VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (14-8)

.

Vanaf 12 jr. Voorleestijd 20 min.

.

Lichte sneeuwval, windstil weer

.

Toen hij de kerk uitkwam leek het of het klokgelui werd gesmoord in een gordijn van watten. De sneeuw viel in dichte, warrelende vlokken. Een jonge hond dolde uitgelaten heen en weer, kinderen lachten om een slee, hij hoorde de stemmen van de mensen die afscheid namen van de dominee: prettige feestdagen, vrolijk kerstfeest – wat je dan zoal zegt. Zelf had hij geen afscheid genomen, de dominee was geen vriend van hem. (Wie eigenlijk wel?) Door de sluier van sneeuw drong flauw het maanlicht, een waterig schijnsel; de contouren van de dorpsstraat, waarin de spaarzame lantarens door dansende vlokken omgeven waren, vielen nauwelijks te onderscheiden, de huizen aan het eind waren van hieruit niet te zien.
Hij had erop gerekend, op zijn leeftijd kon je dat verwachten, dat de gang naar huis terug hem moeilijk zou vallen, maar hij was toch gekomen.
De stemmen kwamen dichterbij, hij trok zijn das wat dichter om zijn hals, greep zijn wandelstok stevig beet en begaf zich op weg. De sneeuw lag al tamelijk dik, zoveel was er in jaren niet gevallen. Hij moest lang in de kerk hebben gezeten, maar het had hem toch niet lang geleken, hoewel de dominee even lang van stof was geweest als anders en weer te veel literatuur en kunstgeschiedenis in zijn preek had ingelast. Dat had hem jaar en dag het kerkbezoek tegen gemaakt, en ook de uitvallen nu en dan tegen het katholicisme, die hij blijkbaar niet achterwege kon laten. Als je lang in romaanse landen had gewoond, kon je dat moeilijk verdragen. Geen slechte prediker, de dominee, maar een ijveraar, je zou bijna zeggen, een beetje een fanaticus. Waarom was hij dan deze keer toch gegaan? Om de kerstboodschap, om de oude koralen, om zijn kindergeloof te horen bevestigen of om de kerstbomen en de oude boerenkribben met hun houtsneewerk te zien? Maar de kerk stond daar niet vanwege de dominee, en wie was hij, zo’n oude, eenzame, door ervaringen geteisterde man, dat hij over hem zou mogen oordelen?
Hij had te hard gelopen, om maar van de mensen weg te komen, met wie hij geen enkele band had, en ook niet hebben wilde. Ze mochten hem gerust voor zonderling en ouwe gek uitschelden.
Hij moest even stil blijven staan om adem te scheppen. Zijn leeftijd deed zich weer eens voelen. De kou kroop in zijn benen omhoog, zijn handen begonnen gevoelloos te worden, altijd vergat hij wat: hij had zijn overschoenen aan moeten doen.

De stemmen waren nu niet meer te horen, hij was de dorpsstraat uit, waar nu achter stijf dichtgetrokken gordijnen de kaarsen werden aangestoken; het vertrouwde voetpad naar de bosrand waar zijn huis tegenaan stond, was nog maar net te onderscheiden. Het buitenlicht brandde, maar de haard zou wel uit zijn gegaan, en hij had vergeten de tuindeur op slot te doen. Hij had geen kerstboom, met kaarsjes om aan te steken. Hij zou niet weten voor wie. Wat was het stil, geen zuchtje wind, en de sneeuw bleef zachtjes vallen. De sneeuw moest begonnen zijn te vallen toen hij al in de kerk zat. De eerste sneeuw van het jaar, stipt zoals het behoorde, een witte Kerstmis waar hij als kind altijd naar verlangd had. Het was nu niet ver meer. Hij bleef staan en glimlachte voor zich heen. Hij moest ineens denken aan de sirene, die midden onder de preek was gaan loeien, juist toen de dominee al te pathetisch werd, ongenadig door de welgekozen woorden heen scheurend, de sirene van de gevangenis in het moerasgebied achter het bos. Er was er weer een ontsnapt, en zo waarschuwden ze de omgeving, terwijl ze probeerden hem weer te vangen. Een zeer moderne strafinrichting, ook de behoefte aan modern lawaai scheen daarbij te horen, een beter alarmsysteem hadden ze blijkbaar niet weten te verzinnen. In het dorp waren ze er al aan gewend om te worden overvallen door de wisselend aanzwellende en afnemende huiltonen van de sirene te worden opgeschrikt, maar waarom juist op kerstavond, midden onder de nachtdienst? Aan de andere kant was het heel goed verklaarbaar dat de drang naar de vrijheid een gevangene juist nu te machtig werd, en misschien was ook de kans om te ontsnappen gunstiger dan anders. Het mocht de uitbreker aanvankelijk al gelukt zijn een voorsprong te krijgen, ver zou hij in deze sneeuw niet komen, tenzij de wachters hem in deze nacht voorlopig maar lieten gaan. Maar wat ging het hém aan, moest hij daarbij stilstaan? Hij zou de boodschap van het evangelie nog eens nalezen, besloot hij, als hij tenminste niet te moe was, nu meteen, voor die weer verbleekte. Hij ging verder, maar bleef nog eenmaal staan, en ditmaal glimlachte hij niet. Nu wist hij waarom hij naar de kerk was gegaan. De vrede van God, die alle verstand te boven gaat… Om deze zegen te horen uitspreken, deze troostrijke woorden, in hun eenvoud vol geheimenis, had hij de bezwaarlijke tocht ondernomen.
Ook het licht in de hal had hij aangelaten, hij was niet meer gewend om zo laat uit te gaan. Terwijl hij met klamme vingers zijn schoenen uittrok, overwoog hij of hij niet meteen een warme kruik in zijn bed zou leggen.
De deur van de bibliotheek stond op een kier – zo haastig was hij, in een plotselinge opwelling, weggegaan. Hij hoorde daarbinnen een haardvuur knapperen en voelde hoe de warmte hem tegemoet drong. Waar had hij ook weer zijn pantoffels? Hij deed de deur wijd open, maar na een paar passen stond hij stil – met zijn natte sokken maakte hij vieze voeten op het kleed.

