Categorie archief: menskunde en pedagogie

VRIJESCHOOL – De ontwikkeling van het jongere kind (2-3)

.

GROEI EN WARMTE – EEN ONAFSCHEIDELIJK DUO

Warme kleren, liefst laagje over laagje, en muts op. Dat is het advies van de antroposofische consultatiebureau-artsen meestal geven aan ouders van baby’s en kleine kinderen.
Overdreven gedoe? Of kan je niet voorzichtig genoeg zijn als het om de warmtehuishouding van je kind gaat?
Noor Prent legt uit hoe het eigenlijk zit met dat ‘warmtezintuig’.

Maurits van tweeëneenhalf heeft waterpokken gehad met flinke koorts. Nu gaat het weer goed met hem. Heel goed zelfs, vertelt zijn moeder Marianne. ‘Ik heb het idee dat hij na de waterpokken een sprong heeft gemaakt in zijn ontwikkeling. Hij straalt, hij speelt goed en begint ook in het contact met
andere kinderen een beetje zijn mannetje te staan.’

Maurits is een open kind dat gevoelig reageert op alles wat er om hem heen gebeurt. Hij heeft een ‘dunne huid’ en kan slecht zijn warmte vast houden. Daarom adviseerde ik Marianne om vooral zijn benen en voeten warm te houden en hem regelmatig met olie in te wrijven. Ze vertelt dat ze dat nog steeds drie keer per week doet. Ook trekt ze hem nog altijd een majo aan onder zijn broek met een paar sokken er overheen.
Marianne: ‘Ik weet dat Maurits dat allemaal nodig heeft, hij zit nu eenmaal zo in elkaar dat hij snel warmte verliest. Ik zie dat hij zich er lekker bij voelt. En toch twijfel ik soms aan wat ik doe. Er zijn nogal wat mensen in mijn omgeving die dat allemaal zó overdreven vinden, dat gedoe met laagjes onderkleding van wol. Ik moet dan echt weer even heel goed mijn gesprek met jou in herinnering roepen over het belang van het verzorgen van het warmte-organisme van kleine kinderen, vooral als ze zo open zijn als Maurits. Daarna kan ik die opmerkingen weer wat beter verteren en mijn eigen lijn blijven volgen’.

Warmteverlies

Die onzekerheid van Marianne klinkt wel vaker op het spreekuur van de antroposofische ouder- en kindzorg als het gaat over de verzorging van het warmte-organisme van kleine kinderen. Daarom is het belangrijk dat je als ouder precies weet waarom je daar zo’n aandacht aan schenkt.
In de baarmoeder ontwikkelt een baby zich bij een constante temperatuur. Na de geboorte is zijn warmtezintuig – dat wil zeggen het organisme dat reageert op temperatuurswisselingen van buiten of van binnen – nog niet ontwikkeld. De baby moet warm worden gehouden. Langzaam traint de warmtezin zich in het waarnemen van temperatuursverschillen en leert het de reacties daarop te regelen. Na een aantal weken kunnen de meeste baby’s hun lichaamstemperatuur stabiel houden. Maar dat betekent nog niet dat ze geen hulp van gepaste kleren en warmte van buiten af meer nodig hebben.
De babyhuid is nog dun en laat veel warmte door. Bovendien is de oppervlakte van de huid bij een baby relatief groot ten op zichte van de inhoud. Daardoor is het warmteverlies bij hem groter dan bij oudere kinderen en volwassenen. Een baby verliest zijn warmte vooral via het hoofd, in totaal 60% van zijn lichamelijke warmte-uitstraling. Als je je hand op het hoofdje van je baby legt zul je dat kunnen voelen. In plaats van die warmte-energie via het hoofd verloren te laten gaan, kun je hem met een dun mutsje heel eenvoudig wat terugleiden naar zijn lichaam waar het kan worden gebruikt voor de opbouwprocessen en de groei. Bij premature baby’s geeft een schapenvachtje vaak een positief resultaat op de groei omdat de eigen warmte-huishouding dan wat economischer verloopt.

Luchtlaagje tussen huid en kleren

In de eerste drie levensjaren van een kind wordt zijn zenuwstelsel nog voortdurend verfijnd en uitgebouwd. In het hoofd, het centrum van het zenuwstelsel, is dan sprake van een intensieve stofwisseling. Daar is energie en warmte voor nodig is.
Behalve het warm houden van het hoofd, adviseer ik ouders daarom hun kinderen gedurende die eerste jaren ‘in laagjes’ te kleden: direct op de
huid een liefst wollen hemdje met lange mouwen, een majo en een muts en daar overheen de gewone kleren. Zo kan zich tussen de huid en de eerste laag kleren een dun, stilstaand luchtlaagje vormen. Dit laagje isoleert en vormt een buffer in de uitwisseling van warmte tussen binnen en buiten.
De huid produceert zelf een olielaagje (talg) dat ook warmte isoleert en bovendien bacterieafstotend is.
Dit olielaagje lost gedeeltelijk op in warm water en nog meer bij het gebruik van zeep. Behalve als je kind vuile handen en voeten heeft, kun je zeep dan ook maar het beste vermijden.
Breng na het bad op de huid van zijn hele lijfje dunnetjes een natuurlijke, dus huidverwante,  baby-olie zoals Weleda verzorgende olie aan. Zo geef je als het ware weer terug wat je eraf hebt gehaald. Het masseren van zijn huid is een weldaad voor je kind en tegelijkertijd voelt hij daardoor hoe zijn huid zijn lijfje begrenst. Dat helpt hem bij het opbouwen van een gezond zelfgevoel.

Kruipbroek

Als je kind gaat kruipen, vraagt dat weer wat extra aandacht voor de warmtehuishouding. Over de grond stroomt altijd koude lucht. Ga zelf maar eens een poosje op de grond liggen en je zult merken hoe je dan afkoelt. Die kou kan optrekken tot in de buik en lichte stofwisselingverstoringen veroorzaken. Als je een beetje handig bent kun je voor die fase een kruipbroek maken.
Neem daarvoor een broek die over de andere kleren kan worden gedragen en zet er kniestukken op van leer of stroeve stof, zodat dan de kou niet kan optrekken via de knieen naar boven.
Als je kind eenmaal loopt, kan hij zichzelf door de spierarbeid (die warmte produceert) al beter warm houden, maar ook dan blijft het goed om hem in laagjes te kleden. Als je kind in zijn nek transpireert, dan heeft hij het te warm. Trek dan liever een vest of trui uit dan dat je een laagje van zijn beentjes afhaalt. Zijn voetjes moeten altijd aangenaam warm en droog aanvoelen.
Ook grotere kinderen geven meestal niet aan dat ze koude voeten hebben. Dat moet je dus zelf blijven controleren. Pas als een kind een jaar of acht is, kun je de regie over de verzorging van het warmte-organisme aan het kind zelf beginnen over te laten.

Weerstand

In de babyleeftijd vormt je kind zijn warmtezintuig vooral door het omgaan met temperatuurswisselingen via de huid van gezicht en handen. Je baby kan de activiteit van dat zintuig oefenen als je hem – adequaat aangekleed – mee naar buiten neemt bij allerlei verschillende weersomstandigheden. Alleen bij een ferme noord-oostenwind zou ik liever binnen blijven. Zo’n wind brengt altijd te heet, te koud, te fel of te droog weer met zich mee. En wanneer het kouder is dan – 4 graden heeft een baby onevenredig veel moeite om op temperatuur te blijven.
Vanaf een maand of tien kan je de warmtezin iets extra’s te doen geven door na een warm bad of douche een beetje koel water met kopjes tegelijk over het kind heen te gieten. Gebruik geen koud water en maak er met een rijmpje of een liedje een spelletje van. Want het is niet de bedoeling om hem te laten schrikken, maar om hem op een plezierige manier wakker te maken voor temperatuurverschillen.
Zoals een getrainde spier meer arbeid kan verrichten, zo kan ook een geoefend warmteorganisme sneller en beter reageren. Je kind zal minder worden overrompeld door temperatuurs- en weersveranderingen en minder kouvatten omdat hij een betere weerstand heeft kunnen opbouwen.

Noor Prent, arts, in Puur kind, Weleda lente 2004 (13)
(met toestemming van de auteur)

.

voor consultatiebureauswww.kinderspreekuur.nl

Michaela Glockler en Tomas GoebelKinderspreekuur  

Edmond Schoorel over warmte.

Menskunde en pedagogie: warmte (nr.11)

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen       zie ook [1-5]

Opvoedingsvragenalle artikelen
.

1614-1513

.

.

.

Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 2 (2-5)

 

.

GA= Gesamt Ausgabe, (volledige uitgave): de genummerde reeks boeken en voordrachten van Steiner.

Duitse tekst
Vertaling

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken bij alle voordrachten.
De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

Blz. 38

GEEST EN ZIEL VERTONEN ZICH LICHAMELIJK
.

Ich habe Ihnen den seelischen Menschen geschildert. Der ist verbunden auf dem physischen Plan mit dem leiblichen Menschen. Alles
Seelische drückt sich aus, offenbart sich im Leiblichen, ( )

Ik heb u de ziel van de mens beschreven. Deze is op het fysieke plan verbonden met het lichaam van de mens. Alle zielenroerselen drukken zich uit, openbaren zich in het lichaam (  ).

 

Vele malen heeft Steiner erop gewezen dat – niet alleen de ziel, zoals hierboven staat, zich uitdrukt in het lichaam, maar ook de geest.
Op blz. 38 neemt hij de zielenkwaliteit ‘antipathie’ en brengt deze in verband met de stoffelijkheid, hier de zenuwen. Je zou dus in zekere zin kunnen zeggen: antipathie en zenuwen zijn één; ze krijgen alleen een andere naam door het standpunt dat je inneemt bij je beschrijving. Dat geldt ook voor de sympathie en het bloed. Vanuit deze optiek kun je bijv. ‘denken en hersenen’, ‘hart, longen en gevoel’ en ‘stofwisseling en wil’ als behorend bij elkaar zien, het ene een uitdrukking, een manifestie in de stof van het andere, onstoffelijke aspect.

Wat dat voor het bloed en de zenuw betekent: [2-5-1]

Een paar algemene uitspraken van Steiner hierover die te vinden zijn in de pedagogische voordrachten:

Alles Seelische drückt sich aus, offenbart sich im Leiblichen, (   ) Sie müssen den ganzen Menschen verstehen lernen: geistig, seelisch und leiblich.

Alle zielenroerselen drukken zich uit, openbaren zich in het lichaam. (  ) U moet de gehele mens leren begrijpen: naar geest, ziel en lichaam.
GA 293/37 -38
Vertaald/37

Das Leibliche kann nur gefaßt werden, wenn es als eine Offenbarung des Geistigen und auch des Seelischen aufgefaßt wird.

Het lichamelijke kan slechts begrepen worden wanneer men het beschouwt als een openbaring van de geest en ook van de ziel.
GA 293/91   
Vertaald/90

Sie können nämlich überall die äußeren Formen als Offenbarungen des Inneren ansehen. Sie verstehen  nur dann die äußeren Formen, wenn Sie sie als Offenbarungen des Inneren ansehen.

U kunt overal de uiterlijke verschijningsvormen beschouwen als openbaringen van het innerlijk. En u begrijpt de uiterlijke vormen slechts, wanneer u ze ook als openbaringen van het innerlijk ziet.
GA 293/154
Vertaald/145

Was so äußer­liche Vorgänge sind, das ist immer eigentlich der äußere Ausdruck für Innerliches, so sonderbar es für die äußere Weltenbetrachtung aus­sieht.

Al de uiterlijke processen zijn eigenlijk altijd een uiterlijke manifestatie van innerlijke processen, hoe vreemd dit ook moge klinken voor een slechts op het uiterlijk gerichte wereldbeschouwing.
GA 294/35
Vertaald/45-46

Je mehr wir der Zukunft entgegenwachsen, desto mehr müssen wir alles dasjenige, was sinnlich um uns herum ist, lernen geistig aufzufassen.

Naarmate wij de toekomst in groeien, moeten wij leren al hetgeen in het zintuiglijke rondom ons is, geestelijk op te vatten.

Steiner noemt de pedagogie hier zelfs fysionomisch:

Und angefangen muß das werden mit der pädagogischen Betätigung des Lehrers gegenüber dem heranwachsenden Kinde. Physiognomische Pädagogik: Wille, dieses größte Rätsel Mensch in jedem einzelnen Exemplar Mensch durch die Erziehung zu lösen!

En dat moet beginnen met de pedagogische inzet van de leraar ten opzichte van het opgroeiende kind. Fysionomische* pedagogie: de wil om dit grootse raadsel mens in iedere afzonderlijke mens door de opvoeding op te lossen!

*Fysionomie: de kunst om de mens te leren kennen uit het gelaat of het fysieke gestel. 
Waarbij ik aanteken dat dit slechts een van de vele benaderingen kan zijn om de mens wellicht beter te leren kennen.
GA 296/82
Vertaald/94

Wie soll man denn überhaupt den Men­schen behandeln, wenn man nicht in der Lage ist, einzusehen, was er physisch ist, indem er sich ja Stück für Stück aus dem Geistig-Seelischen heraus aufbaut, so daß nichts physisch ist, was nicht eine Offenbarung des Geistig-Seelischen ist.

Hoe zou je dan met de mens willen omgaan, als je niet in staat bent in te zien wat hij fysiek is wanneer hij zich stukje voor beetje vanuit de geest-zielenwereld opbouwt zo, dat niets fysiek is wat niet een zichtbaar worden is van geest en ziel.
GA 301/56
Op deze blog vertaald/56

Man sieht nicht, wie alles Physische aus dem Geistigen heraus plastiziert wird, und wie alles Geistige im Grunde ge­nommen in diesem physischen Leben gleichzeitig sich offenbart nach der anderen Seite als ein Physisches.

Men ziet niet in hoe al het stoffelijke vanuit de geest gevormd wordt en hoe al het geestelijke eigenlijk zich gelijktijdig manifesteert als iets fysieks.
GA 301/238
Op deze blog vertaald/238

Gerade dadurch, daß wir zeigen, wie das Geistig-Seelische sich im Leiblichen auslebt, gerade dadurch bringen wir die Menschen dahin, daß sie sich vorstellen: die ganze materielle Welt lebt eigentlich aus dem Geistig-Seelischen.

Juist doordat we laten zien hoe geest en ziel zich in het lichamelijke manifesteren, brengen we de mensen tot de voorstel­ling: de hele materiële wereld leeft in feite vanuit een geestes-zielenelement.
GA 302/22
Menskunde en opvoeding/23

Alles Stoffliche ist zugleich Geistiges.

Al het stoffelijke is tegelijkertijd geestelijk.
GA 302/24
Menskunde en opvoeding/23

Das Physisch-Leibliche ist der reine Ausdruck des Geistigen.

Het fysiek-lichamelijke is de zuivere uitdrukking van de geest.
GA 302/50
Menskunde en opvoeding/51

Alle Entwicklung des Men­schen besteht darin, daß nach und nach das erst bloß geistig existie­rende Übersinnliche sich ins Sinnliche herunterbewegt.

Alle ontwikkeling van de mens bestaat erin dat het bovenzin­nelijke dat aanvankelijk zuiver geestelijk bestaat, zich geleide­lijk aan naar beneden toe in het zintuiglijke begeeft.
GA 302A/49
Gedeeltelijk vertaald
menskundige aanwijzingen voor het leraarschap/51

In aller Körperlichkeit, in aller Leiblichkeit ist das Zugrundeliegende geistig.

Aan heel het fysiek-etherische ligt de geest ten grondslag.
GA 304a/79
Op deze blog vertaald/79

Man muß vom Geiste aus un­terzutauchen verstehen in die Physis, und beobachten konnen, wie der Geist fortwährend wellt und webt im Physischen.

Men moet zich vanuit de geest weten te verdiepen in het fysieke en kunnen waarnemen, hoe de geest voortdurend in het fysieke golft en beweegt.
GA 305/70
Vertaald/76

Denn in allem Körperlichen wirkt eben der Geist.

In het hele lichaam is de geest werkzaam.
GA 306/150
Vertaald

Dieses Durchschauen des Ineinanderwirkens von Geist, Seele und Leib, das ist es, was fortwährend, ohne daß man es nun immer auf den Lippen führt, in intensiver Anschauung die Handlungen des Leh­renden und Erziehenden durchsetzen muß.

Het begrijpen van hoe geest, ziel en lichaam op elkaar inwerken is iets  ( )  wat door intensieve waarneming voortdurend onderwerp moet zijn bij wat leraren en opvoeders doen.
GA 306/156
Op deze blog vertaald/156

Und so kann man, wenn man dieses ganze Ineinanderwirken von Leib, Seele und Geist kennt, ungeheuer günstig nach den drei Rich­tungen hin im Menschen wirken.

Wanneer je weet hoe lichaam, ziel en geest op elkaar inwerken, kun je met een buitengewoon resultaat in drie richtingen aan de mens werken.
GA 306/158
Op deze blog vertaald/158

(  ) das Körperliche ist die Offenbarung eines Geistigen, und das Geistige will überall schöpferisch in das Körperliche übergehen (  )

( ) het lichamelijke is de openbaring van iets geestelijks, en het geestelijke wil overal scheppend in het lichamelijke overgaan ( )
GA 307/231
Opvoeding en moderne cultuur/298

Man suche einmal die Grundlage bewußt, daß ein Seelisch-Geistiges überall zugrunde liegt dern körperlichen Wirken.

Men zou bewust de basis moeten zoeken van wat ziel en geest is, die overal ten grondslag liggen aan het fysieke functioneren.
GA 309/18
Op deze blog vertaald/18

Es offenbaren sich Seele und Geist durchaus in dem, was äußerlich stofflich zutage tritt.

Ziel en geest uiten zich nu eenmaal in wat uiterlijk stoffelijk zichtbaar wordt.
GA 309/19
Op deze blog/vertaald/19

Im Kinde drinnen wirkt der Gott im Men­schen, wirkt durch das Leiblich-Physische hindurch.

Binnen in het kind echter werkt de god in de mens, en die werkt door het lichamelijk-fysieke heen.
GA310/22
Menskunde, pedagogie en cultuur/22

Wir müssen also begreifen, wie in dem irdischen Leben das Überirdische arbeitet. Denn das ist ja zwischen Geburt und Tod doch auch vorhanden; es arbeitet nur verborgen in dem Leiblichen drinnen, und man versteht das Leibliche nicht, wenn man nicht das im Leiblichen wirkende Geistige versteht.

We moeten dus begrij­pen hoe het bovenaardse leven in het aardse werkzaam is. Dat is immers ook aanwezig tussen geboorte en dood. Alleen werkt het verborgen in het lichamelijke. En je kunt het lichamelijke niet begrijpen als je het geestelijke dat in het lichamelijke werkt, niet begrijpt.
GA310/24
Menskunde, pedagogie en cultuur/25
.

Bovenstaande uitspraken zijn op deze blog ook verschenen als ‘wegwijzers‘.

Dit ‘tot uitdrukking komen’ zien we bv. terug in de typologie van Sigaud
Maar ook in wat je wellicht een antroposofische typologie kan noemen:

=de temperamenten, met het bekende ‘uitdrukkingstekeningentje in GA 295:
=groot- en kleinhoofdig kind

=’ijzer- en zwavelkind’

=fantasiearme en fantasierijke kind  

=kosmische en aardse kinderen  

=te diep en niet diep genoeg geïncarneerde kinderen

=te zwaar en te licht in hun bewegingssysteem levende kinderen

Over de temperamenten is op deze blog gepubliceerd [menskunde [15] , over de overige onderwerpen (nog) niet

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 2: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1612-1511

.

.

VRIJESCHOOL – Ritme (3-16)

.

De verankering van de tijd aan de aarde

In het scheppingsverhaal van de Bijbel worden door de scheppende Godheid op de Vierde Scheppingsdag de tijd-ritmen ingevoerd, die ten grondslag zullen liggen aan de schepping en aan het leven op aarde. Op deze vierde scheppingsdag worden zon, maan en sterren geschapen en in beweging gezet, die het ritme van dag en jaar bepalen, die het beeldschrift aan de hemel schrijven, dat het leven op aarde zal inspireren in zijn veelvoudige aspecten. En God sprak: ‘Lichten mogen schijnen aan het hemelgewelf om te onderscheiden tussen de dag en de nacht, en zij mogen worden tot tekenen en tot gezette tijden en tot dagen en jaren.’

De schrifttekens aan de hemel vormden de grondslag van het tijdbewustzijn van de mensen, in alle opeenvolgende cultuurperioden over de gehele aarde. Dit schrift te kunnen lezen gold als hoogste wijsheid. Deze wijsheid doordrong en ordende het menselijke leven in al zijn samenhangen en uitingen, en gaf inzicht in het wezen van de natuur, waarin de mens leefde. De verschijningen aan de hemel, in hun wetmatig zich wijzigende bestendigheid, eerden door wijze leidsmannen ervaren als goddelijke aanwijzingen en gaven hun de innerlijke zekerheid en kracht, om de hun toevertrouwde mensengemeenschappen te leiden en de natuur tot een menswaardige omgeving om te vormen.

In dit tijdsbeleven was de zon onveranderlijk trouw, in de afwisseling van dag en nacht, in de gang door het jaar. Haar dagelijkse gang werd beleefd aan hitte en koelte en aan de steeds wisselende licht- en schaduwverhoudingen, waarvoor de mens nog een open oog had. (Het kan in deze tijd voor ons een enthousiasmerende belevenis zijn om bijvoorbeeld in de vakantie deze tijdwaarnemingen te scholen, en te proberen de tijd waar te nemen uit zonnestand en schaduwwerking, uit het schaduwverloop in het bergdal of uit de licht- en kleurnuances van de zee in de loop van de dag!) De zonnejaargetijden, de seizoenen, spiegelden zich in de atmosferische verschijnselen en in planten- en dierenwereld (storm, regen, enz.).

De maan, met haar wisselende gestalten, bewerkstelligde maand en week, doorkruiste het zonnejaar, waartoe zij slechts iedere 18 jaar dezelfde verhouding terug vond. De Israëlieten schiepen de week van zeven dagen en nieuwe maan was voor hen het begin van de maand. Om de drie jaar moesten deze maan-maanden weer aan het zonnejaar worden aangepast. De oude Perzen, de zonaanbidders, hadden al de twaalf maanden ingevoegd in het zonnejaar, onafhankelijk van het maanverloop.

Deze wisselende, in een levende gelijkmatigheid voortgaande hemelse schrift eiste van de mensen een voortdurende waakzaamheid en aandacht voor hun omgeving, die de huidige mens niet meer kent, waartegenover hij, zo te zeggen, in een diepe slaap is verzonken. Wie kijkt nog naar de hemel en weet, waar maan en planeten te vinden zijn? Hoe hun wegen gaan? Wie ervaart nog in de nuancering van het daglicht de voortgang van de tijd?

De mens is volledig aardeburger geworden, de hemel werd voor hem gesloten, de goden trokken zich terug uit hun werk. Dat moest ook zo zijn, want de mens moest volwassen worden en niet langer aan de leiband der goden gaan. Zo verloor hij allengs de mogelijkheid om in aarde- natuur- en hemelverschijningen het goddelijke oerbeeld te kunnen herkennen. De hemelse schrift werd zuivere mechanica, die echter, tot ergernis van de mannen van de wetenschap, toch geen helemaal sluitende rekening te zien gaf.

De sterrenwereld bleef zo dynamisch, dat zij niet in wetten was te vatten zonder voortdurende correcties door waarneming van de werkelijke verschijnselen. Zelfs de beweging van de nabije maan kan niet volledig berekend worden, omdat de maan niet alleen onder invloed van zon en aarde staat, maar eveneens onder invloed van alle andere planeten. De maan alleen al spiegelt in zijn beweging om de aarde de gehele planetaire beweging van ons zonnestelsel aan de aarde toe. De mens zocht nu zijn tijdbepaling op de aarde zelf. Eerst was het nog de zonnewijzer, die de tijd aangaf (zandloper en waterklok waren al duizenden jaren in gebruik, meten echter een bepaalde tijdsduur, niet een tijdstip in de loop van dag of jaar). In de late Middeleeuwen werd de mechanische klok ontwikkeld, die op mechanische wijze de beweging van zon en sterren kon uitdrukken. Bij deze klokken probeerde men nog zover mogelijk het beeld van het zonnestelsel in mechanische constructies in te bouwen: de uurcirkel liet de gang van de zon langs de twaalf tekens van de dierenriem zien, de maangestalte verscheen op de wijzerplaat; ook werden gecompliceerde planetaria geconstrueerd. Er ontstond een grote geestdrift om de verschijningen van de hemel in mechanische constructies af te beelden. Al spoedig bleek het echter onmogelijk om met aardse middelen, als de mechanica is, te voldoen aan de oneindige verscheidenheid en veranderlijkheid van de verschijnselen aan de hemel. De aarde zelf is zo geschapen, zoals ook uit het scheppingsverhaal blijkt, dat zij alleen een eeuwig-gelijkblijvend ritme kan voortbrengen. De mechanische klok kon de schommelingen in de ware zonnetijd niet uitbeelden en zo keerde men de zaak om en verzon de ‘middelbare’ zonnetijd, die deze schommelingen uitwiste.

Als in de 20ste eeuw de meetinstrumenten en meetmethoden tot een steeds grotere nauwkeurigheid worden ontwikkeld en tegelijkertijd de kennis van de aardestoffen steeds verder wordt verdiept, voldoen ook de mechanische constructies niet meer voor tijdmeting. Als grondslag voor tijdmeting worden de stabiele en elektrisch op te wekken trillingen van een kristal genomen, waarvoor kwarts zeer geschikt bleek. In de kwartsklok, en nu ook het kwartshorloge, vervangen deze ‘piëzo-elektrische’ trillingen van een kwartskristalletje de vroegere mechanische onrust, die nodig was om de gang van het uurwerk gelijkmatig te doen verlopen. Dit was het begin van de verankering van de tijdmeting, nu niet alleen aan de aardse mechanica, maar aan de aardse materie zelf. Het ging echter nog verder: in het jaar 1955 werd de atoomklok ingevoerd, die berust op de zeer stabiele absorptie- en resonantietrillingen van bepaalde metaalatomen en die volgens wetenschappelijke berekening in 300.000 jaar slechts één seconde verkeerd kan lopen.

De tijdmeting, die voor de huidige natuurwetenschap bruikbaar is, is nu volledig verankerd aan de aardematerie en de hemel wordt voortaan overgelaten aan de wetenschap van de astronomie. In het dagelijkse leven, waaraan in werkelijkheid geheel andere wetmatigheden ten grondslag liggen, kan men nu beleven, wat in de wetenschap begon. Ook voor het dagelijkse leven wordt de hemel oninteressant. Men kan reeds bemerken, dat de wijzerklok alleen nog esthetische waarde heeft; de digitale klok is in de mode gekomen. Daaruit blijkt, dat men er zich nog maar nauwelijks van bewust is, dat het beeld (van de wijzerstand in de uurcirkel) veel sneller en sterker werkt dan het getal. De mechanische klok, die altijd weer gecontroleerd en gelijk gesteld moet worden, wordt afgelost door de kwartsklok met elektrische batterij-aandrijving, die zelfs al als dameshorloge in mini-formaat te verkrijgen is. Want deze lopen altijd gelijk. Wat echter tijd in werkelijkheid is, wat zij te betekenen heeft in het leven van mens en aarde als levend, richtinggevend, wisselend ritme, dat kan de mens nu volledig vergeten, hij verzinkt, wat de tijd betreft, in de diepe slaap van de monotonie. In de christelijke kerk was het levende inzicht in de kosmisch-goddelijke wetmatigheden van de hemelse wereld al vroeg verloren gegaan of tot dogma’s verstard. Zo verloor, in de loop van de verdere cultuurontwikkeling, ook de kerk de hemel, die zij had moeten beschermen tegenover de steeds materialistischer wordende natuurwetenschap.

Wij hebben het aan Rudolf Steiner te danken, dat hij de wetenschappelijke methoden van de natuurwetenschap weer heeft kunnen verbinden met een helder inzicht in de goddelijk-geestelijke wetmatigheden van ons zonnestelsel; dat hij aarde en mens weer in samenhang heeft kunnen brengen met de zonne-planeten-wereld zoals zij ook in de Bijbelse scheppingsgeschiedenis in een onscheidbare samenhang waren gedacht.

In de scheppingsgeschiedenis worden mens en dier pas geschapen als de hemelse ordeningen van zon, maan en sterren zijn ingezet. De ziel heeft ritme nodig om te kunnen existeren, geordend in dag en nacht, in waken en slapen, in week en maand, in jaargetijden, in 7-jaar-perioden, in geboorte en dood. Aan deze ritmen kan zij steeds nieuwe impulsen ontlokken, die haar de mogelijkheden schenken tot een voortdurende, nooit eindigende ontplooiing. *)

Juist in het voortdurende verstarringsproces van de aarde, ingeleid door de zondeval, heeft de mens de dynamiek nodig van het hemelgebeuren, om zich te kunnen ontworstelen aan de aardse, statische monotonie. De mens is in het aardse gebeuren ingeschakeld als stadhouder Gods, alleen hij heeft de mogelijkheid en dientengevolge de taak zich steeds verder te ontwikkelen en zich en zijn wereld te leren kennen in hun levende, vanuit het goddelijke vormgegeven wetmatigheden, om vanuit die kennis daaraan leiding te kunnen geven.

Om opnieuw de weg naar de hemel te vinden, moet de mens uit zichzelf een sterk bewustzijn ontwikkelen, het wordt hem niet meer geschonken. De aarde kan door haar massieve resistentie deze bewustzijnskrachten sterken. Staande op de aarde en omhoogziend tot de hemel verkrijgt de mens pas zijn werkelijke menszijn.
.

Ruth Scherpenhuijsen Rom, Jonas 24, 27-07-1979

.

*) Zie ook D. Lauenstein, Wetmatigheden in de levensloop van de mens, Christofoor, Rotterdam, 1978.

Ritme: alle artikelen

1609-1508

.

.

.

VRIJESCHOOL – Ritme (3-15)

.

DE KWALITEIT VAN TIJD

De Griekse taal kent twee woorden voor voor tijd: xpóvos (chrónos) en xaipós (kairós).

Het eerste herkennen we meteen in woorden als chronometer en chronologie. Deze woorden geven tevens een belangrijk kenmerk van de xpóvos weer, namelijk dat hij meetbaar is, dat hij in stukken te verdelen is, dat bepaalde tijdsperioden met getallen (jaartallen en data) zijn aan te geven, zodat iedereen weet over welke tijd het gaat.

Kortom: in chrónos zien we de tijd in zijn kwantiteit en dus ook meetbaarheid (kortere of langere tijd). Daartegenover bestaat er niet zoiets als een ‘kairometer’ om een bepaald tijdstip te meten, omdat nu juist de kairós onmeetbaar is. Hier komen we op het gebied van de kwaliteit van de tijd, zijn innerlijke, wezenlijke waarde. Uitdrukkingen als: ‘de tijd is rijp’ of ‘te rechter tijd’, geven enigzins aan in welke richting we ons dan begeven, namelijk daar waar we met een geheel ander orgaan moeten waarnemen dan met een tijdmeter.

Iedereen weet uit ervaring, hoe belangrijk het is het juiste moment te kiezen om iemand iets belangrijks te vragen, of een verheugende of juist schokkende mededeling te doen. Om dat ‘juiste moment’ te vinden kunnen we niet volstaan met een count-down (zoals dit voor het startsein van een raketlancering gebruikelijk is), maar we moeten met een fijner ‘zintuig’ aanvoelen wanneer zoiets aan de orde is (‘an der Zeit’! ).

In een ander ervaringsgebied kennen we ook het bestaan van deze twee soorten tijd, namelijk bij het fenomeen, dat bijvoorbeeld bij een (dag) droom in nog geen seconde tijd (chrónos) een ‘eindeloos’ verhaal van spannende gebeurtenissen zich kan afspelen, waar alles ‘zijn tijd’ (kairós) heeft. Of omgekeerd, wanneer we zo geconcentreerd opgaan in een bepaalde bezigheid, studie of gesprek, dat we ‘de tijd vergeten’ en – voordat we het goed en wel in de gaten hebben – er al weer twee uur voorbij zijn. Een kwartier kan kan onder vervelende omstandigheden eindeloos duren, terwijl eenzelfde tijdsduur van 15 minuten in een andere situatie ‘geen tijd’ is en voorbij is voordat je ’t weet.

Kennelijk ligt de kairós op een ander vlak, in een ander gebied, dan de meetbare, dus aardse tijd. De voorbeelden en ervaringen schijnen daarop te wijzen. Hoe meer we ons van het aards-stoffelijke-meetbare verwijderen en ons bewust (concentratie) of onbewust (in slaap of droom) trachten in te leven in het bovenzintuigelijk-spirituele, des te meer zal dat verschil tussen chrónos en kairós ervaarbaar, waarneembaar worden. Maar hoe verschillend deze twee soorten tijd ook zijn, toch bestaat het bekende verschijnsel, dat iemand op een bepaald moment (dus in de chrónos) in een situatie komt, die hij tot in de kleinste details al eens eerder (!) in een droom (dus niet in de uiterlijke werkelijkheid) heeft beleefd. Met andere woorden, in de bovenzintuigelijke tijd kan al iets ‘bekend’ zijn of zich afspelen, dat zich pas later in de aardse tijd manifesteert. Hierop berust de gave van de profetie, namelijk het waarnemen van gebeurtenissen in de geestelijke wereld, die zich later ‘verdichten’ op aarde, als een soort
incarnatieproces. De grootste verdichting op dit gebied is de incarnatie van Christus op een bepaald moment (chrónos) in de geschiedenis van de mensheid. Een gebeurtenis, die door vele profeten reeds lang te voren was voorzien, alsof het voor hen reeds werkelijkheid was. ‘Het uur zal komen en is er reeds. . .’ is een uitspraak uit het Johannesevangelie, die deze wonderbaarlijke paradox tot uitdrukking brengt.

Na het voorgaande zal het ook geen verwondering wekken, dat juist in het evangelie de twee Griekse woorden voor tijd terug te vinden zijn. Van de vele plaatsen waar dit het geval is, moge in dit verband dié genoemd worden, die juist met dit incarnatieproces samenhangen.
Na de geboorte van Jezus vraagt Herodes aan de drie wijzen uit het morgenland ‘naar de tijd (chrónos) waarop de ster verschenen was’. Daartegenover spreekt Johannes tot de mensen: ‘De tijd (kairós) is vervuld, het Rijk Gods is nabij’. Dat wil zeggen, datgene wat in het goddelijke tijdsplan zich afspeelt komt ‘in dekking’ met de aardse tijdenloop, ‘de tijd is vervuld’.

Maar ook aan het einde van de Drie Jaren, naar het hoogtepunt, respectievelijk dieptepunt van het incarnatieproces toe, blijken de beide soorten tijd steeds met elkaar in dekking te komen: ‘Nog een korte tijd (chrónos) ben ik bij U. . .’, en bij de voorbereiding door de leerlingen van het Paasmaal: ‘de meester spreekt: ‘Mijn tijd (kairós) is nabij’.

Bij de woorden aan het kruis ‘Het is volbracht’ zouden we kunnen zeggen dat het grootste niet aan aardse tijd gebonden goddelijke wezen, (‘Ik ben de alfa en de omega, aanvang en einde, oerbegin en werelddoel’) en als zodanig representant van het eeuwige leven, zich verbindt met het tijdstip van de dood.
Gods buitentijdelijke werken worden ingevoegd in ónze geschiedenis, kairós wordt chrónos. Of misschien ook wel omgekeerd, dat de chrónos ‘vervuld’ wordt, en daarmee tot kairós wordt. Zo bezien leeft diegene in christelijke zin, die tracht tijd vrij te houden voor het ‘buiten-tijdelijke’, zodat er steeds meer momenten in de biografie kunnen komen, die het spiritueel-kwalitatieve karakter van de kairós dragen.

‘Dat God eeuwig tijd heeft voor ons, vinden we al even vanzelfsprekend als het feit dat wij geen tijd hebben voor Hem’, stelt Dag Hammarskjöld beschaamd in zijn dagboek vast.

Maar het lijkt tevens een appèl, wél tijd voor Hem te vinden.

En in onze tijd lijkt dat wel ‘aan de tijd’ te zijn.

.

Maarten Udo de Haes, Jonas 8/9, 15-12-1978

.

Ritme: alle artikelen

.

1607-1506

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Louis Bolk

.

louis bolk 1866-1930

De vader van de foetalisatietheorie

‘De mens staat niet aan het eind, maar aan het begin van de evolutiereeks.’
Een revolutionaire uitspraak van de anatoom Louis Bolk, die zo contrasteerde met de ideeën over evolutie, dat hij toen, en ook nu nog, op weinig waardering kon rekenen.
Een miskend genie? De antroposofische arts Leen Mees meent van wel en zet in deze schets uiteen waarom.

olieverfschilderij van Lizzy Ansingh 1921

Prof. Dr. Louis Bolk is in de wetenschap weliswaar geen onbekende, doch in het algemeen wat men zou kunnen noemen een omstreden figuur. Men heeft zijn retardatietheorie, ook foetalisatietheorie genoemd, in het begin van deze eeuw met zeer gemengde gevoelens opgenomen. Mij persoonlijk is het overkomen dat ik er nooit een warm woord van waardering over heb horen uitspreken.

Welwillendheid, dat was de grens tot welke men wilde gaan.

Het contrast met de officiële opvattingen over evolutie was dermate groot, dat dit niet dieper ingaan op Bolks voorstellingen begrijpelijk is. Wie met de antroposofische belichting van het evolutievraagstuk bekend is, kan echter niet anders dan met diep respect kijken naar een figuur die, zonder ooit iets van antroposofie gehoord of gelezen te hebben, tot een inzicht kwam dat zich ongedwongen met resultaten van de geesteswetenschap laat verbinden.

In verschillende uitspraken van vooraanstaande antroposofische vrienden – het dunkt mij niet nodig deze persoonlijk te vermelden, hoewel ze schriftelijk vastliggen – bespeurt men een zeker gebrek aan waardering. Een van de opmerkingen was, dat voor Bolk de mens slechts een geslachtsrijp geworden apenfoetus zou zijn. Een andere is, dat hij gemeend zou hebben dat de menswording slechts het gevolg is van diepgaande storingen van de productie van hormonen en hun samenwerking. Er wordt letterlijk gezegd dat Bolk de mens beschouwde als een ‘hormonale misvorming’, dat wil zeggen het zwaar beschadigde toevalsproduct van een ongelukkig verlopen zijnde mutatie.
Ik kan zulke uitspraken slechts bedroevend, de laatste zelfs schandelijk noemen. Beide opmerkingen zijn het gevolg van het feit dat men op een gegeven ogenblik een mededeling van Bolk zo uit z’n verband gerukt heeft en het voor een eigen belichting misbruikte. Het duidelijkst komt dit wel naar voren in de opmerking dat voor Bolk de mens een toevalsproduct zou zijn. Wie de inhoud van het volgende leest, zal merken hoe Bolk juist op dit punt zijn tijd ver vooruit was.

