VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen -media (19-12/2)

.

In de verschillende pedagogische voordrachten spreekt Steiner vanuit diverse blikrichtingen over de ontwikkeling van het kind.

Een bekende indeling die hij maakt, is de indeling in leeftijdsfasen.
Deze fasen geeft hij soms een bepaald ‘motto’ mee.
Zo overkoepelt hij de fase van 0 – 7 jaar met: de wereld is goed.

Die van 7 – 14 jaar met: de wereld is mooi.

Die van 14 – 21 jaar met: de wereld is waar.

In onderstaand artikel wordt Steiners visie op ‘de wereld is mooi’ niet uitgewerkt.
Bedoelt de schrijfster tussen de regels aan te geven dat de wereld van de media voor de kinderen van deze leeftijdsfase NIET mooi is? 


.
Hester Anschütz, Motief 196 oktober 2015
.

7 – 14 jaar: de wereld is mooi

“Steiner heeft veel geschreven, moor het kopje media ontbreekt nog”

OMGAAN MET BEELDSCHERMEN

Mediaopvoeding, het valt niet altijd mee. Veel ouders zitten vaak met hun handen in het haar. Want, wat doe je als je tienjarige zoon het liefste elke dag bij dat ene vriendje gaat spelen, omdat hij daar eindeloos films mag kijken en computerspelletjes spelen? Laat je dat gebeuren, ook al ben je er zelf tegen dat kinderen zoveel achter een beeldscherm zitten?

“Ik verbied het mijn kinderen,” zegt Martine Hogerwerf, schrijfster van een blog over mediagebruik voor kinderen op de vrijeschool. “Dat vind ik heftig om te doen. Het gaat ver om je kinderen te verbieden bij bepaalde vriendjes te gaan spelen, maar ik zie hier geen andere oplossing voor.”
Bij Martine’s buren zijn kinderen van tien en elf jaar hele middagen alleen thuis, terwijl hun ouders werken. De kinderen zitten die middagen veelal achter een beeldscherm, tv of computerspel. Als Martine’s kinderen bij de buren spelen, is het dus vooral computer en tv. “Ook al spreek ik met hen af dat ze het niet doen, dan gebeurt het toch. Mijn ervaring is dat ze, zeker met meerdere kinderen samen, toch die 18+-spelletjes gaan spelen. Het is een mooie gedachte dat kinderen van tien jaar zelf stoppen met computerspelletjes spelen of tv kijken, maar het is niet reëel. Op die leeftijd kunnen ze nog geen grens aanhouden.”
Het enige wat er op zit, is dus een verbod, met de mogelijkheid om als alternatief samen buiten te gaan spelen of bij Martine thuis.

Blog

Media-opvoeding is voor veel ouders een onontgonnen terrein. Vaak zitten ze met hun handen in het haar. Daarom is Martine haar blog begonnen, om ouders handvatten te geven en voorbeelden. Ze is zelf oud-vrijescholier en moeder van drie kinderen (ïo, 9 en 4 jaar oud-2015), alle drie vrijescholier in Amersfoort. “Ik ben bekend met de vrijeschool en antroposofie en verdiep me al langer in de achterliggende filosofie.”
Toen Martine op een ouderavond van de vrijeschool aan andere ouders vroeg hoe zij vorm gaven aan de omgang van hun kinderen met de media, kreeg ze met name ontwijkende antwoorden. “Sommige ouders zeiden dat hun kinderen dat niet deden. Ze keken geen tv en gebruikten het internet niet. Ook de leerkracht zei dat je het gewoon vooral niet moet doen, als het niet goed aanvoelt. Daar werd ik boos van. Alsof het zo eenvoudig is. De praktijk is heel anders.”
Dus ging Martine zelf op onderzoek uit en deelde haar bevindingen via internet met anderen.
“Je leeft tegenwoordig in een maatschappij waar sociale media, Twitter, internet en tv overal zijn doorgedrongen. We leven wat dat betreft ook in een hele spannende en bijzondere tijd. Het is een overgangstijd naar iets nieuws. Dat vraagt van jou als opvoeder dat je erover nadenkt hoe je hiermee om wilt gaan, wat dit met onze kinderen doet.”

Spiegelbeelden

Want dat het iets met kinderen doet, daar is Martine van overtuigd.
“Als ik zie hoe mijn zoontje opgaat in die verhalen van de spelletjes als Clash of Clans en Minecraft (zie kader), dan moet dat iets innerlijk bij hem doen.” In een recent boekje over mediaopvoeding ‘Beeldschermbeelden. Opvoeden in het digitale tijdperk’ beschrijft kinderarts Edmond Schoorel hoe kinderen in computerspelletjes beelden binnen krijgen die geen spiegelbeeld hebben in de natuurlijke, reële wereld. Het gaat bij computerspellen om beelden die door andere mensen zijn bedacht met het doel de aandacht van kinderen tijdens het spelen vast te houden.
“Geen warme, kunstzinnige beelden die zo mooi mogelijk zijn gemaakt om de ziel van kinderen mee te voeden,” aldus Martine. Alle beelden die een kind via zijn zintuigen vanuit de wereld in zich opneemt, hebben een spiegelbeeld in de natuurlijke wereld. Martine: “Ik denk dat een kind door veel tijd achter de computer te zitten vooral een deel in zichzelf niet ontwikkelt, dat wel noodzakelijk is voor zijn hele verdere leven. In deze leeftijdsfase, tussen het zevende en veertiende jaar, bouwen kinderen nog aan hun fundament en als daar iets niet goed gaat, haal je dat later heel moeizaam weer in, als het al kan.”

In de periode tot veertien jaar komt antroposofisch gezien het etherlichaam, het levenslichaam, tot ontwikkeling. Hij gaat naar de lagere school, leert het sociale kennen, de omgang met vriendjes, hij leert gevoelens herkennen en ontwikkelt een, hopelijk, rijk zielenleven. “Om dat te kunnen doen moet een kind echte ervaringen in de wereld opdoen, in de ontmoeting met andere mensen,” meent Martine. “Ik ga met mijn kinderen veel naar buiten, naar het bos of samen kamperen en ik hoop zo dat stuk voor hen tot ontwikkeling te brengen. Maar wat als ouders dat niet doen, wat wordt bij kinderen dan niet ontwikkeld? Je moet als opvoeders ervoor zorgen dat je kind wordt blootgesteld aan iets dat de virtuele beelden uit computer en tv compenseert. Als je op een gegeven moment merkt dat je kinderen bijvoorbeeld een jaar niet in het bos zijn geweest, moet je aan de alarmbel trekken en er iets aan doen.”

Opgeven

Martine’s blog is ondertussen een succes geworden. Uit de vele reacties blijkt hoezeer het onderwerp bij ouders leeft. “Ik krijg vooral reacties van ouders met kinderen die nog jonger zijn dan de mijne, waarbij dit thema nog niet zo speelt. Deze ouders zijn blij van mij te horen dat het mogelijk is om je kind slechts 2,5 uur per week achter een scherm te laten zitten. Vaak hebben ouders de gedachte bij voorbaat al opgegeven dat ze iets tegen de invloed van computers kunnen doen voor hun kind, maar dat kan dus wel.” Dat is niet altijd eenvoudig, zie het voorbeeld met de buren van Martine. Het vraagt wat van de opvoeders.
“Je moet een bewust standpunt innemen ten opzichte van het onderwerp media en je erin verdiepen, zodat je weet wat je kinderen kijken en spelen. Het is belangrijk dat je je als opvoeder nieuwsgierig en open opstelt ten opzichte van de interesses van je kinderen op dit gebied. Je bent geneigd negatief over hun spelletjes en wensen te doen, maar ik geloof dat dat averechts werkt. Ook moet je zelf niet urenlang achter een scherm gaan hangen natuurlijk, want dan krijg je je kinderen niet zo ver dat niet te doen. Prepubers doen nog sterk na wat je ze voorleeft. Een partner die het niet met jouw visie eens is en zelf alle nieuwe elektronische gadgets koopt om meteen uit te proberen, maakt het je ook moeilijk om je kinderen van beeldschermen weg te houden.”
Martine’s kinderen hebben elke week 2,5 uur beeldschermtijd en die mogen ze volledig vrij indelen, wanneer en wat – zo lang het voor hun leeftijd geschikt is. “Dat werkt voor ons nu het beste.”

“Ik merk dat veel ouders met kinderen op de vrijeschool matig zijn in het mediagebruik en hier vaak bewust mee omgaan. Ook vanuit de vrijeschool is er zeer gematigd gebruik van computers in de lessen, al is er geen helder beleid op het gebied van mediaopvoeding, maar daar wordt aan gewerkt,” aldus Martine. “Op internationaal niveau zijn ze bezig met het vormen van een visie op media, hoe het doorwerkt op de ontwikkeling van de kinderen en hoe je daar in het onderwijs mee om moet gaan. Rudolf Steiner heeft ongelofelijk veel geschreven, maar het kopje media moet er nu bijgeschreven worden. Voor vrijescholen is dat een groter thema dan op andere scholen, omdat de filosofie op de vrijeschool dieper en breder gaat dan elders. Maar dit is nodig, we moeten met onze tijdgeest meegaan, meebewegen. Dat is wat Steiner altijd heeft benadrukt.” 

Tips voor mediaopvoeding 7-14 jaar

Weet wat je kinderen spelen. Via Google vind je bijvoorbeeld een korte beschrijving van spelletjes als Clash of Clans en Minecraft.

– Laatje kind niet achter een beeldscherm zitten vlak voor het slapengaan, dat beïnvloedt de slaap sterk negatief.

– Zet geen computer op de kinderslaapkamer.

– Praat met je kind over films en spelletjes. Wat heeft hij eraan beleefd, wat voelt hij? Zo help je je kinderen bewust met de media om te gaan.

Populaire spelletjes van prepubers (2015)

Minecraft is een spel waar je blokjes kunt gebruiken om alles mee te bouwen wat je je maar kunt voorstellen, ’s Nachts komen er monsters, dus dan moet je zorgen dat je een veilig onderkomen hebt gebouwd om in te schuilen. Info: http://www.minecraft.net

Clash of Clans is een spel waar strategisch handelen en vechten centraal staan. Je moet je eigen dorp bouwen, je legers laten trainen en kunt dan met jouw groep(clan) het gevecht online aangaan met miljoenen andere spelers.
Info: clashofclans.com.

Meer lezen?

http://mijnvrijeschoolkindonline.tumblr.com

Oggi Enderlein, Grosse Kinder. Die aufregende Jahre zwischen 7 und 13 (DTV München 2014)

Andreas Neider, Aufmerksamkeitsdefizite. Wie das Internet unser Bewusstsein korrumpiert und was wir dagegen tun können (Verlag Freies Geistesleben, Stuttgart 2013)

Edmond Schoorel, Beeldschermbeelden. Opvoeden in het digitale tijdperk (Christofoor, Zeist 2015)

Opvoedingsvragen: alle artikelen  [19-5] over media

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Opspattend grind

.

2490-2337

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Peuter- kleuterklas

.

In de verschillende pedagogische voordrachten spreekt Steiner vanuit diverse blikrichtingen over de ontwikkeling van het kind.

Een bekende indeling die hij maakt, is de indeling in leeftijdsfasen.
Deze fasen geeft hij soms een bepaald ‘motto’ mee.
Zo overkoepelt hij de fase van 0 – 7 jaar met: de wereld is goed.

Die van 7 – 14 jaar met: de wereld is mooi.

Die van 14 – 21 jaar met: de wereld is waar.

Onderstaand artikel heeft weliswaar de titel zoals die hier staat, maar daar wordt inhoudelijk niet op ingegaan.
De conclusie die ik trek is dan maar dat ‘de wereld voor de peuter en kleuter al goed genoeg is, zoals die in de peuter- en kleuterklas wordt gecreëerd. Daar hoeft niets extra’s bij.’
.

Cisly Burcksen en Jorika Ehrlich, Motief 196, oktober 2015
.

 0-7 jaar: de wereld is goed

De (on)mogelijkheid van opbrengstgericht werken in het peuter- en kleuteronderwijs

LEVE DE KLEUTER

Opbrengstgericht werken: ook op de vrijeschool lijkt men er niet aan te ontkomen. Maar hoe is het gesteld met de jongste leeftijdsgroep: de kleuters? Zij vormen een bijzondere groep, leven vanuit hun fantasie en zijn gebaat bij nabootsing en herhaling. Hoewel het onderwijs aan peuters en kleuters in een antroposofische omgeving er niet op is gericht hen af te rekenen op hun prestaties, wordt er wel degelijk in grote lijnen aan opbrengsten gewerkt, die echter niet direct meetbaar zijn.

Het is een druilerige dag en de herfst lijkt definitief aangebroken. In de subtiel verlichte klas van Dina Kerkstra op de Leidse vrijeschool Mareland zijn alle kleuters druk verdiept in hun spel. Twee jongens hebben een huisje gebouwd van meubels en planken. In het dak zit een gat waar ze blokken en pittenzakken doorheen gooien. Ondertussen zitten ze zelf boven, onder, in en om hun bouwwerk. Verderop spelen kinderen aan de zandtafel en op de vloer beelden drie meisjes een zelfverzonnen verhaal uit met Ostheimerfiguren. Twee jongens schommelen op een soort halve maan van hout. “Eén, twee, drie, vier…” tellen ze telkens als het ding heen en weer gaat. “Daar heb je het rekenen,” lacht juffie Dina. “Hoef je niets aan te doen!”

“De kleuter is een heel eigen wezen. Hij is één met de wereld, leeft vanuit zijn fantasie en vanuit het voelen,” vertelt Maaike Hoogland, eveneens werkzaam als kleuterjuf op Mareland. “Een kleuter ontwikkelt zich door in zijn eigen tempo mee te doen met de wereld. Zo leert hij eigenlijk het meest wie hij is.” “De fantasie is nergens zo sterk als bij de kleuter,” vult Dina aan. “Rond de leeftijd van ongeveer 4 à 5 jaar is dit op een hoogtepunt.

Dat moet je benutten: door ruimte te geven voor vrij spel en daarin begeleiding te bieden, zodat er geen stagnatie optreedt.” Dat betekent dat ze in de kleuterklas van de vrijeschool vooral voorwaardenscheppend werken. Het klaarstomen voor toetsen of aansturen op meetbare resultaten is daarbij niet aan de orde. De kinderen krijgen alle ruimte om in hun spel hun impulsen achterna te gaan. Ze zijn vrij om te kiezen waar en waarmee ze willen spelen, binnen bepaalde grenzen. “Opruimen doen we met z’n allen na afloop,” legt juffie Maaike uit. Dat is een gestructureerde bezigheid, net zoals het vrije spel een plek heeft in de structuur van de schooldag. Uit ervaring weten de juffen dat gezonde kinderen vanzelf gaan spelen: “Dat is een wetmatigheid. Nabootsing en fantasie zijn wetmatigheden voor hen.”

Draadjes weven

Naast het voorwaarden scheppen voor het vrije spel en het ondersteunen van de fantasie door de vertelstof en de materialen, werkt het kleuteronderwijs eraan dat de kinderen goed kunnen aarden.

“Een kind dat lekker in z’n vel zit, ontwikkelt zich meestal ook goed”, zegt Dina. “We stimuleren gewoontevorming, dat helpt de kinderen om zich met de aarde te verbinden. Veel herhalen geeft vertrouwen, rust en veiligheid en daardoor komen ze tot spel en ontwikkeling. Veel dingen komen dan vanzelf. Een kind dat zich prettig voelt, komt makkelijker tot leren.” Maaike vult aan: “Wat je als kleuterjuf doet, is meer gericht op de ontwikkeling op gang houden dan op het eindresultaat. Kinderen leren tellen via liedjes en versjes, of via praktische opdrachten zoals het tellen van alle kinderen die in de kring zitten, of bij het klaarzetten van bordjes om met elkaar te eten. We werken wel toe naar schoolrijpheid. Van oudste kleuters wordt dan ook af en toe wel iets verwacht, bijvoorbeeld een paar keer in de week draadjes weven of een tijdje bezig zijn met één of andere opdracht. Spelen is bij uitstek de manier van leren bij jonge kinderen. Het gaat in eerste instantie om ervaringen opdoen en spelenderwijs komen ze met allerlei begrippen in aanraking. Ze creëren hun eigen spel en hoe meer je daarin stuurt, hoe meer je afneemt. De fantasie is in deze fase op een hoogtepunt. We stimuleren die door verhalen, bakersprookjes en het ochtendspel dat de seizoenen volgt en waarin veel oude ambachten aan bod komen. De materialen waarmee de kinderen spelen zijn ook ‘niet af’. Poppen hebben een neutraal gezicht, zodat je zelf kunt bepalen wat voor emoties ze hebben. De blankhouten blokken kunnen van alles voorstellen en een pittenzak kan bijvoorbeeld ook een telefoon zijn.”

Ogenschijnlijk lijkt de manier waarop de kleuters meegaan in de stroom van de groep niet te verenigen met het opbrengstgericht werken waar de overheid de laatste jaren zo graag op aanstuurt. Maar schijn bedriegt. Hoewel er niet systematisch gewerkt wordt aan het verbeteren van meetbare resultaten, is er volgens Dina en Maaike wel degelijk een focus op resultaat. “In wezen werken we opbrengstgericht, maar wat de kinderen hier meekrijgen is niet altijd direct toetsbaar. We bieden de kinderen mogelijkheden: door liedjes, versjes, vingerspelletjes, ochtend; spel en ga zo maar door. We volgen ze in hun ontwikkeling en sturen indien nodig bij.” Op Mareland is wel even gewerkt met de Kleutercito, maar toen de kleuterleidsters erachter kwamen dat het niet verplicht was, zijn ze hiermee gestopt. Ze hebben genoeg andere instrumenten om te zien of een kind bepaalde dingen wel of niet beheerst, en proberen dan spelenderwijs de ontwikkeling te stimuleren. “Soms hebben ze iets extra’s nodig, bijvoorbeeld in hun grote motoriek,” zegt Dina. “In de stroom van de groep kun je eenvoudig extra oefening bieden, door bijvoorbeeld met zo’n kind aan de hand te gaan huppelen. Je kunt dat op zo’n manier doen dat een kind zich niet apart gezet voelt of uit de groep voelt vallen.

En als een kind echt iets meer nodig heeft, kunnen we een beroep doen op onze therapeuten, bijvoorbeeld voor euritmie-therapie. Met ons leerlingvolgsysteem houden we de ontwikkeling van onze kinderen bij. Hierin kunnen we ook duidelijk zien wanneer er op een bepaald gebied een stagnatie optreedt en er extra zorg nodig is.”

Piraten

Jorika Ehrlich van kinderdagverblijf Het Kleine Volkje deelt de visie van deze kleuterjuffen dat opbrengstgericht werken met toetsen en dergelijke niet bij deze leeftijdsfase past. De gemeente Leiden, waar Het Kleine Volkje is gevestigd, onderzoekt momenteel het werken met voor- en vroegschoolse educatie (vve) op kinderdagverblijven. Jorika is er huiverig voor dat dit verplicht wordt. “Bij vve werk je met methodieken met thema’s, vooral gericht op taal. Maar die thema’s sluiten helemaal niet aan bij de belevingswereld van de peuter,” legt ze uit. “Het gaat dan bijvoorbeeld om piraten of om de kermis. Daar zijn ze nog helemaal niet aan toe. Een huiselijk thema als boodschappen doen wordt op een heel verstandelijke manier gebracht. Dat is helemaal niet nodig, want kinderen ervaren voldoende als ze gewoon meegaan met boodschappen doen. Je moet het gewoon voorleven, dan doe je genoeg. Bovendien past het niet bij deze leeftijdsfase om volgens zo’n vast stramien te werken.”

Maar de ‘thematische lijn’ op antroposofische kinderdagverblijven en peutergroepen gaat via de het ritme van seizoenen. Dat is toch ook een van tevoren vastgestelde structuur? “Het volgen van de seizoenen gaat veel organischer, “ legt Jorika uit. “Je plant dat niet in je agenda, de ene zomer duurt langer dan de andere. We kijken gewoon naar de dag en naar hoe dingen ontstaan, zoals je dat in een gezin ook zou doen.”

Op een antroposofisch kinderdagverblijf in Maastricht is gewerkt aan een vve-methode op antroposofische basis. Mocht de overheid het werken met vve-methodes verplicht stellen, dan vindt Jorika het fijn dat dit ‘vangnet’ er in elk geval is. “Ik heb de methode nog niet gezien, maar verwacht dat dat een middenweg zal zijn tussen het volgen van een vast stramien en het uitgaan van de ontwikkeling van de kinderen.” Voor bepaalde ‘risicogroepen’ ziet ze het nut van vve trouwens best in. Voor kinderen die thuis geen Nederlands horen bijvoorbeeld. “Maar toch… wij hebben hier in de groep ook expatkinderen die thuis alleen Italiaans horen. Zij leren hier Nederlands door hoe we met hen omgaan, met liedjes en versjes, en bij baby’s al door te benoemen wat je doet als je ze aankleedt bijvoorbeeld. Het spreken met een kind is al rijk genoeg voor ze om de taal te leren. Het maakt dan natuurlijk wel uit hoeveel dagen per week een kind hier is.”

De rand van de zandbak

Het idee achter het verplicht stellen van voor- en vroegschoolse educatie voor kinderen vanaf 2 jaar is dat hiermee ontwikkelingsachterstanden beter te signaleren of te voorkomen zijn. Jorika Ehrlich legt uit dat er een verschil is tussen een langzame, maar gezonde ontwikkeling en een achterstand. Zij ziet dan ook legio mogelijkheden om eventuele problemen bij te sturen, zonder daarvoor van toetsen of screenings uit te gaan. “Als we echt een afwijking zien, gaan we met ouders in gesprek. We zien wel of een ontwikkeling gezond is, maar alleen langzaam of dat het zorgelijk is. Als dat laatste het geval is, verwijzen we door naar een specialist. We werken hier met hoogopgeleide mensen, zoals orthopedagogen en speltherapeuten. We vragen hen mee te kijken en zij kunnen ouders dan adviseren. We hebben hier veel vergelijkingsmateriaal, maar we vergelijken kinderen niet zoals dat ‘aan de rand van de zandbak’ gebeurt: ‘Kan jouw kind dit al? De mijne kan al dat…’ In de eerste zeven jaar mag een kind zich ontwikkelen in z’n eigen tempo. We raken niet in paniek als een kind van vier niet kan knippen. Iedereen heeft zo z’n talenten, we leggen er geen meetlat naast. Dat zet de boel zo vast. Bij opbrengstgericht werken verleg je de blik toch gauw naar het meten van details van wat je kunt en van wat acceptabel is. Mijn zorg is dat je dan te snel in een cognitieve ontwikkeling schiet, waar kinderen nog niet klaar voor zijn. Het gaat uiteindelijk niet om outcome of gemiddelden, maar om: wie is dit kind en wat heeft het nodig?” 

.

Peuter-kleuterklas: alle artikelen

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: peuter-kleuterklas

.

2489-2336

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 10 (10-5-1/3)

.

In de 10e voordracht bespreekt Steiner de – naar zijn zeggen – moeilijk te begrijpen metamorfose die geleid heeft tot de vorm van ons hoofd.

Aangezien het begrip ‘metamorfose’ in zijn werk veelvuldig voorkomt, ook op het terrein van de opvoedkunst, is het van groot belang dat de opvoeder/leraar met dit begrip vertrouwd raakt.

Er zijn verschillende artikelen die daarbij kunnen helpen.

Zie de reeks [10-5/volgnr]
.

De groen wordende, bloeiende en vruchtdragende plant
.

Het beeld dat zij aanschouwelijk maakt

In de groene kleur beleven wij de levensactiviteit van de plantenwereld. Deze trekt zich terug bij de bloemvorming, de groei stokt en de stofopbouw wordt gestaakt.
In het bloeien bereikt de plant een nieuw stadium van haar bestaan. De stralende kleuren van haar bloemen en de rangschikkingen in kleur en vorm spreken door hun uitdrukking tot ons psychisch beleven.

Ook de gedaanteverwisseling van de bladorganen tot de bloem en verder tot de vrucht- en zaadvorming heeft Goethe gevolgd. Hij beschreef een tweede uitbreiding via kelk- tot kroonbladeren, met een samentrekking in de meeldraden en de stamper. Dan volgt een derde uitbreiding in het zwellen van de vrucht, waarin zich dan de gehele plant als zaad naar binnen samenbalt.

Deze drievoudige uitbreiding en samentrekking (afb. 1) openbaart drie niveaus van het plantenwezen: op het bladgebied het niveau van de levensactiviteit; op het bloemgebied de aanraking met het psychische; op het vruchtgebied het terugtrekken op het niveau van het geestelijke. Het zaad is in dit opzicht het aardse aangrijpingspunt voor de geestelijke vormingsmogelijkheden van de plantensoort.

1 Pioenroos (gekweekte vorm): bladreeks van een bloeiende loot. 1 onderste bladeren van de overwinterende knop; 2 loofbladeren en overgangsvormen naar de kelk; 3 kelkbladeren, in het begin nog met de resten van het bovenste blad, dan begint de rand steeds sterker rood te kleuren; 4 kroonbladeren; 5 overgangsvormen naar de meeldraden, samentrekking tot de helmknop begint aan de zijkant; 6 meeldraden; 7 vruchtbladen met zaadbeginsels (van 4 tot 6 werden alleen representatieve vormen gekozen)

De metamorfose van de orgaanvormen van blad tot bloem kan heel verschillend verlopen. Bij vele planten kan men de overgangen stap voor stap volgen. Daar ontspruiten de bladeren aan de stengel nog boven elkaar. Reeds hier treedt een omkering op: het bovenste deel van het blad trekt zich terug, terwijl de vroegere bladbasis zich uitbreidt in kelk- en kroonblad. Meestal gaat echter de vormbeweging bij de overgang naar de bloem door een ‘nulpunt’. In de samentrekkingsfase verdwijnt het groene blad volledig en kelk, kroon, stuifmeeldraden en vruchtbeginsels verschijnen in de volgende uitbreidingsfase als nieuwe eenheden.

Drie aspecten van de overgang van blad tot bloem:

1. Vormverandering

De zichtbare vorm van het afzonderlijke blad (afb. 2)

wordt aanvankelijk steeds meer gedifferentieerd en trekt zich dan weer terug, ze wordt eenvoudiger. Na door het nulpunt gegaan te zijn (afb. 7)

Bladvormenreeeks van de klaproos (Papaver rhoeas)

treden telkens twee, drie, vier of vijf nieuwe ‘organen’ op en vormen zo gezien de eenheid van de kelk uit een veelheid.

De nieuwe organen ontspruiten op gelijke hoogte aan de stengel. Verschijnen ze ‘samengegroeid’ zoals bij het klokje, dan is het duidelijk dat ze in de eerdere vormsamenhang eigenlijk nooit gescheiden waren maar meteen als eenheid zijn gegroeid.

2. Vormvermogen

Datgene wat aanvankelijk het blad vormde, differentieert zich langzamerhand zo dat het geheel in de afzonderlijke delen steeds duidelijker te herkennen valt.

Maar terwijl het blad uiterlijk weer eenvoudiger wordt, is er veel dat erop wijst dat ongezien de tendens tot differentiatie verder gaat en het vormvermogen nog meer gedifferentieerd wordt. Zo kan men vaak vaststellen dat de afzonderlijke delen (afb. 3),

die zich dicht naar de stengel verplaatsen, zich sterker van elkaar scheiden (afb. 4),

of dat, zoals in het fysiologische experiment, uit een blad een groot aantal bladeren te voorschijn komt (afb. 5),

omdat de plant op weg was naar de bloei, maar kunstmatig weer tot het vormen van bladeren werd gebracht. Aldus beschouwd zijn telkens twee tot vijf organen van de kelk of de kroon uit de eenheid ‘blad’ zelfstandig geworden. De eenheid ‘blad’ zet zich dus voort in de eenheden ‘kelk’, ‘kroon’, enzovoort.

2-5 Verkorte bladreeksen van: 2 akkerkool (Lapsana communis)-, 3 driekleurig viooltje (Viola tricolor)-, 4 gulden boterbloem (Ranunculus auricomus)’, 5 akkerkool tegen de bloei, kunstmatig weer teruggebracht tot vegetatieve groei. Zie de opnieuw optredende sterkere geleding rechts.

Rudolf Steiner spreekt over deze twee gebieden (afb. 6) in samenhang met de aard van de metamorfose voor wat betreft de bewegingskunst der euritmie.
De zichtbare vormverandering komt overeen met het fysieke gebied die van het vormvermogen met het vlak van het etherische.

Steiner:

Wanneer men zich nu werkelijk verplaatst in de ontwikkelings-impulsen met de kunstzinnige gewaarwording, dan ziet men […] dat men weliswaar aanvankelijk van het eenvoudige steeds verder moet gaan naar het ingewikkelde; dan komt men echter in het midden van de ontwikkeling aan het ingewikkeldste en dan wordt het, als het naar het volmaaktste toegaat, wederom eenvoudiger!
Bern, 29 juni 1921)*

Nu zou de volgende ideëel iets ingewikkelder kunnen zijn dan de voorafgaande vorm. Wij zouden dan misschien deze (vijfde) vorm krijgen. […] Dat wat ik met de dikke lijn getekend heb, dat zou dan wellicht naar buiten zichtbaar zijn. En als het om een werkelijke vorm in de natuur zou gaan, dan zou men van deze vorm naar deze vorm verder gaan. En toch gaat verder slechts in het etherische de ontwikkeling zo verder dat de gecompliceerde vormen die ik met puntjes heb aangeduid te voorschijn komen, terwijl het fysieke, het uiterlijk zichtbare, het zich weer openbarende, wellicht weer eenvoudiger wordt. (Dornach, 5 april 1920)*
*In de literatuuropgave in het boek is er sprake van dat deze voordrachten nog worden uitgegeven/inmiddels zijn uitgegeven in GA  res. 290 en 289

Bij de overgang naar de bloem ontmoeten de stromingen van het afzonderlijke tot het geheel en van het geheel tot het afzonderlijke elkaar bij iedere plant op een andere manier. Hoe daardoor iets nieuws ontstaat blijkt op een derde gebied.

3. Vormverandering op het vlak van de getalsverhoudingen

De groene bladeren volgen aan de stengel meestal in een spiraal op elkaar. De volgens regelmatige stappen opgebouwde spiraal geeft de bladeren in een ritmische ommegang een zekere ordening, maar legt hun aantal nog niet vast. Het aantal groene bladeren of geveerde onderdelen kan sterk variëren. In bun vormen werkt een beweeglijke harmonie.

In het bloemgebied treden echter meestal ordeningen volgens hele getallen op: Als wij bewust meebeleven hoe een nieuwe orde optreedt in de verandering van vorm en vormvermogen, dan kan de sterrenhemel er weer een beeld voor zijn: Men denke slechts aan de beweeglijkheid van zon, maan en planeten ga dan verder naar de vast gerangschikte dierenriem en de vaste sterren.

Om de metamorfose van blad naar bloem te begrijpen, vereist een grotere innerlijke inspanning dan bij de oefening de vormverandering van de groene bladeren innerlijk te volgen.

Er gaat van de bloeiende planten iets uit dat bijzondere psychische belevenissen in ons opwekt. De planten beroeren het zielengebied zonder dat zij zelf een zekere innerlijkheid ontwikkelen zoals het dier of de mens. Daarmee worden zij verwant aan de sterrenbeelden. De beelden der vaste sterren heeft men van oudsher in verband gebracht met bepaalde zieleneigenschappen. Tegenwoordig wordt dit niet meer zo beleefd. Daarentegen kunnen voor ons de planten veel directer beelden voor bepaalde zielenvermogens worden. Wij leren deze beeldentaal lezen als wij de planten zien in hun relatie tot hun omgeving.

Metamorfose in het gebied van bloem en vrucht

In de bloem zijn de vormen der organen zo verschillend dat de overgang van kroonblad naar meeldraad en vruchtblad door de voorstelling vaak helemaal niet meer valt te ontdekken.

In de bloem is dus een hoger vormprincipe werkzaam dan in de bladorganen. Hier komt de aard van een soort of een familie het duidelijkst tot uiting. Dit vormprincipe kan verschillend sterk samenvattend werkzaam zijn:

Sommige kelk- en kroonbladeren samengegroeid: klokvormige bloem.

Verschuivingen tussen het metamorfoseprincipe en het bloemprincipe kunnen waargenomen worden:

Metamorfose doorwerkend naar boven (afb. 1 zie boven pioenroos): waterlelie, pioenroos, nieskruid;

Bloemprincipe doorwerkend naar beneden: kerstster, lievevrouwebedstro, kleefkruid, dovenetel;

De samengesteldbloemigen (Compositae, afb. 14, 15)

14 Apart bloempje van een composiet

15 Schema van een composiet

laten in het bijzonder zien hoe het vormprincipe ‘bloem’ op verschillende niveaus werkzaam kan zijn: als eenvoudige bloem – klokje
een gehele bloeiwijze samenvattend – composiet
deze op zijn beurt samengevat – edelweiss, duizendblad.

De verbanden worden pas duidelijk als tussenvormen, ‘misvormingen’ in de zin van Goethe, optreden. De overgang van kelk naar kroon kan weliswaar meestal als een gemakkelijk te overziene uitbreiding beschouwd worden.

Op het hoogtepunt van de bloei gaat de metamorfose vanuit het kroonblad in twee richtingen verder: de meest voorkomende overgangsvormen, bijvoorbeeld te vinden bij een gevulde pioenroos, staan tussen kroonblad en meeldraad (afb. 8)  of tussen kroonblad en vruchtblad (afb. 9).

Op de weg naar beide organen zien wij een samentrekking en een sterkere geleding optreden. Het zelfstandig worden van de delen – stuifmeelkorrels of vruchtbeginsels – gaat hier veel verder dan bij het groene blad. De dynamiek van de ontwikkeling vertoont daarbij polaire gebaren: van het kroonblad naar de meeldraad trekt de vorm zich naar omlaag samen in de helmdraad (androeceum) (afb. 10). De helmknoppen worden naar boven geschoven, naar buiten gewelfd, inwendig heel fijn verdeeld (stuifmeel), met een droge huid, gestructureerd, kleurrijk en in de luchtige omgeving verstoven.

Van het kroonblad naar het vruchtblad (gynoeceum) trekt de vorm naar boven bijeen in de stijl met de voor het stuifmeel ontvankelijke stempel (afb. 11). Het vruchtbeginsel wordt afgesloten. De zaadknoppen worden naar binnen getrokken, naar omlaag tot nabij het uiteinde van de stengel, ze blijven waterig, teer, kleurloos, onaanzienlijk en aanvankelijk nauw verbonden met de plant.

Tussenvormen van meeldraad en vruchtblad (afb. 12,13) zijn heel zeldzaam. Zij onderstrepen de tegengesteldheid van die twee vormen. De in polaire richting gedifferentieerde delen van de plant ontmoeten elkaar weer bij de bestuiving, als de elementen die het verst in de omgeving werden uitgezonden (de pollen) en diegene die het meest in het binnenste, het levendste van de plant bleven (de zaadknoppen).

Dan begint de vruchtzetting: een nieuw, nu naar binnen gekeerd groeien neemt een aanvang. De vrucht dijt uit, naar binnen toe voltrekt zich tegelijkertijd de krachtigste samentrekking en verzelfstandiging van het plantenorgaan tot het zaad, dat de kiem bevat van een nieuwe plant.

De metamorfose tot in het zaad te volgen is voor ons denken het moeilijkst. Het onaanzienlijke levende zaad begrijpen wij pas dan in zijn volle werkelijkheid wanneer wij een buitengewoon beweeglijk begrip ontwikkelen, dat alle ontwikkelingsmogelijkheden van de plantensoort omvat en begrenst, zonder deze in onze voorstelling te fixeren.

.

Uit: J. Bockemühl ‘Levensprocessen in de natuur’

Over metamorfose:

Algemene menskunde voordracht 10 [10-5]

Op deze blog staan ook verschillende artikelen die de metamorfose (van de plant) behandelen:

Metamorfose van de planten

Goethes fenomenologische methode

Ook in het tijdschrift van de Ver, v Vrije Opvoedkunst verschenen talloze artikelen over metamorfose

Algemene menskunde: voordracht 10 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Seineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2488-2335

./

/

/

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsfasen

.
Henk van Oort, Motief 196, okt. 2015
.

Worden wie je bent

Ontwikkelingsfasen en geheime opdrachten van een kind

Elke ouder zal zich op enig moment wel eens verbaasd hebben over een onverwachte opmerking, een gebaar, een blik of een prestatie van zijn of haar kind. Op zo’n bijzonder moment lijkt de erfelijkheid even afwezig. “Dat heeft hij niet van mij,” zegt de vader dan misschien, hetgeen direct gevolgd wordt door “Maar van mij ook niet!” door de moeder.

Wie oog heeft voor dergelijke momenten in het leven van het opgroeiende kind zal moeten concluderen dat elk mens iets heel eigens heeft. Door de erfelijkheid heen straalt iets zeer persoonlijks. Het woord ‘per-soon’ betekent zoiets als ‘doorheen klinken’. Wat door het geërfde lichaam heen klinkt is de persoonlijkheid of het ‘Ik’.

Bij de geboorte krijgt dit ‘Ik’ gedurende het toekomstige leven de kans aan het werk te gaan in aardse omstandigheden. Het komt zelf uit de geestelijke wereld en heeft een tijdje nodig om te wennen aan de totaal andere situatie. Dat ‘tijdje’ is de periode waarin de opvoeders dit gewenningsproces van zo’n kleine twintig jaar mogen begeleiden. Als we die opvoedingsperiode nader bekijken kunnen we drie aparte perioden onderscheiden.

