Categorie archief: dierkunde

VRIJESCHOOL – 4e klas – dierkunde (16)

Tijdens een gesprek in de leraarskamer werd op een dag door mij -bovenbouw biologieleraar- de opmerking gemaakt: bovenbouwers zouden “werkend” een stuk benedenbouw moeten meemaken. Onmiddellijk volgde een uitnodiging een periode dierkunde in de 4e klas te komen geven, waarop ik met enthousiasme inging. Ik zou het inhoudelijke deel van de periode verzorgen; de klasselerares, mejuffrouw Bolt, zou het teken-, schilder- en boetseerwerk voorbereiden en begeleiden.
Al tijdens mijn voorbereiding realiseerde ik me met schrik, dat ik eigenlijk niet wist, hoe je een 4e klas aanspreekt, iets vertelt, laat staan hoe je dit pedagogisch en didactisch verantwoord doet. Nooit was ik dan ook nerveuzer dan vóór de eerste ochtend van deze periode.
Mens- en dierkunde zou behandeld worden, uitgaande van de gestalte, van de vormen, van datgene wat je kunt waarnemen.
In de 3e klas hebben de kinderen het verhaal van de schepping van de mens gehoord: “en God schiep de mens naar Zijn beeld, naar het beeld Gods schiep Hij hen, man en vrouw schiep Hij hen.”
Nu, in de 4e klas, gaan we samen kijken naar dat beeld Gods, we proberen achter de geheimen te komen, die de mens en de dieren ons te vertellen hebben over zichzelf.
De eerste vraag die ik stelde: “Waaraan herken ik een mens als mens, bijvoorbeeld als ik hem in de verte zie lopen?” bleek al direct te abstract. Toch kwamen er leuke antwoorden: “Ze hebben allemaal verschillende gezichten” en: “ze hebben allemaal verschillende kleren aan.”
Maar wat hebben nu alle mensen gemeenschappelijk? Een meisje zei toen: “Ze lopen allemaal rechtop.”
Met dat antwoord was plotseling duidelijk wat ik met mijn vraag had bedoeld en kwamen van alle kanten de antwoorden los. Toch zei ik die eerste ochtend vaak: “Stel je eens voor …”, niet bedenkend dat dat voor een vierdeklasser erg moeilijk is. Hij moet nog echt zien, voelen, boetseren, en ontdekt daardoor de vormen. Dus liet ik, op suggestie van mejuffrouw Bolt, de kinderen voelen aan hun en hun buurmans hoofd.

We ontdekten van de mensengestalte, dat deze bestaat uit hoofd, romp -lijf in kindertaal- en ledematen. Het hoofd bleek rond van vorm als de zon. Afgesloten, hard van buiten, met zijn geheimen van binnen en 7 poorten – de zintuigen- naar de buitenwereld. Het vertoont een vrij geringe, maar fijne beweeglijkheid (mimiek).
De ledematen daarentegen zijn langgestrekt van vorm -als sterrenstralen-, zeer beweeglijk, zacht van buiten, stevig van binnen. Er werd opgemerkt dat alleen de mens echte handen en voeten heeft, dat de voeten alleen maar geschikt zijn om ons te dragen en om te lopen, maar dat de handen alles kunnen: bouwen en graven, grijpen en slaan, schilderen, boetseren, musiceren, bidden, zegenen, groeten en gebaren. Maar: wij moeten werktuigen en instrumenten bedenken om een heleboel dingen net zo goed te kunnen als dieren, die immers speciale graaf- of grijppoten hebben. Omgekeerd: hoe moeilijk is het niet voor een ezeltje om luit te leren spelen! (Grimm)
De romp bleek alles “tussenin” te hebben; afwisselend hard en zacht, half omhullend, je kunt er de vorm van de maansikkel in zien, met hart en longen binnen die omhulling, waarvan de beweging ritmisch is.
Alles wat we zo samen gevonden hadden, werd opgeschreven in een echt periodenschrift, waarbij het voor mij een erg goede oefening was, duidelijk en groot, in 4e klastaal op het bord voor te schrijven wat in de schriften zou komen. De kinderen hadden ook al een hoofd en twee maal een mensenfiguur geboetseerd en ze maakten in hun schrift verrukkelijke tekeningen bij de tekst.
Toen kwam het moment dat de dierkunde begon. Een ochtend om niet gauw te vergeten.
De inktvis was als eerste dier gekozen. Het lukte me, helemaal inktvis te worden en een spannend verhaal te vertellen over dat wonderlijke dier met zijn kop met armen, met zijn haken, zijn inkt en zijn kleuren als het opgewonden is. De stilte in de klas na afloop was een belevenis, en het was geweldig te zien hoe de kinderen toen met waskrijt op grote vellen aan het tekenen gingen.
Na de inktvis volgden mossel en slak, muis, hamster en bever en tot slot paard en kameel, steeds vanuit het dier zelf verteld.
Aan het eind van de periode spraken we er over, met welk deel van de mens inktvis (mossel en slak) het meest overeenkwamen -zij werden kopdieren genoemd-. Muizen waren meer rompjes op hele kleine pootjes en paard en kameel vooral poten-ledematen.
De kinderen hebben ook geschilderd, eerst de mens, later nog paard of kameel en enorm veel getekend, ook gedichtjes gemaakt,
In de loop van de tijd ben ik me verschillende dingen gaan realiseren, maar vooral: dat je als benedenbouw-klassenleraar een duizendpoot moet zijn; creatief, steeds weer in staat iets nieuws te bedenken, maar ondertussen de touwen in handen houdend, je richtend op wat de kinderen van je vragen. En dat het onmogelijke van dit vak,
vrijeschoolleraar te zijn, is dat je het tot nu toe tenminste- eigenlijk nergens kon leren dan alleen maar in de klas.
Ik vind het dan ook erg fijn, de kans gekregen te hebben “werkend” een stuk benedenbouw te leren kennen en mijn respect en bewondering voor de kunst van mijn benedenbouwcollega’s is door dit “werken” enorm gegroeid.
N.Amons-Smink, Geert Grooteschool, okt.1974

Dierkunde: alle artikelen

989-916

VRIJESCHOOL – Grohmann: Leesboek voor de dierkunde – (2) de bruine beer

.

GERBERT GROHMANN

‘leesboek voor de dierkunde’

blz. 16                                                                            hoofdstuk 2

De bruine beer

De bruine beer is het grootste en sterkste roofdier dat in Europa als ook in de gematigde zones van Azië voorkomt. Zijn kracht berust minder op behendigheid en snelheid, maar veel meer op zijn ongelofelijke lichaamskracht. Men zegt van de beer dat hij de kracht heeft van twaalf mannen. Een gedode koe kan hij in zijn armen wegdragen. Een volgroeide beer kan wel meer dan twee meter lang en meer dan 700 kg. wegen.
In sprookjes en legenden komen dikwijls beren voor en kunnen daarin de rol van goede, maar ook van slechte wezens vervullen.
Dit dier, dat niemand in de wildernis tegenkomt zonder erg te schrikken, heeft dus twee verschillende kanten. Aan de ene kant is de beer een goedmoedige kerel, die je ook onder de lichamelijk zeer sterke mensen aantreft, maar aan de andere kant een erge bozerik. Iedereen kent hem wel als dansende beer. Jonge beren zien er niet schuw uit en zelfs schattig, vooral als ze aan het spelen zijn; een volwassen beer daarentegen is, ook wanneer die getemd is, niet te vertrouwen. Hij werd geen echte mensenvriend en onverwacht en verraderlijk kan hij baas en verzorger aanvallen. Vreselijk zijn de kracht en de felheid van de reus wanneer hij door de jacht getergd of gewond raakt of ook, wanneer de berin haar jongen verdedigt. Dan richt ze zich met haar kolossale gestalte op – en komt op twee poten aangewaggeld om zijn tegenstander te omarmen en met een ongekende kracht tegen zich aan te drukken. Maar een paar, bijzonder dappere jagers wagen het om een beer met een mes te lijf te gaan. De schijnbaar trage gezel kan een vluchtend mens maar al te gemakkelijk inhalen. Wee de achtervolgde die niet snel een list bedenkt om zijn leven te redden! Menigeen is toch nog ontsnapt door op de grond te gaan liggen en zich dood te houden. Maar je moet wel over veel moed beschikken om je door een wilde beer te laten besnuffelen en om te laten rollen, zonder je te bewegen of maar te ademen. Mensen die zich dood houden, laat de beer namelijk gewoon liggen en er is ook geen enkel geval bekend dat hij mensenvlees aangeraakt zou hebben.
Gevaarlijk zijn ook de klauwen van een beer. Die hebben lange keiharde, maar stompe nagels, want de beer kan ze bij het gaan niet zoals de katachtige roofdieren intrekken. Ze kunnen daardoor afschuwelijke wonden veroorzaken. Alleen bij dieren met een dikkere huid kunnen ze geen schade aanrichten. Men zegt dat de beer in het gevecht eerder van zijn klauwen gebruikt maakt dan van zijn tanden. Maar de klauwen stellen de beer wel in staat, ondanks zijn lichaamsgewicht in bomen, maar ook op steile rotsen te klimmen. Wanneer een beer in een boom klimt, gedraagt hij zich natuurlijk wat onbeholpen, zelfs lomp; wie hem echter ziet bij het overwinnen van rotsachtige hindernissen, moet toch zijn behendigheid bewonderen.

Hoe vaak beren vroeger zelfs bij ons voorkwamen, blijkt al uit de vele plaatsnamen, zoals bv. Bärenstein, Bärenfels, Bärental. Bärenburg. Natuurlijk zijn er ook in alle andere landen, bv. in Scandinavië, waar beren nu nog voorkomen, veel plaatsen met de naam van dit dier. Vroeger strekte het woongebied van de beer zich uit van het Atlasgebergte in Noord-Afrika tot de Noordzee en van Spanje over heel Rusland tot Noord- en Midden-Azië. In de dichter bevolkte gebieden is de beer natuurlijk al lang uitgeroeid. Alleen in het hooggebergte of waar hij zich in ondoordringbare wouden of onoverzichtelijke rotsgebieden verbergen kan, komt hij tegenwoordig nog voor.

Met name moet van de beer gezegd worden dat hij de mens liever mijdt. Sommigen zeggen zelfs dat hij laf is, wanneer hij niet geprikkeld is of met zijn jongen verrast wordt. Een oude Laplander vertelde dat hij eens in de wildernis een grote beer tegenkwam die net een rendier had doodgeslagen. Men weet dat zo’n situatie bijzonder gevaarlijk is, maar de beer maakte zich uit de voeten het bos in alsof hij wilde zeggen: ‘Arme sloeber, je bent zelf aan het verhongeren!’ en kwam pas weer terug toen de Laplander een groot stuk rendiervlees afgesneden had. De lappen geloven heilig dat een beer vrouwen noch kinderen iets aandoet. Ze moeten het hem alleen te verstaan geven en het tegen hem zeggen. Zo spreken de Lappenkinderen, wanneer er een beer komt, de woorden: “Beste grootvader, raak mij niet aan, want ik ben maar een kind!” Zo veel mensenverstand en goedheid schrijven de Lappen de beer toe.

Je kan van de beer beslist niet zeggen dat hij een echt roofdier is, hoewel hij bij gelegenheid als een gevreesde en sluwe rover hele streken angst en schrik aanjaagt. Dat kun je al aan zijn gebit zien, waar je weliswaar zeer sterke vangtanden, maar niet de voor de roofdieren karakteristieke hoektanden vindt. het gebit van een beer is dat van een alleseter. We weten uit de vele dierverhalen hoe graag Bruin de beer jacht maakt op de bijenhoning. Telkens wanneer er zich weer een gelegenheid aandient, breekt hij de bijenkorven open en plundert ze. Ja je mag van hem nauwelijks verwachten, dat hij zich, zolang het lukt, volvreet met plantaardig voedsel. Maar ook kevers en insectenlarven die hij met zijn klauwen tevoorschijn woelt, zelfs slakken dienen hem tot welkom voedsel. Wanneer hij echter na de winterslaap vermagerd en uitgehongerd uit zijn schuilplaats komt, is het zelfs grote dieren niet aan te raden hem tegen het lijf te lopen. Ook mierenhopen schoffelt de beer om en laat zich de mieren met hun larven goed smaken. Daarbij bromt hij dan gemoedelijk en vol welbehagen. Kun je je dan eigenlijk wel voorstellen dat de gewelddadige rover grassprietjes afgraast of ’s nachts in een zittende houding door rijpende korenvelden schuift om zo gemakkelijk mogelijk de rijpe aren op te vreten; dat hij paddenstoelen en zwammen eet, van de bosbessen snoept en afgaat op zoete vruchten.
Wanneer in de herfst in de bergen de vele bessen rijp worden, heeft de beer een goede tijd om zijn dikke buik vol te vreten. Dan kun je hem als een fijnproever snuffelend en smakkend zijns weegs zien gaan. Ja, echt waar, voor deze tevreden gezel hoeft niemand bang te zijn; geen herder hoeft te vrezen voor zijn kudde. Wordt de beer echter door honger geplaagd of wanneer hij eenmaal gewend is aan vleeskost, dan wordt hij een boze woesteling die de mens zonder erbarmen vervolgen en uitroeien moet. Een roofzuchtige beer is de doodsvijand van alle kuddedieren. Hij jaagt een afgescheiden schaap of een koe op, tot ze uitgeput neervallen of hij maakt ze bang door een vreselijk gebrul, tot ze door verwarring in een afgrond storten en daar de dood vinden. Dan heeft de beer het gemakkelijk. Maar de vlugge dieren van de wildernis, hert, ree of gems kan hij met zijn logge lichaam niet inhalen. Ook is er waargenomen dat de sterke stieren van een kudde in een gevechtslinie met de kop naar beneden zich moedig tegen  de binnendringende rover opstelden en hem ontgoocheld op de vlucht joegen. In sommige streken wordt de beer zelfs voor paarden gevaarlijk. Een jager beschrijft hoe meerdere grazende paarden door een grote beer die uit het kreupelhout tevoorschijn kwam aangevallen werden. De beer haalde twee van de paarden die in een enorme vlucht ervandoor gingen met machtige sprongen in, sloeg ze met zijn klauwen neer en verscheurde ze. Daarbij brulde hij luid. Uit zulke berichten kunnen we opmaken hoe het met de veronderstelde lompheid en goedmoedigheid van de beer daadwerkelijk gesteld is. Onbesuisdheid vertoont de rover in het bijzonder, wanneer hij ’s nachts in een veestal inbreekt om daar zijn buit weg te halen. Het komt voor dat hij dan de dakbedekking eraf haalt. Is hij eenmaal in de stal, dan slaat hij daar een koe neer, rukt die los van de strik, omvat ze met zijn voorpoot, pakt met de andere de balk en is sterk genoeg om die koe op deze manier door de opening te slepen. Daarna wordt het slachtoffer met gemak weggebracht. Zoals al vaker waargenomen werd, klimt een beer zelfs met een gewurgd paard of rund in zijn poten over gevaarlijke bergkammen of over twee naast elkaar liggende boomstammen over een afgrond.

Als dan uiteindelijk de koude dagen aanbreken en de eerste sneeuw valt, treffen beer en berin voorbereidingen voor de winterrust. Weliswaar is zo’n winterrust voor een beer niet per se noodzakelijk; dat kun je zien aan de beren in gevangenschap. Het komt voor dat de winterslaap op warmere dagen en tegen het einde van de winter onderbroken wordt, maar in streken met strenge winters en veel sneeuw gaan alle beren naar binnen. Eerst zoekt een beer een geschikte plaats op, waar iemand hem niet zo gauw zal vinden en storen. Het liefst heeft hij een grot of ook wel een holle boomstam. Vindt hij een kuil in het struikgewas, dan maakt hij die eerst geriefelijk met loof en mos. Soms moet een beer ook eenvoudigweg takken bij elkaar buigen tot een soort woning en daarna laat hij zich opgerold ondersneeuwen. Zijn dikke pels en de dikke speklaag door het vele eten beschermen hem tegen de kou. Als de beer in zijn winterslaap gestoord wordt, is hij erg geïrriteerd en brommerig. Als jagers hem ontdekken, jagen ze hem op met stokken of door luid roepen. Vaak slaapt hij wel zo vast, dan je hem alleen maar door een schot wakker kan maken. Wat leuk moet dat zijn, wanneer je uit een holle boom plotseling een beer ziet kruipen. De beer, die met zijn kleine oogjes nog een beetje slaapdronken knippert, herkent het gevaar en probeert door het cordon van jagers heen te breken. Maar nu komt hij voor een meute dappere, bijzonder afgerichte honden te staan die de beer echter met adequate slagen van zijn klauwen en beten dikwijls lelijk toetakelt. Een beer is ook voor grote en sterke honden nog een gevaarlijke tegenstander. De klauwen van een neergeschoten beer zijn een buit die de jager vereert en waarop hij trots is. Het vlees wordt natuurlijk opgegeten en het vel met zijn dichte warme pelsharen is geschikt om op te slapen; ook voor kleding en mutsen te gebruiken. Zo is de beer in meer dan een opzicht een welkome jagersbuit. Nooit is een beer zo dapper en stelt zich zo met doodsverachting aan ieder gevaar bloot, wanneer het erom gaat haar jongen te verdedigen.

