Categorie archief: jaarfeesten

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (4)

.
Annet Schukking, ‘Jonas”20, 29 mei 1987


ONGRIJPBAAR PINKSTEREN

Het enige dat van Pinksteren is overgebleven zijn de vrije dagen. Is dat nu Pinksteren?

Zo lang ik me herinneren kan, was het met Pinksteren mooi weer. Het was de eerste keer dat je weer een paar dagen helemaal buiten doorbracht, overgegeven aan en opgeno­men in de duizendvoudige luister van de bloeiende huid van de aarde en het uitbundig gejuich van de vogels dat al in de vroege ochtendschemering veelstemmig losbrak. Een voorproefje beleefde je al met Hemelvaart. Vroeger ging je dan ‘dauwtrappen’. Om vier uur op, een grote wandeling maken, de zon zien opkomen. Ook op de zaterdag vóór Pinksteren was er zo’n matineuze stemming. Kinderen trokken zingend en rammelend met bussen en deksels langs de huizen, de bakker bakte luilakbollen en anderen gingen naar de luilakmarkt, de gro­te, bonte bloemenmarkt in Haarlem of el­ders. Wie in de stad woont, heeft nu op vrijdag zijn spullen bij elkaar gepakt, bood­schappen gedaan, de tassen volgestouwd en is weggereden naar ergens buiten. Wanneer je dan je plekje gevonden hebt, je tent opge­zet, de omgeving verkend en, enigszins tot rust gekomen, begint te genieten van al het moois dat zich daar zo overvloedig presen­teert, dan kan de vraag bij je opkomen waar­aan je deze vrije dagen nu eigenlijk te dan­ken hebt, de vraag wat Pinksteren nu eigen­lijk is. En daaraan aansluitend hoe je dat viert.
Van de drie christelijke jaarfeesten die nog met vrije dagen geëerd worden: Kerst­mis, Pasen, Hemelvaart, Pinksteren, ligt Pinksteren wel het minst duidelijk in het bewustzijn. Kerstmis heeft nog zoveel traditie, spreekt ook nog in zijn beelden zo gemakkelijk aan: de geboorte van een kind — het is iets dat dagelijks gebeurt. Herders en koningen — in ons land bestaan ze nog. Sterren willen in de donkere winter­nacht ook wel eens zichtbaar zijn en met wat goede wil wor­den de engelen voor deze keer geaccepteerd. Het kind in de mens wordt meegeboren. Vandaar misschien ook dat het zo’n typisch familiefeest is.

Pasen wordt al moeilijker. Het sterfproces dat noodzakelij­kerwijze aan de opstanding voorafgaat, wekt weinig sympathiegevoelens, de opstanding zelf is een mysterieus gebeuren dat pas door veel inspanning enigszins begrepen kan wor­den. Hoewel het centraal staat in de mens­heidsgeschiedenis, de hele mensheid aan­gaat, is het dan toch ook een aangelegenheid waar de mens sterk individueel mee te ma­ken heeft. Woorden als: ‘Zie de mens’ en ‘Ik ben’ wijzen daar ook op. De verhouding die je als mens hebt tot het mysterie van Golgotha en opstanding is een zuiver persoonlijke zoals ook het sterven van een mens een heel individueel beleven is dat, zelfs al gebeurt het massaal, toch een gang door de eenzaamheid is. In het spannings­veld tussen geboorte en dood, in de worste­ling om met het mysterie van de opstanding verder te komen, van Kerstmis naar Pasen, groeit de mens innerlijk naar volwassenheid. Wat is het kenmerkende van Pinksteren? Je vindt hier maar weinig aangrijpingspun­ten in de cultuur, weinig traditie, behalve wat folkloristische gebruiken hier of daar, die ondanks de soms daarin aanwezige ver­borgen wijsheid tot nu toe weinig kans zien om weer echt levend te worden. Ook in de evangeliën vind je niets vermeld over Pink­steren. Pas in de daarop aansluitende ‘Han­delingen van de apostelen’ wordt er beknopt iets over gezegd:
‘De apostelen waren bijeen op de dag van Pinksteren. Toen ontstond er uit de hemel een geluid als van een geweldi­ge windvlaag (…); hun verschenen tongen als van vuur die zich verdeelden en zich op ieder van hen neerlieten. En zij werden allen door de Heilige Geest vervuld en begonnen met andere tongen te spreken. (…) ‘

De apos­telen kunnen zich na deze gebeurtenis plot­seling aan anderstaligen verstaanbaar ma­ken. En met deze ‘andere tongen’ beginnen zij het leven, de dood en de opstanding van Christus te verkondigen en gemeenten te stichten.

Het is een prachtig en sterk beeld dat zeker aanspreekt. Kun je daar ook iets mee als je met je tentje buiten zit?

Uitstuiven

Pinksteren valt vijftig dagen na Pasen. De datum varieert tussen 10 mei en 12 juni. Het is in onze streken de tijd van uitbundige bloei. Veel daarvan is zichtbaar, maar er zijn ook bescheiden vormen. Zo kan het bijvoor­beeld gebeuren dat je onverwacht ontdekt dat dit kleurige feestkleed van de natuur niet alleen versiering is, maar ook heel functio­neel en dat het nog bijzondere geheimen in zich bergt. Een wandeling op een windstille ochtend door de duinen voert je langs een bosje lage dennen. Toevallig raak je even aan een tak en daar begint deze overvloedig te ‘roken’! Fijne goudgele wolkjes vallen krin­gelend omlaag, verstrooien zich en lossen op. Ook de dennen staan in bloei! Ze heb­ben hun stuifmeeldoosjes geopend en bij de minste beweging geven zij hun rijke en dar­tele inhoud prijs.

Langs de hellingen van de duinen bloeit het groengele walstro en zijn hommels en bijen vlijtig bezig met het verzamelen van honing. Van iedere bloem die ze bezoeken krijgen ze gratis iets mee: een pakje stuifmeel dat ze in het korfje aan hun achterpootjes laten stop­pen. Voedsel voor de larven thuis en grond­stof voor de bijenwas om raten van te maken. En dan… als bij toeval blijven er een paar stuifmeelkorrels kleven op de stamper van een naburige bloem die bezocht wordt en vindt er een bevruchting plaats. Het stuifmeel hoort even wezenlijk bij het voorjaar en bij Pinksteren als sneeuw bij de winter en bij Kerstmis. De lucht is er hele­maal van vervuld, zoals de gevoelige organen van mensen die met hooikoorts behept zijn, kunnen gewaarworden. Stuifmeel is er in een waanzinnige overvloed. Eén paarde­nbloem levert al zo’n 240.000 stuifmeelkorreltjes op. En even minuscuul als de sneeuw­kristallen zijn, zijn ook deze korreltjes — je kunt ze alleen maar onder een microscoop afzonderlijk waarnemen. En dan blijkt dat ze een heel andere vorm hebben dan de sneeuwkristallen. Ze zijn meestal rond, bol­letjes zijn het, terwijl de sneeuwkristallen stervormig zijn. Ze zijn in zekere zin de tegenpool van de sneeuwkristallen: hun vorm gesloten tegenover stralend, ze houden van warmte in plaats van kou, ze hebben een zekere consistentie tegenover de snelle ver­gankelijkheid van de sneeuwkristallen. Wat ze gemeen hebben is hun kosmisch karakter en hun minimale stoffelijkheid. Het is trouwens interessant om eens naar het geheel van een bloeiende plant te kijken. Onderaan, vast verankerd in de aarde, de stevige harde wortel, bijna begerig zoekend naar water en voedsel, het meest aardse deel van de plant. Dan de stengel en bladeren waarin vooral het waterelement overheerst zoals je bijvoorbeeld kunt zien in de delta-­achtige vormen van bladnerven of boom­kruinen. Dan de bloem die echt bij de lucht hoort, transparant en vluchtig. Ja, en ten’­slotte het stuifmeel! Daar maakt iets zich helemaal vrij van de plant, wordt nagenoeg onstoffelijk, zweeft onzichtbaar door de ruimte, verdeelt zich en daalt als wekkende vlammetjes neer op de stampers van de bloemen.

Ook de mensen krijgen met Pinksteren uitstuivende neigingen. Pinksteren kun je be­schouwen als de opmaat tot de zomerse volksverhuizingen. Duizenden mensen ko­men in beweging, beginnen te trekken, zwermen alle richtingen uit. Het kan niet uitblijven of er vinden ook duizenden ont­moetingen plaats. De meeste zullen kort­stondig zijn en wegwaaien in de wind. Som­mige zullen ‘klikken’ en uitgroeien tot vriendschappen. En dan zullen er enkele zijn die tot zodanige verbindingen leiden dat zij inspirerend gaan werken, spiritueel vruchtbaar worden. Het zijn nu geen fami­liebijeenkomsten die gehouden worden, maar nieuwe gemeenschappen die zich in vrijheid vormen. Ondanks taalverschillen worden mensen voor elkaar verstaanbaar. Tegenwoordig ben je geneigd onder de in­druk te komen van ‘veelheid’, van enorme aantallen. Er wordt aan getallen veel aan­dacht geschonken, hoe groter hoe imponerender. Daarmee verdwijnt dan vaak het zicht op de kwaliteit van het kleine, het schijnbaar nietige, het bijna onvindbare. Terwijl dat juist zo’n enorme kracht, zo’n geweldige potentie kan hebben. Een nietig stuifmeelkorreltje kan in verbinding met een stamper een proces van vrucht- en zaadvor­ming in werking zetten dat een duizendvou­dige rijkdom oplevert. Zo kun je ook naar de sterrenhemel kijken. Miljarden sterren en sterrenstelsels breiden zich uit om je heen. ‘De aarde is in het heelal niet meer dan een ‘stofje’, wordt er gezegd. Maar dat is dof materialisme. In die giganti­sche paardenbloemenwei van het heelal is de aarde een ‘stuifje’, een levende stuifmeelkorrel met in potentie een geweldige toekomst voor zich.

Zelf aan de gang

Pinksteren heeft geen uiterlijke symbolen waar je voor de viering op kunt steunen of mee kunt spelen. Geen kerstboom, kaarsjes, eieren of hazen. Het is nu zoals Joseph Beuys het zegt: de mens krijgt niets meer cadeau. Hij moet nu zelf aan de gang. De mens heeft alles gekregen: allereerst het ingenieuze kunstwerk van zijn eigen licha­melijkheid, dan de onvoorstelbare rijkdom van de natuur, daarbij alles wat door mense­lijke cultuur is voortgebracht en ten slotte wat hij aan geestelijke vermogens heeft. Hij kan zich voor ideeën openstellen en daaraan ontvlammen en hij heeft de vrijheid om keuzes te doen en zich te verbinden met wat hij belangrijk vindt. Met déze gaven moet hij nu zelf aan de gang, van binnen uit, zich omstulpend, zich bevrijdend van zijn ca­deau-krijgende houding, zichzelf opwek­kend tot creatieve inspanning. Dat is geen eenzame bezigheid, dat is een gemeen­schappelijke activiteit bij uitstek. Pinksteren is het feest van de ‘Heilige Geest’. Heilig is eigenlijk hetzelfde als helend, gene­zend. De mens is over het algemeen niet heilig — hij maakt dingen kapot, uit dom­heid of door onzorgvuldigheid, bij vergissing of uit woede, soms zelfs voor de grap of uit boosaardigheid. Daar waar hij erin slaagt zich met de geest te verbinden, met de helen­de geest die de aarde omhult, die tot uit­drukking komt in alles wat leeft, kan hij genezend beginnen te werken.
Pinksteren staat aan het eind van de reeks feesten die met Advent begint. Er zit een zekere culminatie in die reeks, het is een weerspiegeling van de mensheidsontwikkeling van verleden naar toekomst. Het is een reeks van feesten die niet nu wordt afgesloten maar die een open einde heeft — dat maakt het vieren van Pinksteren ook zo ongrijpbaar. Je zou kunnen zeggen: het is iedere dag Pinksteren, ook met Kerstmis. Elke dag de windvlaag kunnen horen, de vlammen zien en je tong in je mond omdraaien. Dat is het eigenlijk.

 

 

Pinksteren: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

151-144

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (3)

.

zie voor meer pinksteren: Tineke’s doehoek

KLEINE PINKSTERKNUTSELS

Om de eerste bloempjes in het vroege voorjaar goed te kunnen zien, moet je heel diep bukken: de sneeuw­klokjes, de krokus­jes – ze bloeien vlak op de grond. De nar­cissen die volgen zijn al hoger, dan komen de tulpen en daarna de vele bloei­ende struiken. De tijd tussen Pasen en Pinksteren is vooral die van de bloeiende bomen – nu moet je je helemaal oprich­ten en omhoog kijken om bloemen te zien! Bij de kastanjes reiken de bloesems zelfs boven de kroon uit.
Het is ook de tijd van de vogels! De lucht is vol van hun activiteit: gevlieg en gezang. En vlinders! De vlinders zijn uit hun nauwe poppen gekropen en dansen stralend en gewichtloos door de lucht. De hele sfeer van de aarde ademt blijheid.

En de toekomst wordt voorbereid. De ‘paasei­tjes’ zijn uitgekomen, de bijen zoemen om de bo­men, de vruchtbeginsels zetten zich en de bloesem­blaadjes vallen als een tere regen omlaag.

Pinksteren kunnen we versieren met vogels, vlin­ders en bloesemboomkronen.

Vogeltje
=Knip uit dubbelgevouwen stevig papier een vo­geltje, een wit duifje bijvoorbeeld (lengte snavel­staartpunt 8 à 9 cm).
=Vouw een reep zijdevloepapier van 18 x 21 cm in harmonicavorm in de lengte. Knip hier een stuk van 6 cm af (voor de staart) maak een snee in de romp en haal daar de opgevouwen vleugels door. Uitvouwen en naar achte­ren toe wat korter knippen.
=Steek de staart tussen de twee romppapieren en lijm deze vast.
Met een draad ophangen, aan een stokje voor een kind om mee te spelen, of meerdere aan een hoe­peltje of als mobile aan takjes.

pinksteren 4
pinksteren 1

Vlinder
=
plak twee velletjes zijdevloe met prittstift op el­kaar
=vouw het dubbel en knip de twee vleugelvormen uit (circa 6½ cm breed) en vouw ze weer open
=vouw een pijpenrager van 15 cm dubbel, klem de vleugels er tussen en draai er vanboven een kop en voelsprieten van
= schuif de vleugels een beetje rimpelend naar de kop toe
= ophangen aan drie sa­menkomende draadjes (vanaf voelsprieten en middenlijfje) verder als vogeltje.

pinksteren 3
pinksteren 2

Jonge vogeltjes op tak
=
Frommel van zijdevloe een vogeltje, ’t is niet zo moeilijk als het lijkt.
=Met velpon uitsteeksels vast­plakken.
=Knip van dub­belgevouwen stevig geel of oranje papier een sna­veltje en plak dat aan de kop.
=Teken de oogjes.
=Boor onderin de romp met een schaarpunt een gat en steek daar 2 stukjes pijpenrager in.
=Buig deze pootjes stevig om een takje en knip ze op de goede lengte af.
=Zet een aantal op een tak naast elkaar en hang de tak op. Je kunt ze ook van pompoentjes maken.

pinksteren 6

Meiboomkroon
=
Een krans maken van twee el­kaar kruisende halve hoepels en een hele hoepel, versieren met papieren  bloemen en slingers, goud-en zilverpapier

pinksteren 5

Bloemen maken
Bij het pinksterfeest hoort helemaal zelf bloemen maken. Vroeger spaarde men gedurende het hele jaar allerlei kleurige papiertjes om daar bloemen van te maken.  Het pinksterfeest is niet zozeer het feest van de scheppende aardekrachten, maar van de scheppende menselijke geest. Daarom maken we zelf bloemen bij voorkeur zelf bedachte bloemen.

Hier volgen enkele manieren om bloemen te maken.

Rimpel rechte of geschulpte enz. stroken van ca 20 cm lang en 3 tot 6 cm breed en trek de draad aan. Een paar maal omwinden en afhechten.

pinksteren 7

1.knip van zijdepapier drie vierkanten van 15 x 15 cm

pinksteren 8

2.vouw elk vierkant schuin doormidden waardoor een driehoek ontstaat

pinksteren 9

3.vouw elke driehoek dubbel

pinksteren 10

4.vouw de driehoeken nog een keer dubbel

pinksteren 11

5.vouw de driehoeken nog een keer dubbel, maak de vouwen zo scherp mogelijk

pinksteren 12

6.houd de punt van het eerste hoorntje stevig vast en knip de bovenkant rond af

pinksteren 13

7.houd de punt van het tweede hoorntje vast en knip de bovenkant af; begin echter wat lager te knippen dan bij het eerste hoorntje

pinksteren 14

8.houd de punt van het derde hoorntje vast en knip de bovenkant nog lager af

pinksteren 15

9.vouw de driehoeken open en leg ze in volgorde van grootte op elkaar met de kleintste bovenop

pinksteren 16

10.houd de laagjes (dit worden de bloemblaadjes) in de linkerhand; plaats de rechterhand in het midden van het kleinste laagje bloemblaadjes en duw deze voorzichtig naar beneden, terwijl aan de onderkant de andere hand alle laagjes tot de steel van de bloem worden samengeknepen

pinksteren 17

11.draai het verkregen steeltje stevig en omwikkel het met plakband. Spreid de blaadjes uit zodat een bloem ontstaat.

pinksteren 18

Wanneer de bloemblaadjes op een andere manier worden geknipt, ontstaan andere vormen. Vouw eerst weer een aantal vierkanten zoals hierboven beschreven is.


