Categorie archief: vertelstof

VRIJESCHOOL – Legende uit het leven van het kindje Jezus (14-5/6)

.

Er bestaan bij vele volken legenden over het kindje Jezus. Vaak gebeuren er wonderen. Of er wordt in verteld hoe een plant of een dier aan de bijzondere eigenschap komt die wij ervan kennen.
.
Uit Bohemen
.
.

De morenkleur
.

Maria en Jozef hadden de woestijn bereikt. Ze trokken met het kind verder in het beschermende donker van de nacht en hielden zich als het licht werd, schuil achter rotsen of in het struikgewas.

Daar ze overdag door deze onderbrekingen veel tijd verloren en maar een klein beetje verder kwamen, want ’s nachts kon er door de vele inspanningen maar langzaam worden gereisd, moest Jozef ook de lichte dag gebruiken. Dat bracht de vluchtelingen nieuwe angst en zorgen: in deze streken van de woestijn waar ze doorheen kwamen, woonden mensen die een donkere huidskleur hadden en die de zwarte moren werden genoemd. De moeder en het kind zouden overal aan hun vage, sneeuwblanke huidskleur herkend worden, hoewel Maria haar manteldoek dicht om het kind heenwikkelde en het oplichten van haar eigen gelaat beschermend verborg in de plooien. Ze was heel bang voor haar kind – echte een bange moeder – en ze richtte haar biddende hart tot God, dat Hij hen toch niet zou verlaten, hen voor de vervolging zou beschermen.
De hemel verhoorde het smekende gebed – en zie – toen Jozef de volgende morgen wakker werd en brandhout aansleepte om een vuurtje te maken en de bosjes inliep om Maria met een morgenkus te begroeten, schrok hij zich bijna dood, want hem lachte een gezicht tegen dat bijna zo donker was als ebbenhout en het kind was gedurende de nacht veranderd in een morenkind zo zwart als het kolenzwart van de raaf. De man leidde zijn lieve vrouw naar een bron waarin ze zich kon spiegelen en zou weten hoe ze er uitzag. Maria begreep de goedgunstige almacht die over hen was gekomen en een glimlach krulde om haar lieve lippen.
Zo gelukte het om ondanks de hardnekkige achtervolgingen het verre Egypte te bereiken, waar ze bleven tot de dood van Herodes, de kindermoordenaar.

Op een dag echter, haalde een engel Maria en het kind weer terug naar hun geboorteland. En net zo snel als hun huid zwart was gekleurd, werd die nu weer zo blank als tevoren en bloeide de rozerode appelkleur op de marsepeinwangetjes van het kind.

Maar vrome mensen vereren nog altijd in vele landen en op allerlei plaatsen de zwarte Moeder Gods.

Zie ook: Immanuël – Jakob Streit
.

Kerstmis: alle verhalen

Kerstmis: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Kerstmis              jaartafel
.

1786-1674

.

VRIJESCHOOL – Legende uit het leven van het kindje Jezus [14-5/5]

.

Er bestaan bij vele volken legenden over het kindje Jezus. Vaak gebeuren er wonderen. Of er wordt in verteld hoe een plant of een dier aan de bijzondere eigenschap komt die wij ervan kennen.
.
Apocrief.
.
.

HET EERBETOON VAN DE DIEREN
.

Bij het vertrek uit Bethlehem, zo wordt in de apocriefen verteld, werd de heilige familie in het begin vergezeld door drie jongens die zich eveneens wilden redden door te vluchten en die zich aangesloten hadden bij vader Jozef. Ook Salome, een meisje, begeleidde Maria en diende haar vol verering. Ze hadden een wagen bij zich die door twee ossen werd getrokken en daarop lagen hun spullen en een ezel waarop de moeder Gods reed en een paar lammeren. Zo waren ze in de prille morgen vertrokken.

Ze kwamen in de buurt van een grot; daar gleed Maria gratieus van haar rijdier en ging op een steen zitten die als een soort zitbank langs de weg lag en ze hield het Jezuskind op schoot. Jozef echter, ging de grot binnen om te onderzoeken of deze geschikt was om hen te herbergen. Maar uit de donkere spelonk stormden vier reusachtige draken naar voren, vreselijk om te zien. Uit hun afgrijselijke bekken siste een dampende adem met giftig-rode slierten, zodat de bloemen op het veld levenloos knakten. Ze spreidden dreigend hun enorme, scherp getande vleugels uit boven hun stekelige lijven en staken hun klauwen met de angstaanjagende nagels naar voren.
De jongens gaven een gil van schrik, zelfs Jozef wankelde geschrokken achteruit en Maria en het meisje stonden van schrik aan de grond genageld.
Het kindje Jezus echter gleed van zijn moeders schoot en stond onverhoeds op eigen benen, zonder angst, onbezorgd voor de draken. En deze lieten hun koppen zakken met een vererende deemoedigheid, hielden hun giftige adem in en vouwden de geheven vleugels tegen hun lichaam, trokken de klauwen in en gingen als tamme honden voor het kind liggen. En ze tilden hun koppen driemaal op als wilden ze hun meester erkennen.
Toen slopen ze als getemd weg. Het kind echter ging voor hen staan en gebood hun dat ze geen mens  kwaad zouden doen.
Jozef en Maria waren heel bang dat hun kind door de monsters toch nog pijn gedaan zou worden. Maar het kind troostte hen: ‘Wees niet bang voor mijn schepselen en denk niet dat ik een zwak kind ben! Ik ben de Heer en voor mij zullen alle dieren tam zijn!’

Toen braken er in het bos twijgen, takken bogen, het struikgewas week vaneen en daar kwamen van alle kanten de dieren uit het woud aan. Uit de palmbomen klauterden de apen nieuwsgierig naar beneden. Uit de dichte struiken renden leeuwen en panters en wilde katten slopen uit de bosjes. De olifanten trompetterden luid en uit de waterstroom kwamen de logge nijlpaarden en de krokodillen. En ze kwamen stilletjes aan en begroetten het kind door hun voorpoot op te tillen en in zijn handje te leggen of, zoals deemoedig de leeuw, de koning van de wildernis, door de uitgestoken handjes van het kind te likken. Er kwamen beren en wolven, de hyena en de luipaard. Ook de tamme dieren verschenen, met hun bulten, kameel en dromedaris en de lama, die wel oppaste om niet te gaan spugen, zoals zijn vervelende gewoonte is en ze gingen allemaal rondom het kind staan dat zonder angst en schroom zich tussen hen bewoog en het streelde de dieren, krabde ze achter de oren, wat ze ook nu nog zo fijn vinden. Toen week pas de schrikbarende angst bij de liefste moeder die nog nooit wilde dieren had gezien. Haar hart raakte de vrees kwijt en klopte weer rustig.

Toen Jozef eindelijk aanstalten maakte om weer verder te gaan, gingen alle dieren mee om hen uitgeleide te doen. De leeuwen liepen eendrachtig met de ezel, de panters met de ossen die de kar trokken en de wolven samen met de lammeren op hetzelfde stuk van het veld. Het kindje Jezus echter reed een stuk van de weg op de rug van een hert en hield zich vast aan het gewei. En een grote schare van alle mogelijke vogels vloog boven hen als koor dat een lofzang zingt en ze maakten liefelijke muziek en jubileerden en prezen de heer die onder hen liep.

Maar toen het avond werd nam het Jezuskind afscheid van al zijn brave begeleiders en zei hun goede nacht en vaarwel. Toen verhieven ze luid hun stemmen als een laatste groet en wensten hun een goede reis en trokken als paar of met z’n drieën of alleen het bos in en zochten hun schuilplaatsen op.

.
Zie ook: Immanuël – Jakob Streit
.

Kerstmis: alle verhalen

Kerstmis: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Kerstmis              jaartafel
.

1785-1673

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis- kerstverhalen (14)

.
[14-1] Het vreemde kind
Fr.Pocci: Een verhaal uit Italië
Arm kind klopt aan de deur bij arme mensen. Het krijgt onderdak. Het blijkt het christuskind te zijn. Hij plant een dennentak. Die wordt een boom: de kerstboom. 
V.a. 5 jr.  Voorleestijd: 3 min.

[14-2] De herders
Ruth Sawyer : Over Lucifer en Michaël; Lucifer brengt onrust in de hemel; Lucifer verbannen naar de aarde: Satan; God besluit om Zijn Zoon naar de aarde te zenden; de herders uitverkoren; Michaël komt de herders te hulp; Michaël verslaat de Satan; de herders gaan naar Bethlehem en zingen een lied.
Vanaf 10 jr. Voorleestijd 20 min.

[14-3] De heilige nacht
 Christel Sprengel. Naar een Duits verhaal.
Maria vindt bij de mensen geen onderdak; bij de dieren op een boerderij wel; een broertje en een zusje zijn alleen thuis en wachten op hun moeder; die wil en kan geen Kerstmis vieren; os en ezel brengen de kinderen naar de stal; alle dieren komen; daar vieren de kinderen kerst.
V.a. 6 jr. Voorleestijd 5 min.

[14-4] De belofte van de harpspeler
Het prachtige verhaal van de harpspeler die aan zijn gezin belooft met Kerstmis thuis te zijn.
Alle leeftijden. Voorleestijd 10 min.

                                                                         0-0-0

[14-5] Legenden uit het jonge leven van Jezus

Er bestaan veel verhalen over het kindje Jezus. Ze staan te boek als: ‘Jezuslegenden, christuslegenden, christussprookjes’. Als het alleen om Maria gaat, is er sprake van ‘Marialegende’.

Ze spelen zich af tussen geboorte en de vlucht naar Egypte en gaan soms nog over de latere jaren.
Hier is een selectie gemaakt, waarbij niet de legenden zijn genomen die in ‘Immanuël’ van Jakob Streit verteld worden.

Om het zoeken naar de inhoud iets te vergemakkelijken, heb ik afkortingen gebruikt:
M=Marialegende
G=rondom geboorte
V=vlucht
D=daarna

[14-5/1] Het feestelijke werelduur
Het Kind wordt geboren, de wereld houdt de adem in. (G)

[14-5/2] De nachtegaal
De nachtegaal zingt het Kindje in slaap en mag daardoor voor altijd zijn mooie zang blijven laten klinken. (G)

[14-5/3] Het winterkoninkje
Hij helpt de grote Koning en mag zich nu ‘kleine koning’ noemen. (G)

[14-5/4] Over het ezeltje dat Maria en het Kind droeg
Op de vlucht toont de ezel zijn dapperheid. Het kruis op zijn rug is zijn beloning (uitgebreidere versie dan bij Streit) (V)

[14-5/5] Het eerbetoon van de dieren
Vele dieren – wilde, tamme, grote, kleine – brengen het kind een groet.  (V)

[14-5/6] De morenkleur
Waarom er ook een donker getinte moeder Maria wordt aanbeden. (V)

[14-5/7] De bron
Een plotseling aanwezige bron brengt redding. (V)

[14-5/8] Het kuiltje in het ei
Waarom er onder de schil een klein kuiltje zit. (V)

[14-5/9] De leeuwerik
Waarom de leeuwerik altijd zo hoog vliegt. (V)

[14-5/10] Het wonder in de mantel
Hoe spelt het Kindje redt. (V)

[14-5/11] De kinderen van Herodes
Jezus redt de kinderen van Herodes en hoe de salie geneeskrachtig werd. (V)

[14-5/12] De olijfboom
De olijfboom redt en krijgt daarom de beste olie. (V)

[14-5/13] Het duizendvoudige loon
Hoe goedgevendheid wordt beloond en gierigheid gestraft. (V)

[14-5/14] De gewijde doorn
Hoe de meidoorn beloond wordt.

[14-5/15] De kerstroos
Onbekend. Niet het verhaal van Selma Lagerlof – [14-2]

[14-5/16]  De vogelmelk
Hoe de vogelmelk aan zijn sterrenbloempjes komt. 

[14-5/17] De lavendel (M)
Waarom de lavendel zo heerlijk geurt (G/M)

[14-5/18] De herder in het verenbed
Wat er gebeurt als het op kerstdag sneeuwt (G)

[14-5/19] De sprekende dieren
Waarom de dieren elkaar in de kerstnacht kunnen verstaan (G)

[14-5/20] Het glimwormpje
Waarom dit kevertje ‘glimwormpje’ heet. (G)

[14-5/21] De sprinkhaan
Hoe de sprinkhaan er kwam. (G)

[14-5/22] De rozen met kerst
Waarom er met Kerstmis witte en rozerode rozen zijn. (G)

[14-5/23] De herderslegende
Hoe Jozef voor het Kindje vuur haalde in de kap van zijn jas (G)

[14-5/24] De roos van Jericho
Aan het eind van de vlucht dank Maria op haar knie\én de hemel die haar zo had bijgestaan. Op die plaats begon een roos te groeien. (V)

0-0-0

[14-6] De kerstroos
Pieter HA Witvliet: Verhaal van Selma Lagerlof over: waar de kerstroos vandaan komt en hoe hij zijn naam kreeg. Ingekorte versie.
Vanaf 8 jr. Voorleestijd: 
20 min.

[14-7] De dieren van Bethlehem
Tibor Déry?: Aandoenlijk, humoristisch verhaal over de os en de ezel die op hun manier voor het Kind willen zorgen.                               
Vanaf  7jr. Voorleestijd: 23 min.

[14-8] Lichte sneeuwval, windstil weer
Hans Bütow? Oude schrijver gaat naar kerstdienst in de kerk. Waarom weet hij zelf eigenlijk niet. Bij thuiskomst zit er een vreemdeling in zijn huis. Waarom waarschuwt hij de politie niet?
Vanaf 12 jr. Voorleestijd 20 min.

[14-9] Waar liefde is daar is ook God
Leo Tolstoi: Schoenmaker Awdeitsch wacht op Christus. Die komt ook, maar heel anders dan Awdeitsch zich had voorgesteld.
Vanaf 7 jr. Voorleestijd 35 min

[14-10] De ongelukkige waskaars
D. Udo de Haes: Een waskaars in een la, verguisd en geminacht, helpt het licht onder de mensen te verspreiden.
Vanaf 7 jr. Voorleestijd 28 min.

[14-11] De fluit van de herdersjongen
Een herdersjongen krijgt een fluit om die als geschenk aan het Kindje Jezus te geven. Op weg naar de stal gebeurt er met de fluit van alles, waardoor deze steeds meer tonen verliest. Bij het Kind gekomen…o, wonder!
Vanaf 5 jr. Voorleestijd 9 min.

[14-12] De geluksroebel
Nikolaj Leskov
: Een jongen krijgt een geluksroebel. Je kan er alles voor kopen en je geeft hem toch niet uit. Maar er zijn wel dingen die je niet moet doen, dan raak je hem kwijt. Wat doet deze jongen en wat leert hij?
Vanaf 9 jr. Voorleestijd 25 min.

1784-1672

.

 

 

VRIJESCHOOL – Legende uit het leven van het kindje Jezus (14-5/4)

.

Er bestaan bij vele volken legenden over het kindje Jezus. Vaak gebeuren er wonderen. Of er wordt in verteld hoe een plant of een dier aan de bijzondere eigenschap komt die wij ervan kennen.
.

Uit Wallonië.                                 *aangepast (phaw)
.
.

OVER HET EZELTJE DAT MARIA EN HET KIND DROEG
.

Koning Herodes, de wrede tiran, had zijn soldaten er met speren en zwaarden op uitgestuurd en daarmee moesten alle jongetjes, niet alleen die pas geboren waren, maar ook die nog geen twee jaar waren, worden omgebracht.
Want de boodschap dat Christus was geboren, had zich als een lopend vuurtje door het land verspreid en was ook koning Herodes ter ore gekomen. In grote paniek riep hij zijn ministers en zijn geleerde raadsheren bijeen en achter gesloten deuren sprak hij met hen. De overbrengers van de boodachap hadden hem gezegd dat men het pasgeboren kind de ‘koning van de koningen’ noemden en als ‘heer van de hemelse engelen’ begroet en dat zelfs uit de uithoeken van de aarde vorsten en wijzen waren gekomen om het koninklijke kind te eren. De koning maakte zich ernstig zorgen om zijn kroon en om zijn geluk en daarom had hij het bevel gegeven voor de verschrikkelijke kindermoord.
Over het land klonk één groot weeklagen van de moeders, zoals dat nog nooit was vernomen en tegen de bergen weerklonk de klagende echo tot in de hemel.

En de heilige drie personen moesten in allerijl de gezegende geboorteplaats verlaten. Een ver land, buiten het machtsgebied van de koning gelegen, zou het doel van hun vlucht zijn. Maar de weg daarheen was vol moeilijkheden. Hij leidde over ruige, torenhoge gebergten en over onstuimig stromende rivieren en door de eindeloze woestijn met alleen maar zand en verlatenheid, hitte en kou tegelijkertijd. Op hun zwakke voeten zouden de vluhtelingen nooit en te nimmer die lange, lange weg kunnen afleggen. Er moest hulp worden gevonden.

Jozef, de vader, ging naar het paard en vroeg met zijn vriendelijkste woorden, of hij de godsmoeder en het kind op zijn rug wilde nemen en snel met hen ervan door te gaan. Maar het paard had er geen oren naar, het deed alsof het de vraag niet hoorde en trok gezapig de halmen uit de voederbak. Toen kwam Maria haar man te huolp en smeekte, zeggend dat ze vervolgd werden en dat alleen het snelste paard hen voor de woede van Herodes zou kunnen redden. Maar het paard draaide nauwelijks zijn kop om, keek een beetje scheel naar de smekende vrouw en ging weer verder met zijn haver en vermaalde die genoeglijk tussen zijn tanden. *
Maria en Jozef keken elkaar in de bedoeffde ogen en dachten erover wat ze zouden kunnen doen. Toen liepen ze naar het ezeltje en vroegen het aan hem. Hij spitste zijn lange oren, zodat hij goed kon luisteren en hoewel hij nog niet veel van rijden wist, zei hij meteen met vreugde ‘j-jah en liet zijn karige maaltijd in de steek, hoewel hij nog helemaal niet genoeg gegeten had; je zag overal zijn ribben door zijn huid, je kon ze wel tellen. Maar hij nam Maria en het kind geduldig op zijn rug en toen ze in het duister van de nacht de stad uitreden, balkte hij van vreugde dat hij nu als een paard een rijdier mocht zijn.

Ze trokken weg: voorop liep vader Jozef, blootshoofds in zijn oude jas met capuchon en hij droeg aan zijn lange stok een zak met gereedschap. In zijn hand hield hij ook nog een oude, bijna kapotte stallantaarn om de weg te vinden en op de maat van zijn vermoeide stappen, prevelde hij een gebed. Het leidsel waar het lastdier aan liep, had hij aan de gordel van zijn mantel geiknoopt.
De moeder in haar wijde blauwe mantel, zat op de ezel, nee als een koningin op een troon zo mooi rechtop zat ze en het kind hield ze in de zachte koestering van haar armen, boog het hoofd naar hem en sprak het liefkozend toe met de liefste woordjes. Zo trokken ze weg.

Op de lange reis echter raakte de rug van de ezel door het slechte zadel gewond. Vliegen kwamen in zwermen op de bloedige wond af. Niemand wist raad of kon helpen. Maar vol geduld droeg de ezel zijn last en verdroeg de pijn en klaagde niet als het voedsel karig was of er niet was. Soms af en toe kreunde hij een beetje voor zich uit: Ach-i-jah!.
Ze kwamen bij een oase en daar stond bij een boom een muildier dat voedsel in overvloed had: een hele zak vol die over zijn halster lag. ‘Geef onze arme ezel een beetje van je overvloed’, kreeg hij als vraag. ‘Heb zelf niet genoeg!’, mompelde het muildier. ‘Ga dan in Gods naam met ons mee en draag deze vrouw en haar kind een poosje tot de wond van de ezel is genezen.’ ‘Om Gods wil, draag jullie last zelf maar. Een ezel is een ezel!’ Ja, dat was het antwoord van het muildier.

God hoorde het echter en zag hoe verlaten de Zijnen waren.  Hij nam hem zijn zegen af. Tot vandaag de dag kan het muildier geen jongen krijgen.

De heilige drie moesten, zoals ze gekomen waren, de harde reis weer aanvaarden.
Maria had het kindje de borst gegeven en een druppeltje van haar moedermelk was naar beneden gedropen, precies op de wond van de ezel die leed, maar niet klaagde. De bloedige wond sloot zich ter plekke en was heel en gezond. Toen dankte vader Jozef  God in de hemel en bad en maakte het teken van het kruis – en zie – het kruisteken viel neer op de rug van de ezel en bleef daar op zijn vel staan als een groot donker teken dat van ezel tot ezel bleef bestaan en dat beschermt tegen gevaar.
De hele tijd door is de ezel geduldig en bescheiden gebleven. Op zijn reis door de woestijn leerde hij genoegen nemen met distels en karige kost en het smaakte hem beter dan het paard de beste haver.

In zijn bescheidenheid is hem het harde leven niet te zwaar geworden en zo heeft hij het in de wereld ver gebracht en is er trots op wanneer men een dom mens ‘ezel’ noemt.
Hij weet wel beter wat een echte ezel is.

.

Zie ook: Immanuël – Jakob Streit

.

Kerstmis: alle verhalen

Kerstmis: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Kerstmis              jaartafel

.

1783-1671

.

VRIJESCHOOL – Legende uit het leven van het kindje Jezus (14-5/3)

.

Er bestaan bij vele volken legenden over het kindje Jezus. Vaak gebeuren er wonderen. Of er wordt in verteld hoe een plant of een dier aan de bijzondere eigenschap komt die wij ervan kennen.
.
Uit Frankrijk,       aangepast (phaw)
.

OVER HET WINTERKONINKJE
.

Het winterkoninkje is een van de schepseltjes die men in het hele land ‘Gods lievelingsdieren’ noemt.
Het winterkoninkje sliep in de kerstnacht in zijn piepkleine nest. Toen hoorde hij van ver weg, zo half in een droom, een stem die vertelde dat deze nacht het Jezuskind op aarde was gekomen en in Bethlehem in de stal in een houten kribje lag.

Toen sprong  de winterkoning met één sprongetje uit de veren, strekte een paar keer zijn vleugels en ging ogenblikkelijk op reis. Snel als de wind kwam hij aangevlogen, vond de stal en het kind, ging op de rand van het kribje zitten, maakte buiginkjes en kwetterde een echt zondagsliedje als welkomsmelodie voor het liefelijke kind.

Nu zag het winterkoninkje echter hoe ellendig en armoedig het harde strobed in de kribbe was en hij zong snel zijn liedje uit, haastte zich de deur uit en was weg. Uit het bos droeg hij in zijn kleine snavel ijverig zacht mos op een hoopje en uit zijn eigen nest haalde hij de mooiste donsveertjes om voor  het pasgeboren kind een zacht bedje te maken.

Toen het kleine vogeltje onderweg was, kroop een dikke spin uit een oude balk, spon een dunne webdraad en maakte een web, vlak boven het gezichtje van het kind. De moeder schrok en veegde de draden weg, want ze was bang dat die in zijn oogjes zouden komen en hem pijn doen. Maar de spin vond dat niet erg en begon meteen opnieuw met het spinnen van haar draden en snel had ze een fijn netwerk klaar dat als een sluier over het gezicht van het kindje lag.

Dat zag het winterkoninkje dat net met een plukje donsveren aangekomen was en dat hij in het kripje wilde stoppen.

==het legende gaat zo verder dat het winterkoninkje de spin opvreet. 
Er zijn meer van dergelijke situaties in deze christus- of jezuslegenden.
Ik heb die stukjes altijd aangepast naar iets positiefs: ik wilde bij de kinderen niet de indruk wekken dat dieren om wat voor reden dan ook, veroordeeld zouden worden of slecht gevonden. (Zodat je ze rustig dood kan maken?).
In deze legende laat ik het zo aflopen:==

De spin was niet bang van het winterkoninkje en maakte haar web af dat nu als een heel teer en zijden weefsel de kou tegenhield, zodat het kind geen bevroren wangetjes zou krijgen. Maria zag het en was blij en zij dankte de beide helpers. Omdat het winterkoninkje de Koning van de wereld zo had geholpen in deze bittere winterkou, mocht hij voortaan ook de naam ‘koning’ dragen. Winterkoning. Maar omdat hij zo klein en lief is, noemen de mensen hem liefkozend ‘winterkoninkje’. De spinnen maken nog altijd de prachtigste kleedjes die van zilver lijken als ze ’s morgens met dauw bedekt door het ochtendzonnelicht worden beschenen.

.

Zie ook: Immanuël – Jakob Streit

.

Kerstmis: alle verhalen

Kerstmis: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Kerstmis              jaartafel

.

1782-1670

.

VRIJESCHOOL – Legende uit het leven van Jezus (14-5/2)

.
Er bestaan bij vele volken legenden over het kindje Jezus. Vaak gebeuren er wonderen. Of er wordt in verteld hoe een plant of een dier aan de bijzondere eigenschap komt die wij ervan kennen.
.
Uit Malta.
.

DE NACHTEGAAL
.

Uit de stille hut klonk het lied van Maria. Het was haar nooit teveel om het Jezuskind in slaap te wiegen. Ze zong over de engelen en over de hemel, over God de vader, over de schoonheid van de wereld en over de naderende lente. Zij vertelde hem over de liefde en over het leed. Als een zacht luiden van klokken kwam het over haar lippen en steeds zachter en stiller klonk de melodie, tot het kindje sliep.
Maar op een dag kwamen de klanken nog maar met moeite uit Maria’s keel en klonken gebroken. Ze had nachten lang gezongen, haar keel deed pijn en het lukte haar niet het kind de slaap te brengen, hoeveel moeite ze ook deed en zacht het kribje wiegde, zoals sindsdien alle moeders met een wiegje doen.

Toen klonk er plotseling uit een hoekje waar de grote dakbalken en het dak bij elkaar komen, gezang. Daarboven zat een kleine vogel. Die had heimelijk naar alle liedjes van de moeder Gods geluisterd waarmee zij het kindje in slaap wiegde. Nu fladderde het vogeltje naar beneden en ging op de schouder van Maria zitten en begon te zingen en te jubileren, zo mooi, zo fijn, dat je het eigenlijk niet kan beschrijven. En snel en rustig waren de oogjes van het kind toegevallen, alsof zijn moeder hem in slaap had gezongen.

