VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (14-7)

.

Kerstverhaal, vanaf 7 jr.
Voorleestijd: ca 23 minuten

.

De dieren van Bethlehem

.

Jozef nam zijn fluit, bracht hem aan de mond en begon te spelen. Het werd hoog tijd, vond hij, dat Maria ging rusten, want. het was geen kleinigheid een kind ter wereld te brengen, en dan nog wel als het tijd is om te slapen. Hij zou iets spelen, bedacht hij, waardoor ze de een na de ander in slaap zouden vallen – eerst de moeder, dan het kindje, en ten slotte de dieren in de stal, die ook wel een onrustige nacht achter de rug moesten hebben, want het gebeurt niet vaak dat dieren bij de geboorte van een mens kunnen toekijken. Zouden ze begrepen hebben, vroeg hij zich af, wat er met de vrouw aan de hand was? Ze hadden haar nog nooit eerder horen schreien.

Eerst klonk de fluit zo vredig en rustgevend dat Jozef er zelf slaap van kreeg. De kerstnacht daarbuiten was zo ijzig koud dat de wanden van de stal er van kraakten en de sterren aan de hemel er van fonkelden. Voor de deur van een geriefelijk, met stro gedekt buurhuis stond een hondje met een natte neus hevig te janken. Maar hij was de eerste die de honingzoete fluittonen in slaap deden vallen. Bij Maria duurde het trouwens ook niet lang. Zodra de hond zich stil hield en zijn gelijkmatig, vredig ademen verried dat hij het niet meer koud had, draaide zij zich om naar de wand en sluimerde in. Haar lieve gezicht begon in de slaap te blozen, de rode lippen glansden vochtig en op de kleine hand, die zij onder haar wang had geschoven, glinsterde van louter ijver en tevredenheid een zweetdruppeltje. Maria hijgde zelfs een beetje van uitputting, en zij strekte haar benen onder de deken, om eindelijk de pijn der weeën te vergeten; als na welgedane arbeid sliep zij in. Zodra Jozef dit bemerkte vielen ook zijn ogen dicht, de fluit gleed uit zijn handen en zoals het een vader past, strekte hij zich uit op het stro en begon te snurken.

Het kind lag echter nog wakker en glimlachte. Waarom zou het zich ook haasten om te gaan slapen, terwijl het nog maar pas voor het eerst de wereld had aanschouwd en nu met ogen, oren en neus moest kennis nemen van wat voor hem reeds een gelukzalige zekerheid was. Maar het zei geen woord, om Jozef, die voor de kribbe lag, niet wakker te maken, en tuurde met licht gebalde vuistjes roerloos naar de grauwe balken van de zoldering, die glad en glanzend werden van de adem der dieren. En doordat het zo koud was, werd zijn eigen lichte adem zichtbaar boven zijn mond, zodat hij die ook kon leren kennen op zijn eerste levensdag. Want – zie toch – nauwelijks waren de vader en moeder ingeslapen, daar begon het in de stal reeds merkbaar kouder te worden.

De os schudde bezorgd zijn kop. “Het is koud,” zei hij, “het kind zal nog kou vatten.” De ezel hief zijn kop op, die hij tot aan de grond had laten hangen, zo moe was hij van alle nieuwe ervaringen, en zoog met veel gerucht de lucht op door zijn fluwelige neusgaten. “Zachtjes,” bromde de os mismoedig, “je zult hem nog wakker maken.” “Hij slaapt niet eens,” mompelde de ezel. Dat wist de os ook wel, want hij wendde zijn ogen geen ogenblik van de kribbe af, waarin het kind met stralende ogen onbeweeglijk neerlag, en slechts af en toe, als er een vlieg voorbijvloog, beefden zijn vuistjes, die er als twee kleine knopjes uitzagen. Ja, de os zou dat niet geweten hebben, hij wist nog heel wat meer. “Ik weet dat hij niet slaapt,” antwoordde hij, “maar hou je toch maar stil, want daarom kun je hem nog wel wakker maken. Wat moeten we nou doen dat hij geen kou vat?” “Zullen we zijn moeder wekken?” vroeg de ezel. “Nee,” antwoordde de os beslist, want hij hield evenveel van Maria als van het kind. “Zij moet rusten, want ze heeft de hele avond gehuild.” “Wat dan wel?” vroeg de ezel, die nog altijd heel moe was en die daardoor niets kon bedenken.

Het werd steeds kouder, door het kleine stalraam drong het licht van de maan en tintte de achterdelen van de os en de ezel zilver. Maria werd in haar slaap al maar lichter, Jozef al maar plomper. Onder de jonggeborene begon het stro te geuren als hooi.

