Categorie archief: vertelstof

VRIJESCHOOL – Vertelstof (3)

.
Dit artikel vertaalde ik met het oog op de vraag waarop berust eigenlijk het leerplan van de vrijeschool. 
Met name bij de vertelstof wordt de keuze van de stof voor de verschillende leerjaren nog weleens gekoppeld aan een groots gezichtspunt: daaraan zou duidelijk worden dat de kinderen ‘de fasen van de mensheid’  herhalen.
Dat gebeurt ook in onderstaand artikel. Naar mijn mening absoluut niet overtuigend. Te meer daar de hier gevolgde redeneringen volkomen haaks staan op uitspraken van Steiner hierover, die – in ieder geval in de pedagogische voordrachten – geen verband legde tussen de leerstof in het leerplan en fasen van de mensheid. 
In GA 301 wijst hij ‘herhaling van ontwikkelingsfasen van de mensheid in de ontwikkeling van het kind’ zelfs nadrukkelijk af.
Zie daarvoor onder ‘menskunde en pedagogie‘ de artikelenreeks onder nr. 12.

Johanna Behrens, Erziehungskunst, jrg. 49, nr 6, 1985:

.
BEELDEN OM NA TE VOLGEN

Over de vertelstof van de klassenleerkracht

Wanneer een opvoeder besluit vrijeschoolleerkracht te worden, wil hij van zijn beste kant niet alleen een doorgeefluik van kennis zijn, maar ook iemand die het gevoelsleven begeleidt, die in alle bescheidenheid en zoekend naar kennis bereid is, verantwoording mee te dragen voor de latere lotsbesluiten die de hem toevertrouwde kinderen nemen.
Het voortdurend bij zichzelf rekenschap afleggen of hij zijn lessen met genoeg diepte doordacht heeft, doorleefd en goed georganiseerd, veroorzaakt in hem een ontwikkelingsproces dat hem een groeiend begrip zal geven voor de menskunde van Rudolf Steiner. Want met het lezen van en discussiëren over de pedagogische voordrachten is het nog niet klaar – het veranderen in ‘klein geld’ moet zich kunnen voltrekken uit inzicht en er sprankelend in staan. In de grond van de zaak is dat een proces van het leven.

Dat ervoer ik* als een bijzondere belevenis bij het omgaan met de vertelstof van de tweede zevenjaarsfase. In het begin ga je uit van de summiere aanwijzingen in het leerplan zoals een kind zich richt op de autoriteit van de leerkracht.
In de praktijk, met het meegaan met de klas van leerjaar naar leerjaar, ontstaan de vragen. Waarop berust die merkwaardige volgorde van de vertelstof van klas 1 t/m 8:

[De schrijfster van het artikel somt op]:

!e klas: sprookjes, kleine sagen, eigen verhaaltjes
Steiner: een bepaalde schat aan sprookjes
Vert.GA 295 [1]: sprookjes

2e klas: dierfabels en heiligenlegenden
Steiner: verhalen uit de dierenwereld in samenhang met de fabel
GA 295: dierenverhalen in samenhang met de fabel

3e klas: geschiedenis van het volk Israël
Steiner: Bijbelse geschiedenis als deel van de algemene geschiedenis (Oude Testament)
GA 295: idem

4e klas: Germaanse mythologie; sagen uit het (thuis)land, sagen van de graal
Steiner: scènes uit de oude geschiedenis
GA 295: idem

5e klas: Griekse mythologie
Steiner: scènes uit de ‘mittleren’ geschiedenis 
GA 295: scènes uit de middeleeuwse geschiedenis, ‘mittleren= middeleeuws?

6e klas: wat met volkeren te maken heeft (Völkerkundliches)
Steiner: scènes uit de nieuwere geschiedenis
GA 295: idem

7e klas: biografieën
Steiner: verhalen over volksstammen (Volksstämme)
GA 295:verhalen over volkeren

8e klas: biografieën
Steiner: volkenkunde
GA 295: idem

Er is geen historische chronologie in te ontdekken, ook geen verschil in moeilijkheidsgraad of ook maar literaire waarde. Waar is de rode draad.

Wanneer de vertelstof niet alleen maar een aangename toegift moet zijn voor de moeite van het leren, maar een therapeutische bedoeling heeft, zoals bijv. het ritmische begin van iedere dag, dan moeten er toch ergens motieven te vinden zijn voor dit deel van ons pedagogisch werk.

Rudolf Steiner heeft eens aangeraden, wanneer je een bepaalde losstaande aanwijzing niet begrijpt, om al zijn voordrachten als hulp ter hand te nemen. Wanneer je dan – deze raad opvolgend – enerzijds naar de menskunde kijkt en anderzijds naar de talloze, verspreid voorkomende opmerkingen over de ontwikkeling van de mensheid, begint er een lichtje te branden.

Je ontdekt dat de vertelstof voor de verschillende leeftijden een spiegelbeeld is van de ontwikkeling van de ziel en het bewustzijn van de hele mensheid. Het kind herhaalt in zijn individuele ontwikkeling vroegere ‘mensheidsverworvenheden’. (Menschheits-Ereignisse)

Bij dit proces van het langzaam eigen maken en het in de ziel opnemen (Einverseeling) is de genoemde vertelstof een hulpmiddel dat even doelmatig is als vrijlatend. Iedere dag een klein beetje therapie.

Ik ben mij bewust dat het onderzoeken van de vertelstof (klas 1 – 8) op moeilijke materie berust. Ik moet namelijk het begrip ‘etherlijf’ gebruiken dat door Rudolf Steiner als de werkende kracht van onze ontwikkeling wordt bestempeld, als de dragende basis voor onze lichamelijke en geestelijke activiteit gedurende ons leven, dat noodzakelijkerwijs gezond moet blijven, wil de individuele geest zich op aarde vitaal kunnen manifesteren.
Het etherlijf wordt ook vormenkrachtenlijf genoemd. De sfeer om de aarde, de aarde, de mens, worden door ons vanuit levens- en vormkrachten vanuit de kosmos toestromend, gevormd en omgevormd. Ze zijn, net zo als de groei zelf onzichtbaar, maar als eindresultaat wel waarneembaar, zelfs meetbaar.

Iedere ontwikkeling (evolutie) is dus een uitdrukking en een gevolg van dergelijke onzichtbare, levensvormende krachten. Wie meer te weten wil komen over dergelijke activiteiten, moet eens naar een zaadkorrel kijken. Op zich niet veel aan en ongeveer dood.
Samen met de elementen aarde, water, lucht en licht en de warmte begint de plant volgens de ongeschreven wetten van de soort zich te ontwikkelen en haar wezen te tonen.
Net zo gaat het met de mens. Stap voor stap ontwikkelt hij zich in fasen. In een fijnste potentiëring werken die in de natuur werkzame vormkrachten ook in ons. Wij onderscheiden vier van zulke etherkrachten die vanuit de kosmos ons toestromen: de vormkrachten- of levensether, de toon- of chemische ether; de licht-, luchtether en de warmte-ether. De arts en de opvoeder moeten de manier waarop de ethersoorten zich manifesteren, de hulp om ze tot hun volle werkzaamheid te laten komen, kennen.

We kijken hier nu naar een bepaalde levensfase van de mens: de fase van de tweede zeven jaar. In deze ontwikkelingsfase moeten de zielenkrachten van het wereldal zich in ons individualiseren. De officiële pedagogie noemt deze leeftijd daarom de fase van individuatie. Om deze tot stand te laten komen, zullen evenals bij het zaad, de drijvende, doorlichtende levenskrachten nodig zijn. Zij veroorzaken de ontwikkeling. Dat deze ontwikkeling op een goede manier door de opvoeder ondersteund kan worden, daartoe werd aan de vrijeschoolleerkrachten de vertelstof gegeven.

In wat Rudolf Steiner bij de geschiedenis van de mensheid steeds weer naar voren brengt is het gegeven van de cultuurperiodes van de na-Atlantische tijd in samenhang met de ontwikkeling van ziel en geest van de mens. De ontwikkelingsfasen die de mensheid doorlopen heeft om haar lichamelijke en psychische vermogens te ontwikkelen, doorloopt de individuele mens in de loop van zijn biografie. [deze stelling wijst Steiner af in GA 301] Deze ontwikkeling van de na-Atlantische tijd en de weerspiegeling daarvan in de ontwikkeling van het kind, ziet er schematisch weergegeven zo uit:

1.Oud-Indische cultuur – vorming van het etherlijf – 1e zeven jaar
2.Oud-Perzische cultuur – ontwikkeling van de gewaarwordingsziel of het astraallijf – 2e zeven jaar
3.Egyptisch-Chaldese tijd – ontwikkeling van de gewaarwordingsziel – 3e zeven jaar
4.Grieks-Romeinse tijd. Ontwikkeling van de verstands-gemoedsziel – 4e zeven jaar
5.Germaanse tijd – Ontwikkeling van de bewustzijnsziel – 5e zevenjaar

De twee volgende perioden liggen nog in de toekomst.

Wanneer een kind dus nu de tweede zevenjaarsfase doorloopt, moet het in deze tijd dientengevolge datgene in zich op nemen wat in de Oud-Perzische cultuurperiode onder leiding van de zonne-ingewijde Zarathustra in de mensheid werd aangelegd: het uitdrukken en verinnerlijken van de wereldziel in de eigen zielenruimte. Met verering en eerbied enerzijds en anderzijds ijverige volharding om de aarde aan te kunnen, werden de zonne- en sterrenkrachten van de kosmos aangetrokken, ‘belichaamd’, vastgehouden en voor de aarde dienstbaar gemaakt. Zo wordt het zielenlijf, astraallijf gevormd.

‘Als offergave brengt Zarathustra de levenskracht van zijn eigen lichaam en ook de edelste gaven van zijn denken, spreken en handelen aan Mazda en aan Asja in de Geest der Gehoorzaamheid en de Wilsmacht.’ Gatha 6, Yasna 33, 14.

Wat de ene uitverkorene toen bereikte door het vuur van zijn overgave, bleef als bezit voor de nakomende mensheid behouden. De binnenruimte van de ziel als spiegel van de kosmos is sindsdien het bezit van ieder, maar deze binnenruimte moet nu op een goede manier gevuld worden met ‘de edelste gaven van zijn denken, spreken en handelen…..met Gehoorzaamheid en Wilsmacht’ om op een dag een gave te zijn voor de wereldorde.