ZEVENJAARSPERIODEN

Bij de geboorte van het fysieke lichaam is de mens na een groeiperiode van negen maanden in het lichaam van de moeder op aarde beland. “Precies op mijn verjaardag!” zei een kind ooit. Het kleine fysieke lichaam is aanwezig, maar wordt nog niet volledig beheerst door het ‘ik’. Het leven op zich lijkt de overhand te hebben. Alles beweegt, spartelt en maakt lawaai. Alleen het hoofdje lijkt overgeleverd aan de zwaartekracht. Bij het verschonen van een luier zweven de beentjes haast in de lucht. Deze omhulling van pure levenskracht waarmee het kind nog omgeven is, wordt het etherlichaam genoemd. Voor het gewone oog is het onzichtbaar. Als een soort ei is het fysieke lichaam nog omgeven door een beschermende etherische laag. Dit etherlichaam is tijdens de eerste vijf, zes, misschien zeven jaren, bezig met de verdere opbouw van het groter wordende lichaam. In het etherlichaam zijn de vormmodellen onzichtbaar aanwezig die tijdens de groei als het ware worden gevuld met fysieke substantie. Het kind heeft het er maar druk mee en zou eigenlijk niet gestoord mogen worden tijdens dit uiterst belangrijke proces. Als na ongeveer zeven jaar dit proces is voltooid, vindt er een tweede geboorte plaats: het etherlichaam wordt zelfstandig. Dit moment wordt gemarkeerd door de tandenwisseling. We kunnen nu dus zeggen dat het kind een eigen fysiek lichaam heeft én een eigen etherlichaam.

Na het zevende jaar gaat de ontwikkeling verder, want er is nog een derde systeem dat het kind in kiemvorm in zich draagt. Het lijkt wel een vergaarbak waarin vele voor het oog uiteenlopende kwaliteiten aanwezig zijn: beweging, gevoelens van honger en dorst, verdriet en blijdschap, gevoel voor geluid, seksualiteit, en nog veel meer. Die vergaarbak wordt het astrale lichaam genoemd. Tussen globaal het zevende en het veertiende levensjaar wordt er druk gewerkt om dit astrale lichaam zelfstandig te maken. Bij het bereiken van de geslachtsrijpheid wordt het eigen astrale lichaam geboren. Na deze derde geboorte heeft het kind dus het fysiek lichaam, het etherlichaam en het astrale lichaam.

Dan volgt de laatste fase van, zeer globaal zeven jaar, waarin gewerkt wordt aan de geboorte van het ‘Ik’. Na de geboorte van de persoonlijkheid, van het ‘Ik’ rond het eenentwintigste levensjaar, kan de mens zelfstandig het leven op aarde vorm geven. We kunnen dus spreken van vier geboorten: van het fysiek lichaam, het etherlichaam, het astrale lichaam en het ‘Ik’.

Processen

Van groot belang is nu dat de opvoeder in elk van deze perioden oog heeft voor de processen die zich erin afspelen.

In de eerste zeven jaar na de geboorte is het van belang dat de vorming van de fysieke organen ongestoord kan plaatsvinden. Dit betekent dat de levenskrachten die daarvoor nodig zijn niet op een ander gebied ingezet zouden moeten worden. Als we het kind te vroeg blootstellen aan intellectuele inspanning, zoals zeer vroeg leren lezen of schrijven, dan worden levenskrachten weggetrokken uit die opbouwprocessen. Allerlei volwassen redeneringen waarin kinderen betrokken worden, zuigen levenskracht weg. De etherische omhulling zou onbeschadigd moeten blijven totdat de fysieke organen klaar zijn. De inrichting van de kleuterklassen en de eerste klas van de vrijescholen weerspiegelen deze etherische omhulling.

In de tweede zevenjaarsperiode ontdekt het opgroeiende kind dat niet alles koek en ei is op de wereld. Het kind ontdekt dat de krachten die in de wereld een rol spelen ook in hemzelf aanwezig zijn. De opvoeder probeert zo veel mogelijk een evenwicht te laten zien tussen de opbouwende en de afbrekende krachten.

In het leerplan van de vrije scholen zien we bijvoorbeeld in de vierde klas de Germaanse mythologie met de Godenschemering waarbij het er niet kalm aan toegaat, maar die wel eindigt met de mens die het heft zelf in handen neemt en verder leeft. Uit de Griekse mythologie wordt in de vijfde klas het verhaal van Odysseus verteld die met eigen gedachtekracht, niet meer geholpen door de goden, ontsnapt aan de Cycloop. En in de zesde klas zien de leerlingen hoe de Romeinen meesters zijn in het bedwingen van de zwaartekracht in al hun bouwwerken. De godenwereld is voorlopig verdwenen: de mens is al weer verder op de aarde geland.

In de derde zevenjaarsperiode vindt een verdere verkenning plaats van de aardewereld, aan de hand van bijvoorbeeld de grote ontdekkingsreizen en de wereldliteratuur. Biografieën van belangrijke personages ondersteunen het spiegeleffect dat deze verhalen kunnen hebben op de opgroeiende mens. Het langzaam indalende ‘Ik’ wordt een bedding geboden waarin dit proces zich optimaal kan voltrekken. Alle lesstof ondersteunt zo de ontwikkeling van het kind.

Elk mens wordt geboren met een soort rugzakje dat vol zit met vooralsnog geheime opdrachten. Het is prachtig als dat rugzakje helemaal geopend kan en mag worden. Alle goudschatten mogen het daglicht zien. Als de opgroeiende mens een omgeving wordt geboden waarin met wijsheid de hierboven besproken ontwikkelingsfasen worden begrepen, dan pas kan de opvoeder zeggen: “Welkom, je mag hier worden wie je bent!” 

.

Rudolf Steiner over ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Algemene menskunde: mensbeeld vanaf [7-1] 

 

2487-2334

./

/

/

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 10 (10-5-1/2)

..

In de 10e voordracht bespreekt Steiner de – naar zijn zeggen – moeilijk te begrijpen metamorfose die geleid heeft tot de vorm van ons hoofd.

Aangezien het begrip ‘metamorfose’ in zijn werk veelvuldig voorkomt, ook op het terrein van de opvoedkunst, is het van groot belang dat de opvoeder/leraar met dit begrip vertrouwd raakt.

Er zijn verschillende artikelen die daarbij kunnen helpen.

Zie de reeks [10-5/volgnr]

Dit artikel is tevens een essentiële bron voor je voorbereiding op de plantkundeperiode in klas 5 (en 6).

De plant als levend, veranderend wezen

De plant openbaart zich in vormen en kleuren. Zij kan zich niet als een menselijk wezen direct tegenover ons opstellen. Pas wanneer wij een plant hebben zien kiemen, groen worden, bloeien en vruchtdragen ontstaat in ons een volledig beeld.

Om de metamorfose daarin te begrijpen, moet het denken beweeglijk worden.

De opeenvolging van de vormen noopt ons het begrip in de ontwikkelingswerkzaamheid, in het voortdurend omvormen te houden.

Goethes metamorfose-zienswijze is het levende begrip waarmee wij de plant leren zien als een wezen dat zich uitleeft in vormveranderingen. Het orgaan daarvoor is nu niet langer de voorstelling van vormen, maar een denkactiviteit die begeleid wordt door het beleven.

Metamorfose in het bladgebied

De ideële vormverandering in de opeenvolging van de bladvormen: Wanneer we hier aan de linkerkant beginnen (afb. 2)

Bladvormenreeks van een melkdistel. Alle bladeren van de hoofdstengel tot aan de bloei, volledig uitgegroeid.
1 Rangschikking aan de plant 2 Rangschikking in kring.

en in gedachten van beneden naar boven de ene bladvorm in de andere laten overgaan, dan beleven wij de uitbreidingsfase: twee activiteiten, het lineaire uitstrekken en het alle kanten op uitbreiden (of uitspreiden) tekenen zich af. Het zwaartepunt wordt naar buiten verlegd. Als derde werkzaamheid treedt het insnijden op, als het ware van buitenaf naar binnen gericht. Als we verder gaan, beleven we een keerpunt (boven in de afbeelding). De samentrekkingsfase (de rechterkant) is niet een terugkeren langs dezelfde weg; strekken en uitbreiden dringen in elkaar door, het zwaartepunt verplaatst zich naar de bladbasis; bij het kleiner worden gaan door een vierde werkzaamheid, het toespitsen (of ontspruiten), de vormen uitstralen in de omgeving. De massa trekt zich terug.

Wat wij aldus innerlijk met het levende denken als werkzaamheden verstaan, zijn in de plant werkzame, vormende krachten (of vormkrachten).

Vormbeweging van een groeiend blad

Ook ieder groeiend blad (afb. 3) maakt op zichzelf een – nu zintuiglijk te volgen – gedaanteverwisseling door, die als vorm-beweging in het denkend navolgen beleefd kan worden. In de groei blijken echter de genoemde vier vormkrachten in omgekeerde volgorde werkzaam te zijn:

3 Ontwikkeling van een der eerste bladeren van de kleine veldkers (Cardamine hirsuta).

Spruiten: Er ontstaat een punt, die uitstraalt in de omgeving van de plant.

Insnijden: Het proces zet door in alle richtingen.

Uitspreiden: Het bladoppervlak breidt zich uit.

Uitstrekken: Het blad wordt naar buiten geschoven en daarbij aan de basis als een spruit aan de steel samengenomen.

Dit proces verloopt dus in omgekeerde richting van de ideële (maar niet minder reële) vormbeweging van de bladvormreeks.

De plant als tijdwezen

De bladreeks van een plant vertoont bij ieder ontwikkelingsstadium de beschreven ideële vormbeweging met ‘uitbreiding’ en ‘samentrekking’ op de typerende manier. Bij de planten 1 en 2 is dat zonder meer in afbeelding 4 te zien, bij 3 en 4 moet men de inmiddels verwelkte beginbladeren aan de hand van eerdere ontwikkelingsstadia aanvullen (zwarte pijlen).

4 Ontwikkelingsbeweging van alle bladeren van een gewone raket (Sisymbrium officinale). Bladvormenreeksen van vier gelijktijdig opgegroeide planten, die in tijdsafstanden van telkens een maand in de ontwikkelingstoestanden van groeien of verwelken gedroogd werden.

De witte pijlen geven aan hoe de verschillende bladeren zich ontwikkelen van stadium tot stadium en hoe daardoor hun plaats in het geheel verandert. Hun vormbewegingen passen zich dus zodanig aan in de beweging van de bladreeks dat op ieder ogenblik van de algehele beweging het beeld van een geheel voor ons staat. De opeenvolgende bladreeksen 1-4 vertonen een steeds rijkere ontplooiing, maar omvatten steeds zowel de tendensen van het begin (overwegende steelvorming en uitbreiden en toenemend insnijden) als die van het einde (overwegend insnijden en toespitsen). Aldus valt in het samenspel van de beide vormbewegingen een in de plant werkzame tijdorganisatie te onderkennen.

In deze min of meer schematische voorstelling (afb. 5) van de bladontwikkeling van de akkerkool (Lapsana communis) zien wij de vormbeweging van de diverse groeiende bladeren als wij telkens uitgaan van midden onder en de binnenste pijlen naar links volgen. De buitenste, van links naar rechts verlopende boog, geeft de opeenvolging van de volgroeide bladeren aan.

Waar de ene vormbeweging volgens haar tendens begint, ligt het doel van de andere. De vormbewegingen doen zich aldus voor als twee stromingen die uit verleden en toekomst bijeenkomen en elkaar in ieder blad ontmoeten. Een blad waaraan een korte ontwikkeling van de gehele plant ten grondslag ligt (linker zijde van de buitenste boog), maakt in zijn groei een grote verandering door. Bladeren van een zich reeds naar de bloei ontwikkelende plant (rechterzijde van de buitenste boog) veranderen tijdens de groei slechts weinig.

De in het bladgebied gevonden beweging in uitbreiding en samentrekking is tegelijkertijd een beeld voor de totale ontwikkeling van de plant van kiem naar vrucht- en zaadvorming.

Ook de twee in tegengestelde richting verlopende vormbewegingen die zo goed te zien zijn in de bladvormen vinden wij terug in de gehele plant. In de ene richting volgen de opgroeiende, de bladvormende, de bloeiende en de vruchtzettende planten elkaar op. In de andere richting vermoeden we reeds in de knop de vrucht die de kiem omhult, in de zich tot een rozet openende knop de bloem en pas in de na elkander uitbottende, zich ontplooiende bladreeksen het eigenlijke niveau van het blad. Is langs de ene weg de bloem bereikt, dan gaat daar langs de andere weg slechts de knop als een vooruitblik op de vrucht aan vooraf. De uiteindelijke vrucht is dan als het ware een uit bladorganen en spruit gevormde, zwellende of verhardende knop.

Het vormkrachtenlichaam van de plant (etherlichaam)

Als men met lichaam datgene bedoelt wat een wezen van welke aard dan ook ‘gestalte’, ‘vorm’ geeft, dan herkent men in de vormen van een plant een zichtbaar ruimtelijk lichaam (of fysiek lichaam), en in het samenspel van de vormbewegingen, die slechts zichtbaar zijn voor het innerlijk aanschouwen, een onzichtbaar tijdlichaam of vormkrachtenlichaam (in de antroposofie ook etherlichaam genaamd), dat de opbouw regelt van het fysieke lichaam. Aldus beschouwd wordt het fysieke lichaam van de plant de levende uitdrukking van het vormkrachtenlichaam.

Deze beschouwing van de plantenontwikkeling kan als levend beeld evolutieprocessen begrijpelijk maken.

.

Uit: J. Bockemühl ‘Levensprocessen in de natuur’

Over metamorfose:

Algemene menskunde voordracht 10 [10-5]

Op deze blog staan ook verschillende artikelen die de metamorfose (van de plant) behandelen:

Metamorfose van de planten

Goethes fenomenologische methode

Ook in het tijdschrift van de Ver, v Vrije Opvoedkunst verschenen talloze artikelen over metamorfose

Algemene menskunde: voordracht 10 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Seineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2486-2333

./

/

/

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner– Algemene menskunde – voordracht 9 (9-1-2-2/19)

.

.

Enkele gedachten bij blz. 135/136 in de vertaling van 1993.
.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE
.

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Op blz. 135/136 en verderop in de voordracht – zie daarvoor [9-5] zegt Steiner iets over de ontwikkelingsfasen van het kind.

Zie de inleiding

Voor de eerste levensfase van 0 – 7 jaar hechtte Steiner grote waarde aan o.a. de nabootsing. Hij beschrijft dat deze nabootsingskracht in het kind rond het 7e jaar langzamerhand afneemt. Er vindt a.h.w. een soort omwerking plaats en nabootsing wordt na-volging. In zekere zin ook een soort nabootsing: je wil dat wat de oudere in jouw omgeving voorleeft in je opnemen – niet meer dromend zoals met de nabootsing gebeurt, maar meer ‘gewild’ doordat je vertrouwen hebt in die oudere persoon; respect ook. Dat is voor Steiner het ‘autoriteitsprincipe’.

Rudolf Steiner over de ontwikkelingsfase 7 – 14: autoriteit

GA 309

Voordracht 4, Bern 16 augustus 1924

Blz. 59/60  vert. 59/60

Bis zum Zahnwechsel lebt das Kind so, daß es dasjenige, was in der Umgebung tatsächlich vorgeht, was also dem Kinde sozusagen vorgemacht wird, nachahmen will, daß das Kind sein ganzes motorisches System einsetzt, um sich im allgemeinen und auch im speziellen Falle so zu verhalten zu dem, was ihm gegenübersteht, daß es zu dem Betreffenden einen innerlichen Hang, eine Liebe hat.
Das ändert sich mit dem Zahnwechsel so, daß das Kind sich nicht mehr richtet nach dem, was es sieht, sondern nach dem, was sich um­setzt in die Seelenoffenbarungen des betreffenden Erziehers oder Un­terrichtenden. Was wir so seinem Seeleninhalt nach haben für das Kind bis zum Zahnwechsel, das ist nicht etwas unbedingt Autorita­tives. Das Kind geht eigentlich bis zum Zahnwechsel – natürlich sind nicht schroffe, sondern allmähliche Übergänge vorhanden – gar nicht stark auf Sinn und Inhalt des Gesagten ein, sondern es lebt eigentlich viel mehr in dem Klang der Sprache, in der Art und Weise, wie die Sprache gehandhabt wird. Und wer eine intimere Anschauung von diesen Dingen hat, der wird wissen, daß, wenn ich zu dem Kinde sage:

Tot de tandenwisseling leeft het kind zo dat het wat er in zijn omgeving daadwerkelijk gebeurt, wat zogezegd aan het kind wordt voorgedaan, wil nabootsen; het kind zet zich met zijn hele bewegingssysteem in – in zijn algemeenheid, maar ook in speciale gevallen -gedraagt het zich naar wat er om hem heen is; daarnaar heeft het een innerlijke hang, een liefde. Met de tandenwisseling verandert dat zodanig dat het kind zich niet meer richt op wat het ziet, maar op wat het beleeft aan wat de opvoeder of onderwijzer vanuit zijn ziel uit. 
Wat wij zo als zieleninhoud hebben voor het kind tot de tandenwisseling, is niet per se iets waar gezag vanuit gaat. Het kind gaat eigenlijk tot de tandenwisseling – natuurlijk zijn er geen plotselinge overgangen, het gaat geleidelijk – helemaal niet zo intens op de zin en de inhoud in van wat wordt gezegd, maar eigenlijk veel meer op de klank van spreken, op de manier hoe er gesproken wordt. En wie een subtieler waarnemingsvermogen voor deze dingen heeft, weet dat als je een kind zegt:

Das sollst du nicht tun -, dieses Gebot keinen starken Eindruck auf das Kind macht. Sagt dagegen der Mensch nach seiner Überzeugung: Das sollst du nicht tun – oder: Tue das -, so liegt etwas ganz Entschei­dendens in der Art und Weise, wie man spricht. Das Kind merkt da, wenn man sagt: Du sollst das nicht tun -, daß man das in anderer Be­tonung ausspricht, als wenn man sagt: Das ist recht, das sollst du tun -, und nach dieser Betonung, die eine Offenbarung ist für die Art der Tätigkeit des Sprechens, danach richtet sich das ganz kleine Kind. In den Sinn der Worte und überhaupt in den Sinn der Offenbarungen der Umwelt geht das Kind erst ein, wenn es den Zahnwechsel voll­zieht und nach dem Zahnwechsel. Aber da geht es auch noch nicht so ein, daß es eingeht auf das Intellektuelle der Sache, sondern es geht ein auf das Gemüthafte, auf das Gefühlhafte der Sache. Es geht ein darauf, wie man gegenüber einer Art Autorität eingeht auf eine Sache deshalb, weil diese Autorität das sagt.
Das Kind bis zur Geschlechtsreife kann noch nicht innerlich in­tellektualistisch Überzeugungen entwickeln davon, daß etwas gut oder böse sei. Man mag über diese Dinge noch so viele Spekulationen anstel­len, die unmittelbare Beobachtung ergibt das, was ich gesagt habe. Da­her soll man, wenn man moralische Begriffe vor dem Kinde entwickelt, sie so entwickeln, daß man vor das Kind wiederum Bildhaftes hinstellt. Man kann da den eigentlichen Unterrichtsstoff und das Moralische

‘Dat mag je niet doen’ – dat gebod geen sterke indruk op het kind maakt. Zeg je als mens met overtuiging: ‘Dat mag je niet doen’ – of: ‘Doe dat’ -, dan is het doorslaggevende de manier waarop je spreekt. Het kind merkt wanneer je zegt: ‘Jij mag dat niet doen’ -, dat je dat op een andere manier zegt dan: ‘Het is goed, dat moet je doen’ – en op die accentuering die een uiting is van de manier waarop wordt gesproken, richt zich het heel kleine kind. Op de betekenis van de woorden en al helemaal op de betekenis van wat er uit de omgeving komt, gaat het kind pas in tijdens de tandenwisseling en erna. Maar ook nog niet intellectueel, maar met het gevoel. Het gaat erop in zoals je t.o.v. een soort autoriteit op een zaak ingaat, alleen omdat deze autoriteit het zegt.
Het kind tot de puberteit kan innerlijk nog geen intellectuele overtuigingen ontwikkelen of iets goed of slecht is. Je kan over deze zaken speculeren wat je wil, uit de directe waarneming volgt, wat ik heb gezegd. Daarom moet je, wanneer je morele begrippen voor het kind wil ontwikkelen, deze zo ontwikkelen dat je ze, ook hier, voor het kind als beeld geeft. Je kunt de eigenlijke leerstof en het morele

Blz. 61     vert. 61

durchaus ineinander verweben. Man stellt, sagen wir, Beispiele aus der Geschichte hin, und man läßt merken – nicht indem man philiströs­pedantisch mit allerlei Moralregeln an die Sache herantritt, sondern lediglich mit dem Gefühl auch des Gefallens und des Mißfallens an die Dinge herangeht -, daß einem das Moralische gefällt, das Unmoralische mißfällt, so daß das Kind in der Zeit vom Zahnwechsel bis zur Ge­schlechtsreife aufnimmt eine Sympathie für das, was gut ist, eine An­tipathie gegen das, was böse ist. Wir orientieren die Sache nicht darauf­hin, daß wir dem Kinde Gebote geben; diese Gebote wirken nicht. Wir können das Kind zwar versklaven mit diesen Geboten; allein ein mora­lisches Leben bringen wir nicht hervor, ein moralisches Leben, das aus dem Urgrund der Seelen hervorsprießen und -sprossen soll, wenn wir abseits von Gebot und Verbot ein feines Gefühl in dem Kinde hervor­rufen für das Gute und Böse, für das Schöne und Häßliche, für das Wahre und Falsche. Und eigentlich ist es richtig, wenn die verehrte Autorität so neben dem Kinde steht, daß sie ihm die Personifikation von Güte, Wahrheit und Schönheit ist. Das Kind wird kein Vollmensch, der aus seiner ganzen inneren Wesenheit heraus sich gestaltet, leiblich und seelisch, wenn es an Geboten heranerzogen wird.

heel goed met elkaar verweven. Je stelt, laten we zeggen, voorbeelden uit de geschiedenis aan de orde en je laat merken – niet als een pedante moraalridder, maar simpelweg met je gevoel, hoe je het ene goedkeurt en het andere afwijst – dat het morele je lief is en dat je het immorele afwijst; zodat het kind in de tijd van tandenwisseling tot puberteit in zich opneemt sympathie voor wat goed is en antipathie voor wat slecht is. We richten ons er niet op de kinderen geboden te geven; deze geboden werken niet. We kunnen de kinderen weliswaar slaaf maken van deze geboden, alleen, een moreel leven brengen wij daarmee niet tot stand; een moreel leven dat uit het diepst van de ziel moet opbloeien, wanneer wij los van gebod en verbod een fijnzinnig gevoel in het kind oproepen voor wat goed en slecht, voor wat mooi en lelijk, voor wat waar of bedrieglijk is. En fundamenteel juist is, als de vereerde autoriteit voor hem de verpersoonlijking is van goedheid, waarheid en schoonheid. Geen volledig mens wordt dat kind dat zich vormt vanuit zijn hele innerlijke wezen, lichamelijk en wat zijn ziel betreft, wanneer het opgevoed wordt met geboden.

Da rechnen wir einzig auf seine Kopfentwicklung. Wir fördern die Herzensentwick­lung und die Entwicklung des ganzen Menschen, wenn wir in diesem Lebensalter die Empfindung hervorrufen: Etwas ist wahr, etwas ist schön, etwas ist gut, weil die verehrte Autorität des Lehrenden, des Un­terrichtenden zeigt, daß sie dieses für wahr, für schön, für gut hält. Im Menschen, im konkreten, realen Menschen sucht das Kind die Verkör­perung von Wahrheit, Schönheit und Güte. Das wirkt auf das Kind, wenn das, was Wahrheit, Schönheit, Güte darstellt, ausgeht von der konkreten Erzieherindividualität. Das wirkt mit einer ungeheuren Le­bendigkeit. Das Kind strengt seinen ganzen Menschen an, um inner­lich ein Echo hervorzurufen von dem, was der Lehrer sagt oder sonst wahrnehmbar macht. Und darauf kommt es an vor allen Dingen in der Methodik gerade desjenigen Erziehungsunterrichts, der im Volks­schulalter eintreten muß.
Die Einwände gegen eine solche Darstellung sind natürlich, wie ge­sagt, auf der Hand liegend; denn man mißversteht heute den Anschauungsunterricht

Dan rekenen we alleen maar op de ontwikkeling van het hoofd. We bevorderen de ontwikkeling van het hart en de ontwikkeling van de totale mens, wanneer we op deze leeftijd het gevoel oproepen: iets is waar, iets is mooi, iets is goed, omdat de autoriteit van de leraar waarvoor het eerbied heeft,  laat zien wat deze voor waar, voor mooi, voor goed houdt. In de mens, de echte mens van vlees en bloed, zoekt het kind de belichaming van waarheid, schoonheid en goedheid. Dat heeft zijn werking op het kind: wanneer, wat waarheid, schoonheid, goedheid inhoudt, uitgaat van de aanwezige individualiteit van de leerkracht. Daar gaat een ongelooflijke vitaliteit vanuit. Het kind doet als totale mens zijn best om innerlijk een echo op te roepen voor wat de leraar zegt of zichtbaar maakt. En daar komt het boven alles op aan in de methodiek van juist dat opvoedingsonderwijs dat in de basisschooltijd moet plaatsvinden.
De bezwaren tegen zo’n opvatting zijn natuurlijk, zoals gezegd, voor de hand liggend; want men vat tegenwoordig het aanschouwelijkheidsonderwijs

Blz. 62  vert. 62

vielfach so, daß man meint, man müsse nur dasjenige an das Kind heranbringen, was das Kind versteht. Und weil unser Zeitalter ein intellektualistisches ist, so spielt in dieses Verstehen im­mer hinein das intellektualistische Verstehen. Man weiß heute über­haupt noch gar nicht, daß man noch mit anderen Seelenkräften ver­stehen kann als mit intellektualistischen; aber es ist manchmal zum Verzweifeln, was an sogenanntem Anschauungsunterricht eigentlich an­empfohlen wird. Es ist zuweilen ein Niveau, das fürchterlich ist, wenn man glaubt, man müsse sich auf das Verständnis des Kindes herunterschrauben. Derjenige, der nur radikal den Grundsatz aufstellt: dem Kinde müsse nur dasjenige beigebracht werden, was es versteht, der weiß nicht, was es bedeutet, wenn ein Kind, sagen wir im 7., 8. Lebens­jahr etwa, etwas aufgenommen hat rein auf die selbstverständliche Autorität des Unterrichtenden hin. Weil der etwas als schön, als wahr ansieht, nimmt es die Sache auf, und das trägt dann das Kind mit sich weiter. Das wächst mit dem Kinde heran; vielleicht im 30., 40. Le­bensjahr durch eine gereifte Erfahrung, durch mancherlei Erfahrungen, die man durchgemacht hat, kommt man zu etwas, was man vielleicht im 7., 8. Lebensjahr nur auf Autorität des geliebten Erziehers aufge­nommen hat; das stößt wieder herauf. Jetzt versteht man es aus an­deren gereiften Erfahrungen heraus. Das hat etwas ungeheuer Beleben­des, wenn schon in der Seele des Menschen sitzende Inhalte heraus­kommen und mit Inhalten leben, die jetzt gewonnen werden. Erinne­rungen, die nur auf den Verstand rechnen, entziehen dein Menschen im späteren Leben diese belebenden Kräfte, die von dem Heraufkom­men eines rein auf Autorität hin aufgenommenen Inhaltes nach ge­reifter Erfahrung herrühren. Man muß durchaus in diesen Dingen viel intimer in die menschliche Wesenheit hineinschauen, als man heute vielfach hineinschaut.

vaak zo op, dat men denkt dat je het kind alleen moet bijbrengen wat het begrijpt. En omdat onze tijd er een is van intellectualisme, speelt in dit begrijpen steeds mee het intellectualistische begrijpen. Men weet tegenwoordig nog helemaal niet, dat je ook met andere krachten van de ziel iets kan begrijpen dan de intellectualistische; maar vaak is het om wanhopig te worden van wat aan zogenaamd aanschouwelijkheidsonderwijs aangeraden wordt. Het is soms van een niveau dat vreselijk is; wanneer men denkt dat men moet afdalen naar wat het kind begrijpen kan. Degene die slechts radicaal de stelling poneert: het kind moet alleen bijgebracht worden wat het begrijpt, weet niet wat het betekent wanneer een kind van 7, 8 jaar iets aangenomen heeft louter van de vanzelfsprekende autoriteit van de leerkracht. Omdat deze iets als mooi, als waar beschouwt, neemt het dat in zich op en dat neemt het kind dan verder met zich mee. Dat groeit met het kind mee; misschien komt het in het 30e, 40e levensjaar door rijpere ervaring, door allerlei ervaringen die men doorgemaakt heeft, bij iets wat men misschien in het 7e, 8e levensjaar alleen maar op gezag van de geliefde autoriteit van de opvoeder heeft aangenomen; dat komt weer boven. Nu begrijpt men het door andere, rijpere ervaringen.Het heeft iets bijzonder vitaliserends, wanneer , wat al in de ziel van de mens aanwezig is, naar boven komt en samengaat met wat nu ervaren wordt. Herinneringen die slechts rekening houden met het verstand, ontnemen de mens op latere leeftijd deze vitaliserende krachten die van een puur op gezag aangenomen inhoud stammen die na rijpere ervaringen manifest wordt. Men moet wat deze dingen betreft, het wezen van de mens echt veel subtieler waarnemen dan men tegenwoordig meestal doet.
GA 309/59-62
Op deze blog vertaald/59-62

Blz. 67  vert. 67

Alles, was ich dem Kinde beibringe im schulmäßigen Alter, soll zunächst auf Autorität hin sitzen; soll es sich in das Schicksal ein­fügen, so muß es noch einmal heraufkommen, muß es individuell er­fahren werden. Das ist etwas, womit man wieder rechnen muß. – Und in bezug auf die moralischen Begriffe steht die Sache so, daß wir den Menschen dahin bringen müssen, daß er so viel Gefallen an dem Guten, so viel Mißfallen an dem Bösen vor der Geschlechtsreife entwickelt, daß nachher, wenn dasjenige, was er da in Sympathie und Antipathie entwickelt hat, wieder auftaucht in seiner Seele, er dieses Sympathische selber zu seinen Geboten macht und das Antipathische zu demjenigen, was er unterlassen soll. Da erlebt der Mensch die Freiheit in sich. Man erlebt nicht die Freiheit in sich, wenn man nicht, bevor man das: Das sollst du tun -, Das sollst du nicht tun – erlebt, rein gefühlsmäßig das Gefallen am Guten, das Mißfallen am Bösen erlebt. Moralität soll durch das Gefühl heranerzogen werden.

Alles wat ik het kind bijbreng in de basisschoolleeftijd moet in de eerste plaats op autoriteit berusten; wil het deel worden van het levenslot dan moet het nogmaals bovenkomen, dan moet het individueel ervaren worden. Dat is iets waarmee je weer rekening moet houden. – En wat de morele begrippen betreft, staat het er zo voor dat wij de mens ertoe moeten brengen dat hij zoveel positieve gevoelens voor het goede, zoveel negatieve gevoelens voor het verkeerde kan ontwikkelen vóór de puberteit, dat daarna wanneer dat wat hij aan sympathie en antipathie ontwikkeld heeft weer bovenkomt in zijn ziel, hij deze sympathie tot zijn eigen richtlijn maakt en de antipathie tot wat hij achterwege moet laten. Dan beleeft de mens in zichzelf de vrijheid. Je beleeft de vrijheid niet, wanneer je niet, voor je het: ‘Dit moet je doen,- dat moet je niet doen’- puur gevoelsmatig als een sympathie voor het goede en een antipathie voor het verkeerde beleeft.
GA 309/67
Op deze blog vertaald/67

Voordracht 5, Bern 17 augustus 1924

Blz. 74/75  vert. 74/75

Dagegen ist gerade so zwischen dem 9. und 10. Lebensjahr ein wich-tiger Entwickelungspunkt im Leben des Kindes. Dieser Entwickelungs­punkt kommt für das eine Kind etwas früher, für das andere Kind et­was später; er ist von eminenter Wichtigkeit. Man wird bemerken, daß das Kind etwas unruhig wird, daß das Kind mit fragenden Augen -es kommt wirklich auf Dinge an, die man erfühlen muß – an die Er­zieherautorität herankommt; daß das Kind Fragen stellt, die einen
frappieren gegenüber demjenigen, was es früher gefragt oder nicht gefragt hat. Das Kind kommt in eine eigentümliche innerliche Lage. Da handelt es sich vor allen Dingen darum, daß man nicht nur, ich möchte sagen, nach pedantisch-philiströser Art allerlei Ermahnungen an das Kind richtet, sondern daß man vor allen Dingen gefühlsmäßig wirklich sich in das Kind hineinversetzen kann. Es ist etwas im Unter­bewußten – selbstverständlich im Unterbewußten, nicht so, daß das Kind deutlich sich vor sich selber aussprechen würde – in diesem Le­bensalter beim Kinde eingetreten, das man so charakterisieren kann: Durch und durch war bisher Wahrheit, Güte, Schönheit für das Kind dasjenige, was die verehrte Erzieherautorität als wahr, gut und schön hinstellte. Das Kind ist selbstverständlich der Autorität hingegeben. In diesem Lebensaugenblick, so zwischen dem 9. und 10. Lebensjahr, kommt etwas über das Kind, wodurch es – nicht in Gedanken, es in­tellektualisiert noch nicht, aber in seinem Gefühl – die ganz unbe­stimmte, wie im Traum verlaufende Frage aufwirft: 

Daarentegen vindt er juist tussen het 9e en 10e levensjaar een belangrijke ontwikkeling plaats in het leven van het kind. Dit punt komt voor het ene kind wat vroeger, voor het andere wat later; maar het is een uiterst belangrijk punt. Je zal merken dat het kind wat onrustig wordt, dat het kind met vragende ogen – het komt echt op zaken aan die je aan moet voelen – naar de opvoeder komt; dat het kind vragen stelt, die je frapperen in vergelijking met de soort vragen die het voordien stelde of niet. Het kind komt in  een karakteristieke innerlijke toestand. Dan gaat het er bovenal om, dat je niet alleen, ik zou willen zeggen, je tot het kind richt met allerlei pedante vermaningen, als een filister, maar dat je boven alles je echt met je gevoel in het kind kan verplaatsen. Er heeft iets in het onderbewuste – vanzelfsprekend in het onderbewuste van het kind op deze leeftijd plaatsgevonden, niet zo dat het kind dat op deze leeftijd duidelijk van zich uit zou uitspreken – , dat je zo kan karakteriseren: tot nu toe was waarheid, goedheid en schoonheid door en door voor het kind datgene wat de vereerde autoriteit voor waar, goed en mooi hield. Als vanzelfsprekend geeft het kind zich over aan de autoriteit. Op het ogenblik in het leven tussen het 9e en het 10e jaar komt er iets over het kind, waardoor het – niet in zijn gedachten, het beleeft de dingen nog niet intellectueel, maar in zijn gevoel – de heel onbestemde, zoals in een droom optredende vraag, opwerpt: ‘

Ja, woher hat der Lehrer das, woher kommt ihm das; ist der Erzieher wirklich die Welt? -Bis dahin war er es; jetzt tritt das auf: Geht nicht die Welt noch über den Erzieher hinaus? – Während er früher seelisch durchsichtig war, und das Kind durch ihn in die Welt sah, wird er jetzt immer mehr und mehr undurchsichtig; das Kind fragt wie gefuhlsmaßig, warum etwas be­rechtigt ist. Da muß man durch die Art, wie man sich verhält, taktvoll das Richtige für das Kind finden. Es kommt nicht darauf an, daß man ein eingelerntes Wort zu sagen weiß, sondern daß man sich der Situa­tion aus einem inneren Takt anzupassen weiß. Wenn man so durch ein inneres imponderables Mitfühlen mit dem Kinde gerade in dieser Lebenszeit das Richtige findet, bedeutet das ein Ungeheures für die ganze Lebenszeit bis zum Tode hin, kann man sagen. In dieser inneren Lebenssituation im Lehrenden, im Erziehenden einen Menschen ge­funden zu haben, von dem man das Gefühl hat: Der redet aus den Weltgeheimnissen heraus -, das wird immer wertvoller und wertvoller. Das gehört unbedingt zu dem Didaktischen und Methodischen.

Ja, maar waar haalt de leraar dat vandaan; hoe komt hij eraan; is de opvoeder werkelijk de wereld?’- Tot dan toe was hij dat; nu komt er dit: ‘Gaat de wereld niet toch boven de leraar uit?’- Was hij vroeger als ziel doorzichtig en zag het kind door hem heen de wereld, nu wordt hij steeds ondoorzichtiger; het kind vraagt op een gevoelsmatige manier, waarom iets terecht is. Dan moet je door de manier waarop je je opstelt, met grote tact de juiste dingen voor het kind zien te vinden. Het komt er niet op aan, dat je iets ingestudeerds weet te zeggen, maar dat je vanuit de situatie vanuit een innerlijke tact in staat bent je aan te passen. Wanneer je zo door een innerlijk imponderabel meevoelen met het kind juist op deze leeftijd het juiste vindt, betekent dat iets buitengewoons voor heel het leven tot aan de dood, zou je kunnen zeggen. In deze innerlijke toestand van het leven, in degene die onderwijst, die opvoedt een mens gevonden te hebben van wie je het gevoel hebt: die spreekt vanuit de geheimen van de wereld -, dat wordt steeds waardevoller. Dat behoort onmiskenbaar tot de didactiek en de methodiek.
GA 309/74
Op deze blog vertaald/74

Blz. 79  vert. 79

Denn der Mensch muß möglichst so erzogen werden, daß das Intellektuelle, das mit der Geschlechtsreife erwacht, in der eigenen Menschenwesenheit seine Nahrung finden kann. Hat der Mensch vorher durch Nachahmung, auf Autorität hin, in der Bild­haftigkeit einen innerlichen Reichtum aufgenommen, dann wird das, was er so aufgenommen hat, sich intellektualistisch umwandeln lassen, wenn er die Geschlechtsreife erlangt hat. Er wird immer davor stehen, dasjenige jetzt zu denken, was er vorher gewollt und gefühlt hat. Und daß dieses intellektualistische Denken ja nicht zu früh eintritt, dafür ist eigentlich im Unterricht und in der Erziehung auf das gründlichste zu sorgen. Denn der Mensch kommt nicht zu einem Freiheitserlebnis, wenn man es ihm eintrichtern will, sondern nur dadurch, daß es in ihm selber erwacht. 