Nu zweeg het vogeltje en legde zijn kleine snavel achter het roze oor van Maria, alsof hij haar een kus wilde geven. Toen wilde hij opvliegen. Maria streelde hem over zijn bruinige, zijden veertjes: ‘Klein vogelhartje!’ fluisterde ze, ‘vanaf nu draag je mijn stem in je en je kent al mijn liedjes en je zal ze nooit vergeten, zodat je de mensen kan vertellen van verdriet en blijdschap en van het verlangen naar vrede en geluk. Klokjes en zilveren klanken zullen in je kleine keel wonen, jubel en juichen, welluidende trillers. Vlieg en zing!

En vanaf dit uur zingt de nachtegaal met de goddelijke stem van Maria. ’s Avonds, als de tijd aangebroken is waarop men de kinderen in een zachte sluimer wiegt, zit hij in de struiken en kwinkeleert, jubelt, zingt, lacht en huilt. Dan vallen bij de kleine kinderen de oogjes dicht, bij de grotere kinderen komen de mooie gedachten en de verliefden kussen elkaar als ze de liederen van de mariavogel horen. En het water stroomt kalmer, vogels en dieren luisteren en zelfs de bomen houden hun geritsel in. En alles en iedereen wiegt het vogellied in slaap en brengt de droom. Ja, zelfs die stervende zijn gaan gemakkelijker naar hemelse huis, zo prachtig kan de nachtegaal zingen.

Zie ook: Immanuël – Jakob Streit, waarin deze legende in kortere vorm is opgenomen.

.

Kerstmis: alle verhalen

Kerstmis: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Kerstmis              jaartafel

.

1781-1669

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – Kaspar Hauser (2)

.

Op de Wikipediapagina ‘Kaspar Hauser‘ wordt melding gemaakt van een DNA-onderzoek, waaruit zou blijken dat Kaspar Hauser niet het kind is van Karl van Baden en Stephanie de Beauharnais.

.

KASPAR HAUSER

In het vorige nummer van Jonas [hier te vinden] heeft Claartje Wijnbergh de levensloop van Kaspar Hauser beschreven. Nu zal worden getracht deze dramatische biografie in een groter kader te plaatsen. Een volgend artikel [niet op deze blog] zal deze motieven dan in verband brengen met de actuele politieke gebeurtenissen van onze eeuw.

Kort nog even de feiten: geboren op Michaëlsdag 1812 als Prins Max von Baden; direct verwisseld met een stervend kind en elders opgevoed; op zijn 3e levensjaar ingekerkerd en vrijwel volledig afgeschermd van zintuiglijke indrukken en menselijke contacten; Pinksteren 1828 (16 jaar oud) verschenen in Neurenberg als een halfmenselijk wezen; even voor Kerstmis 1833 (21 jaar oud) laaghartig vermoord.
Onthutsende feiten! Geen wonder dat over het hoe en waarom van deze zaak velerlei speculaties de ronde doen. Gewoonlijk houdt men het op een moerassige troonopvolgingsstrijd. Op de vraag waarom men hem dan niet direct heeft gedood, zou geantwoord kunnen worden: een luguber experiment met de mens.

Iets ‘experimenteels’ lijkt er inderdaad in te zitten, anders had men hem immers niet meer uit zijn kerker los gelaten. Maar ook de navolgende gedachtegang lijkt plausibel.
Het gaat hier om veel meer dan een simpele troonkwestie. ‘Men’ verwijdert Prins Max von Baden van zijn eigenlijke plaats en laat hem gedurende de eerste drie jaren van zijn leven ‘normaal’ opgroeien. Pas dan snijdt men hem af van elke verdere menselijke ontwikkeling.’Het moment geeft te denken. Eerst stelt men het zielegeesteswezen van deze mens in de gelegenheid om zich via de oer-stappen van het lopen, spreken en denken diep in zijn lichaam te incarneren. Om vervolgens zodanig in te grijpen dat zijn verdere incarnatie- en ontwikkelingsweg totaal wordt verkracht.

Maar hij sterft niet, mag niet sterven. Hij blijft gebonden aan zijn lichaam. Hem te doden was kennelijk te riskant. Immers, als men hem ‘gewoon’ had gedood, had zijn zielegeesteswezen de mogelijkheid gehad ofwel om zijn afgestopte impuls vanuit de geestelijke wereld verder gestalte te geven, ofwel om snel te reïncarneren. Kennelijk wilde ‘men’ iets afbreken. Iets wat van groot belang was voor de positieve ontwikkeling van de cultuur. Wat zou dit dan kunnen zijn?

Kaspar Hauser leefde in de tijd van de nagalm van de Franse revolutie. De idealen: vrijheid, gelijkheid en broederschap waren echter gesmoord onder Romeins machtscentralisme. Karl Heyer spreekt het vermoeden uit dat Max von Baden vanuit de geestelijke wereld de opdracht zou hebben gehad om aan deze idealen opnieuw kiemkracht en levenskans te geven. Hoe is deze suggestie te plaatsen? Dat het hier om een impuls van betekenis gaat, is af te lezen uit het feit dat Rudolf Steiner een maatschappelijke driegeleding lanceerde waarin we deze drie idealen terugvinden. Net zoals je in de mens onderscheid kunt maken tussen de functies van denken, voelen en willen, elk met z’n eigen karakteristieken, zo kun je ook in de ‘grote mens’, in het sociale organisme drie gebieden onderscheiden en onderzoeken op hun specifieke ‘ wetmatigheden.

Vrijheid en cultuurleven:
alleen als er in de sfeer van de gedachten en de ideeën onvoorwaardelijke vrijheid heerst kan de cultuur bloeien; voor dit gebied geldt bij uitstek het ‘geen twee mensen zijn gelijk’; hier moet onbeperkte ontplooïngsruimte zijn voor het oer-individuele.

Gelijkheid en rechtsordening:
hier geldt het: ‘alle mensen zijn gelijk’ in de zin van gelijkwaardigheid en gelijke rechten hebben op een menswaardig bestaan.

Broederschap en economie:
daar waar de bestaansbasis van het leven wordt verzorgd, staat alles met alles in samenhang; vanuit de individuele talenten draag je bij tot het geheel, in grondrechtelijke gelijkheid neem je er aan deel.

Waar deze oerkrachten van het maatschappelijk handelen door elkaar worden geklutst, ontstaat chaos. In het groot wordt dit bijvoorbeeld duidelijk aan de oost-west-polarisatie. Het kapitalisme oefent via de machtsaspecten van de economie een knellende greep uit op het rechtsleven (klassenjustitie) en de cultuur (conditioneren en gelijkschakeling). Het communisme heeft zijn machtscentrum in het rechtsleven en dirigeert van daaruit economie en cultuur op dwingende wijze. In geen van beide systemen is plaats voor de mens. Voor kleinschalige voorbeelden zij verwezen naar de serie van Bos, Brüll en Henny. [1] Een menswaardige toekomst staat en valt met het serieus nemen van de sociale driegeleding. Het verder ontwikkelen en concretiseren ervan behoort tot wezenlijke opgaven van onze tijd.

De Franse revolutie is daarmee te zien als een kiem, als een eerste aanduiding van wat later in het Michaëlische tijdperk tot volle ontplooiing wil komen. Toen Rudolf Steiner de driegeleding in de wereld zette, was het Baden-Würtenberg waar het bijna tot een doorbraak is gekomen. Hetzelfde gebied waar Prins Max von Baden normaliter zijn intenties had kunnen realiseren. Als een vorst met een invloedrijke positie in de internationale politieke constellatie van die dagen.

Als Max von Baden kreeg hij geen kans. Maar als Kaspar Hauser heeft hij ondanks alles toch iets grandioos voor de mensheid gedaan, ook al lijkt het alsof het van buiten af aan hem is gedaan.
Ik doel hier op het pedagogische motief, dat door Claartje Wijnbergh is beschreven. En inderdaad, Kaspar Hauser moet een zeer bijzondere persoonlijkheid geweest zijn – ook zonder dit bizarre lot. De sensatiepers maakte hem natuurlijk tot een beroemdheid, maar Kaspar Hauser werkte ook door wat hij was. Goedwillende mensen waren diep onder de indruk van wat er van zijn wezen uitging. Zo iemand was Daumer (niet Danner), degene die hem van begin af aan in zijn hart heeft gesloten. Hij was het die K.H. opnieuw het leven heeft binnengeleid. Rudolf Steiner noemt Daumer een der laatsten uit de stroom der ware rozenkruisers; hij spreekt over hem als een moreel zeer hoogstaand mens. En deze Daumer heeft Kaspar Hauser herkend. Niet als een vorst met een belangrijke maatschappij-vernieuwende opdracht, maar als een individualiteit van het hoogste niveau. Maar een individualiteit zonder de geëigende instrumenten! Door een zwart-magische manipulatie is deze mens uit zijn baan geslingerd en ingekerkerd in een vernielde lichamelijkheid die hem tot gevangenis werd. Of toch niet? Waarom moest hij op zijn 21e alsnog worden gedood? Omdat het spel politiek te gevaarlijk werd? Of omdat een mens rond zijn 21e zijn eigenlijke ik-geboorte beleeft en dit bij een persoonlijkheid als Kaspar Hauser betekenen dat hij tóch zou gaan doorbreken? Met de Christusimpuls had hij zich immers reeds uitermate intens verbonden?

De hele 19e eeuw heeft het nog nagegonst. Politiek bleef het een heet hangijzer. Louche diplomatie moest de waarheid toedekken, totdat de bewuste troon niet meer bestond en de betrokkenen in het verleden waren verdwenen.

In onze eeuw groeide ook de belangstelling in de persoon van Kaspar Hauser. Van de voortreffelijke roman van Jacob Wasserman tot de degelijke beschouwingen van Pies Heyer. [2] En toen Rainer Fassbinder twee jaar geleden met zijn film over Kaspar Hauser kwam, stonden de kranten ineens weer vol over hem. Zeer oppervlakkig weliswaar, maar toch, hij leefde weer. Het is als een boodschap van onverwoestbaarheid van het hogere in de mens: de ware mens is niet klein te krijgen!

Als je de idealen van de Franse revolutie wil opvatten als serieus voorwerk voor het Michaëlische tijdperk, kun je het volgende opmerken. Tijd wordt gekenmerkt door wetmatigheden van ritme en spiegeling. Rudolf Steiner wijst erop dat je in een bepaald tijdsverloop elk tijdstip kunt nemen als spilpunt en dat je ten opzichte daarvan spiegelingen kunt uitvoeren die dan altijd onderlinge samenhang blijken te vertonen. Zelf past Rudolf Steiner dit nogal eens toe op het jaartal 1879. Het tijdstip waarop de aartsengel Michaël de leiding van de
cultuurontwikkeling op zich neemt. Als we nu de Franse revolutie (1789) spiegelen om 1879, dan komen we in 1969. De tijd van de studentenrevoltes! Begonnen in datzelfde Parijs (’68) omspoelt een vloedgolf van nieuwe vrijheidszin de aarde, van Berkley tot Tokio. Het establishment wordt ontmaskerd als repressief tolerant, de ketening van de vrije mens wil doorbroken worden. Het bankroet van de op economische machtsmiddelen gebaseerde consumptiemaatschappij lijkt volledig. Het ware beeld van de mens, met name het vrijheidsaspect, lijkt even door te breken. Over de hele wereld grijpen (jonge) mensen nieuwe idealen voor een menswaardiger samenleving; Michaëlische wil vlamt op. Maar het vuur dooft snel. De gezonde ideeën en oordelen om deze wilsimpuls op adequate wijze in het bewustzijn te verheffen, ontbreken. Herbert Marcuse, dé ideeënleverancier voor deze generatie, is fervent neo-marxist. In zijn ‘eendimensionale mens’ geeft hij een briljante analyse van de onder-drukkingstechnieken van de gevestigde orde. Maar het is pure afbraak; werkzame alternatieven geeft hij niet, evenmin als vele andere ‘vernieuwers’. De heilloze links-rechts-polarisatie, compleet met politiek georiënteerde moord en doodslag, is er het gevolg van. En nu, net als na de Franse revolutie, is alles weer gesmoord onder staatscentralisme. De Michaëlische impuls in de mensenzielen vindt wederom niet het juiste voertuig om de cultuur binnen te rijden. Dat is het kernthema van onze tijd. Aan de ene kant alom positieve intenties, mensen op zoek naar het menswaardige, op zoek naar geestelijke vrijheid en broederlijk samen werken.

Aan de andere kant toeslaand dirigisme, consumentenverslaving, automatisering, schaalvergroting – het uitschakelen van de mens. In termen van geestelijke wezens die dit impulseren: Michaël contra Ahriman, het licht tegen de duisternis.

In het lot van Kaspar Hauser zien we een welbewuste ingreep die te maken heeft met zowel grote politiek als zwarte magie. Zwarte magie omdat de machten achter de schermen deskundig misbruik maakten van occulte realiteiten (incarnatieblokkade etc.). Grote politiek omdat baanbrekende maatschappelijke impulsen werden afgestopt.

Ook de driegeleding van Rudolf Steiner werd op een beslissend moment teruggewezen. De recente studentenbeweging is allang weer ingepakt in mens-vijandige systemen. Van Kaspar Hauser tot nu hebben de machinaties van de zwarte lijn grondig effect gesorteerd.

In verschillende voordrachten waarschuwt Rudolf Steiner voor ‘de broeders van de duisternis’, die vanuit het Angelsaksische element via de werktuigen van politiek en economie drastisch ingrijpen in het wereldgebeuren. Hun macht is mede gebaseerd op een superieure deskundigheid inzake de geesteswetenschap.

Het is de verdienste van mensen als Gary Allen en Edward Griffin dat dergelijke manipulaties nu ook concreet zijn aan te wijzen.

In een volgend artikel zal[niet op deze blog]  worden getracht een aantal gegevens zodanig te ordenen dat het grote spel achter de schermen ook voor ons doorzichtig kan worden. Het zal daarbij van het grootste belang zijn om mogelijke antwoorden te vinden op de vraag: ‘wat kunnen gewone mensen daar nu aan doen?’

Maarten Ploeger, Jonas 5, 04-09-1977

.

[1] Jacob Wasserman Caspar Hauser
Pies, Heyer: Caspar Hauser
Fassbinder, film

H.P. van Manen, Kaspar Hauser
Paul Heldens: Kaspar Hauser

[2] Bos, Brüll, Henny: Maatschappijstructuren in beweging

.

Kaspar Hauser [1]

.

1719-1613

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – Kaspar Hauser (1)

.
Op de Wikipediapagina ‘Kaspar Hauser‘ wordt melding gemaakt van een DNA-onderzoek, waaruit zou blijken dat Kaspar Hauser niet het kind is van Karl van Baden en Stephanie de Beauharnais,

KASPAR HAUSER

Wij gaan ergens op bezoek: er is een kindje geboren. We kijken, wie er in onze vriendenkring bijgekomen is en begroeten de nieuwe aardeburger met een geschenk. Niet alleen wij hebben iets meegebracht, het kind zelf kreeg op zijn reis naar de aarde drie grote gaven mee: het vermogen tot lopen, spreken en denken. Het zijn gaven die alleen in de mensengemeenschap tot ontplooiing kunnen komen; wolfskinderen bijvoorbeeld lopen op alle vier de ledematen en stoten dierengeluiden uit.

De eerste weken is er alleen de glimlach, die hemelse glimlach, die even over het gezichtje trekt en langzaamaan tot een ontmoeting wordt tussen het kind en jou. Die eerste weken ga je met grote schroom naar het wiegje toe – want de nieuwe aardeburger is nog voor een groot deel hemelburger. En jij mag getuige zijn van een wereld, waar je anders nauwelijks toegang toe hebt. Je moet ook léren zien wat er te zien is. Je moet er aan wennen, om met andere ogen te kijken, andere zintuigen te gebruiken, als je naar een wiegenkind kijkt. En als je in je leven niet steeds weer gebruik maakt van de gelegenheid om even de glans van die andere wereld op te vangen, verleer je die kunst het onzichtbare te zien weer snel.

Na enkele maanden, voor de één wat later dan voor de ander, wordt het eerste geschenk zichtbaar: het kind gaat zich oprichten, beginnend met het zware hoofd. Een geheimzinnige wil doorstroomt het lichaam, dag in dag uit wordt nu gewerkt en geworsteld. Bij stukjes en beetjes wordt nu de ruimte veroverd. Wie kent niet het beeld van het kindje, dat zich vastklampt aan een stoel of de boxrand, tot het omvalt van moeheid, om onmiddellijk daarna wéér een poging te wagen?

Dan komt het ogenblik, waarop het eerste stapje gezet wordt. Het is een gebeurtenis, waarbij je in spanning toekijkt, waarbij je iets mee kan beleven van de triomf: de zwaarte werd overwonnen – een mensenkind staat opgericht tussen hemel en aarde als een vrije zelfstandige individualiteit, dat zijn levensweg op de aarde kan gaan.

De volgend fase breekt aan – een tijd van onvermoeibaar oefenen van geluidjes, van eindeloze klankgrapjes, tot, met een ongelooflijke reinheid en zuiverheid de eerste woordjes gevormd worden. Muziek zijn die eerste woorden, zonder zwaarte, zonder accent, zonder vertroebeling.
Na het leren lopen is er de tijd en de kracht voor het spreken. Het kind heeft nu de mogelijkheid om door middel van de taal verbindingen aan te gaan met de andere mens.
Nu kan op grond van het spreken het derde geschenk, het denken, tot ontplooiing komen. Je kan zien hoe het licht van het denken zijn intrede doet, hoe verbanden worden gelegd en vragen worden gesteld over die interessante wereld.

Als de eerste drie jaren voltooid zijn, gaat het kind ‘ik’ zeggen en krijgt het zijn eerste herinneringen. De mens heeft de gave gekregen zich denkend met de aarde te verbinden, maar ook de mogelijkheid om de weg tot de geestelijke wereld terug te vinden.

Wat moet het betekenen voor een mens als hem deze drie geschenken ontnomen worden? Als je als kind van 4 jaar in een hol wordt gestopt, zonder licht, zonder te kunnen staan, zonder mensen te spreken of te zien?

Tot nu toe hebben nasporingen onder andere het volgende opgeleverd:

Op 29 september 1812 werd een kind geboren, zoon van Karl van Baden en Stephanie de Beauharnais, pleegdochter van Napoleon. Na enkele dagen sterft de kleine troonopvolger, maar geruchten doen de ronde, dat hij in werkelijkheid het doodzieke kind van Blochmann, een lid van het personeel was, dat met de troonopvolger heimelijk verwisseld was. Tot zijn 4e jaar is de eigenlijke troonopvolger verzorgd geweest door een Franse hofdame op afgelegen kastelen. Toen moet hij omstreeks zijn 4e jaar in het hol zijn gebracht, waar hij leefde op water en brood, in het donker, met als enig gezelschap een houten paardje. Van tijd tot tijd smaakte het water bitter en viel hij in diepe slaap. Als hij ontwaakte, was hij verschoond en stond er opnieuw water en brood klaar.

Omstreeks zijn 16e jaar wordt hij uit het hol gehaald en na enige hardhandige oefening in lopen en spreken duikt lij plotseling in Neurenberg op: op Pinkstermaandag van het jaar 1828 staat daar een jongen, gekleed in een boerenkiel en met versleten laarzen aan, waar het bloed uit sijpelt. Hij wankelt over het stille plein en brabbelt onverstaanbare klanken. Het enige wat hij schrijven kan, is zijn naam: Kaspar Hauser.

Hij wordt naar de gevangenis gebracht – de enig juiste plek voor een boerenjongen die teveel gedronken heeft. Daar is hij al gauw een bezienswaardigheid voor het volk om de grimassen die hij maakt bij ruwe stemgeluiden, om de panische angst, als hij buiten fanfaremuziek hoort, om de naïviteit, waarmee hij naar de maan aan de hemel grijpt of naar de rode daken, die door het hoge vensterluik te zien zijn. Hij heeft een afschuw voor voedsel, behalve voor water en brood. Hij vertoont een lichte dronkenschap, als hem bier onder de neus wordt geduwd. Ook de autoriteiten komen kijken. De arts vindt merkwaardige fenomenen, zoals een geheel zachte voetzool, waarop nauwelijks gelopen is. In zittende houding met gestrekte benen is er zelfs geen papier onder het kniegewricht door te schuiven. Later blijkt, dat hij een boek kan lezen in het donker, metalen onderscheidt op de tast. Tot het moment dat hij vlees gaat eten, hebben de dieren een bijzondere relatie met hem, waaruit een groot vertrouwen spreekt. Men spreekt over hem als: het raadsel van zijn tijd.

De stad besluit hem een opvoeding te geven. Hij komt in huis bij Prof. Danner, een man, die Kaspar Hauser met grote liefde en eerbied voor zijn persoonlijkheid, opneemt en hem de wereld binnenleidt. Nauwgezet beschrijft Danner in uitvoerige protocollen, wat hij waarneemt en beleeft aan Kaspar Hauser. Hij beschouwt het als een uiterst verantwoordelijke taak ‘het kind van Europa’, zoals Kaspar Hauser al gauw genoemd wordt, op te voeden. Naast de ongewoon scherp ontwikkelde zintuigen, valt op hoe Kaspar Hauser een wonderbaarlijk goed geheugen heeft, zodat hij in korte tijd veel leert. De onschuld, reinheid en goedheid, die van hem afstralen, doen denken aan een paradijsachtig wezen – een Adam vóór de zondeval.

Als Kaspar Hauser voor het eerst de sterrenhemel ziet, is hij verrukt -wordt dan stil en moet huilen. Later zegt hij, dat een van de ergste dingen, die de man, die hem gevangen hield hem aangedaan heeft is: ‘dat ik de sterren niet mocht zien!’

Hij verwondert zich over kleine kinderen:‘Wat zijn dat voor kleine mensjes?’. Hij vraagt, wie de blaadjes aan de boom uitgeknipt heeft. Een godsbegrip heeft hij niet. ‘Heeft iedereen een vader en een moeder?’ En na de eerste bewuste blik in de spiegel, vraagt hij zich af: ‘Wie ben ik?’

Na de eerste moordaanslag, waarbij Kaspar Hauser verwond raakt, wordt er naar een ander tehuis voor hem gezocht. Na enkele omzwervingen komt hij tenslotte in huis bij een zekere Meyer, een uiterst droge, burgerlijke schoolmeester, die Kaspar Hauser in een streng regime van leren, werken, eten, slapen ‘opvoedt’. Ogenschijnlijk verduistert Kaspar Hauser’s wezen en wordt hij tot een simpele kantoorklerk. Innerlijk echter vindt hij de weg tot herinneringen en beelden, die diep in de ziel verborgen zijn. Hij heeft merkwaardige dromen, die hij in zijn dagboek optekent. Door de Catechisatielessen vindt hij de weg tot Christus. Op 17 december 1833 sterft hij aan de gevolgen van een nieuwe moordaanslag, verguisd door zijn tegenstanders, geliefd bij zijn vrienden.

In een tijd, waarin het materialisme hoogtij vierde, leefde dit ‘kind van Europa’. Door de ‘traagheid der harten’, zoals Jacob Wassermann in zijn beroemde roman schrijft, blijft Kaspar Hauser een raadsel voor ons.

Rond dit mensenkind is veel niet herkend, is er niet gestreden voor de ontplooiing van zijn persoonlijkheid, integendeel, zijn zijn vermogens beknot en verminkt. Hij werd tenslotte vermoord.

Je kan je afvragen, of dit ‘kind van Europa’ niet een waarschuwingssein is. Het is een lot, dat miljoenen kinderen kan wachten. Want zien onze kinderen in de grote steden de sterrenhemel nog? Weten zij, van wie ze afstammen – van goddelijke oorsprong of van de aap? Kennen zij hun vaders en moeders? En leren zij zichzelf kennen? Leven zij ook niet als op water en brood, gekooid en gekerkerd in een wereld, waar de krachten van het kind niet herkend worden?

Rudolf Steiner wees ons op de veranderingen in het tijdsbeeld aan het einde van de 19e eeuw. Hij leerde ons zien hoe de dageraad van een nieuwe tijd zich in de zielen van de mensen aankondigt.

De werking van de huidige tijdgeest, van Michael, wordt zichtbaar in veranderende opvattingen, in een kosmopolitisch wereldbeeld, in vernieuwende tendensen op velerlei gebied. Michael roept ons op, mee te werken een wereld, waar de mens de poorten van de geestelijke wereld weer geopend vindt. Rudolf Steiner gaf gehoor aan de wekroep van Michael, toen hij op de vraag van Emil Molt een nieuwe, Michaelische pedagogie inaugureerde, waarin het drieledige mensenbeeld centraal staat.

Maar wij allemaal kunnen de ‘traagheid des harten’ overwinnen en ieder op ons eigen werkterrein – thuis, in scholen, kantoren en fabrieken -, een omgeving scheppen waarin de mens mogelijkheden tot ontplooiing en rijping vindt, waar hij zijn eigen weg kan herkennen, in samenwerking met andere mensen en waar hij mee kan bouwen aan een wereld, waarin de geest werkzaam wil zijn.

Claartje Wijnbergh, Jonas 4, 21-10-1977

.

H.P. van Manen, Kaspar Hauser

.

Biografieën: alle artikelen

.

1718-1612

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Hildegard von Bingen (2)

.

Over Hildegard von Bingen, hoe werd er een aantal jaren geleden over haar gedacht in haar leefomgeving.
. 

De ‘renaissance’ van Hildegard von Bingen

bazuin van God

Onder een golfplaten afdak, waar net genoeg ruimte is voor het stallen van drie Volkswagenbussen naast elkaar, slaat de firma Würth haar papier- en
dozenafval op. Links in de hoek is daartoe een roestige korf neergezet, en rechts ook. De afvalmanden staan aan weerszijden van een solide betonnen hok. Dat hok nu, voorzien van een zware houten deur met stevige gietijzeren klink, doet dienst als bovengronds portaal voor de middeleeuwse kelders die Franz Josef Würth, baas van Würth Büroland (beproefde reclamespreuk: ‘… denn es ist Ihr Geld’), twintig jaar* geleden als extraatje bij zijn nieuwe bedrijfspand vond.

Sindsdien is diezelfde Würth behalve succesvol verkoper van kantoorbenodigdheden vanzelf ook een beetje historicus en curator geworden. Precies op deze plek stichtte Hildegard von Bingen omstreeks 1150 haar klooster Rupertsberg. Het heet er nog steeds Am Rupertsberg.

