Categorie archief: Uncategorized

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding – geld (3)

.

SOCIALE DRIEGELEDING

Het ‘vrije’ in vrijescholen suggereert dat de scholen ‘vrij’ zijn. Maar dat zijn ze niet! Ze zijn onvrij, maar weer niet zo dat ze hun werk niet kunnen doen. Maar dit weer niet zo als hoort bij het concept ‘vrijeschool’.
De overheid meent al jaren dat groepen mensen die onderwijsidealen willen realiseren, dit niet zelfstandig kunnen. Dat ze ‘richtlijnen’ nodig hebben, dat ‘het volk’ geholpen moet worden. De regenten!
En…ze verstrekken subsidie en dus: ‘wiens brood men eet, diens woord men spreekt’- voor de vrijescholen: met lange tanden, dat wel, maar toch slikken.
Maar uiteindelijk: alsof de overheid subsidie verstrekt aan een symfonie-orkest en daarom voorschrijft wat het orkest moet spelen……..

Omdat het op deze blog voornamelijk gaat om de pedagogisch-didactische achtergronden van de vrijeschool, ligt het in eerste instantie niet voor de hand om ook de sociale driegeleding uitvoerig aan de orde te stellen.
Nu heb ik echter nog veel artikelen, vooral uit het tijdschrift ‘Jonas’ uit de jaren 70, 80 van de vorige eeuw, die vele interessante gezichtspunten bevatten. Die zal ik met regelmaat publiceren, zodat ze niet verloren gaan: deze blog is deel van de digitale afdeling van de Koninklijke Bibliotheek.

Op het gebied van de sociale driegeleding is in Nederland ‘Driegonaal‘ actief.

GELD

SCHIJN EN WERKELIJKHEID

In de Consumentengids, het orgaan van de Consumentenbond, kon men een serie artikelen vinden: ‘Reclame doorzien’. Hierin wordt aangetoond dat reclame werkt met het verwekken van illusies. Bijvoorbeeld wordt naar voren gebracht dat een bepaald wasmiddel ‘uw was uit de sleur haalt’, terwijl de bijbehorende afbeelding suggereert, dat dit ook met uw leven zal geschieden. Uiteraard heeft reclame ook een reële functie, zoals het bekendmaken van gegevens betreffende producten en diensten.

In een nog belangrijker gebied van de economie, dat van het geld, heerst eveneens een mengeling van realiteiten en illusies. In dit gebied horen begrippen zoals inkomen, belasting, beleggen en rente thuis, waar wij dagelijks mee te maken hebben. Deze begrippen worden in controleerbare getallen uitgedrukt, waardoor een exactheid en hanteerbaarheid gesuggereerd wordt die geenszins met de economische realiteiten behoeft te stroken.

Een kritische serie: ‘Geld doorzien’ zou daarom eveneens aan een behoefte tegemoet komen. In het onderhavige stuk willen wij trachten enige gezichtspunten voor een dergelijke serie te schetsen. Wij laten in het midden of de bedoelde illusies te wijten zijn aan passieve invloeden als gemakzucht en gebrekkig inzicht, dan wel aan manipulaties van belanghebbende groeperingen.

Geldillusies
Wij geven eerst enkele schematische voorbeelden uit het rijk der geldillusies. Een loonsverhoging van een zeker percentage heeft een reële zin als de prijzen van de goederen die men wil kopen, constant blijven; deze verhoging is daarentegen een volledige illusie, als de prijzen met hetzelfde percentage stijgen. Het eerste, reële geval vraagt echter bepaalde maatregelen. Men moet voor een zekere productieverhoging zorgen om de prijzen constant te houden; bij constante productie echter moet men een overeenkomstige inkomensvermindering voor andere belangstellenden in dezelfde goederen bewerkstelligen. Zijn dergelijke maatregelen bijvoorbeeld om reden van milieubescherming resp. van fatsoen niet gewenst, dan is een loonsverhoging niet op zijn plaats.

Het geval van volledige illusie treedt min of meer versluierd op, omdat loon-, inkomens- en prijsveranderingen zich niet bij alle groepen tegelijk voordoen. Nu eens bereikt de ene groep een loonsverhoging dan weer de andere, terwijl de prijzen weleens te langzaam volgen en dan te ver doorschieten. Daardoor lopen voortdurend reële en illusionaire veranderingen dan eens hier dan eens daar door elkaar. Stel dat na verloop van bijv. 8 jaar uiteindelijk alle lonen, inkomens en prijzen ongeveer met dezelfde factor 2 opgelopen zouden zijn, dan zou in dit gedeelte van de economische sector realiter weer alles bij het oude zijn, terwijl in de tussentijd een drukte van belang zou hebben geheerst van loonstrijd, inhaalmanoeuvres van vergeten groepen, overheidsingrijpen op het prijzenfront e.d.

Men kan stellen dat de reële economische problemen van de vereiste productie en diensten, van de economische of menselijk gewenste inkomensverdeling en van de juiste prijsvorming al ingewikkeld genoeg zijn om deze niet nog bovendien door de geldillusies van een grillige inflatie te compliceren.

Bij het georganiseerde loonoverleg is het al sinds jaren gebruikelijk om ook in het openbaar het onderscheid tussen nominale en reële loonstijging te maken. Op een ander geldgebied, dat van het sparen, is het daarentegen nog geen usance om in het openbaar op het aanmerkelijke verschil tussen schijn en werkelijkheid te wijzen.

De leer en de praktijk
Volgens de leer is sparen, te onderscheiden van beleggen, investeren en speculeren, uitstellen van consumptie, waarbij men geen risico loopt, als men tenminste zijn geld op het spaarconto van een solide spaarbank zet. Eveneens volgens de leer kan de bank een kleine jaarlijkse rente van 3 à 4 procent vergoeden, omdat ze in de tussentijd met het haar toevertrouwde geld kan werken. De spaarder kan dan later de uitgestelde aanschaffingen doen. De rente wordt, in dit geval terecht, door de fiscus als inkomen beschouwd.

In een solide economie dient het geld de economische realiteit zo adequaat mogelijk te weerspiegelen. Dit vereist een grote mate van geestelijke bewegelijkheid bij de beheerders van de geldstroom, gezien de economische sector van de samenleving gekenmerkt is door voortdurende veranderingen van bijvoorbeeld behoeften, beschikbare oogsten en grondstoffen en van fabricagemethoden. In de laatste jaren wordt op de reëel veroorzaakte prijsbewegingen een flinke voortdurende vermindering van de koopkracht van het geld gesupponeerd. Deze inflatie beloopt tegenwoordig* in Nederland ca 10 procent per jaar.

Nu wordt, zoals gezegd, bij de spaarder de illusie gewekt alsof hij een jaarlijks inkomen van ca 4 procent van de hoofdsom zou genieten. In werkelijkheid geniet hij echter geen reëel inkomen, maar verdwijnt door de inflatie jaarlijks telkens ca 6 procent van de koopkracht van de resterende hoofdsom. Als men beperkende bepalingen voor zijn spaardeposito wil accepteren, zoals vastleggen voor een termijn van bijv. 5 jaar, wordt door de spaarbanken een nominale rentevoet van omstreeks 8 procent aangeboden (febr. 1976), waardoor het reële verliespercentage op ca 2 procent zakt.

De fiscus blijft echter het nominale bedrag van de rente als positief inkomen beschouwen zonder met de realiteit rekening te houden. Zodoende wordt van het illusionaire inkomen nog een reële inkomstenbelasting van tussen de 0 en 72 procent geheven, afhankelijk van het schijventarief waarin de spaarder valt.

Dit behoeft men niet zonder meer aan kwade wil te wijten, maar veeleer aan de principiële logheid van de wetgeving, die uiteraard de bewegelijkheid van de economie niet kan bijhouden.

Op grond van het naar voren gebrachte zou men kunnen bepleiten, dat de spaarbanken of de Consumentenbond naast de nominale rente ook lopend de reële rente aangeven, die dus op het ogenblik negatief is; ook zou men kunnen stellen, dat de fiscus de voor de staat benodigde belasting niet via een belasting van illusionaire inkomsten behoort te innen. Ten derde zou men kunnen onderzoeken of inflatie enigszins inherent is aan onze sterk geïndustrialiseerde samenleving. Voordat wij op dit derde punt nader ingaan, willen wij als intermezzo nog een sterk vereenvoudigd voorbeeld geven, hoe inflatie tot een onrechtvaardige verdeling van een gemeenschappelijk opgebouwd bezit kan leiden.

Verdelingsperikelen.
Wij onderstellen een pensioenfonds, dat uiteindelijk alles wat het heeft naar rato van de premiebetaling uitkeert. Eenvoudigheidshalve laten wij alle complicaties, zoals onkosten, beheerskosten, rente-inkomsten, spreiding van het risico door verschillende vormen van belegging, weg.

Spaarder A is het eerste lid van het fonds en betaalt op een zeker tijdstip een premie van 10.000 harde guldens. Het fonds koopt hiervoor een dubbele woning. A wordt voor f 10.000 in de boeken van het fonds gecrediteerd. Kort daarna devalueert de gulden op een tiende. De prijzen van huizen en de lonen worden het tienvoudige. Bij voornoemd huis behoort een schuur, die 1.000 harde guldens waard was en dus nu f 10.000 kost. Na de devaluatie, zeg een jaar later dan A, treedt spaarder B toe tot het pensioenfonds.
Hij betaalt een premie van 10.000 gedevalueerde guldens, waarvoor het fonds de schuur koopt; B wordt in de boeken van het fonds evenals A voor f 10.000 gecrediteerd. Stel dat A na twintig jaar de pensioengerechtigde leeftijd bereikt en B na eenentwintig jaar. Beiden hebben volgens de boeken dezelfde rechten met een tijdverschil van een jaar; de bezittingen van het fonds zijn: een dubbele woning met een schuur.
A mag dan de ene woning en een halve schuur als eigendom beschouwen, B. een jaar later de andere woning annex een halve schuur. Door de gebruikelijke manier van het boeken in guldens krijgt A slechts het halve huis annex halve schuur, terwijl hij feitelijk het gehele huis betaald heeft.

Deze door inflatie bewerkte onrechtvaardige verdeling van het gemeenschappelijk gespaarde bezit kan door een realistische
crediteringsmethode ondervangen worden. Hiertoe dient de creditering van de deelnemers geboekt te worden als gedeelte van de op dat moment geschatte waarde van het geheel. In ons schematisch voorbeeld loopt dit als volgt. Tot aan het toetreden van B wordt A gecrediteerd voor 100 procent van het bezit, zijnde eerst 10.000 harde guldens. Na de devaluatie is A nog altijd gecrediteerd voor 100 procent zijnde nu f 100.000. Na het toetreden van B wordt de creditering van A veranderd in 90,91 procent terwijl B met 9.09 ingeschreven wordt. Door inkomsten en onkosten worden deze percentages niet veranderd, echter wel door het toetreden of het uitbetalen van andere deelnemers.

Aan de hand van deze voorbeelden zal duidelijk zijn, dat wegens de inflatie de leer voor de spaarder niet met de werkelijkheid overeenkomt.

Economische theorie
Volgens een gebruikelijke opvatting schiet hier echter niet de economische theorie tekort. De verschillende maatregelen die men alle tegelijk zou moeten toepassen om de inflatie uit te bannen zijn bij de economen wel degelijk bekend. Ze worden evenwel niet of niet in voldoende mate toegepast, omdat wegens de kortzichtigheid van de diverse belangengroepen de ene maatregel voor de ene groep, de andere maatregel voor de andere groep niet welgevallig zijn.

In aansluiting op deze opvatting zou dus de voorgestelde serie ‘Geld doorzien’, voorlichting kunnen geven, welke belangengroepen tegen welke nuttige maatregelen gekant zijn, en waarom.

Het lijkt ons echter wenselijk deze voorlichting aan te vullen met enkele beschouwingen betreffende de functies van het geld, die in het boek : ‘Das kranke Geld’ door Hans Georg Schweppenhauser, te vinden zijn. Deze beschouwingen stoelen op inzichten uit de ‘National Ökonomischer Kurs’ door Rudolf Steiner. [GA 340] [gedeeltelijke vertaling]

Het zieke geld
Binnen het historisch overzicht van de hoofdstukken I tot V vinden wij in III,2 de volgende voor ons onderwerp belangrijke aanhaling: ‘Wat was eigenlijk dit ‘geld’? Dat was ten eerste de munt, een gemunt zilverstuk dat de boer verkreeg, wanneer hij eieren of zijn paard op de markt verkocht. … Maar ‘geld’ kon ook iets anders zijn. Wanneer de handelaar voor de boerin de koopprijs in waren te goed hield, was er geen sprake van munten, maar van ‘geld’. Dit geld had de onbegrijpelijke eigenschap te vermeerderen.’
Verderop wordt erop gewezen dat het abstracte denken in geld de overgang van naturaal — via geld — tot moderne kredieteconomie mogelijk heeft gemaakt. Deze kredieteconomie geeft echter aan het geld de tendentie om voortdurend meer te worden, hetgeen anticultureel en sociaal destructief werkt. Een eenvoudig voorbeeld voor de vervorming van een juiste economische opvatting door het denken in geld is het volgende. Voor de producent is het ontvangen geld meer waard dan het product dat hij levert; hij kan dan verder produceren. Voor de consument is de betreffende koopwaar meer waard dan het geld dat hij ervoor geeft; hij heeft kunnen krijgen, wat hij zocht. De algemene opvatting suggereert echter dat alleen de verkoper een voordeel bij deze transactie zou hebben. Daardoor wordt de realistische opvatting: een juiste koophandeling berust op wederzijds voordeel, vervormd tot de eenzijdige voorstelling, alsof geldelijke winst en het streven naar de onbeperkte opeenhoping van geld de enige motor van de vrije economie zou zijn.

