VRIJESCHOOL – Opspattend grind (73)

.

De vereniging TEGEN DE KWAKZALVERIJ

trekt al jaren ten strijde tegen alles wat in de geneeskunde niet ‘wetenschappelijk’ is.

Dat er af en toe iemand of iets wordt ‘ontmaskerd‘ vormt wellicht een bestaansrecht voor deze vereniging.

Maar het uitgangspunt is tóch: de wetenschap van maat, gewicht en getal.

De ‘materialistische’ leden hebben hun eigen imago flink opgepoetst: ze geven een prijs uit aan wat in hun ogen het slechtst scoort op het veld van de geneeskunde.

Deze ‘meester Kackadorisprijs‘ suggereert dat de vereniging PRECIES weet wat wel en niet bij de geneeskunde hoort. Dat ze dus een autoriteit is op dit gebied.

In die visie past geen ‘ziel’, nog minder ‘geest’ en de antroposofische geneeskunde moet het bij deze club dan ook van tijd tot tijd ontgelden.

Dat geldt ook voor de homeopathie die de vereniging liever vandaag dan morgen verboden zag.

Ze vermeldt dan ook met trots dat in Frankrijk voor geen enkel ‘alternatief middel’ nog een ziekenfondsvergoeding zal worden gegeven: de middelen zijn niet wetenschappelijk bewezen.

Allopathie: dat is het.

De vereniging tegen de kwakzalverij lijkt daarmee een spreekbuis van de grote geneesmiddelenindustrie, dus ook van de farmaciemaffia.

KOORTS

In de antroposofische geneeskunde is koorts nooit iets geweest om te bestrijden: die wordt (deels) gezien als een hulp van het lichaam om een ziekte de baas te worden.

Nog niet zo lang onderschrijft nu ook de reguliere geneeskunst dit fenomeen: in ‘Proceedings of the Royal society‘ schrijven Canadese artsen: (het gaat hier om een griepvirus) ‘koorts is juist een uitvinding van de natuur om het virus te bestrijden.’

Sterker nog: paracetamol en/of ibuprofen, gebruikt om koorts te verlagen bij griep, heeft tot gevolg dat het aantal griepbesmettingen toeneemt – in Noord-Amerika met tienduizenden met ruim duizend extra doden.
Paracetamol tegen griep kost juist veel levens

Daarover horen we de vereniging niet.

Ook nooit eens over de gevaarlijke kant van de medicijnen als ze verkeerd worden gebruikt of bij juist gebruik, vaak door hun bijwerkingen.
Jaarlijks zo’n 200.000 doden.

Daarover horen we de vereniging ook nooit.

Een reden om zich daar zelf eens de Kackadorisprijs voor te geven, zal er wel niet in gevonden worden. 

.

Opspattend grind: alle artikelen

.

2054-1926

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sterrenkunde (1-2-2)

.

Rinke Visser, Jonas jrg.10, nr 6
.

Astrologie, astronomie en astrosofie

Astrologie, astronomie en astrosofie, drie gebieden waarin de mens de door hem gevoelde verbinding met de kosmos heeft uitgedrukt. Wat is hun onderlinge verhouding, wat zijn hun onderlinge verschillen? Je hoort de eerste twee begrippen nogal eens door elkaar gebruiken, het laatste woord wordt nog nauwelijks gebruikt.

Het zou te ver voeren om op deze plaats de geschiedenis van de astrologie en de astronomie uitvoerig te behandelen; we beperken ons tot een korte karakterisering.

De astrologie, ook wel eens sterrenwichelarij genoemd, legt verbanden tussen de stand van de sterren aan de hemel en het menselijk leven. De sterren waar het hier om gaat zijn in de eerste plaats de zeven planeten: Maan, Venus, Mercurius, Zon, Mars, Jupiter en Saturnus. Dit zijn de zeven klassieke planeten. Pas in veel latere tijd zijn de overige ontdekt: Uranus, Neptunus en Pluto. Deze laatste zijn later ook in de astrologie ingevoegd, als aanvulling op de overgeleverde astrologische traditie.
De astrologie is in het oosten ontstaan. We zijn zeker niet in het bezit van
documenten die betrekking hebben op de allervroegste periode. Tot de oudste overleveringen behoren Babylonische lijsten van sterrenstanden, die plaats vonden op het moment van een eveneens opgesomde reeks van gebeurtenissen. In vele culturen is een vorm van astrologie tot bloei gekomen. Voor het bewustzijn van deze oude volken waren de planeten en de sterren geen hemellichamen in de huidige betekenis van het woord. Het waren lichten waarmee de goden hun wil aan de hemel zichtbaar konden maken. Het was aan de priesters om het sterrenschrift te ontraadselen en de betekenis aan de mensen door te geven. Aanvankelijk legde men ook veel meer verbanden tussen het lot van een volk en de sterren, dan tussen individuele lotsbeschikkingen en sterrenstanden. Deze volken zag men dan vaak als gerepresenteerd door de koning. Het lot van de koning was het lot van het volk. Een samenvatting van de oude traditie is bewaard gebleven doordat Ptolemaeus deze in de tweede eeuw na Christus in zijn boek Tetrabiblos heeft opgetekend. Dit werk is in welhaast alle talen vertaald. De astrologie zoals die ook thans beoefend wordt gaat bijna geheel terug op dit werk.

Voor het precies optekenen van de sterrenstanden waren nauwkeurige waarnemingen nodig. Maar dat was niet genoeg. Om de waarnemingen te kunnen gebruiken was er ook een tijdrekening noodzakelijk, anders kon je de verschijnselen onmogelijk goed vastleggen. De tijdrekening is een belangrijk nevenproduct van de astrologie. Hier begint al een astronomisch aspect zichtbaar te worden. Het uiterst nauwkeurig waarnemen en vastleggen van verschijnselen werd een hulpwetenschap die een uiterst praktische waarde bleek te hebben voor bijvoorbeeld het tijdig heffen van de belastingen en voor het bepalen van de wisseling van de seizoenen. We hoeven ons er dus niet over te verbazen dat veel beroemde astrologen uit de oudheid tevens een belangrijke bijdrage aan de ontwikkeling van de astronomie geleverd hebben.

De ontwikkeling van de astrologie verloopt niet continu. Na de ondergang van het West-Romeinse rijk komt er een voorlopig einde. Pas in de middeleeuwen komt de astrologie opnieuw tot bloei. Het einde komt betrekkelijk definitief als in 1666 Jean Baptiste Colbert onder Lodewijk XIV bij de oprichting van de Franse Academie voor Wetenschappen aan de sterrenkundigen verbiedt zich met astrologie in te laten. Een betrekkelijk definitief einde, want na de Tweede Wereldoorlog heeft de belangstelling voor de astrologie weer zo’n hoge vlucht genomen, dat in 1975 maar liefst 192 Nobelprijswinnaars zich genoodzaakt voelden om een verklaring tegen de astrologie te tekenen. Deze verklaring is ook in Nederland verschenen onder de titel De mythe van de astrologie.

Zoals blijkt mogen we niet zeggen dat de astronomie zich na de astrologie ontwikkeld heeft, ze bestonden al heel vroeg tegelijkertijd. Voor het bewustzijn van de astrologen waren het ook geen gebieden die met elkaar in strijd zijn. Het feit dat de sterren goddelijk zijn hoeft nog geen beletsel te vormen hen goed waar te nemen. Eigenlijk heeft de astronomie pas in de 19e eeuw zijn materialistische karakter gekregen.

Vanuit het standpunt van de moderne natuurwetenschap is het niet moeilijk een vernietigend oordeel over de astrologie te vellen. Zonder moeite kunnen we bewijzen dat de oude opvattingen van waaruit de astrologie gerechtvaardigd kan worden voor ons geen geldigheid meer hebben. Telescopen onthullen ons het materiële karakter van de 77 planeten. Van enig aannemelijke relatie tussen de mens en de onderlinge standen van de planeten blijkt niets.

Met dank aan de bijdragen die astrologen ooit aan de astronomie geleverd hebben, kan de astrologie verder als een dwaling van de menselijke geest terzijde geschoven worden.
De dwaling blijkt dan niet zozeer te bestaan in het feit dat men de sterren als goddelijk ervoer; daarvoor kan men respect hebben. Het gaat echter om de manier van denken waar de kritiek naar uitgaat. En dat is eigenlijk veel interessanter dan allerlei andere argumenten waaruit kan blijken dat de astrologie, zoals die thans wordt bedreven, geen enkele geldigheid zou hebben.

De grote dwaling is: De astrologie denkt in analogieën. Een voorbeeld:

De zon loopt door de dierenriem. Elk jaar staat de zon in hetzelfde seizoen in hetzelfde sterrenbeeld. Bij een jaargetijde horen bepaalde, vaste eigenschappen: opbloeien of afsterven van de natuur, net uit de aarde komen van jonge kiemplantjes of al vrucht dragen.
De stap is nu dat het karakter van het jaargetijde wordt overgedragen op de sterrenbeelden. Als men nu woorden als: vruchtbaar, bloeiend, afstervend, doods, donker, licht, enzovoort in overdrachtelijke zin gebruikt, dan kan men ze op mensen die door het moment van hun geboorte bijzondere verbindingen met zo’n sterrenbeeld hebben van toepassing laten zijn.

Voor de nauwkeurigheid: eigenlijk mogen we in dit verband niet spreken over sterrenbeelden, we moeten zeggen sterrentekens. Het gaat om de tekens van de dierenriem. Deze dragen wel dezelfde namen als de beelden, maar vallen er in onze tijd niet meer mee samen. De beelden en de tekens zijn ten opzichte van elkaar verschoven. De beelden zijn de zichtbare sterrenconfiguraties, die in booggraden gemeten allemaal verschillende afmetingen hebben. De tekens zijn niet zichtbaar, het zijn gelijke delen van de dierenriem, elk deel is 30°. De afspraak is dat de zon bij het begin van de lente altijd het teken Ram binnenschrijdt. Daarmee is de positie van de ‘dierenriem van de tekens’ ten opzichte van de jaargetijden vastgelegd: In het begin van de zomer komt de zon altijd in het teken Kreeft, in de herfst in het teken Weegschaal, in de winter in het teken Steenbok en zoals gezegd in de lente in het teken Ram. Men kan hier meteen het verband leggen met de woorden Steenbokskeerkring en Kreeftskeerkring: Als de zon in het teken Kreeft staat, staat hij voor de landen op het noordelijk halfrond op zijn hoogst. Voor het zuidelijk halfrond is dat het geval als de zon in het teken Steenbok staat. Kijken we nu echter naar de hemel, dan kunnen we eenvoudig waarnemen dat de zon op het moment dat de lente begint in het dierenriembeeld de Vissen staat, en niet in de Ram! Toen de tekens hun naam kregen lagen tekens en beelden nog in dezelfde richting. Nu, tweeduizend jaar later zijn ze een heel beeld ‘uit elkaar geschoven’. De astrologie rekent altijd met de tekens, nooit met de werkelijk zichtbare beelden. De betekenissen hangen dan ook niet meer met de sterren samen, maar met richtingen ten opzichte van het punt waar de zon staat als de lente begint, het punt Ram. Het hoeft nauwelijks opgemerkt te worden dat de astronomie, die geheel op de waarneming afgaat, nooit over tekens spreekt, daar gaat het uitsluitend om de reëel zichtbare beelden.

Na deze uitweiding komen we weer terug op het punt van het denken. De astrologie denkt niet logisch of analytisch, maar analoog. Denken in analogieën is iets geheel anders dan het eenvoudig naast elkaar zetten van bepaalde gegevens. Wie in analogieën wil denken, zal moeten leren in beelden te denken. Het denken in beelden verloopt anders dan het denken in begrippen. Het laatste kan geheel abstract zijn; het gaat er om de begrippen die men hanteert op een logische manier met elkaar in verband te brengen. Het op deze wijze verbinden van begrippen met elkaar leidt tot nieuwe conclusies. Dit denkproces is controleerbaar, het kan door iedereen navoltrokken worden. Bij dit nadenken komen eventueel gemaakte denkfouten aan het licht.

Bij het beelddenken ligt dat anders. In de eerste plaats is een beeld zelden logisch in de gewone zin van het woord.
Beeldentaal heeft zijn eigen logica. De consequentie is dat beeldentaal niet op dezelfde wijze door iedereen verstaan kan worden. Het beeld spreekt je aan, of niet. Het kan je haast niet aangepraat worden. In de literatuurles worden beelden in gedichten wel eens verklaard. Daarmee komt misschien wel de kale betekenis van het gedicht dichterbij, maar niet het beeld zelf. Dat heeft iets van de dauwdruppel: Als je op een afstandje kijkt schittert hij in alle kleuren van de regenboog, kom je dichterbij dan is alle kleur verdwenen. Een heldere kleurloze waterdruppel aan een grassprietje. Elk beeld bevat zijn eigen waarheid, die nooit geheel in verstandelijke taal vertaald kan worden; altijd gaat er iets verloren. Dat iets is de bijzondere verbinding die een beeld geeft met de werkelijkheid achter het beeld.

Een beeld bedenk je niet, je ziet het.

Je spreekt het uit, en de ander ziet het ook, het spreekt hem aan. Het kan dan nog best lang duren eer beiden de werkelijkheid achter het beeld ten volle hebben leren kennen. Een beeld zien is niet hetzelfde als een beeld doorzien. Een beeld draag je in jezelf rond, na een tijd spreekt het zich uit. Dat is een volstrekt a-logisch proces. Het laat zich niet met verstandelijke argumenten overdragen op de ander. Het logische natuurwetenschappelijk denken geeft toegang tot het begrijpen van de dode natuur, tot de gestorven wereld. Het leven moet met een ander denken begrepen worden, waarvan het denken in beelden een voorstadium kan zijn. Het beeld als spiegeling van een levende werkelijkheid, daarop is van toepassing de uitspraak van Paulus: ‘Want nu zien wij nog door een spiegel, in raadselen, maar dan zal ik ten volle kennen, zoals ik zelf gekend ben’. Wanneer wij ons verdiepen in de astrologie, merken we al gauw dat we terecht komen in een wereld van beelden. Met die beelden kan men op veel manieren omgaan. In veel gevallen zal men daar afwijzend tegenover staan. In de eerste plaats als die beeldenwereld gehanteerd wordt als gold het een begrippenwereld. Dat zal men vaak zien. Hierdoor komt de astroloog tot conclusies die niet voortvloeien uit het innerlijk verstaan van beeldentaal, maar door het betrekken van een beeld op een heel andere werkelijkheidscategorie dan waaraan het beeld oorspronkelijk ontleend is.

Een ander groot bezwaar kan men aanvoeren als de astrologie ons suggesties doet over uit te voeren handelingen. De beslissingen omtrent onze handelingen liggen geheel binnen het gebied van onze eigen verantwoordelijkheid en moeten vanuit de bij ons horende morele maatstaven genomen worden. Nooit mogen wij ons die persoonlijke verantwoordelijkheid laten ontnemen. Er wordt dan inbreuk gedaan op het gebied van onze vrijheid van handelen, de vrijheid van persoonlijke keuze; de beslissing wordt buiten ons om genomen en onderscheidt zich dan niet van besluiten die op grond van orakels als Tarot en I Tjing tot stand zijn gekomen.

Deze conclusies gelden voor onze tijd, voor mensen met een modern, twintigste-eeuws bewustzijn. Voor de oude culturen waarin de astrologie zijn oorsprong heeft golden ze zeker niet. Het bewustzijn van de mens is veranderd. Zonder ons met astrologie als orakelwijsheid bezig te houden, kunnen we toch inzien dat de beeldenwereld van de oude astrologie op zichzelf geen onzin is. De wijze waarop er mee omgegaan wordt kan echter gemakkelijk tot onzin leiden. Gevaarlijke onzin.

Jung heeft zich uitvoerig beziggehouden met het archetypisch karakter van de astrologische beeldentaal. Daarmee heeft hij in voor de moderne mens verstaanbare taal de rijkdom van de beeldentaal weer zichtbaar gemaakt.

Welke samenhang hebben de verschijnselen die wij aan de sterrenhemel waarnemen? Wat is de bewegingsoorzaak of wie is de beweger van het bewegende? Vragen waarop elke cultuur, elke tijd zijn eigen antwoord gegeven heeft. Het antwoord dat zijn uitersten vindt in de opvatting dat het de goden waren die de sterrenlichten aan de hemel bewogen en de verklaring van alle beweging met behulp van de wetten van de zwaartekracht. (Het onderdeel van de astronomie dat zich met het laatste bezighoudt heet ‘hemelmechanica’. Een merkwaardig woord, als we het homoniem van het woord ‘hemel’ erbij betrekken: de ‘plaats’ waar zich geestelijke wezens bevinden – God, engelen, mensenzielen. Maar dit terzijde). In verschillende oude negentiende-eeuwse astronomieboeken komt men als interessant vraagstuk het zogenaamde ‘drielichamenprobleem’ tegen. Dit probleem luidt, in ‘t kort gezegd: Op welke wijze zullen drie hemellichamen middels de zwaartekracht elkaar in beweging brengen, in het bijzonder als deze lichamen verschillende massa’s hebben? Dit drielichamenprobleem speelt een belangrijke rol bij het leren begrijpen van de planetenbewegingen.

Op een heel andere wijze kan men in onze tijd ook een drielichamenprobleem formuleren: Op welke wijze kan men leren begrijpen dat er een relatie tussen mens en kosmos bestaat, wat is de aard van het ‘mechanisme’ waarin zich de eventuele relatie manifesteert? De astrologie in zijn huidige vorm gaat aan deze vraag voorbij, zich beroepend op oude tradities, de oude astrologie vond het antwoord in een mythologisch bewustzijn, de astronomie stelt de vraag niet.

Steiner heeft de mens beschreven als een wezen met een drievoudige lichamelijkheid: het fysieke lichaam dat we met de hele stoffelijke natuur gemeen hebben, het etherlichaam dat aan dit stoffelijk lichaam de kwaliteit ‘levend’ verleent, dat we gemeen hebben met plant en dier, en het astrale lichaam dat de basis is voor ons bewustzijn en dat we gemeen hebben met het dier.
Door het inzicht dat deze kwaliteiten niet alleen in de mens aanwezig zijn maar eveneens in de kosmos, is het mogelijk de vraag te beantwoorden: Elk van de drie lichamen heeft met de kosmos zijn eigen relatie. We moeten dan ook niet spreken van dé relatie, maar van de verschillende relaties die er tussen mens en kosmos bestaan. Hiermee heeft Steiner het mogelijk gemaakt om de oude astrologische basisregel ‘Zoals boven, zo ook beneden’, zoals die op de Smaragden Tafel van Hermes is vastgelegd, op een nieuwe wijze te begrijpen. We kunnen met behulp van het antroposofisch mens- en wereldbeeld weer op weg gaan naar het inzicht dat de mens een microkosmos is. Dat inzicht kan maar heel langzaam verkregen worden, omdat het niet gaat om een verstandelijk kunnen aanvaarden, waarvoor studie alleen voldoende zou zijn. Het inzicht waar het hier om gaat wordt niet uit het denkende verstand alleen geboren.

Een belangrijk aspect van de vraagstukken rondom astrologie en astronomie is nog buiten beschouwing gebleven: Wat is de verhouding van de aarde tot de kosmos?

Ter illustratie een citaat uit een boek*) dat de geschiedenis van de astronomie behandelt: ‘… Philolaus’ ideeën bevorderden echter de vooruitgang van de sterrenkunde, want per slot van rekening was zijn aarde van ondergeschikt belang in het heelal en was zij geen stilstaand lichaam’. Het inzicht dat de aarde van ondergeschikt belang is in de kosmos, wordt door de materialistische astronomie een vooruitgang genoemd. Wanneer we ter beantwoording van de vraag omtrent de betekenis van de aarde voor de kosmos uitsluitend kwantitatieve grootheden in het geding brengen, kunnen we inderdaad tot geen ander inzicht komen dan dat de aarde een volstrekt onbetekenend nietig stofje in het heelal is. Nemen we daarentegen ook andere aspecten in overweging, dan zullen we wellicht nog tot andere uitspraken moeten komen. Voor de oude beschavingen was de aarde het middelpunt van de kosmos. Daarop is de hele oude astrologie gebaseerd. Voor de moderne mens doet de vraag naar het middelpunt zich niet meer voor. Voor de beantwoording van de vraag naar de relatie tussen mens en kosmos, zal het antwoord dat wij geven op de vraag naar de verhouding van de kosmos tot de aarde van eminent belang zijn.

In de aanhef van dit artikel is gewag gemaakt van drie begrippen: astrologie, astronomie en astrosofie. De eerste twee zijn van verschillende kanten gekarakteriseerd. Uiteraard kan het hier slechts bij een globale verkenning blijven. De astrosofie is als begrip nog buiten beschouwing gebleven, niet expliciet gemaakt ten minste. Impliciet is zij inmiddels wel gekarakteriseerd: als de moderne wijze waarop de mens in al zijn geledingen weer een bewuste relatie tot de kosmos kan vinden.

In de mens heeft de kosmos zichzelf samengevat; als we tot dit inzicht kunnen komen, zullen we ook kunnen gaan begrijpen dat de mens eens de weg naar de kosmos terug zal kunnen vinden.

*) Charles-Albert Reigen: Geschiedenis der Sterrenkunde.

Rinke Visser: astrosofie

.

Sterrenkunde: alle artikelen

.

2053-1925

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het leerplan van klas 6

.

Voor een goed begrip van het leerplan, de leerstof e.d. is het zeer aan te bevelen de artikelen: Rudolf Steiner over het leerplan en Rudolf Steiner over het kind, de leerkracht, ontwikkeling, lesstof en leerplan eerst te lezen.

In de pedagogische voordrachten GA 293 – 311 is relatief maar weinig meegedeeld over de leerstof op zich. Veelal wordt deze besproken in samenhang met de ontwikkeling van het kind.
Uit deze voordrachten volgt hier wat er over de leerstof van de 6e klas kan worden gevonden.

LEERSTOF VAN KLAS 6

Aardrijkskunde

In der Geographie setze man dasjenige fort, was man im fünften Schuljahr gepflegt hat, indem man andere Teile der Erde berücksich­tigt, und versuche dann, den Übergang zu finden von den klimatischen Verhältnissen zu den Himmelsverhältnissen, wovon wir gestern Nach­mittag einige Proben hier vorgeführt haben.