Het opnemen van de wereldzielenkracht in de daarvoor bestemde organen dat tegenwoordig een natuurlijk (aan het lichaam gebonden) proces is, moet met begrip meegedragen en ondersteund worden door een organische inhoud die de opvoeder in liefde aan de wordende mens geeft.

‘De leerkracht heeft liefde nodig en een scheppend weten over mens en wereld.'[2] en ‘hij moet aan de leerlingen op een kunstzinnige manier geven wat hij als zielenwezen uit de geestelijke wereld haalt. [3]

Nu moeten we ons nog een keer voor de geest roepen dat het proces van de verinnerlijking van de ziel er een is, die in totaal zeven jaar duurt. Het is afhankelijk van de werking van de groei- en vormkrachten die na de tandenwisseling nog maar voor een deel voor de levensfuncties van het lichaam zelf worden gebruikt, voor het andere deel echter vrij geworden, zich te richten op het opnemen van astraalkrachten vanuit de kosmos. Maar dit zijn al de vormkrachten die bij dit individu horen. Zijn die in de eerste zeven jaar gezond gebleven, dan zal dit proces van psychische individuatie ongehinderd verlopen. Zijn ze echter beschadigd door een gebrekkige verzorging, door een verkeerde omgeving, door invloeden van het milieu, dan beschikken ze niet over de kracht, zich harmonisch te ontwikkelen.
We hebben tegenwoordig te maken met schrikbarend toenemende gedragsstoornissen. Het zou in dit verband te ver voeren om dit hier in detail na te gaan. Het gaat hier in de eerste plaats om het aantonen hoe de gegeven vertelstof door de normale activiteit en steun van het etherlijf (vormkrachtenlijf) met de verdergaande verinnerlijking van de in de wereld werkende zielenkrachten samenhangt. Hierin ligt de sleutel.

Het vrij worden van de levenskrachten in de eerste na-Atlantische cultuurperiode en in de eerste zeven jaar van het kind was zeer zeker geen plotseling proces, maar een zich over jaren uitstrekkend proces. Het voltrekt zich stapsgewijs van boven naar beneden, d.w.z. eerst worden de etherkrachten in het hoofd vrij (Rudolf Steiner spreekt hier van lichtether) en die werken uitstralend in de groeiprocessen van het lichaam en in het plasticeren van de inwendige organen die later de drager worden van de psychische gewaarwordingssfeer.
De Oud-Indiër zag dit proces in de strijd van Indra (Michaël) tegen de wolkendraak. Hij breekt met zijn overwinning de poort van de ongedifferentieerde etherkrachten open en verschaft de zon toegang tot de aarde. Zoals uit een nevelige wolkenzee de glans van het wereldlicht straalt en de aarde herkenbaar maakt, zo ontwaakt bij het kind op zijn derde jaar het licht van de denkkracht, de eigen denkkracht. Een deel van de vormkrachten is zijn bezit geworden en begint zich ontwikkelend, mee te werken aan het veroveren van de buitenwereld. Met de vorming van de blijvende tanden, is de ontwikkeling van het etherlijf in zoverre klaar dat de nu niet meer lichamelijk gebonden etherkrachten hun activiteit naar binnen kunnen richten. Het proces van de vorming van het gevoel en het kunnen verinnerlijken heeft ook voedsel nodig, wil dat gezond verlopen.

Rudolf Steiner wees in zijn ‘voordrachten over volkspedagogie’ op de bedreigingen en de gevaren waaraan de zielen in de tegenwoordige tijd worden blootgesteld, wanneer ze niet de nodige verzorging krijgen en gestimuleerd worden. Hij spreekt hier over de ‘mechanisering van de geest, het vegeteren van de ziel en de verdierlijking van het lichaam,’ wanneer je dit niet vanuit een echte menskunde voorkomt.

Hij noemde de sprookjes de ‘moedermelk voor de ziel’. Sprookjes zijn ware beelden van geestelijke processen in verleden, heden en toekomst.
Doornroosje, door de vloek van de boze fee gedreven, vergeet op de drempel van de aarderijpheid (14e jaar) het vaderlijk gebod om in de afgesloten ruimte binnen te gaan. Door de haag van vegetatie overwoekerd, valt ze in een bewustzijnsschemer (vegetarisering). Alleen de onverschrokken prins die op de juiste tijd met zijn zwaard de haag van bewusteloosheid kan doorklieven, kan haar bevrijden om verder te kunnen leven.
Het zusje van de in zeven raven veranderde broers kan haar broertjes het mens-zijn alleen teruggeven, wanneer ze een stukje van zichzelf opoffert. Alleen haar bloed, van liefde gloeiend, vloeit als ze haar vinger afsnijdt en als sleutel gebruikt, kan de hardheid van de diamantberg openen: alleen een offer kan iets geestelijks uit de val in het dierenrijk (animalisering) verlossen. Wat een beeldspraak! Verleden? Eerder een hulp voor de toekomst.

Het kind, dat nog niet eens zo heel lang geleden vanuit zijn geestelijke vaderland in het aardedal kwam, herkent zulke beelden weer. Het herkent er zijn levensdoelen weer in die het nog niet op een andere manier uiten kan. Het wil ook zijn zwaard trekken om een bedreigd wezen te bevrijden. Het wil ook geen offer schuwen om de menswaardigheid te doen leven. Een eersteklasser ‘eet’ deze beelden. Hij drukt deze waarheden af in de zachte was van zijn innerlijk. Hij leeft in het enthousiasme voor de zege van het goede. Hij ‘lijft’ morele substantie in zijn wezen in met hulp van de sprookjes.

De leerkracht die zich gesteld ziet voor de rijke schat aan de ons overgeleverde sprookjes, moet met veel kennis van zaken een keuze maken voor zijn vertelstof. Aan de hand van de verdienstelijke inleidingen in de sprookjeswereld door het werk van Friedel Lenz, Rudolf Meyer en anderen, zal degene die op dit gebied nog weinig ervaring heeft, leren de kwaliteit van de beelden en de gang door het sprookje te zien en het op een geschikt ogenblik gebruiken. Als de kinderen er bij het luisteren innig tevreden uitzien wat je steeds kan waarnemen, is dat het beste bewijs ervoor dat er harmonie is tussen ‘boven’ en ‘onder’, tussen binnen en buiten, de geestelijke wereld en het aardse lichaam. ‘Ik ben deze prins, ik ben deze prinses’, zegt het kind op dat ogenblik in zichzelf. En dat is geen hoogmoed, maar waarheid. 