Schweppenhauser tracht nu de denkluiheid van het eenzijdige redeneren in geld te doorbreken. Hij onderzoekt hiertoe de functies van het geld in en aan de westerse voorkeur beantwoordende samenleving. Hij komt in VI,2 in navolging van Steiner, op drie functies: kopen, lenen, schenken. Hierbij wordt de betekenis van het schenken als belangrijke sociale en economische factor in de economische wetenschap tot nu toe niet helder beseft.

Het geld in de functie als koopgeld dient als bemiddelaar bij het kopen en verkopen dus als ruilmiddel. Het koopgeld kan de materiële vorm van munten hebben, maar ook de moderne vorm van bankbiljet, cheque, giro-overschrijving e.d. De koopgeldstroom dient een adequate afbeelding te zijn van de enorme goederenstroom die zich dagelijks in tegengestelde richting door het sociale organisme beweegt. Hierbij moet men op de hoeveelheid en daarnaast ook op de omloopsnelheid van het geld letten.

Koopgeld tijdelijk bewaren om het pas later, eventueel voor een grotere aanschaffing, uit te geven is de eenvoudigste vorm van sparen, waarbij het geld in eerste instantie niet van karakter verandert; een uit de mode geraakt voorbeeld is de kous met gouden tientjes.

Werken en denken
Zodra echter het geld aan een bank gegeven wordt om rente ervan te trekken, verandert zijn karakter en het wordt leengeld. De functie van het leengeld, waardoor onder gunstige omstandigheden rente kan ontstaan, berust daarop dat organisatorisch en technisch begaafde mensen de productiviteit van de werkende mensen kunnen verhogen door het uitvinden en toepassen van productiemiddelen, het gebruiken van energie, het nadenken over werkmethoden en werkverdeling, en het organiseren van de handel. Andersom gezegd, wordt hierdoor een grote hoeveelheid arbeid bespaard, die anders voor dezelfde economische prestaties zonder organisatie en techniek, nodig zou zijn. Deze arbeidsbesparing wordt dus bereikt, doordat menselijke intelligentie met behulp van het tot kapitaal geworden leengeld de gelegenheid krijgt in het arbeidsproces in te grijpen. Het zal duidelijk zijn dat hierbij de kwaliteit van de menselijke intelligentie de beslissende factor is.

In deze samenhang willen wij er op wijzen, dat Karl Marx in zijn bekende meerwaardetheorie de klemtoon op de functie van de arbeid gelegd heeft, terwijl hij van het kapitaal slechts het winstmotief noemt; Rudolf Steiner vult deze eenzijdigheid aan door op de functie van de menselijke intelligentie in het economisch proces te wijzen, die in het kapitaal tot uitdrukking komt.

Met het noemen van de menselijke intelligentie naast de werkkracht als economische factor zijn wij aangekomen bij de geestelijk-culturele sector in wijdere zin van onze samenleving, met als belangrijk onderdeel opvoeding, ontwikkeling, het scholen van bekwaamheden en het stimuleren van initiatieven,-. Het levensonderhoud van de op dit gebied werkzame personen wordt tegenwoordig vooral door de overheid, maar ook door vrijwillige bijdragen van belangstellenden, bijvoorbeeld via stichtingen gefinancierd. Financieren betekent in dit geval in wezen schenken. De overheid splitst het betreffende schenkingsgeld af van het geheel van de belastingen. Dit deel van de belastingen kan men dus als gedwongen schenkingen ten behoeve van de geestelijk-culturele sector beschouwen.

Men kan zeggen dat de economische sector aan de mensen van de geestelijk-culturele sector de verbruiksgoederen levert om te kunnen leven, terwijl deze laatste o.a. die personen schoolt en ontwikkelt, die later in het bedrijfsleven als vaklieden en technici, of als organisatoren werkzaam zijn.

De onderscheiding van de genoemde drie functies van het geld nu kan ons helpen de plaats aan te wijzen, waar het geld al gauw een ongewenst eigen leven gaat leiden. Deze plaats ligt voornamelijk in de sfeer van het leengeld (zie VI, 4 en 5) en wel speciaal bij het industriekapitaal, dat met geproduceerde productiemiddelen werkt. Deze productiemiddelen kunnen haast onbeperkt uitgebreid worden; dit in tegenstelling tot landbouwgronden die men ook wel als productiemiddel kan beschouwen.

Het industriekapitaal
Het industriekapitaal wordt op drieërlei wijze gevormd: ten eerste op bescheiden schaal door sparen, d.w.z. door uitstel van consumptie; verder in de ontwikkelde industriemaatschappij door besparing van arbeid met behulp van productiemiddelen en fabrieken; hierdoor ontstaat eerst grote welvaart, maar daarna ook de tendentie om naast steeds meer consumptiegoederen voortdurend meer productiemiddelen en fabrieken voort te brengen met behulp van zelffinanciering; en ten slotte in de abstracte geldsfeer door kredietvorming. Deze wordt door banken bewerkstelligd, waarbij het verleende krediet het meervoudige van de dekking door spaartegoeden kan zijn. Deze kredietvorming komt neer op een gedeeltelijke geldschepping uit het niets, die achteraf door economische prestaties van de debiteur gerechtvaardigd dient te worden.

Hierbij zij nog het volgende aangetekend. Het spaargeld, dat na verloop van tijd met een bescheiden rente terugbetaald wordt om als koopgeld verbruikt te worden, levert weinig moeilijkheden op. Men kan evenwel eisen dat koopgeld niet eindeloos opgepot, maar ooit besteed dient te worden. Immers, de maatschappij kan niet tot in het eindeloze min of meer vergankelijke consumptiegoederen paraat houden. De ‘bescheiden’ rente behoeft niet inflatoir te werken als de schuldeiser zoveel meer, en de schuldenaar zoveel minder consumeert, als met het bedrag van de rente overeenkomt.
Het kapitaal dat door geldschepping uit het niets ontstaat, heeft de uitgesproken tendentie inflatoir te werken, als de betreffende banken als winstfabricerende kredietfabrieken beschouwd worden. Dit kan vermeden worden, als zij slechts de economisch zinvolle taak op zich nemen de productie in overleg binnen de economische mogelijkheden en wenselijkheden te stimuleren dan wel af te remmen. Dit laatste kan wenselijk zijn met het oog op bijvoorbeeld oververhitting van de bedrijvigheid of overbelasting van het milieu.

Het buitengewoon grote kapitaal dat door het werken van vele industrie-arbeiders met zeer efficiënte machines door cumulatieve zelffinanciering opgestapeld wordt, werkt in hoge mate inflatoir. Het trekt namelijk veel werkkrachten en grondstoffen naar zich toe, zodat de prijzen in die eveneens noodzakelijke sectoren van de economie die zich niet voor industrialisatie lenen, onbetaalbaar worden. Het bestrijden van werkloosheid door steeds meer kapitaal in de industrie te investeren, zal daarom voor hooggeïndustrialiseerde landen waarschijnlijk af te raden zijn.

Schenkingsgeld
Schweppenhauser werkt nu voorbeelden uit, hoe men de overmaat aan kapitaalvorming op organische wijze door schenking kan laten afvloeien naar die sfeer, waar hij zinvol ge- en verbruikt wordt, met name de instituties van de geestelijk-culturele sector. Om een beeld van Steiner te gebruiken; het leengeld wordt oud in de productiesfeer, evenals de productiemiddelen; als schenkingsgeld geeft het in de geestelijk-culturele sector nieuwe impulsen aan de samenleving. Tot slot spreken wij de hoop uit, dat wij de lezer geanimeerd hebben om illusionaire van redelijke verwachtingen op het gebied van het geld te onderscheiden; en om verder in het bijzonder in de sfeer van het schenkingsgeld niet het gehele initiatief aan de overheid over te laten.
.

P.Cornelius, Jonas 4, 22-10-1976

.

Sociale driegeleding: alle artikelen

.

1448-1357

.

.

VRIJESCHOOL – klas 6 – natuurkunde -geluid (1-1)

.
Thor Keller, Erziehungskunst jrg.50, 7/8 1986 blz. 457

.

KLAS 6: HET EERSTE NATUURKUNDEONDERWIJS
.

Rudolf Steiner heeft bij de oprichting van de vrijeschool in 1919 in het leerplan vastgelegd dat al in de 6e en 7e klas moet worden begonnen met natuur- en scheikunde. Dat vond plaats in een tijd waarin deze twee vakken nog weinig ingang in het openbare schoolleven hadden gevonden. Ja, zelfs in de jaren 1960 begonnen de gymnasia (in Duitsland) pas in de 8e, resp. 9e klas met het onderwijs in deze vakken.

Het waren geen overwegingen van ‘nuttigheid’ die Rudolf Steiner de aanleiding gaven om deze stap te zetten, maar zijn kennis van het wezen van de mens en de ontwikkeling van het kind.

onderverdeling van de 2e zevenjaarsperiode
Iedere zevenjaarsperiode in de ontwikkeling van een kind kan nog eens in drie onderliggende fasen verdeeld worden. Ongeveer op de leeftijd van 91/jaar gaat het kind over een belangrijke grens; Rudolf Steiner noemde deze de Rubicon. Het kind verlaat definitief het rijk van het beleven in denken en voelen waarin het vóór die tijd woonde en het richt zich nu sterker dan tot nog toe op de aardse wereld om hem heen.
Het onderwijs in klas 3 ondersteunt deze weg in school door het scheppingsverhaal van het Oude Testament te vertellen en door daarbij aansluitend het ‘oer’werk d.m.v. de belangrijkste beroepen die voor het leven van de mens op aarde noodzakelijk zijn met de kinderen te behandelen: de boer, de molenaar, de bakker, de timmerman, de schoenmaker, de wever, de kleermaker, de metselaar enz.
Op ongeveer 112/jaar is er weer een markeringspunt in het rijp worden voor de wereld. Ongeveer 13 jaar oud kan het kind de causale gedachtegang oorzaak-gevolg gaan begrijpen.
Tot ongeveer deze leeftijd beleeft het de wereld op de manier van ‘als…..dit, dan….dat, bijv. als je dit met de auto doet, gaat hij rijden. Vooralsnog is het kind daarmee volledig tevreden. Een natuurkundig-causale verklaring begrijpt het kind nog niet echt. Zou je vóór het 12e jaar het kind toch steeds maar dwingen causaal te denken, dan zou je zijn mentale en psychische ontwikkeling geweld aandoen, een verkeerde kant op sturen en zijn denken eenzijdig ontwikkelen. De kinderziel die nog dromend in het beeldende leeft zou beschadigd worden; bepaalde krachten die pas later zover zijn, zouden te vroeg aangesproken worden. Zou je daarentegen het tot ontwikkeling gekomen vermogen om causaal te denken niet aanspreken, bleef dat terrein braak liggen en het vermogen zou achteruitgaan. Dan kon het later weleens moeilijker zijn dit weer te mobiliseren en er adequaat mee te opereren. Het gevaar bestaat dat deze denkkrachten, wanneer ze niet worden aangesproken en gecultiveerd, een eigen weg gaan; ze beginnen te ‘woekeren’ en de jonge mens gaat spculeren, alleen op zichzelf aangewezen met nauwelijks het vermogen de juistheid van wat hij achtereenvolgens denkt aan de werkelijkheid te kunnen verifiëren.

In de loop van de geschiedenis heeft de mensheid wat de natuurkunde betreft, een bepaalde, tegenwoordig goed te overziene weg afgelegd.
Wanneer de leerkracht nadenkt over de opbouw van de eerste natuurkundelessen voor deze leeftijd, biedt de historische weg de hem mogelijkheden.