Op de stoel bij de haard zat een voorovergebogen gestalte, een lange jas losjes omgeslagen, die met een haardijzer in het vuur pookte. Als hij nu iets riep zou de man hevig schrikken – dat was het eerste wat hij dacht. Na een afgemeten zwijgen zei hij daarom, met zijn gewone, gearticuleerde stem: “Goedenavond, hoe bent u hier zo binnengekomen?’ ’
“Neemt u me niet kwalijk.” De man sprak zachtjes, hij scheen niet geschrokken, zelfs niet verrast, alsof hij deze ontmoeting wel had verwacht. “Ik zag licht branden. Uw tuindeur stond zo uitnodigend open, en dan opeens al die sneeuw. Ik wilde graag even in de warmte zitten. Ik ga zo dadelijk weer weg.”

Zou hij al het licht aandoen? Hij draaide alleen de schemerlamp aan. De onbekende bezoeker stond op en keerde zich langzaam naar hem toe. De jas had hij nu tot de hals toegeknoopt. Het was een ouderwets model dat hem tot aan de voeten reikte, die in grove laarzen staken. Hij was lang en tenger, en hield het hoofd enigszins gebogen. Zijn gelaat toonde sporen van dodelijke vermoeidheid, de kin was verstrakt, de ogen waren te groot in het lijkbleke masker. Zijn houding was vrij van verlegenheid meer als van iemand die hoffelijk luistert dan van iemand, die betrapt is. Ook hij leek een man op leeftijd, hoewel toch zeker tien jaar jonger dan hijzelf, en zoals hij daar stond, in de lichtkring van de lamp, met een mengeling van gelatenheid en innerlijk verzet, maakte hij een afgeleefde, uitgeputte indruk.

“Ik verlang ook een beetje warmte. Gaat u rustig zitten, maar in de andere stoel graag, ik ben aan deze gewend.” Hij maakte een uitnodigend gebaar. De warmte deed hem opleven. Iets anders wist hij zo gauw niet te verzinnen. Niet overhaasten. Eerst maar eens zien hoe het liep. Hij keek de indringer aan. “Zit die jas niet te warm, hij is zo onmogelijk lang. Zou u hem niet liever uittrekken?”

“Huisvredebreuk,” zei de man. “Op zijn allerminst huisvredebreuk. Wat een woord!” Hij scheen ergens over na te denken. “Als ik die jas nou uittrek – ik heb hem in de hal gevonden, en ik dank u wel dat ik hem van u heb mogen lenen” – hier viel hij zichzelf in de rede – “wat een frasen.”
Zo vaardig met de tong als hij scheen te zijn, bracht hij de zin niet tot een einde. Hoewel hij het haardijzer nog losjes in de hand hield – een gevaarlijk wapen, als je er even bij nadacht – ging er niets dreigends van hem uit. De jas maakte hem tot een groteske figuur.