In de aardrijkskunde gaat men door met datgene wat men in de vijfde klas heeft behandeld, waarbij men andere delen van de aarde onder de loep neemt en de overgang probeert te vinden van de klimatologische omstandigheden naar de hemellichamen, waarvan we gisteren enkele voorbeelden hebben gezien.
GA 295/162
Vertaald/150

Algebra

Steiner geeft in GA 295 voorbeelden van hoe het letterrekenen kan worden aangeleerd. Omdat dit nu nauwelijks in een 6e klas gebeurt – veel meer in 7 en 8 – heb ik de aanwijzingen daarover bij klas 7 gezet.

Euritmie

En dan komen er in de vierde, vijfde en zesde klas vormen bij voor concrete en abstracte dingen enzovoort, waarbij dat voor de kinderen ook mogelijk wordt, omdat ze in de grammatica inmiddels zo ver zijn gekomen.
GA 295/177
Vertaald/161

Geschiedenis

In das sechste Schuljahr gehören hinein geschichtliche Betrachtun­gen über die Griechen und Römer und über die Nachwirkungen der griechischen und römischen Geschichte bis zum Beginn des 15. Jahrhunderts .

In de zesde klas horen historische beschouwingen thuis over de Grieken en Romeinen en over de nawerkingen van de Griekse en Romeinse geschiedenis tot aan het begin van de vijftiende eeuw
GA 295/162
Vertaald/150

X.: In der griechischen Geschichte kann man wohl mehr auf die Kultur­geschichte und die Sagen eingehen und das Politische weglassen: die Perserkriege zum Beispiel.

X: Bij de Griekse geschiedenis kan je wel meer ingaan op de cultuurgeschiedenis en de sagen en het politieke achterwege laten, de Perzische Oorlogen, bv.?

Dr. Steiner: Die Perserkriege kann man schon so behandeln, daß man sie kulturgeschichtlich gestaltet. In älteren Zeiten kann man die Kriege noch kulturgeschichtlich behandeln; bis zu unserer Gegen­wart sind sie ja immer unerfreulicher geworden. Man kann die Perserkriege schon wie ein Symptom betrachten der kulturgeschichtlichen Züge.

Dr.Steiner: De Perzische Oorlogen kan je wel zo behandelen dat je ze een cultuurhistorische vorm geeft. In de oudere tijden kun je oorlogen nog cultuurhistorisch behandelen; tot in onze cultuur zijn ze steeds naarder geworden. Je kan de Perzische Oorlogen als een symptoon zien met cultuurhistorische trekken.
GA 300a/82
Niet vertaald

300a/83 X.: Das Innenpolitische ist doch weniger wichtig?

X: De binnenlandse politiek is toch minder belangrijk?

Dr. Steiner: Doch, zum Beispiel, wie das Geld entstanden ist.

Dr. Steiner: Toch wel, bv. hoe het geld is ontstaan

X.: Die Verfassungen kann man wohl kurz behandeln?

X De politieke wetgeving kan je wel kort behandelen?

Dr. Steiner: Ja, aber den Geist der Lykurgischen Verfassung muß man schon schildern, zum Beispiel auch den Unterschied zwischen dem Athenertum und dem Spartanertum.

Dr. Steiner: Ja, maar de geest van de Lycurgische wet moet je wel schetsen, bv. ook het verschil tussen Athene en Sparta

X.:    Bei den Römern ist das Verfassungswesen so breit dargestellt in den Lehr­büchern.

X: Bij de Romeinen is alles over de wetten in de leerboeken breed uitgemeten.

Dr. Steiner: In den Lehrbüchern ist es breit und oftmals sehr falsch behandelt. Der Römer kannte keine Verfassung, aber er wußte aus­wendig nicht nur die Zwölf-Tafel-Gesetze, sondern eine große An­zahl von Rechtsbüchern. Man bekommt eine falsche Vorstellung vom Römertum, wenn man nicht durchnimmt mit den Kindern, daß der Römer ein Rechtsmensch war, und daß das gewußt worden ist. In den Lehrbüchern ist das langweilig dargestellt, aber man muß schon für das Römertum die Vorstellung erwecken, daßjeder Römer ein Rechtsknüppel war und die Gesetze an den Fingern herzählen konnte. Die Zwölf-Tafel-Gesetze sind dort so gelehrt worden, wie bei uns das Einmaleins.

Dr. Steiner: In de leerboeken is het breed uitgemeten en dikwijls helemaal verkeerd. De Romeinen kenden geen grondwet, maar ze kenden niet alleen de twaalftafelenwet uit hun hoofd, maar ook een groot aantal rechtsboeken. Je krijgt een verkeerd beeld van de Romeinse cultuur, wanneer je met de kinderen niet nagaat, dat de Romein een man van het recht was en dat hij dat wist. In de leerboeken is dat langdradig weergegeven, maar voor de Romeinse cultuur moet je wel de voorstelling wekken dat iedere Romein een rechtsfreak was en dat hij de wetten op zijn duimpje kende. De twaalftafelenwet werd daar zo geleerd als bij ons de tafels van vermenigvuldiging,
GA 300A/83
Niet vertaald

Gymnastiek

Vom vierten Schuljahr ab teilen wir die eurythmische Kunst mit dem Turnen, und zwar so, daß wir im vierten, fünften und sechsten Schul­jahr «Gliederbewegen» im Turnen haben, dann alles das, was mit Lau­fen, Springen, Klettern zusammenhängt, und nur einfache Geräteübun­gen.
Kompliziertere Geräteübungen sind erst im siebenten und achten Schuljahr zu machen, in dem die freien Übungen auch fortgesetzt wer­den. Aber die freien Übungen sollen alle mit Laufen, Klettern, Sprin­gen zusammenhängen.

Vanaf de vierde klas moeten euritmie en gymnastiek de uren delen. In de vierde, vijfde en zesde klas werken we in de gymnastiek vooral met bewegingen van de ledematen en verder met alles wat verband houdt met rennen, springen en klimmen, en doen we alleen eenvoudige oefeningen aan toestellen. Ingewikkelde oefeningen aan toestellen doet men pas in de zevende en achtste klas, waarbij ook de vrije oefeningen worden voortgezet. Maar de vrije oefeningen moeten allemaal samenhangen met rennen, klimmen en springen.
GA 295/177
Vertaald/161

Meetkunde:   zie ook tekenen

Nun bitte ich zu beachten, daß wir bis zum sechsten Schuljahr die geometrischen Formen: Kreis, Dreieck und so weiter herausgeholt ha­ben aus dem Zeichnen, nachdem wir zuerst in den ersten Jahren das Zeichnen für den Schreibunterricht getrieben haben. Dann sind wir allmählich dazu übergegangen, aus dem Zeichnen, das wir für den Schreibunterricht getrieben haben, beim Kinde kompliziertere Formen zu entwickeln, die um ihrer selbst willen, um des Zeichnens willen be­trieben werden; auch Malerisches zu betreiben, das um des Malerischen willen betrieben wird. In diese Sphäre leiten wir den Zeichen- und Mal-unterricht im vierten Schuljahr, und im Zeichnen lehren wir, was ein Kreis ist, eine Ellipse ist und so weiter. Aus dem Zeichnen heraus lehren wir dieses. Da setzen wir noch fort, durchaus auch immer zu plasti­schen Formen hinführend, indem wir uns des Plastilins bedienen -wenn es zu haben ist; sonst kann man irgend etwas anderes benützen, und wenn es Straßenkot wäre, das macht nichts! -, um auch Formen­anschauung, Formenempfindung hervorzuholen.Von dem, was auf diese Weise im Zeichnen gelehrt worden ist, übernimmt nun der Mathematikunterricht, der geometrische Unterricht das, was die Kinder können. Jetzt geht man erst über dazu, geometriegemäß zu erklären, was ein Dreieck, ein Quadrat, ein Kreis ist und so weiter. Also die raumesmäßige Auffassung dieser Form wird aus dem Zeichnen hervorgeholt. Und was die Kinder aus dem Zeichnen heraus gelernt haben, daran gehe man jetzt im sechsten Schuljahr mit dem geometrischen Begreifen erst heran. Dafür werden wir dann sehen, daß wir in das Zeichnerische etwas anderes aufnehmen.

Ik wil u er nu op wijzen dat we tot aan de zesde klas de geometrische vormen, cirkel, driehoek enzovoort, hebben afgeleid uit het tekenen, nadat we in de eerste jaren het tekenen hebben gedaan ten behoeve van het schrijven. Dan zijn we er geleidelijk toe overgegaan om uit het tekenen dat we voor het schrijfonderwijs deden gecompliceerdere vormen te ontwikkelen, die om zichzelf, omwille van het tekenen zelf werden uitgevoerd. Ook zijn we gaan schilderen omwille van het schilderen zelf. In deze richting leiden we de teken- en schilderlessen in de vierde klas, en in het tekenen leren we de kinderen wat een cirkel is, wat een ellips is, enzovoort. We doen dat vanuit het tekenen. Dan komen we ook nog bij plastische vormen en gebruiken we boetseerklei — als we dat tenminste kunnen krijgen, anders kan men iets anders gebruiken, desnoods modder, dat doet er niet toe! – om een voorstelling van en een gevoel voor vorm op te roepen.
Wat de kinderen op deze wijze hebben geleerd bij het tekenen, dat neemt de wiskunde, de geometrie dan over. Pas dan gaat men ertoe over om geometrisch uit te leggen wat een driehoek, een vierkant of een cirkel is enzovoort. Het ruimtelijk inzicht in deze vorm wordt dus opgeroepen met het tekenen. En wat de kinderen via het tekenen hebben geleerd, dat wordt dan in de zesde klas behandeld om tot geometrisch begrip te komen. Bij het tekenen komt dan daarvoor in de plaats iets anders.
GA 295/169
Vertaald/155

X.:    Ist es besser, in der Projektions- und Schattenlehre in der 6. Klasse vom Künstlerischen auszugehen oder vom Geometrischen?

X: Is het beter bij de projectie- en de schaduwleer in de 6e klas van het kunstzinni9ge uit te gaan of vanuit het meetkundige?

Dr. Steiner: Es ist unter Umständen das das beste, was eine Brücke baut zwischen einem Unterricht, der nüchtern geometrisch ist, und einem solchen, der doch zur Kunst hinüberführt. Ich glaube nicht, daß man das künstlerisch behandeln kann. Gemeint ist die Zentral-projektion. Ich würde doch glauben, daß die Kinder auch wirklich wissen müßten, wie also der Schatten eines Kegels auf einer so gearte­ten Ebene ist; daß sie eine innere Anschauung haben

Dr. Steiner: Onder bepaalde omstandigheden is dát het beste wat een brug slaat tussen een onderwijs dat gewoon meetkunde is en een die naar de kunst overgaat. Ik geloof niet dat je dat kunstzinnig kan behandelen. Bedoeld is de centrale projectie. Ik zou toch geloven dat de kinderen echt zouden moeten weten waar de schaduw van een kegel op zo’n vlak ligt; dat ze dat innerlijk zien.
GA 300a/265
Niet vertaald

X.:    Soll man solche Ausdrücke verwenden wie Lichtstrahlen, Schattenstrahlen?

X. Zou je zulke uitdrukkiingen moeten gebruiken als lichtstralen, schaduwstralen?

Dr. Steiner: Das ist nun ja eine allgemeinere Frage. Es ist nicht gut, Dinge in der projektiven Geometrie anzuwenden, die es nicht gibt. Es gibt keine Lichtstrahlen, noch weniger Schattenstrahlen. Das ist nicht nötig, daß man mit diesen Begriffen in der Projektionslehre arbeitet. Man sollte arbeiten mit gestalteten Rauminhalten. Es gibt nicht Lichtstrahlen und Schattenstrahlen. Es gibt Zylinder und Kegel. Es gibt einen Schattenkörper, der entsteht, wenn ich einen Kegel habe, der schief ist und von einem Punkt beleuchtet wird, und den Schatten auffallen läßt auf eine geneigte Ebene. Dann habe ich einen Schattenkörper, der da ist. Diesen Schattenkörper als solchen, die Kurvenbegrenzung des Schattenkörpers’ das sollte auch schon das Kind verstehen. Geradeso wie es später in der projektiven Geo­metrie verstehen muß, wenn ein Zylinder einen anderen mit kleinerem Durchmesser durchschneidet. Das ist ungemein nützlich, die Kinder dies zu lehren. Es bringt nicht ab vom Künstlerischen. Es läßt die Kinder im Künstlerischen. Es macht das Vorstellen geschmeidig. Man kann geschmeidig vorstellen, wenn man von vornherein weiß, was für eine Schnittkurve entsteht, wenn sich Zylinder durchschnei­den. Das ist ganz wichtig, daß man diese Dinge bringt, aber nicht Abstraktionen.

Dr. Steiner: Dat is meer een vraag in het algemeen. Het is niet goed om dingen in de projectieve meetkunde te gebruiken die er niet zijn. Er bestaan geen lichtstralen, al helemaal geen schaduwstralen. Het is niet nodig om met deze begrippen in de projectieleer te werken. Je moet werken met gevormde ruimte-inhouden. Er zijn geen licht- en schaduwstralen. Er zijn cilinders en kegels. Er is een schaduwlichaam dat ontstaat wanneer ik een kegel heb die scheef staat en vanuit een punt belicht wordt en een schaduw laat vallen op een schuin vlak. Dan heb ik een schaduwlichaam dat bestaat. Dit schaduwlichaam als zodanig, de begrenzing van de kromme lijnen van de schaduw zou het kind al moeten begrijpen. Precies zoals het later in de projectieve meetkunde moet begrijpen  hoe een cilinder een andere met een kleinere diameter doorsnijdt. Het is buitengewoon nuttig om dat aan de kinderen te leren. Dat leidt niet weg van het kunstzinnige. De kinderen blijven daarmee in het kunstzinnige. Het maakt het voorstellen levendig. Je kan levendig voorstellen wanneer je van te voren weet wat er voor snijcurves ontstaan wanneer cilinders elkaar snijden. Het is belangrijk om deze dingen te doen, maar niet de abstracties.
GA 300a/265
Niet vertaald

Mineralogie

Die Behandlung der Mineralien geschehe durchaus im Zusammenhang mit der Geographie.

De plantkunde wordt vervolgd in de zesde klas en vloeit over in de behandeling van de mineralen. Maar de mineralen worden in ieder geval behandeld in samenhang met de geografie.
GA 295/165
Vertaald/152

Muziek

Dann kommt das vierte, fünfte und sechste Schuljahr. Da wird man ja auch schon drinnen sein in der Zeichenerklärung, der Notenerklä­rung. Man wird schon umfassende Übungen machen können in der Ton­leiter. Namentlich im fünften und sechsten Schuljahr wird man auf die Tonarten eingehen können. Man wird da schon D-dur und so weiter haben können. Mit dem Moll muß man möglichst lange warten, aber es kann doch schon auch in dieser Zeit an das Kind herangebracht werden.

Dan komen de vierde, vijfde en zesde klas. Dan houdt men zich natuurlijk ook al bezig met de verklaring van de tekens, van de noten. Men zal ook al uitvoerige oefeningen kunnen doen met de toonladder. Met name in de vijfde en zesde klas zal men in kunnen gaan op de toonsoorten. Dan kan men het beslist wel hebben over D majeur enzovoort. Met mineur moet men zo lang mogelijk wachten, maar ook dat kan best in deze tijd behandeld worden.
GA 295/175

Vertaald/160

Natuurkunde

Mit dem Physikunterricht beginnen wir im sechsten Schuljahr, und zwar so, daß wir ihn durchaus an dasjenige anknüpfen, was die Kinder gewonnen haben durch den Musikunterricht. Wir beginnen den Phy­sikunterricht, indem wir die Akustik herausgebären lassen aus dem Musikalischen. Also Sie knüpfen durchaus die Akustik an die musi­kalische Tonlehre an und gehen dann über zur Besprechung der physi­kalisch-physiologischen Beschaffenheit des menschlichen Kehlkopfes. Das menschliche Auge können Sie hier noch nicht besprechen, aber den Kehlkopf können Sie besprechen. Dann gehen Sie über – indem Sie nur die wichtigsten Dinge durchnehmen – zur Optik und zur Wärmelehre. Auch die Grundbegriffe der Elektrizität und des Magnetismus bringen Sie in dieses sechste Schuljahr hinein.

Met de natuurkunde beginnen we in de zesde klas, en wel zo dat we aanknopen bij de verworvenheden van de muzieklessen. We beginnen met natuurkunde door de akoestiek te laten ontstaan uit de muziek. U sluit dus met de akoestiek aan bij de klankleer en dan gaat u over tot de bespreking van de natuurkundig-fysiologische hoedanigheid van het strottenhoofd van de mens. Het oog van de mens kunt u dan nog niet behandelen, maar het strottehoofd wel. Dan gaat u over naar de optica en de warmteleer, waarvan u alleen de belangrijkste onderdelen doorneemt. Ook de grondbegrippen van de elektriciteit en het magnetisme behandelt u in deze zesde klas.
GA 295/166
Vertaald/153

Man muß unterscheiden: geschlagene, gerissene, gestri­chene Töne. Am Monochord.

Je moet een onderscheid maken tussen aangeslagen, getokkelde, gestreken tonen. Op het monochord.
GA 300a/68
Niet vertaald

Niet-Nederlandse talen

En degenen die dat willen, kunnen vanaf de zesde klas vrijwillig beginnen met de basis van het Grieks,61 ook dit zoals we in het didactische deel gehoord hebben. Met name proberen we weer het schrijven van de Griekse letters te gebruiken om via het tekenen van vormen tot dat schrijven te komen. En voor degenen die dan Grieks willen leren zal het buitengewoon weldadig zijn om in andere lettervormen te herhalen wat eerst bij het ontwikkelen van het schrijven uit het tekenen is gedaan.
GA 295/160
Vertaald/148-149

Voor kinderen van twaalf tot vijftien jaar is het lyrisch-epische element geschikt, balladen. Ook markante historische beschrijvingen, goed literair proza en afzonderlijke dramatische scènes.
GA 295/181
Vertaald/166

Proza na de poëzie

Er is vanuit de 7e klas een vraag gesteld over het gebuiken van leesboeken in de Engelse les; Steiner betrekt zijn antwoord ook op het Latijn, dat al in de 4e klas wordt begonnen (later weer bijgesteld naar de 5e). 

In de latijnse les kan je Ovidius of Vergilius lezen. De kleine verhalen van Plutarchus.
Er wordt naar Pliniua gevraagd:
Plinius is goede lectuur. Livius voor de oudste leerlingen: dan moet je op de intimiteiten ingaan. Livius is zeer slecht overgeleverd; hij is de beroemde schrijver die telkens verbeterd wordt.
In het Grieks zou ik dit soort spreuken met ze doornemen (Dr.Steiner geeft een voorbeeld); er zijn heel veel van dergelijke tweeregelige gedichtjes in het Grieks.
GA 300a/275
Niet vertaald

X.:    Ich glaube, es wäre gut, in der 6. Klasse etwas Gedrucktes zu lesen.

Ik geloof dat het goed zou zijn in de 6e klas iets wat gedrukt is te lezen

Dr. Steiner: Wie alt sind die Schüler? Man müßte eine mäßig große Erzählung heraussuchen. Man müßte eine Erzählung finden, eine Novelle, etwas, was Substanz hat, nichts Oberflächliches. Es wäre möglich, so etwas wie ein historisches Stück zu lesen aus Mignet. Da lernen sie auch sehr viel daran.
Den Sprachunterricht werden wir neu gliedern müssen. Da ist es auch so, daßman die Schüler so schwer befriedigen kann. Beim Sprach­unterricht muß man die Schüler viel fragen, da herrscht die Ansicht, daß die Schüler unzufrieden sind. Lernen tun sie am meisten an der Lektüre. Viel Hilfe ist das Sich-Hineinfinden in eine zusammenhän­gende Lektüre. Das Auswendiglernen ist nur ein Hilfsmittel. Man geht Satz für Satz vor. Bei den Kleinen immer sprechen.

Dr. Steiner: Hoe oud zijn de leerlingen? Je zou een niet al te groot verhaal moeten uitzoeken. Je zou een verhaal moeten vinden, een novelle, iets wat inhoud heeft, niet iets oppervlakkigs. Het is wel mogelijk zoiets te lezen als een historisch stuk uit Mignet. Daar leren ze ook veel van. Het taalonderwijs zullen we opnieuw moeten indelen. En het is ook zo dat we de leerlingen maar moeilijk tevreden kunnen stellen. Bij het taalonderwijs moet je de leerlingen veel vragen, de opvatting is dat de leerlingen ontevreden zijn. Ze leren het meest van lectuur. Het helpt goed als ze zich kunnen inleven in samenhangende lectuur. Bij de kleintjes altijd spreken.
GA 300a/284
Niet vertaald

Plantkunde

Zie mineralogie

Rekenen

Dann gehe man im sechsten Schuljahr über zur Zins- und Prozentrechnung, zur Diskontrechnung, zur einfachen Wechselrechnung und begründe damit die Buchstabenrechnung, wie wir es gezeigt haben.

In de zesde klas behandelt men dan het berekenen van rente en procenten, van disconto en eenvoudige wissels en legt men daarmee de basis voor het letterrekenen, zoals we hebben laten zien.
GA 295/169
Vertaald/155

Taal

Und wenn es ins sechste Schuljahr geht, da setzen wir natürlich wiederholentlich alles das fort, was wir im fünften gepflogen haben. Und wir versuchen nun, dem Kinde stilistisch stark ein Gefühl von dem beizubringen, was das Konjunktivische ist. Dabei spreche man möglichst über diese Dinge in Beispielen, damit das Kind unterscheiden lerne zwischen dem, was unmittelbar behauptet werden darf, und dem, was 295/159 konjunktivisch ausgedrückt werden muß. Und man versuche, mit dem Kind solche Redeübungen zu machen, in denen man stark darauf sieht, daß nichts durchgelassen werde, was das Kind falsch leistet mit Bezug auf die Anwendung des Konjunktivischen. Also wenn das Kind sagen sollte: Ich sorge dafür, daß mein Schwesterchen laufen lerne – so lasse man ihm nie durch, wenn es sagt: Ich sorge dafür, daß mein Schwester­chen laufen lernt -, damit ein starkes Gefühl von dieser inneren Plastik der Sprache eben in das Spracherfühlen übergehe.
Nun lasse man die Briefe übergehen in leichte, anschauliche Ge­schäftsaufsätze, worin wirklich solche Dinge behandelt werden, die das Kind von anderswoher schon kennengelernt hat. Man kann ja im drit­ten Schuljahr das, was man über Wiese, Wald und so weiter sagt, schon ausdehnen auf geschäftliche Beziehungen, so daß später Stoff da ist für das Ableisten einfacher Geschäftsaufsätze.