Anjer

heel veel rondjes tegelijk knippen uit crêpepapier. Doorsnee circa 5 centimeter. Aan de rand rondom 2 centimeter diep inknippen, dicht bij elkaar. Er ontstaat een soort franje. In het midden 2 gaatjes maken door alle lagen tegelijk (a). Bloemenbinddraad (heel dun ijzerdraad) erdoor halen, onder de bloem in elkaar draaien en de bloem tot pompoen vormen.

pinksteren25

Bloesem

pinksteren26

Roosje
dubbelgevouwen reep crêpe- of vloe­papier inrimpelen, inwikkelen en met een stukje draad vastzetten (c).

pinksteren 27

Dahlia
een pakje crêpepapier dwars over in vieren knippen en uit één vierde deel een vorm uitknippen als op de tekening (f). Uitvouwen en de strook al rimpelend oprollen, eerst vrij strak, later meer toegevend. Is ook mooi in twee verschillende, bij elkaar pas­sende kleuren. Dan de uitgeknipte repen van iedere kleur op elkaar leggen vóór het oprol­len. Halve lengte nemen. Vastzetten met draad.

pinksteren 30

Kelkje (d) en blaadjes (e) knippen uit groen crêpepapier.

pinksteren 28
pinksteren 29
Steeltje: de uiteinden van het bloemendraad onder de bloem om om een dun twijgje of stukje koperdraad met isolatie draaien. Kelk­je onder de bloem om het steeltje frommelen en kelkje en steeltje omwikkelen met smalle reep groen crêpepapier. Bij de bloem begin­nen en daar dik omwikkelen, dan spiraalsge­wijs naar beneden, ‘onderweg’ hier en daar blaadjes insteken, onderaan vastlijmen.
Tineke Geus en Annnet Schukking,  ‘Jonas’ nr. 10, 13 mei 1983

Een fiere zijden pinksterblom

Met Pinksteren wordt een van de kinderen tot pinksterbruid gekozen. Zij is dan de ‘fiere pinksterbloem’, die van oudsher gesierd wordt met eigengemaakte bloemen, evenals de stoet die haar vrolijk zingend volgt. Het meest gebruikt zijn daarbij papieren bloemen. Nicole Karrèr laat zien hoe je ook prachtige bloemen van stof kunt maken om de pinksterbruid te tooien.

‘Hier is onze fiere pinksterblom
en ik zou hem zo graag eens we…zen.’

Zo heel erg fier is de pinksterbloem niet. Wél steekt ze dapper haar lange bloemstengel boven het prille gras uit, maar haar zachtpaarse bloemblaadjes zijn teer en vallen, eenmaal geplukt, snel uit. Dat geeft niets, het is juist deze teerheid die ons in de lente ontroert. De pinksterbloem tooit zich met papieren bloemslingers, pas met Sint-Jan dragen we kransen en hoeden met echte bloemen.
Oor­spronkelijk was de pinksterbloem, de echte, een van de weinige natuurlijke uitzonderin­gen in de papieren tooi van de pinksterbruid.

Als we zelf de bloemen voor het pinksterfeest willen maken is het leuk om eens terug te grijpen op de traditie van het bloemen ma­ken zoals dat vooral in Japan al circa 600 jaar wordt beoefend. We bevinden ons niet in slecht gezelschap, ook in Europa hebben eeuwenlang vrouwen (waaronder ook de latere vrouw van Goethe, Christiane Vulpius) het eerzame beroep van bloemenmaakster uitgeoefend. Duitsland, Italië en Frankrijk hebben min of meer een traditie op het gebied van kunstbloemen. Toch zijn deze over het algemeen minder verfijnd dan de Japanse.
Nu hebben de Japanners natuurlijk ook wel een aantal dingen op ons, westerlingen, voor. De verstilde aandacht voor de natuur tot in haar kleinste verschijningsvormen, het aan­geboren geduld en de (zelf)beheersing om dit om te zetten in fijne zorgvuldig uitgevoerde kunstwerken. Of het nu schilderijen zijn of borduurwerk of bloemen van zijde, altijd kun je beleven hoe zorgvuldig er naar de na­tuur is gekeken.

Op zich is de techniek van het zijdebloemen maken niet moelijk. U moet weten hoe de stof gesteven en hoe zij geknipt en gevormd moet worden. In principe kunt u dan bijna elke bloem na maken door goed te kijken hoe zij gevormd is. Ik heb zelfs van stof nagemaakte dennenappels gezien die bijna niet van echte te onderscheiden waren. Maar in de praktijk blijkt dat onze handen niet al­tijd willen of kunnen wat onze ogen zien. Wat het ‘doen’ betreft gaat dit stukje eigen­lijk over iets dat niet helemaal gelukt is. Overmoedig geworden na een paar geslaagde rozen en lathyrusbloemen besloot ik u in Jonas een pinksterbloem van zijde te laten maken. Gewoon goed kijken, dacht ik, dan moet het niet zo moeilijk zijn. Misschien dat het me nog wel eens lukken zal, voorlopig moet ik bekennen dat mijn vingers en mijn ge­duld niet zo fijntjes zijn als die van Onze Lieve Heer! Na een paar uur priegelen leek het me alsof er op de hele wereld niets pietepeuterigers kon bestaan dan een pinkster­bloemetje.

pinksteren 21

Mijn pinksterkroontje draagt dus pinkster­bloemetjes die niet meer zijn dan een echo van wat het had willen worden. Vierbladige zachtpaarse zijden bloemhoofdjes met meel­draden van gele katoen, maar geflankeerd door rose lathyrus op een groen wollen kransje genaaid en gedragen door de liefste pinksterbruid toch nog altijd een hommage aan de lente.

pinksteren 22

Voor de heel simpele bloemetjes van de teke­ning heeft u het volgende nodig: ijzerdraad -transparante lijm – schaar – een bot mes met een rond heft – stijfsel – Arabische gom en een oude spons als werkkussentje. Voor de lathyrus neemt u zachtrose zijde voor de twee buitenste bloembladen, voor het hartje neemt u een wat donkerder rose eventueel van katoen. Pinksterbloemetjes zijn meestal lichtpaars, hoewel er een witte va­riant bestaat. Voor de meeldraden van de pinksterbloem is een klein stukje gele breikatoen geschikt. Voor de kelkbladeren en even­tuele steeltjes neemt u groene zijde of dunne katoen.

pinksteren 23


Alle stof moet als volgt gesteven worden: meng een flinke eetlepel stijfsel met een kop­je water en breng het aan de kook. Als het mengsel dik en helder is geworden, van het vuur nemen en een eetlepel Arabische gom erdoor roeren. Drenk de lapjes zijde en ka­toen in dit papje en laat ze goed uitgespreid op een gladde tafel of plank drogen. Met een zachte kwast kunt u de lapjes helemaal glad strijken. Knip voor de lathyrus de patroon­deeltjes uit. Wikkel een stukje steelstof om het ijzerdraadje en plak, volgens de tekening het hartje er omheen. De twee lichtrose bloembladen moeten nu een klein beetje vochtig gemaakt worden, leg ze op elkaar op de oude spons. Maak nu de achterkant van het mes warm, boven een gasvlam of in kokend water. Door met het warme mes links en rechts van het midden de vochtige zijde stevig in te drukken, ‘strijken’ we twee bollingen in de bladeren. Lijm het kleine blad om het hartje heen, draai het grote blad om en lijm het ook van onderen stevig om het steeltje. Het kelkblad verbergt de aanhechtplaats. De bloem is nu klaar en kan op een dikke wollen vlecht genaaid worden. Het pinksterbloemetje is nog eenvoudiger, knip het volgens de tekening uit, leg het op de spons en maak er met het mes een bolling in. Voor de nerven legt u het bloemetje op de tafel en krast met het botte lemmet van het hartje tot bijna op de buitenrand. Drup­pel een beetje groene verf of inkt in het hart­je en naai het samen met de gele meeldraden op de vlecht vast. Met een paar uurtjes werk heeft u een snoezig bloemenkroontje dat nog bij vele verkleedspelletjes dienst zal doen.

Nicole Karrèr, ‘Jonas” 20 mei 1985

witte duif, witte vogel
De witte duif is het beeld van de neerdalende geest. Witte vogels wijzen ons de weg wanneer we in ons leven niet verder kunnen.
De meeste vogels dalen in glijvlucht.
De duif kan echter loodrecht naar beneden gaan. Zij maakt dus een directe verbinding tussen boven en beneden.

Van stevig wit papier of dun karton uitknippen. Een vertikale gleuf snijden ter breedte van de vleugels. Vleugels vouwen zigzag als een waaier, van dun papier. Het gevouwen bundeltje van de vleugeltoppen schuin bij­knippen, door de gleuf schuiven en aan beide zijden uit­waaieren .

pinksteren 19

Oogje aangeven,  goed in balans ophangen aan een tak of aan een krans

Boudy van Huizen, nadere bron onbekend

Zó kunnen jullie een duif maken
voor de vleugels gebruiken we een groot vouwblaadje
het midden van de waaier schuiven we in het gleufje op de rug, zodat er twee vleugels ontstaan

voor de staart een klein vouwblaadje gebruiken, dit achter het vogellijf plakken of nieten

pinksteren 33
bron onbekend

lentevrouwtje
Stukje tricot opvullen met schapenwol, dichtbinden
stukje bloemetjeskatoen dubbelvouwen en dichtstrikken

bodempje erin naaien
rijgdraad erdoor aan de bovenkant
lijfje vullen met rijst
kopje erin, draad aantrekken en stevig vastnaaien
haartjes maken van schapenwol, kamband of toverwol

pinksteren 32

Een kring van lentevrouwtjes doet het heel goed om een pot bloeiende takken

bron artikel onbekend

een mobile van lente-elfjes
Cirkels knippen van gekleurd vloepapier.
’t Hoofdje is een propje schapenwol, afbinden met draadje

Cirkels dubbel nemen, dat is mooier dan 1 velletje vloepapier.

Een duifje maken – zie boven –

Ophangen aan hoepel

bron onbekend

Pinksteren: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

150-143

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (2)

.

 Jacobus Knijpenga, ‘Jonas’20 29 mei 1981
.

VAN AANSCHOUWEN TOT INNERLIJK BELEVEN
.

Als men kijkt naar de manier waarop de fees­ten van het christelijk jaar worden gevierd, kan men in de eerste plaats constateren dat ze als ‘christelijke’ feesten door heel weinig mensen worden beleefd. De meerderheid be­leeft primair de vrije dagen. Maar er is bo­vendien in dit beleven een duidelijke lijn te zien die als het ware afloopt van Kerstmis tot Pinksteren. Het kerstfeest spreekt zeer veel mensen aan in het gemoed: een zekere ver­broedering, aardig voor elkaar zijn. Het beeld van het kind in de kribbe spreekt nog sterk menselijk aan.

Dit menselijk aangesproken worden vinden we dan wat spaarzamer terug in de lijdenstijd. Velen, die zich nauwelijks of helemaal niet als christenen beleven, bezoeken beslist een uitvoering van de Mattheüspassion. Of de emoties daar alleen maar muzikaal zijn? Het paasfeest is een feest van de levenshernieuwing in de natuur. De moderne mens weet met ‘opstanding’ geen raad. Men leze daarvoor nog eens de ingezonden brief van Mr. Van Leeuwen in het vorige nummer na. Uit deze brief blijkt dat Mr. Van Leeuwen zich nauwelijks meer interesseert voor het ei­genlijke gebeuren, maar meer voor wat de mensen eraan beleven. Nu is dat een zeer ge­rechtvaardigde instelling. Wat helpt ons alles wat er eventueel is gebeurd, wanneer we er zelf niets aan beleven? Het gaat tenslotte toch om de mens en ik kan mijn voedsel heel goed genieten zonder te weten hoe het is samengesteld. Maar juist dit beeld van het voedsel kan ook duidelijk maken waarom het belangrijk is te weten wat er gebeurt. Onze smaak is namelijk zodanig bedorven dat we gedenatureerd wittebrood lekkerder vinden dan een goed volkorenbrood. En dan kan het weten omtrent de samenstelling van het brood me wel helpen om mijn smaak weer gezond te maken. Juist als we zien dat hetgeen de mens zelf beleeft en doormaakt het belangrijkste is, is het een merkwaardig fenomeen dat het pinksterfeest nauwelijks meer wordt beleefd.
Pinksteren immers is het feest van de mense­lijke individualiteit en het gaat ons toch juist om deze individualiteit. De moderne mens wil heel graag de individu­aliteit beleven en verwerkelijken. Maar daar komt de broodvraag, de vraag naar de kwa­liteit. Wordt de individualiteit beleefd en ver­werkelijkt als bijvoorbeeld de vervulling van persoonlijke wensen of machtsbehoefte? Is verwerkelijking van de mens een aangelegen­heid van wat we bereikt hebben in het maat­schappelijke leven aan zichtbare resultaten, aan erkenning ook? Een duidelijk voorbeeld: wanneer de antroposofische geneeskunst door de universiteiten wordt erkend en wan­neer vele mensen een antroposofische arts bezoeken, zijn daarmee de wezenlijke inten­ties van Rudolf Steiner verwerkelijkt? Hetzelfde kan men voor de vrijescholen vragen. Hebben zichtbare resultaten en erkenning iets te maken met het wezen van een zaak? Hebben ze voor een mens te maken met de werkelijke ontwikkeling van zijn individualiteit? Ze kunnen er een rol in spelen maar zo­wel negatief als positief. Ze kunnen een ge­vaar zijn.
‘Als de wereld u haat, haat ze u omdat ge bij mij behoort. Als ge bij de we­reld zoudt behoren, zou de wereld liefheb­ben wat bij haar behoort’ (Joh 15:18-20).

Succes hangt vaak samen met aanpassing. Oudere generaties noemden dat ‘der wereld gelijkvormig worden’. Wie zich met ‘deze we­reld’ verbindt, zal met deze wereld ten onder gaan.

Is dit wereldvreemd? Is het ascetisme, sektarisme?

Misschien kan een beschouwing van wat er met Pinksteren aan het begin van onze jaar­telling gebeurde ons helpen hier gezichtspun­ten te vinden. Daarvoor willen we eerst te­rugkeren naar Pasen en dat biedt dan tevens de mogelijkheid enkele punten, die Van Leeuwen aanraakt nader te belichten.

De leerlingen van de Christus moesten heel langzaam wennen aan de nieuwe situatie, die was ontstaan door de opstanding. Hun voor­bereiding had daaruit bestaan dat ze drie ja­ren lang steeds sterker hadden beleefd wie hun meester eigenlijk was. Een enkele keer brak dat bewustzijn door. Men kan hier den­ken aan Petrus, die op een vraag antwoordt: ‘Gij zijt de Christus’, maar die onmiddellijk daarop dan helemaal niet begrijpt dat de Christus lijden moet. Zijn voorstelling van de Messias is er meer een van een heerser. Later worden Petrus, Jacobus en Johannes voor een heel korte tijd geconfronteerd met de Christus als lichtgestalte in de zogenaamde verheerlijking op de Berg. Dit is reeds ver­want met de herrezene en laat zien hoe het lichaam van de herrijzenis werd voorbereid tijdens het aardeleven. Het is als het ware on­zichtbaar aanwezig in het stoffelijke lichaam. Zo had er ook voorbereiding plaats gevonden door de vele gesprekken waarbij dan op de wezenlijke momenten wordt gezegd dat de leerlingen het niet begrepen. Daarom konden ze ook niet onder het kruis staan. Dat kon slechts één, namelijk Johannes, degene aan wie Jezus zijn liefde bewees. Deze ene, die rijper was dan de anderen, was als het ware de toegangspoort voor het begrijpen bij de anderen. Hoewel ze dus voorbereid waren hadden ze de voorbereiding niet bewust ver­werkt. Vandaar hun ontsteltenis en aarzeling na de opstanding. Misschien kunnen we ver­gelijkenderwijs er iets van begrijpen als we ons ermee bezig houden hoe het leven na de dood zal zijn. We kunnen daarover lezen, er­over denken, misschien een kleine ervaring hebben. Maar zullen we daarom na de dood direct weten in welke wereld we ons bewe­gen? Ik vrees van niet. Dit kan misschien hel­pen om de gemoedstoestand van de leerlin­gen te begrijpen.

Ze moesten nu leren een toestand te begrij­pen, die tot dan toe op aarde nog nooit aan­wezig was geweest, alleen in oude mysteriën symbolisch was aangeduid. Wie de verhalen na de opstanding onbevangen tracht te lezen kan zien hoe er een zekere groei in het bele­ven is.

Wanneer men zich min of meer kan verbin­den met de voorstelling van een onstoffelijk lichaam, dat wel de vorm heeft van een stof­felijk lichaam en in deze uitzonderingstoe­stand zichtbaar werd voor bepaalde mensen, kan men verder gaan naar de Hemelvaart. Na veertig dagen lost de vorm zich op in de wolken. Wolken hebben een steeds wisselen­de vorm. We hebben hier weer met een
my­thologisch beeld te doen, dat wil zeggen met een beeld dat een werkelijkheid uitdrukt, die eigenlijk niet uit te drukken is. Toch kan men zich in de beweeglijke vormen van de wolken en in hun functie van een mantel om de aarde heen zo trachten in te leven, dat men een verhouding kan krijgen tot het mys­terie van de Hemelvaart. Dit kan nog des te meer als men tracht zich voor te stellen hoe het water, de drager van alle leven, voortdu­rend in beweging is tussen aarde en de wol­ken, de wolken en de sfeer daarboven en dan weer terug. Een eeuwig heen en weer staat ons dan voor ogen: ‘zo als ge Hem hebt zien heengaan, zult ge Hem ook zien wederkeren’. De Christus wordt met de Hemelvaart de Heer van de hemelkrachten op aarde. Dat is dan niet alleen in natuurlijke zin zo maar ook in een meer innerlijke zin, omdat sinds de opstanding alle gebeurtenissen met het doorchristelijkte lichaam van Jezus tegelijk gebeurtenissen zijn met de aarde en met de ziel van de mens.