AKOESTIEK
Voorbeelden uit de geluidsleer van het eerste natuurkundeonderwijs kunnen dit verduidelijken:
Vanaf de 1e klas wordt er op de vrijeschool veel aan muziek gedaan en ook het spreken, de spraak, het reciteren komt ruim aan bod en wordt in veel vakken verzorgd en geoefend. Niet alleen speelt het kind blokfluit en wordt er in de les veel gezongen en gefloten, maar ook bij het spreken en in de euritmieles heeft het op een veelzijdige manier met geluid te maken. Daar kan de leerkracht in de eerste natuurkunde-uren bij aansluiten.
Als eerste maakt de leerkracht de kinderen nog eens attent op de veelheid tonen en geluiden die vanuit de wereld op hen toekomen: het geluid van de dieren is hun bekend. Maar hoe zit het eigenlijk met de planten? Uit zichzelf maken ze geen geluid. De wind moet bijv. eerst door het bos gaan, wil er geruis en geritsel in en aan de bomen ontstaan. En stenen geven alleen geluid als je ze tegen elkaar slaat. Hoeveel geluiden brengt het water voort: kabbelen, gorgelen, koken, ruisen, bruisen, razen, ….
Wanneer je de aandacht van de kinderen hebt gewekt, moeten ze hun ogen dichtdoen en sla je op verschillende voorwerpen: hardhout en bijv. vurenhout, lood, ijzer, koper, een bord, een glas, een kapot glas en sleutelbos, een vioolsnaar enz. enz. Vaak herkennen de kinderen het voorwerp meteen aan de klank.
Dit begrip moet je dan de volgende dag, waneer de kinderen de ervaring de nacht mee hebben in genomen, in een gesprek weer uitwerken.
We kunnen, wat we onderzocht hebben, dan specificeren en luisteren hoe de verschillende houtsoorten klinken. Dan neem je een groot, een klein, een dik en een dun stuk vurenhout: ze klinken allemaal anders. Kortere en langere ijzeren staven net zo. De klankkleur blijft wel aanwezig, maar de toonhoogten verschillen.
Zo ontstaat er een tweede begrip.
Uiteindelijk bespreek je ook hoe in het dagelijks leven heel vaak bij het onderzoeken van voorwerpen het geluid een rol speelt: de dokter beluistert de patiënt, de koopman klopt vóór de verkoop op bord en glas, de metselaar hoort door kloppen waar cement losgelaten heeft, de timmerman op de vloer om de onderliggende balk te lokaliseren, in Italië werden zilveren munten op een marmeren tafel gegooid om de echtheid te onderzoeken, enz.
De kinderen luisteren niet alleen, ze moeten wat ze waarnemen mondeling en dan schriftelijk weergeven. Daarbij moeten de fenomenen goed worden waargenomen en het meest doeltreffende woord moet worden gevonden om het zo beknopt mogelijk te kunnen opschrijven.
Een van de oudste instrumenten is de lier. In het monochord hebben we dit instrument in de meest eenvoudige vorm voor ons. We spannen en ontspannen een snaar en horen hoe de toonhoogte verandert. Dan zetten we er een blokje onder en verdelen de snaar precies in twee gelijke stukken. We strijken de ene helft aan. Met verbazing horen de kinderen een octaaf. Wanneer we op driekwart aanstrijken, klinkt de kwart. Zo wordt geleidelijk de hele toonladder opgebouwd.
Wanneer de getalverhoudingen dan op het bord staan, ontdekken de kinderen tot hun grote verrassing hoe muziek en breuken nauw met elkaar samenhangen. Zo kun je bijv. voor een snaar van 1.80m precies aangegeven waar je het blokje moet zetten om een de kwint (op 
2/3) te krijgen, dus op 1.20m. Ook de regel wanneer consonanten (harmoniërend) en dissonanten ontstaan, wanneer er twee snaren worden aangestreken kan op dit instrument goed ervaren worden.
Dan kom je bij geschiedenis: Pythagoras en zijn leerlingen hebben rond 540 v. Chr. deze wetten al uitgewerkt.
Een volgende stap zou kunnen zijn het ontstaan en laten ontstaan van klank nader te beschouwen.
Je slaat een stemvork aan die je in een glas water houdt. ‘Het spat’, roepen de kinderen opgewonden en ze willen het nog een paar keer zien.
[wellicht en overvloede, de auteur noemt het niet zo duidelijk: laat vooral de kinderen veel (mee(r)doen!]
Wanneer je een glasplaat beroet en je neemt dan de stemvork met de kleine, gebogen stalen schrijfpen, die je aanslaat en met de pen over de plaat, zie je wat een wonderschoon golfpatroon de pen trekt in het roet. Dat kan niemand bijna zo gelijkmatig.
Zo komen we bij het feit dat een lichaam moet trillen, vibreren; dat alle voorwerpen die klinken, trillen.
De Chladnische klankfiguren kunnen een indrukwekkende afsluiting zijn voor dit onderwerp.

Vanzelfsprekend hebben we het aansluitend ook over het menselijk strottenhoofd en wanneer de jongens al zover zijn, over de ‘baard in de keel’, de stemwisseling.

Bij alle proeven en besprekingen zijn deze drie stappen wezenlijk:
-proef met waarnemen en beschrijving
-verwerking van het wetmatige
-toepassing in het dagelijks leven

Wanneer je als leerkracht er nog in slaagt de leerlingen te stimuleren thuis ook dingen als proef te doen of om bijv. zelf ‘apparaten’ te bouwen, zou dat een mooi resultaat zijn.

Op dezelfde manier worden ook de andere gebieden onderzocht: de optiek, de warmteleer, magnetisme en (statische) elektriciteit.

De opbouw van het natuurkundeonderwijs is zo dat er steeds van het waarnemen wordt uitgegaan en nooit van de wet of de regel. De wereld moet eerst spreken:
Doordat de kinderen zelf stap voor stap de weg bewandelen van het exacte waarnemen en beschijven van de fenomenen via het samenvatten en indelen van losstaande verschijnselen in regels of wetten, beleven ze de wetten intensiever, maar ook het wonder van de natuurkunde, dan wanneer ze eerst een wet of regel voorgezegd krijgen die ze dan daarna door proeven gaan bevestigen.
Met verbazing, zij het eerst nog half bewust, beleven ze de ordening van de natuur.

De klassenleerkracht kan steeds weer waarnemen hoe juist het tijdstipvoor de eerste natuurkunde  is dat Rudolf Steiner aangaf.

De kinderen kijken, omdat ze nu in hun ‘realistische jaren’ komen waarin ze de processen in de wereld willen begrijpen, met heel andere ogen die veel meer opmerken, naar hun omgeving en ze beginnen de wetmatigheden te begrijpen. Aan het eind van hun kindertijd beleven ze de ordening en wetmatigheid van de wereld. Dat geeft vanbinnen houvast en de nodige psychische zekerheid voor de komende jaren.
.
.
Natuurkunde: alle artikelen

12-jarige kind

.
1435-1344

.

.

VRIJESCHOOL – november

.

Elke maand heeft z’n eigen naam en rondom deze naam circuleren allerlei beweringen, weven zich soms geheimzinnige verhalen, kortom: folklore.

NOVEMBER SLACHTMAAND

Met november begint de elfde maand van het jaar. Tenminste op onze kalender. Op de oud-Romeinse kalender was het de negende maand. Dat zie je nog aan het woord november, want novem betekent negen.

Vroeger werd in deze tijd geslacht voor de winter. Na het slachten werd het vlees gezouten en gerookt en de stukken ham en de worsten werden aan de zoldering in de kamer gehangen. Vanwege dat slachten wordt november slachtmaand genoemd. De dieren werden geslacht door een huisslachter. Als er een varken geslacht werd, stond iedereen er omheen om te kijken of het beestje wel goed ”smeerde”, dat wil zeggen goed vet was.

Naar die uitdrukking “smeren” heet november ook wel smeermaand. Nauurlijk vloeide er tijdens het slachten veel bloed. En vandaar dat november ook de naam bloedmaand heeft.
Maar november heeft nog meer namen. Het was vroeger de gewoonte dat de notabelen van het dorp (de burgemeester, de dominee, de dokter, de notaris) stukken van het varken als geschenk kregen toegezonden door de boeren. Als dank daarvoor zonden de notabelen weer een cadeautje aan de boeren. Zodoende heeft november ook wel zendekensmaand. En omdat ter gelegenheid van de slacht visites werden georganiseerd waar heel veel gasten kwamen om lekker te eten en te drinken, wordt november ook gastmaand genoemd.

November begint met een katholieke feestdag: Allerheiligen, de dag die op de grens staat van het zomer- en het winterhalfjaar. Allerheiligen opent het donkere jaargetijde. Op Allerhéiligen volgt op 2 november Allerzielen, een dag gewijd aan de herdenking van de doden.

3 november is het Sint-Hubertusdag, naamdag van de heilige Hubertus, de schutspatroon van de jagers. 11 november is het Sint-Maarten en 25 november ten slotte is het Sint-Katharina. Dat was een belangrijke dag voor de boeren, want: Met Sint-Kathrijn moeten de koeien aan de lijn. Met andere woorden: de koeien moesten voor de winter van het weiland naar de stal gebracht worden.

.

bron onbekend

.

november in het volksgeloof

Verschillende oude benamingen van de maand november als ‘wintermaand’, ’vorstmaand’, ‘smeermaand’, ‘slachtmaand’, enz. kunnen we heden ten dage nog heel goed begrijpen en deze namen spreken voor zichzelf. Alleen de naam ‘smeermaand’ is niet zo heel duidelijk, maar wordt dit toch wel, als men weet dat met smeer ‘vet’ bedoeld wordt. ‘Smeermaand’ is dus de maand voor het inzamelen van vet, dus: slachten!

De slimme pastoor
Lang bleef het gebruik gehandhaafd, dat de boer, die slachtte, de geestelijke verzorger van de gemeente, waartoe hij behoorde en ook veel notabelen, die hij te vriend moest houden, in de slachttijd met een flink stuk spek vereerde. Ook boter werd wel bij deze personen thuisgebracht. Volgens een oud verhaal, dat voortleeft in het zuiden des lands, beklom eens een pastoor ’s zondags de kansel met de mededeling, dat hij dit keer niet zou preken, maar liever een raadsel wou opgeven. Verbaasde en tegelijk nieuwsgierige gezichten der gemeenteleden.

’Ik weet iets,’ aldus de pastoor, ‘dat jullie niet weten. En jullie weten iets,’ zo vervolgde hij, ‘dat ik niet weet’.
Inderdaad was zo’n raadsel moeilijk op te lossen. Daarom gaf de pastoor de oplossing er maar dadelijk bij. Hij wist namelijk, dat zijn boterpot leeg was. De gemeenteleden wisten dat natuurlijk niet. Doch de herder en leraar wist niet of de hem toevertrouwde kudde de pot weer met het kostelijke zuivelprodukt zou willen vullen. En dat wist deze vanzelfsprekend wel.
Ook onze slimme zieleherder wist het echter spoedig: reeds de volgende dag sjouwde men zwaar geladen korven de pastorie binnen!

Weerrijmen
In rijm sprak de volksweerkunde zich over november, profeterend uit, inzake de komende weersgesteldheid:

‘November met zijn regenvlagen,
Brengt verkoudheid, jicht en and’re plagen.’

’Het nakomertje van Allerheiligen,
Kan ons voor de winter niet beveiligen.’

‘Geeft Allerheiligen zonneschijn,
Dan zal het spoedig winter zijn.’

Een verdwenen volksgebruik
Het komt natuurlijk voor, dat niet alle boeren met hun veldarbeid klaar zijn met november. Oudtijds was het dan de gewoonte, dat men van zo’n boer de op het veld achtergelaten gereedschappen of andere voorwerpen op een eenzaam plekje verstopte, waar hij het dan moest trachten op te sporen.

Virgilius heeft gezegd:
’t Is een gelukkig man,
Die precies van alle dingen
Grond en oorsprong weten kan.

Zo is het ook met betrekking tot dit volksgebruik.

Sint-Elizabeth
De naam van deze heilige is diep in het geheugen gegrift, door de vreselijke vloed van 19 november 1421, bij welke geweldige overstroming duizenden hun graf in de golven hebben gevonden. Veel dorpen in de Zuidhollandse Waard enz. gingen ten onder.
Dat wij dit historisch feit hier releveren in een folkloristisch artikeltje, vindt zijn oorzaak in het feit, dat we hier een legende willen mededelen in verband met deze vloed.

Jaarlijks verscheen namelijk op de eerste januari in Zevenbergens haven een meermin, die steeds weer de sombere voorspelling herhaalde, dat eenmaal deze plaats door de golven zou worden verzwolgen. En op 1 januari 1421 zong een duo van meerminnen het onheilspellend lied, waaraan echter geen enkele inwoner van Zevenbergen geloof sloeg:
Zevenbergen zal vergaan,
Maar de Lobbekens toren zal blijven staan.

Velen spotten met deze voorspelling. Toen 19 november aanbrak veegden de woeste wateren ook Zevenbergen van de aarde weg… uitgezonderd de Lobbekenstoren!

Weerprofeten geloven nog aan het rijm:
’Sint-Elisabeth doet verstaan
Hoe de winter zal vergaan.’

Andere heiligendagen
25 november is aan de H. Catharina gewijd. Met deze datum houden de herfstregens op, zodat:

’Sint-Catharijne doet het zonnetje schijnen,
Laat de regen overgaan,
Zodat de kinderen naar school kunnen gaan.’

Deze dag is ook een belangrijke dies criticus.

‘Vriest het met Sint-Catharijn. dan zal de vorst zes weken aanhouden (vgl. St. Margriet: 6 weken regen!)

Om van het ’ Sinte-Katriensnieltje’ (huiduitslag) genezen te worden, moet men zich laten overlezen te Horendonck (gemeente Esschen), dat druk door West-Noordbrabanders werd bezocht.

Sint-Andries
Ook deze datum (30 november) nam, evenals 1 oktober (Bamis) een belangrijke plaats in in het boerenleven. Deze dag eindigde ook wel de landpacht. Knechtsmeiden zochten tegen deze datum vaak een andere betrekking.

Volgens de volksweerkunde schijnt nu de winter definitief te komen, want:

’ Sint-Andries,
Brengt de vries.’

H. P. VAN lPEREN Andel (N.B.) in Vacature, Zutphen, nadere gegevens onbekend
.

Sint-Hubertus
Een heilige die veel bekendheid kreeg, is Sint-Hubert, eens een hartstochtelijk jager. Van hem wordt verteld dat hij op een dag tegenover een hert kwam te staan dat tussen zijn gewei een lichtend kruis droeg.
Het was een bijzonder hert; het dier zei tegen Hubertus – toen nog geen Sint – dat hij voor eeuwig verdoemd zou zijn als hij zich niet intenser met geestelijke zaken zou bezig houden. Diep onder de indruk viel de jager op zijn knieën en begon te bidden. Toen hij weer opkeek was het hert verdwenen. Deze gebeurtenis werd het keerpunt in het leven van Hubertus. Hij stelde zich in dienst van de kerk en werd priester, bisschop zelfs naar men zegt.