Want de mens moet zo mogelijk zo opgevoed worden dat het intellect dat met de puberteit ontstaat voedsel kan vinden in het eigen wezen dat men als mens is. Heeft de mens voordien door nabootsing, door autoriteit, door de wereld van de beelden een innerlijke rijkdom verworven, dan zal dat, wat zo opgenomen is, zich in het intellectuele laten omvormen wanneer de puberteit daar is. Hij zal er steeds mee te maken krijgen nu datgene te denken, wat hij voordien gewild en gevoeld heeft. En dat dit intellectualistische denken niet te vroeg optreedt, daarvoor moet onderwijs en opvoeding eigenlijk op de meest grondige manier zorgen. Want de mens komt niet tot het ervaren van een gevoel van vrijheid wanneer je hem dit wil opdringen, maar alleen daardoor wanneer het in hemzelf ontwaakt.
GA 309/79
Op deze blog vertaald/79

Blz. 85/86   vert. 85/86

In vieler Beziehung gehen heute die Menschen als Erwachsene verständ­nislos aneinander vorbei.Es ist jammerschade, ist jammervoll, wie die Menschen heute verständnislos aneinander vorbeigehen. Man kann heute Gemeinschaften finden, die das oder jenes miteinander zu leisten, zu tun haben, die jahrelang schon miteinander arbeiten – die Menschen kennen sich in Wirklichkeit gar nicht, wissen gar nicht, wie der andere in seinem Inneren beschaffen ist, weil nicht herangewachsen ist das le­bendige Interesse, die lebendige Hingabe, das lebendige Mitfühlen mit dem anderen Menschen. Das aber tritt auf, wenn man im rechten Lebens­alter das Nachahmungs- und entsprechend das Autoritätsprinzip hin­einergossen hat in alle Zweige des Unterrichts und des Erziehens. Und dieses soziale Fühlen, dieses Verständnis für den anderen Menschen, es ist innig davon abhängig, ob man einen Sinn hat für das Geistige in der Welt.

Op vele terreinen lopen de mensen tegenwoordig als volwassenen zonder begrip elkaar voorbij. Dat is doodzonde, heel jammer, hoe de mensen tegenwoordig zonder begrip aan elkaar voorbij gaan. Je kan tegenwoordig gemeenschappen vinden die dit of dat samen voor elkaar moeten krijgen, samen moeten doen, die al jaren samenwerken – in werkelijkheid kennen de mensen elkaar niet, weten helemaal niet hoe de ander innerlijk is, omdat de levendige interesse, het levendige gerichtzijn op en het levendige meevoelen met de andere mens zich niet heeft ontwikkeld. Dat verschijnt echter wel, wanneer je op de goede leeftijd het principe van de nabootsing en dienovereenkomstig het autoriteitsprincipe in alle takken van onderwijs en opvoeding in hebt gebracht. En dit sociale voelen, dit begrip voor andere mensen is sterk afhankelijk of je een zintuig hebt voor het geestelijke in de wereld.
GA 309/85
Op deze blog vertaald/85

.

*GAGesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2]
 GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2384

./

/

VRIJESCHOOL – Weekspreuken

. In de inleiding bij het artikel hier staat iets over hoe je als beginnend leerkracht een toegang kan vinden tot de weekspreuken. Dat is in zekere zin een toegang tot mediteren. Er bestaan verschillende opvattingen over wat mediteren is. De mededelingen die Steiner over de niet-zichtbare wereld doet, zijn door hem langs meditatieve weg verkregen. Willen wij ook tot deze mededelingen kunnen komen, zouden wij dus ‘net zo ver’ als Steiner moeten kunnen komen.  Mij is dat niet gelukt – sterker – ik heb alleen toegang tot de andere weg die Steiner noemt: je hoeft geen schoenmaker te worden om op schoenen te kunnen lopen; je kan ze ook gewoon aantrekken en erop vertrouwen dat ze goed gemaakt zijn. M.a.w. je kan in Steiners visie instappen en kijken waar deze je brengt, tot hoe ver je kan gaan. Je hoeft ook geen fagot te kunnen spelen om van Mozarts fagotconcert te kunnen genieten. Maar als je fagot of welk ander instrument dan ook wil bespelen, moet je het wel stemmen. Zo kunnen de weekspreuken je helpen ‘je gevoel, je inlevingsvermogen te helpen stemmen’. Velen doen dat op hun eigen manier. Artikelen daarover hier gepubliceerd zijn alleen maar bedoeld als ingang tot die stemming. Het gaat hier niet om ‘gelijk hebben’ of ‘bewezen’. Voor mij zijn ze als een gesprek. .
Jana Loose, Antroposofisch Magazine, 7. 09-2017
ALMANAK VAN DE ZIEL De Anthroposophische Seelen-Kalender van Rudolf Steiner stamt uit 1912. Nu, meer dan honderd jaar later, lezen vele mensen over de hele wereld deze weekspreuken nog altijd, in verschillende vertalingen en versies. Wat brengt het hun? De spreuken helpen om het jaarritme innerlijk mee te beleven en de stemming aan te voelen die past bij de verschillende jaargetijden. Zo gaan de herfstspreuken over het sterven van de natuur, maar daar staat de ontwikkeling van het innerlijk tegenover. Op mijn bureau liggen de weekspreuken onder handbereik. Deze ritmische spreuken laten me van week tot week meeleven met de stemming in de natuur in samenhang met de wereld van de kosmos. Het begint met Pasen, weekspreuk 1, en het eindigt met de hieraan ‘spiegelende’ weekspreuk 52. Tussen deze twee spreuken ontrolt zich de gang door het jaar in de natuur. Vanuit de ‘wereldverten’ word ik met Pasen door het stijgende licht van de zon opgetild, daar word ik blij van omdat ik kan voelen dat ik deel uitmaak van een bestaan dat verder reikt dan mijn aardse lijf. De laatste spreuk gaat de andere kant op, vanuit mijn eigen binnenste ga ik naar buiten en kijk naar de schoonheid van de kosmos met de indrukwekkende sterrenhemel waarmee ik samenval en waarin ik me thuis kan voelen. Wanneer uit wereldwijdten de zon spreekt tot het menselijk gevoel en vreugde uit de zleledlepten zich met het licht verenigt in het zien, dan trekken uit de omhulling van het zelf gedachten weg naar ruimteverten, en binden vaag bewust het mensenwezen aan het geesteszijn.                                                                            week 1,  7-13 april* Wanneer uit zielediepten de geest zich wendt tot het wereld-zijn en schoonheid opwelt uit de ruimtewijdten, dan trekt uit hemelverten de levenskracht het mensenlichaam binnen, en verenigt machtig werkend het geesteswezen met het mensen-zijn.                                                                          week 52,   30 maart Vuur en staal In deze tijd van het jaar kan me het gevoel overvallen dat de zomer alweer voorbij is gevlogen. Nu het september is, heb ik moeite om weer in het gareel te komen of om de kortere dagen van de herfst in te gaan. In deze tijd van het jaar trekt Moeder Natuur zich terug in de aarde, zoals Demeter en haar dochter Persephone, die volgens de mythe afdalen in de aarde. Uit die aarde komen onze levenskrachten en onze wilskracht om ‘het vuur uitje sloffen’ te lopen. Dit is de tijd van Michaël, waarin de weekspreuk, de ‘Michaëlsspreuk’, me in de juiste stemming kan brengen om het volgende jaargetijde, of de volgende stap, met wilskracht en moed aan te gaan. Natuur, uw moederlijk bestaan, ik draag het in mijn willend wezen; de vuurkracht van mijn wil, zij staalt mijn geestimpulsen, opdat zij baren zelfgevoel, om zo mij in mijzelf te dragen.                                                           week 26,   29 september – 5 oktober Zomer en winter Zoals de seizoenen elkaar afwisselen en de stemming in de natuur steeds weer verandert, zo verschillend is ook de stemming waarmee ik innerlijk geconfronteerd word in de loop van het jaar. Het lijkt alsof mijn ziel door die weekspreuken voortdurend gemasseerd wordt om mee te beleven, mee te voelen dat er meer is dan de uiterlijke natuur, de natuur die ik met mijn zintuigen kan beleven. Er is iets in mij dat zich verbonden voelt met de kosmos. Mijn ziel. Rudolf Steiner gaf aan deze spreuken de titel Seelenkalender, omdat ze oorspronkelijk onderdeel vormden van een jaaragenda. Ze werden later pas apart uitgegeven. Roel Munniks, vertaler van de nieuwste publicatie, omschrijft deze titel als ‘almanak van de ziel’. Een verrassende maar ook terechte vondst, want een almanak is een boekje waarin de tijd wordt berekend en de astronomische opgaven voor een jaar staan vermeld, vergezeld van praktische mededelingen. Bij de weekspreuken vinden we iets vergelijkbaars, het gaat hier om hoe de ziel door het hele jaar heen beweegt en meeleeft onder invloed van de kosmos. Zoals in de zomerspreuk en de winterspreuk. De kracht van het metrum, het jambische ritme van de dichtregels roept de ziel daartoe op. De jambe is een versvoet bestaande uit een onbeklemtoonde lettergreep gevolgd door een beklemtoonde, kort-lang, kort-lang. Naar hoogten van de zomer stijgt Het lichtend wezen van de zon; Het neemt mijn menselijk voelen Mee naar zijn ruimtewijdten. Voorvoelend roert vanbinnen zich Een vaag besef, en zegt mij: Eens zul je inzien: Jou heeft een goddelijk wezen nu gevoeld.                                                                            week 10,   9-15 juni In diepten van de winter wordt warm het ware geestelijke zijn; het geeft de wereld-schijn door hartekrachten zijn bestaansmacht; de wereld-kou weerstaat steeds sterker het zielsvuur binnenin de mens.                                                                      week 43,    26 januari-1 februari Het geweld in de wereld Wat zich afspeelt in de wereld buiten mij, is uiteraard niet alleen het natuurgebeuren. Ook wat in het sociale leven, in de samenleving, in de politiek gebeurt, hangt samen met de kosmos en heeft invloed op mijn ziel, op mijn denken, voelen en willen. Zo werd ik diep geraakt door het zien van de documentaire Nothing is forgiven over Zineb el Rhazoui, die eerst het boegbeeld van het verzet tegen onderdrukking en geweld was in haar geboorteland Marokko, daarna moest vluchten en in Frankrijk werk vond bij de redactie van Charlie Hebdo. Ze overleefde de aanslag en is sindsdien de best bewaakte vrouw van Frankrijk. Maar ze blijft doelwit, de dood blijft haar op de hielen zitten. Ze leeft verder, ze krijgt een dochtertje. “Dat extreme geweld heeft me gevormd,” zegt ze in de film. “Het heeft van mij iemand gemaakt die haar emoties opzij kan zetten en tegen een stootje kan, en die het hoofd kan buigen en door een tunnel kan, wetend dat er licht is aan het einde.” De beelden en de woorden van El Rhazoui confronteren me met mijn eigen vragen. ‘Waar haalt zij die innerlijke zekerheid vandaan? Hoe doet ze dat? En, hoe ga ik zelf om met onrecht en geweld?’ De ene vraag roept de andere op en die vragen gaan in cirkels ronddraaien. Als dat gebeurt, zo is mijn ervaring, dan wordt het tijd om innerlijk stil te worden. Daar zijn verschillende manieren voor, maar ik pak dan graag het boekje dat onder handbereik ligt. Bladerend door de weekspreuken laat ik mezelf verrassen door het boekje open te slaan, en op een willekeurige plek vind ik soms zomaar ineens een weekspreuk die verrassend treffend blijkt te zijn of die me verder op weg helpt in mijn zoektocht. Zichzelf voortdurend scheppend Wordt zielezijn zichzelf gewaar; De wereldgeest streeft voort, In zelfinzicht zichzelf verlevendigend, En schept uit zieleduistemis De wilsvrucht van het zelfgevoel*                                                                          week 24.     15-21 september Hoe wordt de ziel zichzelf gewaar? Door het herinneren, door beelden op te roepen bijvoorbeeld ’s avonds als je terugblikt op je dag en merkt waar je in je ziel geraakt bent. Of door het je voorstellen van voornemens of het bedenken van plannen. Als je dan gewaarwordt wat er in je ziel leeft, ontstaat zelfinzicht. De wereldgeest wordt in jou levendig werkzaam, ‘je krijgt de geest’. En wanneer je in staat bent om je wilskracht in te zetten, kan zelfgevoel daarvan de oogst zijn. Zineb el Rhazoui weet wat in haar ziel leeft. Ze is kwetsbaar, maar ongebroken. Vanuit haar sterke wil en haar zelfinzicht is ze weer in het licht van de openbaarheid getreden, volhardend in haar strijd tegen geweld en onderdrukking. Ineens dringt het tot me door dat deze weekspreuk me laat zien waar het licht van de innerlijke zekerheid vandaan komt, het zelfgevoel dat als licht uit de duisternis van de ziel ontstaat. De weekspreuken op het slagveld van de Eerste Wereldoorlog De soldaten aan het front kregen in de Eerste Wereldoorlog kleine cadeautjes, sigaretten verpakt in platte blikjes. Een plan van de directeur van de sigarettenfabriek Waldorf-Astoria, Emil Molt. Toen de oorlog langer bleek te gaan duren, wilde hij de soldaten naast deze materiële geschenken ook iets geestelijks aanbieden. Hij liet kleine schriftjes, die precies in die blikjes pasten, bedrukken met teksten van verschillende dichters en schrijvers, waaronder ook enkele van Rudolf Steiner. Een ervan was de Seelenkalender met 52 weekspreuken. In een omgeving waar strijd, dood en ellende allesoverheersend waren, kwamen uit de sigarettenblikjes deze tot de ziel sprekende spreuken tevoorschijn. De ziel voelt zich gesterkt als die deze spreuken op zich laat inwerken, schreef Steiner in het voorwoord. *Weekspreuk in de nieuwe vertaling van Roel Munniks. De Stichting Rudolf Steiner Vertalingen heeft onlangs een nieuwe vertaling van de weekspreuken uitgebracht- Het is Roel Munniks gelukt om het oorspronkelijke metrum zo veel mogelijk intact te laten, met behoud van het poëtische taalgebruik. Rudolf Steiner, Antroposofische weekspreuken: Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen Algemene menskundealle artikelen Rudolf Seineralle artikelen op deze blog Menskunde en pedagogiealle artikelen .
2484-2331
. . / /

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 10 (10-5-1/1)

.

.
In de 10e voordracht bespreekt Steiner de – naar zijn zeggen – moeilijk te begrijpen metamorfose die geleid heeft tot de vorm van ons hoofd.

Aangezien het begrip ‘metamorfose’ in zijn werk veelvuldig voorkomt, ook op het terrein van de opvoedkunst, is het van groot belang dat de opvoeder/leraar met dit begrip vertrouwd raakt.

Er zijn verschillende artikelen die daarbij kunnen helpen.

In de reeks [10-5-volgnr] zullen er hier enkele toegevoegd worden.

GOETHES METAMORFOSE VAN DE PLANTEN

Goethe nam de ontwikkeling van de planten waar. Hij ontdekte dat alle organen op het gebied van het loof, kelk, kroon, bestuivingsorganen en vrucht gelijk zijn wat hun mogelijkheden op het gebied van de vorm betreft, al zien ze er uiterlijk heel verschillend uit. Bij de ontwikkeling van de plant worden deze vormmogelijkheden na elkaar zichtbaar. Goethes blik is gericht op de doorlopende eenheid. Daarin wordt de opeenvolging van de organen tot een metamorfose (gedaanteverwisseling), die men kan meebeleven. Aldus wordt de idee van de oer-plant in een drievoudige uitbreiding en samentrekking bij de uiterlijk zichtbare plant (bladvorming, bloeien en vruchtvorming) geestelijk waarneembaar. .

In zijn studie over de ‘metamorfose der planten’ geeft Goethe deze zienswijze in 123 paragrafen weer. Hetzelfde doet hij in een gedicht en in tal van opstellen:

‘Alle vormen lijken op elkaar en geen één is gelijk aan de ander
En zo duidt het koor op een geheime wet…’

Een andere kant van de ‘oerplant’ zag Goethe toen hij zich bezig hield met het broedblad (Kalanchoë pinnata). Hier lette hij in het bijzonder op de mogelijkheid van ieder deel van de plantensubstantie de gehele plant weer voort te brengen.

Goethes zienswijze der metamorfose als een middel tot inzicht

Goethes metamorfosegedachte is niet slechts historisch belangwekkend. Lange tijd heeft men de idee van de oerplant als slechts een ‘bouwplan’ opgevat, waarop men alle plantenvormen betrekken kan. Daarop heeft men de morfologie (leer der vormen) opgebouwd. Men heeft ze dus abstract als een ordenend schema (afb. 3) voorgesteld

of getracht de verschillende ontwikkelingsmogelijkheden (afb. 4) onder te brengen in een concrete, zintuiglijk waarneembare voorstelling.

Het innerlijk leven van de idee kan echter het beste recht worden gedaan door een kunstzinnige voorstelling (zie afb. 5).

Rudolf Steiner: Oerplant. Ontwerp voor een euritmieaffiche

Tegenwoordig is bewezen dat in de metamorfosegedachte een denkwijze ligt die verder ontwikkeld kan worden. Rudolf Steiner heeft daarvoor de kentheoretische basis geschapen. Wij gebruiken deze vorm van tot kennis komen als wij in een van de weergegeven bladvormreeksen niet alleen de aparte bladeren zien, maar ook de gedaanteverwisseling die zich ‘door hen heen’ laat zien. Wij nemen iets waar dat in het beeld niet zintuiglijk voorhanden is.

Deze in de vormenreeks door de eigen denkactiviteit waargenomen beweging is ook niet waarneembaar aan de groeiende plant, want het gaat immers om de door de plant na elkaar gevormde en dan volgroeide bladeren. De werkelijkheid van deze beweging ligt niet in de voorstelling die we er achteraf van vormen, maar in de voltrekking waarmee we op doelmatige wijze dichter bij een begrip komen voor het leven van de plant. Wanneer we vanuit deze activiteit de individuele bladeren bezien met betrekking tot hun plaats in het ontwikkelingsproces, dan krijgen zij als vanzelf een zekere betekenis. Hun vormen roepen niet slechts vage belevenissen op, maar worden tot sprekende gebaren. Die kunnen wij bijvoorbeeld bij het derde blad van links als ‘vroege vorm’ en bij een van de laatste bladeren als ‘late vorm’ kenschetsen. Een dergelijk oordeel heeft betrekking op de samenhang die door de denkende daad tegelijk met het individuele blad in het bewustzijn opduikt. Het is dan ook noch dogmatisch, noch subjectief.

De zienswijze van de metamorfose betekent dus een synthese gericht op het voorwerp en op de ideële (kosmische) samenhang die de beide andere wijzen van waarnemen verder voert. Bij het zien van de uiterlijke, afzonderlijke verschijnselen wordt de vraag naar het essentiële open gelaten en zijn activiteit beleefd in het navolgend scheppen van de samenhang van het beeld.

De blik voor de fysionomische uitdrukking van een natuurverschijnsel kan geschoold worden in objectieve zin: Men handhaaft voortdurend de samenhang tussen het ermee in verband gebrachte begrip en het volledige waarnemingsveld waaraan men het heeft ontleend.

Daarbij gaat het erom in de beschouwing de direct gegeven betrekkingen serieus te nemen. Men kan zich de volledige beelden van op elkaar gelijkende plantensoorten zoveel mogelijk nog in hun natuurlijke omgeving inprenten om ze dan in elkaar over te laten gaan. De afzonderlijke eigenschappen van een soort worden dan niet ‘uit het hoofd’ geleerd, maar zij verschijnen in de zelf ervaren samenhang. Hieruit kunnen zij te allen tijde weer ontwikkeld worden. Men heeft ze bij wijze van spreken ‘in het hart geleerd’. De idee krijgt daardoor in ons beleven steeds meer inhoud.

Uit: J. Bockemühl ‘Levensprocessen in de natuur’

Over metamorfose

Algemene menskunde voordracht 10 [10-5

Op deze blog staan ook verschillende artikelen die de metamorfose (van de plant) behandelen:

Metamorfose van de planten

Goethes fenomenologische methode

Ook in het tijdschrift van de Ver, v Vrije Opvoedkunst verschenen talloze artikelen over metamorfose

Algemene menskunde: voordracht 10 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Seineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2483-2330

./

/

.

.

.

/

Wat op deze blog staat

VRIJESCHOOL – 12e klas – karakterschetsen

.

Arine van der Heul, Stichtse Vrijeschool Zeist

.

Beeld en karakterschets; beeld of karakterschets?

.

Aanleiding voor bovenstaande vraag: aan het eind van de twaalfde klas wordt op de Stichtse Vrije School, waar ik werk, tijdens een speciale pedagogische vergadering, waarbij alleen de ouders van de betreffende leerlingen en de twaalfdeklassers zelf aanwezig zijn, elke leerling door een leraar toegesproken. Dit is misschien niet (meer) op elke bovenbouw gebruikelijk.

In het afgelopen jaar werd de voor de leraren gezamenlijke voorbereiding op het toespreken onverwacht helemaal anders aangepakt. In plaats van het, na een korte stilte, waarbij de ogen gesloten worden, naast elkaar leggen van bij elk van de leraren opgekomen beelden en deze als uitgangspunt voor het gesprek te nemen, werd iets heel anders gedaan. Voor mij werkte de nieuwe aanpak, die niet uitging van het beeld, helemaal niet. Bij een deel van de collega’s riep het verbazing op, dat dit zo was: zij konden nu juist weinig tot niets met beelden, in elk geval niet voor het maken van een karakterschets. Volgens mij waren de bijeenkomsten helemaal niet (in elk geval niet in eerste instantie) bedoeld voor het schrijven van een karakterschets. En dus was het mijn beurt heel verbaasd te zijn.

Nadenkend over deze voor mij schokkende ervaring besloot ik over het verschil tussen een beeld en een karakterschets een stuk te schrijven. Dit, opdat een goede beeld- en oordeelsvorming over dit onderwerp zouden kunnen plaatsvinden. En natuurlijk, opdat de toekomst er voor iedereen (misschien ook op andere bovenbouwen?) wat dit betreft weer goed uit zou mogen zien.

Hieronder een uitgebreide beschrijving van wat volgens mij een karakterschets is, gevolgd door een beschrijving van het beeld.

De karakterschets

In de samenstelling ‘karakterschets’ valt direct het woord ‘schets’ op. Het is niet de bedoeling een exacte beschrijving van een persoon op papier te zetten, alsof je een foto onder woorden brengt. Het betreft een subjectieve poging in grote lijnen en soms ook heel specifiek de leerling zo objectief mogelijk, dus zonder dat de schrijver zijn eigen gevoelens en oordelen laat doorklinken, zichtbaar te maken. Met welke vakken had de leerling affiniteit? Hoe ging hij om met moeilijkheden? Wat was zijn inzet? Waarin blonk hij uit? Wat liet deze opgroeiende mens in zijn eventuele worsteling met zichzelf, met zijn ‘geërfde jas’ zien? Wat viel op aan zijn omgang met de leerstof, met zijn leraren en zijn klasgenoten?

De karakterschets is een terugblik op het gewordene, op wat ontwikkeld werd of op wat er altijd al was en misschien altijd zo zal blijven:

‘We hebben leerling X leren kennen als

Daarbij kunnen de begrippen denken, voelen en willen een zeer bruikbare kapstok zijn om de schets aan op te hangen.

Het is een kunst bij het schrijven van de karakterschets niet (ver-)oordelend, maar tactvol en subtiel ‘de waarheid’, de waargenomen werkelijkheid, onder woorden te brengen of beter gezegd tussen de regels door leesbaar te laten zijn. Een leerling mag er nooit aanstoot aan nemen. Wel moet hij zichzelf in het geschrevene kunnen herkennen.

Het lezen van de getuigschriften en het gesprek met de leerling helpen de leraar, die de schets wil schrijven aan de nodige informatie. Daarnaast doen dit natuurlijk de eigen ervaringen met de leerling en last but not least de informatie van collega’s. Het voorlezen van de schets aan collega’s, die de leerling goed kennen, is een belangrijk en noodzakelijk onderdeel van het schrijfproces. De karakterschets wordt op de SVS namelijk niet ondertekend door de schrijver, omdat zij uiteindelijk bedoeld is, als een schriftelijke ‘getuigenis’ van het hele lerarencollege.

Idee? In de lerarenkamer per klas een map met een losbladig systeem neerleggen. Gedurende een bepaalde tijdspanne kan dan elke leraar in deze map op de bladzijde van de bewuste leerling in alle rust opschrijven, wat hij belangrijk vindt.

Het beeld

Het ontstaan van het beeld; de exacte fantasie. Het beeld ontstaat op een verrassende manier. Het is niet nodig de hele ‘Werdegang’ van een leerling te kennen, wel om hemzelf als het ware ‘geproefd’, beleefd, diep in je opgenomen te hebben. Na het sluiten van de ogen verschijnen, bij wie daar gevoelig voor is, beelden, die in eerste instantie vaak zelfs bevreemden.

‘Dat zou je niet bedacht hebben. Waar komt deze verschijning nou vandaan? Eerst maar eens afwachten, wat een ander te zeggen heeft, over wat hem innerlijk verscheen. ’

Deze gedachtes hebben velen van ons waarschijnlijk gehad. Daaropvolgend ook deze:

‘Hoe is het mogelijk, dat ik in elk beeld van een collega dezelfde elementen aantref als in mijn eigen beeld? Veel dynamiek, water, licht en helderheid, doelgerichtheid? ’

Enzovoort. ‘Dat zou je niet bedacht hebben’ en je hebt het ook niet bedacht. Blijkbaar is er een onbewuste laag in elk van ons, waarin waarnemingen worden gedaan, die pas als wij er voor openstaan, zoals bij een leerlingbespreking, naar de oppervlakte komen. Het moet een ‘wijze’ laag zijn, omdat naar mijn ervaring in de beelden zelfs constitutionele gegevens zichtbaar worden zoals een dunne huid, de aanleg angstig te zijn of chaos bij een zwavelconstitutie, enzovoort.

In de opleiding voor de onderbouw (basisschool) van de vrijeschool werd over de exacte fantasie gesproken als tegengesteld aan het met het verleden en met het geheugen samenhangende denken. Dit laatste denken is geschikt voor het beschrijven van het gewordene, het zichtbare, bijvoorbeeld geschikt voor de wetenschap voor zover deze met analyseren en het trekken van conclusies bezig is. De wetenschap heeft overigens ook een andere kant, waarin de exacte fantasie wel een grote rol zou moeten kunnen spelen.

Exacte fantasie ontspruit niet uit het niets, maar evenals wetenschap aan feiten, aan dat wat er is. Zij is vervolgens op de toekomst gericht op dat wat wil worden of zou kunnen worden, waarbij het daadwerkelijk bestaande ding, wezen of feit als uitgangspunt niet wordt losgelaten. In een verhaal, waarin woekerende fantasie voorkomt, spelen leeuwen op een viool, kunnen bomen opeens vliegen en gebruikt een lieveheersbeestje lippenstift. Dat kan allemaal bedacht, bij elkaar verzonnen zijn. En het denken is een willige dienaar: wat je maar wilt, kun je in je denken met elkaar verbinden, de ene associatie aan de andere knopend.

De exacte fantasie werkt vanuit de aard van het wezen of het ding, waar zij zich op richt. Zoals een plant bladeren krijgt, een bepaalde bloeivorm en vruchten, zo kan een beeld zich steeds verder ontwikkelen. Dat is iets anders dan de ene associatie naar believen aan de andere plakken (lieveheersbeestje is rood, lippenstift is rood: lieveheersbeestje smeert zich in met lippenstift).

Het kan niet anders, dan dat de exacte fantasie er de verklaring voor is, dat de beelden van de bijeen zittende leraren zoveel met elkaar gemeen blijken te hebben. De ‘subjectieve’ waarnemingen van de leraren blijken eigenlijk objectief te zijn: in ieders beeld is bijvoorbeeld het waterelement, het dynamische, het heldere licht en de doelgerichtheid terug te vinden.

Vaak zal een leraar, die moet toespreken, niet een beeld gebruiken dat in de bespreking naar voren kwam. Dat mag wel, maar hoeft niet. Wat is dan het nut van het aan elkaar vertellen van de beelden? Dat lijkt in de bevestiging te zitten, als uit de vertelde beelden een objectieve gemene deler spreekt. Naar behoefte kan, nadat de beelden verteld zijn, tot een analyse overgegaan worden, zodat het aan alle aanwezigen duidelijk wordt, wat uit de beelden geoogst kan worden. Dit kan ook weer informatie opleveren voor de karakterschets.

De gelaagdheid van het beeld

Heden, verleden, toekomst, moraliteit, idealen, talenten, dat wat nog geleerd wil of moet worden, alles kan zich in een beeld laten zien.

Wat biedt het instrument, waarover de leerling beschikt, hem aan beperkingen en aan mogelijkheden? Het instrument, dat van lichaam en ziel, dat door het ik van de leerling bespeeld wordt of juist tegenstribbelt en strijd met hem levert? Wat voor toekomstimpulsen lijken zichtbaar te worden? Welke glimpen vanuit welk verleden worden soms misschien zichtbaar? Welke affiniteiten anders dan met schoolvakken treden opeens aan de oppervlakte, met welke talenten kan de leerling straks woekeren, die in zijn karakterschets wellicht (subtiel onder woorden gebracht natuurlijk) als op school storende elementen naar voren zijn gekomen?

Vrijlatend?

Dat is natuurlijk relatief. Ook een beeld legt namelijk tenminste tijdelijk iets vast. het laat iets zien. Maar het zal nooit zo zijn, dat het beeld zegt: zo en zo ben jij en dat is (niet) goed of prettig, zo was jij en zo zul je (al of niet helaas) altijd blijven: jammer dan, of wat fijn, dat je zo geweldig bent. Een beeld be- en veroordeelt niet.

In een beeld of de ontwikkeling van een aantal beelden kun je laten zien, wat er is, waartoe dat kan leiden, waarheen iets mag groeien, wat nog overwonnen zou kunnen worden, wat al goed is en zo mag blijven. Wat hopelijk gebeuren zal, of wat een speciale opdracht zou kunnen zijn, dat mag – al weer in een beeld – als staartje aan het verhaal worden toegevoegd.

Alles zelfbedacht? Nee, ook biografische gegevens uit het leven van bijzondere mensen kunnen heel goed als hoopgevend, bevestigend of stimulerend (voor-)beeld dienen. In elk geval ligt aan de keuze van het beeld op de toespraakavond het diepere, de leerling zelf tonende beeld ten grondslag, waardoor de woorden voor de toegesproken leerling een grote zeggingskracht kunnen krijgen.

Als collega’s zich geen raad weten met beelden, het maken of begrijpen ervan, dan zouden zij daarbij mijns inziens geholpen moeten en kunnen worden. Oefencursus? ‘Allgemeine Menschenkunde’ bestuderen (liefst gezamenlijk)? Bij de leerling-besprekingen een leraar laten ‘vertalen’ wat in de beelden verborgen ligt?

In elk geval niet opgeven wat door velen als zo kostbaar ervaren is en voor mij het hart van onze school raakt.

Arine van der Heul
Stichtse Vrije School, Zeist

.

2482-2329

./

/

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner– Algemene menskunde – voordracht 9 (9-1-2-2/18)

.

Enkele gedachten bij blz. 135/136 in de vertaling van 1993.
.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE
.

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Op blz. 135/136 en verderop in de voordracht – zie daarvoor [9-5] zegt Steiner iets over de ontwikkelingsfasen van het kind.

Zie de inleiding

Voor de eerste levensfase van 0 – 7 jaar hechtte Steiner grote waarde aan o.a. de nabootsing. Hij beschrijft dat deze nabootsingskracht in het kind rond het 7e jaar langzamerhand afneemt. Er vindt a.h.w. een soort omwerking plaats en nabootsing wordt na-volging. In zekere zin ook een soort nabootsing: je wil dat wat de oudere in jouw omgeving voorleeft in je opnemen – niet meer dromend zoals met de nabootsing gebeurt, maar meer ‘gewild’ doordat je vertrouwen hebt in die oudere persoon; respect ook. Dat is voor Steiner het ‘autoriteitsprincipe’. 

Rudolf Steiner over de ontwikkelingsfase 7 – 14: autoriteit

GA 308

Voordracht 5, Stuttgart 11 april 1924

Blz. 77   vert. 116

Verstehen wir das recht, dann lernen wir wissen, daß wir dem Kinde zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife noch nicht beikommen, wenn wir ihm Gebote geben. Wir kommen moralisch dem Kinde vor dem Zahnwechsel nicht bei, wenn wir irgendwie moralisieren. Das hat im ersten Lebensalter noch keinen Zugang zu der Seele des Kindes. Da hat nur Zugang, was wir an Moral tun, was das Kind schauen kann in dem, was sich als Moral auslebt in den Handlungen, Gebärden, Gedanken, Gefühlen der menschlichen Umgebung. Und in der zweiten Lebensepoche, zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife, kommen wir dem Kinde auch noch nicht bei, wenn wir ihm Moralgebote geben. Es hat noch keine innerliche Beziehung zu dem, was in Moralgeboten liegt. Moralgebote sind für es ein leerer Schall. Beikommen können wir dem Kinde in diesem Lebensalter nur, wenn wir ihm gegenüberstehen als eine selbstverständliche Autorität, wenn das Kind, ohne daß es abstrakt weiß, was Schönheit, Wahrheit, Güte und so weiter ist, in seinem Gefühl entwickeln kann den Impuls: In dem Lehrenden und Erziehenden steht vor mir verkörperte Güte, verkörperte Wahrheit, verkörperte Schönheit. –

Als we dat goed begrijpen, dan komen we te weten dat we het kind tussen de tandenwisseling en de puberteit nog niet bereiken als we hem geboden geven. We bereiken het kind vóór de tandenwisseling op het morele vlak niet als we op de een of andere manier moraliseren. Dat komt in die eerste fase nog niet in de ziel van het kind binnen. Dan komt slechts binnen wat wij aan moraliteit doen, wat het kind kan waarnemen in wat zich manifesteert in onze handelingen, gebaren, gedachten en gevoelens in de menselijke omgeving. En in de tweede leeftijdsfase, tussen de tandenwisseling en de puberteit, bereiken we het kind ook nog niet als we hem morele geboden geven. Het heeft; nog geen innerlijke verhouding tot wat morele geboden betekenen. Morele geboden zijn voor hem nog holle klanken. Bereiken kunnen we het kind op deze leeftijd alleen als we voor hem staan als vanzelfsprekende autoriteit, als het kind zonder abstract te weten wat schoonheid, waarheid en goedheid enzovoort is, in zijn gevoel de impuls kan ontwikkelen: in de leraar en opvoeder staat voor mij belichaamde goedheid, belichaamde waarheid, belichaamde schoonheid.