Op het eerste heeft in dit artikel tot nu toe de nadruk gelegen. De verbinding met de zie­len van de mensen ontstaat ten dele daaruit, voor zover we met onze zielen deel hebben aan het leven van ons lichaam en daardoor aan het leven van de aarde waarmee ons li­chaam samenhangt. Maar er komt nu iets bij. Door zijn daad schept de Christus een nieu­we verbinding tussen hemel en aarde. De geestelijk-goddelijke werelden waren voor de mensheid verloren gegaan en konden alleen nog in moeizame inwijdingsarbeid worden beleefd of als traditioneel geloof. De Chris­tus had goddelijkheid teruggebracht in de aarde en de aardemensen. Zijn terugkeer tot de hemelen is niet een verlaten van de aarde. Hij laat zijn wezen daar achter, in de stoffe­lijkheid die doorchristelijkt was. Dit stoffe­lijk lichaam was door de Christus met geest doordrongen en werkte in de aarde-materie verder, zoals een ferment in hele kleine hoe­veelheden materie kan doordringen. Verder in het sacrament van de heilige maaltijd en tenslotte in de doordringing van de levens­sfeer van de aarde die in de wolken wordt aangeduid. De mens, die zich hiermee inner­lijk verbindt, die ‘gelooft’, kan nu ook een eigen verbinding door de Christuskracht be­leven met de hemelen. Daarmee wordt ook de werking van de geestelijke hemelkrachten weer mogelijk in de aarde en in de mensen­zielen. De hemelkrachten in de mensenzielen zijn die van ons lot, van onze bestemming, ons karma. Christus wordt door Rudolf Steiner de Heer van het karma genoemd. Veertig dagen duurt het proces tussen opstan­ding en Hemelvaart. In de kwalitatieve getal­lenreeks is veertig de tijd waarin een kiem tot geboorte komt. Veertig weken is de zwangerschapstijd van de mens. Veertig maanden is de tijd tussen de doop in de Jordaan en de opstanding. Veertig jaren hadden de joodse stammen nodig om na Egypte tot een volk samen te groeien. De oude traditie spreekt over veertig eeuwen tussen schepping en geboorte van Jezus. Met de Hemelvaart wordt voor de kosmos geboren, dat wil zeg­gen zelfstandig levend, wat met Pasen als kiem werd gelegd. De lichtlichamelijkheid wordt mogelijk voor de gehele stoffelijke we­reld.
Tien dagen duurt het dan nog tot aan het Pinksterfeest. Tien dagen van stille afzonde­ring op de plaats waar de leerlingen het avondmaal hadden beleefd met hun Meester en waarin hen voor het eerst iets was duide­lijk geworden van het feit dat werking van de Christus zich verder uitstrekte dan tot in het lichaam van Jezus.

In deze tien dagen groeide in hun zielen het bewustzijn van wat er gebeurd was en zij za­gen dat in een groots perspectief. Daarom kan Petrus op de pinkstermorgen hun bele­ven plaatsen in de samenhang van de geschie­denis van het joodse volk. Tien is kwalitatief het aardegetal. Onze wil oefenen wij uit met onze ledematen waaraan tien vingers en tien tenen zitten. Aardse economie kan alleen maar werken met een tientallig stelsel. Met Pinksteren komt het gehele gebeuren terecht in de wil van de aardemens en niet alleen in zijn bewustzijn. Bovendien is het zeven maal zeven weken na de opstanding. Zeven is het ritme van de tijd die nodig is om van de ene ontwikkeling naar de andere te komen. Men denke hier aan de betekenis van het zevenja­rig ritme in het mensenleven en ook aan de zeven dagen van de week. Van zondag tot zondag kunnen wij nieuwe impulsen pakken, nieuwe ideeën vormen. Op al deze ritmen kan hier niet worden ingegaan. Daarvoor is de desbetreffende literatuur van Wilhelm Hoerner en Walther Bühler 1). Maar het is duidelijk dat het hier om een ontwikkeling gaat, die een zielenontwikkeling is waarvoor tijd nodig is.

Wanneer we de verschijnselen bezien die het Pinksterfeest brengt, gaat het in hoofdzaak om drie dingen: de hevige wind, het spreken in klanken en de vlammen boven hun hoof­den.

Was er bij de Hemelvaart sprake van het water- ­en luchtelement in de wolken, bij Pasen van het aarde- en lichtelement (en ook van lucht, voor zover de herrezene spreekt), hier gaat het om lucht- en vuurwerking. Het aarde-element is verdwenen ook in de gestal­te van het water. Lucht en vuur zijn de ele­menten, die met ziel en geest te maken heb­ben. Hierin uit zich de verinnerlijking van het gehele gebeuren. Het Griekse woord, dat gebruikt wordt voor wind, ‘pnoè’ is verwant met ‘pneuma’ = geest. Het woord, dat gespro­ken wordt, is een geest-gedragen woord, dat ver uitgaat boven de eigen mogelijkheden van Petrus. De vlammen zweven boven hun hoofden en zijn nog niet ingedaald. Maar het zijn wel individuele vlammen. Wanneer we ons in deze beelden proberen te verdiepen, treedt duidelijk naar voren dat er iets objectiefs werkzaam is. Dat objectieve wordt ook uitgesproken, het is de werking van de herrezen Christus, die nu door de apostelen verder werken wil. Het is nog een werking die sterk van buitenaf komt maar zich toch in het eigen woord verwezenlijkt. Er wordt een taal gesproken, die in het Grieks ‘lallein’ genoemd wordt. We zijn niet ver van de betekenis als we dit door ‘lallen’ vertalen, voor zover het een spreken betreft uitsluitend in klanken. Lallen is een spreken in klanken, oerklanken, die verstaan konden worden buiten het intellectuele begrijpen om. Het is weer Paulus die hier, evenals bij het begrij­pen van de opstanding, vooropgaat als ‘een te vroeg geborene’ (zoals hij het zelf uit­drukt). Paulus zegt dat hij dit lallen ook kan maar dat hij liever enkele woorden zo spreekt dat ze begripsmatig verstaanbaar zijn dan dat hij veel zou zeggen ‘in tongen’. Paulus geeft hiermee aan dat het mysterie, waar het om gaat zich steeds verder verbinden wil met het wakkere denken van de mens. Dat is niet hetzelfde als intellectueel denken. Het is een denken dat zich verbindt met een waarne­mingsvermogen voor het bovenzintuiglijke, zoals het zich in de zintuigelijke wereld openbaart; het is een waarnemen van de idee in de werkelijkheid.

Dit waarnemen van de idee in de werkelijk­heid gebeurt in het sacrament. Het eigenaar­dige van het sacrament is, dat het leidt van een nog tamelijk dromerig waarnemen tot een steeds grotere wakkerheid, het leidt van het oorspronkelijke pinksterbeleven tot dat wat het in onze tijd worden kan. Wat het worden wil, is dat mensen in zichzelf de kracht ontwikkelen het Christus-mysterie te begrijpen. Begrijpen is niet alleen gedachtewerk. Het is ook be-‘grijpen’. Daarmee komt een wilselement in ons denken, dat wil zeg­gen er ontstaat een begin van de ontwikke­ling van de bewustzijnsziel. Niet alleen in het sacrament is dit mogelijk, het sacrament is een hulp. Het kan ook gebeuren door een zuivere kennisweg, waar het denken zichzelf zo versterkt dat het zichzelf waarneemt. Hierover uitweiden is in dit artikel niet moge­lijk. 2)

1)  W. Bühler. leder jaar is anders – Ultg. Christofoor.
W. Hoerner. Zeit und Rhytmus – Uitg. Urach-haus.
R. Frieling – W. Hoerner. Zondag – de eerste dag – Uitg. Christofoor.

2)  R. Steiner – Filosofie der vrijheidFilosofie der vrijheid – uitg. Christofoor
R. Steiner – Hoe verkrijgt men bewustzijn op hogere gebieden – Uitg. Christofoor

Pinksteren: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

149-142

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – alle artikelen

.

Nieuwjaar
oude gebruiken

Carnaval
alle artikelen

Palmpasen/Pasen
alle artikelen

Hemelvaart/Pinksteren
alle artikelen

St.-Jan
alle artikelen

Michaël
alle artikelen

St.-Maarten
alle artikelen

Advent
alle artikelen

St.-Nicolaas
alle artikelen

Kerstmis
alle artikelen

Driekoningen
alle artikelen

Oudjaar
[1] Toekomstkijken
Wendela van Mansvelt over: activiteiten in het gezin ter voorbereiding van het loodgieten; waar lood (voor) wordt gebruikt; lood in de taal;
over: heksverbranding.

[2] Oudjaarsverhaal
Dan Lindholm: voor kinderen van 5-8jr.

[3] tradities: midwinterhoorn, kloksmeren, onnozele kinderen.

Maria Lichtmis
alle artikelen   

Halloween
Tim van Tongeren 
over: de oorsprong van dit feest; de diepere betekenis t.o. de oppervlakkigheid van de uit Amerika overgewaaide versie; o.a. duidelijke ‘sint-maartens- en sinterklaasmotieven

voor meer interessante artikelen Rituelen en tradities

JAARGETIJDEN/SEIZOENEN

Peuters/kleuters: alle artikelen

[1-1]  November
Diverse bronnen over: folklore van de maand november; slachtmaand en andere namen; gebruiken, weerspreuken rond heiligen: St.-Hubertus, St.-Catarina, St.Andries, St.- Elisabeth.

[1-2] Allerzielen

Winterstemming en zomerstemming
Loïs Eijgenraam over: uitgebreide stemmingsbeschrijving; Steiners aanwijzing voor klein- en groothoofdig kind i.v.m. deze stemmingen; uitgebreide beschrijving van dit type kind

2e klas: herfstspelletje
Een spel van D.Udo de Haes uit Zonnegeheimen, deel 4
.
Kinderspelen en jaargetijden
A.J.Miedaner over: leven- en doodskrachten in de natuur; opbouwen en afbreken; ‘In Holland staat een huis’; knikkeren; touwtjespringen; vliegeren; tollen

FOLKLORE

Vrijdag de dertiende

De ijsheiligen

VRIJESCHOOL in beeld: Jaarfeestenalle beelden

147-141

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (1)

.

P.C.Veltman Vrijeschool Leiden, jaartal onbekend
.

VAN PASEN TOT PINKSTEREN
.

Tussen Pasen en Pinksteren liggen vijftig dagen. “Pentecôte”, de Franse naam voor Pinksteren, hangt met dit getal (pentekoste – vijftigste, Grieks) samen.

Het paasfeest is een gebeuren, waarvan de zin nog voor vele mensen duidelijk is: de opstanding, na het leed van de kruisiging.
Treffend is de vreugde van de paasviering in de Russische kerk, waar men elkaar begroet met: “Chrestos anesti!” (Christus is opgestaan!) hetgeen door de aangesprokene beantwoord wordt met: Ja, Hij is waarlijk opgestaan!”

Het pinksterfeest is weer iets geheel anders. Voor ieder wat minder duidelijk. Het feest is oeroud. Het was een “feest der Eerstelingen” d.w.z.  jonge dieren en veldvruchten werden ge­offerd. Een vruchtbaarheidsfeest dus. Wat echter van buiten, uit de natuur kwam, heeft een verinnerlijking ondergaan door de Wet van Mozes, die weliswaar ook als het ware van buitenaf werd gegeven, maar toch een begin maakte met “eerstelingen van innerlijke orde” of wel de Tien Geboden.
Bij het pinksterfeest in christelijke zin wordt nog een verder stadium van ontwikkeling mogelijk. Na de opstanding hebben de apostelen nog contact met de Christus gehad, zoals duidelijk blijkt uit de evangelies en de “handelingen der apostelen”. Na de Hemelvaartsdag verdwijnt dit contact. Men krijgt de Opgestane niet meer te zien.

Maar op het pinksterfeest komt de Heilige Geest de leerlingen en volgelingen van de Christus bezielen. De als “vurige tongen” geschouwde geestkrachten werkten van binnen als “eerstelingen” van innerlijke ordening: de apostelen, die onzeker waren over hun verdere taak, kregen een duidelijk weten, waar hun taak lag. Zij zijn de wereld ingegaan en brachten Christus’ woorden bij vele volkeren. Van binnenuit is de Christus te vinden.
Het is weer Pinksteren. De natuur is opengegaan. Bloeiende heesters en vruchtbomen staan overal in een rode, witte of roze pracht. In de wei dartelen lammetjes en veulens. Nestelende vogels werken en zingen. Wat een schitterend jaargetijde. Een pinksterfeest kan door de mens worden beleefd, wanneer hij naar spelende kindjes kijkt. Die kindertjes spelen wel schijn­baar doelloos, maar zij zijn geheel open. Geheel en volledig open. Waar openheid is, kan de geest inwerken. Pinksteren is ook voor de volwassene het feest om open te zijn als de kinderen. Een feest van de toekomst dus. Een feest van de vrije individua­liteit, van vrijheid en liefde.

Wij kijken naar de spelende kleintjes. Hoe totaal anders zijn zij dan de grote kinderen of de volwassenen!
.

Pinksteren: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

146-140

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (30)

.

TUSSEN PASEN EN PINKSTEREN 

Het is merkwaardig, hoe vreemd die jaarfeesten lopen. De kleuters merken daarvan niet zo veel. Palmpaaasen, Palmpaaasen, versier je groene tak!
En ze zetten het op een zoeken en snoepen van eieren, echte eieren, ge­kleurd en wel,  of eieren die bekleed zijn met stevig zilverpapier in bonte kleuren.

Kortom, alles een prachtig symbool van het jonge leven, het uitbottend gewas, eerst schuchter, daarna overvloedig groeiende en bloeiende in heg en veld, in tuin en gaard. Nu, het was me weer een spannende geschiedenis met vele dagen warm zomerweer,  afgewisseld door hevige lente­stormen, en echt gemene, zure koude.

De jaarfeesten Kerstmis,  Sint-Nicolaas,  Sint-Maarten, Sint-Michaël, zij worden regelmatig gevierd op een vaste datum. Met Pasen begint de onregelmatige viering. Het paasfeest is kosmisch, dat wil zeggen: het hangt van de maanstand af. Pinksteren volgt precies vijftig dagen later en ook dat feest is dus afhankelijk van de maan.

Het vieren van Pasen is een moeilijke zaak. Toch al. Waardoor? Wel, het is een opstandingsfeest. En, hoezeer de natuur ieder jaar weer voor onze neus uit de dood her­rijst, deze opstanding op een menselijk en kosmisch plan levert heel veel moeilijkheden op. Wel is deze opstanding een centraal gegeven in het christendom! Wanneer die niet had plaatsgevonden, dan bestond het christendom slechts uit mooie traditie, uit kleurige middeleeuwse platen, schilderijen en prentjes. Waarschijnlijk was het al afge­schaft of in onbruik geraakt.

In Jerusalem, waar ik enige jaren geleden omstreeks de paastijd mocht verblijven, zijn er nog steeds geleerden die niet precies weten, waar de kruisiging, de graflegging en de opstanding hebben plaatsgevonden! In hoofdzaak zal men moeten kiezen tussen de geweldige, monumentale Heilige Grafkerk, die door Keizerin Helena van Byzantium werd gebouwd op de plaats, waar de heuvel van Golgotha vroeger was gelegen – elke christelijke kerk heeft daar een eigen hoekje, met verering en versieringen – of, het is de rand van de noordelijke heuvel, waarin velen – vooral Engelsen – de plaats van graf en opstanding willen zoeken. Daar is een heel mooie, rustige tuin, heimelijk en ver­heven. Welke plek is het?

Het is namelijk niet zo duidelijk of kruisiging, graf­legging en opstanding zo dicht bij elkaar gelegen waren, dat er niet enige ruimte tussengelegen kon zijn. Het graf is in een tuin ten noorden van Jerusalem, het noordelijkste punt.

In het Johannesevangelie staat, dat Petrus naar het graf holde en dat een jongeling ietsje voor hem uit liep. Deze jongeling zag de doeken, waarin het lichaam gewikkeld was geweest en de zweetdoek. “En hij geloofde,” staat er. Wie was die jongeling? En waarom geloofde hij toen? Hij was de enige apostel die de kruisiging van nabij mee­maakte. Er is er maar één op wie deze beschrijving van toepassing kan zijn. Dat is de jonge Johannes, die de geschiedenis later als evangelist heeft opgetekend. Daar­door is de beschrijving zo, dat hij zichzelf op de achter­grond plaatst, maar uit eigen ervaring spreekt. Hij schrijft in de laatste regels van het Johannesevangelie: “dat hij weet, dat zijn getuigenis waar is.” Waarom? Omdat hij het zelf was, die dit alles lang geleden meemaakte. Lees het er maar over na,  al zullen vele theologen u in de haren vliegen.