“U hebt het vuur hoog genoeg opgepookt, dus u kunt dat haardijzer nu wel weghangen. En gaat u toch zitten.” De man legde het haardijzer weg, gehoorzaam en een beetje in de war gebracht, maar hij bleef wel staan. Je moest hem blijkbaar de tijd gunnen. “Ik krijg nog maar zelden bezoek. U hebt me een verrassing bezorgd die ik jaren niet meer gekend heb. Ik vind het heel interessant, zo lang u me niets doet tenminste.” Nu hij in zijn eigen stoel zat kwam het er gemakkelijk uit. Ze waren nu dicht tot elkaar gekomen.

Langzaam liet de man zich in de andere stoel zakken. “Bedankt, heel erg bedankt,” sprak hij hortend, “’t Is hier zo – zo vredig. En waar zou ik ook heen moeten in die sneeuw. U staat niet gauw perplex, maar als ik deze jas uittrok, zou u toch vreemd opkijken.” Hij streek met een ironisch gebaar over de lange rij knopen.

“Omdat er dan een gestreept gevangenispak te voorschijn komt?”

De man kwam overeind, wilde opstaan, een schrikreactie, maar hij liet zich onmiddellijk weer terugvallen. “U weet het dus,” klonk het toonloos. “Ik had het kunnen verwachten. Weet de politie al waar ik ben? Komen ze me halen? Jammer. Ik had gehoopt dat ik tenminste nog tot in de stad zou weten te komen.”

“Dus u bent die uitbreker voor wie midden onder de preek de sirene ging. ’t Lag voor de hand. Maak je geen zorgen, hier komt niemand, en ik ben niet van plan je bij de politie aan te geven. Tenminste, vannacht niet. In deze nacht zou dat voor mijn gevoel eenvoudig niet passen. Nog afgezien van de moeite. Ik heb geen telefoon en ik denk er niet aan om nog eens door de sneeuw te gaan baggeren.”

“En u bent niet bang? Ik zou u bijvoorbeeld . . .”

“U zou van alles kunnen. Maar u zult niets doen. Ik heb dadelijk gezien dat u niet het type bent van een – hoe zal ik zeggen? – een gevaarlijke bruut.”

Nu stond de armzalige kerel op en trok met ongeduldige, rukkerige bewegingen de jas uit. In zijn gevangenisplunje zag hij eruit als een clown, maar het groteske patroon gaf hem tegelijk iets van de bittere ernst van een arme struikrover, het wanhopige van alle echte grappenmakers. “Wat ben ik dan wel?” vroeg hij.

“U zult wel zeggen: een onschuldig veroordeelde.”

“U hebt gelijk. Dat zeggen ze bijna allemaal. Maar ik ben werkelijk onschuldig. U kunt me geloven.”

“Vanavond is juist mijn kindergeloof in de kerstboodschap weer bevestigd, dus ik zou wel in de stemming moeten zijn om het van u aan te nemen. Maar het spijt me wel, de bijzonderheden interesseren me hoegenaamd niet. Ik ben een oude schrijver.

“Die boeken, zijn die allemaal van u?” De man in de gevangeniskledij liet zijn blik over de vele boekenplanken gaan. “Ik heb daarstraks de titels gelezen. U moet heel beroemd zijn. Ik wist niet, ik lees niet zoveel bellettrie, dat ik juist in het huis van… (hij noemde de naam) mijn toevlucht moest zoeken. Maar dat zijn alweer frasen. Neem me niet kwalijk.” Zijn voorgewende zelfverzekerdheid scheen hem geheel in de steek te laten. Hij liet zich weer op zijn stoel vallen.

“Maak toch niet telkens verontschuldigingen. Vroeger ben ik beroemd geweest. Ik ben nu vergeten. Sinds acht jaar heb ik geen boek meer geschreven. Sedert mijn vrouw gestorven is. Vorig jaar is mijn kat doodgegaan. Er zijn te veel geschiedenissen door mij heen gegaan, waar of bedacht. Ik wil er niet meer horen. Alleen nog de hele grote, de weinige die blijven. Uw geschiedenis hoort daar, vrees ik, niet bij.”

“U hebt gelijk. Helaas. Mijn geschiedenis is alledaags en triest en vreselijk banaal. Maar in elk geval is het een ware geschiedenis. Ik kan er wat van leren, u niet.” Hij zocht naar woorden, en voegde er zachtjes aan toe: “U bent een wijze oude man, en dat u niets vraagt bewijst hoe goed u bent.”

“Hoe nu?” Hij had dat laatste niet verstaan, en bemerkte dat het haardvuur begon uit te gaan. Hij vermande zich.

“Ik zal u een nuchter voorstel doen. U trekt een pak van mij aan, dat u zo ongeveer past. Ondertussen zet ik koffie. Ik zal u zeggen hoe u in de stad kunt komen. U moet niet naar het station gaan, daar zoeken ze zeker. Er is een bushalte hier dichtbij.”

“U riskeert een vervolging wegens strafbare hulpverlening.”