Versteht man das Kind recht, so weiß man: Ein abstrakt erkennendes, intellektuelles Verständnis gibt es noch nicht beim Kinde für die Offenbarung von Weisheit, Schönheit, Güte, aber die Offenbarung gibt es, die das Kind schaut in dem Blick, der Handbewegung des Lehrers und Erziehers, in der Art und Weise, wie die Worte des Lehrers und Erziehers gesprochen werden. Der Lehrende, der Erziehende selbst ist das, was das Kind, ohne daß es viele Worte ausspricht, Wahrheit, Schönheit, Güte nennt, nennt mit den Offenbarungen des Herzens. Und so muß es sein. Und wenn dann der Lehrer und Erzieher dem entspricht, was das Kind in diesem Lebensalter bedarf, dann erwächst in dem Kinde allmählich zweierlei. Erstens der Sinn, der innere ästhetische Sinn des Wohlgefallens und des Mißfallens auch für das Moralische. Das Gute gefällt dem Kinde, wenn wir es in der richtigen Weise durch unsere ganze Persönlichkeit im Beispiel an das Kind heranbringen. Und wir müs-

Begrijp je het kind goed, dan weet je: een abstract kennend, intellectueel begrip is er bij het kleine kind nog niet voor de openbaring van wijsheid, schoonheid en goedheid, maar wel is er de openbaring die het kind ziet in de blik, de handbewegingen van de leraar en opvoeder, in de manier waarop de woorden van de leraar en de opvoeder worden gesproken. De leraar, de opvoeder zelf is het die door het kind zonder veel woorden te spreken, waarheid, schoonheid en goedheid noemt, noemt met de openbaringen van het hart. En zo moet het ook. Als dan de leraar en de opvoeder beantwoordt aan wat het kind op deze leeftijd nodig heeft, dan ontwikkelen zich in het kind geleidelijk twee dingen. Ten eerste, het gevoel, de innerlijke esthetische zin voor het welbehagen en ongenoegen ook voor het morele. Het goede behaagt het kind, als wij het ten minste op de juiste manier door heel onze persoonlijkheid in ons voorbeeld aan het kind geven. En wij moeten

Blz. 78  vert. 117

sen die Erziehung so einrichten, daß das natürliche Bedürfnis nach dem Gefallen am Guten sich entwickeln kann, ebenso das Mißfallen an dem Bösen. Wie fragt sich das Kind? Nicht in ausgesprochenen intellektuellen Worten, sondern innerlich herzhaft fragt es: Soll ich etwas tun? Ich darf es tun, denn der Lehrer tut es. Soll ich etwas unterlassen? Ich muß es unterlassen, denn der Lehrer bedeutet mir, daß es nicht geschehen darf. – So erlebt das Kind am Erzieher die Welt, die Welt in ihrer Güte, die Welt in ihrem Bösen, die Welt in ihrer Schönheit, die Welt in ihrer Häßlichkeit, in ihrer Wahrheit, in ihrer Lüge. Und dieses Gegenüberstehen dem Lehrer und Erzieher, dieses Arbeiten in den verborgenen Kräften zwischen Kindesherz und Erzieherherz, das ist der wichtigste Teil der Methodik des Lehrens, und darin liegen die Lebensbedingungen des Erziehens. So ist gerade das Lebensalter zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife dasjenige, in welchem Gefallen und Mißfallen gegenüber dem Moralischen und Unmoralischen heranwachsen. Dann aber zeigt sich in alledem, was da als moralischer Gefühlsinhalt in dem Kinde heranwächst, etwas im Hintergrunde:

de opvoeding zo inrichten dat de natuurlijke behoefte naar het welbehagen bij het goede zich kan ontwikkelen, net zo als het ongenoegen bij het kwaad.
Hoe vraagt het kind zich dat af ? Niet met uitgesproken intellectuele woorden, maar innerlijk met zijn hart vraagt het: moet ik iets doen? Ik mag het doen, want de leraar doet het ook. Moet ik iets niet doen? Ik moet dit niet doen want de leraar maakt me duidelijk dat het niet mag gebeuren. – Zo ervaart het kind via zijn opvoeder de wereld, de wereld in haar goedheid, de wereld in haar kwaadaardigheid, de wereld in haar schoonheid, de wereld in haar lelijkheid, de wereld in haar waarheid, de wereld in haar leugen. In dit tegenover elkaar staan ten opzichte van de leerkracht en opvoeder, dit werkzaam zijn van de verborgen krachten tussen kinderhart en opvoederhart, dat is het belangrijkste deel van de onderwijsmethode, en daarin zitten de levensvoorwaarden voor de opvoeding. Juist de leeftijd tussen de tandenwisseling en de puberteit is er een waarin zich sympathie en antipathie voor het morele en het immorele ontwikkelen. Dan laat zich in alles wat er aan morele gevoelsinhoud in het kind rijpt iets op de achtergrond zien:

Dasjenige, was zuerst in naturhafter Art beim Kinde vorhanden war in der ersten Lebensepoche, diese Hingabe, die religiös zu nennen ist, an die Umgebung, die tritt, ich möchte sagen, als etwas Wiedererstehendes in anderer Form in all diesem moralischen Bilden auf. Und wir können leicht, wenn wir dazu die geschickte Seelenkraft als Lehrer und Erzieher haben, dasjenige, was als Gefallen am Guten und Mißfallen am Bösen entsteht, jetzt hinleiten zu demjenigen, was die Naturäußerungen seelisch durchströmt. Erst ist das Kind wie naturhaft an die Natur selbst hingegeben, denn was in der Umgebung als Moralisches auffällt, das wird vom Kind an der Natur geschaut, es wird vom Kind die moralische Handbewegung empfunden, nachgeahmt, sich einverleibt. Aber was da naturhaft ist, dieses Religiöse, es verwandelt sich, metamorphosiert sich, indem wir das Gefallen am Guten entwickeln, ins Seelenhafte hinein. Und bedenken Sie, was das bedeutet, daß wir im Zauber des voll Unbewußten bis zum Zahnwechsel hin im Kinde das Religiöse auf naturhafte Art, in reiner Nachahmung sich entwickeln lassen. Wir stellen dadurch das Religiöse zunächst in jenes Lebensalter des Men-

wat eerst op een natuurlijke manier bij het kind in de eerste levenstijd aanwezig was, deze overgave — die men religieus kan noemen — aan de omgeving, die treedt weer opnieuw in een andere vorm op in al dit zich vormen van het morele. We kunnen nu, wanneer we als leraar en opvoeder de goede zielenkracht daarvoor bezitten, gemakkelijk sympathie voor het goede en antipathie voor het verkeerde in aanraking brengen met wat aan natuurverschijnselen door de ziel heen gaat. Eerst is het kind nog als het ware van nature aan de natuur zelf overgeleverd. Want wat het kind in zijn omgeving aan morele dingen in het oog vat, dat wordt door het kind aan de natuur waargenomen; het kind ervaart de moraliteit in het bewegen van de hand, dat wordt nagebootst en dat verandert, het wordt gemetamorfoseerd in het ontwikkelen van sympathie voor het goede, in iets zielsmatigs. En bedenkt u wel wat het betekent dat wij bij het kind in de betovering van het volledig onbewuste tot aan de tandenwisseling dit religieuze zich laten ontwikkelen op een natuurlijke manier door pure nabootsing. We zetten daardoor het religieuze element allereerst in die levensfase van de mens 

Blz. 79  vert. 118

schen hinein, wo wir noch nicht antasten können die Kraft seiner inneren freien Individualität. Wir erziehen an der Natur und tasten das Seelisch-Geistige nicht an. Und wenn wir zwischen dem Zahn Wechsel und der Geschlechtsreife an das Seelische herandringen, wenn wir uns nähern müssen dem Seelischen, dann pfropfen wir nicht mehr in das Kind hinein das religiöse Fühlen, dann erwecken wir es schon, dann appellieren wir schon an das Selbst im Menschen. Da sind wir als Erzieher und Unterrichter schon praktische Freiheitsphilosophen, denn wir sagen nicht: Du mußt an das oder jenes glauben im Geist -, sondern wir erwecken das, was dem Menschen angeboren ist zu glauben. Wir werden immerfort Erwecker der kindlichen Seele, nicht Ausstopfer dieser Seele. Das ist die richtige Ehrfurcht, die wir vor jedem von dem Göttlichen in die Welt hereingesetzten Geschöpf, insbesondere vor dem Menschen, haben müssen. Und so sehen Sie das Selbst im Menschen aufkeimen, sehen, wie sittliches Gefallen und Mißfallen den religiösen Charakter empfängt.

waarin we de kracht van zijn vrije individualiteit nog niet kunnen aanspreken. We voeden op door de natuur en raken ziel en geest niet aan.
En als we tussen de tandenwisseling en de puberteit het psychische benaderen, als we dit psychische gebied moeten benaderen, dan stoppen we niet meer het religieuze gevoel in het kind, maar we maken het wel wakker, dan doen we al een beroep op het Zelf in de mens. Dan zijn we als opvoeder en leraar al praktische filosofen van de vrijheid; want we zeggen niet: je moet in dit of dat in de geest geloven -, maar we wekken wat bij de mens aangeboren is om te geloven. We worden steeds meer wekker van de kinderziel, en niet iemand die de ziel volstopt.
Dat is de juiste eerbied die wij voor ieder door het goddelijke in de wereld geplaatst schepsel moeten hebben, in het bijzonder voor de mens. En zo ziet u het Zelf in de mens ontkiemen, dan ziet u hoe de morele sympathie en antipathie een religieus karakter krijgt.

Wenn wir nun beachten lernen, wie das Religiöse, das erst naturhaft war, sich seelisch metamorphosieren will, da legt der Lehrer und Erzieher in das Wort hinein dasjenige, was zum gefallenden Bild des Guten, Schönen, Wahren wird. Dann liegt in seinem Worte das, woran das Kind hängt. Da handelt aber noch der Lehrer und Erzieher. Seine Handlungsweise wird jetzt nicht mehr nachgeahmt, sie weist zu dem, was dahintersteht. Sie regt nicht mehr das äußerlich Körperliche an, sie regt das Seelische an. Eine religiöse Atmosphäre durchzieht das moralische Gefallen und Mißfallen.

Als we nu leren waarnemen hoe het religieuze, dat aanvankelijk iets natuurlijks was, zich psychisch wil metamorfoseren, dan legt de leraar en opvoeder in zijn woorden wat tot een sympathievol beeld wordt van het goede, het schone en het ware; dan ligt in zijn woorden datgene waaraan het kind hecht. Maar daar is het nog de leraar en opvoeder die handelt. Zijn handelwijze wordt nu niet meer nagebootst, maar wijst op iets wat erachter zit. Die handelwijze stimuleert niet meer het uiterlijk lichamelijke, ze stimuleert het gevoel. Een religieuze sfeer doortrekt de morele sympathie en antipathie.

Blz. 82/83   vert. 123/124

Wer da hängt an jenen Trivialitäten, die man häufig als Anschauungsunterricht heute hat, wo man sich verschanzt hinter dem
auf der einen Seite selbstverständlichen, auf der anderen Seite törichten Wort: An das Kind soll Anschaulichkeit nur herangebracht werden, wofür es eben das Begriffsvermögen hat -, nun, der kommt eben zu all den Trivialitäten, denen gegenüber man die Wand hinaufkriechen möchte. Dem muß entgegengesetzt werden jenes tiefere Menschheitsgesetz, das uns zum Bewußtsein bringt, was es für die Vitalität des Menschen bedeutet, wenn er als Vierzigjähriger plötzlich daraufkommt: Du verstehst jetzt erst das, was dir die verehrte Autorität vorgedacht und vorgelebt hat. Damals nahmst du es auf, weil dir die Autorität die Verkörperung von Wahrheit, Güte, Schönheit war. Jetzt hast du Gelegenheit, das Gehörte ins volle Bewußtsein heraufzuholen. Solch ein Heraufgeholtes wirkt ungeheuer verjüngend, vitalisierend im späteren Lebensalter. Und all das muß man im späteren Alter entbehren, wenn beim Erziehen und Unterrichten nicht darauf gesehen worden ist, daß nun wirklich in den Untergründen etwas von dem ist, was eben erst später verstanden werden kann. Leer und öde wird die Welt, wenn nicht immer von neuem aus dem Inneren der Menschennatur aufquellen kann, was die äußere Anschauung durchsetzt mit Geist und Seele. 

Wie van de trivialiteiten houdt die je tegenwoordig als aanschouwelijk onderwijs tegenkomt, waarbij men zich verschanst achter de enerzijds vanzelfsprekende, anderzijds dwaze woorden: je moet het kind alleen die aanschouwelijkheid geven die het kan begrijpen – nou, die komt dan tot al die trivialiteiten waarvan je tegen de wand kruipt. Daartegenover moet een diepere wetmatigheid komen te staan die werkzaam is in de mensheid en die ons bewust maakt wat het voor de vitaliteit van de mens betekent als hij er als veertigjarige plotseling op komt: nu begrijp je pas echt wat de vereerde autoriteit heeft voorgedacht en voorgeleefd. Toen nam je het in je op omdat de autoriteit de belichaming was van waarheid, goedheid en schoonheid. Nu heb je gelegenheid wat je toen hoorde, volledig in je bewustzijn op te halen.
Wat daar wordt opgehaald werkt op latere leeftijd enorm verjongend, vitaliserend. En dat moet je allemaal op latere leeftijd missen als er bij onderwijs en opvoeding niet op gelet is dat er in het onderbewuste werkelijk iets zit wat pas later kan worden begrepen. Leeg en verlaten zou het in de wereld worden als er niet steeds opnieuw vanuit het menselijk innerlijk kan opborrelen wat de uiterlijke waarneming vervult met geest en ziel.

So geben wir dem Menschen in voller Freiheit Vitalität für sein ganzes Leben, wenn wir in dieser Weise erziehen.
Und ich darf erwähnen, was ich oft gesagt habe: Ein wirklicher Unterrichter und Erzieher muß stets das ganze menschliche Leben vor sich haben, muß zum Beispiel hinschauen auf jene wunderbare Äußerung manches Menschen im Greisenalter: Es braucht einer nur zu kommen und gar nicht viel zu sagen, was er erregt, trägt einen segnenden Stempel. In jeder Handbewegung, die er macht, liegt etwas Segnendes, Das ist manchem an der Schwelle des Todes stehenden Menschen eigen. Woher hat er das? Er hat das, weil er in der Kindheit auf natürliche Art hat aufschauen, hat sich hingeben gelernt. Das verehrende Aufschauen und Hingeben im Kindesalter wird zur Macht des Segnens im späteren Lebensalter. Man darf sagen: Keiner kann am Ende des Erdenlebens die Hand zum Segnen ausbreiten, der sie nicht als Kind auf natürliche Weise hat falten gelernt zum Gebet. Aus der Faltung der Hände zum Gebet, aus jener frommen Hingabe im Kindheitsalter
entsteht die Kraft des Begnadens im höchsten Lebensalter an der Schwelle des Todes. Denn alles das, was keimhaft in dem Kinde angedeutet ist, alles das bildet sich aus als gute oder böse Frucht für das eigene Erleben des Menschen im weiteren Erdenleben. Auch das muß man stets vor sich haben, wenn man eine Methodik des Lehrens auf Grund der Lebensbedingungen des Erziehens ausbilden will.

Zo geven we de mens in volledige vrijheid vitaliteit voor zijn hele leven als we op deze manier opvoeden. En ik mag nog eens vermelden wat ik al vaker heb gezegd: een echte leraar en opvoeder moet steeds het hele mensenleven voor zich zien, moet bijvoorbeeld kijken naar het bijzondere wat je ziet bij sommige mensen wanneer ze oud zijn: er hoeft alleen iemand te zijn en helemaal niet veel te zeggen, maar wat hij oproept draagt een zegenend stempel. In iedere handbeweging die hij maakt zit iets zegenends. Dat is eigen aan sommige mensen die voor de drempel van de dood staan. Waar heeft hij dat vandaan?
Dat heeft hij omdat hij in zijn kindertijd op een natuurlijke manier heeft leren opkijken, overgave heeft geleerd. Het met verering opkijken en zich overgeven in de kinderjaren wordt tot de macht om te kunnen zegenen op latere leeftijd. Je kunt zeggen: niemand kan aan het einde van zijn aardse leven zijn hand zegenend uitspreiden als hij ze niet als kind op natuurlijke wijze heeft leren vouwen om te bidden. Uit het vouwen van de handen tot gebed, uit die vrome overgave in de kinderjaren ontstaat de begenadigende kracht op hoge leeftijd aan de drempel van de dood. Want alles wat als kiem in het kind is aangelegd, dat alles ontwikkelt zich als goede of slechte vrucht voor de eigenbeleving van de mens in het verdere leven op aarde. Ook dat moet je steeds voor ogen houden als je een onderwijsmethodiek op basis van de levensvoorwaarden voor de opvoeding wilt ontwikkelen.
GA 308/77-83    
Vertaald/116-124

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2]
 GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2481-2328

./

/

.

.

 

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (2-4/16)

.

In de kleuterklas en de 1e klas van de vrijeschool worden sprookjes verteld. Die werden en worden op allerlei manieren verklaard, uitgelegd.
Ook door de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie, het antroposofische mensbeeld, is er een bepaalde taal te lezen tussen de regels van het sprookje.
De beeldentaal.
Om het sprookje te vertellen, is het niet nodig dat je die beeldinhoud kent, maar het kan wel helpen je een stemming mee te geven in wát je nu eigenlijk vertelt. Het gaat om een gevoelsmatige verbinding, niet om een intellectueel uit elkaar rafelen.
Overbodig te zeggen dat ‘de uitleg’ nooit voor de kinderen bedoeld is!

Friedel Lenz heeft met die achtergronden verschillende sprookjes van Grimm gelezen en haar opvattingen zijn weergegeven in haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘.

De woorden van Friedel Lenz worden hier niet letterlijk vertaald weergegeven, meer de strekking daarvan, die ik met eigen gezichtspunten heb aangevuld.
.

Friedel Lenz, Die Bildsprache der Märchen
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES
.

BONTEPELS

Er was eens een koning, die een vrouw had met gouden haar en zij was zo mooi, dat haars gelijke op aarde niet te vinden was. Maar het gebeurde dat zij ziek werd en toen zij voelde, dat zij weldra zou sterven, riep zij de koning en sprak: ‘Als je na mijn dood weer in het huwelijk wilt treden, neem dan iemand, die even schoon is als ik en die net zulk gouden haar heeft als ik; dat moet je mij beloven.’ Nadat de koning haar dat had beloofd, sloot zij de ogen en stierf.

De koning was lange tijd ontroostbaar en dacht er niet aan een tweede vrouw te nemen. Eindelijk spraken zijn raadslieden: ‘Het kan niet anders, de koning moet weer trouwen, zodat wij weer een koningin hebben.’ Nu werden overal heen boden uitgezonden om een bruid te zoeken, die even schoon was als de gestorven koningin. In de hele wereld was er echter geen te vinden en al had men er een gevonden, dan was er toch geen enkele met zulk gouden haar. En dus kwamen de boden onverrichter zake terug.

Nu had de koning een dochter, die even mooi was als haar gestorven moeder en ook zulk gouden haar had. Toen zij was opgegroeid, keek de koning haar eens aan en zag, dat zij in alles geleek op zijn overleden gemalin en plotseling voelde hij een hevige liefde voor haar. Toen sprak hij tot zijn raadslieden: ‘Ik wil met mijn dochter trouwen, want zij is het evenbeeld van mijn overleden vrouw en anders kan ik toch geen bruid vinden, die op haar lijkt.’ Toen de raadslieden dat hoorden, schrokken zij en spraken: ‘God heeft verboden dat een vader met zijn dochter trouwt, uit deze zonde kan niets goeds voortkomen en het rijk wordt mee in het verderf gestort.’ De dochter schrok nog meer toen zij het besluit van haar vader hoorde, maar hoopte hem nog van zijn plan af te brengen. 

Evenals bij Doornroosje duidt het begin van dit sprookje op het ‘gouden tijdperk’. Daarin was de ziel nog een eenheid, in een toestand die het sprookje ‘koningschap’ noemt. De ziel was nog omgeven door een grote glans van wijsheid. Dat was een geschenk, uit genade gekregen: zij droeg gouden haren. Maar alles is in ontwikkeling, ook aan het oeroude tijdperk komt een eind, verduistering treedt in: de koningin sterft en ‘haars gelijke was op aarde niet te vinden.’
Uit de oude ziel is een nieuwe ziel geboren – zoals de dochter uit de moeder. Zij heeft evenals haar moeder de doorlichtende spiritualiteit, in het sprookje zie je dat aan ‘het even mooi als de moeder’ en ook aan de gouden haren.
Zou de vader met de dochter trouwen, dan zou er geen ontwikkeling kunnen plaatshebben, dan zou de tijd stil blijven staan, in de oertijd van de mensheid. Maar de dochter weet dat de paradijselijke toestand niet kan blijven voortduren en dat zij haar ‘oer’vaderland moet verlaten. De weg van de mensheid gaat verder in de afdaling naar de aarde om er later uit eigen kracht weer uit op te stijgen. Het meisje kiest vrijwillig de armoede en eenzaamheid. Zo kan het Vader-Geestprincipe in de wereld weer worden gevonden.

Toen zei zij tegen hem: ‘Voordat ik uw wens vervul, moet ik eerst drie gewaden hebben, één goud als de zon, één zilver als de maan, en één zo stralend als de sterren; dan wil ik nog een mantel hebben, vervaardigd uit duizenderlei bont en huiden en elk dier uit uw rijk moet een stukje van zijn huid daarvoor afstaan.’ Zij dacht echter: zoiets is onmogelijk te krijgen en ik breng mijn vader daarmee van zijn slechte gedachten af. Maar de koning hield vol en de vaardigste jonkvrouwen in zijn rijk mochten de drie gewaden weven, één goud als de zon, één zilver als de maan, en één zo stralend als de sterren; en zijn jagers moesten alle dieren in het hele land vangen en een stuk van hun huid aftrekken; daarvan werd een mantel gemaakt van duizenderlei bontsoorten. Tenslotte liet de koning, toen alles klaar was, de mantel halen, spreidde hem voor haar uit en sprak: ‘Morgen is de bruiloft.’

Toen nu de koningsdochter zag, dat er geen hoop meer was, haar vader tot andere gedachten te brengen, besloot zij te ontvluchten. ’s Nachts, toen iedereen sliep, stond zij op en nam van haar kostbaarheden er drie mee, een gouden ring, een gouden spinnewieltje en een gouden haspeltje; de drie gewaden van zon, maan en sterren deed zij in een notendop, trok de mantel van de vele soorten bont aan en maakte haar gezicht en handen zwart met roet.

De koningsdochter wil drie gewaden hebben; die zijn zo teer dat ze ze zelf in een notendop kan doen. Het vaderlijk Zelf is in staat drie kosmische ‘omhullingen’ te geven. Als de tijd daar is, zullen ze zich ‘ontplooien’ en zal zij ze zelf uit de notendop halen.
De beelden van sprookjes en mythen zijn voor het intellect ontoegankelijk, maar wij mensen gebruiken wel beeldende woorden: in het Duits heet ‘een harde kop hebben’, ‘een harde noot hebben (eine harte Nuss); wij spreken over ‘de kersenpit’. De hersenen liggen in een schaal. Voor Paracelsus een aanwijzing dat walnoten en hersenen ‘iets’ met elkaar te maken hebben, volgens hem versterken die de hersenen; de natuur geeft overal signalen af.
In het hoofd, in de denkende grote hersenen, liggen de vermogens verborgen = de drie gewaden – die zich eens zullen kunnen ontplooien – als de tijd rijp is.
En een mantel uit allerhande pelsstukjes, komt hier nog bij.
In een sprookje zijn de dieren onze driften en instincten. En ook al is de mens als kroon op de schepping met zijn hogere wezen verwant aan de engelen, met het lagere is hij verwant aan de dieren.
De sluwheid bij de begeerte zien we in de listige vos; het paardenverstand dat beteugeld moet worden, zodat je je niet ‘vergaloppeerd’; leeuwenmoed; de koppigheid van de ezel en soms zijn domheid; het drammerige van de stier.
Van alles wat warmbloedig is en haar heeft, zit er een stukje in de mantel. De ziel kleedt zich met deze mantel en gezicht en handen worden zwart, de driftmatige natuur overheerst, de blik en het handelen verliezen de lichtkracht.

Toen beval zij zich in Gods genade aan, ging weg en liep de hele nacht door tot zij in een groot bos kwam. En omdat zij moe was, kroop zij in een holle boom en viel in slaap.
   De zon ging op, maar zij sliep door en zij sliep nog toen het al volop dag was. Nu gebeurde het, dat de koning, aan wie dit bos toebehoorde, er ging jagen. Toen zijn honden bij de boom kwamen, snuffelden ze, liepen er omheen en blaften. De koning sprak tot de jagers: ‘Ga eens kijken wat voor wild zich daar heeft verstopt.’ De jagers volgden het bevel op en toen zij terugkwamen, zeiden zij: ‘In de holle boom ligt een wonderlijk dier, zoals wij nog nooit hebben gezien: zijn huid bestaat uit duizenderlei soorten bont; maar het ligt te slapen.’ De koning sprak: ‘Probeer het levend te vangen, bind het dan op de wagen en neem het mee.’ Toen de jagers hel meisje beetpakten, werd zij verschrikt wakker en riep hun toe: ‘Ik ben een arm kind, door vader en moeder verlaten, ontferm u over mij en neem mij mee.’ Toen zeiden zij: ‘Bontepels, je bent geschikt voor de keuken, kom maar mee, dan kan je de as aanvegen.’

De nacht en de dag vertegenwoordigen twee werelden: de nacht is de tijd van dromen, een mythologische tijd, de kindertijd van de mensheid; de dag is de tijd van denken, wakker en wakker geworden denken. Midden op de dag duidt op het logische verstandsdenken. De mens die in beelden leeft, slaapt in de ‘boom van de zenuwen’ in, de zenuw-zintuigmens wordt wakker. Alle rijkdom is verdwenen en bij het wakker worden klinkt: ‘Bontepels, je bent geschikt voor de leuken.’
Ze bevindt zich nu wel in het rijk van de koning die eens haar gemaal zal worden. De gemaal van de ziel is het Ik. Bontepels is vanuit de zielenwereld van het vaderzelf, in de wereld van het Ik binnengegaan, en daartoe moet ze zich verder ontwikkelen. Ze is nog arm en moet van onderop beginnen. De kenniskrachten hebben haar opgejaagd: de jagers van de koning, en die brengen haar op de plaats waar de loutering en de ontwikkeling kan beginnen.

   En zij zetten haar op de wagen en keerden terug naar het koninklijk slot. Daar wezen zij haar een hokje aan onder de trap, waar geen daglicht binnenviel en zeiden: ‘Pelsdiertje, daar kan je wonen en slapen.’ Toen werd zij naar de keuken gestuurd, droeg daar hout en water aan, stookte het vuur op, plukte het pluimvee, maakte de groente schoon, veegde de as bijeen en deed al het vuile werk.

Kijken we naar de mythe van de vogel Feniks die zich als offer verbrandt en uit de as weer opnieuw wordt geboren. Dit oeroude motief herinnert ons aan de voortdurende loutering en verandering, aan dood en opstanding. Goethe vat dit samen in de woorden:

‘Und solang du das nicht hast,
Dieses: Stirg und werde!
Bist du nur ein trüber Gast
Auf der dunklen Erde

Wel vertaald als:

Zolang je deze wijsheid niet bezit:
sterf om te worden,
ben je slechts een trieste gast,
op deze donkere aarde.

Of:

Maar zolang het je niet past
‘Sterf en leef dan!’ te aanvaarden,
Ben je maar een droeve gast.
Op de donkere aarde. –

Sterven en worden moeten plaatsvinden in het hart. Bontepels moet bij de haard zijn en de as vegen. De haard, de vuurplaats in het huis, wordt het symbool voort de warmtebron in het huis van het lichaam, voor het hart. Dien vanuit de kracht van je hart, wil het sprookje ons leren; verbrand al het lagere in de louterende vlammen, louter je in het vuur van de geestdrift en wat achterblijft, veeg dat op, waardoor de vlammen steeds kunnen oplaaien. Draag ‘hout’ aan, draag en verdraag alles wat droog en verdroogd is, ver-hout, waarin het leven is gestorven – ook de dorre gedachten zijn daarmee bedoeld. Draag ‘water’ aan: denk aan wat bij water aan woorden hoort: de bron (aanboren), het opborrelen; het ‘scheppend’ zijn; zich ‘verdiepen’, (laten) stromen, stromend leven – je zal makkelijk herkennen wat wordt bedoeld. Het betekent in de ziel, de ‘dorstende’ ziel, het ‘smachtende’ hart verkwikken door het goede, het ware en het schone.
Een Oudchinese spreuk zegt:

‘O, hoe wonderbaarlijk
Hoe mysterieus:
Ik schep water, ik draag brandhout.’

Zo leidde Bontepels lange tijd een echt armoedig bestaan. Ach, gij schone koningsdochter, wat moet er van u worden! Maar eens geschiedde het, dat er feest gevierd werd in het slot; toen zei zij tegen de kok: ‘Mag ik even naar boven om te kijken? Ik zal buiten de deur blijven staan.’ De kok antwoordde: ‘Ja, ga er maar heen, maar over een half uur moet je terug zijn om de as aan te vegen.’ Zij nam haar olielampje, ging naar haar hokje, trok de pels uit en waste het roet van haar gezicht en handen af, zodat haar volle schoonheid weer aan het licht kwam. Daarna maakte zij de noot open en haalde er haar kleed uit, dat straalde als de zon. En toen dat gebeurd was, ging zij naar boven, naar het feest, en allen gingen voor haar opzij, want niemand kende haar en zij dachten niet anders dan dat zij een koningsdochter was. De koning evenwel trad haar tegemoet, reikte haar de hand, danste met haar en dacht in zijn hart: Nog nooit hebben mijn ogen zo’n mooi meisje gezien. Toen de dans ten einde was, neeg zij diep voor hem en toen de koning omkeek, was zij verdwenen en niemand wist waarheen. De schildwachten, die voor het slot stonden, werden geroepen en ondervraagd, maar niemand had haar gezien.

Nu gaat het om de ontwikkeling. Zal ze verder kunnen komen? De menselijke ziel heeft gedaan waartoe ze in staat was. Door haar volle inzet kan nu een andere kracht worden aangesproken: het Ik in de glans van zijn koningschap, de hogere mens, die zal haar tegemoet komen.
Bij Assepoester volgt de ziel die aangesproken is de oproep, in dit sprookje wordt geschilderd hoe de ziel vanuit de eigen wil en op eigen kracht, opklimt. Zij ging naar boven!, naar het feest; en terwijl Assepoester haar gewaad door de goedheid van de duif van boven krijgt, pakt Bontepels dit zelf uit de notendop. De grote hersenen zijn het orgaan voor de ontwikkeling van de wijsheid geworden. Als hij denkt, gebruikt de mens vermogens die in hem als aanleg aanwezig waren, maar nu pas door hem ontwikkeld kunnen worden: het gouden gewaad.
In de schilder- en beeldhouwkunst van de middeleeuwen wordt dit gouden gewaad weergegeven. Wat de ziel uitstraalt, die voor de helderziende mens bekend is, werd als eivormige aura afgebeeld. Als de figuur van Christus zelf in de mandorla met regenboogkleuren verschijnt – het beeld van de hoogste geest-uitstraling – betekent de gouden aura: wijsheid en werkzaamheid van de ziel. De moderne mens kan dit niet meer waarnemen. We zeggen nog wel dat deze of gene ‘een uitstraling’ heeft; iets ‘lichtends’ om zich heen.

Zij was echter naar haar hokje gesneld, had vlug har kleed uitgetrokken, gezicht en handen zwart gemaakt, de pelsmantel om de schouders geslagen en was weer Bontepels. Toen zij nu in de keuken kwam, aan het werk wilde gaan en de as aanvegen, zei de kok: ‘Laat dat maar tot morgen en kook voor mij de soep voor de koning, ik wil boven ook eens een kijkje gaan nemen; maar laat er geen haar in vallen, anders krijg je voortaan niets meer te eten.’ De kok ging weg en Bontepels kookte de soep voor de koning en maakte een broodsoep klaar, zo lekker als zij maar kon en toen die klaar was, haalde zij uit haar hokje haar gouden ring en deed die in de schaal, waarin de soep werd opgediend. Toen het dansen was afgelopen, liet de koning de soep brengen en at die en het smaakte hem zo goed, dat hij geloofde nog nooit zo’n lekkere soep gegeten te hebben. Maar toen hij op de bodem kwam, zag hij daar een gouden ring liggen en hij kon maar niet begrijpen hoe die daarin was gekomen. Toen beval hij dat de kok bij hem moest komen. De kok schrok toen hij het bevel hoorde en zei tot Bontepels: ‘Je hebt vast een haar in de soep laten vallen; als dat zo is, krijg je een pak slaag.’ Toen hij voor de koning verscheen, vroeg deze wie de soep gekookt had? De kok antwoordde: ‘Ik heb ze gekookt.’ Maar de koning zei: ‘Dat is niet waar, want ze was op een andere manier en veel beter toebereid dan anders.’ Hij antwoordde: ‘Ik moet bekennen, dat ik ze niet heb klaargemaakt, maar het pelsdiertje.’ De koning sprak: ‘Ga haar zeggen dat zij boven moet komen.’
  Toen Bontepels kwam, vroeg de koning: ‘Wie ben je?’ – ‘Ik ben een arm kind, dat geen vader en moeder meer heeft.’ Hij vroeg verder: ‘Wat doe je in mijn slot?’ Zij antwoordde: ‘Ik deug nergens anders voor dan om laarzen naar mijn hoofd gesmeten te krijgen.’ Hij vroeg verder: ‘Waar heb je de ring vandaan, die in mijn soep lag?’ Zij antwoordde: ‘Ik weet van geen ring.’ De koning kon niets uit haar krijgen en moest haar weer laten gaan.

Voor Bontepels was het een diepe beleving, maar ze keert wel terug naar het leven van alledag, maar wel met een nieuw vermogen: ze kookt voor de koning. De kok bereidt uit de gaven van de aarde de voeding voor ons lichaam en moet weten wat hiervoor gezond en te verdragen is. Innerlijk hebben we een gave nodig die het voedsel voor ons wezen bereidt. Dit vindt in ieder mens plaats met een onbewuste zekerheid. Je kan snel onderscheiden of je stenen voor brood krijgt, of je geestelijk honger en dorst hebt. Dit nog oorspronkelijke en onbewuste handelen en onderscheiden noemt het sprookje ‘de oude kok’.
Wanneer de samenspraak tussen het vrouwelijke van de ziel en het mannelijke van de geest zo onbewust tot stand komt als hier, dan mag de ziel zelf het voedsel bereiden. In de tijd van leren en louteren heeft ze kennis verkregen en daar mag ze vol uit aanbieden (een schaal vol broodsoep). En nog meer: door de armoede van het aardse bestaan die ze verdragen heeft en overwonnen – als arm kind zonder vader en moeder – kan ze schenken wat zij als aanleg op haar weg meegenomen heeft: wat in zich gesloten is, besef van de tijdloze eeuwigheid van haar Ik, de ring. Ze legt deze in de broodsoep: het in zichzelf afgesloten Ik-bewustzijn rust in de kennis die de ziel verworven heeft (in het brood). Deze kennis is dubbel door de hartewarmte gegaan – eerst werd het brood in de warmte van de oven gebakken en, nu als broodsoep, nog een keer op het haardvuur gekookt. Dit proces kan het intellect niet bevatten: ‘Ik weet van geen ring.’
Zo’n hoge ontwikkelingstrap kan een gevaar in zich hebben. Daarom volgt de onderzoekende vraag: ‘Wie ben je?” en het deemoedige antwoord: ‘Een arm kind, zonder vader en moeder.’
Het oude, overgeleverde is ten einde, de ziel is volledig op zichzelf aangewezen. Van de ring weet ze niets. Weet de deemoed of en in hoeverre de binding aan het geestelijke al tot ontwikkeling is gekomen. Weet hebben daarvan zou hoogmoed kunnen betekenen.

Na enige tijd was er weer een feest en evenals de vorige keer vroeg Bontepels aan de kok of zij mocht gaan kijken. Hij antwoordde: ‘Ja, maar kom over een half uur terug en kook voor de koning de broodsoep die hij zo graag eet.’ Zij liep vlug naar haar hokje, waste zich snel, nam uit de noot het gewaad dat zo zilver was als de maan en trok het aan. Toen ging zij naar boven en leek wel een koningsdochter; de koning trad op haar toe en was blij dat hij haar terugzag en omdat juist de dans begon, dansten zij samen. Maar toen de dans ten einde was, verdween zij weer zo snel, dat de koning niet kon zien waar zij heenging. Zij vloog echter naar haar hokje, trok haar bontvelletjes weer aan en ging naar de keuken om de broodsoep te koken. En toen de kok boven was, haalde zij het gouden spinnewieltje en deed het in de schaal, zodat de soep daar overheen werd gegoten. Daarop werd de soep aan de koning gebracht; hij at en het smaakte hem even goed als de vorige keer. Hij liet de kok komen, die ook ditmaal moest toegeven, dat Bontepels de soep had klaargemaakt. Bontepels verscheen weer voor de koning, maar zij antwoordde, dat zij er alleen maar was om laarzen naar haar hoofd gesmeten te krijgen en dat zij niets afwist van het gouden spinnewieltje.

Nu gaat Bontepels weer naar het feest en nu met het zilveren gewaad. Terwijl het gouden gewaad op een zonnekleed lijkt en wijsheid betekent die verwarmt, leven schenkt en wekt, dus verwant is aan de zon – zonder de zon zouden we niet kunnen denken – wijst het zilveren gewaad ons erop dat het diepere van de ziel met de maan verwant is. De maan werkt in op de ritmen van het leven, zaad en kiem, wat nog niet geboren is, groeit volgens het ritme van de maan. De diep verankerde aanleg van de erfelijkheid, het aangeboren temperament, de nachtzijde van ons wezen, het hangt eveneens met de maan samen. Om deze aanleg van ons wezen te beheersen, vraagt een intensieve kracht; we moeten denkend tot wijsheid komen; het betekent een omwerking van het karakter tot in de erfelijkheid toe. Wanneer een sanguinicus grondig, een flegmaticus snel, een cholericus beheerst en een melancholicus vrolijk is geworden, heeft deze aan het zilveren gewaad gewerkt. Dit wordt ook weer uit de notendop gehaald, d.w.z. door het werken met het hoofd, door denkend inzicht gewonnen. Nu is een nieuwe trap van kennis mogelijk (een nieuwe schaal broodsoep – en daarin het gouden spinnenwieltje. Het gouden spinnenwiel – het tegenbeeld van de spintol die Doornroosje verwondt – kan nu gebracht worden. Waarom? Omdat de mens nu pas tot in de voortplantingskrachten en tot in de erfelijke aanleg veranderd is. Nu komt het niet meer op gedachte-inhoud aan, dus op wijsheid die je lerend en oefenend je eigen kan maken, maar op de eigen activiteit van het denken, de manier waarop wij de gedachten aan elkaar rijgen, spinnen. Hoe anders denkt een cholericus niet dan een flegmaticus! Het spinnen beheersen op het niveau van een meester, in het denkproces al wijsheid ontwikkelen, is het gouden spinnenwieltje, in sommige sprookjes de gouden spintol. Bontepels brengt het aan de koning: tot nog toe was het denken vrouwelijk en vanuit de ziel, nu is het subjectief-zielenproces een objectief-geestelijk proces geworden. Het denken neemt Ik-karakter aan, Modern gezegd: het bezielde denken wordt vergeestelijkt. Weer vindt de bevraging plaats en opnieuw komt uit het antwoord de deemoed naar voren.

Toen de koning voor de derde maal een feest aanrichtte, ging het niet anders dan de vorige keren. Weliswaar zei de kok: ‘Je bent een heks, pelsdiertje, je doet altijd iets in de soep, waarvan die zo lekker wordt, dat het de koning beter smaakt dan wat ik klaarmaak,’ maar omdat zij er zo om smeekte liet hij haar er voor een poosje heengaan. Nu trok zij een gewaad aan, dat straalde als de sterren en betrad daarmee de zaal. De koning danste weer met de schone jonkvrouw en vond dat zij nog nooit zo mooi was geweest. En terwijl hij met haar danste, stak hij, zonder dat zij het merkte, een gouden ring aan haar vinger en hij had bevel gegeven dat de dans flink lang moest duren. Toen die uit was, wilde hij haar bij haar handen vasthouden, maar zij rukte zich los en sprong zo vlug tussen de mensen, dat zij voor zijn ogen verdween. Zij vloog zo snel zij kon naar haar hokje onder de trap; maar omdat zij te lang, ja, meer dan een half uur was gebleven, kon zij het mooie gewaad niet meer uittrekken, wierp er alleen de pelsmantel overheen en maakte zich in de haast ook niet helemaal zwart: één vinger bleef wit. Bontepels snelde nu naar de keuken, kookte de broodsoep voor de koning en legde er toen de kok weg was, de gouden haspel in.