Op de helling van de berg die ten zuiden van Ephese loopt (de Ala dagh)  ligt nog steeds het huisje, waarin de oude Johannes en Maria hun laatste levensdagen hebben doorgebracht. Marias huisje is nu een piepklein kerkje. De gehele sfeer is daar bijzonder rustig. Zowel christenen als islamieten houden zich aan de ter plaatse voorgeschreven wijdingsvolle stilte.

Behalve de christelijke aspecten van het paasfeest zijn er nog vele andere, die uit oudere tijden stammen. Een van de bekende sprookjes is dat van Indra en het maanhaasje. Alle hebben deze sprookjes gemeen, dat een opofferende trek het kenmerk is. Het haasje van de maan offerde zich voor Indra. Een andere versie komt in de Egyptische mythologie voor. Een kleine jongen is erg bang van aard. Hij ontdekt een haasje, dat nog banger is. Dit haasje trekt zich terug op de maan en inspireert de jongen tot moedige daden. De kleine held ont­dekt, dat de maan iedere afschrikwekkende gestalte groter maakt naarmate deze verder weg is. Gaat hij er recht op af, dan blijkt ook een monster een klein beestje te zijn. Met deze kennis kan de jongen het schijnkarakter van het monsterlijke doorzien en naar waarde schatten. Hij is niet bang meer en hij kan dus heel veel hulp brengen aan andere wezens.

Vele paasverhalen inspireren dus tot moedig en opofferings­gezind gedrag. Nog altijd onmisbaar in onze dagen!

 P.C. Veltman, vrijeschool Leiden, nadere gegevens ontbreken

.

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

.

145-139

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

..

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (29)

.

LENTE: HET VERHAAL VAN TOBIAS EN DE VIS

’t Is lente,  lente !
Het feestgeschal
Van:  lente,  lente
Klinkt overal  !

Het begin van een oud lied. Een jubelkreet ! Daar buiten gaat het weer groeien en bloeien, geuren en kleuren.
Hoe goed is het om samen met de kinderen het lentefeest te vieren. En ze niet alleen de schoonheid van de natuur te laten beleven, maar ook te wijzen op de geneeskracht, die verborgen is in zovele planten, struiken en bomen.
Brandnetel, weegbree, paardenbloem, om maar enkele te noemen. Berkenblad en berkensap kunnen ons weer fris en gezond maken. En dan de kruiden in ons kruidentuintje.
En zoals we in de herfst Michaëlsverhalen vertellen, waarin de moedige Michaël de duistere draak verslaat,  in de winter de vroom­heid en innigheid van de Kerstspelen en kerstverhalen laten beleven, vol vreugde in de zomer om het St.-Jansvuur dansen, zo kunnen we nu in de lentetijd bijv. het prachtige verhaal van Tobias vertellen uit de apocriefe evangeliën. In het kort wil ik het hier weergeven.

ln Nineveh leeft onder de gevangen Israëlieten de oude, vrome Tobias. Hij helpt, verzorgt en troost zijn arme lotgenoten, waar hij maar kan. Maar dan slaat ook bij Tobias het lot hard toe. Zittend voor zijn huis valt er drek van een vogel op zijn ogen en hij wordt blind. Nu zijn ook zijn zorgen groot. Hij roept zijn zoon Tobias en geeft hem de opdracht naar een zekere Gabael te rei­zen, aan wie hij een som geld leende. Maar wie zal de jonge Tobias de weg wijzen? Het is een edele, wijze man, Azarias, die, o wonder, op hem schijnt te wachten en hem begeleiden wil. Zij komen bij de rivier de Tigris en Tobias wil zijn vermoeide voeten wassen. Doch plotseling is daar een grote vis. “O heer, help, hij wil mij verslinden”, roept Tobias vol angst.”Grijp de vis”,  luidt het antwoord; “dood hem en bewaar lever, hart en gal; ze hebben grote geneeskracht en kunnen je vele diensten bewijzen”. Dan komen ze bij Raguel, een oom van Tobias. Azarias vertelt, dat de dochter Sara s nachts bezeten is, van een demon. Vele mannen werden reeds door deze duivel gedood, maar als Tobias lever en hart van de vis offert en op God vertrouwt, zal hij Sara kunnen verlossen. En zo geschiedt het ook. Grote vreugde en dank­baarheid!

Tobias mag Sara als bruid naar zijn ouders brengen. Ondertussen heeft Azarias bij Gabael het geld gehaald en de terugreis wordt aanvaard.

Vol verlangen zien Tobias en zijn vrouw Hanna uit naar de terugkeer van hun zoon.
Hoe groot is hun vreugde en verrassing als dan Tobias met Sara eindelijk thuiskomt. En de dankbaarheid kent geen grenzen als Tobias met de gal van de vis de blindheid van zijn vader genezen kan!

Maar wie is die wonderbaarlijke metgezel, die Azarias, die de ge­neeskracht kende van de vis (het symbool van Christus) en de grote helper werd van de jonge Tobias?

Het is de engel Rafaël, ook wel Mercurius genaamd (de mercuriusstaf hebben immers de artsen als symbool!).

Een schilderij van Rembrandt (die vele malen dit verhaal van Tobias uitbeeldde) laat zien, hoe allen vol ontzag zien, hoe Rafael ten hemel stijgt. Ook uit de school van Botticelli is een prachtig schilderij bekend; Tobias begeleid door Rafael, rechts van Rafaél Michaël en links van Tobias Gabriél!
En in een Tobiasspel klinkt het tot slot:

Ik Rafaël
Werd door God gezonden,
Om te genezen alle wonden.
Tobias zag het licht weer schijnen
De boze demon moest verdwijnen.
En zo kon nu de knecht des Heren,
Het grote leed in vreugd’ verkeren.

.

 Lena Struik, nadere bron onbekend
.

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen
.

142-136

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

..

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Palmpasen/Pasen – alle artikelen

.
Hoewel het vieren van jaarfeesten een onderdeel is van wat op de vrijeschool gebeurt, geeft Steiner er in zijn pedagogische voordrachten geen aanwijzingen voor. Dat er over de jaarfeesten op deze blog van alles is te vinden, betekent niet dat alle achtergronden die hier worden gegeven voor iedere school in gelijke mate gelden. Bovendien is ‘school’ in dit opzicht te abstract. Het gaat om de mensen die er vorm aan geven. Omdat het bij de achtergronden om  religieuze, spirituele of godsdienstige inhoud gaat, ligt het voor de hand dat iedere individuele leerkracht daarmee een bepaalde verbinding heeft – van een oppervlakkige tot een diepe.
De achtergronden die hier worden gegeven, zijn dus meer bedoeld om de sfeer te schetsen waaruit de concrete vorm van een jaarfeest is voortgekomen.

=

In veel artikelen die over Palmpasen gaan, staat ook iets over Pasen en omgekeerd. Een duidelijke scheiding is niet aan te geven.

PALMPASEN

[1Palmpasen
Walther van Riet
over: invloed van vroegere tijden; palmpasenstok.

[2] Palmpasen 
Juf Aagjen
over: het ei als symbool; ‘drie ei is een paasei’.

[3] Palmpasen 
Henk Sweers
over: het licht in de lente; de gang door de seizoenen; Paasei; paashaas; levensboom, palmpasenstok; palmprocessie; ‘één ei is geen ei’.

[4] Palmpasen 
verschillende palmpasenstokken.

[5] Palmpasen 
Juultje van der Stok over: de symboliek van de stok; stokken maken, haantjes bakken in het gezin. 

[6] Palmpasen
broodrecepten: paasbrood met saffraan; vooral om met kinderen te maken: hot cross buns; broodhaantjes; paaskoekjes; paaskrans; paasbrood; brooddeeg.

[7] Palmpasen
Walther van Riet over: symboliek van de paasstok.

[8] Palmpasen
Ferdinand van Hemmes over: Palmpasen in de Betuwe, zo’n halve eeuw geleden; palmpaasstok en meiboom; voor-christelijke en christelijke tradities.

[9Pasen de levensboom
Loïs Eijgenraam over: palmpasenstok en levensboom; boom van leven – boom van kennis; legende(n) om de 3 zaden van de levensboom; zonnekruis; Schotse (boom)spreuk; gedicht van Albert Steffen.

[10] Palmpasen en Pasen
Loïs Eijgenraam
over: palmzondag; Christus als Koning; palmprocessie/palmstok; palmpaasstok; haaktechniek voor netje; eieren verstoppen; verfhaal ‘het haasje in de’maan’.

[11] Palmpasen
Dieuwke Hessels over: Palmpasen, intocht, lente; palmpaasstok; broodhaan; paasei; palmprocessies; paashaas; Stille Week; liedjes; illustraties; handgebarenspelletjes (kleuterklas); ochtendspel (organisatie) in kleuterklas. gedichtjes.

PASEN

[1] Beweging
J.E.Zeylmans van Emmichoven over: de beweegbare paasdatum; lentefeest; palmpasenstok.

[2] De paashaas blijft
Henk Sweers over: de haas als paashaas; symbool; in oude(re) culturen; in de kunst.

[3] Pasen: kosmisch en innerlijkevenwicht
Maarten Udo de Haes
over: de beweeglijkheid van de paasdatum; zon, maan en aarde in evenwicht; de zondag als middelpunt; tweetallen van dagen in tegenstelling.

[4] Het kosmische beeld van Pasen
Rinke Visser
over: wanneer valt Pasen; het kosmische beeld van Pasen; evenwicht vanuit optiek waken-slapen van de aarde.

[5] De paashaas
Henk Sweers
over: omgang met de ander; leven en liefde; geweten; Christus en Pasen; paashaas.

[6] Pasen: het feest van levensvernieuwingen opstanding
Onbekend over Pasen; vernieuwing en opstandig; Christus opgestaan; geest en stof; plant, dier en mens; dood en lente; voorjaarsmoeheid.

[7] Palmpasen en Pasen voor de kleuters
Thea Verbeek en Ilona Botterweg over Palmpasen en Pasen in de peuter- en kleuterklas: lente; palmpoosstol; haas; ei; eieren verven: Roodkapje.

[8] Knutsels
vingerhaaspopje, paashaasje; paashaasje, kuiken, lam van pompoen; paastuintje; paasfiguren van papier-maché; bloempot beschilderen; eierhoepel; nestjes; haas als eierdop;  paaseierdop; paasmobile; ei op stokje; paasboom; lentefee; eierschaal met bloempjes; haasje van aardappel; paasweitje; paashaantje (papier); voor het raam; beweegbare paaskaart; ‘kiek-kiek’ beweegbaar kuikentje; wortel- en lentekinderen haken; bloemenkinderen van vilt; ei met deksel.

[9] Pasen
Robin Jansen over: hoe beleven we nu Pasen; opstanding; Golgotha; Christus; Ik; oordeel; gedicht Nijhoff ‘De soldaat die Jezus kruisigde’.

[10] Waarom valt Pasen nooit op dezelfde dag
Amy de Rhoter over: de beweeglijke paasdatum; mysterie van Golgotha.

[11] Een overweging bij onderstaande legende
Marijke Roetemeijer over: paashaas; Hindoelegende ‘De legende van de drie hazen’

[12] Het haasje in de maan
Legende van het haasje in de maan.

[13] Pasen 
Erica Mathijsen over: hoe zou je in het gezin Pasen kunnen vieren en waarom; voorbereiding; activiteiten;
aangevuld met andere artikelen over hetzelfde onderwerp; Heilige week met gedicht;
samen knutselen; samen bakken;  paasmenu maken.

[14] Pasen en de maan
J.Oele over: Paasdatum, in de bijbel; joods Pasha; kalenderhervorming, kerkelijke kalender; Nicea.

[15] Eieren
Eieren verven, verschillende technieken, natuurlijke kleurstoffen; eiertakken; paaseieren versieren; eieren verven en versieren; paasei met blaadjes; paasei verven; chocolade-ei; wat doen we uiteindelijk met de eieren?

Maarten van Rakt over: feest van de chocola; chocolade-ei; waarom eieren;

Nikole Karrèr over: eieren in het verleden; een Perzische legende over de eieren van Ormoezd en Angromanyu; bijzondere eieren uit Perzië; doosje met ei als cadeau; een ganzenei bewerken.

[16] Dichter bij Pasen
Dichter bij Pasen: hoe denk je erover, wat voel je erbij, wat wil je ermee. Een gesprek tussen ouders.

[17] Het mysterie van Pasen 
Henk Sweers over: eindigheid en oneindigheid; de grenzen van het denken; de eeuwigheid; het voorgeboortelijke; Golgotha; Christus.

[18Pasen loopt naar de maan 
Paul van Laare over: de kalender in vroegere tijden: Julius Caesar, Gregorius 13; het vaststellen van de paasdatum.

[19] Van lijdenstijd naar Pasen
Marieke Anschütz over: werk als oefenweg; beroep als ‘meditatie’;  Jan Luyken, etsen.

[20] Pasen: liefdevol omvormen van het dode
Annet Schukking over: lijden, dood en leven.

[21] Pasen: feest van de opstanding van Christus en de natuur
Yolanthe van Cornelisse over: Palmpasen en Pasen, in kort bestek passeert veel de revue.

[22] Een feest van evenwicht en beweeglijkheid
Maarten Udo de Haes over: evenwicht en beweeglijkheid; paasdatum; sterven, dood, opstanding, leven; Mercurius als bemiddelaar; Rafael; genezing.

[23] Pasen in de 3e klas
Rimbert Moeskops viert met zijn derde klas het Pesach.

[24] Passietijd en Pasen 
F. de Fremery over: lijden van Christus in het persoonlijk leven; de betekenis van doornenkroon, geseling en opstanding; passietijd en Pasen.

[25] [Oude heidense gebruiken en het christendom 
Gert Stegeman uit: Noord-Europese mysteriën: Heidense gebruiken en het christendom; lentemaand; lentenamen; Ootmarsum.

[26] Lijdenstijd: ken uzelve
Marieke Anschütz
over: Vasten: hoe oefen je mens-zijn; innerlijke ontwikkeling; Elckerlyc; Pieter Breughel de Oude: De strijd tussen carnaval en Vasten; wat was, wat is ascese.

[27] Overwinning van de dood
Jakobus Knijpenga over: (af)sterven, dood, vergankelijkheid; vernieuwing, leven, levenskracht; overwinnen; Christus’ dood; opstanding.

[28] Enkele achtergronden m.b.t. het paasfeest
Hanneke van Vliet over: Palmpasen/Pasen, lente  in de kleuterklas; symboliek stok, ei, haas.

[29] Lente: het verhaal van Tobias en de vis
Lena Struik: het verhaal van Tobias en de vis.

[30] Tussen Pasen en Pinksteren 
Paul Veltman over: Jeruzalem, Johannes, symboliek haas; opstanding niet makkelijk te begrijpen.

[31] Pasen
Annemieke Zwart
over: Palmpasen; lente; opstanding; symboliek; Christus.

[32] Op zoek naar de ware koning
Marieke Anschütz over: het wezen ‘koning’; Palmpasen; lijdenstijd t.o. advent; veroordeling Christus; Judas. 

[33] Hoe wordt de paasdatum berekend
J.E.Zeylmans van Emmichoven over: vier manieren om de datum te berekenen: stoffelijk; wanneer is het Pasen; eenmaal per jaar: jaarritme;  biologisch, het maan(d)ritme, ritme van het etherlijf; week als ritme van de psyche; het Ik heeft een dagritme. 

[34Kiezen voor ritme of dood
J.Knijpenga
over: pogingen in het verleden om de paasdatum vast te leggen (1954, 1963, 1977); maanfeest, Jahweh; Pasen in het teken van de zon; ritme.

[35] Astronomen twisten over de datum van de kruisiging
Govert Schilling over: wanneer is het Pasen; wanneer de 1e Goede Vrijdag?; berekening van Bradley Schaefer; 3 april 33?.

[36] Pasen en de geur van mirre
Bob Smalhout over: Judas, Martha en Maria, de nardusolie, veroordeling van Jezus; hoe er gekruisigd werd;

[37Interview
Charles Vergeer over: Jezus; wat gebeurde er rond Goede Vrijdag; wat schreven Marcus en Lucas; 

[38] De twee bomen in het Paradijs
Jan Förder over: het van buitenaf beschouwen van de wereld; Hebreeuwse getalswaarde van letters in woorden; doodskant van de kennis; Christus en de ‘de boom des levens’; getal 4.

[39] Oude paasgebruiken
Hans Harress over: paasvuur; verbranding; paaswiel; zon als oorsprong; Christus als zonneheld.

[40] Hoe kunnen we met kinderen Pasen vieren
Jörgen Smit over: Pasen in het verre verleden in oude culturen; paashaas; eieren; het joodse paasfeest en het christelijke; hoe en wanneer vier je Pasen met kinderen.

[41] De paaseieren
Een verhaal van Elisabeth Klein over het ontstaan van de paaseieren, voor kinderen rond het 6e jaar.
Verteltijd ca. 8 min.

[42] Pasen – een feest van leven en vruchtbaarheid
Karl-Heinz Wiedner over: oude paasgebruiken, paasvuur, paaswiel, vele manieren om eieren te versieren.

Pasen (43)
Pasen in het verre verleden in oude culturen; hoe en wanneer vier je Pasen met kinderen; welke sprookjes; eieren versieren

[44] Het zonnekoren – een paasverhaal
Jörg Undeutsch
over: het gras dat dichter bij de zon wilde komen, een zonnedruppel ontvangt en koren wordt. Verteltijd ca. 5 min.