Wat hier zo diep naar binnengaat als scheppende, levende waarheid kan de opvoeder alleen maar bereiken, wanner hij zelf deze geestelijke waarheden van de sprookjesbeelden heel diep in zich heeft opgenomen. ‘Ongeloof van de leerkracht voor de sprookjes roept onwaarheid op tussen hem en het kind’, waarschuwde Rudolf Steiner. Dan zou het basisvertrouwen tussen kind en volwassene beschadigd zijn en niet meer te herstellen. Het is goed eerst stil te staan bij de sprookjes van Grimm, ook wanneer ze voor het grootste deel al bekend zijn. Iedereen vertelt anders, iedereen luistert anders. Ook zou je kunnen proberen de ene keer meer het ene, de andere keer weer het andere beeld sterker te belichten – in tegenstelling tot in de kleuterklas. Ja zelfs voor de aparte temperamenten binnen de klas zou je kunnen variëren in de vorm, in de woordkeus, in het gebaar.
Zoals de bloem zich op de zon richt, wendt het kind zijn ontwakende ziel op de verteller. Autoriteit is dan geen probleem, omdat Ik en Ik een gemeenschappelijke weg gaan.
In de tweede helft van de eerste klas kun je dan ook Slavische of Noorse sprookjes nemen. Ieder cultuurgebied drukt met andere nuances dezelfde feiten uit en dat maakt de gevoelsruimte rijker. ‘De koningszoon van Ierland’ met de vele rijke en door elkaar heen lopende beelden zou dan aan het eind van het jaar kunnen. Die laat een heel beeldenkleed aan de muur van de klas opbloeien. Het is goed een poosje stil te staan bij de ‘bronnenboom’ of bij het ‘verduisterde licht’. Dat is al een voorbereiding op het komende jaar. Hoe verder het schooljaar verloopt, des te vaker beginnen de kinderen partij te kiezen. Ze winden zich op over de streken van de tegenstander, over de nalatigheid, begeerte of domheid van iemand die gered had kunnen worden; ze geven suggesties om de booswicht te overwinnen of  op z’n minst om hem voor de gek te houden.
Kortom, ze zijn er helemaal bij. En dat wil je ook graag. Gerechtigheid speelt in hun beleven een grote rol. Zo is het ‘goed’ in de zin van de wereldharmonie waar je vandaan komt en waarnaar je weer terug zou willen.
In deze tijd wordt er ook graag geluisterd naar de verhaaltjes die de leerkracht zelf maakt: die ontstaan doordat iemand zich verkeerd gedraagt of die je je laten verbazen over wat er in de natuur gebeurt en zo uitmonden in een bezonnen verhaaltje. Alleen, de gekozen beelden moeten niet grotesk zijn, maar steeds het karakteristieke treffen. De interesse of het subtiel geraakt worden laten dan duidelijk zien of je in klank, beeld de ‘kern’ geraakt hebt. Het beste bewijs daarvoor is de vraag naar nog een keer vertellen. Niet tegen te houden gaat het met de ontwikkeling van de kinderen verder. Ontwikkeling betekent niet alleen uiterlijke groei, niet alleen het eigen maken van de eerste kennis, ontwikkeling betekent in dit geval dat in het etherlijf zelf een subtiele verandering plaatsvindt. Het actieve etherlijf als eenheid begint zich te differentiëren, te polariseren. Een deel is meer gericht op de hoofdpool, terwijl een ander deel meer zich in diepte begeeft, in het stofwisselingssyteem. In de klas weerspiegelt deze polarisatie zich – daar niet alle kinderen deze ontwikkeling tegelijk doormaken – in een sterk verschil m.b.t. hoe ze eruit zien, groei en gedrag. Het kind heeft nu een ander gekruid zielenvoedsel nodig, niet alleen ‘moedermelk’. Het voelt met een vage schrik: ‘Ik ben die prins helemaal niet, ik ben niet zo als deze prinses. Ben ik niet die ontrouwe dienstmeid of die schandelijke rover?’ Maar voordat het tot het eerste schaamtevolle minderwaardigheidsgevoel komt, begint de leerkracht fabels te vertellen: over de ijdele pauw, over de lichtzinnige krekel, de overmoedige leeuw, over de dankbare muis. Het geraakt zijn in het begin wordt opgelost in een bevrijd grinniken. Waarom tuigt de kraai zich op met bonte veren? Is het zijn eigen schuld als hij daarom uitgelachen wordt? Waarom vrat de wolf maar door tot hij niet meer door het luikje kon dat hem had kunnen redden?
Iets in het kind zegt daarbij steeds: ‘Zo wil ik niet zijn, zo begerig, zo gemeen, zo gierig, zo trouweloos. Hoe het met plezier alle geschilderde situaties meebeleeft, ja ze het liefst heel intensief en met veel gebaren in het geïmproviseerde toneelstukje vertoont, zo zeer verheft het zich innerlijk boven het dier. Het kruipt met plezier in de verschillende rollen van ‘hert’, ‘haas’, en ‘ezel’. het wordt er beweeglijk door, leert mee te voelen. Maar het blijft zich daarbij steeds subtiel bewust: ik hoef geen dier te zijn. Ik ben mens, God zij dank! Want in hem, naast hem, boven hem leeft en zweeft zijn engel. Dit hogere wezen helpt, verbetert in zijn goedheid, wat te katachtig, te vosachtig in hem is of hem te veel op een slang doet lijken. En zo gaat er een innerlijk oprichten door de klas wanneer ze ter afwisseling verhalen horen over engelen of legenden van de bijna engelachtige heiligen. Het vertrouwen in de leiding van de beschermengel vormt de basis voor het latere vertrouwen in de geestelijke wereld. De strijd van de aartsengel Michaël of ridder Joris roept op om zelf goed te doen. ‘Opkijkend naar boven en troostend naar beneden gebogen’ …. dat is de spanwijdte die nu aangelegd wordt in de groter wordende zielenruimte van het kind. Legenden van Franciscus van Assisi en de wolf van Gubio of die van Hieronymus en de tevreden leeuw harmoniseren dan de goddelijke en de dierlijke stemming om ons heen en in ons. Die moeten dus aan het eind van dit tweede schooljaar staan.
Maar de mens is zwak en de weg om heilige te worden lang. Hij heeft een maatstaf en een richtlijn nodig. En zo begint de 3e klas met een volledig ander thema. ‘En God sprak…’, onder het wereldwoord ontstaan werelden. De mens wordt geschapen als goddelijk evenbeeld. Hij woont in het Paradijs, het gaat voor hem verloren. Het lot begint. Zondvloed en redding, hoogmoed, afvalligheid…uitverkiezing, Abraham. Beproeving en zegen. Een klein volk begint te groeien, zoekt verspreiding. Tussen de molenstenen van de grootmachten Egypte en Babylon, tussen de cultus van Astarte en Bel, van Isis en Osiris groeit het ene volk dat zich moet bewijzen, niet met politieke macht, maar in hoe het is, in zijn geloof. ‘Ik ben de Heer, uw God….’ Voor zijn ontwikkeling krijgt het als steun een goddelijke wet. ‘Je moet….je moet niet.’ Het klinkt kort en kernachtig. Het is moeilijk er jarenlang trouw aan te blijven. Van godsverering tot godslastering vervallen, van een verhoogd bewustzijn uitverkoren te zijn tot in de afgrond van de nietigheid vallen, zo vecht het volk van Israël met en om deze God. Met brandend hart en vaak met ogen vol schrik volgt het kind dit hoogst dramatische lot en pas bij het reciteren van de als klokken klinkende psalmen komt het weer tot zichzelf. Want de tuchtroe van het ‘je moet – je moet niet ‘ geldt gelijkerwijs voor hemzelf tot het begrijpt: deze wet is een staf die mij leidt. Hier gaat het niet meer om een luisterend je overgeven zoals in de sprookjestijd, niet alleen maar meer een grinnikend herkennen zoals bij de fabels, niet alleen maar vererende bewondering voor een heilige, hier gaat het om geestdrift of afschuw. De spanwijdte wordt actiever beleefd.
Er valt een vurige vonk in het hart (9 jaar), de vonk van het Ik begint voor het eerst te gloeien. Het innerlijk van de mens antwoordt op de stem van God – zoals in het volk van Israël, zo ook in het kind van nu.

De volgende jaren tot aan de puberteit zijn nu dienstbaar aan het verborgen voorwerk aan het differentiëren van het gevoel, die delen van de ziel die eenmaal in het astraallijf zullen werken en wonen. Het gebied van het gewaarwordingsbereik van de ziel wordt voorbereid, wanneer de vertelstof dat voor de ziel van de kinderen uitbreidt tot wat een in de voorchristelijke tijd toevertrouwd was aan een heel ander deel van de mensheid om dit te ontwikkelen en voor te leven. Ver weg van de Israëlieten leefden in Noord-Europa de Kelten en de Germanen. Toegewijd aan de grote sterrenritmen van de kosmos en de natuur woonden zij ingeklemd tussen Asgard, Midgasrd en Utgard en aanschouwden de strijd van de goden met het drievoudige kwaad. Hun godvader Odin verwierf door het brengen van offers de wereldherinnering, spraak en runenschrift, verwierf door de inzet met zijn leven de gave van de dichtkunst – niet voor zichzelf, voor de mensen. Hij voedde hen op als medehelpers in de grote aardse strijd met de drie incarnaties van het kwaad. De wil maakte hij sterker door de ritmen van de stafrijm, de wijsheid door spreuken, het gevoel door de medeverantwoordelijkheid. Het ontwakende Ik wordt verankerd in het lichaam door de stafrijm, de wijze spreuken en de kosmische beelden. Yggdrasel (Ik-drager) begint te admen en te groeien, beschermd door de onvermoeibare Thor met zijn hamer Mjölnir, polsslag.

In de 5e klas wordt dan de Griekse mythologie en de Grieks-Romeinse sagenwereld tot het ontwakende bewustzijn gebracht. De drievoudige godenwereld, de natuur, door de elementair wezens bewoond, de helden die de mensheid verder brengen en voor zichzelf een plaats op de Olympos veroveren, laten steeds nieuwe gevoelsnuances en belevingen door de ziel van de kinderen gaan. Eens ging de mensheid door een fase waarin zij nog kon omgaan met Demeter en Zeus, met Apollo en Athena. Iets daarvan wordt in de ziel van het kind beantwoord, vooral wanneer die ondergedompeld wordt in de doorlichte taal van Homeres: Pegasus wordt ook in hen vrij, de fantasie die de mens blij maakt. Er zou veel meer over de beelden van de Griekse mythologie zijn te zeggen: over de daden van Perseus, van Theseus, van Herakles. Het zijn de wegen van de ziel, zeges die ze voor de mensheid behaalden. Voor de bevrijding van de binnenruimte uit de tentakels van monster die je verstrikken. Zo gesterkt kun je rondkijken in de grote wereld. Nu neem je een eigen standpunt in, nu ben je wakker geworden, ook nieuwsgierig. En deze nieuwsgierigheid, dit verlangen naar de wereld wordt in de 6e klas tevreden gesteld door volkenkunde. Los van geografie en geschiedenis kijk je naar andere onbekend groepen mensen: andere rassen, andere godsdiensten, andere vormen van gedrag! Bij dit omzien wordt tolerantie gewekt. Er wordt gezocht naar het begrijpen van de mensen. Eens zal het de volwassene ten goede komen dit onderduiken in de bonte verschillen tussen de volkeren op onze aardbol. Dan volgt in de 7e en 8e klas de volledige aandacht voor het individu. De beginnende puberteit duidt op het doorknippen van de individuele navelstreng, verbonden met de dragende wereldziel. Men voelt zich eenzaam en onzeker. Men zoekt hulp, maar zo mogelijk zonder betutteling. Nu worden de biografieën belangrijk. De leraar geeft de ideale voorbeelden, in de ware zin van het woord, ‘beelden om na te volgen’. ‘Door te vertellen over nobele mensen worden morele oordelen aangereikt’, zegt Rudolf Steiner in de Oxfordcursus, Er zijn tegenwoordig heel wat biografieën. Je ziet door de bomen haast het bos niet meer. Dus is het zaak invoelend goed te zoeken wat voor deze klas in deze tijd geschikt is en helpt. De opvoeder moet zelf zo sterk mogelijk aanvoelend de levensweg van deze of gene persoonlijk nagaan om met een verdiepende schildering hier, met een gestelde vraag daar, de wegen van lot te schetsen. Nooit kan hij door voor te lezen bereiken, wat hij door de directe klank in zijn stem, de activiteit van het eigen ik, bij het vertellen bereikt: het versterken van de individualiteiten die zich hebben afgezonderd , door het vuur van zijn eigen ziel, want ‘het woord van de leerkracht broedt het Ik uit’. Acht jaar lang heeft de klassenleraar het kind begeleid. Vanaf de tandenwisseling tot aan de puberteit heeft hij het proces van hoe de ziel incarneert naar beste eer en geweten begeleid. De vertelstof werd daarbij de wandelstok, steun en wegwijzer. Hoe langer we ons met de beknopte aanwijzingen van Rudolf Steiner bezighouden, des te meer zullen we met verbazing dankbaar begrijpen hoe ideaal vrijlatend en toch meesterlijk aanduidend zijn aanwijzingen zijn als hulp bij de opvoedkunst.

.

[1] GA 295, voordracht 1 blz. 20 vert.
[2] GA 305, geen nadere verwijzing
[3] GA 311, geen nadere verwijzing
.

Vertelstof: alle artikelen

.

1817-1703

.

.

VRIJESCHOOL – Legende uit het leven van het kindje Jezus (14-5/14)

.