Belangstellenden die door het Stadtisches Verkehrsambt van Bingen worden doorverwezen naar Würth in Bingerbrück, het stadsdeel aan de overzijde van de Nahe (een zijtak van de Rijn), worden doorgaans zoveel mogelijk buiten de deur gehouden. Maar vandaag is Herr Würth zelf aanwezig, niet te beroerd om de sleutel te halen die toegang verschaft tot de kelders, en ook nog een rondleidinkje te geven. Waar de administratieve afdeling van de firma is ondergebracht, was vroeger de kloosterkerk. Een arcade met daaronder vijf bogen (afbakening van het middenschip van de kerk) is bewaard gebleven en gerestaureerd. Voor de aanleg van de spoorlijn tussen Keulen en Mainz moest halverwege de vorige eeuw een flink gedeelte van de Rupertsberg mét resterende kloosterruïnes worden opgeblazen. Vanaf de parkeerplaats van Würth kijk je nu boven op de treinrails. Recht vooruit, aan de overkant van de Nahe, is het centrum van Bingen. Links, ver weg in de nevel, zie je flets de Rijn.

Een van de kelders blijkt keurig te zijn opgeknapt. is voorzien van tap en bar en wordt verhuurd als conferentieruimte. Om het historische belang van het schoongeschuurde gewelf nog meer te benadrukken, zijn aan de achterwand reproducties van miniaturen uit originele Hildegard-handschriften opgehangen. Dit zou de crypte moeten wezen waar in den beginne – dat wil zeggen: direct na haar dood in 1179 -de overblijfselen van Hildegard von Bingen werden bijgezet.

‘Bijna elke week komt er een bus met aanhangers voorrijden’ zegt Würth. ‘Overal komen ze vandaan: uit Zwitserland, België. Vorige week had ik bezoek van een Zweedse journaliste, de week daarvoor was er nog een onderzoekster uit Australië. Buiten Bingen is Hildegard veel populairder dan hier.’
Vóór 1998, het alras naderende* herdenkingsjaar (negen eeuwen na Hildegards geboorte) wil Würth de belendende kelders, de voormalige wijnkelders van het klooster die nu nog in gebruik zijn als opslagruimte, hebben omgebouwd tot vergelijkbare zaaltjes.
‘ Ze zouden een uitermate geschikte bestemming kunnen vormen voor het
belangwekkende Hildegard-congres dat staat gepland voor hetzelfde jaar. Uit de ganse wereld zullen mediëvisten, theologen en andere wetenschappers in Bingen bijeenkomen: ze zullen er hun licht laten schijnen over Die Grosse Rheinische Seherin {The Sybil Of The Rhine, Prophetissa Teutonica), naar wie in de literatuur ook wel wordt verwezen als Die Posaune Gottes (de bazuin van God), en – wat minder vroom – Die Mittelalterliche Krauternonne.

Niet dat Hildegard von Bingen verlegen zit om een mooi rond herdenkingsjaar, met de daaraan verbonden pr-stunts die haar naamsbekendheid zouden moeten opkrikken: 816 jaar na haar dood* is ze actueel als nooit tevoren.

Dat May, de plaatselijke boekhandel van Bingen, een plank kan vullen met recente titels die lichamelijke en geestelijke gezondheid prediken volgens de authentieke kruiden-, planten- en edelstenenleer van Hildegard (uit Causae et curae en Physica), zegt al genoeg.

Maar ook in kringen van feministisch angehauchte kerkgangers, priesters en theologen wordt Hildegard op handen gedragen. Helemaal op het toppunt van haar roem is ze in haar hoedanigheid van componiste.

Ze was abdis van twee kloosters, correspondeerde met collega’s, pausen, bisschoppen en keizer Friedrich Barbarossa, bedacht een (tot nu toe ontoegankelijk gebleven) – geheimschrift, schreef in het Latijn met behulp van haar secretaris Volmar twee heiligenbiografieën, een evangelie-exegese, verscheidene werken over natuur en gezondheid, en een trilogie met de weerslag van haar visioenen, waarvan het eerste boek, Scivias {Ken de wegen), geldt als haar standaardwerk: betreffende God, de mens en de kosmos in onderlinge samenhang. Tussendoor genas ze ook nog honderden zieken, predikte ze her en der en bemiddelde ze bij geschillen, terwijl ze bijna onophoudelijk werd getergd door zwaar lichamelijk ongemak.

Haar muzikale oeuvre omvat een moraliteitenzangspel, Ordo virtutum, en bijna tachtig liederen, die tezamen Symphonia harmoniae caelestium revelationum heten – waarmee duidelijk moge zijn dat de composities veeleer het resultaat waren van celestijnse influistering dan van menselijke arbeid. De muziek van Hildegard von Bingen, de Eerste Vrouwelijke Duitse Componist in de Geschiedenis, behoort op het moment* tot de best verkochte in het klassieke segment.

Vision, The Music of Hildegard von Bingen (1994), een strak staaltje van nieuw-zweverigheid (zeg maar: authentiek middeleeuwse gezangen opgetuigd met neo-Indiase klankfrutsels in een koele bedding van Japanse synthesizertechnologie), was door het Amerikaanse label Angel Records bedoeld als opvolger voor de turbo-hit Canto Gregoriano van de Spaanse monniken van Santo Domingo de
Silos. Vision schijnt het best aardig te doen, maar het zijn toch vooral de
Hildegard-cd’s van het ensemble voor middeleeuwse muziek Sequentia (op Deutsche Harmonia Mundi) die aanslaan, en niet alleen bij de hardcore-fans van oude muziek.

Meer dan een kwart miljoen exemplaren zijn wereldwijd verkocht van Canticles of Ecstasy (1994); de release van de nieuwste ‘Hildegard’, Voice of the Blood, ging onlangs zelfs gepaard met een STER-campagne op Nederland 3. En ook Sequentia is al in de ban van 1998: het Amerikaanse ensemble, dat in Keulen domicilie houdt, is vast van plan vóór het aanstaande herdenkingsjaar al haar werken op cd te hebben uitgebracht.

Hildegard von Bingen schreef aan het Gregoriaans ontleende (eenstemmige) antifonen, sequensen en responsoria op eigen Latijnse teksten, waarin zij – dankbaar gebruikmakend van de zeggingskracht van de metafoor – het zegenrijke van de Heilige Drie-eenheid, de Here Jezus, de Maagd Maria, de Heilige Ursula en diverse andere Zalige Lieden bejubelt. Opvallend in haar oeuvre is de veel voorkomende stijgende kwint, vooral aan het begin van een lied of een nieuwe strofe. Het ijl voortkabbelende, tot eenvormigheid neigende engelengezang zou de moderne, jachtige mens weer tot rust brengen. Daarmee verklaren de cd-verkopers het succes van de muziek.

De wereld ligt kan Hildegards voeten, maar in Bingen am Rhein is haar ster nog niet zo hoog gerezen dat een aan haar gewijd museum zonder slag of stoot, als een vanzelfsprekende besteding van gemeenschapsgelden, op de politieke agenda kan worden gezet. Hildegard is onderwerp van twist en strijd. Bij de onlangs gehouden Oberbürgermeisterwahl werd ze zelfs als verkiezingsthema opgevoerd.
‘Heel dom’, zegt Frau Schönfeld, prehistorica/archeologe, en betrokken bij de organisatie van het Hildegard-congres in 1998. Want door de verkiezingen is de museumdiscussie in een stroomversnelling terechtgekomen, en niemand is daarbij gebaat.

Of Oberbürgermeisterin Birgit Collin-Langen van de CDU, die als winnaar uit de bus kwam, Hildegard daadwerkelijk zo’n warm hart toedraagt als ze tijdens haar campagne deed voorkomen, moet nog maar blijken. Wel is duidelijk geworden dat velen in Bingen zijn gekant tegen een museumbestemming voor het gebouw aan de oever van de Rijn dat de Hildegard-lobbyisten hebben bestempeld als droompand – het is in 1898 in gebruik genomen door het elektriciteitsbedrijf. ‘Het is van 1898!’, zegt Schönfeld. ‘Dat is toch ongelooflijk. En heb je gezien hoe die straat heet? Museumstrasse! Terwijl daar nooit een museum is geweest.’

Belachelijk om op die plek een museum te beginnen, honen de cynici. Zodra de Rijn ook maar een beetje buiten zijn oevers treedt, kan niemand nog het pand bereiken. Anderen – de Groenen – menen dat met elke mark die wordt gespendeerd aan de prestigieuze Hildegard er één verloren gaat voor de armlastige jongerencultuur. Museumstraat 3 zou juist een prachtig adres zijn voor een geheel eigentijdse rocktempel!

Zoals de kaarten nu liggen, maakt de erfenis van Hildegard weinig kans op museaal onderdak in Bingen, en al helemaal niet voor 1998. Of de ijveraars voor een museum voor de dichter Stefan George (1868-1933), die eveneens uit de omgeving stamt, zouden een hoekje vrij moeten maken in het piepkleine onderkomen dat ze onlangs na jarenlang gesoebat toegewezen hebben gekregen.

Dat Hildegard evengoed tweedracht zaait onder haar voorsprekers, blijkt wel tijdens een korte nazit in de pastorie van de Rochuskapelle na afloop van de eucharistieviering op zondagochtend. Haar wonderlijke gaven komen ter sprake, en pastoor Von Karsenbrinck (die met een groep van veertig de Arbeitskreis zur Förderung der Hildegardtradition in Bingen vormt) doet verhaal van de genezing van de blinde jongen aan de oever van de Rijn, ten gevolge van het handje rivierwater dat Hildegard uit de losse pols in zijn gezicht gooide.

‘Dat is legendevorming’, wijst Schönfeld hem terecht. ‘Nou, het is officieel’, zegt de pastoor. ‘Het voorval wordt ook aangehaald in de papieren van de procedure die tot haar heiligverklaring had moeten leiden.’

Ook in Bingen zijn sommige aanhangers van Hildegard voor alles gelovigen, en anderen niet. Langs officiële weg is Hildegard nooit heilig verklaard; de kerkelijke ambtenaren van het bisdom Mainz die ‘haar geval’ rechercheerden in opdracht van paus Gregorius IX kwamen terug met te veel vaagheden en losse eindjes, waardoor het ontbrak aan bewijzen voor de meeste van haar wonderen. In de dagelijkse praktijk werd ze door het volk wel als heilige vereerd. Daaraan heeft ze de bijschrijving van haar naam in het Martyrologium Romanum te danken – 17 september is haar feestdag.

Op haar achtste werd Hildegard, jongste dochter van graaf Von Bermersheim in Alzey, overgedragen aan de zorg van Jutta von Sponheim, die aan het hoofd stond van de kleine vrouwenafdeling van het benedictijnse klooster op de Disibodenberg. Toen Jutta in 1136 overleed; kozen de nonnen unaniem voor Hildegard als haar opvolgster.

Even buiten het dorp Staudernheim, een half uur rijden van Bingen op de weg naar Idar-Oberstein, zijn de ruïnes van het klooster op de Disibodenberg nog te vinden. Van hier zou Hildegard met haar gevolg later naar de Rupertsberg in Bingen verhuizen. Het aantal zusters was tegen die tijd dermate toegenomen dat het onderkomen op de Disibodenberg te klein was geworden. Maar Hildegards verlangen naar een eigen klooster, onafhankelijk van het mannenklooster, was net zo goed een reden van vertrek.

Hildegard was een slimme tante die avant la lettre al van netzworking wist: ze wist uiteindelijk de hardnekkige tegenstand van de abt van de Disibodenberg, wiens toestemming ze nodig had voor de verhuisplannen, te breken dank zij tussenkomst van hooggeplaatste figuren uit adellijke en klerikale kringen. Ze bleek bovendien te beschikken over de contacten die nodig waren om van het bestaande, schamele kloostertje op de Rupertsberg de comfortabele abdij te kunnen maken die het al gauw werd: met stallen, wijngaarden, korenvelden en riante tuinen vol geneeskrachtige planten en kruiden. De abdij groeide zelfs zo —voorspoedig dat Hildegard in de loop van de jaren langzaam maar zeker ging uitkijken naar een plek voor een dependance.
Die vond ze omstreeks 1165 aan de overkant van de Rijn, in Eibingen (een stadsdeel van Rüdesheim). Twee maal. per week maakte ze vanaf die tijd de oversteek om zich persoonlijk te vergewissen van de gang van zaken aldaar. De parochiekerk van Eibingen, waar de relikwieën van de heilige Hildegard worden bewaard, markeert de plaats van het klooster. Even buiten de bebouwde kom, tussen de uitgestrekte wijngaarden, ligt de moderne abdij van St-Hildegard (van 1904) – met magnifiek uitzicht over het Rijndal. Met de historische figuur heeft het klooster weinig uit te staan, toch is het een trekpleister voor Hildegard-toeristen die in de bijbehorende boek- en cadeaushop kaarsen, wijn,
kloosterlikeur, ansichtkaarten, meditatie-suggesties van Dorothee Sölle of Hilde-gard-cd’s van de schola van het St-Hildegardklooster inslaan. Hildegard-glas-in-lood-raamversieringen kosten 320 mark*. Hildegard-beelden (staf in de ene hand en boek, perkamentrol en inktpot met veer in de andere) variëren – afhankelijk van de grootte en kleurstelling – in prijs van zeshonderd tot zestienhonderd mark.

Hildegards ‘renaissance’ is een teken van luxe, zegt H. von Racknitz, wiens vrouw de hofstede onder aan de Disibodenberg van een oom erfde, compleet met kloosterruïne boven op de berg. Zij hebben geen tijd voor het consciëntieus bestuderen van ‘de Scivias’, het dikke boek dat Hildegard ‘hier boven op de berg’ schreef, al zouden ze nog zo graag willen.

‘Alleen wie het goed gaat, heeft zoveel tijd’, zegt hij onder het inschenken van een appellikeurtje van eigen oogst. ‘En sommige mensen gaat het zo goed dat ze ziek worden en dan ineens wonderen verwachten van Hildegard. Maar er zijn ook mensen die in dialoog treden met haar geschriften en de samenhang der dingen in de wereld weer willen zien. Dat is wat we van haar kunnen leren.’

In de zomer leidt hij complete reisgezelschappen rond over het beboste plateau met middeleeuwse muurresten, dat een natuurlijk decor lijkt voor de eerste de beste Wagner-opera. Nu het koud is en een weinig sneeuw de gang naar boven bemoeilijkt, blijft hij liever beneden.

Hij wordt bovendien aanstonds aan tafel verwacht. ‘Wij zijn landlui, en landlui eten om twaalf uur.’

Recente cd’s:

Hildegard von Bingen: Voice of the Blood. Sequentia, Deutsche Harmonia Mundi 77346 2.

Hildegard von Bingen: Canticles of Ecstasy. Sequentia, Deutsche Harmonia Mundi 77320 2.

Hildegard von Bingen. Schola der Benediktinerinnenabtei St Hildegard Rüdes-heim-Eibingen, Bayer Records 100 116. Vision. The Music of Hildegard von Bingen. Angel Records 55246 21.

.

Nicole Baartman, Volkskrant 29-12-1995

.

Hildegard von Bingen [1]

Biografieën op deze blog

.

1717-1611

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Hildegard von Bingen (1)

.

Hildegard von Bingen 1098-1179

bazuin van het levende licht

Hildegard von Bingen, een opvallende en intrigerende middeleeuwse vrouw. Ze was zieneres, arts, natuurkundige, dichteres en componiste.

Hildegard, een wonderbaarlijke vrouw die streefde naar liefde in de meest sublieme vorm.

De abdis Hildegard von Bingen (1098-1179) geniet in steeds bredere kring belangstelling. Het is de moeite waard de vraag te stellen naar het waarom van die ontwikkeling. Vooral sinds haar achthonderdste sterfjaar in 1979 is zij regelmatiger onder de schijnwerpers geplaatst dan voorheen en is het aantal publicaties over haar toegenomen. Voorop staat dat dit geheel en al past binnen de huidige tendens om grote vrouwen uit het verleden alsnog de plaats te geven die zij verdienen en dat er met name een groeiende belangstelling is voor creatieve en mystieke vrouwen. In niet alle gevallen blijkt wat vanuit dit streven onder het stof vandaan gehaald en opgepoetst wordt van even grote waarde. In het geval van Hildegard, die door haar tot dusver merendeels rooms-katholieke en theologisch geschoolde biografen wat in de verdrukking werd gebracht – verbijsterd als men was door zo’n veelomvattend, vrouwelijk talent – is dat zeer zeker wel het geval geweest. Dankzij een enigszins modieuze beweging is ‘een achterstand’ op algemeen cultuurhistorisch gebied ingehaald.

Tot voor kort werd Hildegard hoofdzakelijk als heilige, als Sint-Hildegardis benaderd en zelfs het meest recente onderzoek van betekenis was en is in handen van monialen, geleerde nonnen uit het Hildegardklooster te Eibingen. In tegenstelling tot hun voorgangers hebben zij ‘het erotische’ in het
wereldconcept van Hildegard niet geschuwd en daaraan aandacht gegeven in diverse toelichtingen op moderne uitgaven van haar werk. Deze ‘erotische’ levenshouding dient in de oorspronkelijke, platonische zin te worden uitgelegd. Haar vijftien boeken, driehonderd brieven, talrijke gedichten en een kleine tachtig muziekwerken getuigen in beginsel allemaal van hetzelfde: of Hildegard nu over de vissen in de Rijn, de structuur van de kosmos, een besmettelijke ziekte of muziek schrijft, zij getuigt van haar opgenomen zijn in het Al, haar verbondenheid met de oerkrachten van het leven, het mysterie dat zich in visioenen aan haar openbaart als de christelijke God, als iets dat tot haar spreekt met, zoals ze zegt ‘de stem van het levende licht’.

De muziek die zij zo van boven ‘ontvangt’ noemt ze ‘de klank van het levende licht’. Het licht klinkt in en door haar, en met deze kruising van zintuiglijke categorieën bevindt zij zich op het terrein dat wij heden ten dage omschrijven als synesthesie. Zelf noemt zij zich ‘de bazuinklank van het levende licht’. Zij is het instrument, de bazuin, die uit zichzelf niets vermag en uit zichzelf niet kan klinken en die alleen door adem (van God) geluid kan voortbrengen. Zij is in haar wezen en werk een instrument Gods. Maar wie zich de vrijheid permitteert haar niet enkel en alleen vanuit christelijke hoek te interpreteren (wat nauwelijks mogelijk is) zou voor wat dit aspect betreft ook kunnen zeggen dat ze getuigt van haar kosmische verbondenheid met de diepste essenties van het bestaan. Wat haar in de meest letterlijke zin beweegt is dus een erotische kracht, een allesomvattend en alles insluitend streven naar ‘het schone’, naar integratie, eenwording, genezing en ook naar dat wat in de zo courante term ‘heelwording’ ligt besloten. Liefde in de meest sublieme vorm.

Mystica

De hernieuwde en geprofaniseerde belangstelling voor Hildegard in kringen van de alternatieve leefgewoonten heeft haar vooral geprofileerd in haar hoedanigheid als arts en als deskundige op het gebied van kruiden. Naast dit eenzijdig gekleurde beeld werd een niet minder beperkte visie ontwikkeld van Hildegard als ‘onze eerste vrouwelijke componist’. Het is echter onjuist om haar anders te interpreteren en etiketteren dan met de enige omschrijving die al haar activiteiten (als arts, natuurkundige, briefschrijfster, dichteres en componiste) insluit, namelijk mystica.

Daarnaast is het ook van belang om te beseffen dat de al ingesleten en ten aanzien van haar ingeburgerde term componist als aanduiding van schrijver of schrijfster van muziek in de twaalfde eeuw (nog) niet mag worden gebruikt. Wat betreft haar scheppende muzikale activiteiten hoort Hildegard geplaatst te worden ‘in het beeld van haar tijd’. Dat wil in de praktijk zeggen: in schril contrast tot dat beeld en tot die context, omdat haar muziek en ook de bedoeling van haar muziek in het geheel niet past binnen welke twaalfde-eeuwse mode dan ook, of het zou de op diverse fronten groeiende hang naar verzelfstandiging, individualisering moeten zijn. Het enige dat Hildegard als ‘componist’ met haar collega’s uit haar eigen tijd gemeen heeft, met de troubadours en trouvères in Frankrijk en met de minnezanger in haar eigen land is het feit dat ook zij haar eigen teksten schrijft en dat haar muziek, althans in manuscript eenstemmig,
vocaal is geconcipieerd. Voor zover het Latijnse componere (samenstellen) op Hildegard betrekking kan hebben en voor zover ze het woord ook zelf gebruikt, duidt het op een veel bredere dan louter muzikale activiteit, namelijk het samenstellen of beter gezegd het herrstellen van een ‘oorspronkelijke’ eenheid (in Christus).

Dat Hildegard aan de muziek een zeer hoge kwaliteit toekent wanneer er van dit kosmische ‘herstel’ en op ‘de grote samenhang der dingen’ gerichte creativiteit sprake is, moet opgevat worden als heel veelzeggend. Zij noemt muziek niets minder dan ‘samenklank (symphonia) van de harmonie der hemelse openbaringen’. Zij volgt met die omschrijving eigenlijk tamelijk exact de opvatting van het begrip musica binnen het systeem van de middeleeuwse artes liberales: de zeven vrije kunsten, waarbinnen de muziek toendertijd tot het ‘wiskundepakket’ behoorde. En waarbinnen, althans wat betreft enkele aspecten ervan, de muziek gelieerd was met ‘de structuur van de kosmos’, de grote wetmatigheden die door middel van trillingsverhoudingen de hemellichamen ‘zoemend’ elkaar in evenwicht houden, overeenkomstig de in deze tijd verbreide idee van ‘de harmonie der sferen’. De diepste wetmatigheden binnen de kosmos zijn niet zichtbaar maar hoorbaar en uit te drukken in getalsverhoudingen. De kosmos klinkt en de harmonie is van een in hoge mate wiskunstige kwaliteit. De grondwet van het heelal ligt op het grensgebied van muziek en wiskunde.

Bron van jaloezie

Het is van belang om te benadrukken dat de muziek van Hildegard is geschreven vanuit een mystieke inspiratie en het is evenzeer van belang om het verband tussen mystiek en muziek, mystiek en kunst, respectievelijk mystici en kunstenaars te benadrukken. Bij allen is sprake van een verlangen naar het overschrijden van de grenzen van het ik, van een inspiratie, een receptieve, op de ‘binnenwereld’ gerichte houding en van een drang tot omvormen, transformeren van de puur zintuiglijke ervaring.

Hildegard schreef zevenenzeventig liederen en een allegorisch muziekspel (ordo virtutum: het spel der deugden) overgeleverd in diverse handschriften, waarvan een aantal alleen teksten geeft zonder aanduiding van muziek. Aan de liederen werd pas in 1913 voor het eerst enige aandacht gegeven in een facsimile uitgave ervan. Maar het echte onderzoek naar de karakteristieken van deze muziek, de transcriptie van de neumen en de vertaling van de bij de muziek horende teksten moest toen nog bijna een halve eeuw op zich laten wachten.

Een enorme vertraging werd veroorzaakt door het werk dat in de jaren vijftig verricht moest worden naar aanleiding van vele aantijgingen als zou het totale Hildegard-oeuvre een vervalsing zijn, de muziek incluis. Nadat de zusters uit het Hildegardklooster de echtheid van het werk en het auteurschap van Hildegard op wetenschappelijk onweerlegbare wijze hadden aangetoond, schaarden diverse deskundigen zich aan de zijde van de geleerde nonnen om – eindelijk – een ‘Kritische Ausgabe’ te verzorgen.

Dat het noodzakelijk is geweest om het betreffende onderzoek naar het auteurschap te doen plaats vinden is een teken aan de wand en spreekt boekdelen omtrent de argwaan die in de loop der eeuwen binnen de
wetenschapstradities is gevoeld, gekweekt en gekoesterd ten opzichte van een geniale, non-conformistische vrouw. Een vrouw die zich tijdens een groot deel van haar leven weliswaar mocht verheugen in de goodwill van de allerhoogste kerkelijke instanties, de paus en diverse bisschoppen, maar die op het niveau van haar meest directe ‘broeders’, getuige de briefwisseling met haar klerikale buurt- en streekgenoten, een bron van jaloezie en ergernis is geweest. Men zou zich in dit verband kunnen afvragen waarom niemand ooit op het idee gekomen is om de aan Hildegards allergrootste collega, de mysticus Bernardus van Clairveaux, toegeschreven werken op het auteurschap te gaan onderzoeken, of om te betwijfelen of zijn talrijke brieven eigenlijk wel echt door hem geschreven zijn.

Het is niet eenvoudig om een indruk van Hildegards muziek te geven omdat zij zich, zoals gezegd, ook wat betreft dit creatieve aspect van haar persoon nogal aan de heersende normen heeft onttrokken. De liederen, waarvan een opvallend groot aantal aan Maria is gewijd en waarvan enkele teksten erg moeilijk toegankelijk, zeer ‘hermetisch’ zijn, werden in gregoriaanse notatie overgeleverd en dragen voor een deel ook binnen het liturgische repertoire passende aanduidingen zoals antifoon, responsorium, hymne en sequens. Vaak echter vertonen deze liederen nauwelijks enige overeenkomst met wat men in strikte zin onder deze vormen placht en pleegt te verstaan.

Hildegard schreef deze melodieën ter aanvulling op de bestaande liturgische gezangen zoals die dagelijks in haar eigen klooster ten gehore werden gebracht. Het hoofdkenmerk ervan, dat door elke zelfs oppervlakkige toehorende luisteraar wordt opgemerkt, is de enorme ambitus (soms in de orde van anderhalf octaaf). Hieruit moet worden geconcludeerd dat Hildegard op de Rupertsberg te Bingen kon beschikken over een uitzonderlijk geoefend koor, en dat de zangpraktijk in haar klooster op een even indrukwekkend niveau gestaan moet hebben als de miniatuur – en schrijfkunst die – eveneens onder haar leiding – gericht was op het ‘in beeld brengen’ respectievelijk het in woorden weergeven van haar visioenen van de ‘heilsgeschiedenis’ van de mens, de oorsprong en de ondergang van het leven, de dag des oordeels, de kerk en vele andere thema’s.