In de zesde klas gaan we natuurlijk steeds door met dat wat we in de vijfde klas hebben behandeld. En we proberen nu om het kind een duidelijk gevoel bij te brengen voor wat stilistisch de aanvoegende wijs is. Men gebruikt daarbij zo veel mogelijk voorbeelden om dat uit te leggen, zodat het kind leert onderscheiden tussen datgene wat direct beweerd mag worden en datgene wat in de aanvoegende wijs uitgedrukt moet worden. En men probeert om spreekoefeningen te doen met de kinderen, waarbij men er heel precies op let dat geen enkele fout in het gebruik van de aanvoegende wijs onopgemerkt blijft. Dus als het kind eigenlijk moet zeggen ‘men neme drie eieren’, dat het dan niet mag zeggen ‘men neemt drie eieren’.[*] Daarmee kan een sterk gevoel voor deze innerlijke vormkracht van de taal ontstaan, een aanvoelen van de taal. En nu laat men de brieven overgaan in eenvoudige, concrete, zakelijke brieven, waarin werkelijk dingen behandeld worden die het kind ergens anders al heeft leren kennen. Men kan immers in de derde klas datgene wat men vertelt over weide en bos en dergelijke heel goed uitbreiden tot zakelijke gegevens, zodat er later stof is voor het vervaardigen van eenvoudige zakenbrieven.

*Deze opmerkingen over de aanvoegende wijs of conjunctief, een in het Duits nog veel gebezigde taalvorm, hebben voor het huidige, levende Nederlands natuurlijk geen belang meer.
GA 295/158/159
Vertaald/147

Dr. Steiner: Unglaublich unorthographisch schreiben die Kinder in der 6. Klasse. Wenn sie glücklich mit zwei k schreiben, sind sie über­glücklich; Es ist viel wichtiger, daß sie Geschäftsbriefe schreiben und Buchstabenrechnung lernen, als daß sie glücklich mit zwei k schrei­ben.

Dr. Steiner: In de 6e klas schrijven de kinderen ongelofelijk veel taalfouten. Wanneer ze gelukkig met drie k’s schrijven, zijn ze wel erg gelukkig. Het is veel belangrijker dat ze zakenbrieven schrijven en algebra leren dan dat ze gelukkig met drie k’s schrijven.
GA 300a/129
Niet vertaald

Tekenen

Dann lassen Sie im sechsten Schuljahr einfache Projektions- und Schattenlehre auftreten, die Sie sowohl mit freier Hand behandeln wie auch mit dem Lineal und Zirkel und dergleichen. Sehen Sie darauf, daß das Kind einen guten Begriff bekommt und nachzeichnen, nachbilde kann, wie, wenn hier ein Zylinder ist, hier eine Kugel, und die Kugel vom Lichte beschienen wird, wie der Schatten von der Kugel auf dem Zylinder ausschaut. Wie Schatten geworfen werden! Also einfache Projektions- und Schattenlehre muß im sechsten Schuljahr auftreten. Das Kind muß eine Vorstellung bekommen und muß nach­ahmen können, wie Schatten auf ebenen Flächen, auf gekrümmten Flächen, von anderen mehr oder weniger ebenen oder von körperlichen Dingen geworfen werden. Das Kind muß in diesem sechsten Schuljahr einen Begriff davon bekommen, wie sich Technisches mit Schönem ver­bindet, wie ein Stuhl zu gleicher Zeit technisch geeignet sein kann für einen Zweck, und wie er nebenbei eine schöne Form haben kann. Und diese Verbindung von Technischem mit Schönem soll dem Kinde in den Begriff, in den Griff hineingehen.

Dan behandelt u in de zesde klas eenvoudige projectie- en schaduwleer, zowel uit de hand getekend als met passer en lineaal en dergelijke. Zie erop toe dat het kind dat goed doorheeft en kan natekenen, na kan vormen hoe – als hier een cilinder is, hier een bol en de bol door licht wordt beschenen – de schaduw van de bol er uitziet op de cilinder: hoe schaduwen geworpen worden! Dus eenvoudige projectie- en schaduwleer moet aan de orde komen in de zesde klas. Het kind moet er een voorstelling van krijgen en kunnen nabootsen hoe schaduwen worden geworpen op vlakke en kromme oppervlakken door andere meer of minder vlakke oppervlakken of door ruimtelijke dingen. Het kind moet in deze zesde klas een idee krijgen hoe de techniek zich verbindt met de schoonheid, hoe een stoel tegelijk technisch geschikt kan zijn voor een bepaald doel en daarnaast ook een fraaie vorm kan hebben. En deze verbinding van techniek en schoonheid moet het kind leren begrijpen, moet het in de greep krijgen.

Bij meetkunde zijn de opmerkingen in GA 300a voor de 6e klas, in GA 295 veel meer voor de 7e klas gedacht. Zie ook daar.
GA 295/171
Vertaald/156-157

Vertelstof

Szenen aus der neueren Geschichte. ( )

( ) scènes uit de nieuwere geschiedenis  ( )
.GA 295/19
Vertaald/19

en op blz. 20 eveneens: 6. cènes uit de nieuwere geschiedenis

.

6e klasalle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Het leerplan: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 6e klas

..

2052-1924

.

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – toespraak bij de kerstspelen (6)

.

In de voordrachtenreeks (GA=Gesamt Ausgabe) zijn de toespraken die Steiner hield naar aanleiding van opvoeringen van de kerstspelen, gebundeld in nr. 274 [1]:

TOESPRAKEN BIJ DE OUDE VOLKSE KERSTSPELEN

ANSPRACHEN ZU DEN WEIHNACHTSPIELEN AUS ALTEM VOLKSTUM

ANSPRACHE DORNACH 19-12-1920

blz. 51

Wir werden uns erlauben, Ihnen heute Weihnachtspiele aus altem
Volkstum vorzuführen. Die beiden Spiele, die wir hier zur Darstellung bringen, sind aufgefunden von Karl Julius Schröer in den fünfziger Jahren des vorigen Jahrhunderts innerhalb der deutschen Sprachinseln in Ungarn, in der Gegend, die nordwärts von der Donau liegt, von Preßburg westwärts liegt. In diesen Gegenden sind zu Ende des Mittelalters und noch etwas später Deutsche eingewandert. Sie haben sich unter anderen Kulturgütern, welche sie in ihrer Einfachheit besessen

TOESPRAAK DORNACH 19-12-1920

We zijn zo vrij om voor u vandaag oude volkse kerstspelen op te voeren. De beide spelen die we hier ten tonele zullen brengen, zijn ontdekt door Karl Julius Schröer in de jaren vijftig van de 19e eeuw in Duitse taalkolonies in Hongarije, in de streek die ten noorden van de Donau ligt, ten westen van Pressburg. In deze streken zijn tegen het einde van de Middeleeuwen en nog later ook Duitsers geïmmigreerd. Ze hebben naast andere dingen uit hun cultuur die ze in hun eenvoud bezaten, 

blz.52

haben, nach ihrem neuen Aufenthaltsorte auch diese Weihnachtspiele mitgebracht.
Karl Julius Schröer, mit dem ich viel in meiner Jugend über diese Dinge gesprochen habe, der mir aus seinen persönlichen Erfahrungen erzählen konnte, wie wiederum in seiner Jugend – in den vierziger und fünfziger Jahren des vorigen Jahrhunderts – unter diesen, ich möchte sagen slawischen und magyarischen Bevölkerungen von den dort lebenden verschlagenen Deutschen diese Weihnachtspiele immer aufgeführt worden sind, und wirklich in außerordentlichem Ernst und mit einem regen Eifer um die Weihnachtszeit auf die Gemüter dieser Menschen gewirkt haben.
Wir haben in diesen Weihnachtspielen deshalb Keime, die sich nach und nach aus einer längeren Kulturstraße herausentwickelt haben, die wir bis ins 13. Jahrhundert zurückverfolgen können. So daß bis in die letzten Jahrzehnte des 12. Jahrhunderts damals das Bedürfnis entstand, über die weitesten Gegenden Mitteleuropas hin – durch Thüringen bis an den Rhein hin und über den Rhein hinüber bis ins Elsaß, dann durch ganz Süddeutschland, durch die Nordschweiz -, was sich bezieht auf die biblische Geschichte, was sich bezieht auf die christlichen Traditionen, namentlich auch auf die christliche Legende, vor dem Volke dramatisch darzustellen.

ook deze kerstspelen naar hun nieuwe leefgebied meegenomen.
Karl Julius Schröer met wie ik in mijn jeugd veel over deze dingen heb gesproken, die mij zijn persoonlijke ervaringen kon vertellen hoe ook in zijn jeugd – in de jaren veertig en vijftig van de 19e eeuw – onder deze, ik zou willen zeggen, Slavische en Hongaarse bevolking van de daar wonende verslagen Duitsers, deze kerstspelen steeds zijn opgevoerd en dat werkelijk met een grote ernst en met een levendige ijver rond de kerststijd deze kerstspelen op het gemoed van deze mensen inwerkte. Vandaar dat in deze kerstspelen kiemen zitten die langzamerhand vanuit een lange weg die de cultuur gegaan is, tot ontwikkeling zijn gekomen die wij tot in de 13e eeuw terug kunnen volgen. We zien dat tot in de laatste tientallen jaren van de 12e eeuw er toen behoefte bestond verspreid over de meest verre gebieden van Midden-Europa, van Thüringen tot aan de Rijn en over de Rijn tot in de Elzas, dan in heel Zuid-Duitsland, Noord-Zwitserland – m.b.t. tot de Bijbelse gschiedenis, m.b.t. tot de christlelijke tradities, vooral ook tot de christelijke legende, dat voor het volk op te voeren.

Man kann geradezu sagen, daß vieles in der neueren Dramatik auf diesen Mysterienspielen – so nennt man sie ja wohl auch – beruht. Zunächst schlossen sich diese Spiele an die kirchlichen Handlungen an. Wenn die Weihnachtszeit, die Osterzeit, die Pfingstzeit, das Fronleichnamfest, manche anderen heiligen Feste herannahten, dann versammelten sich die Leute in der Kirche. Die Kirche selbst wurde dekoriert in der mannigfaltigsten Weise. Und zunächst im 12., 13. Jahrhundert wurde von den Geistlichen selbst, sogar zuerst in lateinischer Sprache dasjenige aufgeführt, was innerhalb der christlichen Tradition, innerhalb der Evangeliengeschichte enthalten ist.
So können wir gut zurückverfolgen, wie zum Beispiel dramatisch dargestellt wurde die Szene an dem Grabe Christi. Es kleideten sich ein drei Priester in Frauenkleider: die drei Frauen, die zu dem Grabe kamen; ein Engel, der auf dem eben verlassenen Grabe saß. Dasjenige,

Je kan wel zeggen dat veel van de nieuwe dramakunst op deze mysteriespelen – zo worden ze ook wel genoemd – gebaseerd is. Aanvankelijk sloten deze spelen aan bij de kerkelijke rituelen. Wanneer Kerstmis, Pasen, Pinksteren, Sacramentsdag dichterbij kwamen, dan kwamen de kerkmensen bij elkaar. De kerk zelf werd uitbundig versierd. En al in de 12e, 13e eeuw werd door de geestelijkheid zelf, maar eerst nog wel in het Latijn, ten tonele gevoerd wat binnen de christelijke traditie, binnen de geschiedenis van de Evangeliën bewaard is. We kunnen dus goed teruggaan naar hoe bv. dramatisch uitgebeeld werd de scène aan het graf van Christus. Drie priesters droegen vrouwenkleren: de drie vrouwen die naar het graf kwamen; een engel, die op het zojuist verlaten graf zat. 

was die Evangelien erzählen, was die Tradition erhalten hat, wurde dramatisch dargestellt.
Man ging aber auch allmählich dazu über, die Dinge, welche man lateinisch zunächst dargestellt hat> dann in der Volkssprache darzustellen. Und im 14. Jahrhundert treffen wir bereits sehr weit ausgebildete dramatische Darstellungen, zum Beispiel der Geschichte von den weisen und törichten Jungfrauen.
Wir wissen, daß im Jahre 1322 in Thüringen, am Fuße der Wartburg, in Eisenach, in dem Hause «die Rolle», ein Spiel von den weisen und von den törichten Jungfrauen aufgeführt wurde, das so bedeutsam in ein Menschenschicksal eingreifen konnte, daß der Landgraf Friedrich, welcher dabei war, der den merkwürdigen Beinamen hat, «mit der gebissenen Wange», daß der Landgraf Friedrich mit der gebissenen Wange davon einen Schlaganfall bekam und im Jahre 1323 an den Folgen dieses Eindruckes sogar gestorben ist.
Aber es ging ja nicht jedem so, sondern es war schon durchaus gerade das, was durch solche Darstellungen dargeboten war, etwas in diesen Zeiten außerordentlich feierliches. Es war lange Zeit gerade die dramatische Darstellung verloren, welche dazumal in Eisenach gegeben worden ist und einen so großen Eindruck gemacht hat.

Als een toneelstuk werd opgevoerd wat in de Evangeliën overgeleverd was, of wat de traditie had bewaard.
Maar er werd ook geleidelijk toe overgegaan om de dingen die men eerst in het Latijn opgevoerd had, nu ook in de volkstaal te brengen. En in de 14e eeuw treffen we al zeer uitgebreide dramatische stukken aan, bv. het verhaal van de wijze en de dwaze maagden.
We weten dat in het jaar 1322 in Thüringen, aan de voet van de Wartburg in Eisenach, in het huis [Duits heeft nu]’die Rolle’, een spel van de wijze en dwaze maagden opgevoerd werd, – wat zo sterk in een mensenlot kon ingrijpen, dat landgraaf Friedrich [2] die erbij was, hij had de merkwaardige bijnaam ‘die in zijn wang gebeten is’, er een beroerte van kreeg en in 1323 aan de gevolgden van deze indruk zelfs gestorven is.
Dat overkwam natuurlijk niet iedereen, juist dergelijke opvoeringen waren in die tijd iets buitengewoon feestelijks. Het toneelstuk dat destijds in Eisenach werd opgevoerd en zo’n diepe indruk had gemaakt, was lange tijd kwijt.

Das Spiel wurde dann später wieder aufgefunden, merkwürdigerweise in Mülhausen im Elsaß, am Tegernsee und in einem Kloster Benediktbeuern, so daß man sehen kann, gerade aus diesem Auftreten am Tegernsee, daß diese Dinge eigentlich aus dem Süden in den Norden gezogen sind.
Wir finden dann sehr bald, wie nicht mehr etwa bloß Geistliche diese Dinge darstellten, sondern wie diese Dinge durchaus vom Volke übernommen wurden, dem Volke sehr ans Herz gewachsen waren.
Das Volk hatte sie außerordentlich lieb. Wir sehen, was ausgeführt wurde. Wir können das noch von einem Stück ablesen, dessen Handschrift erhalten ist. Wir entnehmen dieser Schrift, daß im 15. Jahrhundert die ganze Geschichte des Christus Jesus auf Erden aufgeführt worden ist: von der Hochzeit zu Kana in Galiläa bis zur Auferstehung. Und überall sehen wir, daß man außerordentlich dramatisch, geistig, gerade die wirksamsten Momente, die äußerlich für die Anschauung

Het spel werd later wel gevonden, merkwaardigerwijs in Mülhausen in de Elzas, aan de Tegernsee en in een klooster in Bediktbeuern, zodat je kan zien dat juist door het optrreden aan de Tegernsee deze dingen eigenlijk vanuit het zuiden naar het noorden gegaan zijn.
We vinden dan al zeer snel dat deze dingen niet maar alleen door geestelijken werden opgevoerd, maar dat ze met name door het volk overgenomen werden, ze betekenden voor het volk zeer veel. Het volk had ze in het hart gesloten. We kunnen zien wat er opgevoerd werd. We kunnen dat nog uit een stuk opmaken waarvan het handschrift bewaard gebleven is. We halen uit dit geschrift waarin in de 15e eeuw het hele verhaal van Jezus Christus op aarde opgetekend is:  van de bruiloft in Kana in Galilea tot de Opstanding.
En overal zien we dat men de meest werkzame ogenblikken er buitengewoon dramatisch, 

blz. 54

wirksamsten Momente herausgehoben hat, immer die Dinge, welche das Volk selber in diesen Darstellungen erlebte. Und wir dürfen annehmen, daß im 15. Jahrhundert, Ende des 16. Jahrhunderts und weiter über einen großen Teil der deutsch sprechenden Gegenden diese Volksspiele zur Weihnachtszeit, zur Osterzeit, zur Pfingstzeit, zum Fronleichnamstag, zu anderen Festen aufgeführt wurden.
Das eine der Weihnachtspiele ist ein Paradeis-Spiel, welches sich mehr an die Adventszeit hielt, das andere ist ein direktes christliches Hirten-Spiel, welches wir vor Ihnen hier aufführen. Sie werden aus dem zweiten Spiel, aus der Einleitung sehen, daß vom Rhein gesprochen worden ist, daß diese Stücke gewandert sind. Trotzdem kamen sie, wie Schröer sie aufgefunden hat, wie gesagt in den Oberuferer, in den Preßburger Gegenden – wie man sie ja auch nennt Oberuferer Weihnachtspiele – ostwärts von Preßburg zur Aufführung. Dort sind sie also in der Weihnachtszeit gespielt worden, trotzdem sie ganz anderswo entstanden sind. Ursprünglich sind sie gespielt worden da, wo der Rhein durchfließt. Sie sind also von einer Volksgemeinschaft mitgenommen worden, welche ostwärts gezogen ist, und die sich östlich von der Donau im Banat und so weiter angesiedelt hat. 

geestelijk uit liet springen, steeds die dingen die het volk in deze opvoeringen zelf beleefde. En we mogen wel aannemen dat in de 15e, eind 16e eeuw en later over een groot deel van de Duits sprekende streken deze volksspelen met de kerst, met Pasen, met Pinksteren, met Sacramentsdag, met andere feesten opgevoerd werden.
Een van de kerstspelen is een paradijsspel, dat meer bij de adventstijd hoorde, het andere is een uitgesproken christelijk herdersspel dat wij voor u opvoeren. U zal in dit tweede spel, bij de inleiding zien, dat er over de Rijn wordt gesproken, dat deze stukken zich verplaatst hebben. Afgezien daarvan werden ze, zoals Schröer ontdekte, zoals gezegd in de streken van Oberufer, van Pressburg – en zoals ze worden genoemd Oberuferer kerstspelen – ten oosten van Pressburg, opgevoerd.

Da wurden dann diese Spiele weitergespielt bis eben ins 19. Jahrhundert hinein. In der letzten Zeit gingen viele solche Schätze des Volkes unter den Zeitereignissen, die ganz andere geworden sind, verloren Aber diejenigen, die sich die Spiele noch angesehen haben, waren tief ergriffen, nicht nur von dem Spiel selbst, sondern namentlich von der Art und Weise, wie diese Spiele eingeleitet wurden.
Wenn die Weinlese vorüber war, im Herbste, dann versammelte der Geistliche und einige andere, der Lehrer des Ortes, diejenigen Burschen, die sie für fähig hielten, ein solches Weihnachtspiel aufzuführen. Durch viele Wochen hindurch wurden die Übungen, die Vorübungen gepflogen. Und aus der Art und Weise, wie die Leute sich vorbereiten mußten für das Feierliche dieser Stücke, ersieht man, aus welchem Geiste heraus solche Dinge unternommen worden sind. Es lebte, ich möchte sagen, ein innerlich gemütvolles Christentum, eine innerlichste gemütvolle Christlichkeit noch. Man sieht es in der ganzen Art und Weise der Einleitung solcher Spiele. Es gab bestimmte Vorschrif-

Daar zijn ze in de kersttijd gespeeld hoewel ze heel ergens anders zijn ontstaan. Oorspronkelijk werden ze gespeeld waar de Rijn stroomt. Ze zijn dus door een bevolkingsgroep meegenomen die naar het oosten trok en die zich ten oosten van de Donau in het Banaat en verder vestigden. Daar werden deze spelen dan verder gespeeld, tot wel in de 19e eeuw.
De laatste tijd zijn veel van dergelijke volksschatten door de gebeurtenissen in de tijd, verloren gegaan. Maar wie het spel nog hebben gezien, waren er diep van onder de indruk, niet alleen van het spel zelf, maar vooral door de manier waarop met deze spelen werd begonnen.
Wanneer de druivenpluk voorbij was, in de herfst, zochten de geestelijke en nog wat anderen, de dorpsleraar jongens bij elkaar die ze geschikt achtten zo’n kerstspel op te voeren. Vele weken lang werden de oefeningen, de vooroefeningen gehouden. En op de manier hoe de mensen zich moesten voorbereiden voor het feestelijke van deze stukken, kun je zien vanuit welke geestesstemming dergelijke dingen gedaan werden. Er was, zou ik willen zeggen, nog een innerlijk gemoedvol christendom, iets heel innerlijk zeer christelijks in het gevoelsleven. Dat zie je aan de hele manier van voorbereiding bij deze spelen. Er bestonden bepaalde voorschriften, 

blz. 55

ten, nach denen wochenlang, viele Wochen lang diese Spiele vorbereitet wurden. Der Geistliche, der Lehrer hat die Burschen gesammelt. Es wurden auch die weiblichen Rollen in der Regel von Burschen gegeben; das können wir hier nicht nachahmen. Da würden gar zu sehr unsere weiblichen Mitglieder dagegen protestieren, aber in der Oberuferer Gegend, da wo Karl Julius Schröer diese Dinge entdeckte, waren es durchaus Burschen, welche auch die weiblichen Rollen gaben. Diesen Burschen wurden strenge Vorschriften gegeben. Vorschriften wurden gemacht, die in derselben Weise jetzt, wo wir hier schon seit Jahren den Versuch machen, diese Spiele innerhalb unserer Kreise wiederum zu beleben, für diejenigen der verehrten Zuhörer, die dabei erscheinen wollen, -Vorschriften also wurden denSpielenden gemacht, die für unsere Spielenden nicht mehr jene Bedeutung haben, aber die uns zeigen, mit welchem Ernst die Dinge da aufgefaßt worden sind. So zum Beispiel war einer der Paragraphen, daß diejenigen, die da mitspielen sollten, an den vielen Wochen, vor allem Abend für Abend all die Wochen durch, wo sie diese Proben durchmachten, ein ehrsames Leben zu führen haben. Nun, das ist selbstverständlich ganz natürlich, daß unsere Leute immer ein ehrsames Leben führen! Also dieser Paragraph hat für uns weiter keine Bedeutung. Ferner durften keine Schelmereien verübt werden. 

volgens welke men weken lang, vele weken lang deze spelen voorbereidde. De jongens waren bij elkaar gezocht door de geestelijke, de leraar. Ook de vrouwenrollen werden in de regel door jongens gespeeld; dat kunnen we hier niet navolgen. Dan zouden onze vrouwelijke leden daar al te zeer tegen protesteren, maar in de streken van Oberufer waar Karl Julious Schröer deze dingen ontdekte, waren er alleen maar jongesn die ook de vrouwelijke rollen speelden.
Deze jongens kregen strenge voorschriften. Er werden voorschriften gegeven die op dezelfde manier nu, nu wij hier al sinds jaren proberen deze spelen bij ons weer nieuw leven in te blazen, voor diegenen van de geachte toeschouwers die willen komen kijken – voor onze spelers niet meer die betekenis hebben, maar voor die spelers waren er voorschriften en die laten ons zien met wat voor ernst de dingen beschouwd werden.
Een van de regels was dat degene die wilde meespelen gedurende de vele weken, alle avonden, al die weken, waarin gerepeteerd werd, een eerzaam leven zou leiden. Welnu, voor onze mensen is het vanzelfsprekend heel natuurlijk dat zij steeds een eerzaam leven leiden. Die regel heeft voor ons verder geen betekenis. Verder mochten er geen onzinnige dingen uitgehaald worden.