[45] Pasen
Tineke Croese over: lente: nieuw leven, Pasen: nieuw leven; ei en haas; lente en winter; overwinning van de dood; ziel en dood, schimmenrijk; Christus overwinning dood; paasdatum; opstaan uit verdriet, verlies, rouw, traumatische ervaringen is je eigen opstanding.

[46] Pasen in de kleuterklas   (Pasen 46)
Dieuwke Hessels over: Pasen; paashaas; gedichtje, liedjes; handgebarenspel; boeken; kringspel; verhalen; transparanten; ei.

De kikker en de held Johannes
Else Tideman over: Russisch sprookje met paasmotief; Wassilissa, de Alwijze.

voor meer ideeën en achtergronden: Tinekes Doehoek

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeldPalmpasen (met o.a. voorbeelden van broodhaantjes en palmpasenstok;  bij Pasen: jaartafels
.

141-135

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (28)

.

ENKELE ACHTERGRONDEN M.B.T. HET PAASFEEST

In de kleuterklas vieren we Pasen als een lentefeest.
Het feest van de uitlopende natuur.
In ons ochtendspel zingen en spelen we het verhaal van de wortelkindertjes. Zij ontwaken uit hun winterslaap. Moeder aarde zorgt dat ze ijverig hun nieuwe bloemenjurkjes gaan naaien. O, wat zijn ze mooi als ze klaar zijn om in optocht naar boven te vertrekken. Als de lentefee op haar gouden slee met rinkelende belletjes de lente inluidt, komen alle bloemenkindertjes uit de grond naar boven. In de gebaren van het ontwaken wordt de nieuwe geboorte zo ervaren.
Ook het van donker naar licht gaan, wordt ervaren in dit spel. Het ontwaken van de natuur geeft ook de beelden van opstanding en overwinning uit de dood.
De symbolen van de paastijd geven het weergekeerde leven weer.
De palmpaasstok is eigenlijk een persoonlijke levensboom. De haan, bovenop, is de figuur die de dag aankondigt en met Palmpasen de nieuwe dageraad in een mensenleven.
Het groene takje, van de buxus is het symbool van het eeuwige leven. Ook horen er eieren aan de paasstok.
Al het leven komt uit een ei.

Het paasei is een schijnbaar dood ding, dat leven in zich heeft. Ook een beeld voor het wonder van de opstanding.
De krachten van de zon (gele dooier) en de maan (eiwit) zijn in het ei terug te vinden.
Door de Grieken, Germanen en Russen werden de eieren  op graven gelegd als symbool voor onsterfelijkheid.
Dit gebeurt nog steeds in delen van Kroatië. Dit rouw-ei is zwart.
Het nieuwe leven kunnen we in het verborgene vinden.
Vandaar dat de eieren worden verstopt.

Een ander eeuwenoud symbool is dat van de paashaas.

In oude tijden vóór Christus was de haas toegewijd aan de godinnen van de vruchtbaarheid (Artemis in Griekenland, Oeroet in Egypte, Ostara in het Noorden),  het Duitse Ostern verwijst nog naar Ostara.
In de tijd na Christus is de haas het symbool geworden van het ‘Ik’ in het fysieke lichaam.
Het ‘Ik’ is onzelfzuchtig, schaadt niemand en komt de ander te hulp.
De haas heeft geen eigen huis, het terrein is zijn woning.
Hij doet geen dier kwaad, is zachtmoedig, maar heeft vele vijanden. Daarom is een snelle vruchtbare voortplanting nodig. Een haas die door een vijand wordt nagejaagd in de achtervolging, wordt vervangen door een soortgenoot. Zo is hij zijn ‘broeders hoeder’.
Zo kan een klein ikje uitgroeien tot Ik. De wereld als ons huis en alle mensen als onze broeders.
Aan kleuters leggen we al deze zaken niet uit. Maar op een diep niveau beleven zij het wonder van de opstanding van de natuur en mens in de kringloop van het jaar door onze feesten, als vanzelfsprekend mee.

Hanneke, maart 1998, vrijeschool Zevenster, Uden

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Peuters en kleuters: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: peuters en kleuters

139-134

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (27)

.

OVERWINNING VAN DE DOOD

Bij de geboorte worden ons meteen de doodskrachten mee gegeven, met andere woorden het sterven is alleen bij het einde van het leven definitief maar het begint me­teen. Het weer uiteenvallen van de vorm, af­sterven van levende cellen, is een proces dat ons hele leven begeleidt. Uitvallende haren reeds bij de baby, tanden die verloren gaan en dan nog één keer vervangen worden, zijn enkele van de symptomen. Maar in het begin van het leven, tot ongeveer 35 jaar toe, mer­ken we van dit sterven niet al te veel omdat er telkens een levenshernieuwing plaats vindt.
Zo omstreeks 40 jaar begint het ernst te worden. Men merkt dan vaak dat de jeugdkrachten op zijn en wie eenmaal de grens van de 60 of 70 levensjaren overschre­den heeft, merkt hoeveel moeilijker ver­moeidheid zich herstelt, hoeveel makkelijker men een been breekt, hoe vatbaar men is voor allerlei kwalen. Toch vindt er nog steeds levenshernieuwing plaats. Het is het­zelfde proces als dat wat we in de natuur waarnemen in het voorjaar. De levensher­nieuwing treedt vaak zelfs tevoorschijn aan de stronken van gevelde bomen. Sommige soorten, zoals de vlier bijvoorbeeld, lijken vrijwel onverwoestbaar. Toch komt er eens een einde aan deze voorjaarsvreugde. Bij de mens is dat duidelijk. Velen worden tegenwoordig 80, maar 90 is al zeldzaam en de 100 levensjaren worden maar door heel en­kelen bereikt.
In de natuur lijkt het anders te zijn, namelijk alsof de cellen zich door deling steeds weer verjongen, maar eens houdt ook dit proces op en treedt geen verdere groei maar teruggang op. Maar hoe dit ook mag zijn, aan alle biologische leven komt een ein­de door de dood.

Er gebeurt echter meer dan levenshernieu­wing, wanneer de mens een ziekte of ander lijden of ouderdomskwalen overwint. We kunnen bijvoorbeeld denken aan mensen, die de Duitse of Japanse concentratiekampen hebben doorgemaakt en er doorheen geko­men zijn. Een mens van Joodse afstamming verliest zijn vrouw en kinderen in de gaska­mer. Hijzelf is zo zwak dat men denkt dat hij vanzelf wel doodgaat. Maar hij haalt het tijd­stip van de bevrijding. Tot een volledige overwinning van het geleden leed komt hij niet. Hij kan ook in zijn verdere leven geen positieve verhouding tot het christendom vinden. Maar in het doormaken van zijn leed maakt hij een stuk mensheidslot door. En daaraan ontwikkelt hij zijn Ik, waardoor de dood hem niet meer raken kan. Wat daar ontwikkeld is, is in de eerste plaats een zielenkwaliteit, mede nog weer door latere smart en teleurstelling geadeld. Maar de ziel van de mens werkt op het lichaam. Ons stoffelijk lichaam is te hard om nog omge­werkt te worden, maar na de dood kan dan op het gelaat iets zichtbaar worden van het verworvene. Is dit een aanduiding van wat als een onstoffelijk ‘lichaam’ is ingebouwd in het stoffelijke?

Een ander voorbeeld, ook uit een concentratiekamp: een gevangene, die evenveel honger heeft als de anderen en geen enkel voorrecht, maar innerlijk minder eronder lijdt, vindt telkens nog de kracht zijn medegevangenen, ten dele zijn vrienden, te troosten. Hij over­leeft, in tegenstelling tot velen aan wie hij nog trachtte moed voor de toekomst te ge­ven. De meeste moed gaf hij door zijn han­delwijze zichzelf. Hij overwint na het kamp op middelbare leeftijd zijn zwakte en heeft in een redelijk goede gezondheid nog heel veel mensen kunnen helpen en bijstaan. De indruk, die van hem uitging, was die van een door en door sterke morele persoonlijkheid. Ook hier vond meer plaats dan biologische levenshernieuwing.

Een oudere man, boven de 70, is zwaar ziek aan kanker. Een bezoeker, die in het zieken­huis bij hem komt, wordt meteen ontvangen met een fundamenteel geestelijk gesprek over iets dat de zieke zo juist gelezen heeft. Het is voor de bezoeker moeilijk zich te rea­liseren dat hij bij een patiënt zit in zijn laat­ste stadium terwijl de patiënt zich dat zelf heel goed bewust is. Hier volgde spoedig de fysieke dood.

Is dit alles alleen verworven zielenkracht? Normalerwijze werkt ons zielenleven op ons lichaam. Een mens, die gewend is in gedach­ten te leven of een kunstenaar, die streeft naar uitdrukking van wat hij beleeft in de stof, in het woord, in muziek, ziet er anders uit dan iemand die gewend is zich aan zijn begeerten over te geven of iedere zondag bij een voetbalwedstrijd te zitten of aan het kijkkastje gebonden is. Stoffelijk zal men in de verschillende lichamen niet veel verschil­len aantreffen, in de vorm soms wel, vooral ook in het gelaat en de handen, maar vaak ook niet. En toch is er iets anders, ook in het eigen lichaamsbewustzijn van de betrokke­nen.

Hoe kunnen we ons hier een weg openen, die tot min of meer begrijpen leidt? Dit is moge­lijk als we ons verdiepen in de betekenis van het paasfeest. Ook het paasfeest is aange­knoopt aan de levenshernieuwing van de na­tuur, zowel historisch gezien als voor het ge­voel van de meeste mensen. Maar ook hier is meer. Ook hier gaat het lijden aan de le­venshernieuwing vooraf. Maar ook de dood gaat eraan vooraf. In het leven van de Christus Jezus werkt een goddelijke geest in een zorgvuldig voorbereid lichaam. Er vol­trekt zich in dit lichaam een proces waar­door het na drie jaren (eerst met de doop in de Jordaan werkt de Christus in het lichaam van Jezus, die dan 30 jaar oud is) zo zwak geworden is, dat aan het kruis reeds na drie uren de dood intreedt (normaal duurde dit vaak een volle dag; de beide medegekruisig­den zijn dan tegen de avond ook nog niet ge­storven, waarom hun beenderen gebroken worden).
Op de zondagmorgen vinden de leerlingen het graf leeg. In de loop van de dag en de volgende weken verschijnt de Christus hun in een nieuw lichaam. Ze her­kennen hem eerst niet; hij komt binnen on­danks gesloten deuren; hij is er plotseling en is even plotseling weer verdwenen. Eenmaal wordt verteld dat hij at, de overige keren is hij alleen bij de maaltijd aanwezig of nodigt hij de anderen tot het maal uit. Dit eten vormt een bijzonder probleem, dat hier te ver zou voeren, maar het kan niet gebruikt worden als bewijs dat Jezus na de opstan­ding een stoffelijk lichaam had. Daarvoor staat er teveel tegenover wat alleen met een onstoffelijk lichaam mogelijk is. Hoe is dit onstoffelijke lichaam?
Rembrandt heeft iets daarvan beleefd toen hij enige keren trachtte de maaltijd in Emmaüs weer te geven en tenslotte het lichaam van Jezus alleen als een lichtglans weergaf.
Rudolf Steiner spreekt over een licht-lichaam en er is niets in de evangeliën dat dat weerspreekt, integendeel. Paulus nam het als zodanig waar en Paulus wordt dan de denker, die tracht te begrijpen wat dit voor de mensen kan bete­kenen, die zich met Christus verbinden. Hij vindt dan de woorden dat er een sterfelijk lichaam gezaaid wordt en een onsterfelijk lichaam wordt opgewekt. Onsterfelijk is een lichaam alleen als het niet stoffelijk is. Maar het moet dan wel door de dood heen. Behoort het niet tot het bereik van het denk­bare dat door de Christuskracht in ons een onsterfelijk, onzichtbaar lichaam groeit in het sterfelijke? Christuskracht is de kracht die door leed te ondergaan en daarin staande te blijven de dood overwint. Zo gezien blijft Pasen het feest van de levens­hernieuwing, ook in tijdelijke zin, maar het krijgt er een dimensie bij, die ook voor alle mensen geldt.
Opstandingskrachten, die het lichaam vergeestelijken, werkten het eerst in Jezus maar werken verder voor alle men­sen die dit in zich beleven als een definitieve levenshernieuwing.

Jacobus Knijpenga, ‘Jonas’16, 6 april 1979

 

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

138-133

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (26)

.

LIJDENSTIJD: KEN UZELVE 

Vlak voor de ‘helse’ dagen van carnaval zette de dooi in. Sneeuw en ijskorsten op wegen en in tuinen smolten ziender­ogen weg. Hoog boven de bomen vlo­gen troepen wilde ganzen, luid gakkend, in noordelijke richting. Het werd ze hier te warm! De nevelige grijze lucht begon te breken, de zon kwam tevoorschijn en na die vele grauwwitte weken zagen we weer een stralende blauwe hemel. Je hoorde de vinken slaan en de merels fluiten, en de toverhazelaar bloeide.

Zo’n echte winter als nu achter ons ligt, zijn we helemaal niet gewend in het overbeschaafde Nederland met zijn kwakkelwinters. Niets ging ‘vanzelf’, niets verliep ‘normaal’, het kostte extra inspanning om ergens te komen omdat de uiterlijke verbindingen zo slecht wa­ren. Daardoor werden we steeds weer voor de keuze gesteld: wat is echt nodig en wat niet zo direct dat ik het de moeite waard vind om erop uit te gaan met alle risico’s vandien? Waarmee heb ik zo’n innerlijke verbinding, dat het de slechte uiterlijke verbinding overwint? We moesten ons een zekere bezonnenheid eigen maken, een steeds opnieuw bezinnen op onszelf en onze gewoon­ten.

Daarnaast hadden we nog een andere ervaring. Door kou, nattigheid, glad­heid, hagel in je gezicht of zwaar stap­pen door de sneeuw werd je sneller ver­moeid. Je gedachten vlogen als vogels naar het doel, waren er al drie keer ge­weest voordat je ‘onwillige lijf’ er einde­lijk was.

In vroeger tijden noemden de monni­ken hun lichaam een ‘onwillige ezel’. En deze ‘ezel’ werd op allerlei manieren gedwongen zich in dienst te stellen van het streven van de ‘eigenaar’: de wederverbinding van de ziel met het hogere ‘Zelf’, dat deel was van de goddelijke wereld. Wie streeft naar het hogere, wordt nadrukkelijk geconfronteerd met ‘broeder ezel’, die bij de aarde hoort.

In een tijd dat we, zeker na een ‘echte’ winter, verlangend uitzien naar de eerste tekenen van de lente, van nieuwe groei, van nieuw leven in de natuur ­juist in deze tijd worden we wat onszelf betreft, streng en onbarmhartig gewe­zen op de vergankelijkheid van alle le­ven op aarde.
In de derde carnavalsnacht, klokslag 12 uur gaan de maskers af. Iedereen wordt weer ‘zichzelf’. De vastentijd is aangebroken.
Er bestaat een schilderij van Pieter Breughel de Oude, dat de kunsthistori­ci aanduiden met: ‘De strijd tussen car­naval en Vasten.’ Het is geschilderd in 1559 en hangt in Wenen. Als we ervoor staan, zien we links een groep wonder­lijk uitgedoste en gemaskerde figuren aankomen: de carnavalsgasten. Voorop gaat Prins Carnaval, een kerel met een geweldige buik. Hij zit op een grote ton die weer vastligt op een blauwe slee. Die slee heeft dezelfde vorm als ‘de blauwe schuit’ op het uithangbord van de herberg linksachter. Aan touwen wordt de slee met zijn berijder voortge­trokken. Van rechts nadert de stoet van de vasten, in beeld gebracht door een broodmagere figuur op een kerkstoel. Die stoel staat op een rood ‘platform’ op wielen. Het geheel wordt getrokken door een monnik en een non. Deze ‘vastengroep’ komt uit de kerk rechtsach­ter. Langs de weg die de stoet gaat, staan afschuwelijk verminkte bedelaars opgesteld die de aalmoezen van de welgestelden in ontvangst nemen. De linkergroep geeft zich volledig over aan de aardse genoegens; de rechterstoet ont­trekt zich te zeer aan wat de aarde schenkt.
Prins Carnaval is te dik, de ma­gere Vasten is dor en lelijk. Geen van beiden trekt ons aan. Precies middenvoor kruisen de ‘voor­trekkers’ van beide groepen elkaar. Vlak achter die ‘kruising’, in het hart van het schilderij, staat een put waar­naast een vrouw bezig is vissen schoon te maken voor de verkoop. Bij de put staat een andere vrouw met de putem­mer in haar handen. Ze heeft blijkbaar het water opgehaald vanuit de donkere diepte. Ze buigt zich voorover en spie­gelt haar gezicht in het heldere bron­water.

pieterr-brueghel-de-strijd

Wat zich afspeelt op de voorgrond, lijkt het hoofdmotief van het schilderij te zijn. Het is of Breughel ons twee dingen wil zeggen. Het ene is: houd maat in alle dingen, zoek het juiste midden tus­sen carnaval en Vasten. Het andere is: ken u zelve. Je kunt je dorst lessen met het bronwater, maar de weerkaatsing van je spiegelbeeld kan onthullend zijn.

Met Aswoensdag begint dus de vasten­tijd. Deze duurt veertig dagen volgens de traditie van de rooms-katholieke kerk. Veertig jaren zwierf het volk Israels door de woestijn, voordat het ‘volwassen’ was en het beloofde land mocht binnentrekken. In de lijdenstijd zou je die veertig dagen kunnen bele­ven als een periode waarin je het menszijn en de menswording in zijn essentie moet leren doorgronden.