Voor mij is Bolk een in hoge mate miskende figuur, ik durf zelfs te zeggen: een miskend genie. Waar ik hem verscheidene jaren heb mogen meemaken, berust een en ander op persoonlijke indrukken. Ik was bijzonder gelukkig toen ik vernam dat het Bolk Instituut zijn naam met zijn activiteiten verbonden heeft. Voorzover het mogelijk is in kort bestek iets van de fenomenologische benaderingswijze uit Bolks werk te geven, zal ik dat in deze schets trachten te doen. Het is mede als een verduidelijking bedoeld van de impuls die Bolk aan de evolutieleer hoopte te geven.

Vrees en verering

Een stampvolle collegezaal. Doodse stilte, je kunt een speld horen vallen. Dan gaat de deur open, de amanuensis laat Bolk binnen. Hij is moeilijk ter been, loopt met twee stokken. Toch gaat er een grote waardigheid van hem uit. ‘Dames en Heren’, – de wijze waarop Bolk deze woorden voor ieder college uitsprak zal ik nooit vergeten. Rustig, zonder emotie. Toch leefde er in die zachte stem een soort geladenheid, die het kenmerk is voor elke spreker die zich bewust is van de autoriteit die men hem toekent.

Hij was uiterst correct in zijn optreden en eiste dat ook van anderen. Te laat komen op college betekende dat je riskeerde weggestuurd te worden. Ook wanneer je onder de voordracht met anderen zat te praten. Een student kwam op examen op blote voeten in sandalen. ‘Mijnheer, gaat u eerst naar huis zich fatsoenlijk aankleden.’ (Feitelijk hoorde je in die dagen nog in jacquet examen te doen!)

Ook op het taalgebruik lette hij. Toen ik zei dat ik mijn trein nog moest halen, vroeg hij een beetje smalend: ‘O, is dat uw trein?’. Het was echter kenmerkend dat er in die tijd nog haast geen kritiek in ons op kwam. Naast een zekere vrees leefde er ook een grote mate van verering in ons.

Hij was hoogleraar in de anatomie. In de Winkler Prins vindt men de opmerking: ‘Bolk is de grondvester van de nieuwere Hollandse ontleedkundige school, zodat zowel in Nederlands-Indië als hier te lande, alle leerstoelen in de ontleedkunde werden bezet door zijn leerlingen. Grote bekendheid verkreeg hij door zijn werken over de segmentale anatomie, over de kleine hersenen en op het laatst van zijn leven door zijn foetalisatietheorie. Ook zijn antropologische onderzoekingen verdienen genoemd te worden’.

Wat wij vóór alles moesten kennen waren de beenderen, de spieren en het zenuwstelsel. Het skelet moest van te voren bestudeerd worden, elke student moest een tentamen osteologie (‘botjes’) afleggen, bij Bolk zelf. Hij eiste veel, nam bijvoorbeeld een pijpbeen, stak het in z’n mouw en aan het uiteinde moest je herkennen en weten wat het was, wat vóór of achter was en of het een linker of een rechter was. Hij was beslist niet iemand die bovenmatig veel kennis vroeg. Wat hij eiste waren korte, duidelijke formuleringen.

Hij had zo zijn speciale definities en indelingen.
‘Wat is een spier?’ ‘Een spier is een contractiel orgaan.’
‘Wat is een gewricht?’ Een gewricht is een verbinding tussen twee
skeletstukken.’
Daarbij werden we voor het eerst geconfronteerd met het feit dat ook bijvoorbeeld bij de later totale vergroeiing van de zogenaamde voorhoofdsbeenderen tot één geheel, toch van een gewricht gesproken mag worden.
‘Wat voor soorten beenderen onderscheiden we?’ ‘Lange pijpbeenderen, korte pijpbeenderen, platte beenderen en onregelmatige beenderen.’

Het deed iedereen goed tegelijkertijd exact en beeldkrachtig te leren denken. Reeds in deze wijze van weergeven lag een eigenschap besloten, die in Bolks werk zo duidelijk naar voren springt: het overzien van de feiten. Niet met je neus te dicht erop zitten, je niet in details verliezen. Bolk was een wetenschappelijk onderzoeker van de grote lijn. We kunnen dit zo duidelijk aflezen aan zijn uitspraak:
‘Wij zijn gewoon het leven na te sporen door vergrootglazen en daardoor het anders onzichtbaar stoffelijke binnen onzen gezichtskring te brengen. Hoe geheel anders, hoe ruimer zeker zou onze opvatting van het leven zijn, indien het ons gegeven ware, dit eens te bestudeeren met verkleinglazen, waardoor wij het voor het ongewapende oog onoverzichtbare binnen onzen gezichtskring konden brengen, om dan in plaats van zooals thans de stoffelijke verbindingen, den samenhang der verschijnselen meer tot studiedoel te nemen.’

Twee jaar lang gaf hij een extra college over de zogenaamde retardatietheorie, door hem zelf ook foetalisatietheorie genoemd. Deze term was zeker gerechtvaardigd, doch zij heeft aanleiding gegeven tot veel misverstanden. Reeds jaren vóór Bolk in staat was zijn theorie aan de wereld voor te leggen, was hij getroffen door het feit dat de mens, die traditiegetrouw achter de dierenreeks geplaatst werd in de evolutie en uit het dierenrijk geëvolueerd gedacht werd, zo’n verschillend tempo in z’n ontwikkeling vertoont ten opzichte van de dieren.
Bolk zegt in ‘Het vraagstuk van het ontstaan van de mens’ hierover: ‘Er is geen zoogdier dat zich in een dusdanig langzaam tempo ontwikkelt als de mens; er is geen tweede, dat pas zoo lang na zijn geboorte volwassen wordt. Kunt u mij een ander zoogdier noemen dat, als het volwassen is, over zoo’n lange bloeitijd beschikt? Bovendien wordt deze langzaame ontplooiing ten slotte gevolgd door een phase van ouder worden, die zich zoo langzaam voltrekt als bij geen enkel zoogdier bekend is. Waar is het dier dat, nadat zijn voortplantingsfunctie afgelopen is, nog zoo lang lichamelijk gezond verder blijft leven?’

Hij kon deze fenomenen nog niet met andere ervaringen in samenhang zien; hij constateerde alleen maar een feit. Een andere zaak was, dat de gangbare evolutietheorieën hem beslist niet bevredigden. Integendeel, hij sprak openlijk uit dat hij het oneens was met de opvattingen van Lamarck en Darwin, ter verklaring van het ontstaan van de mens in de evolutie. Aanpassing aan de omgeving, teeltkeus, strijd om het bestaan, het waren voor Bolk eerder argumenten tegen dan vóór deze theorieën. Een paar citaten mogen dit verduidelijken.

Wanneer de gedachte ‘aanpassing aan de omgeving’ naar voren wordt gebracht, pleegt men deze ook met de overgang van dier naar mens in verband te brengen: de nog half-opgericht-lopende ‘mensaap’ richtte zich op en ontwikkelde daardoor zijn menselijke eigenschappen. Bolk denkt hier radicaal anders over. In ‘Het vraagstuk over het ontstaan van de mens’ zegt hij: ‘Naar mijn mening was het rechtop gaan loopen een aanpassing aan veranderingen die zich in verband met geheel andere oorzaken in de lichaamsvorm hadden voltrokken. Zij was een consequentie. Niet omdat het lichaam zich oprichtte werd de menschwording voorbereid, maar omdat de vorm menschelijk werd, richtte het lichaam zich op. ’

Ten opzichte van de strijd om het bestaan is hij minstens even radicaal (‘Hersenen en Cultuur’): ‘Eerst een algemene opmerking naar aanleiding van dit laatste. Wanneer ooit die harde strijd om het bestaan, die dan van meerdere zijden voor de ontwikkeling van de menschheid van zoo groote beteekenis geacht wordt, een rol zou gespeeld hebben in de ontwikkelingsgeschiedenis der menschheid, de mensch zou dier gebleven zijn. Want nooit of te nimmer zou die strijd in den vorm waarin hij werkelijk in de natuur gestreden wordt, de menschheid tot moreel inzicht, tot zedelijk bewustzijn hebben kunnen voeren. Het wezen toch van den strijd om het bestaan, zooals deze in de natuur gestreden wordt, is een kamp tusschen macht en overmacht; in dien strijd is overmacht recht en zwakheid een misdaad. En is het niet juist een uiting van ’s menschen hooger, verhevener standpunt, wanneer hij de toepassing van dit laatste beginsel, wanneer het zich in ’t maatschappelijk leven nog eens voordoet, als ‘brutisme’ kenmerkt. Als grondslag voor de menschwording, als drijfkracht voor de hooger ontwikkeling der menschheid, heeft dan ook voor mij de strijd om het bestaan niet de minste betekenis’.

Ten slotte over de teeltkeus nog dit (eveneens uit ‘Hersenen en Cultuur’): ‘Blijft nu ter beantwoording nog over de vraag in hoeverre van de sexueele teeltkeus een dergelijke invloed kan zijn uitgegaan. En ook op deze vraag zullen wij een ontkennend antwoord moeten geven, er zijn meerdere gronden aan te voeren, die tegen deze oorzaak van de evolutie van den menschelijken geest pleiten. Reeds in ’t algemeen moet er op gewezen worden, dat, hoewel bepaalde eigenschappen van geest of karakter niet zelden van een der ouders op het kind overgedragen worden, werkelijke superioriteit van den geest niet erfelijk is. De brieven van geestelijken adeldom luiden persoonlijk ’.

Men voelt misschien al wel hoe door dit alles heen een rode draad loopt. Voor Bolk was de gedachte aan de werkelijkheid van een scheppend principe, dat wil zeggen de werkelijkheid van de geest, een vanzelfsprekendheid, al sprak hij dit (nog) niet direct zo uit.

Haeckel

Om het volgende in z’n volle omvang te waarderen, ik zou haast willen zeggen, in z’n dramatiek te ondergaan, moet nog even iets gezegd worden over het werk van een oudere tijdgenoot van Bolk, die een grote rol in de evolutieleer gespeeld heeft: Ernst Haeckel. Haeckel had zich de opgave gesteld sterkere argumenten te vinden voor de juistheid der stelling, volgens welke elke latere diersoort zich uit een voorafgaande vorm ontwikkeld zou hebben. Hij vond dit argument door het bestuderen van de embryonale ontwikkeling van verschillende dieren. Haeckel nam waar dat gedurende de ontwikkeling van eicel tot voldragen vorm van bijvoorbeeld een vogel, in het embryo een stadium doorlopen wordt met eigenaardige uitstulpingen aan de oorspronkelijke slokdarm, die later weer spoorloos verdwijnen. Hij kon hiervoor aanvankelijk geen verklaring vinden. Hij bracht dit echter met recht in verband met het feit dat ook bij de foetale ontwikkeling van de mens iets dergelijks optreedt. Ook de mens vertoont een tijdlang ‘kieuwspleten’.

Toen hij bij de reptielen hetzelfde constateerde en ten slotte ontdekte dat hetzelfde bij de vissen voorkwam, dat echter hier die genoemde uitstulpingen niet verdwenen doch tot de kieuwen werden, zag hij in een grootse visie datgene wat door hem samengevat werd als de zogenaamde biogenetische grondwet. Deze houdt in dat elke diersoort in haar ontwikkeling van eicel tot voldragen vorm in het kort de stadia doormaakt die zij in de evolutie tot dan toe doorlopen heeft. Het feit dat de reptielen, vogels en zoogdieren de genoemde uitstulpingen, die bij de vissen tot kieuwen worden, slechts voorbijgaand vertonen, betekende voor hem dat de latere dieren hun vroegere vissenstadium als het ware als een soort herinnering nog even snel doorlopen. In wetenschappelijke termen uitgedrukt luidt dit: elke ontogenie (ontwikkeling van het embryo) is een verkorte phylogenie (ontwikkeling van de soort). Men heeft later Haeckel veel bekritiseerd. Men heeft gezegd dat zijn waarnemingen niet exact waren, dat het wel ongeveer zo was, doch dat er te veel vragen over de details bleven. Wat men daarbij niet besefte, was dat ook een genie als Haeckel in grote lijnen denkt en weet dat de verklaringen van de details zich naar die grote lijn zullen moeten richten.

Ook Bolk voelde de juistheid van het principe van Haeckels grondwet, ondanks het feit dat hij tegelijkertijd steeds meer moeilijkheden zag bij het verklaren van de evolutie door het laten ontstaan van één diersoort uit de vorige. Hij zat in een impasse. Hij had het gevoel dat het feit dat de dierensoorten een duidelijke reeks vormen, dat de wet van Haeckel in wezen niet genegeerd kan worden, dat de mens zich zo geheel anders ontwikkelt dan alle dieren, dat al deze feiten een reeks aparte fenomenen betekenden, die ergens met elkaar samenhingen.

Bolk wachtte om zo te zeggen op een ervaring, die deze beduidende schakel zou kunnen zijn. Die schakel kwam, toen op zekere dag aan Bolk een chimpansee-foetus van ongeveer zeven maanden gestuurd werd. De moeder was door een ongeval om het leven gekomen. Wat Bolk zag, was een wezentje dat met een kaal lichaam en alleen haar op het hoofd, met een voorhoofd en een kin precies op een menselijke foetus leek. Hij zag in gedachten dit mensachtige diertje later uitgegroeid als chimpansee met z’n behaarde lijf, z’n hellende voorhoofd en z’n sterk naar voren dringende snoet en was diep getroffen door het intense verschil.

Zijn eerste verdere gedachte was: volgens de biogenetische grondwet zou de mens, die na de aap op aarde verschijnt, vóór zijn geboorte een apenstadium moeten doormaken. Hier zien we dat het omgekeerde het geval is! De aap maakt vóór z’n geboorte een mensenstadium door. Later verwijdert de aap zich snel van dit stadium. De mens ontwikkelt zich echter niet zo veel verder, hij blijft ten opzichte van de aap achter, hij is vertraagd in z’n ontwikkeling, geretardeerd. Vandaar de uitdrukking: retardatietheorie. De ontwikkeling van de aap is versneld, hij is propulsief. Hij snelt zo te zeggen naar de aarde toe.

Dit komt er echter op neer dat de mens weliswaar later op aarde verschijnt dan de aap, doch in wezen ouder is! De aap is een aftwijging van de zich langzamer ontwikkelende mens. Hij was eerst mensachtig en werd dier. Het was voor Bolk haast vanzelfsprekend dit onmiddellijk als een oerbeginsel te herkennen, dat aan het ontstaan van het hele dierenrijk ten grondslag ligt. Daarmee was hij echter genoodzaakt de hele evolutie in een totaal nieuw licht te gaan zien.

Hij moest tegen zich zelf zeggen: het is nu duidelijk dat de dierensoorten weliswaar een reeks vertonen, doch niet uit elkaar zijn ontstaan. Ze zijn achtereenvolgens afgetwijgd van een zich naast de dieren ontwikkelende vorm, die de latere mens zou worden. Dieren zijn gefixeerde stadia van de menselijke evolutie.

Revolutionaire gedachten

Het meest revolutionaire van deze gedachtegang is dat daarmee de mens als idee, als beginsel niet aan het eind doch aan het begin van de
dierenevolutiereeks geplaatst moet worden. In zijn eigen woorden zegt Bolk hierover (‘Hersenen en Cultuur’): ‘In zijn uiterste consequentie toegepast moet dit standpunt voeren tot de meening dat in het laagste, of laat ik het maar aanduiden als oer-organisme, reeds de noodzakelijkheid besloten lag der menschwording, die met even groote zekerheid in den loop der tijden daaruit volgen moest, als uit een bevruchte dierlijke eicel een volwassen dier als eindstadium van den ontwikkelingsgang ontstaat. Dat klinkt mystiek maar geeft mij zelve toch meer bevrediging dan de consequente toepassing van de selectie- of aanpassings-theorie, als eenig leidend beginsel der evolutie, waarbij ten slotte de menschwording een louter spel van het toeval geweest is’.

Evenzeer was Bolk zich ervan bewust dat hij daarmee iets in een wetenschappelijke beschouwing introduceert dat in de moderne wetenschap radicaal afgewezen wordt: de gedachte aan een richtinggevende kracht die in de evolutie impulserend gewerkt heeft. Hoezeer hij zich van dit revolutionaire standpunt bewust was, spreekt duidelijk uit zijn eigen woorden (‘Hersenen en Cultuur’):
‘Nu ben ik mij zeer wel bewust, dat ik met de boven getrokken conclusie op zeer glad en gevaarlijk terrein gekomen ben. Want ik stel mij toch bloot aan de opmerking, dat ik met de invoering van een inwendigen, in het organisme zelve gelegen ontwikkelingsfactor, die het voorkomen en de vormveranderingen der diervormen in den loop der tijden mede beheerscht zou hebben, de evolutiegang als iets a priori gedetermineerds, iets als van binnen uit gegeven zal moeten gaan beschouwen. Elke nieuwe vorm zou dan tot zekere hoogte zijn een vorm-noodwendigheid, ontstaan door de actie van dien, de evolutie reguleerenden en beheerschenden, in het organisme zelve wonenden factor. De opmerking is juist, maar ik wijk voor deze consequentie niet terug’.

De werkelijke waarde van deze uitspraak, de grootheid van Bolks persoonlijkheid, kunnen we het beste illustreren door een gesprek te vermelden dat meer dan een eeuw geleden in Frankrijk plaats gevonden zou hebben. Laplace (1749-1827) had in de loop van jarenlange studies en in verband met de filosofische beschouwingen van zijn tijd een speciale theorie opgesteld over het ontstaan van de aarde en van de natuurrijken. Deze theorie komt in het kort hierop neer dat de oorspronkelijke oneindig uitgebreide en verspreide
deeltjeswereld (men sprak toen over atomen, nu zou men over elektronen spreken) samenklonteringen ging vertonen, waardoor vanuit de atomen moleculen en moleculaire samenstellingen ontstonden. Deze werden steeds gecompliceerder, om ten slotte zo samengesteld en ingewikkeld te worden, dat ze de verschijnselen gingen vertonen van wat we als ‘leven’ plegen te omschrijven. Deze levende vormen ontwikkelden zich onder invloed van buitenaf verder en verder tot de verschijnselen van reageren, van bewustzijn, begonnen op te treden. Zo ontstond uit een oorspronkelijk universeel stadium een planten- en een dierenstadium. De verdere evolutie van dier naar mens werd op dezelfde manier voortgezet gedacht, zoals in wezen de meeste moderne evolutietheorieën nog steeds doen. Zo ontstond ten slotte de mens.

Laplace – zo doet het verhaal de ronde -toonde de conceptie van deze totale evolutietheorie aan Napoleon, die deze eerst aandachtig bestudeerde en toen met enige verbazing zei: ‘Ik kom het begrip God niet tegen in uw beschouwing,’ waarop Laplace bescheiden glimlachend geantwoord zou hebben: ‘Sire, je n’avais pas besoin de cette hypothèse’ (Sire, aan deze hypothese had ik geen behoefte meer). Het scheppende principe tot overbodige hypothese gedegradeerd aan de ene kant; aan de andere kant Bolk, die evenzeer via een wetenschappelijk onderzoek tot een uitspraak komt, waarvan ik meen dat de hele wereld kennis zou moeten nemen.

‘Ik wijk voor deze consequentie niet terug’!

Moed, in dienst van wat hij als waarheid voelde, is hetgeen we hier bij Bolk op zulk een bijzondere wijze ontmoeten. Bolk was een eenzame figuur, diep in zijn ziel was hij ervan doordrongen dat hij geen algemene bijval van de wereld kon verwachten.

Ik heb later nog met meerdere familieleden van hem kennis kunnen maken. Ze spraken altijd met de grootste verering over ‘Louis’, doch er was ook een kloof: Bolk stond op zichzelf; hij volgde geheel zijn eigen lijn. Waar het erom ging eigenschappen van een mens uit de erfelijkheid te willen verklaren, had hij ook een strikt persoonlijke visie. We zijn z’n uitspraak tegengekomen: ‘Brieven van adeldom luiden persoonlijk’. Dit was geheel in overeenstemming met wat hij, in mijn laatste ontmoeting met hem op z’n ziekbed, uitsprak: ‘Wat een mens als geestelijk wezen hier op aarde vertoont, hangt weliswaar af van waartoe zijn tijdelijke vorm hem in staat stelt; in wezen is de menselijke geest echter universeel’.

Onbeantwoorde vragen

Op twee vragen kon Bolk geen antwoord geven. Ten eerste worstelde hij met de vraag hoe zich de beschreven menselijke evolutie voltrokken had. Hij kon zich de heersende opvatting niet anders voorstellen dan dat dit plaats had gevonden op een wereld, op de aarde, zoals wij haar nu kennen. De tweede vraag was: wat is de zin van deze aftwijging van het dier? Voorzover ik weet heeft hij in die richting nimmer een uitlating gedaan.
Door Rudolf Steiner werd een licht geworpen op deze twee problemen. De ontwikkeling der aarde heeft zich voltrokken in samenhang met een verdichting van toestanden die naar het verleden toe steeds ijler gedacht moeten worden. Daarnaast krijgen we met een principe te maken dat tot dusverre in een evolutieleer nog nimmer is opgedoken. Men gaat ervan uit dat de mens ééns een dier was en zou dan consequenterwijze de conclusie moeten trekken dat het dier ééns plant geweest is en de plant ééns mineraal.

In een belichting vanuit de antroposofie klinkt dit als volgt: de mens heeft een dierenfase doorgemaakt, een plantenfase en een minerale-fase. Deze fasen zijn dus stadia in de evolutie van de mens. Tevens hebben zij zich afgespeeld in een zich steeds verder verdichtende materialiteit. Deze verdichting is er een van ‘warmte’ naar lucht, naar water en aarde. Dat men hiermee nieuwe voorstellingen introduceert, waar bijvoorbeeld warmte als een vorm van ‘materialiteit’ verschijnt, is duidelijk.

In de eerste fase wordt slechts het fysieke lichaam – in principe – gevormd. In de tweede wordt er het leven aan toegevoegd; in de derde het zielenelement, in de vierde datgene wat wij ‘geest’ plegen te noemen. Kijkende naar de natuurrijken om ons heen – mineraal, plant, dier en mens – heeft men een duidelijk beeld van datgene wat hier bedoeld is, doch tevens kan men daardoor een indruk krijgen van wat zich gedurende de menselijke evolutie afgespeeld heeft. Van de minerale fase is namelijk iets teruggebleven dat later tot mineralenrijk werd; van de plantenfase een deel dat later het plantenrijk werd. Op dezelfde wijze is het dierenrijk de representant van wat zich in de dierenfase van de mens heeft afgespeeld.

Wanneer dan de mens ten slotte op aarde verschijnt, zijn de drie rijken om hem heen reeds min of meer aanwezig. Dat al die rijken in de loop van hun verdere verdichting nog veranderingen ondergaan hebben (wat niets te maken heeft met ‘evolueren’) is vanzelfsprekend. Het bijzondere van deze gedachte is, dat wij in de rijken dus stadia van de menselijke evolutie kunnen herkennen, waarbij we bij de vraag van Bolk aangeland zijn: waarom vond dit plaats?

Er moet hier volstaan worden met dit opnoemen van het resultaat, door te zeggen: ‘Het dierenrijk is de belichaming van een overmaat van begeertekracht die anders een belemmering voor de overgang van de dierlijke naar de menselijke fase onzer evolutie geweest zou zijn. Het plantenrijk is de overmaat van vitaliteit die anders een belemmering voor de overgang van de planten naar de dierlijke fase van onze evolutie geweest zou zijn. Met het mineralenrijk is een overmaat van verdichtingstendens van de zich ontwikkelende mens afgenomen die anders een belemmering voor de overgang van de minerale naar de
plantenfase van onze evolutie geweest zou zijn*’.

Zo zijn de drie ons omgevende rijken een beeld van onze eigen evolutie. Zo begrijpt men dat speciaal planten- en dierenrijk, waar men te maken heeft met ‘lagere’ en ‘hogere’ planten en dieren, tevens verhalen van hetgeen zich gedurende de menselijke evolutie afgespeeld heeft. Zo leeft de mens thans op het mineraal, van de planten, met de dieren en onder de mensen.

Dat deze visie ten slotte uit moet monden in een ongelooflijk gevoel van dankbaarheid tegenover de rijken om ons heen, waarvan de antroposofie tevens onthult dat hun ontstaan te danken is aan de scheppende wijsheid van geestelijke wezens die daarmee een onvoorstelbaar offer gebracht hebben, mag niet onvermeld blijven. Ik kan niet nalaten op te merken hoe zeer Bolk verheugd geweest zou zijn als hij het nog had mogen meemaken dat Prof. Dr. Erich Blechschmidt uit Göttingen door exact wetenschappelijke onderzoekingen tot de conclusie kwam dat de mens nimmer een dier geweest kan zijn. Het lot heeft met zich meegebracht dat Bolk nimmer met antroposofie in aanraking gekomen is. Zijn werk en zijn visie monden echter direct uit in de stroom van deze wijsheidsvernieuwing.

*Een en ander is uitgewerkt in mijn boek ‘Dieren zijn wat mensen hebben’.
.

Leen Mees, Jonas 17, 15-04-1983
.

Biografieën: alle biografieën

Louis Bolk instituut
.

1605-1504

.

.

VRIJESCHOOL – Ritme (3-14/2)

.

Ritmen in de mens (2)

Het ritme van de week is een tijdsbestek dat veel minder een natuurgegeven is. Het is een heel innerlijk ritme, het is het meest cultuurgevormd ritme. Het heeft met de ziel te maken, voor zover dat vermenselijkt is door ons ‘ik’. Want het is het ‘ik’ dat de continuïteit van de zeven dagen moet scheppen.

Als tijdsritme, bewust gehanteerd, komt de week pas in Babylon en Chaldea voor het eerst op, op het moment dat in de mensheidsgeschiedenis, voor het eerst de verinnerlijking van de mensheid optreedt. Voor een kleuter is het ritme van de week nog niet te overzien, dat begint pas bij het basisschoolkind. Dat kan er innerlijk pas wat mee verbinden als het uit de boeken van Laura en Mary (door Laura Ingalls Wilder, uitg. Ploegsma) krijgt voorgelezen: wassen op maandag, strijken op dinsdag, verstellen op woensdag, karnen op donderdag, boenen op vrijdag, bakken op zaterdag en rusten op zondag. Het echt, bewust hanteren van de week dat komt nog weer later, eigenlijk pas goed in de volwassenheid.

Ondanks het feit, dat het aan de natuur zo moeilijk af te lezen is, – al kan men zeggen, dat het met de vier kwartalen van de maanfasen te maken heeft – is het toch een heel reëel en werkzaam ritme. De pogingen die in het verleden in Rusland en in Frankrijk zijn gedaan om een ritme van vijf of van tien dagen in te stellen zijn alle zeer snel mislukt. Wat gebeurt er in het tijdsbestek van zeven dagen? Men kan zeggen dat er in die periode een bepaalde ontwikkeling plaats vindt. Als iemand een vrij acuut zielenprobleem heeft, dan blijkt het goed te zijn om een aantal gesprekken daarover te voeren met steeds een tussenpoos van een week, niet langer, niet korter. Dat is net de tijd dat een gesprek zo heeft doorgewerkt, dat er een metamorfose in de gezichtspunten heeft plaatsgehad en het vruchtbaar is er dan weer mee verder te gaan. In een kortere tijd is dat nog niet gebeurd, in een langere tijd zou men net de aansluiting missen die een volgende metamorfose of ontwikkeling in kan leiden.

De zevenheid treedt overal in de wereld op, waar zich kwaliteiten openbaren. De wereld van de kwaliteiten is altijd zevenvoudig.
Op zeven manieren, in zeven aspecten kan een geestelijke werkelijkheid zich in de aardewereld openbaren. Er zijn zeven hoofdkleuren in de regenboog. De wereld van de tonen is zevenledig en het octaaf is een metamorfose van de oorspronkelijke eerste toon.

Men zou kunnen zeggen dat als een mens een week lang iets in zijn ziel ronddraagt, dat het in die zeven dagen door zeven aspecten heen heeft kunnen gaan en dan is het weer bij het uitgangspunt aangekomen, maar het is veranderd, het heeft zich ontwikkeld.

Elke dag in de week krijgt zijn eigen karakter, zijn kwaliteit door de plaats, de rangorde, die hij inneemt in de zeven. Die is vanuit de cultuur bepaald en die kan voor iedereen ook individueel weer anders gekleurd zijn. Men herinnert zich misschien dat voor het vosje in ‘De Kleine Prins’ van Antoine de Saint-Exupéry de donderdag zo’n bijzondere dag was, omdat dan de jagers ’s avonds met de meisjes in het dorp gingen dansen en dan kon hij wandelen tot aan de wijnbergen.
Voor sommige patiënten in mijn praktijk is de dinsdag een heel bijzondere dag, omdat ze dan hun schildertherapie hebben, daar leven ze de hele week naar toe. Overigens zijn de kunstzinnige therapieën typisch therapieën, die te maken hebben met het ritme van de week (één, twee of drie keer in de week), omdat ze uitgaan van de ziel die werkzaam wil worden. Een langere tussenpoos dan een week zou deze therapie zinloos maken, omdat dan de realiteit van de week als ontwikkelingsmoment van de ziel ontkend wordt. Het weekritme werkt scholend op de ziel. Men kan sommige bijeenkomsten beter één keer per week houden en dan een langere pauze inschakelen en weer hervatten, dan in eenzelfde tijdsbestek continu eens in de veertien dagen bijeen te komen.

Ondanks het feit, dat voor iedere individuele ziel de week weer verschillende kleuren heeft, is er toch ook een algemene wetmatigheid in te ontdekken. Zo kan men bijvoorbeeld wel zeggen dat het eerste deel van de week meer actief naar de wereld toegericht is, terwijl de tweede helft van de week toch al een meer beschouwelijk karakter heeft. De dinsdag is bijvoorbeeld een dag, waar je door kunt stoten, met alle gevaren van dien. Ook is het niet voor niets dat op de vrijescholen op donderdag de lerarenvergadering gehouden wordt. Ook kennen veel mensen het verinnerlijkende, bezinnende, terugblikkende karakter dat de zaterdag draagt.

De ‘Grote Week’

Het oerbeeld voor de kwaliteiten die de dagen van de week dragen, vindt men in de week van het jaar, de zogenaamde ‘Grote Week’, die aan Pasen voorafgaat.

Emil Bock brengt in zijn boek ‘Die drei Jahre’ de zeven dagen van de week in overeenstemming met de zevenheid van de voor ons blote oog waarneembare planeten. Zondag en maandag spreken voor zichzelf, Mars (Mardi) met dinsdag, Mercurius (mercredi) met woensdag, Jupiter (jeudi) met donderdag, Venus-Freya (Vendredi) met vrijdag en zaterdag-Saturnusdag.

Op maandag verdorde de vijgenboom in de lijdensweek, de oude spiegelende maanwijsheid; op dinsdag vonden de (Martiale) strijdgesprekken plaats met de Sadduceërs en de Farizeeërs en andere groeperingen, op woensdag, Mercurius-dag waarover we aan het begin al spraken, verraadt enerzijds Judas Christus, (hij ging als een dief naar buiten), anderzijds zalft Maria Magdalena Christus’ voeten; op donderdag het Avondmaal, een samenkomst van de twaalf met de dertiende. Een nieuwe wijsheid wordt hen in het cultische avondmaal geopenbaard; op vrijdag verschijnt de liefde in zijn hoogste openbaring; op zaterdag de grote inkeer en dan gaat op paaszondag een nieuwe zon voor de mensheid op.

Vanuit deze oerbeelden kan men zich opnieuw op de week bezinnen. Men kan er pedagogisch mee gaan werken, en dat gebeurt ook veel. Men kan er in het gezin mee omgaan – wat kunnen zondagen uit je eigen kindertijd niet een basiskleur gehad hebben, die je er nu weer aan kunt geven – maar vooral in het persoonlijke leven kan men er bewust mee omgaan. De zondag wordt dan niet alleen de rustdag aan het eind van de week, maar hij kan uitgroeien tot het echte begin van de week, tot de kiemplaats, te vergelijken met het begin van de dag, van waaruit de hele volgende week tevoorschijn komt. Het ritme van de week is het ritme van de ziel, waar het ‘ik’ door de continuiteit van zeven dagen te scheppen, ontwikkeling in de ziel brengt.

Maandritme

Het ritme van de maand is weer een natuurlijk gegeven. De cyclus van de maan spiegelt zich erin. Na achtentwintig dagen is de maan door zijn twee tegengestelde fasen van wassen en afnemen, van zichtbaar en onzichtbaar worden heengegaan. De maan heeft met het leven, met groeiprocessen, met de wording van levende organismen te maken. Door het werk van de biologe Maria Thun is de samenhang van de maanstand in bepaalde tekens van de dierenriem en het tot ontwikkeling komen van bepaalde delen van de plant (de wortel, de stengel, het blad of de vrucht) wetenschappelijk aangetoond. In de twaalfheid van de dierenriem zijn viermaal drie tekens. Bij de ene drie groeit speciaal de wortel, bij de ander speciaal de stengel, bij de derde speciaal het blad en bij de vierde speciaal de bloem en de vrucht. Ook in het dierenrijk, vooral bij de lagere diersoorten, die in het water leven (denk maar aan de invloed van de maan op eb en vloed), zijn er talloze voorbeelden, dat in die dieren processen plaats vinden in samenhang met het achtentwintig-dagenritme. Opmerkelijk vooral bij de voortplanting, waar het nieuwe leven wordt geschapen. Ook de maandstonde, de menstruele cyclus van de vrouw met het gemiddelde van 28 dagen, herinnert daaraan. Nu kunnen we niet zeggen dat de maan die vrouwelijke cyclus of die dierlijke voortplanting bewerkt, maar we kunnen wel zeggen dat zij uit eenzelfde bron hun ritmen krijgen. Fysiologisch gezien kan men zeggen dat na een maand een nieuw gegeven in ons ecologisch lichaam is geïntegreerd, dat het vastgehouden wordt, en dat het tot een blijvend bestanddeel van het leven geworden is. In de geneeskunde maakt men daarvan gebruik bij het immuniseren. In de zuigelingenleeftijd krijgt het kind driemaal achtereen een injectie tegen DKTP, telkens met een tussenpoos van een maand. En dan nog eens na een half jaar. Merkwaardigerwijs wordt dat de ‘injection de rappel’, de herinneringsinjectie genoemd. Ons levenskrachtenorganisme is ons fysiologisch geheugen.

Als men een constitutionele therapie wil geven, dat wil zeggen een therapie waarmee je het hele organisme iets wilt ombuigen, een andere constitutie wilt scheppen, dan heb je daar vier à zes weken voor nodig. Dat het zit en erin blijft, dat het beklijft. Het levende organisme moet minstens eenmaal de maandcyclus zijn doorgegaan en weer opnieuw begonnen, dan beklijft de therapie, dan kan het lichaam het onthouden. Dat geldt niet alleen fysiologisch maar ook psychologisch.

Als men vier weken achtereen op een bepaald moment van de dag een bepaalde handeling heeft verricht (bijvoorbeeld een kopje koffie gedronken of de planten water gegeven of een bepaalde spreuk voor zichzelf heeft gedacht) dan zal daarna op dat moment van de dag, als men het niet doet, uit de diepten van het organisme een onrust opstijgen. Er komt wat in beweging en men denkt: wat moest ik ook al weer? Dat is wat wij gewoonte noemen. Ons ecologisch lichaam, ons levenskrachtenorganisme is ook ons gewoontelichaam. Als het het ‘ik’ lukt door een tijdsbestek van een maand een continuïteit in de tijd te scheppen, dan werkt dat versterkend op ons levenskrachtenorganisme. Als het lukt om bijvoorbeeld door zo’n periode heen één letter in het handschrift te veranderen dan is dat gezondheidsbevorderend, het heeft een werking tot in ons gezondheidslichaam. Willen bepaalde innerlijke oefeningen werkelijk zin hebben, dan moet je die vier weken volhouden en dan merk je dat je gaat veranderen.

Wil iets levende werkelijkheid in ons worden, wil iets in ons wortel schieten, dan moeten we er zeker een maand mee bezig zijn. Daarom duurt de islamitische vastentijd ook een maand. We gaan door vier adventsweken naar Kerstmis toe. Stap voor stap, week na week wordt er wat meer licht in ons ontstoken, en met Kerstmis branden uiteindelijk alle lichten in de kerstboom.

Van maand tot week is weer een verhouding van 4:1. De maand is nog heel ver voor ons, het is nog een gegeven dat van buitenaf op ons toekomt, maar wij kunnen hem innerlijk ontmoeten door viermaal vier weken lang een aanzet te maken. Dan ontmoeten die maand en week elkaar in ons, zoals de ademhaling en de bloedsomloop.

Jaarritme

Tenslotte het ritme van het jaar. Dat is het ritme dat te maken heeft met ons fysieke lichaam. Het duurt ook een klein jaar (tien maanmaanden) voordat het fysieke lichaam zover is dat het geboren kan worden. Het duurt ook een jaar voordat er fysiek gesproken weer iets nieuws kan beginnen. Het is bekend dat men na een operatie, (een ingreep in het fysieke lichaam) een jaar nodig heeft voordat men werkelijk over de gevolgen daarvan is heengegroeid. Ik heb van kunsttherapeuten gehoord, dat bijna op de dag af een jaar na zo’n ingreep, patiënten plotseling een doorbraak hadden naar een nieuwe mogelijkheid.

Als iemand aan drugs verslaafd is en werkelijk serieus wil afkicken, dan heeft hij daar een jaar knokken voor nodig, omdat de effecten van die drugs tot in zijn fysieke lichaam aanwezig zijn en het een jaar duurt voordat ze er echt uit zijn. Een ontwenningskuur, die korter dan een jaar duurt, is een illusie, omdat men voorbijgaat aan de werkelijkheid van het ritme van het fysieke lichaam. Dat ritme is een jaar.

Het is duidelijk dat het voor ons ‘ik’ heel moeilijk is om de continuiteit van iets gedurende een jaar vol te houden, bewust althans. En toch kan men beginnen met het ritme van het jaar te leven. In de verschillende perioden van het jaar ben je in staat tot andere dingen. In het najaar kun je besluiten nemen, plannen voor een langere tijd maken, de toekomst vormen. Maar in het voorjaar en de voorzomer heb je de invallen van wat je zou kunnen gaan doen, dan ontmoet je de mensen die je op ideeën brengen. Laat dat maar even sudderen en pak het in het najaar weer op. In de zomer heb je de waarnemingen, de belevenissen in de natuur, de ‘Gesichter’ zoals Rilke het noemt. Daar moet je op zo’n moment niet teveel mee willen, niet te veel over filosoferen; als je in de winter bent gekomen, is dat voeding voor je ziel, dan kun je daarover nadenken, en worden de ideeën erbij gevoegd.