Bij veel volkeren die de beer goed kennen, geldt deze als zinnebeeld van moederliefde. Het duurt zes jaar tot een jong volwassen is. Zo moeten tot een berenfamilie dus kinderen behoren met verschillende leeftijden. Uiteindelijk bijt de moeder naar de groten, dat ze weggaan, want ze moeten nu eenmaal zelfstandig worden; maar men zegt dat ze terugkeren als er weer jonge beertjes geboren worden en dan mogen ze blijven om op de kleintjes te passen, bv, wanneer de ouders erop uit moeten trekken om voedsel te zoeken. Men heeft echter ook waargenomen dat grotere beren de kleinere door het water droegen. Beren kunnen goed zwemmen en ’s zomers liggen ze graag te zonnen. Veel van de beren doet aan mensen denken. Vooral wanneer hij gaat staan komt het mensachtige tevoorschijn. Dan loopt hij, weliswaar onhandig, op twee poten. Hij is een zoolganger zoals de mens en hij zet niet zoals de meeste dieren alleen maar zijn tenen neer, maar met zijn hele zool die ook nog onbedekt is. De gevilde voet doet zo sterk denken aan menselijke handen en voeten, dat je het bijna overwinnen moet het vlees te eten. De beer gebruikt zijn sterke, beweeglijke armen waarin zijn sterkste kracht zit, als de armen van een mens en bij het vechten eerder dan zijn tanden. Zijn klauwen zijn geschikt dat hij ze bijna als handen kan gebruiken. Wanneer het machtig zware dier met zijn massieve ledematen op een sukkeldrafje loopt, met de kop naar beneden en een beetje schommelt – want de beer is een telganger – dan kan hij op een betoverd dier lijken. Daarom hebben bepaalde volkeren van Noord-Azië, de Giljaken en Aino, ook steeds een slecht geweten, wanneer ze beren doden en om deze reden organiseren ze ieder jaar een plechtig berenfeest. Door dansen en zingen en ook muziek maken om een in het midden opgehangen, gedode en versierde beer, wordt vergiffenis gevraagd, tegelijkertijd echter ook dank gezegd voor het vlees en de pelzen. Op deze manier zal er verzoening zijn met het berengeslacht voor alles wat het moest worden aangedaan. Als bij een beer echter de wildheid naar buiten komt, wordt hij een geweldadige rover; dan laat hij ook zien, wat er gebeurt wanneer grote lichaamskracht niet door verstand en goedheid van het hart gestuurd en geleid worden. In plaats van goed te doen en te helpen, zoals sterke mensen dat doen, richt het dier niets dan onheil en verwoesting aan, tot schrik van allen. Gelukkig echter heeft onze bruine beer ook de andere kant, de vriendelijke en die kunnen wij fijn vinden, ja er zelfs van houden en bewonderen.

Grohmann: leesboek dierkunde: inhoudsopgave

Eigen vertaling van ‘Lesebuch der Tierkunde’

Dierkundealle artikelen

Grohmannleesboek plantkunde

Vrijeschool in beelddierkunde

.

876-807

.

VRIJESCHOOL – 4e klas – dierkunde (15)

.

arend 1 - 0005

De arend – en dan voornamelijk de steenarend – is een van de mooiste en fierste roofvogels. Hij is bijzonder krachtig gebouwd en kan een lengte bereiken van 1 meter, gemeten van de snavel tot aan het puntje van de staart. De vleugelwijdte is heel wat groter. In gespreide toestand haalt de arend een ’vlucht’ van 2,5 meter. Het is wel duidelijk dat de arend met een dergelijke uitrusting gerekend moet worden tot de allerbeste vliegers.

Een snelheid van 160 kilometer per uur is geen uitzondering.
De poten zijn tot aan de klauwen bedekt met veertjes.

arend 1 - 0006 - 0006

De bouw van de vleugel

We zouden de vleugels van een vogel enigszins kunnen vergelijken met de voorpoten van een dier of met de armen van een mens. Zelfs de vingers ontbreken niet, hoewel er maar twee vingers aan elke ‘arm’ zitten. De bouw van de vleugels van vogels is vergelijkbaar met de ‘hand’ van een vleermuis of die van de vliegende reptielen (met 5 vingers), zoals we die kennen uit de prehistorie.

De steenarend komt voor in Europa, Afrika en Noord-Amerika. ’s Zomers zweeft hij rond de woeste toppen van de Alpen en de Apennijnen.

Door de honger gedreven, waagt hij zich ’s winters in de dalen. De manier waarop de arend zijn prooi bemachtigt, is zeer boeiend. In grote cirkels vliegt hij boven zijn jachtgebied. Wanneer hij een prooi ontdekt, een haas bijvoorbeeld, stort hij zich als een steen omlaag. Vlak boven de grond vermindert hij zijn vaart en scheert dan rakelings langs de grond.

Vervolgens grijpt hij met zijn sterke klauwen zijn prooi.

Hij doodt zijn prooi met zijn klauwen of met een scherpe houw van zijn kromme snavel. Dan stijgt hij weer op om op een rustige plaats zijn buit te verorberen.

De arend bouwt zijn nest op rotsrichels of in holen. Het kan een doorsnede hebben van 1,3-2 meter en een diepte van 80 centimeter. Het materiaal dat hij daarvoor gebruikt bestaat uit takken, die hij kunstig ineenvlecht totdat de nestwand ongeveer 30 centimeter dik is. Het wijfje legt één tot drie gevlekte eieren, die na zes weken broeden uitkomen.

arend 7 - 0008

Een arend op zijn ‘horst’, waarvoor hij een plaats heeft gevonden op de rotsen.

De zorg voor de jongen

Als de eieren uitgekomen zijn, moeten de ouders hun jong(en) van voedsel voorzien. Met wijd opengesperde snavels vragen die om voedsel. De wijfjesarend trekt stukjes vlees van de prooi af. Een gedeelte daarvan slikt ze door, maar de rest van het voedsel stopt ze in de bek van haar jongen. Het mannetje zorgt voor de aanvoer van voedsel. Een zware taak, want een jonge arend kan in één dag al gemakkelijk een eekhoorn of een haas verorberen. Een arend is een ’nestblijver’, wat wil zeggen dat het jonge dier heel lang in het nest blijft en zich volledig laat verzorgen door zijn ouders. Ver in de winter verlaat hij pas de ’horst’, het nest van de arend, om vervolgens een eigen bestaan te gaan leiden.

De arend is een voortreffelijke en snelle jager, maar toch zijn veel verhalen die de ronde doen over zijn jachtprestaties sterk overdreven. Arenden die herten aanvallen zijn waarschijnlijk geboren in de fantasie van mensen met te veel ontzag voor deze prachtige roofvogel. Maar een dier ter grootte van een vos, een lam of een vogel ter grootte van een gans rekent hij wel tot zijn jachtbuit. Het is mogelijk een arend af te richten en hem te gebruiken bij de jacht, zoals men in de middeleeuwen met valken deed. In Aziatische landen wordt nog wel gejaagd op deze trotse rover, omdat de veren gebruikt worden voor waaiers of ter versiering van wapens. Dat is een trieste zaak, omdat het aantal vogels van deze soort snel vermindert, niet alleen door de jacht, maar ook door de moderne bestrijdingsmiddelen die de mens gebruikt bij het verdelgen van schadelijke knaagdieren. De vergiftigde dieren dienen namelijk de arend weer tot voedsel en op die manier krijgt de arend het dodelijke gif binnen.

De opeenvolgende bewegingen van de arend in de vlucht:

arend 9 - 0009arend 9 - 0010

arend 9 - 0011

 

arend 9 - 0012

De functies van staart en vleugels tijdens de vlucht:

arend 15 - 0014

De veer

arend 16 - 0015 - 0016

De arend

 

Her gezichtsvermogen van alle roofvogels is bijzonder scherp en de arend maakt hierop geen uitzondering. Het is verbazingwekkend dat het dier van zeer grote hoogte een betrekkelijk kleine prooi kan onderscheiden.
Wanneer de mens zo scherp kon zien als de arend, dan zouden we van een afstand van 500 meter de koppen van een krant kunnen lezen…
Dat scherpe gezichtsvermogen wordt mogelijk gemaakt door een zeer grote pupil. Bovendien zitten de ogen van de arend aan de zijkant van de kop. Op die manier heeft hij een gezichtsveld van 300 graden. (Een volledige cirkel heeft 360=!)
Een mens kan hoogstens een hoek van 160 graden met zijn ogen bestrijken.
Het oog van de arend heeft twee oogleden, die van boven naar beneden opengaan.
Bovendien heeft hij nog een ooglid dat van links naar rechts beweegt.
.

Dierkunde: alle artikelen  (nr. 12 eveneens over de adelaar)

Rudolf Steiner: over dierkunde

4e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 4e klas dierkunde

.

868-799

.

.

.

 

 

VRIJESCHOOL – 4e klas – dierkunde (14)

.

Als leerkracht kun je nooit genoeg weten als het om de antwoorden gaat die je zou moeten en willen geven op vragen van de kinderen.

Wie weet ‘zomaar’ hoe de staart van een kameel eruit ziet.
Zo kun je tientallen vragen van allerlei aard op je afgevuurd krijgen, waarop je het antwoord in eerste instantie schuldig moet blijven. Natuurlijk beloof je er ‘de volgende dag’ op terug te komen en gelukkig kun je alles opzoeken, want er bestaat een enorme feitenkennis.

Hier volgt een overzichtje van:

DE SNELHEID VAN DIEREN

giraf

(mooi voor een bordtekening)

snelheid dieren 1 - 0014

de onderste blauwe tabel gaat verder met:

zeemeeuw       180 km
adelaar            193 km
zwaluw            210 km
edelvalk          314 km
gierzwaluw    320 km
fregatvogel    400 km

snelheden gemeten onder zeer gunstige omstandigheden.

Een Amerikaanse geleerde, Chapman Andrews, was de directeur van een bekend natuur-historisch museum. Hij was de leider van een wetenschappelijke expeditie door India.
Terwijl hij met zijn jeep de woestijnachtige vlakte bij de grens met Nepal doorkruiste, zag hij in de verte een dier, dat zich lenig tussen het dorre gras bewoog. Toen Chapman dichterbij kwam, herkende hij het dier. Het was een jachtluipaard. Chapman stuurde zijn jeep in de richting van het dier. Dit ging onmiddellijk op de vlucht. Het gaspedaal van de jeep werd dieper ingetrapt om het vluchtende dier te achtervolgen.

Tot zijn verbazing zag Chapman de wijzer van de snelheidsmeter steeds verder uitslaan. De wijzer trilde naar 80…, 90… en kwam bij 100 kilometer per uur tot rust. De poten van het dier waren nauwe­lijks te onderscheiden, zo vlug roffelden ze over de vlakte. Het jachtluipaard zag nog kans om de snelheid te verhogen. Bij 110 km per uur kon de jeep niet sneller.

De jachtluipaard bleek gewoonweg sneller te zijn dan een mense­lijke machine.

In de dierenwereld is snelheid een levensvoorwaarde. Roofdieren komen alleen aan hun voedsel, als ze sneller zijn dan hun prooi. Omgekeerd is het voor de prooi van belang om door snelheid proberen te ontsnappen.
Dus is snelheid in de dierenwereld belangrijk voor het voortbestaan van de soorten. De natuur heeft hiervoor dieren ontwikkeld met waarschijnlijk hoge snelheden.

De landdieren vinden hun kracht voornamelijk in de spierbundels en de lenigheid. De vogels krijgen hun snelheid door de sterke vleugels en de gestroomlijnde vorm van hun lichaam. De stroomlijn geldt ook voor de vissen en de zoogdieren die in het water leven. De vleugels van de vogels lijken dan op de vinnen van de vissen.

In de overzichten is af te lezen wat de snelheid van elk dier is. De metingen zijn verricht onder normale omstandigheden, behalve bij de adelaar en de fregatvogel: daar waren de omstandigheden zeer gunstig.

Als er zeer gunstige omstandigheden zijn, zoals tijdens duikvluchten of bij sterke rugwind, kunnen nog hogere snelheden gemeten worden!

fregatvogel

snelheid dieren 5 - 0016

 

Dierkunde: alle artikelen 

Rudolf Steiner over dierkunde

Vrijeschool in beeld: 4e klas dierkunde

.

867-798

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Gerbert Grohmann: leesboek voor de dierkunde – inhoud

.

GERBERT GROHMANN

           ‘LEESBOEK VOOR DE DIERKUNDE’

INHOUD

1.Het rendier
blz.7

2.De bruine beer
blz.16

3.De hamster
blz.23

4.Over de robben – de zeehond
blz.31

5.Over twee uilen
blz.39

6.Over de bonte specht
blz.46

7.Over de dromedaris
blz.52

8.Zeven slakkengeheimen – over de wijngaardslak
blz.61

9.Lof en prijs op de regenworm
blz.68

10.Vleermuizen
blz.74

11.De mol
blz.82

12.Over een vogel die niet zo graag vliegt en over vissen die nesten bouwen
blz.90

13.Over de kruisspin
blz.97

14.Olifanten
blz.106

15.Over de mieren
blz.116

16.Over de egel
blz.123

17. Nawoord voor de volwassenen
blz.128

.

Dierkunde: alle artikelen

Grohmann: leesboek voor de plantkunde

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: dierkunde

.

840-772

.

VRIJESCHOOL – Grohmann: Leesboek voor de dierkunde (1) – het rendier

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de dierkunde’

blz. 7                                                                            hoofdstuk 1

HET RENDIER
.

Het rendier is een hertensoort dat boven de poolgrens in het hoge noorden van Europa, heel Azië en Canada voorkomt.
Het is een kuddedier, wild, maar ook getemd. Tamme kudden kunnen wel uit duizenden beesten bestaan.
Het wilde rendier in het bijzonder, heeft een erg mooi, machtig gewei, dat naar voren toe gebogen is en aan de uiteinden zijn schoffels gevormd. Ook de oogspitsen van het gewei die bij onze herten, zoals bekend eenvoudig blijven, vertakken zich bij het rendier en dragen daardoor niet weinig aan het koninklijk voorkomen van het dier bij, zeker bij oudere dieren waarbij ook weer schoffels gevormd worden. Ook de rendierkoe, zoals men het wijfje noemt, heeft hoorns, maar hier ontwikkelt het gewei zich kleiner en minder statig dan bij de stieren. In de winter werpen de stieren en de koeien hun gewei af. Dan kun je de ‘stangen‘ in het bos vinden en vossen en wolven knagen eraan. Zolang het nieuwe gewei nog groeit, zit er een vel over, de bast, en daarom ziet het er dik en als een vacht uit.
Voor een reiziger is het altijd een geweldige beleving, wanneer hij voor de eerste keer zo’n prachtige geweidrager ziet lopen.
De kop zelf is niet helemaal zo edel gevormd als bij ander herten, bijv. bij ons edelhert; de poten zijn wat gedrongener en ook iets korter, maar het rendier, in het bijzonder wanneer het in het wild leeft, is desondanks een heel trots, statig en flink dier. Zijn hoeven zijn veel breder dan bij de andere hertensoorten en de tenen zijn dieper gespleten, daardoor kunnen zij die ook wijd spreiden. De achtertenen strekken zich heel ver naar onderen, zodat ze zich mede van de grond kunnen opdrukken. Zo moeten de voeten van een dier gebouwd zijn, dat niet in de sneeuw, maar ook niet in het moeras moet wegzakken.

Wat zijn voedsel betreft is het rendier met weinig tevreden en bescheiden. Bergplantjes of de gewassen van de boomloze toendra moeten het voeden. Dikwijls genoeg is het alleen maar mos dat eerst met de hoeven vanonder de sneeuw vandaan gekrabd moet worden; of van stenen afgeknaagd moet worden. Het rendiermos dat het rendier tot voedsel dient, is er zelfs naar genoemd. Wanneer in de lente de knoppen en de eerste jonge blaadjes aan de struiken uitbotten, breekt er voor het rendier, na het gebrek aan voedsel, een goede tijd aan. De vermagerde dieren komen weer aan en weldra werpen ze de dikke wintervacht af.