In de Christengemeenschap kent men vier lijdensweken voordat de paaszon­dag aanbreekt. Deze vier ‘zwarte’ we­ken doen denken aan de vier ‘blauwe’ adventszondagen, die vooraf gaan aan het geboortefeest van het kind Jezus: beide zijn een periode van voorberei­ding, echter totaal verschillend van ka­rakter. Op de eerste adventszondag steken we één kaars aan, en met die ene kaarsvlam vieren we een pril begin dat in de weken daarna steeds meer groeit en voller wordt, en tenslotte ge­heel ‘gevuld’ wordt, in ver-vulling gaat.

In de lijdenstijd ligt dat anders, dacht ik. Er vindt geen ver-vulling plaats, maar een ont-hulling. Het begint met het afleggen van de carnavalskledij. En in het zicht van het kruis volgt de ene ‘ont-hulling’ na de andere. Zoals in het middeleeuwse spel van ‘Den Spieghel der Salicheit van Elckerlijc’ alles afgelegd moet worden als God roept. In dit spel van ‘Elckerlijc’ wor­den alle eigenschappen van de mens en ook alles wat uiterlijk bij hem hoort, voorgesteld als levende wezens die spreken en handelen als mensen. Zo verlaten hem Schoonheid, Kracht, Vroedschap en de Vijf zinnen in het zicht van de dood. Het eerst zijn heen gegaan ’t Goed (het aardse bezit) en Gezelschap (familie en vrienden). De enigen die Elckerlijc vergezellen tot het einde zijn Kennisse en Deugd. En van deze twee is het tenslotte alleen Deugd die met Elckerlijc door de don­kere poort gaat. Streng wordt de Dood genoemd, want verbloemen, wegmoffelen, je anders voordoen dan je bent, is niet mogelijk. Je zou kun­nen zeggen: nu wordt pas duidelijk wie je eigenlijk bent. Elckerlijc ontdekt dat zijn Deugd zwak en ongezond is. Hoe kan zij wor­den genezen? In het spel loopt het dan zo, dat Elckerlijc te elfder ure zijn dwalingen inziet. Hij komt bij vrouw Biechte en hij krijgt, zoals te doen ge­bruikelijk, een ‘penitentie’, een boete­doening opgedragen. Hij ontvangt een geselkoord en daarmee moet hij zijn lichaam slaan. Het helpt, want Deugd fleurt helemaal op en is nu krachtig genoeg om voor de rechterstoel van God een ‘goed woordje’ voor hem te doen.

In de middeleeuwen, en nog lange tijd daarna, behoorde het geselkoord tot de uitrusting van iedere kloosterling. De innerlijke oefening ging gepaard met uiterlijke lichamelijke afstraffing, zoals zelfkastijding en vasten. In de tijd waarin we nu leven, zouden we deze extreme vorm van zelfontwik­keling niet meer aanvaarden. Maar als we deze ‘ascese’ niet meer willen, wat dan? Misschien is het mogelijk de oude vormen van zelfkastijding en vas­ten anders te hanteren of op een be­paalde manier te ‘vertalen’, zodat we de oorspronkelijke bedoeling ervan herkennen.

Het begint al met het woord ‘ascese’, dat in de loop der tijden de betekenis kreeg van ‘onthouding’. Oorspronke­lijk betekent dit Griekse woord echter ‘oefening’. En wellicht blijkt dat de opgave te zijn in de lijdenstijd: de ‘as­cese’ een nieuwe inhoud te geven als we uitgaan van de grondbetekenis van het vasten en de zelfkastijding. Daar­voor moeten we echter eerst wat beter leren kijken, naar de wereld om ons heen, naar onze medemensen en ten­slotte naar onszelf.

Er staan twee schoteltjes met water in de vensterbank. Op ieder bordje ligt een oranje schijf in het nat, de afge­sneden bovenkant van een winterwor­tel. Iedere morgen komt een kleine jongen kijken of het water bijgevuld moet worden en of de geelgroene bob­beltjes op de schijven al wat groter zijn geworden. En waarachtig, op een goede dag hebben zich heel kleine geveerde blaadjes uit de knobbels om­hoog gevouwen. In de dagen daarna groeien er stengels op en de blaadjes worden groter. Dit zorgvuldig volgen van een kiemproces kun je nog op vele andere manieren doen: met witte en bruine bonen, met erwten, met zon­nebloempitten en met alles wat maar ontkiemen wil in een potje of bakje binnenshuis. Het is heerlijk om dit met kinderen te doen in de lentetijd, want het blijkt dat het ze geweldig boeit.

Dit scherpe, zuivere waarnemen, dit on-sentimentele kijken naar de natuur­verschijnselen kun je ook op jezelf toepassen. Is er dan iets in mij dat ‘mijzelf’ kan waarnemen? We weten dat het er is; het is immers de kern van ons mens-zijn. Maar het ligt erg ver­stopt onder allerlei lagen die voortko­men uit het aardse bestaan met zijn beslommeringen. Het ligt diep verbor­gen, zoals het allerheiligste in de tem­pel der Israëlieten verborgen lag in het binnenste vertrek. We noemen het meestal ons ‘betere ik’. Als ik door al die lagen heen ga en al die omhullin­gen die ik voor mezelf heb ‘geweven’, afleg, dan pas kan ik zien wat daar ge­beurt in het binnenste vertrek.
In het allerheiligste van de tempel der Joden was het de verbinding met de Godheid die zich daar voltrok, afgeschermd voor de menselijke blik. In mijn eigen ‘allerheiligste’ ontstaat de ‘re-ligio’, de wederverbinding met de wereld van de geest. En van daaruit kun je begin­nen de ‘ascese’ een nieuwe inhoud te geven. Vanaf dat punt wordt het ook mogelijk je eigen ‘ezel’ beter waar te nemen.

Er speelt een kind op straat. De zon schijnt. Ik zie het kind springen, tel­kens achterom kijken, dan even weg­hollen en weer terug komen. Wat doet het toch? En dan zie ik, dat het speelt met zijn schaduw. Het probeert er op te trappen, en het tracht die malle, bewegende donkere vlek te ontlopen. Maar dat lukt niet, want het kind weet nog niet dat ieder mens zijn schaduw heeft en dat niemand die kan ontlo­pen. Die schaduw is als een scheefge­trokken beeld van jezelf, een karikatuur. Soms denk je vertwijfeld dat de mensen om je heen alleen maar je schaduw zien en niet je werkelijke ge­stalte, zoals je werkelijk bent. Maar na enige tijd merk je, dat het jezelf ook moeite kost om duidelijk te zien wie jezelf bent en waar je schaduw begint. Die schaduw is onze ‘boezemvijand’ zoals het lichaam dat was voor de monniken in de kloosters. Daarop was hun ascese, hun ‘oefening’ gericht met vasten en zelfkastijding. Het wakker waarnemen van deze ‘boezemvijand’, het ‘ken uzelve’, geeft ons ‘vanzelf’ mogelijkheden aan waar we de ‘zelf­kastijding’ ter hand kunnen nemen. En wat het vasten betreft: niet alleen op het gebied van voedsel kun je ‘ont­houding’ oefenen. Het ‘maat-houden’ in het spreken doet je beter luisteren. Als je met werkelijke aandacht naar een ander luistert, dan schep je een ruimte in jezelf waar die ander kan binnengaan. Dan hoor je wat er ligt achter de woorden van die ander. De wijze waarop het wordt gezegd, is dan minder belangrijk geworden. Door iets van jezelf terug te houden, iets van je­zelf te ‘offeren’ ontmoet je de ander op een hoger plan. De vrijdag is van oudsher de dag van het vasten, en ie­dere vrijdag ontvangt zijn glans van Goede Vrijdag, de dag van het offer. In deze weken voor Pasen, als in alle kerken het zwarte doek over het altaar ligt gespreid, worden we opgeroepen ons te bezinnen op onze ‘zwarte kant’, en om ons zo nu en dan terug te trek­ken in ons ‘binnenste vertrek’. Daar kunnen we tot ‘onszelf’ komen en tot Hem die gezegd heeft: ‘Wie zichzelf bemint, zal zijn ziel verliezen. Maar wie in deze wereld tegen zichzelf strijdt, waakt over zijn ziel in het tijd­loze leven.’ (Joh. 12)

Marieke Anschütz,  ‘Jonas’  14, 9 maart 1979

 

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

137-132

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (25)

.

OUDE HEIDENSE GEBRUIKEN EN HET CHRISTENDOM

In de ‘heidensetijd was het lentefeest één van de belangrijkste feesten. Het tijdstip van dit feest werd naar de paastijd verschoven met de bedoeling het door het paasfeest te laten verdringen. Voorafgaande aan Pasen werden de oeroude veldommegangen door de palmpaasoptochten vervangen.

De 25e maart was volgens de Juliaanse kalender de dag van de lente-evening. Op die dag viel oorspronkelijk het paasfeest (tot in de 6e eeuw). Een duidelijke binding met de lentefeesten.

Het joodse Passahfeest had geen vaste datum. Het werd vastgesteld aan de hand van de zon- en maanstanden. De christelijke kerk nam behalve de naam ook de datum van dit joodse feest over. Tenminste ongeveer, want er was enig verschil in de datum van het christelijke en het joodse paasfeest.

De lentemaand heette in Duitsland östarmanoth  (nu Ostern). In Engeland Eosturmannöth  (nu Eastern). In de meeste andere landen werd de Joods-Christelijke naam overgenomen. Ostarstuopha was de naam van een soort belasting die in de 9e eeuw in de lentetijd werd geheven.

De lentefeesten leefden zeer sterk in de harten van de Germaanse mens. Het begrip paasgelach stamt uit de tijd dat de priesters in de kerk verplicht waren om tijdens de kerkdienst in lachen uit te barsten in een poging de vrolijke lentefeesten te doen vergeten  (Middeleeuwen). Het ontsteken van de paaskaars in de kerk moest de lentevuren overstemmen. Toen dit tot mislukken gedoemd bleek, moest de priester de vuren maar zelf ontsteken (nu paasvuren genoemd). Dit gebeurde dan op het terrein van de kerk. De kerken waren vaak op oude heidense heilige plaatsen gebouwd en daar moest dan maar het vuur branden.

Tenslotte moet nog even vermeld worden dat nog in 1870/1875 de burgemeester van Ootmarsum probeerde het vlöggelen onmogelijk te maken. Hij  gebood dat de niendeuren van de huizen gesloten moesten blijven. Het resultaat was dat de deuren met geweld opengebroken werden en er meer dan ooit werd gevlöggeld.
In 1215 probeerde magister Olivarius Canonicus vanuit Enschede al het vlöggelen te verstoren. Hij wilde de kruistochten prediken. Niemand luisterde naar hem. De reidansen waren voor de bevolking veel belangrijker.

 uit: Noord-Europese Mysteriën, Farwerck uitg.: Ankh Hermes
Gert Stegeman, nadere gegevens ontbreken

 

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

136-131

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (24)

.

PASSIETIJD EN PASEN

Het paasfeest zal bij verschillende mensen verschillende gevoelens oproepen. Sommigen zullen het vieren in de kerk als christelijk feest. Voor anderen is het een lentefeest – in de klassen zijn de wortelkindjes en lentefeetjes weer tevoorschijn gekomen. En in de derde klas vieren we een variatie op het oude joodse paasfeest, de uittocht uit Egypte op weg naar het beloofde land.

Op welke wijze je het ook viert, steeds blijkt dat het leven de dood overwint. Dat blijft de centrale gedachteof je nu gelooft in de (herrezen) Christus – of in het opnieuw opleven van de natuur – of de bevrijding uit dood en slavernij naar een vruchtbaar, levend land van belofte.

De redactie heeft dit jaar gekozen om in deze en volgende school­kranten de gedachten van ir. F. de Fremery over de jaarfeesten te volgen, zoals hij die neerschreef in ‘Van Kerstmis tot Kerstmis’. Voor de duidelijkheid eerst zijn

VOORWOORD

Aan mijn gezin in oorlogstijd:

“Nichts hat der Gegenwartsmensch
nötiger, als das er lernt, sich
wieder über den Alltag zu erheben,
dass er lernt, Feste zu feiern und
wirkliche Sonnentage in sein schweres
Leben einzuflechten ”                                                                                                •

Friedrich Rittelmeier

De christelijke feestdagen liggen in het jaar verspreid op een wijze, die wel met het gevoel overeenkomt – niemand zou Kerstmis in de zomer of Paschen in het najaar willen of kunnen vieren – maar waarvan de zin toch niet duidelijk voor de  hand ligt. De Bijbel geeft maar wei­nig opheldering hieromtrent. De viering dezer feesten houdt nog steeds velerlei in, dat verband houdt met de oude heidense betekenis-, die juist geheel samenhing met het punt van de jaarkringloop waarop de viering plaatshad.

In deze cyclus wordt uit het natuurleven de stemming afgeleid, waaruit het christelijke feest op natuurlijke wijze voortkomt, zodat de zin van de verdeling der feesten over de loop van het jaar weer duidelijk wordt. De feesten krijgen daardoor een nieuw, intenser leven en de gebruiken die daarbij gevolgd worden, zijn dan niet meer uitsluitend traditie, maar herkrijgen weer hun volle zin.
Waar de Bijbel voor het moderne denken vaak zo moeilijk te begrijpen is, brengt deze afleiding uit de natuurstemming een nieuw beleven dezer hoofdpunten van het Evangelie en kan daardoor een beter en meer levend begrip daarvoor gewekt worden.

De geestelijke achtergrondf waarvan werd uitgegaan, is te vinden in Der Jahreskreislauf und die vier grossen Festeszeiten des Jahres” door Rudolf Steirner en andere werken  van deze schrijver en zijn geestverwanten.
F. de Fremery.

Twee beschouwingen van Ir.F. de Fremery, uit: ‘Van Kerstmis tot Kerstmis’.

De passietijd omvat 40 dagen voor Pasen, beginnende met Aswoensdag. De laatste week hiervan, de Stille Week, begint met palmzondag, herdenking van de intocht in Jeruzalem, (palmtakken, ezelprocessie, Joh.12-13) en omvat de Witte Donderdag, waarop het avondmaal herdacht wordt en de Goede Vrijdag. De laatste 40 uren van deze tijd vormen het hoogtepunt. De kerkklokken zwijgen van vrijdag tot zondag.

1.PASSIETIJD
Het voorjaar is in het land. De weiden glanzen in fris jong groen, doorspikkeld met het felle geel en wit der eerste voorjaarsbloemen. Wilgen, elzen en hazelaars tooien zich met hun fijne katjes zonder zich de tijd te gunnen het blad te ontplooien. De vogels prijken met nieuw gevederte en vullen de lucht met beweging en nieuw geluid. De dieren stoten hun wintervachten af en vertonen zich in nieuwe glanzende huiden. Het vee komt naar buiten met kalveren en lammeren. Zo is alom de werking van de nieuwe sappenstroom merkbaar, die gestuwd wordt door de wederkeer van het licht.
De mens aanschouwt dit nieuwe leven, hij geniet van de terugkerende kleuren, geluiden en beweging na de somberheid, de stilte en de rust van de winter, maar hij beleeft het voorjaar niet in zich zelf. In zijn bloed is geen nieuwe stuwkracht merkbaar, hij wisselt niet van vacht of gevederte, aan hem ontluikt geen bloeiHij heeft niet de ontberingen van de winter gekend, hij leed geen koude, want hij maakte zich huizen en kleding en verschafte zich brandstof, hij leed niet van het duister, want hij maakte zich licht, hij leed geen honger, want hij zorgde voor voorraad en voor aanvoer uit verre landen   Door zijn eigen kunde wist hij zorg en nood te vermijden, hij nam zijn leven in eigen hand en maakte  zich afhankelijk van de ontberingen die de natuur hem anders zou hebben laten ondergaan. Maar nu heeft hij ook geen deel aan de ge­weldige stuwing die de natuur wekt in het voorjaar. Hij overwon de nood, maar hij verloor het leven, het kosmische leven. Hij kent het leven, maar niet het leven op aarde als uiting van het leven van de wereldgeest.
Vervreemd staat de mens tegenover de natuur in het voorjaar. Door zijn  kennis heeft hij zich boven de natuur verheven, nu voelt hij zich vereenzaamd. Als een kind zou hij weer moeten worden om het voorjaar te kunnen beleven; slechts voor zover hij kind is kunnen blijven, kan hij het nog meemaken. Maar door zijn intellect heeft hij zich buiten de natuur gesteld en zich van het leven afgewend.
Het onderzoek, de analyse, heeft onze kennis enorm vermeerderd, maar de wereld, de natuur, hebben wij erdoor verbrokkeld en het leven, het wezen  van hetgeen wij in onderzoek namen, hebben wij niet gevonden.