Het kruis en het gewei heeft bouwmeester Berlage beide verwerkt in het jachtslot op de Hoge Veluwe dat naar Hubertus genoemd is. De gebogen vleugels van het gebouw met hun vertakkingen van luchtkokers en schoorstenen vertonen de vorm van een hertengewei; in de toren is het kruis verwerkt. Ook in het interieur van het Sint-Hubertusjachtslot is de levensweg van Hubertus gesymboliseerd; in de hal vindt men gebrandschilderde ramen waarop Hubertus in felpaarse mantel knielt voor het wonderlijke hert. Hubertus mag dan zelf de brui aan het jagen hebben gegeven, hij is toch de patroon van de jagers geworden. Heel bekend is de Hubertus slipjacht die op de derde zaterdag van november vele liefhebbers naar Udenhout trekt. Men begint met een mis die wordt opgeluisterd door speciale muziek met jachthoorns; de meute wordt gezegend, waarna men naar het jachtterrein vertrekt.

Shell journaal van Nederlandse folklore

.

Jaarfeesten: alle artikelen

vertelstof 2e klas: heiligen

.

1433-1343

.

.

vrijeschoolpedagogie.com in Koninklijke Bibliotheek

.

Enige tijd geleden ontving ik van de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag dit bericht:

Geachte heer/mevrouw,

In het kader van het initiatief van de Koninklijke Bibliotheek (KB) om een selectie van Nederlandse websites te bewaren voor toekomstig onderzoek, willen wij ook uw website archiveren en voor de lange termijn bewaren. Het gaat om de website en eventuele bijbehorende subdomeinen die toegankelijk zijn via de volgende URL(s):
https://vrijeschoolpedagogie.com/

Websites bevatten vaak waardevolle informatie die niet analoog verschijnt en die ten gevolge van de grote ‘omloopsnelheid’ het risico loopt voorgoed verloren te gaan. Dat websites als ‘digitaal erfgoed’ het behouden waard zijn, is internationaal erkend in het Unesco Charter on the Preservation of the Digital Heritage uit 2003. Het signaleert dat digitaal erfgoed verloren dreigt te gaan en dat het bewaren daarvan voor gebruik door de huidige en toekomstige generatie onderzoekers zeer urgent is.

Als nationale bibliotheek is de KB wettelijk verantwoordelijk voor het verzamelen, beschrijven en bewaren van in Nederland verschenen publicaties, al of niet elektronisch. De KB ziet het als haar taak om ook websites duurzaam te bewaren en raadpleegbaar te houden voor toekomstige generaties en ze te behoeden voor verlies door bijvoorbeeld technologische veroudering.
Om die reden archiveert de KB websites die als verzameling een representatief beeld geven van de Nederlandse cultuur, geschiedenis en samenleving op het internet.

Uw website zal daartoe gearchiveerd en duurzaam opgeslagen worden. Het archiveren zal voor het eerst gebeuren vanaf 14 december 2016. Daarna zullen regelmatig opeenvolgende versies opgenomen worden. De archiefversies zijn te raadplegen binnen ons eigen gebouw. Ze zullen ook beschikbaar worden gesteld aan een algemeen publiek via de website van de KB zodra dit juridisch mogelijk is.
(  )

Antroposofie, een inspiratie

VRIJESCHOOL in beeld

.

1412-1322

.

VRIJESCHOOL – en vrijheid van onderwijs (2-2)

.

Na 100 jaar vrijeschool kun je niet zeggen dat de beweging heeft bijgedragen aan een grotere ‘vrijheid van onderwijs’; aan de impuls voor een vrijer geestesleven.

Zie voor meer: 100 jaar vrijeschool (1-1)

Toch waren er steeds mensen/ scholen die probeerden bewustzijn te wekken voor de driegeleding of ontplooiden andere initiatieven.

Er verschenen vele artikelen: in het tijdschrift Jonas, maar ook in de schoolkranten van verschillende scholen. Zoals onderstaand artikel:

SOCIALE DRIEGELEDING IN DE VRIJESCHOOL

Ouders besluiten hun kind naar een vrijeschool te laten gaan. De motieven hiertoe kunnen nogal verschillen: van grondige voorkennis tot gevoelsmatige sympathie. Wat ouders, met hun uiteenlopende achtergronden, met de vrijeschool verbindt is: verantwoordelijkheid voor het kind en (h)erkenning van een tot pedagogie vertaalde menskundige visie: de anthroposofie. De zaak is beklonken, het kind gaat naar de vrijeschool. En dan ? Welke rol is vanaf dat moment voor de ouders weggelegd ? Ouders wensen een vrijeschool, leerkrachten vervullen deze wens; zonder aanbod van leraren geen vrijeschoolpedagogie. Maar het college kan naar huis gaan als ouders niet voor hun pedagogische prestaties kiezen! Duidelijk is dat er een sterke wederzijdse afhankelijkheid is.

Democratiseringsstreven
Nu is leven met afhankelijkheden niet zo gemakkelijk voor de moderne mens. Natuurlijk zijn we in de praktijk maar al te afhankelijk van elkaar. Zonder kleermaker stond ik in m‘n blootje voor de klas, etc.. Ook zonder sociale contacten zou niemand mens kunnen zijn. Maar het besef van het intensief vervlochten zijn met de medemens, wordt meestal toegedekt door ons moderne zelfbewustzijn. We emanciperen ons niet alleen uit onze kosmische scheppingsoorsprong (“God is dood”), we maken ons ook los van al te knellende aardse banden. Van slavernij en despotisme tot provo – weg met de regenten! – tot de democratiseringsgolf en het ik-tijdperk. Een streven naar strikte individualisatie en politiek-maatschappelijke mondigheid van: gelijkheid van allen.

Inspraak en democratisering, daar gaat het bekende grapje over: “all animals are equal, but some animals are more equal than others “. Democratie bergt de neiging in zich dat individuen het eigengelijk zo sterk voelen dat men de ander onwillekeurig wegdrukt; de ander mag mij nimmer blokkeren, want hij/zij is niet meer dan ik.
Democratie kan zich alleen ontplooien vanuit het beoefenen van sociale vaardigheid; ik acht mezelf mondig en souverein; dan ken ik dit ook aan de ander toe, ongeacht zijn (haar) door mij vermeende diskwalificaties.

Een tweede voorwaarde tot vruchtbare democratische verhoudingen is het in acht nemen van de wetmatigheden van de sociale driegeleding. Deze is de maatschappelijke afspiegeling in het groot van de drieledige mens naar hoofd, hart en hand in het klein. Anders gezegd: de drieledigheid die macrokosmisch aan de hele schepping ten grondslag ligt, drukt zijn werking microkosmisch uit in de drieledige mens én in een driegelede maatschappij. We weten dat we het kind tekort doen als we de samenklank van denken, voelen en willen niet bewust verzorgen; elk der drie aspecten vraagt een eigen benadering. Evenzo kent het maatschappelijk organisme drie gebieden, elk met eigen wetten en krachten die om erkenning en verzorging vragen. Het op-zich-zelf terecht verlangn naar inspraak en respect voor eigen mondigheid, kan in de school alleen tot zinvolle samenwerking leiden als ze worden ingebed – zeker niet “ingepakt“- in de stroom van de sociale driegeleding. Anderzijds kan het eveneens terechte verlangen van een lerarencollege om zonder dwingende inmenging van ouders aan de pedagogie gestalte te geven, alleen tot zinvolle samenwerking leiden als ook dit verlangen wordt ingebed in de driegeleding. Daarom hierover eerst meer.

Maatschappelijke driegeleding
Onze samenleving wordt ingericht op grond van de denkbeelden en ideeën die heersen in de cultuur. Wat in het algehele cultuurgoed leeft, vindt zijn concretisering in het machtsbedrijf van de politiek. “Een volk krijgt de regering die het verdient”. In ons politiek bestel treffen we twee uitersten aan. Het liberalisme, in zijn ouderwetse variant, vooronderstelt als sociale hoofdwet: de vrije handelingsbevoegdheid van het individu op zoveel mogelijk terreinen. De staat dient de onbelemmerende uitoefening van deze vrijheid te garanderen; de zgn. nachtwakerstaat.

Het socialisme benadrukt, mede als historische reactie op het “ijzervreter”liberalisme, de keerzijde van het individuele egoïsme en komt tot het primaat van de collectiviteit,de zorg voor de sociaal zwakkeren; de zgn. verzorgings- of opvoedingsstaat. Alle spraakmakende politieke partijen kiezen hun positie binnen deze dualiteit. Alle partijen vertegenwoordigen hiermee echter denkbeelden die maar zeer ten dele van doen hebben met de werkelijkheid. Een ingenieur zal zich nooit een onwerkelijke visie kunnen permitteren; zodra de trein door de brug zakt, zal hij moeten corrigeren. Politici daarentegen hebben de macht om onwerkelijke visies zó toe te passen dat de werkelijkheid verwrongen wordt tot zichzelf waarmakende voorspellingen. Met behulp van politieke macht kan men een, op zichzelf geldig deelaspect – hetzij individualisme, hetzij zorg voor de zwakkeren – tot algehele norm verheffen en de maatschappij dienovereenkomstig inrichten. Het simpele feit dat de maatschappij vervolgens überhaupt nog doordraait, kan dan door kapitalisten, resp. socialisten, worden gebruikt om de juistheid van hun visie te propageren. Wat er niet lukt wordt geweten aan het ontwrichte tegenspel van het andere kamp. Zo kun je elke politieke visie “bewijzen”; daarom zijn er nog steeds liberalen, sociaal-democraten, marxisten enz. Ieder voor zich menen zij de juiste hoofdwet te hanteren om vervolgens met een beperkte deelwaarheid het geheel te ruïneren. Wij lijden aan de ziekte van onvolledige maatschappijbeelden.

De volledige mens is drieledig, de volledige maatschappij dito. Drie maatschappelijke gebieden kunnen we onderscheiden, elk met zijn eigen wetmatigheden, zoals R.Steiner ons deed inzien.

Het geestes- of cultuurleven
Dit omvat al het geestelijk-creatieve, als opvoeding en onderwijs, kunst, wetenschap, religie, filosofie, literatuur, recreatie, informatie-stromen e.d. Het is een gebied dat zich alléén kan ontplooien als hier volledige individuele vrijheid geldt. Elke beperking door bv. inhoudelijke overheidsbemoeienis of economische manipulatie, werkt letterlijk geestdodend. Een eenvoudig voorbeeld: als wij samen met Timman tegen wereldkampioen Karpov schaken, zal niemand het in zijn hoofd halen om over elke zet tegen Karpov eerst democratisch te gaan stemmen. We erkennen Timmans superioriteit maar al te graag en hij moet het -voor ons – doen. In geestelijke vermogens zijn (gelukkig) geen twee mensen gelijk. In het geestesleven is vrije concurrentie volkomen op zijn plaats, een leraar die zijn leerlingen verveelt, moet hoognodig plaats maken voor een betere.

De creatieve vermogens van de enkeling komen indirect aan allen ten goede als we de begaafden hun vrijheid laten: uitvinders, kunstenaars, pedagogen, filosofen etc. Elke betutteling leidt op dit vlak tot onvruchtbare grauwheid en apathie. En dan te bedenken dat thans de overheid juist deze sector via de talloze subsidiestelsels plus vrijheidsberovende voorwaarden in haar wurgende greep houdt.

Het rechtsleven
resp. de formele intermenselijke relaties.
Waar het de algemeen menselijke bestaansvoorwaarden betreft mag absoluut geen individuele vrijheid heersen. Ten aanzien van vraagstukken als materiële basisbehoeften, staatsinrichting, belastingstelsel, rechtspraak, veiligheidsbeleid, kernenergie e.d. gaat het niet aan om de ene mens superieur te achten boven de andere mens. De politieke stem van een hoogleraar kernfysica is bij de bepaling van het al of niet gebruiken van kernenergie, niets meer waard dan die van welke andere burger ook. Het ‘one man, one vote’ is hier een eerste vereiste, m.a.w. hier is de basiswet: gelijkheid. Vanuit het algemene rechtsgevoel moeten tevens de randvoorwaarden worden geformuleerd en bewaakt, die het geestes- en het economisch leven volgens hun specifieke wetmatigheden kunnen laten functioneren. Dit is het eigenlijke terrein van de staat. Bijvoorbeeld: de staat garandeert een leerecht, gelijk voor allen, maar bewaakt tevens dat het onderwijs niet kan worden gemanipuleerd, noch door overheidsbetutteling, noch door economische machtsgrepen. Ogenschijnlijk wordt de huidige staat hierdoor veel minder belangrijk. Het waken tegen grensoverschrijdingen van elk der wetmatigheden van de drie gebieden naar een ander gebied toe, vereist echter juist een zeer sterke staat. Bijvoorbeeld ‘gelijkheid’ grijpt het geestesleven, met als mogelijke gevolgen: elk kind moet precies hetzelfde leren of orkesten moeten overheidsprogramma’s spelen. Of ‘vrijheid’ grijpt het economisch leven met als gevolg de moordende jungle van de kapitalistisch sterksten. De staat, als uitvoerend orgaan van het rechtsleven, moet de burgers hiertoe beschermen. M.a.w. het rechtsleven is het enige terrein dat de staat überhaupt mag betreden.