Nu de ziel zich door voortdurend met het hogere Ik in samenspraak te zijn, zich verbonden heeft met de geestelijke wereld, kan ze denkend de wetmatigheden van de wereld meedenken; ze is een microkosmos in de macrokosmos geworden. Ze neemt het sterrengewaad uit de noot; het is het hoogste dat de mens kan winnen. Nu is er een nieuwe omvang van denken mogelijk geworden, een derde schotel broodsoep. En de gouden haspel – als aanleg meegekregen – kan nu worden gebruikt en aangeboden.
Zoals de haspel de gesponnen draden tot garen windt en het garen een kluwen kan worden, zo kunnen ook door de eerdere ontwikkelingen de gedachtedraden ineen raken. Ze verbinden zich tot omvattende ideeën.
‘Niets verhaspelen’, zeggen we met het oog op het spreken, want de gedachten die zich in het woord uiten, zijn in de taalgeest, in de idee van de taal als op een haspel. Dit vermogen lag in de ziel; in de individuele persoonlijkheid kan de mens nu in ideeën leven (de koning krijgt de haspel).

De koning liet, toen hij de haspel op de bodem vond, Bontepels roepen. Toen ontdekte hij de witte vinger en zag de ring, die hij daar onder het dansen had aangeschoven. Toen greep hij haar hand en hield die vast en toen zij zich wilde losrukken en wegspringen, viel haar pelsmantel een beetje open en de glans van het sterrenkleed werd zichtbaar. De koning greep de mantel en rukte hem af. Daar kwam het gouden haar te voorschijn en zij stond daar in haar volle pracht en kon zich niet langer verbergen. En toen zij roet en as van haar gezicht had afgeveegd, was zij mooier dan men ooit iemand op aarde had gezien. Maar de koning sprak: ‘Jij bent mijn lieve bruid en wij scheiden nooit meer van elkaar.’ Daarop werd de bruiloft gevierd en zij leefden gelukkig tot aan hun dood.

Het sterrengewaad is een bezit geworden dat niet meer verloren gaat; daarmee kan de ziel vrijgesprolen worden van allerlei driftmatigs vanuit de natuur. de mantel met alle stukjes huid valt af. Het gouden haar, eerst nog uitdrukking van geschonken licht, wordt uitdrukking van een denken dat uit eigen kracht, eigen loutering en omvorming verkregen is, het verlichte denken. Het schouwen in dromen in het verleden, heeft plaats gemaakt voor het denkende schouwen in de toekomst: ‘Ze was zo mooi dat haar gelijke niet op de aarde te vinden was’. Zoals de blik verlicht wordt (het gezicht), zo wordt ook het handelen verlicht (de handen zijn niet meer zwart). De bruiloft wordt gevoerd, in de beeldentaal ‘de koninklijke bruiloft’. En omdat lichaam en ziel veranderd zijn, mag je deze bruiloft een chymische bruiloft noemen.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is 65-grimm-bontepels-1.jpg

.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2480-2327

/

./

./

./

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (84)

.

HET ABP EN HET AMBTENARENPENSIOEN
.

Ik herinner me nog vaag dat er in de jaren 1970 protest ontstond tegen het feit dat ambtenaren geen keus hadden bij het zelf regelen van hun pensioen.
Stevig in de wet verankerd ligt vast dat iedere ambtenaar = dus ook alle leerkrachten = VERPLICHT maandelijks hun bijdrage aan het fonds af moeten staan – dat hield de werkgever al meteen van je salaris in.
.

Tijdens mijn loopbaan bij het vrijeschoolonderwijs heb ik niet meegemaakt dat die regeling – bijv. belicht vanuit de driegeleding – ter discussie zou moeten staan. 
Zelf stond ik er ook niet zo bij stil. Het was toch geweldig dat je spaarde voor later!
Het heeft heel lang geduurd voor ik me eens afvroeg: waar gaat dat geld dan naartoe? Waar wordt het in belegd?
.

Af en toe was er wel protest, zoals dit in 2018, politiek geladen: ‘ABP. stop met investeren in Israëls kolonisering!’
En als je hier kijkt, is er meer.

Op dit ogenblik loopt er een actie dat het ABP oproept niet langer te investeren in fossiele brandstoffen, maar in te zetten op verduurzamen van ons klimaat.
Voor de zorg om onze aarde.

Zo’n actie komt voor de vrijeschoolleraar wél veel dichterbij. Proberen wij in ons onderwijs, bijv. bij vakken als dier- plantkunde en mineralogie niet juist EERBIED te wekken voor onze aarde? Haar als een levend organisme te beschouwen dat geen egoïstische uitbuiting verdient, maar juist een zorgvuldig en verantwoord omgaan?

Vandaar mijn oproep om deze petitie te tekenen en er veel zwaarder op aan te dringen mede te kunnen bepalen waar je pensioenpremie – die tenslotte toch van jou is – heen gaat.

Toelichting door FOSSIELVRIJ NL

Terwijl pensioenfonds ABP zégt een groen pensioenfonds te zijn, stemt ABP tégen klimaatresoluties bij fossiele bedrijven. Dat blijkt uit onderzoek dat wij afgelopen week naar buiten brachten [1].

ABP laat dus na om invloed aan te wenden bij fossiele bedrijven, terwijl ze beloven dit wel te doen. ABP misleidt hun eigen deelnemers met groene woorden.

Het is belangrijk dat we ABP om uitleg vragen. We kunnen ABP hier niet mee laten wegkomen. Als genoeg mensen kritische vragen stellen, zal ABP écht klimaatbeleid moeten opstellen en uitvoeren: groene daden in plaats van slechts groene woorden.

Kom nu in actie! Stuur in één minuut een email naar ABP bestuursvoorzitter Corien Wortmann om uitleg te vragen over hun beleid. Kies bijvoorbeeld één van de 25 vragen die wij hebben klaargezet.

Hoe werkt het? Wij hebben 25 vragen klaargezet over ABP’s ‘engagementbeleid’. Kies één van de vragen en plak die in de mail. Wij hebben een voorbeeldmail voor je klaar gezet, maar hoe persoonlijker je de mail maakt, hoe beter.

Al jaren beweert ABP dat ze in fossiele bedrijven blijven beleggen, omdat ze op die manier meer invloed zouden kunnen uitoefenen op bedrijven als Shell, BP en Chevron. Op aandeelhoudersvergaderingen kan ABP stemmen op resoluties die zijn ingediend. Wat blijkt? ABP stemt tegen 79% van de resoluties waarin een fossiel bedrijf wordt opgeroepen om doelstellingen te stellen die in lijn zijn met het Parijs-Akkoord. ABP steunt slechts 45% van alle klimaatresoluties bij fossiele bedrijven.

ABP werkt hard aan een groen imago, en dit imago is belangrijk voor ABP. 59% van de ABP-deelnemers wil namelijk een duurzaam pensioen [2]. Maar investeren in fossiele bedrijven die enkel van plan zijn om meer kolen, olie en gas op te stoken, hoort hier niet bij.

Laat jij ABP’s bestuursvoorzitter weten wat je vindt van de resultaten uit dit nieuwe onderzoek? Laat nu je ongenoegen horen en stel een kritische vraag.

Samen kunnen we zorgen voor een écht groen, fossielvrij ABP!

Een strijdbare groet,

Hiske, Fossielvrij NL en 350.org

[1] Discussiestuk ‘Aanjager of Obstakel? Een analyse van ABP’s rol in de energietransitie’

[2] Verslag Duurzaam en verantwoord beleggen 2019, ABP

350.org en Fossielvrij NL bouwen een wereldwijde klimaatbeweging. Je kunt je bij ons aansluiten op Facebook, ons volgen op Twitter en Instagram, en een vaste donor worden om deze beweging te helpen groeien en sterk te maken.

Inmiddels – 2025 – is er bij het ABP een verandering in opvattingen ontstaan die gezien bovenstaande, positief mag worden genoemd.

Sociale driegeleding: verzekeren en beleggen als schijnzekerheden

Sociale driegeleding: alle artikelen

Opspattend grind: alle artikelen

.

2479-2326

/

./

./

./

Wat op deze blog staat

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 297A – voordracht 4

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: vspedagogie  voeg toe apenstaartje gmail punt com

RUDOLF STEINER

GA 297A

ERZIEHUNG ZUM LEBEN

OPVOEDING VOOR HET LEVEN 

5 voordrachten, een autoreferaat, 2 vragenbeantwoordingen, en een krantenverslag tussen 24 febr. 1921 en 4 april 1924 in verschillende steden. [1]

Inhoudsopgave  voordracht [1]  [2]  [3]  [5]  [6]
vragenbeantwoording bij voordracht 1    vragenbeantwoording 2

DAS ÜBERSINNLICHE IN MENSCH UND WELT

Voordracht 4, Rotterdam 1 november 1922

Blz. 113

Zuerst muß ich Sie um Entschuldigung bitten, daß ich nicht in der Lage bin, die folgenden Auseinandersetzungen heute abend in der Sprache dieses Landes zu geben. So bitte ich Sie, dieselben in der mir gewohnten Sprache entgegennehmen zu wollen.
Nun, jeder Unbefangene und jeder, der mit wachem Verstand und auch mit wachem Herzen das Leben der Gegenwart miterlebt, der fühlt ja, daß wir uns heute in einer Zeit befinden, welche dem Menschen herbe Hindernisse in den Weg legt. Die Zeiten sind schwierige geworden. Allein, man würde doch fehlgehen, wenn man meinte, daß man die Ursachen zu den heutigen Zeitschwierig­keiten allein in der äußeren Welt suchen soll. Dasjenige, was in der äußeren Welt – namentlich insofern diese äußere Welt aus den Handlungen der Menschen selbst sich zusammensetzt – uns entgegentritt, hat seine Wurzeln zuletzt doch in den Tiefen der menschlichen Seele. Man sieht es nur nicht immer, wie dem Men­schen die Kraft, die Zuversicht, die Tüchtigkeit und namentlich die Übersicht über das Leben dahinschwinden, wenn er nicht aus den geistig-seelischen Untergründen seines Wesens heraus eine Lebens­auffassung sich bilden kann, die ihm als solche innere Kraft gibt.

Het spirituele in mens en wereld

Allereerst mijn verontschuldigingen dat ik niet in staat ben de komende voordracht van vanavond in de taal van dit land te geven. Dus vraag ik u die in de taal die ik gewend ben te spreken, te willen beluisteren. 
Iedereen die onbevangen is en iedereen die met een wakker verstand en ook met een wakker hart meeleeft met het leven van tegenwoordig, voelt dat wij nu in een moeilijke tijd leven met veel problemen. Het zijn zware tijden geworden. Maar je zou er toch naast zitten, als je denkt dat je de oorzaak van de tijdsproblemen alleen in de uiterlijke wereld moet zoeken. Wat we in de uiterlijke wereld tegenkomen – voor zover deze uiterlijke wereld er door het doen en laten van de mens zelf is gekomen – vindt uiteindelijk zijn oorsprong in de diepere lagen van de menselijke ziel. Je ziet echter niet altijd hoe de mens de kracht, het positieve vertrouwen, de inzet en vooral het zicht hebben op het leven, kwijtraakt, wanneer hij niet vanuit zijn eigen spiritueel-psychische wezenskern een levensovertuiging kan vormen die hem van binnen kracht geeft. 

Wie gesagt, man macht sich das nicht immer klar, namentlich deshalb, weil man nicht weiß, wie selbst die physischen Kräfte des Menschen, die wir in der äußeren Welt anwenden, zuletzt abhängig sind von dem, was als seelisches Leben unseren ganzen Menschen durchwellt und durchrieselt. Daher muß es demjenigen, dem daran liegt, daß wir in den weiten Umkreisen unserer gegenwärtigen Zivilisation – denn auf einzelne enge Gebiete kommt es dabei nicht an – zu einem aus freudigem Menschenherzen herauskommenden Aufstieg kommen, dem muß es darum gehen, Einkehr zu halten in das menschliche Seelenleben, zu fragen, wie diesem aus tiefstem Inneren heraus Kräfte zur Arbeit, Kräfte zur Umschau im Leben,

Zoals gezegd, dat is niet altijd even duidelijk, en wel omdat men niet weet hoe zelfs de fysieke krachten van de mens  die we in de uiterlijke wereld gebruiken, uiteindelijk afhankelijk zijn van wat er in het gevoelsleven van alle mensen opborrelt, wat zijn gevoelsleven beroert. Vandaar dat het voor iemand die er veel aan gelegen is dat wij op een breed terrein van onze huidige beschaving – want om een paar afgeperkte deelgebiedjes gaat niet – met enthousiasme vanuit ons hart de weg omhoog vinden, het er voor zo iemand om moet gaan dat we over het gevoelsleven van de mens nadenken, dat we vragen hoe vanuit het diepste innerlijke leven er kracht te halen is voor het werk, om weer het overzicht te krijgen, 

Blz. 114

Kräfte überhaupt erwachsen können, um die Lebenswege in ent­sprechender Weise gehen zu können.
Und wenn wir den eigentlich heute vielen Menschen unbewuß­ten Konflikt ins Auge fassen wollen, so tritt uns dieser doch in der Art und Weise des Widerstreits entgegen, wie sich einerseits für unseren Kopf, andererseits vor allem für unser Herz ausnimmt, was wir an Erkenntnissen, an Eindrücken aus der seit einer Reihe von Jahrhunderten groß gewordenen naturwissenschaftlichen Welt­anschauung gewinnen können. Diese naturwissenschaftliche Weltanschauung hat Triumphe über Triumphe gefeiert, hat das ganze moderne Leben umgestaltet. Alles, was uns in der Außenwelt heute entgegentritt, namentlich wenn wir in Städten wohnen, ist ja ein Ergebnis des heutigen naturwissen­schaftlichen Denkens, wie es sich seit Jahrhunderten entwickelt hat.
Aber diesem naturwissenschaftlichen Denken steht ein anderes gegenüber, dasjenige, was aus den Bedürfnissen der Menschenbrust, ja, des ganzen Menschen hervorgeht als die moralische, als die reli­giöse Weltauffassung des Menschen. Wenn wir uns ein wenig in der Menschheitsentwicklung umschauen, dann mussen wir uns sagen:

dat er vooral kracht ontstaan kan om tegen het leven opgewassen te zijn.
En wanneer we het conflict waarvan veel mensen zich eigenlijk niet bewust zijn, onder ogen willen zien, doet zich dat toch voor als een soort strijd tussen wat het enerzijds voor ons hoofd en vooral anderzijds voor ons hart betekent wat we al sinds een paar eeuwen achter elkaar aan kennis, aan indrukken kunnen halen uit de groot geworden natuurwetenschappelijke wereldbeschouwing.
Deze natuurwetenschappelijke wereldbeschouwing heeft triomf na triomf gevierd, het hele moderne leven is erdoor veranderd. Alles wat we in de buitenwereld zien, vooral als we in de stad wonen, is het resultaat van het moderne natuurwetenschappelijk denken, zoals dat zich al eeuwen ontwikkeld heeft.
Maar tegenover dit natuurwetenschappelijk denken staat iets anders en dat komt uit de behoefte van de menselijke ziel, ja uit de hele mens, een behoefte aan de morele, religieuze wereldbeschouwing over de mens. Wanneer we eens een ogenblik naar de mensheidsontwikkeling kijken, moeten we zeggen

Je weiter wir zurückgehen in dieser Menschheitsentwicklung, desto mehr finden wir, daß in älteren und immer älteren Zeiten der Mensch alles, was er glaubte zu wissen, aus einer moralischen, aus einer religiösen Weltanschauung herleitete. Wenn er hinausblickte in die Natur, so glaubte er hinter den Naturerscheinungen überall leitende und lenkende geistige Wesenheiten wahrzunehmen. Und wenn er den Blick hinaufrichtete zu den Sternen, glaubte er die Formung der Sterne, die Bewegung der Sterne gelenkt und geleitet von göttlich-geistigen Wesenheiten. Und wenn er hineinblickte in seine eigene Seele, hineinblickte überhaupt in sein eigenes Wesen, dann dachte er sich, daß diese göttlich-geistige Lenkung und Lei­tung sich fortsetzt; er nahm an, daß, wenn er selbst nur einen Arm bewegte, wenn er einen Gang machte im alltäglichen Leben. eigentlich die göttlich-geistigen Lenker in ihm tätig seien.
Eine Naturanschauung, wie wir sie heute in solcher Größe vor uns haben, hatte der ältere Mensch eigentlich nicht. Das tritt uns ja

hoe verder we daarin teruggaan, des te meer vinden we dat in oudere en nog oudere tijden de mens alles wat hij dacht te weten, uit een morele en religieuze wereldbeschouwing haalde. Wanneer hij naar de natuur keek, meende hij achter de natuurverschijnselen overal leidende en sturende geestelijke wezens waar te nemen. En wanneer hij de blik richtte op de sterren, geloofde hij dat het ontstaan van de sterren en hun beweging gestuurd en geleid werd door goddelijk-geestelijke wezens. En als hij naar zijn eigen ziel keek, eigenlijk naar zijn hele wezen, dacht hij dat deze goddelijk-geestelijke leiding en sturing zich verder uitstrekt; hij nam aan dat wanneer hij zelfs maar een arm bewoog, wanneer hij in het dagelijks leven een wandeling maakte, dat deze goddelijke-geestelijke leiders ook in hem werkten. 
Een wijze van naar de natuur kijken zoals wij die tegenwoordig in alle grootsheid hebben, had de oudere mens eigenlijk niet. Dat wordt ons

Blz. 115

an mancher Einzelheit so gewaltig anschaulich entgegen. Denken Sie zum Beispiel daran, welch enge Verbindung in älteren Zeiten für den menschlichen Gedanken bestand zwischen der Krankheit, ja dem Tode, und demjenigen, was man Sünde nannte. Man glaubte, daß allein aus moralischen Untergründen heraus der Mensch krank werden könne. Man glaubte insbesondere in älteren Zeiten, daß der Tod über das Menschengeschlecht aus einer Ursünde heraus ver­ hängt war. Überall, wo man hinsah, sah man nicht in unserem heu­tigen Sinne Naturerscheinungen, man sah das Walten und Wirken göttlich-geistiger Mächte, deren Gebiet im Menschengeschlechte selber die moralische Weltanschauung ist und zu denen man das Herz, zu denen man das Gemüt hinlenkte, wenn man sich selber fühlen wollte in seinem geistig-ewigen Wesenskern, im Schoße des Göttlichen der Welt.
Neben dieser moralisch-religiösen Weltanschauung hatte man keine Naturanschauung. Und in der Gegenwart hat der Mensch eigentlich nur noch als seine moralische, als seine religiöse Welt­anschauung Reste desjenigen, was ihm aus alten Zeiten überkom­men ist, in denen einzig und allein eine moralisch-religiöse Welt-ansicht da war, ohne Naturanschauung.

aan sommige details heel duidelijk. Bijv. dat er in de oudere tijden in het menselijk denken een nauw verband bestond tussen ziekte, zelfs de dood en wat men zonde noemde. Men was van mening dat een mens alleen maar ziek kon worden door iets wat uit de morele diepte van zijn wezen kwam. In die oude tijden geloofde men vooral dat de dood als straf voor een oerzonde over het mensengeslacht was gekomen. Overal waar men keek, zag men geen, zoals wij nu,  natuurverschijnselen, men zag het heersen en werken van goddelijk-geestelijke machten en in het mensengeslacht is hun terrein de morele wereldbeschouwing en naar hen moet het hart, het gevoel uitgaan om zichzelf te beleven in zijn goddelijk-geestelijke wezenskern, in de schoot van de geestelijke wereld.
Naast deze moreel-religieuze wereldbeschouwing bestond er geen natuurbeschouwing. In de tijd van nu heeft de mens eigenlijk alleen nog maar als zijn morele, als zijn religieuze wereldbeschouwing de overblijfselen van wat er uit die oude tijden bewaard gebleven is, wat enkel en alleen bestond uit een moreel-religieuze wereldopvatting, is zonder natuuropvatting.

Heute stehen wir vor einer großartig entwickelten Naturan­schauung, und wir haben den Menschen einbezogen in diese Natur-anschauung; das 19. Jahrhundert hat namentlich darüber nachden­ken gelernt, wie der Mensch aus natürlichen Untergründen heraus gebildet wird, wie er sich allmählich aus niederen tierischen Formen herauf entwickelt hat. Das 19. Jahrhundert – und auch in einer noch vollkommeneren Weise jetzt schon der Anfang des 20. Jahrhunderts – hat darüber nachdenken gelernt, wie das, was wir in unseren Glie­dern tragen, unsere Lebenstüchtigkeit, im Grunde genommen die natürliche Folge der Vererbung ist. Den Menschen selbst hat die neuere Zeit in die Naturordnung hineingestellt. Überall erblicken wir Naturgesetzlichkeiten, die wir nicht verbunden denken können mit irgendwelchem Moralischen.
Die Art und Weise, wie die Pflanzen wachsen, wie Elektrizität und Magnetismus durch die Naturvorgänge wirken, wie die Entwicklung

Tegenwoordig hebben we een groots ontwikkelde natuuropvatting en we hebben de mensen meegetrokken in deze natuurbeschouwing: de 19e eeuw heeft vooral leren nadenken over hoe de mens vanuit de natuur gevormd wordt, hoe hij zich stap voor stap uit lagere diersoorten heeft ontwikkeld. De 19e eeuw – en ook op een nog veel volmaaktere manier nu al het begin van de 20e – heeft erover leren nadenken dat wat wij in onze ledematen met ons meedragen, dat we opgewassen zijn tegen het leven, in de grond van de zaak het vanzelfsprekende gevolg is van de erfelijkheid. De nieuwere tijd heeft de mens zelf een plaats gegeven in de natuurorde. Overal zien we natuurwetten die we niet verbonden kunnen denken met wat voor vorm van moraliteit dan ook.
De manier waarop planten groeien, hoe elektriciteit en magnetisme in de natuurprocessen werken, hoe de ontwikkeling 

Blz. 116

der Tiere, ja, wie die physische Entwicklung des Men­schen geschieht: in alles dasjenige, in das die Naturwissenschaft solche Klarheit gebracht hat, können moralische Gedanken zu­nachst nicht hineingebracht werden. Und wenn der Mensch auch seine innige Freude, sein tiefes Behagen, ja in gewisser Beziehung eine ästhetische Hingabe an die Natur haben kann: religiöse Hinga­be an die Weltordnung kann er insbesondere gegenüber derjenigen Natur nicht haben, die ihm heute die Wissenschaft vor Augen stellt. Und so ist der moderne Mensch dazu gekommen, das Wahre, das Seiende, dasjenige, was allein Wirklichkeit hat, in der Natur zu sehen. Aber in seiner Brust kämpft sich dennoch der Drang nach moralischer Weltordnung herauf, kämpft sich das innige Bedürfnis herauf, mit etwas zusammenzuhängen, was als Übersinnliches allem Sinnlichen in der Natur gegenübersteht, ringt sich der Drang her­auf, religiös empfinden zu können gegenüber Mächten, welche nicht aus der Naturgesetzlichkeit heraus zu den Menschen sprechen können. Und immer mehr und mehr wird dieser moderne Mensch irre daran, die alten Traditionen aus einer moralischen, aus einer religiösen Weltansicht beizubehalten; immer mehr und mehr findet er sie im Widerspruch mit dem, was eine neuere Naturanschauung gibt.

van de dieren, zelfs de lichamelijke ontwikkeling van de mens verloopt: in  alles waarin de natuurwetenschap zo’n opheldering heeft gebracht, kan je geen morele gedachten leggen. En ook al voelt de mens zich in de natuur intens gelukkig, vindt hij het er heerlijk, kan hij zich er op een bepaalde manier in een schoonheidsbeleving aan overgeven:  zich in het bijzonder religieus overgeven aan de wereldorde kan hij niet in de natuur zoals de huidige wetenschap hem die voor ogen stelt.
En zo kwam de moderne mens ertoe alleen de werkelijkheid, de waarheid, het wezenlijke in de natuur te zien. Maar in zijn ziel dringt zich desondanks het verlangen naar een morele wereldorde op, dringt de innerlijke behoefte zich op om met iets samen te hangen, met wat als het spirituele de tegenhanger is van al het zintuiglijk zichtbare in de natuur; dringt het verlangen zich op om religieus de machten te kunnen ervaren die niet tegen de mensen kunnen spreken uit de natuurwetten. En de moderne mens raakt steeds meer het spoor bijster als hij de oude tradities vanuit een morele, een religieuze wereldbeschouwing wil bewaren; steeds vaker vindt hij die in tegenspraak met wat de nieuwere natuurbeschouwing aandraagt. 

So steht der heutige Mensch da im Zwiespalt, indem er hin­sieht auf die Welt, die ganz von Naturgesetzen durchwoben ist, die ihren Anfang aus Naturgesetzen genommen hat, die seiner Hypo­these nach ihr Ende nach Naturgesetzen nehmen muß.
Und darüber steht dasjenige, von dem er sagt, daß es ihn eigent­lich erst zum Menschen mache; darüber steht das moralische Emp­finden, darüber steht diereligiöse Hingabe. Und der Mensch steht da mit seiner bangen Rätselfrage des Daseins: Bin ich imstande, demjenigen, was ich aus meinem moralischen Sinn herausbringe, eine Realität zu geben, da die Natur ihm keine Realität gibt? Bin ich imstande, meinen religiösen Sinn nach etwas zu wenden, dem er zu­streben kann in Wahrheit und Ehrlichkeit, da dieser Sinn demjeni­gen, was nur als Naturgesetzlichkeit ihm entgegentritt, sich nicht zuwenden kann?
So kommt sich dieser Mensch vor, wie wenn seine moralischen

De mens van nu bevindt zich in een spagaat als hij naar de wereld kijkt die helemaal vol zit met natuurwetten, die door natuurwetten is begonnen en die naar verwachting ook volgens natuurwetten zal ophouden te bestaan.
En daar bovenuit gaat iets waarvan hij zegt dat hem dat pas tot mens maakt; daar bovenuit gaat zijn morele beleving, zijn religieuze toewijding. En de mens staat daar met zorgelijke vragen over het bestaan: ben ik in staat wat ik vanuit mijn morele stemming naar buiten breng, te verwezenlijken nu de natuur de mens die realiteit niet biedt? Ben ik in staat mijn religieuze stemming op iets te richten dat ik in waarheid en eerlijkheid kan nastreven, nu ik deze stemming  niet kan richten op wat alleen als natuurwet voorhanden is.
Zo is het voor de mens alsof zijn morele

Blz. 117

ideale, seine religiösen Empfindungen immer mehr und mehr anfin­gen, als Abstraktes in einer seelischen Luft zu hängen, wie wenn sie verurteilt wären, ebenfalls begraben und verschollen zu sein im bloß naturgesetzlichen Weltenall, wenn dereinst einmal die Erde in einer Art von Wärmetod ihr Ende findet.
In einen tiefen Zwiespalt ist der Mensch der Gegenwart auf diese Art hineingestellt. Er bringt sich diesen Zwiespalt nicht immer zum Bewußtsein. Allein es kommt ihm etwas anderes zum Bewußtsein. Es kommt ihm zum Bewußtsein, daß er sich nicht auskennt in der Welt, daß er keine Kraft hat und keine Freudigkeit, um in der Welt zu wirken. Und oftmals, um nun wenigstens einen Halt für sein Moralisches, für sein Religiöses zu haben, greift er zurück zu aller­lei alten Weltanschauungen, zu allerlei alten mystischen oder, wie man auch sagt, okkultistischen Weltanschauungen. Er wärmt sie auf, weil er aus dem, was ihn selbst heute umgibt, eine Erkenntnis des Übersinnlichen in Mensch und Welt nicht finden kann.
Dennoch ist es möglich, dieses Übersinnliche in Welt und Mensch zu finden. Und wie es gefunden werden soll, davon wollen wir heute abend reden.

idealen, zijn religieuze ervaringen steeds meer in zijn ziel als iets abstracts in de lucht kwamen te hangen, alsof ze veroordeeld waren ook begraven te worden, ten onder te gaan in wat alleen maar de natuurwetten van de kosmos zijn, wanneer ooit de aarde in een soort warmtedood zal ophouden te bestaan.
De mens van nu bevindt zich zo in een diepe tweestrijd. Hij is zich hiervan niet altijd bewust. Wél wordt hij zich van iets anders bewust: dat hij het nu op deze wereld niet zo goed weet, dat hij geen energie heeft en geen vreugde om in deze wereld actief te zijn. En vaak, om toch ten minste een houvast te hebben voor zijn morele en religieuze gevoelen, grijpt hij terug op allerlei oude wereldbeschouwingen, op allerlei oude mystieke of zoals men ook zegt, occulte wereldbeschouwingen. Hij poetst ze op, omdat hij in waar hij nu middenin staat, geen kennis van het spirituele in mens en wereld kan vinden. 
Maar het is zeker mogelijk dit wél te vinden. En over hoe we dat moeten vinden, zal vanavond worden gesproken. 

.Zwischen dem, was rein moralisch und rein religiös ist, und dem, was natürlich und sinnlich ist, empfand man immer mitten drinnen-stehend etwas, was am Menschen selbst während seines Lebens einem entgegentritt. Anders hat man das in älteren Zeiten angese­hen, wo man nur moralisch, wo man nur religiös die Welt angese­hen hat, anders sieht man es heute an. Aber dennoch, man kann auch heute nur in einer einseitigen Weise dasjenige, was so am Menschen ist, in die bloße Naturordnung hineinstellen. Drei Dinge sind es am Menschen, die, ich möchte sagen hin- und herwanken, hin- und herpendeln zwischen demjenigen, was doch als Übersinnliches gefühlt wird, und demjenigen, was nur natürlich ist. Es wird Ihnen vielleicht sonderbar erscheinen, daß ich gerade diese drei Erscheinungen an der Menschennatur hervorhebe; allein, Sie werden sehen, daß sie es gerade sind, deren Umwandlung, deren Metamorphosierung uns hinaufführen wird in eine Betrachtung der übersinnlichen Erkenntnisse und Weltanschauungen.

Tussen het zuiver morele en zuiver religieuze en wat natuur en zintuigelijk is, beleefde omdat men daar middenin stond altijd iets waar men in zijn leven mee te maken krijgt. In oudere tijden beschouwde men dat anders, want daarin beschouwde men de wereld alleen maar vanuit het morele en religieuze, dat is nu anders. Maar toch kan je ook nu op een eenzijdige manier wat zo des mensen is, uitsluitend een plaats in de natuurorde geven. 
Er zijn bij de mens drie dingen die heen en weer bewegen, een pendelbeweging maken tussen wat als spiritueel gevoeld wordt en wat alleen natuur is. U zal het misschien vreemd vinden dat ik juist deze drie verschijnselen van de natuur van de mens naar voren haal, alleen, u zal zien dat juist deze, hun verandering, hun metamorfose ons bij een beschouwing zal brengen over de spirituele kennis en wereldbeschouwingen.

Blz. 118

Das Erste, was uns entgegentritt am Menschen, wenn er, ich möchte sagen seine ersten Lebenserfahrungen als ganz kleines Kind im Kampfe mit der Umwelt durchzumachen hat, ist, daß er aus seinem Wesen, dem in der Welt noch nicht seine eigene Lage gege­ben ist, diese eigene Lage sich erkämpft: den aufrechten Gang, das Stehen.
Das Zweite, in das der Mensch sich hineinfindet, das ist das Sprechenlernen. Und erst aus dem Sprechen heraus – wer das kind­liche Lebensalter unbefangen zu beobachten vermag, weiß das – entwickelt sich die Gabe des Denkens. Sich selbst in der Welt zu orientieren, so daß man nicht wie das Tier zur Erde hinunterschaut, sondern frei hinaus in den Weltenraum zu den Sternen blickt, sein eigenes Inneres hinaustragen zu können zu seinen Mitmenschen in der Sprache, hereinzubekommen in das seelische Leben die Welt in der Form der Gedanken: das empfand eine ältere Weltanschauung als etwas, was gewissermaßen hier herunten im Sinnlichen eine Gabe des Übersinnlichen für den Menschen ist. Den Zusammen­hang des übersinnlichen Menschen mit der übersinnlichen Welt empfand man, indem man nach diesen drei Eigentümlichkeiten der Menschennatur hinblickte

Het eerste dat we bij de mens zien, wanneer deze als heel klein kind zijn eerste levenservaringen door moet maken in de uiteenzetting met de wereld om hem heen, is dat hij vanuit zijn wezen, dat in de wereld nog geen plaats gekregen heeft, zich een eigen plaats verovert: het rechtop gaan, het staan.
Het tweede waarmee de mens zich vertrouwd maakt, is het leren spreken. En pas vanuit het spreken – wie de kinderleeftijd onbevangen weet waar te nemen, weet dat – ontwikkelt zich de gave van het denken. Zich in de wereld te oriënteren, zodat je niet zoals het dier je naar de aarde hoeft te richten, maar vrij het universum in kan kijken naar de sterren, je eigen innerlijk te uiten naar je medemens in de taal, in je gevoelsleven de wereld in je te kunnen opnemen in de vorm van gedachten: een oudere wereldbeschouwing ondervond dat als iets wat in zekere zin hier op aarde in het zichtbare voor de mens een geschenk is uit de niet-zichtbare wereld. De samenhang van de bovenzintuiglijke mens met de bovenzintuiglijke wereld ondervond men, wanneer men naar deze drie eigenschappen van de menselijke natuur keek.

Daß der Mensch so gebaut ist, daß aus seinem Bau heraus der aufrechte Gang, das Hinausblicken in Him­melsweiten entspringt, das sah eine ältere Weltanschauung, die auf das Moralische und Religiöse der Weltordnung hinsah, als eine Gabe göttlich-geistiger Mächte, die im Menschen wirkten. Und das Sprechenlernen sah man erst recht als eine Gabe dieser göttlich-geistigen Mächte an.
Niemals war es in älteren Zeiten der Menschheitsentwicklung anders, als daß der Mensch sich sagte: Wenn Gedanken in seinem Inneren Platz greifen, dann leben in diesen Gedanken engelhaft­geistgleiche Wesenheiten. – Erst im Laufe des Mittelalters hat der Mensch die Diskussionen begonnen, ob seine Gedanken nur seine eigene Schöpfung seien oder ob in seinen Gedanken sich göttlich-geistige Mächte innerhalb seiner Leibesorganisation ausleben.
So hat man diese drei Gaben in älteren Zeiten als etwas angesehen, was von übersinnlichen Welten in den Menschen hereinkommt und

Dat de mens zo gebouwd is, met een rechtop gaande houding, zodat hij in hemelverten kan kijken, is gelegen in zijn bouw: dat zag een oudere wereldbeschouwing die het morele en religieuze van de wereldorde beschouwde als een geschenk van goddelijk-geestelijke machten die in de mens doorwerkte. En vooral het leren spreken beschouwde men als een gave van deze goddelijk-geestelijke machten.
Nooit was het in oudere tijden van de ontwikkeling van de mensheid anders dan dat de mens zei: wanneer er innerlijk in hem gedachten leven, dan leven in deze gedachten wezens die van een engelachtige geestelijke orde zijn. 
Pas in de loop van de Middeleeuwen begon de mens erover te discussiëren of zijn gedachten nu zijn eigen voortbrengselen zijn of dat goddelijk-geestelijke machten zich binnen zijn lichamelijke organisatie manifesteren.
Op deze manier heeft men in oudere tijden naar deze drie gaven gekeken als iets wat vanuit bovenzintuiglijke werelden in de mens komt en 

Blz. 119

da west und lebt. Daher hat man angeknüpft an diese drei Gaben, die dem Menschen während seiner Kindheit zukommen, wenn man den Menschen, der auf der Erde steht und auf der Erde lebt und auf der Erde seine Arbeit zu verrichten hat, hinauflenken wollte zu den Mächten der moralischen, der religiösen Weltordnung. Ich will jetzt absehen von denjenigen Übungen, welche eine noch ältere Menschheit zum Beispiel durch Regulierung des Atems gemacht hat, um auf diese Weise zu den Erkenntnissen der äußeren Welt die übersinnlichen Erkenntnisse zu gewinnen. Ich will auf al­lerdings weit im Vorchristlichen liegende, aber doch nicht gerade alteste Ansichten und Übungen der Menschheit zurückblicken, welche sich namentlich an diese drei charakterisierten Eigentüm­lichkeiten der Menschennatur anschlossen.
Da sehen wir, wie im Orient drüben, wo in älteren Zeiten ein mächtiges Streben nach einer Erkenntnis des Göttlich-Geistigen war, zunächst der Mensch dasjenige ausbilden wollte, was in der Kraft seiner Orientierung liegt, was in der Kraft liegt, die ihn als Kind dazu bringt, ein aufrechtes, in die Weiten der Welt hin­ausblickendes Wesen zu werden.

actief werkzaam is. Daarom verbond men aan  Toen men de mens die op aarde staat en op aarde leeft en op aarde moet werken, wilde wijzen op de machten van de morele, religieuze wereldorde, verbond men daaraan deze drie gaven die de mens gedurende zijn kindertijd krijgt.
Ik wil nu de oefeningen niet noemen die bijv. een oudere mensheid nog deed om de adem te reguleren om op deze manier bij de kennis van de zichtbare wereld de kennis van de onzichtbare wereld te verkrijgen. Ik wil per se terugkijken in voor-christelijke tijden, maar dan niet naar de oudste opvattingen en oefeningen van de mensheid, maar die met name aansloten bij deze drie gekarakteriseerde bijzonderheden van de mensennatuur. 
Dan zien we hoe in het oosten waar in oudere tijden een machtig streven heerste naar een kennis van het goddelijk-geestelijke, de mens in eerste instantie het vermogen wilde ontwikkelen dat de kracht van het zich oriënteren ligt, wat in de kracht ligt die hem als kind ertoe brnegt een wezen te worden dat rechtop staand in de wereldverten kijken kan.