Dit besef van zich zelf vervreemd te hebben, van zich een kruis opgelegd te hebben, is wat in de passietijd gevoeld wordt. Dan dringt het door tot de mens, welke schuld hij op zich geladen heeft door zijn eigendunk, die hem tegenover het leven stelt, in plaats van de overgave, die hem het contact met de geestelijke-goddelijke grond der dingen en van zich zelf zou doen hervinden. Hij voelt dan, dat hij het hoge standpunt waarop hij zich door zijn kennis meende te moeten plaatsen, moet verlaten, om zich dankend neer te buigen tot het eenvoudige waarboven hij dacht zich verheven te mogen voelen, want in dat eenvoudige oorspronkelijke ligt ook de grond van zijn bestaan.
De mens voelt dan dat hij tot ootmoed moet komen tegenover de werken der natuur, die zich in het voorjaar openbaren. De Christus-Jesus toonde deze dank en ootmoed ten opzichte van de discipelen, in wie zijn werk op aarde moest wortelen, door de Voetwassing voor het Avondmaal.
De mens neigt in het voorjaar tot de voetwassing.
Door deze vrijwillige erkenning van schuld is weliswaar de waan der
kennis verbroken (de sluier van Maya opgeheven), maar daarmee komt de
mens dan ook in zijn volle naaktheid te staan en is dan blootgesteld aan de ongebreidelde werking van spijt en wroeging, die hem in het vlees dringt; hij ondergaat de geseling. Dit is de consequentie van de begane fouten, maar tevens is het de correctie waarvan de impuls tot het betere willen uit moet gaan.
Daarmede is de mens in zijn trots en hoogmoed geknakt. Waar hij zich heer en meester dacht, blijkt hij zich door de schijn te hebben laten verleiden. Ogenschijnlijk heeft hij zich door zijn eigen­ werken verrijkt, maar in werkelijkheid zijn hem de goddelijke gaven daardoor ontvallen. Zo wordt hem de bekroning van zijn werk tot Doornenkroon en de Purpermantel van zijn eigenwaan wordt hem tot hoon.
Zo leidt het inzicht de mens over de lijdensweg.

De Christus-Jesus ging deze weg vrijwillig, de mensen ten voorbeeld, nadat hij hen bij het Avondmaal, de Vader dankende, met het Brood zijn Lichaam en met de Wijn zijn Bloed had geschonken, zich daarmede als Geest der Aarde; openbarende.
Want het geheim van het Brood is de gelukschenkende zonnekracht, die zich met de aarde verbindt bij het schrijden van de zaaier over de opengelegde voren der paarsbruine akkers, in het lichte groen van het ontspruitende koren, in het goud der rijpende velden, bij de oogstvreugde, bij het ritme der dorsvlegels, bij het malen in de molen en in de geur van het gebakken brood. Het brood is zowel voedsel voor ons lichaam als de bestaansgrond van ons geestelijk wezen op aarde.
En in de wijn zijn te vinden de zegen van de uit de hemel neerdalende regen en de gloed van de zonnewarmte, die door de rots teruggestraald werd. De krachten die in de wijn fonkelen, doorgloeien eveneens ons bloed, wanneer wij de Christus in ons beleven.

De Christus-Jesus onderging de geseling en de Doornenkroon onschuldig, onder de druk van het door de Farizeërs opgezweepte volk, om daardoor de valsheid van de farizese opvattingen kenbaar te maken en door deze tot hun uiterste consequenties te laten komen, dat is de kruisiging, het volk tot inkeer te brengen.
Zelden komt de mens ertoe deze weg der dankbare verootmoediging
vrijwillig in te slaan, bittere ervaring, zorg en nood, moeten hem er meestal toe dwingen het kruis op te nemen. Maar kan hij tot overgave komen en zijn kruis aanvaarden, dan staat ook de Verlossing voor hem open. Dan leert de mens zijn hogere innerlijk kennen, dat hem zich weer één doet voelen met de geestelijke grond van alles wat leeft en gevormd is in de natuur, want dan staat hij niet in de wereld als de egoïstische beheerser en gebruiker, die de natuur ten eigen bate zoekt te benutten, maar voelt hij zich staan, in dankbare ootmoed en eerbied voor de scheppingen, die voortgevloeid zijn uit dezelfde geestelijke oergrond waarin hijzelf zijn oorsprong heeft en waaruit ook hij zijn kracht put en dan mag hij die scheppingen dankend als gaven aanvaarden. Dan kan hij het ritme van de natuur, waarin het leven van het Christuswezen, dat zich met de aarde verbond, zich uit, meevoelen.
Hij kan het voorjaar, de lente weer beleven en het Paasfeest tegemoet gaan.

2.PASEN
Na de donkere wintermaanden is de zon weer in opgang. Het licht heeft nu de overhand gekregen, de dag- en nachtevening is gepasseerd. De aarde ondergaat weer in sterkere mate de invloed van de kosmische zonnekrachten, de maan speelt een mindere rol.
In de kerken worden de lampen met nieuwe olie gevuld en nieuwe kaarsen worden ontstoken op de altaren.
Pasen is het feest van het weergekeerde licht.

Door het licht dat de aarde van de zon ontvangt, zijn de levenskrach­ten, die ’s winters in het verborgene werkten, gewekt en het jonge leven komt overal tevoorschijn. De jonge planten steken hun frisse groene scheuten uit de grauwe aarde, de knoppen zwellen en tussen de dorre schubben begint het jonge blad tevoorschijn te komen. De vogels keren terug en beginnen hun nieuwe lied.
In de lucht drijven de zware voorjaarswolken, soms fel wit in het diepe blauw, soms zwaar en zwart van regen en hagel, brengende het levenssterkende water.
De winterse dood is ten einde; het licht dat de aarde bestraalt, brengt de krachten van de stof tot nieuwe vormgeving, tot groei. Het oude afgestorvene wordt opzij gedrongen, of voor nieuwe vorming gebruikt, ofwel het draagt het jonge leven. De lente trekt door het land. Overal brengt de lentegodin Ostara, vergezeld door haar trouwe, vrolijke trawant, de haas, die zelf grote vreugde beleeft door het uitbottende groen, aan de planten bloem en blad, aan de vogels eieren, aan de dieren jongen.
Het ei is het symbool van het nieuwe leven. In die eenvoudige vorm ligt de kiem van een jong leven en de bestanddelen waaruit een jong lichaam zich kan vormen, wanneer de levenskrachten er in gewekt worden. Die bestanddelen zijn door het moederdier geschonken, geofferd om de ontwikkeling van het jonge leven mogelijk te maken.
Pasen is het feest van het leven. 

Voor de mens is nu ook de tijd van inkeer voorbij en moet overgegaan worden tot het nieuwe scheppen en handelen, tot de arbeid in het besef van de invloed der hogere krachten, het besef dat de geest de mense­lijke handelingen moet leiden, dat de mensheid zich niet alleen door stoffelijke behoeften mag laten dwingen.
Pasen is het feest van de ziel.                                            –

De levenskracht heeft op aarde de vormen van de natuur, van mineraal, plant en dier geschapen. Het leven bond zich daarin met de stof en daardoor met de dood. Slechts door zich telkens te vernieuwen kan het leven zich handhaven. De planten vernieuwen zich in hun zaden, de dieren in hun jongen, de mensen in hun kinderen.
In de mens bond zich ook de geest aan de stof. De mensenziel, van goddelijke oorsprong, voelde zich in de oudheid nog sterk verwant met de geestelijke wereld. Maar naarmate de mens meer kennis vergaarde van de dingen der aarde, verloor hij de band met de geestelijke wereld. Zo dreigde voor hem de geestelijke dood.
De Christus gaf de mens de weg om in deze stoffelijke wereld de geestelijke krachten terug te vinden, om zich geestelijk te vernieuwen, tot opstanding te komen. Zijn lijdensweg leidde tot het Kruis en het Graf, maar wekte daardoor de mensheid op tot een opheffing van het bewuste geestelijke leven. Zijn wezen is, na zijn overwinning van de dood overgegaan in de zielen der mensen, om in de mensen wederom op te staan.
Pasen is het feest der Opstanding.

In het nieuwe jonge leven komen de goddelijke vormingskrachten zuiver tot uiting, nog onbevlekt door ziekte en strijd.
In heel de natuur brengt de lente een zucht tot vernieuwing, tot het afgedaan maken van het oude dat verging. Daarom verzamelen de mensen het oude hout om het paasvuur te stoken, waar het oude verdorde vernietigd wordt door het vuur om plaats te maken voor het nieuwe en daarbij de in het oude gebonden krachten vrij te geven en uit te  stralen.  
Pasen is het feest van de loutering.

De mens is nauw verbonden met het leven der aarde. Zijn lichaam is opgebouwd uit bestanddelen, die van de aarde afkomstig zijn. Voor de instandhouding van het lichaam is geregelde voeding nodig en daardoor blijft de mens steeds het verband met de aarde houden, want met het brood dat hij eet en het sap der vruchten dat hij gebruikt, krijgt hij tevens deel aan de levenskracht der aarde. Voor het in standhouden van het leven moet veel gebruikt worden van wat reeds bestond. Planten gebruiken stof van mineralen en van vergane planten en verdringen andere om voor zichzelf een plaats te veroveren. Dieren leven van planten en van de stof van andere dieren. De mens gebruikt mineraal, plant en dier.
Vele moeten geofferd worden voor het in standhouden van anderen.
Dit offeren geschiedt meestal als overgave na strijd, door wie weerloos is en het onderspit delft in de strijd om het bestaan.
Bij de mens gaat het daarbij niet alleen om de strijd op het stoffelijk gebied, maar wordt ook veel gestreden met geestelijke krachten. Veel van die strijd is zinloos en nutteloos en beter is het strijd te vermijden door het brengen van een offer op het juiste ogenblik.

Het is Christus, die ons door het vrijwillige opnemen van het kruis  en het aanvaarden van de kruisiging tot de dood, toen het volk daar toe drong, gewezen heeft op het belang van het offer, dat de mens kan brengen door het inzicht, dat hij door de bewustwording verkrijgen kan.   |
Pasen is het feest van het Offer (van het Lam) van het Kruis.

Om te komen tot het brengen van een offer, tot het opnemen van het kruis, is voorbereiding nodig, want uit zich zelf is de mens weinig daartoe bereid, hij is van aard een egoïstisch wezen. De wijze waarop het egoïsme kan worden overwonnen, is door de Christus aangegeven in Zijn Lijdensweg, in zijn Passie. Door zijn levensweg daarnaar te richten, kan de mens tot hoger leven komen. Deze weg leidt langs opeenvolgende trappen.
Eerst dient begrepen te worden, dat in het leven al het hogere op het lagere steunt, en aan het lagere dank en hulde verschuldigd is voor de levensmogelijkheid die het lagere aan het hogere biedt.
Planten danken hun leven aan het minerale rijk, dieren leven van planten; ieder mens dankt zijn bestaan aan hen die op lagere trappen staande, zijn werk en leven mogelijk maken.
Zo wortelt het leven en werken van de Christus in de twaalf apostelen en daarom buigt de Christus tot hen neder in de Voetwassing.
Tot deze erkennmg en dankbaahneid moet ook de mens komen.

Dan moet de mens in zich de kracht ontwikkelen om rechtop te blijven staan en door te gaan volgens zijn innerlijke overtuiging, ook al ondervindt hij daardoor allerlei leed en smart en treft hem slag op slag. De Christus onderging dit en verdroeg dit in de Geseling.

Ook moet de mens volharden wanneer hij opkomende voor wat hem heilig is, overgoten wordt met hoon en spot, waardoor zijn innerlijk doorpriemd en zijn trots neergehaald wordt.
De Christus droeg dit met lijdzaamheid in de Doornenkroning.

Door de krachten van voetwassing, geseling en doornenkroning in zijn
ziel te ontwikkelen, wijdt de mens zijn leven aan Christus, volgt hij
de passieweg? die voert tot de inwijding, tot het opengaan van het volle bewustzijn, dat met Pasen beleefd kan worden.

Pasen is het feest der Inwijding

 

bron onbekend

 

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

135-130

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (23)

.

PASEN IN DE DERDE KLAS
Viering op joodse wijze

Op de dag van het vorige jaar dat we in de verschillende klassen de paasvieringen hadden, heb ik* met mijn derde klas (Parcivalschool/Amstelveen) het Sederavondfeest gevierd; het was die dag ook volgens de Joodse kalender Pasen, Pesach. Het lag voor de hand: het Oude Testament als vertelstof en een Joods meisje in de klas.
Al gauw bleek overigens, dat er ook nog vijf kinderen in de klas waren met een Joodse vader of grootmoeder.
Pesach wordt gevierd aan de hand van een boek, de Haggada (letterlijk: het Verhaal), waarin alle rituelen en gebeden keurig op een rij beschreven staan. In het door mij gebruikte boek (volgens kenners de mooiste Nederlandse vertaling) is dit geheel zo geordend, dat er zelfs een nummering bij staat. Het feest wordt gevierd op Sederavond; seder betekent ordening.

Iedere Joodse familie bezit minstens één Haggada. Volgens gebruik is het een zeer ‘belezen’ en met wijn- en voedselvlekken besmeurd boek. Op de avond, dat ik het feest met een drietal ouders voorbesprak, lagen er ook al meteen vijf verschillende uitgaven op tafel. En verschillende met vlekken!

DE VOORBEREIDING
De ruimte waarin Pesach wordt gevierd, eigenlijk het hele huis, wordt in de dagen voorafgaand aan het feest zeer grondig gereinigd, omdat ieder kruimeltje gegist of gezuurd brood verwijderd dient te zijn. De kinderen en ik hebben op de dag voorafgaand aan het feest de hele klas geveegd, geboend en gezogen. Alles uit de kast gehaald, uitgeslagen en gestoft. Dit gebeuren was een feest op zich en wat je noemt: de klas werd op zijn paasbest.

Voorafgaand aan het feest, op de dag zelf, wordt met een lantaarn of kaars in alle hoekjes en gaatjes naar mogelijke laatste kruimeltjes gespeurd, die, als ze er niet zijn, symbolisch met een vogelveer bijeengeveegd en verwijderd.

Noodzakelijk is natuurlijk ook, dat alle jongens en mannen een keppeltje dragen. Wij konden ze lenen; wie er niet op die wijze over beschikken kan, zal ze moeten maken (als variatie of aanvulling op de te breien muts in de derde). Ook lange, witte gewaden behoren tot de traditie: die hadden wij niet, want daar­van hoorde ik pas op de ochtend van het feest.
Voor ieder die aan de maaltijd deelneemt moet er uiteraard een plaats aan tafel en een bord, bestek en een wijnglas zijn, maar ook voor Elia, die altijd als plotselinge gast op kan komen dagen, moet er (en liefst extra mooi) serviesgoed zijn en uiteraard de mooiste stoel klaar staan.
Voor de traditionele gerechten, die niet alle genuttigd worden, zou er een uit drie verdiepingen bestaand Sederbord moeten zijn; maar kom daar maar
eens aan …….
Wij hadden gewoon een groot, mooi bord.

LIEDEREN
De liederen die op Sederavond gezongen worden, moeten natuurlijk tevoren worden geleerd. Allereerst is er het ‘Manisjtana’. Dit lied en de andere Sederliederen zijn op de plaat gezet door Hans en Asher Bloe­mendal. Ik heb nog niet kunnen ontdekken, of er ook een CD van is gemaakt.

Overigens heb ik een aantal van de liederen vervangen door andere met dezelfde strekking: ‘Dajenoe’ door ‘Laten wij zingen voor de Here Jahweh’; ‘M’kiemie’ door ‘Halleluja – looft de Heer in zijn Heiligdom’; ‘Echad mie jodea’ door ‘Wie kan me zeggen wat één betekent?’; alles uit ‘De wereld klinkt’ van Elisabeth Lebret.

DE GERECHTEN
Wij hadden de traditionele gerechten, zoals ze op de Sederavond niet mogen ontbreken: het hardgekookt ei, het lamsbotje, de peterselie, de radijsjes en het zoute water, de geraspte mierikswortel en de charoset (een mengsel van geraspte appel, noten, honing en bruine suiker en zoete wijn). De vier glazen wijn die geduren­de de viering gedronken worden (met de elleboog op tafel geleund als extra teken van vrijheid), waren bij ons glazen druivensap, gemengd met wat zoete wijn. Daarnaast hadden wij als feestmaaltijd een eiersalade, matzeballensoep, een matzecake en matzes met divers beleg (waarbij niet vergeten mag worden, dat wanneer melkproducten zijn gebruikt in gerechten, er geen vlees op tafel mag komen of andersom). We hadden gekoch­te matzes, maar we hadden er ook zelfgebakken: een paar dagen voor het feest op een houtvuurtje op het plein.
Voordat de viering begint, is de tafel gedekt en de eerste beker wijn ingeschonken. De kinderen moeten weten, dat vóór de maaltijd begint, er niets op eigen initiatief mag worden gegeten en gedronken. Aan de hand van de vertelde of voorgelezen verhalen is ze dit gemakkelijk bij te brengen.

DE VERHALEN
De Sederavondviering is in eerste instantie een herden­king van de Uittocht uit Egypte; aan de andere kant ook een feest van de vrijheid in meer algemene zin. Wat de deelnemers aan de viering dus minstens moeten kennen is het verhaal van de Uittocht. Tegen Pasen in de derde klas is dit verhaal ongetwijfeld al aan bod geweest.

Maar de Sederavondviering is ook een traditie, met andere woorden, het herdenkt in zekere zin de vorige vieringen. Wie met een groep mensen of kinderen die het feest niet kennen, het feest gaat vieren, moet dit extra voorbereiden. Bruikbaar zijn de twee Pesachverhalen uit het boek ‘Als een lamp voor onze voeten’, die ik in de klas heb voorgelezen op de twee dagen voorafgaande aan de viering. Het ene verhaal vertelt vooral over de voorbereidingen en iets over het feest zelf; het andere verhaal maakt vooral duidelijk, dat er weliswaar een heerlijke maaltijd voor je neus staat, maar dat het wel even kan duren, voordat je daaraan beginnen mag. Wie de hele ‘Haggada’ volgt, heeft daar zeker een uur of vier voor nodig. In de klas heb ik het een en ander ingekort, zodat we al na ruim een uur aan de maaltijd konden beginnen. Ook hebben we de voorgeschreven discussie maar overgeslagen, hoe­wel dat een wezenlijk deel van de viering uitmaakt. Wie durft?