De os schaamde zich, het stond hem tegen vindingrijker te zijn dan anderen, maar ditmaal mocht hij niet verzwijgen dat hij een verstandige raad te geven had, die anderen, slimmer dan hij, ter harte konden nemen. Hij wendde zijn kop af van schaamte. “We moeten vlak bij hem gaan staan,” zei hij, “om hem met onze onwaardige lichamen te warmen. Mocht hij jouw lucht niet kunnen verdragen dan kun je een beetje van de kribbe af gaan staan.” “Ja goed,” viel de ezel hem bij, “jij gaat rechts van hem staan en vangt de kou die van rechts komt op, en ik ga aan de linkerkant staan, en als de kou daar vandaan komt, bijt ik en trap ik hem dat hij dood neervalt.”
Ze gingen aan weerskanten van de kribbe staan, en de os maakte zich in zijn ijver helemaal krom, zodat ook de voetjes van het kind een beetje beschut waren. Maar de ezel moest eventjes weg. Hij stootte met zijn kop de staldeur open, draafde het erf op, en deed daar wat hij zo nodig doen moest.
Toen hij terugkwam zag hij tot zijn stomme verbazing dat de os het kind zwaar snuivend met zijn machtige adem stond te warmen, zó vanzelfsprekend als moest hij een kalfje verzorgen. “Wat een vermetel dier,” dacht de ezel, en er kwam een beetje jaloersheid in hem op, het eerste lage gevoelen in Bethlehem sinds de geboorte van het kind; geen wonder dat het raam wat besloeg en het in de stal een beetje donkerder werd. “Wat hem nu toch allemaal invalt,” verbaasde zich de ezel, terwijl hij in de deuropening bleef staan, “anders is hij zo onnozel, dat hij stilhoudt als ik een strohalm op zijn pad leg, en zie nu eens wat er voor geweldige ideeën bij hem opkomen.”
De os kon hem gelukkig niet zien, want die stond van de deur afgewend met onblusbare ijver de pasgeborene te warmen. Het kind keek hem met zijn grote, glanzende ogen stil aan, en was zo tevreden dat zijn vuistjes zelfs opengingen, voor het eerst sinds hij op de wereld was. Toen de ezel bij de kribbe kwam, ademde de os op de voetjes van het kindje. Op elk voetje viermaal. Het gekwetste hart van de ezel raakte weer verzoend. “Kijk nou,” dacht hij bij zichzelf, “hij is toch dommer dan ik. Hij kan nog niet eens tot vijf tellen.”
“Waarom blaas je maar viermaal op elke voet?” vroeg hij fluisterend, opdat het kind het niet horen zou, want hij wilde de os niet beschaamd maken. “Ik blaas zoveel keer als het teentjes heeft,” antwoordde deze.
Het hart van de ezel vulde zich met medelijden. “Blaas nog maar eens, het heeft nog een teentje.” Maar dat vijfde teentje was zo klein dat de os het pas ontdekte nu hij wat nauwkeuriger keek. Vlug ademde hij er nog twee keer op, om het verzuim te herstellen.
De ezel ging zó naast de kribbe staan dat hij met zijn staart de vliegen kon verjagen, die van de os, of van hemzelf, op het kind wilden overwippen. Een diepe stilte heerste in de stal, waarin alleen het vergenoegde snuiven van de os en het suizen van de ezelstaart te horen waren. Jozef en Maria sliepen zo vol overgave, dat zij als het ware in de nacht opgingen.

Toch maakte de os zich ongerust of de ezel zich wel naar behoren gedroeg. Gaf het wel pas dat hij het kind zijn achtereind toekeerde? Maar kom – dacht hij weldra – de ezel zou toch wel weten wat hij deed.

Beide dieren dachten zo ingespannen na, dat de stal daardoor al gauw weer warmer werd. De ezel had al zoveel moed gevat, dat hij het stro onder het roze kinderlijfje een beetje begon te ordenen; met zijn tanden trok hij onder de bipsjes wat samengeklitte halmen weg, en eenmaal raakte hij daarbij met zijn neus bijna een voetje van het kind aan. Toen hij zijn kop beschaamd terugtrok, sprak het kind hem aan. Niet dat het echt praatte, want het kon alleen nog maar glimlachen en huilen; maar de dieren verstonden toch alles wat het zei. Ze hielden ook dadelijk op met het waaieren en warmen – zó ontdaan waren ze, dat de hoog opgeheven staart van de ezel plotseling tot een vaan der nederigheid verstarde en de adem voor de open bek van de os als een kluwen bleef staan.