Er bestaan bij vele volken legenden over het kindje Jezus. Vaak gebeuren er wonderen. Of er wordt in verteld hoe een plant of een dier aan de bijzondere eigenschap komt die wij ervan kennen.Vele gaan over de vlucht naar Egypte en worden in de lagere klassen van de vrijescholen vaak verteld in de tijd rond driekoningen. Meestal is het in die klassen de hele maand januari nog ‘driekoningentijd’.


Uit Duitsland
 

DE GEWIJDE DOORN
.

Toen de hemelse Moeder met het Kind over de bergen vluchtte, waren alle bomen bedroefd, omdat zij niet een poosje bij hen wilde blijven en heel snel als een milde wind aan hen voorbij woei. Maar al te graag hadden ze de lieve vrouw een poosje opgehouden zodat ze hun kon vertellen en kon zegegen, maar ze durfden het niet.

Alleen een, een doornstruik zonder bladeren greep naar de wapperende plooien van Maria’s mantel, zoals een kind schuchter moeders rok beetpakt. En zacht smeekte de doorn: ‘Laat van druppels van uw zweet die als witte parels op uw wangen liggen er een paar op mij vallen, dat ik voor het Kind als eer en lofprijzing een zoete geur kan verspreiden.’ En de zweetdruppel viel, door de doornen en de takken. Maar Maria trok zachtjes haar mantel los uit de stekelige handen van de doornstruik en beloofde terug te komen, wanneer hij bladeren en bloemen zou dragen. Nu mocht hij haar niet langer ophouden , want ze had haast voor de opjagende achtervolgers. En ze liep weg van de bladerloze doorn.

Maar – wat een wonder – ! Blad voor blad komt uit het dode hout tevoorschijn en roos na roos ontspruit uit de dorre twijgen. Rozen, fijn en teer, wit en roze en een betoverende liefelijke geur waait van hen weg, ja zelfs het hout en de bast zitten vol heerlijke geur als de winterwind langs de bladeren en de bloemen strijkt.

Meidoorn, rode doorn noemen de mensen de gewijde doorn die tegenwoordig overal in vele soorten groeit.

Bij de wieg en de doodskist verbrandt men hem voor zijn welriekendheid; blinde ogen versterkt hij en zijn bottels schenken slaap aan de slapeloze, tot zijn hart vredig rust.

.
Zie ook: Immanuël – Jakob Streit
.

Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

.

1801-1688

.

VRIJESCHOOL – Legende uit het leven van het kindje Jezus (14-5/13)

.

Er bestaan bij vele volken legenden over het kindje Jezus. Vaak gebeuren er wonderen. Of er wordt in verteld hoe een plant of een dier aan de bijzondere eigenschap komt die wij ervan kennen.Vele gaan over de vlucht naar Egypte en worden in de lagere klassen van de vrijescholen vaak verteld in de tijd rond driekoningen. Meestal is het in die klassen de hele maand januari nog ‘driekoningentijd’.
.
Uit Oostenrijk

.

HET DUIZENDVOUDIGE LOON

Eens  – ik weet niet wanneer, ik weet niet waar – was de liefste Moeder Maria op haar vlucht verdwaald. Pas toen de avond begon te vallen, werd het lichter in het grote bos waarin ze op haar dwaaltocht terecht was gekomen en ze zag tot haar vreugde eindelijk bij het laatste daglicht achter de weideheuvels een paar huisjes opdoemen waar ze nu naar toeliep.
Bij een statig boerenhuis klopte Maria schuchter op de deur. ‘Wie staat daar nog zo laat voor het huis?’, riep de bewoonster en gluurde door het raam. ‘Ik smeek u om barmhartigheid, laat mij en mijn Kindje voor deze nacht binnen, want we komen van ver, zijn doodmoe en het begint al erg te vriezen!’ ‘Mijn huis is geen herberg! Ga er maar snel vandoor, anders laat ik de honden op jullie bedelvolk los!’, was het antwoord. Toen werd Maria heel bedroefd. Ze wikkelde het Kind vaster in haar mantel en ging met een bezwaard hart verder op pad.
Maar het geluk was met haar en ze ontdekte al spoedig een kleine, halvergane hut, waaruit nog een laatste lichtschijn schemerde. Na een moeilijk besluit, voorbereid op een nieuwe afwijzing, klopte de Moeder ook hier aan. ‘Je kan altijd binnenkomen!’, riep een zwakke stem en toen Maria de woning binnenging, kwam haar heel vriendelijk een oud vrouwtje tegemoet en die vroeg wat ze zoal wenste. En Maria vroeg om een eenvoudig onderdak. ‘Heel gaarne’, kreeg Maria te horen, ‘neem wat ik zelf heb en wees dan tevreden met wat een arme vrouw jullie kan aanbieden!’, zette melk en brood op tafel en legde aardappelen in het vuur. Op de grond maakte ze een zachte slaapplaats.
Toen de Moeder Gods de volgende morgen weer verder trok, dankte zij het arme vrouwtje en sprak: ‘Alles krijgt zijn loon! Waarmee u vandaag begint, zal u duizendvoudig tot loon worden!’ De vrouw keek nog een poosje naar de reizigers die wegtrokken en ging toen aan haar werk, haalde het spinnenwiel, liet het wiel snorren en spon vol vlijt de hele dag. Maar toen ze ’s avonds haar werk wilde oprapen om het in de kast te bewaren, lagen er opeens duizend volle spoelen. Ze wist niet waar ze die laten moest. Duizend spoelen vol! Het duizendvoudige loon voor de hartelijke gastvrijheid.

Toen gingen er jaren voorbij. Maria was nu met Jozef en het Kindje Jezus op weg naar huis, want Koning Herodes was – naar verluidt – gestorven en aan alle vervolging was een eind gekomen. En op deze terugweg kwamen ze op een avond weer in dat dorpje en wilden al naar de vriendelijke oude spinster toe, toen ze op straat die hardvochtige boerin tegenkwamen die de Moeder Gods toen met haar honden had gedreigd. Zij herkende de arme reizigers meteen en nodigde ze uit, want ze had van die duizenvoudige zegen gehoord, die Maria toen aan haar gastvrouw gegeven had. Ze kreeg het voor elkaar om met de allervriendelijkste huichelwoorden hen haar beste gasten te laten zijn. Maria gaf gehoor aan de uitnodiging en kreeg voor haar en haar Kind het allerlekkerste, schoonste bed; er werd een kip gebraden, er werden aardappelen gekookt en er was worst en rijst met appels.
En toen de Moeder Gods ’s morgens verdertrok, bedankte zij de vriendelijke waardin en sprak net als toen: ‘Alles krijgt zijn loon! Waar u vandaag het eerst mee begint, zal u duizendvoudig tot loon worden!’
De vrouw had niet eens tijd om hun goede reis te wensen en begon scherp na te denken, wat ze nu moest gaan doen, zodat de zegen goed zou uitwerken en het een duizendvoudig succes zou worden. Maar hoeveel en hoe sterk ze ook nadacht, er viel haar niets slims in. Toen werd ze kribbig. ‘Wat ben jij een domme gans!’, zei ze tegen zichzelf en uit ergernis sloeg ze met haar hand tegen haar voorhoofd. En toen sloeg ze nog eens en nog eens, vier keer, tien keer en honderd keer, want dit was het eerste wat zij met haar handen was begonnen. En onophoudelijk moest ze zichzelf voor het hoofd slaan. Ze liep in vertwijfeling het huis binnen, schreeuwde en sloeg zich daarbij iedere keer voor het hoofd. Horen en zien verging haar, uitgeput zakte ze in elkaar, maar nog altijd ging haar ijverige hand door en hield niet eerder op met slaan tot de duizendste klap gegeven was.

Ja, wie zaait, zal oogsten!

.

Zie ook: Immanuël – Jakob Streit
.

Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

.

1799-1686

.

VRIJESCHOOL – Legende uit het leven van het kindje Jezus (14-5/12)

.

Er bestaan bij vele volken legenden over het kindje Jezus. Vaak gebeuren er wonderen. Of er wordt in verteld hoe een plant of een dier aan de bijzondere eigenschap komt die wij ervan kennen.Vele gaan over de vlucht naar Egypte en worden in de lagere klassen van de vrijescholen vaak verteld in de tijd rond driekoningen. Meestal is het in die klassen de hele maand januari nog ‘driekoningentijd’.
.
Uit Italië

.

DE OLIJFBOOM
.

Er waren zoveel troepen krijgsknechten van Herodes op de wegen en ze waren de arme vluchtelingen op het spoor, dat er nauwelijks een dag voorbij ging, die geen nieuwe schrik bracht. Steeds weer moesten de arme mensen uitkijken waar ze een veilige schuilplaats zouden kunnen vinden.

Eens waren de soldaten al heel dichtbij. Jozef dreef het ezeltje op, zodat hij liep wat hij kon. Maar er was geen huis, noch een hut, noch een grot in de buurt. Alleen een olijfboomgaard met enkele bomen lag dicht bij de weg. De achtervolgers schreeuwden al: ‘Halt, halt!’ en hieven de spren om te werpen – toen plotseling een oeroude krom gegroeide olijfboom op de smekende vraag van de madonna zijn grijze stam als beschermplaats opende, liet Maria en Jozef met het Kind snel naarbinnen en sloot die weer alsof er niets was gebeurd. De heilige drie leken van de aardbodem verdwenen. En de achtervolgers die toch de vluchtelingen net nog hadden gezien en nu helemaal geen glimp meer van hen zagen, doorzochten woedend het hele olijfbosje. Ze vonden alleen de ezel die geen plaatsje in het inwendige van de boom had kunnen vinden en nu, net doend of hij van niets wist, onschuldig naar wat distels liep te zoeken. De soldaten namen het ezeltje als buit mee, maar hij kon weglopen en de volgende morgen was hij weer in de olijfboomgaard. Toen hij met een vriendelijke i-a-schreeuw zijn terugkomst kenbaar maakte, ging de boom open en hij liet de heilige familie naar buiten gaan die zich zo goed en geborgen gevoeld hadden in het binnenste van de boom waarin ze zelfs een lichtje aan hadden kunnen steken, omdat er genoeg olie was.