Das dürfte ja unter Anthroposophen nicht die Regel sein. – Allerdings gab es ‘auch noch eine Vorschrift, eine Art Strafe, die wir hier einfach aus dem Grunde nicht einführen, weil auch dagegen zu stark protestiert würde, und wenn es doch nötig wäre, sie zu verlangen, würde das nicht eingehalten werden. Es war nämlich eine strenge Vorschrift, daß für jeden Gedächtnisfehler, der begangen wurde noch bei der Generalprobe und insbesondere bei den Aufführungen selbst, strenge Strafen bezahlt werden mußten durch den Mitspielenden! Wie gesagt, das können wir nicht einführen. Denn es würden nie diese Strafen bei uns bezahlt.
Nun war aber eine ganz strenge Vorschrift, meine sehr verehrten Anwesenden, die wir gar nicht einführen können, vorhanden. Diese strenge Vorschrift war diese, daß in der Zeit, während welcher die Proben stattfanden, die Probenden also dem Geistlichen oder Lehrer, also allen, die Lehrmeister sein müssen, streng gehorsam sein mußten.

Dat zou onder antroposofen niet de regel mogen zijn –
Bovendien was er nog een voorschrift, een soort straf, die we hier niet invoeren simpelweg omdat ook daartegen te sterke protesten zouden komen en als het toch nodig zou zijn het te eisen, zou het niet ingewilligd wordenj. Het was namelijk het strenge voorschrift dat er bij elke vergeetfout die nog gemaakt werd bij de eindrepetitie en vooral tijdens de opvoeringen, door de spelers een flinke boete betaald moest worden. Zoals gezegd: dat kunnen we hier niet invoeren. Deze boetes zouden bij ons nooit betaald worden
En nu was er, zeer geachte aanwezigen, nog een streng voorschrift, dat we al helemaal niet kunnen invoeren. Dit strenge voorschrift was dat in de tijd waarin de repetities plaatsvonden de uitvoerenden alsook de geestelijke of leraar, dus allen die leermeester moesten zijn, streng gehoorzaam moesten zijn.

blz. 56

Nun, Sie werden begreifen, das können wir unter uns natürlich niemals einführen. Sie sehen aber aus diesen strengen Paragraphen, mit welch außerordentlichem Ernst man an diese Sache ging. Und dieser Ernst ist es, der einem auffällt, wenn man sich in die ganze Art und Weise wiederum vertieft, wie diese Spiele gespielt wurden. Nicht sentimental, oftmals mit einem köstlichen Humor durchsetzt, durchaus aus dem Volksgefühl heraus waren ursprünglich von der Geistlichkeit diese Dinge gegeben, aber das Volk hat sich ihrer bemächtigt, ganz in seinem Geiste aufgenommen. So daß, wie sie hier vorliegen, sie durch und durch volkstümlich sind und uns zurückweisen in das Fühlen, in das Empfinden, in das Denken eines Teiles des christlichen Volkes im 16. Jahrhundert, vielleicht im 15. Jahrhundert noch. Das alles steht vor unserer Seele, wenn wir diese Spiele ansehen.
Wir dürfen uns vorstellen, daß über einem großen Teil von Mitteleuropa, über die Gegenden, die ich früher schon erwähnt habe, vom 14. Jahrhundert bis in die folgenden Jahrhunderte hinein – in einzelnen Gegenden, wie Sie sehen, ist das erst nach und nach verschwunden im 19. Jahrhundert -, zu allen sogenannten heiligen Zeiten diese Spiele, also das Weihnachtspiel, das Osterspiel, das Pfingstspiel vorgeführt wurden.

Nu, u zal begrijpen dat we dat onder elkaar natuurlijk nooit uitvoeren. Maar aan die strenge regels ziet u met wat voor buitengewone ernst men hiermee bezig was. En het is die ernst die opvalt wanneer je je in alles verdiept hoe deze spelen gespeeld werden. Niet sentimenteel, dikwijls met kostelijke humor doorspekt, zeer zeker was dat oorspronkelijk vanuit het volksgevoel door de geestelijkheid aangegeven, maar het volk maakte het zich eigen, nam het helemaal in de geestesgesteldheid op. En wel zo dat zoals we ze nu hier hebben, ze door en door volks zijn en ons verwijzen naar dat gevoel, dat beleven, dat denken van een deel van het christelijke volk in de 16e eeuw, misschine nog in de 15e. Dat staat voor ons, wanneer we naar deze spelen kijken.
We mogen ons wel voorstellen dat verspreid over een groot deel van Midden-Europa, over de streken die ik al eerder noemde, vanaf de 14e eeuw tot in de volgende eeuwen – in een paar gebieden is dat, zoals u ziet, pas in de 19e eeuw, ze langzaam verdwenen, op alle zogenaamde heilige dagen deze spelen, dus het kerstspel, het paasspel, het pinksterspel opgevoerd werden.

Und an der Art und Weise, wie diese Leute das Christentum in sich belebt haben, wie sie in einer außerordentlich volkstümlichen Art und Weise, ich möchte sagen, anschaulich die Evangelien vor uns hinstellen, sieht man, daß sie tief eingegriffen haben in das Volk. Und wir betrachten es als unsere Aufgabe auch, darauf aufmerksam zu machen, wie das geistige Leben durch die Jahrhunderte durch, wie ein Stück des geistigen Lebens Mitteleuropas dadurch erhalten blieb. Derjenige, der noch gesehen hat, wie auch sonst dieses geistige Leben Mitteleuropas, insoferne es Volksleben war, in der zweiten Hälfte des 19. Jahrhunderts allmählich unter den neueren Zeiten dahingestorben ist, wird viel empfinden können durch diese Auferweckung alter volkstümlicher Zeiten. Aus diesem Geiste heraus, meine sehr verehrten Anwesenden, möchten wir Ihnen zunächst das Paradeis-Spiel und dann auch das Christ-Geburt-Spiel heute vorführen.

En aan de manier waarop deze mensen het christendom beleefden, hoe ze op een buitengewone volkse manier, ik zou willen zeggen, de Evangeliën voor ons aanschouwelijk neerzetten, zie je dat zij op het volk een diepe indruk maakten. En wij vatten het ook als onze taak op erop te wijzen, hoe het geestelijk leven door de eeuwen heen, daardoor als een stuk geestesleven van Midden-Europa bewaard bleef. Degene die nog heeft gezien hoe toch ook dit geestelijke leven van Midden-Europa in zoverre het volksleven was, in de tweede helft van de 19e eeuw langzamerhand in de nieuwere tijd ten onder gegaan is, zal veel kunnen ervaren door het nieuw ingeblazen leven van oude volkse tijden. Vanuit deze stemming, geachte aanwezigen, zouden wij u nu het paradijsspel en dan ook het herdersspel willen laten zien. 

.

[1] GA 274
[2] anekdote: hij had een litteken op zijn wang, veroorzaakt door het bijten van zijn moeder.

.

Rudolf Steiner: toespraken bij de kerstspelen

Kerstspelenalle artikelen

Kerstmisalle artikelen

.

2051-1923

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de dierkunde (17) – nawoord voor de volwassenen

.

GERBERT GROHMANN

            ‘LEESBOEK VOOR DE DIERKUNDE’

blz. 128                                                                                                   hoofdstuk 17

Nawoord voor de volwassenen

De schrijver heeft bij het schrijven én aan school  én aan het gebruik thuis in het gezin gedacht en allereerst rekening gehouden met de behoefte van tien- tot twaalfjarige kinderen. Dat daarmee het gebruik van het boek niet beperkt wordt, zal hopelijk de ervaring leren.
Dit boek is een leesboek, maar geen leerboek. Noch de keus, noch de volgorde van de besproken dieren zijn onderhevig aan wat voor dwang of systeem dan ook. Ze zijn in volledige vrijheid gemaakt en ook achter het getal 16 zit niet het allerkleinste geheim.
Nadrukkelijk wordt opgemerkt dat dit leesboek niet in de plaats kan en wil komen van bv. het eerste dierkundeonderwijs zoals dat op de vrijeschool wordt gegeven.
Dit fundamentele eerste kennismaken met het wezen van de mens en de dieren is zo mogelijk al voorafgegaan.
In hoeverre de auteur – zeker tot voordeel van de kinderen – heeft kunnen vermijden de thans zo populaire vermenselijking van het individuele dier, nag de lezer zelf beoordelen. Echte dierenliefde kan tenslotte toch door niets anders opgeroepen worden dan door een goed begrip.
Dat op een paar plaatsen klassieke woorden in de tekst werden gevlochten, zoals bv. uit Brhems Tierleben, zal wel niemand veroordelen, maar met het oog op het doel van het boek werden er geen bijzondere literatuurverwijzingen gegeven.

Mag dit kleine werk over de ‘oceaan van meningen’ diegenen vinden die het graag willen hebben!

Pasen 1957                                                                                      Dr.Gerbert Grohmann

Meer van de auteur:

Grohmannleesboek voor de dierkunde – inhoud

dierkundealle artikelen

Grohmannleesboek voor de plantkunde

VRIJESCHOOL in beeld4e klas- dierkunde.

.

2050-1922

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Zintuigen – tastzin (2-5)

.

Marjolein Wolf in gesprek met Arie Bos, Weleda Puur Kind, herfst 2005, nr. 16

.

De huid is geen grens, maar een toegangspoort

Veel ouders zijn ervan overtuigd dat bepaalde oliën en zalven voor zwangeren en baby’s prettig in het gebruik zijn en soms een beetje helpen. Maar dat bijvoorbeeld zwangerschapsolie echt helpt striae te voorkomen, dat geloven ze niet.

De huid laat toch niets door? Maar zo is het dus niet: bepaalde stoffen kunnen hun genezende werking juist hebben dankzij de huid. Een gesprek met huisarts Arie Bos.

Als we het over de zintuigen hebben, dan denken we in eerste instantie aan ogen, oren, mond en neus. We zouden dan wel bijna ons grootste zintuig vergeten: de huid, hét instrument van onze tastzin. Maar niet alleen qua oppervlakte is de huid de baas. Je zou zelfs met enige overdrijving kunnen zeggen dat het leven ooit is begonnen en nog begint met dit orgaan.

Arie Bos: ‘Je kunt naar de huid op verschillende manieren kijken, bijvoorbeeld vanuit de evolutie. De allereerste wezentjes van de evolutie zijn weekdiertjes als wormen en slakken. Zij hebben maar één orgaan om mee waar te nemen: de huid. Ze ruiken via de huid en proeven via de huid. Er schijnt zelfs een soort zeester te zijn die licht en donker via de huid kan ‘zien’. De huid is dus een van de eerste organen die gevormd is binnen het evolutieproces.’

Open en kwetsbaar

‘Als een baby net geboren is, speelt de huid een ongelooflijk belangrijke rol.
Het pasgeboren kindje probeert vanaf de eerste dag een helder beeld te krijgen van de wereld om zich heen en is daardoor voortdurend aan het kijken, horen, ruiken, proeven en tasten. Hierdoor ontstaat bewustwording van de eigen identiteit en afgrenzing: er ontstaat een ‘binnen’ en een ‘buiten’. Dat aftasten doet hij met heel zijn lichaam, dat is één groot tastorgaan.’

De huid is het enige zintuig dat meteen na de geboorte klaar is om zijn functie te vervullen. Dit in tegenstelling tot de oogjes en de oortjes, die ‘aan de buitenkant’ wel gevormd zijn, maar nog niet voldoende ontwikkeld om hun taak op zich te nemen. Om die reden hebben de signalen die het kindje in de eerste maanden van zijn leven via zijn huid ontvangt, meer impact op zijn ontwikkeling dan bijvoorbeeld geluiden. ‘Communicatie via de huid is zelfs van levensbelang’, vervolgt Arie Bos. ‘Dat blijkt uit experimenten met dieren die na hun geboorte niet werden aangeraakt. Ze stierven of vertoonden eenmaal volwassen ernstige gedragsproblemen. Dergelijk onderzoek toont aan dat contact via de huid dus letterlijk van levensbelang is. En juist omdat de babyhuid nog zo onervaren is, kun je je voorstellen dat het ook belangrijk is hoe je die aanraakt. Bij een zachte, liefdevolle aanraking geef je als het ware liefde door. Bovendien is het goed om het groeiproces van de baby op die manier te stimuleren. Met name via de huid zou ik zeggen, omdat de andere zintuigen nog niet zo zijn ontwikkeld. De huid is niet, zoals men vaak denkt een grens, maar een poort.’

Een extra beschermend laagje

Aanraken, masseren, knuffelen, het draagt allemaal bij aan een gezonde ontwikkeling, zoals ook kleertjes van natuurlijke stoffen zoals katoen of linnen. Maar ook op fysiek vlak is de huid meer open. Bij een baby bijvoorbeeld vindt de celdeling in de huid veel sneller plaats dan bij volwassenen en is de huid ook vijf keer zo dun. Die grotere interne activiteit maakt dit orgaan extra kwetsbaar, waarom ook wordt aangpraden het kleine kind met behulp van een olie of een zalf (op natuurlijke basis) een extra beschermend laagje te geven.

Door een olie of lotion op onze huid te smeren, gaan we (met behulp van de ingrediënten) als het ware een gesprek aan met onze huid. Dit heeft op verschillende niveaus effect. Om te beginnen zitten er in een olie of lotion werkzame stoffen, die door de huid worden omgezet en laag voor laag dieper het lichaam in worden getransporteerd.

Lange tijd werd gedacht dat dit slechts in beperkte mate gebeurde: de werkzame stof zou aan de oppervlakte van het lichaam blijven en alleen in de bovenste laag zijn werk doen. Maar daar is men van teruggekomen en binnen de geneeskunde wordt nu ook volop gebruik gemaakt van de mogelijkheden die de huid biedt als toegang naar andere delen van het lichaam.

Veel oliën of lotions doen hun werk specifiek in één van de drie huidlagen. Elke laag heeft namelijk zijn eigen functie. In de onderste, derde laag bijvoorbeeld waar het onderhuids bindweefsel zich bevindt, vinden de stofwisselingsprocessen plaats. Het is een soort vetmantel om je heen, die als stootkussentje fungeert en je beschermt tegen warmteverlies. Het is ook de laag waar je warmte in kunt genereren, bijvoorbeeld door een product te gebruiken waar rozemarijn in zit.

Volgens Arie Bos kunnen we ook nog op een ander niveau kijken naar het gebruik van oliën en lotions. ‘Als je serieus neemt dat de huid bij uitstek een waarnemend orgaan is, dan realiseer je je ook dat zij kan waarnemen wat voor stof bij hem naar binnen dringt en hoe zij daarop moet reageren. De huid is een communicatieorgaan dat die boodschap oppikt.’»
.
Tastzin: alle artikelen, onder nr.2

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

.

Dit is een ingekorte versie van het interview met Arie Bos in het Weleda Verloskundigen Forum najaar 2004 15

.

2049-1921

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Ritme (3-22)

.

Johannes Knijpenga, Jonas jrg.10, nr.11
.

MAANKRACHTEN
.

Er zijn in het leven verschillende ritmen, die meer of minder belangrijk zijn voor het begrip van onze levensloop en de hantering daarvan. Een daarvan is dat van de perioden van ongeveer 18 jaar en 7 maanden en 10 dagen. Dat wil dus zeggen, als men dichter bij 19 dan bij 18 jaar is, met 37, 56 en bijna 75 jaar. Dat zijn de zogenaamde maanknopen

Een klein beetje astronomie is nodig om het belangrijke van deze levensperioden te zien. We kennen allen de baan van de zon langs de hemel. Deze loopt van oost naar west en ligt in de zomer hoger boven de horizon dan in de winter. De maan volgt voor de oppervlakkige waarneming dezelfde baan, maar dat klopt niet helemaal. De baan van de maan maakt met de zonnebaan een hoek van 5°. De beide banen staan dus scheef op elkaar.

De baan van de maan ligt voor de helft onder de zonnebaan en voor de helft erboven. Waar de beide banen elkaar snijden, spreken we van een maan-knoop. Als de maanbaan boven de zonnebaan uit gaat stijgen, noemen we dat een opstijgende knoop (∧), terwijl we van een afdalende knoop spreken (∨) als de maan lager gaat staan dan de zonnebaan. De zon en de maan kunnen elkaar op deze punten ontmoeten (bij volle maan) en dan treedt een zonsverduistering op, maar dat is voor ons thema niet van belang. Wel van belang is dat door de ingewikkelde bewegingen van de maan en het feit dat de zon haar baan in een jaar doorloopt, terwijl de maan dat in een maand doet (ruim 29 dagen) en dan bovendien 12 maanmaanden 12 dagen korter zijn dan een zonnejaar, deze maanknopen iedere maand verschuiven en wel ongeveer 20° per jaar. Dat betekent dat de maanknopen zich na 18 jaar, 7 maanden, 10 dagen weer op dezelfde plaats bevinden. Zoals alles bij de hemelverschijnselen is dit ook niet precies en kan iedere keer iets verschillen 1).

Ongeveer 18 2/3 jaar dus na onze geboorte doet zich bij de stand van zon en maan dezelfde situatie voor als bij de geboorte zelf en zo dus ook telkens 18 2/3 jaar later. Dat betekent dus niet dat dat samenvalt met de maanknopen in de kosmos. Ieder mens heeft hier zijn eigen ritme. Het is een typisch voorbeeld van het vrij worden van het kosmische ritme. De kosmische wetten worden hier individueel. Wat betekenen deze maanknopen nu eigenlijk? Van belang is niet dat de zon en de maan elkaar daar ontmoeten, maar dat hun banen elkaar snijden. Want deze banen, die dus een zwak-elliptische cirkel om de aarde beschrijven, begrenzen daarmee een bepaalde sfeer. Men denke zich dat een ander mens voortdurend om ons heen loopt. Dat is dan de sfeer waarmee hij ons omhult. Zo kan men zich de zonnesfeer en de maansteer denken ten opzichte van de aarde (1)

De maan heeft te maken met het ontkiemen, maar ook met de geboorte. Legt men de gegevens van de geboorte vast, zoals veelal in de erfelijkheidsleer gebeurt, dan ontstaat er verstarring, het beeld dat wij kennen van de maan als dode slak. De zon daarentegen zorgt voor de groei, de verdere ontwikkeling naar de vrucht toe. Maar dit wil ook zeggen: naar de dood toe. Als deze laatste realiteit niet wordt gezien ontstaat vervluchtiging, onttrekken aan de werkelijkheid. We hebben zowel de maan- als de zonnekrachten beide in het leven nodig. Waar ze elkaar ontmoeten ontstaat een nieuwe kans van een nieuwe geboorte, een ontkiemen, dat tot groei en ontwikkeling kan worden, maar ook verstarring en dood zijn daar aanwezig. De dood wórdt kiem van nieuw leven of ze brengt verstarring.

Wanneer we nu dit ritme van 18 2/3 jaar in het mensenleven nagaan, blijkt daar telkens een crisispunt te liggen. Het is telkens de herhaling van de ge-boortesituatie. Deze geboortesituatie houdt in dat het geestelijke wezen van de mens zich gaat uitdrukken in de materie van het lichaam. Deze materie werkt ten dele mee en is ten dele weerbarstig. Voor de geest betekent dit aan de ene kant een nieuwe mogelijkheid, aan de andere kant de aanraking met de dood, want de materie draagt de dood in zich.

Bij de eerste maanknoop met 18 à 19 jaar, ontstaat vaak een crisis die gepaard gaat met een morele zelfveroordeling, die zelfs tot een vernietigingsdrang kan leiden, tot zelfmoord of de neiging ertoe. Het is ook de leeftijd waarop de liefde serieus gaat worden. De kalverliefdes van de puberteit zijn voorbij, de standvastigheid van de liefde voor het leven is er nog niet, maar wel de diepte van het beleven dat de echte liefde kenmerkt. Op de liefde voor het vaderland wordt op deze leeftijd niet tevergeefs een beroep gedaan. Dat dat ook in Nederland geldt bewezen deze leeftijdsgroepen in de Tweede Wereldoorlog.