Ook de tamme herten hebben geen warme stal waarin ze in de winter hun toevlucht kunnen zoeken en gevoerd kunnen worden. Bij bijtende kou moeten zij het in het boomloze hooggebergte of misschien nog tussen de bomen aan de randen van een meer zien uit te houden. De storm dwingt hen dicht bij elkaar te blijven en de herders met hun trouwe honden moeten zich ook overgeven aan die guurheid. Maar zelfs deze weersomstandigheden lijken geen vat te krijgen op de kudde. Ze worden beschermd door een warme wintervacht van wel 5 cm dik en om hun hals krijgen ze lange ruwe haren als manen. Ook het vel van hun poten wordt in de winter hariger. De wintervacht is veel lichter van kleur dan de zomerhuid en daarom vallen de kudden in de sneeuw veel minder op. Wie zo goed ingepakt is, kan wel wat kou verdragen en daarbij komt nog dat het zonder meer een dier van het hoge noorden is.

Drom altijd samen, jullie rendieren en trotseer de wind en doe je kop naar beneden en droom van de lente.

De volken van het Europese en Aziatische noorden voor wie het leven in de wildernis pas mogelijk wordt door het weinig eisende rendier, zijn nomaden. Ze verkrijgen van hun kudden die zij als enig bezit koesteren en verzorgen, vlees en melk, waaruit dan weer kaas bereid wordt. Het bloed wordt opgedronken als het nog warm is; de maaginhoud wordt als een bijzondere lekkernij opgepeuzeld, omdat er veel plantenresten in zitten. Je kunt je wel indenken hoe onontbeerlijk de huiden van de geslachte dieren zijn om er kleren, allerlei riemen, schoenen, waterzakken, ja zelfs tenten met de inrichting van te maken. Eveneens worden ze versneden en gekauwde pezen worden gebruikt als naaidraad; botten en gewei worden tot alles en nog wat aan gebruiksvoorwerpen en siervoorwerpen verwerkt. Er is dus niets van het dier dat niet in de strijd tegen de harde natuur een waardevolle dienst kan bewijzen!
Het rendier wordt ook benut als lastdier, bijvoorbeeld wanneer de familie, door de seizoenen gedwongen, aan hun verre omzwervingen beginnen. Dan worden de dieren met de tenten en alle have en goed bepakt. Op het laatst komen de kleine kinderen er nog bovenop. Daarbij komt ook nog dat men van oudsher het rendier als trekdier afgericht heeft, maar slechts zelden gebruikt men het als rijdier, zoals in Noord-Siberië. Dan moet er een speciaal zadel boven de voorpoten gelegd worden, want een ruiter als een paard te dragen, daarvoor is de rug van een rendier te zwak.

Het rendier komt in het wild voor in Noord-Scandinavië, maar ook op IJsland en op Spitsbergen tref je ze aan. Op de toendra van Canada loopt een bijzonder mooie variëteit, de kariboe, die tijdens de zomer op lange omzwervingen zelfs over de bevroren zee tot in Groenland komt.

De jacht op wilde rendieren is nog moeilijker dan de jacht op gemzen, alleen al omdat men zich in volstrekt onbewoonde, onherbergzame gebieden zonder bomen moet wagen waar ook geen herdershutten staan om je tegen kou en regen te beschermen of waar je zou kunnen slapen. Dan geldt: geen inspanning uit de weg te gaan. Men moet voor vele dagen proviand meenemen en hoog de bergen ingaan, waar allang geen bomen meer groeien, alleen nog een paar dicht tegen de grond gedrongen dwergstruiken, waarachter een mens – om niet gezien te worden – hooguit plat liggend zich kan verbergen. Men moet uren, ja dagenlang overgeleverd aan de schrale wind over schots- en scheef liggend puin met scherpe kanten klimmen, omhoog klauteren langs glibberige rotswanden en wanneer er een stortbeek komt, mag men er niets om geven om tot op de huid toe nat te worden, ja, als het moet, er op handen en voeten doorheen te kruipen om maar niet gezien te worden. Zo moet je een roedel wilde rendieren naderen.
Misschien ligt er net een te rusten op een gletsjerrand of een besneeuwd veld die je ook in de zomer in het hoge noorden overal aantreft, om te herkauwen. De koelte boven biedt gedurende de zomermaanden bescherming tegen de lastige steekmuggen of dazen, die vreselijke kwelgeesten, ook van de stropers. Maar het hoofd van de roedel is waakzaam. Hij is niet gaan liggen, maar kijkt en ruikt met zijn scherpe zintuigen die veel beter zijn dan die van de mens, naar alle kanten. Wanneer hij moe wordt en gaat liggen, staat er meteen een ander dier op om in zijn plaats de wacht over te nemen. Nu moet de jager precies de windrichting zoeken, zodat hij tegen de wind in en niet met de wind mee verder sluipt, anders geeft de leider een waarschuwing en de hele kudde stuift er gezwind vandoor, om pas honderden meters verder weer stil te houden. Dan kunnen voor de jagers onder deze omstandigheden de moeite en de kwellingen van vele dagen tevergeefs zijn geweest.
En hoe moeilijk is het niet om een kudde wilde rendieren in het hooggebergte te ontdekken. En met welke zinsbegoocheling krijgt een jager niet te maken, want de kleur van de dieren wijkt nauwelijks af van de rotsige bodem!
Ook roofdieren, beren en wolven, die maar al te graag een jong rendier grijpen, wordt dit door de waakzaamheid en de weerbaarheid van de roedel bijna onmogelijk gemaakt.

Het rendier heeft dus de eenzame, afgelegen streken waar geen mens leeft, als zijn veilige woongebied uitgezocht. Gedurende zijn trektochten in de herfst en het voorjaar vermijdt het zelfs angstvallig het lichte berkenbos van de dieper gelegen meeroevers, omdat het zich daar niet meer zeker voelt. Zo schuw en voorzichtig is het rendier!

Maar zelfs de getemde kudden hebben zich nog lang niet zo vertrouwd bij de mens aangesloten als de huisdieren. Ze africhten zodat ze kunnen dragen of sleeën kunnen trekken is een heel moeilijk en tijdrovende werk. Steeds opnieuw komen wildheid en de niet te beteugelen drang naar vrijheid naar buiten. Om ze te kunnen melken moeten de koppige rendierkoeien eerst met touwen vastgebonden worden, willen ze dat toelaten. Als een dier voor het werk nodig is, moet het met een lasso gevangen worden, waarbij het gewei natuurlijk wel handig is.

Bijzonder ervaren rendierherders zijn de in Noord-Scandinavië wonende Lappen. Als echte nomaden moeten zij hun leven helemaal aan het leven van hun rendieren aanpassen. Deze kudden zijn hun grote trots, maar ook hun plaag, want het leven in de eenzaamheid van de bergen in weer en wind in hun lichte tenten is hard. Het kan voorkomen dat de kleine kinderen ingesneeuwd zijn, wanneer ze ’s morgens wakker worden, omdat ’s nachts de tent door een storm weggewaaid is.
Hoe groter de kudde is die een Lap zijn eigendom kan noemen, des te gelukkiger voelt hij zich en des te meer aanzien heeft hij ook. Daarom is het voor een Lap ook veel erger, wanneer hij door een epidemie of een ander ongeluk zijn kudden verliest, dan wanneer een boer zijn vee kwijt raakt. Hele gezinnen die eerst rijk waren, raken in armoede en bittere ellende.

Voor de kudden rendieren breekt een moeilijke tijd aan, wanneer de zon in de lente overdag in de bergen al zo warm is, dat de sneeuw zacht wordt. Dan ontstaan er ’s nachts ijskorsten en wanneer de rendieren daar met hun hoeven doorzakken, raken ze door de scherpe kanten gewond aan hun poten. Nog meer ellende hebben de kudden, maar ook de herders natuurlijk, van de roofdieren, die hongerig rondzwerven. Allereerst moet je de beren noemen, maar ook de veelvraat, dat bloeddorstige, marterachtige roofdier van het noorden. Met zijn bijna duivelse moordzucht kan die erg gevaarlijk zijn. Juist de dieren die buiten de kudde zijn geraakt, vallen ten prooi aan deze rovers. Voor de kudden zijn in het bijzonder de wolven gevaarlijk, omdat deze ook als roedel te werk gaan. Alleen al hun huiveringwekkend gehuil jaagt de kudden angst aan, ja dat kan hen volledig in de war brengen. Maar daar zijn de sluwe wolven nu juist op uit. Een deel van de meute loopt in een grote boog om de kudde heen en drijft de bange dieren naar de andere wolven. Ook al kan een rendier zich met zijn gewei en krachtige, weerbare voorpoten goed tegen een enkele wolf verdedigen, dan toch worden de vreedzame weidedieren, alleen al om hun jongen, van een door honger huilende wolfsroedel wild van schrik. De kudde kan ook een gevechtslinie vormen, wanneer ze worden aangevallen. Dicht tegen elkaar aangedrukt, worden de jongen in het midden gehouden en de sterke stieren stellen zich met hun koppen naar beneden, naar de buitenkant gericht, op. Tegen zo’n gevechtslinie is het ook voor de wolven erg moeilijk eropaf te rennen en toch wordt meestal wel een of ander dier naar de grond getrokken. Hongerige wolven zijn nu eenmaal razende woestelingen.

Om zo’n overval te voorkomen, moeten de herders dikwijls dag en nacht op wacht staan. Ten tijde van bijzonder gevaar, kunnen ze het niet wagen om zelfs maar te slapen. Dan moeten ze de nacht doorbrengen, leunend op een stok. Ook dat behoort tot het zware leven van de herders in het hoge noorden.

Eenmaal per jaar is het voor de Lappen een heel bijzondere dag, of liever gezegd, een heel bijzondere nacht. Wanneer de jonge rendieren gemerkt worden. In de grote kudden worden de dieren van verschillende eigenaren gemeenschappelijk gehoed en je moet toch weten van wie welk dier is. Zolang de kalfjes, die in het voorjaar worden geboren nog bij de moeder lopen, zie je dat gemakkelijk. In de herfst echter gaan de kalveren bij de moeder weg. Kort van te voren spreken de Lappen een dag af, waarop de kudden uit de bergen in de dalen worden gebracht. De dieren die de kudde leiden worden met een lasso gevangen en in de dalen gebracht. Geduldig volgt de hele kudde. Ze worden over de van oudsher kilometers lange wegen geleid. Vaak moeten ze door rivieren waden of meren overzwemmen: een onvergetelijk schouwspel voor ieder die het kan zien, wanneer alleen de koppen boven water uitkomen en daarboven een woud van geweien.
Uiteindelijk zijn de kudden dan op de verzamelplaatsen, die eveneens ieder jaar weer worden gebruikt. Het moet nacht zijn, omdat de kudden dan niet onrustig worden door de muggen en de dazen. Maar de nacht is aan deze kant van de poolcirkel nog altijd licht genoeg. Het is alleen wat schemerig. Ongeduldig wachten zij die in het dal achtergebleven zijn op de aankomst van de dieren. Plotseling duiken in de verte de kudden op en weldra hoor je ook het getrappel van de dicht opeengepakte dieren en ook het typische getik wanneer de hoeven elkaar raken. Van alle kanten komen ze aan, deze geweigolven. Als ze eindelijk allemaal bij elkaar staan, wordt de kraal afgesloten. De dieren lopen nog gejaagd rond of vormen aparte rijen. Midden in het gewoel en de opwinding echter, staan rustig de Lappen met volgens de regels der kunst opgerolde lasso’s over de arm en wie bij de Lappen op bezoek is, mag ook mee binnen de kraal om te kijken naar het mooie wat daar wordt gedaan. Soms komt er een rij rendieren, aangevoerd door een sterke stier op je af gegaloppeerd. Je bent al bang onder de voet te worden gelopen, maar met een ruk blijven ze allemaal staan en de stroom splitst zich en raast links en rechts aan je voorbij.

Ondertussen werpen de Lappen zoals het hoort en behendig de lasso’s om de kalveren. De lus slaat – dat hangt er vanaf – om de hals of de poten van de jonge dieren. De Lap trekt het touw vast aan en trekt ze op de grond. Dan gaat hij erop zitten, trekt zijn scherp geslepen mes en kerft zijn merkteken in het oor. Het doet geen pijn, ja het bloedt zelfs niet eens. Soms ook weer ontworstelt het kalf zich aan de lus en springt er vandoor. Zijn eindelijk alle kalveren gemerkt, wat bij de grote kudden de hele nacht duurt, dan wordt de afsluiting weggehaald en de kudden mogen weer in hun bergen het voedsel zoeken.

In veel streken betekent het merken van de dieren groot feest waar ook de kinderen en familieleden, die anders in  de dalen wonen, naartoe komen. Op deze dag voelt de Lap hoe gezegend hij is. Wat een gejuich wanneer de gehoornde scharen vanaf de berghoogten aankomen!

Het getemde rendier wordt natuurlijk niet bejaagd, maar geslacht. Ook het slachten betekent groot feest, waarbij veel gegeten wordt. De geselecteerde dieren worden door een messteek in de borst gedood en sterven snel. Het vlees dat als voorraad dient, wordt in de buitenlucht gedroogd, het is de jaaroogst van de Lappen. Het vel van verschillende lichaamsdelen wordt steeds voor bepaalde doeleinden gebruikt: voor kleren, mutsen, schoenen, dus waarvoor het het meest geschikt is. Zo worden bijvoorbeeld de heel kleine kinderen in de wieg gelegd op delen van het vel die van de buik van het rendier komen, want daar is het vel bijzonder zacht en donzig.
Maar wie als klein kind op rendiervel in bed is gelegd, zou voor hem ook later, wanneer hij groot is geworden, het rendier niet een geliefd en vertrouwd dier zijn?
Zijn hele leven zal hij ermee verbonden blijven.

.

Grohmann: leesboek dierkunde: inhoudsopgave

Eigen vertaling van ‘Lesebuch der Tierkunde

Lasse Länta, een boek over het leven van de Lappen.

Dierkunde: alle artikelen

Grohmann: leesboek plantkunde

VRIJESCHOOL in beeld: dierkunde

.

839-772

.

VRIJESCHOOL – Vrijeschoolpedagogie.com

.

DÉ SITE MET DE MEESTE ACHTERGRONDINFORMATIE OVER HET VRIJESCHOOLONDERWIJS

.

U vindt via onderstaande rubrieken de weg naar meer dan 2400 artikelen.
.

In het zoekblokje (op deze pagina rechtsboven) een trefwoord ingeven, leidt ook vaak tot artikelen waar het betreffende woord in voorkomt.
Wanneer er meerdere koppen van artikelen worden getoond, is het raadzaam ieder artikel open te maken en onder aan het artikel bij de tag-woorden te kijken of het gezochte woord daar staat.
Wanneer het artikel is geopend, kan je Ctr + F klikken. Er verschijnt dan een zoekvenstertje waarin je het gezochte woord kan intikken. Als dit woord in het artikel aanwezig is, kleurt het op.
.

Ondanks regelmatige controle komt het voor dat bepaalde links niet werken. Waarschuw me s.v.p.     vspedagogie voeg toe apenstaartje gmail punt com
.