Vermogen tot zien

Zoals met meer grote persoonlijkheden uit de middeleeuwen het geval is, en in tegenstelling tot wat opgaat voor vele grootheden van recenter datum, is het vrijwel onmogelijk om directe verbanden te leggen tussen Hildegards leven en haar oeuvre. Een uitzondering geldt hier voor de honderden brieven waarin zij een voortdurende dialoog voerde met talrijke, al dan niet vooraanstaande, tijdgenoten. Onder hen waren de pausen Eugenius en Anastasius, een bekend wereldheerser als Frederik Barbarossa, aartsbisschoppen, bisschoppen, maar ook veel lagere functionarissen in de klerikale of seculaire wereld. Vanuit een duidelijke behoefte aan wat wij heden ten dage zouden omschrijven als engagement maar vooral uit de roeping van ‘de stem van het levende licht’ heeft Hildegard van zich laten horen, bemoedigend, vermanend, al naar gelang de aard van de situatie.

Voor haar overige geschriften is een poging tot koppeling van haar biografie aan haar werk niet aan de orde. Wat zich hier doet gelden is onze geconditioneerdheid op premissen uit de Romantiek, waarin haast vanzelfsprekende dwarsverbindingen tussen de mens, zijn leven en zijn werk aan te geven zijn. Dergelijke dwarsverbindingen kunnen in andere cultuurtijdperken, met name de middeleeuwen, niet gemaakt worden. Dit houdt echter niet in dat er in het leven van Hildegard geen hoogtepunten aan gegeven kunnen worden, of dat haar biografie niet de moeite waard zou zijn. Integendeel, maar hij staat los van haar geestelijke nalatenschap. De enige, zeer belangrijke melding van biografische aard in haar eigen tekst is te vinden in het begin van haar visioenentrilogie die opent met het Liber Scivias, het boek ‘ken de wegen’, waar zij zegt dat zij tweeënveertig jaar en zeven maanden oud was toen ‘de hemel openbarstte in een vurig licht’, en toen zij, in een flits de diepste betekenissen van de christelijke doctrine doorschouwde. In diverse brieven meldt zij echter dat zij dit vermogen tot zien al vanaf haar kinderjaren bezat. Het beangstigde haar omdat zij – hier bedient zij zich wellicht van een cliché – immers ononderwezen en ongeletterd was, te meer nog beklagenswaardig’ in haar hoedanigheid als vrouw’, zodat zij zich als het ware verpletterd voelt door ‘het weten’ dat tot haar doordringt vanuit de hemel.

Met nadruk herhaalt ze in brieven, onder meer aan Bernardus van Clairveaux, dat ze bij dit proces van zien nooit in extase is, maar geheel bij zinnen. Ze ziet slapende en wakende, zegt ze; zowel overdag als ’s nachts. Ze ziet niet met haar lichamelijke ogen, maar met de ogen van haar ziel. Als een verterende vlam beroert het vermogen haar ziel, en wat haar aldus ‘overkomt’ is zó overweldigend dat het haar ziek maakt, of ook klachten aan haar ogen bezorgt die pas verdwijnen wanneer ze aan haar opdracht om neer te schrijven wat ze zag, voldaan heeft. De gedeeltelijke blindheid waarvan ze melding maakt moet misschien in overdrachtelijke zin worden geïnterpreteerd: ze is ziende blind…

De Kosmosmens, visioen van Hildegard von Bingen. Hildegard zelf zit links
onder.
.

Bloeiend klooster

Wanneer men probeert Hildegard te vergelijken met andere mystici uit de loop der tijden ofwel zich tracht te bezinnen op de vraag waarom zij een mystica genoemd moet worden dan is opvallend dat zij in tegenstelling tot vele collega’s nergens getuigt van een ontmoeting, een metafysisch of lichamelijk beleven van de goddelijke aanwezigheid. Hildegard voelt zich bovenal kosmisch instrument: het goddelijke spreekt in haar en door haar terwijl ze daarvan zelf deel uitmaakt.

Seksuele aspecten die bijvoorbeeld bij de dertiende-eeuwse Hadwijch of de zestiende-eeuwse Teresa van Avila een rol spelen in het ondergaan van een confrontatie met een goddelijk persoon, spelen bij Hildegard geen rol. Zij is niet minder extatisch van toon in het registreren van haar ‘beelden’, die voor ons nauwelijks nog zijn te verstaan dan haar mystieke zusters, maar zij baadt minder in lichamelijke gevoelens, is rationeler. Ze legt zo helder mogelijk getuigenis af en voegt daarbij – wat geheel uniek is – ook nog eens de uitleg die ‘de stem van boven’ haar geeft omtrent haar visioenen. Een uitleg die ons weinig verder helpt in het werkelijk doorgronden van wat zij ziet. Om deze tekens, acht eeuwen geleden geschreven en geschilderd, beter te verstaan dan nu mogelijk is, zou een diepgaand, gecombineerd iconologisch-dieptepsychologisch onderzoek moeten worden verricht. Zolang dit niet is geschied, is een niet door theologische condities bepaalde verklaring van Hildegards visioenen onmogelijk, hoe intrigerend ze ook zijn wanneer de leek er voor het eerst mee geconfronteerd wordt.

Een van de meest in het oog springende biografische feiten is gelegen in de moeizame wijze waarop zij zich, alweer gedreven door ‘de stem’, met de onder haar gezag ressorterende nonnen los maakte van het mannelijke kloostergezag. Rond 1150 besloot zij een zelfstandig vrouwenklooster te stichten en verliet de mannelijke Benedictijnen voor wie haar nonnen land dienden te bewerken. Met hulp van de aartsbisschop van Mainz (opvallend is, zoals gezegd, dat Hildegard vrijwel steeds de hogere clerus aan haar zijde weet te krijgen en met de lagere conflicten heeft) verwerft zij landerijen te Bingen. (De voormalige ‘standplaats’ van haar vrouwenafdeling was het klooster op de Disibodenberg, nabij Böckelheim.) Na deze escapade en vooral nadat het Hildegard is gelukt om met haar bloeiende klooster in het middelpunt van de belangstelling te komen, blijven er spanningen tussen de kloosters te Disibodeberg en Rupertsberg. Vanuit de voormalige vestigingsplaats van de vrouwelijke monialen blijft de abt proberen hen weer onder zijn gezag terug te krijgen.
Zonder succes.
Hildegard zoekt zelfs nog verdere expansie. Een aantal jaren na de conflictueuze kloosterverhuizing annexeert zij leegstaande gebouwen, oorspronkelijk bezit van Augustijner monniken, aan de andere kant van de Rijn te Eibingen en sticht daar een soort filiaal dat zij wekelijks te paard bezoekt. Het is dit klooster te Eibingen waar het voornaamste Hildegardonderzoek nog steeds in volle gang is en het zijn de hier wonende en werkende nonnen die haar werk al gedeeltelijk uitgaven, haar muziek transcribeerden, op de plaat uitbrachten en die, naar het zich laat aanzien ook in de komende jaren in het Hildegardonderzoek althans in veelzijdigheid niet voor hun voorgangster zullen onderdoen.

Literatuur: Hildegard, een vrouwelijk genie in de late middeleeuwen. – Etty Mulder. Uitg. Ambo.
.

Etty Mulder, Jonas 5, 29-10-1982

.

Biografieën: alle biografieën

.

1716-1610

.

.

VRIJESCHOOL – Biografieën – Elisabeth Kübler Ross

.

Elisabeth Kübler Ross

Mijn vader* stierf toen ik zestien was. Onvoorbereid, onbewust, beleefde ik aanvankelijk een gevoel van bevrijding, en dan bedoel ik de bevrijding die hij beleefde om verlost te zijn van zijn zieke lichaam. Toen daarna de pijn en het verdriet van het gemis kwamen, wist ik daar geen raad mee. Flink zijn en niet huilen was het devies waarmee ik was groot gebracht. Jaren later vertelde ik met veel tranen het hele verhaal aan iemand die niet bang was om ‘pijnlijke’ vragen te stellen, en daarmee begon het bevroren verdriet te ontdooien. Daarna begon ik te lezen over sterven, het rouwproces. Het baanbrekende boek van Elisabeth Kübler Ross ‘Lessen voor levenden, gesprekken met stervenden’ heeft toen al veel voor mij betekend. Door het lezen en nadenken over zowel de praktische problemen (‘Moet ik de zieke vertellen dat hij stervende is?’) als de spirituele betekenis van de dood was ik veel beter voorbereid toen mijn moeder binnen drie maanden overleed, waardoor wij haar zo goed mogelijk konden begeleiden tot aan de poort van de dood. Werkende met rouwgroepen (dit zijn kleine groepen waarin mensen die hun partner of kind hebben verloren elkaar helpen om hun rouwproces, hun gevoelens te uiten, te herkennen en te accepteren) bleef ik met de vraag rondlopen hoe een synthese te vinden tussen het emotionele niveau in ons, dat vol tegenstrijdige gevoelens kan zitten van woede, angst, schuld en nog veel meer, en het spirituele niveau waarin we weten dat de dood de poort is naar de geestelijke wereld, waarin we onze dierbaren met vertrouwen kunnen laten gaan en waarbij het gevoel van bevrijding en diepe verbondenheid hoort, dat we kunnen voelen als we kijken naar het gezicht van iemand die pas gestorven is. Ontzag ook voor een groot mysterie waar je niet bang voor hoeft te zijn en wat op een wonderlijke wijze doet denken aan een geboorte.

Op zoek naar die synthese nam ik samen met ongeneeslijk zieke mensen, ouders die een kind verloren hadden, artsen, huisvrouwen, verpleegkundigen enzovoort, deel aan een vijfdaagse workshop die Elisabeth Kübler Ross enkele maanden geleden* hier in Nederland hield. Zij heeft ons die synthese voorgeleefd door beide niveaus in ons onvoorwaardelijk te accepteren en door ons veel te vertellen van haar eigen ervaringen.

Drieling

Elisabeth Kübler Ross wordt op 8 juli 1926 in Zwitserland geboren als een van een drieling. Erika en zij zijn identiek en piepklein, het zusje Eva heeft een normaal gewicht en ziet er heel anders uit. Zeer tegen de zin van de ziekenhuisstaf neemt moeder de kindertjes mee naar huis om ze zelf te voeden, dag en nacht om de twee uur, dus aan slapen komt zij nauwelijks toe. Het mondje van Elisabeth is te klein om bij haar moeder te kunnen drinken en daarom wordt zij met een poppenzuigflesje gevoed.

Als de drieling opgroeit trekken zij met hun gelijke kleertjes sterk de aandacht. Erika en Elisabeth lijken zó op elkaar dat zelfs de ouders ze vaak niet uit elkaar weten te houden. De kindertjes worden overal aangestaard en zelfs gebruikt voor reclame. Elisabeth trekt een knoop van haar jurk om het gemakkelijker te maken haar te herkennen. Wat is zij blij als iemand haar bij haar eigen naam noemt.

Het gezin (er is nog één ouder broertje) is hecht, vrolijk en gezellig. Het chalet waar zij wonen staat op een zonnige helling, de tuin is groot, de alpenweiden vlakbij, ’s Zomers ruikt het naar hooi en ’s winters naar houtvuren. Binnen is alles netjes op z’n plaats, alles glimt en glanst, de geraniums bloeien op het balkon. Vader gaat elke dag met de trein naar Zürich (hij zit in de handel) en moeder wijdt al haar energie aan het huishouden en de moestuin. De kinderen werken vanzelfsprekend mee, de regels zijn duidelijk en er wordt absolute gehoorzaamheid verwacht. Omdat Elisabeth eigengereider en brutaler is dan haar zusjes, krijgt zij heel wat keren een pak slaag met de mattenklopper. Vieze voeten op het kleed of ruzie maken wordt gestraft met opsluiting in de kelder, een straf die Elisabeth welgemoed ondergaat want zij is graag alleen, zodat zij haar fantasie de vrije loop kan laten. Maar vader die zo streng kan zijn, blijft nooit lang boos. Vaak gaat hij dan aan de piano zitten en met zijn mooie bas zet hij een loflied op de bergen in, en al gauw zingt het hele gezin mee. Er wordt trouwens heel veel gezongen, vooral met Kerstmis, wat ieder jaar weer een hoogtepunt is, met de echte kaarsjes in de boom en het heerlijke gebak van moeder.

Als vierjarig kind is Elisabeth zó onder de indruk van een boek over Afrika, dat zij een taaltje bedenkt dat voor haar Afrikaans is en dat haar zusjes ook leren. Vlak na haar vijfde verjaardag komt een groep Afrikanen muziek maken in Zürich. Elisabeth weet ongezien met de trein mee te rijden en geniet intens van de Afrikaanse drums. Thuisgebracht door een familielid, die het verbaasde kind gevonden heeft, krijgt zij een flink pak slaag. Kort daarop krijgt zij een ernstige longontsteking. Wekenlang zweeft zij tussen leven en dood, achter glas geïsoleerd, samen met een stervend meisje van zeven jaar. Hoewel zij de kracht niet hebben om veel te praten is het gevoel van verbondenheid tussen de twee kinderen groot en wanneer het andere meisje sterft heeft Elisabeth daar vrede mee, hoewel zij de angst ziet in de ogen van de volwassenen. Uiteindelijk komt haar vader naast haar liggen om haar wat van zijn eigen bloed te geven. Met zijn krachtige warme stem belooft hij haar een negerpopje wanneer zij weer beter is. Dat wordt voor haar een begin van herstel, en na enkele weken keert zij naar huis terug met het negerpopje in de armen, het mooiste cadeau dat zij ooit gehad heeft en eindelijk iets wat haar zusjes niet precies hetzelfde hebben.

Omdat Eva veel contact heeft met moeder en Erika veel met vader voelt Elisabeth zich vaak eenzaam. Dan gaat zij naar haar konijntjes die zij knuffelt en streelt. Zo af en toe moet zij een van haar konijnen naar de slager brengen, buiten wachten, en het pakje vlees weer mee terug nemen. Onbeschrijfelijk is haar verdriet wanneer de slager haar vertelt dat haar zo juist geslachte lievelingskonijn over een paar dagen jonkies gehad zou hebben.

Elisabeth is een mager en erg actief kind, onmiddellijk fel partij kiezend voor ieder die in een onderdrukte positie verkeert. De dominee, die zijn eigen kinderen zo slaat dat zij nauwelijks kunnen zitten, maakt haar zo woedend, wanneer hij Eva onterecht straft, dat zij hem haar gebedenboek naar het hoofd slingert.

Van heel jongs af aan geniet Elisabeth intens van de schoonheid van de natuur, en zij deelt deze liefde met haar vader. Actiever en energieker dan haar zusjes, maakt zij met haar vader bijna ieder weekend grote bergtochten, van hütte naar hütte klimmend, ’s winters skiënd. Er is een rots, door bos omgeven die niemand ziet en waar Elisabeth vaak naar toe gaat, dat is haar ‘heilige plaats’ en spontaan strekt zij haar armen omhoog naar de zon in een soort ritueel dat voor haar volkomen natuurlijk is.

Dan komt de oorlog en Elisabeth hoort over de radio van de inval van de Duitsers in Polen en zij doet zichzelf de plechtige belofte dat zij de Polen zal gaan helpen zodra zij dat kan.

Wanneer de meisjes zestien zijn, beslist vader over hun verdere opleiding. Elisabeth mag bij hem in de zaak een opleiding in de handel volgen. Dat is het laatste wat zij wil, zij wil arts worden. Duidelijk zegt zij ‘nee’, woedend stuurt vader haar het huis uit, moeder helpt haar een dienstje te zoeken bij een weduwe in Frans-Zwitserland en enkele dagen later verlaat ze dapper het ouderlijk huis.

Bij de weduwe heeft zij een afschuwelijke tijd. Zij moet werken van ’s morgens zes tot ’s avonds twaalf. Zij besluit de dag met het brengen van een kopje thee naar mevrouw en haar minnaar. De drie kinderen, waar zij voor moet zorgen, betekenen tenminste nog een beetje menselijke warmte. Zij krijgt zo weinig te eten dat zij vaak staat te zwaaien op haar benen, maar haar trots verbiedt haar om hierover ook maar te reppen in haar opgewekte brieven naar huis.

Na een paar maanden geeft mevrouw een groot diner. Na de afwas zit Elisabeth uitgeput aan de keukentafel de restjes op te eten als een vriendelijke oude man binnen komt, die zich voorstelt als professor Fouché. Belangstellend vraagt hij wat een intelligent meisje als zij hier doet. Met trillende lippen vertelt zij hoe zij hier terecht is gekomen en dat zij eigenlijk medicijnen wil studeren. Hij geeft haar zijn naamkaartje en belooft haar te helpen een baantje te vinden als laboratoriumassistente.
Vijf dagen later vertelt madame haar dat professor Fouché is gestorven.

Op kerstavond wordt een grote kerstboom gebracht en Elisabeth helpt de kinderen met versieren. Als madame dat ziet stuurt zij Elisabeth streng terug naar de keuken. Dit is voor Elisabeth de laatste druppel en zij besluit weg te lopen, maar zij heeft maar een paar francs. Diep in de nacht verlaat zij stilletjes het huis en kan nog net een kaartje naar Genève betalen, waar zij een zuster van madame opbelt die haar in huis neemt, verkleumd en hongerig.

Werkkampen

Eenmaal weer thuis blijft Elisabeth weigeren om bij haar vader te komen werken. Vader geeft toe en zij gaat werken als laboratoriumassistente in de afdeling dermatologie van het ziekenhuis. Zij is net achttien als daar, ten gevolge van de invasie in Normandië, een niet aflatende stroom vluchtelingen uit Frankrijk aankomt, die juist in haar afdeling ontluisd en opgevangen moet worden. Zij werkt van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat en voelt zich in haar element. Na een paar weken is zij zo bleek en mager dat haar ouders haar verbieden op zondag ook nog te gaan werken. Zij bedenkt een smoes, zegt dat zij naar haar vrienden gaat, gaat tóch naar de vluchtelingen en zegt later thuis: ‘dat zijn toch mijn vrienden?’

Na de oorlog is haar verlangen om te helpen in de getroffen gebieden zo sterk dat zij de professor, voor wie zij werkt, vraagt haar verlof te geven de hele zomer weg te gaan. Zo werkt zij enkele jaren achter elkaar ’s zomers in werkkampen in Frankrijk, België en Polen. In die kampen ontmoet zij jongens en meisjes uit alle landen die gedreven worden door hetzelfde idealisme en dezelfde werkkracht. Elisabeth werkt meestal als kok, en wat is het moeilijk om iedere dag weer wat eten bij elkaar te scharrelen, ’s Avonds zingen zij om het kampvuur volksliedjes uit de verschillende landen.

In Polen bezoekt zij het concentratiekamp Maidanek. Het eerste wat zij ziet is een wagon, vol met schoentjes van kinderen die vergast zijn. Door de verlaten barakken dwalend staart zij ontroerd naar de wanden die vol gekrast zijn met laatste boodschappen. Tot haar verbazing ziet zij dat er talloze vlinders getekend zijn, voor haar het symbool van hoop en bevrijding. (Later zal zij, aan het bed van een doodziek kind zittend, vaak een tekening van een vlinder maken en vertellen hoe die vlinder de hemel in vliegt, terwijl hij de cocon als een lege huls achterlaat). Die zomer in Polen werkt zij met twee meisjes in een soort eerste-hulp-post en elke dag verzamelen zich tientallen uitgehongerde mensen voor het schamele hutje om hulp te vragen aan de ‘dokters’, maar de hulpmiddelen en medicijnen zijn volslagen ontoereikend.

Op een nacht ligt Elisabeth buiten te slapen. Zij wordt wakker van een zacht kreunen. Naast haar zit een moeder met haar doodzieke kind op schoot. De moeder vertelt dat zij drie dagen en twee nachten met haar driejarige Janek op de arm is komen lopen om de hulp te vragen van de ‘dokter’. Elisabeth herkent meteen aan de hoge koorts en de raspende ademhaling de symptomen van tyfus en verdrietig zegt zij dat zij niet helpen kan, zij hebben geen medicijnen.

Na een lange stilte zegt de moeder: ‘Dokter, je moet het leven redden van dit kind want hij is de laatste van mijn dertien kinderen. Janek is de enige die de gaskamers van Maidanek heeft overleefd’.
De enige hoop is het ziekenhuis in Lublin, dertig kilometer verder. Samen gaan zij op weg, om de beurt het kind dragend. Als zij eindelijk het ziekenhuis bereiken weigert de dokter het stervende kind op te nemen. In een mengelmoes van Duits en Pools schreeuwt Elisabeth hem woedend toe hoe onmenselijk zij hem vindt en de dokter geeft toe. Over drie weken kan de moeder terug komen, het kind zal dan óf begraven zijn, óf gered. Terug in de kliniek werkt de moeder mee en ’s nachts slapen zij onder dezelfde deken. Na drie weken is zij weg. Na nog een week vindt Elisabeth bij het ontwaken een zakdoek met aarde. Er is een briefje bij: ‘van de moeder van Janek, het laatste kind van de dertien, dat jij gered hebt, een beetje gewijde Poolse aarde.’

Aan het einde van de zomer gaat Elisabeth op weg naar huis. Een militair vliegtuig heeft opdracht haar mee te nemen naar Berlijn, een belangrijke Zwitserse, die opvallend goed werk heeft gedaan in Oost-Europa’.
Ze kijken wel verbaasd als een kinderlijk meisje in versleten kleren, en met al haar bezittingen in een rugzakje, aan boord stapt. In Berlijn moet zij de ‘muur’ passeren, en een moedige vrachtwagenchauffeur vouwt haar op in een kistje, timmert het deksel dicht en adviseert haar niet te ademen als er controle komt. Na acht uur mag zij uitstappen maar zij kan zich niet meer bewegen. Die nacht krijgt zij tyfus, ligt doodziek in een bos, verliest telkens het bewustzijn. Een oud sprokkelvrouwtje vindt haar. In een ziekenhuis zweeft zij tussen dood en leven, na een maand zet de dokter haar zelf op de trein naar Basel.

Het volgende jaar gaat Elisabeth weer naar een werkkamp dit keer in Italië (‘als je maar niet in je hoofd haalt om naar een land achter het ijzeren gordijn te gaan’ waarschuwt haar vader haar). Iets eerder terug dan verwacht, wordt Elisabeth gevraagd twee kinderen naar Warschau te brengen. Zij vertrekt meteen, laat een briefje thuis achter. Na een paar dagen komt zij terug, vrolijk trekt zij aan de bel, maar haar vader gooit de deur or haar neus dicht, woedend dat zij
ongehoorzaam is geweest. Zij is dan 22 jaar. Verbijsterd zwerft Elisabeth over straat. Dan ontmoet zij haar vriendin Cilly, die juist nog een klein kamertje weet in het huis waar zij zelf ook een kamer huurt. De volgende ochtend, als vader weg is, haalt Elisabeth wat van haar spulletjes op. Moeder huilt, maar kan niet tegen vader op; hij eist van Elisabeth een excuus. Elisabeth kan dat niet want zij heeft voor haar eigen geweten niets fout gedaan. Trouwens, zij vindt het heerlijk om op eigen benen te staan en niet langer als een klein kind gecommandeerd te worden.

Medicijnenstudie

Haar droom om medicijnen te studeren is sterker dan ooit. Maar zij heeft geen geld en geen eindexamen. Na een jaar sparen kan zij de opleiding volgen voor het examen. Overdag werkt zij acht uur in een oogkliniek.
’s Nachts leert zij. Na een jaar slaagt zij voor het examen, en vader neemt haar weer in genade aan: ‘die Elisabeth is wel jong, maar ze is net zo koppig en taai als ik!’
Toch moet zij haar hele medische studie zelf betalen, en zo leeft zij de komende jaren: overdag een baan, ’s nachts studeren. Intussen hebben Elisabeth en haar vriendin Cilly heel wat gezellige avonden waarop zij vaak buitenlandse studenten uitnodigen en er wordt heel wat muziek gemaakt en gezongen. Maar voor ‘vriendjes’ heeft Elisabeth geen tijd. Tot zij in de snijzaal Emanuel Ross leert kennen, een Amerikaan die in Zürich studeert. Aan het eind van hun studie is hun vriendschap zo hecht dat zij willen trouwen. Maar hun beeld van de toekomst is totaal verschillend. Elisabeth wil naar ‘donker Afrika’, in de voetsporen van Albert Schweizer. Manny piekert daar niet over, hij wil terug naar Amerika. ‘Ik ga niet naar Amerika’, zegt Elisabeth, ‘nooit, nooit, nooit’. De beslissing wordt uitgesteld omdat zij een jaar eerder afstudeert dan Manny. Zij geniet ervan om een huisartsenpraktijk te doen op het platte land. In die tijd groeit het gevoel in Elisabeth dat zij, ondanks haar persoonlijke antipathie, naar Amerika geleid wordt en dat het haar daar ook duidelijk zal worden waarom.

Getrouwd vertrekken Manny en Elisabeth naar New York. Elisabeth vindt het er vreselijk. Cocktail-parties, plastic kerstboomlichtjes, opgemaakte verpleegsters die over het hoofd van de patiënt heen babbelen over hun vriendjes, vervullen haar met ontzetting. Zij besluit zich te specialiseren in kindergeneeskunde, en zij wordt aangenomen op voorwaarde dat zij de eerste twee jaar geen kinderen zal krijgen. Wanneer zij zwanger blijkt te zijn gaat het plan niet door, en krijgt zij een baan in een oud vervallen psychiatrisch ziekenhuis. Wanneer zij enkele weken later een miskraam krijgt is haar leven tóch door dit ongeboren kind in de richting van de psychiatrie geleid.

Het lijkt een wanhopige opgave om op te roeien tegen de stroom van vuil, verwaarlozing, shock en chemische therapie, maar uiteindelijk lukt het haar het vertrouwen van de staf en de patiënten te winnen en weet zij talloze hervormingen door te voeren.

In de volgende jaren krijgen Elisabeth en Manny twee kinderen, Kenneth en Barbara. Een lief meisje uit Zwitserland, dat bij hen inwoont, neemt de zorg voor de kinderen over wanneer Elisabeth werkt.