Sehen Sie hin auf jene Stellun­gen, auf jene Körperlagen, welche der orientalische weise Lehrer seinem Schüler vorschreibt, weil er ihm – indem er als erwachsener Mensch in anderer Weise dasjenige in Angriff nimmt, was im Kinde zur Orientierung des Ganges, zur Orientierung der Stellung wird -die Möglichkeit geben will, in den Körper das Göttlich-Geistige hereinwirken zu lassen. Man sagte sich: Wenn das Kind aus dem kriechenden den aufrechten Gang lernt, dann wirkt das Göttlich-Geistige herein. Wenn der Schüler des orientalischen Weisen seine Beine übereinanderlegt und sich auf die übereinandergelegten Beine selber mit seinem Oberkörper lagert, dann nimmt er eine andere Position ein. Und wenn er sich dann voll dieser Position bewußt wird, dann kann in ihm diese geistig-seelische Welt hereinwirken, wie sie in das Kind hereinwirkt, so daß sie es zum aufrechten Gang anspornt. Und wenn der Mensch, statt daß er das Sprechen so lernt, wie es in der sinnlichen Welt der Fall ist, das Sprechen nach inwärts wendet, dann wendet er diese Gabe Gottes um in eine hellseherische

Kijk eens naar die lichaamshoudingen, naar die posities waarin het lichaam zich bevindt die de Oosterse wijze leraar een leerling voorschrijft omdat hij hem – daar hij dat als volwassen mens op een andere manier doet dan wat bij het kind de houding wordt om zich te gaan oriënteren bij het lopen – de mogelijkheid wil geven het goddelijk-geestelijke in te laten werken op het lichaam. Men zei: Wanneer het kind vanuit een kruipende houding rechtop gaat leren staan, dan werkt het goddelijk-geestelijke in. Wanneer de leerling van de Oosterse wijze zijn benen over elkaar legt en hierboven zijn bovenlichaam een houding geeft, dan neemt hij een andere positie in. En wanneer hij zich dan ten volle bewust wordt van deze positie, kan de goddelijk-geestelijke wereld in hem werken, zoals deze in het kind werkt, zodat dit daardoor aangespoord wordt de staande houding aan te nemen. En wanneer de mens in plaats dat hij leert spreken zoals in de zintuiglijke wereld het geval is, het spreken op het innerlijk richt, verandert hij deze gave Gods in een helderziende

Blz. 120

und hellfühlende Kraft, so daß er dadurch sein eigenes Übersinnliches in Verbindung bringen kann mit dem Übersinn­lichen der Welt.
Daher war es, daß in älteren orientalischen Zeiten mit einer ge­wissen Disziplin des Atmens verbunden war das rezitativ-gesang­hafte Sprechen von gewissen Sprüchen, die man Mantrams nannte, die nicht hinausgesprochen wurden, um sich mit anderen Menschen zu verständigen, sondern gewissermaßen hineingewendet wurden, die den menschlichen Organismus durchvibrierten, die alles dasje­nige, was wir sonst in der Sprache nach außen wenden, hineinwen­deten, so daß der ganze menschliche Organismus die Kraft, die Gewalt dieser mantrischen Worte mitmachte. Und das, was das Kind als eine Gabe des Übersinnlichen, die ihm geworden war, hin­ausergoß in die Sprache, durch die es sich mit Menschen verständig­te, das goß der Schüler des orientalischen Weisen in den eigenen Körper hinein. Bei ihm vibrierten die Worte nicht allein nach außen, damit er sich mit dem anderen Menschen verständigen konnte, bei ihm vibrierten die Worte hinunter in die Lunge, vibrier­ten weiter in das Blut, vibrierten im Blute mit den Atemstößen hin­auf in das Gehirn.

en heldervoelende kracht, zodat hij daardoor zijn eigen spiritualiteit in verbinding kan brengen met het bovenzintuiglijke van de wereld.
Vandaar dat in oude Oosterse tijden met een bepaalde adembeheersing een recitatief-zangachtig spreken van bepaalde spreuken was verbonden die men mantrams noemde, die niet uitgesproken werden om met andere mensen te communiceren, maar in zekere zin gebruikt werden om ze in het menselijke organisme te laten vibreren, om alles wat wij anders in het spreken naar buiten gebruiken, naar binnen te richten, zodat het hele menselijke organisme deel had aan de kracht, de macht van deze mantrische woorden. En wat het kind als een geschenk van het spirituele dat hem ten deel was gevallen, in zijn spreken bracht waarmee het zich met de mensen kon verstaan, dat liet de leerling van de Oosterse wijze aan zijn eigen lichaam ten goede komen. Bij hem vibreerden de woorden niet alleen naar buiten om met andere mensen te kunnen communiceren, bij hem vibreerden de woorden naar binnen, naar de longen, naar het bloed en met het bloed naar de hersenen. 

Und wie derjenige, der unserer Sprache zuhört, den Schlag unserer Seele, die Empfindung unserer Seele aus den Worten fühlt, so erfühlte der orientalische Weise aus dem, was als Wort in seinem Leibe vibrierte, aus diesem übersinnlichen Erleben des mantrischen Wortes das Übersinnliche der Welt.
Und wenn das Kind aus dem Sprechen das Denken entwickelt, so entwickelte dieser orientalische Weise als die dritte Stufe – indem er das Übersinnliche durch das mantrische Wort, durch den mantri­schen Spruch empfand – jetzt nicht ein Denken, das nur in ihm war. Denn so, wie in der gewöhnlichen Sprache unsere Seele zum ande­ren Menschen hinausvibriert, so vibrierte in dem inneren Wort, das er erlebte, die Welt herein. Und was zu ihm sprach, war jetzt nicht ein anderer Mensch, waren nicht Menschengedanken; was zu ihm sprach, waren Weitgedanken, es war der Geist, das Übersinnliche der Welt, das sich in seinen eigenen Organismus als ein Übersinn­liches ergoß.

En zoals degene die naar ons spreken luistert de heftigheid van onze ziel, wat onze ziel doormaak,t uit de woorden opmaakt, zo voelde de Oosterse wijze uit wat als woord door zijn lichaam vibreerde, uit dit bovenzintuiglijk beleven van de mantrische woorden, het spirituele van de wereld.
En zoals het kind vanuit het spreken het denken ontwikkelt, zo ontwikkelde deze Oosterse wijze als het derde niveau – wanneer hij het bovenzintuiglijke door het mantrische woord, door de mantrische spreuk beleefde – niet een denken dat alleen van hém was. Want zoals in het gewone spreken onze ziel naar de andere mens vibreert, zo vibreerde in het innerlijke woord dat hij beleefde de wereld. En wat tot hem sprak, was dus geen andere mens, waren niet de menselijke gedachten; maar wereldgedachten, het was de geest van het spirituele van de wereld dat in zijn eigen organisme als een bovenzintuiglijk iets binnenstroomde.

Blz. 121

In einer solchen Weise suchte man in älteren Zeiten das Über­sinnliche des Menschen in ein Verhältnis zu bringen zu dem Über­sinnlichen der Welt. Und alles, was an religiöser Weltanschauung, was an moralischer Weltanschauung auf uns gekommen ist, was in der Tradition lebt, rührt her von einer solchen Verbindung, die einstmals der Mensch zwischen seinem Übersinnlichen und dem Übersinnlichen der Welt hergestellt hat.
Der Mensch ist für eine gewisse Epoche herausgetreten aus die­sem Miterleben des Göttlich-Geistigen in der Welt. Die Lehrer, die ihren Weg in die übersinnlichen Teile der Welt hinein suchten, wurden immer seltener; und die Menschen, die für solche Lehrer Bedürfnis hatten und die auf dasjenige, was solche Lehrer zu sagen hatten, hören wollten, um die eigene Seelennahrung daraus zu be­ziehen, wurden immer seltener. Denn der Mensch ging für eine Weile durch eine Epoche hindurch, in der alles, was sich in ihm entwickeln sollte, auch geistig-seelisch entwickeln sollte, in engstem Zusammenhange mit seinem Leibe, mit seinem physischen Körper, mit seinem Sinnlichen stehen sollte.

Op zo’n manier probeerde men in oudere tijden het bovenzintuiglijke van de mens te verbinden met de bovenzintuiglijke wereld. En alles wat er aan morele en religieuze wereldbeschouwing tot ons gekomen is, wat traditie is, komt door zo’n verbinding die de mens eens legde tussen zijn eigen spiritualiteit en die van de wereld. De mens heeft voor een bepaalde tijd dit meeleven met het goddelijk-geestelijke in de wereld losgelaten. De leraren die hun weg in de bovenzintuiglijke delen van de wereld zochten, werden steeds zeldzamer; en die mensen die behoefte hadden aan dergelijke leraren en die wilden luisteren naar wat deze te zeggen hadden om bij hen hun zielenvoedsel te halen, werden ook steeds zeldzamer. De mens ging een bepaalde tijd door een periode waarin alles wat in hem tot ontwikkeling zou moeten komen, ook de ontwikkeling van ziel en geest, nauw samen moest hangen met zijn lichaam, met zijn fysiek lichaam, met het uiterlijk zichtbare.

Denn jener ältere Mensch, der sich ganz und gar geborgen fühlte in einer moralischen Weltord­nung, die nicht in ihm lag, sondern die die Welt durchflutete, der sich ganz und gar geborgen fühlte in einer göttlichen Welt, die ihm die Natur völlig aufsog, dieser Mensch hätte als solcher niemals zur Freiheit kommen können – zu jener Freiheit, die sich bewußt wird des eigenen Ich als eines festen Stützpunktes im Innern des Men­schen; zu jener Freiheit, welche die Handlung, die der Mensch aus­führt, nicht unmittelbar ableitet vom Göttlich-Geistigen, das her-einwirkt in den Menschen und das eigentlich im Menschen handelt; zu jener Freiheit, die im Menschen selber den Antrieb zum Han­deln suchen will.
Zu diesem Ich-Bewußtsein, zu diesem Freiheitserlebnis mußte die Menschheit kommen und ist sie gekommen. Aber jetzt stehen wir an einem wichtigen Wendepunkt in der Menschheitsentwick­lung. Wir haben den alten Zusammenhang mit dem Göttlichen ver­loren. Und auch diejenigen können ihn nicht finden, die, wie ich schon angedeutet habe, in aller möglicher Weise die alten Wege 

Want die oudere mens die zich helemaal geborgen voelde in een morele wereldbeschouwing die niet van hem persoonlijk was, maar die de wereld doortrok, die zich helemaal geborgen voelde in een goddelijke wereld die voor hem de natuur volledig in zich opnam, deze mens zou nooit tot vrijheid hebben kunnen komen – tot die vrijheid die zich bewust wordt van zijn eigen Ik als een vast innerlijk anker; tot die vrijheid waarbij de mens een handeling verricht die deze niet direct uit het goddelijk-geestelijke haalt dat in de mens werkzaam is en dat eigenlijk in de mens handelt; tot die vrijheid die in de mens zelf de drijfveer voor het handelen wil zoeken.
De mensheid moest tot dit Ik-bewustzijn, tot dit vrijheidsbeleven komen en dat is gebeurd. Maar nu staan we in de ontwikkeling van de mensheid op een belangrijk keerpunt. We hebben de oude samenhang met de goddelijke wereld verloren. En ook diegenen kunnen hem niet vinden die, wat ik al aangegeven heb, op alle mogelijke manieren de oude wegen

Blz. 122

wieder aufwärmen wollen, nach dem Gnostizismus, nach dem orientalischen Okkultismus hinschauen, um Trost für dasjenige zu finden, was sie aus der naturwissenschaftlichen Anschauung der Gegenwart heraus nicht finden können. Nein, die Anschauung, von der ich hier spreche, die wird zwar oftmals auch dahin verleumdet, daß sie auch nur den alten Gnostizismus oder Orientalismus auf­wärmen wollte. Das ist aber nicht der Fall. Diese Weltanschauung steht auf dem Standpunkte, daß wir aus derselben streng exakten Denkweise, die wir heute im Naturerkennen anwenden, den Weg ins Übersinnliche finden können, wenn wir sie nur in der richtigen Weise erkraften und verschärfen. Allerdings, auch dasjenige, was ich eben als die Dreiheit beson­derer Eigenschaften in der Menschennatur charakterisiert habe und was in älteren Zeiten als Gaben der moralisch-göttlichen Welten-ordnung angesehen worden ist, erscheint dem Menschen der Ge­genwart, auf den mit mächtiger Gewalt und überzeugender Autori­tät die naturwissenschaftliche Weltanschauung wirkt, nur als eine natürliche, als eine sinnliche Gabe.

opnieuw willen bewandelen, die naar het gnosticisme kijken, naar het oosterse occultisme, om troost te vinden voor wat ze bij de natuurwetenschappelijke zienswijze van tegenwoordig niet kunnen vinden. De gezichtspunten waarover ik hier spreek worden weliswaar ook vaak in een kwaad daglicht geplaatst als zouden ze ook de kliekjes van het oude gnosticisme of de oosterse denkwijzen willen opwarmen. Dat is echter niet het geval. Deze wereldbeschouwing staat op het standpunt dat wij met dezelfde exacte manier van denken die we nu bij de natuurwetenschap gebruiken, de weg naar het spirituele kunnen vinden, als we dat maar op de juiste manier sterker en exacter maken.
Zeker ziet ook, wat ik net als de drieheid van bijzondere eigenschappen van de menselijke natuur gekarakteriseerd heb en wat in oudere tijden als de gaven van de moreel-goddelijke wereldordening beschouwd werd, er voor de mens van nu op wie met kracht en overtuigend de autoriteit van de natuurwetenschappelijke wereldbeschouwing van invloed is, uit als alleen maar een natuurlijk, een zintuigelijke gegeven. 

Und so sucht man heute selbst­verständlich – und tut von einem gewissen Standpunkt aus durch­aus recht damit -, aus dem besonderen Aufbau, der sich aus der Le­bensweise des Menschen ergibt, die aus der Lebensweise der Tier­heit herausgewachsen ist, die andersartige Organisation der einzel­nen Menschenglieder abzuleiten und dadurch den aufrechten Gang aus rein natürlichen Verhältnissen heraus zu verstehen. Man sucht die Sprache aus der natürlichen Organisation heraus und aus dem Zusammenhang zu verstehen, den diese natürliche Organisation des Kindes mit dem älteren Menschen hat. Und man sucht auch das Denken selbst, das Hegen von Gedanken als etwas zu begreifen, was mit der menschlichen Organisation zusammenhängt.
Wie sollte man das nicht? Hat doch die Naturwissenschaft zu-nÄchst gezeigt, daß die Gedanken der Menschen gar sehr abhängig sind von ihrer natürlichen Organisation. Es braucht nur diese oder jene Partie des Gehirnes des Menschen gelähmt zu sein; eine gewis­se Partie von Gedankentätigkeit kann ausfallen. Wir sehen überall, wie selbst durch Anwendung von giftigen Substanzen, die im

En zo zoekt men tegenwoordig vanzelfsprekend – en vanuit een bepaald standpunt is dat ook beslist juist –  uit de bijzondere bouw die je aan de leefwijze van de mens kan zien, die ontstaan is uit hoe de dieren leefden, het anders geaard zijn van bepaalde delen van de mens af te leiden en daardoor de rechtop gaande houding te begijpen, puur vanuit natuurlijke omstandigheden. Men probeert de taal vanuit de natuurlijke organisatie te begrijpen en vanuit de samenhang die de natuurlijke organisatie van het kind heeft met de oudere mens. En ook het denken zelf, het zorgvuldige denken als iets te begrijpen wat met de menselijke organisatie samenhangt.
En waarom ook niet? De natuurwetenschap heeft al aangetoond dat de gedachten van de mens heel erg afhankelijk zijn van zijn natuurlijke organisme. Er hoeft maar een bepaald gedeelte van de hersenen van de mens verlamd te zijn en een bepaald deel van het gedachtevermogen valt uit. We zien overal dat zelfs door het toedienen van giftige stoffen die in het

Blz. 123

menschlichen Leibe wirken, die menschliche geistige Tätigkeit be­einträchtigt werden kann. Die Gewohnheit, alles naturwissen­schaftlich zu betrachten, hat gerade diese Dreiheit – Orientierung des Menschen im Weltenall, Sprechenlernen, Denkenlernen – auch auf naturgemäße sinnliche Weise in eine natürliche sinnliche Wel­tenordnung hineingestellt. Und von da aus hat man noch anderes in eine solche Weltenordnung hineingestellt. Nun, was der Mensch zunächst durch seine Geburt, oder sagen wir durch seine Empfängnis hier für diese Erde wird, von dem kann man glauben, daß es hervorgehe – denn man sieht es äußerlich her­vorgehen – aus einer bloßen natürlichen Ordnung. So kann man hinblicken auf der einen Seite nach vorne, nach der Geburt, und man kann in Geburt und Vererbung alles dasjenige sehen, was uns Menschen durchpulst und durchkraftet. Aber sieht man nach der anderen Seite, nach der Seite des Todes, dann sieht man klar, wenn man nur ein wenig unbefangen sein will, wie das, was wir sind als Mensch, die Natur nicht wieder aufnimmt, sondern es auslöscht, wie die Flamme der Kerze ausgelöscht wird. So erscheint es dem modernen Menschen, als ob er selber sich von der Natur gegeben würde durch Keimesleben und Vererbung.

menselijk lichaam werkzaam zijn, de menselijk geestelijke activiteit beïnvloed kan worden. De gewoonte alles door de bril van de natuurwetenschap te bekijken, heeft m.n. deze drieheid – de oriëntering van de mens in de wereld, het leren spreken, leren denken – ook op een natuurlijke manier in een natuurlijke uiterlijke wereldbeschouwing geplaatst.
Wat de mens door de geboorte, door de conceptie hier voor deze wereld wordt, daarvan mag je aannemen dat het tevoorschijn komt – want dat zie je aan de buitenkant – dat is puur natuur. Zo kan je enerzijds naar het begin kijken, naar de geboorte en kan je in het geboren worden en de erfelijkheid van alles zien wat in ons mensen werkzaam is. Maar kijk je naar de andere kant, naar de dood, dan zie je duidelijk, als je maar een beetje onbevangen wil zijn, hoe wat wij als mens zijn door de natuur dan niet opnieuw opgenomen wordt, maar dat de natuur het uitdooft, zoals de kaarsvlam dooft. Zo komt het op de moderne mens over, alsof hij zelf een gegeven is van de natuur door de kiem en de erfelijkheid.

Aber es muß ihm auch erscheinen, als ob er sich selber am Ende seines Erdenlebens durch die Natur in keiner Fortsetzung sehen könnte, als ob die Natur eben nicht in der Lage wäre, sein menschliches Wesen aufzuneh­men, sondern nur, es zu zerstören. Deshalb ist das große Rätsel, das einstmals für die Menschen in älteren Zeiten, in denen man nament­lich eine moralische und eine religiöse Weltanschauung hatte, das Geburtsrätsel war, für eine spätere Menschheit und noch für uns heute zum Todesrätsel geworden. Das Rätsel des Geborenwerdens ist zu dem Rätsel der Unsterblichkeit geworden.
Denn in der Zeit, in der die Menschen nach der göttlich-geistigen Welt in moralischer, in religiöser Beziehung erkennend haben hin­schauen können, das Übersinnliche der Menschen mit dem Über­sinnlichen der Welt in Beziehung haben bringen können, fragte man sich: Wie ist der Mensch herunter gekommen von den geisti­gen Welten, in denen er früher gelebt hat, auf diese Erde? Was

Dan moet het hem ook wel zo vóórkomen dat hij aan het eind van zijn aardse leven op geen enkele manier door de natuur verdergaat, dat de natuur niet in staat is hem als mens in zich op te nemen, maar hem alleen maar te vernietigen. Vandaar dat ooit voor de mens in de oudere tijden waarin men nog een morele en religieuze wereldbeschouwing had, het grootste raadsel dat van de geboorte was, wat voor een latere mensheid en ook nu nog voor ons het raadsel van de dood is geworden. 
Het raadsel van de geboorte is tot het raadsel van de onsterfelijkheid geworden.
Want toen de mensen nog in moreel-religieus opzicht met een bepaald weten naar de goddelijk-geestelijke wereld konden opzien, toen ze het spirituele van de mens met het spirituele van de wereld met elkaar in verband konden brengen, vroeg men: hoe is de mens vanuit de geestelijke werelden naar deze aarde gekomen, waar hij eerder al eens woonde? Wat

Blz. 124

natürliches Geschehen im Keimesleben, bei der Geburt war, das sah man nur als den äußeren Ausdruck dieses Heruntersteigens aus göttlich-geistigen Welten ins physische Erdenleben. Die Geburt war das große Rätsel. Was hat der Mensch hier auf der Erde zu vollbringen? Das fragte man sich. Heute blickt der Mensch nach der anderen Seite, nach der Seite des Todes, wenn er sich das große Rätsel nach dem wahren Wesen seines innersten Menschheitskernes aufwerfen will.Und noch von einer anderen Seite können wir dasselbe Rätsel betrachten. Ja, man kann den Glauben haben, daß aus den natürli­chen Instinkten, die aus dem Blute, aus dem Fleische, aus dem Nervensystem, aus der ganzen menschlichen Organisation geboren werden, durch eine gewisse Vervollkommnung die moralischen Impulse des Menschen entstehen, und man kann aus dem Vorhandensein solcher moralischer Impulse auch gewisse religiöse Empfindungen ableiten. Man kann also gewissermaßen das Her­kommen der Moral und das Herkommen der religiösen Emp­findungen aus der sinnlichen Naturordnung ableiten.
Aber wir brauchen nicht etwa von der Vergeltung der morali­schen oder unmoralischen Handlungen zu sprechen. Das führt zu sehr ins egoistische Gebiet. 

bij de geboorte een natuurlijk proces in het kiemleven was, zag men slechts als de uiterlijke uitdrukking van dit incarneren vanuit goddelijk-geestelijke werelden in het fysieke aardeleven. De geboorte was het grootste raadsel. Wat moet de mens hier op aarde volbrengen? Dat vroeg men zich af. Tegenwoordig kijkt de mens naar de andere kant, de kant van de dood, als hij het grootste raadsel van zijn ware wezen, van zijn diepste menselijke wezenskern te berde wil brengen.
En we kunnen hetzelfde raadsel van nog een andere kant bekijken. Je kan van mening zijn dat uit de natuurlijke instincten die uit het bloed, uit het vlees, uit het zenuwsysteem, uit de hele menselijke organisatie geboren worden, door een zekere vervolmaking de morele impulsen van de mens ontstaan en je kan uit de aanwezigheid van dergelijke morele impulsen ook bepaalde religieuze gevoelens afleiden. Je kan in zekere zin het ontstaan van de moraal en het ontstaan van religieuze ervaringen afleiden uit wat je aan een uiterlijke natuurlijke ordening waarneemt. Maar we hoeven niet te spreken over een soort rekenschap afleggen van morele of niet morele handelingen. Dat leidt te veel naar het egoïstische vlak.

Doch wir können davon sprechen, daß dasjenige, was wir moralisch vollbringen – wenn wir als Allumfas­sendes nur die sinnliche Naturordnung glauben -, kraftlos in der Welt erlöschen müßte. Die Frage entsteht: Die kleinste Äußerung der elektrischen Kraft hat innerhalb des Weltenalls ihre bestimmte Folge – das ist nach der Anschauung der Naturwissenschaft; das­jenige, was moralisch aus uns entspringt, das sollte im Weltenall keine Folgen haben? Wir blicken auch in dieser Beziehung nach dem andern Ende. Wir können zur Not die moralischen Impulse als höher entwickelte Triebe und Instinkte ansehen, aber wir können nicht die Bedeutung der moralischen Impulse für die Zukunft aus einer bloß natürlich-sinnlichen Weltanschauung heraus erkennen.
Vor diesen Fragen steht ein Teil der Menschen lieute ganz be­wußt. Und wer bewußt vor diesen Fragen steht, der muß sich eben

Maar we kunnen wel zeggen dat dat wat wij moreel doen – wanneer wij als allesomvattend alleen in de uiterlijke natuurordening geloven – zonder kracht in de wereld ten onder moet gaan. De vraag komt op: de kleinste uiting van elektrische kracht heeft binnen het universum bepaalde gev0lgen – dat is de opvatting van de natuurwetenschap; en wat moreel voortkomt uit ons, zou dat voor het universum geen gevolgen hebben?
We kijken in dit opzicht ook naar de andere kant. We kunnen als noodgeval de morele impulsen als hoger ontwikkelde driften en insioncten beschouwen, maar we kunnen de betekenis van de morele impulsen voor de toekomst niet uit alleen maar een natuurlijk-zintuiglijke wereldbeschouwing leren kennen. Deze vragen leven bij een deel van de mensen tegenwoordig heel bewust. En wie deze vragen bewust beleeft, moet zich richten

Blz. 125 

zu demjenigen hinwenden, was hier als anthroposophische Geistes­wissenschaft auseinandergesetzt wird. Ein großer Teil der Mensch­heit steht unbewußt, mehr empfindend vor diesen Fragen. Er kann nicht mehr ganz mitgehen mit dem, was ihm an alten religiösen Tra­ditionen überliefert worden ist, denn er fühlt instinktiv, daß das doch aus alten Erkenntnissen hervorgegangen sein muß. – Das ist nicht aus einem Glauben, den man heute den Menschen aufreden will, hervorgegangen! Alle religiösen Bekenntnisse sind aus alten Erkenntnissen entsprungen, aus solcher Verbindung des Übersinn­lichen im Menschen mit dem Übersinnlichen der Welt, wie ich es Ihnen vorhin charakterisiert habe. Aber wir können diesen alten Weg heute nicht wiederum gehen. Die Menschheit hat seither an­dere Entwicklungsformen angenommen. Sie hätte sonst nicht jenen Weg, ich möchte sagen jene Zwischenepoche durchmachen können, in der sie sich das Gefühl des Ich-Bewußtseins, das Erlebnis der Freiheit geholt hat. Sie hätte nicht ganz im physischen Menschenlei­be leben können, wenn sie nicht ganz anders organisiert gewesen wäre in dieser Zwischenepoche als in jenen älteren Zeiten, wo die­jenigen Vertrauen und Anerkenntnis gefunden haben, die

op wat hier als antroposofische geesteswetenschap uiteengezet wordt. Een groter deel van de mensheid staat onbewust, meer gevoelsmatig t.o. deze vragen. Die kan niet meer helemaal meegaan met wat aan oude religieuze tradities overgeleverd is, want instinctief voelt men dat dat toch uit een oud geloof ontsproten moet zijn. Het is niet ontstaan uit een geloof dat men nu aan de mensen wil vertellen! Alle religieuze richtingen zijn uit oude overtuigingen gekomen, uit die verbinding van het spirituele in de mens met het spirituele in de wereld, zoals ik u al eerder geschetst heb. Maar we kunnen deze oude wegen nu niet meer inslaan. De mensheid heeft nadien andere ontwikkelingsvormen aangenomen. Zij zou anders niet die weg zijn gegaan, die tussenfase door hebben kunnen maken, waaruit zij het gevoel van het Ik-bewustzijn, het vrijheidsbeleven gehaald heeft. Als ze in deze tussenfase niet een heel ander organisme zou hebben gekregen, had ze niet helemaal in een fysiek lichaam kunnen leven zoals in die oudere tijden waarin diegenen vertrouwen en erkenning gevonden hebben

 auf dem Wege der Körperposition, der Mantrams und der sich ihnen offenbarenden Weltgedanken den Menschen Kunde gebracht haben von der Art und Weise, wie die Menschenseele, das Menschenin­nere mit dem Übersinnlichen der Welt zusammenhängt, wie der Mensch nur als Körper ein vergängliches, als Seelisches aber ein unvergängliches Wesen, eine ewige Wesenheit ist.Wenn der Mensch heute versucht – und es tun es ja viele, ich möchte sagen zum Unheil für eine wirkliche Erkenntnis -, in der­selben Weise die Verbindung des Übersinnlichen in seiner Natur mit dem Übersinnlichen der Welt zu suchen wie, sagen wir die Anhänger des Buddha, wenn er etwa durch besondere Körperposi­tionen, durch Absingen von Mantrams und durch so geartete, im Innern regsame Worte im inneren Logos sich offenbarende Weltge­danken suchen wollte, wenn er durch das alles zum Übersinnlichen kommen wollte, so würde er als heutiger Mensch, der in ganz an­derer Weise seinen physischen Leib ausgebildet hat als eine ältere

die via de weg van hun lichaamshouding, van de mantrams en de wereldgedachten die hun geopenbaard waren, de mensen verteld hebben van hoe de mensenziel, het menselijk innerlijk met het spirituele van de wereld samenhangt, hoe de mens alleen als lichamelijk wezen vergankelijk is, maar als zielenwezen onvergankelijk, een eeuwig wezen. Wanneer de mens nu probeert – en dat doen er veel en ik zeg wel tot schade voor een werkelijke kennis – op dezelfde manier verbinding te zoeken tussen het bovenzintuiglijke in zijn wezen en het spirituele van de wereld, zoals laten we zeggen de aanhangers van Boeddha, wanneer hij door bijzondere lichaamshoudingen, door het zingen van mantrams en door dergelijke innerlijke actieve woorden, in de innerlijke logos de zich openbarende wereldgedachten wilde zoeken, wanneer hij door dat alles tot het bovenzinlijke zou willen komen, dan zou hij als mens van nu die op een heel andere manier zijn fysieke lichaam gevormd heeft dan een oudere 

Blz. 126

Menschheit, nur seinen physischen Menschenleib in Unordnung bringen und ihn nicht hinauflenken können zum Ubersinnlichen. Jener ältere Menschenleib, der in der Weise mit Übungen zu durchdringen war, wie ich das dargestellt habe, der hatte eben noch nicht jene Festigkeit, jene innere Konsistenz, aus der ein starkes Erden-Ich-Bewußtsein, ein starkes Erdenfreiheitserlebnis ent­springt. Der menschliche Organismus ist konsistenter geworden. Würde man heute eine genauere Physiologie, wie sie die hier ge­meinte anthroposophische Geisteswissenschaft gibt, anerkennen, so würde man wissen, daß in den neueren Menschenleibern die festen Bestandteile, namentlich die salzigen, intensiver ausgebildet sind, als sie in den Körpern der alten Menschen ausgebildet waren, die solche Übungen für die höhere Erkenntnis machen konnten, wie ich sie geschildert habe. Der heutige Mensch muß deshalb in ande­rer Weise sein eigenes Übersinnliches mit dem Übersinnlichen der Welt in Beziehung, in Verbindung bringen. Der heutige Mensch muß auf andere Weise das Moralische, das Religiöse in der Welten-ordnung suchen, als es ältere Zeiten gesucht haben.

mensheid, alleen maar zijn fysieke lichaam in disorde brengen en het niet kunnen richten op het bovenzintuiglijke. Dat oudere mensenlichaam dat op die manier met oefeningen doordrongen kon worden, zoals ik uiteengezet heb, had  de stevigte nog niet, die innerlijke consistentie waaruit een sterk aarde-Ik-bewustzijn, een sterke beleving van aardse vrijheid ontspringt. Het menselijk organisme is consistenter geworden. Zou men tegenwoordig een preciezere fysiologie erkennen zoals de hier genoemde antroposofische geesteswetenschap die geeft, dan zou men weten dat in de nieuwere mensenlichamen de vaste bestanddelen, met name de zoutachtige, intensiever ontwikkeld zijn dan die in de lichamen van de mensen uit de oudheid die de oefeningen voor de hogere kennis konden doen zoals ik aangaf. De mens van nu moet daarom op een andere manier zijn eigen spiritualiteit met die van de wereld in verbinding kunnen brengen. De mens van nu moet op een andere manier het morele, het religieuze in de wereldorde zoeken, dan dat in oudere tijden gebeurde.

Die Geisteswissenschaft, von der ich hier spreche, sucht deshalb von zwei Seiten her in die übersinnliche Welt hineinzukommen: er­stens von der Seite des Gedankens, zweitens aber von der Seite des Willens. Von der Seite des Gedankens dadurch, daß der Mensch den Gedanken, der ihm ja so ungeheure Dienste gerade in der modernen Naturwissenschaft in der Beobachtung und Experimentierkunde geleistet hat, nicht bloß als ein Abbild der Außenwelt erlebt, son­dern daß er lernt, mit diesen Gedanken im stillen Inneren der Seele zu leben. Dadurch kann der moderne Mensch eine geisteswissenschaftliche Methode ausbilden, ähnlich wie der alte Mensch sie durch seine Mantrams ausgebildet hat, nur daß die Mantrams noch etwas Sinnlicheres waren, der moderne Mensch aber etwas Geistigeres in der bloßen Ausbildung der Gedanken hat.Ich habe im einzelnen den weiten Weg, den man zu durchlaufen hat, um in dieser Weise zu einer wirklichen Geisteswissenschaft und somit zu einer Erkenntnis der übersinnlichen Welten zu kom­men, ausführlich in meinen Büchern, zum Beispiel in dem Buch

De geesteswetenschap waarover ik hier spreek, zoekt daarom van twee kanten de bovenzintuiglijke wereld binnen te gaan: ten eerste de kant van het denken, ten tweede echter de kant van de wil. Van de kant van het denken, zodat de mens de gedachten die hem in de natuurwetenschap in het waarnemen en het kunnen experimenteren zo’n grote dienst bewijzen, niet alleen maar als een beeld van de buitenwereld beleeft, maar dat hij leert met deze gedachten in het verstilde innerlijk van de ziel te leven. Daardoor kan de moderne mens een geesteswetenschappelijke methode ontwikkelen, net zo als de oude mens die door zijn mantrams ontwikkeld heeft, met dien verstande dat de mantrams nog iets zintuiglijker waren, en de moderne mens iets meer het geestelijke in de zuivere ontwikkeling van de gedachten heeft. Ik heb in detail de brede weg die je moet doorlopen om op deze manier tot werkelijke geesteswetenschap en daarmee tot kennis van de bovenzintuiglijke werelden te komen, uitvoerig in mijn boeken beschreven, bijv. in het boek

Blz. 127

«Wie erlangt man Erkenntnisse der höheren Welten?», im zweiten Teil meiner «Geheimwissenschaft» und in anderen Büchern, ge­schildert. Hier möchte ich nur kurz prinzipiell andeuten, wie man heute – ganz angemessen der heutigen Menschheitsorganisation -zum Geistesforscher werden kann.
Nicht jeder braucht ein Geistesforscher zu werden, aber einzelne Menschen können es werden. Bis zu einem gewissen Grade kann allerdings jeder wenigstens zum Nachprüfer dieser Geistesfor­schung werden, wenn er dasjenige als Übungen sich angelegen sein läßt, was ich in den genannten Büchern dargestellt habe. Aber wer heute ein Geistesforscher werden will, muß es nicht mehr durch das sinnliche Absingen von Mantrams, sondern durch rein übersinn­liche Übung in Gedanken werden.
Nun, wir haben es heute zu exakten Gedanken gebracht. Wenn ich hinschaue in die Sternenwelten in der exakten Astronomie: da haben wir es zu einem exakten Denken im Physikalischen, im Che­mischen gebracht; sogar streben wir es heute schon im biologischen Forschen, im Erforschen der Lebewesen an, und wir fühlen uns da insbesondere dann befriedigt, wenn wir die äußere sinnliche Welt so erforschen können, wie wir gewöhnt sind, unsere Gedanken zu orientieren, wenn wir in der Mathematik Probleme lösen.

De weg tot inzicht in hogere werelden‘, in het tweede deel van mijn ‘Wetenschap van de geheimen der ziel‘ en in andere boeken. Hier zou ik nu kort principieel willen aanduiden – hoe men tegenwoordig – geheel in overeenstemming met de menselijke organsiatie van nu – een onderzoeker van de geest kan worden. Niet iedereen hoeft het te worden, maar een paar mensen kunnen het wel. Tot op zekere hoogte kan iedereen in ieder geval op z’n minst wel iemand worden die dit onderzoek na kan gaan, wanneer hij de oefeningen wil doen die ik in mijn boeken aangegeven heb. Maar wie tegenwoordig onderzoeker van de geest wil worden, moet dat niet meer doen door het zingen van mantrams, maar alleen door puur bovenzintuiglijke oefeningen in het denken.
We hebben het nu tot exacte gedachten gebracht. Wanneer ik naar de sterrenwereld kijk in de exacte astronomie; we hebben een exact natuurkundig denken, ook in de chemie, we streven er zelfs naar bij het biologische onderzoek, bij het onderzoek van de levende wezens en wij voelen ons bijzonder tevreden, wanneer wij de uiterlijk zintuiglijke wereld zo kunnen onderzoeken, zoals we gewend zijn onze gedachten te richten, wanneer we bij wiskunde problemen oplossen.