Zo kan men langzamerhand thuis raken in de zielengeografie van het jaar en merken dat men op bepaalde momenten van het jaar voor heel bepaalde activiteiten de wind mee heeft en op andere momenten de wind tegen. Zo krijgt het jaar een structuur. En het blijkt dan dat net zoals de dag vier karakteristieke momenten heeft waarop men kan letten, net zoals een maand door zijn vier weken bewust gemaakt kan worden, ook het jaar viergeleed is. Op één grote in- en uitademing van de natuur in het jaar kan de mens vier hartslagen voltrekken in de grote christelijke jaarfeesten: Pasen, Midzomer (Sint -Jansfeest), Michaëlsfeest en Kerstmis. De grote ademhaling kan de mens ontmoeten door daarin vier cesuren te leggen, vier bezinningsmomenten waardoor hij dat natuurlijke gebeuren tot een cultuurgebeuren maakt.

Pasen

Pasen is het feest waar de ritmen van het jaar, maand, en week en dag samenkomen. In het jaarverloop is het de lente waarin Pasen wordt gevierd. De week wordt bepaald door de volle maan. In de week is het de zondag en in deze zondag zelf ligt een heel bijzonder moment bij de zonsopgang.
Kerstmis is het feest van Middernacht. Het St.-Jansfeest is het feest dat je midden op de dag viert. In de Michaëlstijd en in de tijd daarna gaat het om het eind van de dag; denk maar aan St.-Maarten.

Pasen is het feest van de ochtend. Men hoeft daar maar de evangeliën op na te lezen, dat begint altijd met: ‘In de vroege morgen van de eerste dag der week…’. Dat is het moment waar voor de aarde iets nieuws begint. Waar de genezing inzet. Waar de moed voor de toekomst leven kan. Dat is het moment waar de wereld weer jong wordt, waar de hoop leeft. Ik beschreef in Jonas 15*, dat Mercurius het wezen is dat door het ritme de genezende krachten impulseert. In de middeleeuwen bestond de uitdrukking: Christus verus Mercurius, Christus is de eigenlijke genezer. Het in de aardewereld werkzaam worden van deze genezende, vernieuwende kracht leeft in het bijzonder in ons bewustzijn als de ritmen van dag, week, maand en jaar samenklinken: dat is met Pasen.

.

Joop van Dam, Jonas 16, 04-04-1980

.

*deel 1

Ritme: alle artikelen

.

Pasen: alle artikelen

.

1602-1501

.

.

.

VRIJESCHOOL – Ritmen in de mens (3-14/1)

.

Ritmen in de mens

Met de ritmen in de mens heeft een arts dagelijks te maken. Hij voelt het ritme van de polsslag van de mens, hij luistert naar het ritme van de ademhaling, hij informeert naar de regelmaat van de stoelgang, hij vraagt of het lukt om de afwisseling van waken overdag en slapen ’s nachts goed na elkaar te voltrekken.

Als veel van deze ritmische functies goed blijken te verlopen, dan is daarin al een zekere aanwijzing te vinden dat de patiënt redelijk gezond is. Maar als er een storing in de gezondheid optreedt en een therapie nodig is, dan is het nooit zo, dat een eenmalige maatregel de stoornis zal opheffen. De therapie zal meestal ook in een ritmisch terugkerende maatregel liggen. Of het nu een medicament is dat drie maal daags wordt ingenomen, of een fysiotherapeutische behandeling drie keer per week of de beoefening van kunstzinnige therapie; altijd is er een ritme nodig om weer tot die gezondheid terug te keren.
Wat wordt in het ritme uitgedrukt?

We zien dat daar waar twee werelden, twee gebieden elkaar ontmoeten, een ritme ontstaat. De mens is een burger van twee werelden: aan de ene kant een burger van deze aarde, aan de andere kant woont hij in de geest. Doordat hij een burger van twee werelden is, van beide tegelijk, ontstaat tussen die twee werelden een derde wereld: de wereld van het ritme.

Je kunt dit verschijnsel ook in andere vormen waarnemen. Bijvoorbeeld, als het luchtelement in de vorm van wind over het waterelement blaast, ontstaan er golven; als het water van de zee over het vaste element van het strand loopt, ontstaan er ritmische zandbanken en kleine ribbeltjes. Dat is een ruimtelijke vorm, maar eigenlijk is het ritme een tijdsfenomeen.

Het oerbeeld van het ritme in de mens vinden we in de verschijnselen van zijn ademhaling en bloedsomloop. Ook daar is het duidelijk dat twee verschillende werelden elkaar ontmoeten.
In de ademhaling: de inademing neemt de wereld buiten ons op en laat de zuurstof, de temperatuur, de helderheid van de lucht, de geuren en alle andere kwaliteiten van de omgeving binnen, en met de uitademing worden de kwaliteiten van onze binnenwereld weer naar buiten afgegeven. Een afwisseling van spanning bij het inademen en ontspanning bij het uitademen, dieper naar binnen komen in het lichaam bij het inademen en wat meer los komen bij het uitademen (denk maar eens aan het lachen).

Aan iemands ademhaling is te horen of hij op het punt staat om in te slapen of om wakker te worden: bij het inslapen wordt de uitademing sterker en bij het wakker worden, het tot zichzelf komen, komt de nadruk op de inademing te liggen. Geboren is een mens als hij zijn eerste inademing heeft gedaan. Dan is hij pas echt op aarde. En hij verlaat deze aarde weer met de laatste uitademing. Het ritmische proces van de ademhaling laat op een archetypische wijze zien hoe dat ritme de verbinding schept tussen twee werelden.

Het ritme van de bloedsomloop wordt door het hart geschapen. Ook het hart bemiddelt tussen verschillende werelden, zoals bijvoorbeeld tussen de grote en de kleine bloedsomloop. maar ook tussen alle stofwisselingsprocessen in de buik en de processen in het hoofd. Het proces van de bloedsomloop speelt zich meer af binnen het lichaam. De indrukken van de buitenwereld komen via de longen en via de zintuigen tot ons.

Zoals het ademhalingsproces naar buiten is gericht, zo is de bloedsomloop naar binnen gericht. Toch hebben de ritmen van ademhaling en bloedsomloop met elkaar te maken. Hart en long reiken als het ware elkaar toch nog de hand en dat komt tot uitdrukking in het ritme van ademhaling en bloedsomloop, die in een verhouding tot elkaar staan van één tot vier. Op één ademhaling vinden vier hartslagen plaats.
Dat is een verhouding die we nog vaker zullen ontmoeten in de signatuur van de tijd, in het omgaan met de tijd. De signatuur, waarin het buiten en het binnen tot uitdrukking komen, het ontvangen van indrukken uit de buitenwereld en het actief van binnenuit reageren daarop.

Mercurius

In de Griekse mythologie was er één God die de opdracht had om te bemiddelen tussen Goden en mensen, tussen hemel en aarde. Het was die God die tot schutspatroon werd gekozen door die mensen, die op aarde goederen van de ene plek naar de andere moesten brengen, de handelaars en ook de zeevarenden, maar ook door hen, die de verplaatsing van goederen buiten de rechtsorde volbrengen: de dieven. Het was de God Mercurius, de bode der Goden.

Mercurius is echter ook de schutspatroon van de artsen. Men zou kunnen zeggen dat bij ziekte het verkeer tussen hemel en aarde is verstoord; bepaalde delen van het organisme worden te egoïstisch en eigenen zich, als dieven, bepaalde krachten toe, die eigenlijk elders thuis horen. Bij ziekte wordt de mens te aards of te hemels en dat is niet gezond. Mercurius zorgt dat het verkeer weer op gang komt, herstelt het evenwicht tussen hemel en aarde en zorgt dat er een nieuwe ontwikkeling ontstaat.

Het symbool van Mercurius is de staf met twee gekronkelde slangen. Eén slang zorgt voor het verkeer van de aarde naar de hemel en de andere slang zorgt voor het verkeer van de hemel naar de aarde. Als dat verkeer goed loopt, wordt de mens weer gezond.

Genezing komt altijd uit de wereld van het ritme. Ritme is als het ware het voertuig waarop Mercurius door de wereld rijdt.

Als arts ontdekte ik dat verschillende ritmen in de verschillende lagen van het mensenwezen hun werkzaamheid ontplooiden. Dat bleek uit het feit, dat ik medicamenten voorschreef in bepaalde ritmen; een gegeven dat vooral door het onderbewuste van de mens wordt opgenomen. Voor mij ontstond de vraag: kun je die verschillende ritmen ook niet vanuit het bewustzijn gaan hanteren. Kun je die ritmen die in de natuur van de mens zijn gelegen en corresponderen met de natuur buiten ons, met de zon, met de maan, met de aarde, kun je die niet zo bewust hanteren dat je ze in cultuur brengt.

Lagen

Eerst wil ik beschrijven wat bedoeld wordt met de ‘verschillende lagen in het mensenwezen’.

Als eerste laag vinden we het stoffelijke, fysieke lichaam, dat we gemeen hebben met de minerale wereld. Het fysieke lichaam wordt bestudeerd in de anatomie en we vinden daarin vaste, duurzame vormen. Er is een lange tijd (tien maanmaanden) voor nodig om dit fysieke lichaam op te bouwen. Daarna duurt het nog zo’n twintig tot vijfentwintig jaar voordat dit fysieke lichaam helemaal volgroeid is. Maar dat het fysieke lichaam de vorm kan behouden die het heeft en niet de wetten van de minerale wereld vertoont, met zijn chemische en natuurkundige afbraakprocessen, komt doordat er een tweede laag op inwerkt. Dat is de laag van onze levenskrachten, een organisme van tijdsprocessen die door de fysiologie wordt bestudeerd.

Het bijzondere van die processen is dat ze allemaal op elkaar afgestemd zijn; die processen vormen als het ware één geheel. Het levenskrachtenorganisme is om zo te zeggen de architect die zorgt dat alles één geheel vormt en als het dat niet meer is, dan zorgt dat organisme ervoor dat het weer ‘geheeld’ wordt. Het levenskrachtenorganisme is de ‘grote genezer’ in ons. Het is als het ware één groot ecologisch systeem, samengesteld uit allerlei sub-systemen. Alle schadelijke invloeden die op de mens inwerken, of het nu beschadigingen van het fysieke lichaam zijn of ‘verterende’ emoties uit de ziel, die invloeden worden door het ecologische vermogen van het levenskrachtenorganisme verwerkt, zodat het weer een nieuwe eenheid wordt. Maar voor de verwerking van die schadelijke invloeden is, zoals we zullen zien, een bepaalde tijd nodig.

Als derde laag zien we in de mens zijn zielenwezen. Het vermogen, dat hij met het dierenrijk gemeen heeft, om een bewustzijn te hebben, een afwisseling van waken en slapen, en het vermogen om van binnenuit te reageren op de buitenwereld.

Die reactie op de buitenwereld uit zich meestal in een beweging. Het bewegen is een typisch fenomeen bij het dierenrijk. Natuurlijk bewegen planten ook wel. Afhankelijk van de stand van de zon veranderen hun bloemen en bladeren van vorm en houding, maar dat zijn bewegingen die zo langzaam gaan, dat we die haast niet waarnemen en daarom ook niet van beweging spreken. De bewegingen van het dier kunnen we waarnemen, want daar heeft de tijd een korter bestek. Het tijdsprincipe in het zielengebied is al veel kortstondiger dan in het levenskrachtengebied. Tenslotte, als vierde en kroonlaag zien we, dat de mens uitstijgt boven de drie natuurrijken, door zijn geestelijke kern, zijn ik. Dat is het principe in de mens dat hem doet verschillen van alle andere levende wezens, dat hem uniek maakt, dat hem zijn creatieve vermogen schenkt en het vermogen tot bewustzijn van zichzelf geeft.

Dat ‘ik’-bewustzijn treedt op een heel bepaald moment op in het leven van een mens. Zo tussen het tweede en derde jaar gaat hij ineens ‘ik’ tegen zichzelf zeggen. Tegelijkertijd treedt een nieuw vermogen op, de gave van de herinnering, het vermogen om een bewuste relatie te hebben met de tijd. Die actieve, gewilde herinnering, die onafhankelijk is van indrukken van de buitenwereld, die is alleen aan de mens eigen. Pas bij de mens is het mogelijk de biografie te overzien. Door zijn herinnering kan de mens het verleden met het heden verbinden, omdat zijn verleden werkzaam wordt in zijn geweten. Hij kan ook vanuit zijn ‘ik’ zijn eigen toekomst scheppen. Met het bewustzijn van de tijd ontstaat tevens het bewustzijn van ontwikkeling, waardoor hij het innerlijk kan verdragen dat de toekomst weer anders zal zijn dan het nu is.

Tijd

In het verloop van een mensenleven verandert het beleven van de tijd. In de vroege jeugd, als de wereld nog wat paradijskarakter heeft, dan heeft de tijd in zijn beleven nog iets van de eeuwigheid. Dat is voortdurend nog een beetje tijdeloos. Heel anders is het in de puberteit. Dan is de tijd al veel aardser. Maar soms kan je belevenissen hebben, waar je zó in bent, waar je bij wijze van spreken zo alles om je heen vergeet, dat je daarna pas weer wakker wordt in de ‘gewone’ wereld. En dan zeg je ‘was het nog maar weer zoals toen’. Om met Goethe te spreken: ‘Verweile doch, Du bist so schön’.

Pas als de mens volwassen is geworden, als zijn eigenlijke ‘ik’-wezen is geboren, heeft hij het vermogen om te beleven, dat in het leven bloeien en verwelken, dood en opstanding, Stirb und Werde, beide nodig zijn – voor de ontwikkeling.

Samenhangend met het ontwaken van het ‘ik’-bewustzijn in de mensheidsgeschiedenis kan men ook zien, dat het beleven van de tijd ingrijpende veranderingen ondergaat. Als men ontdekt, dat de woorden modern en oud, of het woord anachronisme pas enkele eeuwen oud zijn en dat het begrip ontwikkeling pas in de vorige eeuw operationeel werd, dan kan men een vermoeden krijgen hoe jong eigenlijk nog het individuele ‘ik’-bewustzijn van de mensheid is.

Het omgaan met de tijd is een functie van het ‘ik’. Als het ‘ik’ binnentreedt in de tijd, dan treden ook de creatieve vermogens binnen in de aardewereld. Dan komen er allerlei dingen tot stand die onverwacht en onberekenbaar zijn. Maar dat gebeurt alleen maar als je daar de tijd voor neemt. In de haast ontstaan zulke creatieve, nieuwe dingen niet. In de haast worden alle handelingen tot routine-handelingen, dan komt er niets nieuws. Een van de beste manieren om cultuurvernieuwing tegen te houden is om het wezen van de tijd te verdonkeremanen.

Ik kan erg aanraden om daarvoor het belangrijke jeugdboek ‘Momo en de Tijdspaarders’ van Bruno Endlich eens te lezen. Daarin wordt het wezen van de tijd uiterst fijnzinnig beschreven; de mensen krijgen een aanbieding van de agenten van de Tijdspaarbank om, door hun werk zo effectief mogelijk te doen, tijd te kunnen sparen en daar dan bij de Tijdspaarbank uiteraard rente over te kunnen krijgen. Het gevolg is, dat het leven gestandaardiseerd wordt, de mensen haast krijgen en niet meer zelf erbij zijn, bij de gewone dingen van het dagelijkse leven. Hun ‘ik’ is uitgeschakeld. Ze beleven niets meer, ze krijgen geen invallen meer. Ze gaan lijden aan de dodelijke ziekte van de verveling. Alleen het ‘ik’ kan kiezen, en kan daarom ook bewust met tijdritmes omgaan.

Laten we nu eens naar de bekende tijdritmen kijken, die voor het grootste deel vanuit de natuur gegeven zijn, om na te gaan hoe deze met het mensenwezen samenhangen en in hoeverre we daarmee zo kunnen omgaan, dat we bij wijze van spreken deze natuur in cultuur brengen. We kijken dan naar de ritmen van de dag, van de week, van de maand en van het jaar.

Dagritme

Het ritme van de dag is nog het gemakkelijkst met het bewustzijn te omspannen. Het is ook een duidelijk fysiologisch ritme van waken en slapen. Het is echter niet alleen maar een erin of eruit zijn.

Zowel in het waken als in het slapen zit een bepaald verloop. Bij het ontwaken beleef je heel duidelijk, dat je langzaam tot jezelf komt, je zou kunnen zeggen van perifeer – ver weg – weer centraal wordt.

Het is vaak moeilijk om vanuit dat centrale, vanuit dat in het lijf binnengedoken zijn, weer contact te leggen met de wereld om ons heen. Vaak moeten we ons ertoe zetten om echt weer met de ziel naar buiten te gaan en over het ‘goede morgen’, dat nog niet veel meer dan een bereidverklaring tot contact inhoudt, heen te komen.
Aan het begin van de dag zitten we nog diep ‘onder’ in het lichaam en in de loop van de dag stijgen we dan op en raken steeds meer ook in ons hoofd geïncarneerd, we worden wakker.

Aan het eind van de dag begint dan weer het perifeer worden zich aan te kondigen. De indrukken van de buitenwereld, ook als die wat verder van ons verwijderd is, zijn sterker dan ’s ochtends, we zijn er dan gevoeliger en kwetsbaarder voor. Dat komt omdat we al weer een beetje buiten onszelf beginnen te komen. Tenslotte worden we weer helemaal perifeer en slapen we in. Het is een soort kringloop van ons wezen door het lichaam heen, ‘s ochtends in de stofwisseling en ‘s avonds eruit gaand bij het hoofd.

Als je dat weet, dan begrijp je plotseling het verschil tussen ochtend- en avondmensen. Ochtendmensen hebben meestal niet zo’n sterke stofwisseling, ze zijn er bij wijze van spreken zo doorheen en kunnen zich dan snel behaaglijk voelen, in dat deel van hun wezen, waar ze van nature wakker zijn. Maar zij zijn al in de loop van de middag moe en kunnen ’s avonds niet veel meer.

De avondmensen doen er lang over voordat ze echt zo wakker zijn, dat ze zich lekker voelen om hun dagtaak te kunnen doen. Voor hen kan de stofwisseling een probleem zijn waar ze zich doorheen moeten worstelen. Voorbeelden daarvan zijn mensen die lijden aan endogene depressies. Het zijn diegenen, die altijd stofwisselingsproblemen hebben (obstipatie, een miserabele eetlust, vieze smaak in de mond) en die met name moeten worstelen om in hun lever- en galorganisme door te dringen. De wanhopigste tijd is voor deze mensen de vroege ochtend, terwijl ‘s avonds het ‘innerlijk’ weer helemaal opgeklaard kan zijn.

Waken en slapen

Het ritme van waken en slapen heeft een heel ingrijpende invloed op ons lichaam. Er is zelfs een hele tak van wetenschap ontstaan voor het bestuderen van het zogenaamde circadiane ritme, het ritme van het etmaal. In de loop van een etmaal verschuiven bepaalde stoffen in het lichaamsvocht tussen de weefsels van binnen de cel naar buiten de cel. Ook het vermogen van het lichaam om bepaalde stoffen te verteren, verandert gedurende een etmaal. Zo kunnen bepaalde geneesmiddelen overdag dodelijk zijn, die in de nacht met gemak door het lichaam verteerd worden.

Het zal duidelijk zijn dat daarmee rekening kan worden gehouden in de therapie en met die kennis kan ook besloten worden op welk moment van de dag een bepaalde impuls ter kennisgeving kan worden gebracht aan het organisme. Soms laat een patiënt je zien, dat je er geen rekening mee houdt. Bij voorbeeld: een van de antroposofische therapieën bij migraine is dat men, om een patiënt beter te laten incarneren, hem ijzer (in combinatie met andere substanties) geeft, met de bedoeling dat dat ijzer de stofwisselingskrachten, die te sterk stijgen en in het hoofd dat kloppen en bonzen teweegbrengen, in toom houdt. Nu kon een patiënt, die het ijzer in de vorm van meteoorijzer kreeg, door omstandigheden die injectie pas in de middag komen halen. Het ging goed met zijn migraine, maar hij sliep het eerste deel van de nacht niet meer. Pas toen het mogelijk werd de injecties ’s ochtends te geven, was zowel de migraine als ook de slapeloosheid verdwenen. Ook Iscador, het antroposofische geneesmiddel tegen kanker, is een substantie die gegeven wordt aan het begin van de dag, om daarmee het ‘ik’ dat de eigenlijke schepper van de menselijke gestalte is en dat in gevaar is als iemand kanker heeft, te helpen bij zijn incarnerende fase.

In de laatste vijftien jaar is ontdekt dat ook het slapen een heel ritmisch proces is. Gedurende de nacht wisselt het heel diep slapen en het oppervlakkig slapen, waarbij de mens dan gaat dromen en snelle oogbewegingen maakt, die op het E.E.G. (Elektro Encefalogram) geregistreerd worden, elkaar af. Als deze beide fasen elkaar vaak afwisselen in een nacht dan is de slaap verkwikkend en wordt men uitgerust en als herboren wakker. Treden die snelle oogbewegingen niet vaak op dan is men niet uitgerust. Er vindt in de nacht een soort verwerking plaats, een ritmisch al ademend verwerken van de fysiologische en psychologische gebeurtenissen van de dag.

Bij bepaalde omstandigheden treedt dit ritmische verloop niet meer op, onder anderen bij hoge koorts, maar ook bij het gebruik van slaapmiddelen. Dan heeft dus het verwerkingsproces niet plaats gehad en zit men de volgende avond niet alleen met de problemen van de dag zelf, maar ook nog met die van de vorige dag. Geen wonder, dat slaapmiddelen uiteindelijk de slapeloosheid bevorderen.

Een goed er overdag in zijn, betekent dat je er ’s nachts ook goed uit kunt zijn. De ervaring leert dat als je overdag intensief erbij bent geweest, dat je dan ook goed kunt slapen. Haast verhindert om er goed bij te zijn en de poort naar de slaap is dan ook vaak gesloten.

Een van de mogelijkheden om er overdag goed bij te zijn, is het maken van een bewuste pauze, een moment, waarin je dingen doet die met het verloop van de dag niets te maken hebben, maar die je doet omdat jij ze zelf wilt.

Ik zal nooit de raad vergeten die een stratenmaker zijn uiterst nerveuze moeder gaf, die door haar nervositeit ook veel lichamelijke klachten had. Hij zei: ‘Nu zal ik eens even dokter zijn. Ik schrijf je voor: driemaal daags je nergens druk over maken’.

Vierdeling

Nu heeft de dag, het etmaal, ook een vierdeling. We komen hier de verhouding 1:4 weer tegen. Het midden van de dag, de eigenlijke nacht en dan de twee overgangstijden van de

helaas ontbreekt hier de rest van het artikel. Er is nog een tweede deel.

Joop van Dam, Jonas 15, 21-03-1980

.

Ritme: alle artikelen

.

1601-1500

.

.

.

VRIJESCHOOL – De ontwikkeling van het jongere kind (2-2)

.

Kinderkleren: wanneer zitten ze als gegoten?

Lisa heeft het altijd warm. De zweetdruppeltjes parelen op haar voorhoofdje als ze bezig is met haar spel. Vaak ergeren haar kleren haar zo dat ze ze razendsnel uitgooit en poedelnaakt weer verder speelt. Maar dat geeft nauwelijks opluchting want haar spel wordt dan alleen maar onstuimiger en het transpireren neemt toe. Peuterjuf Joyce Honing laat je mee kijken naar de kinderen in haar klasje.

De zomer is voorbij. Het regent en er waait een koude wind. De korte broeken en T-shirts zijn opgeborgen en de kinderen komen met natte jasjes de school binnen. In het peuterklasje is het spel begonnen: een herfstspel. Het rode huisje in de hoek van de klas is veranderd in een eekhoorntjesholletje waar alles naar toe wordt gesleept. Alles wat mooi en verplaatsbaar is, verdwijnt in het holletje. Ook de grote schommelboot heeft daar een plaats gekregen. Er heerst een bedrijvigheid in het klasje alsof een mierenvolk bezig is zich voor te bereiden op de komende winter.

Lisa, een klein blond meisje, sleept druk met stoeltjes. Ze heeft helder blauwe ogen en een stevig, maar niet gedrongen lijfje dat gemaakt lijkt te zijn om te bewegen, te rennen, te klimmen en te sjouwen. Het is een kind dat helemaal haar eigen weg gaat en zich niet laat storen door wat er in haar omgeving gebeurt. Ze is juist bezig met een blok in haar handje de omgegooide schommelboot te beklimmen, als ze met haar voetje blijft steken in haar dunne wijde jurkje. Ze verliest geen moment, legt het blok neer en heeft in een oogwenk haar sokken uitgegooid (de schoenen waren al uit) en haar jurkje over haar hoofd uitgetrokken. Ook haar onderbroekje en hemdje vliegen er achter aan en geheel ontkleed vervolgt ze haar spel. Het zweet staat op haar voorhoofd, haar blonde haartjes plakken in haar nek maar ze speelt stralend verder.

Bezweet toetje
Als ik op haar toeloop om haar weer aan te kleden, voel ik dat ze, ondanks haar bezwete toetje, ijskoude handjes en voetjes heeft. Groene snottebellen liggen op haar bovenlip. Eigenlijk snottert ze altijd. Nog geen uur nadat ik haar heb aangekleed, vraagt ze om de plasketting die peuters die al alleen kunnen plassen meenemen naar de wc, waar ik ze dan even later ophaal. Maar bij Lisa ben ik vaak te laat.

Razendsnel is ze terug in de klas; weer poedelnaakt. Dit uitkleedritueel herhaalt zich bijna iedere morgen een paar keer. Lisa’s moeder, die dit gedrag goed van haar kent omdat ze het thuis ook doet, komt haar dochter tegemoet door haar zo dun mogelijk te kleden. ‘Want,’ zo zegt ze, ‘de zweetdruppeltjes parelen altijd op haar voorhoofd, dus ze heeft het gauw te warm.’ Een logische conclusie. Maar als je goed naar Lisa kijkt klopt er toch iets niet. Iedere keer als ze begint te transpireren en haar kleertjes uit heeft gegooid, wordt haar spel onstuimiger. Ze rent harder dan voorheen en wordt zelfs onrustig. Het lijkt erop dat ze haar warmte op peil wil houden door steeds drukker te bewegen. Het transpireren op haar hoofdje wordt niet minder, maar juist erger. Een verwarrend beeld dus.

In de klas heb ik meestal een kleine voorraad wollen kleertjes liggen. Op een keer, na de zoveelste uitkleedpartij, zocht ik een wollen hemdje en maillot voor haar uit die goed aansluitend om haar lijfje pasten. Dat beviel haar duidelijk goed. Haar spel werd rustiger en haar bewegingen minder heftig. Het was alsof ze beter bij zichzelf kon blijven.
En wat vooral opviel, was dat er geen zweetdruppeltjes meer op haar hoofd verschenen. Haar haartjes werden niet meer nat en haar handen en voeten bleven warm. Toen haar moeder haar bovendien goede passende, niet hinderende kleding aandeed, bleek ze er geen behoefte meer aan te hebben om zich uit te kleden.

Bewegingskinderen

Dit verschijnsel neem ik vaak waar bij de kinderen die ik ‘bewegingskinderen’ noem. De warmte die deze kinderen ontwikkelen door hun actieve bewegingen, verliezen ze ogenblikkelijk weer via de zweetdruppels op hun hoofd. Ze staan daar zoveel warmte af dat ze niet genoeg overhouden om hun handjes en voetjes warm te houden. Daarom vraagt juist zo’n bewegingskind om goede, warme onderkleding, vooral om de buik, de billen en de, beentjes. Want zoals een kachel zijn warmte verliest via de open schoorsteen als je de pijp niet goed afsluit, zo verliest het bewegingskind zijn warmte als je hem niet helpt die wat evenwichtiger over zijn lijfje te verdelen. Deze kleine wildebrassen zijn je ook dankbaar voor goed passende kleren, want ze hebben snel last van jurkjes met wijde stroken of belemmerende, te grote kleren.

Professortje

Eigenlijk vraagt ieder kind om bij zijn aard passende kleren. Roland bijvoorbeeld. Hij heeft een mager lijfje, beentjes die hij niet veel gebruikt, handen die vooral naar boeken zullen reiken en ogen die alles zien, alles opnemen en alles begrijpen. Het lijkt wel alsof zijn ogen de plaats van zijn ledematen hebben ingenomen. Nauwkeurig doet hij verslag van alles wat er in de klas gebeurt. Hij is nog geen drie jaar oud, maar met zijn wijsvingertje in de lucht onderstreept hij ieder woord alsof hij voor een volle zaal toehoorders staat. Kijken en spreken nemen bij hem de plaats in van bewegen. Nauwlettend houdt hij het goede verloop van de ochtend in de gaten. Het zijn de zekerheden waaraan hij zich vastklampt. ‘Juf, als je Lisa hebt aangekleed, gaan we dan boterhammen smeren? En daarna gaan we de klas mooi maken. Zullen we dan, als het niet gaat regenen, naar buiten gaan?’

Rolands lijfje is altijd koud tot op het bot. Alle warmte wordt weggezogen door zijn hoofdje, waarmee hij alles ziet en over alles nadenkt. En, zoals je dat zelf ook wel merkt als je bijvoorbeeld een paar uur ingespannen voor je computer zit te werken: daar krijg je het koud van. Een kind als Roland aanzetten tot meer eten of meer bewegen is onbegonnen werk. Hij is een denker en beschouwer en dat mag hij zijn. Maar zo’n klein professortje verwarm ik wel het liefst van top tot teen met wollen onderbroeken en wollen hemden met lange mouwen. Daardoor zal hij zich behalve in zijn beschouwende hoofdje ook in zijn lijfje meer thuis kunnen voelen.

Fladderend kinderspel

En dan heb ik in mijn klasje nog van de speelse kinderen, die als vlinders van  bloem naar bloem dartelen. Ze zijn meestal aan de tengere kant, net als de denkertjes. Ook voor hen is het goed om het gebied van hart en longen te verwarmen met wollen ondergoed. Daardoor kunnen ze zichzelf niet helemaal verliezen in hun heerlijk fladderende kinderspel en hebben ze een warm ‘huisje’, van waaruit ze hun spel beginnen, maar waarnaar ze ook op ieder moment weer kunnen terugkeren.

Er zijn ook kinderen bij wie je niet zo’n nadruk hoeft te leggen op warme kleding. Dat zijn de mollige, goed etende dromertjes. Vaak hebben ze wat waterige snotneusjes. Maar daarover hoef je niet zo’n zorgen te maken. In tegenstelling tot de bewegingskinderen heeft het bij hen meestal niet met een infectie te maken, maar hoort het meer bij hun lichaamsgesteldheid. Omdat ze hun eigen innerlijke kacheltje steeds brandend houden door goed te eten en weinig te bewegen, zullen zij het snelste last hebben van te warme kleren.

Ouderavond

Op de ouderavonden in de peuterklas is warmte vaak een gespreksonderwerp. En dan beginnen we bij het begin. Want hoe beter je je kunt voorstellen in welke constante, weldadige warmte een kind voor de geboorte leeft, hoe beter je ook begrijpt hoe heerlijk het moet zijn om na de geboorte nog zo lang mogelijk die vertrouwde, omhullende warmte te voelen. Door een baby te kleden in zachte wollen hemdjes, luiertruitjes en mutsjes kun je dat soort warmte het dichtst benaderen. Voor een baby geldt nog sterker dan voor de beweeglijke peuter dat het de warmte nog niet goed kan vasthouden en die via zijn hoofdje weer afstaat. Het is nog niet zo lang geleden dat iedere moeder haar baby als vanzelfsprekend een mutsje opzette, niet alleen buiten maar ook binnen en in de wieg. Voor ons is dat absoluut niet meer vanzelfsprekend. Dat is jammer, want een muts beschermt een babyhoofdje niet alleen tegen kou of te veel zon, maar ook tegen te veel indrukken van buitenaf. En dat is in deze tijd geen overbodige luxe. Een warm pleidooi dus voor de terugkeer van het wollen of zijden mutsje als vast onderdeel van de babyuitzet.

Joyce Honing, Puur kind, Weleda, herfst 1998

.

peuters en kleutersalle artikelen

ontwikkelingsfasenalle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

opvoedingsvragenalle artikelen
.

1600-1499

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 2 (2-2-1)

.

Enkele gedachten bij blz. 31-33 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA295) [3]

Rudolf Steiner noemt de voorstelling o.a. ‘niet meer werkelijk‘ (unter-real). De werkelijkheid lag in de geestelijke wereld vóór onze geboorte – en zoals Steiner er vaak aan toevoegt: vóór onze conceptie.
Maar wat daar werkelijkheid was, is met onze geboorte niet opgehouden te bestaan: vanuit deze geestelijke wereld ‘stromen’ nog altijd krachten in ons die het ons mogelijk maken dat we ons kunnen voorstellen.
En zoals we dagelijks door onze voeding bijv. verbonden zijn met de aarde, ook als we niet eten of drinken, zo lijkt het alsof we ook – maar nu natuurlijk helemaal onstoffelijk – verbonden zijn met een wereld van ‘de gedachtevoeding’.

Iedere vergelijking met iets aards gaat eigenlijk mank: de wereld van de geest is een totaal andere wereld.

Toch probeert Steiner deze voor ons te beschrijven.

In GA 9, theosofie, doet hij dat zo:

Bevor nun der Geist auf seiner weiteren Wanderung betrachtet werden kann, muß das Gebiet selbst erst beobachtet werden, das er betritt. Es ist die «Welt des Geistes». Diese Welt ist der physischen so unähnlich, daß alles das, was über sie gesagt wird, demjenigen wie Phantastik Vorkommen muß, der nur seinen physischen Sinnen Vertrauen will. Und in noch höherem Maße gilt hier, was schon bei der Betrachtung der «Welt der Seele» gesagt worden ist: man muß sich der Gleichnisse bedienen, um zu schildern. Denn unsere Sprache, die zumeist nur der sinnlichen Wirklichkeit dient, ist mit Ausdrücken, die sich für das «Geisterland» unmittelbar anwenden lassen, nicht gerade reich gesegnet. Besonders hier muß daher gebeten werden, manches, was gesagt wird, nur als Andeutung zu verstehen. Es ist alles, was hier beschrieben wird, der physischen Welt so unähnlich, daß es nur in dieser Weise geschildert werden kann. Der Schreiber dieser Darstellung ist sich immer bewußt, wie wenig seine Angaben wegen der Unvollkommenheit unserer für die physische Welt berechneten sprachlichen Ausdrucksmittel wirklich der Erfahrung auf diesem Gebiete gleichen können.
Vor allen Dingen muß betont werden, daß diese Welt aus dem Stoffe (auch das Wort «Stoff» ist natürlich hier in einem sehr uneigentlichen Sinne gebraucht) gewoben ist, aus dem der menschliche Gedanke besteht. Aber so wie der Gedanke im Menschen lebt, ist er nur ein Schattenbild, ein Schemen seiner wirklichen Wesenheit. 

Voordat we de geest op zijn verdere weg kunnen volgen, moeten we eerst het gebied leren kennen waar hij nu in terechtkomt. Dat is de ‘wereld van de geest’. Deze wereld lijkt zo weinig op de fysieke wereld dat iemand die alleen zijn fysieke zintuigen wil vertrouwen alle uitspraken over die wereld wel als pure fantasie moet beschouwen. En in nog sterkere mate geldt hier wat ook al bij de ‘wereld van de ziel’ is opgemerkt: je moet gebruik maken van vergelijkingen om die wereld te kunnen beschrijven. Want onze taal, die hoofdzakelijk in dienst van de zintuiglijk waarneembare werkelijkheid staat, is arm aan uitdrukkingen die direct op het ‘geestenrijk’ kunnen worden toegepast. Daarom moet met name bij de volgende beschrijvingen de lezer worden verzocht veel slechts als aanduiding op te vatten. Alles wat hier beschreven wordt lijkt zo weinig op de fysieke wereld, dat het alleen maar aanduidingsgewijs, met behulp van vergelijkingen, kan worden geschetst. De schrijver is er zich voortdurend van bewust hoe weinig zijn beschrijving — wegens de onvolmaakte uitdrukkingsmiddelen van onze taal die op de fysieke wereld is toegesneden — kan weergeven wat op dit gebied in werkelijkheid wordt ervaren.

Allereerst moet er de nadruk op worden gelegd dat deze wereld geweven is uit de stof (ook het woord ‘stof’ is hier natuurlijk in zeer oneigenlijke zin gebruikt) waaruit de menselijke gedachte bestaat. Maar zoals de gedachte in de mens leeft is ze slechts een schaduwbeeld, een schim van haar werkelijke wezen.

In voordracht 2 heb ik dit tekeningetje gemaakt:

De muur is hier ‘de spiegel’; voor het denken de spiegelende functie van het aan de fysieke hersenen gebonden denken.

Wie der Schatten eines Gegenstandes an einer Wand sich zum wirklichen Gegenstand verhält, der diesen Schatten wirft, so verhält sich der Gedanke, der durch den menschlichen Kopf erscheint, zu der Wesenheit im «Geisterland», die diesem Gedanken entspricht.
Wenn nun der geistige Sinn des Menschen erweckt ist, dann nimmt er diese Gedankenwesenheit wirklich wahr, wie das sinnliche Auge einen Tisch oder einen Stuhl wahrnimmt. Er wandelt in einer Umgebung von Gedankenwesen. Das sinnliche Auge nimmt den Löwen wahr und das auf Sinnliches gerichtete Denken bloß den Gedanken des Löwen als ein Schemen, als ein schattenhaftes Bild. Das geistige Auge sieht im «Geisterland» den Gedanken des Löwen so wirklich wie das sinnliche den physischen Löwen. Wieder kann hier auf das schon bezüglich des «Seelenlandes» gebrauchte Gleichnis verwiesen werden. Wie dem operierten Blindgeborenen auf einmal seine Umgebung mit den neuen Eigenschaften der Farben und Lichter erscheint, so erscheint demjenigen, der sein geistiges Auge gebrauchen lernt, die Umgebung mit einer neuen Welt erfüllt, mit der Welt lebendiger Gedanken oder Geistwesen. – In dieser Welt sind nun zunächst die geistigen Urbilder aller Dinge und Wesen zu sehen, die in der physischen und in der seelischen Welt vorhanden sind. Man denke sich das Bild eines Malers im Geiste vorhanden, bevor es gemalt ist. Dann hat man ein Gleichnis dessen, was mit dem Ausdruck Urbild gemeint ist. Es kommt hier nicht darauf an, daß der Maler ein solches Urbild vielleicht nicht im Kopfe hat, bevor er malt; daß es erst während der praktischen Arbeit nach und nach vollständig entsteht. In der wirklichen «Welt des Geistes» sind solche Urbilder für alle Dinge vorhanden, und die physischen Dinge und Wesenheiten sind Nachbilder dieser Urbilder. – Wenn derjenige, welcher nur seinen äußeren Sinnen vertraut, diese urbildliche Welt leugnet und behauptet, die Urbilder seien nur Abstraktionen, die der vergleichende Verstand von den sinnlichen Dingen gewinnt, so ist das begreiflich; denn ein solcher kann eben in dieser höheren Welt nicht wahrnehmen; er kennt die Gedankenwelt nur in ihrer schemenhaften Abstraktheit. Er weiß nicht, daß der geistig Schauende mit den Geisteswesen so vertraut ist wie er selbst mit seinem Hunde oder seiner Katze und daß die Urbilderwelt eine weitaus intensivere Wirklichkeit hat als die sinnlich-physische.