RUDOLF STEINER
alle artikelen
wat zegt hij over——
waar vind je Steiner over pedagogie(k) en vrijeschool–
een verkenning van zijn ‘Algemene menskunde’


AARDRIJKSKUNDE
alle artikelen

BESPREKING VAN KINDERBOEKEN
alle auteurs
alle boeken

DIERKUNDE
alle artikelen

GESCHIEDENIS
alle artikelen

GETUIGSCHRIFT
alle artikelen

GODSDIENST zie RELIGIE

GYMNASTIEK
vijfkamp(1)
vijfkamp (2)

bewegen in de klas
L.L.. Oosterom over: beweging tussen persoon en wereld; kind leert bewegend de wereld kennen;

HANDENARBEID
alle artikelen

HEEMKUNDE
alle artikelen

JAARFEESTEN
alle artikelen

KINDERBESPREKING
alle artikelen

KLASSEN alle artikelen:
peuters/kleutersklas 1;  klas 2; klas 3klas 4klas 5klas 6klas 7;  klas 8         (rest volgt – via zoekbalk vind je ook de andere klassen: 9 t/m 11)   klas 11

KERSTSPELEN
Alle artikelen

LEERPROBLEMEN
alle artikelen

LEZEN-SCHRIJVEN
alle artikelen

LINKS
Naar andere websites en blogmet vrijeschoolachtergronden; vakken; lesvoorbeelden enz

MEETKUNDE
alle artikelen

MENSKUNDE EN PEDAGOGIE
Alle artikelen

MINERALOGIE
alle artikelen

MUZIEK
mens en muziek
blokfluit spelen
over het aanleren van het notenschrift

NATUURKUNDE
alle artikelen

NEDERLANDSE TAAL
alle artikelen

NIET-NEDERLANDSE TALEN
alle artikelen

ONTWIKKELINGSFASEN
alle artikelen

OPSPATTEND GRIND
alle artikelen

OPVOEDINGSVRAGEN
alle artikelen

PLANTKUNDE
alle artikelen

REKENEN
alle artikelen

RELIGIE
Religieus onderwijs
vensteruur

REMEDIAL TEACHING
[1]  [2]

SCHEIKUNDE
klas 7

SCHRIJVEN – LEZEN
alle artikelen

SOCIALE DRIEGELEDING
alle artikelen
hierbij ook: vrijeschool en vrijheid van onderwijs

SPEL
alle artikelen

SPRAAK
spraakoefeningen
spraak/spreektherapie [1]    [2]

STERRENKUNDE
klas 7

TEKENEN
zwart/wit [2-1]
over arceren
[2-2]
over arceren met kleur; verschil met zwart/wit
voorbeelden
In klas 6
In klas 7

VERTELSTOF
alle artikelen

VOEDINGSLEER
7e klas: alle artikelen

VORMTEKENEN
Alle artikelen


VRIJESCHOOL
uitgangspunten

de ochtendspreuk [1]      [2]     [3]

bewegen in de klas
In de vrijeschool Den Haag wordt op een bijzondere manier bewogen.

bewegen in de klas
L.L.. Oosterom over: beweging tussen persoon en wereld; kind leert bewegend de wereld kennen; sport

Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen
zie ook: sociale driegeleding

vrijeschool en antroposofie – is de vrijeschool een antroposofische school?
alle artikelen

de vrijeschool: breinvriendelijk onderwijs

Vrijeschool in beeld: illustraties van het vrijeschoolonderwijs

EN VERDER:
burnt out
Aart van der Stel over: waarom raakt iemand ‘burnt out’; je eigen rol en hoe gaan de anderen met je om; binnen-buiten; gezond-ziek

met vreugde in het nu aanwezig zijn
‘anti’- burn-out

geschiedenis van het Nederlandse onderwijs, een kleine schets


karakteriseren i.p.v. definiëren

lichaamsoriëntatie

(school)gebouw
organische bouw [1]     [2-1]    [2-2]

In de trein
onderwijzer Wilkeshuis over een paar ‘vrijeschoolkinderen’ in de trein

.

Ondanks regelmatige controle komt het voor dat bepaalde links niet werken. Waarschuw me s.v.p.     vspedagogie voeg toe apenstaartje gmail punt com

.

434-404

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over dierkunde – alle artikelen

.

Een kleine inhoudsopgave bij de opmerkingen die Rudolf Steiner in de pedagogische voordrachten maakte over dierkunde. Toevoegingen in blauw zijn van mij. 

GA 294    vertaling: Opvoedkunst
3e voordracht
blz. 50                               vert.  blz.60
In de natuur wandelend genieten, geen uitleg. In de klas de natuur als lesstof.

7e voordracht blz. 96                               vert.  blz. 101
Vóór het 9e jaar vertel je anders over de dieren dan erna; mens synthese van natuurrijken; menselijke gestalte: hoofd (bol), romp (fragment van bol) ledematen (stralen); hoofd: zintuigen, romp: ademhaling; ledematen stofwisseling; ‘dienen om’ of ‘ten dienste van’; verschil armen/handen – benen/voeten; vrijheid en zelfzucht; kunstzinnig vertellen over inktvis (hoofd); muis (romp); handen en moraliteit

14e voordracht blz. 189                         vert. blz. 190
Vóór het 9e jaar kind anders t.o.v. dieren en planten; volgorde dier- plantkunde.

GA 295 vertaling: Praktijk van het lesgeven 
3e voordracht  blz. 37                            vert. blz. 37
Alle dieren: de hele mens.

blz. 46                                                          vert. 45-46
Dieren uitgebreid beschrijven, gedetailleerd bekijken.

14e voordracht  blz. 152                        vert. 145-146
Waarnemen van de Egyptenaren; zij tekenden dierenkoppen.

GA 297        vertaling  3e voordracht
3e voordracht                             vert. blz. 50-51
Dieren vergelijken met de mens: hoofd-lagere dieren, bijv. inktvis; mens uniek in ledematen; dit besef is van invloed op de moraliteit; 

GA 300B   blz. 14  niet vertaald             vert. blz. 14
Dierkunde na het 9e jaar; mens samenvatting hele dierenrijk

GA 300C blz. 98    niet vertaald             vert. blz. 98
Het gaat om hoofddieren, ritmische dieren en stofwisselingsdieren

GA 301       vertaald: De vernieuwing van de pedagogisch-didactische kunst door geesteswetenschap
8e voodracht blz. 127-129                          vert. blz. 127-129
Vooreerst geen indeling in klassen, orden e.d., maar levendige verbinding met mens: eerst pedagogie, dan wetenschap; Oken; dier één aspect, mens alle aspecten bij elkaar; gevoel voor de wereld; niet vóór het negende jaar

blz. 131-132                                                     vert. 131-132
mens synthese, dier eenzijdig

GA 303       vertaald: Gezondmakend onderwijs
9e voordrachblz. 162-163                         vert. blz. 175
Vertellen als kunstenaar

10e voordracht
blz. 188-192                                                      vert. 211-216
Dierenwereld betrekken op de mens; hoofd en lagere dieren; vis: ruggengraatdier, middendier; leeuw en kameel: stofwisseling-ledematendieren; diervorm begrijpen die als een eenzijdige ontwikkeling van een menselijk orgaansysteem te beschouwen; het hele dierenrijk is een uitgebreide mens; de mens is een samen­stelling van het hele dierenrijk; een juist wereldgevoel geven

blz. 227                                                               vert. blz. 256
Het dier in verband brengen met de mens; over het beschrijven.

GA 304       niet vertaald 
7e voordracht 
blz. 170 – 173                         vert. blz. 170-173 
Dierenrijk synthese: mens; innerlijke houding t.o.v. de wereld = liefde voor de wereld;

GA 305      vertaaldOpvoeding en onderwijs
5e voordracht
blz. 107- 108                                                        vert.107-198
Mens synthese van dierenrijk; kind en wereld verbinden

GA 306     niet vertaald
4e voordracht blz. 93 – 94                                vert. blz, 93-94
Mens synthese van dierenrijk, dier eenzijdig ontwikkeld in bepaald orgaan;

5e voordracht blz. 97 – 98                                vert. blz. 97-98
iedere diervorm op te vatten als een stukje mens dat eenzijdig gevormd is.

blz.101                                                                   vert. blz.101
beeldend neerzetten;

blz. 109                                                                  vert. blz. 109
in de gestalte zit al wat een dier doet; wat het kind verlangt.

GA 307    vertaald: Opvoeding en moderne kultuur 
9e voordracht  
blz. 167-173                             vert. blz. 211-220
De planten naar de aarde, de dieren bij de mens gebracht, dat moet onderwijsprincipe worden; drieledige mens; hoofd, ritmisch systeem, stofwisseling/ledematen; lagere dieren: ons hoofd, ‘middelste’ dieren – vissen – onze romp, hogere dieren: bewegingsorganen; dierenwereld als eenzijdige ontwikkeling; dierenrijk: uit elkaar gelegde mens; mens: samenvatting van hele dierenwereld; vogels; door kunstzinnig presenteren; mens dichter bij dier; versterking van de wil; verbinding mens en wereld

GA 308     vertaald: De wordende mens
4e voordracht blz. 69 – 72                               vert. blz. 104-108
leeuw, stier, adelaar, engel – de mens; rund; leeuw; adelaar; mens als synthese; Oken; dieren ‘losse toon’ – mens ‘symfonie’; eerbied, religieus gevoel voor schepping

GA 309    Vertaald: Uitgangspunten van het vrijeschoolonderwijs
4e voordracht blz. 71 – 73                                  vert. 71 – 73
koe – menselijke stofwisseling; leeuw – menselijke borstgebied; vogel – hoofd; dieren: stukjes mens – mens in harmonie; Oken; biologie: verhouding van het kind met de aarde (plantenrijk) en de dieren: moraliteit; deze aanpak: je thuis voelen op de wereld

GA 310   Vertaald:  Menskunde, pedagogie en kultuur
4e voordracht blz. 77 – 79;                                vert.  blz.  81 – 83
relatie mens – dier; Oken;  mens samenstelling van de afzonderlijke diervormen; fundament leggen voor een relatie tot de wereld

GA 311  Vertaald: De kunst van het opvoeden vanuit het besef: wat is de mens 
3e voordracht blz. 48 – 55                                  vert. blz.48-55
dieren worden gekarakteriseerd door zieleneigenschappen; bij de mens veel minder uitgesproken eigenschappen; mens: synthese; dierenrijk is uitgebreide mens en mens een gecomprimeerd dierenrijk; hond en reukzenuw;

6e voordracht blz. 101 – 102                              vert. blz. 101-102
door plant- en dierkunde het kind verbinden met zijn wereld

.

Dierkundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld4e klas dierkunde

.


290-273

.

VRIJESCHOOL – Dierkunde 4e Klas (12)

.

BUIZERD EN ADELAAR

Om een dier te begrijpen, moet je ook steeds naar zijn omgeving kijken. Want dieren zijn innig één met hun leefwereld. De drie grote leefgebieden zijn het land met de vele afzonderlijke gebieden, vlakten, bergen, bossen, open landschappen; de ruimte, wijdten van het water in de zeeën en oceanen en de stromen van het land en ten slotte de grootste van alle zeeën: de lucht. Haar substantie is het tegendeel van het dichte, harde gesteente; ze is in hoge mate opgelost en zonder die begrenzing. Juist tegenovergesteld: de lucht heeft de neiging te vervluchtigen. Hier staat de aarde volledig open tegenover de kosmos. De atmosfeer wordt intens door het licht doorstroomd. Zij neemt de warmte veel sterker in zich op en reageert op opwarming en afkoeling heel gevoelig door uitzetting en verdichting, d.w.z. met op- en neergaande stromingen en winden. Deze geweldige ruimte is het thuis van de vogels.

dierkunde buizerd adelaar 1

vluchtbeeld van een zwevende buizerd

Wanneer je bij het waarnemen van de dierenwereld niet in eenzijdigheden terecht wil komen, mag je niet vergeten, dat de hogere dieren door hun bouw nooit met alle gebieden van de aarde zijn verbonden. Één van deze treedt altijd op de voorgrond, bij de vogels die van de atmosfeer die doorstraald wordt door de zon.
Maar er zijn wel vogels die meer gebonden zijn aan de aarde – de hoenders, de struisvogel, de nandoe, emoe, de kasuaris en vooral de kiwi – en aan het water, zoals de eenden, futen en pinguïns. Wanneer je het rijk van de vogels wil leren begrijpen, moet je bij die vogels beginnen waarbij de verbinding van  de luchtzee en de zon bijzonder duidelijk is, zoals bv. bij de roofvogels. Indrukwekkende vormen zoals van de valk, de havik, de sperwer, de verschillende buizerds, de wouw en de kiekendief. De belangrijkste verschijning is de adelaar. We zullen aan het einde van deze beschouwing een paar opmerkingen over hem toevoegen.

Wanneer je in de zomer in een bepaald gebied met afwisselend bos of een open vlakte de blik omhoog richt, zul je meer dan eens een vogel zien, die urenlang rondjes vliegt. Zelf is hij volkomen rustig. Soms stijgt hij op, dan weer zweeft hij een stuk verder in een bepaalde richting en begint weer te cirkelen. De vleugels zijn wijd uitgespreid als in een volledige overgave aan de omgeving. De vogel laat zich dragen door opstijgende luchtstromen die door opwarming boven de velden en steppe-achtige vlakten gevormd worden. Wanneer hij daar boven door de lucht zweeft, ontstaat er boven zijn vleugels een zuiging. De vleugels hebben namelijk een lichte kromming. Daarom stroomt de lucht erboven sneller dan eronder. Deze zuiging is driemaal sterker dan de druk waarmee de vleugels op de lucht liggen. Op deze manier wordt de vogel door de atmosfeer gedragen. Zou hij alleen maar vleugels hebben, dan zou hij weleens nooit naar de aarde kunnen komen.
Wat je ziet, is een korte kop, de brede vleugels en een brede, ronde staart. Dat is de buizerd, de meest voorkomende roofvogel in Europa en Noord-Azië – en in zijn overgave aan de luchtzee ook één van de mooiste.

Het oog en het bewustzijn van de vogel
Wanneer hij ’s morgens vanuit zijn nest de hoogte ingaat en daar in hoge mate aan de werking van de zwaartekracht van de aarde onttrokken is, is hij met zijn bewustzijn tot in de verre omtrek aanwezig. Een wezen dat zo in de ruimte van het licht leeft, heeft grote ogen. Ze zijn groter dan de hersenen. Hun vorm is karakteristiek anders dan die bij de zoogdieren en de mens. Ze hebben geen kogelvorm, d.w.z. een in hoge mate in zichzelf besloten bol. De achtergrond van het oog met het netvlies verwijdt zich. Hij wordt als een schaal; hoornvlies en lens, de brug tussen de lichtsfeer buiten en inwendig, zijn opvallend groot en duidelijk naar buiten gericht. Het zijn ogen waarin het licht sterk naar binnenstroomt en waaruit de blik ver in de omgeving reikt. Wanneer wij zo’n goede blik als de buizerd zouden willen hebben, dan zouden we een verrekijker te hulp moeten nemen die 6 keer versterkt. Hoe wakker en scherp het bewustzijn is, kun je meten, wanneer je bedenkt dat een mens iets van 18 beelden per seconde kan onderscheiden, de buizerd echter zo’n 150*. Dat hangt zeker ook samen met een van de vele bijzonderheden van het vogeloog. Het netvlies is ongewoon dik, omdat er zenuwverbindingen inzitten die bij de hogere zoogdieren en de mens in de hersenen ontstaan. Een deel van de functies van het bewustzijn die voor de hersenen karakteristiek zijn, lijkt wel naar buiten toe in het oog aangelegd te zijn, direct samenhangend met de licht-, kleuren- en vormenwereld van de omgeving. Bovendien heeft ieder oog in het netvlies niet een, maar twee inzinkingen (foveae). Door de ene kan de buizerd scherp naar voren, door de andere scherp naar beide kanten kijken en zo een verre omtrek wakker overzien.

dierkunde buizerd adelaar 2

links: beide ogen in de kop van een dagroofvogel.
Fc: fovea centralis
fl: fovea lateralis
1: optische as voor het gezamenlijk kijken met beide ogen
2: optische as voor apart kijken van beide ogen
(Remane e.a. Systematische zoologie)

rechts: het linkeroog van een adelaar. Je ziet de wijd geopende vorm en de sterke overgave aan de omgeving; bij het naar binnengaan van de oogzenuw zie je de bloedrijke filters.
Zwart: de harde oogrok die het oog in de voorste helft omsluit
(King/Mc.Lelland: Anatomie van de vogel)

Aan deze ongewone ogen zijn de bewegingszenuwen maar zwak gevormd. De mens kan wanneer hij zijn hoofd stil houdt, door de oogbewegingen goed overzien wat in zijn blikveld ligt. De vogel voert de overeenkomstige bewegingen in verregaande mate met zijn nek uit, met heel zijn kop. Het kijken neemt de vogel veel meer in beslag dan de mens. Hoe intensief dat gaat, kun je begrijpen, wanneer je je de volgende vraag stelt: wat is het vliegen van de buizerd? De mens dringt bij het kijken met zijn bewustzijn naar buiten in de door licht gevulde ruimte. De buizerd begeeft zich met zijn hele wezen in deze ruimte. Het vliegen behoort heel nauw bij het zo hoog ontwikkelde oog en de wijdte van zijn bewustzijn samen.

*De zgn. flikkerfusiefrequentie is geen vaste grootheid. In een heldere omgeving is deze groter dan in een donkere. Het hangt er ook vanaf of het beeld in het bereik van de gele vlek (fovea) of op een andere plek van het netvlies ontstaat.