Gelukkig met hun nieuwe redding zetten Jozef en Maria de reis voort en de zilvervingerige olijfbomen zwaaiden met hun twijgen ‘het ga jullie goed’!

Maria zegende de olijfboom en verklaarde zijn vruchten heilig.
En sindsdien wint men daaruit de gewijde olie waarmee men de pasgeborenen en de stervenden zalft en het heelt de ernstigste wonden en de pijnlijke brandplekken en het is goed en nodig voor veel voedsel.

.
Zie ook: Immanuël – Jakob Streit
.

Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

.

1797-1684

.

VRIJESCHOOL – Legende uit het leven van het kindje Jezus (14-5/11)

.

Er bestaan bij vele volken legenden over het kindje Jezus. Vaak gebeuren er wonderen. Of er wordt in verteld hoe een plant of een dier aan de bijzondere eigenschap komt die wij ervan kennen. Vele gaan over de vlucht naar Egypte en worden in de lagere klassen van de vrijescholen vaak verteld in de tijd rond driekoningen. Meestal is het in die klassen de hele maand januari nog ‘driekoningentijd’.
.
Een Kozakkensage
.

DE KINDEREN VAN HERODES
.

Koning Herodes, zo vertelt een sage van de Kozakken, had twee kinderen, een zoon en een dochter. Hij was die wrede koning die het bevel gegeven had alle kleine jongens te doden, want zo hoopte Herodes Jezus Christus, voor wiens voorspelde macht hij heel bang was, uit de weg te ruimen.
Ja, die vreselijke tiran ging in zijn razernij zo ver, dat hij beval dat ook zijn eigen zoon omgebracht zou moeten worden. In heel het rijk mocht geen kind van het mannelijk geslacht blijven leven.
Het dochtertje had echter achter het gordijn gestaan en had mede aangehoord wat de onmenselijke vader bevolen had. Vol schrik liep ze naar haar broertje en vertelde hem wat hem bedreigde. De beide kinderen besloten in hun angst in de stille nacht er heimelijk vandoor te gaan, zover als hun voeten hen zouden kunnen dragen. Maar de andere dag al werd de vlucht van de kinderen ontdekt. De koning zond zijn snelste ruiters uit om de gevluchte zoon te grijpen.

Toen de kleine kinderen twee, drie dagen gelopen hadden, werden ze ingehaald door een man die een ezel voortdreef waarop een wonderschone vrouw reed die een klein kindje op haar schoot had. Dat wenkte met zijn handje toen ze dichterbij kwamen en de man vroeg waar ze vandaan kwamen, waar ze heen gingen en waarom. En met bedroefd hart vertelden de kinderen hun verhaal. En zo gebeurde het dat ze samen met Jozef en Maria en het Jezuskind, want het waren deze drie die de kinderen van Herodes ontmoet hadden, hun vlucht voortzetten.
Het zwerven over de harde stenengrond en het warme woestijnzand had de voetzolen van de vluchtelingen doen ontsteken en brandden als vuur en er zaten blaren op en eeltknobbels. En er was, ach, geen dokter om te helpen en geen verkoelende zalf en geen genezend verband! En bij dit alles zaten de vervolgers hun op de nek.

Langs de weg bloeide salie en die strekte hun gele bloemenkorfjes uit: ‘Pst! Pst!,’ riepen ze heel duidelijk, zodat allen hun hoofden draaiden. Toen spreidde de plant zijn blaadjes uit als een kleed dat tot rusten uitnodigde. En toen ze met hun gewonde voetjes op de verzamelde blaadjes liepen, waren ineens alle eeltknoppels weg, de open plekken gingen dicht en de open voetjes konden weer lopen.
Maar toen Maria al spoedig weer wilde opstappen, fluisterde de salie: ‘Ga niet, het gevaar is dichtbij, geef mij de kinderen!’ Op dat ogenblik kwamen de knechten van Herodes al aangereden. De salie rolde haar grote bladeren zo vast en dichtgsloten om het Kindje Jezus en de kinderen van Herodes dat er niets meer te zien was: geen haarlokje en ook niet het kleinste stukje kleding. De krijgsknechten van Herodes zaten hoog te paard en reden voorbij: ze zagen niets.

De heilige Moeder spreidde haar handen uit en zegende de salie en gaf haar die wonderbaarlijke kracht om te genezen en de mensen te behoeden voor langdurige ziekte en een onverwachte dood, omdat zij zo goed voor de kinderen had gezorgd.

.

Zie ook: Immanuël – Jakob Streit
.

Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

.

1795-1682

.

VRIJESCHOOL – Legende uit het leven van het kindje Jezus (14-5/10)

.

Er bestaan bij vele volken legenden over het kindje JezusVele gaan over de vlucht naar Egypte en worden in de lagere klassen van de vrijescholen vaak verteld in de tijd rond driekoningen. Meestal is het in die klassen de hele maand januari nog ‘driekoningentijd’.

.

Uit de Abruzzo (Italië)
.
.

HET WONDER VAN DE MANTEL
.

Maria droeg haar Kindje in een plooi van haar mantel, zodat niemand het zou kunnen zien, want het gevaar om ontdekt te worden, was groot.
Behoedzaam hield ze de plooi met haar handen bij elkaar en vervolgde zonder angst haar weg, hopend dat vader Jozef die voor brood en eten wilde zorgen, haar weldra met het ezeltje zou inhalen. Ze liep en ze liep.

Toen zag ze schriftgeleerden van het hof van Herodes. Een sprak: ‘Mooie dame, wat draag je daar in die plooi?’ Maria schrok heel erg, ze kon toch niet gaan staan liegen en ze wist niet wat ze moest antwoorden; toen kwam schuchter over haar lippen: ‘Ik draag de heer van de wereld!’ Maar de schriftgeleerden verstonden: ‘Mijn heren, ik draag de spelt!’ [In het Duits heeft ‘Spelt’ veel weg van ‘Welt’ (wereld)].
“O zo, breng die dan maar gauw naar de molen, je hoeft niet lang te lopen!’ Maar, o wonder! uit de gevouwen plooi kwam geel koren tevoorschijn: rijpe spelt, zoals die toen voor het bakken van het brood werd gebruikt. Nu hoefden de heren niet langer iets te vragen. Een zei nog: ‘Pas goed op het koren, he! Je hoeft het hier langs de weg niet te zaaien!’, ze lachten en verdwenen.
Maar ook de spelt verdween en de Moeder kuste dankbaar haar Kindje en trok de plooi nog vaster om haar oogappel.

Ze liep verder en kwam opnieuw twee schriftgeleerden tegen: ‘Nou, wat voor moois draag je daar zo tegen je aan wat niet gezien mag worden?’ Maria echter antwoordde: een hemelse bos bloemen!’ ‘Dat is niets voor ons!’ zeiden ze en liepen verder. De madonna had de waarheid gesproken. Is Christus niet de heer van de wereld en de bloem van de hemel?
Het was een geluk en een wonder dat de schriftgeleerden het verkeerd verstaan hadden en niet om bloemen gaven.

Maar als ze nieuwsgierig in de plooi gekeken hadden, misschien had daarin dan echt een boeket bloemen gezeten.

.

Zie ook: Immanuël – Jakob Streit
.

Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

.

1792-1680

.

VRIJESCHOOL – Legende uit het leven van het kindje Jezus (14-5/9)

.

Er bestaan bij vele volken legenden over het kindje Jezus. Vaak gebeuren er wonderen. Of er wordt in verteld hoe een plant of een dier aan de bijzondere eigenschap komt die wij ervan kennen.
.
Uit Vlaanderen

.

De leeuwerik
.

Toen eens de heilige familie onder een olijfboom uitrustte, vloog er een leeuwerik dichterbij, ging op een tak zitten ter hoogte van de Moeder Gods en begon met de helderste jubeltonen te zingen en te kwetteren.

Moeder Maria was echter van de zware tocht dodelijk moe geworden en ze voelde zich diep bedroefd, want de ononderbroken zorgen en voortdurende angst voor de achtervolging vergden veel van haar krachten. Vandaag kon ze het vrolijke gezang niet verdragen, het sneed door haar hart en maakte haar nog bedroefder. Ze keek naar het jubelende vogeltje op en vroeg hem mild: ‘Leeuwerikje, vlieg verder en zoek een ander plaatsje, mijn hart doet vandaag zo’n pijn als je zingt en kijk, mijn Kindje wil slapen!’ De leeuwerik echter luisterde niet naar wat de smekende moeder zei en kwinkeleerde een nieuw liedje. En nog een keer klaagde de Godsmoeder: ‘Ik ziet hier vol ellende en uit mijn ogen wellen de tranen op en jij zit maar praatjes te maken en te lachen terwijl ik zo bedroefd ben en je luistert niet naar wat ik je vraag. Zing je jubellied waar je ook maar wil, maar niet meer vanaf een hoge tak!’

Het leeuwerikje vloog op en steeg tierelierend in de lucht en zong en zong. Toen hij moe werd en weer naar de aarde zweefde, vond hij geen tak waarop hij kon gaan zitten rusten. Het vloog boven Maria’s hoofd en vroeg smekend kwinkelerend: ‘Ach allerliefste vrouw, nu je me de tak hebt ontnomen, geef me dan tenminste een korenhalm waarop ik kan rusten, ik zal het nooit meer doen, nooit meer doen! Maria wees op het korenveld: ‘Bouw daar je nest, ga daar zitten en zing!’

Sindsdien bouwt de leeuwerik midden in het vrije veld zijn nest en stijgt dan weer op de ladder van zijn zangnoten omhoog, naar de blauwe hemel – maar op een tak heeft niemand hem ooit weer zien zitten.

.

Zie ook: Immanuël – Jakob Streit
.
Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

.

1791-1679

.

.

VRIJESCHOOL – Legende uit het leven van het kindje Jezus (14-5/8)

.

Er bestaan bij vele volken legenden over het kindje Jezus. Vaak gebeuren er wonderen. Of er wordt in verteld hoe een plant of een dier aan de bijzondere eigenschap komt die wij ervan kennen.
.
Uit Duitsland
.
.

het kuiltje in het ei
.