Het economisch leven
Dit omvat alles wat met productiefactoren (inclusief Landbouwgrond en overige natuur) handel en consumptie te maken heeft. Hier geldt het principe van de broederschap , de moeilijkst te duiden basiswet. De actuele arbeidsdeling heeft ertoe geleid dat in feite iedereen werkt voor de anderen. Door de arbeidsdeling leven alle mensen in talloze onderlinge afhankelijkheidsrelaties die een fijn netwerk vormen over de hele wereld. Zodra ik mijn kopje koffie drink, treed ik o.a. in verbinding met een koffieplukker in Colombia. Een en ander wordt echter aan het bewustzijn onttrokken door een komplot van ziekmakende factoren, o.a. privé-eigendom van productiemiddelen, menselijke arbeid als koopwaar, kunstmatig creëren van behoeften, speculatie, aandelenmanipulatie etc. Broederlijkheid daarentegen kan zich ontwikkelen in vormen van overlegeconomie, hier niet nader uit te werken. Volledige vrijheid en rigide gelijkheid mogen op dit terrein in elk geval niet “toeslaan“.

School, ouders en driegeleding
Uit het voorgaande houden we vooraf nog even vast:
– in het schoolorganisme moeten we deze drie gebieden proberen te karakteriseren en af te bakenen, opdat de juiste wetmatigheid op het juiste terrein tot gelding kan komen.
– er moet zorgvuldig worden gewaakt dat er geen ‘grensoverschrijdingen” plaats vinden.
Bovendien moet met nadruk worden gesteld dat het driegeledingsconcept nooit pasklare oplossingen kan bieden. Het zijn richtinggevende ideeën die in elke concrete situatie weer op eigen wijze zullen moeten incarneren. Elke school, personeel en ouders, zal zijn eigen vorm moeten zoeken. In het navolgende gaat het om het aanreiken van handvatten.

Een school staat in het geestesleven en dient derhalve volledig gevrijwaard te zijn van elke inhoudelijke inmenging, zowel van de kant van de staat als van de ouders. In een maatschappij waarin de driegeleding ten enen male ontbreekt, is vergaande lerarenautonomie voor ouders echter allerminst vanzelfsprekend. Vrijeschoolouders krijgen dit bij hun entree wel te horen, maar een discrepantie tussen begripsmatige informatie en diepgewortelde democratische gevoelens, ligt voor de hand.
Daarom is het nodig de ouder-schoolrelatie zo genuanceerd mogelijk te bezien.
Rudolf Steiner heeft voor de eerste oudergroep het volgende geformuleerd (vrij geïnterpreteerd naar “Aan ouders en leraren*, toespraak van R.Steiner, 13 jan. 1921 in Waldorf-Schule te Stuttgart):

De leraren moeten autonoom hun geestelijke prestaties kunnen leveren; in het verlengde hiervan ligt: leraren-zelfbestuur, want er mag geen kloof ontstaan tussen het lesgeven enerzijds en het voorwaarden-organiseren voor dit lesgeven anderzijds. De ouders nemen dit idealiter op met begrip, inzicht en vertrouwen.
de terechte wens tot democratische betrokkenheid van ouders dient zich te manifesteren in de schoolkeuze als zodanig; als de betreffende school teleurstelt, kan men een andere kiezen of een nieuwe oprichten;
om zo’n keuzemogelijkheid te realiseren, dienen ouders politiek-maatschappelijk actief te zijn om algehele vrijheid van onderwijsinrichting af te dwingen;
binnen de school is medebeslissing door oudervertegenwoordiging op zijn plaats inzake de formele regelingen die de dagelijkse gang van het leven beïnvloeden, zoals begin-eindtijden van de schooldagen, vakanties etc.;
* voorts bij alle zaken die vanuit actuele maatschappij-eisen aan de school worden opgelegd, maar die niet organisch passen in het vrijeschoolconcept, bijv. de examenregelingen.

Stefan Leber (“Die Sozialgestalt der Waldorfschule“) voegt hier o.a. nog aan toe:
* leerkracht/college dienen het vertrouwen van de ouders in hun pedagogische autonomie en organisatorische verantwoordelijkheid te bewijzen door een zeer ruime en open communicatie/informatie. Zij moeten de ouders als wederhelft bij de opvoeding van het kind optimaal bij het schoolleven betrekken. De ouders hebben uitdrukkelijk recht op alle relevante informatie vanuit de school; omgekeerd geldt dit uiteraard ook.
*de zuiverheid van het overlegklimaat is gebaat bij een grondige entree-procedure voor nieuwe ouders: een beeld vooraf – liefst schriftelijk- van pedagogische doelstellingen en werkwijze, ontwikkelingspsychologie, leerplan, schoolorganisatie, financiën e.d.; alle tussentijdse wijzigingen in zo’n “contract” vragen wellicht om overleg met een oudervertegenwoordiging.

Zo zien we dat binnen de school als instituut van het vrij geestesleven toch ook weer drie sub-systemen zijn te onderscheiden:

*geestesleven: de vrije inhoudgeving aan de pedagogie en de voorwaardenscheppende organisatie door het college;
uitwisseling van inhouden en meningen, ook tussen leraron en ouders.

*rechtsleven: in het groot een vrijeschoolkeuze binnen het recht op realisatie van vrij geestesleven. In hot kloin binnen de school spelregels t.a.v. formele regelingon, keuzes t.a.v. maatschappelijke invloeden, recht op informatie, bijv. een minimum aan klasse/algemene ouderavonden en “entree-contract“; andere afspraken rond ouderoverleg

Met name is ook van belang het onderscheid leren maken tussen ouderresponse op beslissingen die vallen onder de lerarenautonomie en ouder-medebeslissingen bij zaken die vallen onder het “rechtsgebied” van de zakelijke regelingen en afspraken.
Het gaat bij dit alles niet om machtsvragen, maar om vragen van communicatie en tussen-menselijke verhoudingen.
Meer een kwestie van mentaliteit dan van formaliteit.

*economisch leven : het werken voor de ander: leraren voor kinderen en daarmee voor hun ouders; ouders voor school middels hun financiële bijdragen, praktische hulp en actief meedenken; ouders die zich langs de zijlijn opstellen, plaatsen zich onvoldoende in de ‘economie’ van de school {stimulansen om dit wél te doen, kunnen uitgaan van een goed ontwikkeld geestes- en rechtsleven).

Maarten Ploeger, nadere gegevens onbekend

.

Vrijeschool en driegeleding

vrijeschool en vrijheid van onderwijs: alle artikelen

Sociale driegeleding: alle artikelen

.

1408-1319

.

.

VRIJESCHOOL – 5e klas – plantkunde – tarwe

.

TARWE

De boer werkt met de bodem, met planten en dieren (en mensen). Al deze factoren staan in een wisselwerking met elkaar. Ze vormen een groter geheel, een bedrijfsorganisme. De mens vormt de ruggengraat van dit organisme; hij maakt het tot een individuali­teit.

Kenmerkend voor organismen is, dat ze een ontwikkeling doormaken. Bij een individua­liteit kun je spreken van een biografie. Als boer schrijf je mee in de biografie van het be­drijf. Elk facet van het bedrijfsorganisme ver­telt in zijn of haar taal een deel van de bio­grafie van het bedrijf. Je kunt leren luisteren naar de taal van een bepaald gewas, van een grondsoort, een bemestingssoort, enzovoorts. De talen ervan kennen betekent dat je bewus­ter kunt meeschrijven aan de biografie van het geheel.

Wanneer je de taal van een gewas wilt leren, doe je dat door nauwkeurig waarnemen. Je kunt daarbij zo exact mogelijk kijken naar wat er met de plant gebeurt tijdens het groei­proces. Wanneer je daarbij ook let op de ei­gen gevoelens tijdens dat waarnemen, kun je een besef krijgen van het wezen van het ge­was. Dat besef noem ik: kwaliteitsgevoel. Zowel voor de boer als voor de medewerkers van het Bolkinstituut is een wezenlijke vraag: hoe ontwikkel je dat kwaliteitsgevoel?

Laten we eens gaan luisteren (kijken) naar de taal van tarwe.

De tarwekorrel wordt gezaaid in de donkere, lucht en water bevattende, kruimelige grond. Aanvankelijk groeien er drie worteltjes uit. Een witte spruit zoekt de weg omhoog. Zo­dra deze spruit vlak onder het grondopper­vlak het licht ontmoet, ontstaat een ‘knoop’ en worden nieuwe wortels gevormd, die uit­groeien tot het uiteindelijke wortelstelsel van de plant. Het tussenstuk, de zogenaamde halmheffer, ontstaat alleen als de korrel en­kele centimeters diep gezaaid is.

In het luchtelement groeit nu de spruit om­hoog, aanvankelijk nog binnen een grijs vlies, de schede. Maar al snel steekt ze er als een groene lancet boven uit. Er hangt nu een heel zacht groen waas over het veld.

Het eerste blad ontrolt als het ware in de ver­tikaal gerichte groeibeweging. Met het verder gaan van deze vertikale groei, ontrolt ‘van­zelf’ ook het tweede blad. (Bij wintertarwe die in oktober gezaaid is speelt zich dit af in november-december, voordat de winter echt zijn intrede doet. Zomertarwe wordt om­streeks maart gezaaid).

Een nieuw aspect komt naar voren, er ont­staan zijspruiten. De plant stoelt uit. Na eni­ge tijd is een (gras-)polletje gevormd. De grootte hiervan kan sterk variëren, afhanke­lijk van de groei-omstandigheden. De akker lijkt nu (mei) op een weelderig grasveld. Het groene blad bedekt de gehele bodem.

Na deze meer in een horizontaal vlak optre­dende groei, schieten één of meer stengels de hoogte in.

In juni zitten meerdere bladeren aan de stengel. De onderste beginnen al af te sterven. Onder het bovenste blad is een verdikking zichtbaar, waaruit de aar te voorschijn komt. Deze groeit voorbij het laatste blad (het vlag- blad). Uit de kafjes van de aar hangen op een gegeven ogenblik meeldraden: de tarwe bloeit.

Het groeiproces richt zich nu steeds meer op het bovenste gedeelte van de plant: het vlagblad, de hals en de aar. Onderin wordt het afsterven van de bladeren steeds duidelijker. Ook sterven kleine, niet aardragende sprui­ten af.

In juli wordt de korrel gevormd, waarbij de productie van suikers, als basis voor het zet­meel, grotendeels plaatsvindt in vlagblad, hals en aar. In de korrel bevindt zich eerst een waterige vloeistof (waterrijp), die steeds dikker en witter wordt (melkrijp). Dit ver- stevigingsproces gaat verder (deegrijp) tot de korrel hard wordt (hardrijp) en tenslotte niet of nauwelijks met de nagels te splijten is. Het afstervingsproces is nu doorgedrongen tot het bovenste deel van de plant. Ook vlagblad, hals en aar zijn (nagenoeg) geel geworden.

De plant bestaat nu uit enkele droge, gele, rechte stengels met aren. De bladeren zijn in­gedroogd, vergeeld hangen zij onopvallend langs de stengel. Als je in het gewas staat, is de grond tussen de planten weer goed te zien. Het bovenste laagje grond is nu ook vaak uit­gedroogd door de hoogstaande zomerzon. ‘Plotseling’ treedt er iets nieuws op: het sten­geldeel direkt onder de aar gaat buigen. De aar ‘knikt’ meer of minder. Dit is een meer horizontaal gerichte ontwikkeling, waarbij de plant weer een ‘driedimensionaal karak­ter’ krijgt, al blijft de vertikale tendens in de plant sterk overheersen.

Peter Brul, Jonas, 24 01-08-1980

.

Grohmann: over de granen

Plantkunde: alle artikelen

5e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: plantkunde

VRIJESCHOOL  in beeld: 5e klas

.

1402-1313

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 301 – voordracht 14

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com

GA 301: vertaling
inhoudsopgave;     voordracht:   [1]  [2]  [3]  [4]  [5]  [6]  [7]  [8]  [9]  [10]  [11]  [12]  [13]

RUDOLF STEINER:

DE VERNIEUWING VAN DE PEDAGOGISCH-DIDACTISCHE KUNST DOOR GEESTESWETENSCHAP

14 voordrachten gehouden te Bazel van 20 april tot en met 11 mei 1920, met vragenbeantwoording en inleidende woorden bij twee euritmieopvoeringen [1]

14e voordracht Bazel, 11 mei 1920 [2]

Inhoudsopgave 
Verdere gezichtspunten en vragenbeantwoording:

Geen nieuwe formele basisregels, maar verruiming van het blikveld
noodzaak van verandering in de opvoeding
geen overdreven aanschouwelijkheidsonderwijs/
breuken
natuurkunde moet zich op het praktische richten
kind in belangrijke levensaspecten leiden
verstandskiezen/de juiste plaats in het leven
orthografie
Robinson, prototype van filisterij
Rousseau en de vraag van de oorspronkelijke goedheid van mens
het element van teloorgang in de natuurkrachten
Marxisme als ziekmakend element
genezende impulsen.

blz. 217

Weitere Gesichtspunkte und Fragenbeantwortung

Es würde mir sehr leid tun, wenn aus der einen oder anderen Be­merkung heraus die Ansicht entstanden wäre, daß das, was hier vorge­bracht worden ist in bezug auf pädagogische Kunst, nach irgendeiner Richtung hin dogmatisch wirken sollte, das heißt, in irgendeiner Weise vereinseitigen könnte. Allem hier Gesagten liegt die Meinung zu­grunde, daß Geisteswissenschaft als solche die pädagogische Kunst be­fruchten könne. Dann aber ist gerade das besonders Befruchtende wohl darin zu suchen, daß Erziehung und Unterricht durch diese Befruch­tung einen lebendigen Charakter bekommen würden, und deshalb glaube ich, daß solche allgemeinen Richtungen, wie sie hier vorgezeich­net worden sind, im einzelnen tatsächlich in der mannigfaltigsten Weise eingeschlagen werden können. Für den Ausbau wäre es daher schon gut, wenn gegenseitige Verständigung, gegenseitiger Meinungs­austausch eintreten könnte unter den verehrten Zuhörern und auch unter anderen, die in irgendeiner Weise für die Fortbildung der Er­ziehungskunst, wie sie hier gedacht wird, gewonnen werden können. 