“Daar kan ik me in deze nacht niet om bekreunen. En voor ik er anders over denk zal ik u het adres geven van een goede advocaat, die iets aan mij verplicht is, met een briefje of hij u helpen wil. Die gekke jas kunt u wel houden. Ik heb hem al jaren niet meer gedragen en hij hangt daar toch maar voor niets.”

“Waarom doet u dit allemaal? Ik dring uw huis binnen, u kent me niet eens.”

“Ik wil u helemaal niet kennen. Dat is het juist. En, goed dat ik er aan denk, het belangrijkste moeten we nog regelen: u moet wat geld hebben. Laten we een gentleman’s agreement sluiten: u kunt het me bij gelegenheid terugbetalen. Als u geluk hebt. Als u onschuldig bent.”

“Maar ik verzeker u …”

“Verzeker me maar niets. Als u mij uw levensgeschiedenis en alle bijzonderheden van het proces vertelt, hoe waar ze ook mogen zijn, dan zeg ik u nogmaals, dat ik niet de minste lust heb om er naar te luisteren. Ik deug niet voor biechtvader. De belangstelling voor het persoonlijk lot van anderen is mij helemaal vreemd. Wat zou ik van u kunnen leren, dat ik niet al lang wist? Bovendien ben ik moe, heel erg moe, en ik laat mijn geregelde leven niet graag in de war brengen.”

“Ik begrijp het. Ik zal u mijn geschiedenis en mijn persoonlijke moeilijkheden besparen. Ik heb ook niet het minste recht iets van u te vragen. Ik sta overal buiten.”

“Wat moet dat betekenen? Ik haat alle zelfbeklag. Ik wil alleen zuiver praktisch iets voor u doen, en u moet niet vragen waarom. Ik doe het eerlijk gezegd ook om op een fatsoenlijke manier van u af te komen.”

“Goed dan, goed dan,” zei de vreemde gast. Hij stond op, schoof het gordijn opzij en keek naar buiten. “De sneeuw is opgehouden,” zei hij langzaam. “De maan schijnt. Het is tamelijk helder. Ik geloof dat ik maar gaan moet.”

Onderaan de trap wachtte hij hem op. Het pak zat hem een beetje ruim, maar het maakte hem heel anders. Hij zag eruit als iemand uit de stad, als een heer. Hij legde een bundeltje kleren op een dekenkist en zei: “Ik heb een nieuw mens aangetrokken. Gooi dit hier maar in het vuur.”

“Ik heb een schetskaartje gemaakt van de weg door het bos. Daar zullen ze nu niet zoeken. Wacht hier bij het ziekenhuis op de eerste bus. U zult misschien lang moeten wachten, maar u hebt al zoveel geriskeerd, dat kan er ook nog wel bij.”

“En als ik nog wat langer hier blijf? Ik weet dat het veel gevraagd is, maar . ..”

“De gastvrijheid, volgens de ouderwetse opvattingen tenminste, zou vergen dat ik het goed vond, maar blijf toch maar liever niet. Ik ben een oude man en werkelijk heel erg moe. En als het straks dag is geworden denk ik er misschien anders over.”

De onbekende haalde zijn schouders op. Was hij bang geworden? Zonder een woord stak hij het kaartje in zijn zak, nam de brief en het bankbiljet en dronk haastig zijn koffie op. “Ja,” zei hij toen, “het is beter zo. Laat ik hopen dat ik bij die advocaat kom en dat ik mijn vrouw spreek, dat is het belangrijkste.”

Bij de deur draaide hij zich om en stak verlegen zijn hand uit. “U loopt nog aldoor op uw sokken.” Hij schudde misprijzend het hoofd, maar hij glimlachte niet. Zijn gezicht droeg weer een gespannen en gefolterde uitdrukking. “Wat moet ik verder nog zeggen. Ik dank u. Van ganser harte. En toch vraag ik: waarom doet u dat voor mij?”

“Dat vraag ik mezelf ook af. Weet ik het?

God behoede u,” zei hij op gesprekstoon, helemaal niet plechtig, en toen, meer tot zichzelf dan tot de gedaante in de vormeloze jas, die eenzaam het besneeuwde pad op ging: “Misschien omdat er iets is dat alle verstand te boven gaat.”

De sterren flonkerden, het bos stond donker tegen de lucht: het zou hem beschutten. Vlug sloot hij de deur. Een lange, onderdrukte geeuw deed hem schudden. Hij hoorde nu toch heus in bed. Waar zijn toch mijn pantoffels? Nou, ik ga ze nu echt niet meer zoeken, besloot hij.

.

Waarschijnlijk van Hans Bütow

.

Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

.

2322

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.