Wanneer zij een paar jaar later als psychiater in een groot ziekenhuis in Chicago werkt, trekt zij zich meer en meer het lot van de ongeneselijk zieke patiënten aan; zij is diep verontwaardigd over de kille en onmenselijke manier waarop stervende mensen alleen worden gelaten. Eenzaam liggen zij daar, omringd door de knapste apparatuur, worstelend met hun angst, hun onzekerheid, hun zorgen. Als Elisabeth rustig naast hen komt zitten en vraagt: ‘hoe gaat het nou eigenlijk?’, voelen de patiënten dat hier een mens is die niets gek vindt en die zelf niet bang is en die rustig de tijd neemt om naar hen te luisteren. Wanneer zij dan vraagt of de mensen het goed vinden om de studenten in de collegezaal mee te laten luisteren, zodat zij kunnen leren wat er in een ernstig zieke omgaat, stemmen de meesten daarmee in. En zo praat zij met honderden stervende mensen, terwijl de studenten en verplegenden in een propvolle zaal achter een screen (een spiegel waar je van één kant doorheen kan kijken) ademloos luisteren.

Na het gesprek geeft Elisabeth alle aandacht aan de gevoelens van de toehoorders en praat zij met hen over hun vragen. De patiënten vertrouwen haar en houden van haar omdat zij een echte band met hen heeft en erg veel voor hen over heeft. Zo gaat zij, na een lange dag hard werken, altijd nog even bij de stervende mensen langs. Zij weet dat ’s nachts, zo tussen 12 en 4 uur de eenzaamheid het grootst is, en heel wat nachten heeft zij aan het bed van een zieke gezeten. ‘Als je me nodig hebt, kan je me altijd roepen’, en zo is zij dan ook werkelijk daar, als het moment van sterven is aangebroken.

Reportage

Op een dag vraagt een team van het tijdschrift ‘Life’ of zij een reportage mogen maken van een gesprek met een stervende. Als de oude man, die had toegezegd mee te werken, die nacht gestorven blijkt te zijn, vraagt Elisabeth een jong meisje, Eva, die aan leukemie lijdt. Het artikel met de foto’s van Eva, die zo rustig over haar naderende dood praat, roept een storm van reacties op. De artsen in het ziekenhuis, van wie Elisabeth tóch al niet veel collegiale steun had gekregen, zijn woedend, en één zegt verbitterd: ‘Ik had gehoopt dat ons ziekenhuis beroemd zou worden om de uitstekende geneeswijze van kanker, en nu maakt zij ons beroemd om onze stervende patiënten!’ Zij verbieden dat patiënten nog langer ‘voor publiciteit’ mogen worden gebruikt, en daardoor wordt het verdere werk eigenlijk onmogelijk gemaakt.

Aan de andere kant heeft het artikel tot gevolg dat duizenden mensen over heel Amerika gegrepen worden, hun situatie herkennen en eindelijk iemand vinden die hun verdriet zal begrijpen, die ze om raad kunnen vragen. Het taboe rond de dood is doorbroken. In een stroom van brieven storten de mensen hun hart uit, nodigen haar uit voor lezingen, vragen haar hun stervende familieleden te bezoeken. En zo wordt zij van de ene dag op de andere een beroemdheid, altijd op weg om volle zalen toe te spreken, om werkbijeenkomsten te leiden. Tussendoor vindt zij het heel normaal om uren in het vliegtuig te zitten om iemand in de laatste uren bij te staan. Haar privéleven, (en zij vindt het zó heerlijk om thuis te zijn) heeft zij volkomen opgeofferd voor de vragen om hulp, die als een constante stroom op haar afkomen. Alleen de zondag tracht zij voor zichzelf te houden.

Het meeste aandacht geeft Elisabeth de laatste jaren aan stervende kinderen. Zij helpt de ouders om hun kind zo mogelijk uit het ziekenhuis te halen en thuis te verplegen, liefst in de huiskamer, voor het raam en met de poes op bed.

Voor Elisabeth is de hulp vanuit de geestelijke wereld heel reëel en heel nabij. Zij vertelt daar graag over. Op een keer stond zij op een vliegveld op het punt om de controle door te gaan, toen een jong echtpaar haar achterna kwam rennen en om een gesprek vroeg: zij hadden zojuist gehoord dat hun kind kanker had. Elisabeth denkt: ‘O, had ik maar één uur om met deze mensen te praten!’ en op dat moment zegt een stem door de luidspreker: ‘Het vliegtuig van San Francisco heeft één uur vertraging.’ En zo zijn er talloze voorbeelden: een vliegtuig dat niet kan landen vanwege de mist, brengt haar juist op die plaats waar zij op dat moment erg nodig is, zij krijgt geld als zij niets meer heeft (zij vraagt nooit één cent van de patiënten),‘toevallige’ ontmoetingen blijken een belangrijke betekenis te hebben.

Honderden, duizenden mensen heeft Elisabeth begeleid tot aan de poort van de dood. Zij kan met haar volle bewustzijn door die poort heen gaan. Zo weet zij dat ieder mens aan de andere kant ontvangen wordt door diegene die voor hem of haar het meest betekent. Dat zal voor de één Christus zijn, voor de ander de eigen beschermengel, of iemand waarmee je je heel diep verbonden voelt, een dierbaar familielid of een goede vriend. Zij zegt dit met zo’n grote zekerheid dat er een diepe troost vanuit gaat voor allen die hier achter blijven.

*Bepke Engelhard, Jonas 3, *02-10-1981

Boeken van Elisabeth Kübler Ross:

Lessen voor levenden, gesprekken met stervenden;
Intens leven en sterven
Over de dood en het leven daarna
Over rouw
Levenslessen
Dood;
Leven tot we afscheid nemen.
De cirkel van het leven

Elisabeth Kübler Ross

.

Biografieën op deze blog

Vertelstof: alle artikelen

.

1708-1602

.

.

VRIJESCHOOL – 2e klas – vertelstof (3-13)

.

ODILIA

Een van de legendes die vrijwel in elke 2e klas van de vrijeschool wordt verteld, is die van Odilia.

Hier volgt een achtergrondartikel over haar leven:

EEN HELDIN DIE HET LICHT ZAG

In de wijngaarden van de Elzas hangen de laatste druiventrossen nog aan de ranken, gekrompen door de vorst, gelezen, maar te licht bevonden voor de laatste persing van de eiswein.
Vanuit het wijnstadje Molsheim rij ik* omhoog, de donkere bergen in.

De Elzas ligt als een groot plat bord achter me, gevuld met rijkdom.

Voor me rijst de Sankt-Odiliënberg op. Boven op de top prijkt het in de zevende eeuw gestichte klooster.
Al van ver zie ik het immense beeld van Odilia, dat voor het klooster staat. Met een wijds armgebaar zegent ze de Elzas, die helemaal aan haar voeten ligt. In haar tijd werd het hertogdom geregeerd door haar vader Etticho, ook wel Adalric genoemd. Hij was een broer van de Frankische koning Childéric.

Ik laat mijn auto achter in de winterse verlatenheid van een plomp geasfalteerd parkeerterrein, dat de natuurrijke omgeving van het klooster voor een deel heeft vernield. Slechts een bus vol vrolijke priesterstudenten, in toog, deelt vandaag met mij de vreugde van de pelgrimage. De huidskleur van de jonge mannen vertelt dat ze uit Afrika en Azië komen. Armoede levert nog roepingen op. Het lijkt al een beetje waar te zijn wat de Paus zijn Kerk voor ogen houdt: Europa wordt opnieuw een missiegebied.

Net zoals in de tijd van Odilia. Een nieuwe kerstening, nu vanuit voormalige missielanden. Deze jeugdige en opgewekte priesters in opleiding hebben echter niets van de steile, oude mannen uit de overlevering van de kerk, zoals bijvoorbeeld Bonifacius en Servatius.

Het klooster heette oorspronkelijk Hohenburg, naar de naam van het jachtslot dat Etticho op deze rots had gebouwd. Vanaf de transen kijk ik in een diepe afgrond en heb ik uitzicht over dorpen, stadjes en wijngaarden, tot aan het Zwarte Woud toe.

Het klooster is het vertrekpunt van talrijke goed aangegeven wandelroutes door hoogten en laagten van de Elzas, voor zowel zondagnamiddagwandelaars als voor ervaren randonniers die van bergtop naar bergtop lopen.

Odilia werd in 660 geboren in Oberehnheim (nu Obernai). Ze was het oudste kind van Etticho. Als baby moet ze hartveroverend mooi zijn geweest, maar helaas was ze blind. De hertog was boos op zijn vrouw omdat ze hem geen mannelijke opvolger had geschonken, maar een blinde dochter aan wie helemaal geen eer te behalen viel.
Ze zou nooit een prins als echtgenoot kunnen vinden. Etticho wilde het meisje niet eens zien; hij verstootte haar. In die tijd betekende dat niet minder dan dat hij haar voor de wolven wilde leggen. Maar de moeder, hertogin Bereswinde, wist Odilia te redden. Ze gaf haar in het geheim aan de voedster mee. Die bracht het kind onder in een nonnenklooster te Baume-les-Dames (bij Besançon), waar Odilia in vroomheid werd opgevoed. Op twaalfjarige leeftijd werd ze gedoopt. Toen gebeurde het wonder. Op het moment dat het doopwater haar ogen beroerde, zag ze het licht. Verrukt over dit mirakel besloot ze haar verdere leven aan God te wijden.

Eindelijk durfde men Etticho te vertellen dat Odilia nog leefde. Nu ze niet meer gehandicapt was, accepteerde hij haar als zijn dochter en nam haar in zijn huis op. Maar, Odilia’s belofte negerend, probeerde hij haar uit te huwen. De opvoeding door de nonnen bleek echter op vruchtbare bodem te zijn gevallen. Odilia bleef haar gelofte trouw. Ze ontvluchtte het kasteel in Obernai. Etticho, die een mooie partij voor zijn beeldschone dochter had gevonden, een vazal van het koningshuis der Merovingers die veel land en goed in de familie zou binnenbrengen, ging naar haar op zoek. Toen hij haar had gevonden, op de flanken van wat later de Sankt-Odiliënberg zou gaan heten, wist ze zich te verschuilen in een grot die zich, na haar gebed om hulp, in de rotsen vormde.
Toen haar vader over dit wonder vernam, zag hij in dat ze hem toch steeds dank zij bovennatuurlijke hulp zou ontkomen, en stemde hij erin toe dat ze op de wonderberg een vrouwenklooster stichtte.

Odilia’s stichting had succes, vooral vanwege het verhaal over de wonderlijke manier waarop ze het licht had gezien: zowel het aardse licht als het licht van God. Voor veel mensen gold het vrome meisje al als een heilige. In korte tijd sloten zich zo veel jonge vrouwen bij de kloostergemeenschap aan dat al spoedig een tweede klooster nodig was. Dat werd Niedermünster, aan de voet van de Sankt-Odiliënberg, het hospitium dat de geschiedenis inging als het eerste ziekenhuis van de Elzas.

Eerst bezoek ik de kleine kapel met de stenen tombe, waarin het lichaam van Sint-Odilia rust: het hart van het heiligdom. Het is er ijskoud, maar ook doodstil. Er is niemand, zodat ik de zwak verlichte ruimte op mijn gemak kan bekijken. Odilia rust in een sarcofaag, uitgehakt in de rots. Rond de sarcofaag is een stevig en betralied praalgraf gebouwd, dat haar voor al te opdringerige aanbidders behoedt. Zeven schilderijen rond de tombe tonen de belangrijkste feiten uit haar leven, zoals het doopsel waarbij ze het licht zag en de opname in de grot die haar verborg.
In de kapel ernaast bevindt zich het graf waarin het lichaam van de grillige hertog Etticho heeft gerust. Waarom juist zijn resten uit de sarcofaag zijn verdwenen tijdens de vele plunderingen die de Hohenburg in de loop der eeuwen hebben geteisterd, terwijl het lichaam van Odilia met rust werd gelaten, is een raadsel. In de tiende eeuw, ook wel ‘de duistere eeuw’ genoemd, plunderden heidense Magyaren het klooster. Ze lieten geen steen op de andere. Waarschijnlijk hadden ze te veel ontzag voor de heilige Odilia omdat ze, toen al zo aanbeden, een heidense priesteres in haar zagen. In de loop van de volgende eeuwen werd het klooster herhaaldelijk vernield en opgebouwd. Tijdens de reformatie was het aanzien van de heilige plaats vooral gedaald door het wereldse gedrag van de nonnen die er woonden. Van opofferende heiligen, die in zelfgekozen armoede leefden, waren ze veranderd in zelfzuchtige secreten, die zich zo schandalig werelds gedroegen dat ze door de bisschop van Straatsburg uit de kerk werden gezet. Bij hun gedwongen vertrek liet de hemel weten dat de bisschop juist had gehandeld: de bliksem sloeg in en het klooster brandde totaal af.

Toch bleven de pelgrims komen. Opnieuw werd er een kerk gebouwd en in de volksmond veranderde de naam ‘Hohenburg’ in ‘Sankt-Odiliënberg’. Weer later sloeg de Franse Revolutie toe. Soldaten verdreven de Premonstratenzer monniken die zich op de berg hadden gevestigd, en knoopten er een stuk of tien op. In de volgende jaren werd de kerk gebruikt als fabriek, stal en volksonderkomen.

In 1853 kocht de bisschop van Straatsburg de kerk van de staat terug. Broeders en nonnen bouwden alles weer op. Weer stroomden de pelgrims toe. In de jaren vijftig van deze eeuw** verleende Paus Pius XII aan Odilia de titel ‘Schutspatroon van de Elzas’. Of ze die titel verdient, valt te betwijfelen, vooral als je de talrijke vernielingen van haar eigen huis bekijkt.

Op 11 oktober 1988 bezocht paus Johannes Paulus II het graf van Odilia, waarvan grote en kleine prenten in de kiosken getuigen. Ze laten de paus zien, biddend voor de tombe.

Blijft de vraag: wat ligt er in de kist? Wie kan met zekerheid zeggen dat het lichaam van Odilia aan alle plunderaars, van heidenen tot revolutionairen, is ontkomen?

In de kleine kerk naast de kapel met de tombe, wordt een eeuwigdurend gebed gehouden. Voor het altaar knielen, in voortdurende aanbidding, steeds twee gelovigen, zowel jongeren als ouderen, elkaar dag en nacht aflossend, zingend of biddend voor een mooie toekomst voor de hele mensheid. Voor de rots zelf zal die toekomst uitstekend zijn, getuige de vele souvenierwinkels en restaurants die de kapel omsluiten. Achter het kloostergebouw staan twee kapellen, op de plekken waar Odilia zelf altijd gebeden zou hebben. De ‘Kapel van de Tranen’ is gebouwd op wat, in haar tijd, het kloosterkerkhof moet zijn geweest. In de rots rond de kapel zijn sarcofagen uitgehakt waarin, volgens de legende, de eerste volgelingen van Odilia te ruste zijn gelegd. Onderzoek heeft uitgewezen dat ze al van vele eeuwen vroeger zijn, net als de fundamenten van de aanpalende Engelenkapel, die ooit een heidense tempel droegen. Wat mooi illustreert hoe de christelijke kerk voortbouwt op de haar voorgaande religies. De mozaïeken in de kapel laten zien welke rol de engelen in de godsdienst hebben gespeeld. Ook voor de kerstening van Europa, want Cherubijnen en Serafijnen zijn ware neven en nichten van de Sirenen.

Al lang voor de komst van het christendom was deze plek al een heilig oord. Er zijn aanwijzingen dat de berg in de bronstijd en zelfs al in de Neolitische tijd werd bewoond.

De Kelten die hier in de ijzertijd woonden, de stam der Médiomatriques, hebben er lange tijd hun religieuze feesten gevierd en offers gebracht aan hun zonnegod Belen. Te zijner ere hadden ze op dit raakpunt tussen aarde en hemel altaren gebouwd en dolmens opgericht.

De Romeinen, die heersten over het land vanaf 50 voor Christus, namen de natuurlijke vesting, die door de Kelten was verlaten, weer in gebruik en noemden de berg Altitona, wat zoiets als ‘donderende hoogte’ betekent. Ze herstelden de muren, bouwden een kazerne en hoge wachttorens. In hun tempel aanbaden ze de godin Rosmerto, patrones van de oostelijk gelegen Romeinse gebieden.

In Odilia’s tijd werd deze voorouderlijke heilige plaats nog steeds bezocht door de nieuwbakken christenen, die van het pas verworven geloof nog niet veel meer begrepen dan dat ze het onder dwang hadden moeten aannemen. Pas bekeerd hielden ze naast de nieuwe religie ook hun heidense goden in ere. Morden de mensen aanvankelijk omdat Odilia met klooster op de heilige rots van hun voorvaderen zat, tegen de dochter van de ruwe graaf Etticho durfden ze niets te ondernemen. Dat was levensgevaarlijk. Een jonge vrouw van mindere afkomst zouden ze vanwege heiligschennis hebben gelyncht. Ook hertog Etticho zelf had weinig op met het christendom dat hem door bekeerde koningen was opgelegd. Hij vond het geloof voor vrouwen. Misschien had hij een profetische blik. Heden ten dage bezoeken vooral vrouwelijke pelgrims het bedevaartsoord, wat trouwens geldt voor alle bedevaartsoorden. Mannen houden niet van heilige vrouwen en zeker niet van heilige maagden.

Na het bezoek aan het klooster loop ik de fraaie wandelroute rond de Heidenenmuur, een imposant bouwwerk van tien kilometer lang, dat door de Kelten moet zijn aangelegd. De hele top van de Sankt-Odiliënberg wordt er door omsloten. Een deels door de natuur aangewezen citadel die door Kelten, Romeinen en Franken als vesting werd benut. Een strategische plek van de eerste orde. Er is een route die in een uur of vier flink doorlopen voert langs de deels intacte resten van nog andere heidense heiligdommen. Het is een geliefd pad voor mensen die geloven in de invloed van de aarde op gezondheid van geest en lichaam. Ze zoeken genezende krachten en vitaliteit in aardstraling, die vooral op de religieuze plekken uit de oudheid heel krachtig heet te zijn en daar nog versterkt wordt door straling vanuit de kosmos. Sommige onderzoekers denken dan ook dat de heilzame invloed van het bedevaartsoord gelegen is in deze straling, waarvan de Druïden al de genezende werking hebben gekend. De zon werpt een feeëriek licht tussen de bomen van het oerbos, dat terugkaatst op de groene fluorescerende korstmossen op de restanten van de heidense muur. Vroeger was de muur vier meter hoog en gemiddeld anderhalve meter dik. Daarop was nog eens een hoge palissade aangebracht, wat de berg, die door zijn steile wanden toch al nauwelijks kon worden beklommen, tot een onneembaar fort maakte. De ommuurde ruimte besloeg 118 hectare,meen oppervlakte waar bij belegering velen hebben gewoond en gewerkt. Archeologische vondsten getuigen daarvan.

Aan het begin van het wandeltraject liggen een paar Romeinse graven, oneerbiedig open en bloot, half gevuld met dorre bladeren. De bolvormige tumuli in de omgeving verraden dat hier nog meer Romeinen rusten.

Een paar kilometer verder naar het zuiden ligt, nog steeds binnen de vesting, de grot van de Druïden, een megalitisch grafmonument waar de Kelten offers brachten. Op deze plek wordt door kenners de hoogste dosis straling gemeten. Een uurtje uitrusten in of op deze dolmen moet heilzaam zijn voor lijf en geest, ook voor wie er niet in gelooft.

Vlakbij de grot stortte op 20 januari 1992 in dikke mist een vliegtuig van Air France neer. 87 Mensen vonden de dood in de vlammen. Een eenvoudig houten bordje herinnert aan de ramp. In het hekwerk zijn honderden kruisjes aangebracht, gevlochten van takken. Boeketten bloemen hangen in de draad. Daartussen een eenvoudig houten kruisje, waarop in beverig handschrift staat geschreven:

‘Renée, geboren 11-3-1966, hier smartelijk overleden op 20-1-1992, toen haar leven zo mooi was.’

Drie priesters, in toog, staan er te bidden. Ik vraag of ik ze mag fotograferen.

‘Dat mag, maar liever niet en face’, zegt een van hen, die zich, als we in gesprek raken, bekend maakt als abbé Bernhard. ‘We zijn niet zo geliefd in Frankrijk.’ Op mijn verbaasde vraag vertelt hij dat ze priesters zijn van Lefèbre, de aartsconservatieve kardinaal die zo behoudend was dat hij door Rome uit de kerk is gezet. Ze komen hier vaak bidden, zegt abbé Bernhard. Hij is ervan overtuigd dat veel van de omgekomenen zijn gebed hard nodig hebben. Kinderen van deze egoïstische tijd als ze waren, zijn hun zielen natuurlijk nauwelijks voorbereid op de dood.

Na een wandeling van twee uur is het pad terug op de smalste plek van de ingemuurde ruimte; het klooster. De noordroute gaat door het overige deel van het vestingswerk. De verbazingwekkende en nog geheel gave delen van de Heidenenmuur slingeren zich langs de helling. Op enkele plaatsen in de muren staan de poorten naar de uitvalswegen nog overeind.
Kilometers verder, al weer bijna terug bij het klooster, ligt de grot die zich op zo wonderlijke wijze voor Odilia opende toen haar vader haar achterna zat.

Na de wandeling voltooid te hebben, neem ik me voor om haar de volgende dag nog eens te maken, maar dan andersom. Ik ben nog lang niet uitgekeken.

Om geen genade gemist te hebben, daal ik af naar de plek waar Odilia een bron deed ontstaan, toen ze op een van haar tochten tussen de beide door haar gestichte kloosters een oude uitgeputte man tegenkwam. Bij de bron vullen pelgrims flessen met bronwater en strijken het langs de ogen, hopend daarna beter te kunnen zien. Odilia is ook de patrones van de ooglijders. Ik dep water uit de bron op mijn ogen, maar mijn geloof is te klein: ik heb mijn leesbril nog net zo hard nodig.

Tien minuten verder naar beneden liggen de resten van het klooster Niedermünster. Een stevig hekwerk voorkomt verdere sloop van de ruïne. De aanpalende boerderij is gebouwd van stenen van het munster. Op een steenworp afstand staat een niet te definiëren kerkje, van later datum, te kleumen in een nat weiland. Een koppel duiven met opgezette veren treurt in een half dichtgetimmerd, raam over het verval. Uit een bron ter grootte van een wasbak ontspringt een beekje, zo dun als een potlood, dat sierlijke krullen in het weiland schrijft.

Terug bij het klooster klinkt ijl gezang uit de kerk naar buiten. Vijf uur. De vespers worden gezongen door de laatste nonnen die het convent bewonen. Negen stemmen. Eén stem minder dan een paar weken geleden. Een op de deur geplakt bericht vertelt dat op 24 december 1992, in de leeftijd van 62 jaar, de ziel van soeur Georges-Marie haar aardse lichaam heeft verlaten, nadat ze 38 jaar bruid van Christus is geweest. Eén stem minder maakt het koor iets ieler. En wat wanneer zuster Ignatia-Marie uitvalt? En na haar zuster Joséphine-Marie? Zullen de zes overgeblevenen het nog kunnen opnemen tegen de sterke bariton van rector Jaques Ponts, helemaal alleen in de rechterbeuk, die nog geen vijftig is en te zijner tijd het hele koor van nonnen zal overleven? Wie volgt daarna rector Jaques op?

Kopzorgen voor de kerk, die zoveel zielen geestelijk te voeden heeft, maar weinigen uitverkoren acht om aan de tafel des Heren voor te gaan. Zorgen die ook nu al de Sankt-Odiliënberg beheersen en die doorklinken in de eenvoudige stemmen van de nonnen. De voorzangeres heeft de stem van Soeur Sourire, de zingende non die in de jaren zestig zoveel harten veroverde met haar ongekunstelde liedjes.

Het gezang roept een weldadige rust op in het sfeerrijke licht van de donkere, winterse kerk, die naar kaarsen en wierook geurt. Na de wandeling in de ingetogen stilte van de bossen rond de Heidenenmuur vind ik hier een andere, maar net zo weldadige rust. Even voel ik me in de middeleeuwen en is het net of Sint-Odilia zelf, met haar eerste medezusters, in de kerk aanwezig is. De legende heeft me in haar greep. De Sankt-Odiliënberg, met zijn vele tastbare herinneringen aan het verleden, zo dicht bij elkaar, is een spiritueel fenomeen. Zelfs een moderne heiden als ik voelt zich na een bezoek aan deze plek geestelijk opgekalefaterd.

Wat allemaal waar is van de legende van Odilia, het kan me niet schelen, maar haar naam zij geprezen. Vooral als ik te harer ere in het pelgrimsverblijf een flink stuk Odiliëntorte eet. Bosbessenvlaai. Een typische Elzaslekkernij met een aardse geur en met een hemelse nasmaak.

Bronnen: G. Altenbach en B. Legrais: Lieux Magiques et Sacrés d’Alsace et des Vosges. Editions du Rhin,
ISBN 2 86339 012 0.
F. Petry en R. Will: Le Mont Sainte-Odile. Guides Archéolgiques de La France, ISBN 211 080954 X.

Ton van Reen, Volkskrant, 03-04-1993

.

De legende werd heel mooi verteld door Jakob Streit: Ich will dein Bruder sein

2e klas: vertelstof

Rudolf Steiner over: vertellen

2e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 2e klas

.

1667-1562

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sprookjes – Er was eens……(9-1)

.

er was eens, maar hoe lang nog……?

Rond de sprookjes is het eigenlijk wonderlijk gesteld.
“Je moet me geen sprookjes vertellen’, staat toch min of meer gelijk aan: ‘Je moet niet tegen me liegen.’ Of  ‘me geen onzin verkopen.’
In dit verband delen ze het lot van de mythe. Ook deze wordt vaak gelijk gesteld aan iets wat niet klopt. De mythe wordt dan – of moet dan worden ‘ontmaskerd’ of ‘ontzenuwd’.

In zijn boek ‘Er was eens en er is nog’  verklaart C.J.Schuurman’  sprookjes. Hij zegt: ‘Mythen en sprookjes zijn de dromen van de mensheid die zo een expressie van het wezen van de ziel vertolken. We zien in de symbolen onszelf weerspiegeld in onze neigingen, verlangens en onze zoektocht naar bewustwording.’

De ‘leugens’ en/of ‘de onzin’ maken bij hem plaats voor dieper liggende symboliek. Is dat de waarheid achter de sprookjes?
Voor Schuurman wel, maar iemand die een recensie over het boek schreef, merkt op: ‘De inleiding behelst een theorie over het sprookje, die alleen als curiositeit waarde heeft’. En even verder: ‘een opvatting volgens welke sprookjes een “oneindig gevarieerde uitbeelding van het kosmisch gebeuren” en een “uitdrukking van wat in de onderstroom van de ziel leeft” zijn, kan nergens anders in uitmonden dan in een zeer speculatieve wijze van uitleggen.