Zoals de schaduw van een voorwerp op een muur zich verhoudt tot dat voorwerp zelf dat de schaduw werpt, zo verhoudt de gedachte die via het hoofd van de mens tot verschijning komt [de oudere vertaling had ‘opkomt’]* zich tot het wezen in het ‘geestenrijk’ waarmee deze gedachte overeenkomt. Als nu het geestelijke zintuig van de mens is geopend, dan neemt hij dit gedachtewezen werkelijk waar, net zoals hij met het fysieke oog een tafel of een stoel waarneemt. Hij begeeft zich in een wereld van gedachtewezens. Het fysieke oog neemt de leeuw waar en het op de zintuiglijk waargenomen wereld gerichte denken ervaart de gedachte van ‘de leeuw’ als een schim, als een schaduwachtig beeld. Met het geestelijke oog zie je in het ‘geestenrijk’ de gedachte van ‘de leeuw’ zo werkelijk als het fysieke oog de fysieke leeuw ziet.* Hier is opnieuw de vergelijking van toepassing die ook al met betrekking tot het ‘zielenrijk’ werd gebruikt. Zoals de blindgeborene zijn omgeving na de operatie plotseling verrijkt ziet met nieuwe kleur- en lichteigenschappen, zo ziet iemand die zijn geestesoog leert gebruiken zijn omgeving vervuld van een nieuwe wereld, de wereld van levende gedachten of geestelijke wezens. — In deze wereld zijn in de eerste plaats de geestelijke oerbeelden te vinden van alle wezens en verschijnselen die in de fysieke wereld en in de zielenwereld voorkomen. Denk aan het beeld dat in de geest van een schilder aanwezig is voordat hij het schildert. Dat beeld is vergelijkbaar met wat hier aangeduid wordt als oerbeeld. Het is daarbij onwezenlijk dat de schilder zo’n oerbeeld misschien niet in zijn hoofd heeft als hij begint te schilderen; dat het pas tijdens het daadwerkelijke schilderen geleidelijk helemaal te voorschijn komt. In de echte ‘wereld van de geest’ zijn nu dergelijke oerbeelden voor alle verschijnselen aanwezig; en de fysieke wezens en verschijnselen zijn afbeeldingen van deze oerbeelden. — Als iemand die alleen zijn uiterlijke zintuigen vertrouwt het bestaan van deze ‘oerbeeldenwereld’ ontkent en beweert dat de oerbeelden slechts abstracties zijn die het vergelijkende verstand uit de zintuiglijk waargenomen verschijnselen haalt, dan is dat begrijpelijk; want zo iemand kan die hogere wereld nu eenmaal niet waarnemen; hij kent de ‘gedachtewereld’ alleen in haar schimmige abstractheid. Hij weet niet dat wie geestelijk waarneemt met de geestelijke wezens net zo vertrouwd is als hij zelf met zijn hond of zijn kat, en dat de oerbeeldenwereld een veel intensievere werkelijkheid is dan de zintuiglijk-fysieke wereld.

*102 Met het geestelijke oog… de fysieke leeuw ziet: Vgl. ook wat Steiner in zijn artikel ‘Filosofie en antroposofie’ daarover zegt: Waarheid en wetenschap – Filosofie en antroposofie (1892 en 1918)

Allerdings ist der erste Einblick in dieses «Geisterland» noch verwirrender als derjenige in die seelische Welt. Denn die Urbilder in ihrer wahren Gestalt sind ihren sinnlichen Nachbildern sehr unähnlich. Ebenso unähnlich sind sie aber auch ihren Schatten, den abstrakten Gedanken. – In der geistigen Welt ist alles in fortwährender beweglicher Tätigkeit, in unaufhörlichem Schaffen. Eine Ruhe, ein Verweilen an einem Orte, wie sie in der physischen Welt vorhanden sind, gibt es dort nicht. Denn die Urbilder sind schaffende Wesenheiten. Sie sind die Werkmeister alles dessen, was in der physischen und seelischen Welt entsteht. Ihre Formen sind rasch wechselnd; und in jedem Urbild liegt die Möglichkeit, unzählige besondere Gestalten anzunehmen. Sie lassen gleichsam die besonderen Gestalten aus sich hervorsprießen; und kaum ist die eine erzeugt, so schickt sich das Urbild an, eine nächste aus sich hervorquellen zu lassen. Und die Urbilder stehen miteinander in mehr oder weniger verwandtschaftlicher Beziehung. Sie wirken nicht vereinzelt. Das eine bedarf der Hilfe des andern zu seinem Schaffen. Unzählige Urbilder wirken oft zusammen, damit diese oder jene Wesenheit in der seelischen oder physischen Welt entstehe.

Natuurlijk is de eerste blik in dit ‘geestenrijk’ nog verwarrender dan die in de zielenwereld. Want de oerbeelden lijken in hun ware gedaante heel weinig op hun zintuiglijk waarneembare afbeeldingen. Ze lijken echter eveneens heel weinig op hun schaduwen, de abstracte gedachten. – In de geestelijke wereld is alles voortdurend in actieve beweging, is alles onophoudelijk creatief werkzaam. Rust, het vertoeven op één plaats, zoals dat in de fysieke wereld voorkomt, bestaat daar niet. Want de oerbeelden zijn scheppende wezens. Ze zijn de werkmeesters van alles wat in de fysieke wereld en in de zielenwereld ontstaat. Hun vormen wisselen snel; en ieder oerbeeld heeft de mogelijkheid talloze bijzondere gestalten aan te nemen. Ze laten als het ware de afzonderlijke gestalten uit zichzelf voortkomen; en nauwelijks is de ene gestalte voortgebracht of het oerbeeld is al doende uit zichzelf een andere te voorschijn te laten komen. En tussen de oerbeelden bestaan min of meer verwantschapsbetrekkingen. Ze werken niet onafhankelijk van elkaar. Het ene oerbeeld heeft bij zijn scheppende werkzaamheid de hulp van het andere nodig. Vaak werken talloze oerbeelden samen om een bepaald wezen in de fysieke wereld of in de zielewereld te laten ontstaan.
GA 9/120-122
Theosofie/101-103

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

*Een deel van deze oudere vertaling staat hier

Algemene menskunde: voordracht 2: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1599-1498

.

.

VRIJESCHOOL – Ritme (3-13)

.

De tijd als ritme van de dag

Van de tijdseenheden waarmee we leven, spreekt de dag van 24 uur ons het meest direct aan. In ritmisch opzicht is er ook een duidelijke polariteit: dag en nacht. De verdere indeling in 24 uren is dan meer een rekensommetje: 8 uur slapen en 16 uur om te verdelen over werk, eten en ontspanning. Die verdeling wordt meestal door de praktijk bepaald, door het werk dat er te doen is, door de verbreidheid die optreedt, door het eten dat op vaste uren op tafel staat, enz.
De maaltijden brengen voor het grootste deel van de mensen een heel bepaalde dagindeling, een zeker ritme met kleine variaties. Voor deze mensen is er dus door onze leefgewoonten een bepaalde dagindeling. Die kan meer of minder ritmisch zijn maar ze is er en ze speelt zich voor het grootste gedeelte buiten ons bewustzijn af. Voor 25 procent van de werkende mensen ligt de zaak anders. Deze 25 procent werken namelijk in continuediensten en -bedrijven. Hieronder vallen niet alleen de arbeiders bij Hoogovens of Philips e.a., maar ook bijvoorbeeld buschauffeurs, trambestuurders, verpleegkundigen, horecapersoneel. Dit is een zichzelf ontwikkelende toestand, want naarmate er meer mensen in continuedienst werken, moet er meer nachtelijk vervoer zijn, enz. Dit alles grijpt in elkaar en voert steeds meer tot het niet beleven van dag en nacht. Men denke hier ook aan mijnwerkers bijvoorbeeld die overdag ondergronds werken en in de winter nooit het daglicht zien. Het werkt ook door in de gezinnen. De kinderen leven nog min of meer regelmatig door hun schooltijden en dergelijke, maar de huismoeders worden voortdurend heen en weer geslingerd tussen de regelmaat van het leven van de kinderen en het onregelmatige leven van de man-vader. Voor de kinderen treedt een grote onregelmatigheid op in de tijden dat ze de vader zien. Behalve sociale problemen kan dit ook innerlijke conflicten oproepen.

Voor een deel van onze tijdgenoten is dus ritmisch leven uitgesloten. Iedere bedrijfsarts kan vertellen, hoeveel groter het ziekteverzuim is bij degenen die in onregelmatige diensten werken, dan bij degenen die hun vaste werktijden hebben. Aan het ziek worden door een onritmisch leven, kan in eerste instantie, de betekenis van het ritme voor de dagindeling worden afgelezen.

Er zijn blijkbaar wetten in onze dagindeling, die we niet straffeloos kunnen negeren, bijvoorbeeld slapen overdag en werken ’s nachts, het onregelmatig innemen van de hoofdmaaltijden en alles wat met deze ritmen samenhangt. Juist voor de mensen, die dit betreft, is het echter belangrijk te weten, dat er bepaalde wetten zijn, die met het ritme van de dag te maken hebben, ook al kan men aan de eigen levenssituatie op het moment niet veel veranderen.

Hier komt de vraag op, of men niet individueel dit ritme veranderen kan. Tot op zekere hoogte is dit mogelijk, wanneer het bewust gehanteerd wordt en het onritmische of een tijdsindeling met eigen ritme bewust gecorrigeerd wordt. Men kan bijvoorbeeld zeker zijn eigen middernacht scheppen, maar moet dan wel weten wat men doet en hoe men dit doen kan. Daartoe is het nodig te zien, of er een ‘objectief’ ritme is in de dag van 24 uur. We zullen daartoe uit moeten gaan van de geografische en biologische gegevens, om daarna te komen tot de werking op ziel en geest en omgekeerd van geest en ziel op deze natuurlijke gegevens.

Een etmaal kent twee grote polariteiten. We kunnen van de eerste polariteit uitgaan, die van dag en nacht. In onze wereld, die in tijdszones is ingedeeld, klopt de middernacht niet met 0 uur op de klok en de middag niet met 12 uur. Onze klokken lopen circa 50 minuten voor. De zon staat dagelijks op haar hoogste punt als het horloge 12.50 uur aanwijst. In de zomer wordt dat zelfs 13.50 uur. Ook deze tijden zijn een benadering, daar er tussen Amsterdam en Arnhem bijvoorbeeld nog een verschil van enkele minuten ligt. Dit vertroebelt ons beleven van de tijd. Vooral omdat we het hoogste punt van de zon, pas met veel oefening en ervaring kunnen waarnemen. De middernacht nemen we nooit waar aan de zon. Wel is dit mogelijk aan de maan, bijvoorbeeld bij volle maan. Dan staat hij te middernacht op de hoogste plaats aan de hemel, voor die nacht. Omdat deze hoogste plaats voor elke dag en nacht weer een andere is, behoort deze waarneming praktisch voor de gewone mens tot de onmogelijkheden. Wij leven naar ons horloge en moeten ons dus voor het beleven van de werkelijke middag of middernacht telkens even omschakelen, omdat het horloge ons maar ongeveer met de werkelijkheid verbindt. Daarin ligt reeds een stuk vervreemding van de natuur, dat wil zeggen van licht en duisternis. Als we weten hoe belangrijk het licht is voor alle leven, kunnen we ook tot het inzicht komen, dat het bewust waarnemen van licht en duisteris wel eens belangrijk zou kunnen in.

In zeker opzicht kunnen we dat ook. De polariteit van dag en nacht, staat in een zekere verhouding tot de polariteit van zomer en winter. In de winter zijn de dagen kort en de nachten lang, in de zomer is het omgekeerd. In onze streken is de kortste dag nog geen 8 uur en de langste iets meer dan 16 ½ uur. Van Kerstmis tot St.-Jan worden de dagen steeds langer en wel onregelmatig. Eerst langzaam en dan steeds sneller tot Pasen toe, na Pasen gaat het weer langzamer.
Omstreeks St.-Jan en Kerstmis blijven de dagen gedurende een week ongeveer even lang, omstreeks Pasen en Michael scheelt het per dag 4 of 5 minuten. Daarin zit dus reeds een zeker ritme; we leven iets versneld met het licht naarmate we van Kerstmis verder gaan naar Pasen, van Pasen tot St.-Jan worden we langzamer in de verlenging van de dagen, van St.-Jan tot Michael treedt weer een versnelling op, terwijl het van Michael tot Kerstmis weer vertraagt. Loopt dit niet merkwaardig parallel met het beleven van de ochtend en de avond ten opzichte van het nidden van de dag? Direct na zonsopgang neemt de hoeveelheid licht sneller toe dan later op de ochtend, en ’s avonds neemt het sneller af. Hierin onderscheidt zich het ritme duidelijk van regelmaat.

Daarmee zijn we tegelijkertijd bij de andere polariteit van de dag, namelijk morgen en avond. Naar uren gemeten duurt de schemering niet zo lang, maar kwalitatief zijn het opgaan van de zon en haar ondergaan hoogst belangrijk. Ze zijn dat voor het biologische leven maar vooral ook voor het zielenleven. Met wat voor een verlangen kunnen we in een slapeloze nacht uitzien naar de komst van het eerste licht. En hoe kan een kind ernaar verlangen dat het met St.-Maarten, St.-Nikolaas of Kerstmis donker wordt, of dat met St.-Jan het licht zo lang mogelijk blijft.

Er zijn echter ook ‘objectieve’ kenmerken van ochtend en avond. De kleuren zijn bijvoorbeeld anders dan overdag, intensiever en meer gedifferentieerd. Iedereen kent het verschijnsel dat de vogels een half uur voor zonsondergang zwijgen. Vaak kan men ook waarnemen, hoe voor de zonsopgang de wind sterker wordt en bij zonsondergang gaat liggen. Beleven we dag en nacht vooral bijna vertikaal als licht en duisternis, scherpe tegenstellingen, het beleven van ochtend en avond is meer het gaan van een horizontale weg. We gaan onze levensweg van de morgen tot de avond begeleid door ons wakkere bewustzijn, de dag en de nacht daarentegen kennen de tegenstelling van bewustzijn en bewusteloosheid. Vooralsnog is ons slechts 2/3 van ons leven min of meer bewust. Daartussen ligt telkens 1/3  waarvan we niets weten.

Hoe kunnen we nu met deze ritmen omgaan? Als we ontwaken worden onze zintuigen werkzaam. Bij sommige mensen ineens, bij anderen langzaam aan. Misschien wisten we eerst bij het wakker worden nog net iets van een droom, maar enkele minuten later is dat verdwenen. Onze wakkerheid neemt toe in de loop van de ochtend, maar midden op de dag is het net of we weer wat slaperig worden, een zekere loomheid overvalt ons. We hebben ons met onze zintuigen zo aan de wereld overgegeven, dat we onszelf als het ware aan de wereld verliezen.

In de Oud-Griekse wereld wist men, dat de natuur ons dan teveel gevangen nam en ons bewustzijn wat uitdoofde. Het hoofd van alle natuurwezens, de god Pan nam de mensen dan in het ootje en er ontstond paniek. Paniek ontstaat als de buitenwereld sterker wordt dan ons bewustzijn. Dat is midden op de dag een beetje het geval. Het is goed om er rekening mee te houden. Oude legenden kennen de middagsvrouw, die ons domme dingen laat doen.

De middernacht is anders. We hebben dan de diepste slaap. In de slaap beleven wij verfrissing. Dat komt omdat het bewustzijn overdag onze levenskrachten afbreekt. In de nacht kan zich dat herstellen. Maar de ziel heeft in de nacht ook haar eigen leven. Soms speelt er in onze dromen iets door, dat we in de nacht verwerken, wat we overdag hebben beleefd. Daardoor kijken we na een verfrissende nacht anders tegen de problemen van de vorige dag aan. We hebben er een nachtje over geslapen.

Wat speelt zich hier af? Aan de wisseling van dag en nacht worden we ons als Ik bewust. Ik neem waar en ik denk zolang ik wakker ben. Bij het in slaap vallen verliezen we het bewustzijn van het Ik. Juist door deze wisseling worden we ons van ons Ik bewust. Maar het bewustzijn verliezen, is niet hetzelfde als het verloren gaan van het Ik. Ons waarnemingsvermogen schiet tekort. Uit het verwerken van de dag in de nacht blijkt de activiteit van het Ik, want er is continuïteit van de ene dag op de andere. Het Ik lijkt alleen in de nacht vaak wijzer te zijn dan overdag. We moeten vaak veel moeite doen, om met ons dagbewustzijn te begrijpen wat we bij het ontwaken ‘intuïtief’ weten. Ja, we moeten zelfs moeite doen om dat weten niet onmiddellijk te vergeten. Reeds Nietzsche wist dat de nacht wijzer is dan de dag (‘Die Nacht ist weiser als der Tag gedacht’ uit Zarathustra).

Daarom zijn de overgangen van dag naar nacht en nacht naar dag zo belangrijk. Op dit gebied is wel vrijwel ieder mens geëmancipeerd van de natuurlijke gang van zaken. Wij gaan niet met de kippen op stok en staan niet op bij het hanengekraai. We doen dat naar eigen ritme.

Wie de gewoonte neemt om ’s avonds de dag te overzien, zal na korte tijd de vruchten daarvan bemerken in een meer consequent leven. We bereiden daardoor voor, wat we in de nacht onbewust gaan doen. We bereiden dat bewust voor. We brengen een klein stukje bewustzijn naar de nacht toe. Dit proces wordt bevorderd wanneer we deze terugblik teruglopend doen, dus beginnen bij de avond. Het voert hier te ver om dat geheel te funderen. Hier moet naar de werken van Rudolf Steiner verwezen worden, met name naar die boeken waarin de scholingsweg beschreven wordt. Een weg om te begrijpen wat hier gebeurt, is wanneer we ons duidelijk maken wat er gebeurt als we fysiek terug lopen. We moeten dan ‘ogen in de rug’ ontwikkelen, dat wil zeggen zekerheid krijgen van binnen uit, niet vertrouwend op de zintuigen, maar op een innerlijk gevoel. Als we ons verder op de nacht willen voorbereiden, is het goed ons te verdiepen in alles wat met het leven van de ziel te maken heeft wanneer het uiterlijke zich niet opdringt. Wie zich de tijd geeft om tot een gebed of meditatie te komen, versterkt zijn mogelijkheid om de nacht bewuster te gaan beleven. Want gebed en meditatie betekenen zich verdiepen in inhouden, die de ziel vervullen buiten de zintuigelijke indrukken om. Iedereen kent de ervaring dat een teveel aan zintuigelijke indrukken ons uitloogt. In het waarnemen door de zintuigen versterken wij ons Ik, we worden wakkerder. Maar een gezonde ontwikkeling van het Ik verlangt nu ook het polaire, het zich terugtrekken van de zintuigelijke indruk en het rust zoeken in zichzelf. Maar daarvoor moet er wel een inhoud zijn, omdat anders alleen de zintuigelijke indrukken nawerken.

Zo ontstaat dan een verdere versterking van het Ik. Het Onze Vader is een gebed dat in de eerste drie beden de hogere wereld zoekt en in de volgende vier (brood – schuld – verzoeking – het boze) de aardewereld zoals die er vanuit de geesteswereld uitziet. In dit laatste ligt vooral de zin van ochtendgebed en -meditatie: het leven in de nachtelijke zielen-geesteswereld als het ware mee te nemen in het leven met de zintuigen. Het is daarbij van belang dat dit in volle wakkerheid gebeurt. In het leven is iedere overgang van groot belang. Het wakker beleven van een overgang, bevrijdt ons van schrik en bewusteloosheid. De dingen overvallen ons dan niet meer, maar we treden ze tegemoet.

Zulk een overgang is ook het middaguur. We spraken eerder reeds over de paniek. Het toenemen van het licht is op het middaguur voorbij. De sterkte van de zintuigelijke indrukken neemt af. We hebben het allermeest uitgeademd en gaan nu weer inademen. Het is zaak niet buiten adem te raken en ons niet te laten overweldigen. Enkele minuten concentratie op een geestelijke inhoud zijn voor iedereen praktisch mogelijk. Als het meer dan enkele minuten kunnen zijn, werkt het sterker.

Tenslotte: vanuit het inzicht in dit ademingsproces van de dag en van dag en nacht zullen we – indien ons werk dat mogelijk maakt – ’s ochtends kunnen komen tot meer creatieve arbeid, ’s middags en ’s avonds tot een meer bezonnen opnemen. Voor de meeste mensen is dit nog niet mogelijk. Een ordening in die zin, hoort ook in een nieuwe maatschappij thuis, maar het weten omtrent deze wetten kan ook tot vindingrijkheid leiden.

.

Jacobus Knijpenga, Jonas 8/9, 15-12-1978

.

Ritme: alle artikelen

.

1598-1497

.

.

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – warmte (11-4)

.

OVER DE WARMTE

Overal waar mensen een initiatief nemen, kan dat alleen vanuit een
warmtekracht: het vuur van het enthousiasme voor een bepaald ideaal, dat mensen samenbrengt; ook de warme hartekracht, waarmee mensen door alle aanvechtingen van verwarring en twijfels heen, een genomen besluit doordragen en verder laten groeien. Deze warmte is een geestelijke warmte.

De mens, die in de warmte van het enthousiasme, in de liefde voor een ander mens handelt, beleeft daarin de verwerkelijking van de hoogste mogelijkheid van het mens-zijn. Hij voelt zich op zo’n moment het meest mens. De warmte is het levenselement van het Ik, van de menselijke geest.

Wanneer wij ergens warm voor lopen, voelen wij ons doortrokken van een vuurgloed: we worden ook in de fysieke lichamelijkheid verwarmd. Geestelijke warmte en fysieke warmte kunnen in elkaar overgaan.

Daar raken wij aan een groot geheim: de warmte is de brug tussen de geest en het lichamelijke van de mens; het is een punt, waar de geest in het lichamelijke ingrijpt.

Warmte staat aan het begin van alles, wat nieuw is in de wereld.

De lichamelijkheid van elke mens is geheel nieuw te midden van de hem omgevende wereld, planten en dieren.
De voeding wordt in het spijsverteringsproces van zijn plantaardige of dierlijke eigenschappen ontdaan en een volkomen nieuwe menselijke ontstaat, met substantie, die tot in alle uithoeken van het lichaam het stempel van de individualiteit draagt en die een helder instrument voor het Ik, voor de menselijke geest moet zijn.
Dit is alleen mogelijk, wanneer het Ik (met het geheel van vormende krachten, dat de “ik-organisatie” genoemd wordt) op gezonde wijze vanuit zijn warmtesfeer via de lichamelijke warmte kan inwerken op de fysieke lichamelijkheid.

Deze warmte van de menselijke lichamelijkheid heeft een heel bepaalde structuur. In de stofwisselingsorganen, geconcentreerd in de buik, alsook in de ledematen met hun spieren wordt de meeste warmte geproduceerd. Deze warmte stijgt op via de longen, waar een afkoeling plaats vindt en via het hart, dat we als het centrum van onze innerlijke warmte beleven, naar het hoofd.

Daar straalt de mens het meest intens warmte uit en daar treedt hij ook met zijn Ik in verschijning.

De warmte van de mens moeten we ons voorstellen als een zeer gedifferentieerd geheel van warmtestromingen die samen een organisme vormen, dat we de “warmte—mens” kunnen noemen.

Het menselijke organisme heeft voor het handhaven van de warmte op het voor hem passende niveau verschillende mogelijkheden tot zijn beschikking: vermeerdering of vermindering van de warmte-afgifte via de huid door de verwijding of vernauwing van de bloedvaten in de huid; verandering van het aantal ademhalingen per minuut; transpiratie, waarbij de warmte gebruikt wordt voor het verdampen van het zweet; verlangzaming of versnelling van de verbrandingsprocessen van de stofwisseling.
In tijden van hongersnood wordt niet alleen vetweefsel, maar ook spierweefsel en klierweefsel opgebrand.

Hieraan kunnen we aflezen, hoe alles ondergeschikt wordt gemaakt als aangrijpingsmogelijkheid voor de geest.

Het bevorderen van een gezonde ontwikkeling van de warmte-mens is één van de hoofdmotieven van de opvoeding. Dit verdient in onze tijd bijzondere aandacht, omdat de warmte-mens tegenwoordig vaak verkommerd is. Terwijl de temperatuur tussen de tenen van volwassen vrouwen vroeger over het algemeen ongeveer 30° bedroeg, is die tegenwoordig niet hoger dan 20°.

Welke gevolgen de verwaarlozing van de zorg voor de warmteomhulling van een opgroeiend wezen kan hebben, wil ik door twee voorbeelden laten zien.

Koelt een vogelei dat bebroed moet worden, te sterk af, dan kan een misvorming van het hart optreden (bij de mens het centrale orgaan voor het warmte-organisme en het Ik).

Wanneer een pasgeborene in zijn eerste levensuren sterk afkoelt, dan kan dit het ontstaan bevorderen van “autisme”, een verregaande contactstoornis, waarbij het kind opgesloten in zijn eigen wereldje leeft en de warmte van gevoel, die de brug slaat naar andere mensen, lijkt te ontbreken.

De lichamelijke nestwarmte is dus blijkbaar erg belangrijk als fundament voor de verwerkelijking van een innerlijke warmte, die zich kan richten op een ander mens.

Daarnaast is natuurlijk de stemming en de innerlijke levenshouding, die in het ouderlijk huis heersen, erg belangrijk.

Zij vormen het niet fysiek meetbare, maar daarom niet minder belangrijke deel van de “nest-warmte”. De warmte waarmee de ouders trachten hun eigen intuïtie, hun innerlijke richting te volgen, hun levenstaak op te nemen en vol te houden; de warmte waarmee zij zich tot andere mensen richten, over andere mensen spreken of denken, vormt er ook een belangrijk bestanddeel van. Wie een ander mens positief benadert, die, met vertrouwen in diens ontwikkelingsmogelijkheden, ruimte gevend aan diens intenties en warmtekracht, brengt tegelijkertijd iets aan innerlijke warmte bij zijn kind tot ontwikkeling. Wie een ander mens benadert op een kille manier, hem afkraakt of uitschakelt door een vernietigende kritiek, die schaadt daarmee ook iets in de warmtegevoelens van zijn kind.

Innerlijke en uiterlijke warmte zijn onmisbaar voor de groei van levensvertrouwen en levensmoed bij het kind, van waaruit hij initiatieven durft te nemen.

Wie zijn kind wil helpen om datgene tot ontplooiing te brengen, wat het als geestelijk wezen aan mogelijkheden heeft meegenomen bij de geboorte, heeft als een van de voornaamste zorgen het behoeden van deze innerlijke en uiterlijke warmte.

Het kind moet, evenals trouwens de volwassene, voortdurend een “warmte-mantel” dragen om zich als geestelijk wezen te kunnen ontwikkelen.

Wie zou het een stuurman aan willen doen om hem een schip te laten besturen, waarvan de stuurpen met boter is ingesmeerd? Deze stuurman zou geen vat op de besturing krijgen en hij zou de koers niet kunnen varen, die hij op goede gronden had uitgekozen.

In een vergelijkbare situatie bevindt zich het kind, dat misschien via het onderwijs met rijke en zinvolle inhouden in aanraking komt, maar geen goede warmtemantel heeft, zodat zijn Ik ze niet kan opnemen en er zich zo mee kan verbinden, dat zij richtinggevend voor zijn leven kunnen worden.

Warme kleding is eigenlijk voorwaarde voor het zinvol deelnemen aan het
vrijeschoolonderwijs.

Goede kleding heeft het vermogen om warmte vast te houden, afvoer van door het lichaam afgescheiden zweet mogelijk te maken en een voldoende beluchtingsmogelijkheid voor het lichaamsoppervlak over te laten.

Synthetische stoffen voldoen meestal niet aan de eerste twee voorwaarden, door de nauwsluitende mode is ook de beluchting dikwijls onvoldoende mogelijk.

Een voortreffelijk materiaal voor kleding is wol, die de warmte goed vasthoudt, dankzij het grote luchtgehalte – bij dichte kamgarens nog 60 volumeprocent. Daarbij kan wol eenderde van zijn droge gewicht aan waterdamp opnemen, zonder dat de wol nat aanvoelt. Het huidje van wolhaar stoot waterdruppels af. Voorts krijgt men een koel gevoel op de huid doordat er slechts een minimale aanraking is tussen huid en krullend woloppervlak.

Katoen houdt – in tegenstelling tot wol – slecht de warmte vast en neemt matig vocht op, altijd nog veel beter dan kunststof. Het verdient aanbeveling om wol als eerste laag op de huid (ondergoed en kousen) te dragen.

In de eerste negen jaren en vooral in de babytijd is het warm houden van het hoofd extra belangrijk, omdat de ontwikkelingsimpulsen in die tijd van het hoofd uitgaan. Hoe beter de warmte is, des te meer kan de ontwikkeling de specifieke impulsen van de individualiteit volgen. Ik wil niet beweren dat een mens helemaal niet aan de koude blootgesteld zou mogen worden.

Bij sommige kinderen is afwassing van hoofd en borst met water van kamertemperatuur zelfs een belangrijke therapeutische maatregel. Maar toepassing van koel water, zoals voor het “harden” van kinderen wordt aanbevolen, heeft alleen zin op een warme huid en in het algemeen wanneer het warmte-organisme het vermogen heeft om op koude te reageren met warmte.

Zo kan b.v. een korte, koude afwassing na een warm bad voor een niet te jong kind zinvol zijn om zijn warmte-organisatie te leren hierop te reageren.

Wij leven in een koude-cultuur, waarin het dragen van weinig kleding “in” is en waarin de koude van de twijfel, de angst en de heerszucht grote invloed uitoefent.

Wil de gezondmakende impuls, die de vrijeschoolpedagogie tracht te geven, werkelijk vormend kunnen inwerken op de opgroeiende jeugd, dan is een extra behoeden van de warmte, de uiterlijke en de innerlijke, broodnodig!

Dan kan de lichamelijkheid van het kind worden tot een helder klinkend instrument voor het Ik; dan kan het kind positieve relaties met andere mensen aangaan; dan kan het ook initiatieven leren nemen vanuit levensvertrouwen en moed.

.
Joop van Dam, arts †   Informatieblad Ionacentrum Eindhoven, nadere gegevens onbekend
.

Meer over autisme

Menskunde en pedagogiek: over warmte nr. 11

.

1597-1496

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 2 (2-3-1)

.

GA= Gesamt Ausgabe, (volledige uitgave): de genummerde reeks boeken en voordrachten van Steiner.

Duitse tekst
Vertaling

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken bij alle voordrachten.
De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

Blz. 35 – 38

OVER SYMPATHIE

In zekere zin vormt dit artikel één geheel met dit: over antipathie en sympathie. In het laatstgenoemde ging het ten slotte over de antipathie; dit artikel volgt Steiners opmerkingen over de sympathie.

Het voelen, de ziel, staat tussen denken, voorstellen en willen, handelen in. Vormt in zekere zin het midden:
over wat we voelen kunnen we gaan nadenken en komen daarmee in de sfeer van het voorstellen; vanuit onze belevingen kunnen we ook gaan doen, gaan handelen en komen daarmee in de sfeer van het willen.

Dus: het voelen tussen voorstelling en wil.

Nun haben Sie in einer gewissen Weise das menschliche Seelenleben in zwei Gebiete zerteilt: in das bildhafte Vorstellen und in den keimhaften Willen; und zwischen Bild und Keim liegt eine Grenze. Diese Grenze ist das ganze Ausleben des physischen Menschen selbst, der das Vorgeburtliche zurück- wirft, dadurch die Bilder der Vorstellung erzeugt, und der den Willen nicht sieh ausleben läßt und dadurch ihn fortwährend als Keim erhält, bloß Keim sein läßt. Durch welche Kräfte, so müssen wir fragen, geschieht denn das eigentlich?

Daarmee is het zielenleven van de mens in zekere zin in twee gebieden verdeeld: in het voorstellen — als beeld — en het willen – als kiem – en tussen beeld en kiem ligt een grens. Deze grens is de gehele werkzaamheid van de fysieke mens zelf, de mens die enerzijds het leven voor de geboorte terugkaatst en daar­door de beelden van de voorstelling doet ontstaan, en die an­derzijds de ontplooiing van de wil verhindert en deze daardoor voortdurend in de kiem houdt, alleen maar kiem laat zijn. We moeten ons nu afvragen door welke krachten dat eigenlijk ge­beurt.
GA 293/34
Vertaald/34

‘de gehele werkzaamheid van de fysieke mens’ – het Duits heeft hier ‘Ausleben’ het zelfstandig naamwoord dat bij het werkwoord ‘ausleben’ hoort en de betekenisstrekking daarvan is: tot ontplooiing brengen, reageren, maar ook: af-reageren, ongeremd reageren;
we zouden dat dus op moeten vatten als ‘hoe wij hier en nu: ‘gewoon’ leven; ons leven leven; ons dagelijkse leven hier op aarde.

De zielenkrachten die hij uit deze wereld meebrengt, zijn de krachten van antipathie en sympathie, die in de zielenwereld na de dood sterk overheersend aanwezig zijn: 

Dort herrscht unverhüllt Sympathie und Antipathie.

Daar heersen sympathie en antipathie in hun zuivere gedaante.
GA 293/37
Vertaald/37

Ze zitten in ons, die krachten en ze bepalen voor een deel ons zielenleven: steeds ontstaan er in ons antipathie en sympathie voor wat er uit de wereld naar ons toe komt. We wijzen dingen terug, we omarmen dingen, we gaan erop in.

De omschrijving van de ziel als een vermogen om de buitenwereld tot eigen wereld te maken en van onze binnenwereld uit weer iets in de wereld te zetten, wint met de omschrijving van de ziel als ‘gradaties van antipathie en sympathie’ nog meer aan zeggingskracht. 

Hier maakte ik een opmerking over ‘menskunde’ en ‘mensenkennis’. 
Voor ‘ziel’ of ‘gedrag’ blijkt ook hier dat menskunde op een bepaalde manier synoniem is aan mensenkennis.
In het dagelijks leven doen zich – uiteraard: zie Steiners opmerking hierboven over ‘de gehele werkzaamheid van de fysieke mens‘ – telkens situaties voor die ons iets zeggen over wat er in het gevoel leeft: van onszelf en bij de ander, hoewel dit laatste altijd omgeven blijft door een bepaald ‘niet weten wat er in hem omgaat.’

Wanneer je daar in het dagelijks leven op gaat letten, zul je veel meer gaan zien.

Je staat voor de klas en wil met de kinderen buiten op het plein iets gaan doen. Als je in je onervarenheid zegt: ‘Kinderen, we gaan naar buiten’, heb je de kans dat een grote groep al opstaat en bijna weg is. 
Dat is heel begrijpelijk: in de meeste kinderen sprankelt de levenskracht die sterk met beweging, dus met het willen, verbonden is. ‘Naar het plein’ is nog toekomst, maar die ‘wordt gewild’ en daarmee is de sympathie verbonden. Dat wordt weerspiegeld in het ‘graag’ en de kinderen zijn al weg.
Wanneer je dus eerst nog instructies had willen geven die de kinderen moeten onthouden, gaat het om ‘voorstellen’. Je laat de instructies door een aantal kinderen herhalen en hier zie je het ‘reflecteren’. Je kan ook aan de kinderen merken dat ze dat allemaal niet zo interessant vinden – soms voel je zelfs de weerstand – en daarmee kun je de antipathie ervaren. Zo ervaar je dus ook de sympathie voor het naar buiten gaan.

Wanneer je bijv. als volwassenen onder elkaar iets bespreekt en de ander reageert op je voorstel met; ‘Jaa, laten we dat gaan doen!’, weet je dat hier de sympathie overheerst en het woord ‘doen’ wijst al op ‘de wil’. Het ‘we’ onderstreept een bepaalde eenheid, verbondenheid.
Zegt de ander: ‘Daar zal ik over denken’ of ‘dat neem ik (nemen we mee)’, weet je dat hier de antipathie overheerst: er moet eerst over nagedacht worden – opnieuw gereflecteerd: niet de ledematen komen in actie, maar het hoofd. De ‘meenemer’ gaat als individu; jij blijft als individu achter.

Zo zit het leven vol met situaties waarin zichtbaar wordt ‘hoeveel’ antipathie of sympathie aanwezig is.

Tot zover is het niet zo ingewikkeld.
Moeilijker wordt het weer wanneer Steiner in zijn beschrijving van de sympathie voorbij de grens van het leven gaat: nu na de dood. 

Wir müssen uns klar sein, daß im Menschen gewisse Kräfte vorhanden sein müssen, durch welche die Zurückwerfung der vorgeburtlichen Realität und das Im-Keime-Behalten der nachtodlichen Realität bewirkt wird; und hier kommen wir auf die wichtigsten psychologischen Begriffe von den Tatsachen, die Spiegelung desjenigen sind, was Sie aus dem Buche «Theosophie> schon kennen: Spiegelungen von Antipathie und Sympathie. Wir werden – und jetzt knüpfen wir an das im ersten Vortrage Gesagte an -, weil wir nicht mehr in der geistigen Welt bleiben können, herunterversetzt in die physische Welt. Wir entwickeln, indem wir in diese herunterversetzt werden, gegen alles, was geistig ist, Antipathie, so daß wir die geistige vorgeburtliche Realität zurückstrahlen in einer uns unbewußten Antipathie. Wir tragen die Kraft der Antipathie in uns und verwandeln durch sie das vorgeburtliche Element in ein bloßes Vorstellungsbild. Und mit demjenigen, was als Willensrealität nach dem Tode hinausstrahlt zu unserem Dasein, verbinden wir uns in Sympathie. Dieser zwei, der Sympathie und der Antipathie, werden wir uns nicht unmittelbar bewußt, aber sie leben in uns unbewußt und sie bedeuten unser Fühlen, das fortwährend aus einem Rhythmus, aus einem Wechselspiel zwischen Sympathie und Antipathie sich zusammensetzt.
Wir entwickeln in uns die Gefühlswelt, die ein fortwährendes Wechselspiel – Systole, Diastole – zwischen Sympathie und Antipathie ist. Dieses Wechselspiel ist fortwährend in uns. Die Antipathie, die nach der einen Seite geht, verwandelt fortwährend unser Seelenleben in ein vorstellendes; die Sympathie, die nach der anderen Seite geht, verwandelt uns das Seelenleben in las, was wir als unseren Tatwillen kennen, in das Keimhafthalen dessen, was nach dem Tode geistige Realität ist. Hier komnen Sie zum realen Verstehen des geistig-seelischen Lebens: wir schaffen den Keim des seelischen Lebens als einen Rhythmus von Sympathie und Antipathie.