De veren – waarneming van de lucht
We zullen eens kijken in hoeverre deze opvatting door de verdere fenomenen versterkt wordt. Wat aan de vogel zo bijzonder typisch is, zijn z’n veren. De grote veren vormen het verenkleed van de vleugels en van de staart. Talrijker nog zijn de kleine veren die de rest van het lichaam bedekken. De buizerd spreidt bij het zweven de slagpennen, dan ziet elk van deze veren eruit als een kleine vleugel. Wanneer je een enkele slagpen van een grote roofvogel snel door de lucht beweegt, ervaar je een onverwachte grote weerstand. Het is net of je met een vlakke hand tegen een waterstroom in wilt bewegen. Door zijn vleugelveren neemt de vogel de lucht waar die de mens doordat ze zo ijl is normaal niet waarneemt. De vogel dringt met zijn waarnemen binnen in een gebied dat voor de mens bijna geheel gesloten is. Wij ervaren weliswaar de warmte van de lucht, niet haar substantie. Zo is het cirkelende zweven van de buizerd eigenlijk een gevoelig waarnemen van de lucht en de luchtstromen. Bij het zgn. klapwieken en het bidden is naast de waarneming van de lucht ook het waarnemen van de eigen activiteit verbonden.

dierkunde buizerd adelaar 3

Structuur van een veer. Deel van de schacht met 2 baarden en hun stralen.
1.schacht (rhachis)
2.baard (ramus)
3.haakstraal (distale radius)
4.haak
5.boogstraal (proximale radius)
6.rand van de boogstraal waarin ter versteviging van de vlag de haken in elkaar grijpen
(Portmann: ‘Inleiding in de vergelijkende morfologie van werveldieren)

Hoe komt het echter dat slag- en staartveren ten dienste staan bij het waarnemen van de lucht?

We moeten om deze vraag te beantwoorden, kort op de bouw van zo’n veer ingaan. Ieder weet dat een veer bestaat uit een spoel en een vlag (spoel: het doorzichtige onderste deel van de schacht; vlag: de baarden ter weerszijde van de schacht). De spoel is zo licht, omdat ze in het ronde, onderste deel heel hol is; de schacht waaraan de vlag vastzit, bevat met lucht gevulde kamertjes. Vanuit deze centrale as lopen in een scherpe hoek de zgn. baarden en van hieruit weer talrijke stralen; naar achter gericht de boogstralen, naar voren de haakstralen, die met nietige haakjes precies in een gleufje van de boogstralen zitten. De veer is een meesterwerk van de scheppende natuur. Deze tot in het allerfijnste gaande structuur heeft de massa bijna overwonnen. Hoe licht is een veer en de veren samen! Bij een huismus wegen de ongeveer 3500 veertjes minder dan 2 gram.

In de vorming van de veren is een naar buiten stralende tendens werkzaam. Allereerst stralen vanuit de schacht de baarden naar de omgeving toe en daaraan dan weer de stralen. Toch is de veer door het in elkaar grijpen van de haak en boogstralen één geheel. Zo treedt in de veer als afgestorven structuur op wat we daarnet als een wezenlijke eigenschap van de lucht genoemd hebben: de tendens op te lossen en in de omgeving op te gaan. Als variatie op een formulering van Goethe kun je zeggen: de veer is voor de lucht door de lucht gevormd. En omdat bij het ontstaan van de veer bij het verdichten van de substantie tot hoorn al het leven dooft, worden de vleugel- en staartveren tot zintuig. Wanneer een zintuigorgaan ontstaat, wijkt op bepaalde plaatsen van het organisme het leven en de wetmatigheid van een bepaalde wereldkwaliteit doet zich gelden – bij de slag – en staartpennen van de vogel die van de lucht.

Ook de dekveren van de kleine vogels staan in een innige betrekking tot het element lucht. Lucht neemt warme sterk in zich op en houdt die vast; ze is een slechte warmtegeleider. Zo vormen de dekveren en het dons samen met de lucht een warmteomhulsel om de hele vogel heen.

Dit alles spreekt van een diepe verbinding van de buizerd met de atmosfeer. Zijn vliegen en zweven is slechts de meest volmaakte uitdrukking van deze samenhang. Daardoor kan de buizerd in de sfeer van het licht leven.

Een wezen zonder poten, doortrokken van lucht
Wanneer hij vanuit de hoogte naar beneden komt, gaat hij naar zijn nest of op een boom zitten aan de rand van het bos. Je ziet buizerds ook op paaltjes of grensstenen.

dierkunde buizerd adelaar 4

Daar, op wacht met het overzicht, zit hij vaak verscheidene uren volledig in rust. Zijn bewustzijn is in de omgeving. Hij ziet iedere beweging en hoort het fijnste geluid. Dan vliegt hij plotseling een stuk verder en grijpt daar zijn prooi, meestal muizen, met name veldmuisjes, met de scherpe nagels van zijn klauwen.

Je kunt steeds weer lezen dat de buizerd en de andere vogels poten zouden hebben. Maar dat is een onjuiste manier van uitdrukken. Maar wat doet de buizerd met de ‘poten’, de klauwen. Hij grijpt de tak ermee vast waarop hij zit; hij grijpt muizen, mollen, egels, slangen, hagedissen, gaaien, fazanten en andere dieren en draagt ze naar een boom, waar hij ze opvreet of naar zijn nest als voer voor de jongen. Dat zijn geen activiteiten die je met poten en voeten verricht, maar eerder met armen en handen. De klauwen zijn eigenlijk vingers. De hand is met een deel van de handwortelbeentjes tot een groepje staafachtige botjes verkommerd. De buizerd is dus een wezen zonder poten. Hij komt door zijn bouw ook helemaal niet op dat stukje wereld naar beneden waar bv. het paard met zijn benen de bewegingskracht ontwikkelt, in de zwaarte, de gravitatie; ook dan niet wanneer hij zich zo nu en dan op de grond bevindt.

Wanneer de buizerd op een tak zit, houdt hij zijn lijf tussen de beide ledematen. Bij het paard of de kat spant zich de romp tussen de voor- en achterpoten en is aan de invloed van de zwaarte overgeleverd. De vogel draagt zijn romp vrij. Deze is door de botvergroeiing van zijn wervelkolom en de steun van de borstkas (zie afbeelding skelet) in zich gestabiliseerd. Hij is, zoals anders alleen de kop, aan de zwaartewerking onttrokken.

dierkunde buizerd adelaar 5

Skelet van een steenarend. Het vleugelskelet en de klauwen zijn ongewoon groot. Aan de ribben van de borstkas zijn de haakuitgroeisels goed te zien

Wanneer je nu de mogelijkheid zou hebben door het verenkleed en de dunne huid in het inwendige van de romp te kijken, zou je zien, dat deze voor een groot gedeelte uit met lucht gevulde ruimten bestaat. De buizerd ademt zoals alle vogels niet alleen in de longen in, maar door de long heen in het hele lijf. De lucht stroomt bij het inademen door de long in de tere luchtzakken die zich zelfs tot in het binnenste van de grote ledematen- en vleugelbeenderen voortzetten. Bij de mens en vele zoogdieren zijn maar een paar beenderen van de schedel met lucht gevuld, maar bij de vogel zelfs de beenderen van de ledematen. Daardoor horen deze bij de atmosfeer. Wat spreekt zich in het feit uit dat de vogel zich zo diep met lucht doordringt?

In zijn organisme heeft het geïntensiveerde vormproces van één orgaan binnen het geheel invloed, vooral daar waar een inwendige relatie tot dit orgaan bestaat. We hebben gezien hoe sterk de ogen van de vogel door hun vorm en grootte het licht opnemen. Dit zich zo intensief verbinden met de omgeving, strekt zich ook uit tot de romp, echter, aangepast. Bij het ademen neemt de romp de lucht op zoals in de kop het oog het licht. Volgens R. Steiner kun je de zintuigorganen als golven beschouwen waarin bepaalde kwaliteiten van de omringende wereld in het organisme binnenstromen, het oog dus als een golf voor licht en kleur. Dienovereenkomstig is de long een rijk gedifferentieerde golf voor de lucht. Bij de vogel wordt de luchtgolf breder in de luchtzakken. Daardoor wordt de vogel van binnenuit licht. Ook wordt het ademen iets anders. Bij het uitademen doorstroomt de lucht uit de luchtzakken namelijk voor de tweede keer de long en ook nu neemt het bloed de zuurstof op. Zo wordt het lijf van de vogel versterkt doorademd. De levende verbrandingsprocessen worden intensiever en de lichaamstemperatuur wordt hoger. Deze bedraagt bij de buizerd 40,5 º. In het ‘vuur’ van zijn inwendig verbrandingsproces brandt hij voortdurend zijn lijf op. Dat heft hij op wanneer hij per dag ongeveer een zesde van zijn gemiddelde gewicht van 900 gram als voedsel neemt. Dat zijn ongeveer 5 veldmuizen. Die slokt hij in zijn geheel op. De vertering verloopt in de warmte van de levensprocessen zeer snel. De onverteerbare resten kotst hij als braakbal uit.

Bij de buizerd zijn de spijsverteringsorganen zoals bij de andere vogels eigenaardig gebouwd. Op een kliermaag volgt de sterke spiermaag die het voedsel ook mechanisch bewerkt. Deze heeft dezelfde functie als de bek met de tanden bij de zoogdieren .

Dominantie van vormprocessen van de kop.
Wanneer je je de kenmerken van de romp van de buizerd voorstelt: vrij gedragen, het stabiele door de botten, het diep kunnen inademen van de lucht en de mechanische bewerking van het voedsel, dan ontstaat het beeld dat aanvankelijk verrassend kan zijn. Deze romp is tegenover die van de zoogdieren en de mens omgevormd. Hij heeft eigenschappen die je anders in de kop vindt. Dat betekent dat hij door vormprocessen van de kop doortrokken is en het karakter heeft als van de kop. Uiterlijk bezien ziet deze er natuurlijk niet als een kop uit. Maar je vindt er kwaliteiten die voor de kop karakteristiek zijn. Daarmee staat de vogel als geheel anders in de samenhang van de natuur dan de overige dieren.

Door de krachtig gevormde ogen is de buizerd niet alleen maar met de weidsheid van de door de zon doortrokken atmosfeer verbonden, maar wordt daar  in zijn bouw ook door bepaald. We hebben erop gewezen dat bij het ontstaan van een zintuigorgaan de vitaliteit in hoge mate teruggedrukt wordt. Dat proces heeft invloed op de vorming van de kop en laat de mondpartij tot snavel verstarren en verkommeren. Die zintuigen die nauw met de stofwisseling zijn verbonden, de smaak en het ruiken ontwikkelen zich maar matig. En daarmee worden de lust- en onlustgevoelens die ermee verbonden zijn, ook gedempt; de buizerd is zoals veel andere vogels in hoge mate vrij van affectieve binding aan de materie. De sterke overgave aan de omgeving door het oog strookt met de lange in de veren verborgen beweeglijke hals. De samenhang van het krijgen van bewustzijn door het zien met de verruiming van de waarneming tot in de vorming van de veren en het vliegen hebben we al geschetst. Nu moet je er nog bij betrekken dat het oog voor een niet gering deel uit de hersenen ontstaat. Daarmee krijgt het zenuw-zintuigorganisme een groot overwicht. En dat werkt door in heel de vorming van het hele lijf; romp en ledematen worden zoals anders alleen de kop uit het gebied van de zwaarte weggehaald. In de romp ontstaat slechts een korte darm. In het vogelei ontwikkelt zich allereerst de kop met de grote ogen. Al het andere functioneert als een onbelangrijk aanhangsel dat dan onder invloed van de dominerende vorming van de ogen verder groeit. Dat speelt zich in het verborgene af. In de eerste helft van april legt de buizerd twee tot vier eieren. Het nest bevindt zich in het bos in een hogere boom. 28 tot 31 dagen, zo ongeveer de duur van een synodische maand, broedt in de eerste plaats het vrouwtje. Onmiddellijk nadat de jongen uitgekomen zijn hebben ze een bijna witte dons, dat echter snel gewisseld wordt. Vanaf de derde week vormt zich het blijvende verenkleed en na ongeveer 7 weken kunnen de jonge buizerds vliegen. Geheel zelfstandig worden ze in de tweede helft van augustus. Dan gaat ook de familie uit elkaar. Dan leeft de buizerd ongeveer 6 of 7 jaar dagelijks en jaarlijks met het ritme van de zon mee. Wanneer de zon tussen april en september de lucht vlak boven de grond verwarmt en als thermiek doet opstijgen, kun je hem cirkelend aan de hemel zien. ’s Morgens vroeg verlaat hij zijn slaapplaats in het bos en keert dikwijls pas tegen zonsondergang terug. Van de buizerds van Midden-Europa en de middengebieden van Oost-Europa blijven er vele van de oudere, ’s winters in hun vaderland. Je ziet ze dan in de bomen of op een lagere hoogte vliegen. De Noord-Europese buizerds trekken echter een paar maanden naar gebieden waar ook de dagen in de winter helder zijn, naar Midden-Europa, naar Nederland, vooral naar België en Noord-Frankrijk.

De steenadelaar –  een nog hogere majesteit
Is de buizerd al een belangrijke verschijning in het rijk van de vogels, dan is de steenarend nog majesteitelijker en verhevener. Hij leeft in het hooggebergte, d.w.z. waar de aarde zelf als het dichtst bij de zon komt en in het noorden waar volgens A.von Humboldt de aarde net zo is als het op de midden- en hooggebergten is. Wanneer hij zijn nest verlaat, stijgt hij tot grotere hoogten dan de buizerd en trekt daarboven, bijna aan de menselijke blik onttrokken in het stromende licht van de zon zijn cirkels. De overgave aan de atmosfeer overtreft met een spanwijdte van de vleugels van 2.30 m die van de buizerd (1.20-1.40 m). de scherpte en het ver reiken van zijn bewustzijn drukt zich in zijn fysiognomie uit, zijn kracht in zijn klauwen. Wanneer hij prooi zoekend op geringe afstand over het land zweeft, grijpt hij plotseling een marmot, maar ook jonge steenbokken, jonge gemzen en reekalfjes. Zijn prooi die in de greep van de klauwen sterft, draagt hij naar zijn nest dat hij op een uitstekend stuk van een rots heeft gebouwd. Daar legt het vrouwtje per jaar 2 eieren en broedt deze uit. De jongen komen na 43 tot 45 dagen uit het ei gekropen, d.w.z. na anderhalve synodische maan. Het duurt 11 weken tot hun vleugels zo ver ontwikkeld zijn dat ze zich in de vrije ruimte kunnen begeven. In de eerste winter zijn ze nog bij de ouders die hun hele leven bij elkaar blijven.

E.M.Kranich, Erziehungskunst, 58e jrg. nr.5, 1994)

Over de arend

dierkunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: over dierkunde

.

288-272

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Dierkunde – 4e klas (4-1)

.

HET RUND 

Wie een kudde koeien die op een weide graast, langzaam vooruitloopt en dan liggend in zichzelf verzonken herkauwt, op zich laat inwerken, krijgt een indruk van grote rust.

De dieren vertonen weinig activiteit naar buiten toe. De wezenlijke processen schijnen zich meer ìn hun organisme te voltrekken.

Er zijn dieren die je slechts begrijpt wanneer je volgt wat zij in hun omgeving doen. Zou je de runderen vanuit dit gezichtspunt bekijken, dan zou je iets over de rangorde in de kudde, over sociale contacten en schermutselingen ervaren. Dit echter is in vergelijking met wolf, bever of steenbok niet erg indrukwekkend.
Je moet voor elk dier het standpunt vinden van waaruit je zijn eigenheid kan ontdekken.