De eerste maanknoop is ook het tijdstip voor de beroepskeuze. Het is verwerpelijk dat die keuze al vaak eerder moet worden gedaan door de vroege schoolverlaters en door diegenen die het slachtoffer zijn van de vroege specialisatie in het onderwijs. De eerste maanknoop is het juiste tijdstip omdat de herinnering aan onze geboorte-impuls (aan datgene wat we als geestwezen wilden vóór onze geboorte) tot leven komt, maar ook omdat op dat moment een nieuw ingrijpen van de geest mogelijk is, een werkelijke nieuwe geboorte, waarbij de geest de materie opnieuw grijpt. Het is als het ware een nieuwe incarnatie, waarbij het beroep belangrijk is omdat het beroep vanaf dat moment in belangrijke mate ons levenslot mede bepaalt.

Hiermee hangt ook samen de emancipatie van het ouderlijk huis, het verlaten van de geboortesfeer. De jonge mens, die te lang na dit tijdstip thuis blijft hangen of financieel van de ouders afhankelijk blijft, verburgerlijkt zeer snel of ontlaadt zijn onbehagen in agressie. Ouders zouden wegen moeten zoeken om hun kinderen te onderhouden voor de studie bijvoorbeeld, zonder dat ze zich afhankelijk voelen.
Creativiteit in kunstzinnig opzicht en in sociale vormen (organisaties stichten en leiden!) is voor de verdere levensontwikkeling nu van het allergrootste belang, want dan kan de geest zich als schepper beleven in de materiele wereld. Dat helpt voorkomen dat de materie de geest gaat overheersen (‘ik zal mezelf zo duur mogelijk trachten te verkopen’, uitzien naar een beroepsopleiding die een lucratieve baan lijkt te garanderen en andere dergelijke burgelijke deugden).

Op 37-jarige leeftijd ongeveer komt er een andere crisis. Dat kan bijvoorbeeld een beroepscrisis zijn. Die kan optreden als men vastgelopen is in het beroep maar ook juist als men carrière heeft gemaakt en dan ineens die afbreekt om iets anders te gaan doen. De afgelopen jaren waren zinvol, maar ze waren het. Als het lukt om binnen het eigen beroep een zinvolle vernieuwing aan te brengen, is men gered. Soms is wisselig van beroep de juiste oplossing.

Ook in het huwelijk treedt een crisis op. Vaak valt die ongeveer samen met het 12 1/2 jaar getrouwd zijn en dan verhevigt de crisis zich. De oplossing wordt gezocht in een nieuwe liefde, die het gevoel van herboren zijn geeft (voor een korte tijd). Nog een kind krijgen is vaak voor de vrouw een (schijn)oplossing. Helpen doet dit alles in werkelijkheid niet, want het komt erop aan in te zien dat een zekere vervulling is bereikt; het gaat niet meer vanzelf verder, men heeft de positie bereikt, die binnen eigen capaciteiten en de mogelijkheden van buitenaf ligt. En nu dreigt het sterven opnieuw, sterven in de berusting (‘het zal mijn tijd wel uitdienen’, ‘ik zit hier goed’) of het sterven in de illusie van de vlucht in een nieuwe relatie of situatie. Men kan immers zichzelf niet ontlopen, men neemt zichzelf mee, maar in de poging zichzelf te ontvluchten sterft men vaak in het jachtig zoeken naar iets nieuws, naar sensatie of in het dodende zitten voor de televisie, wat dan de naam krijgt dat men toch moet weten wat er in de wereld te koop is.

In het sociale leven raakt men in deze jaren vaak vervreemd van de kring waarin men leefde. Er ontstaan onprettige verhoudingen met vroeger vereerde ouderen, die niet zo vererenswaardig blijken te zijn. Voor de jongeren, die de kring binnentreden, is men de vorige generatie, enzovoort. Zelf ervaart men dit vaak als een grotere afstandelijkheid, een meer verobjectiveren van huwelijk en werk. Daar ligt dan ook de mogelijkheid van genezing. Want het is de periode waarin men zich opnieuw moet losmaken van het verworvene om een nieuwe geboorte door te maken, de geboorte van het Ik, dat nu werkelijk verantwoordelijkheid aandurft voor het vormen van het leven vanuit ideeën. Deze ideeën worden niet meer door het werk of de omgeving gegeven; men moet ze zelf vinden en uitwerken. Rudolf Steiner noemt dit de ontwikkeling van de bewustzijnsziel. Die komt niet vanzelf. Inzicht in de levensloop, gevolgd door de wil tot verantwoordelijkheid zijn hier de grondslagen voor een nieuwe geboorte, die over dood en vereenzaming en vervreemding heenvoert.

De derde maanknoop ligt in het 56e levensjaar, als men bijna 56 wordt. Deze knoop valt samen met de 8e en laatste van de z.g. 7-jaar-perioden. Misschien hangt het daarmee samen dat deze knoop bijzonder kritiek is. Het is de leeftijd waarop velen gaan aftellen hoeveel jaren hen nog scheiden van het pensioen; vaak heeft het werk teleurgesteld; men heeft niet de positie bereikt, die men had verlangd en waarop men recht meende te hebben; men is door jongeren gepasseerd. Zelf leeft men in de stemming dat de jongeren het toch niet kunnen en dat het ‘in onze jeugd’ toch wel beter ging; men had meer verantwoordelijkheidsbesef dan de huidige generatie, enzovoort. Voor vele vrouwen komt, tesamen met de menopause, het gevoel dat de zin van het leven voorbij is. Ze worden over-actief in zinloze orde of juist volkomen lethargisch.

Dit alles kan ook tot een ernstige gezondheidscrisis leiden. Voor de Eerste Wereldoorlog gingen veel mannen op deze leeftijd dood. Al deze dingen gelden voor de mens die zichzelf vooral als biologisch wezen beleeft. De dood wordt dan op deze leeftijd heel reëel. Wie sterker staat in het religieuze of wereldbeschouwelijke, voor zover deze beide spirituele krachten nog of weer werkzaam zijn, is zeker niet voor de beschreven verschijnselen gevrijwaard. Min of meer kent iedereen deze crisis. Maar men kan dan ook juist bij deze maanknoop een enorme vernieuwing ervaren, als men door deze dood heenkomt. Zelfs kan het gebeuren dat de crisis van 56 jaar de poort wordt waardoor men toegang vindt tot een spirituele levenshouding. En dat betekent dan dat men een nieuwe scheppingsperiode kan beleven.

Wat verworven is en gekund wordt, kan nu een verdieping ondergaan vanuit de vertrouwdheid met de dood. De tijd van het grootouder zijn begint, ook als men geen kinderen of kleinkinderen heeft. De grootouders zijn voor het kleine kind vererenswaardige wezens. Wie de nodige zelfkritiek bewaren kan, zal door deze verering niet minder worden maar zichzelf kunnen vinden aan wat kinderen in je zien. Dit is een algemene aanduiding die ook geldt voor wie geen grootvader of grootmoeder is in biologische zin. Degene, die op deze leeftijd overwint, wordt de werkelijke leidersfiguur als hij de mogelijkheid vindt aan jongeren hun plaats te geven. Ook in de gezondheid kunnen heel nieuwe levenskrachten optreden, als het ware minder aan de biologische levensprocessen gebonden.

Dit is een proces dat zich voortzet tot aan de volgende maanknoop met ongeveer 75 jaar. Hoewel niet ver meer daar vandaan past het de schrijver van dit artikel toch daarover te zwijgen, omdat eigen ervaring ontbreekt. Wel kan men zeggen dat de kans om te sterven zeer reëel wordt en dan wordt de nieuwe geboorte werkelijk nieuw: een geboorte van de geest, los van het lichaam. Zou men dat niet met een zekere vreugde tegemoet kunnen zien, als men heeft mogen beleven hoe de vorige maanknopen telkens een overwinning brachten, bij de eerste vaak nog door aanleg en natuur geschonken, bij de tweede reeds meer bewust veroverd, bij de derde alleen mogelijk in vol bewustzijn en door afstand te doen. Zou dan niet het afstand doen van dit aardeleven gemakkelijker vallen?

Wie deze overwinningen niet heeft mogen beleven, zal de laatste levensjaren als veel moeilijker ervaren als degene die in dankbaarheid op zijn leerproces mag terugzien, dankbaarheid tegenover de maankrachten, die ons met bepaalde kwaliteiten en moeilijkheden in het leven hielpen, dankbaarheid ook tegenover de zonnekrachten, die ons geholpen hebben crisissen te overwinnen en in positieve winst om te zetten, voor zover het ons gelukt is (2).

1) De geïnteresseerde lezer vindt meer hierover in: Elisabeth Mulder, Zon, maan en sterren, 2e druk, Uitg. Christofoor.
Zie verder: Rinke Visser, Astrosofie, Zeist 1979. Uitg. JonasBoek, Vrij Geesteleven.
2) Beknopt en niet zo expresselijk maar in ruimere samenhang vindt men de maanknopen ook beschreven bij Bernard Lievegoed, De levensloop van de mens, Uitg. Lemniscaat en
Diether Lauenstein, Wetmatigheden in de menselijke levensloop, Uitgeverij Christofoor.

.

Ritme: alle artikelen

Sterrenkunde: alle artikelen

.

2048-1920

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Het Kerstspel

.
De kop boven dit artikel had ook ‘Het Kerstspel en de puber‘ kunnen heten. Marcel Seelen, leraar te midden van pubers, kijkt naar het ‘trage’ Kerstspel en de snel levende puber. Past dit bij elkaar?

Marcel Seelen BC Broekhin, Roermond in . Lerarenbrieven 26-1
.

HET KERSTSPEL

Het is nog vroeg in de ochtend als we voor het lesbegin samen zingen in het klaslokaal. Het is nog november, het moet nog eerste Advent worden. Er zijn vier leraren en vier leerlingen, waarvan Elisa uit de zevende klas achter de piano zit om ons opvallend professioneel te begeleiden. We maken deel uit van de spelersgroep die het Kerstspel gaan opvoeren, op de dag voor dat de Kerstvakantie begint. Samen klinken onze stemmen, die vertellen over het de geboorte van het kind. Krachtig klinkt het:

Juicht nu juicht, zo arm als rijk!
ons is op deze dag
een kind geboren heugelijk…

Mijn hart stroomt vol van warmte. Wat een heerlijk begin van de dag, zo samen te zingen met de stralende kinderen erbij. In het voorgaande schooljaar was er hier in Roermond niets dan een zevende klas met kinderen in een uithoek van het gebouw, en hoe eenzaam was dat bij momenten. Nu zijn er dierbare collega’s en vormen we een heus vrijeschoolteam! Na een kwartier gaan we uit elkaar; gesterkt gaan we de lesdag tegemoet.

Rudolf Steiner

In Wenen studeerde Rudolf Steiner, 19 jaar oud, aan de Technische Hogeschool, waar hij in de winter van 1878 colleges volgde over de Duitse literatuur. De germanist Karl Julius Schröer vertelde er meeslepend over Goethe en Schiller. Steiner bracht vaak een bezoek bij hem aan huis, waar hij lange gesprekken voerde en boeken meekreeg die hij beslist lezen moest.

Op een van die avonden vertelde Schröer over een ontdekking die hij had gedaan. Hij was als man van zijn tijd – de 19e eeuw met haar interesse voor de Middeleeuwen – op het spoor gekomen van een oude traditie. Ooit waren er Duitse boeren geëmigreerd naar Pressburg in Hongarije, waar ze sinds eeuwen de Middeleeuwse spelen opvoerden, in een oud Duits dialect. Schröer vertaalde ze en ze gaf ze uit onder de titel: ‘Duitse Kerstspelen uit Hongarije’. Deze zogenaamde Oberuferse spelen gaf Schröer aan Steiner te lezen.

Tientallen jaren later, toen Steiner in Dornach (Zwitserland) een gebouw neerzette, het Goetheanum, om de antroposofie een dak boven het hoofd te bieden, werden deze spelen daar regelmatig opgevoerd. Vanaf het moment dat er overal ter wereld antroposofische instituten opbloeiden, zijn deze Kerstspelen een vast ritueel geworden en vinden er jaarlijks opvoeringen plaats. Ook op alle vrijescholen en nu voor het eerst bij ons, onder de bezielende regie van Julian.

Advent

De weken voor het Kerstfeest staan in het teken van Advent. We kennen het symbool, de groene krans met de vier rode kaarsen en de geur van dennenhout. De donkere winter, de brandende kaarsen, waarvan het aantal met elke zondag groeit, en zo naar vervulling verwijst. Voor wie er gevoelig voor is, verwijst het naar iets waar verwachtingsvol naar wordt uitgekeken. Het wordt omgeven met een zweem van mysterie.

Het woord Advent komt van adventus Domini, hetgeen betekent: ‘de komst van de Heer’ en het is een aansporing ons daarop voor te bereiden. Zodat Kerstmis meer is dan het vooruitzicht op het klassieke kerstdiner (‘Wat doen we met oma dit jaar?’) en de jaarlijkse skivakantie.

Deze groene krans met de vier rode kaarsen staat in elk vrijeschoollokaal. Elke maandag van de Adventstijd vieren we in de ochtend samen met de drie klassen Advent, door een half uur met alle leerlingen samen te luisteren naar musicerende kinderen uit de zevende klas. Op de laatste dag voor de kerstvakantie vindt dan de opvoering plaats van het Kerstspel, waarvoor we elke donderdagmiddag – vanaf de herfstvakantie – hebben gerepeteerd. Het oude Duits is ooit rond 1920 door Sanne Bruinier vertaald in een taal die nog het meest doet denken aan het Middelnederlands. Advent vindt dan zijn vervulling.

Een beeld

Wie het Kerstspel voor de eerste keer ziet, zal zich verbazen. De spelers op het toneel zijn wel vertrouwd: Jozef en Maria om de kribbe met een os, een ezel en een engel. Ook de vertrouwde herders verschijnen in al hun boersheid. Maar die rare taal, die mengelmoes van allerlei dialecten die je meent te herkennen, maar niet plaatsen kunt. Die eindeloze traagheid ook. Er zit geen enkele vaart in het spel. Alles goed en wel: hoezo voer je dit op voor pubers?

We willen als startende vrijeschool in Roermond de opgroeiende kinderen met de jaarlijkse opvoering van het Kerstspel vooral ook een beeld meegeven van de wortels van 2000 jaar beschaving: het Christendom. Daarbij gaat het dus niet om het voortzetten van een traditie in de geest van de Kerk als instituut.

Het gaat erom de kinderen te doordringen van het geboorteverhaal dat onze beschaving voorgoed heeft veranderd.

Voor een zappend kind op de bank dat van het ene programma naar het andere flitst, is het zien van een tergend traag Kerstspel beslist een beproeving. Klopt. Je’kunt zelfs de vraag opwerpen, zoals in menig vrijeschoolcollege ook gebeurt, of het nog wel van deze tijd is.

Op de vrijeschool in Amsterdam, het Geert Groote College, maakte ik vaak mee hoe tegenstribbelende leerlingen na jaren uiteindelijk in de eindexamenklas vrijwillig naar het Kerstspel kwamen kijken, zo dierbaar was het ze geworden.

Het roept dus weerstand op, maar opvoeding vindt niet plaats door kinderen met pleziertjes te paaien. Maar vanwaar toch die drive om ondanks alles die Kerstspelen jaarlijks op te voeren?

Een antwoord schuilt in het begrippenpaar Icefwereld/belevingswereld.

Leefwereld versus belevingswereld

De leefwereld van een puber steekt nogal af bij de grijze Jozef die voortsjokt en een maagdelijke Maria die hemels zingt. Met de uiterlijke wereld van dit Kerstpel heeft de puber inderdaad niets gemeen.

Maar de leefwereld heeft betrekking op de buitenkant, op de omringende wereld van de puber. Het lederen jack, de peuk, het glas bier, de i’pad, het vloeken en tieren – hoe valt dat alles te rijmen met wat je aan heiligheid op de planken zet in dat buitenissige taaltje?

De belevingswereld van een puber gaat over diens binnenkant. Dat is de wereld van zijn ziel, die hongert naar zingeving. Dat zijn hooggestemde woorden die iedere volwassene direct zal onderschrijven, die naar zijn puber kijkt, die zich diep van binnen afvraagt: waartoe dit alles, dit leven, deze pijn en eenzaamheid van het volwassen worden?

Het Kerstspel wil in statische beelden die binnenwereld voeden. Het is voedsel voor de ziel. Inderdaad, het is absoluut niet snel verteerbaar als een BigMac, maar het vraagt juist om gestaag herkauwen. Maar dan voedt het ook echt.

.

De Kerstspelen: alle artikelen

Rudolf Steiner over de Kerstspelen

.

2047-1919

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – sterrenkunde – de zon [3-5]

.

Willem Beekman, Jonas jrg. 9,no 25
.

DE ZON

‘Dir Seele des Weltalls, o Sonne’. Zo begint een lied van Mozart (KV 429). Hij prijst daarin de zon, de machtige. Aan haar danken we vruchtbaarheid, warmte en licht. Zonder haar kunnen we niet bestaan. Dat voelde Mozart zo. En met hem ontelbare andere dichters, schrijvers en filosofen. Hoe voelen we de zon nu, hoe zien we haar? Kunnen we nog een andere verhouding tot haar krijgen dan een gloeiende gasbol, waaromheen wat steenklompen draaien?

Ik geloof van wel en onderstaande bijdrage is een poging om fenomenen zichtbaar te maken, die kunnen helpen de zon beter te zien.

Daar is direct al iets merkwaardigs aan de hand. Kun je de zon eigenlijk wel zien? Soms doen we verwoede pogingen om erin te kijken en dat lukt zeer ten dele. Onze blik nadert de zon, maar blijft er niet dichtbij rusten want het licht verwondt, het maakt zelfs blind na lang staren. Even kunnen onze ogen langsflitsen om dan met een brandend gevoel achter te blijven. We voelen een soort druk van binnen, een enorme zwaarte achter het oog. Allemaal lichtplekken, kransen, flitsen, sidderingen vullen de lucht. Allerlei nabeelden, zelfs bij gesloten ogen. De zon heeft zich in ons afgedrukt, we zijn bijna geplet. Vreemd eigenlijk, dat licht zo verpletterend kan zijn. Maan en sterren werken niet zo op ons. We vinden het zelfs prettig om erin te kijken. Het geeft houvast en vertrouwen. De zon geeft dat ook, maar alleen als we er niet in kijken. Lekker vertrouwd in de zonbeschenen wereld. Hoe meer hoe beter, totdat we ons er helemaal aan overgeven als het te warm en te licht wordt.

’s Winters bij somber weer, is die wereld wat minder dichtbij. Dan kruipen we weg, soms in onszelf om daar houvast te vinden. Maar op zo’n heldere zomerdag kijken we zonnig rond, om vervolgens te ontdekken dat je overal naar kunt kijken behalve naar die lichtbron zelf. De zon is eigenlijk een uitsparing aan de hemel, een soort gat. Probeer maar eens om de zon te tekenen. Als je eerst de zonneschijf zwart maakt, of met een andere kleur opvult en daarna stralen gaat tekenen, gebeurt er niets. Het straalt niet. Andersom wel. Als je met de stralen begint en de zonneschuif op die manier uitspaart, dan ontstaat het stralende
effect. Ook in de tekening ga je uit van een gat, van een holle ruimte.

Er zijn weersomstandigheden waarbij de zon iets bijzonders laat zien. Het moet dan vochtig zijn in de lucht, soms iets nevelig. Je kijkt naar boven en ziet een halo. Heiligenschijn, lichtkrans heet het ook wel. Altijd op vaste afstand rondom de zon is dan een kleurcirkel zichtbaar, een lichtband. Daarin komen regenboogkleuren voor, maar veel fletser van toon en ook in andere tinten. Een gewone regenboog is het niet. Binnen die krans is het hemelsblauw dieper, anders van kleur dan erbuiten. Het is een prachtig gezicht, vooral als er nog extra glansplekken in de krans voorkomen, die zich een enkele keer zo groeperen, dat een kruis ontstaat. Zo’n Iers kruis, met een cirkel eromheen. Het beste kun je de halo zien, wanneer je met je vuist de zonneschuif afdekt. Het is namelijk iets heel teers, dat makkelijk door de felheid van het licht wordt toegedekt of door slordige waarneming niet wordt opgemerkt. De regenboog is krachtiger van kleur, veel tastbaarder zou je kunnen zeggen. Het verschijnen en weer verdwijnen is weliswaar ook zo’n teer gebeuren, maar de complete boog ‘staat’ aan de hemel. Voor iedereen opvallend zichtbaar. Het verschil met de halo is ook de afstand tot de zon. De regenboog staat tegenover de zon, aan de andere kant van de hemel. De vochtige lucht moet beschenen worden, terwijl de
zon omhullende halo doorschenen wordt. Ook de aarde om ons heen, de voorwerpen rondom ons, zien er anders uit, wanneer we de zon in de rug hebben of tegen de zon inkijken.

Probeer eens een aantal keren de volgende oefening te doen: Je gaat midden op een veld staan, met een wijd uitzicht over de omgeving en een ver verwijderde horizon. Overal zijn bomen, huisjes, akkers enzovoort. Wanneer je nu met de zon in de rug een eindje gaat lopen, dan is de wereld bijzonder goed zichtbaar. Je loopt er echt naar toe. De vormen en kleuren zijn helder en vertrouwd. De wolken zijn licht, de hemel is hemelsblauw.

Die wereld is gevuld, daar leef je prettig in.

Nu keer je je om (liefst snel) om dan tegen de zon in te lopen Alles is nu anders. De kleuren vervagen en alles gaat glanzen en spiegelen. Vormen zijn moeilijker te onderscheiden. Wolken lijken donkerder, somberder, dreigender. Het hemelsblauw is veranderd in een lichte melkachtige tint. Deze is leger, kaler. Door de glans verliezen de voorwerpen iets van zichzelf. Je loopt onzekerder, met minder vertrouwen. Als je dit enkele malen herhaalt, wordt het contrast steeds duidelijker. Het gaat overigens het best, wanneer de zon niet te hoog aan de hemel staat. Samenvattend ziet het beeld er zo uit:

– Van de zon af kijken, maakt de wereld duidelijker. De regenboog aan de hemel is krachtig.
– Naar de zon toe kijken maakt alles onduidelijker. De halo aan de hemel is heel teer.
Wederom zie je naar de zon toe bewegend steeds minder. De wereld lost op, het materiële-substantiële vervaagt.