Wat het kind zei klonk echter zo vriendelijk, zo vrolijk en geduldig, dat beide dieren weldra weer tot zichzelf kwamen.
“Waarom adem je zo op me?” vroeg het kind aan de os. Het moest een hele tijd vergeefs op antwoord wachten, want de os was wel niet bepaald bang, maar hij kon vooreerst zijn bek, die van schrik open was blijven staan, niet dichtdoen. “En jij, waarom wapper je zo met je staart?” vroeg het kind na een poos aan de ezel. Deze was weliswaar wat handiger, maar hij kon toch ook niet antwoorden, zo bonsde zijn hart van vreugde en trots. Hij wendde zijn grote, onbehouwen kop af, om niet in de kribbe te kwijlen van louter ontroering. “Nu?” vroeg het kind na een poosje. De os streek voorzichtig met zijn hoef over het pas opgeschudde stro in de kribbe en wenkte nauw merkbaar met zijn horens.
“Antwoord jij eerst,” fluisterde hij de ezel toe. “Waarom?” vroeg deze. “Jij bent slimmer,” zei de os. “Maar jij bent sterker,” meende de ezel.
Daar dachten ze een poos over na, en zoals dat gaat maakten ze in hun onnozelheid de grond voor hun voeten nat met hun speeksel. In hun hart werden ze een beetje kwaad op zichzelf, dat ze iets gedaan hadden waarvoor het kind ze ter verantwoording kon roepen, en omdat ze, toen ze dat eenmaal gedaan hadden, geen antwoord wisten te geven.
Misschien was het niet goed, dacht de os bij zichzelf, misschien hadden wij het niet moeten verwarmen. Wat oneerbiedig, dat we geen antwoord geven, dacht de ezel, zou je dat ooit weer goed kunnen maken?
“Waarom geef je nog steeds geen antwoord?” fluisterde hij de os toe.
“En jij dan?” zei deze beschaamd.
“Hij heeft jou het eerst gevraagd,” zei de ezel zacht, maar beslist, “dan moet jij ook eerst antwoorden.”
“Maar ik heb vier magen,” verdedigde zich de os, “en daardoor duurt het bij mij langer voor ik de vraag van het kind verteerd heb.”
Maar nu werd de ezel boos; het was duidelijk dat zijn metgezel het pad der waarheid en der rechtvaardigheid verlaten had. Zijn lange, behaarde oren werden stijf van opwinding. “Ezel die je bent!” beet hij de os toe.
Deze hief van verrassing zijn kop zo schielijk op, dat hij bijna met zijn horens aan de kribbe bleef haken. “Wat?” vroeg hij verbluft, “Ik een ezel? Jij bent de ezel!”
Maar ze zetten de ruzie niet verder voort, want doordat ze voortdurend met één oog het kind in de gaten hielden, bemerkten ze dat het stilletjes, maar toch zo stralend glimlachte, alsof het hun wilde uitlachen. Kijk eens, dachten ze allebei met een jubelend hart, het is toch niet boos op mij – en misschien ook niet op mijn vriend.
De os kreeg opeens zijn spraak terug.
“Ik adem op je,” zei hij, “opdat je net zo sterk zult worden als ik. En opdat je net zo lekker zult gaan ruiken als ik,” voegde hij er verwaand aan toe. “En ik,” viel de ezel hem in de rede, omdat hij bang werd dat de os hem niet aan het woord zou laten komen, “en ik waaier met mijn staart om de vliegen weg te jagen, die van de neus van mijn vrind af op jou willen gaan zitten.”
“Ik adem op je,” ging de os voort, “om je warm te maken. Neem me niet kwalijk dat ik maar viermaal op je voetjes heb geademd, maar dat ene teentje is zo klein dat ik het niet gezien had.” “En ik,” zei de ezel, “joeg de vliegen die van de neus van mijn vrind af naar jou toe vlogen weg, omdat ze schadelijk zijn voor de gezondheid, en omdat ze iemand lelijke, venijnige woorden in het oor fluisteren. Maar het kan best zijn,” voegde hij er eerbiedig aan toe, “dat ze zich bij jouw oren een beetje matigen. Zouden jouw oren nog groter worden?” vroeg hij nieuwsgierig. Het kind zweeg alsof het op een antwoord zon. Het ene zwijgen was grijs en vol vragen, het andere goudkleurig en vol vertrouwen.
Buiten voor de staldeur zat een muisje op zijn achterpootjes in het schijnsel van de sterren, met zijn snuitje naar de deur gekeerd; het was of het de zwijgende velden vertegenwoordigde.
Boven de schuur aan de andere kant van het erf steeg vanaf de horizon een blauwe ster aan de hemel omhoog en bewoog zich langzaam en doelbewust naar Bethlehem.