De vorm
Wanneer je naast de koe een paard ziet, bemerk je hoe haar vorm zich concentreert in de massieve romp. De kop staat veel minder los van de romp dan bij het paard. Wanneer de koe de kop optilt, loopt de zo opvallende horizontale ruglijn door in de hals. Van een zich richten op de wijdheid van de ruimte is niets te merken. De poten zijn kort. Ze maken een stevig gebouwde indruk en dragen het massieve lijf. Snelle en elegante bewegingen zijn niet mogelijk, wanneer de massa van de romp zo zwaar op de ledematen drukt. Dit drukken komt in heel de bouw van de botten tot uitdrukking, in de sterk hoekige gewrichten van de poten, in de zware borstkas en zelfs in de hals.

dierkunde koe 1

dierkunde koe kranich 5

Omtrek van het rund met skelet en pens. Aan het skelet wordt de zwaar drukkende lichaamsbouw indrukwekkend zichtbaar. de pens vult de linker helft van de buikholte vanaf het middenrif tot het einde. Bij de 8 ste rib zie je eronder een deel van de lebmaag. [1]

Wat de romp zo omvangrijk maakt, zijn de stofwisselingsorganen. Ieder kind leert op school dat de runderen niet één, maar vier magen hebben. De grootste daarvan, de pens, vult volledig de linkerkant van de buikholte. Die strekt zich uit vanaf het middenrif tot helemaal naar achteren; en is goed voor een ruimte van pakweg 150 liter. De andere magen, netmaag, boekmaag en lebmaag zijn kleiner. Met de pens samen, een volume van ongeveer 200 liter. Bij geen ander dier treedt de maag zo sterk op de voorgrond als bij het rund.

dierkunde koe kranich 2

links: maag van de mens                    koeienmaag van de rechter kant
1: pars oesophaga                                 1.slokdarm
(overgang slokdarm/                               a. pens
maag)                                                         b. netmaag
c. boekmaag
a t/m c vormen de voormaag
d. lebmaag                       [2]

Hoe wordt deze zo groot? Van de vier magen komt eigenlijk alleen de lebmaag overeen met die van de meeste zoogdieren en de mens. Dat zie je aan de vorm. Een klein gedeelte van de zoogdiermaag die direct aansluit op de slokdarm, de zgn. pars oesophaga, wordt bij de herkauwers enorm groot. Zo ontstaan de drie zgn. voormagen. Deze intensivering van de maagvorming bereikt bij het rund een hoogtepunt.

De dominantie van de vertering
Van dit gezichtspunt kun je naar de koe kijken. Hoe komen deze zo groot geworden stofwisselingsorganen in het organisme en in het gedrag tot uitdrukking? Iedereen weet dat uit een lege maag het hongergevoel opstijgt en hoe er een gevoel van bevrediging volgt wanneer genoeg voedsel in de maag is opgenomen. Zulke gewaarwordingen spelen in het leven van de koe een overheersende rol. Ze uiten zich in de sterke drang gras en kruiden of hooi op te eten en in de overgave waarmee de koe zich bij het grazen met haar voedsel verbindt. Vooraan de kop bij de bek is de huid zacht en vochtig. De klierrijke slijmhuid die anders de mondholte bekleedt, gaat nog verder in de neusspiegel naar buiten toe. Hier is eigenlijk geen begrenzing t.o.v. de omgeving. Zo trekt de koe het gras niet met haar lippen af, maar bijt het met de tanden af. Ze legt de vochtige tong eromheen en ervaart daarbij door haar buitengewoon fijne smaakzintuig de kwaliteit. Met een gebaar van sympathie trekt ze gras en kruiden in haar bek naar binnen en slikt dan meer porties samen door naar de pensmaag.

’s Morgens vroeg eet de koe op deze manier zo’n 2 ½  à 3 uur lang gras en kruiden van het weiland op. In de machtige holte van de pens begint dan onder langzame samentrekkingen het verteringsproces. Een grote hoeveelheid kleinste eencellige organismen neemt aan dit proces deel. Wanneer je je voedt met stengels en bladeren, moeten sterke stofwisselingsprocessen deze zware substantie verteren. Wanneer de pens tot ongeveer de helft gevuld is, begint na een pauze van een half uur tot een uur, de tweede fase van het verteringsproces, het herkauwen. De meeste runderen gaan dan liggen, de zware stieren nog vaker dan de koeien. Ze trekken zich nog sterker in de kern van hun organisme terug. Nu komen uit de pens, en de netmaag kleine porties van de planten die het eerst verteerd zijn, door de slokdarm in de brede ruimte van de mondholte terug. Hier worden ze door het ritmische proces van het vermalen door het werk van de kiezen verder opgelost. Dat gebeurt met een grote regelmaat. Zo herkauwt de koe langer dan een uur de ene portie na de andere, bv. met 49, 50 of 51 kauwbewegingen van de kaken. Daarbij vloeit uit de grote speekselklieren rijkelijk vocht voor de vertering. Zo wordt de mondholte min of meer tot een vijfde maag.
Hoe intensief het verteringsproces  in de kop verdergaat, kun je aan een paar nuchtere getallen aflezen. De koeien grazen op de wei acht tot tien uur per dag; bijna net zo lang duurt het doezelige herkauwen. Gedurende deze tijd gaan de verteringsprocessen in de maag en in de darmen vanzelfsprekend verder. De koe wijdt zich nu van voor tot achter aan de omwerking van de opgenomen substantie. Wanneer ze vers groenvoer neemt, scheiden de speekselklieren op een dag ongeveer 110 liter speeksel af, bij droog hooi 180 liter. De speekselklieren zijn een veelvoud groter dan de hersenen. En  de doorbloeding van de kop dient veel meer de speekselvorming dan de levensprocessen in de hersenen. Zeker krijgt de koe ook indrukken binnen door ogen en oren. De belangrijkste zintuigprocessen zijn echter de smaak en de reuk. Zo is de koe in de kop minstens even sterk naar binnen als naar buiten gericht. Want de instinctieve gewaarwording voor de planten waar ze van houdt en van welke niet, en lust en onlust bij het proeven en het ruiken spelen in het leven van de koe een grote rol.

dierkunde koe kranich 3

De speekselklieren in de kop van het rund:
1.bovenste wangspeekselklier
2.middelste wangspeekselklier
3.onderste wangspeekselklier
4.onderkaakspeekselklier
5.oorspeekselklier                                [3]

Deze eenzijdigheden vinden hun uiting tot in de bouw van de schedel. Het verteren als oplossingsproces is het tegenovergestelde van vormgeven. Het is dus niet verwonderlijk dat de tandvorming afgezwakt is. Er komen geen hoektanden, maar bovendien in de bovenkaak geen snijtanden. Zo mist de koe, evenals de andere herkauwers een begrenzing tegenover de omgeving, die in andere gevallen door de onder- en bovensnijtanden gevormd wordt. Het voorhoofdsbeen is aan de schedel helemaal naar achteren gericht. Het schedelbeen en het achterhoofdsbeen die anders het hoofddeel van de schedelholte vormen, worden naar buiten toe helemaal niet zichtbaar. Ongeveer daar, waar anders dit deel van de schedel zou beginnen, vormen zich de hoorns, wanneer de huid afsterft en aldus een dood omhulsel uit hoorn om de beenpit van het voorhoofdsbeen ontstaat en een rijk doorbloed weefsel.
Hier vindt de binnenwereld zo’n sterke afsluiting tegenover de omgeving, dat iedere betrekking tot de buitenwereld onderdrukt wordt. Dat de hoorns voor een koe van betekenis zijn, toont o.a het feit, dat koeien zonder hoorns zich niet in de gebruikelijke orde van een kudde inpassen.

De kop bestaat dus bijna alleen uit de krachtige kaken met de grote mondholte en de neus. Eigenlijk zou je daar niet van een kop moeten spreken. Het is te begrijpen dat deze in zijn geheel nauw verbonden is met de romp en zich niet losmaakt daarvan door een langere hals.
Lange halzen zijn voor dieren karakteristiek die zich met hun zintuigen wakker op de omgeving richten.

De koe slikt het herkauwde voedsel door naar de boekmaag. Hier komt het tussen een aantal lamellen die van bovenaf in de holte hangen. Deze zuigen een groot deel van het vloeibare en de spijsverteringssappen op en be-eindigen daarmee de eerste grote fase van de vertering van het plantenvoedsel. In de lebmaag wordt deze oplossing dan verder gevoerd met nieuwe sappen; op één dag wordt wel 100 liter aangemaakt.

dierkunde koe kranich 4

Dwarsdoorsnede door de boekmaag [2]

Nu kun je merken hoe de overmatig sterke vorming van de maag niet alleen de vorm van het organisme in de richting naar voren naar de kop bepaalt, maar ook naar achteren. Want na de lebmaag volgt een darm die meestal meer dan 50 m lang is. Hier vindt de laatste fase van het verteren plaats en de opname van de opgeloste substantie in het bloed en de lymfe. De rest wordt uitgescheiden. De dikke darm heeft net zoals bij de andere herkauwers de vorm van een vlakke spiraal. Bij het rund is deze met 1½ tot 2 naar binnen gewikkelde windingen tegenover de 3 tot 4 bij bv. het schaap en de geit maar relatief zwak gevormd. Op deze manier wordt het water ook matig opgenomen, de oplossingsprocessen van de vertering worden niet sterk ingeperkt. De ontlasting vloeit a.h.w. het dier uit – ook vanachter is bij het dier geen duidelijke begrenzing. Het is simpeler aan zijn omgeving, aan het groeiende leven van de natuur  gebonden dan andere dieren. Het leeft als verteringswezen midden in zijn voedsel. Het vreet en bemest tegelijkertijd.

Het bloed in dienst van de vertering en de vorming van melk
Overzie je wat tot nog toe genoemd is, dan kan duidelijk worden, dat de maag het hele organisme van de koe bepaalt. Dat komt ook in veel andere feiten tot uitdrukking waarvan we er maar een paar noemen.
Het bloed staat in hoge mate de vertering ten dienste. Wanneer een liter verteringssap gevormd moet worden, moet er ongeveer 300 liter bloed door de klieren stromen. Ook wordt een groot deel van de afgescheiden vloeistof opnieuw in het bloed opgenomen. Ten slotte neemt het bloed in de pens en in de dunne darm de verteerde, opgeloste substanties op. Die dienen voor de voeding van het lichaam. Is samen met de vertering ook het voedingsproces verhoogd, dan wordt het lichaam groot en zwaar. Bij de zwartbonte runderen, het meest verbreide ras, zijn de koeien 600 tot 700 kg zwaar, de stieren 1000 tot 1200 kg; bij het sterk gebouwde gevlekte vee (bruin-wit) bedraagt het gewicht 750, resp. 1200 kg. En bij het bruine vee van de Alpen en de Voor-Alpengebieden bereiken de koeien een gewicht van 650 tot 750 kg, de stieren 1000 tot 1200 kg.

Een groot deel van de door het bloed opgenomen substantie maakt nog eens een belangrijk veranderingsproces door. Dat komt in de uier terecht Wanneer hier een liter melk gevormd wordt, moet 300 tot 500 liter bloed door de uier stromen.

Een koe die melk moet geven, moet ieder jaar een kalf krijgen. Een paar uur voor de geboorte zondert zij zich af van de kudde en zoekt een beschutte plaats. Daar wordt dan, meestal ’s nachts, na een draagtijd van 9 maanden het kalf geboren. Het wordt meerdere maanden door zijn moeder gezoogd. Eerst zijn de voormagen nog tamelijk klein; bij het pas geboren kalf is de pens minder dan half zo groot als de lebmaag. Tijdens de zoogperiode neemt het kalf al ruw voer. Daardoor wordt de pens reeds dubbel zo groot als de lebmaag.

Door de kunst van het fokken door de mens ging de melkproductie ver boven de oorspronkelijke hoeveelheid uit. Een koe kan tegenwoordig meer dan 20* liter melk per dag geven. Zeker is het dat de grens van wat de dieren kunnen verdragen bij de zgn. hoge melkproductiekoeien is overschreden. Een koe zou niet tot een fysiologisch apparaat van melkvorming gereduceerd moeten worden.

Melkvorming en voeding zijn nauw met elkaar verweven. Door het melken ontstaat in de koe een behoefte om te drinken en te vreten. Voor de koe is de dag door de afwisseling tussen vreten en herkauwen ingedeeld. Normaal volgen vier van deze perioden van ’s ochtends vroeg tot in de late avond en ’s nachts elkaar op. Op de ene dag nemen de runderen grote hoeveelheden vers voer, kleinere rassen zo’n 50 kg, grotere 80. Dan drinkt een rund, wanneer het melk geeft, per dag tot zo’n 100 liter water. Deze getallen wijzen op de belangrijke processen van het omwerken van substantie, die aan de uiterlijke blik van de mens onttrokken zijn en die voor de mens van zo’n grote betekenis zijn – door de vorming van melk, maar ook door het vlees.

Over het gedrag
Bij alles wat we geschreven hebben, moet je bedenken dat het rund geen solitair wezen is als de beer of de lynx. Het leeft als lid van zijn kudde. Wat één koe doet, vreten, rusten of herkauwen, doet ze meestal samen met de andere dieren van de kudde. Het zijn groepsprocessen. En alleen wanneer een koe binnen de hele kudde leeft, bereiken haar levensprocessen de grootste sterkte. Een koe apart vreet minder, drinkt minder en geeft minder melk.
Veel van het wezen rund kun je vinden in hoe het zich uit. Het doffe ‘boehhhhh’  ontstaat  in het strottenhoofd, de keel- en de mondholte. Wat je hoort, schijnt echter uit de diepte van het lijf omhoog te komen. Je ervaart in het donkere, volle en warme geluid iets van het zielenwezen van het rund. Men weet uit de vele waarnemingen, dat er  nauwelijks een orgaan is dat zo gevoelig op gemoedstoestanden en emoties met klierprocessen en bewegingen als de maag en de darmen reageert. Ziel is hier diep verweven met de levensprocessen. En zoals deze zeer onbewust verlopen, worden deze zielenuitingen door de bewusteloosheid van de stofwisselingsorganen en – processen bepaald.
Zo wordt veel begrijpelijk van wat ons tegemoet komt in het gedrag van het rund – in het bijzonder de met kracht gevulde dofheid. Wanneer op een weiland een schot klinkt, vliegen de vogels op hetzelfde ogenblik uiteen, het paard reageert onmiddellijk en bij het rund merk je pas na een korte tijd een dromerig doffe reactie.

Bijna geen dier verbindt zich zo intens met de stoffen en krachten van de aarde. Dat geeft het hele wezen zijn uitdrukking – in zijn gestalte, in de vorm van de organen en hun levensprocessen en in het gedrag.
In een pregnante  formulering heeft R.Steiner op de reden gewezen van dit samenhangende karakter.

In de koe is datgene wat in de mens stofwisselingsorganen zijn, eenzijdig gevormd. [4]. Van het rund kan men zeggen: het is een en al maag. [5]

Zoals de ziel in de levensprocessen onderduikt, zo voegt het dier met heel zijn lichaam zich diep naar de krachten van de zwaarte. In het bijzonder bij de stieren krijg je de indruk dat zij met hun doffe wilskrachten er helemaal van doortrokken zijn en bijna als geen ander wezen zo aan de aarde gebonden.
.

(Ernst-Michael Kranich, Erziehungskunst, jrg. 58 nr.3, 1994)

*sinds het verschijnen van dit artikel is die productie al weer hoger geworden.

[1] Tank, Dierenanatomie voor kunstenaars, Ravensburg 1984 (Duits)
Berg, Toegepaste en topografische anatomie van huisdieren, Stuttgart 1974 (Duits)
[2] Loeffler, Anatomie en fysiologie van huisdieren, Stuttgart 1974 (Duits)
[3] Krahmer, Schröder, Atlas van de anatomie van huisdieren, Leipzig 1986, (Duits)
[4] Steiner, GA 305: Nederlands: (keuze) Opvoeding en onderwijs
[5] Steiner, GA 301: Duits

 

dierkunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld4e klaskoe

.

230-216

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Dierkunde – alle artikelen

.

Rudolf Steiner over dierkunde

Vrijeschool in beeld: dierkunde: afbeeldingen van schilderingen en bordtekeningen

4e klas: het tekenen van dieren

Grohmann: Over de eerste dier- en plantkunde in de pedagogie van Rudolf Steiner: inhoudsopgave

Grohmann: ‘Leesboek voor de dierkunde’-inhoudsopgave

LEEUW

[1-1De leeuw
E.M.Kranich over: de samenhang tussen menselijke romp en de roofdieren. Met tekeningen.

[1-2De leeuw
Rensenbrink/Poortvliet over: wat feitelijkheden, maar een paar mooie illustraties (bordtekening?)
Uit ‘Op verkenning bij de dieren’.

[1-3De leeuw
Uit ‘Spectrum Encyclopedie’. Interessante feiten; schema van een jachtstrategie (periodenschrift?)

[1-4De leeuw
Pieter HA Witvliet over: methode ‘Zeichnen=Sehen lernen. Aanwijzingen om de leeuw en andere katachtigen levendig te leren tekenen.

DIERKUNDE IN DE KLAS

[2-1/1Dierkunde in de 4e klas
H.M over: hoe het toe kan gaan in een klas.

[2-1/2]  Dierkunde in de 4e klas
Geert Grooteschool over: hoe het toe kan gaan in een klas.