De vraag komt nu op in hoeverre deze tendens doorgetrokken kan worden. Wat is er vlak rondom de zon aanwezig? Zien we iets niet dat er toch wel is? Het antwoord hierop wordt ons door de maan gegeven. Wanneer de zon en maan elkaar precies afdekken ten tijde van een zonsverduistering, dan komt de corona in het zicht. De zonschijf (in werkelijkheid dan de maanschijf) is een zwarte cirkel en daaromheen tekent zich een flauwe gloed af. Een soort zachte straling die zich naar alle kanten in de ruimte uitbreidt. Deze ‘kroon’ kun je normaal niet zien vanwege de overstraling, maar nu eventjes wel. Het is echt heel teer. Als een soort aura omgeeft het de zon. De corona wisselt van vorm afhankelijk van de toestand van de zon (er bestaat een relatie met storingen op de zon, die we zonnevlekken noemen). Deze zonneaura is buitengewoon groot en breidt zich zover in de ruimte uit, dat onze aarde er geheel in opgenomen is. Toch zien we haar niet. Een onzichtbare omhulling. Een beschermmantel wellicht.

In onze ziel kan dit verschijnsel ook optreden. En wel tijdens het overgangsgebied van zon en maan, daar waar de maan de zon een beetje gaat afdekken. Ik bedoel de zondagavond. Als de dag van de zon doorleefd is en wij hebben ons in onze ziel met spirituele inhouden beziggehouden, dan kan in de vooravond van de maandag een soort omhulling voelbaar worden. Een
beschermmantel, soms heel moeilijk voelbaar, en andere keren duidelijker, die een steun betekent om het werk te beginnen. Waar je ook naar terug kunt kijken als de week ten einde loopt. Een ‘corona’, een kroon die zich tot aan het einde van de week uitstrekt.

.

7e klas sterrenkunde: alle artikelen

7e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 7e klas

.

2046-1918

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Paradijsspel- regie-aanwijzingen (3-5)

.

In 1991 verscheen bij Rudolf Steiner Verlag in Dornach, Zwitserland,

WEIHNACHTSPIELE AUS ALTEM VOLKSTUM
DIE OBERUFERER SPIELE

KERSTSPELEN UIT DE OUDE VOLKSCULTUUR

DE SPELEN UIT OBERUFER

Meegedeeld door Karl Julius Schröer
Toneelscènes van Rudolf Steiner

Uitgave met daarbij regie-aanwijzingen volgens de enscenering in D0rnach.

Toen ik met dit spel in de jaren 1970 op de Haagse vrijeschool meespeelde, heb ik gedurende een aantal jaren allerlei aantekeningen gemaakt.
Vaak werd het spel geregisseerd door Noor Gerretsen. Haar ouders hadden het spel in het prille begin ook in Dornach gezien en vanuit een zekere herinnering volgde Noor allerlei  ‘oorspronkelijke’ regie-aanwijzingen. Een menigsverschil over het een of ander werd vaak beslecht met: ‘Ja, maar het is Angabe.’ Deze Angabe=aanwijzing=zou dan van Steiner zelf afkomstig zijn.

Nu de spelen ook al weer zo’n 100 jaar opgevoerd worden (vanaf 1915) – over de hele wereld – kan het niet anders of er doen zich veranderingen voor. Meestal geen grote, maar toch, die afwijken van wat hier gezegd wordt. Zolang deze het beeld niet verstoren of het juist ten goede komen, lijkt me dat geen probleem. 

Het kan bijna niet anders dan dat in zo’n lange tijd ‘toevallige vondsten’ een eigen leven zijn gaan leiden en ook in de ‘Angabe-sfeer’ terecht zijn gekomen.

De verklarende tekst in groen is die van het boek, in blauw van mij. De spreektekst is de gangbare tekst zoals die in Den Haag werd gebruikt. Wanneer nodig, afgekort met GT. De afkoring DH betekent: zo zag ik dat in Den Haag in de jaren 1970. Wanneer er sprake is van ‘rechts of links’ is dat steeds vanuit de zaal gezien.

HET PARADIJSSPEL UIT OBERUFER

Deel 1: vanaf het begin: lied nr. 1; boompjesdrager; engel; t/m lied 2
Deel 2:: na couplet 8 van lied nr.2 (Adam formeert hij): godvader schept Adam; lied nr.3 Adam erkent; schepping Eva; in het paradijs; lied 4: ‘Nu leefden se’.
Deel 3: Na lied nr 4: Al nae der slanghe wijze: duivel; lied nr. 5; Eva verleidt Adam; lied nr. 6: ‘Sy gaf oock’
Deel 4: de spot van de duivel over de verleiding; Adam en Eva worden door Godvader ter verantwoording geroepen; lied 7 ‘Toen joegh’; de engel Gabriël krijgt de opdracht ze uit het Paradijs te verdrijven. Lied 8 ‘Soo joech’, tot de duivel opkomt.
Dit deel (5) duivel met ketting, bestraffing door Godvader; nawoord engel en beëindiging van het spel.

Na de verdrijving uit het Paradijs is de toneelsituatie zo:

Adam en Eva wandelen langzaam links op het toneel; Godvader zit op zijn troon; duivel achter de boom. Engel zit. Boompjesdrager staat rechts vooraan.

Duivel komt op:
In DH rammelend met een ketting. Volgens wijlen Willem Bruning, destijds muziekleraar in Den Haag, komt de duivel springend, a.h.w. ‘golvend op.
In Dornach was hij al een keer met de ketting opgekomen (3-4) en die lag voor op het toneel. Er staat nergens dat hij die weer meeneemt en er opnieuw mee opkomt; ook is er geen melding van dat hij de ketting opraapt. Er staat alleen: de duivel (Schwarzengel! = zwarte engel) komt op en spreekt, dicht aan de rand van het toneel, fixeert het publiek:

Duyvel spreeckt:

GT:  lck heb die beyden sluw bedroghen.
se uyt het paradys geloghen:
maer nu wilc sien waer ickse oan vinden
omse met myn kettingh tsaem te binden.

Hij gaat op Adam en Eva af en legt de ketting op hun schouders, trekt hem samen en trekt ze beiden, terwijl ze zich hevig verzetten, voor de troon van God

DH: Hij gaat op Adam en Eva af en draait de ketting rond hun middel, waarbij Adam ongezien het begin van de ketting vasthoudt. Duivel komt met beide uiteinden van de ketting schuin rechts achter Adam en Eva te staan en begint te trekken, richting troon. 

Bij ‘Heer rechter’ steekt duivel zijn arm rechts omhoog (dus zijn eigen linker arm) en schreeuwt, terwijl hij aan de ketting rukt, maar ook Adem en Eva soms wat naar voren duwt. Adam en Eva reageren op deze bewegingen.
Dornach: hij trekt aan de ketting. Adam en Eva laten zich als zakken schudden, zakken door de knieën en beven als espenblad.

Heer rechter, heer rechter, eeuwiche schand
over Adam en Eva in kettingh en band.
lek weet ghy en scheltse de schuld niet kwyt.
sy sullen syn vermaeledyt.
In sondighe wereldt gestooten voor goet,
so my treffelyck gevallen doet.
Te daghe en te nacht sallic mit haer syn,
daer jammer is ende groote pyn.

Hij blaast heftig, voor en achter/idem

Daer blaes ick van agter en veuren int vuur;
In myn helle hebbense rust noch duur.
Ick poock er de vlammen vlytigh aen
datse mit my sweeten tsaem
en sullen eeuwelyc daer branden.

Zijn stem is gaandeweg schreeuweriger geworden met als hoogtepunt:

Niemand en rukte z’ uyt mynen handen!
D: trekt de kettingeinden weer bij elkaar en wil Adam en Eva meenemen

Godvader gaat energiek staan en wijst gebiedend naar de duivel/idem, met strenge (lage) stem:

God de Heer spreeckt:

GT: Pack u wegh satan, ghy helle hond!
D: duivel laat de ketting vallen, Adam en Eva luisteren nieuwsgierig met grote belangstelling. De duivel sluipt naar de boom en naast de troon van Godvader bij de woorden

welck schandelyck woordt quam uyt u mondt.
Stof ende aerde sy voortaen u spys,

In Den Haag heeft de duivel de ketting nog steeds vast, al trekt hij daar niet meer aan. Bij ‘op uw buyck’ laat de duivel de ketting los en valt plat voorover.

en tegen der creaturen wys,
wyl ghy dit quaade hebt gedaen,
sult ghe op u buyck al’ daghen gaen.

Siet hoe is Adam thans soo ryck,
geworden eenen god geiyck,
D: Adam en Eva kijken elkaar aan, ook bij de volgende woorden

daer hy het goed en quaadt beseft,
wanneer hy syne handen heft
D: hij houdt de ketting omhoog
DH: hij houdt zijn armen en handen omhoog. Dit zou een soort Grieks gebaar zijn, i.t.t. het christelijke gebaar waarbij de handen gevouwen zouden worden. Geen verdere info.

en leeve in alle eeuwicheidt.

Een kleine pauze. De duivel gaat weer staan. De kompany formeert zich met de boompjesdrager voorop, als ze het toneel verlaten; op het toneel is de volgorde: engel, Godvader, de duivel, Adam met de ketting en Eva achteraan.

DH: op het toneel: engel, Godvader, Eva, Adam, met ketting, en de duivel.
De plaats van Eva verschilt aanzienlijk. De uitleg is dat Eva na de zondeval als vrouwelijk element dichter bij God blijft. De man wordt dieper in de zondeval gestoten. Ook bij de appel gebeurt er pas wat als Adam erin bijt.

Kompany singht afgaende:

Lied 10:

O heilighe drievuldicheydt,
o goddelyck regiment,
aen doot, duyvel en oock de hel
quam nu voor goet een end.
Ghy hebt het eeuwich leven
ons allen weergegheven.
Nu syt gepresen alsoo seer!
die ons’ gedachten kent, de heer,
syn rijck wil hy ons gheven.

Dornach: de kompany is weer voor het toneel aangekomen en gaat zitten. De engel geeft het zwaard aan Godvader *, daarna gaat hij het toneel op. De boompjesdrager staat weer midden voor het toneel.
DH: kompany komt weer op toneel (links) en vormt een boog van links naar rechts, de engel komt naar voren:

Engel spreeckt:

Achtbaere, seer vroede goetgunstige heeren,
Hier is weer het groeten 3x: midden, rechts, links/DH groet 1x

oock deugtsame vrouwen ende jonckvrouwen in alle eere, idem/idem

wilt altegaer niet euvel duyden
dat wy ons spel vertoonden voor uluyden,

vriendelijk
van hoe god al dingen heyt gemaeckt
mitgaeder de menschen bloot ende naekt;
die schiep hy deur ’t goddelyck raetsbesluyt
nae syn gelyckenis, uyt eene aerdenkluyt
en gafse ‘t paradys tot woon,
den hof van Eeden alsoo schoon.
Maor de slangh mit haore listigheyt
heeft Adam ende Eva verleyd
datse overtraden gods gebod
en aten dat god verboden hadt.
So synse gecomen in angst ende noot,
ten leste geslaeghen mit eeuwiche doot,

dit zeer benadrukken
tot den barmhert’ gen god syn Soon liet nederdaelen
die veur ons menschen deed losgeld betaelen.
‘k Bid soo wy quamen veuls te cort
’t ons niet en aengerekend wordt.
Maar alles dat wy schuldich bleven
onze onkunde mach syn toegeschreven:
hiermee elckeen het alder best betracht’
soo wenschen me van god almachtich ‘n goede nacht.

Engel maakt nog 3x een diepe buiging. De boompjesdrager, met het boompje voor zich, doet deze mee. Ze gaan nu allen op het toneel, volgorde: engel (is daar al) Godvader, boompjesdrager, Adam, Eva, duivel; staand in rij maken zij nog een diepee buiging en gaan achter op het toneel weg.
Na ’n goede nacht’ zeggend ‘ buigt de kompany en loopt op het laatste lied, dit herhalend, door de zaaldeur van de hoofdingang de zaal uit.

*dit suggereert dat de engel tot nu toe het zwaard steeds heeft gedragen. Iik heb geen concrete aanwijzing waar het zwaard in DH bleef; ik dacht dat de engel het na gebruik aan Godvader teruggeeft die het op zijn beurt aan de duivel geeft die het weer achter de boom plaatst. 

einde

Deel 1: vanaf het begin: lied nr. 1; boompjesdrager; engel; t/m lied 2
Deel 2:: na couplet 8 van lied nr.2 (Adam formeert hij): godvader schept Adam; lied nr.3 Adam erkent; schepping Eva; in het paradijs; lied 4: ‘Nu leefden se’.
Deel 3: Na lied nr 4: Al nae der slanghe wijze: duivel; lied nr. 5; Eva verleidt Adam; lied nr. 6: ‘Sy gaf oock’
Deel 4: de spot van de duivel over de verleiding; Adam en Eva worden door Godvader ter verantwoording geroepen; lied 7 ‘Toen joegh’; de engel Gabriël krijgt de opdracht ze uit het Paradijs te verdrijven. Lied 8 ‘Soo joech’, tot de duivel opkomt.
Dit deel (5) duivel met ketting, bestraffing door Godvader; nawoord engel en beëindging van het spel.

.

Verdere aanwijzingen voor het paradijsspel bij:

Kerstspelenalle artikelen

.

2045-1917

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsfasen – 0 – 7

.

Weleda Puur Kind, herfst 2005, nr.16
.

Kijken is een leerproces

Hoe leren we zien? Waarom kijken kinderen graag naar primaire kleuren en aan welke visuele indrukken hebben zij behoefte bij hun ontwikkeling? Mirre Bots sprak met oogarts Wim Huige en kinderarts Edmond Schoorel.

‘Ogen zijn de spiegels van de ziel. Bij kinderen is dat bij uitstek te zien. Door hele grote kijkers kijken ze vol verwondering de wereld in. Hun ogen lijken zo groot omdat de pupillen veel groter zijn dan die van bijvoorbeeld bejaarde mensen,’ legt oogarts Wim Huige uit.
‘Door het leven getekend en met eelt op zijn ziel laat de oude mens zich niet meer goed in zijn ogen kijken, terwijl kinderen nog vol bewondering de wereld in zich opnemen en ze voor de meeste mensen een open boek zijn. Het verschil in
pupilgrootte is een normaal, fysiologisch gegeven.’

De wereld leren ontmoeten

Wim Huige: ‘Een ander prachtig cadeau van de natuur is dat kinderen bij de geboorte een lenssterkte van +3 tot +5 hebben. In de loop van de eerste zeven tot acht jaar vermindert deze sterkte van de lens, om rond nul uit te komen. Willen kinderen vanaf het begin al goed te kunnen zien, dan moeten ze zich dus inspannen om die lenssterkte van +3 tot +5 te overbruggen. Dat doen ze door te accommoderen, oftewel het leren focussen van het beeld. Dit is een aangeboren, natuurlijk proces. Het is tegelijkertijd een leerproces om vertrouwd te raken met hun eigen lijfje en de wereld om hen heen.’
Tot ongeveer het zevende jaar rijpt de oogzenuw uit. Het gezichtsvermogen kan hierna eigenlijk niet meer worden verbeterd. Vanaf nu gaan kinderen diepte zien en kunnen ze in het verkeer gaan inschatten hoe ver een auto van hen vandaan is. ‘Daarvóór kun je ze wel een helmpje opzetten, maar dat helpt hen niet in het leren anticiperen op de omgeving.’

Een hang naar echt

Het oog is bij uitstek het orgaan om de wereld mee te ontmoeten. Huige: ‘Het begint al bij een baby die vol overgave aan de borst ligt. Elke moeder kent dat wel, dat haar baby haar dan zo intens kan aankijken. De moeder kijkt liefdevol terug. Die liefde van de moeder is de prikkel om te kijken. Het kind wil met zijn oog de wereld om hem heen leren kennen. Daarbij kan het de eerste jaren vanwege die oogsterkte nog niet zo goed differentiëren. In eerste instantie heeft het kind een natuurlijke hang naar gewone, echte dingen als een manier om de wereld te leren herkennen. Daarom kijken kinderen graag naar primaire kleuren. Rood is rood en groen is groen.’

Kinderarts Edmond Schoorel vult aan: ‘Via zijn ogen kan een kind ervaren hoe de werkelijkheid eruit ziet. Een glazen vaas die op een harde grond kapot valt, spat in duizend stukjes uiteen. Dat zegt dus iets over glas. Maar een kind ziet alleen die dingen min of meer bewust waar hij de begrippen van kent. Als een kind bijvoorbeeld iets dat rond is een bal gaat noemen, heeft het een begrip geleerd. Naarmate de hoeveelheid begrippen ruimer wordt, gaat het kind meer zien. Een prullenbak van gevlochten riet leert een kind wat riet is en wat gevlochten is. Ons oog is erop ingericht dat je met het begrip riet en gevlochten naar buiten gaat en dat vervolgens ziet.’

Steeds dezelfde plaat

Ouders zouden hun kinderen niet te veel visuele prikkels moeten aanbieden, vindt Schoorel. ‘Een kind zit het liefst rustig op schoot om zich heen te kijken. In een kamer of tuin valt al genoeg te zien, daar hoef je nog niet allerlei prikkels aan toe te voegen. Als je met je kind zomer en winter hetzelfde rondje loopt, wordt het voor jou misschien saai, maar hij ziet dezelfde wereld steeds in een andere verschijningsvorm: met sneeuw, groene blaadjes of kale takken. Hij kijkt zijn ogen uit. Ook op zijn kamertje is één bepaalde plaat aan de muur genoeg. Je hoeft daar niet steeds iets anders leuks of flitsends op te hangen. Steeds dezelfde plaat zien geeft het kind juist het gevoel “hier hoor ik”, “hier ben ik veilig”. En dat heeft een kind weer nodig om vanuit een veilige haven de wereld te kunnen gaan ontdekken.’»

RODE EN ONTSTOKEN OOGJES

Kleine kinderen lopen gemakkelijk rode of ontstoken oogjes op. Ze zitten veel bij en aan elkaar en zijn bevattelijk voor allerlei virussen die de slijmvliezen prikkelen. Toch zijn die rode oogjes meestal onschuldig. Dat kun je zien aan het oogwit: als dat wit blijft, kun je de klachten zelf verlichten door een kompres met kamillethee of ogentroost.[1] Ook kun je de oogjes met een watje gedrenkt in gekookt water schoonwrijven. Wrijf wel naar de neus toe. Als het lang duurt of echt om een ontsteking gaat (te zien aan het oogwit dat ook rood wordt), dan is een bezoekje aan de dokter raadzaam.

Heeft een baby vanaf de geboorte regelmatig pus in zijn oogjes, dan kan het een verstopt traanbuisje zijn. Hiervan gaat 95 procent vóór het eerste jaar spontaan open en dan is een ingreep om het te verhelpen niet nodig. Wat ouders kunnen doen om het opengaan te bevorderen, is vier tot zes keer per dag, bijvoorbeeld tijdens de voeding, de traankanaaltjes masseren door met de wijsvinger zachtjes vanaf de ooghoek langs de neus naar beneden te wrijven.

Dit is geen commerciële blog. De firma Weleda maakt hier niet zelf reclame: dat doe ik uit een soort dankbaarheid dat deze middelen bestaan. Ik heb van vele de weldadige werking ondervonden: bij mijzelf, bij onze kinderen en bij kinderen in mijn klas, bij bv. builen en wondjes. Vandaar onderstaand bericht:

Geprikkelde oogjes? Ogentroost helpt!

Weleda: gezondheidsproduct voor de ogen: ogentroost oogdruppels. Het is speciaal ontwikkeld voor kinderen en volwassenen met geprikkelde, rode en tranende ogen.

Ogentroost oogdruppels bestaat uit een extract van verse ogentroost (Euphrasia officinalis) in een isotone zoutoplossing. Door toevoeging van de natuurlijke zouten kaliumnitraat en natriumboraat is de samenstelling van de oogdruppels gelijk aan die van de lichaamseigen vloeistoffen. Daarnaast bevatten de druppels natuurlijk boorzuur, dat de pH-waarde dichtbij die van natuurlijke tranen brengt (rond 7,4). Zo ontstaat een zuiver natuurlijk product dat verlicht, verzorgt en verzacht bij geprikkelde, rode en tranende ogen.

Met de hand plukken

In de Weleda-tuin in Wetzgau, Zuid-Duitsland, staat de kleine ogentroost tussen grassen en kruiden en ‘kijkt’ zij met haar geel-paarse bloemetjes blij de wereld in. Haar bloeiende stengels bevatten ontstekings- en bacteriënremmende stoffen die samentrekken en verzachten. Deze zijn met name werkzaam op de tere huid rond de ogen en op de slijmvliezen. In juli gaan de tuinmedewerkers van Weleda het veld in om de bloeiende stengels met de hand te plukken, waarna nog dezelfde dag collega’s van de productieafdeling de verse planten reinigen en versnijden. Om de heilzame stoffen uit de plant te ‘trekken’, voegen ze deze toe aan een mengsel van water en alcohol. Na twee weken is een extract ontstaan. Dit extract helpt, verwerkt in Ogentroost oogdruppels, geprikkelde en vermoeide ogen verzachten en verzorgen. Uit een onderzoek onder 112 kinderen in de leeftijd van 0 tot 16 jaar blijkt dat de oogdruppels bij 98 procent rode, tranende, brandende en dichte ogen binnen zes dagen verhelpt.* Bovendien worden ze goed verdragen.

Weleda Ogentroost

ontwikkelingsfasenalle artikelen

menskunde en pedagogiealle artikelen

opvoedingsvragenalle artikelen

.

2044-1916

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Paradijsspel- regie-aanwijzingen (3-4)

.

In 1991 verscheen bij Rudolf Steiner Verlag in Dornach, Zwitserland,

WEIHNACHTSPIELE AUS ALTEM VOLKSTUM
DIE OBERUFERER SPIELE

KERSTSPELEN UIT DE OUDE VOLKSCULTUUR

DE SPELEN UIT OBERUFER

Meegedeeld door Karl Julius Schröer
Toneelscènes van Rudolf Steiner

Uitgave met daarbij regie-aanwijzingen volgens de enscenering in D0rnach.