Het moet ons duidelijk zijn, dat er in de mens bepaalde krachten moeten bestaan die bewerkstelligen dat de realiteit van voor de geboorte teruggekaatst wordt en de realiteit van na de dood in de kiem bewaard blijft. En hier komen we bij de belangrijkste psychologische begrippen van de feiten, die een spiegeling zijn van dat wat u uit Theosofie[4] al kent: spiegelingen van antipathie en sympathie. We worden – en hiermee sluiten we aan bij de eerste voordracht – geboren in de fysieke wereld, omdat we niet meer in de geestelijke wereld kunnen blijven. Wanneer we in de fysieke wereld komen, ontwikkelen we tegen alles wat geestelijk is antipathie, zodat we de geestelijke realiteit van voor de geboorte weerkaatsen met een ons onbewuste anti­pathie. We dragen de antipathiekracht in ons en veranderen daardoor het element van voor de geboorte tot een louter voorstellingsbeeld. En door sympathie verbinden we ons met wat als realiteit van de wil na de dood uitstraalt naar ons verdere bestaan. Van deze twee dingen, sympathie en antipathie, wor­den we ons niet direct bewust, maar ze leven onbewust in ons als ons voelen; ons voelen bestaat uit een ritme, een voortdu­rende wisselwerking van sympathie en antipathie.
GA 293/34-35
Vertaald/34

 

Jetzt nehmen wir die andere Seite, die des Wollens, was Keimhaftes, Nachtodliches in uns ist. Das Wollen lebt in uns, weil wir mit ihm Sympathie haben, weil wir mit diesem Keim, der nach dem Tode sich erst entwickelt, Sympathie haben. Ebenso wie das Vorstellen auf Antipathie beruht, so beruht das Wollen auf Sympathie.

Nu nemen we de andere kant, die van het willen – wat kiem in ons is, wat het leven na de dood in ons is. Het willen leeft in ons omdat wij er sympathie voor koesteren, sympathie voor die kiem die zich pas na de dood ontwikkelt. Berustte het voorstel­len op antipathie, het willen berust op sympathie.
GA 293/37
Vertaald/37

Damit habe ich Ihnen das Seelische geschildert. Sie können unmöglich das Menschenwesen erfassen, wenn Sie nicht den Unterschied ergreifen zwischen dem sympathischen und antipethischen Element im Menschen. Diese, das sympathische und das antipathische Element, kommen zum Ausdruck an sich – wie ich es geschildert habe – in der Seelenwelt nach dem Tode. Dort herrscht unverhüllt Sympathie und Antipathie.

Daarmee heb ik u de ziel beschreven. U kunt onmogelijk het wezen van de mens doorgronden, wanneer u niet het verschil inziet tussen de elementen sympathie en antipathie in de mens. Deze twee, sympathie en antipathie, komen in hun zuivere vorm — zoals ik beschreven heb — tot uitdrukking in de ziele- wereld na de dood. Daar heersen sympathie en antipathie in hun zuivere gedaante.
GA 293/38
Vertaald/37

In de tweede voordrachtenreeks. GA 294, roept Steiner op dezelfde dag de aanwezigen – dat zijn de toekomstige eerste leerkrachten – op om niet te ‘klein’ te denken over de mens; misschien zou je kunnen zeggen: niet te bekrompen, niet te beperkt, niet te begrensd. En dit laatste niet alleen in overdrachtelijke zijn, maar letterlijk: niet tussen de grenzen van leven en sterven, maar daarbuiten: het voorgeboortelijke en het nadodelijke!

Kommen Sie über die Illusion hinweg, daß Sie ein begrenzter Mensch sind, fassen Sie das auf, was Sie sind, als Prozeß, als Vorgang im Kosmos, was es in Wirk­lichkeit ist ( )

Bevrijdt u zich zelf van de illusie dat u een beperkt mens bent, zie u zelf als wat u bent: een proces, een proces in de kosmos, dát bent u in werkelijkheid. ( )
GA 294/32
Vertaald/30     zie Rudolf Steiner: wegwijzers4; 6; 8; 9; 35; 100; 108

Steiner verbindt dit inzicht hier ook met ‘wel of geen ontwikkeling in de cultuur’, zelfs met ‘de ondergang van de cultuur’, omdat zonder dit inzicht de mens gereduceerd wordt tot een ‘mechanisme’.

Is dat l’homme machine’ – tot ‘een hoger dier (hoe vaak horen of lezen we tegenwoordig niet over ‘de mens en de andere dieren’), tot ‘een brein’ en welke omschrijving dan ook die kan ontstaan omdat de mens niet gezien wordt als een geestelijk wezen – als een Ik, een individualiteit die ‘per definitie’ tot de geestwereld moet behoren. Ontkennen of milder, voorbijgaan aan de realiteit van de geest, betekent dan automatisch het Ik als geestelijke realiteit (moeten) ontkennen.

Der Mensch ist so organisiert, daß er mit richtig orientiertem Gefühl sich selber Richt­kräfte gibt aus diesen Gefühlen. Wenn Sie dies nicht gewinnen, was jeden Menschen als ein kosmisches Rätsel ansehen läßt, so werden Sie dann nur das Gefühl sich erringen können, daß Sie jeden Menschen als einen Mechanismus ansehen, und in der Ausbildung dieses Gefühls, daß der Mensch nur ein Mechanismus sein, würde eben der Untergang der Erdenkultur liegen. Der Aufgang der Erdenkultur dagegen kann nur gesucht werden in der Durchdringung unseres Erziehungsimpulses mit der Empfindung von der kosmischen Bedeutung des ganzen Men­schen. Dieses kosmische Gefühl ergibt sich uns aber, wie Sie sehen, nur dadurch, daß wir einmal dasjenige, was im menschlichen Fühlen liegt, als der Zeit angehörig betrachten, die zwischen Geburt und Tod ein­geschlossen ist; was im menschlichen Vorstellen liegt, weist uns hinaus nach der einen Seite auf das Vorgeburtliche, und was im menschlichen Willen liegt, weist uns nach der andern Seite auf das Nachtodliche, auf das keimhaft Zukünftige. Indem wir den dreifachen Menschen vor uns haben, haben wir schon vor uns zuerst das Vorgeburtliche, dann das, was zwischen Geburt und Tod liegt, und drittens das Nachtodliche, nur daß das Vorgeburtliche bildhaft in unser Dasein hereinragt, wäh­rend das Nachtodliche keimhaft schon in uns vorhanden ist vor dem Tode.

De mens zit zo in elkaar dat hij zichzelf richtkrachten geeft door zijn gevoel, als dit gevoel juist georiënteerd is. Leert u niet ieder mens te zien als een kosmisch raadsel, dan zult u enkel en alleen tot het gevoel kunnen komen dat ieder mens een mechanisme is. En de ontplooiing van dit gevoel, dat de mens slechts een mechanisme is, zou de onder­gang van de aardse cultuur betekenen. Alleen wanneer onze opvoedingsimpulsen doordrongen zijn van het gevoel van de kosmi­sche betekenis van de hele mens, kan de cultuur op aarde weer in een opwaartse beweging komen. Dit kosmische gevoel ontstaat, zoals u ziet, alleen doordat we om te beginnen het voelen van de mens verbinden met de tijd tussen geboorte en dood; het voorstel­len van de mens wijst ons op wat daaraan voorafgaat, op het voor­geboortelijke, en het willen van de mens wijst ons aan de andere kant op het ‘nadodelijke’, op de kiemen van de toekomst. In de drieledige mens staat inderdaad voor ons: ten eerste het voorge­boortelijke, ten tweede wat er tussen geboorte en dood ligt en ten derde het nadodelijke, waarbij het voorgeboortelijke alleen als beeld in ons leven doorwerkt, terwijl het nadodelijke al als kiem in ons aanwezig is vóór de dood.
GA 294/33
Vertaald/44

Al die krachten in, van de ziel samengevat in antipathie en sympathie geeft, zoals gezegd, de mogelijkheid tot mensenkennis. Het zal daarom niet verbazen dat we in alles waarvoor we sympathie voelen ‘welwillend’ meegaan; dat we er warmte voor kunnen voelen, liefde dus ook. Dat hoort allemaal bij de wil! 

Als wij bij de kinderen die ons toevertrouwd zijn de wil willen verzorgen, ontwikkelen, ligt het voor de hand dat dat alleen kan in of met sympathie, begeleid met gevoelens van (diepe) sympathie:

Man bedenke nur, wie Sym­pathie, so richtig im irdischen Sinne entwickelt, alles Wollen durch­setzt; also das, was als Zukunftskeim, als nachtodlicher Keim durch den Willen in uns liegt, wird von Liebe, von Sympathie durchsetzt. Dadurch wird gleichsam – aber nicht eigentlich gleichsam, sondern wirklich – alles, was mit dem Wollen zusammenhängt, damit es in der rechten Weise gehemmt oder gepflegt werden kann, auch in der Erzie­hung mit ganz besonderer Liebe verfolgt werden müssen. Wir werden der Sympathie, die schon im Menschen ist, zu Hilfe kommen müssen, indem wir uns an sein Wollen wenden. Was wird denn daher der eigentliche Impuls für die Willenserziehung sein müssen? Es kann kein anderer sein, als daß wir selber Sympathie mit dem Zögling entwickeln. Je bessere Sympathien wir mit ihm entwickeln, desto bessere Methoden werden wir in der Erziehung haben.

Bedenkt u alleen maar dat sympathie, zoals we die hier op aarde ontplooien, al het willen doordringt. Dat wat als toekomstkiem, als ‘nadodelijke’ kiem in onze wil leeft, is dus vervuld van liefde, in sympathie. Daardoor zal als het ware – nee, niet als het ware, – maar werkelijk – alles wat met de wil samenhangt ook in de opvoeding met bijzondere liefde behandeld moeten worden, zodat het op de juiste wijze geremd of gestimuleerd kan worden. We zullen de sympathie die al in een mens leeft te hulp moeten komen door is tot zijn wil te richten. Wat zal daarom de eigenlijke impuls van de wilsopvoeding moeten zijn? Niets anders dan dat wijzelf sympathie voor het kind ontwikkelen.0 Hoe beter de sympathieën die wij voor het kind ontwikkelen, des te beter zullen de methodes zijn die we in de opvoeding hebben.
GA 294/33-34
Vertaald/44-45

Ook dat komt terug in uitspraken uit andere voordrachten:

Aber sie (die anthroposophische Weltanschauung) ist sich klar darüber, daß Seele nur von Seele mit Wärme erfüllt werden kann. Deshalb meint sie, daß vor allem die Pädagogik selbst und dadurch die ganze pädagogische Tätigkeit der Erziehenden beseelt wer­den müsse.

De antroposofische wereldbeschouwing zegt duidelijk dat een ziel alleen maar met warmte vervuld kan worden door een andere ziel. Daarom is zij van mening dat boven alles alle pedagogische activiteit van de opvoeder met bezieling verricht zou moeten worden.
GA 304/217
Op deze blog vertaald/217

Denn dasjenige, was am meisten in der Erziehung in Betracht kommt, sind die Gefühle über das Wesen des Menschen, mit denen wir neben dem Menschen stehen.

Want het belang­rijkste bij de opvoeding zijn de gevoelens over het wezen van de mens, de gevoelens waarmee we naast die mens staan.
GA 303/125
Vertaald/136

0 sympathie voor het kind ontwikkelen: Steiners woordkeus in deze en de volgende zin is ‘Sympathie(n) entwicklen mit’ in plaats van ‘zu’. Daarin klinkt de oorspronkelijke betekenis van ‘sympathie’ – meevoelen – sterker mee

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven
[4] GA 9 Theosophie
Vertaald
Voetnoot in de vertaling: 
Rudolf Steiner, Theosofie. Essentie van het mens-zijn. Dit boek, dat tot
de basiswerken van de antroposofie behoort, beschrijft op systematische
wijze het wezen van de mens, reïncarnatie en karma, het leven na de
dood en de weg tot inwijding. Onder het kopje ‘De zielenwereld’ schetst
Steiner hoe in de zielenwereld de verschillende ‘zielsvormen’ elkaar aantrekken of afstoten; deze wereld wordt beheerst door de twee fundamentele krachten sympathie en antipathie

.

Algemene menskunde: voordracht 2: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1589-1488

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 192 voordracht 5

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com

Van 21 april t/m 28 september 1919 hield Rudolf Steiner in Stuttgart een aantal voordrachten die opgetekend zijn in GA 192 ‘Geesteswetenschappelijke behandeling van sociale en pedagogogische vraagstukken’ [1]

Op 11 en 18 mei en op 1 juni gaan de voordrachten over pedagogie: het zijn de zgn. ‘Drie voordrachten over volkspedagogie’.

De hele voordrachtenreeks gaat vooral over de idee van de sociale driegeleding.
Nu deze geen ingang vond in het cultuurleven van die tijd, was Steiners enige hoop dat er iets van gered zou kunnen worden door de oprichting van de vrijeschool. 
Na 100 jaar vrijeschool weten we dat ook dat niet gelukt is.

GA 192 voordracht 4, 11 mei 1919 [2]

blz. 105/107: De toekomstopgave van de lerarenopleiding:een directe verbinding met het leven zien te krijgen.
blz. 108: De invoering van de experimenteerpsychologie in de school als symptoom voor de de vervreemding van het leven in onze tijd.
blz. 109 e.v. De noodzakelijkheid van antropologische menskunde om drie dwangimpulsen te overwinnen: gemaskeerde dwang priester te worden; politieke dwang, economische dwang.
blz. 112 e.v. De noodzaak voor de pedagoog de grote ontwikkelingsimpulsen in de mensheidsgeschiedenis te kennen, bijv. de overgang van het natuurrecht in het historische recht; of het uitmonden van het modernere geestesleven in parasitisme.
blz. 115 e.v. De hulpeloosheid van huidige politici zoals Helfferich, Kapp und Bethmann Hollweg wat de eisen van onze tijd betreft.
blz. 119 e.v.: Een doel van de school: zo ver brengen dat van het leven geleerd kan worden.
blz. 120 e.v. In het Westen: economisch streven zonder broederlijkheid; in het Oosten broederlijkheid zonder economie; in Midden-Europa de mogelijkheid tot een samengaan van beide.
blz.123 e.v.: De noodzaak om weg te komen van het kleinschalige van vakspecialisatie
[blz. 125 e.v. wat de leerkracht moet weten en moet zijn]

blz. 104

Nicht in dem Sinne, den man gewöhnlich meint, wenn man von der Fortsetzung einer Betrachtung spricht, werde ich heute anknüpfen an dasjenige, was ich letzten Sonntag hier vorgebracht habe. Damals ver­suchte ich, soweit das in skizzenhafter Art möglich war, in vorläufiger formal pädagogischer Weise auseinanderzusetzen, wie die Gliederung eines vom Staats- und Wirtschaftsleben abgesonderten Geistes- und Unterrichtslebens zu denken sei; wie in anderer Weise als bisher dann, wenn solche Absonderung eintritt, die einzelnen sogenannten Lehrfächer verwendet werden müßten zur Ausgestaltung desjenigen, was sich den Unterrichtenden, den Erziehenden als eine Art anthropolo­gischer Pädagogik, besser gesagt als eine Art anthropologisch pädago­gischer Wirksamkeit ergeben müßte. Schon damals bemerkte ich, daß ein Wesentliches sein wird für die Zukunft die Lehrerausbildung und namentlich die Prüfung desjenigen, was ergeben soll, ob irgendeine Persönlichkeit zum Lehrer oder Erzieher taugt.
Ich will die unmittelbare Fortsetzung der formal pädagogischen Dinge einer späteren Betrachtung aufsparen. Ich will nun heute in einer ganz anderen Weise versuchen, Ihnen die Fortsetzung des Vori­gen zu geben.
Ich will versuchen, Ihnen anzudeuten, wie ich mir denken muß aus den Kräften der Zeitentwicklung heraus, daß heute gesprochen werden müßte etwa, sagen wir, auf Lehrerversamralungen oder bei ähnlichen Anlässen, die wirklich der Zeit dienen wollten. Es ist in unserer Gegenwart tatsächlich so, daß, wenn wir aus Wirrnis und Chaos herauskommen wollen, heute in vielen Dingen ganz anders ge­sprochen werden müßte, als man sich nach den Denkgewohnheiten, die überkommen sind, vorstellt.
Heute redet man ja auch auf Lehrerversammlungen, wie nahe-liegende Beispiele Ihnen beweisen könnten, in, ich möchte sagen, dem alten eingefahrenen Geleise fort, während eine wirklich freie Erzie­hung der Zukunft nur eingeleitet werden könnte, wenn die Erziehenden und Unterrichtenden gehoben würden zu jenem Niveau, auf dem man

Niet in de zin, die men gewoonlijk bedoelt, als men er van spreekt een beschouwing te zullen voortzetten, zal ik vandaag aanknopen aan alles, waarover ik de vorige zondag hier gesproken heb. Toen probeerde ik, voor zover dit in een schets mogelijk was op een voorshands formeel pedagogische manier uiteen te zetten hoe de vorming van een van de Staat en het economische leven zelfstandig gemaakt cultuur- en onderwijswezen te denken is; hoe op een andere manier dan voorheen, wanneer een dergelijk zelfstandig staan zou plaats vinden elk van de z.g. leervakken behandeld zou moeten worden, om dat tot zijn recht te laten komen wat het voor de opvoeder, de leerkracht mogelijk maakt om een menskundige pedagogie, om een antropologisch-pedagogische werkzaamheid te ontplooien.
Toen al merkte ik op dat het in de toekomst van wezenlijk belang zal zijn de leerkrachten een juiste opleiding te geven en vooral het z.g. examenwezen een zodanige vorm te geven, dat daaruit kan blijken of een of andere persoonlijkheid geschikt is als opvoeder en leraar.
Ik wil de onmiddellijke voortzetting van het formeel pedagogische voor een volgende keer bewaren. Vandaag wil ik op een heel andere manier proberen om onze vorige beschouwingen voort te zetten. Ik wil proberen u een paar aanduidingen te geven, hoe ik het mij moet denken, dat vanuit de krachten, die in de tegenwoordige ontwikkeling leven, gesproken moest worden, laat ons zeggen, op lerarenvergaderingen of bij dergelijke gelegenheden, waar men werkelijk in onze tijd van nut wil zijn. Het is in onze tijd in werkelijkheid zo, dat, willen we uit de verwarring en chaos komen, we tegenwoordig heel anders zouden moeten spreken dan men naar overgeleverde denkgewoonten zich voorstelt. Tegenwoordig spreekt men ook op vergaderingen van pedagogen, — wat gemakkelijk met enige voorbeelden zou zijn te bewijzen, — op de oude „beproefde” manier verder, terwijl toch een werkelijk vrije opvoeding in de toekomst slechts kan worden ingeleid als de opvoeder en leerkracht op dat niveau

blz. 105

einen Überblick bekommt über die wirklich großen Aufgaben unserer unmittelbaren Gegenwart, insofern sich diese großen Aufgaben dann in Konsequenzen ausbilden lassen gerade für das Erziehungs- und Unterrichtswesen. Gewiß, die Art, wie ich heute zu Ihnen sprechen werde, die wird nicht dasjenige sein, was ich als maßgeblich oder auch nur als irgendwie mustergültig hinstellen möchte. Ich möchte aber ge­wissermaßen die Region andeuten, in der heute zu Lehrenden zu spre­chen wäre, damit diese Lehrenden den Impuls bekommen, von sich aus in ein freies Unterrichtswesen einzugreifen. Gerade diese Lehren­den müßten zu den großen, umfassenden Aufgaben der Zeit herauf-gehoben werden; die Lehrenden müßten in erster Linie durchschauen, was für Kräfte sich eigentlich in den heutigen Weltgeschehnissen ver­bergen; welche Kräfte man kennen muß als vom Alten herkommend, die ausgemerzt werden müssen; welche Kräfte sich zeigen, die einer besonderen Pflege bedürfen aus den Untergründen unseres heutigen Daseins heraus. Eine gewisse, ich möchte sagen, im besten, idealsten Sinne kulturpolitische Betrachtung müßte heute gegeben werden, die grundlegend werden könnte für die Impulse gerade, die in die Lehren­den übergehen müßten. Es müßte zum Beispiel vor allen Dingen ein­gesehen werden, daß unsere Pädagogik auf allen Stufen des Unter­richtens und Unterweisens unendlich verarmt ist, und es müßte ein­gesehen werden, welches die Gründe dieser Verarmung sind. 

gebracht werd, waarop men een blik kan werpen op de werkelijk grote opgaven van onze tegenwoordigen tijd, in zoverre deze grote opgaven ons dan consequenties voor ons handelen geven op het gebied van onderwijs en opvoeding. Wat ik vandaag tot u zal zeggen, daarmee wil ik zeer zeker niet iets toonaangevends, niet iets onberispelijks en voorbeeldigs geven. Ik zou echter enigszins de sfeer willen karakteriseren, waarin heden ten dage tot leerkrachten en opvoeders gesproken zou moeten worden, willen deze leraren de impuls krijgen om van zich uit in een vrij onderwijswezen in te grijpen. Juist deze leerkrachten en opvoeders, moesten doordrongen worden van de grote en omvattende opgaven van deze tijd; zij zijn het in eerste instantie, die moesten doorzien, welke krachten eigenlijk achter de tegenwoordige gebeurtenissen schuilgaan: welke krachten men daarbij moet kennen als komend uit het niet meer levensvatbare verleden en die verdwijnen moeten; — en welke krachten anderzijds zich vertonen in de mensheid, die een bijzondere verzorging nodig hebben. Een zekere, ik zou willen zeggen een in de beste, ideaalste zin van het woord cultuur-politieke beschouwing moest tegenwoordig eigenlijk worden gegeven, een beschouwing, die de basis zou kunnen leggen voor de juiste impulsen, die opvoeders en leerkrachten zouden moeten doordringen. Bovenal zou bijv. moeten worden ingezien, dat onze pedagogie op alle trappen van het gebied van onderwijs en opvoeding, ontzettend is verarmd; en er zou moeten worden ingezien, wat de hoofdoorzaken tot deze verarming zijn.

Diese Pädagogik hat vor allen Dingen verloren den unmittelbaren Zu­sammenhang mit dem Leben. Der Pädagoge redet heute von allerlei methodischen Dingen, und er redet vor allen Dingen von der großen Wohltat, die dem Unterricht durch die staatliche Leitung zufließen soll. Er redet wahrscheinlich von diesen Wohltaten dann noch fort, ich möchte sagen, fast automatisch, wenn er in der Theorie auch irgend etwas schon begriffen haben sollte von der notwendigen Dreigliede­rung des sozialen Organismus. Es waren in keiner Zeit die, ich möchte sagen, selbstlaufenden Denkgewohnheiten so stark, als gerade in der unsrigen, und es zeigt sich dieses Selbstlaufende der Denkgewohn­heiten ganz besonders in der Ausbildung der pädagogischen Ideen. Diese pädagogischen Ideen, sie haben unter etwas gelitten, dem wir noch nicht entkommen konnten in der neueren Zeit, dem wir aber entkommen

Deze pedagogie heeft in de eerste plaats de onmiddellijke samenhang met het leven verloren. De pedagoog heeft het tegenwoordig over allerlei methodiek en hij praat vooral over de grote weldaad, die het onderwijs onder staatsleiding toestroomt. Hij spreekt waarschijnlijk van deze weldaden dan nog door — ik zou bijna zeggen automatisch door — wanneer hij in theorie al iets begrepen heeft van de noodzakelijke drieledige indeling van het sociale organisme. In geen tijd dan de onze waren deze — ik zou willen zeggen — automatische denkgewoonten zo sterk; en dit blijkt wel in het bijzonder bij de vorming van pedagogische ideeën. Deze pedagogische ideeën, zij hebben geleden onder iets, waaraan wij in de nieuwere tijd nog niet hebben kunnen ontkomen, waaraan wij echter moeten ontkomen.

blz. 106

müssen. Ja, es gibt eben heute Fragen, die einfach nicht so beantwortet werden können, daß man sagt: Es ist das eine oder andere nach den bisherigen Erfahrungen möglich. Da wird sofort aus den Herzen, aus den Seelen der Menschen das Zaudern aufsteigen. Heute gibt es unzählige Fragen, die so beantwortet werden müssen, daß man sich sagt: Muß denn nicht das eine oder andere geschehen, wenn wir aus Wirrnis und Chaos hinauskommen wollen? Und dann haben wir es mit Fragen des Wollens zu tun, in die uns nicht hineinzureden haben die oftmals ja berechtigt scheinenden Zauderfragen des Ver­standes in der sogenannten Erfahrung. Denn eine Erfahrung hat nur dann einen Wert, wenn sie vom Wollen in der entsprechenden Weise durchgearbeitet ist. Es gibt heute viel Erfahrung – wenig Erfahrung aber, die vom Wollen in der entsprechenden Weise durchgearbeitet ist. Es wird gerade auf pädagogischem Gebiet viel gesagt, gegen das, rein verstandeswissenschaftlich genommen, sich nicht einmal sehr viel einwenden läßt, das von seinem Gesichtspunkte aus angesehen ganz gescheit ist. Aber heute handelt es sich darum, einzusehen, worauf es eigentlich ankommt: vor allen Dingen einzusehen, wie unsere Päd­agogik lebensfremd geworden ist.

Ja, er zijn tegenwoordig vragen, die eenvoudig niet zo kunnen worden beantwoord, dat je zegt: het ene is mogelijk, .— maar ook het andere zoals we hebben ervaren. En dan beginnen de mensen meteen in hun wil te aarzelen. Tegenwoordig zijn er zoveel vragen, die zo moeten worden beantwoord, dat je zegt: moet het een of ander dan niet worden gedaan, moet er dan niet iets gebeuren, als we uit verwarring en chaos willen komen ? En daarbij hebben we dan met het vraagstuk van de wil te maken, waarbij het verstand en zijn z.g. ervaring niet altijd moet aankomen met zijn, dikwijls zeer gegrond schijnende aarzelingen. Want een ervaring heeft alleen dan waarde voor het leven, wanneer de wil daar op een juiste manier in heeft kunnen werken. Er is tegenwoordig veel ervaring. — maar weinig ervaring is die de mensen zich, doordrongen van heel hun wil, hebben opgedaan. Er wordt juist op pedagogisch gebied veel gezegd, waartegen, — zuiver met het verstand beoordeeld, — niet veel in te brengen is, dat vanuit een bepaald gezichtspunt beschouwd zeer wijs en verstandig kan zijn. Tegenwoordig gaat het er echter om in te zien waar in werkelijkheid alles op neerkomt; en daarvoor moet je bovenal inzien, hoe levensvreemd onze pedagogie is geworden.

Ich darf eine persönliche Bemerkung auch hier machen. In Berlin wurde vor vielleicht dreiundzwanzig Jahren ein Verein für Hoch­schul-Pädagogik gegründet. Vorsitzender dieses Vereins für Hoch­schul-Pädagogik war der Astronom Wilhelm Förster. Ich gehörte die­sem Verein für Hochschul-Pädagogik auch an. Wir hatten eine Serie von Vorträgen zu halten in diesem Verein. Die meisten dieser Vor­träge wurden so gehalten, daß man glaubte, man brauche nur zu er­kennen gewisse formale Dinge über die Behandiung der einzelnen Wissenschaften und die Zusammenstellung der einzelnen Wissen­schaften in Fakultäten oder ähnliches. Ich versuchte – aber wurde auch dazumal wenig verstanden – darauf aufmerksam zu machen, daß eine Hochschule nichts anderes sein dürfe als ein Ausschnitt aus dem all­gemeinen Leben; daß vor allen Dingen derjenige, der etwas reden will über Hochschul-Pädagogik, ausgehen müsse von der Frage: In welcher Lage des Lebens, weltgeschichtlich genommen, stehen wir gegen­wärtig auf all den verschiedensten Gebieten, und was haben wir an

Ik mag hier wellicht een persoonlijke opmerking maken: in Berlijn werd ongeveer 23 jaar geleden een vereniging voor hogeschool-pedagogie opgericht. Voorzitter van deze vereniging was de astronoom Wilhelm Förster*. Ik behoorde ook tot deze vereniging. Wij moesten in deze vereniging een serie voordrachten houden.
De meeste van deze voordrachten werden zo gehouden, dat je zou kunnen geloven, dat het enig nodige was, het in acht nemen van zekere formele dingen bij de didactische behandeling van de afzonderlijke wetenschappen en het samenvoegen van deze wetenschappen tot faculteiten of iets dergelijks. Ik probeerde duidelijk te maken, dat een hogeschool niets anders mocht zijn, dan een deel van het leven in het algemeen; dat bovenal degene, die iets over hogeschoolpedagogiek wil zeggen van de vraag moet uitgaan; in welke levensomstandigheden — wereldhistorisch opgevat — staan we tegenwoordig op de meest verschillende gebieden van het leven; en welke

*Wilhelm Förster, 1832-1921

blz. 107

Impulsen aus den verschiedensten Gebieten des Lebens heraus zu beobachten, um es hineinstraHen zu lassen in die Hochschule, damit wir eine Hochschule zu einem Ausschnitt aus dem allgemeinen Leben machen? Wenn man nicht im Abstrakten, sondern im Konkreten solche Dinge durchführt, da ergeben sich dann die mannigfaltigsten Gesichtspunkte für die Begrenzung, sagen wir der Zeit, die gewidmet werden soll dem einen oder andern sogenannten Fach; da ergeben sich auch die Arten, wie das eine oder andere Fach behandelt werden kann. In dem Augenblick, wo man bloß aus dem, womit heute die Pädago­gik vielfach arbeitet, solche Begrenzung vornehmen will, in dem Augenblick versagt alles; man gestaltet die betreffenden Unterrichts-anstalten zu nichts anderem als zu Abrichtungsanstalten für welt­fremde Leute.
Aber welches sind die ganz inneren Gründe, die tief inneren Gründe, daß das
alles so geworden ist? So wie die großartige Ent­wicklung des naturwissenschaftlich orientierten Denkens in der neueren Zeit heraufgekommen ist, so hat dieses naturwissenschaft­liche Denken, das ja auf der einen Seite in großartiger Weise dahin gelangt ist, den Menschen rein als Naturwesen zu begreifen, doch jede wirkliche Menschenerkenntnis im Grunde genommen abgeschnitten;

impulsen bespeuren wij in deze gebieden, om ze dan in de hogeschool te kunnen laten invloeien, opdat we van deze hogeschool een stuk mensheidsleven kunnen maken. Wanneer je niet in abstracties blijft zweven, maar zulke dingen concreet doorvoert, ontstaan de meest verschillende gezichtspunten om bijv. een tijdslimiet in te stellen waarbinnen aan een of ander vak tijd wordt besteed; en ontstaan er ook vormen hoe het een of andere vak behandeld kan worden. Zodra je alleen op de basis staat waarop de tegenwoordige pedagogiek te werk gaat en dit alles dan wil regelen, — op dat ogenblik blijven we met ons streven steken; en we brengen het in onze onderwijsinrichtingen tot niets anders dan tot een africhten van wereldvreemde mensen. Maar wat is de oorzaak, de diepe oorzaak dat dit alles zo is geworden ? Het natuurwetenschappelijk georiënteerde denken heeft het in de nieuwe tijd tot een grootse ontwikkeling gebracht. Dit denken, dat enerzijds op een grootse wijze ertoe gekomen is de mens puur als natuurwezen te begrijpen, heeft echter iedere werkelijke kennis van de mens in de grond van de zaak onmogelijk gemaakt;

jene Menschenerkenntnis, von der wir schon neulich gesprochen haben als von dem Allernotwendigsten gerade für den richtigen Päd­agogen; jene Menschenerkenntnis, welche den lebendigen Menschen in seinem ganzen Dasein, aber nicht wie es heute so vielfach bloß for­mal dargestellt wird, erkennt, sondern nach seiner inneren Wesenheit, namentlich nach seiner Entwickelungswesenheit. Es gibt ein Sym­ptom, das ich hier auch schon öfters erwähnt habe, für dieses unge­heuer Menschenfremde des modernen pädagogischen Wesens. Wenn man solche Dinge heute sagt, so wird man vielleicht geziehen werden können der Paradoxie. Aber sie müssen heute ausgesprochen werden, denn sie sind das Allernotwendigste. Aus dem Verlust wirklich leben­diger Menschenerkenntnis ist hervorgegangen jenes trostlose, öde Streben, das sich heute als ein Zweig der sogenannten Experimental­psychologie – gegen die ich als solche nichts habe – geltend macht. Die sogenannte Prüfung der Fähigen – ein wahres Schauerbild desjenigen,

die kennis, die we onlangs hebben besproken als het allernoodzakelijkste voor een werkelijke opvoeder; die kennis, die de levende mens in zijn hele levensloop, maar niet zoals tegenwoordig zo dikwijls, alleen op abstract formele manier, maar naar zijn werkelijke innerlijke wezen, en diens ontwikkeling door het leven kent. Er is iets symptomatisch dat ik hier ook al vaker heb genoemd bij het moderne onderwijswezen, dat het buitengewoon vreemd staat tegenover de mensAls je zulke dingen tegenwoordig zegt, kan je er niet aan ontkomen dat het lijkt of je in paradoxen praat. Maar je moet tegenwoordig deze dingen uitspreken, want dat is allernoodzakelijkst. Uit het verlies van een werkelijke levende menskunde is dat troostelooze dorre streven voortgekomen, dat tegenwoordig als een tak van de z.g. experimenteele psychologie, waar ik als zodanig niets tegen heb, zich doet gelden. Dit z.g. onderzoek naar de capaciteiten van de leerlingen: het is echt een karikatuur van wat

blz. 108

was auf pädagogischem Gebiet das wirklich Ersprießliche ist. Ich habe Ihnen vielleicht schon öfter charakterisiert, wie durch äußere experimentelle Veranstaltung das Gedächtnis, sogar der Verstand und anderes am Menschenobjekte geprüft werden sollen, damit man auf äußerlich registrativem Wege herausbekommt, ob jemand ein gutes oder schlechtes Gedächtnis, einen guten oder schlechten Verstand hat. In rein mechanischer Weise, indem man Sätze vorlegt und sie ergänzen läßt, oder indem man in irgendeiner anderen ähnlichen Weise ver­fährt, versucht man ein Bild zu bekommen, was ein werdender Mensch an Fähigkeiten in sich hat. Das ist ein Symptom dafür, daß man alle unmittelbare Beziehung von Mensch zu Mensch, die allein ersprieß­lich sein kann, im Kulturwirken verlernt hat. Es ist das Symptom für etwas Trostloses, welches sich hat entwickeln können, und welches heute als ein besonderer Fortschritt angestaunt wird, dieses Fähig­keitprüfen, das heraufgesprossen ist aus den sogenannten psycho­logischen Laboratorien der neueren Universitäten. Ehe man nicht ein­sieht, wie wir wiederum zurückkommen müssen zu einer unmittelbar aus dem Menschen heraus zu gewinnenden intuitiven Erkenntnis des Menschenwesens, namentlich des werdenden Menschenwesens, ehe wir nicht überwinden dieses trostlose Errichten einer Kluft auch auf diesem Gebiet zwischen Mensch und Mensch,

op pedagogisch gebied werkelijk vruchtbaar is. Ik heb u wellicht al vaker gekarakteriseerd hoe men door uiterlijke experimenten het geheugen, zelfs het verstand, o.a. bij het object mens kan onderzoeken, om op uiterlijk te registreren werkwijze te constateren of iemand een goed of slecht geheugen, een goed of slecht verstand heeft. Op zuiver mechanische wijze, door b.v. het fragment van een zin volledig te laten maken of op andere dergelijke manieren te werk te gaan, probeert men een beeld te krijgen van de vermogens van de wordende mens. Het is een symptoom voor het feit dat men de totale betrokkenheid van mens tot mens die zo vruchtbaar kan zijn voor het culturele leven, is kwijtgeraakt. Het is een symptoom voor iets wat zeer troosteloos is: dit testen van de vermogens, iets wat zich heeft kunnen ontwikkelen en wat tegenwoordig zelfs als een bijzondere vooruitgang bewonderd wordt. Voortgekomen is het uit de z.g. psychologische laboratoria van de nieuwere universiteiten. Niet voordat men inziet, hoe men weer moet komen tot een intuïtieve kennis van het mensenwezen, n.l. van het wezen van de wordende mens,

werden wir gar nicht verstehen können, worin es liegt, eine lebensvolle Pädagogik für ein freies Geistesleben zu schaffen. Ausgekehrt müßte werden aus unseren Unterrichtsanstalten all dasjenige, was am Menschen herumexperimentieren will, um irgend etwas Pädagogisches auszumachen. Als Grund­lage für eine vernünftige Psychologie ist mir die Experimental-Psycho­logie wert; so wie sie sich heute in die Pädagogik, sogar schon in die Gerichtszimmer hineingeschlichen hat, so ist sie das Verderben für dasjenige, was als Gesundes sich entwickeln muß: voll entwickelte Menschen, die nicht durch eine Kluft von den anderen voll entwickel­ten Menschen getrennt sind. Wir haben es dahin gebracht, daß wir alles Menschliche ausgeschlossen haben aus unserem Kulturstreben. Wir müssen es dahin bringen, dieses Menschliche wiederum einzu­schließen. Und wir müssen den Mut aufbringen, gegen manches, was allmählich angestaunt worden ist in der neueren Zeit als große Errungenschaft,

zullen we absoluut niet kunnen begrijpen wat er nodig is om een levensvolle pedagogie voor een vrij geestesleven te scheppen. Uit onze onderwijsinrichtingen moet alles worden geweerd wat met de mens wil experimenteren om ’t een of ander vast te stellen voor ons pedagogisch handelen. Als grondslag voor een rationele psychologie is de experimentele psychologie voor mij waardevol, — de manier echter waarop ze tegenwoordig in de pedagogie, waarop ze zelfs in de rechtszaal is binnengeslopen, is verderfelijk voor alles wat zich als een gezonde verhouding van mens tot mens moet ontwikkelen, als een verhouding van vol ontwikkelde mensen tot elkaar, die niet door een kloof van elkaar zijn gescheiden. Met ons is het zover gekomen dat we bij het ontwikkelen van de cultuur het menselijke hebben buitengesloten. We moeten er weer toe komen het menselijke erbij te betrekken. En wij moeten de moed opbrengen om tegen veel, wat in de tegenwoordige tijd als grote vooruitgang wordt bewonderd,

blz. 109

energisch Front zu machen; sonst kommen wir nie weiter. Daher sind oft diejenigen Menschen, die heute als Lehrer die Hochschulen verlassen, um dann Menschen zu bilden, mit den ver­kehrtesten Anschauungen über das Menschenwesen ausgestattet, weil sie ja wirkliche Anschauungen nicht bekommen, weil an die Stelle der wirklichen Anschauungen etwas so Veräußerlichtes getreten ist wie dieses experimentelle Feststellen der Fähigkeiten. Das müßte man als ein Verfallssymptom erkennen. Wir müssen in uns die Möglichkeit suchen, die Fähigkeiten eines Menschen zu beurteilen, weil er Mensch ist und man selber Mensch ist. Und einsehen müßte man, daß jede andere Methode deshalb von Unheil ist, weil sie gewissermaßen aus-löscht das Erfülltsein vom unmittelbaren lebendigen Begreifen des Menschlichen, das so notwendig ist, wenn wir in heilsamer Weise fortschreiten wollen. Diese Dinge werden heute noch gar nicht gesehen. Sie müssen vor allen Dingen gesehen werden, wenn wir weiterkommen wollen. Wie oft ist auch hier von diesen Dingen gesprochen worden. Man hat ja manchmal über diese Verkehrtheiten ein Lächeln gehabt. Daß diese Dinge aber gesprochen worden sind darum, daß sie wirklich ein Be­standteil des heutigen Geisteslebens werden, davon hatte man nicht immer eine Ahnung.

krachtig front te maken; anders komen we nooit verder. Daarom zijn zo dikwijls die mensen, die tegenwoordig als leraren de hogescholen verlaten, om andere mensen op te voeden en te onderwijzen, met de meest verkeerde begrippen over het mensenwezen toegerust, omdat ze geen werkelijke begrippen krijgen, omdat in de plaats van een levend aanschouwen van het mensenwezen, iets zo uiterlijks als dit experimentele vaststellen van vermogens is gekomen. Dit alles moet je zien als een symptoom van verval. Wij moeten in ons naar de mogelijkheid zoeken, naar de vermogens om een mens te beoordeelen, omdat hij mens is en wij zelf mens zijn. En je moet inzien, dat elke andere methode daarom rampzalig is, omdat ze in zekere zin dit vervuld zijn van het onmiddellijke, levende, menselijke uitdooft, dat wij zo nodig hebben om op een gezonde manier verder te komen. Deze dingen worden tegenwoordig nog in ’t geheel niet opgemerkt. Voor alles is het echter nodig, dat ze opgemerkt worden, als we verder willen komen. Hoe dikwijls hebben we hier niet over dit alles gesproken. Vaak glimlachte men om deze hier gekarakteriseerde misvattingen. Dat over deze dingen echter gesproken wordt, omdat ze werkelijk een bestanddeel van het huidige geestesleven zijn, dit vermoedde men niet altijd.