Verdere gezichtspunten en beantwoording van vragen

Het zou me erg spijten wanneer er door een of andere opmerking de mening zou ontstaan dat hetgeen hier aan de orde werd gesteld m.b.t. de pedagogische kunst, op de een of andere manier dogmatisch zou overkomen, d.w.z. op de een of andere manier eenzijdig. Aan alles wat hier is gezegd, ligt de opvatting ten grondslag dat geesteswetenschap als zodanig vruchtbaar kan zijn voor de pedagogie. Dan moet echter juist dat bevruchtende element gezocht worden in hoe levend opvoeding en onderwijs daardoor kunnen worden en daarom geloof ik dat die algemene wegen zoals ze hier aangegeven zijn, juist op de meest uiteenlopende manieren ingeslagen kunnen worden. Voor de opbouw zou het daarom goed zijn, wanneer er over en weer begrip kan ontstaan en meningen kunnen worden uitgewisseld onder de vereerde aanwezigen en anderen die op de een of andere manier voor de verdere ontwikkeling van de opvoedkunst zoals er hier over gedacht wordt, vruchtbaar kunnen worden.

Denn es handelt sich ja in der Tat heute darum, aus einem lebendigen Erfassen der Menschheitsentwickelung im ganzen und der Zeitent­wickelung im besonderen gerade in der Pädagogik auf unmittelbar von der Zeit Gefordertes zu kommen. Es handelt sich heute weniger darum, daß wir formale Erziehungsgrundsätze neu gewinnen, sondern es han­delt sich darum, daß wir gerade mit Hinblick auf die pädagogische Kunst den Gesichtskreis, den wir haben, mit Bezug auf die Mensch­heitsentwickelung und so weiter, erweitern.
Wo steht die Menschheit heute in ihrer Entwickelung? Was müssen wir dem Kinde beibringen, wenn wir gerecht werden wollen diesem Standpunkt, den die Menschheit in ihrer Gesamtentwickelung heute einnimmt und immer deutlicher einnehmen wird in der nächsten Zu­kunft? Wenn man nicht dasjenige, was sich in der letzten Zeit zugetragen

Want het gaat er vandaag inderdaad om vanuit een levendig opvatten van de mensheidsontwikkeling in z’n geheel en de ontwikkeling van de tijd in het bijzonder, juist in de pedagogie te komen tot wat de tijd nu van ons vraagt. Het gaat er vandaag minder om dat we nieuwe formele opvoedingsprincipes ontwikkelen, maar dat we juist met het oog op de pedagogische kunst de bllikrichting die we hebben m.b.t. de ontwikkeling van de mensheid enz. verruimen.
Waar staat de mensheid vandaag wat haar ontwikkeling betreft? Wat moeten we het kind bijbrengen, wanneer we recht willen doen aan de positie die de mensheid in haar totale ontwikkeling nu inneemt en in de nabije toekomst steeds duidelijker in wil nemen ? Wanneer je niet hetgeen wat er de laatste tijd

blz. 218

hat, als eine Art von Feuerzeichen betrachten kann, die deutlich darauf hinweisen, daß gerade mit Bezug auf die Erziehungskunst man­ches zu erneuern ist, dann versteht man eigentlich die gegenwärtige Zeit schlecht. Unzähliges einzelnes wäre natürlich zu erwähnen. Be­denken Sie nur, wie nahe es liegt nach den Angaben, die ich gemacht habe, beim Rechnen neben der gewöhnlich bloß beobachteten synthe­tischen Methode aufzusuchen die analytische Methode, von der Summe und vom Produkt, nicht allein von den Addenden und von den Fak­toren auszugehen. Wie naheliegend wäre es, in ausführlicher Weise gerade von diesem Gesichtspunkte aus die Bruchrechnung zu behandeln und alles, was damit zusammenhängt. Ich will über diese Einzelheiten nur etwa das Folgende sagen. Ich will Sie darauf aufmerksam machen, daß ja in dem Augenblicke, wo wir vom Rechnen von ganzen Zahlen zum Rechnen mit Brüchen übergehen, wir ganz naturgemäß ins Analy­sieren hineinkommen, denn Zahlen bis zu Brüchen verfolgen, heißt eben analysieren; so daß es gerechtfertigt ist, beim Bruchrechnen ein anderes Element in die Unterrichtsmethode einzuführen als beim Rech­nen mit gewöhnlichen Zahlen.

gebeurd is als een teken aan de wand kan zien dat er duidelijk op wijst dat juist wat de opvoedkunst betreft veel te vernieuwen is, dan begrijp je eigenlijk de tegenwoordige tijd slecht. Er zouden nog ontelbare details kunnen worden opgesomd. Maar denk er eens aan hoe voor de hand het ligt om bij de aanwijzingen die ik heb gegeven bij het rekenen naast die methode van het synthetiseren die als de gebruikelijke wordt gezien, te zoeken naar de analytische methode die vanuit de som [het totaal van een optelling] en van het product uitgaat en niet van de optellers en de factoren. Hoe voor het grijpen ligt het niet om uitvoerig stil te staan om vanuit dit gezichtspunt het rekenen met breuken te behandelen en alles wat daarmee samenhangt. Ik wil over deze details slechts het volgende zeggen: ik wil u erop wijzen dat op het ogenblik waarop wij van het rekenen met hele getallen overgaan op het rekenen met breuken, we a.h.w. vanuit de aard van de zaak bij een analyse terecht komen, want van getallen naar breuken is nu eenmaal analyseren; zodat het gerechtvaardigd is bij het rekenen met breuken een ander element in de methodiek in te voeren dan bij het rekenen met gewone getallen.

Es ist ja gewiß von der einen Seite her nicht gerade anzufechten, wenn im Laufe des 19. Jahrhunderts die Rechenmaschine in der Schule eingeführt worden ist; aber diese Rechenmaschine sollte nicht zu einer zu starken materialistischen Überschätzung des Anschauungsprinzips führen. Wir sollten uns klar sein darüber: Anschaulichkeit ist schon recht, aber es handelt sich doch darum, daß durch den Unterricht menschliche Fähigkeiten entwickelt werden sollen. Die Zeit vom Zahn-wechsel bis zu der Geschlechtsreife ist vor allen Dingen dazu da, daß das Gedächtnis herangebildet werde. Unterschätzung des Gedächt­nisses auf Grundlage der Anschauung, auf Kosten der Anschauung, die Bevorzugung der Anschauung auf Kosten des Gedächtnisses, beides sollte man eigentlich vermeiden. Man sollte allerdings zunächst in ein­facher Weise – aber dazu genügen im Grunde für denjenigen, der lebendigen Unterricht zu erteilen in der Lage ist, die zehn Finger an der Hand -, man sollte innerhalb, sagen wir, der Zähl-Zahl 10 allerlei Gruppierungen vornehmen, welche die Rechnungsoperationen und das Verhältnis der Zahlen untereinander veranschaulichen. Aber dann müßte man sich klar darüber sein, daß man es mit dem Rechnen doch so halten sollte, wie es im Leben, im seelischen Leben der Menschheit überhaupt ist.

Van een bepaalde kant uit gezien is het zeker niet echt aanvechtbaar dat in de loop van de 19e eeuw de rekenmachine in de school gekomen is [het Duits heeft Rechenmaschine, maar dat kan niet het digitale rekenmachientje van nu zijn; het moet om een soort telraam of abacus gaan]; maar die zou niet tot een te sterke materialistische overschatting van het aanschouwelijkheidsprincipe moeten leiden. We moeten duidelijk zijn: aanschouwelijkheid is wel goed, maar het gaat er toch om dat door het onderwijs menselijke vaardigheden worden ontwikkeld. De tijd van tandenwisseling tot puberteit is er vooral om het geheugen te ontwikkelen. Onderschatten van het geheugen door aanschouwelijkheid, ten koste van de aanschouwelijkheid, het benadrukken van de aanschouwelijkheid ten koste van het geheugen, moet je allebei vermijden. Je zou wel eerst op een eenvoudige manier – maar in de aard van de zaak  heeft iemand die in staat is levendig onderwijs te geven aan de tien vingers van een hand genoeg – je zou, laten we zeggen, binnen het getal 10 allerlei groepjes kunnen hebben die de rekenoperaties en de verhouding van de getallen t.o.v. elkaar, verduidelijken. Maar dan moet je in de gaten hebben dat je het met rekenen toch zo moet doen als in het leven is, in ieder geval in het zielenleven van de mens.

blz. 219

Was eigentlich eine Zahl wirklich ist, was ein Bruch ist, darüber gibt es ja ausführliche Philosophien, ganze Abschnitte in philosophischen Untersuchungen. Damit ist ja zum Ausdruck gebracht, daß man als Kind über Zahlen, über Brüche unterrichtet wird, daß man aber doch im späteren Leben, sogar wenn man Philosoph ist, sagen kann: Man muß nun erst untersuchen, was eine Zahl in Wirklichkeit bedeutet, was ein Bruch ist. Wenigstens auf das eine muß das hinweisen: daß man es nicht nötig hat, durch sogenannte Anschauung alles bis ins Minuziöse­ste hinein klarmachen zu wollen, sondern daß man vieles heranzubrin­gen hat an das Kind, was eben dem Gedächtnis einverleibt und dann später erst durchdrungen wird, wenn man dazu reif ist. Von einem an­deren Gesichtspunkte aus habe ich ja auf eine solche Sache schon hin­gewiesen. Beim Bruchrechnen ist es etwas anders. Weil das Entstehen des Bruches gewissermaßen etwas Analytisches ist, muß man diesem analytischen Bedürfnis, das ich in den vorigen Stunden erwähnt habe, entgegenkommen. Daher ist es gut, die Bruchrechnung so anschaulich wie möglich zu machen. Das kann vielleicht gerade dadurch geschehen, daß man einen großen Würfel teilt in kleine Würfel – sagen wir, einen großen Würfel teilt in sechzehn Würfel, dadurch übergeht zu dem Be­griff des Viertels zuerst, indem man ihn in vier Teile teilt, dann jedes Viertel wiederum in vier.

Wat een getal eigenlijk is, wat een breuk is, daar bestaan uitvoerige filosofieën over, hele artikelen bij filosofisch onderzoek. Daarmee wordt wel duidelijk dat je als kind les hebt gekregen over getallen, over breuken, maar dat je toch pas in je latere leven, pas als je filosoof bent, kan zeggen: ‘Nu moeten we toch eerst eens onderzoeken wat een getal in werkelijkheid is, wat een breuk is.’ Op z’n minst wijst dit dus op: dat men het niet nodig vond om alles door de zgn. aanschouwelijkheid tot in het kleinste detail te willen verklaren, maar dat men veel aan het kind moest aanleren, eerst voor het geheugen om dat dan later pas te kunnen snappen, als men daar aan toe was. Vanuit een ander gezichtspunt heb ik daar al eens op gewezen. Bij breuken is het wat anders. Omdat het ontstaan van de breuk in zekere zin iets analytisch is, moet er aan de behoefte tot analyseren, wat ik in andere uren genoemd heb, tegemoet gekomen worden. Vandaar dat het goed is het rekenen met breuken zo aanschouwelijk mogelijk te maken. Dat kan bijv. wanneer je een grote kubus* deelt in zestien kleine om zo te komen tot het begrip een kwart door ze in vieren te delen en ieder kwart wéér in vieren.
*het gaat Rudolf Steiner er klaarblijkelijk minder om de kubus in 8, 16 of 27 evengrote kubussen te delen en veel meer erom door het delen van een geheel voor de kinderen aanschouwelijk te maken hoe de breuken  ½  ¼   1/8     1/16
ontstaan.