DE VIERING ZELF
In de Haggada staat precies beschreven, hoe de Seder­avondviering hoort te verlopen. Aan de hand van de tekst heb ik dus een ingekorte en soms vereenvoudigde tekst uitgeschreven. Met die tekst in de hand heb ik de viering kunnen leiden. Dat is ook het gebruik: degene die de viering leidt, leest de Haggada. Vandaar dan ook die vlekken op het boek. Er zijn een aantal ceremonieën, die de kinderen bijzon­der aanspreken. Bijvoorbeeld, als de tien plagen ter sprake komen, doopt iedereen de pink in de wijn en schudt de wijn met een min of meer achteloos gebaar van de pink. Lik de wijn vooral niet van je pink: de kikvorsen, de sprinkhanen of het bloed komen in je mond!

GAST          (het lijkt erop of hier een stuk van het artikel ontbreekt)
We waren nieuwsgierig: zou er iemand binnen komen? In ons geval
stond er inderdaad iemand voor de deur………
En komt Elia niet, dan blijft in ieder geval zijn glas wijn staan (op de seizoenentafel bijvoorbeeld) voor het geval hij verlaat is en in de nacht of op een van de volgende dagen mocht verschijnen…….

Tijdens de viering wordt twee maal de handen gewas­sen. Drie mensen gaan rond met kan, schaal en hand­doek, zodat de anderen aan tafel kunnen blijven zitten. De kinderen van mijn klas en de ouders die erbij waren, hebben het als een zeer bijzondere viering ervaren. De hoop, dat ook anderen de stap durven wagen, een traditionele Pesachviering in hun derde klas te houden. Mocht iemand enthousiast zijn geworden, dan horen de kinderen en ik graag eens hoe het geweest is.

“Volgend jaar in Jeruzalem!’

Literatuuropgave:
*    ‘Haggada, Het PaasverhaaP, R.C. Musaph-Andriesse en E. van Voolen, uitgeverij Ten Have/Baarn 2e druk 1995;
*    ‘De wereld klinkt*, Elisabeth Lebret, uitgave Verenging voor Vrije Opvoedkunst 1970.
Abusievelijk gefotokopieerd in omloop zonder titelblad; het heet dan ‘Muziekboek voor de drie laagste klassen van de Vrije Scholen’;
*    ‘Als een lamp voor onze voeten’, H. van Dorssen, uitgave Ne­derlandse Zondagschool Vereniging/Amsterdam 1992;
*    ‘Recepten uit de Joodse keuken’, Bea Polak, uitgeverij Amphora books/Amstelveen 1986. Het laatste hoofdstuk handelt speciaal over de Pesachgerechten;
*    ‘Mijn enige jaarfeest: Pesach’, Paul Gabriner, Vrije Opvoedkunst 59e jaargang, nr 3, april 1996;
*    ‘Sederavond, Hans en Asher Bloemendal zingen oude en nieuwe sedermelodieën’, uitgave Joods Nationaal Fond, stereo 6810 939.

 *Rimbert Moeskops, Parcivalschool Amstelveen, naderre gegevens ontbreken

 

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

134-129

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (22)

.

EEN FEEST VAN EVENWICHT EN BEWEEGLIJKHEID 

De evenwichtige stand van de zon en de maan tegenover elkaar met precies daar tussenin de aarde is een gegeven voor het vaststellen van de datum waarop Pasen wordt gevierd. Deze voorwaarde betekent dat die datum voortdurend wisselt. Daarmee zijn twee essentiële kenmer­ken genoemd voor het paasgebeuren: beweeglijkheid en evenwicht als aan­wijzingen voor het innerlijk meebele­ven van het paasfeest.

In tegenstelling tot de data van het Michaelsfeest, Kerstmis en Sint-Jansdag, die alle vast­liggen, wisselt de datum van Pasen voortdu­rend. Zo beweeglijk als de constellatie van zon, maan en aarde is, zo beweeglijk is de paasdatum, die op de volgende wijze vastge­steld wordt: wanneer de aarde in haar baan het lentepunt heeft bereikt, de maan daarna vol geworden is, valt op de zondag, die daar­op volgt, Pasen.

Deze beweeglijkheid van de datum van Pasen geeft wellicht ook een aanwijzing voor de kwaliteit van dit feest: beweeglijkheid, in­nerlijke dynamiek. Behalve deze beweeglijk­heid, waar we hieronder nog op terugkomen, spreken de uiterlijk astronomische feiten nog een andere taal, namelijk die van het even­wicht, van het midden. Evenals voor het Michaelsfeest, dat kort na de herfstevening valt, dat wil zeggen wanneer dag en nacht even lang zijn, zon en maan even hoog boven de horizon komen en de plaatsen van zonsopgang en zonsondergang precies tegenover elkaar liggen, gelden deze verschijnselen van evenwicht ook voor de tijd dat de aarde het lentepunt passeert. Deze toestand van evenwicht wordt nog versterkt door de tweede voorwaarde waaraan voldaan moet worden voordat het Pasen wordt, na­melijk de volle maan. De aarde staat dan – wat richting betreft – precies tussen zon en maan. Als twee wachters staan zon en maan tegenover elkaar met de aarde – en daarmee de mens – in het midden. Daarbij komt ook nog het fenomeen dat in deze tijd van het jaar de baan van de zon en die van de maan dezelf­de ‘helling’ hebben ten opzichte van de hori­zon; de zon komt overdag precies even hoog boven de horizon als de maan ’s nachts, in te­genstelling tot de winter, waar de zon laag en de maan hoog aan de hemel staat; in de zo­mer is dit omgekeerd.

Het zou hier te ver voeren om ook nog de middenpositie van de zondag in de opbouw van de week na te gaan zoals dat in de Jonas van 4 april 1980 is gedaan. Samenvattend kunnen we zeggen dat met Pasen een opti­male toestand van evenwicht is bereikt (Wil­helm Hoerner toont in zijn boek ‘Zeit und Rhythmus’ aan hoe zestien kosmische even­wichtstoestanden hun grootst mogelijke wederzijdse versterking bereiken op de zon­dag na de lente-volle maan, dus met Pasen). Op deze beide elementen: beweeglijkheid en evenwicht willen we nader ingaan om daarin een aanwijzing te zoeken voor het innerlijk meebeleven, het meeverwerkelijken van het paasgebeuren.

Mercurius
Van de zeven planeten (in de klassieke zin van het woord) vertegenwoordigt Mercurius overduidelijk het element van de beweeglijk­heid. Snel en (schijnbaar) willekeurig be­schrijft hij meerdere malen per jaar een lusvormige baan, steeds een periode langzamer, dan weer sneller gaande ten opzichte van de sterrenhemel. Hij beweegt zich voor het oog voortdurend heen en weer om de zon als midden, waarbij de afstand tot dit middel­punt nooit groot wordt, aangezien Mercurius een binnenplaneet is met de kleinste en daar­mee snelstdoorlopen baan. Hierdoor komt het ook dat Mercurius zelden te zien is, om­dat hij meestal door het zonlicht wordt over­straald. Bij de beweeglijkheid zoekt Mercuri­us kennelijk ook het evenwicht, in die zin, dat hij steeds om het midden schommelt, waar hij nooit ver vandaan is!
Het is in dit verband kenmerkend hoe in de ordening van het weekritme de dag van Mercurius, de woensdag (Frans: mercredi) het midden van de week vertegenwoordigt, hetgeen in de Duitse naam voor woensdag, Mittwoch, duidelijk afleesbaar is.
Mercurius is altijd gezien als de genius, de ‘patroon’ van zowel de handel alsook van de geneeskunde, hetgeen we tot op de huidige dag nog kunnen zien aan bijvoorbeeld het vignet van het jaarbeursgebouw: de gevleu­gelde mercuriushoed, of het symbool van de geneeskunde, de mercuriusstaf met de slang (en).
Hoewel op het eerste gezicht de beroepen van handelaar en arts wel ver uit elkaar lijken te liggen, kunnen we bij nader inzien juist uitgesproken overeenkomsten vaststellen. Hoeveel uiteenlopende oorzaken verschillende ziekten ook kunnen hebben, de oorspron­kelijke oorzaak zal altijd liggen bij een niet of onvoldoende communiceren tussen orga­nen onderling of tussen een orgaan en het ge­hele organisme. Het onderlinge geven en ne­men is dan verstoord of gestagneerd, waar­door opeenhopende, woekerende tendenties of juist het tegenovergestelde het gevolg kan zijn, namelijk afstervende uitmergeling. Het gezondmaken (dus veel meer dan de symptoombestrijding) bestaat dan in een herstellen van het evenwicht, doordat geven en nemen weer in beweging komen. Wat aan stoffen of eigenschappen op de ene plaats te veel is, dient aan een andere plaats, waar te weinig aanwezig is ten goede te komen. De geneeskunde is in dit opzicht een gezondmakende ‘handel’, die opeenhoping enerzijds en ontbering anderzijds door een ‘mercuriaal’  geven en nemen weer in evenwicht brengt.

Jaïrus
Onder andere in het Marcusevangelie wordt een gebeurtenis beschreven, die het mercuriale, gezondmakende ‘handelen’ van Christus beschrijft. Het is de genezing, respectievelijk de opwekking van het dochtertje van Jaïrus (Marcus 5). Nadat Jezus door de overste van de synagoge geroepen is om te komen en zijn dochtertje dat op sterven ligt te genezen, gaat Jezus inderdaad met hem mee: Onder­weg wordt hij opgehouden door een menig­te, die zich tegen hem opdringt. Daaronder bevindt zich een vrouw, die twaalf jaar lang aan bloedvloeiingen geleden heeft; zij raakt van achteren het gewaad van Jezus aan. Het vertrouwen dat dit haar zal helpen blijkt ge­rechtvaardigd, want ‘zij bemerkte aan haar lichaam, dat zij van haar kwaal genezen was’. Jezus bemerkt op datzelfde ogenblik dat een kracht van hem was uitgegaan, keert zich om en vraagt, wie hem heeft aangeraakt. Hij wil aan het schroomvallig van achteren benade­ren een bewuste ontmoeting toevoegen, oog in oog, hetgeen dan ook gebeurt.
Vervolgens blijkt dat deze genezing en ont­moeting veel meer met het lot van het doch­tertje van Jaïrus samenhangen dan alleen door het feit dat deze gebeurtenis plaats­vindt op weg naar het huis van Jaïrus. ‘Ter­wijl hij nog sprak (namelijk tot de vrouw) kwam men uit het huis van de overste der sy­nagoge hem zeggen: uw dochter is gestorven; waarom valt gij de Meester nog lastig?’ Jezus echter stoort zich daar niet aan, vervolgt zijn weg en gaat het huis binnen. In tegenstelling tot het rumoer van de dringende menigte buiten, schept Jezus nu de stilte van een klei­ne intieme kring binnen. Deze polariteit en de schijnbaar onbelangrijke mededeling van de evangelist dat de vrouw twaalf jaar lang aan bloedvloeiingen had geleden en dat het meisje dat wordt opgewekt (‘maagd, ik zeg u, sta op!’) twaalf jaar oud is, wijzen op een verband tussen beide genezingen. Hetgeen bij de vrouw te veel is, wil bij het meisje niet doorbreken, en Jezus beweegt zich daartus­sen als de mercuriale ‘bemiddelaar’. We krij­gen de indruk dat de opwekking van het dochtertje van Jaïrus niet ondanks het op­onthoud onderweg, maar wellicht mede dankzij deze ‘toevallige’ ontmoeting moge­lijk is geworden.

Hierin ligt – dunkt me – een belangrijk appèl besloten om in ons eigen leven mercuriaal en daarmee genezend te werken; om niet ‘toe­vallige’ situaties of ontmoetingen snel voor­bij te gaan omdat we menen dat deze sto­rend en tijdrovend in de weg staan en slechts afleiden van de veel belangrijkere dingen die we denken te moeten doen, maar dat we – in­tegendeel – dergelijke ‘toevalligheden’ vaak mogen zien als gebeurtenissen die ons inder­daad ‘toevallen’ en bij nader inzien elementen in zich dragen waarvan wij juist dankbaar ge­bruik kunnen maken.

Wanneer we er voldoende wakker voor zijn, kunnen wij ‘onderweg’ veel meer geven en nemen, dan we aanvankelijk vermoeden. Te­meer waar het ons meestal om het doel gaat dat we voor ogen hebben en we de weg er naartoe als een noodzakelijk kwaad beschou­wen, dat we zo snel mogelijk achter ons moeten laten. Voor ontmoetingen met men­sen of gebeurtenissen onderweg menen wij geen tijd te hebben, terwijl daar in nu juist zo’n rijkdom aan ‘toevalligheden’ die juist vaak met ons doel te maken hebben, beslo­ten ligt. Dit doel kan daardoor vaak veel dichter bij ons komen dan dat we het ge­haast en met oogkleppen op hadden kunnen bereiken.

Wanneer deze wetmatigheid niet alleen voor de enkeling, maar juist ook voor het hele weefsel van onderlinge lotsverbondenheden van vele mensen geldt, dan kunnen we ver­moeden, hoeveel mogelijkheden ons zijn ge­geven om de eenzijdigheden van onszelf en/ of van anderen aan te passen en aan te vul­len, zodat het grotere organisme evenwichti­ger en daarmee gezonder wordt. Aangezien wij – meestal onbewust – nogal ge­neigd zijn onze eigen eenzijdigheden en eigen-aardigheden te koesteren, betekent een correctie, aanvulling of aanpassing vaak een onaangename inbreuk en storing in onze le­venswandel. Deze levenswandel kan dan zelfs tot een lijdensweg worden, wanneer we ge­confronteerd worden met die eenzijdigheden of eigenaardigheden. En hoe minder wij ons daarvan bewust zijn, des te smartelijker is die confrontatie. Het is te vergelijken met een diagnose die gesteld wordt; sterker nog: het is een diagnose, hetgeen tenslotte letterlijk ‘door-kenning’ betekent.

Rafaël
Zoals een doelgerichte therapie ondenkbaar is zonder een gestelde diagnose, zo is Pasen ondenkbaar zonder voorafgaande lijdenstijd, zo is de opstanding pas mogelijk door de voorafgaande dood. ‘Indien de tarwekorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft zij alleen met zichzelf; indien zij sterft, brengt zij veel vrucht voort’, zijn de woorden van Jezus, die hij vlak voor zijn eigen dood uitspreekt (Johannes 12).

Uitgaande van de mercuriale genezende ele­menten van beweeglijkheid en evenwicht, ontdekken we nog andere kenmerken van het paasfeest, die ook met geneeskunde of heelkunde te maken hebben, respectievelijk daarmee vergelijkbaar zijn: de beide grond­pijlers diagnose en therapie. Wij mogen kennelijk de machtige, allesvernieuwende daad van de dood en opstanding zien als genezing voor de mensheid, waarbij wij diegene, die deze daad als eerste volbracht Christus, in dit verband als de wereld-arts mogen beschouwen.

Van de vier aartsengelen die de loop van het christelijke jaar begeleiden, is Rafaël de geni­us van de ‘lentefeesten’, hetgeen in het licht van het bovenstaande kenmerkend is, aange­zien deze naam – uit het Hebreeuws vertaald – betekent: ‘God geneest’ of de ‘genezende kracht van God’.

Met Pasen werkt bij uitstek de genezende kracht van God, doordat een hereniging, een ‘communie’ plaatsvindt tussen geest en stof, tussen hemel en aarde, tussen God en mens. Deze hereniging heeft indertijd plaatsgevon­den, doordat de goddelijke geest van Chris­tus het menselijk lichaam van Jezus zo ge­heel doordrong, dat alles wat aan ziekte en dood in dit sterfelijke lichaam heerste in het licht van de genezings- en opstandingskracht werd overwonnen, waardoor aan dit lichaam onsterfelijk leven werd verleend.

Opstanding uit de dood wordt nu en in de toekomst daar verwerkelijkt, waar de Chris­tusgeest de sterfelijke, aardse stof doordringt om daaraan eeuwigheidswaarde te verlenen. Een gebeuren dat te vergelijken is met het proces dat de inhoud van een gedicht door­maakt. Oorspronkelijk ontstaat deze als le­vende inspiratie in de ziel van de kunstenaar om zich vervolgens door een meestal moei­zaam proces los te maken en vorm te vinden in het gesproken of geschreven woord. De idee of de inspiratie moet zich letterlijk en figuurlijk ‘verdichten’ totdat het uiteindelijk sterft in drukinkt en papier. Pas wanneer een menselijke geest zich invoelend met het ge­dicht verbindt, wordt de eigenlijke inhoud uit de verdichting bevrijd en staat daaruit op. Hoeveel is er in en door de mens verdicht en heeft daar een graf gevonden? Hoeveel kan er niet door invoelende mensengeesten in het licht van de opgestane Christus daaruit wor­den bevrijd?

Hoeveel meer Pasen kan het worden, naar­mate wij ons op innerlijk beweeglijke, mer­curiale wijze in dienst stellen van de Midde­laar tussen geest en stof, tussen hemel en aar­de, tussen God en mens; ïn dienst van de wereld-arts.

Maarten Udo de Haes ‘Jonas’17,  13 april 1984

 

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

133-128

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.