Het Kindje Jezus moest vaak wel erg honger lijden en zonder vol buikje in de armen van zijn moeder kruipen. Op hun lange, moeilijke tocht lukte het vader Jozef, ondanks al zijn inspanningen, niet steeds voedsel te bemachtigen dat hij en de zijnen heel erg nodig hadden, ook al maakte hij er lange omwegen voor.

Eens had hij van mensen die medelijden met hem hadden een ei gekregen. Nu kon Maria een beetje pap koken. Eerst nam ze met een lepeltje een klein hapje uit het bovenste stukje en gaf het aan het Kind om te proeven. En het smaakte zo heerlijk lekker dat de moeder voortaan nooit naliet, eerst bovenuit het ei het lekkere hapje te halen.

Sindsdien vind je in elk ei een klein holletje. Het stukje dat weg is, is precies het stukje dat lang geleden Maria het Kindje liet proeven.

Zie ook: Immanuël – Jakob Streit
.

Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

.

1790-1678

.

VRIJESCHOOL – Legende uit het leven van het kindje Jezus (14-5/7)

.

Er bestaan bij vele volken legenden over het kindje Jezus. Vaak gebeuren er wonderen. Of er wordt in verteld hoe een plant of een dier aan de bijzondere eigenschap komt die wij ervan kennen.

.
Apocrief
.

De bron
.

Er was nog een lange, lange weg te gaan met veel moeite en weinig vreugde, alvorens vader Jozef, Moeder en Kind gelukkig in het reddende Egypte aan zouden komen.

Het was een buitengewoon warme dag, zwoel en droog. Boven de woestijn zinderde de lucht en er was geen zuchtje wind ter verkoeling. Maar op de gestage vlucht voor de achtervolgende kindermoordenaars waagde Maria het niet om ook maar één dag ergens te blijven en ze moest ook op deze gloeiend hete dag voort en voortgaan. Haar tong kleefde aan haar gehemelte, haar adem ging zwaar en het Kind kreunde van dorst.

Toen ging de Moeder volkomen uitgeput op een steen zitten die daar eenzaam in het woestijnzand lag, droogde het zweet dat van haar afgutste en wuifde het Kind met haar sluiter wat lucht toe. Een kreun zwol uit haar borst op: ‘Water, water!’ Toen sprong het Jezuskind van haar schoot, bukte zich naar de aarde en boorde met zijn roze vingertje in het zand. En o! – daar spoot plotseling een frisse bron onder de gezegende hand van het kind omhoog en klaterde zilverachtig en vrolijk om de voeten van de Moeder. En ze dronk en vulde ook haar kalebas en aan alle kwellende dorst kwam een eind. Weer gesterkt en welgemoed trokken ze verder, de vallende avond tegemoet. En vader Jozef zong een lied, waarop je goed door kon lopen.
.

.

Zie ook: Immanuël – Jakob Streit
.

Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeld: Kerstmis              jaartafel

.

1788-1676

.

VRIJESCHOOL – Legende uit het leven van het kindje Jezus (14-5/6)

.

Er bestaan bij vele volken legenden over het kindje Jezus. Vaak gebeuren er wonderen. Of er wordt in verteld hoe een plant of een dier aan de bijzondere eigenschap komt die wij ervan kennen.
.
Uit Bohemen
.
.

De morenkleur
.

Maria en Jozef hadden de woestijn bereikt. Ze trokken met het kind verder in het beschermende donker van de nacht en hielden zich als het licht werd, schuil achter rotsen of in het struikgewas.

Daar ze overdag door deze onderbrekingen veel tijd verloren en maar een klein beetje verder kwamen, want ’s nachts kon er door de vele inspanningen maar langzaam worden gereisd, moest Jozef ook de lichte dag gebruiken. Dat bracht de vluchtelingen nieuwe angst en zorgen: in deze streken van de woestijn waar ze doorheen kwamen, woonden mensen die een donkere huidskleur hadden en die de zwarte moren werden genoemd. De moeder en het kind zouden overal aan hun vage, sneeuwblanke huidskleur herkend worden, hoewel Maria haar manteldoek dicht om het kind heenwikkelde en het oplichten van haar eigen gelaat beschermend verborg in de plooien. Ze was heel bang voor haar kind – echte een bange moeder – en ze richtte haar biddende hart tot God, dat Hij hen toch niet zou verlaten, hen voor de vervolging zou beschermen.
De hemel verhoorde het smekende gebed – en zie – toen Jozef de volgende morgen wakker werd en brandhout aansleepte om een vuurtje te maken en de bosjes inliep om Maria met een morgenkus te begroeten, schrok hij zich bijna dood, want hem lachte een gezicht tegen dat bijna zo donker was als ebbenhout en het kind was gedurende de nacht veranderd in een morenkind zo zwart als het kolenzwart van de raaf. De man leidde zijn lieve vrouw naar een bron waarin ze zich kon spiegelen en zou weten hoe ze er uitzag. Maria begreep de goedgunstige almacht die over hen was gekomen en een glimlach krulde om haar lieve lippen.
Zo gelukte het om ondanks de hardnekkige achtervolgingen het verre Egypte te bereiken, waar ze bleven tot de dood van Herodes, de kindermoordenaar.

Op een dag echter, haalde een engel Maria en het kind weer terug naar hun geboorteland. En net zo snel als hun huid zwart was gekleurd, werd die nu weer zo blank als tevoren en bloeide de rozerode appelkleur op de marsepeinwangetjes van het kind.

Maar vrome mensen vereren nog altijd in vele landen en op allerlei plaatsen de zwarte Moeder Gods.

Zie ook: Immanuël – Jakob Streit
.

Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel
.

1786-1674

.

VRIJESCHOOL – Legende uit het leven van het kindje Jezus [14-5/5]

.

Er bestaan bij vele volken legenden over het kindje Jezus. Vaak gebeuren er wonderen. Of er wordt in verteld hoe een plant of een dier aan de bijzondere eigenschap komt die wij ervan kennen.
.
Apocrief.
.
.

HET EERBETOON VAN DE DIEREN
.

Bij het vertrek uit Bethlehem, zo wordt in de apocriefen verteld, werd de heilige familie in het begin vergezeld door drie jongens die zich eveneens wilden redden door te vluchten en die zich aangesloten hadden bij vader Jozef. Ook Salome, een meisje, begeleidde Maria en diende haar vol verering. Ze hadden een wagen bij zich die door twee ossen werd getrokken en daarop lagen hun spullen en een ezel waarop de moeder Gods reed en een paar lammeren. Zo waren ze in de prille morgen vertrokken.

Ze kwamen in de buurt van een grot; daar gleed Maria gratieus van haar rijdier en ging op een steen zitten die als een soort zitbank langs de weg lag en ze hield het Jezuskind op schoot. Jozef echter, ging de grot binnen om te onderzoeken of deze geschikt was om hen te herbergen. Maar uit de donkere spelonk stormden vier reusachtige draken naar voren, vreselijk om te zien. Uit hun afgrijselijke bekken siste een dampende adem met giftig-rode slierten, zodat de bloemen op het veld levenloos knakten. Ze spreidden dreigend hun enorme, scherp getande vleugels uit boven hun stekelige lijven en staken hun klauwen met de angstaanjagende nagels naar voren.
De jongens gaven een gil van schrik, zelfs Jozef wankelde geschrokken achteruit en Maria en het meisje stonden van schrik aan de grond genageld.
Het kindje Jezus echter gleed van zijn moeders schoot en stond onverhoeds op eigen benen, zonder angst, onbezorgd voor de draken. En deze lieten hun koppen zakken met een vererende deemoedigheid, hielden hun giftige adem in en vouwden de geheven vleugels tegen hun lichaam, trokken de klauwen in en gingen als tamme honden voor het kind liggen. En ze tilden hun koppen driemaal op als wilden ze hun meester erkennen.
Toen slopen ze als getemd weg. Het kind echter ging voor hen staan en gebood hun dat ze geen mens  kwaad zouden doen.
Jozef en Maria waren heel bang dat hun kind door de monsters toch nog pijn gedaan zou worden. Maar het kind troostte hen: ‘Wees niet bang voor mijn schepselen en denk niet dat ik een zwak kind ben! Ik ben de Heer en voor mij zullen alle dieren tam zijn!’

Toen braken er in het bos twijgen, takken bogen, het struikgewas week vaneen en daar kwamen van alle kanten de dieren uit het woud aan. Uit de palmbomen klauterden de apen nieuwsgierig naar beneden. Uit de dichte struiken renden leeuwen en panters en wilde katten slopen uit de bosjes. De olifanten trompetterden luid en uit de waterstroom kwamen de logge nijlpaarden en de krokodillen. En ze kwamen stilletjes aan en begroetten het kind door hun voorpoot op te tillen en in zijn handje te leggen of, zoals deemoedig de leeuw, de koning van de wildernis, door de uitgestoken handjes van het kind te likken. Er kwamen beren en wolven, de hyena en de luipaard. Ook de tamme dieren verschenen, met hun bulten, kameel en dromedaris en de lama, die wel oppaste om niet te gaan spugen, zoals zijn vervelende gewoonte is en ze gingen allemaal rondom het kind staan dat zonder angst en schroom zich tussen hen bewoog en het streelde de dieren, krabde ze achter de oren, wat ze ook nu nog zo fijn vinden. Toen week pas de schrikbarende angst bij de liefste moeder die nog nooit wilde dieren had gezien. Haar hart raakte de vrees kwijt en klopte weer rustig.

Toen Jozef eindelijk aanstalten maakte om weer verder te gaan, gingen alle dieren mee om hen uitgeleide te doen. De leeuwen liepen eendrachtig met de ezel, de panters met de ossen die de kar trokken en de wolven samen met de lammeren op hetzelfde stuk van het veld. Het kindje Jezus echter reed een stuk van de weg op de rug van een hert en hield zich vast aan het gewei. En een grote schare van alle mogelijke vogels vloog boven hen als koor dat een lofzang zingt en ze maakten liefelijke muziek en jubileerden en prezen de heer die onder hen liep.

Maar toen het avond werd nam het Jezuskind afscheid van al zijn brave begeleiders en zei hun goede nacht en vaarwel. Toen verhieven ze luid hun stemmen als een laatste groet en wensten hun een goede reis en trokken als paar of met z’n drieën of alleen het bos in en zochten hun schuilplaatsen op.