Daher hat man ja das Wort geprägt, nur soviel sei wirkliche Wissenschaft der Natur vorhanden, als Mathematik in der Naturwissenschaft enthal­ten ist. Und man redet aus diesem Grunde von exakter Naturwis­senschaft. Alles soll in Beobachtung und Experimentieren so über­schaut werden können, wie man die Probleme überschaut, wenn man mathematische Aufgaben löst. Von exakter Wissenschaft redet man da. Von exaktem Hellsehen, exakter Clairvoyance redet die anthro­posophische Geisteswissenschaft, die hier gemeint ist. Wenn der heutige Naturwissenschafter die heutige Welt in exakter Weise er­forscht, so macht derjenige, der anthroposophischer Geistesfor­scher wird, etwas ebenso Exaktes, nur auf einem anderen Gebiete. Er entdeckt allmählich, daß es in der Seele verborgene Kräfte gibt, die im gewöhnlichen Leben und in der gewöhnlichen Wissenschaft

Daarom heeft men de slogan bedacht, slechts zoveel is echte natuurwetenschap als er wiskunde in de natuurwetenschap zit. En daarom spreekt men dan over exacte natuurwetenschap. Alles moet zo waargenomen en ermee geëxperimenteerd kunnen worden, als je wiskundeproblemen oplost. Dan heeft men het over exacte wetenschap.
Over exacte helderziendheid, bovenzintuiglijk waarnemen spreekt de antroposofische geesteswetenschap die hier wordt bedoeld. Wanneer de natuurwetenschapper de wereld van nu op een exacte manier onderzoekt, dan doet degene die antroposofisch onderzoeker wordt dat even exact, alleen op een ander gebied. Hij ontdekt langzamerhand dat er in de ziel verborgen krachten leven die in het dagelijks leven en in de gewone wetenschap

Blz. 128

nicht angewendet werden. Er entdeckt allmählich, daß es wirklich so ist, daß im Kinde, im ganz kleinen Kinde, Geistig-Übersinnliches und Physisch-Sinnliches noch ungetrennt zusammenwirken, daß aber dann das Kind gewissermaßen in den aufrechten Gang, in die Sprache, in das Denken nach der sinnlichen Außenwelt dasjenige ergießt, was in ihm vorher übersinnlich gestaltet lebt. Alles, was in der allerersten Lebenszeit des Menschen hinunterquillt in das das, was ganz und gar in den Organen vibriert, das ergießt sich, indem der Mensch sich in der Außenwelt orientiert, nach außen; das ergießt sich in der Sprache nach außen, das ergießt sich ins­besondere im Denken nach außen.
Aber wir können es wieder zurücknehmen. Der orientalische Schüler des orientalischen Weisen suchte vorzugsweise durch das Zurückwenden der Sprache zu erreichen, was man Verbindung des Übersinnlichen im Menschen mit dem Übersinnlichen der Welt nennen kann. Wir Neueren müssen den Gedanken selbst nach in­nen wenden. Wir müssen uns ganz im Ernste sagen können: Wir haben es weit gebracht in der Beobachtung der äußeren Natur. Es stehen vor uns die exakten Gedanken der Sternenformen und Sternenbewegungen. 

niet worden gebruikt. Hij ontdekt stap voor stap dat het echt zo is dat bij het kind, het heel kleine kind, dat wat geestelijk-bovenzintuiglijk is en dat wat fysiek-zintuiglijk is, nog als één geheel samenwerken, dat dan het kind in zekere zin in het rechtop gaan, in het spreken, in het denken, naar de zichtbare buitenwereld laat overgaan, wat in hem daarvóór bovenzintuiglijk leeft. Alles wat in de allereerste levenstijd van de mens naar het bloed gaat, wat er allemaal in de organen meevibreert, dat stroomt wanneer de mens zich op de buitenwereld oriënteert, naar buiten, dat stroomt in het spreken, en in het bijzonder in het denken.
Maar dat kunnen we ook weer terugnemen. De oosterse leerling van de oosterse wijze zocht in de eerste plaats door het terughouden van de spraak te bereiken, wat je een verbinding van het bovenzintuiglijke in de mens met het bovenzintuiglijke in de wereld kan noemen. Wij als nieuwere mensen moeten onze gedachten zelf naar binnen richten. We moeten heel ernstig tegen onszelf kunnen zeggen: bij het waarnemen van de natuur hebben we het ver gebracht. We hebben exacte gedachten over de sterrenvormen en sterrenbewegingen.

Es stehen vor uns die exakten Gedanken der elek­trischen, der magnetischen, der Wärme-Wirkungen, der Schall-, der Licht-Wirkungen. Wir blicken in die Welt hinaus – exakte Gedan­ken in uns bilden uns diese Welt ab. Wir müssen uns als Geistesfor­scher in die Lage versetzen können, jetzt von allen Gedanken abzu­sehen, die uns so nach außen zu den Sternen, zu den elektrischen, magnetischen Wärmeerscheinungen führen. Wir müssen imstande sein, so wie der alte Weise sein mantrisches Sprechen nach innen wendete und sich dadurch den Logos der Welt offenbaren ließ, die Kraft des Gedankens nach innen wenden zu können. Mit derselben Stärke wie äußerlich durch unsere Sinne – die körperliche Organi­sationen sind und uns zu Hilfe kommen, so daß wir nicht die eigene Stärke, die Stärke der Seele anzuwenden brauchen – müssen wir uns aufschwingen, das Denken im Meditieren so stark zu machen, daß unsere Gedanken, obwohl sie nur innerlich entwickelt werden, so lebhaft werden wie sonst die Sinnesempfindungen.

We hebben de exacte gedachten over elektriciteit, magnetisme, warmtewerkingen, geluid en licht. We kijken de ruimte in – in exacte gedachten hebben we deze wereld voor ons. Als onderzoeker van de geest moeten we in de positie kunnen komen nu juist af te zien van alle gedachten die ons zo naar de sterren, de elektriciteit, het magnetisme en de warmteverschijnselen voeren. We moeten in staat zijn zoals de oude wijze zijn mantrisch spreken naar binnen richtte en zich daardoor de Logos van de wereld liet openbaren, die kracht van de gedachten naar binnen te richten. Met dezelfde kracht als uiterlijk door onze zintuigen – het lichamelijk organisme dat ons te hulp komt, zodat we niet onze eigen kracht, die van de ziel hoeven te gebruiken – moeten we er nu toe komen het denken in het mediteren zo sterk te maken dat onze gedachten, hoewel die nu alleen innerlijk ontwikkeld worden, net zo levend worden als de zintuigervaringen. 

Blz. 129

Denken Sie nach, wenn Sie Töne hören, Farbe sehen, wenn Wärme- und Kälte-Empfindungen Ihren Leib durchrieseln, wie lebendig das alles ist, wie intensiv das wirkt. Denken Sie darüber nach, wie grau und abstrakt die Gedanken dagegen sind, die Sie von diesen Erlebnissen der Außenwelt behalten. Und Meditieren be­steht darinnen, daß man diese Gedanken – die sich nur grau und abstrakt an die Außenwelt schließen, die dadurch in uns aufdäm­mern, daß man sich passiv an die Beobachtung der Sinne hingibt -innerlich so erkraftet, so intensiviert, daß sie genauso werden wie Sinneswirkungen. Dadurch schwingt man sich auf zu einem neuen Denken. Während das Denken, das man im gewöhnlichen Leben und in der gewöhnlichen Wissenschaft hat, so ist, daß man sich darinnen passiv fühlt, daß diese Gedanken eigentlich kraftlos sind, nur Bilder sind, die die äußere Welt abbilden, kann man durch das Meditieren erreichen, daß man in der Gedankenwelt lebt, wie man in seinen Wachstumskräften lebt, wie man in Hunger und Durst lebt, wie man im innerlichen leiblichen Wohlbefinden lebt – das ist der Ertrag des Meditierens. Man muß nur eines lernen, um in einer solchen Weise die Gedankenwelt innerlich zu beleben: man muß lernen, liebend in Gedanken innerlich zu weben.

Besef, dat wanneer je tonen hoort, kleur ziet, wanneer warmte en kou door je lijf trekken, hoe levensecht dat allemaal is, hoe intensief dat werkt. En denk er dan eens over na hoe grijs en abstract daarentegen de gedachten zijn die je overhoudt aan de belevenissen vanuit de buitenwereld. En mediteren bestaat eruit dat je deze gedachten – die grauw en abstract aansluiten bij de buitenwereld en in ons uitdoven, doordat je je passief aan de zintuigwaarneming overgeeft – innerlijk zo krachtig maakt, zo intensiveert, dat ze net zo worden als het werken van de zintuigen. Daardoor werk je jezelf op tot een nieuw denken. Terwijl het denken dat je in het dagelijks leven hebt en het denken van de gangbare wetenschap, zo is, dat je je daarin passief voelt, dat die gedachten eigenlijk krachteloos zijn, alleen maar beelden die de uiterijke wereld voorstellen, dan kan je door mediteren bereiken dat je in de gedachtewereld leeft, zoals je in je groeikrachten leeft, zoals je aanwezig bent in je honger en dorst, zoals je in je lichaam een innerlijk behaaglijk gevoel hebt – dat is het resultaat van mediteren. Je hoeft maar één ding te leren om op zo’n manier innerlijk de gedachtewereld te ervaren: je moet leren innerlijk met liefde in je gedachten actief te zijn. 

Das muß man, wenn man Geistesforscher werden will, mit ebensolcher Hingabe üben, wie man, wenn man Physiker werden will, jahrelang im physikalischen Laboratorium üben muß, wie man jah­relang, wenn man Astronom werden will, auf der Sternwarte üben muß. Es ist wahrhaftig nicht leichter, Geistesforscher zu werden, als ein Astronom oder ein Physiker. Nachprüfen kann jeder, der nur ein wenig beachtet, was ich im Buche «Wie erlangt man Er­kenntnisse der höheren Welten?» beschrieben habe, dasjenige, was der Geistesforscher sagt. Aber ebensowenig, wie jeder ein Astro­nom werden soll, der die Ergebnisse der Astronomie in seine Welt­anschauung aufnimmt, ebenso wenig braucht jeder ein Geistes-forscher zu werden, wenn Geistesforschung ein Element unserer Zivilisation, unseres Kulturlebens werden soll. Ja, im Gegenteil: jene Beziehung von Mensch zu Mensch, die einmal dadurch entste­hen kann und die eigentlich in einer nicht sehr fernen Menschheitszukunft

Als je onderzoeker van de geest wil worden, moet je met net zoveel toewijding oefenen, als wanneer je natuurkundige wil worden en je jarenlang in het laboratorium moet oefenen, zoals je jarenlang op de sterrenwacht moet praktiseren, als je sterrenkundige wil worden. Het is beslist niet eenvoudiger om geesteswetenschapper te worden dan astronoom of natuurkundige.
Ieder die maar een beetje rekening houdt met wat ik in het boek ‘De weg tot inzicht in hogere werelden‘ beschreven heb, kan nagaan wat de geesteswetenschapper zegt. Maar net zomin als iedereeen astronoom hoeft te worden om de resultaten van de astronomie in zijn wereldbeschouwing op te nemen, hoeft evenmin iedereen geesteswetenschapper te worden, wil het onderzoeken van de geest een element van onze beschaving, van ons cultuurleven worden. Integendeel: iedere relatie van mens tot mens die daardoor ontstaan kan en die eigenlijk in een niet al te ver van ons vandaan liggende toekomst van de mensheid

Blz. 130

entstehen muß – wenn der Niedergang nicht immer stärker und stärker werden soll -, jenes soziale Zusammenleben zwischen Mensch und Mensch, das notwendig werden wird und, man könnte sagen eigentlich schon heute notwendig ist, das wird wesentlich belebt, wenn jenes Vertrauen wiederum in das soziale Leben der Menschen einzieht, wodurch man weiß: Wer aus den Tiefen sei­ner Seele heraus über die geistigen, übersinnlichen Welten spricht, weil er als Geistesforscher sich zu ihnen aufgeschwungen hat, der verdient Vertrauen.
Wo in dieser Weise die Seelen intim zueinander stehen können, daß die Intimitäten der übersinnlichen Welt in der übersinnlichen Wesenheit des Menschen einander mitgeteilt werden, in einer sol­chen sozialen Ordnung werden diejenigen Kräfte leben, die einzig und allein wiederum unser soziales Leben festigen werden. Des­halb ist es vollständig unbegründet und entspringt eigentlich nur einem menschlichen Egoismus, wenn man sagt: Ich halte mich nicht an die Erkenntnisse der anthroposophischen Forschung über das Übersinnliche, solange ich die Dinge nicht selber sehe. – Jeder Mensch ist so geartet, daß er für die Wahrheit und nicht für die Unwahrheit veranlagt ist. Erforschen kann nicht jeder die übersinnliche Welt, wie nicht jeder ein Bild malen kann. 

moet ontstaan – wil de neergang niet steeds sterker worden – dat sociale samenleven tussen de mensen onderling dat noodzakelijk zal worden en je zou kunnen zeggen eigenlijk nu al noodzakelijk is, dat wordt als wezenlijk ervaren wanneer dat vertrouwen weer deel wordt van het sociale leven van de mens, waardoor men weet: wie vanuit de diepte van zijn ziel over de geestelijke, spirituele werelden spreekt, omdat hij als geesteswetenschapper zich zo ontwikkeld heeft dat hij daar toegang toe heeft, die verdient vertrouwen.
Wanneer zo de zielen op een diepere manier t.o.v. elkaar kunnen staan, ze het diepere van de bovenzintuiglijke wereld in hun bovenzintuiglijk wezen aan elkaar kunnen meedelen, dan zullen in een sociale orde enkel en alleen die krachten levend werken die ons sociale leven sterker maken. Daarom heeft het geen enkele basis en komt eigenlijk alleen maar uit het menselijke egoïsme voort om te zeggen: ik houd mij niet aan de kennis van het antroposofische onderzoek van het spirituele, zolang ik de dingen niet zelf zie. Ieder mens zit zo in elkaar dat hij voor de waarheid en niet voor de leugen geschapen is. Niet iedereen kan de bovenzintuiglijke wereld onderzoeken, zoals niet iedereen een schilderij kan maken.

Wie aber jeder ein Bild, das künstlerisch gemalt ist, in sich aufnehmen kann, ebenso kann auch jeder, weil er als ganzer, als Vollmensch für die Wahrheit veranlagt ist, nicht auf einen blinden Glauben hin, son­dern auf innerliches Erleben hin die Wahrheit der Geisteswissen­schaft, wie sie hier gemeint ist, anerkennen. Diese Geisteswissen­schaft selbst kann nur dadurch erlangt werden, daß durch Medi­tieren, durch Konzentrieren innerhalb des Denklebens selbst in dieser Weise von dem gewöhnlichen abstrakten Denken zu einem bildhaften Denken vorgeschritten wird, zu einem solchen Denken, das innerlich lebendig ist. In diesem Denken leben wiederum die Weltgedanken. In diesem Denken fühlt sich dann der Mensch nicht mehr wie eingeschlossen in seinem Leibe, in diesem Denken fühlt er sich auf der ersten Stufe bezüglich des Eintrittes in die ubersinnliche Welt.

Maar de manier waarop iemand een beeld in zich kan opnemen dat kunstzinnig geschilderd is, zo kan iedereen, omdat hij als een heel mens, een echt mens geschapen is voor de waarheid, niet om die blind te geloven, maar via zijn innerlijk beleven, de waarheid van de geesteswetenschap zoals die hier bedoeld wordt, erkennen. Deze geesteswetenschap zelf kan alleen verkregen worden door het mediteren, door concentratie van het gedachteleven zelf, wanneer op deze manier van het gewone abstracte denken verder gegaan wordt naar een beeldend denken, naar zo’n manier van denken dat innerlijk leeft. In zo’n denken leven dan weer de wereldgedachten. In zo’n denken voelt de mens zich dan niet meer opgesloten in zijn lichaam, in dit denken voelt hij zich op de eerste trap wat betreft het binnengaan in de bovenzintuiglijke wereld.

Blz. 131

Der ältere Mensch ging von etwas mehr Sinnlichem, von dem nach innen gewendeten Worte aus. Der neuere Mensch muß von etwas mehr Geistigem, von dem nach innen gewendeten Gedanken selber ausgehen, und er findet dadurch seinen Zusammenhang mit dem Übersinnlichen der Welt und kann wiederum sprechen von die­sem Übersinnlichen der Welt. Denn das bleiben nicht leere Worte, die sich einem dann ergeben, wenn man in solcher Weise durch das innerlich belebte Denken in das Übersinnliche der Welt eintritt und mit dem Übersinnlichen in seinem eigenen Inneren dieses Übersinn­liche der Welt miterlebt. Geradeso, wie wir in der sinnlichen Außen­welt von den vielen Pflanzenformen, von den Formen der Tiere um­geben sind, wie wir umgeben sind von demjenigen, was uns aus den Sternen herunterleuchtet, so verglimmt gewissermaßen vor der gei­stigen Anschauung, die sich dem bildhaften Denken ergibt, die sinn­liche Welt, und eine geistige Welt geht auf. Man erblickt jetzt nicht mehr bloß die Sonne in ihrem physischen Glanze, man erblickt eine Summe von geistigen Wesenheiten, deren physisches Abbild die physische Sonne ist. Man dringt durch die physisch erscheinende Sonne zu dem geistigen Sonnenwesen vor.

De oudere mens ging uit van iets meer invoelbaars, van de woorden die nog meer naar binnen gingen. De modernere mens moet meer van het geestelijke uitgaan, van de gedachten die naar binnen gericht zijn en daardoor vindt hij zijn samenhang met de bovenzintuiglijke wereld en kan dan over deze wereld spreken. Want het blijven geen lege woorden die iemand dan krijgt wanneer je op deze manier door het denken, dat innerlijk levend geworden is, de geestelijke wereld binnengaat en met dit bovenzintuiglijke in je eigen innerlijk, dit spirituele in de wereld meebeleeft. Net zoals we in de waarneembare wereld omringd zijn door de vele planten- en diervormen, hoe we omringd zijn door wat ons vanuit de sterren toestraalt, zo verbleekt in zekere zin voor de geestelijke waarneming die in het beeldende denken verschijnt, de zintuiglijke wereld en een geestelijke wereld gaat open. Je ziet dan niet alleen maar meer de zon in de fysieke glans, je ziet een hoeveelheid geestelijke wezens waarvan hun fysieke voorkomen de fysiek aanwezige zon is. Je komt van de fysiek verschijnende zon bij de zon als geestelijk wezen. 

Und ebenso dringt man durch den physisch erscheinenden Mond zu den geistigen Monden­wesen vor. Man lernt erkennen, wie diese geistigen Mondenwesen die Menschenseele aus geistig-seelischen Welten durch die Geburt hier in das Erdenleben hereinführen, wo sie von der Mutter und von dem Vater den Leib annimmt. Man lernt erkennen, wie in dem geisti­gen Sonnenwesen diejenigen Kräfte liegen, die den Menschen durch den Tod wiederum hinausführen, und man lernt erkennen den Gang der Menschenseele aus den übersinnlichen Welten heraus.
Diese Erkenntnis vertieft sich einem allerdings noch dadurch, daß man jetzt nicht den Willen durch Körperlagen ausbildet, wie es der alte Orientale getan hat, sondern daß man den Willen in einer ahnlichen Weise ausbildet, wie man den Gedanken zu einer exakten Clairvoyance, zu einem exakten Hellsehen ausgebildet hat, wie ich es Ihnen geschildert habe. Es war auch eine Willensbildung, wenn man die äußere Orientierung unterdrückte, seine Beine kreuzte und sich darauf setzte, um in einer anderen Lage des Menschenleibes

En dat geldt ook voor de maan. Je leert hoe deze geestelijke maanwezens de menselijke ziel vanuit geest-zielenwerelden door de geboorte hier naar het leven op aarde leiden waar deze ziel van moeder en vader het lichaam aanneemt. Je leert kennen hoe in het geestelijk wezen van de zon de krachten aanwezig zijn die de mens door de dood weer wegleiden en je leert de gang van de mensenziel door de bovenzintuiglijke werelden kennen. Die wetenschap wordt ook nog eens verdiept doordat je nu niet de wil vormt door de positie van het lichaam zoals de oude Oosterse mens deed, maar doordat je de wil op soortgelijke manier vormt, zoals je de gedachten voor een exacte helderziendheid gevormd hebt, zoals ik u dat heb laten zien. Het was ook wilsvorming toen men het gericht zijn op het uiterlijke onderdrukte, zijn benen kruiste en erop ging zitten om in een andere lichaamspositie van de mens 

Blz. 132 

andere Strömungen der Welt durch den Menschen hindurch und so vom Übersinnlichen eine Wahrnehmung zu bekommen. Der moderne Mensch kann das nicht ausführen. Sein Organismus ist ein anderer geworden. Der moderne Mensch muß auf den Willen selber gehen. Was der alte Orientale, ich möchte sagen durch eine mehr physische Weise durch Körperstellungen ausgebildet hat – er stellte ja auch den Körper nach Osten, nach Westen, nach Süden -, alles dasjenige würde Scharlatanerie für den modernen Menschen sein. Der moderne Mensch muß seinen Willen unmittelbar in die Hand nehmen. Und Sie finden wiederum in «Wie erlangt man Erkennt­nisse der höheren Welten?» und in der «Geheimwissenschaft» eine ganze Anzahl von Übungen zur Selbstüberwindung, Selbsterzie­hung, vor allem zur Willenskultur. Ich möchte nur einige anführen.
Wenn der Mensch zum Beispiel – während er sonst gewöhnt ist, mit seinem Denken nur die äußeren sinnlichen Vorgänge von rück­wärts nach vorne [vom Früheren zum Späteren] zu verfolgen – sein Denken umstellt, zum Beispiel abends dasjenige, was er zuletzt er­lebt hat, vorstellt, dann dasjenige, was er früher am Tage erlebt hat und so zurück bis zum Morgen,

andere stromen uit de wereld door de mens heen te krijgen en zo van het bovenzintuiglijke een waarneming te krijgen. Dat kan de moderne mens niet uitvoeren. Zijn organisme is anders geworden. De moderne mens moet met de wil werken. Wat de oude Oosterling op een meer fysieke manier door lichaamshoudingen ontwikkeld heeft – hij richtte het lichaam ook naar het oosten, het westen, naar het zuiden – dat zou voor de moderne mens allemaal poppenkast zijn. De moderne mens moet direct met zijn wil aan het werk gaan. En dan vindt u weer in ‘De weg tot inzicht in hogere werelden‘ en in Wetenschap van de geheimen der ziel‘ een heel aantal oefeningen om zelf verder te komen, voor zelfopvoeding, boven alles voor het cultiveren van de wil. Ik wil er een paar noemen. Wanneer de mens bijv. – terwijl hij anders gewend is met zijn denken alleen de uiterlijk zintuiglijke processen van achter naar voren (van wat eerder was naar wat later kwam] te volgen – zijn denken omkeert, bijv. zich  ’s avonds voorstelt wat hij het laatst beleefd heeft, en dan wat hij eerder op die dag heeft beleefd en zo terug tot ’s morgens, 

wenn er also gewissermaßen die Naturordnung in umgekehrter Folge vor seiner Seele darstellt, dann reißt er sich mit seinem Denken, das sonst an dem Naturlaufe haftet, das vom Früheren zum Späteren geht, los von diesem Natur-laufe. Er denkt dem Lauf der Natur entgegengesetzt. Dadurch er­kraftet sich der Wille, der in dem Denken liegt. Insbesondere ist das dann der Fall, wenn man auf Kleinigkeiten, auf Einzelheiten ein­geht. Stellen Sie sich zum Beispiel vor: Ich bin heute über eine Trep­pe hinaufgegangen; ich stelle mich nicht auf der untersten Stufe, sondern auf der höchsten Stufe vor, gehe so zurück, stelle das ganze Hinaufgehen als einen Heruntergang vor, reiße mich los von dem­jenigen, was wirklich Erlebnis war, stelle es umgekehrt vor. Da­durch erkrafte ich den Willen, der in dem Denken liegt. Ich kann diesen Willen auch dadurch erkraften, daß ich zum Beispiel meine Selbsterziehung in die Hand nehme, daß ich mir sage: Ich habe diese oder jene Lebensgewohnheit; ich ändere sie – ,in drei Jahren muß ich in bezug auf irgend etwas eine ganz andere Lebensgewohnheit

wanneer hij in zekere zin dat wat van nature verloopt, nu in omgekeerde volgorde zich voorstelt, dan maakt hij zich met zijn denken dat anders vastzit aan het natuurlijk verloop van het eerdere naar het latere, los van dit natuurlijk verloop. Hij denkt de gang der dingen omgekeerd. Daardoor wordt de wil die zich in het denken bevindt, sterker. Dat is in een bijzondere mate het geval, wanneer je op details, op kleinigheden ingaat. Stelt u zich bijv. voor: ik ben vandaag met de trap naar boven gegaan; ik ga niet op de onderste tree staan, maar op de bovenste, ga dan terug, stel me het naar bovengaan als een naar beneden gaan voor; maak me los van wat de echte beleving was, stel het me omgekeerd voor. Daardoor maak ik de wil in het denken sterker. Ik kan deze wil ook sterker maken doordat ik bijv. mijn zelfopvoeding ter hand neem, dat ik tegen mezelf zeg: ‘Ik heb die of die gewoonte, dat ga ik anders doen – binnen drie jaar moet ik met dit of dat een heel andere levensgewoonte

Blz. 133

haben. Und so gibt es Hunderte und Tausende von Übungen, die unmittelbar Willensübungen sind, die unmittelbar auf eine Umänderung des Willens abzielen, so daß sich der Wille losreißt von demjenigen, was ihm durch die bloße Körperlichkeit auf-gedrängt ist.
Dadurch macht in seiner Art der moderne Mensch etwas Ähn­liches durch wie der alte Mensch durch seine Körperstellung. Denn zu diesen alten Übungen können wir aus den erwähnten Gründen nicht wiederum zurückgehen. Dadurch aber gelangt dieser moder­ne Mensch dazu, immer mehr und mehr in ein unmittelbares Ver­hältnis seines eigenen Übersinnlichen zu dem Übersinnlichen der Welt zu kommen.
Was ich da meine, darf ich vielleicht durch ein Gleichnis klarma­chen. Das menschliche Auge zum Beispiel – wodurch ist es eigent­lich unser Sehorgan? Nun, Sie können an der Starkrankheit, die eine Verhärtung der Linse oder des Glaskörpers darstellt, sehen, wie das Auge nicht mehr dem Sehen dienen kann, wenn sich das Materielle im Auge geltend macht. Das Auge muß in gewissen Teilen seiner Organe selber absolut durchsichtig sein, wenn es dem Sehen dienen soll.

hebben. En zo zijn er honderduizend oefeningen die meteen wilsoefeningen zijn, die direct werken op een omvormen van de wil. zodat de wil loskomt van wat deze door de lichamelijkheid opgedrongen wordt.
Daardoor maakt de moderne mens iets soortgelijks door als de oude mens door zijn lichaamsposities. Want wij kunnen niet teruggaan naar die oude oefeningen zoals ik al verklaard heb. Daardoor echter komt de moderne mens steeds meer in een directe verbinding van zijn eigen spiritualiteit met die van de wereld.
Wat ik bedoel, mag ik misschien door een vergelijking verduidelijken. Het menselijk oog bijv. – waarom is dat een gezichtszintuig. Je kan aan de staarziekte die een verharding van de lens of het glaslichaam is, zien hoe het oog niet meer geschikt is om te zien wanneer de materie de overhand krijgt. Het oog moet in bepaalde delen zelf absoluut doorzichtig zijn, als ’t het zien wil dienen.

Es muß gewissermaßen selbstlos sein, dann dient es dem Men­schen. So wird unser Leib, wenn wir den Willen in der Weise er­kraften, wie ich es eben dargestellt habe, geistig-seelisches Sinnes­organ – wenn ich das Paradoxon gebrauchen darf; unser Leib wird –    in gewissen Augenblicken der Erkenntnis natürlich, sonst im Le­ben wohl – nicht mehr von Trieben, Instinkten, Begierden, welche unseren Körper undurchsichtig machen, in seelischer Weise durch­drungen. Er wird in bezug auf Wünsche, Triebe, Begierden so rein, wie es in bezug auf das Materielle das durchsichtige Auge ist. Und wie man durch das durchsichtige Auge die Farbenwelt sieht, so kommt man durch den wunsch- und begierdelos gewordenen Leib
–    er ist es nicht immer, aber er kann darauf eingestellt werden bei demjenigen, der sich dazu durch die Übungen in den genannten Büchern geübt hat – zum Ansichtigwerden der geistigen Welt, der übersinnlichen Welt, der man als übersinnliche Wesenheit des Menschen, die man ja in seinem Innern ist, angehört.

In zekere zin moet het onzelfzuchtig zijn, dan kan het de mens dienen. Zo wordt ons lichaam, wanneer we de wil op die manier sterker maken die ik zojuist aangegeven heb, een zintuig voor geest en ziel – wanneer ik de paradox mag gebruiken; op bepaalde kennisogenblikken natuurlijk, anders in het leven wel – dringen bepaalde driften, instincten, begeerten die ons lichaam ondoorzichtig maken, niet meer vanuit de ziel door in ons lichaam. Dat wordt m.b.t. tot wensen, driften, begeerten zo puur als het doorzichtige oog, wat betreft de materie. En zoals je door het doorzichtige oog de wereld van de kleur ziet, zo kom je door het lichaam dat zonder wensen en begeerten is geworden – dat is niet steeds zo, maar het kan zo gaan bij degene die zich door de oefeningen in de genoemde boeken geoefend heeft – tot het doorzichtig worden voor de geestelijke wereld, de bovenzintuiglijke wereld waartoe je hoort als spiritueel mensenwezen dat je innerlijk bent.

Blz. 134

Damit lernen wir das wahrhaft Übersinnliche in dem Menschen selber kennen. Hat man einmal durchschaut, wie es sich mit dem Menschen verhält, wenn er seinen Leib in der geschilderten Weise durchsichtig gemacht hat, wenn er in der rein übersinnlichen Welt lebt, dann hat man schauend das Rätsel des Todes gelöst, denn man hat in der Anschauung das Leben ohne den Leib. Man weiß, wie man lebt, wenn man durch die Todespforte gegangen ist und den Leib abgelegt hat. Man weiß, wie es sich in der Welt ohne den Leib lebt. Man lernt auf diese Weise sein eigenes menschliches Übersinn­liches kennen. Und indem man so sein eigenes menschliches Über­sinnliches kennenlernt, wie es lebendig seelisch durch die Todes-pforte geht, lernt man es erkennen als etwas, was von einer über­sinnlichen Welt dann aufgenommen werden kann, wie es bei der Empfängnis von der übersinnlichen Welt entlassen worden ist. Lernt man auf diese Weise durch den lebendigen Gedanken, der im Meditieren errungen wird, hinter der Sonne die geistige Sonnen-welt, hinter dem Mond die geistige Mondenwelt kennen, das heißt diejenigen geistigen Wesenheiten, welche den Menschen ins irdi­sche Dasein hereinführen, welche ihn aus dem irdischen Dasein hinausführen, dann lernt man das Übersinnliche der Welt kennen. 

Daarmee leren we het zuivere spirituele in de mens zelf kennen. Als je eenmaal doorziet hoe dit met de mens in relatie staat, wanneer hij zijn lichaam op de aangegeven manier doorzichtig gemaakt heeft, wanneer hij in de zuiver bovenzintuiglijke wereld leeft, dan heb je ook schouwend het raadsel van de dood opgelost, want je ziet nu het leven zonder het lichaam. Je weet dan hoe je leeft wanneer je door de poort van de dood gegaan bent en het lichaam los hebt gelaten. Je weet wat het is zonder lichaam in de wereld te leven. Je leert op deze manier je eigen menselijke spiritualiteit kennen. En wanneer je leert kennen hoe je eigen menselijke spiritualiteit levend-zielsmatig door de poort van de dood gaat, leer je het kennen als iets wat dan door de geestelijke wereld kan worden opgenomen, hoe het bij de geboorte door de geestelijke wereld losgelaten is. Leer je op deze manier door de levende gedachten die in het mediteren ontwikkeld worden, achter de zon de geestelijke zon, achter de maan de geestelijke maanwereld kennen, d.w.z. die geestelijke wezens die de mens naar de aarde leiden en hem wegleiden van het aardse bestaan, dan leer je de bovenzintuiglijke wereld kennen.

Und dann weiß man, wie unsere lebendige Seele nach dem Tode von dem lebendigen Wesen der Welt, dem lebendigen Wesen des Universums, des übersinnlichen Universums aufgenommen wird. Wie unser Leib von der Sinnenwelt aufgenommen wird und zum Tode gerufen wird, so wird zum Leben im Ewigen die Menschenseele von denjenigen Wesen gerufen, die man im Übersinnlichen der Welt durchschaut.Den Gang, den die Menschheitszivilisation auf diese Weise ge­nommen hat, den erkennen wir dann als einen solchen, der uns die Kraft gibt, in der Gegenwart wiederum aus unserer Natur heraus in ebenso exakter Weise durch Willenskultur – die, wie sonst mathe­matische Probleme, ganz exakt in Übungen durchgeführt wird, durch Übungen in Gedanken, wie ich sie geschildert habe, die zur exakten Clairvoyance führen -, an die natürliche Weltenordnung eine Moralität, eine Religion anzugliedern.

En dan weet je hoe onze levende ziel na de dood door de levende wezens van de wereld, de levende wezens van het universum, van het bovenzintuiglijke universum opgenomen wordt. Zoals ons lichaam door de zintuigwereld opgenomen wordt en tot de dood geroepen, zo wordt de mensenziel geroepen tot het leven in de eeuwigheid door die wezens die je in het spirituele van de wereld aanschouwt.
De gang die de beschaving van de mensheid op deze manier gegaan is, leren we dan kennen als een die ons de kracht geeft in de huidige tijd weer vanuit onze natuur aan de natuurlijke wereldorde een moraliteit, een religie aan te knopen. Door wilscultuur, door gedachteoefeningen zoals ik die heb laten zien, die tot een exacte helderziendheid. Vergelijkbaar met net zo’n exacte manier waarop mathematische problemen geoefend worden

Blz. 135

Das brauchen wir heute. Dieser Gang der Menschheitsentwick­lung, er wird auch in grandioser Weise angedeutet in der Stellung, die gerade eine wirkliche Geisterkenntnis dem Mysterium von Golgatha in der Menschheitsentwicklung geben kann.
Wie war es doch – lassen Sie mich das zum Schlusse noch mit einigen Worten andeuten – unmittelbar, nachdem das Mysterium von Golgatha sich auf der Erde abgespielt hat, mit denjenigen Men­schen, die die ersten Bekenner dieses Mysteriums von Golgatha waren? Sie haben hingeschaut auf dasjenige, was ihnen berichtet worden ist, daß es auf Golgatha geschehen ist. Sie haben hingeschaut auf dasjenige, was der Jesus von Nazareth erlebt hat, und sie haben empfunden, daß in dem Jesus von Nazareth als Menschen das göttlich-geistige Christus-Wesen gelebt habe.
Das haben sie empfunden, daß dieses göttlich-geistige Christus-Wesen zu ihnen heruntergestiegen ist auf die Erde, um ihnen etwas zu bringen, was sie auf Erden gar sehr brauchten. Was hat denn Veranlassung gegeben, daß diese ersten Christen die Weisheit des Mysteriums von Golgatha so unbedingt angenommen haben? Das hat Veranlassung gegeben, daß da noch Reste vorhanden waren je­ner alten Anschauungen, die sich sagten: 

Dat hebben we tegenwoordig nodig. Deze gang van de mensheidsontwikkeling wordt ook op een grandioze manier aangegeven door de betekenis die met name  een werkelijk spiritueel weten aan het mysterie van Golgotha in de mensheidsontwikkeling kan geven.
Hoe was het toch nadat het mysterie van Golgotha zich op aarde had afgespeeld vrijwel daarna met de mensen die de eerste verkondigers van dit mysterie van Golgotha waren? Ze hebben hun blik gericht op wat zij te horen kregen over wat er op Golgotha was gebeurd. Ze hebben hun blik gericht op wat Jezus van Nazareth doormaakte en ze hebben ervaren dat in de mens Jezus van Nazareth de goddelijk-geestelijke Christus geleefd heeft.
Ze hebben ervaren dat dit goddelijk-geestelijk Christuswezen tot hen is afgedaald op aarde om hen iets te brengen wat ze op aarde dringend nodig hadden. Wat was er dan de oorzaak van dat deze eerste christenen de wijsheid van het mysterie van Golgotha zo zonder meer aangenomen hebben? Dat kwam omdat er nog resten aanwezig waren van de oude opvattingen die zeiden:

Der Mensch ist von über­sinnlichen Welten durch die Geburt ins irdische Dasein herunter­gestiegen. Als der Mensch in älteren Zeiten das noch aus seinem instinktiven Anschauen und aus demjenigen, was ihm seine Ein­geweihten, seine Lehrer gesagt haben, ganz klar gewußt hat, da empfanden die Menschen, daß ein geistiger Führer in den geistigen Welten war, der sie zum physischen Erdendasein heruntergeleitet hat. Aber sie fühlten, weil sie wußten, daß sie als Geister auf die Erde heruntergekommen sind, daß sie auch durch die Pforte des Todes gehen werden. Und der Tod hatte nichts Rätselhaftes, keine Schrecken für die ältere Menschheit, geradeso – mißverstehen Sie den Vergleich nicht, es ist nicht für den Menschen herabsetzend gemeint – wie das Tier auch keine Todesrätsel und keinen Schrek­ken des Todes empfindet.
Daß der Mensch den Tod empfinden lernte, kam erst im Laufe der Zeit. Der Tod wurde erst Rätsel, als der Mensch nicht mehr das

De mens is vanuit geestelijke werelden door de geboorte naar het aardse bestaan afgedaald. Toen de mens in de oudere tijden dat nog uit zijn instinctieve blik en uit wat hem zijn ingewijden, zijn leraren zeiden, heel helder wisten, ervoeren de mensen dat er een geestelijke leider in de geestelijke werelden was die hen naar het fysieke bestaan begeleid had. Maar ze voelden, terwijl ze wisten dat zij als geest op de aarde gekomen waren, dat zij ook door de poort van de dood zouden gaan. En de dood had niets raadselachtigs, boezemde de oudere mensheid geen angst in, net zoals – begrijp mijn vergelijking niet verkeerd, die is niet beledigend bedoeld – het dier ook geen raadsels omtrent de dood kent of angst daarvoor ervaart. Dat de mens de dood leerde beleven, kwam pas in de loop van de tijd. De dood werd een raadsel toen de mens niet meer het

Blz. 136

Rätsel der Geburt hatte, als er nicht mehr hinaufschaute in die gei­stig-seelischen Welten, aus denen er heruntergestiegen war, als in der Menschheitsentwicklung die Anlage heraufkam, die dann alles dasjenige, was wir im Geburtsvorgang haben, als ein bloß Natür­liches ansah – da kam über die Menschen das Todesrätsel, da kam der eigentliche Schrecken des Todes.Das wurde nicht geheilt durch eine theoretische Erkenntnis, das wurde aber dadurch geheilt, daß sich das Mysterium von Golgatha auf der Erde abspielte. Und die Menschen wußten aus den Resten der alten Weisheit, daß der Christus, der auf der Erde in dem Men­schen Jesus von Nazareth erschienen war, dasselbe Wesen war, das die Menschen als Seelen aus geistig-seelischen Welten auf diese Erde heruntergeleitete. Und die ersten Christen wußten, daß der Chri­stus auf die Erde heruntergestiegen ist, um den Menschen auf Erden dasjenige zu geben, was sie über das Rätsel des Todes hinwegführt. Daher sehen wir jenen Zusammenhang, den selbst noch Paulus zwischen dem Todesrätsel und demjenigen, was auf Golgatha voll­bracht worden ist, hat. Wir sehen, daß Paulus den Menschen klar-macht, daß sie über den Tod als Menschenseelen nur hinausdenken können, wenn sie hinblicken können zu dem Auferstandenen, das heißt zu dem den Tod besiegenden Christus.

het mysterie van de geboorte kende, toen hij niet meer in de geest-zielenwereld kon schouwen, waaruit hij was afgedaald, toen in de mensheidsontwikkeling de aanleg kwam alles wat wij bij de geboorte hebben, enkel te zien als iets van de natuur – toen kwam het mysterie van de dood onder de mensen, toen kwam de eigenlijke angst voor de dood.
Dat werd niet beter door theoretische kennis, maar wel door wat zich afspeelde op aarde met het mysterie van Golgotha. En de mensen wisten vanuit een rest van de oude wijsheid dat de Christus die op aarde in de mens Jezus van Nazareth was verschenen, hetzelfde wezen was dat de mensen als ziel vanuit geest-zielenwerelden naar deze aarde begeleidde. En de eerste christenen wisten dat de Christus naar de aarde was afgedaald om de mensen op aarde te geven wat hen boven het mysterie van de dood zou verheffen. Daarom zien we die samenhang  tussen het mysterie van de dood en wat op Golgotha volbracht was, dat die zelfs nog bij Paulus leeft. Wij zien dat Paulus de mensen duidelijk maakt dat zij als mensenziel alleen verder kunnen denken dan de dood, wanneer ze kunnen opzien naar de Opgestane, d.w.z. naar de Chrsitus die de dood overwon. 

