sie so weit zurück, daβ der ganze Umkreis vollendet ist, daβ sie wiederum an den Punkt zurückkomt, den wir vorher notiert haben. Nach 72 Jahren ist die Sonne um einen Tag zurückgeblieben hinter den Fixsternen. Das ist aber eben ungefähr die normale Lebensdauer eines Menschen, das sind die 72 Jahre, die 25920 Tage sind. Und nehmen wir diese 72 Jahre 360 mal, dann haben wir eben wenn wir das Menschenleben als einen Tag betrachten und 360 Weltentage annehmen, in denen die Sonne einmal herumgeht, da haben wir dann das Menschenleben als einen Tag des Makrokosmos-der Mensch gleichsam ausgeatmet aus dem Makrokosmos-das Menschenleben als einen Tag im makrokosmischen Jahr.

Vier duizend jaar voor onze jaartelling was het bij de Egyptenaren bekend dat na 72 jaar de dierenriemtekens in hun schijnbare bewegingen een dag verder zijn dan de zon. De zon draait (schijnbaar) wezenlijk langzamer dan de direnriemtekens en na 72 jaar zijn deze al een stukje verder.  Het lentepunt verschuift omdat de dierenriemtekens vooruitgaan; wanneer het lentepunt steeds verder komt te liggen dan moeten de dierenriemtekens t.o.v. de stand van de zon verschoven zijn.
Nu, het zit zo dat na 72 jaar inderdaad de dierenriemtekens één dag uitgelopen zijn op de zon. Dan vind je dat na 72 jaar de sterren op het eind van 30 december op een bepaalde plaats aankomen en dat de zon op het eind van 31 december op hetzelfde punt aankomt. Zij is dus 1 dag langzamer gegaan. Na 25920 jaar is ze zover achter, dat de hele omloop voltooid is; dat ze opnieuw op het punt terug is, dat we van te voren genoteerd hebben. Na 72 jaar is de zon één dag achtergebleven op de dierenriemtekens. Dat is ongeveer ook de normale leeftijd van een mens, 72 jaar en dat zijn 25920 dagen.
En als we deze 72 jaar 360 keer nemen, dan hebben we ook wanneer we het mensenleven als een dag beschouwen en 360 werelddagen nemen waarin de zon één keer haar omloop voltrekt, het mensenleven als één dag van de macrokosmos – de mens a.h.w. uitgeademd vanuit de macrokosmos – het mensenleven als een dag in het macrokosmische jaar.
GA 201/63-64

GA 205     blz.  112

Wir atmen, nicht wahr, und ich habe Ihnen das letzte Mal die Atemzüge ausgerechnet für vierundzwanzig Stunden. Rechnen wir achtzehn Atemzüge auf die Minute, so haben wir in der Stunde sechzig mal acht­zehn, und in vierundzwanzig Stunden 25920 Atemzüge in Tag und Nacht. Wenn Sie nun einen andern Rhythmus im Menschen nehmen, so ist es der Rhythmus von Tag und Nacht selber. Am Morgen beim Aufwachen saugen Sie in Ihren physischen Leib und Ätherleib hinein den Astralleib und das Ich. Es ist auch ein Atmen. Sie atmen morgens herein, und Sie atmen am Abend beim Einschlafen den astralischen Leib und das Ich wieder aus, also ein Atemzug in vierundzwanzig Stunden, in einem Tag. Das sind dreihundertfünfundsechzig solche Atemzüge im Jahr. Und nehmen Sie das Durchschnittsalter eines Men­schen, zweiundsiebzig Jahre, so haben Sie ungefähr dieselbe Zahl; würde ich nicht zweiundsiebzig genommen haben, sondern etwas dar­unter, so würde ich dieselbe Zahl bekommen haben. Das heißt, wenn Sie das gesamte irdische Leben des Menschen nehmen und Sie sehen in einem Tag im Einschlafen und Aufwachen einen Atemzug, so haben Sie in einem Leben auch so viel solches Ein- und Ausatmen des astra­lischen Leibes und des Ich, wie Sie in vierundzwanzig Stunden Atemzüge haben. Sie machen während eines Lebens auch so viel solche Atemzüge, 205/113 die im Ausatmen und Einatmen des Ich und des astralischen Lei­bes bestehen. Diese Rhythmen entsprechen sich durchaus, und wir sehen, wie da der Mensch in die Welt eingefügt ist. Das Leben des Tages, Sonnenauf- und -untergang, also das einmalige Herumgehen entspricht einem inneren Sonnenauf- und -untergang, der von der Ge­burt bis zum Tode dauert.

We halen adem, niet waar en ik heb de vorige keer het aantal ademhalingen uitgerekend per 24 uur. Wanneer we 18 ademhalingen per minuut rekenen, dan hebben we er per uur 60 x 18 en in 24 uur 25920 ademhalingen dag en nacht. Wanneer we nu een ander ritme in de mens nemen, dan is het dat van dag en nacht zelf. ’s Morgens wanneer we wakker worden neemt u [letterlijk ‘zuigt’] uw Ik en astraallijf weer op in uw etherlijf en fysiek lichaam. Dat is ook een ademhalen.
U ademt ’s ochtends in en ’s avonds bij het inslapen ademt u het astraallijf en Ik weer uit, dus één ademhaling in 24 uur, op 1 dag. Dat zijn 365 van zulke ademhalingen in het jaar. En neem nu de gemiddelde leeftijd van de mens, 72 jaar, dan krijg je ongeveer hetzelfde getal; zou ik geen 72 genomen hebben, maar iets lager, dan zou ik toch hetzelfe getal hebben gekregen. D.w.z. wanneer je het totale aardse leven van de mens neemt en je ziet op 1 dag inslapen en wakker worden als een ademhaling, dan krijg je in zijn leven ook zoveel in- en uitadelingen van het astraallijf en het Ik, als je in 24 uur aan ademhalingen hebt. U maakt gedurende een leven zoveel van de in- en uitademingen die het Ik en het astraallijf maken. Die ritmen staan in verhouding tot elkaar en we zien hier hoe de mens deel uitmaakt van de wereld. Het leven van de dag, zonsopkomst en zonsondergang, dus de eenmalige zonsomloop staat in verhouding tot een innerlijke zonsopkomst en -ondergang, die van de geboorte tot de dood duurt.
GA 205/112-113
Niet vertaald

.

over: 25920 jaar

Algemene menskunde: voordracht 2alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1656-1552

.

.

.