Toen ik met dit spel in de jaren 1970 op de Haagse vrijeschool meespeelde, heb ik gedurende een aantal jaren allerlei aantekeningen gemaakt.
Vaak werd het spel geregisseerd door Noor Gerretsen. Haar ouders hadden het spel in het prille begin ook in Dornach gezien en vanuit een zekere herinnering volgde Noor allerlei  ‘oorspronkelijke’ regie-aanwijzingen. Een menigsverschil over het een of ander werd vaak beslecht met: ‘Ja, maar het is Angabe.’ Deze Angabe=aanwijzing=zou dan van Steiner zelf afkomstig zijn.

Nu de spelen ook al weer zo’n 100 jaar opgevoerd worden (vanaf 1915) – over de hele wereld – kan het niet anders of er doen zich veranderingen voor. Meestal geen grote, maar toch, die afwijken van wat hier gezegd wordt. Zolang deze het beeld niet verstoren of het juist ten goede komen, lijkt me dat geen probleem. 

Het kan bijna niet anders dan dat in zo’n lange tijd ‘toevallige vondsten’ een eigen leven zijn gaan leiden en ook in de ‘Angabesfeer’ terecht zijn gekomen.

De verklarende tekst in groen is die van het boek, in blauw van mij. De spreektekst is de gangbare tekst zoals die in Den Haag werd gebruikt. Wanneer nodig, afgekort met GT. De afkoring DH betekent: zo zag ik dat in Den Haag in de jaren 1970. Wanneer er sprake is van ‘rechts of links’ is dat steeds vanuit de zaal gezien.

HET PARADIJSSPEL UIT OBERUFER

Deel 1: vanaf het begin: lied nr. 1; boompjesdrager; engel; t/m lied 2
Deel 2:: na couplet 8 van lied nr.2 (Adam formeert hij): godvader schept Adam; lied nr.3 Adam erkent; schepping Eva; in het paradijs; lied 4: ‘Nu leefden se’.
Deel 3: Na lied nr 4: Al nae der slanghe wijze: duivel; lied nr. 5; Eva verleidt Adam; lied nr. 6: ‘Sy gaf oock’
Dit deel (4): de spot van de duivel over de verleiding; Adam en Eva worden door Godvader ter verantwoording geroepen; lied 7 ‘Toen joegh’; de engel Gabriël krijgt de opdracht ze uit het Paradijs te verdrijven. Lied 8 ‘Soo joech’, tot de duivel opkomt.

De situatie na lied 6, 2e couplet ‘Sy gaf oock’:

DH: De Haagse muziekleraar Willem Bruning was van mening dat de duivel – die 3x verschijnt, de 2e keer, dus hier – opkomt in een soort hoekige vorm (zigzag)

Dornach: hier werd een ommegang gemaakt over het toneel, Adam en Eva blijven bij de boom. De duivel komt op met een ketting. Dat gebeurde in DH niet, daar kwam de duivel pas in zijn laatste optreden met de ketting.

Duyvel spreeckt:

Dornach: hij komt door het midden naar voren, werpt de ketting terzijde en op de rand van het toneel kijkt hij strak naar het publiek, wijzend op zichzelf

lck ben de duyvel van de echtelie’n
aldaer wort ick soo menichmael gesien.
Zet zijn handen in zijn zij en kijkt overtuigd

k Blaas haerluy int oor: waerom al’daghen
sichselven en malkander plaaghen?

De man can sich opknoopen,
maakt gebaar van een touw om de nek

de vrouw int water loopen
hij geeft een verstikking aan; e.e.a. komt overeen met DH. hier loopt de duivel al kleiner wordend vooruit alsof hij steeds dieper in het water loopt en rilt e.d.

dan synse van al haer plaaghen af,
by myn hebbense in de hell’ haer graf.
Adam en Eva heb ick oock bedroghen,
hebse listichlyck iet voorgelooghen,
datse overtraden gods gebodt
en aten dat god verboden hat.
‘t Is regt, ‘t is regt, sulcke fruyt
en gheef ick niet om een duyt;

D en DH: vals listig, en al naar achter lopend en omkijkend naar het publiek

hadden Adam en Eva pruymedanten genoomen,
‘t waerse duysent mael beter becomen!

Duivel weer achter boom/idem.
Alleen Dornach: hij pakt het zwaard en geeft dit aan God. Die staat opzij van de troon.
DH: God neemt plaats op de troon.

Adam komt met Eva hand in hand in gedrukte stemming van achter de boom naar voren. Adam en Eva komen langzaam wandelend links van de boom wat naar voren.

Adam spreeckt:

Ach, myn gemoet is gansch verwandelt!
O vrouw, seer qualyck heb ik gehandeld
Eva schrikt

deur dien ick volleghde u raet.
Het bloote swaert nu voor my staet;
DH: duivel staat met zwaard omhoog achter Adam, ook al staat er in de tekst ‘voor’ – het zou om een visioen gaan.

D: heft de handen en kijkt naar zichzelf; Eva kijkt verbaasd naar hem
ick sien my naekend en oock bloot,
o Eva, onse sonde is also groot.

Hij pakt Eva bij de schouder en wil met haar naar de boom – (die in Dornach veel meer naar links op het toneel staat.) DH: weer naar links van de boom terug. Ze moeten de indruk wekken te willen vluchten; dan roept God 

God de Heer spreeckt:

God staat opzij van de troon/DH: hij zit

Waer syt ghy Adam, coomt tot my.

Adam spreeckt:

D: Adam heeft zich angstig achter de boom verstopt en antwoordt aarzelend, bedeesd. Hij komt schoorvoetend aangelopen

Hier ben ick heer,
lek schaem my voor u ooghen seer.

God de Heer spreeckt:

Wat schaemt ghy u?

Adam spreeckt:

Omdat ik at
Wat ghy, o heer, verboden hadt.

God de Heer spreeckt:

En waent ghy Adam, durft ghy hopen
dat ghy u straffe sult ontloopen.
of dat ghy u vergryp niet boet?
wie gaf u, Adam, d’euvelen moet?

D: Adam komt tevoorschijn, bevend.

Adam spreeckt:

Adam wel schuldbewust, maar ook wel enigszins opgelucht:

Och heer, ick sweer u by myn trou,
Eva, die ghy my gaeft tot vrouw,
die gaf my van den boom te eten:
ick en hadde my waerlyck niet vermeten.
Een schoonen appel pluckte sy
en beet er in, – ick stond er by –
soo overtradt sy u gebodt
en met coomt ghy daer aen, heer god.

God de Heer spreeckt:

Waer is de vrouw die sulckx misdeed?

Adam wijst naar Eva die bij de boom staat/idem

Adam spreeckt:

Ginds by dien boom, heer, dattic weet.

Eva die zich nog meer verstoppen wil, wordt nu door Adam gehaald, haar naar voren ‘duwend’, terwijl zij hevig tegenstribbelt en begint te huilen.

God de Heer spreeckt:

GT (tot Eva) Wat is dit dat ghy hebt gedaen?

Eva spreeckt:

Snikkend

De boose slangh, heer, dreef my aen
met haer bedrogh, soolang tot dat
‘k van de verboden vrughten at.
Heer, voortaan doenme wat ghy seght.
Dornach heedt hier een ontkennende zin, waarbij Eva ‘nee’ schudt.

Ze loopt links naar voren, vóór Adam langs en komt links van hem te staan

Godt de Heer spreeckt:

Waer syt ghy Gabriël myn knegt?
Dornach: Eva huilt en Adam kijkt dom, verbaasd. De engel staat op. Engel loopt naar troon

Coomt haestelyck hier opdat ghy hoort
myn goddelycken wil en woordt:
Engel loopt naar troon en gaat links staan 

Adam en Eva sult ghy heden
verjaghen uyt den hof van Eden.
Op ‘Eden’ geeft de duivel het zwaard aan God

Dryft met myn blinkend swaert hen uyt,
de poort, die ick voor eeuwich sluyt.
Hij geeft het zwaard aan Gabriël.

Dornach: lied nr. 7 wordt 2x achter elkaar gezongen. Engel, God en duivel maken een ommegang over het toneel, Adam en Eva blijven staan en zingen niet mee. De engel houdt het zwaard schuin omhoog.

DH: de spelers blijven tijdens het zingen van lied 7 (1x) op hun plaats; de engel heeft het zwaard niet omhoog, maar voor zich staand, punt even boven de vloer.

Kompany singht:

Toen joegh de engel Gabriël
hen uyten hof nae gods bevel.
Ja, alles wat leeft god eere gheeft.

Engel spreeckt:

Dornach: de engel spreekt tot het publiek met opgeheven zwaard:

DH: zwaard nog naar beneden

lck heb ontfangen een gebodt
al van den allerhoochsten god
dat ick Adam en Eva heden
verjaghe uyten hof van Eden.

GT De engel buigt met het swaert tot Adam en Eva

DH: het zwaard is nog iets schuin omhoog

Soo gaet dan henen voor altyt,
Adem en Eva buigen hoofd

bebouwt het veldt met noeste vlyt!
int zweet uws aanschyns eet u broot kleine pauze

De engel draait het zwaard van links schuin omhoog een kwartslag naar voren en loopt krachtig op Adam en Eva af, het zwaard vanuit het polsgewricht bewegend:
A.h.w. vanuiit de draai een prikkende beweging.

Adam
Hij kijkt op/hij hoort het geschrokken aan en wist het zweet van ziojn voorhoofd

– en kleine paueze Eva  idem, zwaard met zwaai boven het hoofd [ik denk A/B] zij kijkt op

ghy met noot

draegt uwe kinders ondert harte,
slag in de richting van Eva

vermenichvuldigt sy u smarte.
Engel neemt het zwaard terug:

Eva spreeckt:

Snikkend/stap naar voren, met armen omhoog in wanhoop, maar niet pathetisch

Wee ons, die arme vrouwen
moetent om my berouwen!

Wendt zich tot Adam

alsnu tmoet syn, soo sullenme ‘t waaghen
ons immer nae gods leer gedraaghen
en bidden dat hy ons behoed.

Adam spreeckt:

Coomt maer by my, myn Eva soet!
Adam legt een arm om Eva’s schouder/idem en leidt haar wat opzij/idem

Heel innig:
Myn god, wanneer roept ghy ons wéér?
och, laet ons niet lang wachten, heer!

Engel spreeckt:

Soo gaet en uyt den hove treet;
De  engel zet weer een ferme pas naar voren en brengt het zwaard horizontaal (E)

in de aanwijzing staat dat het zwaard tot die tijd zo schuin naar de grond wees en nu omhoog komt,

DH: met het naar voren gerichte zwaard loopt de engel rimisch schrijdend op de woorden naar links en drijft Adam en Eva weg die eveneens ritmisch schuin naar voren lopen, maar niet te ver, want de duivel moet er nog omheen kunnen.

tot ick u langsaem wederkeeren heet.

De engel neemt het zwaard terug en zet dit voor zich met de punt naar beneden:

Eva spreeckt:

lek bid, heer god, verlaet my niet nae desen.

Engel spreeckt:

Eva, wilt sonder twyfel wesen!
u man volght nae, sorght voor u kind daerneven,
Soo sal god u de sonden àl vergheven.

Nu schreidt de engel met afwerend gestrekt zwaard langzaam naar voren, God en de duivel sluiten aan en lopen over het toneel, zingen het couplet  van lied 82x , Adam en Eva blijven staan, zingend. DH: allen blijven op dezelfde plaats, Godvader is gaan staan, engel: zwaard naar beneden. Couplet 1x.

Kompany singht:

lied 8

Soo joegh de engel Gabriël
hen uyten hof nae gods bevel.
Ja, alles wat leeft god eere gheeft.

DH:Daarna engel terug naar bank; Adam en Eva wandelen wat naar links.Godvader gaat weer zitten; Na de ommegang gaat Godvader weer op de troon zitten. De duivel komt naar voren.

Duyvel spreeckt:

zie 3-5 nog niet oproepbaar.

Deel 1: vanaf het begin: lied nr. 1; boompjesdrager; engel; t/m lied 2
Deel 2:: na couplet 8 van lied nr.2 (Adam formeert hij): godvader schept Adam; lied nr.3 Adam erkent; schepping Eva; in het paradijs; lied 4: ‘Nu leefden se’.
Deel 3: Na lied nr 4: Al nae der slanghe wijze: duivel; lied nr. 5; Eva verleidt Adam; lied nr. 6: ‘Sy gaf oock’
Dit deel (4): de spot van de duivel over de verleiding; Adam en Eva worden door Godvader ter verantwoording geroepen; lied 7 ‘Toen joegh’; de engel Gabriël krijgt de opdracht ze uit het Paradijs te verdrijven. Lied 8 ‘Soo joech’, tot de duivel opkomt.

.

Verdere aanwijzingen voor het paradijsspel bij:

Kerstspelenalle artikelen

.

2043-1915

.

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Paradijsspel- regie-aanwijzingen (3-3)

.

In 1991 verscheen bij Rudolf Steiner Verlag in Dornach, Zwitserland,

WEIHNACHTSPIELE AUS ALTEM VOLKSTUM
DIE OBERUFERER SPIELE

KERSTSPELEN UIT DE OUDE VOLKSCULTUUR

DE SPELEN UIT OBERUFER

Meegedeeld door Karl Julius Schröer
Toneelscènes van Rudolf Steiner

Uitgave met daarbij regie-aanwijzingen volgens de enscenering in D0rnach.

Toen ik met dit spel in de jaren 1970 op de Haagse vrijeschool meespeelde, heb ik gedurende een aantal jaren allerlei aantekeningen gemaakt.
Vaak werd het spel geregisseerd door Noor Gerretsen. Haar ouders hadden het spel in het prille begin ook in Dornach gezien en vanuit een zekere herinnering volgde Noor allerlei  ‘oorspronkelijke’ regie-aanwijzingen. Een menigsverschil over het een of ander werd vaak beslecht met: ‘Ja, maar het is Angabe.’ Deze Angabe=aanwijzing=zou dan van Steiner zelf afkomstig zijn.

Nu de spelen ook al weer zo’n 100 jaar opgevoerd worden (vanaf 1915) – over de hele wereld – kan het niet anders of er doen zich veranderingen voor. Meestal geen grote, maar toch, die afwijken van wat hier gezegd wordt. Zolang deze het beeld niet verstoren of het juist ten goede komen, lijkt me dat geen probleem. 

Het kan bijna niet anders dan dat in zo’n lange tijd ‘toevallige vondsten’ een eigen leven zijn gaan leiden en ook in de ‘Angabesfeer’ terecht zijn gekomen.

De verklarende tekst in groen is die van het boek, in blauw van mij. De spreektekst is de gangbare tekst zoals die in Den Haag werd gebruikt. Wanneer nodig, afgekort met GT. De afkoring DH betekent: zo zag ik dat in Den Haag in de jaren 1970. Wanneer er sprake is van ‘rechts of links’ is dat steeds vanuit de zaal gezien.

HET PARADIJSSPEL UIT OBERUFER

Deel 1: vanaf het begin: lied nr. 1; boompjesdrager; engel; t/m lied 2
Deel 2:: na couplet 8 van lied nr.2 (Adam formeert hij): godvader schept Adam; lied nr.3 Adam erkent; schepping Eva; in het paradijs; lied 4: ‘Nu leefden se’.
Dit deel (3)Na lied nr 4: Al nae der slanghe wijze: duivel; lied nr. 5; Eva verleidt Adam; lied nr. 6: ‘Sy gaf oock’

Vanaf na lied 4 de verleidingsscène met de duivel tot aan Adam ‘Ach myn gemoet’

Na het laatste couplet van lied 4 – de 3 coupletten werden op het toneel gelopen, is de opstelling zo:

Dornach: na het 3e couplet gaan god en de engel naar hun plaats, de duivel helemaal naar voren. Adam en Eva wandelen hand in hand door het paradijs en laten elkaar de mooie vruchten en bomen zien.

DH. de duivel staat na het 3e couplet weer achter de boom, maar komt naar voren; Adam en Eva: zie Dornach

Duivel:
Kijkt voortdurend fel naar het publiek.
DH: De Haagse muziekleraar Willem Bruning was van mening dat de duivel – die 3x verschijnt, de 1e keer, dus hier – opkomt in een soort S-vorm.

Duyvel spreeckt:

lek come in het paradys
geslopen al nae der slanghe wys.
God schiep temet een menschenpaer,
hy cierde het soo wonderbaer
en settet in syn schoon plantsoen:

sluw:
maar ick sal sien of ‘k se daer uyt can doen
Dies coom ick in het paradys
en maek datse eten van de spys.
Hoe, sullense alle vrughten smaeken,
en aen die ééne boom niet raeken?

Duivel benadert Adam en Eva links en iets achter hen

In Dornach plukt de duivel hier geen appel, in DH wél

Adam, proeft van het sap soo ryck,
soo wort ghy aen u god gelyck.

Dornach en DH: Adam weert het verschrikt af

Ghy, rozige Eva, neemt gerust
dees appel, eet nae hartelust
en gheeft ervan aen Adam oock.

Idem Eva weer het af

God en de engel gaan staan; duivel weer achter boom
De kompany zingt. Dornach: Adam en Eva niet

Kompany singht:

Lied 5:

Toen pluckte sy den appel af
en Eva dien te eten gaf.
Ja, alles wat leeft
god eere gheeft.

Idem: Eva staat in gedachten verzonken naar de boom te kijken; dan richt ze zich tot Adam:

Eva spreeckt:

Eva spreekt zo vloeiend als maar kan, wat sanguinisch; ze constateert voor haar vreemde feiten.

Siet hier Adam, ick ben u vrouw
en ghy myn man. lek bid, beschouw
die schoonste daer van alle boomen
daervan ick gheen vrught noyt heb genoomen.
Het lust my, voort er van te eten.

Zij gaat naar de boom. Adam probeert haar met alle kracht tegen te houden. Ondertussen heeft de duivel aan de andere kant een appel geplukt en geeft deze op een listige manier aan Eva. Adam laat zijn afkeer blijken, Zij kijkt een ogenblik naar de appel, dan bijt ze er met graagte in, DH idem

Adam, wilt ghy de waarheidt weten,
dit is de allerbeste spys.

klopt op haar buik, heeft de appel in de linkerhand en biedt deze aan Adam aan; idem: die kijkt verschrikt

Hier, neemt hem aen en proeft ereis
idem: Adam weert af

als ghy my mint.
Adam strijkt over haar wang idem en knikt

Het is een lust
dit sap te smaeken. Eet gerust!

idem Adam kijkt lang twijfelend naar de appel die Eva aanbiedt

Adam spreeckt:

Soo het aen my lag, syde ick neen,
soo ick eet, isset om u alleen.

Adam bijt in de appel. Op hetzelfde ogenblik wordt de tot nog toe vriendelijk-heldere belichting donker. Adam laat de appel vallen – ook – smijt hem weg en zijn gezichtsuitdrukking toont dat er een heel bijzondere werking vanuit gaat. Hij houdt zijn maag vast. Eva kijkt verbaasd toe:
DH:zelfde, geen aanwijzing voor maagaanraking: op het ogenblik dast Adeam bijt, springt de duivel op.

Adam byt in den appel en smyt hem wegh

Ach, hoe dat ‘t myn gemoet verwandelt….

De kompany gaat in Dornach over het toneel; in DH blijft deze staan.

Kompany singht:

1. Sy gaf oock haeren man met haer,
geopend wird hem ‘t ooghenpaer.
Ja, alles wat leeft
god eere gheeft.

DH: tijdens 2e couplet gaan Adam en Eva achter de boom (tussen de bomen)

2. Sy aten en in de eigen stond
wierd heel de waerelt met verwond.
Ja, alles wat leeft
god eere gheeft.

.
Deel 1: vanaf het begin: lied nr. 1; boompjesdrager; engel; t/m lied 2
Deel 2: na couplet 8 van lied nr.2 (Adam formeert hij): godvader schept Adam; lied nr.3 (Adam erkent); schepping Eva; in het paradijs; lied 4: ‘(Nu leefden se’.)
Dit deel (3)Na lied nr 4: ‘Al nae der slanghe wijze’: duivel; lied nr. 5; Eva verleidt Adam; lied nr. 6: ‘Sy gaf oock’

Vervolg Paradijsspel nog niet oproepbaar

.

Verdere aanwijzingen voor het paradijsspel bij:

Kerstspelenalle artikelen

.

2042-1914

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sint-Maarten – het lichtje

.
Over de symboliek van de lantaarn

Het dichtst bij de symboliek van de ‘lichtjesdrager’ – het Ik van de mens – staat voor het fysieke, aardse lichaam: de koolraap.

In het spraakgebruik ook wel ‘knol’ genoemd, maar niet te verwarren met de knolraap. 

Kijk hier voor het exacte verschil.

In aanmerking komt ook de suikerbiet, een selderijknol, als het om het benadrukken van het aardse element gaat.

Voor peuters en kleuters die als wezentje nog niet zó aards zijn, wordt wel gekozen voor de pompoen of de rode winterpeen, zelfs een rode biet, als er maar een lichtje in past.

Vanaf klas 1 gaat het echt om de ‘knol’.

Wanneer de oudere kinderen niet meer mee willen lopen, kunnen zij juist uitgedaagd worden een kunstwerk te leveren door een knol of een pompoen te bewerken die dan bijv. in school of buiten kan staan om het Sint-Maartensfeest sfeervol-kunstzinnig op te luisteren. 

St.-Maarten 26

Het versieren, dus wegsnijden van de materie zodat het licht naar buiten kan stralen, is een wezenlijk onderdeel: hoe mooi en kunstzinnig kun je dat.

Het is net als met eieren beschilderen: je hebt beginners en gevorderden.

Het is al geslaagd als je je licht kan laten schijnen!