Nun, aus älterer Weisheit heraus waren die ersten Christen noch imstande – mehr fühlend als klar erkennend -, den Christus als den­jenigen zu erfassen, der auf die Erde heruntergestiegen ist. Die neuere Geisteswissenschaft, von der ich Ihnen heute abend gespro­chen habe, lehrt die Menschen wiederum durch exakte Clair­voyance in die übersinnlichen Welten hineinschauen. Diese anthro­posophische Geistesforschung wird, indem sie den Menschen zum Schauen außer seinem Leibe hinführt – wenn dieser Leib in der ge­schilderten Weise durchsichtig geworden ist und sich der Mensch in der Welt, in der er zu leben hat, wenn er durch die Pforte des Todes geschritten ist, erlebt -, wiederum hinweisen dürfen nicht nur auf den Menschen Jesus von Nazareth, sondern auf den göttlich-geisti­gen Christus, der aus übersinnlichen Welten heruntergestiegen ist und das Übersinnliche im Menschen selber durchkraften kann. Aus

Vanuit een oudere wijsheid waren de eerste christenen nog in staat – meer vanuit het gevoel dan door bewuste kennis – Christus als diegene te beschouwen die naar de aarde was afgedaald. De nieuwere geesteswetenschap waarover ik vanavond heb gesproken, leert de mensen weer door exacte helderziendheid in de bovenzintuiglijke wereld te zien. Wanneer het antroposofisch geestesonderzoek de mens leidt bij het waarnemen buiten zijn lichaam om  en wanneer dit lichaam op de geschetste manier doorzichtig geworden is en de mens de wereld waarin hij moet leven wanneer hij door de poort van de dood is gegaan,-ervaart, kan dit hem niet alleen wijzen op de mens Jezus van Nazareth maar ook op de goddelijk-geestelijke Christus die uit bovenzintuiglijke werelden afgedaald is en het spirituele in de mens zelf versterken kan. Uit 

Blz. 137

dieser Durchkraftung, aus dieser Kraft heraus, die Christus in ihm nach dem Paulusworte: «Nicht ich, sondern der Christus in mir» entfaltet, kann der Erdenmensch den Impuls gewinnen, mit dem Christus als lebendige Seele durch den Tod durchzugehen, um nicht blind in jene geistigen Welten einzutreten, in denen er – wie ich es dargestellt habe – von dem Sonnenwesen aufgenommen wird, sondern durch das Licht, das Christus auf die Erde gebracht hat, sehend in diese geistige Welt einzutreten.
So kann eine solche anthroposophische Geisteswissenschaft das religiös-christliche Leben aufnehmen. So wird das religiös-christli­che Leben auf diese Weise gerade durch die anthroposophische Geisteswissenschaft wiederum eine Vertiefung erfahren. Die letzten Jahrhunderte haben uns die Großartigkeit der Naturwissenschaft gebracht, die wir langsam sich entwickeln sehen – jedoch so, daß wir in dem Entwickelnden keine moralische Weltordnung erblicken können, ja die Natur sich uns um so treuer offenbart, je weniger wir in sie hineinmoralisieren. 

dit sterker worden, uit deze kracht die Christus in hem volgens het woord van Paulus: ‘Niet ik, maar de Christus in mij’ ontwikkelt, kan de aardse mens de impuls verkrijgen met Christus als levende ziel door de dood te gaan om niet blind in die geestelijke werelden binnen te gaan waarin hij – zoals ik heb laten zien – door het zonnewezen opgenomen wordt, maar door het licht dat Christus op aarde gebracht heeft, ziende in deze geestelijke wereld binnen te gaan.
Zo kan een dergelijke antroposofische geesteswetenschap het religieus-chtistelijke leven in zich op nemen. Zo zal het religieus-christelijke leven op deze manier juist door de antroposofische geesteswetenschap weer een verdieping ondergaan. De laatste eeuwen hebben ons de grootsheid van de natuurwetenschap gebracht die wij langzaam tot ontwikkeling zien komen – maar zo, dat wij in deze ontwikkeling geen morele wereldbeschouwing kunnen waarnemen; zelfs hoe zuiverder de natuur zich openbaart, hoe minder wij er aan morele zaken in kunnen leggen.

Wie wir uns jedoch nicht eigentlich an dasjenige, was Naturgesetzlichkeit ist, als an ein Göttliches hinge­ben können, so werden wir aber, indem wir die exakte Methode, die wir in der Mathematik, in der Naturwissenschaft anwenden gelernt haben, auf das Denken anwenden, dieses zur Bildhaftigkeit, zur exakten Clairvoyance erheben. Und indem wir die exakte Methode auf unseren Willen anwenden, uns selbst erziehen, die schönsten Taten zu unserer Selbsterziehung tun, werden wir dadurch nicht zu einer äußerlich scharlatanhaften Magie, sondern zu einer inner­lichen, idealistischen Magie kommen und so wiederum das Mora­lische an das Natürliche, an das Religiöse anknüpfen.
Und letzten Endes: was will diese Anthroposophie, von der ich hier spreche? Sie will den tiefen Abgrund ausfüllen, der wenigstens für den modernen Menschen, für alle Menschen, die nur irgendwie die Welt miterleben, unbewußt zwischen der natürlichen amora­lischen Weltenordnung auf der einen Seite und der religiösen mora­lischen Ordnung auf der anderen Seite besteht, damit der Mensch in der Zukunft in seinem Leben, in dem, was ihm durch seinen Leib die Natur, die Sinnlichkeit gibt, das starke Übersinnliche wieder

Zoals wij ons toch niet echt aan de natuurwetmatigheden kunnen overgeven als was het iets goddelijks, zo zullen wij als we de exacte methode die wij in de mathematica, in de natuurwetenschap hebben leren gebruiken, op het denken toepassen, dit verheffen tot beeldend denken, tot exacte helderziendheid. En wanneer we de exacte methode op onze wil toepassen, ons zelf opvoeden, iets heel moois verrichten voor onze zelfopvoeding, komen wij daardoor niet tot een uiterlijke scharlatenachtige magie, maar tot een innerlijke, idealistische magie om zo het morele weer te verbinden met de natuur, met het religieuze. En ten slotte: wat wil deze antroposofie waarover ik hier spreek? Ze wil de diepe kloof overbruggen die er in ieder geval voor de moderne mens bestaat, voor alle mensen die slechts op de een of andere manier de wereld meebeleven, die er onbewust bestaat tussen de natuurlijke, niet-morele wereldbeschouwing aan de ene kant en de religieus-morele wereldbeschowuing anderszijds, zodat de mens in de toekomst in zijn leven in wat de natuur, het zintuiglijke hem via zijn lichaam, geeft, het sterke bovenzintuiglijke weer

Blz. 138

habe, in das die Weltenmoral, nicht nur die Menschheitsmoral her­einströmt, in das nicht bloß die Naturordnung, sondern die gött­liche Ordnung hereinströmt.
Und mit den kosmisch-moralischen Impulsen, die seine indivi­duellen werden, mit der Durchdringung mit dem durch den geistig geschärften Blick ihm gegebenen Gottesbewußtsein, wird der Mensch seinen Weg in die Zukunft finden und jene wichtigen Fra­gen und Rätsel lösen, die man heute schon ahnen kann, wenn man nicht schlafend, sondern mit voller, wacher Unbefangenheit die Welt rings herum und dasjenige, was im Menschenherzen als Drang, als Hoffnung aus der Gegenwart heraus in die Zukunft hinein leben kann, ansieht.

bezit, waarin de wereldmoraal, niet alleen de moraal van de mensheid, instroomt, waarin niet alleen de natuurorde, maar de goddelijke orde stroomt. En met de kosmisch-morele impulsen die hem eigen worden, met het doordringen van het hem gegeven godsbewustzijn, met de door de geestelijk scherper geworden blik, zal de mens zijn weg in de toekomst vinden en die belangrijke vragen en raadsels oplossen waarvan je nu een vermoeden kan hebben, wanneer je niet slapend, maar met een volle, wakkere onbevangenheid de wereld om ons heen aanschouwt en ziet wat in de mensenharten als drang, als hoop uit het heden naar de toekomst leven kan. 

.

[1] GA 297A [Duits]
[2] GA 297A [Duits]    

GA 297Ainhoudsopgave

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

.

2478-2325

/

 

 

 

./

 

 

 

./

 

 

 

./

 

 

Wat op deze blog staat

 

VRIJESCHOOL – Over het etherlichaam

.
O.a. vanuit wetenschappelijk perspectief is het bestaan van ‘een etherlichaam – ik spreek liever over ‘etherlijf’ – of de afwezigheid daarvan, vrijwel niets meer of minder dan het verschil tussen ‘leven en dood’.
Immers: als de losse, fysieke bouwstenen voor het leven, samengebracht, leven kunnen genereren, gaat het gezichtspunt dat ‘iets anders’ het leven veroorzaakt – de levenskrachten of met de antroposofische term ‘het etherlichaam, niet op. Dan is leven gevolg van materie en niet andersom.

Ik ben zelf niet in staat het etherlijf als bovenzintuiglijk wezensdeel waar te nemen; ik moet het hebben van ‘het logisch kunnen volgen van wat de ‘ziener’ erover heeft vermeld – Steiner dus.
Dat ook anderen proberen op deze manier duidelijkheid te scheppen, iets wezenlijks erover proberen te zeggen, verruimt voor mij de blik op wat we in wezen niet kunnen zien.
.

Jesse Mulder, Antroposofiemagazine, nr 13 2019
.

ETHERLICHAAM

‘Alle levende wezens ‘hebben een etherlichaam’, zeggen de antroposofen.
Wat wordt daar dan mee bedoeld?

Er zijn twee manieren om uit eigen beleving een eerste inhoud aan dit stukje jargon te kunnen geven: in de waarneming van het leven buiten je, en in de waarneming van je eigen levenskracht. Maar dat is wel nog maar het begin.

Alles wat leeft groeit, plant zich voort, en sterft op een gegeven moment ook weer. Dat betekent dat het voortdurend in beweging is. Als je een levend wezen voor je hebt, heb je dus eigenlijk alleen maar een fase van die beweging voor je. Dat wordt nu weer mooi duidelijk, in het voorjaar: als je in de koude winter dacht de gehele boom zo voor je te hebben, dan had je het mis. Want zie, nu blijkt die zich ineens heel anders te uiten, in zijn ontluikende bladerpracht. De boom is dus niet de momentopname van het hier en nu, maar omvat de hele kringloop van het jaar. Sterker nog, die boom draagt de hele levenscyclus van zijn soort in zich. Zo kun je stellen dat het etherlichaam een ‘tijds-organisme’ is. Alles wat etherisch is, is ook ritmisch en cyclisch. En dat vind je inderdaad niet op die manier buiten de levende natuur. Want kijk je naar een stukje van de dode natuur, bijvoorbeeld naar het zout in je zoutvaatje, dan is daar helemaal niet zo’n levensloop of jaarkringloop mee verbonden. [Natuurlijk hoort bij het zout van alles: dat het kan oplossen in water, bijvoorbeeld. Of dat het een conserverende werking heeft. Maar dat is niet een jaarlijks terugkerend fenomeen, het hoort niet bij de ‘levensloop’ van het zout.]

Materiaal

Wat je hier en nu voor je hebt is dus niet het gehele levende wezen, maar slechts een ‘momentopname’. Daar hoort bij dat de materie waaruit het organisme nu opgebouwd is, niet zijn wezen uitmaakt. Dat is bijvoorbeeld bij het zout anders: het zout is precies die materie. In het geval van levende wezens wordt de materie tot materiaal: materiaal waar het levende wezen zijn levensloop in kan uitleven. Anders gezegd: het fysieke lichaam, de materie, is materiaal voor het etherlichaam. Daarom is wel begrijpelijk dat voor Aristoteles, en nog tot in de Middeleeuwen, het begrip ziel, psyche, ook van toepassing was op planten: de ‘plantaardige ziel’ zorgt voor groei en voortplanting door op de juiste wijze op de gegeven materie in te werken. [Aristoteles onderscheidt dan verder nog waarnemen en begeren, de elementen van de dierlijke ziel, en tenslotte het denken, dat uniek is voor de menselijke ziel. Het is niet moeilijk hiermee twee verdere wezensdelen van het antroposofisch mensbeeld te verbinden: het astraallichaam en het Ik. Maar daarover een andere keer meer.)

Vitaliteit

Een andere manier om iets van de kwaliteiten van het etherlichaam te bespeuren, is door te kijken naar je eigen levenskracht, je vitaliteit. Dan voel je als het ware de toestand van je etherlichaam ‘van binnenuit’. Of beter gezegd, je voelt in hoeverre er ether-krachten ‘over’ zijn die jou ter beschikking staan. Het opvallendst is hier natuurlijk de verbinding met het ritme van dag en nacht: na een lange dag werken, en zeker na een lange dag achter je laptop zitten, is je vitaliteit vaak wel zo’n beetje op, maar na een goede nachtrust, waarin je dus geen beroep doet op je etherlichaam voor je activiteiten en projecten, kun je er weer tegenaan. Een goede verzorging van je etherlichaam vraagt om een gezond ritme, niet alleen in waken en slapen, maar ook in voeding, in activiteit, in binnen en buiten zijn, etc.

Geheugen

Vanuit deze twee kanten kun je dus enigszins in de kwaliteiten van het etherlichaam thuisraken. Maar er is nog een derde weg: je kunt ook tot een directe beleving van het etherische komen. Dus niet via de omweg van de fysieke verschijnselen om ons heen, en ook niet via de omweg van onze innerlijke
vitaliteitservaring, maar als een op zichzelf bestaande werkelijkheid. Als je daar, zoals ik, nog niet zo ver mee bent gekomen, is het natuurlijk prima mogelijk je daarover te laten informeren. Rudolf Steiner heeft tal van schilderingen gegeven van hoe die etherische wereld, of ook wei ‘elementaire wereld’, eruitziet, met aansporingen om daar vooral ook mee aan de slag te gaan, ze met de eerdergenoemde observaties te verbinden. Zo kun je leren dat ook ons geheugen sterk met het etherlichaam verbonden is – een belangrijk inzicht voor de pedagogiek. Of dat het etherische zijn oorsprong heeft in onze kosmische omgeving, in tegenstelling tot het fysieke, dat je kunt beschouwen als verbonden met het centrum van de aarde. En inderdaad groeien de planten doorgaans ‘naar boven’, terwijl de niet-levende materie door de zwaartekracht ‘naar beneden’ getrokken wordt.

Ademproces

Dat laatste inzicht, dat het etherische met de omringende kosmos te maken heeft, maakt een heel nieuwe natuurbeleving in het bos mogelijk. Wat het meest fysiek, blijvend, aards is aan de bomen blijft door de winter heen bestaan: het skelet van de takken, het zware, donkere, harde hout, stevig verankerd in de zwarte grond. Wat het meest etherisch, voorbijgaand, ‘kosmisch’ is aan de bomen lijkt er nu in het voorjaar, met het lengen van de dagen, wel ‘van bovenaf’ aan toegevoegd te worden: het frisse groen, de nieuwe, buigzame twijgjes, de bloeiende kaarsen van de kastanjeboom. Dat verdwijnt dan allemaal weer in de loop van zomer en herfst, als de dagen korter worden, om het volgende voorjaar opnieuw te verschijnen. Het is een groots, kosmisch-etherisch ademproces. 

Meer:

Steiner: Algemene menskunde [1-7-2/2]
Het etherlijf in de reeks: kind en etherlijf

DE VIERLEDIGE MENS (2-1)
het etherlijf

DE VIERLEDIGE MENS (2-2)
het etherlijf vervolg

.

www.antroposofiemagazine.nl

.

2477-2324

/

./

./

./

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner– Algemene menskunde – voordracht 9 (9-1-2-2/17)

.

Enkele gedachten bij blz. 135/136 in de vertaling van 1993.
.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE
.

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Op blz. 135/136 en verderop in de voordracht – zie daarvoor [9-5] zegt Steiner iets over de ontwikkelingsfasen van het kind.

Zie de inleiding

Voor de eerste levensfase van 0 – 7 jaar hechtte Steiner grote waarde aan o.a. de nabootsing. Hij beschrijft dat deze nabootsingskracht in het kind rond het 7e jaar langzamerhand afneemt. Er vindt a.h.w. een soort omwerking plaats en nabootsing wordt na-volging. In zekere zin ook een soort nabootsing: je wil dat wat de oudere in jouw omgeving voorleeft in je opnemen – niet meer dromend zoals met de nabootsing gebeurt, maar meer ‘gewild’ doordat je vertrouwen hebt in die oudere persoon; respect ook. Dat is voor Steiner het ‘autoriteitsprincipe’. 

Rudolf Steiner over de ontwikkelingsfase 7 – 14: autoriteit

GA 307

Voordracht 7, Illkley 11 augustus 1923

Blz. 132   vert. 169

Wenn bis zum siebenten Jahre hin der Mensch vor allem ein nachahmendes Wesen ist, so wird er mit dem siebenten Jahre, mit dem Zahnwechsel, ein Wesen, das vor allen Dingen sein eigenes Inneres bilden will nach dem, was im weitesten Umfange ausgesprochen, geoffenbart wird von einer selbstverständlichen Autorität.
Glauben Sie nicht, meine sehr verehrten Anwesenden, daß ich, der ich vor sehr langer Zeit die «Philosophie der Freiheit» geschrieben habe, nun eintreten möchte in einer unberechtigten Weise für das Autoritätsprinzip, für die ausschließliche, absolute Geltung des Autoritätsprinzips im sozialen Leben. Aber dasjenige, was im Menschenleben sich offenbart, ist – wenn auch auf geistige Weise unter dem Impuls der Freiheit – geradeso gesetzmäßig orientiert wie das Naturgesetzleben, und so können wir nicht danach entscheiden, was uns für

Als tot zijn zevende jaar de mens vooral een nabootsend wezen is, dan wordt hij op zijn zevende jaar, met de tandenwisseling, een wezen dat vooral zijn eigen innerlijk wil vormen naar dat wat in de volste omvang uitgesproken, geopenbaard wordt door een vanzelfsprekende autoriteit. 
Gelooft u niet, geachte aanwezigen, dat ik, die heel lang geleden De filosofie van de vrijheid heb geschreven, nu op onterechte wijze zou willen opkomen voor het autoriteitsprincipe, de exclusieve, absolute geldigheid van het autoriteitsprincipe in het sociale leven: Maar wat zich in het mensenleven openbaart is — zij het op een geestelijke wijze onder de impuls van de vrijheid – net zo wetmatig georiënteerd als het natuurwetleven, en zo kunnen we niet beslissen naar wat we voor de kinderopvoeding van de tandenwisse-

Blz. 133  vert. 169/170

die Kindererziehung vom Zahnwechsel bis zur Geschlechtsreife sympathisch oder unsympathisch ist, sondern wir müssen danach entscheiden, was die menschliche Organisation will. Und ebenso wie die menschliche Organisation bis zum Zahnwechsel, also bis zum siebenten Jahre, daraufhin veranlagt ist, in jeder Gebärde, in jeder Haltung, ja in der inneren Durchpulsierung der Blutzirkulation, der Atmung und der Gefäße das nachzuahmen, was die Umgebung tut, wie also die Umgebung Vorbild ist für das Kind bis zum siebenten Jahre, so muß der Mensch, damit er sich gesund und frei entwickeln kann, damit er später gerade die Freiheit in der richtigen Weise gebrauchen kann, vom siebenten bis zum vierzehnten, fünfzehnten Jahre, bis zur Geschlechtsreife, die Freiheit unter der selbstverständlichen Autorität entwickeln. Wir werden erst im vierzehnten, fünfzehnten Jahre reif zu einem persönlichen Urteil. Erst im vierzehnten, fünfzehnten Jahre kommt der Mensch so weit, daß der Lehrer auf ihn wirken kann, indem er an das Urteil appelliert.

ling tot aan de geslachtsrijpheid sympathiek of onsympathiek vinden, maar we moeten een beslissing nemen op grond van wat de menselijke organisatie wil. En net zoals de menselijke organisatie tot aan de tandenwisseling, dus tot aan het zevende jaar, aanleg heeft om in elk gebaar, in elke houding, ja in het innerlijk doorpulseren van de bloedsomloop, de ademhaling en het vaatsysteem dat na te bootsen wat de omgeving doet, zoals dus de omgeving voorbeeld is voor het kind tot aan het zevende jaar, zo moet de mens — opdat hij zich gezond en vrij kan ontwikkelen, opdat hij later juist de vrijheid op de juiste manier kan gebruiken — van het zevende tot aan het veertiende, vijftiende jaar, tot aan de geslachtsrijpheid, de vrijheid onder de vanzelfsprekende autoriteit ontwikkelen.
We worden pas op het veertiende, vijftiende jaar rijp voor een persoonlijk oordeel. Pas in het veertiende, vijftiende jaar komt de mens ertoe dat de leraar op hem kan inwerken door aan zijn oordeel te appelleren.

Dann kann er auch vom Denken aus die Gründe entwickeln für irgendeine Sache. Aber vorher schaden wir dem Menschen, halten seine ganze menschliche Entwicklung zurück, wenn wir mit Gründen an ihn herantreten. Es ist die größte Wohltat für das ganze spätere Leben, wenn wir in der Lage sind, zwischen dem siebenten und vierzehnten Jahre, approximativ natürlich, eine Wahrheit deshalb anzunehmen, nicht weil wir schon die Gründe einsehen – dazu ist unser Intellekt noch nicht reif -, sondern weil die verehrte Lehrerautorität dieses nach unserer kindlichen Empfindung für die Wahrheit hält. Und wir entwickeln in richtiger Weise die Empfindung für die Schönheit, wenn wir als schön dasjenige empfinden und fühlen, was die verehrte Lehrerautorität, die selbstverständliche, nicht zwangsweise verehrte Lehrerautorität, als schön uns offenbart. Und wir empfinden das Gute dann in der richtigen Weise, so daß es Lebensweg wird für das spätere Alter, wenn wir nicht auseinandergesetzt bekommen: Dies ist ein Gebot, dies ist ein Gesetz, du sollst es halten, du sollst dich danach richten -, sondern wenn wir aus den warmherzigen Worten des Lehrers heraus erleben, wie er selbst Sympathie mit dieser guten Handlung, Antipathie mit jener bösen Handlung hat, wenn er uns durch sein Wort so erwärmen kann für das Gute, so erkalten kann für das

Dan kan hij ook vanuit het denken de redenen ontwikkelen voor een of andere zaak. Maar voor die tijd berokkenen we de mens schade, houden we zijn hele menselijke ontwikkeling tegen als we met redenen bij hem komen aanzetten. Het is de grootste weldaad voor het gehele latere leven als we in staat zijn tussen het zevende en veertiende jaar, bij benadering natuurlijk, een waarheid aan te nemen niet omdat we al de redenen inzien – daartoe is ons intellect nog niet rijp -, maar omdat de bewonderde leraarautoriteit dit naar onze kinderlijke beleving voor de waarheid houdt. En we ontwikkelen op de juiste wijze het gevoel voor schoonheid als we als mooi datgene ervaren en voelen wat de bewonderde leraarautoriteit, de vanzelfsprekende, niet dwangmatig bewonderde leraarautoriteit ons als mooi openbaart. En we voelen dan het goede op de juiste wijze, zodat het een levensweg wordt voor de latere leeftijd als we niet uitgelegd krijgen: dit is een gebod, dit is een wet waaraan jij je moet houden, waarnaar jij je moet richten -, maar als we vanuit de hartelijke woorden van de leraar beleven hoe hij zelf sympathie voor deze goede daad, antipathie tegen gene kwaadaardige daad heeft, als hij ons door zijn woorden zo verwarmen kan voor het goede, zo koud kan laten worden voor het

Blz. 134  vert. 170/171

Böse, daß wir die Richtung zum Guten hin aufnehmen wiederum, weil die verehrte Lehrerautorität dies uns durch ihr eigenes Gefühl vorlebt. Und so wachsen wir nicht auf in einem Dogmatismus, sondern in einer hingebenden Liebe für dasjenige, was der verehrten Lehrerautorität wahr, schön und gut ist. Haben wir durch das schulmäßige Alter hindurch als den Maßstab für die Wahrheit, Schönheit, Güte dasjenige ansehen gelernt, was der geliebte Lehrer für wahr, schön, gut hält, wovon er als wahr, schön, gut in anschaulichen künstlerischen Bildern zu sprechen weiß, dann ist in einer genügend tiefen Art mit unserem Menschenwesen verbunden der Impuls für das Wahre, Schöne, Gute. Denn nicht der Intellekt bildet das Gute aus. Und ein Mensch, der nur immer dogmatisch gehört hat: Das sollst du tun, das sollst du nicht tun -, der trägt den Sinn für das Gute nur als einen kalten, nüchternen Sinn in sich.

kwaad dat we de richting naar het goede toe weer opnemen, omdat de bewonderde leraarautoriteit ons dit door zijn eigen gevoel voorleeft.
En zo groeien we niet op in een dogmatisme, maar in een toegewijde liefde voor dat wat voor de bewonderde leraarautoriteit waar, mooi en goed is. Als we gedurende de schoolleeftijd als maatstaf voor de waarheid, schoonheid, goedheid datgene hebben leren zien wat de geliefde leraar als waar, schoon, goed beschouwt, waarover hij als waar, schoon, goed in aanschouwelijke kunstzinnige beelden weet te spreken, dan is op een voldoende diepgaande wijze de impuls voor het ware, schone, goede met ons mensenwezen verbonden. Want niet het intellect ontwikkelt het goede. En een mens die steeds maar dogmatisch heeft gehoord: dit moet je doen, dat moet je niet doen —, die draagt de zin voor het goede slechts als een koude, nuchtere zin in zich.

Derjenige Mensch, der im kindlichen Alter im Gefühl sympathisieren gelernt hat mit dem Guten, antipathisieren gelernt hat gegenüber dem Bösen, und der aus dem Gefühl heraus den Enthusiasmus für das Gute, die Fliehekraft für das Böse erhalten hat, bei dem ist in dem ganzen rhythmischen Organismus der Sinn für das Gute, der Nichtsinn für das Böse eingezogen. Er fühlt später, wie er förmlich unter dem Einfluß des Bösen nicht atmen kann, wie es ihm den Atem verschlägt, wie sein rhythmisches System in Unordnung kommt.
Das alles erreichen wir, wenn an der Stelle des Imitations-, des Nachahmungsprinzips, das bis zum Zahnwechsel herrschend sein muß in der ganzen Kindererziehung, das Prinzip der selbstverständlichen Autorität auftritt mit dem siebenten Lebensjahre, mit dem schulmäßigen Alter. Das darf nicht auf eine zwangsmäßige Weise auftreten, und deshalb war jene Erziehung so falsch, welche die Autorität durch Prügel erzielen wollte.

De mens die op de kinderleeftijd in zijn gevoel geleerd heeft sympathie te hebben met het goede, antipathie geleerd heeft tegenover het kwaad, en die vanuit het gevoel het enthousiasme voor het goede, de middelpuntvliedende kracht voor het kwaad behouden heeft, bij hem is in het hele ritmische organisme de zin voor het goede, de niet-zin voor het kwade naar binnen getrokken. Hij voelt later hoe hij formeel onder invloed van het kwade niet kan ademen, hoe het hem de adem beneemt, hoe zijn ritmisch systeem ontregeld wordt. Dat alles bereiken we als op de plaats van het imitatie-, van het nabootsingsprincipe, dat tot aan de tandenwisseling moet heersen in de hele kinderopvoeding, het principe van de vanzelfsprekende autoriteit optreedt op het zevende levensjaar, op de schoolleeftijd. Dat mag niet op een dwangmatige manier optreden, en daarom was die opvoeding zo verkeerd die de autoriteit door middel van een pak slaag wilde bereiken.
Ik wil me verontschuldigen dat ik gisteren op een, zoals ik gehoord heb, niet helemaal juiste wijze over het slaan als straf gesproken heb, doordat mijn woorden, naar het schijnt, zo opgevat zijn alsof ik van mening was dat overal het slaan als straf al afgeschaft zou zijn. Ik zei alleen dat de humaniteit, de humanitaire betrekkingen in de civilisatie het slaan als straf willen afschaffen. Er is mij namelijk ter ore gekomen dat in Engeland het slaan als straf nog in volle

Blz. 135  vert. 171

Aber die Sache ist so, daß, wenn wir richtig erziehen wollen, wir durchaus nicht zwangsmäßig die Autorität heranbilden sollen, namentlich nicht durch Strafen, sondern auf eine selbstverständliche Weise durch dasjenige, was wir sind. Und wir sind mit Geist, Seele, Körper der richtige Lehrer, wenn wir richtige Menschenbeobachtung aus Menschenkenntnis heraus entwickeln können. Richtige Menschenbeobachtung sieht in dem werdenden Menschen ein Göttergeschöpf. Es gibt im ganzen weiten Weltenall in der Tat nichts Größeres, als zu sehen, wie bei dem Kinde von der Geburt an aus dem unbestimmten Körperlichen immer mehr und mehr das Bestimmte sich ergibt, wie die unbestimmten Bewegungen, die Zappelbewegungen, die Willkürbewegungen sich umgestalten in solche Bewegungen, die vom Seelischen beherrscht werden, wie da das Innere nach außen sich immer mehr und mehr offenbart, wie da das Geistige im Körperlichen immer mehr und mehr an die Oberfläche kommt. Dieses vom Göttlichen auf die Erde heruntergeschickte Menschenwesen, das wir in dem Körper sich offenbaren fühlen, das ist es, was uns wie eine göttliche Offenbarung selber erscheinen kann

bloei is, en dat ik met mijn woorden niet helemaal het juiste heb getroffen. Maar de zaak zit zo dat, als we op de juist manier willen opvoeden, we absoluut niet dwangmatig de autoriteit moeten vormen, met name niet door straffen, maar op een vanzelfsprekende manier door dat wat we zijn. En wij zijn met geest, ziel, lichaam de juiste leraar als we de juiste mensenwaarneming vanuit menskundig inzicht kunnen ontwikkelen. Juiste mensen-waarneming ziet in de wordende mens een godenschepsel. Er bestaat in de hele wijde kosmos inderdaad niets groters dan te zien hoe bij het kind vanaf de geboorte uit het onbestemde lichamelijke steeds meer het bestemde voortkomt, hoe de onbestemde bewegingen, de spartelbewegingen, de willekeur-bewegingen omgevormd worden in zulke bewegingen die door het zielsmatige worden beheerst, hoe daar het innerlijke zich steeds meer naar buiten toe openbaart, hoe het geestelijke in het lichamelijke steeds meer aan de oppervlakte komt. Dit door het goddelijke omlaag naar aarde gestuurde mensenwezen, dat we zich in het lichaam voelen openbaren, dat is het wat ons als een goddelijke openbaring kan verschijnen.

Die größte göttliche Offenbarung ist der sich entwickelnde Mensch. Lernt man diesen sich entwickelnden Menschen nicht bloß äußerlich anatomisch-physiologisch kennen, lernt man erkennen, wie in den Körper Seele und Geist hineinschießen, hineinströmen, dann verwandelt sich jede Menschenerkenntnis in Religion, in fromme, scheue Ehrfurcht vor demjenigen, was aus den göttlichen Tiefen in die weltlichen Oberflächen hineinströmt. Dann bekommen wir dasjenige, was uns als Lehrer trägt und hält, und was das Kind schon fühlt, was sich beim Kinde in die Hingabe, in die selbstverständliche Autorität wandelt. Wir sollten uns als Lehrer, statt den Stock in die Hand zu nehmen – auch nicht den innerlichen Stock, wie ich gestern auseinandersetzte, der innerlich peitscht -, statt mit dem Stock uns zu bewaffnen, uns vielmehr bewaffnen mit wahrer Menschenerkenntnis, wahrer Menschenbeobachtung, die in sittlich-religiös inneres Erleben, in sittlich-religiöse Ehrfurcht vor der Gottesschöpfung übergeht.

De grootste goddelijke openbaring is de zich ontwikkelende mens. Leer je deze zich ontwikkelende mens niet alleen uiterlijk anatomisch-fysiologisch kennen, leer je in te zien hoe in het lichaam ziel en geest naar binnen schieten, naar binnen stromen, dan verandert elk menskundig inzicht in religie, in vrome, bedeesde eerbied voor wat uit de goddelijke diepte naar de wereldlijke oppervlakten binnenstroomt. Dan krijgen we dat wat ons als leraar draagt en ondersteunt, en wat het kind al voelt, wat hij het kind in de overgave, in de vanzelfsprekende autoriteit verandert. We zouden ons als leraar, in plaats van de stok ter hand te nemen – ook niet de innerlijke stok die, zoals ik gisteren uiteengezet heb, innerlijk afranselt -, in plaats van ons met de stok te bewapenen, ons veeleer moeten bewapenen met werkelijk menskundig inzicht, werkelijke mens-waarneming, die in moreel-religieus innerlijk beleven, in moreel-religieuze eerbied voor de Godsschepping overgaat.
GA 307/132-135  
Vertaald/169-171

Voordracht 11, Illkley 15 augustus 1923

Blz. 207    vert. 265

Dieses allgemein Göttliche, das müssen wir in Dankbarkeit empfinden, in Liebe das Kind fühlen lehren durch die selbstverständliche Autorität des Lehrers. 

Dit algemeen goddelijke, dat moeten we in dankbaarheid voelen, in liefde het kind voelen leren door de vanzelfsprekende autoriteit van de leraar.
GA 307/207
Vertaald/265
    

Voordracht 13, Illkley 17 augustus 1923

Blz. 231   vert. 298

Und darauf ist eben das Hauptaugenmerk zu richten, daß wir nicht durch katechismenartige Gebote zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife das Kind moralisch und religiös machen wollen, sondern es moralisch und religiös dadurch erziehen, daß wir auf das Gefühl und die Empfindung
wirken durch unsere Autorität und — ich habe ja das für dieses Lebensalter auseinandergesetzt – dahin wirken, daß das Kind lerne, Wollust haben am Gutsein, Abscheu haben vor dem Bösen, daß das Kind also lernt, das Gute liebhaben und das Böse nicht liebhaben

En onze bijzondere aandacht moet erop zijn gericht dat we niet door catechis-musachtige geboden tussen de tandenwisseling en de geslachtsrijpheid het kind moreel en religieus willen maken. Nee, we moeten het moreel en religieus opvoeden door op het gevoel en het beleven te werken door onze autoriteit en – ik heb dat voor deze leeftijd toch behandeld – er naartoe werken dat het kind leert lustgevoelens te hebben aan goed-zijn, afschuw te hebben van het kwaad, dat het kind zo leert het goede lief te hebben en het kwaad niet lief te hebben.

Blz. 231/232   vert. 299

Wenn das Kind geschlechtsreif geworden ist, das fünfzehnte, sechzehnte Jahr erreicht hat, dann vollzieht sich ja in seinem Inneren jener
Umschwung, durch den es von der Hinneigung zum Autoritativen zu
seinem Freiheitsgefühl kommt und mit dem Freiheitsgefühl zu seiner
Urteilsreife, zu seiner eigenen Einsicht. Da kommt etwas, was in der
Copyright Rudolf Steiner Nachlass-Verwaltung Buch: 30 7 Seite:231
allerintensivsten Weise für Erziehung und Unterricht berücksichtigt
werden muß. Wenn wir bis zur Geschlechtsreife Gefühle erweckt haben für das Gute und Böse, für das Göttliche und Nichtgöttliche, dann
kommt das Kind nach der Geschlechtsreife dazu, aus seinem Inneren
aufsteigend diese Gefühle zu haben. Sein Verstand, sein Intellekt, seine
Einsicht, seine Urteilskraft sind nicht beeinflußt, sondern es kann jetzt
frei aus sich heraus urteilen.

Wanneer het kind geslachtsrijp is geworden, het 15de, 16de jaar heeft bereikt, dan voltrekt zich immers in zijn innerlijk die ommezwaai waardoor het van de geneigdheid tot het autoritatieve tot zijn vrijheidsgevoel komt en met het vrijheidsgevoel tot zijn oordeelsrijpheid, tot zijn eigen inzicht. Daar komt iets waarmee op de allerintensiefste wijze bij opvoeding en onderwijs rekening moet worden gehouden. Hebben we tot aan de geslachtsrijpheid gevoelens gewekt voor het goed en het kwaad, voor het goddelijke en niet-goddelijke, na de geslachtsrijpheid komt het kind zover dat het deze gevoelens zo heeft dat ze opstijgen uit zijn innerlijk. Zijn verstand, zijn intellect, zijn inzicht, zijn oordeelskracht worden niet beïnvloed, nee, het kan nu vanuit zichzelf vrij oordelen.
GA 307/231-232
Vertaald/298-299

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2]
 GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2476-2323

/

./

./

./