VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis – verhaal

.

Hier verschijnt de komende dagen een aantal verhalen die bij vele volken bestaan: legenden over het kindje Jezus. Vaak gebeuren er wonderen. Of er wordt in verteld hoe een plant of een dier aan de bijzondere eigenschap komt die wij ervan kennen.

Vele gaan over de vlucht naar Egypte en worden in de lagere klassen van de vrijescholen vaak verteld in de tijd rond driekoningen. Meestal is het in die klassen de hele maand januari nog ‘driekoningentijd’. 

.

HET DUIZENDVOUDIGE LOON

Eens  – ik weet niet wanneer, ik weet niet waar – was de liefste Moeder Maria op haar vlucht verdwaald. Pas toen de avond begon te vallen, werd het lichter in het grote bos waarin ze op haar dwaaltocht terecht was gekomen en ze zag tot haar vreugde eindelijk bij het laatste daglicht achter de weideheuvels een paar huisjes opdoemen waar ze nu naar toeliep.
Bij een statig boerenhuis klopte Maria schuchter op de deur. ‘Wie staat daar nog zo laat voor het huis?’, riep de bewoonster en gluurde door het raam. ‘Ik smeek u om barmhartigheid, laat mij en mijn Kindje voor deze nacht binnen, want we komen van ver, zijn doodmoe en het begint al erg te vriezen!’ ‘Mijn huis is geen herberg! Ga er maar snel vandoor, anders laat ik de honden op jullie bedelvolk los!’, was het antwoord. Toen werd Maria heel bedroefd. Ze wikkelde het Kind vaster in haar mantel en ging met een bezwaard hart verder op pad.
Maar het geluk was met haar en ze ontdekte al spoedig een kleine, halvergane hut, waaruit nog een laatste lichtschijn schemerde. Na een moeilijk besluit, voorbereid op een nieuwe afwijzing, klopte de Moeder ook hier aan. ‘Je kan altijd binnenkomen!’, riep een zwakke stem en toen Maria de woning binnenging, kwam haar heel vriendelijk een oud vrouwtje tegemoet en die vroeg wat ze zoal wenste. En Maria vroeg om een eenvoudig onderdak. ‘Heel gaarne’, kreeg Maria te horen, ‘neem wat ik zelf heb en wees dan tevreden met wat een arme vrouw jullie kan aanbieden!’, zette melk en brood op tafel en legde aardappelen in het vuur. Op de grond maakte ze een zachte slaapplaats.
Toen de Moeder Gods de volgende morgen weer verder trok, dankte zij het arme vrouwtje en sprak: ‘Alles krijgt zijn loon! Waarmee u vandaag begint, zal u duizendvoudig tot loon worden!’ De vrouw keek nog een poosje naar de reizigers die wegtrokken en ging toen aan haar werk, haalde het spinnenwiel, liet het wiel snorren en spon vol vlijt de hele dag. Maar toen ze ’s avonds haar werk wilde oprapen om het in de kast te bewaren, lagen er opeens duizend volle spoelen. Ze wist niet waar ze die laten moest. Duizend spoelen vol! Het duizendvoudige loon voor de hartelijke gastvrijheid.

Toen gingen er jaren voorbij. Maria was nu met Jozef en het Kindje Jezus op weg naar huis, want Koning Herodes was – naar verluidt – gestorven en aan alle vervolging was een eind gekomen. En op deze terugweg kwamen ze op een avond weer in dat dorpje en wilden al naar de vriendelijke oude spinster toe, toen ze op straat die hardvochtige boerin tegenkwamen die de Moeder Gods toen met haar honden had gedreigd. Zij herkende de arme reizigers meteen en nodigde ze uit, want ze had van die duizenvoudige zegen gehoord, die Maria toen aan haar gastvrouw gegeven had. Ze kreeg het voor elkaar om met de allervriendelijkste huichelwoorden hen haar beste gasten te laten zijn. Maria gaf gehoor aan de uitnodiging en kreeg voor haar en haar Kind het allerlekkerste, schoonste bed; er werd een kip gebraden, er werden aardappelen gekookt en er was worst en rijst met appels.
En toen de Moeder Gods ’s morgens verdertrok, bedankte zij de vriendelijke waardin en sprak net als toen: ‘Alles krijgt zijn loon! Waar u vandaag het eerst mee begint, zal u duizendvoudig tot loon worden!’
De vrouw had niet eens tijd om hun goede reis te wensen en begon scherp na te denken, wat ze nu moest gaan doen, zodat de zegen goed zou uitwerken en het een duizendvoudig succes zou worden. Maar hoeveel en hoe sterk ze ook nadacht, er viel haar niets slims in. Toen werd ze kribbig. ‘Wat ben jij een domme gans!’, zei ze tegen zichzelf en uit ergernis sloeg ze met haar hand tegen haar voorhoofd. En toen sloeg ze nog eens en nog eens, vier keer, tien keer en honderd keer, want dit was het eerste wat zij met haar handen was begonnen. En onophoudelijk moest ze zichzelf voor het hoofd slaan. Ze liep in vertwijfeling het huis binnen, schreeuwde en sloeg zich daarbij iedere keer voor het hoofd. Horen en zien verging haar, uitgeput zakte ze in elkaar, maar nog altijd ging haar ijverige hand door en hield niet eerder op met slaan tot de duizendste klap gegeven was.

Ja, wie zaait, zal oogsten!

Uit Oostenrijk

.

Kerstmisalle verhalen
.
Zie ook: Immanuël – Jakob Streit
.
Kerstmisalle artikelen

.

1706

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.