[2-1/3]  Kinderen en dierkunde
P.C.Veltman over: waarom dierkunde in klas 4, op de leeftijd 9 – 10. Ontwikkeling Ik

[2-1/4]  Mens- en dierkunde in klas 4
M.v.d.Made over: hoe het toe kan gaan in een klas.

[2-1/5] Dierkunde in de 4e en 5e klas
T.Gischler over: waarom op deze manier; hoofd, romp en ledematen; adelaar, kopdieren, leeuw, koe.

[2-1/6] Dierkunde voor negen- tot elfjarigen
Elisabeth Klein
over: waarom dierkunde in de 4e klas; gezichtspunten bij verschillende dieren; verschil mens-dier; met in het Duits: gedichten over dieren – die zouden goed in de Duitse les kunnen.

[2-1-7/1] Uit de dierkunde in klas 4
Hans Rutz over: het 9-jarige kind; waarom dan dierkunde; hoe ingeleid; samenhang mens en dier; hoofd, romp en ledematen; octopus, muis en ree als voorbeeld hiervan.

[2-1-8] Over de dierkunde in klas 4
Elisabeth Klein
over: de dierkunde voor klas 4 in een notendop; aansluitend een lesvoorbereiding.

INKTVIS

[3-1/1] De octopus
[3-1/2] De sepia
Uit ‘Spectrum Encyclopedie’. Interessante feiten.

KOE

[4-1] Het rund
E.M.Kranich over: de samenhang tussen menselijke stofwisseling en de herkauwers. Met tekeningen.

Koeien op Pinterest

[12] .Buizerd en adelaar
E.M.Kranich
over; lucht als leefruimte; de samenhang tussen menselijke hoofd en de vogels. buizerd; steenarend; met tekeningen.

[13] De mens als ‘openbaar geheim
M.Mathijssen over de drieledige mens.

14.Dieren en hun snelheid

15.Over de arend

16.Een kameel van vijfennegentig vierkante kilometer
Gesprek met Leen Mees: het dier als belichaamde begeerte

17.Om te reciteren (inktvis;  koe;  mens;  muis; vogelvlucht; wolf;  zwijn

18, Vlinders in de klas
Simona Grünhage
over: het belang van vlinders; hoe kun je ze in en met een klas verzorgen

.

229-215

.

VRIJESCHOOL – Dierkunde – 4e klas (2-1/5)

.

DIERKUNDE IN DE IVe EN Ve KLASSE

Een artikel uit 1927.

Geen onderwijs, dat zóó vanzelfsprekend de warme belangstel­ling en liefde van het kind heeft, als het dierkunde-onderwijs; waar­mee op de Vrije School in de 4e klasse begonnen wordt, om in de 5e over te gaan tot plantkunde en in de 6e tot de mineralogie.

Van klein kind af heeft het dier hem geboeid, eerst als een wezen, dat hem zóó na staat, dat hij het eigen gedachten en gevoelens toe­schrijft, met wien hij babbelt en speelt als met een kameraadje. De diersprookjes zijn werkelijkheid voor hem, met gretige aandacht volgt hij deze vertelsels, wier oorsprong teruggaat tot in het ver­leden, toen de menschheid kinderlijk en naïef, als onze kleuters, in een totaal andere verhouding stond tot de natuurrijken en bovenal tot de dieren.

Evenals de menschheid de evolutie van sprookje tot fabel door­maakte gaat het de kinderen. Naarmate zij zich ontwikkelen, begin­nen ze oog te krijgen voor het karakteristieke van de verschillende dieren, bewuster en duidelijker gaat hij het dier als deels anders geaard, deels overeenkomstig wezen voelen; zoo naderen zij den tijd, dat ze het dierkunde onderwijs kunnen ontvangen.

Geen systematische indeeling van het dierenrijk in hoofdafdeelingen, klassen, orden en families geven wij het lagere schoolkind. Dat komt pas veel later, tijdens den middelbaren schoolleeftijd, als zijn ontwikkeling zoover gevorderd is, dat hoofdzakelijk aan het verstand geappelleerd moet worden. Hier echter is het 9-jarige kind nog lang niet aan toe, het leeft nog geheel in zijn gevoelsleven, in den stroom van sympathieën en antipathieën.

Als superieur aan het dier is hij zich gaan voelen, en ’t behoort niet tot de uitzonderingen, dat hij hiervan gebruik en misbruik ma­kend, zich in zijn meerdere macht doet gelden.

Wat dus ons uitgangspunt moet zijn: is hem tegenover de ver­schillende natuurrijken te wijzen op zijn plaats als mensch, hem zich-zelven te doen voelen als geestelijk en lichamelijk wezen tegenover en te midden van dier, plant en mineraal.

Wij gaan niet uit van het dierenrijk om op te klimmen tot den mensch en hem deze, als hoogste vertegenwoordiger der dieren te beschrijven, zoodat hij zichzelven als een hooge diersoort leert be­schouwen — neen — we gaan uit van den mensch als hoogste der aardeschepselen, als geestelijk wezen verhevener dan het dier, vrijer dan het dier en ook anders dan het dier. Komend uit geestelijke werel­den, terugkeerend tot geestelijke werelden, zijn oorsprong vindend in tijdperken, die nog veel verder terugreiken, dan die waarin het dier ontstond, is niet de mensch laatste van de dierenrijk, maar eerste der aardeschepselen, tegenover de in ontwikkeling teruggebleven dieren. Heilig is zijn plaats, maar groot aan verplichtingen tevens.

Fier is ’s menschen gestalte. Verticaal de stand van het ranke lijf, dragend het fijne, ronde hoofd, in tegenstelling tot de horizontale romplijn van het dier en den kop, die hangt aan den hals.

Hoog welft de menschelijke schedel in stevige omsluiting de teere hersenen en zintuigen voor letsel behoedend. Edel is de vorm van het menschelijk hoofd, als een weerspiegeling van den hoogen hemel­koepel. Dan volgt het langer gerekte lijf, de zetel van hart en lon­gen, van spijsverteringsorganen. En eindelijk de slanke ledematen, die hooger doel kunnen dienen, dan die van het dier. Want het meest specifiek menschelijke zijn onze handen, die geen wezen heeft als wij, ook een aap niet, bij wien ze meer als een tweede paar voeten, dan als eigenlijke handen dienst doen.

Menschelijke handen kunnen een sociaal doel dienen, dierlijke handen, juister pooten, slechts een egoïst doel.

In het hoofd kunnen nobele gedachten gewekt worden, maar zoolang ze in het hoofd besloten blijven, hebben ze slechts in de ideeënwereld waarde, sociale waarde krijgen ze pas, als de lede­maten gehoor geven aan den wil tot de daad en hunne medewer­king verleenen.

Met het werk zijner handen en het gesproken woord stelt de mensch zich sociaal te midden van zijne medemenschen.

Zoo moet het kind het waarachtig menschelijke leeren onderschei­den, om met dieper eerbied, dan een materialistisch-natuurwetenschappelijke zienswijze mogelijk maakt, zichzelven te midden van het dierenrijk te leeren zien.

En nu het dier!

Doffer in zijn bewustzijnsvormen, sterk gebonden aan eigen
licha­melijkheid, aan oer-instincten, aan lust en onlustgevoelens, vertoont zich het dier.

De primitiefste dieren, nauwelijks van een plant in leefwijze
on­derscheiden, zijn het meest aard-gebonden en vertoonen een zekere overeenkomst met het oudste deel van den mensch n.l. met het hoofd, dat vegeteert op de rest van het lichaam. De eenvoudige ronde vorm, de beperkte bewegingsmogelijkheid, het vegetatieve bestaan, men vindt het alles bij de laagste diersoorten, protozoën, holtedieren en stekelhuidigen terug, zelfs de merkwaardige inktvisch, die al tot de hoofdafdeeling der weekdieren behoort is eigenlijk niet anders dan een groote levende rompachtige kop met 8 of 10 lange pootachtige uitstekende lippen.

Komen wij tot de beschrijving van de overige weekdieren bijv. de slakken, dan vinden we daar een sterk uitgesproken rompvorm. Kop en pooten zijn bitter klein, maar ’t dier is eigenlijk een langgerekt lichaam. Evenzoo de wormen tot zelfs de vischsoorten toe.

Pas bij de hooger gewervelde dieren vindt men krachtig ontwik­kelde ledematen, om bij den mensch daarvan de hoogste volmaking aan te treffen.

Komen wij nu, na deze zeer globale beschouwing tot de bespre­king van de verschillende meer bekende diersoorten, dan is het goed met het negenjarige kind eenige typische vormen meer uitvoerig te bespreken, en van deze bijzondere representanten uitgaande een groote groep van dieren daaromheen te rangschikken.

Gaan wij bijv. uit van de drieheid leeuw, koe(stier), adelaar, reeds eeuwen geleden als symbolen der evangelisten gekozen.

De koninklijke leeuw, het zonnedier bij uitnemendheid. Zijn krachtige ademhaling en bloedsomloop zijn onderling in hooge mate evenwichtig.
Geweldig zijn de weelderige manen,, die als zonnestralen rond den indrukwekkenden kop staan. Zonnekleurig is zijn huid, in de heete zonverzengde streken zijn woonplaats.

Geheel anders de koe, het spijsverteringsdier bij uitnemendheid. Reeds bij de Oud-Indiërs als heilig dier aanbeden, zet de koe het gras in zijn lichaam om tot kostelijk voedzame melk. Niet voor niets is de romp zoo groot en plomp, niet voor niets heeft het dier vier magen en een darmkanaal, dat 22 maal zoo lang is als zijn lichaam. Ongeveer 1/8  van eigen lichaamsgewicht wordt dagelijks door de koe als voedsel verteerd. Dit goedige, phlegmatische dier.

Weer geheel anders is de adelaar. — Een vliegend hoofd zou men hem kunnen noemen. Evenals de mensch met zijn gedachtenleven ’t oneindige wil doorgronden, steeds hooger en hooger vlucht wil nemen zoo verheft de adelaar zich hooger en hooger in de ijle luch­ten. Ver boven ’t bereik van andere dieren op ongenaakbare berg­kammen bouwt hij zijn nest. Eenzaam, fier en zelfbewust is het be­staan van dezen vogel als van den denker.

Geheel overeenkomstig aan zijn groot vliegvermogen is zijn lichaamsbouw. De pooten, schraal, dun en licht van bouw zijn de minder belangrijke ledematen. Op de vleugels komt het bij de vogels aan. Hoe mooi en doelmatig is hun bouw! Hoe stevig de
schouder­gordel met 2 paar sleutelbeenderen. Op den hoogen kam van het borstbeen kunnen sterke vleugelspieren zich vasthechten. De rugge-, lenden- en heiligbeenwervels zijn vergroeid, om het lichaam meer stevigheid te geven. De staart dient als roer. De groote beenderen zijn hol en met lucht gevuld; bovendien heeft de vogel luchtzakken, die met de longen in verbinding staan. De lucht in deze luchtzakken wordt door de lichaamstemperatuur, welke bij een vogel ± 42° C. bedraagt, verwarmd. Omdat warme lucht lichter is dan koude, komt dit het vliegvermogen ten goede.
Iedere vogel draagt dus eigenlijk een warme-lucht-vogel in zich.
Van warme lucht doordrongen, daarin specifiek in zijn element, leeft de vogel zijn luchten-bestaan, vliegend alle aardezwaarte over­winnend.

(T. Gischler  in ‘Ostara”  1e jrg. nr.2, blad van de Haagse vrijeschool, dec. 1927.)

.

dierkunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld 4e klas: dierkunde

 

227-214

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Dierkunde 4e klas (3-1/1)

.

DE OCTOPUS

De naam ‘octopus’ betekent ‘acht voeten’ en het dier heeft inderdaad acht armen die aan hun basis een soort valscherm vormen en die samen een gesnavelde bek omgeven.

Octopussen verschillen duidelijk van de pijlinktvissen en de sepia’s, de andere bekende vertegenwoordigers van de koppotigen, doordat bij hen het extra paar lange armen ontbreekt.
Bovendien zijn hun zuignappen, waarmee de armen bezet zijn, niet verstevigd door hoornringen, zoals de zuignappen van de pijlinktvissen.

Andere verschilpunten zijn, dat octopussen geen inwendige schelp hebben en dat hun lichaam kort en rond is in plaats van gestroomlijnd. De 150 soorten octopussen zijn verspreid over alle wereldzeeën, maar ze zijn vooral talrijk in warme wateren. De kleinste, minder dan 5 cm lang, is de octopus arborescens. De grootste is de Pacifische octopus, o. hongkongensis, die in totaal bijna 10 m is, ofschoon zijn bekervormig lichaam slechts 0,5 m groot is. De blinde diepzeesoort cirrothauma uit de noordelijke Atlantische Oceaan heeft twee grote vinnen aan zijn lichaam. De vliezen tussen zijn armen reiken bijna tot aan de uiteinden en hij zwemt door deze ‘paraplu’ open en dicht te doen. behalve de zuignappen aan de onderzijde van zijn armen heeft hij nog rijen uitsteeksels die waarschijnlijk dienen om voedsel te vangen.

De gewone octopus, de soort waar het hier in hoofdzaak om gaat, leeft aan de kusten van tropisch en subtropisch Afrika en de Atlantische kusten van Amerika en is vooral talrijk in de Middellandse Zee. Hij kan bij wijze van uitzondering een grootte bereiken van 3 m, maar is gewoonlijk veel kleiner. De kleine o. komt voor van Noorwegen tot de Middellandse Zee. Hij is zelden groter dan 75 cm en heeft een enkele rij zuignappen op zijn armen, i.p.v de dubbele rij van de gewone octopus.

Een meester in het vermommen
De gewone o. leeft tussen rotsen in ondiep water, terwijl hij de meeste tijd doorbrengt in een hol in de rotsen of in een ‘villa’ opgebouwd uit stenen. Wanneer hij buiten zijn woning is, kruipt hij de meeste tijd rond op zijn armen, waarbij hij de zuignappen gebruikt om zich vast te grijpen, ofschoon hij ook kan zwemmen. Gewoonlijk zwemt hij achteruit, zijn armen achter zich aanslepend, doordat hij water door de trechter naar buiten spuit. Evenals bij de sepia en de pijlinktvis wordt dit water uitgestoten uit de mantelholte, waarin de kieuwen liggen en waarin de nieren, de einddarm, de voortplantingsorganen en de inktzak uitmonden. Ook kan hij een inktwolk uitstoten om achtervolgers op een dwaalspoor te brengen. Er is geen bewijs dat octopussen reageren op geluid. De armen reageren op aanraking en smaakstoffen en de ogen zijn goed ontwikkeld. Dat het zien belangrijk is, blijkt ook uit het feit dat ze uitstekend in staat zijn van kleur te veranderen. Dat wordt gedaan met 2 soorten chromatoforen of pigmentcellen in de huid, die van kleur verschillen al naar gelang ze zijn uitgespreid of samengebald. Een soort varieert van zwart tot roodbruin en een andere van rood tot bleek oranjegeel. Onder deze chromatoforen ligt een laag kleine deeltjes, zgn. iridocyten die wit licht weerkaatsen of een blauwe of groene structuurkleur veroorzaken. Het verschil in verschijningsvorm is echter niet alleen een kwestie van kleur, maar ook van houding en bouw. De armen kunnen uitgestrekt zijn, ingetrokken of stijf opgerold over het lichaam ter verdediging. De zuignappen kunnen onzichtbaar zijn of vooruitgestoken om de armen een golvend aanzien te geven. Wanneer kleur, houding en bouw nauwkeurig op elkaar zijn afgestemd, kan een octopus volledig samensmelten met zijn omgeving, zodat het buitengewoon moeilijk is om hem te ontdekken. O. verraden zich soms aan vissers die naar hen zoeken door het zgn. dymantisch gedrag, dat optreedt wanneer o. schrikken van grote objecten. Het dier wordt platter, rolt zijn armen op naast zijn lichaam en spreidt het vlees dat de armen verbindt er overheen. Het lichaam wordt lichter van kleur, maar rond de ogen staan donkere kringen en de rand van het valscherm wordt ook donker. Het doel van dit gedrag is waarschijnlijk om roofvijanden zolang af te schrikken dat de o. de tijd heeft om van kleur te veranderen, inkt uit te stoten en weg te schieten. Met hun grote hersenen en hun aanpassingsvermogen zijn o. het onderwerp geweest van een aantal interessante onderzoekingen omtrent leervermogen en hersenfunctie bij lagere dieren. In gevangenschap raken ze spoedig op hun gemak en wennen aan hun oppassers.