Man kann ja sehr hübsch allerlei Beziehun­gen der Sechzehntel, Achtel und so weiter den Kindern klarlegen, wenn man den Würfel teilt. Wendet man dann später dazu verschie­dene Farbengebung der Teile an, dann kann man, indem man die ge­gliederten Würfelteile wiederum zusammensetzt in verschiedene Me­thoden, schon daran außerordentlich viel anschaulich machen.
Nun möchte ich aber, daß namentlich der Übergang von den ge­wöhnlichen Brüchen zu den Dezimalbrüchen nicht in einer unratio­nellen Weise, in einer unwirklichkeitsgemäßen Weise an die Kinder herantritt. Die Kinder sollten vom Anfange an ein Gefühl dafür be­kommen, daß das Benutzen des Dezimalbruches eigentlich auf mensch­licher Konvention, auf einer Art menschlicher Bequemlichkeit beruht, und sie sollten ein weiteres Gefühl davon bekommen, daß das An­setzen des Dezimalbruches eigentlich nichts weiter ist als ein Fortsetzen derselben Methoden, welche unseren Zahlen überhaupt zugrunde lie­gen, indem wir bis 10 zählen und dann die 10-Zahl neuerdings in der 20 (= zweimal 10) enthalten ist – dann wird bei 20 eine neue Zehner-reihe angeschlossen und so weiter. Rechnen wir nach links mit demselben

Dan kun je heel leuk aan de kinderen duidelijk maken hoe er allerlei verhoudingen bestaan tussen de zestienden, de achtsten enz., wanneer je de kubus verdeelt. Geef je dan later aan de delen verschillende kleuren, kun je, wanneer je de losse delen van de kubus weer bij elkaar doet op verschillende manieren, daarmee al buitengewoon veel aanschouwelijk maken.
Nu zou ik echter willen dat de overgang van de gewone breuken naar de tiendelige niet op een onlogische manier, een onwerkelijke manier, aan de kinderen gegeven wordt. De kinderen moeten er vanaf het begin een gevoel bij hebben dat het gebruik van de tiendelige breuken eigenlijk op een afspraak tussen de mensen berust, op een soort gemak dient de mens en zij moeten er ook een gevoel voor krijgen dat het gebruik van de decimaalbreuken eigenlijk niets anders is dan een voortzetting van dezelfde methoden die aan onze getallen ten grondslag liggen, wanneer we tot 10 tellen en dat het 10-tal dan weer in de 20 (= tweemal 10) zit – dan wordt er bij 20 een nieuwe rij van tien gevoegd enz. Rekenen we naar links met het

blz. 220

Prinzip, mit dem wir rechnen, wenn wir Dezimalbrüche nach der rechten Seite hin ausbilden, so kann das Kind einen Begriff davon bekommen, daß das eigentlich relativ ist, daß ich eine Einheit auch haben könnte, indem ich den Dezimalbruch um zwei Stellen nach rechts setze. Dieses Konventionelle, das in den Einteilungen steckt, sollte den Kindern durchaus vom Anfange an beigebracht werden. Dann würde manches auch wiederum Konventionelle sich hineinfügen in die soziale Ordnung. Mancher falsche Autoritätsglaube würde schwinden, wenn alles dasjenige, was im Grunde genommen auf Übereinkunft beruht, von vornherein auch als solches durch Übereinkunft Festgestelltes an das Gemüt des Kindes herangebracht würde. Vor allem aber wird geisteswissenschaftliche Durchdringung diese Erziehungskunst so zu gestalten versuchen, daß das Kind in der Zeit vom Zahnwechsel bis zur Geschlechtsreife mit Berücksichtigung all dessen, was wir über die Lebensepochen und das Hervortreten der Fähigkeiten in den Lebens-epochen gesagt haben, dazu kommt, eine Vorstellung von dem prak­tischen Leben zu haben. Jeder einzelne Gegenstand sollte dazu ver­wendet werden, das Kind hineinzuführen in eine Anschauung über das praktische Leben. 

zelfde principe waarmee we rekenen, wanneer we de tiendelige breuken naar rechts maken, dan kan het kind er een begrip voor krijgen, dat dit eigenlijk relatief is, dat ik een eenheid ook kan hebben, wanneer ik de decimaalbreuk twee plaatsen naar rechts zet. Het conventionele dat in dergelijke indelingen zit, moet de kinderen zeker vanaf het begin bijgebracht worden. Dan zou ook veel conventioneels zich voegen in de sociale orde. Veel verkeerd geloof in autoriteit zou verdwijnen, wanneer alles wat in de grond genomen op overeenkomsten berust, van meet af aan ook, wat als zodanig door overeenkomst is vastgesteld, door de kinderen te laten beleven. Voor alles echter zal de geesteswetenschap die doordringt tot deze opvoedkunst, deze zo proberen vorm te geven, dat het kind in de tijd van de tandenwisseling tot de pubertei,t rekening houdend met alles wat we over de leeftijdsfasen en het naar buitenkomen van vaardigheden gezegd hebben, ertoe komt een voorstelling van het praktische leven te krijgen. Alles  moet worden gebruikt om het kind een opvatting over het praktische leven mee te geven.

Wir werden ja, wenn wir das Kind in der richtigen Weise verstehen, den physikalischen, chemischen Unterricht gegen das 12. Jahr hin auftreten lassen, den mineralischen Unterricht um diese Zeit auftreten lassen in dem Sinne, wie wir das hier ausgeführt haben. Wir werden aber auch den Rechenunterricht um diese Zeit oder viel­leicht schon um das ii. Jahr herum so gestalten, daß er nunmehr schon etwas von dem enthält, was aller mineralische, aller physikalische, aller chemische Unterricht an Charakter annehmen soll: die Richtung aufs Praktische. Im Rechnen sollte das Kind durchaus eine Vorstellung davon bekommen, wie man Wechsel diskontiert, wie man den Diskont berechnet, wie man Bücher anlegt, wie man Briefe, die über geschäft­liche, rechnerische und sonstige Verhältnisse sich ergeben, von einem Geschäft an das andere richtet. Ferner sollte der Unterricht zwischen dem 12. und 14., 15. Jahre so eingerichtet werden, daß das Kind, wenn es etwa 15 Jahre alt geworden ist und die Volksschule verläßt oder in eine höhere Schule hinaufrückt, von den wichtigsten Lebens-zweigen eine wirkliche, reale Vorstellung hat.
Ich weiß, daß gegen diesen Grundsatz gewöhnlich eingewendet wird:
Ja, woher soll zu alledem die Zeit genommen werden? Woher soll die Zeit dazu genommen werden, daß das Kind eine wirkliche Vorstellung

We zullen, wanneer we het kind op de juiste wijze begrijpen, de natuurkundige, scheikundige lessen tegen het 12e jaar aanbieden, de mineralogie ook, in de zin van hoe dit hier behandeld is. We zullen echter het rekenonderwijs rond deze tijd of misschien al rond het 11e jaar zo vormgeven dat daar nu zondermeer al iets in zit, van wat de mineralogie, natuur- en scheikunde helemaal als eigenschap moeten hebben: gericht op de praktijk. Bij het rekenen moet het kind er echt een voorstelling van krijgen hoe je een cheque verzilvert, hoe je een disconto berekent, boekhoudt, hoe je zakenbrieven schrijft, rekeningen of hoe de ene zaak (bedrijf] met de andere correspondeert. Verder moet het onderwijs tussen het 12e en 14e, 15e jaar zo ingericht worden dat het kind, wanneer het ongeveer 15 jaar oud is en de basisschool verlaat of overstapt naar een hogere school, een echte, realistische voorstelling heeft van de belangrijkste terreinen van het leven.
Ik weet dat tegen dit basisprincipe gewoonlijk ingebracht wordt: ja, waar moeten we alle tijd vandaan halen? Waar moet die vanaf genomen worden om het kind een realistische voorstelling van zaken te geven

blz. 221

davon hat, wie Papier fabriziert wird, wie man Seife, wie man Zigarren fabriziert und so weiter? Dennoch, wenn man die Sache ordentlich einrichtet, so kann man das Typische zusammenfassen, zum Beispiel typische Industrien oder Verkehrsverhältnisse darstellen. Man kann es dahin bringen, daß das Kind nicht wie jemand durch die Welt geht, dem für alle möglichen Verhältnisse Scheuleder angelegt sind, sondern daß es weiß, um was es sich eigentlich handelt in der allernächsten Um­gebung, der es gegenübersteht. Wir erleben es ja wirklich, daß Stadt-kinder keine Ahnung davon haben, wie die Gerste sich vom Weizen unterscheidet. Wir erleben es auf der anderen Seite, daß Kinder, in deren Nähe vielleicht nicht gerade eine Seifenfabrik ist, keine Ahnung davon haben, wie Seife fabriziert wird; aber manchmal, wenn eine Seifenfabrik in der Nähe ist, wissen trotzdem die Kinder nicht, wie Seife fabriziert wird, weil nicht darauf gesehen wird, daß der Mensch tatsächlich mit dem bekanntgemacht werde, was eben die Menschheit heute in ihrer Umgebung hat, und wodurch sie zu dem Standpunkt der Kultur- und Zivilisationsentwickelung kommt, auf den sie ge­kommen ist. Es ist wahrscheinlich wenig Neigung gerade in der Gegen­wart vorhanden, mit Imponderabilien in der Menschheitsentwickelung überhaupt zu rechnen.

hoe papier gefabriceerd wordt, zeep gemaakt, sigaren enz.? Maar toch, als je het goed organiseert, kun je wat typerend is, samen nemen, bijv. industrieën of verkeersverhoudingen. Je kan het zo doen dat het kind niet als iemand door de wereld gaat die oogkleppen op heeft, maar als iemand die weet wat zich in de naaste omgeving afspeelt. We maken het toch echt mee dat stadskinderen er geen idee van hebben wat het verschil is tussen gerst en tarwe. We maken ook mee dat kinderen die in de omgeving geen zeepfabriek hebben, er geen notie van hebben hoe zeep gefabriceerd wordt; maar ook dikwijls, ook al staat er wél een zeepfabriek in de omgeving, toch niet weten hoe zeep gemaakt wordt, omdat er geen rekening wordt gehouden met het feit dat de mens echt moet weten wat de mensheid tegenwoordig zoal om zich heen heeft en waardoor zij een plaats inneemt in de cultuur- en beschavingsontwikkeling en al ingenomen heeft. Er is waarschijnlijk weinig neiging aanwezig, met name nu, om überhaupt met imponderabele zaken in de mensheidsontwikkeling rekeng te houden.

Bedenken Sie, wie viele Menschen heute in einen Tramwagen ein­und wiederum aussteigen, ohne auch nur eine oberflächliche Idee davon zu haben, wie ein solcher Wagen eingerichtet ist und in Bewegung ge­setzt wird und so weiter. Natürlich darf man bei dem, was ich jetzt sage, nicht radikalisieren, aber im wesentlichen gilt es doch: Wir be­dienen uns heute fortwährend der Kulturmittel, ohne daß wir eine Ahnung haben, was in diesen Kulturmitteln wirkt. Wir sind nicht zum geringen Grunde gerade aus diesen Ursachen heraus ein nervöses Ge­schlecht geworden. Denn wenn wir fortwährend von Verhältnissen umgeben werden, die wir nicht durchschauen, werden wir verwirrt, wenn auch die Verwirrung nur auf unser Unterbewußtsein wirkt. Na­türlich kann der Mensch nicht alle Einzelheiten des heutigen kompli­zierten Lebens kennen; aber dennoch, das ist zu erreichen gerade in der Zeit, wo sich die Fähigkeit des Menschen gegen das 12. Jahr hin gestal­tet, daß das Urteilsvermögen hereinleuchtet, das mit der Geschlechts-reife herauskommt. In dieser Zeit ist es möglich, daß man das Kind bekannt macht mit dem Wichtigsten, was uns das praktische Leben ent­gegenbringt. Es sollte heute nicht gewissermaßen alles dasjenige, was

Bedenk nog eens hoeveel mensen er vandaag de dag een tram in- en uitstappen  zonder maar het flauwste idee te hebben hoe zo’n ding gemaakt is en in beweging komt enz. Natuutlijk hoef je bij wat ik nu zeg, niet radicaal te werk te gaan, maar in wezen geldt toch: we maken voortdurend gebruik van cultuurmiddelen, zonder dat we een notie hebben hoe ze werken. Voor een niet onbelangrijk deel zijn we hierdoor een nerveus geslacht geworden. Want wanneer we voortdurend door dingen omringd worden die we niet doorzien, raken we in de war, ook al werkt deze verwarring slechts op ons onderbewuste. Natuurlijk kan de mens niet alle details van het tegenwoordig gecompliceerde leven kennen; toch kan je bereiken dat juist in de mens tegen het 12e jaar, met de geslachtsrijpheid het oordeelsermogen ontstaat. In deze tijd is het mogelijk dat je het kind kennis laat maken met het belangrijkste van wat het leven ons brengt. Vandaag hoeft zeker niet alles 

nicht mit unserem eigenen Berufe zusammenstößt, für den Menschen ein Mysterium sein. Ein Mysterium ist es für den Menschen, wie Bücher geführt werden, wenn er nicht selber Buchhalter ist; ein Mysterium ist es für den Menschen, wie Schule gehalten wird, wenn er nicht selber gerade Lehrer ist und so weiter. Dasjenige, was unsere Zeit so sozial zersplittert, muß überwunden werden. Wir müssen uns wieder ver­stehen lernen. Wir müssen die Fähigkeiten, ins praktische Leben hin­einzuschauen, die in den Kindern vorhanden sind, nicht brach liegen lassen. Statt manches Firlefanzaufsatzes, der in der Schule geschrieben wird, Beschreibungen von allem Möglichen – ich weiß nicht, was hier in der republikanischen Schweiz zuweilen für Aufsätze gemacht wer­den, das heißt, ich sehe es ja aus den Schulprogrammen, aber ich will mich nicht darauf einlassen -, aber statt alldem, was zum Beispiel in den ehemaligen monarchistischen Staaten an Aufsätzen geschrieben worden ist über »Geburtstag des Monarchen« und so weiter, müßten Aufsätze geschrieben werden, in die das geschäftliche Leben, Kauf­männisches und Industrielles unmittelbar hereinspielt.

wat niet met ons eigen beroep heeft te maken voor de mens een mysterie te zijn. Een mysterie is voor de mens hoe boekhouding gedaan wordt, wanneer hij zelf geen boekhouder is; een mysterie is het voor de mensen hoe het op school toegaat, wanneer hij nou net zelf geen leerkracht is, enz. Wat onze tijd sociaal zo versplintert, moet overwonnen worden. We moeten elkaar weer leren begrijpen. We moeten de vermogens die de kinderen hebben om het praktische leven te zien, niet braak laten liggen. Ik weet niet wat hier in de republiek Zwitserland bij tijd en wijle voor opstellen gemaakt worden, daar wil ik ook niet mee bezig zijn – maar in plaast van alles wat bijv. in de vroegere monarchistische staten aan opstellen geschreven is over ‘de verjaardag van het staatshoofd’ enz, zouden er opstellen geschreven  moeten worden, waarin zakenleven, handel en industrie direct een rol spelen, alle mogelijke beschrijvingen n plaats van de onzinopstellen die op school geschreven worden.