Maar niet alleen Schuurman heeft zich aan uitleg gewaagd. Ook Freud bijv. En het hoeft niet te verbazen dat hij ze bekeek vanuit zijn visie op seksualiteit. [7-1]

Erich Fromm schreef ‘Dromen, sprookjes, mythen‘
De recensent van dit boek zegt: ‘Fromm wil de ‘symbolische taal’, waarin moeilijk grijpbare innerlijke ervaringen uitdrukking vinden in narratieven van gebeurtenissen in de buitenwereld, onder de aandacht brengen. Hij noemt het de enige universele taal van de mensheid, de hele geschiedenis en alle cultuurverschillen overstijgend. We riskeren deze taal te vergeten omdat ze een andere logica vormt dan ons conventioneel rationeel realisme.’

En dan is er bijv. ‘De symbolische betekenis van de klassieke sprookjes‘
Daarvan wordt gezegd: ‘Een symbool is een openbaring en een versluiering van een waarheid die erachter verborgen ligt. Sprookjes, en haar symbolen, worden van generatie op generatie doorgegeven en zijn levend gebleven omdat “de mens er het werkelijk levende in gevonden heeft’.

In ‘Waar kom je vandaan en waar wil je naartoe? van Bert Voorhoeve, is ook sprake van ‘beeldentaal’.

En Jung had weer zijn visie in ‘De mens en zijn symbolen‘

Over de mythe zei Rudolf Steiner dat deze wel op zevenvoudige manier verklaard kan worden. Of hij dat over de sprookjes ook heeft gezegd, is mij niet bekend, maar het zou me niet verbazen, gezien de vele interpretaties die er in de loop van de tijd gegeven zijn.

Ook Rudolf Steiner heeft over de sprookjes gesproken: Sprookjes

De recensent zegt erover:
‘Drie voordrachten door de grondlegger van de antroposofie (1861-1925). De eerste voordracht gaat over het sprookje in het licht van de antroposofie. De ziel heeft sprookjesbeelden nodig om ervaringen een plaats te geven. Omdat in oude tijden ieder mens nog helderziende vermogens bevatte die nauw verbonden waren met de geestelijke belevenissen van de ziel, kon de mensenziel toen sprookjesbeelden scheppen. De tweede voordracht behandelt de beeldentaal van de sprookjes. Sprookjes moeten worden geduid vanuit de achterliggende geestelijke werkelijkheid. Deze werkelijkheid wordt waargenomen door de gewaarwordingsziel, de verstandsziel of de bewustzijnsziel. Sprookjesmotieven als de reuzen, betoverde gestalten, het huwelijk worden in deze voordracht geduid. In de derde voordracht gaat Steiner in op de Rozenkruiserwijsheid in de sprookjes. Men voelde aan dat de oude geestelijke schatten aan het verdwijnen waren en dat men ze in de toekomst door de wetenschappelijk gefundeerde theosofie weer terug moest zien te krijgen. Dit vond plaats aan het begin van de negentiende eeuw. Het boek is niet gemakkelijk te lezen, maar achtergrondkennis over de antroposofie is niet per se noodzakelijk.’

Op grond van Steiners mededelingen zijn anderen de sprookjes verder gaan onderzoeken, o.a.
Friedel Lenz ‘Bildsprache der Märchen‘; Rudolf Meier ‘Sprookjeswijsheid‘; Rudolf Geiger: ‘Met sprookjesprinsen op weg’

Het moge duidelijk zijn dat er nogal wat invalshoeken zijn van waaruit je naar sprookjes kan kijken.

En dat gebeurt af en toe:

Hier vanuit feministisch perspectief, dissertatie van Floor van Twuyver.

Waar mevrouw van Twuyver het vandaan heeft, weet ik niet, maar ze beweert dat sprookjes vooral favoriet zijn bij meisjes.
Ik zou dat vanuit een jarenlange praktijk als sprookjesverteller niet kunnen bevestigen: ik zag nooit een grotere interesse bij de meisjes t.o.v. de jongens.
De dissertatie begint al wat feministisch gekleurd: prinsessen in torens die wachten tot de knappe prins hen komt redden van de draak of over
Sneeuwwitje die weg moet vluchten omdat ze te mooi bevonden wordt door haar stiefmoeder.

Als het moet gaan om ‘de kracht van de vrouw’ had mevrouw van Twuyver ook kunnen beginnen met het zusje in ‘Broertje en zusje’ waarin zij haar broertje redt; of hetzelfde motief in ‘De zeven raven’ of Grietje die Hans toch maar mooi uit zijn kooi redt.

Ze zegt: ‘Ik vraag me af wat voor invloed dit heeft op jonge kinderen. De lessen die zij trekken uit het moraal wat aanwezig is in sprookjes, kunnen van invloed zijn op het beeld wat zij (later) krijgen van de samenleving.

Dat is op zich natuurlijk een interessante vraag, waar ik ook het antwoord niet op weet. Dat is altijd de onmogelijkheid bij de opvoeding: je kan het niet dubbel doen: een opvoeding met en een opvoeding zonder sprookjes om dan te vergelijken wat het aan een kind heeft gedaan. Dat is bij veel meer dingen zo.

En: ‘De lessen die zij trekken uit het moraal wat aanwezig is in sprookjes, kunnen van invloed zijn op het beeld wat zij (later) krijgen van de samenleving’, gaat voorbij aan de vele sprookjes waarin het goede wordt beloond of gierigheid wordt bestraft enz. (Is het niet ‘de moraal(v!) die; en beeld dat?). Het is toch meer het ballonnetje van een suggestieve veronderstelling van de negatieve invloed van sprookjes op kinderen, vooral: de meisjes! – dat de schrijfster van het proefschrift hier oplaat.

Aan het proefschrift kan je zien hoe je over de sprookjes kan denken, gaat denken, wanneer je vertrekpunt ‘feminisme’ is.
Dat is trouwens ook zo wanneer het sprookje vanuit een heel andere optiek wordt bekeken, wanneer je vertrekpunt de symboliek is zoals die gevonden kan worden door de ontwikkeling van de mens, de menselijke ziel te bestuderen met bijv. antroposofische gezichtspunten, zoals Friedel Lenz, Meier, Geiger en Voorhoeve doen.

Het is niet mijn bedoeling met bovengenoemde gezichtspunten de feministische te weerleggen. Dat kan ook simpelweg niet, omdat de uitgangspunten totaal andere zijn. Alsof ‘Twee-oogje’ hetzelfde zou (moeten) zien als ‘Drie-oogje’.

Maar de feministische zienswijze pleit wél voor aanpassing van de sprookjes. Die zouden herschreven moeten worden.
Als dat gebeurt, is dat op basis van intellectuele gezichtspunten. Of zoals Fromm zegt: We riskeren deze (sprookjes)taal te vergeten omdat ze een andere logica vormt dan ons conventioneel rationeel realisme.’
En de feministische bril is dan wellicht niet conventioneel, zeer zeker wel rationeel en realistisch. Van deze tijd.
En dat is het grote verschil met het echte sprookje: het is van alle tijden!
Herschreven sprookjes kunnen geen sprookjes meer zijn, zoals ‘ze in oude tijden zijn ontstaan toen ieder mens nog helderziende vermogens bevatte die nauw verbonden waren met de geestelijke belevenissen van de ziel, toen kon de mensenziel nog sprookjesbeelden scheppen.’ (Steiner)
De ‘achterliggende geestelijke realiteit’ waarover Steiner spreekt, is niet de realiteit van een ‘hier en nu’ die vanuit feministische, rationele gezichtspunten de sprookjes als inhoud zouden moeten krijgen.

Op de vrijescholen worden sinds jaar en dag sprookjes verteld. Dat zijn zeker niet alleen de sprookjes die de gebroeders Grimm verzamelden. Alle mogelijke volkssprookjes kunnen worden gebruikt.
In de kleuterklassen (groep 1 en 2) en in de 1e klas (groep 3) zijn sprookjes de vertelstof.

Af en toe gaan er stemmen op of niet ook de vrijeschool de inhoud van de sprookjes zou moeten herzien, met het oog op bijv. feministische motieven. ‘Aanpassen aan de moderne tijd’ heet het dan en ‘ze zijn al 200 jaar oud, dat moet nodig gemoderniseerd’.

Wie niet in de eerste plaats naar de beeldentaal kijkt, naar de achterliggende geestelijke realiteit zoekt, zal tot andere interpretaties komen die met het ‘waarom de sprookjes op de vrijeschool zo verteld worden als ze worden verteld’, niet veel te maken hebben.

Sprookjes herschrijven leidt m.i. onvermijdelijk tot intellectualisering van het sprookje, tot de beeldenstorm ervan.

Rudolf Steiner gaf zijn pedagogische aanwijzingen om een onderwijs te creëren dat ‘moreel-spiritueel’ is, i.p.v. een onderwijs van ‘het intellect en het gemoed’.

Ik ben van mening dat volkssprookjes veel meer moreel-spirituele inhoud bevatten, dan intellectueel-gemoedelijk bedachte (feministische) verhalen, die ik ‘per definitie’ geen sprookjes kan (en zal) noemen.

.

Pieter HA Witvliet

.

Sprookjes: alle artikelen

.

1657-1553

.

.

.

https://openaccess.leidenuniv.nl/bitstream/handle/1887/34454/%27Spiegeltje%2C%20spiegeltje%27%20een%20blik%20op%20de%20verhouding%20van%20Sneeuwwitje%20tot%20het%20hedendaags%20feminisme.pdf?sequence=1

https://www.nu.nl/cultuur-overig/5348528/sprookjes-worden-al-eeuwen-aangepast-maar-essentie-blijft.html

link naar artikel over infantilisering taalgebruik https://www.independent.ie/entertainment/british-prizewinning-author-slams-dumbing-down-of-language-in-childrens-books-37022860.html

VRIJESCHOOL – De beeldentaal van de sprookjes (2-4/3)

.

In de kleuterklas en de 1e klas van de vrijeschool worden sprookjes verteld. Die werden en worden op allerlei manieren verklaard, uitgelegd.
Ook door de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie, het antroposofische mensbeeld, is er een bepaalde taal te lezen tussen de regels van het sprookje.
De beeldentaal.
Om het sprookje te vertellen, is het niet nodig dat je die beeldinhoud kent, maar het kan wel helpen je een stemming mee te geven in wát je nu eigenlijk vertelt. Het gaat om een gevoelsmatige verbinding, niet om een intellectueel uit elkaar rafelen.
Overbodig te zeggen dat ‘de uitleg’ nooit voor de kinderen bedoeld is!

Friedel Lenz heeft met die achtergronden verschillende sprookjes van Grimm gelezen en haar opvattingen zijn weergegeven in haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘.

De woorden van Friedel Lenz worden hier niet letterlijk vertaald weergegeven, meer de strekking daarvan, die ik met eigen gezichtspunten heb aangevuld.
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

Friedel Lenz, Die Bildsprache der Märchen

ROODKAPJE

Het sprookje van Roodkapje heeft iets weg van het sprookje van de wolf en de zeven geitjes. Maar nu spelen de handelingen zich niet af in de instinctieve sfeer, maar we horen hier over de ziel zelf.

Er was eens een lief klein meisje; iedereen die haar zag hield veel van haar, maar het allermeest haar grootmoeder, en die had haar wel alles willen geven. Op een keer gaf zij haar een mutsje van rood fluweel en omdat het haar zo goed stond en zij niets anders meer op wilde zetten werd zij enkel Roodkapje genoemd.

Onervaren, naïef en onschuldig verschijnt de kinderlijke ziel waarvan iedereen houdt. Het rode kapje van grootmoeder is haar opvallende en belangrijke bezit. ‘Ich nehme das auf meine Kappe’, is een beeldrijke uitdrukking in het Duits. Niet bedoeld is de uiterlijke kap, net zo min als de uiterlijke hoed, wanneer we zeggen: ‘Da geht mir der Hut hoch’. [In het Nederlands kennen we ook wel dergelijke uitdrukkingen: ‘het gaat boven mijn pet’; ‘iets onder de pet houden’, gooi het maar in mijn pet’.]
Wat is echter de innerlijke kap? Ons eigen-denken is het, ons aan de hersenen gebonden denken. De hersenen zitten toch als een soort kap op het hoofd. En zoals deze ons bedekt en naar boven afsluit, zo betekent ook ons hoofddenken een zekere afsluiting. Toch leeft daarin onze heel persoonlijke binnenwereld. Deze binnenwereld sluit ons aanvankelijk af van een geestelijke wereld boven ons. Denkend kunnen we weliswaar weer met deze wereld in contact komen, maar niet, wanneer we als Roodkapje naïef en onervaren zijn. Want dan beleven we eigenlijk alleen maar onze subjectievie voorstellingen over de wereld.
Terwijl de vroegere mens door helderziende beelden tot kennis kwam – nog in de antieke oudheid schouwde de mens de wraakgeesten in de gestalte van de erinnynen of furies -, moet de hedendaagse mens de gevolgen van zijn daad denkend in zijn geweten verwerken, hij moet die ‘auf seine Kappe’ nemen.
Wanneer het sprookje erop wil wijzen dat het bloed van invloed is op dit hersendenken, spreekt het over de rode kap. Als een positief en negatief beeld komt de rode kap in verschillende Europese sprookjes voor. In het bloed leeft de hartstochtnatuur: ‘Ich sehe rot’, zegt menigeen in zijn opwinding; maar ook ons Ik is van het bloed afhankelijk. Gezond rood bloed maakt ons wakker, drukt de persoonlijkheid uit, die anders zwak en apathisch zou worden. De kwaliteit van het denken wordt zichtbaar in de kleur van de kap, het proces zelf echter wordt zowel in cultus als gewoonten en zeden zichtbaar. Witte kappen duiden erop dat het denken zich meer op het onstoffelijke, het bovenzintuiglijke richt (zie de hoofdbedekking in klooster, de mijters van bisschoppen, o.a.) De zwarte kap betekent het tegendeel: het denken is gericht op de aardse wereld. In een cultische handeling moet het hoofd van de priester onbedekt zijn, in zijn toespraak of preek, waarbij de eigen gedachten tot uitdrukking komen, wordt een zwart hoofddeksel opgezet. Ook een rechter zet bij het uitspreken van de veroordeling bijv. zijn zwarte ambtsbaret op, want hij moet de uit eigen inzicht gewonnen veroordeling ‘auf seine Kappe nehmen’, op de ambts’kappe’ [verantwoorden]
Overal waar de hoed afgenomen wordt voor achtbare personen, stamt dit uit dezelfde opvatting: voor jou geldt mijn eigendenken niet, mijn wezen staat voor jouw wezen open. Dat wil dit gebruik zeggen.
Grootmoeder heeft het kind het rode kapje geschonken: uit het oude voorvoelende weten – [ahnenden Wissen] vergelijk Ahnung [voorgevoel] en Ahne [voorouder] -heeft zich dit ik-achtige [ichhafte], persoonlijke hoofddenken voorbereid. Zij zelf heeft het niet. Zij is ‘ziek en zwak’. Een nieuw ontstane en een naar het einde gaande ontwikkeling staan tegenover elkaar. De ziel die met ik-kracht denkt is in verschijning getreden en iedereen is blij met deze ontwikkeling.

Op een dag zei naar moeder tegen haar: ‘Kom, Roodkapje, hier heb je een stuk koek en een fles wijn, breng dat naar je grootmoeder, zij is ziek en zwak en dit zal haar goed doen. Ga nu maar voor het te warm wordt en als je buiten komt, loop dan netjes en rustig en dwaal niet van het pad af, anders val je en breek je de fles en dan heeft grootmoeder niets. En als je haar kamer binnen komt, vergeet dan niet goedemorgen te zeggen en snuffel niet eerst overal rond.’ ‘Ik zal goed oppassen,’ zei Roodkapje tegen haar moeder en gaf er haar de hand op.

Oude voorouderwijsheid heeft liefdevolle aandacht nodig en aan de herinneringen moet zorg worden besteed. Brood en wijn zijn heilige gaven. De moederlijke ziel geeft ze, de kinderlijke moet ze wegbrengen. Hoe kinderlijk schetst het sprookje het voor ons met een paar woorden. Gaat niet ieder Roodkapje van het pad af en volgt zijn eigen hoofd? En beleefdheid jegens anderen moet voortdurend worden geoefend, omdat we anders te veel met ons zelf bezig zijn. Nieuwsgierigheid is evenwel rijkelijk aanwezig, want je moet toch de wereld tot in alle uithoeken leren kennen.
Hier wordt ons de ziel die nog onervaren is in het denken getoond, de naïeve ziel wat het denken betreft. Zo was het in de mensheid toen het intellectuele denken begon, zo gaat het met ieder mens wanneer die voor het eerst naar school gaat. Dit tijdstip houdt een crisis in.

Grootmoeder woonde echter buiten in het bos een half uur van het dorp. Toen Roodkapje nu in het bos kwam ontmoette zij de wolf. Roodkapje wist echter niet wat voor een boos dier het was en was niet bang voor hem. ‘Goedemorgen, Roodkapje,’ sprak hij. ‘Dag Wolf.’ – ‘Waarheen ben je zo vroeg op pad, Roodkapje?’ – ‘Naar grootmoeder.’ – ‘Wat draag je daar onder je schortje?’ – ‘Koek en wijn, wij hebben gisteren gebakken en nu zal grootmoeder die ziek en zwak is zich tegoed kunnen doen en weer aansterken.’ – ‘Roodkapje, waar woont je grootmoeder?’ – ‘Nog ruim een kwartiertje lopen verder het bos in, onder de drie grote eiken, daar staat haar huis, en beneden staan de notenhagen, dat weet je vast wel,’ zei Roodkapje. De wolf dacht bij zichzelf: dat jonge tere ding dat is een mals hapje, dat smaakt nog lekkerder dan die oude vrouw; je moet het slim aanleggen zodat je ze allebei vangt.

In ‘Doornroosje’ hebben we de macht van het boze leren kennen, die onze voorouders Loki noemden, de Bijbel Lucifer, hier staat een macht voor ons die in de Bijbel Satan wordt genoemd. Tegenwoordig wordt er tussen deze twee niet veel verschil gemaakt, ze worden simpelweg duivel genoemd. Maar de sprookjes maken een heel precies onderscheid in spirituele verhoudingen. Het is de bekende, maar niet doorgronde macht van list en bedrog die de waarheid voor de mens verduistert en hem de wereld van de zintuigen voorschotelt als de enige echte en hem uitlevert aan het eenzijdige materialisme. Bedoeld is het ‘onschuldige’ dier wolf. Onze voorouders noemden hem de Fenriswolf, bij de Perzen had deze macht de naam Ahriman.
De Germaanse mythe zegt dat hij de godenschemering dichterbij zal brengen. Wanneer echter een goddelijke wereld verduistert en niet meer gezien kan worden, is elke individuele ziel overgeleverd aan de duisternis. Roodkapje toont ons de innerlijke crisis door de invloed van de wolf. het grote gevaar wat het boze betreft, is de naïviteit die het niet herkent. Roodkapje wist niet wat voor kwaadaardig dier het was. Nee, ze verklapt hem zelfs de weg naar grootmoeder, laat daarmee zien waar de eerbiedwaardige oertoestand zich bevindt. Voor de Germanen heersten in Midden-Europa de Kelten. Zij hadden een hoog ontwikkelde priesterstand, de Druïden. (In het Grieks betekent drys de eik…) Voor het huis van een Druïde stonden als een teken van waarheid drie eiken. Zij waren de grote strijders tegen de ook in het Noorden oprukkende verduistering van spirituele overleveringen van een nog kosmisch weten. Zij kenden de wolf. De hazelnootstruik gold in de Keltische beeldspraak als een soort levensboom. Daar waar de Druïdenoverlevering nog heerst, onder de drie grote eikenbomen, daar bevindt zich ook het centrum van de levenskracht (notenhaag). Dat zul je wel weten, zegt Roodkapje; zo spreekt de grootste naïviteit.

Daarop liep hij een eindje met Roodkapje mee en zei toen: ‘Roodkapje, zie je al die mooie bloemen niet die overal in het rond staan, waarom kijk je niet om je heen? Ik geloof dat je niet eens hoort hoe liefelijk de vogeltjes zingen. Je loopt maar door alsof je naar school gaat en dat terwijl het hier buiten in het bos zo verrukkelijk is.’
Roodkapje keek op en toen zij de zonnestralen door de bomen zag dansen en zag hoeveel mooie bloemen er overal stonden, dacht zij: Als ik voor grootmoeder een vers geplukt boeketje meebreng zal zij dat heerlijk vinden; het is nog zo vroeg op de dag dat ik toch wel op tijd kom. Daarmee liep zij van het pad af het bos in en ging bloemen zoeken. En toen zij er één geplukt had, dacht zij dat er verderop een nog mooiere stond en liep daarheen en raakte steeds dieper het bos in.

Roodkapje keek op: toen vielen haar de schellen van de ogen, zoals in de Bijbel na de verleiding door de slang. De blik wordt afgeleid van de eigen diepe zielenwereld en op de buitenwereld gericht. De ziel haast zich van indruk tot indruk, van de ene vreugde van de zintuigen naar de volgende; als bloemen in een boeket worden ze verzameld.

Maar de wolf liep rechtstreeks naar het huis van grootmoeder en klopte aan de deur. ‘Wie is daar?’ – ‘Roodkapje, ik breng koek en wijn doe de deur maar open.’ – ‘Druk maar op de klink, ik ben te zwak en kan niet opstaan,’ riep grootmoeder. De wolf drukte op de klink, de deur ging open en hij liep, zonder een woord te zeggen, recht op grootmoeders bed af en slokte haar op. Toen trok hij haar kleren aan, zette haar muts op, ging in het bed liggen en trok de gordijnen dicht. Roodkapje echter had rondgelopen en bloemen geplukt en toen zij er zoveel bij elkaar had dat zij er niet meer kon dragen, herinnerde zij zich haar grootmoeder weer en ging op weg naar haar toe. Zij was verbaasd dat de deur openstond en toen zij de kamer instapte was het haar zo vreemd te moede dat zij dacht: Lieve hemel, wat vind ik het hier griezelig vandaag, terwijl ik anders toch zo graag bij grootmoeder ben. Zij riep: ‘Goedemorgen,’ maar kreeg geen antwoord. Toen liep zij naar het bed en schoof de gordijnen opzij. Daar lag grootmoeder met de muts over het gezicht getrokken en zij zag er erg vreemd uit. ‘O, grootmoeder,’ zei zij, ‘wat heb je grote oren.’ – ‘Dat is om je beter te kunnen horen.’ – ‘Maar grootmoeder, wat heb je grote ogen.’ – ‘Dat is om je beter te kunnen zien.’ – ‘Maar grootmoeder, wat heb je grote handen.’ – ‘Dat is om je beter te kunnen pakken.’ – ‘Maar grootmoeder, wat heb je een verschrikkelijk grote mond.’ – ‘Dat is om je beter op te eten.’ En nauwelijks had de wolf dat gezegd, of hij was met een sprong het bed uit en verslond het arme Roodkapje.

Terwijl de ziel alleen nog maar gericht is op de zintuigwereld – dat zou goed zijn, wanneer het niet op aanraden van de wolf gebeurd zou zijn – valt de voorouderwijsheid (grootmoeder) ten prooi aan het lot van de verduistering. Zoals waardige zeden en oude gebruiken als eerste verdwenen en eeuwenlange overleveringen door de mensheid geminacht werden, toen het moderne denken tot ontplooiing kwam, zo gaat ook individueel voorouderlijk gevoel, oerweten dat lang gold, verloren. De mens zelf levert het uit zonder het te beseffen aan die macht die het leven belemmert en vernietigt, die onze voorouders wolf noemden. Hij sluipt hier weliswaar niet in schaapskleren rond, maar in de kleren van grootmoeder, d.w.z. hij trekt op die manier de mantel aan van het overgeleverde weten, de onervarenheid denkt hier oude, wijze taal te horen, maar die is tot leugen verworden. Geen menselijke ziel kijkt naar de ander, maar dierlijke begeerte. Egoïsme en begeerte grijpen naar haar en verslinden haar en zo valt de ziel aan de verduistering ten prooi.

Toen de wolf zat was ging hij weer in het bed liggen, viel in slaap en begon heel hard te snurken. Toen kwam net de jagersman voorbij die bij zichzelf dacht: Wat is die oude vrouw aan het snurken. Ik zal eens even kijken of haar iets mankeert. Hij ging de kamer binnen en toen hij bij het bed kwam zag hij dat de wolf erin lag. ‘Moet ik je hier vinden, ouwe boosdoener,’ zei hij, ‘ik heb lang naar je gezocht.’ Hij wilde net zijn geweer aanleggen toen hij ineens bedacht dat de wolf de grootmoeder wel eens opgeslokt zou kunnen hebben en dat zij misschien nog gered kon worden en dus schoot hij niet maar nam een schaar en begon de buik van de slapende wolf open te knippen. Hij had nog maar een klein eindje geknipt toen hij het rode kapje zag glanzen en na nog een paar knippen sprong het meisje eruit en riep: ‘Ach, wat ben ik geschrokken, wat was het donker in de buik van de wolf.’ En toen kwam de oude grootmoeder er ook nog levend en wel uit, al snakte zij naar adem. Roodkapje haalde echter vlug grote stenen en daarmee vulden zij de buik van de wolf en toen hij wakker werd wilde hij weglopen, maar de stenen waren zo zwaar dat hij meteen in elkaar zakte en dood ter aarde viel.

In de Germaanse mythen stopt Widar, de zwijgende onder de Asen die lang had gewacht – want de wolf nam zijn eigen tijd – zijn schoen in de bek van de Fenriswolf en overwint hem in de strijd. Als daar op een grote geestesstrijd van de mensheid wordt gewezen, dan verhaalt het sprookje over wat er persoonlijk in de ziel gebeurt. Het is, zoals Wilhelm Grimm zegt, een stukje van de gebarsten edelsteenmythe. Het verschijnt aan de helpende jager, het verbeeldt een kracht die doelgericht wilde driften ‘op de korrel neemt’ en ze vernietigt. Maar hier moet de schaar worden gebruikt. De schaar die uit twee messen bestaat, is een teken voor de dubbel geslepen oordeelskracht. Deze kracht alleen is in staat de ziel weer te bevrijden. ‘Ach, wat was het donker in de buik van de wolf’: hoe duister was de tijd omdat de wolf niet werd herkend. Aan zijn eigen dodelijk materialisme (de stenen) moet hij ten gronde gaan.