.
Zie ook: Immanuël – Jakob Streit
.

Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel
.

1785-1673

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis- kerstverhalen (14)

.
[14-1] Het vreemde kind
Fr.Pocci: Een verhaal uit Italië
Arm kind klopt aan de deur bij arme mensen. Het krijgt onderdak. Het blijkt het christuskind te zijn. Hij plant een dennentak. Die wordt een boom: de kerstboom. 
V.a. 5 jr.  Voorleestijd: 3 min.

[14-2] De herders
Ruth Sawyer : Over Lucifer en Michaël; Lucifer brengt onrust in de hemel; Lucifer verbannen naar de aarde: Satan; God besluit om Zijn Zoon naar de aarde te zenden; de herders uitverkoren; Michaël komt de herders te hulp; Michaël verslaat de Satan; de herders gaan naar Bethlehem en zingen een lied.
Vanaf 10 jr. Voorleestijd 20 min.

[14-3] De heilige nacht
 Christel Sprengel. Naar een Duits verhaal.
Maria vindt bij de mensen geen onderdak; bij de dieren op een boerderij wel; een broertje en een zusje zijn alleen thuis en wachten op hun moeder; die wil en kan geen Kerstmis vieren; os en ezel brengen de kinderen naar de stal; alle dieren komen; daar vieren de kinderen kerst.
V.a. 6 jr. Voorleestijd 5 min.

[14-4] De belofte van de harpspeler
Het prachtige verhaal van de harpspeler die aan zijn gezin belooft met Kerstmis thuis te zijn.
Alle leeftijden. Voorleestijd 10 min.

                                                                         0-0-0

[14-5] Legenden uit het jonge leven van Jezus

Er bestaan veel verhalen over het kindje Jezus. Ze staan te boek als: ‘Jezuslegenden, christuslegenden, christussprookjes’. Als het alleen om Maria gaat, is er sprake van ‘Marialegende’.

Ze spelen zich af tussen geboorte en de vlucht naar Egypte en gaan soms nog over de latere jaren.
Hier is een selectie gemaakt, waarbij niet de legenden zijn genomen die in ‘Immanuël’ van Jakob Streit verteld worden.

Om het zoeken naar de inhoud iets te vergemakkelijken, heb ik afkortingen gebruikt:
M=Marialegende
G=rondom geboorte
V=vlucht
D=daarna

[14-5/1] Het feestelijke werelduur
Het Kind wordt geboren, de wereld houdt de adem in. (G)

[14-5/2] De nachtegaal
De nachtegaal zingt het Kindje in slaap en mag daardoor voor altijd zijn mooie zang blijven laten klinken. (G)

[14-5/3] Het winterkoninkje
Hij helpt de grote Koning en mag zich nu ‘kleine koning’ noemen(G)

[14-5/4] Over het ezeltje dat Maria en het Kind droeg
Op de vlucht toont de ezel zijn dapperheid. Het kruis op zijn rug is zijn beloning (uitgebreidere versie dan bij Streit) (V)

[14-5/5] Het eerbetoon van de dieren
Vele dieren – wilde, tamme, grote, kleine – brengen het kind een groet.  (V)

[14-5/6] De morenkleur
Waarom er ook een donker getinte moeder Maria wordt aanbeden. (V)

[14-5/7] De bron
Een plotseling aanwezige bron brengt redding. (V)

[14-5/8] Het kuiltje in het ei
Waarom er onder de schil een klein kuiltje zit. (V)

[14-5/9] De leeuwerik
Waarom de leeuwerik altijd zo hoog vliegt(V)

[14-5/10] Het wonder in de mantel
Hoe spelt het Kindje redt. (V)

[14-5/11] De kinderen van Herodes
Jezus redt de kinderen van Herodes en hoe de salie geneeskrachtig werd(V)

[14-5/12] De olijfboom
De olijfboom redt en krijgt daarom de beste olie(V)

[14-5/13] Het duizendvoudige loon
Hoe goedgevendheid wordt beloond en gierigheid gestraft(V)

[14-5/14] De gewijde doorn
Hoe de meidoorn beloond wordt.

[14-5/15] De kerstroos
Onbekend. Niet het verhaal van Selma Lagerlof – [14-2]

[14-5/16De vogelmelk
Hoe de vogelmelk aan zijn sterrenbloempjes komt. 

[14-5/17] De lavendel (M)
Waarom de lavendel zo heerlijk geurt (G/M)

[14-5/18] De herder in het verenbed
Wat er gebeurt als het op kerstdag sneeuwt (G)

[14-5/19] De sprekende dieren
Waarom de dieren elkaar in de kerstnacht kunnen verstaan (G)

[14-5/20] Het glimwormpje
Waarom dit kevertje ‘glimwormpje’ heet. (G)

[14-5/21] De sprinkhaan
Hoe de sprinkhaan er kwam. (G)

[14-5/22] De rozen met kerst
Waarom er met Kerstmis witte en rozerode rozen zijn. (G)

[14-5/23] De herderslegende
Hoe Jozef voor het Kindje vuur haalde in de kap van zijn jas (G)

[14-5/24] De roos van Jericho
Aan het eind van de vlucht dank Maria op haar knie\én de hemel die haar zo had bijgestaan. Op die plaats begon een roos te groeien. (V)

0-0-0

[14-6] De kerstroos
Pieter HA Witvliet: Verhaal van Selma Lagerlof over: waar de kerstroos vandaan komt en hoe hij zijn naam kreeg. Ingekorte versie.
Vanaf 8 jr. Voorleestijd
20 min.

[14-7] De dieren van Bethlehem
Tibor Déry?: Aandoenlijk, humoristisch verhaal over de os en de ezel die op hun manier voor het Kind willen zorgen.                               
Vanaf  7jr. Voorleestijd: 23 min.

[14-8] Lichte sneeuwval, windstil weer
Hans Bütow? Oude schrijver gaat naar kerstdienst in de kerk. Waarom weet hij zelf eigenlijk niet. Bij thuiskomst zit er een vreemdeling in zijn huis. Waarom waarschuwt hij de politie niet?
Vanaf 12 jr. Voorleestijd 20 min.

[14-9] Waar liefde is daar is ook God
Leo Tolstoi: Schoenmaker Awdeitsch wacht op Christus. Die komt ook, maar heel anders dan Awdeitsch zich had voorgesteld.
Vanaf 7 jr. Voorleestijd 35 min

[14-10] De ongelukkige waskaars
D. Udo de Haes: Een waskaars in een la, verguisd en geminacht, helpt het licht onder de mensen te verspreiden.
Vanaf 7 jr. Voorleestijd 28 min.

[14-11] De fluit van de herdersjongen
Een herdersjongen krijgt een fluit om die als geschenk aan het Kindje Jezus te geven. Op weg naar de stal gebeurt er met de fluit van alles, waardoor deze steeds meer tonen verliest. Bij het Kind gekomen…o, wonder!
Vanaf 5 jr. Voorleestijd 9 min.

[14-12] De geluksroebel
Nikolaj Leskov
: Een jongen krijgt een geluksroebel. Je kan er alles voor kopen en je geeft hem toch niet uit. Maar er zijn wel dingen die je niet moet doen, dan raak je hem kwijt. Wat doet deze jongen en wat leert hij?
Vanaf 9 jr. Voorleestijd 25 min.

1784-1672

.

 

 

VRIJESCHOOL – Legende uit het leven van het kindje Jezus (14-5/4)

.

Er bestaan bij vele volken legenden over het kindje Jezus. Vaak gebeuren er wonderen. Of er wordt in verteld hoe een plant of een dier aan de bijzondere eigenschap komt die wij ervan kennen.
.

Uit Wallonië.                                 *aangepast (phaw)
.
.

OVER HET EZELTJE DAT MARIA EN HET KIND DROEG
.

Koning Herodes, de wrede tiran, had zijn soldaten er met speren en zwaarden op uitgestuurd en daarmee moesten alle jongetjes, niet alleen die pas geboren waren, maar ook die nog geen twee jaar waren, worden omgebracht.
Want de boodschap dat Christus was geboren, had zich als een lopend vuurtje door het land verspreid en was ook koning Herodes ter ore gekomen. In grote paniek riep hij zijn ministers en zijn geleerde raadsheren bijeen en achter gesloten deuren sprak hij met hen. De overbrengers van de boodachap hadden hem gezegd dat men het pasgeboren kind de ‘koning van de koningen’ noemden en als ‘heer van de hemelse engelen’ begroet en dat zelfs uit de uithoeken van de aarde vorsten en wijzen waren gekomen om het koninklijke kind te eren. De koning maakte zich ernstig zorgen om zijn kroon en om zijn geluk en daarom had hij het bevel gegeven voor de verschrikkelijke kindermoord.
Over het land klonk één groot weeklagen van de moeders, zoals dat nog nooit was vernomen en tegen de bergen weerklonk de klagende echo tot in de hemel.

En de heilige drie personen moesten in allerijl de gezegende geboorteplaats verlaten. Een ver land, buiten het machtsgebied van de koning gelegen, zou het doel van hun vlucht zijn. Maar de weg daarheen was vol moeilijkheden. Hij leidde over ruige, torenhoge gebergten en over onstuimig stromende rivieren en door de eindeloze woestijn met alleen maar zand en verlatenheid, hitte en kou tegelijkertijd. Op hun zwakke voeten zouden de vluhtelingen nooit en te nimmer die lange, lange weg kunnen afleggen. Er moest hulp worden gevonden.

Jozef, de vader, ging naar het paard en vroeg met zijn vriendelijkste woorden, of hij de godsmoeder en het kind op zijn rug wilde nemen en snel met hen ervan door te gaan. Maar het paard had er geen oren naar, het deed alsof het de vraag niet hoorde en trok gezapig de halmen uit de voederbak. Toen kwam Maria haar man te huolp en smeekte, zeggend dat ze vervolgd werden en dat alleen het snelste paard hen voor de woede van Herodes zou kunnen redden. Maar het paard draaide nauwelijks zijn kop om, keek een beetje scheel naar de smekende vrouw en ging weer verder met zijn haver en vermaalde die genoeglijk tussen zijn tanden. *
Maria en Jozef keken elkaar in de bedoeffde ogen en dachten erover wat ze zouden kunnen doen. Toen liepen ze naar het ezeltje en vroegen het aan hem. Hij spitste zijn lange oren, zodat hij goed kon luisteren en hoewel hij nog niet veel van rijden wist, zei hij meteen met vreugde ‘j-jah en liet zijn karige maaltijd in de steek, hoewel hij nog helemaal niet genoeg gegeten had; je zag overal zijn ribben door zijn huid, je kon ze wel tellen. Maar hij nam Maria en het kind geduldig op zijn rug en toen ze in het duister van de nacht de stad uitreden, balkte hij van vreugde dat hij nu als een paard een rijdier mocht zijn.