Aber es kommt heute nicht darauf an, daß man sich etwas anhört wie ein Feuilleton, es kommt heute darauf an, daß man unterscheiden lernt zwischen demjenigen, was bloß, ich möchte sagen, Aperçu und Betrachtung ist, und demjenigen, was Keime zur Tat in sich enthalten kann. Alles Streben der sogenannten Anthropo­sophie, die hier gepflegt wird, gipfelt ja zuletzt darin, aufzubauen die Idee vom Menschen, Menschenerkenntnis zu liefern. Die brauchen wir. Die brauchen wir, weil wir aus den Forderungen der Zeit heraus zu überwinden haben eine dreigliedrige Zwangslage. Es sind zurück­geblieben aus den alten Zeiten dreierlei Arten von Zwang. Erstens der urälteste Zwang, der sich nur in verschiedener Weise maskiert in der Gegenwart, als Priesterzwang. Man würde weiter kommen in der Betrachtung der Zeitlage, wenn man die Maskierung erkennen würde in den ja heute mit Bezug auf äußere Tatsächlichkeiten untergegange­nen, in bezug auf menschliches Denken leider noch fortlebenden

Maar het gaat er nu niet om, dat je naar een feuilleton zit te luisteren, — het gaat er nu om, dat je onderscheid leert maken tussen wat enkel, — ik zou willen zeggen, — als opmerking of beschouwing een bedoeling heeft en wat kiemen tot de daad in zich draagt. Alles wat de z.g. antroposofie die hier verzorgd wordt, nastreeft, spitst zich uiteindelijk toe op het opbouwen van de idee mens, menskunde te geven. Die hebben wij nodig. We hebben die nodig, omdat de tijd eist, dat we ons moeten bevrijden uit een drievoudige keurslijf. Drie soorten dwang zijn uit oude tijden in de onze overgebleven. Ten eerste de overoude dwang, op verschillende manieren zich in de tegenwoordigen tijd maskerend, de priesterdwang. Men zou verder komen met de beschouwing van de toestand van deze tijd, wanneer men deze maskeringen zou doorzien, waarin oude impulsen en ideeën over het staatsleven uit Europa, Amerika en ook Azië — met betrekking tot de werkelijke feiten van de ontwikkeling weliswaar zijn ondergegaan, — in de menselijke denkgewoonten leven ze helaas nog verder,

blz. 110

staatlichen Ideen und Impulsen von Europa und Amerika und auch Asien, die moderne Maskierung alten Priesterzwanges.
Als zweiten Zwang haben wir, etwas später ausgebildet in der ge­schichtlichen Entwickelung der Menschheit, heute auch schon unter den verschiedenen Maskierungen auftretend, den politischen Zwang.
Und als drittes haben wir als verhältnismäßig am spätesten hinzu­gekommenen Zwang den wirtschaftlichen Zwang.
Aus diesen drei Zwangsimpulsen muß die Menschheit sich herausarbeiten; das ist ihre unmittelbare Gegenwartsaufgabe. Sie kann nur herauskommen, wenn sie vor allen Dingen klar sieht, wo die Residuen, wo die Reste sind von dem, was in verschiedener Maskierung heute unter uns lebt, die Masken dieser drei Zwangsimpulse der Menschheit.
Vor allen Dingen muß heute der Blick des Pädagogen hinaufgeho­ben werden bis zu jenem Niveau, wo solche Dinge besprochen werden können, wo man mit den Lichtern, die man bekommt durch solche Dinge, auf die zeitgenössische Entwickelung leuchten kann, wo man überall sehen kann, wie das eine oder andere Zwangsverhältnis in der einen oder anderen zeitgenössischen Tatsache steckt. Nur dann wird man den Mut aufbringen, sich heute zu sagen:

 als de oude priesterdwang, op moderne wijze zich maskerend.
Als tweede dwang hebben we de iets later in de geschiedenis der mensheid ontstane, politieke dwang, die zich tegenwoordig ook al met de meest verschillende maskers op vertoont. En als derde dwang hebben we de in verhouding het laatst optredend: de economische dwang.
Aan deze drie dwangtoestanden moet de mens zich ontworstelen, dat is de onmiddellijke opgave van de tegenwoordige tijd. Hij kan er zich slechts aan ontworstelen, wanneer hij bovenal helder de gestalten doorziet, waarin al deze maskeringen onder ons leven, deze maskeringen’van de drie dwangimpulsen der mensheid. Vóór alles moet tegenwoordig de blik van de opvoeder zich tot dat niveau verheffen, waarop zulke dingen kunnen worden besproken, waar men begrip over deze dingen kan krijgen en waardoor men de tegenwoordige ontwikkeling kan belichten, kan doorzien, waar de een of de andere dwangverhouding achter de feiten van de tegenwoordigen tijd steekt. En dit kan men slechts dan, wanneer men de moed heeft om tot zich zelf te zeggen : omdat de pedagogie

Weil sich die Pädagogik abgesondert hat, gewissermaßen sich zurückgezogen hat in die Schule, ist es dahin gekommen, daß sie solche verschrobenen Ideen aufbringt – was nur ein Symptom ist – wie die Erprobung von mensch­lichen Tüchtigkeiten durch das Experiment. Aber überall, wo heute von allgemein- oder spezialpädagogischer Methode gesprochen wird, sehen wir die Folge dieses Sichzurückziehens in die bloße Schule, in die der Staat die Pädagogik hineingezwängt hat, und diese Entfernung von dem Leben. Niemals kann einer der hauptsächlichsten Lebens-zweige: Geistiges, Rechtliches oder Politisches, und Wirtschaftliches sich voll entwickeln in der Gegenwart – ich sage ausdrücklich in der Gegenwart, und namentlich in unserer Gegend -, wenn diese drei Zweige nicht auf ihren eigenen Boden gestellt werden. Für den äußer­sten Westen, Amerika, und für den äußersten Osten ist es etwas anderes, aber gerade weil es etwas anderes ist, muß bei uns diese Sache ein­gesehen werden. Wir müssen endlich dahin kommen, konkret zu denken, nicht mehr abstrakt zu denken; sonst kommen wir mit Bezug

zich van het leven heeft afgezonderd, zich om zo te zeggen heeft teruggetrokken in de school, daarom is het bijv. zover gekomen dat ze zulke verwrongen ideeën naar voren brengt als die van een onderzoek naar de menselijke vermogens door experimenten, waarmee slechts één symptoom onder vele hier wordt aangeduid. Overal, waar tegenwoordig over algemene of speciale pedagogische methodiek wordt gesproken, zien we de gevolgen van dit zich terugtrekken in de school, waar de Staat de opvoeding heeft voorgeschreven, — zien wij de vervreemding van het leven. Nooit kan zich een van de voornaamste takken van het maatschappelijke leven, kan het geestesleven, het rechts- of politieke leven, kan het economische leven zich tegenwoordig vol ontwikkelen — ik zeg uitdrukkelijk in de tegenwoordige tijd en wel in onze landstreken — als deze drie takken van het leven niet elk hun eigen groeibodem wordt toegewezen. Voor het meest westelijke, voor Amerika en voor het uiterste oosten van de wereld, liggen de zaken enigszins anders. Maar juist, omdat dit zo is, moeten bij ons deze dingen worden ingezien. Wij moeten er eindelijk toe komen om concreet en niet meer abstrakt te denken, anders komen we

blz. 111

auf das Räuniliche zu einer die Menschheit der ganzen Erde be­glückenden Theorie, was Unsinn ist, oder zu einer Art von tausend­jährigem Reich in bezug auf die geschichtliche Entwickelung, was wieder Unsinn ist. Konkret denken auf diesem Gebiet heißt: für einen bestimmten Weltenraum und für eine bestimmte Zeit denken. Wir werden darüber heute noch einiges zu sprechen haben. Der Blick des Pädagogen muß auf diese großen Welterscheinungen gelenkt werden, muß überschauen können, was im geistigen Leben der Gegenwart vorhanden ist, und was in diesem Leben der Gegen­wart anders werden muß dadurch, daß man in dem werdenden Men­schen etwas ganz anderes erzieht als dasjenige, was in den letzten Zeiten gezüchtet worden ist. Was in der letzten Zeit gezüchtet worden ist, hat gerade auf pädagogischem Gebiet bei denjenigen, die dann pädagogisch tätig sein sollten, zu einer furchtbaren Spezialisierung geführt. Man begegnet sehr häufig gerade bei Festreden und auf Naturforscherversammlungen und sonstigen Gelehrtenversammlun­gen den Lobliedern auf die Spezialisierung. Selbstverständlich wäre ich ein Tor, wenn ich nicht einzusehen vermöchte, welche Notwendig­keit dieser Spezialisierung auch auf dem Gebiete der Wissenschaft zu­grunde liegt; aber sie braucht einen Ausgleich, sonst errichten wir Klüfte zwischen Mensch und Mensch,

slechts tot een abstracte, de mensheid van de hele aarde gelukkig makende theorie, wat iets onzinnigs is, — of tot een soort van duizendjarig rijk met betrekking tot de menselijke ontwikkeling, wat eveneens onzinnig is. Concreet op dit gebied denken, wil zeggen: iets denken wat betekenis heeft voor een bepaald deel van de aarde, en voor een bepaalde tijd. We zullen hierover vandaag nog een en ander te zeggen hebben. Het oog van de pedagoog moet op deze grote wereldverschijnselen gericht worden. Hij moet kunnen overzien, wat in het geestesleven van de tegenwoordigen tijd aanwezig is en wat in dit leven daardoor anders moet worden, dat men in de wordende mens iets geheel anders ontwikkelt dan wat in de laatste tijd in hem ontwikkeld is. Wat in de laatste tijd aangelegd is, heeft hen, die op pedagogisch gebied werkzaam moesten worden, tot een vreselijk specialiseren gebracht. Je hoort, vooral bij feesttoespraken, op vergaderingen van natuurwetenschappers of dergelijke bijeenkomsten zeer dikwijls lofliederen op deze specialisering. Ik zou natuurlijk dwaas zijn, wanneer ik niet zou kunnen inzien, hoe noodzakelijk deze specialisering ook op het gebied van de wetenschap was. Maar ze heeft een compensatie nodig, anders maken wij kloven in ’t leven van mens tot mens,

und stehen nicht mehr ver­ständnisvoll als Mensch dem Menschen gegenüber, sondern wir stehen einander gegenüber, hilflos als Spezialist dem Spezialisten, wo­bei wir gar keine andere Handhabe haben, an den Spezialisten zu glauben, als allein diese, daß er durch die tatsächlich vorhandenen Einrichtungen in irgendeiner Weise abgestempelt ist. Aber wir waren auf dem Wege, dieses Spezialistentum auch von der Schule her ins Leben einzuführen. Ob die Wirrnisse der Gegenwart uns vor dem Unglück bewahren werden, daß neben den allerlei anderen Sach­verständigen in die Gerichtsstube auch noch, wie manche wollen, die Psychologen hinberufen werden, die dann an den Verbrechern ihre Experimente machen – geradeso, wie man an den jungen Leuten die Experimente macht -, das wird sich ja zeigen. Ich sage weniger etwas gegen die Sachen selber, als gegen die Art und Weise, wie sie sich in die Gegenwart hineingestellt haben.

staan niet meer begrijpend als mens tegenover de ander, maar staan hulpeloos tegenover elkaar, als specialist tegenover specialist, waarbij wij over geen andere maatstaf beschikken om op de specialist te vertrouwen, dan alleen deze, dat hij door de nu eenmaal voorhanden zijnde inrichtingen op een of andere manier tot specialist bestempeld is. Wij waren echter op weg dit specialistendom vanuit de school ook in het leven in te voeren. Of de verwarring van de tegenwoordige tijd ons voor het ongeluk zal bewaren, dat naast de verschillende andere ter zake kundigen in de rechtszaal ook nog zoals velen willen, de psychologen zullen worden geroepen, die dan bij de misdadigers moeten experimenteren, zoals ze bij de jonge mensen experimenteren, — dit alles zal zich nog uitwijzen. Ik heb minder tegen die dingen zelf te zeggen, dan wel tegen de hele manier, waarop tegenwoordig dit alles zich inleeft in de werkelijkheid.

blz. 112

So liegen die Dinge auf dem Gebiete der Pädagogik, der Schul­bildung und auf dem Gebiete des Staates.
Ja, nach der kurzen Zeit, in welcher gesprochen worden ist, mag das nun inhaltlich anfechtbar sein oder nicht, von dem innerlich be­gründeten Menschenrecht – damals nannte man es Naturrecht -, nach dieser verhältnismäßig kurzen Zeit kam diejenige Epoche, in der man anfing, sich zu genieren, von diesem Naturrecht zu sprechen. Man war selbstverständlich ein Dilettant, wenn man von diesem Natur­recht sprach, das heißt wenn man annahm, daß mit der Existenz des Menschen als einzelnem menschlichen Individuum selbst etwas da ist, was als solches das Recht begründet, man war damit ein Dilettant, und fachmännisch war es bloß, von historischem Recht zu sprechen, das heißt von dem, was sich geschichtlich als Recht herausgebildet hat. Man hatte nicht den Mut, auf das wirkliche Recht einzugehen; deshalb beschränkte man sich darauf, das sogenannte historische Recht allein einer Betrachtung zu unterziehen. Das aber müßte insbesondere der Pädagoge heute wissen. Der Pädagoge müßte genau eingeführt wer­den, namentlich in Lehrerversammlungen, in den Hergang des neun­zehnten Jahrhunderts, wie verloren worden ist der Begriff des Natur­rechts, oder wie er höchstens in Masken fortlebt im heutigen Recht, und wie ein gewisses Zaudern, innere Zauderhaftigkeit der Menschen an dem bloß Historischen hängen geblieben ist.

Zo staan dus de zaken op het gebied van pedagogiek en school ervoor in hun afhankelijkheid van de Staat. Met betrekking tot dit rechts- of staatsleven heeft men gedurende een korte periode — het moge al of niet aanvechtbaar zijn — van een op innerlijke basis rustend mensenrecht gesproken — toentertijd noemde men het natuurrecht. — Na deze naar verhouding korte periode kwam die tijd, waarin men zich begon te generen om dit „natuurrecht” te spreken. Men was natuurlijk een dilettant, als men nog van natuurrecht sprak, d. w. z. als men aannam, dat met de  existentie van de mens als individu zelf iets aanwezig was, wat als zodanig dit recht tot stand bracht; — men was dan dilettant, en vakmensen op dat gebied waren alleen zij, die van het historische recht spraken, d. w. z. van het „recht” dat in de loop van de geschiedenis werd geformuleerd. Men had niet de moed, in te gaan op het werkelijke recht; daarom bepaalde men er zich toe, alleen het z.g. historische recht in beschouwing te nemen. Dit alles echter moet in ’t bijzonder ook de pedagoog weten. Deze zou nl. op bijeenkomsten van leerkrachten en opvoeders, nauwkeurig op de hoogte gebracht moeten worden van de loop van de cultuur in de 19e eeuw, de pedagoog zou moeten weten hoe het begrip natuurrecht verloren is gegaan, hoe het hoogstens gemaskeerd, nog in het tegenwoordige recht verder leeft, en hoe door een innerlijke aarzeling van de mensen aan het historische recht vastgehouden werd.

Wer die Verhältnisse kennt, weiß, daß der Hauptimpuls – der nicht mehr bemerkt wird in seinen äußersten Ausläufern, wo er sich in die Pädagogik einschleicht
– heute noch immer nach der Richtung des historischen Rechtes geht; daß man sich bemüht – um das Goethesche Wort zu brauchen -, von dem Rechte, das mit uns geboren ist, ja nicht zu sprechen. Ich habe öfters in den Vorträgen, die ich hier gehalten habe, darauf aufmerk­sam gemacht, daß wir heute offen und ehrlich die große Abrechnung halten müssen, nicht die kleine. Daher darf nicht davor zurüc-geschreckt werden, in der richtigen Weise zu charakterisieren das­jenige, was ausgemerzt werden muß, denn niemals kann neu gebaut werden, wenn man nicht einen klaren Begriff hat von dem, was die menschlichen Denk- und Empfindungsgewohnheiten verdorben hat.
Man kann schon sagen: Insbesondere an unserer mitteleuropäischen

Wie de verhoudingen kent, weet, dat de hoofdimpulsen tegenwoordig nog steeds naar de richting van het historische recht gaan, dat men er naar streeft, om — als we hier het woord van Goethe mogen gebruiken — niet meer te spreken van het recht „dat met ons geboren is”.
Ik heb al dikwijls in hier gehouden voordrachten op dit alles opmerkzaam gemaakt, en ik zei daarbij, dat we tegenwoordig open en eerlijk in het groot moeten afrekenen met het verleden, niet in kleine, bijkomstige dingen. Daarom mogen we er niet van terugschrikken, om op de juiste manier te karakteriseren, wat verdwijnen moet, want nooit kan iets nieuws opgebouwd worden, als men niet een klaar begrip heeft, van wat de denkgewoonten van de mens en zijn gevoelens heeft bedorven.
We zouden kunnen zeggen: in ’t bijzonder aan onze Middel-Europese cultuur

blz. 113

Kultur ist stark zu bemerken, wie zuerst zusammengebrochen ist eine wirklich positive Staatsidee. Man versuchte sie aufzubauen noch im Anfang des neunzehnten Jahrhunderts; sie ging unter unter dem Ein­fluß der historischen Gebilde, die ihre Impulse geltend machten. Und ohne daß die Betreffenden, die dabei beteiligt waren, es merkten, während sie glaubten, vorurteilslose Wissenschaft zu treiben, kam es dahin, daß dasjenige, was getrieben wurde, nur im Dienste des Staates oder des Wirtschaftskörpers getrieben worden ist. Nicht allein in die Verwaltung der Wissenschaft, sondern auch in den Inhalt der Wissen­schaft und namentlich in alles das, was praktische Wissenschaft ge­worden ist, ist das hineingeflossen, was durch den Einfluß des Staates gekommen ist. Daher haben wir heute so gut wie keine National­ökonomie, weil ein freies, auf sich gestelltes Denken sich nicht ent­wickeln konnte. Daher stehen wir heute gerade mit Bezug auf die wichtigsten Gesetze des Wirtschaftslebens so da, daß man gar nicht verstanden wird, wenn man von echten volkswirtschaftlichen Ge­setzen spricht. Und man merkt dies ganz besonders daran, wie die Päd­agogik in Unordnung gekommen ist, die Pädagogik großen Stiles, die nicht im Leben drinnen steht, sondern sich aus dem Leben heraus zurückgezogen hat in die Schulstube. 

bemerkt je zeer duidelijk, hoe daar in de eerste plaats een werkelijk positieve ideeënopbouw over het Staatsleven is ingestort. Men probeerde nog in het begin van de 19e eeuw om tot zo’n ideeënbouw te komen; hij viel ineen onder de invloed van de gedachte, die enkel het historische recht liet gelden. Dit gebeurde zonder dat zij, die bij dit alles betrokken waren, dit bemerkten, omdat ze geloofden, wetenschap te beoefenen, vrij van alle vooroordeel, en dat leidde  ertoe, dat alles wat zo beoefend werd enkel in dienst van het Staatsleven en het economische leven gebeurde. Niet alleen in de organisatie van de wetenschap maar ook inhoudelijk, en wel bij alles wat practische wetenschap is geworden, is binnengestroomd, wat door de invloed van de Staat is ontstaan. Daarom hebben wij tevens in dezen tijd eigenlijk zo goed als geen werkelijke staathuishoudkundige wetenschap, omdat een vrij onafhankelijk denken, dat de waarheid enkel met zich zelf heeft uit te maken, zich niet kon ontwikkelen. Daarom staan wij tegenwoordig juist met betrekking tot de voornaamste wetten van het economische leven er zo voor, dat men helemaal niet wordt begrepen, wanneer men over werkelijke wetten spreekt. En men bemerkt dit in ’t bijzonder daaraan, dat het opvoedingswezen in zijn heersende, algemeene, grote tendens niet meer in het volle leven staat, zich uit het leven in het schoollokaal heeft teruggetrokken.

Niemals kann eine wirkliche lebensvolle Betrachtung von irgend etwas zustande kommen, wenn man bloß hinweist auf dasjenige, was äußerlich erfahren werden soll -und nicht, wie es erfahren werden soll. Dasjenige, was in der neueren Zeit allein ausgebildet worden ist, die Anbetung der bloßen äußeren Erfahrung, das führt nur in die Konfusion hinein, gerade wenn es gwissenhaft ausgeführt wird. Das was wir brauchen, ist, daß wir im­stande sind, auch die inneren Impulse auszubilden, die uns an die richtige Stelle der Erfahrung hinführen. Sie erinnern sich, daß ich am letzten Freitag aufmerksam gemacht habe in der Weise, wie es allerdings nur kurz geschehen konnte innerhalb dieser Vorträge, wie durch ein Studium der europäischen Wirtschaftsverhältnisse am Ende des vierzehnten und im Beginn des fünfzehnten Jahrhunderts eine Aufklärung darüber gewonnen werden könnte, wie zu gestalten sein werden die Genossenschaften in der Zu­kunft, die aus Produktions- und Konsumtionsimpulsen heraus zu bilden

Nooit kan een werkelijke levensvolle beschouwing van iets ontstaan, wanneer men alleen op datgene wijst, wat min of meer uiterlijk moet worden ervaren en vaststelt, en niet hoe het moet worden ervaren. Wat in de nieuwere tijd enkel ontwikkeld is, is de aanbidding van de uiterlijke ervaring; en die voert enkel tot allerlei onmogelijkheden, vooral wanneer men nauwgezet handelt. Dat, wat we nodig hebben is, in staat te zijn ook de innerlijke impulsen te ontwikkelen, die ons op de juiste plaats brengen in de wereld van de ervaring. U herinnert zich nog wel, dat ik afgelopen vrijdag* erop gewezen heb — in deze voordrachten kon dit natuurlijk slechts in korte trekken, — dat door bestudering van de Europese economische verhoudingen in de 14e en begin 15e eeuw een helder denkbeeld daarover zou kunnen ontstaan, hoe in de toekomst de corporaties, die uit de productie- en consumptie-impulsen tot stand moeten komen,

*am letzten Freitag: Öffentlicher Vortrag vom 16. Mai 1919 abgedruckt in: Rudolf Steiner Neugestaltung des sozialen Organismus», GA 330.

blz. 114

sind. Aber auf diesen für das ganze europäische Leben grund­legenden Betrachtungsgesichtspunkt, der ausgeht von dem, was so deutlich zu lernen ist in dem großen Wendezeitalter der neueren Zeit auf allen Gebieten Ende des vierzehnten Jahrhunderts, Anfang des fünfzehnten Jahrhunderts, wird man nur hingelenkt, wenn man eben die großen Gesichtspunkte aus einer grundlegenden anthroposophi­schen Betrachtung heraus gewinnt. Man fälscht nicht die Tatsachen dadurch, aber man wird hingelenkt auf diejenigen Punkte der Ent­wickelung, wo sich in bedeutsamen Symptomen dasjenige verrät, was doch mehr unter der oberflächlichen Entwickelungsströmung bleibt und was als das eigentlich treibende Element anzusehen ist. Dafür waren der heutigen Pädagogik und wissenschaftlichen Didaktik die innerlich wissenschaftlich-methodischen Richtlinien verborgen; Päd­agogik und Didaktik waren mehr oder weniger auf den Zufall an­gewiesen; auf dieses oder jenes Gebiet lenkte sie der Zufall. Das brauchen wir, daß wir innerliche Richtlinien bekommen, die uns auf diejenigen Wahrheiten hinlenken, die die wichtigen sind: die Richt­linien, die aus Goethes Weltanschauung gewonnen werden können, durch die sich viel, viel erkennen läßt.

zich kunnen vormen. Om echter uit te gaan van een beschouwing van deze periode, die voor het hele Europese leven van zo’n ingrijpende betekenis was; — uit te gaan van datgene, wat zo duidelijk is te leren uit deze grote periode van ommekeer op alle gebieden: daarop valt alleen dan de aandacht, wanneer men werkelijk diepere gezichtpunten, van waaruit de geschiedenis is te begrijpen, uit een antroposofische manier van beschouwen zich eigen maakt. Men vervalst daardoor niet de feiten, maar men wordt naar die punten in de ontwikkeling van dr mensheid geleid, waar zich dat in betekenisvolle symptomen voor ons aan het licht komt, wat meer onder de oppervlakte van de ontwikkelingsstroming blijft en wat als het eigenlijk drijvende element in die ontwikkeling moet worden gezien, Aan de tegenwoordige pedagogiek en wetenschappelijke didactiek was een innerlijk-wetenschappelijke methode voor dit alles verborgen. Pedagogie en didactiek waren meer of minder op toevalsbeschouwingen aangewezen; het toeval leidde hen naar het een of andere gebied. Wij hebben echter innerlijke richtlijnen nodig, die onze aandacht vestigen op die waarheden, die belangrijk zijn in de werkelijkheid. Wij hebben de richtlijnen nodig die gewonnen kunnen worden uit Goethe’s wereldbeschouwing, waardoor veel zou zijn te begrijpen.

Das darf nicht konstruiert sein, das darf nicht aus dem Verstande heraus gesucht werden, das muß gesucht werden aus einem inneren Verwobensein des Menschen mit der Welt, wie es uns ganz abhanden gekommen ist, was sich gerade darin zeigt, daß wir in so äußerlicher Weise das individuelle Men­schenwesen ergründen wollen, wie es durch die pädagogische Ab­zweigung der Experimental-Psychologie geschehen ist. Vor allen Dingen müßte heute ein Licht aufgesteckt werden den­jenigen, die Kinder zu erziehen haben, über den Grundnerv der Entwickelung der neueren Zeit. Und steht man an einem Punkte, wo die Hauptrichtung des Lebens geändert werden muß, so ist vor allen Dingen die Einsicht in dasjenige notwendig, was bisher in der Mensch­heitsentwickelung heraufgekommen ist. Erst ging zugrunde der ele­mentare Impuls nach dem wirtschaftfreien Staatsleben; dann, im letz­ten Drittel des neunzehnten Jahrhunderts und im zwanzigsten Jahr­hundert, traten wir insbesondere in Mitteleuropa unser Geistesleben mit Füßen, machten es zu einem bloßen Parasiten des Daseins. Wieviel

Dit mag niet iets geconstrueerds zijn, het mag niet uit het verstand gesponnen worden. Het moet worden gezocht uit een als mens zich innerlijk verbonden vóelen met de wereld. En dit is ons geheel en al iets vreemds geworden, wat zich dan daarin toont, dat wij b.v. op een zo uiterlijke manier het individuele wezen van de mensen willen doorgronden, als dat door de pedagogische tak van de experimentele psychologie is gebeurd. .— Bovenal zou tegenwoordig bij hem, die kinderen heeft te onderwijzen een licht op moeten gaan over de diepere gronden van de ontwikkeling van de nieuwere mensheid. En omdat we nu op een punt staan waarop de hoofdrichting van het leven veranderd moet worden, is vóór alles inzicht nodig in wat voorheen in de mensheidsontwikkeling is ontstaan. Eerst ging te gronde de elementaire drang naar een staats- of rechtsleven, dat vrij is van economische interessen.; toen, in het laatste derde deel van de 19e eeuw en in de 20e eeuw traden wij, in Middel-Europa in het bijzonder, het geestesleven met voeten, maakten het tot een parasiet in het maatschappelijke leven. Hoeveel

blz. 115

ist eingeflossen in dieses Geistesleben, in dem wir heute drinnen stehen wollen, zum Beispiel von dem großen Impuls des Goetheanis-mus? Nichts, so gut wie nichts! In äußerlicher Weise wird herum-geredet über Goethe; von dem Ungeheuren, das steckt in Goethes Art, die Welt anzuschauen, ist nichts übergegangen in das allgemeine Bewußtsein. Gewissenlos genug, ich habe es öfters erzählt, war die Weimarer Goethe-Gesellschaft, nicht daran zu denken, irgendeinen Menschen an ihre Spitze zu stellen, der etwas von Goethe versteht, sondern einen abgetanen preußischen Finanzminister. Ich habe öfter erwähnt, daß man diese Wahl humoristisch empfinden konnte da­durch, daß er Kreuzwendedich heißt mit Vornamen.So sind wir hineingesegelt in ein Unberücksichtigtlassen unserer geistigen Vergangenheit. Nirgends im Gegenwartsbewußtsein ist das­jenige drinnen, was gerade dem deutschen Geistesleben von der Goe­theschen Seite her sein charakteristisches Gepräge gegeben hat. Alles das ist ausgemerzt worden, ist zum Parasiten gemacht worden. Goethe-Ausgabe über Goethe-Ausgabe ist erschienen – nirgends ist Goethe­scher Geist eingezogen. Derjenige, der die Dinge durchschaut, der muß heute sagen: Auf wirtschaftlichem Gebiet ist es schlimm, auf politischem Gebiet ist es schlimm, auf geistigem Gebiet aber ist es am allerschlimmsten.

is er in dit geestesleven, waarin we tegenwoordig staan, b.v. ingestroomd van de grote impuls van het Goetheanisme ? Niets! Zo goed als niets! Op uiterlijke wijze wordt óver Goethe gesproken; van het geweldige, dat in de manier zit, waarop Goethe de wereld beschouwde, is niets overgegaan in het algemene bewustzijn. De Goethe-vereeniging te Weimar — ik heb dit dikwijls verteld — was gewetenloos genoeg om er niet aan te denken om een mens aan de leiding te plaatsen, die iets van Goethe begrijpt, maar een afgedankte Pruisische Minister van Financiën. ïk heb al vaker op het humoristische gewezen van de keus van deze man, die met zijn voornaam „Kreuzwendedich” (kruis draai je om) heet.
Zo zijn wij er hier dan toe gekomen niet meer te letten op ons verleden op geestelijk gebied. Nergens leeft in het bewustzijn van de tegenwoordige tijd, wat juist het Duitse geestesleven door Goethe iets bijzonder kenmerkends heeft gegeven. Dat is allemaal verdwenen en het geestesleven is tot parasiet gemaakt. De ene uitgave van Goethes werk na de andere is verschenen — nergens heeft de geest van Goethe ingang gevonden. Wie de dingen doorziet moet tegenwoordig zeggen: op economisch gebied ziet het er slecht uit, op politiek gebied eveneens, op het gebied van het geestesleven is de zaak echter het allerergste.

So haben wir zuerst unser politisches Bewußtsein ruiniert; so haben wir nachher unseren Zusammenhang mit unserem eigenen Geistesleben ruiniert. Das sage ich nicht aus einem Pessimis­mus heraus, sondern das sage ich aus dem Grunde, weil aus der Ein­sicht in das, was geschehen ist, hervorgehen muß dasjenige, was zu geschehen hat. Dann, dann kam das, was man den Weltkrieg nennt. Nach dem Zu­sammenbruch des Politischen, das man in künstlicher Weise, schon zerbrochen, doch noch festgehalten hat, nach dem inneren Zusammen­bruch des Geisteslebens der wirtschaftliche Zusammenbruch, von dessen Stärke und Größe sich die Menschen heute noch gar keine Vor­stellung machen, weil sie glauben, wir stehen am Ende oder in der Mitte dieses Zusammenbruchs, während wir erst am Anfang stehen. Dieser wirtschaftliche Zusammenbruch, überall können Sie ihn an dem, was sich als die Weltkatastrophe herausgebildet hat, studieren.

Zo hebben we dan allereerst ons politieke  en ons rechtsbewustzijn geruïneerd, en zo hebben we dan daarna de samenhang met ons eigen geestesleven geruïneerd. Dit zeg ik niet uit een pessimistische stemming, maar omdat uit het inzicht in datgene wat gebeurd is, ontstaan moet, wat voor de toekomst gebeuren moet.
En toen kwam de Wereldoorlog. Na de ineenstorting van het staats- of rechtsleven, dat dan kunstmatig nog verder op de been werd gehouden; — na de ineenstorting van het geestesleven bij verlies van zijn innerlijke inhoud, hebben we de ineenstorting van het economische leven beleefd. Van de intensiteit en omvang van de ontreddering op dit gebied maken de mensen zich nog helemaal geen juiste voorstelling, omdat ze geloven, dat we op het eind, of in het midden van deze gebeurtenissen staan, terwijl we eigènlijk nog in het beginstadium leven. Men kan deze ineenstorting van het economische leven overal aan datgene bestuderen, wat de vorm heeft aangenomen van een wereldcatastrofe.

blz. 116

Würde man heute sachgemäß studieren, ich will sagen, dasjenige, was sich abgespielt hat in dem sogenannten Bagdadbahnproblem vor dem Weltkrieg, da würde man sehen die unglückseligste Zusammenknüp­fung politischen und wirtschaftlichen Lebens. Verfolgt man die ein­zelnen Stadien der Bagdadbahn-Verhandlungen, mit denen ja ins­besondere verknüpft ist der unglückselige Helfferich, so sieht man immer wiederum auf der einen Seite den wirtschaftlichen Kapitalis­mus Kombination über Kombination bildend, auf der andern Seite das Eingreifen national-politischer, chauvinistischer Machinationen; Ma­chinationen, die verschieden sind, je nachdem sie von Osten oder von Westen wirken. In Deutschland beobachtet man verlorenes Taten-Bewußtsein, da das Geistesleben verloren ist, verlorenes Taten-Bewußtsein, da das Staatsleben verloren ist, Beschränkung auf das bloße Wirtschaftsleben. Von Westen überall hineinspielend wirt­schaftlich-politische Aspirationen, die in der Maske des Chauvinismus, oder Nationalismus, der in der Maske des Wirtschaftlich-Politischen auftritt; vom Osten Geistig-Politisches, das sich wiederum in der ver­schiedensten Weise maskiert. Alles das zu einem Knäuel vereint in dem, was sich dann in die Absurdität, in die Unmöglichkeit hinein-verlieren muß in dem Bagdadproblem.

Als je zakelijk zou bestudeerde, wat zich voor de Wereldoorlog heeft afgespeeld, bijv. in het zogenaamde probleem van de Bagdadlijn*, dan zou je de onzalige samenkoppeling van het staatsleven met het economische leven duidelijk bespeuren. Ga je elk van de stadia van de Bagdadspooronderhandelingen na, — waarmee in ’t bijzonder Helfferich** was verbonden, — dan zie je telkens weer, hoe enerzijds het kapitalisme op economisch gebied combinatie op combinatie vormt; hoe anderzijds nationaal-politieke, chauvinistische machinaties ingrijpen, machinaties die een verschillend karakter dragen al naar gelang ze vanuit het Oosten of het Westen komen. In Duitsland zie je dat het bewustzijn van wat Duitsland werkelijk heeft te doen in en voor de wereld, verloren is gegaan, omdat het zijn geestesleven heeft verloren, omdat zijn eigenlijk staatsleven verloren is gegaan. In Duitsland heeft men zich tot het kapitalistisch economische beperkt. Van uit het Westen spelen in de gebeurtenissen overal economisch-politieke aspiraties, zich chauvinistisch maskerend, of nationale aspiraties zich economisch-politiek maskerend. En vanuit het Oosten worden geestelijke impulsen op politiek gebied uitgespeeld, en weer op verschillende manieren zich maskerend. En dat alles was onontwarbaar verenigd in het Bagdadprobleem, in alles wat tot absurditeiten, tot onmogelijkheden leidde.

*in dem sogenannten Bagdadbahnproblem: Die Deutsche Bank, welche schon den Ausbau der Bahnverbindung Konstantinopel-Ankara finanziert hatte, erhielt 1903 auch die Konzession für die Weiterführung der Bahn über Bagdad nach Basra am Persischen Golf. Dies führte in den folgenden Jahren zu politischen Auseinandersetzungen mit England und Rußland, die eine Ausweitung des deutschen Einflußes in dieser Zone befürchteten.
**Karl Helfferich, 1872-1924, wurde 1906 Direktor der Bagdadbahn, 1908 Direktor der Deutschen Bank, 1915 bis 1917 hatte er, zunächst als Staatssekretär des Reichsschatzamtes, dann als Staatssekretär des Inneren und Stellvertreter des Reichskanzlers, die Verantwortung für die Finanzierung des Krieges und für die wirtschaftliche Kriegsführung. Am 23,4.1924 kam er, kurz vor einem großen Wahlsieg seiner Partei, durch das Eisenbahnunglück bei Bellinzona ums Leben.