Op deze blog staan verschillende artikelen over Sint-Maarten waarin over het lantaarntje gesproken wordt.
Ik heb hier de voornaamste conclusies nog eens op een rij gezet:

Een knol of grote winterpeen wordt uit­gehold. Van deze vrucht, tot wasdom geko­men in de donkere aarde, wordt de buiten­kant, de huid of schil, bewerkt zodat de uit­gesneden zon, maan en sterren transparant oplichten door het licht van het kaarsje dat er binnenin is geplaatst.
Sint-Maarten [1]

Een kaarsje in een uit­geholde koolraap of peen werpt de fi­guurtjes die daarin zijn uitgesneden flakkerend in het rond.
Sint-Maarten [2]

De oudere kinderen lepelen zorgzaam een voeder­biet uit of een koolraap. Mooie sterfi­guren worden erin uitgesneden, en het lichtje daarbinnen maakt die harde knol ineens doorschijnend en stralend, zodat je er steeds weer naar kijken moet. Als het op 11 november waaierig en regenachtig weer is, dan beleef je het sintmaartensfeest het beste. Want dan kost het de meesten moeite om dat kleine lichtje in je lantaren brandende te houden!
Sint-Maarten [3]

Het beeld van de uitgeholde voederbiet met een lichtje erin sluit aan bij de stemming en kwaliteit van de novembertijd. Diep verborgen in de aarde, in de kern van een biet, wordt gewezen op een teer licht dat voorzichtig behoed moet worden waar een kiemachtige verwachting van uitgaat.
Sint-Maarten [4]

Het kleine lichtje, vei­lig beschermd door de knol als symbool van de aarde, is een eerste voorverkondiging van het licht dat met Kerst wordt geboren. Vroeger hingen de boeren op elf november een uitgeholde knol met een kaarslichtje erin aan de staldeur, als teken dat het werk op het land klaar was. Het graan was binnen, de slacht gedaan en het winterkoren was gezaaid. Op elf november moest de boer klaar zijn met de aarde. Hij had de vruchten ervan ge­nomen (het uithollen van de knol); het licht­je in de knol wilde zeggen dat de tijd was aangebroken om in de donkere maanden het licht niet langer buiten je te zoeken, maar in het eigen innerlijk.
Sint-Maarten [6]

Maar die er zijn, zijn een bewijs voor een veelheid aan opgespaard zonlicht en warmte, veilig opgeborgen onder de geelgroene schil. Wat doen we ermee? In de tijd van verinnerlijking, als we allemaal de mantel nog eens ste­vig om de schouders slaan, om warm te blijven, zoeken we ruimte om ons eigen innerlijke licht, onze innerlijke warmte te doen ontwikkelen en te koesteren, opdat we als het moment daar is, met een ander kunnen delen. Waar anders kunnen we dat beter doen dan in een koolraap, waarvan de schil zelf al dienst doet als mantel, als om­hulsel voor opgespaarde warmte. We halen het zonlicht er uit, door hem uit te hollen en stoppen ons lichtje erin. Bij het uithollen hebben we er rekening mee ge­houden, dat het licht door de schil heen naar buiten kan stralen, zodat anderen ons kunnen zien en er van mee genieten. We zijn als ‘t ware een lichtend voorbeeld. Daarom lopen we er, al zingende, mee rond en kloppen op iedere deur.
Sint-Maarten [8]

Het meest karakteristieke van de oude maartensgebruiken is het uithollen van een koolraap, een suikerbiet of een hoornse wor­tel. Hierin wordt een brandende kaars of lichtje geplaatst en daarmee wordt, onder het zingen van vele liederen, ’s avonds een ommegang gehouden.
Sint-Maarten [9]

Op het feest van Sint-Maarten lopen de kinderen met hun zelfgemaakte lichtjes langs de deur. Knollen en wortels, die in de duisternis van de aarde zijn ge­groeid, worden hiervoor uitgehold en in het buitenste laagje van de wand worden zon, maan en sterren, de lichtdragers aan de hemel, uitgesneden.
Sint-Maarten [10]

Dan komt aan het begin van de winter ons  St.-Maartensfeest: knollen en wortelen wor­den uitgehold om er lantarens van te maken. Met een lichtje erin zie je pas goed, hoe ook in deze aardvruchten het zonlicht verborgen zit. Dit is ons eerste kleine lichtje aan het begin van de wintertijd. Met onze lantarens lopen we buiten in regen en storm, zingend van St.-Maarten.
Sint-Maarten [14]

Is het niet zo, dat we pas echt de vreugde leren kennen,  die het warme licht­schijnsel geeft door de doffe, massieve wand van de kool heen, wanneer we zelf de moeite en beproevingen hebben doorstaan bij het uithollen van de vrucht tot maartenslampje?
Sint-Maarten [15]

Zowel de grote verering, als ook de oude volksrijmen en gebruiken op Sint-Maarten zijn erg uitgebreid. Het meest karakteristieke van de oude maartensgebruiken zijn het uithollen van koolrapen, suikerbiet of wortel.
Sint-Maarten [16]

De kinderen brengen lichtjes in donkere, duistere gewassen, zoals koolraap, winterpeen en suikerbiet en gaan daarmee zingend door de straten:
Sint-Maarten [17]

Met Sint-Maarten holden we de mooiste goudgele uit, net zoals een koolraap met een scherp mesje en een lepel. Natuurlijk is het beeld van de knol uit de grond als lichtje juister dan van de pompoen, die boven de grond groeit, maar ik denk dat je zulke dingen best naast elkaar kunt hanteren.
Toen ik een paar mensen onder de optocht tegen elkaar daarover hoorde kibbelen, leek me dat nog allerminst de bedoeling! ‘O, een pompoen, dat kan niet, hoor!’ De ander geschokt: ‘Waarom niet?’  ‘Hij komt toch niet uit het donker van de aarde?’ De ander (inmiddels hersteld): ‘Nee, hij toont de zonnekracht, ook goed?’
Sint-Maarten [18]

De donkere uitgeholde koolrapen of winterpenen worden van binnenuit verlicht door een vonk van het vuur, dat eens uit de hemel kwam om ons mensen warmte en licht te brengen. Maar het vlammetje kan alleen blijven leven als er een opening is naar boven toe, naar het rijk van de sterren.
Sint-Maarten [19]

Ook dit jaar* zullen op 11 november de knollen weer uitgehold worden. We halen er het vruchtvlees uit, dat gerijpt werd door de zomerzon en plaatsen er ons lichtje in, ons eigen zielenlicht. Dit ritueel heeft zoveel waarde als je beseft hoe wezenlijk dit lichtje is.
Als de kinderen in de optocht door de straten lopen, merken ze hoe moeilijk het kan zijn om je lichtje brandende te houden. Vaak waait het, soms regent het, soms ook loop je te hard. Het beste is om dicht bij elkaar te lopen om licht en warmte bij ons te kunnen houden.
Sint-Maarten [22]

.

Sint-Maarten: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Sint-Maarten     jaartafel

.
2041-1913

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de dierkunde (15) – over de mieren

.

GERBERT GROHMANN

            ‘LEESBOEK VOOR DE DIERKUNDE’

blz. 116                                                                                                   hoofdstuk 15

Over de mieren

Allereerst gaan we het hebben over het leven van de zwart-bruine bosmieren. Die heeft iedereen weleens gezien. Hun woning is een grote mierenhoop, die het volk van dennen- of sparrennaalden, stukjes hout en steentjes zelf verzameld heeft. Wanneer het zonnig en warm weer is, zie je de bewoners gehaast naar binnen en naar buiten gaan. Schijnbaar doelloos lopen ze druk heen en weer en rennen kriskras door elkaar. ’s Nachts echter en bij niet zo’n lekker weer, blijven de ingangen gesloten. Die hebben de mieren dichtgemaakt; maar wie kan nu weten, wat daarbinnen in die vele kamertjes gebeurt.
De opgeworpen heuvel is zeer zeker niet de hele mierenbehuizing. Die gaat onder de grond verder en je zou kunnen zeggen, dat maar de helft boven de grond uitkomt. De andere helft is in de aarde uitgegraven. Daardoor kunnen de mieren én de vochtigheid én de warmte daarvan binnen regelen, d.w.z. ze kunnen het broedsel steeds daarheen brengen, waar het het beste is. Mieren zijn namelijk heel ijverige, zorgzame en trouwe verzorgers van het broedsel.
Bij iedere mierenhoop hoort ook een jachtterrein. Wanneer bewoners van andere volken daarin komen, worden ze meteen herkend aan een andere nestgeur, aangevallen en opgevreten. Zo vijandig kunnen de ijverige mieren zich tegen huns gelijken gedragen! Er zijn zelfs roofzuchtige soorten die regelrechte rooftochten naar andere volken ondernemen!
Om het heen en weer snellen ongehinderd en snel te kunnen laten verlopen, worden de weggetjes vanaf het nest naar de jachtterreinen als regel heel bijzonder aangelegd. Het zijn de mierenstraten. Je kan zien dat ze geëffend zijn en de hindernissen zijn opgeruimd. Zelfs plantjes mogen er niet groeien. Wat een komen en gaan op warme zomerdagen! Vele werksters komen zwaar beladen terug, maar geen enkele gunt zich rust. Hoe ze in de weer zijn en maar slepen, deze daadkrachtige mieren! Is het voor één mier te zwaar, dan helpen andere mee. Wat een leven waarbij ieder alleen maar door de drang bezield is, werk te verrichten, om het even wie het doet!
Dat is de gewoonte bij het mierenvolk en alleen zo kunnen de vele wonderlijke dingen uitgevoerd worden.
Maar wat doen ze daar dan, wat voeren ze in die wijde wereld uit, de kriebel- en krabbelaars? Ze moeten voor zichzelf en voor het broedsel voedsel buit maken en wegslepen. Daarbij is hun geen weg te zwaar, geen boom een bezwaar. Ze hebben scherpe klauwtjes aan hun sterke pootjes! Wat hun voedsel betreft, zijn ze niet kieskeurig, als ze de prooi maar kunnen overmeesteren. Ze houden heel erg van zoetigheid en ze stellen geen vragen waar dat vandaan komt. En om te snoepen dringen ze zelfs de huizen van de mensen binnen.
De bosmieren houden het bij de bladluizen die een zoet sap afscheiden; ze betasten en betrommelen die met hun voelsprieten om zo de afscheiding te stimuleren.
De rode tuinmieren slepen zelfs zulke bladluizen in hun woning en geven ze daar ook in de winter onderdak, In de zomer worden ze dan weer naar buiten gebracht, maar alleen als het zonnig en warm is. Bij slecht weer moeten ze binnen blijven.
Maar er zijn genoeg snoepers die op hun beurt achter de mieren aanzitten. Zo’n gevaarlijke vreetzak is de specht die heel erg in de mierenwoningen huis kan houden. Andere ijverige mierenvreters zijn de zwaluwen, roodstaarten en vele vogels die insecten eten, verder libellen, hagedissen, kikkers en padden. Wanneer je echter bedenkt dat het volk van een mierenhoop uit honderdduizenden mieren kan bestaan, hoef je je niet al te veel zorgen te maken om hun voortbestaan. Anders had de natuur wellicht de mierenvreters hun 
niet dat voedsel toebedeeld.
Wanneer mieren gestoord worden of geïrriteerd raken, dan verweren ze zich dapper. Veel soorten hebben een gifangel, andere daarentegen, zoals de bosmieren, spuiten vanuit een klier aan het achterlijf dat weliswaar kruidig ruikende, maar etsende gif, het mierenzuur en delen tegelijkertijd aan de tegenstander met hun kaken beten uit. Het achterlijf heeft namelijk zo’n spitse punt dat die makkelijk naar voren gedraaid kan worden. Daardoor raakt het gif de bijtwond. Wie op de heuvel van de bosmieren slaat, kan de straal ook op z’n vlakke hand laten spuiten en dan kun je het sterke zuur ruiken. En wie een bijzonder goede neus heeft, zou de plaatsen in het bos, waar veel mieren rondkruipen, eveneens aan hun vluchtige geur kunnen herkennen. Maar, om net als de mieren aan de geur te kunnen ruiken bij welk volk het hoort, is wellicht voor een mens te veel gevraagd.
Voor het bos echter, is het van het allergrootste belang, dat er mieren huizen, niet alleen maar omdat ze zoveel ongedierte opvreten, maar omdat de fijne mierengeur, de allerfijnste, bomen, struiken, maar ook kruiden stimuleert gezond te groeien. Ja, het bos heeft sterk behoefte aan mieren en hun geur maakt het sterk. Hoe zou het zijn als het bos beroofd zou worden van zijn mieren!

Mieren zijn ook bezig als tuinlieden, natuurlijk zonder dat ze dit willen. Ze slepen in hun huizen de zaadjes van de ereprijs, van het zwartkoren, van het viooltje, de dovenetel en zelfs van het sneeuwklokje, omdat er voedselrijke deeltjes aan zitten. Wat ze niet kunnen verteren, brengen ze weer naar buiten. De zaadjes echter, hebben er niet het minste nadeel van ondervonden en kiemen waar ze gevallen zijn. Zo vind je dus vaak plantjes die door de mieren zelf op hun paden zijn gezaaid en wij kunnen niet verklaren wie dat daar heeft gedaan. Zelfs de tuinlieden niet.
Op een mooie zomerdag valt er over het mierenvolk grote opwinding en onrust. Alles rent in het bouwwerk door elkaar heen en aan de oppervlakte komen massa’s gevleugelde mieren tevoorschijn, waarvan niemand van tevoren wist dat die er überhaupt waren, want ze zijn pas net uit het poppenomhulsel gekropen. Het zijn de mannelijke mieren van het volk en bovendien een paar koninginnen. Die hebben niet alleen vleugels, maar zijn ook groter dan de werksters. Weldra gaat de hele zwerm de lucht in en als een wolk draaien ze om de bomen en nog hoger. Dat is de bruidsvlucht van het mierenvolk. Dan voeren de volken geen oorlog, ze gaan in elkaar op en vermengen zich met elkaar. Dat wil de ziel van de mieren, want op deze dag gelden andere wetten.
Wanneer de zwerm moe is van de vlucht, de enige in zijn leven, valt die naar de aarde terug. Dan is het korte leven van de mannetjes al klaar en ze sterven. Je kan ze overal in massa’s zien liggen en voor vele mierenvreters is het een goede dag. Bij de koninginnen breken alleen de vleugels af en nu gaat het erom in het bouwwerk onder de aarde ijverig eieren te leggen, als het mogelijk is jarenlang. Werksters wachten er al op, een koningin beet te pakken en naar huis te dragen. Zelden gebeurt het dat er een jonge koningin in een nest terecht komt, waar ze zelf uitkomt. Zo kunnen de volken dus vermengd raken en die koninginnen die nog geen volk hebben, moeten met de eerste werksters die uit de eieren komen, er een stichten. Maar ook vele koninginnen gaan ten gronde.
De bruidsvlucht was de bloeitijd van het mierenvolk. Nu begint het rennen en slepen weer, verzorgen en schoonhouden, het alledaagse leven.
De koningin woont natuurlijk in een bijzondere kamer in het huis waar veel doolhoven, holletjes en tunnels zijn. Omdat ze maar één opdracht heeft – het leggen van eieren voor het hele volk – want werksters zijn de onvruchtbare vrouwtjes – moet ze verzorgd worden, schoongehouden, ja zelfs gevoerd worden. Omdat met de tijd de eierenvoorraad groter wordt, zwelt haar achterlijf dik op en dat maakt dat ze moeilijk kan bewegen. Maar het lijkt erop dat alle werksters weten, hoe belangrijk haar werk voor het volk is.
De eieren worden meteen bij de koningin weggehaald en weggedragen naar een plek waar ze optimaal kunnen groeien. Ze worden weliswaar niet uitgebroed, maar de mierenhoop heeft binnen een temperatuur die 10 tot 15 graden hoger is dan de buitentemperatuur. Waarschijnlijk wordt die veroorzaakt door broeiende planten, want mieren zelf zijn koudbloedige dieren. Ja, dat is toch wel een geheim, dat de hele mierenhoop bijna een soort warmte heeft als bloed.
Wanneer dan uiteindelijk de witte, bloedloze maden uit het ei komen, moet er pas echt voor ze gezorgd worden. De werksters voeren ze vanuit hun eigen bek, zoals duiven hun jongen te eten geven, wrijven ze ijverig schoon en dragen ze weg naar een plek waar ze qua vochtigheid en warmte het best gedijen. Om het broedsel te kunnen voeden, moeten de werksters natuurlijk zelf eerst ontelbaar veel rupsen en kevers, vliegen, pissebedden en larven doodmaken>
Op zekere dag komt aan de vreetlust van de larven een eind en wanneer elk zich omwikkeld heeft met een cocon, begint de rust van de poppen. Maar de zorg van de werksters mag nog niet stoppen.
Opnieuw betekent dit de poppen naar de juiste plaats te brengen waar ze zich het beste verder kunnen ontwikkelen. Meestal worden deze poppen miereneieren genoemd, hoewel ze allang geen ei meer zijn. 
Bij het uit het ei komen, moeten de werksters weer helpen, We zien dus, dat zij, ook al kunnen ze geen eieren leggen, erg veel moeten presteren voor het voortbestaan van het volk. De hulp bij het uitkomen is de laatste.
In de winter staat het leven van het mierenvolk volledig stil. Het volk bevindt zich in verstarde rust en alleen de zonnewarmte van de lente wekt ze daaruit. Weldra is het oude leven dan weer op gang en alles wordt al weer in gereedheid gebracht voor een nieuwe bruidsvlucht.

Overal ter wereld zijn mieren en in bijna alle klimaten. Hun leven, doen en laten, kan daar nog veel wonderbaarlijker zijn dan bij ons. En ze werpen beslist niet overal hopen op. Vele leven simpelweg in aardspleten en onder stenen, andere benutten holtes in boomstammen of bouwen nesten van papier. Zoveel variatie is er mogelijk.
Maar ook anderszins is er nogal veel merkwaardigs.
Onder bepaalde soorten komen werksters voor met bijzonder grote en harde koppen. Zij nemen de taak van de poortwachters over en kunnen de ingang tot het bouwwerk zo versperren dat alleen nog de gevaarlijke kaken naar buiten steken.
Bij andere volken bestaan er bijzondere ‘soldaten’, die groter, sterker en weerbaarder zijn dan de gewone werksters.
Wanneer ze een rooftocht houden, gaan zij snel voor het volk uit, overvallen de buit en maken die kleiner, zodat de werksters die naar huis kunnen brengen.
Bij de Amerkaanse honingpotmier moeten een aantal werksters zich voor iets bijzonders opofferen. Ze worden nl. als levende honingpotten gebruikt. In bijzondere kamertjes hangen ze aan het plafond bij elkaar en worden ze rijkelijk met honing en zoet sap gevoerd. Omdat er maar een klein deel van het voedsel dat naar binnen is gegaan, verteerd kan worden, wordt het meeste opgeslagen in het achterlijf, dat mettertijd opzwelt tot een blaas zo groot als een erwt. In tijden van nood kan daar een heel volk van leven. Dan moeten de ‘honingpotten’ hun voorraad weer afgeven. Dat er voorraden opgeslagen worden, kan ook steeds wel bij andere mierensoorten voorkomen, zoals bij de oogstmieren, die graan verzamelen – maar dat werksters ook als voorraadkamer moeten dienen, is toch wel heel merkwaardig.
Sommige roofmieren breken in bij woningen van vreemde volken om hun larven te stelen, maar niet om die op te vreten, maar om ze naar huis te slepen en daar te gebruiken voor de dienstverlening, zodra ze uitgekomen zijn. Gewillig en ijverig wordt door de slaven het werk gedaan: schoonmaken van de gangen, het broedsel reinigen en de verzorging daarvan.
Sommige mierensoorten zijn zo zeer aangewezen op deze vreemde hulp, dat ze zonder, zouden moeten verhongeren, omdat ze dan niet meer zouden kunnen vreten. Het voedsel moet hun in de mond gestopt worden.
Bij de onderzoekers is het al lang bekend, dat vele mieren in hun bouwsels bepaalde insectensoorten niet alleen dulden, maar ze er ook graag bij hebben en hen toestaan het meegebrachte voedsel uit de bek te laten halen. Op hun beurt scheiden deze gasten wel weer een zoet sap uit, dat door de mieren maar al te graag als een toetje opgeslurpt wordt. Zo krijgen de mieren het voor elkaar een soort genotmiddel te verkrijgen.
Maar hiermee heb je het met de wonderen van de mieren nog niet gehad. Sommige volken houden namelijk, zoals je misschien vergelijkswijze mag zeggen, er een soort tuinbouw op na. Dat zijn de Zuid-Amerikaanse bladsnijdermieren. Met hun kaken bijten ze stukjes van een blad af en maken dat thuis heel klein tot een soort weke brij. Daarmee leggen de mieren perken aan die vrijwel meteen door paddenstoelenkiemen bezaaid worden. De paddenstoel lijkt op een schimmel, maar brengt kleine, voedselrijke knopjes tevoorschijn die voor de mieren een heel welkome spijs betekent.
Er zit zoveel wijsheid in de leefgewoonten van deze nietige mieren, waar de mier op zich toch heel zeker niet het allerminst van kan denken en weten. En toch weet iedere mier precies wat hij moet doen.
Nog wonderbaarlijker dan alles wat tot nog toe beschreven is, zijn de nesten van de wevermieren. Deze mieren gebruiken hun eigen larven als weefgetouw en tegelijkertijd als schietspoel. Het thuisland van deze bijzondere soorten is het eiland Sri Lanka. De woning wordt gevormd door bladeren, die nog aan de boom bij elkaar gebogen worden. Door een fijn, zijdeachtig weefsel wordt alles verbonden. Om de bladeren dan bij elkaar te krijgen, moeten heel veel mieren samenwerken. Naar gelang hoe ver het naar het volgende blad is, moeten verschillende rijen over elkaar heen klimmen. De bovenste mieren houden zich met de pootjes aan de onderste vast. Dan gaat het samentrekken van de bladeren met rukjes zoals in de maat.
Om de bladeren uiteindelijk met elkaar te kunnen verbinden, hebben andere mieren al larven gebracht die net wilden beginnen met het spinnen van een cocon. Omdat ze heel grote spinklieren hebben, kunnen ze nu door de mieren gebruikt worden als weefgetouw en schietklos. Eerst worden ze tegen de rand van een blad gedrukt om daar de draad vast te lijmen, die wordt naar het andere blas getrokken en daar vastgemaakt. Zo gaat het heen en weer, tot de draad een dicht vlechtwerk vormt. 
Het nest dat klaar is, dat zo uit vele verbonden bladeren bestaat, is drie centmeter groot. De onderzoekers die het zagen ontstaan, waren natuurlijk zeer verbaasd dat hier een mier haar eigen larven zo gebruikt, zoals werd beschreven en er bestaat in de hele dierenwereld niet iets anders wat hiermee te vergelijken is.

.

Grohmannleesboek voor de dierkunde – inhoud

dierkundealle artikelen

Grohmannleesboek voor de plantkunde

VRIJESCHOOL in beeld4e klas- dierkunde

.

2040-1912

.

.

.

.

.