Ze trokken weg: voorop liep vader Jozef, blootshoofds in zijn oude jas met capuchon en hij droeg aan zijn lange stok een zak met gereedschap. In zijn hand hield hij ook nog een oude, bijna kapotte stallantaarn om de weg te vinden en op de maat van zijn vermoeide stappen, prevelde hij een gebed. Het leidsel waar het lastdier aan liep, had hij aan de gordel van zijn mantel geiknoopt.
De moeder in haar wijde blauwe mantel, zat op de ezel, nee als een koningin op een troon zo mooi rechtop zat ze en het kind hield ze in de zachte koestering van haar armen, boog het hoofd naar hem en sprak het liefkozend toe met de liefste woordjes. Zo trokken ze weg.

Op de lange reis echter raakte de rug van de ezel door het slechte zadel gewond. Vliegen kwamen in zwermen op de bloedige wond af. Niemand wist raad of kon helpen. Maar vol geduld droeg de ezel zijn last en verdroeg de pijn en klaagde niet als het voedsel karig was of er niet was. Soms af en toe kreunde hij een beetje voor zich uit: Ach-i-jah!.
Ze kwamen bij een oase en daar stond bij een boom een muildier dat voedsel in overvloed had: een hele zak vol die over zijn halster lag. ‘Geef onze arme ezel een beetje van je overvloed’, kreeg hij als vraag. ‘Heb zelf niet genoeg!’, mompelde het muildier. ‘Ga dan in Gods naam met ons mee en draag deze vrouw en haar kind een poosje tot de wond van de ezel is genezen.’ ‘Om Gods wil, draag jullie last zelf maar. Een ezel is een ezel!’ Ja, dat was het antwoord van het muildier.

God hoorde het echter en zag hoe verlaten de Zijnen waren.  Hij nam hem zijn zegen af. Tot vandaag de dag kan het muildier geen jongen krijgen.

De heilige drie moesten, zoals ze gekomen waren, de harde reis weer aanvaarden.
Maria had het kindje de borst gegeven en een druppeltje van haar moedermelk was naar beneden gedropen, precies op de wond van de ezel die leed, maar niet klaagde. De bloedige wond sloot zich ter plekke en was heel en gezond. Toen dankte vader Jozef  God in de hemel en bad en maakte het teken van het kruis – en zie – het kruisteken viel neer op de rug van de ezel en bleef daar op zijn vel staan als een groot donker teken dat van ezel tot ezel bleef bestaan en dat beschermt tegen gevaar.
De hele tijd door is de ezel geduldig en bescheiden gebleven. Op zijn reis door de woestijn leerde hij genoegen nemen met distels en karige kost en het smaakte hem beter dan het paard de beste haver.

In zijn bescheidenheid is hem het harde leven niet te zwaar geworden en zo heeft hij het in de wereld ver gebracht en is er trots op wanneer men een dom mens ‘ezel’ noemt.
Hij weet wel beter wat een echte ezel is.

.

Zie ook: Immanuël – Jakob Streit

.

Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

.

1783-1671

.

VRIJESCHOOL – Legende uit het leven van het kindje Jezus (14-5/3)

.

Er bestaan bij vele volken legenden over het kindje Jezus. Vaak gebeuren er wonderen. Of er wordt in verteld hoe een plant of een dier aan de bijzondere eigenschap komt die wij ervan kennen.
.
Uit Frankrijk,       aangepast (phaw)
.

OVER HET WINTERKONINKJE
.

Het winterkoninkje is een van de schepseltjes die men in het hele land ‘Gods lievelingsdieren’ noemt.
Het winterkoninkje sliep in de kerstnacht in zijn piepkleine nest. Toen hoorde hij van ver weg, zo half in een droom, een stem die vertelde dat deze nacht het Jezuskind op aarde was gekomen en in Bethlehem in de stal in een houten kribje lag.

Toen sprong  de winterkoning met één sprongetje uit de veren, strekte een paar keer zijn vleugels en ging ogenblikkelijk op reis. Snel als de wind kwam hij aangevlogen, vond de stal en het kind, ging op de rand van het kribje zitten, maakte buiginkjes en kwetterde een echt zondagsliedje als welkomsmelodie voor het liefelijke kind.

Nu zag het winterkoninkje echter hoe ellendig en armoedig het harde strobed in de kribbe was en hij zong snel zijn liedje uit, haastte zich de deur uit en was weg. Uit het bos droeg hij in zijn kleine snavel ijverig zacht mos op een hoopje en uit zijn eigen nest haalde hij de mooiste donsveertjes om voor  het pasgeboren kind een zacht bedje te maken.

Toen het kleine vogeltje onderweg was, kroop een dikke spin uit een oude balk, spon een dunne webdraad en maakte een web, vlak boven het gezichtje van het kind. De moeder schrok en veegde de draden weg, want ze was bang dat die in zijn oogjes zouden komen en hem pijn doen. Maar de spin vond dat niet erg en begon meteen opnieuw met het spinnen van haar draden en snel had ze een fijn netwerk klaar dat als een sluier over het gezicht van het kindje lag.

Dat zag het winterkoninkje dat net met een plukje donsveren aangekomen was en dat hij in het kripje wilde stoppen.

==het legende gaat zo verder dat het winterkoninkje de spin opvreet. 
Er zijn meer van dergelijke situaties in deze christus- of jezuslegenden.
Ik heb die stukjes altijd aangepast naar iets positiefs: ik wilde bij de kinderen niet de indruk wekken dat dieren om wat voor reden dan ook, veroordeeld zouden worden of slecht gevonden. (Zodat je ze rustig dood kan maken?).
In deze legende laat ik het zo aflopen:==

De spin was niet bang van het winterkoninkje en maakte haar web af dat nu als een heel teer en zijden weefsel de kou tegenhield, zodat het kind geen bevroren wangetjes zou krijgen. Maria zag het en was blij en zij dankte de beide helpers. Omdat het winterkoninkje de Koning van de wereld zo had geholpen in deze bittere winterkou, mocht hij voortaan ook de naam ‘koning’ dragen. Winterkoning. Maar omdat hij zo klein en lief is, noemen de mensen hem liefkozend ‘winterkoninkje’. De spinnen maken nog altijd de prachtigste kleedjes die van zilver lijken als ze ’s morgens met dauw bedekt door het ochtendzonnelicht worden beschenen.

.

Zie ook: Immanuël – Jakob Streit

.

Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

.

1782-1670

.

VRIJESCHOOL – Legende uit het leven van Jezus (14-5/2)

.
Er bestaan bij vele volken legenden over het kindje Jezus. Vaak gebeuren er wonderen. Of er wordt in verteld hoe een plant of een dier aan de bijzondere eigenschap komt die wij ervan kennen.
.
Uit Malta.
.

DE NACHTEGAAL
.

Uit de stille hut klonk het lied van Maria. Het was haar nooit teveel om het Jezuskind in slaap te wiegen. Ze zong over de engelen en over de hemel, over God de vader, over de schoonheid van de wereld en over de naderende lente. Zij vertelde hem over de liefde en over het leed. Als een zacht luiden van klokken kwam het over haar lippen en steeds zachter en stiller klonk de melodie, tot het kindje sliep.
Maar op een dag kwamen de klanken nog maar met moeite uit Maria’s keel en klonken gebroken. Ze had nachten lang gezongen, haar keel deed pijn en het lukte haar niet het kind de slaap te brengen, hoeveel moeite ze ook deed en zacht het kribje wiegde, zoals sindsdien alle moeders met een wiegje doen.

Toen klonk er plotseling uit een hoekje waar de grote dakbalken en het dak bij elkaar komen, gezang. Daarboven zat een kleine vogel. Die had heimelijk naar alle liedjes van de moeder Gods geluisterd waarmee zij het kindje in slaap wiegde. Nu fladderde het vogeltje naar beneden en ging op de schouder van Maria zitten en begon te zingen en te jubileren, zo mooi, zo fijn, dat je het eigenlijk niet kan beschrijven. En snel en rustig waren de oogjes van het kind toegevallen, alsof zijn moeder hem in slaap had gezongen.

Nu zweeg het vogeltje en legde zijn kleine snavel achter het roze oor van Maria, alsof hij haar een kus wilde geven. Toen wilde hij opvliegen. Maria streelde hem over zijn bruinige, zijden veertjes: ‘Klein vogelhartje!’ fluisterde ze, ‘vanaf nu draag je mijn stem in je en je kent al mijn liedjes en je zal ze nooit vergeten, zodat je de mensen kan vertellen van verdriet en blijdschap en van het verlangen naar vrede en geluk. Klokjes en zilveren klanken zullen in je kleine keel wonen, jubel en juichen, welluidende trillers. Vlieg en zing!

En vanaf dit uur zingt de nachtegaal met de goddelijke stem van Maria. ’s Avonds, als de tijd aangebroken is waarop men de kinderen in een zachte sluimer wiegt, zit hij in de struiken en kwinkeleert, jubelt, zingt, lacht en huilt. Dan vallen bij de kleine kinderen de oogjes dicht, bij de grotere kinderen komen de mooie gedachten en de verliefden kussen elkaar als ze de liederen van de mariavogel horen. En het water stroomt kalmer, vogels en dieren luisteren en zelfs de bomen houden hun geritsel in. En alles en iedereen wiegt het vogellied in slaap en brengt de droom. Ja, zelfs die stervende zijn gaan gemakkelijker naar hemelse huis, zo prachtig kan de nachtegaal zingen.

Zie ook: Immanuël – Jakob Streit, waarin deze legende in kortere vorm is opgenomen.

.

Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

.

1781-1669

.