In diesem Bagdadbahnproblem, in seinem ganzen Hergang, liegt einfach der Beweis für die Unmög­lichkeit einer Weiterentwickelung des alten Imperialismus, für die Un­möglichkeit einer Weiterentwickelung des alten politischen Systems.
Dasjenige, was so sich, ich möchte sagen, an einem großen welt-politischen Problem zeigt, in dem Willen, diese Bahn zu bauen, das zeigt sich auch in den Einzelheiten während des Krieges. Man hat nur die Dinge niemals so betrachtet, daß man sich mit sachgemäßen Richt­linien hingewendet hat zu dem Punkte, wo die äußeren Ereignisse innere Zusammenhänge verraten können. Sehen Sie, Kapp quietschte, Bethmann Hollweg zeterte, und die geistigen Vertreter von Deutsch­land schwiegen. Es war einmal eine solche Situation. Kapp, der Ver­treter der Landwirtschaft, quietschte, weil er nicht mehr aus und ein wußte über all der Kriegswirtschaft mit der Landwirtschaft. Beth­mann Holiweg, der unpolitischste Kopf, zeterte, weil er etwas Ver­nünftiges über die Sache nicht zu sagen wußte. Und die geistigen Leiter

In dit Bagdadprobleem, in zijn hele ontwikkeling, lag eenvoudig al het bewijs voor de onmogelijkheid van een verdere ontwikkeling van het oude imperalisme, voor de verdere ontwikkeling van het gehele oude politieke systeem.
En wat zo bij dit grote wereldprobleem zichtbaar wordt in de wil, om de spoorlijn aan te leggen, kun je ook zien in de verschillende gebeurtenissen gedurende de Wereldoorlog. Men heeft de dingen enkel nooit zo beschouwd, dat men de aandacht gevestigd heeft op dat punt in de uiterlijke gebeurtenissen, waar deze hun innerlijke samenhang verraden. Kijk, Knapp* piepte van angst, Bethmann Hollweg** jammerde en de geestelijke vertegenwoordigers van Duitsland zwegen. Zo was de situatie nu eenmaal. Kapp, de vertegenwoordiger van de landbouw, piepte, omdat hij niet meer wist wat hij moest doen met landbouw in die hele oorlogshandel. Bethmann Hollweg, het minste politieke kopstuk, jammerde, omdat hij over de zaak niets verstandigs wist te zeggen. En de geestelijke leiders

*Wolfgang Kapp, 1858-1922, Generallandschaftsdirektor in Ostpreußen 1906-1920, Mitbegründer der Deutschen Vaterlandspartei.
**Theobald von Bethmann Hollweg, 1856-1921, Deutscher Reichskanzler 1909-1917. Am 5. Juni 1916 hielt Bethmann Hollweg im Reichstag eine Rede «Gegen Schmähschriften des Generallandschaftsdirektors Kapp.»

blz. 117

Deutschlands schwiegen, weil sie sich ganz zurückgezogen hatten in Formal- Schulmäßiges und nichts wußten vom Leben, keine Ahnung hatten, wie die Dinge des Lebens behandelt werden müssen.
Ich weiß nicht, wie viele sich von Ihnen an diese Dinge erinnern. Es ist gar nicht irgendwie aufgebauscht, was ich Ihnen erzähle, son­dern so war wirklich einmal die Situation, daß Kapp quietschte, Beth­mann Hollweg im Reichstag zeterte über die furchtbare Anzapfung, die der arme erfahren hatte, und diejenigen, die etwas wissen sollten über die Dinge, sie schwiegen oder redeten etwas, was ebenso ist als schweigen, was ferne stand dem Leben. Die wirtschaftliche Entwicke­lung, sie konnte eigentlich nur durch eine große, bemerkbare Welt-tatsache ad absurdum geführt werden. Und wie wir auch in bezug auf das Staatliche herabgekommen sind, das bemerkten viele Leute nicht. Sie hatten ja die Hohenzollern, die Habsburger, den Zarismus. Daß innerhalb des Zarismus, des Hohenzollernreiches, des Habsburger-reiches bereits im allerentschiedensten Sinne, weil Unmögliches damit zusammenhing, der Keim der Auflösung war, darüber konnte man hinwegtäuschen, weil ein unnatürlicher Rahmen dasjenige zusammenhielt, was schon in voller Auflösung war, weil kein Staatsimpuls mehr drinnen war.

van Duitsland zwegen, omdat die zich heel formeel schools teruggetrokken hadden en niets wisten van het leven, geen benul hadden hoe met levenszaken om te gaan.
Ik weet niet hoeveel van u zich deze dingen herinneren. Het is in het geheel niet overdreven wat ik u vertel, maar de situatie was nu eenmaal zo dat Knapp piepte, Bethmann Hollweg in de Rijskdag jammerde over de vreselijke geldleningen waarmee de armen te maken kregen en degenen die over die dingen iets zouden moeten weten, zwegen of zeiden iets wat net zo was als zwijgen, wat ver van het leven afstond.
De economische ontwikkeling kon eigenlijk alleen maar door een grote, merkbare wereldzaak ad absurdum gevoerd worden. En hoezeer we ook met betrekking tot de staat gezonken zijn, merkten vele mensen niet. Die hadden de Hohenzollers, de Habsburgers, het tsarendom. Dat bij allemaal daarbinnen al in een alles beslissende zin, omdat er veel mee samenhing wat onmogelijk was, de kiem lag tot verval, kon men zichzelf voor de gek houden, omdat een onnatuurlijk kader bijeenhield, wat zich al in volledig verval bevond, omdat er geen impuls van de Staat meer in zat.

Heute wird von sozialistischer Seite oftmals betont, der Staat müsse aufhören. Niemand hat mehr zum Aufhören eines vernünftigen Staats­wesens geführt, als die Dynastien Europas im neunzehnten Jahrhun­dert. Das Geistesleben, man konnte sich durch Illusionen und durch allerlei Betäubung hinwegsetzen darüber, daß wir es mit Füßen ge­treten haben, insofern es die Errungenschaft des neunzehnten Jahr­hunderts ist. Beim Wirtschaftsleben ging das nicht. Sehen Sie, wenn der Staat darbt, da tröstet er sich damit, daß man sich an Festen erbaut, die mit papierenen Blumen den Dynasten dargebracht werden. Es ist kein Märchen, sondern eine erweislich wahre Tatsache, daß zum Bei­spiel schön gekleidete Frauen auf den Hamburger Brücken sich ge­stürzt haben mit wahrer Wut auf die Zigarettenstummel, die Wil­helm II. weggeschmissen hat, um sie sich als Andenken aufzubewah­ren. Es ist aber auch kein Märchen, daß jener Wilhelm II. sich nicht mit Abscheu abgewendet hat von solcher Speichelleckerei, sondern

Vandaag wordt er van socialistische kant vaak benadrukt dat de Staat zou moeten verdwijnen. Niemand heeft meer tot het verdwijnen van een verstandg staatswezen geleid dat de dynastieën van Europa in de negentiende eeuw. Het geestesleven, men kon er door illusies en door allerlei in slaap sussends aan voorbijgaan en wij hebben het met voeten getreden, voor zover het het resultaat is van de negentiende eeuw. Dat ging niet bij het ecomisch leven. Wanneer de Staat verkommert, troost deze zich ermee zich op te laten vrolijken door feesten die met papieren bloemen aan de leden van de dynastie aangeboden worden. Het is geen fabeltje, maar een nawijsbaar echt feit, dat bijv. prachtig geklede dames op de Hamburger bruggen zich vol furie op een sigarettenpeukje stortten dat Willem II weggegooid had om het als een aandenken te bewaren. Het is ook geen fabeltje dat diezelfde Willem 11 zich met afschuw afwendde van dergelijke hielenlikkerij, maar

blz. 118

gefunden hat, daß das seiner Eitelkeit sehr gut tat; er delektierte sich daran.
Ja, so haben wir zuletzt gerade auf dem Gebiete des Wirtschafts­lebens die merkwürdige Erscheinung erlebt, die man nicht anders charakterisieren konnte, als daß die Landwirtschaft quietschte, die Politik zeterte, die Industrie rieb sich das Bäuchlein vor Wohlbehagen, die Arbeiter zunächst – insofern sie schon einen kleinen Anteil be­kamen von der Industrie – mit, bis sie zur Front kamen und da einen anderen Ton lernten, und dann auch andere Anschauungen verbrei­teten, als sie wiederum in die Heimat kamen. Derjenige lügt heute selbstverständlich, der sagt, daß von der sogenannten Heimat der Niederbruch ausgegangen ist. Der Niederbruch ist von der Front aus­gegangen, weil die Leute es da nicht mehr aushalten konnten. Solche Dinge, sie muß insbesondere der heute wissen, der das Volk erziehen will. Der darf fernerhin nicht in irgendeinem Winkel sitzen und vom Leben nichts verstehen, sondern der muß kennen, was ge­schehen muß. Viel wichtiger als jene Formalien, die auf Lehrertagen tradiert werden, wäre heute, daß gerade vor den Jugendbildnern über diese kulturhistorische Erscheinung gründlich gesprochen würde und auch enthüllt würde dasjenige, was sich gerade auf dem Gebiet des kapitalistischen Wirtschaftslebens so klar zeigt.

wel vond dat het zijn ijdelheid goed deed; hij genoot ervan. Nu hebben we dus op het gebied van de economie het merkwaardige verschijnsel meegemaakt dat je niet anders karakteriseren kon dan dat de landbouw piepte, de politiek jammerde, de industrie wreef over het buikje van genot; de arbeiders voorop – voor zover die al een klein aandeel kregen van de industrie – tot zij aan het front kwamen en daar andere geluiden leerden en dan ook andere opvattingen toen ze weer terug kwamen naar het vaderland. Wie zegt dat van het zgn. vaderland de ineenstorting uitging, liegt natuurlijk. Die is van het front uitgegaan, omdat de mensen het daar niet meer konden uithouden. Die dingen moet vandaag iemand die het volk wil opvoeden wel in het bijzonder weten. Die mag ook nog eens niet in een of ander hoekje gaan zitten en niets begrijpen van het leven, maar die moet weten wat er gebeuren moet. Veel belangrijker dan de vormelijkheden die op lerarendagen doorgegeven worden, is vandaag dat juist voor de mensen die de jeugd moeten vormen over de cultuurhistorische verschijnselen uitvoerig wordt gesproken en ook duidelijk gemaakt wat juist op het gebied van de kapitalistische economie zo duidelijk zichtbaar wordt.

Sie wissen, von der einen Seite behauptet, von der andern Seite be­stritten, wird einer gewissen Gesellschaft zugeschrieben der Satz : «Der Zweck heiligt die Mittel. » In dem Wirtschaftsleben unter dem Einfluß des Kapitalismus hat sich gezeigt während der sogenannten Welt-katastrophe ein anderer Impuls, der heißt: Der Zweck hat die Mittel entheiligt. Denn überall wurden unter den Zwecken, unter den Zielen, die gesetzt worden sind – gerade das enthüllt wiederum das Bagdad­bahnproblem – die Mittel entheiligt, oder aber es entheiligten wieder die Mittel auch den Zweck und die Ziele. Diese Dinge, die müssen gewußt werden, und sie müssen rückhaltlos heute betrachtet werden. Insofern meine ich meine heutige Be­trachtung pädagogisch, als ich glaube, daß vielleicht nicht der Art nach, aber aus jener Region heraus, aus der heute von mir gesprochen wird, vor allen Dingen zu den Lehrern jeder Stufe gesprochen werden

U weet, men beweert, — sommigen bestrijden dit ook — dat een zekere vereniging de spreuk huldigt: „Het doel heiligt de middelen.” In het economische leven, onder invloed van het kapitalisme toonde zich gedurende de wereldcatastrofe iets anders, d.w.z.: het doel heeft de middelen ontheiligd. Want overal werden door de bedoelingen, die men had — dát ook onthult ons juist dit Bagdadlijnprobleem, — de middelen ontheiligd en de middelen ontheiligden ook weer het doel.
Deze dingen nu moeten geweten worden, en ze moeten vandaag zonder terughouding beschouwd worden. Ik geloof, dat de beschouwingen van heden in zoverre pedagogisch kunnen worden genoemd; niet volgens de manier van behandeling misschien, maar door de hele sfeer, van waaruit door mij vandaag is gesproken; vooral tot de leraren van elk onderwijsniveau gesproken moest worden.

blz. 119

müßte. Dem müssen wir entwachsen, was bisher verhindert hat, daß zu den Lehrern der verschiedensten Stufen von den großen Weltereig­nissen gesprochen worden ist. Dadurch erleben wir ja heute das Trost­lose der absoluten politischen Ungeschultheit eines großen Teiles un­serer Bevölkerung. Man trifft heute Menschen – ich kann in diesem Falle nicht höflich sein, denn ich kann nicht einmal sagen: «die An­wesenden sind ausgenommen», wenigstens nicht alle -, man trifft heute Menschen, die nicht wissen, was sich seit Jahrzehnten selbst in den alleräußersten Äußerlichkeiten zum Beispiel der Arbeiterbewegung, abgespielt hat; die keine Ahnung haben, in welchen besonderen For­men das Proletariat seit Jahrzehnten kämpft. Nun, eine Erziehungs­weise des Volkes, die die Menschen so hereinstellt in die Welt, daß sie aneinander vorbeigehen und nichts wissen voneinander, die muß doch zum Niederbruch führen. Gibt es denn nicht heute Bürgerliche, die kaum vom Arbeiter viel anderes wissen, als daß er anders gekleidet ist als sie und ähnliches, die nichts wissen von jenem Streben, das im Ge­werkschaftlichen, im Genossenschaftlichen, in politischen Parteien lebt, die nicht sich die Mühe genommen haben, hineinzuschauen in dasjenige, was rings um sie herum vorgeht. 

Aan alles moeten we ontgroeien, wat tot nu toe heeft verhinderd, dat tot leraren en opvoeders van de verschillende niveaus, over de grote wereldgebeurtenissen is gesproken. Daardoor beleven we immers tegenwoordig het troosteloze van een absolute ongeschooldheid op het gebied van de maatschappelijke vraagstukken bij een groot deel van onze bevolking. Men treft, ik kan in dit geval niet eens beleefd zeggen: „de aanwezigen uitgezonderd”, tenminste niet alle — men treft tegenwoordig mensen, die niets weten van alles wat sinds tientallen jaren, zelfs in de alleruiterlijkste uiterlijkheden, zich heeft afgespeeld, bijv. in de arbeidersbeweging; die geen flauw idee hebben, hoe het proletariaat sinds tientallen jaren strijdt levert.
Welnu, een manier van opvoeding, die de mensen zo in de wereld plaatst, dat ze aan elkaar voorbijgaan, niets van elkaar weten, die moet tot ineenstorting voeren. Zijn er dan onder de burgers, die zelfs nauwelijks van de arbeider iets anders weten, dan dat hij anders is gekleed dan zij, of iets dergelijks, die niets weten van het streven, dat op het gebied van de vakbonden, van de vorming van politieke partijen leeft, geen die de moeite hebben genomen eens te kijken naar alles, wat zich rondom hen afspeelde?

Woher kommt das? Weil die Menschen nie gelernt haben, zu lernen vom Leben, weil sie immer nur lernen, das oder jenes zu wissen. Man denkt: Ich weiß das, ich bin Spezialist auf diesem Gebiete; du weißt das, du bist Spezialist auf die­sem Gebiete. Daran haben sich die Leute gewöhnt, aber niemals sind sie zu etwas anderem gekommen, als daß sie in ihren Schulen ein Wissen aufgenommen haben und die Aufnahme dieses Wissens als ein Ideal betrachteten, während es doch darauf ankommt, daß man lernen lerne – lernen lerne so, daß man, wenn man noch so alt wird, bis zu seinem Todesjahr ein Schüler des Lebens bleiben kann. Heute haben die Menschen, selbst wenn sie die Hochschule absolviert haben, in der Regel in den Zwanzigerjahren ausgelernt. Sie können nichts mehr vom Leben lernen, sie surren nur ab dasjenige, was sie bis dahin aufgenom­men haben. Höchstens daß sie da und dort ein kleines Aperçu machen. Diejenigen, die anders sind, gehören heute zu den Ausnahmen. Das­jenige, worauf es ankommt, das ist, daß wir eine Pädagogik finden, wo gelernt wird, zu lernen, zu lernen sein ganzes Leben hindurch vom

Waar komt dat vandaan? Dat komt, omdat de mensen nooit hebben geleerd, van het leven zelf te leren, omdat ze steeds alleen maar leren om dit of dat te weten. Men denkt: ik weet het, ik ben op dit gebied een specialist, en jij weet dát, en bent op dat gebied specialist. Daaraan zijn de mensen gewend geraakt, maar nooit zijn ze tot iets anders gekomen, dan dat ze op hun scholen een vorm van weten opgedaan hebben en dat hebben ze als een ideaal beschouwd, terwijl het er toch eigenlijk vooral op aankomt, dat men leert leren, — dat men zo leert leren, dat men, al wordt men nog zo oud, dat men tot het jaar van zijn dood, een leerling in het werkelijke leven blijft. Tegenwoordig is men, zelfs als men de hogeschool doorloopt, in de regel op de leeftijd van 20—30 jaar volleerd. Dan kan men niets meer leren van het leven, en men houdt zich dan verder aan alles, wat men tot die leeftijd heeft opgenomen. Hoogstens neemt men hier of daar nog iets nieuws op. Degenen, die anders zijn, zijn nu uitzonderingen. Waarop het aankomt is, dat we een pedagogie vinden, waar geleerd wordt, zijn hele leven lang

blz. 120

Leben. Es gibt nichts im Leben, wovon man nicht lernen kann. Wir stünden auf einem anderen Boden heute, wenn die Menschen gelernt hätten, zu lernen. Warum sind wir heute sozial so hilflos? Weil Tat­sachen aufgetreten sind, denen die Menschen nicht gewachsen sind. Sie können von den Tatsachen nicht lernen, weil sie sich immer an Äußerlichstes halten müssen. Es wird in der Zukunft keine Pädagogik gehen, die fruchtbar sein kann, wenn man sich nicht wird die Mühe geben, hinauf sich zu erheben zu den großen Kulturgesichtspunkten der Menschheit.
Wer heute ein wenig die Welt betrachtet mit einigen anthroposo­phischen Grundlagen, von denen hier so oft gesprochen worden ist, der weiß konkret zu denken über das, was da ist. Er schaut nach Westen, er schaut nach Osten, und er kann sich Aufgaben stellen aus der konkreten Beobachtung. Er schaut nach Westen, in jene anglo-­amerikanische Welt hinein, in der große politische Impulse, die uns Mitteleuropäern schädlich geworden sind, die aber großzügig sind, seit vielen Jahrzehnten – vielleicht seit länger, ich kann sie nur seit Jahrzehnten verfolgen – gespielt haben. Ja, alle diejenigen großen Im­pulse, die im politischen Leben der neueren Zeit sind, sie sind von der anglo-amerikanischen Bevölkerung ausgegangen, denn die wußte immer mit den historischen Kräften zu rechnen. Als ich während des Krieges versuchte, einigen Leuten das beizubringen, und sagte: 

van het leven te kunnen leren. Er is niets in het leven, waarvan je niet kan leren. We stonden er tegenwoordig anders voor, als de mensen geleerd hadden te leren. Waarom zijn we tegenwoordig sociaal zo hulpeloos? Omdat gebeurtenissen plaats gevonden hebben, waartegen de mensen niet zijn opgewassen. Van de feiten kunnen ze niet leren, omdat ze zich buiten het leven hebben geplaatst en zich steeds slechts aan uiterlijkheden hielden. In de toekomst kan er geen vruchtbare pedagogiek zijn, als men niet de moeite wil doen, om zich te verheffen tot brede gezichtspunten ten opzichte van de cultuurontwikkeling van de mensheid.
Wie tegenwoordig een beetje naar de wereld kijkt vanuit die antroposoflsche gezichtspunten, waarover we hier zo dikwijls hebben gesproken, weet concreet over de feiten en gebeurtenissen te denken. Hij kijkt naar het Westen, naar de Anglo-Amerikaansche wereld, hij werpt een blik op de daar heersende grote politieke impulsen, die voor Midden-Europa noodlottig zijn geworden, die echter in een groots politiek systeem zich belichaamden, al sinds vele tientallen jaren – misschien al wel langer, ik kan ze maar een paar decennia volgen -gespeeld hebben. Ja, al die grote impulsen die er in het politieke leven van deze tijd zijn, zijn van de Anglo-Amerikaanse bevolking uitgegaan, wat die hield steeds rekening met de historische krachten. Toen ik tijdens de oorlog dat probeerde een paar mensen duidelijk te maken en zei:

Wir können nur widerstehen den Kräften, die von dort ausgehen, mit ähnlichen, aus den historischen Impulsen herausgeholten Kräften, da lachten sie mich aus, weil man bei uns keinen Glauben hat an große historische Impulse. Wer den Westen, insofern er anglo-amerikanisch ist, richtig zu stu­dieren versteht, der findet dort eine Summe von menschheitlichen In­stinkten, von Impulsen, die aus dem geschichtlichen Leben heraus kommen. Alle diese Impulse sind politisch-wirtschaftlicher Art. Es gilt elementare, bedeutsame Impulse innerhalb des Anglo-Amerika­nertums, die alle politisch-wirtschaftliche Färbung haben, die alle poli­tisch so denken, daß politisch über die Wirtschaft gedacht wird. Aber nun gibt es da eine Eigentümlichkeit; das ist die: Sie wissen, wenn wir reden über das Wirtschaftliche, so fordern wir, daß im Wirtschaftlichen

Wij zijn slechts dan opgewassen tegen de krachten, die van daar komen, wanneer wij eveneens vinden, wat voor ons in de stroom van de gebeurtenissen werkelijke historische impulsen zijn, dan lachte men me uit, omdat men bij ons geen geloof hecht aan grote historische impulsen. Wie het Westen, voor zover het Anglo-Amerikaans is, juist weet te bestudeeren, vindt aldaar een aantal in de mensheid levende instinctieve impulsen, die uit het historische leven komen. Al deze impulsen zijn van politiek-economise aard. Het zijn betekenisvolle impulsen, met elementaire kracht werkend in de Anglo-Amerikaanse mensheid ; ze zijn alle politiek- economisch getint, ze doen op politiek gebied de mensen zo denken, dat vanuit een politiek standpunt over economische belangen wordt gedacht. Nu hebben we daar met de volgende eigenaardigheid te maken: u weet, als wij spreken over het economische leven, dan willen wij, dat voor de toekomst broederlijkheid moet heersen in het economische leven;

blz. 121

in der Zukunft walte die Brüderlichkeit; die war gerade herausgetrieben aus dem westlichen imperialistischen, politisch-wirt­schaftlichen Streben. Die Brüderlichkeit war da gerade weggeblieben, die war ausgeschaltet worden. Daher nahm das, was da lebte, den stark kapitalistischen Zug an.
Die Brüderlichkeit, die entwickelte sich im Osten. Wer den Osten nach seiner ganzen geistig-seelischen Art studiert, der weiß, daß da aus dem Menschen herausquillt wirklich der Sinn für die Brüderlichkeit. Und so war das Eigentümliche im Westen die Hochflut des wirtschaft­lichen Lebens unter der Unbrüderlichkeit, daher zum Kapitalismus hintendierend. Im Osten die Brüderlichkeit ohne die Wirtschaft; bei­des wurde auseinandergehalten durch Mitteleuropa, durch uns. Wir haben die Aufgabe – und das ist dasjenige, was vor allen Dingen der Lehrer wissen müßte -, wir haben die Aufgabe, synthetisch zusammen­zufassen die Brüderlichkeit des Ostens mit der Unbrüderlichkeit, aber wirtschaftlichen Denkweise des Westens. Dann sozialisieren wir im großen Weltensinn, wenn wir das zustande bringen.
Und wiederum schauen wir nach dem Osten mit einer richtigen Richtlinie

in de toekomst zou er broederlijkheid moeten heersen; die is echter verdwenen uit het westelijke, imperialistische, politiek-economische streven. De broederlijkheid is daar weggebleven, uitgeschakeld. Daardoor kreeg alles, wat daar leefde een sterk kapitalistisch karakter.
De broederlijkheid ontwikkelde zich echter in het Oosten. Wie het wezen van het Oosten bestudeert op het gebied van ziel en geest weet, dat daar in de mensheid werkelijk zin voor broederlijkheid leeft. En zo is het eigenaardige van het Westen een overmaat van het economische leven met onbroederlijke, naar het kapitalisme neigende tendenzen; en van het Oosten de broederlijkheid zonder streven op economisch gebied. Beide werden in Midden-Europa van elkaar gehouden, door ons. Wij  hebben de opgave — en dat is vooral wat de leraar, moet weten — wij hebben de opgave synthetisch samen te voegen de broederlijkheid van het Oosten met de zin voor het praktisch economische van het Westen. Dan socialiseren we, in de zin van de grote, levende wereldgebeurtenissen, als we dat tot stand brengen.
Kijken we nog eens naar het Oosten vanuit een juist gezichtspunt.

Da haben wir von alters her ein hohes Geistesleben. Daß es heute schon erstorben wäre, kann nur jemand behaupten, der Rabindranath Tagore nicht versteht. Es lebt da der Mensch ein geistig-politisches Leben. Das ist im Osten. Wo ist sein Gegenpol? Der ist nun wiederum im Westen. Denn diesem geistig-politischen Leben des Ostens fehlt etwas: die Freiheit. Es ist eine Gebundenheit, die bis zur Selbstentäußerung des Menschen in Brahma oder Nirwana geht. Es ist das Widerspiel aller Freiheit. Freiheit hat sich dafür der Westen erobert. Wir sind dazwischen drinnen, wir müssen das synthetisch zu­sammenfassen. Solches können wir nur, wenn wir klar im Leben aus­einanderhalten Freiheit und Brüderlichkeit, und das dazu haben, was die Gleichheit ist. Wir müssen unsere Aufgabe nicht nur verstehen so, daß sich für alle alles schickt. Denn es ist der Verderb alles Wirklich­keitsstrebens, wenn man abstrakt denkt. Diejenigen Menschen ruinie­ren alles wirklichkeitsgemäße Denken, die glauben, man könne über die ganze Erde hin ein einheitlich abstraktes Ideal aufstellen, oder für die Gegenwart eine solche gesellschaftliche Ordnung bestimmen, die

Daar vinden we een groots geestesleven vanuit oude tijden. Dat het tegenwoordig dood zou zijn, kan je alleen maar beweren als je bijv. een Rabindranath Tagore* niet begrijpt. De mens daar leeft een geestelijk-politiek leven. Zo is het Oosten. En waar is de tegenpool? Die is weer in het Westen te vinden. Want dit geestelijk-politieke leven in het Oosten mist iets: de vrijheid. Daar heerst de gebondenheid, die zelfs tot aan het verlies van het zelf tot Brahma of Nirwana voert. Dat is het tegenovergestelde van vrijheid. Het Westen heeft  de vrijheid veroverd. Wij staan daar tussenin, wij moeten dat synthetisch bij elkaar brengen. Zoiets kunnen we alleen, wanneer we vrijheid en broederlijkheid duidelijk van elkaar gescheiden houden, en dan bovendien nog de gelijkheid ierbij hebben. Wij moeten onze opgave alleen niet zo opvatten, als zou die voor de hele wereld goed zijn. Want het is verderfelijk voor alle streven, dat in de werkelijkheid wortelt, wanneer je abstract denkt. Mensen die geloven, dat je een voor de hele aarde geldend abstract ideaal kan formuleren, of in onze tijd kan bepalen, hoe de maatschappelijke orde moet zijn, die eeuwig geldig en goed is

*Rabindranath Tagore, 1861-1941, indischer Dichter und Religionsphilosoph

blz. 122

ewig gültig wäre. Unsinn ist das nicht nur, sondern Versündigung wider die Wirklichkeit, denn jeder Raumteil und jeder Zeitteil hat seine eigene Aufgabe, die man erkennen muß. Dann aber muß man nicht zu faul sein, in die wirklich konkreten Menschenverhältnisse hineinzuweisen. Dann muß man seine Aufgabe dadurch erkennen, daß man die Tatsachen sinngemäß zu studieren versteht. Immer mehr weg von einem solchen sinngemäßen Studieren der Tatsachen hat uns die neuere Volkspädagogik gebracht. Sie will nichts wissen von einem solchen konkreten Eingehen auf Erscheinungen. Denn da fängt ge­rade die Region an, wo sich der Mensch heute unsicher fühlt. Die Menschen möchten heute definieren, statt zu charakterisieren. Sie möchten heute Tatsachengebilde in sich aufnehmen, statt diese Tat­sachengebilde als bloße Symptome hinzunehmen für dasjenige, was sich in den tieferliegenden Impulsen ausdrückt. Ich rede heute so, daß dasjenige, was ich rede, entnommen sein soll der Region, aus der heraus man heute pädagogisch sprechen müßte. Und diejenigen Menschen, die am besten eingehen können in Be­trachtungen über eine solche Region, die sind heute die besten Er­zieher und Unterrichter, nicht diejenigen, die man abfrägt, ob sie das oder jenes in diesem oder jenem Fach wissen; das können sie aus dem Handbuch nachlesen, oder sie können aus dem Konversationslexikon sich vorbereiten für die Stunde. 

die ruïneren alle denken, dat zich op de werkelijkheid baseert. Dit is niet alleen onzin, maar een zondigen tegen de werkelijkheid, want ieder deel van de ruimte, ieder deel van de tijd heeft zijn eigen opgave, die men kennen moet. Daarvoor moet je echter niet te traag zijn, om in de werkelijke, concrete verhoudingen van de mensheid door te dringen. Je moet dan echter wel je opgave kennen, dat je de feiten zinvol weet te bestuderen. De volkspedagogiek heeft ons daar steeds verder vandaan gebracht. Die wil niets weten van zo’n concreet ingaan op de dingen, want daar begint de sfeer, waar de mens zich tegenwoordig onzeker voelt. De mensen willen tegenwoordig het liefst definiëren, inplaats van te karakteriseren. Ze zouden tegenwoordig liever feitenformules in zich opnemen, in plaats van deze feiten enkel als symptomen te beschouwen voor wat als diepere impulsen in het mensheidsproces tot uitdrukking komt. Ik spreek vandaag zo, dat wat ik zeg, ontleend wil zijn aan die sfeer, van waaruit men tegenwoordig over opvoeding zou moeten spreken. En wie zich het beste kan verbinden met de gezichtspunten vanuit deze sfeer, is tegenwoordg de beste opvoeder en leraar, niet degene die men examineert of hij dit of dat van een of ander leervak weet; dat kan je wel in een handboek nalezen, of in een encyclopedie, wanneer je je op een lesuur moet voorbereiden.

Was sie als Menschen sind, das ist das­jenige, was für die zukünftigen Prüfungen in Betracht kommen müßte. Ein solches Geistesleben in pädagogischer Wendung, das macht es schon aus sich selbst notwendig, daß man nicht bloß präpariert wird in einer gewissen einseitigen Weise für das Kulturleben, sondern daß man in allen drei Zweigen des Menschenwesens auch wirklich, als Geisteswirker wirklich drinnen steht. Ich stehe nicht an, zu behaupten, daß derjenige, der nie mit der Hand gearbeitet hat, keine Wahrheit in der richtigen Weise sehen kann, daß er niemals richtig im Geistesleben drinnen steht. Das soll gerade erreicht werden, daß der Mensch hin und her geht in den drei Gebieten des dreigliedrigen sozialen Organis­mus; daß er reale Beziehungen anknüpft zu allen drei Gliedern des­selben; daß er arbeitend, wirklich arbeitend ist in allen dreien. Die Möglichkeiten dazu, oh, sie werden sich ergeben. Aber der Sinn dafür,

Wat men als mens is, daar moet het bij de examens van de toekomst om gaan. Zo’n geestesleven, op de pedagogie toegepast, maakt het op zich al noodzakelijk, dat je niet alleen maar op een eenzijdige manier voorbereid wordt voor het cultuurleven, maar dat je daadwerkelijk als iemand die werkt op het gebied van de drie wezensdelen van de mens, sterk staat. Ik aarzel niet te beweren dat degene die nooit met zijn handen heeft gewerkt, de waarheid niet op een juiste manier kan zien, dat die nooit op een goede manier in het geestesleven kan staan. Er moet nu juist bereikt worden, dat de mens in reële betrekking leeft tot alle drie gebieden van het drieledige sociale organisme; dat hij werkelijk werkzaam is — op zijn manier — op alle drie de gebieden. De mogelijkheden daarvoor zijn wel te vinden. Dat

blz. 123

der muß in die Köpfe namentlich der künftigen Jugendbildner durchaus hinein.
Dann wird ein anderer Sinn noch erwachen: der Sinn, über das Spezialistentum hinauszugehen zu dem, was wir zu erzeugen versuch­ten durch das, was hier Anthroposophie genannt wird. Erreicht wer­den muß, daß nie abreißt der Faden zu einer allgemein menschlichen Betrachtung, zu einer Einsicht in dasjenige, was der Mensch eigent­lich ist; daß man nie im Spezialistentum untergeht, trotzdem man in der Spezialität seinen Mann stellen kann. Das erfordert allerdings ein viel aktiveres Leben, als es heute vielfach beliebt ist. Ich habe öfter eine außerordentlich mißstimmende Erfahrung ge­macht bei allerlei Gelehrten- und Fachversammlungen. Da kommen Leute zusammen mit dem ausdrücklichen Zweck, ihr Fach zu fördern. Nun ja, das wird ja auch stundeniang, manchmal sehr fleißig, sehr emsig getan. Aber dann habe ich oftmals einen sonderbaren Ausdruck gehört, den Ausdruck «Fachsimpelei». Man wollte nur ja auch die Stunden finden, wo man nicht mehr fachsimpelt, nicht mehr von dem redet, ja, was eigentlich sein Fach ist. Es ist zumeist das dümmste Zeug, was dann geredet wird, das langweiligste Zeug, aber es wird nicht fachgesimpelt; es werden so die Leute ausgefragt, sonst manche Dinge besprochen, vielleicht auch manchmal bessere – aber das wird gar nicht gern gesehen-, kurz, man ist froh, wenn man über die Fach­simpelei hinaus ist. 

men zin voor deze dingen heeft, dat is het echter, wat „er in” moet bij de toekomstige opvoeders van de jeugd. Dan zal ook de zin voor iets anders ontstaan: de zin, om boven het specialistendom uit, te komen tot wat wij probeerden te bereiken door alles wat hier antroposofie genoemd wordt. We moeten bereiken, dat nooit de draad afbreekt, die de mens verbindt met een algemeen menselijk beschouwen van het leven, die tot inzicht leidt in alles, wat de mens eigenlijk is; wij moeten zorgen dat men niet ondergaat in het specialistendom, hoewel men in zijn vak zijn mannetje moet staan. Dat eist van ons zeer zeker een veel actiever leven dan waarvan men tegenwoordig houdt. Ik heb vaker bij allerlei vergaderingen van geleerden en specialisten een buitengewoon vervelende stemming ervaren. Daar komen mensen bij elkaar met het nadrukkelijke doel, om hun tak van wetenschap vooruit te brengen. Nu ja, dat wordt dan ook uren lang, vaak met veel inzet, zeer ernstig gedaan. Maar dan heb ik daar dikwijls een wonderlijke uitdrukking gehoord n,l. de uitdrukking „Fachsimpelei.” [puur beroepsmatig, vaktechnisch bezig zijn, ook vakidiotie]. En men wilde daarom ook tijd vinden, waarin men niet meer aan deze „Fachsimpelei” deed, niet meer sprak over alles, wat tot zijn vakgebied hoorde. Wat er dan meestal besproken werd, was echter het vervelendste en oninteressantste, maar er werd niet meer aan „Fachsimpelei” gedaan; men vroeg elkaar van alles, er werden veel andere dingen besproken, misschien ook dikwijls betere – maar dat ziet men niet graag -. kortom, men is blij als men van dat voortdurend praten over zijn speciaal studievak af is.

Ja, beweist das nicht, wie wenig man zusammen­geschlossen ist mit demjenigen, was man eigentlich für die Menschheit tut und tun soll, wenn man froh ist, wenn man ihm entschlüpfen kann? Und nun frage ich Sie: Wird jemals eine führende Menschheit, die so schnell wie möglich ihren Fächern zu entschlüpfen versucht, in der Lage sein, einer arbeitsfreudigen handarbeitenden Bevölkerung gegen­überzustehen? Wenn Sie heute selbstgefällig reden über dasjenige, was bei der eigentlich handarbeitenden Bevölkerung als Schäden vor­handen ist, dann fragen Sie ja nicht diese handarbeitende Bevölkerung, sondern fragen Sie das Bürgertum, denn das hat die Schäden erzeugt; da sind sie überall zuerst zu finden. Diejenigen, die in den verödenden Kapitalismus eingespannt sind als Handarbeiter, die können wahr­haftig nicht in eine Ordnung hineinkommen, in der ihnen ihre Arbeit

Bewijst dat niet, hoe weinig men met zijn hele menselijke interesse verbonden is met alles, wat men voor de mensheid doet of moet doen, als men blij is, eens van zijn werk af te kunnen zijn. En nu vraag ik u: zal ooit een leidinggevend deel van de mensheid, dat zich graag zo snel mogelijk aan zijn werk onttrekt, met een werkende bevolking, die voor zijn werk voelt, samen kunnen leven ? Men spreekt tegenwoordig op een zelfvoldane manier, over alles, wat bij de bevolking, die met de handen werkt, aan schadelijke impulsen leeft; maar vraag dan eens, niet aan deze werkende bevolking, maar aan de bourgeoisie, dan zal je vinden wat oorspronkelijk deze schadelijke invloeden in ’t leven heeft geroepen; daar, bij de bourgeoisie, is dit alles het eerst te bespeuren geweest. Degenen, die in het dorre kapitalisme in het gareel moeten lopen als arbeiders, die kunnen zich echt niet in een maatschappelijke orde thuisvoelen, waarin hun werk

blz. 124

Freude macht, wenn darüber die Schicht steht, die immer so schnell wie möglich entschlüpfen will demjenigen, in dem sie freudig drinnenstehen soll. Das sind die ethischen Nebeneffekte unserer bisherigen Pädagogik. Das ist dasjenige, was vor allen Dingen gesehen werden muß, was vor allen Dingen anders werden muß. Da ist vieles, was in den Denkgewohnheiten der Unterrichtenden und Lehrenden zukünf­tig anders drinnen sein muß, als es bisher drinnen war. Was wollte ich Ihnen in diesen Ausführungen auseinandersetzen? Nun, ich wollte Ihnen klar machen, wie radikal heute hingewiesen werden muß auf dasjenige, was zu geschehen hat. Wie es durchaus notwendig ist, herauszukommen aus dem Kleinlichen, aus dem furcht­bar Kleinlichen, in das wir unsere Denkinhalte hineingezwängt haben, unser ganzes Empfindungs- und Willensieben hineingezwängt haben. Wie soll denn ein Wille gedeihen – und  wir brauchen diesen Willen in der Zukunft -, wenn er im Lichte dieser kleinen, dieser Denkgewohnheiten kleinsten Kalibers und Empfindungsgewohnheiten kleinsten Kalibers stehen soll?
Was haben wir heute alles nicht, was wir in der Zukunft haben müßten?

hun voldoening geeft, als boven hen een deel van de bevolking staat, dat steeds zo snel mogelijk alles ontlopen wil, waarmee het eigenlijk steeds met zin in het werk zich verbonden moest voelen. Dat zijn de ethische neveneffecten van de pedagogie tot nog toe. Dat moeten we vooral inzien en dat moet vooral anders worden. Er is veel dat in de denkgewoonten van de leraar in de toekomst anders moet zijn dan tot nog toe.
Wat wilde ik nu met deze besprekingen ? Ik probeerde u er een idee van te geven, hoe radicaal men tegenwoordig op alles moet wijzen, wat er gebeuren moet. Hoe nodig het werkelijk is, al die zo vreselijk kleinzielige dingen te boven te komen, die onze denkgewoonten, ons willen en onze levensgewoonten beheersen. Hoe zal er een wil gedijen — en die hebben we voor de toekomst nodig — wanneer we door zoveel kleingeestigheid beheerst worden ? Wat bezitten we tegenwoordig dan allemaal niet, wat we in de toekomst moeten hebben?