Toen waren zij alle drie blij. De jager stroopte het vel van de wolf af en ging ermee naar huis, de grootmoeder at de koek op en dronk de wijn die Roodkapje had meegebracht en knapte weer op, maar Roodkapje dacht bij zichzelf: Zolang ik leef, zal ik nooit meer in mijn eentje van het pad afgaan en het bos inlopen, wanneer mijn moeder mij dat verboden heeft.

.

Friedel Lenz ‘Bildsprache der Märchen‘

Sprookjes: alle artikelen

.
VRIJESCHOOL in beeld: 1e klas – sprookjesillustraties

.

26 Grimm Roodkapje 2

1643-1540

.

VRIJESCHOOL – Biografieën – Marc Chagall

.

Marc Chagall, wie kent die naam niet? Het is de naam van de zoon van een straatarme kuiper. Het is de naam van een man, die jaren honger leed; die schuw en verborgen in de voor joden verboden stad Petersburg leefde; die na jaren van onvoorstelbare pijn en ellende een van ’s werelds beroemdste schilders werd.

Het bewogen leven van Marc Chagall, schilder van de liefde en de droom

Weinig mensen zullen in hun leven zoveel moeilijkheden hebben moeten overwinnen om dat te bereiken wat zij zich ten doel hebben gesteld, als Marc Chagall. Zelfs wanneer hij in het hart van Afrika was geboren, zou zijn leven niet moeizamer zijn verlopen. Alles zat hem tegen: de armoede van zijn vader, die kuiper van haringtonnen was, de apartheid van het getto, de wet van Mozes die de afbeelding van de mens verbiedt en die hem dus tot een heiligschenner maakte.
In zijn autobiografie „Mijn Leven”, die hij schreef toen hij 35 jaar oud was, vertelt Chagall van een jeugd, waaraan hij ondanks de armoede en de voortdurende angst voor een pogrom, een gelukkige herinnering heeft behouden en die zijn gehele werk heeft beïnvloed. Als oudste van tien kinderen kreeg hij niet veel kans om met buurjongetjes te spelen. Al heel jong moest hij de handen uit de mouwen steken en het was voor hem dan ook een evenement om tijdens de feestdagen in de synagoge te mogen zingen. Hij droomde ervan ooit een groot voorzanger te worden. De weinige uitstapjes die de kleine Mare kende waren de tochtjes naar het platteland met het karretje van oom Nush. Zij haalden daar de koeien en de kalveren op die later door zijn grootvader, een slager, tussen twee gebeden door, geslacht zouden worden. Mare had een diepe bewondering voor oom Nush. Urenlang kon hij luisteren naar zijn vioolspel. Later zou hij zeggen dat de man speelde „als een schoenmaker”, maar als kind kon hij er intens van genieten. „Als hij ophield met spelen, vertelde hij mij verhalen uit de Heilige Schrift”, schrijft Chagall. Die Heilige Schrift heeft in zijn jeugd een grote rol gespeeld. De familie leefde in een bijbelse sfeer; als de profeet Jesaja tijdens de maaltijd bij hen was binnengetreden, had hij onmiddellijk aan tafel kunnen plaatsnemen; zijn stoel stond altijd voor hem klaar. Toch heeft Chagail nooit het gevoel gehad dat zijn ouders het geloof op een voor hem verstikkende manier beleden. Het heeft integendeel aan zijn armelijke jeugd een mystieke glans gegeven.

Gebeten door een hond, had hij nog vier dagen te leven. Een ongeluk, dat fataal had kunnen zijn, veranderde niets aan de vreugde van Marcs kinderjaren. Toen hij dertien jaar was werd hij gebeten door de hond van de rabbijn van wie hij les kreeg. Het dier was dol geworden en Mare werd onmiddellijk naar het ziekenhuis in Sint-Petersburg gebracht. Daar ontdekte hij een tot dan toe voor hem onbekende wereld. Het verbijsterde hem allemaal een beetje: de trein, het vreemde ziekenhuis, de iconen, de kleren van de verplegende nonnen. Maar ’t meest verbaasd was hij over ’t gekleurde speelgoed dat men hem gaf. Het was het eerste speelgoed dat hij ooit onder ogen had gekregen. „Men gaf mij nog vier dagen te leven”, vertelt Chagail in zijn boek. Maar ondanks de pessimistische diagnose van de doktoren keerde hij genezen naar het ouderlijke huis in Vitebsk terug, net op tijd om naar het Keizerlijk College te kunnen gaan. Een leraar, die door zijn moeder voor 50 roebel is omgekocht — de staatsschool was voor joden verboden — zorgde ervoor dat hij werd toegelaten.

Zijn eerste doeken hingen in het kippenhok. Mare was een slechte leerling die alleen maar aan tekenen dacht. Hij had zijn talent ontdekt en de drang om zijn gevoelens met dat talent tot uitdrukking te brengen, viel niet meer te onderdrukken. Hij tekende en schilderde alles wat hij om zich heen zag: boeren met pofbroeken, behaarde bedelaars, oom Nush gezeten op de bok van zijn karretje… Ondanks het feit dat zijn moeder bang was dat deze bezigheid haar zoon weinig toekomst zou bieden, moedigde zij hem aan: ,,Je hebt talent, m’n zoon,” zei ze toen zij een portret zag van de pianist Rubinstein dat hij had nagetekend van een in een tijdschrift gepubliceerde foto. „Als je zo doorgaat kun je misschien een goede fotograaf worden.” Zij stemde erin toe hem voor te stellen aan de schilder Pen, die in Vitebsk een tekenschool had en die in het kleine ingeslapen provinciestadje de wereld der schone kunsten vertegenwoordigde. Pen schilderde hoofdzakelijk portretten van de stadsnotabelen; hij was een vriendelijk man met veel belangstelling en begrip voor zijn medemensen. Toen hij enkele tekeningen van Mare had bekeken, verklaarde hij moeder Chagail dat haar zoon voldoende talent had om bij hem in de leer te gaan; een uitspraak die Chagalls gehele leven zou bepalen. „Ik hield van Pen,” zegt Chagall, „hij zal altijd als een vader in mijn herinnering blijven voortleven.”

Omdat Mare geen geld had om linnen te kopen, gebruikte hij lege bonenzakken om op te schilderen. Die zakken haalde hij uit het kruidenierswinkeltje van zijn moeder en wanneer zijn zusters aan het eind van de week hadden schoongemaakt werden de helder geboende planken afgedekt met zijn „doeken”. Andere schilderijen dienden om het kippenhok te bekleden.

Toen Mare voldoende had geleerd, besloten zijn ouders een passend baantje voor hem te zoeken. En zo begon hij zijn artistieke loopbaan als leerling-retoucheur bij een fotograaf.

Die eerste werkkring werd geen succes; hij haatte de bezigheden die hij werd verondersteld de gehele dag met vlijt en toewijding te verrichten en nam wraak door de rimpels van de afgebeelde personen nog wat aan te dikken. Alleen zijn vrienden hadden recht op een verjongingskuur.

Ongetwijfeld was Chagall een onbekend kunstenaar, een zondagsschilder, gebleven, wanneer hij Vitebsk niet had verlaten. Maar een vriend van de lekenschool wist hem te bewegen mee te gaan naar Sint-Petersburg om daar het toelatingsexamen af te leggen voor de Academie van Beeldende Kunsten. Zijn vader gaf hem 25 roebel — alles wat de man op dat moment bezat — met de boodschap dat hij verder niets meer van hem hoefde te verwachten. Dat weerhield Mare Chagall er echter niet van zich in het avontuur te storten. Een avontuur waardoor hij gedurende vijftien jaar, van 1907 tot 1922, als een behoeftig kunstenaar zou moeten leven. Decadente adel beschermt de kunstenaar. In Sint-Petersburg zakte hij voor het toelatingsexamen van de academie, maar het lukte Marc te slagen voor een andere staatsschool en bovendien om een beurs van 50 roebel per maand te bemachtigen. Van dat geld kon hij net voldoende voedsel kopen om niet van honger te sterven. ,,Ik las de menu’s van restaurants alsof het gedichten waren,” vertelt Chagall. Te arm om een eigen atelier te betrekken, had hij een gedeelte van een kamer gehuurd waar hij het bed moest delen met een arbeider. Men kan zich nauwelijks voorstellen hoe bitter de armoede was die in het oude Sint-Petersburg werd geleden en hoe overdadig de luxe van de aristocratie. Gelukkig interesseerde deze decadente Russische adel zich, in navolging van Catherina II, voor de schone kunsten. Chagall vond dan ook een baron die hem gedurende vele maanden een toelage verschafte. Vervolgens werd hij geprotegeerd door de jurist Vinaver en dank zij hem kon hij werken in een hoekje van het redactielokaal van het tijdschrift ,,De Dageraad” waarvan Vinaver hoofdredacteur was. Voortdurend bang om op een kwade dag te worden gearresteerd — de keizerlijke stad bood geen onderdak aan hen die tot het joodse ras behoorden —, ondermijnd door de vele ontberingen, vroeg de schuwe Marc zich weleens af of de manier waarop hij zich van dag tot dag trachtte te handhaven, nog wel iets met „leven” te maken had. Toen hij een kopie had gemaakt van een schilderij van de beroemde schilder Levitan, bood een kunsthandelaar hem er 10 roebel voor. Enkele dagen later zag hij zijn kopie in de etalage staan, voorzien van een fraaie lijst en een duidelijke signering van Levitan. Dat bracht hem op het idee zijn eigen werk te gaan aanbieden. Hij bracht een honderdtal gouaches, aquarellen en tekeningen naar de kunsthandelaar die hem beloofde te zullen proberen zijn werk te verkopen. Toen hij twee dagen later terugkwam om te informeren hoeveel er was verkocht, bekeek de handelaar hem stomverbaasd en zei: ,,Pardon, meneer, wie bent u? Ik kan mij niet herinneren u eerder te hebben ontmoet!” ,,Ik was zo overrompeld en hechtte in die tijd zo weinig waarde aan bezit,” vertelt Chagall, dat ik zonder te reageren zei: „Ach ja, dat is waar ook…!” en rustig weer de winkel uitstapte. Niets was echter in staat hem te ontmoedigen: hij ging koppig door met schilderen.

Bang voor een beroemdheid

Een van de bekendste ateliers in Sint-Petersburg was dat van de schilder Leon Bakst. De lessen die hij gaf werden vooral gevolgd door vrouwen uit de Russische aristocratie en door kunstzinnige prinsen. Bakst, wiens eigenlijke naam Rosenberg was, had zijn faam voornamelijk te danken aan de decors die hij had gemaakt voor het Russische ballet. Met behulp van Serge Diaghilev vernieuwde hij de techniek van de decorbouw. Hij genoot de reputatie een revolutionair artiest te zijn en schroomde niet de felste contrasten van uiterst koele tot diep warme kleuren naast elkaar te gebruiken, in die tijd een sensatie!

„Ik was bang om naar Bakst te gaan,” schrijft Chagall. „Hij was zo’n beroemdheid!” Gelukkig wist hij deze vrees met steun van enige vrienden te overwinnen, want hij had zich reeds gerealiseerd, dat het droge onderricht dat hij tot dan toe had ontvangen, tot niets leidde. Bakst betekende Europa, vrije kunst, Monet, Renoir, Cézanne… „Ik zal nooit vergeten hoe hij mij met een medelijdende maar niet onwelwillende glimlach, ontving,” herinnert Chagall zich. Een ontvangst, die er overigens toe leidde dat hij gedurende enkele maanden bij Bakst ging werken. Gekleed in een afgedragen Russische blouse, een paar simpele vilten laarzen aan de voeten, maakte Chagall te midden van de beau monde een armzalige indruk. Maar hij was nog nooit zo gelukkig geweest. Bakst, die hij bewonderde, had hem als leerling aangenomen, hem, de arme jood die niet eens het recht had om in Sint-Petersburg te wonen! Maar geen van de snobistische leerlingen die trachtten met behulp van Leon Bakst het modeltekenen onder de knie te krijgen, kon zich echter vergissen: tussen al die dilettanten was er maar één kunstenaar, en die heette Marc Chagall! Eindelijk in Parijs. Die kunstenaar had inmiddels nog steeds één doel: naar Parijs gaan, de stad waarvoor de grote meester Bakst zijn hart in vuur en vlam had gezet. „Ik vroeg Bakst mij mee te nemen naar Parijs om hem daar te helpen bij de vervaardiging van de decors. Hij vond het best, mits ik eerst het vak zou leren. Met het geld dat ik daarvoor van hem kreeg ging ik aan de slag. Maar mijn onhandigheid werkte Bakst zo op zijn zenuwen dat hij ervan afzag mij mee te nemen.” Tenslotte was het de mecenas Vinaver die Chagall het reisgeld verschafte door twee doeken van hem te kopen. „Ik begrijp niets van schilderkunst,” zei hij hem, „maar ik heb vertrouwen in je.” En hij bood hem een toelage van 125 frank per maand. In de lente van 1910 kwam Marc Chagall na een eindeloze reis in een derdeklastreincoupé, in Parijs aan. De stad maakte een diepe indruk op hem, maar zijn geluk was toch niet geheel onverdeeld. Want nu hij ’t doel had bereikt waarnaar hij zo mateloos had verlangd, besefte hij plotseling wat hij allemaal had moeten achterlaten; Vitebsk, dat altijd zijn bron van inspiratie was geweest, al zijn vrienden en kennissen, en Bella, zijn geliefde, van wie hij sinds hij haar voor het eerst ontmoette geweten had dat zij de vrouw in zijn leven zou zijn. Deze grote liefde, versterkt door het zich zo ver verwijderd voelen van zijn vaderland, gaf aan zijn werk het poëtische en nostalgische karakter dat hem tot een van de grootste kunstenaars van de 20ste eeuw heeft gemaakt.

deel 2

Parijs 1912. Mare Chagall woont in een naargeestige armoedige kamer in de schilderswijk van Montmartre. Hij schildert ’s nachts, bij het licht van een bescheiden petroleumlamp, omdat alleen dan het huis een beetje rustig is. Terwijl andere schilders drinken en feestvieren, verscheurt Chagall zijn lakens en hemden in lappen om genoeg doeken te hebben om op te schilderen. Hij werkt als een bezetene…

Parijs, 1912. „La Ruche”

In deze „bijenkorf”, een twaalfhoekig houten gebouw, woonden de artiesten en politieke vluchtelingen in bouwvallige en naargeestige kamertjes. Het monsterlijke bouwwerk stond op een steenworp afstand van de abattoirs, waar van tijd tot tijd een angstig geloei opsteeg uit de stallen, waar de koeien wachtten om geslacht te worden.

Chagall, die sinds achttien maanden een van de ateliers had betrokken, werkte, om het lawaai te ontvluchten, gedurende de nacht. Geheel naakt, om te voorkomen dat z’n kleren vuil werden, schilderde hij bij het zwakke licht van een armzalige petroleumlamp.

„Als in een naburig atelier een model begon te huilen,” vertelt hij in zijn autobiografie, „als de Italianen, spelend op hun mandolines begonnen te zingen, als Soutine terugkwam met een koppel eenden die hij wilde schilderen, dan stond ik alléén in m’n houten cel voor de schildersezel.

Het atelier was al een week niet schoongemaakt. Vuile potten, pannen en eierschalen stonden en lagen verspreid over de houten vloer. Maar ik werkte als ’n bezetene. Daar tussen die vier muren ben ik schilder geworden.” Tot zonsopgang was hij bezig om doek na doek te vullen met z’n herinneringen: Vitebsk met scheefgezakte huisjes, de witte synagogen, z’n vader met een lange baard, oom Nush, die viool speelde en Bella, z’n geliefde, van wie hij voor z’n vertrek uit Rusland een portret had geschilderd: z’n eerste meesterwerk.

„Ik vond ’t heerlijk om ’s nachts te schilderen, het bracht me in een vreemde extase,” zegt hij. „In gedachten verbleef ik in mijn vaderland. Ik leefde in die tijd volkomen in de omgekeerde wereld.”

Door deze voortdurende verdieping in zichzelf en in zijn werk had hij weinig contact met zijn buren.

„Modigliani en Soutine, die in hetzelfde huis woonden, gingen aan de zwier met hun modellen en als ze midden in de nacht dronken thuiskwamen, gooiden ze hun schoenen door mijn raam. „Hé, jij zit zeker weer koeien te schilderen,” riepen ze dan. En inderdaad werd ik volkomen door mijn werk in beslag genomen. Ik dronk niet en dacht slechts aan schilderen. Ik scheurde m’n handdoeken, m’n lakens en m’n nachthemden in stukken om doeken te hebben, waarop ik kon werken.”

Soutine woonde pas enkele weken naast hem. De twee jonge Russen (Chaim Soutine was zeven jaar jonger dan Chagall) waren maar matig op elkaar gesteld, ondanks hun vrijwel identieke levensloop. Soutine was net als Chagall in een Russisch getto geboren, en hij kwam uit een nog armer gezin. Zijn vader, kleermaker, zijn moeder en zijn tien broertjes en zusjes woonden in één kamer te midden van het vee. Evenals Chagall werd ook Soutine niet toegelaten tot de academie en het was slechts dank zij een van de leraren, die medelijden met hem had en hem onderdak bood, dat hij zich iets van de teken- en schildertechniek eigen kon maken. En net als Chagall kreeg hij van een arts een beurs aangeboden om in Parijs te gaan studeren. Chagall verdroeg Soutine meer, dan dat hij op hem gesteld was. „Hij was afschuwelijk om te zien,” zegt hij, „of misschien ben ik altijd al erg gevoelig geweest voor de schoonheid van een gezicht. Hij had dikke, altijd wat vochtige lippen, een grote paarse neus, een peervormig hoofd en vette lange haren die in slierten over z’n voorhoofd vielen. Het zal dan ook wel aan z’n grote blauwe ogen te danken zijn geweest, dat hij zoveel amoureuze avontuurtjes had.”

Chagall kon evenmin goed opschieten met de andere schilder van „La Ruche”. Hij hield niet van uitgaan en de luidruchtige manieren van zijn huurlieden stonden hem tegen. Vriendelijk en ernstig van aard, altijd verdiept in de visioenen van zijn jeugd, prefereerde hij het gezelschap van schrijvers en dichters. Zij waren het dan ook die in hem een groot schilder zagen en aan zijn werk de bekendheid gaven die het verdiende. Blaise Cendrars kwam als eerste naar Chagalls schilderijen kijken. De twee jongemannen werden, ondanks hun totaal verschillend karakter, goede vrienden.

Het was Cendrars, die Chagall aan Guillaume Apollinaire voorstelde. Apollinaire kon, ondanks de nauwe banden die hij onderhield met de kubisten, het poëtische en overrompelende werk van de jonge Rus waarderen. Hij ging Chagall in „La Ruche” opzoeken en bekeek geruime tijd zijn schilderijen.

„Hij droeg zijn buik alsof het een bundel verzamelde werken was,” vertelt Chagall. „Gezeten op de enige stoel in het atelier, bekeek hij, voortdurend kreten slakend, elk doek van mij. „Bovennatuurlijk! U hebt bovennatuurlijke gaven!” riep hij uit.

Minder omvangrijk en minder luidruchtig was Canudo, directeur van het tijdschrift „Montjoie”, die zich eveneens voor Chagall interesseerde. Hij organiseerde een tentoonstelling van zijn gouaches en bezorgde hem er baantje als figurant in een van de films van Abel Cance. Chagall moest meespelen in een scène waar in een uitspanning in het Bois de Boulogne een groot banket werd aangericht. Omdat de opgediende schotels echt waren, kon hij die dag eindelijk weer eens voldoende eten. Canudo gaf Chagall bovendien een keer een aanbevelingsbrief voor de couturier Jaques Doucet, een verzamelaar van moderne kunst. Bij Doucet werd hij ontvangen door de butler, aan wie hij de meegebrachte werken moest afgeven. Nadat Chagall een kwartier in de antichambre had gewacht, kwam de bediende terug en zei, namens zijn meester, op plechtige toon: „Wij zijn niet geïnteresseerd in de grootste colorist van onze tijd.”

Zoals geen van de jonge schilders lukte het Chagall zijn werk te verkopen.

„Niemand exposeerde, niemand had succes, niemand verkocht,” verzucht hij. Het was dus logisch dat toen het Cendrars en Apollinaire in 1914 was gelukt de Duitse kunsthandelaar-criticus Walden over te halen een tentoonstelling van Chagalls schilderijen in zijn galarie te Berlijn in te richten, Chagall zowel opgetogen als verbaasd was. Hij zocht meer dan 100 schilderijen, tekeningen en aquarellen uit, waaronder zijn Golgotha, en zond ze naar Duitsland.

Omdat het bijna zomer was, besloot hij naar Berlijn te gaan om persoonlijk aanwezig te zijn bij de opening van zijn tentoonstelling, die een succes werd. Daarna wilde hij naar Vitebsk om er zijn vakantie door te brengen en zijn verloofde Bella terug te zien. Hij had nu gedurende vier jaar met haar gecorrespondeerd en hij voelde dat het tijd werd om haar te gaan opzoeken. Na nog een jaar van afwezigheid zou er misschien niets meer van hun liefde over zijn.

Hun ontmoeting stelde hem gerust; de liefde was nog even diep. Het huwelijk zou echter nog de nodige voeten in de aarde hebben. Bella Rosenfeld was de dochter van de rijkste juwelier van Vitebsk en Chagall had haar slechts een armoedig bestaan te bieden. In de familie vond men een schilder een slechte partij. Maar de zaken waren reeds te ver om nog een keer te kunnen nemen. Bella had erin toegestemd naakt voor haar verloofde te poseren en voor de afwijzende moeder hoefde Chagall alleen maar het doek te onthullen, waarop haar dochter stond afgebeeld, om toestemming te krijgen…

Het jonge meisje was immers te veel gecompromitteerd om nog van een huwelijk af te kunnen zien.

„Bovendien,” biecht Chagall op, „was het eigenlijk Bella die mij ten huwelijk vroeg. Ik heb mijn hele leven nog nooit iets durven vragen.”

Inmiddels was de eerste wereldoorlog, die de terugkeer naar Parijs erg bemoeilijkte, in volle gang. Chagall bleef in Vitebsk. In 1917 pas werd hij volledig door de familie van zijn vrouw geaccepteerd.

Politiemannen drongen met een onduidelijk bevel tot ontruiming de juwelierszaak van de familie Rosenfeld binnen. Ze hakten muren om en braken de vloeren open. Toen ze vertrokken met een wagen vol juwelen, waren de ouders van Bella net zo arm als die van Chagall…

deel 3

Het geluk is niet met Chagall. Er is oorlog uitgebroken. De Russische revolutie is in volle gang. Er heerst een ijzige kou in het vervallen huis van de familie Chagall. Toch is Chagall ondanks de vele ontstellende tegenslagen, actiever dan ooit. Hij werkt onder andere aan de Academie voor beeldende kunst in Vitebsk en maakt decors en kostuums voor het nieuwe joodse theater in Moskou. De toestand in Rusland wordt langzamerhand ondraaglijk voor hem.

1917: honger, angst, koude, dood …
Chagall was gemobiliseerd en werkte reeds twee jaar achter een bureau in een Sint-Petersburgse kazerne waar hij, onder toezicht van een pietluttige kapitein, staatjes invulde.
Onder zijn raam hoorde hij het gevloek en geschreeuw van de muitende soldaten van het terugtrekkende leger. Hij ging naar buiten om te kijken wat er aan de hand was en was zo ontsteld van wat hij zag, dat hij nimmer meer een voet in de zojuist verlaten kazerne zette.

Omdat Chagall nu niets meer te doen had, bezocht hij vele bijeenkomsten van kunstenaars en op een dergelijke vergadering, in het theater Michailowsky, werd zijn naam genoemd. Een van de leden van de nieuwe regering stelde voor hem te benoemen als volkscommissaris van Beeldende Kunsten. Deze eer deed Chagall de angst om het hart slaan; en hij wilde dan ook alleen maar benoemd worden als directeur van de academie in zijn geboorteplaats. Daar zou hij tenminste te midden van familie en kennissen zijn en misschien kon hij zich in Vitebsk nuttig maken.

Zo begon een van de vreemdste experimenten van de Russische revolutie. Terwijl in het land verwoed werd gevochten, begon Chagall heel rustig zijn klein provinciestadje in een nieuw Florence te veranderen.

Bij zijn thuiskomst had hij alle leraren, alle artiesten, en zelfs de huisschilders bijeengeroepen en hun gevraagd hem te helpen bij het oprichten van een museum en een Academie van Beeldende Kunsten.

Iedereen zette zich vol enthousiasme aan het werk. Ook belangrijke artiesten, afkomstig uit Moskou en Sint-Petersburg, kwamen bij hem werken. Onder hen bevonden zich Malevitch, die als eerste een theorie ontwikkelde over abstracte kunst, Pewsner en zijn broer Gabo, die op het ogenblik beschouwd worden als de belangrijkste abstracte beeldhouwers, en Tatlin, Rodzenko, Lissintzky en Pougny. Chagall moest in zijn veranderde positie als sovjetfunctionaris — in militaire blouse en met aktetas — deelnemen aan de Comités van de Revolutie om het geld te bemachtigen, waarvan hij zijn academie kon opbouwen. Men beschouwde hem als een ongevaarlijke gek, maar de bescherming van Lunatcharski, volkscommissaris van Openbaar onderwijs, nam alle hindernissen uit de weg. Chagall had deze zware man met het sikje en het wonderlijke faungezicht in Parijs leren kennen, waar hij in ballingschap samen met Lenin en Trotski de revolutie voorbereidde. Lunatcharski werkte voor revolutionaire bladen en was Chagall komen opzoeken in de „Ruche” om een artikel te schrijven over zijn werk. De ontmoeting was heel hartelijk geweest, maar de twee mannen hadden elkaar niet begrepen. Chagall zei hem: „Vraag me vooral niet waarom je een kalf in de buik van een koe kunt zien en zo…” Geamuseerd glimlachend had Lunatcharski zijn aantekeningen gemaakt.