“Waarom verwarm je mij?” vroeg het kind aan de os. “Waarvoor geef je mij je kracht?”

Als het niet hoogst oneerbiedig was geweest had de os zijn schouders opgehaald. Hoe kon je op die vraag nu antwoord geven? Als er al een antwoord was, dan was dat even zwaarwichtig, en dan zag het er van kop tot staart precies eender uit als de os zelf. Maar hoe zou hij met zijn kleine beetje hersenen voor zo’n groot antwoord de juiste woorden kunnen vinden? “Nu?” vroeg het kind. “Waarom?” De os durfde zich nauwelijks te verroeren.
“Waarom jaag je de vliegen van mijn gezicht weg?” vroeg het kind aan de ezel, en sloot even de ogen, zodat de dieren naar hartenlust hun schouders konden ophalen.

Maar nu stond ook de ezel stokstijf stil, en hij waagde het zelfs niet even met zijn huid te trekken, want ook zijn antwoord zou zo groot moeten zijn, dat er in zijn kop geen plaats voor was.

“Nu?” vroeg het kind geduldig.

Uit een donkere hoek achter in de stal klonk zacht een klaaglijk blaten; het was zo kroezig, zo doorschijnend, zo zilverhelder als een heel klein schapenwolkje dat onder de maan langs voorbij zweeft. Het kind glimlachte weer. Het kleine zwarte lammetje, dat tot nu toe in het donker verborgen was geweest en nu door zijn stemmetje zichtbaar werd, stelde zijn hartje gerust, het was nauwelijks groter dan het kindje zelf. Als het kind uit de krib had gekund, dan was het zeker naar het lammetje toe getrippeld.
“Moeten we het nog eens doen?” vroegen de os en de ezel gedienstig, in stilte hopend dat het kind zijn vragen zou vergeten. De os likte van louter geestdrift met zijn brede tong een beetje aan de teentjes van het kind; het merkt het misschien niet eens, hoopte hij.
Maar het kleine, zwarte, alleen door zijn stem zichtbaar geworden lammetje was alweer verdwenen; het was zo zwak dat het alleen maar het kind had kunnen helpen, als het eerst zichzelf had geholpen. De ezel keek tersluiks achter zich, maar toen zijn blik de hoek van de stal bereikte, was het lammetje nergens meer – slechts een weinigje zurige reuk van wol hing nog in de lucht als een klein, kroezig schapenwolkje. En omdat de ezel wist dat hij het antwoord tenslotte niet langer kon uitstellen, liet hij zich naast de kribbe op de knieën neer.
Aan de andere kant van de kribbe knielde nu ook de os. Het viel hem niet moeilijk, hoewel zijn rechterknie een beetje kapot was; hij verdeelde zijn gewicht zo, dat het wat meer op de kant van het hart rustte. Hij legde de kop op de met stro bedekte grond, alleen zijn grote, schuchtere horens reikten tot aan de rand van de kribbe. En het kind begreep, dat dit het antwoord van de dieren was, en zijn hart werd zwaar, voor het eerst sinds hij op de wereld was. Maar hij zei geen woord, en de knielende dieren konden gelukkig zijn gezicht niet zien, waarover heel even de donkere schaduw van de dood voorbij streek. Het had ook niets meer geholpen of het iets gezegd had, want rondom de kribbe maakte alles zich nu op om hem te dienen, en achter de gedweeë dieren zonk de ganse wereld op de knieën. Het kind wist, dat allen die men liefheeft en daardoor dient, moeten sterven, en omdat het nog maar een paar uur op de wereld was, kreeg het medelijden met zichzelf en begon te schreien. Maar dat kon niemand merken, want na een minuutje glimlachte het alweer en wreef met beide knuistjes de tranen weg die in zijn ooghoeken blonken. Alleen Maria zuchtte diep, in haar slaap, en streek eenmaal met haar hand langzaam over haar verhitte, moederlijke gezichtje.

Doch daarbuiten maakte de harde wereld zich reeds vaardig om te dienen. Met veel gerucht en keelgeschraap stonden in de buurt de herders op, om te gepaster tijd als eersten de jonggeborene te begroeten. De meesten hadden zelfs ter ere van de gelegenheid hun handen gewassen, en toen bonden ze de honden vast, spuugden eens flink in de handen – zoals dat hoort als je iets belangrijks gaat ondernemen – en haalden hun mooiste herdersstaf te voorschijn.

De drie koningen slikten al stevig stof op de weg die zij regelrecht en zonder aarzelen gingen, in de richting die de blauw fonkelende ster hun wees.

.

Waarschijnlijk van Tibor Déry

.

Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

.

2321

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.