Wir müssen eine wirkliche Volkspsychologie haben. Wir müssen wissen, was alles im Menschen ist, der heranwächst. Dieses Erkennen haben wir ausgeschaltet. Statt dessen haben wir eine Prü­fungsmethode bekommen, die am Menschen herumexperimentiert, weil sie auf Eigentümlichkeiten nicht intuitiv eingehen kann. Es sollen allerlei Apparate verraten, was der Mensch für Fähigkeiten hat. Und wir getrauen uns heute nicht, auf diese Dinge hinzuweisen. Warum? Weil wir nicht das Interesse aufbringen für diese Dinge. Weil wir durch die Welt mit schlafender Seele gehen. Unsere Seele muß er­wachen. Wir müssen auf die Dinge hinschauen. Dann werden wir sehen, daß vieles, was wir heute als große Fortschritte verehren, Ab­surditäten sind. Dieser arme Pädagoge der Volksschule, er wird ja heute hinausgeschickt wie ein menschliches, zahm gemachtes Kanin­chen, um gar nicht sehen zu können, was eigentlich in der Welt lebt. Und der erzieht die Menschen, die dann so erzogen werden, daß sie an ihren Mitmenschen vorbeigehen und keine Ahnung haben, was in den Seelen dieser Mitmenschen lebt. Jetzt ist es so – ganz abgesehen davon,

We moeten een echte volkspedagogie hebben. We moeten weten, wat in er in de jonge mens opbloeit. Deze kennis hebben we uitgeschakeld. In plaats daarvan hebben we examens gekregen, die met de mens experimenteren, omdat men innerlijk intuïtief geen aandacht kan hebben voor de bijzondere eigenschappen. Allerlei apparaten moeten voor ons onthullen, welke capaciteiten de mens heeft. Onszelf als mens vertrouwen we bij dit alles niet. En waarom? Omdat we geen echte interesse voor die dingen hebben. Omdat we met slapende ziel door de wereld gaan. We moeten wakker worden! We moeten naar die dingen kijken. Dan zullen we zien, dat veel wat we tegenwoordig als grote vooruitgang vereren, absurditeiten zijn. Onze arme basisschoolleerkracht, hij wordt tegenwoordig de wereld ingestuurd, als een menselijk, tam gemaakt konijntje, om hem maar niet te laten zien, wat er eigenlijk in de wereld leeft. En dan voedt hij de mensen zo op, dat ze langs hun medemensen heen leven, en geen vermoeden hebben, van wat er in de mensen omgaat. Het is tegenwoordig zo, geheel afgezien daarvan

blz. 125

daß viele Kreise des Bürgertums selbstverständlich keinen Willen haben, auf die großen zeitgenössischen Fragen und Impulse einzu­gehen -, daß diejenigen, die einen Willen haben, heute kaum zu brau­chen sind, weil sie absolut nichts wissen von alledem, was notwendig ist; weil sie die Zeit vollständig verschlafen haben, in der das Proleta­riat, ich möchte sagen, Tag für Tag durch Jahrzehnte schon sich poli­tisch geschult hat. Und heute noch erlebt man es – ich muß es schon sagen – in den seltensten Fällen, daß Proletarier sich finden, die immer wiederum den Einwand machten, wenn es sich darum handelt, heute über die großen Fragen der Zeit zu sprechen, keine Zeit dazu zu haben, zu beschäftigt zu sein; sie suchen sich die Zeit. Klopft man irgendwo bei bürgerlichen Gruppen an, die haben alle so viel zu tun, daß sie keine Zeit haben, sich mit den zeitgenössischen Fragen zu be­schäftigen; sie haben alle so viel zu tun. Aber daran liegt es nicht. Sie haben nämlich gar nicht einmal eine Ahnung, womit sie sich be­schäftigen sollen. Sie können gar nicht irgendwo anfassen, weil sie durch nichts dazu erzogen worden sind. Das ist wiederum keine pessimistische Betrachtungsweise; das soll auch keine Philippika sein, sondern das ist einfach das Konstatieren einer Tatsache. 

dat men in vele kringen van de bourgeoisie natuurlijk niet de wil heeft, in te gaan op de grote vragen van de tijd, — dat degenen die de wil daartoe hebben, tegenwoordig nauwelijks bruikbaar zijn, omdat ze absoluut niets weten van alles, wat noodzakelijk gebeuren moet, omdat ze volkomen de tijd verslapen hebben, waarin het proletariaat, ik zou willen zeggen, dag in dag uit al tientallen jaren, zich politiek geschoold heeft. En tegenwoordig nog komt het slechts zelden voor, dat er proletariërs zijn, die al maar  de tegenwerping maken, als het er om gaat, over de grote vragen van de tijd te spreken, dat ze „geen tijd” voor dat alles hebben, te veel bezet zijn, zij zoeken tijd. Klopt men echter eens in burgerlijke kringen aan — daar heeft men altijd zo vreselijk veel te doen, dat men geen tijd heeft zich met de vragen van het moderne leven te bemoeien. Maar daar ligt het niet aan. Men heeft er daar n.l. helemaal geen flauw idee van, waarmee men zich zou moeten bezig houden! Men kan helemaal het punt niet vinden, waar men de dingen kan aanpakken, omdat men daartoe niet is opgevoed.
Dat zijn eveneens geen pessimistische opvattingen; het is ook niet bedoeld als een preek, maar eenvoudig om een feit constateren.

So haben wir es denn erlebt, daß da, wo das Leben selbst die Menschen gezwungen hat, sich zu schulen, sie sich geschult haben. Wo die Leute sich hätten schulen können aus ihren Impulsen heraus, da ist es unterlassen worden, da ist es vollständig unterblieben. Deshalb stehen wir heute in der Misere drinnen, und deshalb hören wir über alles, was heute versucht wird, nicht allein das Reden aus bösem Willen, der ja schon reichlich auch vorhanden  ist, sondern all das unverständige Zeug, das bloß aus der Unkenntnis des Lebens her­stammt: weil keine Schule jemals dafür gesorgt hat, daß das Lernen gelernt wird. Einzelne Kenntnisse sind wohl immer durch die Wände der Bequemlichkeit gesickert und den Menschen beigebracht worden, aber es ist nicht erfolgt aus der Art, wie an den Menschen herangekom­men wird, daß der Mensch mit offenen Sinnen den Erscheinungen des Lebens gegenübersteht.
Viel, viel könnte heute schon durch die traurigen Tatsachen auch auf den Seiten eingesehen werden, wo man noch immer in der alten

En zo hebben we ervaren, dat daar, waar het leven de mensen dwong, om zich voor het leven te scholen, dat ze zich ook werkelijk geschoold hebben. Waar de mensen zich hadden kunnen scholen uit eigen vrije beweging, heeft men het verzuimd. Daarom zitten we tegenwoordig in de misère; en daarom horen we over alles, wat wij tegenwoordig proberen, niet alleen met kwade bedoelingen spreken — wat ook al veelvuldig voorkomt — maar horen ook al dat onbegrijpelijk gebazel, wat enkel het gevolg is van het niet kunnen begrijpen van het leven, omdat geen school er ooit voor zorgde, dat het leren geleerd werd. Door de wanden van de gemakzucht, die de mensen van het leven scheidden, zijn altijd wel een paar levenswaarheden doorgedrongen, maar allerminst als gevolg van de manier, waarop de mensen zijn opgevoed.
Heel veel zou er tegenwoordig al ingezien kunnen worden door de treurige gebeurtenissen, ook daar waar men nog steeds maar op de oude

blz. 126

Weise fortredet, und wo es einem so vorkommt, als wenn das Uhr­werk des Gehirns einmal aufgezogen wäre und absurren müßte. Äußere Versammlungen verlaufen heute noch immer so, wie sie vor dieser Kriegskatastrophe verlaufen sind. Die Menschen haben in großer An­zahl von diesen furchtbaren Ereignissen wenig gelernt, weil sie eben nicht verstanden haben zu lernen. Nun werden sie durch die Not ler­nen müssen, was sie durch die Schrecken nicht gelernt haben. Ich habe Ihnen hier vor Zeiten angeführt einen Ausspruch eines ganz beschei­denen und gebildeten Lebensbeobachters, Herman Grimms, der auch in meiner Schrift «Die Kernpunkte der sozialen Frage» steht. Der Mann hat schon in den neunziger Jahren gesagt: Wenn man das Leben um uns herum heute anschaut daraufhin, wohin es stürmt, namentlich mit den unaufhörlichen Rüstungen überall, dann ist es so, daß man am liebsten einen Tag des allgemeinen Selbstmordes festsetzen möchte, so trostlos nimmt sich dieses Leben aus. Doch die Leute wollten in Träumereien und Illusionen leben; die, welche sich Praktiker nennen, am meisten. Heute aber ist die Notwendigkeit da, aufzuwachen. Und wer nicht aufwacht, wird nicht mittun können an dem, was heute not­wendig ist, notwendig für jeden einzelnen Menschen. Mancher weiß noch gar nicht einmal, wo er die Hand an den Hebel ansetzen soll.
Das wollte ich Ihnen sagen, gewissermaßen als eine Art von Auseinandersetzung, wie man sie geben sollte heute gerade auf Lehrer-tagungen; gerade vor solchen Leuten sollte man sie entwickeln, welche die Jugend zu bilden haben. Denn die sollten hinschauen auf das­jenige, was geschehen muß. Wenn wir diese Betrachtungen fortsetzen werden, werden wir wiederum näher auf speziell pädagogische, volkspädagogische Dinge eingehen.

manier verder praat, zodat men dikwijls het gevoel heeft, of het hersenuurwerk, eenmaal opgewonden, al maar op de oude wijze moet aflopen. Allerlei vergaderingen verlopen nog steeds, zoals ze vóór de oorlog verliepen. Een groot aantal mensen heeft van de vreselijke gebeurtenissen weinig geleerd, omdat ze niet begrepen hebben, van het leven te leren. Nu zal de nood hen moeten leren, wat de verschrikking van de oorlog niet voor elkaar kreeg.
Ik heb u hier eerder eens een uitspraak van een zeer bescheiden en ontwikkeld beschouwer van het leven weergegeven, die ook in mijn boek: „De kernpunten van het Sociale Vraagstuk” [3] staat. Deze H. Grimm* heeft al omstreeks 1890 gezegd: als we het leven om ons in ogenschouw nemen en vragen, waar gaat het met rasse schreden heen met deze onophoudelijke oorlogsvoorbereidingen, dan ziet het er zo uit dat men het liefste een dag zou willen vaststellen voor een algemene zelfmoord: zo troosteloos ziet het leven eruit. Maar de mensen wilden liever in dromerijen en illusies leven: — wie zich man van de praktijk noemt nog het meest. Tegenwoordig is het echter noodzakelijk, om wakker te worden. Wie dat niet doet, zal niet kunnen meehelpen, aan wat noodzakelijk is, noodzakelijk ook voor ieder mens afzonderlijk. Menigeen weet nog in ’t geheel niet, waar hij de hand aan de ploeg moet slaan.
Dit alles wilde ik u als een soort uiteenzetting geven, zoals men die met name vandaag de dag op lerarenbijeenkomsten moet ontwikkelen voor de mensen die de jeugd moeten opvoeden. Want die zouden er oog voor moeten hebben, wat er gebeuren moet. Wanneer we met deze beschouwingen nog verder gaan, zullen we op meer speciaal pedagogische zaken ingaan.

*126 Herman Grimm, 1828-1901. Der Ausspruch steht in seinem Buche «Fünfzehn Essays. Vierte Folge. Aus den letzten fünf Jahren» S. 46. In den «Kernpunkten» (1919) (GA 23) von Rudolf Steiner wird er auf Seite 146f. zitiert.

.

[1] GA 192
[2] GA 192 voordracht 5 (Duits)
[3] De kernpunten

de 1e voordracht over volkspedagogie (voordracht 4 in de totale reeks)
de 3e voordracht (voordracht 6 in de totale reeks)
.

Rudolf Steiner over pedagogie(k)alle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1586-1485

.

.

.

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie (18-5)

.
Het is vaak gemakkelijk als je herinneringsvermogen goed is. Hoe onthoud je het best; wat moet je onthouden. Hoe was dat vroeger. De betekenis van het beeld.

DE VERLOREN KUNST OM DE HELE VERGILIUS ACHTERSTEVOREN OP TE ZEGGEN

De geheugenkunst is diep gevallen. Ooit was het een luid toegejuichte demonstratie van ongelimiteerd herinneringsvermogen, nu is het een kermisattractie. Computers en naslagwerken hebben de noodzaak weggenomen het geheugen te oefenen.

Frances A. Yates ging op speurtocht naar de verborgen geheimen van „de schatkamer van de geest”.

Een GOED GEHEUGEN behoort al lang niet meer tot de intellectuele verworvenheden waarop je trots kunt zijn. Je hebt het of je hebt het niet. En dat laatste is zeker niet onoverkomelijk, wanneer het om de beoordeling van werkelijk vernuft gaat. Sterker nog, professoren hóren vergeetachtig te zijn. Voor zoiets stompzinnigs als feitenverzamelingen bestaan inmiddels mechanische hulpmiddelen.

Er valt zelfs een tegenstelling waar te nemen tussen goed kunnen onthouden en waarlijk intellect. Domme studenten proberen zich te handhaven door de stof noodgedwongen uit het hoofd te leren. Soms wordt zulke ijver beloond. Maar docenten doen hun uiterste best inzicht en begrip te testen om zodoende flauwe geheugentrucs te omzeilen: daar is immers geen kunst aan.

En de nekslag heeft de waardering van het geheugen gekregen als kenmerk van de bejaarde die nog met beide benen in de wereld staat: leest nog zonder bril, drinkt dagelijks zijn borreltje en heeft een goed geheugen.,

Iets dat gewoon uit het hoofd is geleerd, geldt als minderwaardig tegenover improvisatie en vernuft. Geheugenkunst hoort op de kermis thuis. Maar in de klassieke oudheid stonden demonstraties van een ongelimiteerd herinneringsvermogen in het hoogste aanzien.

De vader van Seneca, leraar in de welsprekendheid, kon tweeduizend namen herhalen in de volgorde die hem (één keer) was gegeven. Ook liet hij eens tweehonderd studenten ieder één versregel citeren, waarna hij het geheel in omgekeerde volgorde achter elkaar reproduceerde. De kerkvader Augustinus had in zijn jeugd zelfs een vriend, die de complete Vergilius achterstevoren kon opzeggen.

Wij vinden dat nu variété, waarbij wij ons hoogstens afvragen hoe deze antieke personen dat voor elkaar kregen. Maar intrigerender is de vraag waarom zulke exercities in zo’n hoog aanzien stonden en hoe het dan mogelijk is dat de geheugenkunst zo onstuitbaar is gevallen.

Daarover gaat het boek van Frances A. Yates, dat sinds de eerste druk in 1966 is uitgegroeid tot een classic in de cultuurgeschiedenis. Het is nu* in een vertaling van Jacob Groot uitgekomen bij Bert Bakker. Het behoort tot de moeilijkste boeken die ik ooit heb gelezen. Gelukkig vindt iedereen dat, inclusief de schrijfster zelf.

Het doet in ieder geval bemoedigend aan, wanneer zij van tijd tot tijd de vertwijfelde lezer bijvalt met opmerkingen dat hij vooral niet moet denken dat zij er zelf alles van begrijpt. Daar sluit ze zelfs mee af: „Al terugkijkende realiseer ik me hoe weinig ik soms begrepen heb van de betekenis, voor hele perioden uit de geschiedenis, van de (geheugen)kunst.”

Hier aangekomen begrijpt de lezer heel goed wat zij bedoelt. Vooral wanneer de geheugenkunst is ondergedoken in de wereld van occultisme en magie, bepalend voor het andere gezicht van de Renaissance, lijkt normaal menselijk contact verder uitgesloten. En Yates klaagt mee, om niettemin nog verbluffend veel systeem in deze georganiseerde dwaasheid bloot te leggen.

Toch is het allemaal tamelijk eenvoudig in de oudheid begonnen. Memoria, het geheugen, vormt een centraal onderdeel van de welsprekendheidsleer (retorica). Zij is de schatkamer van de geest, waaruit de redenaar blindelings moet kunnen plukken om zijn betoog tot een goed einde te brengen.

In een cultuur die nog volmaakt afhankelijk is van het gesproken woord, mag de training van dit vermogen van levensbelang heten Daarbij gaat het wel degelijk om een aan te leren techniek, onderscheiden van het natuurlijke geheugen dat men ook gewoon kon oefenen. Maar de orale cultuur vroeg om de veel grotere prestaties van een kunstmatig ontwikkeld geheugen.

Dat zou in de Griekse oudheid zijn uitgevonden door een zekere Simonides. Deze dichter droeg eens bij een gastmaal een lofdicht voor ten huize van de edelman Scopas. Daarin prees hij ook de goden — reden voor Scopas om hem maar de helft van de overeengekomen beloning uit te betalen: de andere helft moest hij dan maar bij die goden gaan halen.

Kort daarop werd Simonides weggeroepen uit de feestzaal. Buiten trof hij niemand aan. Maar hij was de poort nog niet uit of het dak van de feestzaal stortte in, waarbij alle feestgangers omkwamen. Meteen begreep de dichter dat hij hiermee de beloning van de goden had geïncasseerd.

Maar het verhaal gaat nog verder. De lijken waren zo verminkt dat de nabestaanden er niet in slaagden hun verwanten te identificeren. Gelukkig herinnerde Simonides zich precies waar iedereen aan tafel zat, zodat elk stoffelijk overschot kon worden thuisgebracht.

Op dit verhaal zijn de principes van de geheugenkunst gebouwd. Men moet ruimten in het geheugen creëren (de loci of plaatsen), waar men beelden plaatst (de imagines) die staan voor de dingen die men zich wil herinneren. Zet men het geheugen in werking, dan begint men als het ware een wandeling door dit bouwwerk langs de plaatsen en beelden om zo de opgeborgen stof terug te krijgen.

Cicero en Quintilianus, de voornaamste retoricaleraren, bevelen vervolgens aan de beelden zo spectaculair mogelijk te laten zijn, opdat ze het scherpst in de herinnering worden gegrift. Vooral in de Middeleeuwen maakt deze visualise-ringstechniek ten dienste van het geheugen een enorme carrière. Dat heeft ongetwijfeld te maken met het voortduren van de oraliteit, die mens en maatschappij blijft binden aan geheugens waarop vrijwel elke handeling en besluitvorming moeten teruggaan.

Het beste geheugen krijgt de hoogste overtuigingskracht. Maar daar komt nog iets bij. De geheugenkunst vindt eveneens ruime toepassing bij het verstrekken van morele boodschappen. Het heilsplan wordt de christen ingeprent met behulp van geheugenbeelden, die tevens personificaties van zonden en deugden zijn.

De talloze afbeeldingen van Wellust en Kuisheid, Matigheid en Vraatzucht, die de menselijke weg over aarde naar de eeuwigheid markeren, verbeelden tegelijkertijd een redenering die men zo heel efficiënt uit het geheugen kan opdiepen. Yates gaat zo ver om Dantes Inferno, volgepakt met specifieke zondaars in zijn vele kringen, lagen en uithoeken, allereerst te beschouwen als een geheugensysteem.

Naastenliefde. Fresco van Giotto in de Arena Kapel in Padua. Volgens Yates gebruikte Giotto de regels van de geheugenkunst om het beeld van de naastenliefde in ieders geheugen te griffen.

Op deze punten heeft zij nog weinig gehoor gevonden. De middeleeuwse personifiëringen van geestelijke en lichamelijke kwaliteiten zijn onze
postromantische cultuur geheel vreemd geworden. Het kost al moeite genoeg zich in deze wijze van voorstellen te verplaatsen. Om daaronder nog eens de verdieping te vermoeden van die bizarre geheugenkunst als fundament gaat menigeen te ver.

Toch verdient Yates aanzienlijk meer aandacht van de beoefenaren van literatuur- en kunstgeschiedenis. In het algemeen beantwoorden de allegorische figuren sterk aan de sprekende beelden die de geheugentheorie beveelt te vormen.

De verleiding is groot hierin ook een nieuwe verklaring te vinden voor wat cultuurhistorici al generaties lang verbaast, namelijk de vaak grollig-scabreuze figuurtjes waarmee de marges van de meest kostbare en devote middeleeuwse  handschriften zijn versierd. Naast gebeden, psalmen en andere bijbelteksten buitelen naakte monniken met enorme geslachtsdelen, zitten varkens te
spinnen en schijten aapachtige gedrochten de de wereld onder.
Deze omgekeerde wereld valt zeker te verklaren als contrast met de goddelijke orde die in de tekst op dezelfde bladzij wordt verkondigd. Die orde wordt dan bedreigd door de chaos van een extreme aardsheid, geregeerd door de duivel. Maar vormen die opzienbarende monsterlijkheden niet eveneens de uitdrukking van geheugensymbolen, die volgens de theorie zo grotesk mogelijk moesten zijn? Op die wijze kunnen dan tevens de plaatsen visueel zijn verankerd, die de gebruiker van zo’n psalm- of getijdenboek verondersteld werd in zijn geheugen op te slaan.

De toenemende verschriftelijking in de Middeleeuwen dringt de geheugenkunst terug. Het verval lijkt definitief, als de boekdrukkunst rond 1500 de wereld heeft veroverd. Humanisten als Erasmus geven bovendien hevig op de kunst af, die zij beschouwen als exponent van de warrige hersenspinsels waarmee monniken hun geest bezoedelden. Daar doet de Reformatie nog een schepje bovenop door te wijzen op de paapse beeldvormingen, die in welke vorm dan ook vernietigd dienen te worden.

Toch verdwijnt de geheugenkunst allerminst. In het verborgene gaat zij een geheel nieuw leven leiden, en wel in de wereld van de hermetiek die evenzeer bij de Renaissance hoort, maar tegenwoordig weinig populair is. Ze ontwikkelt zich tot een magisch tekensysteem, dat behulpzaam moet zijn bij de speurtocht naar de sleutels voor de definitieve oplossing van het wereldraadsel.

Gehuld in een dolgedraaid neoplatonisme, een herontdekt Egyptisch hiëroglyfensysteem, kabbalisme en toverij wordt de theorie nu omgevormd tot een geheugentheater, niet alleen op papier maar zelfs in de vorm van een echt gebouw. Zo’n constructie moet in Venetië in de 16de eeuw hebben bestaan, ontworpen door Giulio Camillo. De constructie was van hout en stond volgepropt met beelden. Men kon er werkelijk binnentreden en was dan in staat al wandelend langs de beelden een eindeloze redevoering te houden.

Later in de 16de eeuw is het de beruchte ketter Giordano Bruno die dergelijke systemen op papier ontwerpt, nu echter zo vol toverij dat hij op de brandstapel zal eindigen. Curieus is nog de variant die in 1613 in Engeland door Thomas Fludd wordt gemaakt. Hij zegt er namelijk bij dat zijn papieren theater dezelfde gebruiksmogelijkheden heeft als die waarin men echte komedies en tragedies speelt. Daaruit weet Yates op ingenieuze wijze een helder beeld af te leiden van uiterlijk en opbouw van Shakespeares theater The Globe.

Toch begint de lezer bij de uitleg van al dat occultisme zijn greep op het boek te verliezen. Hier is eerder sprake van Science fiction uit de Renaissance, die elke verbeelding tart. Yates vindt dat ook, al gaat zij tot het uiterste —en aanzienlijk te ver— om toch nog het nodige te ontwarren. Maar er valt weinig van te begrijpen.

De geheugenkunst, weggestuurd door de drukpers, heeft haar eigen graf gedolven in het occultisme. Maar zo nu en dan steekt ze de kop nog even op. We kunnen namelijk eindigen aan de keukentafel van mijn schoonmoeder, 75 jaar oud en als zovele bejaarden behept met een wegslippend geheugen. Welzijnswerk voorziet echter in een geheugentraining onder het motto Use it or loose it!

Weer zie ik op de verstrekte stencils een wirwar van geheugensymbolen die zo zijn ontworpen en geplaatst dat men er het beste de herinneringen aan kan ophangen. Maar mijn schoonmoeder vindt het allemaal veel te ingewikkeld en laat horen wat Erasmus ook al vond: waarom niet gewoon onthouden wat nu achter een warboek aan beelden verborgen wordt?

De kunst is elk prestige kwijt. Van schatkamer van de geest en zelfs sleutel tot het wereldraadsel, duikelde zij neer tot slecht begrepen bejaardenvoorziening. In het huidige spraakgebruik is het geheugen een dommekracht, verbannen naar informatiedragers en opslagruimten buiten de menselijke geest. Die blijft alleen het intellect koesteren en hoeft nog maar één ding te onthouden: de plaats waar de computer staat.

Herman Pleij, Volkskrant *24-12-1988
.

Frances A. Yates: De geheugenkunst  

.

Geheugen: alle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1585-1484

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 2 (2-4)

.

GA= Gesamt Ausgabe, (volledige uitgave): de genummerde reeks boeken en voordrachten van Steiner.

Duitse tekst
Vertaling

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken bij alle voordrachten.
De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

Blz. 34 -36

OVER  ANTIPATHIE  EN  SYMPATHIE 

In deze tweede voordracht zien we voornamelijk de drieledige mens: dat is de denkende, voelende en willende mens.
Steeds moet je je daarbij voor ogen houden, dat schema’s de mens in hoge mate tekort doen, maar dat ze ook een hulpmiddel zijn de mens te begrijpen en wat voor de pedagogie zo belangrijk is: de opgroeiende mens te begrijpen om hem vanuit dit begrijpen verder te helpen in zijn ontwikkeling.

Nun gibt es eigentlich eine Erscheinung, oder sagen wir einen Er­scheinungskomplex, der viel charakteristischer ist für das Seelenleben als die Abstraktion Denken, Fühlen und Wollen. Die Abstraktion Denken, Fühlen, Wollen ist, wie gesagt, gut, aber um lebendig das Seelenleben kennenzulernen, tut man besser, wenn man nicht gleich ausgeht von Denken, Fühlen und Wollen, sondern wenn man etwas, was im Seelenleben eigentlich ganz durchgeht, zunächst ins Auge faßt als eine viel primärere Offenbarung des Seelenlebens, nämlich, daß die­ses Seelenleben immer lebt abwechselnd in Sympathien und Antipathien, in Lieben und Hassen. Wir merken nur gewöhnlich nicht, wie das Seelenleben hin- und herpendelt zwischen Lieben und Hassen, zwi­schen Sympathien und Antipathien.

Nu is er eigenlijk een verschijnsel of laten we zeggen een complex van verschijnselen dat veel karakteristieker voor het zielenleven is dan de abstractie denken, voelen en willen. De abstractie denken, voelen, willen is – zoals gezegd – goed, maar om het zielenleven levendig te leren kennen, doe je er beter aan om niet meteen uit te gaan van denken, voelen en willen, maar eerst te letten op iets wat het zielenleven eigenlijk helemaal doortrékt als een veel meer primaire uiting van het zielenleven, namelijk dat dit zielenleven steeds leeft in de afwisseling van sympathie en antipathie; in liefhebben en haten. We merken gewoonlijk niet hoe het zielenleven heen en weer pendelt tussen liefhebben en haten, tussen sympathieën en antipathieën.
GA 301/37-38
Op deze blog vertaald/37-38

Het is goed om je steeds te realiseren dat deze eerste voordrachten vooral zijn gegeven vanuit het vertrekpunt: ziel.

Het woord ‘ziel’ is bij lange niet zo gangbaar meer als in Steiners tijd. 
Ook de psychologie kwam langzamerhand onder de invloed van het natuurwetenschappelijk denken waar ‘maat, gewicht en getal’ een steeds grotere invloed kregen. ‘Ziel’ werd a.h.w. afgeschaft. Tegelijkertijd bleven er toch allerlei omschrijvingen om iets van ons beleven weer te geven.
Want dat wij ‘beleven’, dat wij ‘voelen’, dat wij innerlijk iets ervaren – dat laat zich niet verdringen, omdat wij daarmee onszelf zouden verloochenen.

Steiner heeft veel over dit beleven gezegd en geschreven.

Hier bijv. in GA 4 ‘De filosofie van de vrijheid’:

Die zweite Sphäre des menschlichen Lebens ist das Fühlen. An die Wahrnehmungen der Außenwelt knüpfen sich bestimmte Gefühle. Diese Gefühle können zu Triebfedern des Handelns werden. Wenn ich einen hungernden Menschen sehe, so kann mein Mitgefühl mit demselben die Triebfeder meines Handelns bilden. Solche Gefühle sind etwa: das Schamgefühl, der Stolz, das Ehrgefühl, die Demut, die Reue, das Mitgefühl, das Rache- und Dankbarkeitsgefühl, die Pietät, die Treue, das Liebes- und Pflichtgefühl.

Het tweede gebied van het menselijk leven is het voelen. Met de waarnemingen van de buitenwereld verbinden zich bepaalde gevoelens. Deze gevoelens kunnen tot drijfveer van het handelen worden. Als ik iemand honger zie lijden, kan mijn medeleven met deze mens de drijfveer van mijn handelen vormen. Dergelijke gevoelens zijn bijvoorbeeld: schaamte, trots, eergevoel, deemoed, berouw, medeleven, wraakzuchtigheid, dankbaarheid, piëteit, trouw, liefde, plichtsgevoel.
GA 4/106
Vertaling/blz.124

Dit zijn maar enkele van de vele gevoelens die een mens kan hebben en die zeer genuanceerd in onze taal voorkomen.

Wanneer je er enige lijn in wil brengen, ze zou willen rubriceren, valt op dat je bijv. een verdeling in ‘positieve’ en ‘negatieve’ zou kunnen maken. Dan vallen ook de tegenstellingen meteen op: dankbaarheid t.o. ondankbaarheid; liefde t.o. haat; iets met ‘zin’ of met ‘tegenzin’ (moeten) doen.
I.v.m. begrippen die Steiner bij het astraallijf gebruikt, heb ik een poging tot een rubricering gedaan.

Das zweite sind die Eindrücke die sie machen sich auf dem Menschen die sich als sein Gefallen und Missfallen, sein Begehren oder Verabschauen dadurch kennzeichnen, daβ er das eine sympathisch, das andere antipathisch ist, das eine nützlich, das andere schädlich findet.
Die Welt wird zu seiner eigenen Angelegenheit gemacht, zu etwas, das eine Bedeutung für ihn hat.

Ten tweede op de indrukken die de voorwerpen op hem maken, en die als zijn plezier of misnoegen, als zijn begeerte of afschuw van dien aard zijn dat hij het ene sympathiek, het andere antipathiek vindt, het ene voor nuttig, het andere voor schadelijk houdt.
GA 9/11
Vertaling/28

Mit dem Worte Seele soll auf das gedeutet werden, wodurch er die Dinge mit seinen eigenen Dasein verbindet, wodurch er Gefallen und Missfallen, Lust und Unlust, Freude und Schmerz an ihnen empfindet.

Het woord ziel verwijst naar datgene, waardoor de mens de dingen met zijn eigen bestaan verbindt, waardoor ze hem bevallen en mishagen, waardoor hij er lust en afkeer, vreugde en verdriet aan beleeft.
GA 9/27
Vertaling/29

Het ligt daarom zeer voor de hand dat Steiner ze tenslotte indeelt in gevoelens van sympathie en antipathie. 

( ) Die Grundkräfte der Seele kann man Sympathie und Antipathie nennen.

( )  De twee fundamentele krach­ten kennen die hier in de allereerste plaats van belang zijn, kun je sympathie en antipathie noemen.
GA 9/99
Vertaling/85

Het voelen, de ziel, staat tussen denken, voorstellen en willen, handelen in. Vormt in zekere zin het midden:
over wat we voelen kunnen we gaan nadenken en komen daarmee in de sfeer van het voorstellen; vanuit onze belevingen kunnen we ook gaan doen, gaan handelen en komen daarmee in de sfeer van het willen.

Dus: het voelen tussen voorstelling en wil.

Op blz. 34/35 beschrijft Steiner dit zo:

Nun haben Sie in einer gewissen Weise das menschliche Seelenleben in zwei Gebiete zerteilt: in das bildhafte Vorstellen und in den keimhaften Willen; und zwischen Bild und Keim liegt eine Grenze. Diese Grenze ist das ganze Ausleben des physischen Menschen selbst, der das Vorgeburtliche zurück- wirft, dadurch die Bilder der Vorstellung erzeugt, und der den Willen nicht sieh ausleben läßt und dadurch ihn fortwährend als Keim erhält, bloß Keim sein läßt. Durch welche Kräfte, so müssen wir fragen, geschieht denn das eigentlich?

Daarmee is het zielenleven van de mens in zekere zin in twee gebieden verdeeld: in het voorstellen — als beeld — en het willen – als kiem – en tussen beeld en kiem ligt een grens. Deze grens is de gehele werkzaamheid van de fysieke mens zelf, de mens die enerzijds het leven voor de geboorte terugkaatst en daar­door de beelden van de voorstelling doet ontstaan, en die an­derzijds de ontplooiing van de wil verhindert en deze daardoor voortdurend in de kiem houdt, alleen maar kiem laat zijn. We moeten ons nu afvragen door welke krachten dat eigenlijk ge­beurt.

‘de gehele werkzaamheid van de fysieke mens’ – het Duits heeft hier ‘Ausleben’ het zelfstandig naamwoord dat bij het werkwoord ‘ausleben’ hoort en de betekenisstrekking daarvan is: tot ontplooiing brengen, reageren, maar ook: af-reageren, ongeremd reageren;
we zouden dat dus op moeten vatten als ‘hoe wij hier en nu: ‘gewoon’ leven; ons leven leven; ons dagelijkse leven hier op aarde. 

O.a. in de genoemde GA 9, Theosofie, beschrijft Steiner de mens als denkend, voelend, willend wezen ook wanneer de mens is gestorven en als geest/zielenwezen in de wereld van ziel en geest een ontwikkeling doormaakt en met de vruchten van deze – nu voorgeboortelijke – werelden weer incarneert.  [1e voordracht]

De zielenkrachten die hij uit deze wereld meebrengt, zijn de krachten van antipathie en sympathie, die in de zielenwereld na de dood sterk overheersend aanwezig zijn: daar heersen sympathie en antipathie in hun zuivere gedaante (blz.38).

Ze zitten in ons, die krachten en ze bepalen voor een deel ons zielenleven: steeds ontstaan er in ons antipathie en sympathie voor wat er uit de wereld naar ons toe komt. We wijzen dingen terug, we omarmen dingen, we gaan erop in.

Die terugwijzende kracht komt ook in aanraking met wat er uit de voorgeboortelijke wereld aan gedachten naar ons toestroomt en wanneer deze twee verschijnselen elkaar in ons ontmoeten, ontstaat het voorstellen:

we dragen de antipathiekracht in ons en veranderen daardoor het element van voor de geboorte tot een louter voorstellingsbeeld;

( ) de mens die enerzijds het leven voor de geboorte terugkaatst en daardoor de beelden van de voorstelling doet ontstaan;

dat de realiteit van voor de geboorte teruggekaatst wordt;

we ontwikkelen tegen alles wat geestelijk is antipathie, zodat we de geestelijke realiteit van voor de geboorte weerkaatsen met een ons onbewuste antipathie;

in de antipathie straalt u uw hele leven van voor de geboorte, resp. conceptie, de hele wereld die u toen meegemaakt heeft, terug.

Wenn die Antipathie nun genügend stark wird, dann tritt etwas ganz Besonderes ein. Denn wir könnten auch im gewöhnlichen Leben nach der Geburt nicht vorstellen, wenn wir es nicht doch auch mit derselben Kraft in gewissem Sinn täten, die uns geblieben ist aus der Zeit vor der Geburt. Wenn Sie heute als physische Menschen vorstellen, so stellen Sie nicht mit einer Kraft vor, die in Ihnen ist, sondern mit der Kraft aus der Zeit vor der Geburt, die noch in Ihnen naehwirkt. Man meint vielleicht, die habe aufgehört mit der Empfängnis, aber sie ist noch immer tätig, und wir stellen vor mit dieser Kraft, die noch immer in uns hereinstrahlt. Sie haben das Lebendige vom Vorgeburtlichen fortwährend in sich, nur haben Sie die Kraft in sich, es zurückzustrahlen. Die begegnet Ihrer Antipathie. Wenn Sie nun jetzt vorstellen, so begegnet jedes solche Vorstellen der Antipathie, und wird die Antipathie genügend stark, so entsteht das Erinnerungsbild, das Gedächtnis, so daß das Gedächtnis nichts anderes ist als ein Ergebnis der in uns waltenden Antipathie.

Wanneer de antipathie nu sterk genoeg wordt doet zich iets heel bijzonders voor. Wij zouden ons namelijk ook in het ge­wone leven na de geboorte geen voorstellingen kunnen vormen, wanneer we dat niet in zekere zin toch ook met dezelfde kracht zouden doen die we hebben overgehouden uit de tijd voor de geboorte. Wanneer u zich als fysiek mens voorstellingen maakt, dan doet u dat niet met een kracht die in u is, maar met de kracht uit de tijd voor de geboorte die nog in u nawerkt. Men meent wellicht dat die kracht zijn werking verliest bij de con­ceptie, maar die is nog steeds werkzaam; ons voorstellen ge­beurt met die kracht die nog steeds in ons doorstraalt. U heeft het leven van voor de geboorte voortdurend in u, maar u heeft ook de kracht in u om het terug te stralen. Die kracht ontmoet uw antipathie. Wanneer u zich nu voorstellingen maakt dan ontmoet dit proces iedere keer de antipathie, en wordt de anti­pathie sterk genoeg dan ontstaat het herinneringsbeeld, het geheugen, zodat het geheugen niets anders is dan het resultaat van de in ons werkende antipathie.
GA 293/36
Vertaald/36

In de taal is het interessant dat het woord ‘reflecteren’ duidelijk zich aan de kant van de voorstelling bevindt. We denken na – we laten ons licht nog eens schijnen over – we doen dat dus met een bepaalde kracht(bron) die a.h.w. het licht werpt op onze ‘reflector’: de (spiegelende) hersenen.

Aan het geheugen en wat er zoal mee samenhangt, zal een apart artikel worden gewijd (nog niet oproepbaar)

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 2: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

.

1583-1482
*

.

.