Aanval van een octopus
Een o. valt meestal alleen bewegende voorwerpen aan. Hij glijdt geruisloos naar zijn prooi toe, staat even stil en springt dan naar voren door plotseling een krachtige straal water naar achteren uit te stoten. Kleine prooien, hoofdzakelijk vis en schaaldieren worden gevangen onder het uitgespannen net tussen de armen en dan gegrepen met de papegaaiensnavelachtige hoornige kaken rond de mondopening. Tegelijkertijd scheidt hij een gif af, dat de prooi verlamt. Een gemiddelde o. eet ongeveer 25 kleine krabben per dag. Men leest vaak dat mensen door o. gegrepen worden en vastgehouden. Waarschijnlijk gebeurt dit ook wel eens en vooral in warme zeeën; het schijnt echter dat dit geen opzettelijke aanvallen zijn, maar meer het onderzoeken van een bewegend voorwerp en men heeft ondervonden dat, wanneer men zich rustig houdt, de o. het slachtoffer korte tijd aftast en dan laat gaan.

Koele hofmakerij
Bij de paring, welke verscheidene uren kan duren, zitten wijfje en mannetje apart. Er is bijna geen paringsspel, ofschoon het mannetje soms enige buitengewoon grote zuignappen aan de basis van het 2e paar armen laat zien, alsof hij avances wil maken bij het wijfje. Het enige contact dat hij met haar heeft, geschiedt door één enkele arm, die hij uitsteekt om haar te liefkozen. Deze arm is altijd de 3e arm aan de achterkant, die speciaal voor dit doel is gevormd  en een lepelvormig uiteinde heeft. Hij wordt de hectocotylusarm genoemd. Het uiteinde wordt in de mantelholte van het wijfje gebracht en de zaadcellen worden bij de opening van haar eileider afgezet in keurige pakketjes, spermatoforen genaamd. Een wijfje legt ca 150.000 eieren in ongeveer een week, ieder in een ovaal kapsel ter grootte van een rijstkorrel. Zij worden met korte stelen samengevoegd tot langere snoeren, die het hol van de moeder versieren. De moeder waakt gedurende een aantal weken over de eieren, maakt ze vaak schoon met haar armen of spuit er water over d.m.v. haar trechter. Gedurende deze tijd eet ze weinig. Ze kan weken vasten, bij één soort zelfs 4 maanden en bij een broedend wijfje in een aquarium zag men dat zij het voedsel dat bij haar gebracht werd, verplaatste en ver wegwierp. De kortarmige jongen zijn ca 3 mm lang wanneer ze uitkomen en zij zweven enige tijd rond voor zij hun eigen leven op de bodem beginnen; dan zijn ze 1,5 cm groot en enige weken oud. De gewone o. broedt zelden aan onze kust, wel worden er ieder jaar larven voor de Belgische kust waargenomen en in ongeveer een week trekken ze van Zeeland naar Den Helder.

Waar of niet waar
Er wordt soms beweerd dat de o. zich voeden met schelpdieren door stenen tussen de kleppen te steken, zodat ze niet meer dicht kunnen. Biologen uit vroeger eeuwen meenden dat een o. die een grote mossel niet open kon krijgen, in zo’n geval van een steen gebruik maakte. Dat is een aardig verhaal en hoeft niet onmiddellijk naar het rijk der fabelen te worden verwezen, maar toch hebben verschillende zoölogen tevergeefs getracht dit gedrag waar te nemen. Sommigen hebben daartoe met o. in aquaria geëxperimenteerd, maar zonder succes. Bovendien is het niet waarschijnlijk dat de o. ooit zulke ingewikkelde bewegingen kan uitvoeren. De moeilijkheid is dat de vorm van het lichaam te veranderlijk is, zodat het zenuwstelsel  zeer complex zou moeten zijn om rekening te houden met alle buigingen en krommingen in de armen en tegelijkertijd zo’n intelligente handeling te controleren en te beheersen.

De goed ontwikkelde ogen van de o. hebben een groot netvlies, waardoor zij een gezichtsveld hebben van 180’.

Bioloog Frans de Waal over de octopus:

‘Dat is een heel vreemd beest. Hij heeft ongewoon grote centrale hersenen, zeker voor een weekdier. Maar hij heeft ook nog eens zenuwknopen in al zijn acht armen en elk van zijn tweeduizend zuignappen. Die zijn allemaal verbonden, als een soort servers, waardoor hij op het internet lijkt. De octopus denkt met zijn hele lichaam, en dan kan hij ook nog licht waarnemen met zijn huid en communiceren door van kleur te veranderen.’

Bron: Trouw, 23-04-2016

Nog een paar gegevens:

Octopus   STAM Weekdieren  KLASSE  Koppotigen GESLACHT & SOORT Octopus vulgaris

De octopus is goed uitgerust voor zijn leven als jager en als prooidier, want hij bezit een geheim wapen. Binnen de plooien van zijn lichaam ligt een inktzak verborgen die hij gebruikt om zijn vijanden in de war te brengen.

Afmetingen

Lengte: tot 3 m, meestal kleiner ; Gewicht: tot 25 kg. Het vrouwtje is bij 1 kg volgroeid, het mannetje al bij 100 g

Voortplanting

Geslachtsrijp: vrouwtje met 18 maanden tot 2 jaar, het mannetje eerder Aantal eieren: tot 150.000 Ontwikkelingsduur: 4-6 weken

Leefwijze

Gedrag: solitair

Voedsel: hoofdzakelijk krabben, kreeften en mosselen Levensverwachting: het vrouwtje sterft meestal na de voortplanting op 2 jarige leeftijd; het mannetje leeft langer

Verwante soorten

Pijlinktvis, Sepia en Nautilus zijn verwante inktvissen. Zij behoren eveneens tot de mollusken (weekdieren).


Verspreidingsgebied van de octopus

Verspreiding

Over de hele wereld, maar bij voorkeur in warmere zeeën. Zodoende is hij vrij zeldzaam in de Noordzee.

Soortbescherming

In sommige gebieden is de octopus zeldzaam geworden door overbevissing. Alleen door zijn leefgebied te ontzien, kan men hun aantal weer doen toenemen.

Kenmerken van de octopus
Huid: lichtgevoelig; de huidskleur kan snel veranderen om zich aan de omgeving aan te passen.

Armen: acht armen. Ze dienen om te zwemmen, te kruipen, te vechten, om het nest te bouwen, de prooi te grijpen en ter verzorging van het broedsel. Zenuwuiteinden aan de zuignappen geven informatie door over de omgeving.

dierkunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld 4e klas: inktvis

.

225-213

.

.

VRIJESCHOOL – Dierkunde 4e klas (2-1/4)

.

MENS- EN DIERKUNDE IN DE 4E KLAS

Fier rechtop, het hoofd omhoog
de rug gestrekt, staat de mens op aard.
Hij kan denken en voelen en handelen
Doordacht, doorvoeld, bedaard.
De dieren zwoegen moeizaam
de koppen naar omlaag
en streven heel hun leven
naar het vullen van hun maag.

Een gedichtje uit de mens- en dierkundeperiode waarmee in een groot gebaar de echte verschillen tussen mens en dier in dich­terlijke vrijheid worden weergegeven.
Er heerst in de klas aan het begin van de periode een zekere opwinding. Vele kinderen hebben al een boek meegenomen, bv. ‘De wereld der zoogdieren’; ‘de diepzee’; ‘Voorwereldlijke dieren’ enz. Er is wat het vak dierkunde betreft werkelijk een ‘mer à boire” om te behandelen.

Maar waar te beginnen? Enige systematiek in de aanpak is toch de ruggengraat voor elk vak.

Rudolf Steiner geeft de aanwijzingen om vanuit de mens te beginnen. Natuurlijk, dat is bekend terrein voor de kinderen. En algauw spreken we over hoofd, romp en ledematen. Hoe ver­schillend die in hun bouw en uiterlijk zijn; hoe verschillend in hun activiteit vooral.
Er worden verrassende ontdekkingen gedaan, bv. dat de mens een “gestrekt” wezen is en daarnaast het enige gestrekte wezen op aarde. De lijn knie-ruggengraat-hoofd is een verticale. De kinderen noemen andere rechtop­lopers; bv. pinguïn, kangoeroe, maar worden er zich op het­zelfde ogenblik van bewust, dat deze dieren op hun hurken zitten.
Het begin van een levensvraag is er even als er een met stelligheid zegt: “We stammen van de apen” en de ander, met enige twijfel in de stem: “Nee, toch meester. God heeft ons toch geschapen?”

Ze worden groot, de 4e-klassers. Niet alleen aan hun verder reikende interesse is dat te merken; de gesprekken over de dieren, de ijver waarmee er in de boeken gezocht en gesnuffeld wordt, de stukjes die erover geschreven worden, al deze dingen geven aan welke groei er in enkele maanden heeft plaatsgevonden.

Het is dan ook mogelijk om de inktvis te behandelen (als dat dier, dat “het hoofd” het meest nabij komt, kop met ingewanden zonder romp of ledematen: z’n tentakels zijn geen armen, maar “lippen”; en tevens zijn omgeving, voedsel, vijanden, voort­planting; terwijl we enkele dagen later het jachtgedrag van de leeuw in de brandende hitte van de Afrikaanse steppe be­schrijven.

Grote sprongen maken we van het ene klimaat naar het andere, van het ene werelddeel naar het andere.

Natuurlijk komen ook de ons meest bekende viervoeters aan de beurt: de hond, in zijn rol als heldhaftig mensenredder en vieze snuffelaar tegelijk, de hand likkend die hem slaat en de kat, die u de eer aandoet om bij u te wonen. In dit stadium komen de verhalen pas goed los: We besluiten de periode met een “verzoekdier”, het werd de pinguïn, wonderlijke vogel in zijn deftig pakje, vliegend door het water.

Er is veel geleerd in die paar weken, veel geschreven, ge­tekend en geschilderd. Ook de beroepskeuze werd bepaald. Veel kinderen worden nu dierenarts of dierenverzorger. (Ouders, hoedt u voor de periode Geld-rekenen! )

(M.v.d.Made, nadere gegevens ontbreken)

dierkunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld4e klas: leeuw 

 

223-211

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Dierkunde – 4e klas (2-1/3)

.

KINDEREN EN DIERKUNDE

In de vierde klasse staat dierkunde vermeld op het leerplan. Een van de duidelijke aanwijzingen van het leerplan: “Behandel dierkunde met vierdeklassers!” Waarom juist in de vierde klas? Even afwachten! De kinderen in kwestie zijn 9 1/2  a 10 jaar oud en reageren zeer enthousiast. Bij de aankondiging “nu gaan we het enkele weken over dierkunde hebben” weerklinkt een woest en luid haaa-geroep! Dat is echt geen bravigheid of zo, geen re­actie van zoete mannekes en lieve meidjes.

Neen, het is een natuurlijke reactie op leerstof (eigenlijk ontwikkelingsstof, zie artikel van E.B. over het schoolwerkplan in deze schoolkrant). En wel leerstof, die te rechter tijd wordt aangeboden. Wat is er met deze, vrij woelige snuiters aan de hand? Als kleintjes hielden zij altijd al van dieren. Zij vertroetel­den konijntjes en poezen, knuffelden ratjes en hamsters, stoei­den met honden, bokjes en geiten, trachtten paarden en veulens, ezels, schapen en varkens te voeren en wat niet al. Maar ineens is er iets veranderd. De verhalen gaan er in als koek, aan de kinderhanden ontworstelen zich vele tekeningen, vele kleibeeldjes van diergestalten. Maar de aandacht, het enthousiasme voor dieren heeft iets objectiefs, bijna zou men zeggen “wetenschappelijks” gekregen. Waardoor komt dit? De kinderen van een vierde klas maken een belangrijk moment in hun ontwikkeling door. Zij zijn klein kind af. Zij staan op de drempel van een persoonlijke zielenontwikkeling. Zij zijn zich bewust geworden van iets: Er is een scheiding ontstaan.
Hun “ik” als persoonlijkheidskern wordt voor het eerst echt beleefd. En dat houdt in, dat al “het andere”, de gehele om­geving, de wereld, met alle mensen en dieren, planten en mineralen niet meer met dat “ik” verbonden wordt gevoeld.
Vóór deze belangrijke – en niet zo prettige – beleving voelde het kind zich met alles verbonden. Nu gaat het kind ont­dekken, dat hij in een merkwaardige wereld staat met op zijn minst vier grote natuurrijken: het mensenrijk, het dierenrijk, het plantenrijk en het minerale rijk. Vierledig is zijn natuurlijke omgeving, waartoe hij een nieuwe verhouding moet krijgen. Het mensenrijk is ons het naast. Mensen verwekten en baarden ons, voedden, wasten, kleedden en knuffelden ons, brachten ons door hun voorbeeld tot lopen, spreken en denken. De taal is een communicatiemiddel dat alleen mensen met elkaar gemeen hebben. Naar het mensenrijk gaat de eerste belangstelling van de eenzame, die zichzelf als “ik” voelt. Maar de mensen zijn ook moeilijk voor de vierdeklasser. Is het te verwonderen, dat de nieuwe stroom van sympathiekrachten zijn uitweg zoekt naar het tweede rijk, dat men als kind van tien jaar buiten zichzelf ziet staan en dat men dus bewust gaat zien? Het dierenrijk in een nieuwe visie. De fabels geven het “dier van binnenuit”: als beeld van gulzigheid of slimheid, hardheid of domheid. Maar voor de dieren van buitenaf was de belangstelling minder.

“Vanaf het tiende jaar maakt juist de verscherping van de
bewustzijnskrachten bij het kind, dat het veel meer kan opmerken: De ogen zijn opengegaan voor uiterlijke details van lichaamsbouw, beweging, gedrag. Het dier is interessant door uiterlijke details. Het dier is ook een hulp om een deel van de wereld op een ander niveau terug te vinden. Want het kind in zijn nieuwe toestand heeft hulp nodig. Onbewust stelt het aan zijn opvoeders de vraag: “Wat moet ik nu? Ik heb mijn plaats in de wereld verloren! Ik maak nergens meer deel van uit! Wat is mijn plaats in de wereld? Hoe vind ik de verbinding met alles terug? Waar is de werkelijkheid?”

De leraar moet dit kunnen aanvoelen en het kind tactvol duidelijk trachten te maken, dat zijn oude toestand nooit meer zal terug keren, en dat ieder menselijk wezen deze vervelende tussentoestand, dit proces, zal doormaken, of al doorgemaakt heeft. Er is iets ver­loren, maar ervoor in de plaats gekomen is: een scherp waarnemings­vermogen en een grote interesse voor de werkelijkheid! Verheug je op de nieuwe mogelijkheden.

Zo kan de sympathiestroom voor het kind gericht worden op de mogelijkheden van de nieuwe werkelijkheid. Die sympathiestroom wordt dan met graagte op het dierenrijk gericht.

Dus. .. dierkunde.

Rudolf Steiner geeft echter een niet te verwaarlozen raad: begin eerst met de mens! Behandel de mens globaal in zijn betrekking tot het dierenrijk.
Er wordt namelijk bij de tienjarige een nieuw wereldbeeld en dus ook een nieuw mensbeeld op touw gezet.
Het zou mogelijk zijn nu al, na honderdvijftig jaar, een studie te schrijven waarin de verkeerde voorstelling van de betrekking tussen mens en dier niet alleen grondig zou worden herzien terwijl tevens de onbeschrijflijk negatieve invloed van een verkeerd begrepen evolutieleer op de menselijke psyche uit de doeken zou worden gedaan.
Op deze plaats is het voldoende aan te duiden, dat er genoeg ge­gevens zijn om dierlijke afstamming van de mens te weerleggen. De mens was nooit een dier, zal het nooit zijn.
Het is een enorme steen des aanstoots, dit geloof in de dierlijke afstamming van de mens, veel meer dan men denken zou.
In de beschouwing van Rudolf Steiner wordt het duidelijk, dat de mens een samenvatting van het dierenrijk is. Vandaar de indeling in kopdieren (inktvissen en schaaldieren), rompdieren (muizen, egels enz.) en ledemaatdieren (paarden, olifanten, hoefdieren, roofdieren), voor de schoolkinderen.
Vandaar de op het eerste gezicht vreemde combinatie van inktvis, muis, paard, walvis, olifant, kat.

Een nieuw mensbeeld mag op de achtergrond staan: De mens als
geestwezen.

P.C.Veltman, vrijeschool Leiden.

Nota bene:  Veltman rekent de roofdieren tot de ledematendieren – zie echter:
Kranich: de leeuw

.

dierkunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld4e klas: leeuw   

.

222-210

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.