Toen hij deel ging uitmaken van de regering herinnerde hij zich de hem sympathieke schilder. De revolutie had zich in die tijd onder andere ten doel gesteld de avant-gardeschilders naar voren te brengen en Lunatcharski, die dit als een van zijn functies zag, had zich daarom voorgenomen om van Vitebsk een groot artiestencentrum te maken. Door deze geweldige steun — Lunatcharski behoorde tot het presidium van de Opperste Sovjet en was zeer goed bevriend met Lenin en Trotski — kon Chagall het hoofd bieden aan zijn collega’s van de Plaatselijke Sovjet, en hen zelfs als kinderen behandelen. „Het amuseerde mij geweldig om een politieke commissaris, een puber van 19 jaar, of iemand van publieke werken, flink op z’n schouder of z’n achterste te slaan. Hoewel het forse jongens waren, vooral de eerste, gaven ze zich snel gewonnen.”

Zijn invloed werd zo groot dat niemand durfde te protesteren, tot… de dag waarop de feesten ter gelegenheid van de Oktoberrevolutie werden gehouden. In plaats van, zoals dat gebruikelijk was, grote portretten van Marx te laten maken, liet hij zijn leerlingen reproducties vervaardigen van enkele van zijn eigen werken. De officiële afvaardiging uit Moskou was buitengewoon verrast toen zij zagen dat de delegaties die ter ontvangst klaarstonden, spandoeken droegen waarop groene koeien, ezels en gevleugelde paarden stonden afgebeeld. „Wat heeft dit met Marx en Lenin te maken?” vroeg men Chagall.

„Niets,” antwoordde deze opgewekt.

Vitebsk had een levend kunstcentrum in Rusland kunnen worden als de kunstenaars van de academie niet door hun eerzucht en hun jaloezie, het hadden doen mislukken.

Van de afwezigheid van Chagall, die regelmatig naar Moskou moest om materiaal te halen, maakte een groepje van hen gebruik om de leerlingen een motie te laten ondertekenen, waarin werd geëist dat de directeur binnen vierentwintig uur de academie zou verlaten.

Hongersnood in Moskou

Geschokt door dit verschrikkelijke verraad, verliet Chagall met zijn vrouw Bella en zijn enkele dagen oude dochtertje Ida, Vitebsk. Later hoorde hij dat de leraren niet in staat waren om tot overeenstemming te komen en hadden besloten uiteen te gaan na de schilderijen uit het nieuwe museum en het meubilair van de academie onderling te hebben verdeeld.

In Moskou, waar zij de overblijfselen van een huis hadden betrokken, bestonden de dagen voor Chagall en zijn vrouw uit kou en honger en zelfs, ondanks de bescherming van kameraad Lunatcharski, uit angst.
Als hij ’s ochtends wakker werd, boog de schilder zich over de wieg van zijn dochtertje om de sneeuw die zich er ’s nachts in had opgehoopt te verwijderen. Het werd een afmattende strijd om het bestaan Chagall verloor hele dagen om een paar blokjes vochtig hout, een klein stukje paardevlees te bemachtigen. Hij schrijft in zijn autobiografie: „Het geldvraagstuk bestond niet. Men had het eenvoudig niet nodig, want er was niets om te kopen.” De verdeling van levensmiddelen was van een tragische waanzin. Eens wees men hem een halve koe en een zak meel toe… een buitenkansje dat nimmermeer werd herhaald en waarna hij opnieuw gedwongen was zijn hopeloze speurtocht naar een klein beetje melk en boter voor de kleine Ida, voort te zetten. Als er geen melk was, gaf men het kind wat gezoet water, en wanneer er geen suiker meer was: water.

Bella werd aangehouden op een markt waar zij probeerde een ring te ruilen voor wat boter. Haar dienstmeisje slaagde erin stukjes brood weg te pakken en ze onder haar rokken mee naar huis te smokkelen. Ze werd gesnapt toen ze probeerde om in de trein een zaak meel mee te nemen.

Ondanks alle moeilijkheden werkte Chagall als een bezetene. Men had hem opdracht gegeven schilderingen te maken voor het nieuwe Joodse Theater, en hij had zich vol enthousiasme op dit enorme werkstuk geworpen, ondanks de schaarste aan verf en penselen. Bovendien ontwierp hij decors en kostuums voor verschillende toneelstukken.

Het Joodse Theater is thans al geruime tijd gesloten en zijn werk is, in het beste geval, ergens opgeslagen.

Schilderen met oorlogsweesjes

De schrijnendste herinnering aan deze tijd van bloed en tranen is voor Chagall zijn kortstondige functie als hoofd van twee groepen verlaten kinderen. Elk zo’n groep bestond uit een twintigtal kinderen wier ouders slachtoffer waren van de burgeroorlog. „Deze weeskinderen waren de meest ongelukkige schepsels, die ik ooit heb gezien. Eenzaam door de straten zwervend hadden zij in hun ogen nog de doodsangst voor de moordenaars van hun ouders. Verdoofd door het fluiten van kogels en het lawaai van brekende ruiten, hoorden zij in hun oren nog steeds de laatste gebeden van hun vader en moeder klinken. Sommige van de kinderen hadden gezien hoe de baard van hun vader werd uitgetrokken, hoe hun zusters werden gemarteld, nadat zij in de gauwigheid waren verkracht.”
Deze ongelukkige wezentjes waren in de steden opgepakt, waar zij in groepen ronddoolden, half dood van honger en kou. Men had ze ondergebracht in verlaten landhuizen in de omgeving van Moskou.

De komst van een nieuwe directeur-tekenleraar bracht de kinderen weer tot enthousiasme. „Zij wierpen zich op de verf als beesten op een stuk vlees,” zegt Chagall. Hij bereikte met hen verrassende resultaten. „Een van de jongens gedroeg zich alsof hij voortdurend in een staat van creatieve dronkenschap verkeerde. Hij schilderde, componeerde muziek en schreef gedichten. Een ander werkte als ingenieur: rustig construeerde hij zijn kunstwerken. Sommigen gaven de voorkeur aan abstracte kunst die een gelijkenis vertoonde met de primitieven en kunstvormen zoals die werden toegepast bij de vervaardiging van kerkramen. Lange tijd ben ik verrukt geweest van hun tekeningen en de onhandige manier waarop ze hun inspiratie tot uitdrukking brachten. Helaas moest ik ze weer verlaten.”

Ondanks het feit dat hij zijn werk bij de kinderen met veel toewijding en liefde vervulde, realiseerde Chagall zich in 1922 dat hij zich in de Sovjetunie niet langer meer op zijn plaats voelde. De conventionele schilders, die gedurende enkele jaren niet veel van zich hadden laten horen, hadden inmiddels het proletarisch realisme uitgevonden en maakten een spectaculaire come-back. Zij schakelden de vernieuwers van de schilderkunst, artiesten die baanbrekend werk hadden verricht, uit, onder het mom dat hun werk onbegrijpelijk was voor het gewone volk.

Paspoort voor Parijs

Chagall voelde zich verlaten en een vreemdeling in dit nieuwe Rusland.

Op een dag, toen hij langs het Kremlin liep, kwam hij plotseling op het idee om naar binnen te gaan en aan zijn vriend Lunatcharski te vragen hem een paspoort te bezorgen. In die tijd was Stalins ijzeren gordijn nog niet neergelaten en was het nog mogelijk dat een kunstenaar naar het Westen trok. Chagall kreeg de benodigde papieren. Hij nam huilend afscheid van zijn leerlingen en verliet, zijn vrouw Bella en de kleine Ida zouden hem achterna reizen, zijn geliefde Rusland om er nooit meer terug te keren.

„Verwacht niet dat je ooit een cent zult krijgen …”

Na afloop van de oorlog had hij weer contact kunnen opnemen met de rest van Europa. Zijn vriend, de dichter Rubiner, had hem uit Berlijn een brief geschreven. „Weet je dat je hier inmiddels beroemd geworden bent? Je doeken brengen een heleboel geld op. Verwacht overigens niet dat je ooit een cent zult krijgen van Walden. Hij denkt dat de roem jou meer dan voldoende is.” Dit alles was woord voor woord waar. Toen Chagall in Berlijn aankwam, volslagen berooid, gekleed in dikke katoenen kleren die hem door het Amerikaanse Rode Kruis waren verstrekt, ontdekte hij, dat alle doeken die hij in 1914 bij Walden had achtergelaten, verkocht waren en dat de handelaar zelf, tot overmaat van ramp, was gestorven. Ondanks de haast die hij had om naar Parijs te vertrekken waar Cendrars op hem wachtte, bleef hij in Berlijn om te trachten zijn schilderijen te achterhalen. Na negen maanden was hij de strijd moe en vertrok met in zijn bagage slechts drie van de achtergelaten werken naar Parijs.

In plaats van de 40 grote schilderijen en de 160 kleinere werken die eens in Berlijn waren, stond er een miljoen waardeloze rijksmarken voor hem op de bank.

Heel naïef, geloofde hij dat het hem geen enkele moeite zou kosten Frankrijk binnen te komen, maar op het moment dat hij in de trein wilde stappen, ontdekte hij dat hij geen visum had. Op het consulaat weigerde men hem er een te geven, omdat Frankrijk nog geen burgers uit de Sovjet-Unie toeliet. Tenslotte werd alles toch geregeld, want, ordelijk als altijd, had Chagall sinds 1914 in zijn portefeuille een bewijs van de Franse politie bewaard, waarin stond dat hij slechts voor drie maanden het land zou verlaten. „O, als u nog steeds in Parijs gehuisvest bent, kunt u natuurlijk vertrekken,” zei men hem.

Zo kon hij dus eindelijk weer op weg naar huis gaan, waar hem een zeer onaangename verassing te wachten stond…

Direct na zijn aankomst, ging hij naar „la Ruche”. Voor zijn vertrek naar Berlijn had hij vol vertouwen het slot van zijn deur met een ijzerdraadje vergrendeld, en hij verwachtte niet anders dan alles terug te zullen vinden in de staat waarin hij het had achtergelaten. Tot zijn diepe teleurstelling zag hij dat het ijzerdraadje was verwijderd en het slot vervangen was door een nieuw. Het atelier werd bewoond door een ander en alle schilderijen die hij had achtergelaten waren verdwenen, verkocht door weinig fijnzinnige collega’s. Altijd zal hij zich nog zijn grote ontgoocheling herinneren en hij is nog steeds verbitterd tegenover degenen die hem dat aandeden.

„Ik moest tien frank geven om m’n schildersezel terug te krijgen!” Chagall is zonder huis, zonder geld, zonder roem. Ja, in 1922 was de artiestenwereld van Montparnasse niet zo fijngevoelig…

deel 4

Eenmaal terug in Parijs heeft Chagall veel succes. Zijn schilderijen worden opgenomen in de collecties van de beroemdste kunstverzamelaars. Gedurende de dertig jaren valt een schaduw over het leven van de familie Chagall. Het gedreun van de laarzen van Hitlers legers klinkt in Europa en ze zijn genoodzaakt via Spanje naar Amerika te vluchten…

De moeilijkheden die hij ondervindt, doen Chagall besluiten terug te keren naar Parijs. Als hij er aankomt, in 1922, vindt hij zijn atelier in de „Ruche” geplunderd. Deze bittere teleurstelling wordt echter goedgemaakt door ’t feit dat bij een kleine groep vrienden, critici en kunsthandelaren zijn werk waardering heeft gevonden. Met een gerust hart kan hij dan ook zijn vrouw Bella en zijn dochter Ida uit Moskou naar Parijs laten overkomen.

De gestolen doeken die door zijn minder scrupuleuze kunstbroeders zijn verkocht, worden teruggevonden in de beroemdste collecties. De bekende criticus Gustave Coquiot, die zich bijzonder interesseerde voor het werk van moderne schilders, had één kamer van zijn huis volgehangen met Chagalls. Vollard, een handelaar die rijk was geworden aan het werk van Cézanne, Van Gogh en Renoir, en het maar moeilijk kon verkroppen dat Modigliani en Utrillo zijn neus voorbij waren gegaan, had deze schilderijen gezien en wilde onmiddellijk met de schilder kennis maken. Chagall was altijd bang geweest voor Vollard. Als hij voor het begin van de Eerste Wereldoorlog langs de beroemde kunsthandel in de Rue Laffitte liep, die volhing met het werk van Cézanne en van Van Gogh, durfde hij er niet naar binnen te gaan. Voor de sombere man, die in het midden van zijn winkel in een stoel zat te dommelen of strak voor zich uitstaarde, ging hij op de vlucht. Hij wist niet, dat Vollard, die een vriendelijk man was, aan een soort slaapziekte leed, waardoor hij overdag vooral na de maaltijden urenlang half verdoofd was. Van hun eerste ontmoeting af had Vollard het erover gehad dat hij Chagall de illustraties wilde laten maken voor de luxe uitgave van een klassiek werk; hij had zich namelijk voorgenomen een uitgeverij te beginnen. Ze kozen „Dode Zielen” van Gogol. Hierna zou de schilder „De Fabels van La Fontaine” en de bijbel illustreren. Behalve „Dode Zielen” werd geen van deze werken tijdens het leven van Vollard uitgegeven. De kopergravures die Chagall voor hem had gemaakt werden pas na zijn dood, dik onder het stof, in de kelder van zijn huis teruggevonden.

„Vollard,” vertelt Chagall, „was bezeten door een, wat sadistische, verzamelwoede. Hij kon er niet tegen als je niet voor hém werkte, maar als je eenmaal voor hem werkte, borg hij alles wat je gemaakt had zorgvuldig op in z’n kelder. De koperplaten die ik stuk voor stuk bij hem bracht, bekéék hij zelfs niet, maar hij stopte ze onmiddellijk achter slot en grendel.

Hij sprak nooit over prijzen met me, maar betaalde gewoon wat ik vroeg. Hij heeft me 500 franks voor elk van de 96 gravures der „Dode Zielen” betaald. Later, voor de Fabels, betaalde hij zonder meer 10.000 franks per stuk. Inmiddels wist ik de prijs die men voor een dergelijk stuk betaalde.”

De vrienden van Chagall

Net zoals de „Ruche” bij Chagalls terugkomst onherkenbaar gebleken was, zo was Montparnasse volkomen veranderd. Het quartier was bezig een metamorfose te ondergaan. De kleine kruidenierszaken en groentewinkeltjes die er voor 1914 nog floreerden waren verdwenen, de intieme buurtkroegjes vervangen door grote, elektrisch verlichte cafés, behangen met spiegels en klatergoud; de eerste nachtclubs openden hun roodpluche gordijnen. Een bontgekleurde menigte, meer ontkleed dan gekleed, slenterde dag en nacht over de tot voor kort zo rustige Boulevard du Montparnasse. Bij de Dôme en de Rotonde wemelde het van de onbekende gezichten, voor het merendeel vluchtelingen uit Rusland en Midden-Europa, die tot diep in de nacht zaten te praten in een verstikkende atmosfeer van alcohol en tabakswalm.

Er heerste een grote geestelijke verwarring. Het kubisme was op een dood punt gekomen; Picasso, de geestelijke vader van het kubisme, had zijn eigen geesteskind de doodsteek toegebracht door met zijn portretten van struise vrouwen, „De Matrones”, terug te keren naar de traditionele figuratieve kunst. Het dadaïsme bezweek onder het gewicht van zijn eigen kolderieke uitingen. En te midden van kreten van afkeer en verheerlijking werd het surrealisme geboren.

Apollinaire en Modigliani waren dood en Chagall kon de vrienden die hem nog restten op de vingers van één hand tellen: Zadkine, Lipchitz, Delaunay en Pougny, die net als hij van de andere kant van het ijzeren gordijn kwam, Supervielle, Paulhan en bovenal de trouwe Cendrars die in de oorlog een arm verloren had. De schrijver en politicus Barrès, sterk onder de indruk van Cendrars heldhaftig gedrag, schonk hem een kunstarm. Maar de dichter geneerde zich voor deze prothese en wist zich ervan te ontdoen, door hem achter te later aan het buffet van het station Saint Lazare.

Chagall, die door de opdrachten van Vollard met één klap uit de zorgen was, ging hard aan het werk. Nu hij het zich financieel kon veroorloven, besloot hij een reis door Frankrijk te gaan maken. Hij hoopte op het hem onbekende Franse platteland nieuwe indrukken op te doen.

Op zijn eerste ontdekkingstocht belandde hij in Bretagne. Daar schilderde hij een van zijn belangrijkste werken: „Fenêtre à l’ile de Bréhat”.

Het daaropvolgende jaar bracht hij een bezoek aan Maillol in Banyuls. Het waren gelukkige en vruchtbare jaren, vol van nieuwe indrukken en ervaringen. Omdat hij de techniek van de schilderkunst nu volkomen beheerste, kon hij in zijn werk tot een ongebonden vrijheid van expressie komen. Van de invloed die het kubisme op hem had gehad, was geen spoor meer te bekennen. Gestimuleerd door zijn grote liefde voor Bella werden zijn schilderijen elke dag blijmoediger en kleurrijker.

Jonge gelieven, waarin men duidelijk de trekken van Bella en Chagall kan herkennen, omarmen elkander, zwevend door de lucht rond een met bloemen versierde Eiffeltoren. Al zijn werk uit die tijd getuigt van een grote tederheid en intense levensvreugde: Chagall had zichzelf eindelijk gevonden.

De vlucht naar Amerika

Gedurende de jaren dertig viel er een schaduw over de uitbundige creatieve sfeer die deze periode aanvankelijk kenmerkte: het gedreun van de laarzen van Hitlers leger werd steeds luider en Chagall begreep dat er dramatische ontwikkelingen op komst waren. In Duitsland werden zijn doeken als „Bolschewismus-kultur” bestempeld. Zij werden uit de musea verwijderd en vernietigd. Door de Spaanse burgeroorlog had zijn werk een dramatisch karakter gekregen, een sfeer die tot 1947 in zijn schilderijen terug te vinden zou zijn.

Picasso, met wie hij gedurende deze periode veel contact had, was op dezelfde manier bewogen door de verschrikkingen van de oorlog.

De twee mannen die elkaar sinds 1923 niet meer hadden ontmoet, konden voor het eerst van hun leven met elkaar opschieten. Terwijl de Spanjaard met zijn „Guernica”, een Baskisch dorp dat door Duitse bommen verwoest werd, schilderde, uit Chagall zijn beklemmende angst in „De Val van de Engel”. De zo gevreesde wereldoorlog kwam onvermijdelijk. In juni 1939 vluchtten Chagall, Bella, Ida en haar man naar Blois. Chagall zag er het nut niet van in om ver weg te gaan. Hoe vaak had hij al niet moeten vluchten, honger geleden en terreur meegemaakt. Hij was het zo beu, dat hij het aanbod van de Amerikaanse ambassade om, zoals men ook voorstelde aan Matisse, Roualt en Dufy, naar de Verenigde Staten te emigreren afsloeg. Maar het zogenaamde vrije Frankrijk raakte steeds vaster bekneld in de ijzeren vuist van nazi-Duitsland en gedurende een bezoek aan Marseille werd hij tijdens een razzia opgepakt. Men zocht buitenlandse joden. Gelukkig wist de Amerikaanse consul hem na enkele uren te bevrijden. Chagall was er echter eindelijk van overtuigd dat hij met zijn familie in groot gevaar verkeerde en hij besloot het aanbod van de Amerikanen te accepteren, op voorwaarde dat hij met zijn hele gezin en al zijn schilderijen kon vertrekken. Dank zij de tussenkomst van Louis Haute-coeur, staatssecretaris van beeldende kunsten van de Vichy-regering, wist hij met zijn gezin naar Spanje te ontkomen. In kisten gepakt verlieten 500 schilderijen het Frankrijk dat Chagall zoveel jaren gastvrijheid verschaft had, en toen de Duitsers er uiteindelijk achter kwamen dat de schilder vertrokken was, visten zij achter het net; Chagall zat inmiddels, op weg naar Amerika, in Madrid!

De Duitse ambassade verzocht onmiddellijk de Spaanse autoriteiten de schilderijen in beslag te nemen. De arbeid van twintig jaar intensief werken stond op het spel! Chagall en Bella reisden door naar Portugal, terwijl Ida in Spanje achterbleef om het gevecht tegen de ambtenaren van het Franco-regime voort te zetten. Hardnekkig volhoudend, wist zij het oeuvre van haar vader eindelijk uit handen van de autoriteiten te krijgen en in triomf kwam zij, twee uur voor het vertrek van de boot naar Amerika, in Lissabon aan. Na dit hachelijke avontuur voltrok zich de reis zonder incidenten. Toen de vluchtelingen in New York aankwamen, vermeldden de kranten met vette koppen de invasie in Rusland; het was 21 juni 1941!

De dood van Bella

Ondanks de warme ontvangst in New York — met exposities in musea, diverse beroemde kunstgalerijen en vele opdrachten — hield Chagall niet van Amerika. Hij voelde zich een volledige vreemde. De onbekendheid met de Engelse taal maakte hem een buitenstaander en het was hem onmogelijk van gedachten te wisselen met de andere kunstenaars.

In zijn appartementen aan de Riverside-Drive, aan de oevers van de Hudson, waar de wind zo sterk doorheen blies dat zijn gasten bijna wegwaaiden, ontving hij slechts enkele vrienden: Pierre Matisse, zoon van de grote „fauve” schilder, die een kunsthandel had in New York, Fernand Leger, zijn oude kameraad uit „La Ruche”, de schilder Ozenfant…

Het contact met het Russische Ballet maakte zijn ballingschap draaglijker. Massine, die balletmeester was geworden, vroeg hem de kostuums en de decors voor „Aleko” te ontwerpen, een ballet naar een vertelling van Poesjkin. De tijd van koortsachtig werken met vele adempauzes vol plezier uit de jaren voor 1914 keerde terug.

De première van het ballet van Massine vindt plaats in 1942 in het Paleis van Schone Kunsten te Mexico City. In de sfeer van een fiësta schildert Chagall zijn decors, geholpen door Mexicaanse kunstenaars, terwijl Bella een atelier opent waar de kostuums en de accessoires worden gemaakt. Ze blijven twee jaar in Mexico.

Weer terug in de Verenigde Staten blijkt dat Bella het slachtoffer van een dodelijke infectieziekte is. Chagall brengt haar naar een ziekenhuis, maar ze worden teruggestuurd omdat het te laat in de avond is om nog opgenomen te worden. De volgende dag sterft Bella. Haar laatste woorden waren: „Laten we snel naar huis gaan, pak de koffers in…” Men had haar net verteld dat Parijs op het punt stond bevrijd te worden.

En zo keerde Chagall eenzaam en gebroken in 1948 terug naar Frankrijk, samen met een getrouwd Engels meisje, Virginia Haggard MacNeil. Chagall werd verliefd op haar. Maar na zeven jaar verliet ze hem plotseling. Gelukkig ontmoette Chagall niet lang na deze pijnlijke emotie in Londen Valentina Brodsky. „Vava”, zoals hij haar noemde, werd Chagalls tweede vrouw. Hij noemt haar intelligent en krachtig. „Ze is mijn procureur-generaal,” zegt Chagall, „want ze heeft orde op zaken gesteld in mijn leven. Als we het samen oneens zijn, roep ik: „Echtscheiding”.” Chagall lacht als Vava antwoordt: „O, wij scheiden vele malen per dag”… Chagall is gelukkig met het werk dat in Frankrijk op hem wacht.

In het pottenbakkersatelier Madoura te Vallauris vindt de wedergeboorte plaats van dit kleine provinciale stadje. Op de lange houten tafels staan honderden borden, schalen, vazen en potten van klei om beschilderd en gevernist te worden. Chagall en Picasso werken,- ieder op hun eigen manier; Picasso die de hele tafel langsloopt houdt zich voortdurend met alle vormen en kleuren tegelijk bezig. Met zijn penseel geeft hij snel een lik hier en een streek daar. Chagall werkt stil en ingespannen aan een hoek van de tafel, hij concentreert zich op één bord, meer dan Picasso worstelend met de techniek van het pottenbakken.

Nerveus en geprikkeld, als hij niet het gewenste resultaat bereikt, staat hij op om een wandeling te maken. Als hij gekalmeerd terugkomt, vindt hij op het bord waar hij zo’n moeite mee had een prachtige haan geschilderd in zijn eigen stijl. Tijdens zijn afwezigheid heeft Picasso voor de grap met enkele snelle penseelstreken een haan a la Chagall geschilderd. „Dit moet werk van de duivel zijn!” roept Chagall uit.

Reeds gedurende enkele jaren wonen de beide kunstenaars naast elkaar aan de Cöte d’Azur. Zij hebben Renoir en Matisse opgevolgd als de „artistieke attracties” van de Midi. Ondanks het feit dat het niet altijd evengoed botert tussen de twee, kunnen ze moeilijk voor lange tijd van elkaar scheiden.

Eindelijk thuis

Chagall, nerveus en gevoelig, begint vaker naar Vence te trekken, waar hij de rust en stilte vindt na een veelbewogen leven. Hij laat een huis bouwen in Saint-Paul-de-Vence en richt daar zijn atelier in.
Tijdens de bouw van het huis zegt Chagall: „Op mijn leeftijd is het absoluut krankzinnig om een nieuw huis te laten bouwen.”
Inmiddels is Marc Chagall 79 jaar oud en woont hij al ruim een jaar in het nieuwe huis, samen met Vava, drie koks, een chauffeur en een dienstmeisje. Hij werkt te midden van tientallen paletten, kunstboeken, schilderijen, een samovar, en grammofoonplaten van Bach, Mozart, Stravinsky en Ravel.
Chagalls dochter Ida is nu getrouwd met de directeur van het Bazel museum, Franz Meyer. Ida zegt over haar vader: „Soms denk ik dat het enige dat ik van mijn vader leerde een verschrikkelijk schuldgevoel is als ik niets doe. Toen ik kind was had ik altijd een kalender boven m’n bed.” Nog steeds schildert Chagall met de kracht van zijn jeugd. Hij heeft ramen ontworpen voor de kathedraal van Metz, hij heeft het plafond van de grote Opéra van Parijs gedecoreerd, hij ontwierp 75 kostuums en 13 decors voor de Metropolitan Opera in New York, hij ontving een ridderorde van het Légion d’Honneur en is al driemaal doctor in de schone kunsten. Chagall heeft zich laten naturaliseren en hij voelt zich nu Fransman in hart en nieren. Hij zegt: „Als ik mijn leven overzie, vervult het mij met verwondering dat een arme jongen uit Vitebsk het zo ver in de wereld heeft geschopt. Ik kan me nauwelijks meer voorstellen dat ik zover van hier ben geboren!”

.

Alle biografieën

.

1606-1505

.

.