Das ist durch­aus nicht etwa ein Element, welches den Idealismus oder die geistige Gesinnung zugrunde richten muß. Geistige Gesinnung braucht nicht durch fortdauerndes Betonen des Idealismus und des Ideals gepflegt zu werden, sondern geistige Gesinnung wird dadurch gepflegt, daß man den Menschen veranlaßt, aus dem Geiste heraus zu wirken, daß man in ihm dasjenige, was geistig heraus will von Jahr zu Jahr, wirklich an die Oberfläche trägt. Da gliedert sich dann der große Gesichtspunkt mit dem einzelnen zusammen.
Es ist die Frage gestellt worden: Wie ist das manchmal sehr späte Hervorbrechen der sogenannten Weisheitszähne geisteswissenschaftlich zu erklären? Hat das Auftreten dieser Weisheitszähne ebenso mit dem Freiwerden gewisser Erkenntniskräfte zu tun, wie dies beim Zahn-wechsel der Fall ist?
Nicht wahr, wir müssen uns über Folgendes klar werden: Der Zahn-wechsel bezeugt, daß gewisse Kräfte, die vorher den Organismus durch­drungen haben, durchkraftet haben, nun frei werden, sie werden dann, wie ich Ihnen dargelegt habe, Vorstellungskräfte, freie Vorstellungs-kräfte. Aber alles, was so im Organismus vorgeht, darf nicht streng abgegrenzt und abgezirkelt sein, das wäre gerade gegen den Sinn der Entwickelung. Dasjenige, was bis zu einer Epoche der Menschheitsent­wickelung das Hauptsächlichste ist, von dem muß ein Rest zurückbleiben.

Dat is zeker geen element dat het idealisme of de geestelijke atmosfeer te gronde moet richten. Geestelijke atmosfeer hoeft niet  verzorgd te worden door voortdurend benadrukken van het idealisme en het ideaal, maar geestelijke atmosfeer wordt verzorgd door de mens aan te sporen vanuit de geest te werken;  dat je overal wat van jaar tot jaar geestelijk naar buiten wil, werkelijk naar buiten brengt. Dan valt het grote gezichtspunt met het gedetailleerde samen.

Er is een vraag gesteld: hoe is het dikwijls zeer late doorbreken van de verstandskiezen geesteswetenschappelijk te verklaren? Heeft het verschijnen van deze verstandskiezen net zo te maken met het vrijkomen van bepaalde kenniskrachten, zoals bij de tandenwisseling?
We moeten, het volgende begrijpen: de tandenwisseling betekent dat bepaalde krachten die eerst het organisme doordrongen hebben, kracht hebben gegeven, nu vrij worden en worden dan, zoals ik gezegd heb, krachten om voor te kunnen stellen, vrije voorstellingskrachten. Maar alles wat op deze manier in het organisme gebeurt, moet niet streng afgebakend, begrensd worden, dat zou juist tegen de zin van de ontwikkeling ingaan. Van wat tot een bepaalde fase van de mensheidsontwikkeling het voornaamste is, moet een bepaalde rest achterblijven.

blz. 223

Den Weisheitszahn bekommen wir eben später, weil noch immer ein Rest von dem im Organismus weiter wirken muß, was bis zum 7. Lebensjahre besonders radikal wirkt. Es muß ein Rest zurückbleiben. Wenn plötzlich alles abgeschlossen würde, würden wir Menschen einen sehr starken Ruck bekommen jedesmal, wenn wir zum Nachdenken übergehen wollen. Wenn wir zum Nachdenken übergehen wollen, dann kommen diese Kräfte, die vorher im Organismus bis zum 7. Jahre tätig waren, unter Willkür zur Anspannung. Das, was da als eine notwendige Brücke sein muß zwischen dem abgesonderten Geistig-See­lischen und dem Organischen, das muß bis zu einem gewissen Grade bleiben. Wir müssen frei werden für das Vorstellen, aber wir müssen doch züsammenhängen mit unserem Organismus. Das drückt sich dar­innen aus, daß das Hervorbrechen des Weisheitszahnes so spät ge­schieht. Es bleibt eben etwas von der Kraft, die für das Vorstellen frei wird, doch noch in der organischen Entwickelung zurück.
Etwas Ähnliches können wir für alles Mögliche in der Menschen-bildung entdecken, wie für diesen Weisheitszahn. Eine andere Frage, ebenso interessant wie diese, die gestellt worden ist, ist diese: Inwie-fern können die Lehrer aus geisteswissenschaftlich-pädagogischer Kunst heraus durch die Erziehung dazu beitragen, daß die Kinder später ihre Anlagen richtig erkennen und somit ihren richtigen Platz im sozialen Leben finden?

De verstandskiezen krijgen we dus later, omdat er nog steeds een rest in het organisme verder moet werken van wat bijzonder sterk werkt tot het 7e levensjaar. Er moet een rest achterblijven. Wanneer plotseling alles afgesloten zou worden, zouden wij mensen iedere keer als we zouden gaan nadenken, een zeer sterke schok krijgen. Wanneer we willen nadenken, komen deze krachten die voordien in het organisme actief waren tot het 7e jaar, door willekeur tot activiteit. Wat er als een noodzakelijke brug moet zijn tussen de afgezonderde geest-ziel en het organisme, moet in een bepaalde mate blijven. Voor het voorstellen moeten we vrij worden, maar we moeten toch blijven samenhangen met ons organisme. Dat komt te voorschijn in het zo laat doorkomen van de verstandskiezen. Er blijft toch nog iets van de kracht die voor het voorstellen vrij komt in het organisme achter.

Iets soortgelijks als deze verstandskiezen kunnen we voor van alles in de ontwikkeling van de mens ontdekken. Een andere vraag die is gesteld, net zo interessant als deze, is: in welke mate kunnen de leerkrachten uit de geesteswetenschappelijk-pedagogische kunst eraan bijdragen dat de kinderen later hun talenten goed inschatten en zo hun juiste plaats in het sociale leven vinden?

Darauf muß gerade aus dem Geist der Geisteswissenschaft – wenn ich den Ausdruck gebrauchen darf – geantwortet werden, daß solche Fra­gen eigentlich wegfallen, denn sie sind rationalistisch, materialistisch gestellt. Das Kind muß bewahrt bleiben davor, sich irgendwie solch eine abstrakte Frage vorlegen zu können: Wie stelle ich mich nach meinen Anlagen auf den richtigen Platz des Lebens? Das Kind muß ganz all­mählich mit allen möglichen Übergängen empfindungsgemäß zu dieser Entscheidung kommen. Und liegt eines Tages die abstrakte Frage vor unserer Seele: Wie sollen wir denn unsere Anlagen im Dienste der Menschheit verwerten? – so ist das schon eigentlich eine seelische Krank­heit. In dieses ganze Einstellen in den Gang der Menschheitsentwicke­lung, in das Verhältnis zu unseren Mitmenschen müssen wir langsam und allmählich wie von selbst hineinwachsen. Das werden wir, wenn wir so erzogen werden, wie es hier angegeben worden ist. Dann werden wir gar nicht in diese krankhafte Frage hineinfallen können: Wie stelle ich meine Anlagen in soziale Dienste oder sonst hinein? Wir werden

Daarop moet juist vanuit de geest van de geesteswetenschap – als ik die uitdrukking mag gebruiken – geantwoord worden, dat zulke vragen eigenlijk wegvallen, want ze zijn rationeel, materialistisch gesteld. Het kind moet ervoor bewaard blijven dat het zich hoe dan ook zo’n abstracte vraag stelt: hoe moet ik met mijn talenten de juiste plaats in het leven innemen? Het kind moet heel langzamerhand met alle mogelijke overgangsvormen, met zijn gevoel tot deze beslissing komen. En ligt er op een dag de vraag in de ziel: hoe moeten wij onze talenten in dienst stellen van de mensheid? – dan is dat eigenlijk van de ziel iets ziekelijks. Je plaats vinden in de gang van de mensheidsontwikkeling, in de verhouding tot onze medemens, moet langzaam en stap voor stap vanzelf gaan. Dat zal het ook, wanneer we zo opgevoed worden als hier is aangegeven. Dan vallen we helemaal niet ten prooi aan deze ongezonde vraag: hoe zet ik mijn talenten in voor het sociale of voor iets anders? We zullen

blz. 224

zum Beispiel dadurch, daß wir in gesunder Weise das Praktische eben kennen, schon beim Verlassen der Volksschule im Grunde genommen so dastehen, daß uns das Leben entgegenträgt die Art, wie wir uns in es hineinstellen sollen. Daß solche Fragen auftauchen und ganz ernsthaftig als etwas angeführt werden, was in unserer Zeit eine Rolle spielen kann, bezeugt, wie wir in unserem Zeitalter ins intellektualistische und damit ins materialistische Fahrwasser gekommen sind.
Deshalb möchte ich darauf hinweisen, wie konkrete allgemeine Grundsätze immer in ihren praktischen Konsequenzen im einzelnen ausgebaut werden können, wenn man dazu nur den guten Willen hat. Ich möchte im einzelnen auch noch auf diese Frage antworten: Ich wurde gefragt, wie es bestellt ist mit solchen Schwächen im orthogra­phischen Schreiben, die beruhen auf Worten, wo das Wortbild, das Geschriebene, nicht eindeutig bestimmt hat, zum Beispiel ob ein h da ist oder ein e da ist zur Dehnung und dergleichen.
Ich habe gesagt, daß dem orthographischen Schreiben eine Ein­schulung im deutlichen Anhören zugrunde liegen muß. Dieses Schulen im Anhören wird das orthographische Schreiben unterstützen.

bijv. doordat we op een gezonde manier het praktische wel kennen, al bij het verlaten van de basisschool basaal gesproken er zo voor staan dat ons door het leven de manier tegemoet gedragen wordt hoe wij ons daarin moeten opstellen. Dat zulke vragen opkomen en heel ernstig gebracht worden als iets wat in onze tijd een rol kan spelen, laat zien hoe wij in onze tijd in intellectualistisch en daarmee in materialistisch vaarwater terecht gekomen zijn.
Daarom zou ik er graag op willen wijzen hoe concreet algemene basisregels steeds in hun praktische consequenties in detail uitgewerkt kunnen worden, wanneer men daarvoor de goede wil maar heeft.
Ik zou nu in detail nog willen ingaan op deze vraag: hoe het staat met het zwak zijn bij het schrijven zonder fouten van woorden waarbij het niet duidelijk is of er bijv. een h inzit of een e, zoals bij [het Duits heeft hier Dehnung als woordvoorbeeld, waarbij Dehnung ook als klank langerekt betekent, in onze taal te vergelijken met bijv. een lange klinker die bij ons uit 1 klankletter bestaat, boom-bo-men] e.d.
Ik heb gezegd dat aan het orthografisch schrijven oefeningen in goed luisteren ten grondslag moeten liggen. Dat oefenen in luisteren zal het foutloze schrijven ondersteunen.

Das deutliche Anhören, wenn es gepflegt wird, schult dann aucn das ge­naue Sehen. Es unterstützen sich die Fähigkeiten gegenseitig; wenn man die eine in der richtigen Weise entwickelt, dann verlangt die an­dere auch in der richtigen Weise entwickelt zu werden. Man bekommt dann zum Beispiel durchaus eine Tendenz, das Wortbild als solches auch dem Sinn des Gesichtes, dem inneren Gesichte nach zu behalten, wenn man sich gewöhnt, genau zuzuhören. Das genaue Zuhören unter­stützt das genaue Sehen, so daß für diejenigen Worte, bei denen die Orthographie scheinbar willkürlich ist, wie bei Dehnungszeichen und dergleichen, wir das Kind in bezug auf das orthographische Schreiben unterstützen können, indem wir es veranlassen, deutlich, mit plasti­schem Hineingehen in die Silben die Worte nachzusprechen.
All das, was ich sage, bitte ich aber eben nicht so zu nehmen, daß es etwa zu Dogmen werden könnte, sondern so zu nehmen, daß der Geist, der da in den Auseinandersetzungen lag, in der allerverschiedensten Weise angewendet werden kann. Ich kann mir schon gut vorstellen, daß jemand zum Beispiel über die Stellung der Griechen im allgemei­nen Gang der abendländischen Kultur eine andere Anschauung hat, als die, welche ich beispielsweise bei meiner Auseinandersetzung der geschichtlichen Methode vor einigen Tagen zugrunde legte; da kann

Het goed leren luisteren, als dat verzorgd wordt, ontwikkelt dan ook het goed kijken. Die vaardigheden ondersteunen elkaar; ontwikkel je de ene op een goede manier, dan vraagt de andere ook om op een goede manier ontwikkeld te worden. Dan ontstaat er zeker de neiging het woordbeeld als zodanig ook als zinvolle verschijningsvorm, als innerlijke verschijningsvorm vast te houden, wanneer je er een gewoonte van maakt, goed te luisteren. Het precieze luisteren ondersteunt het precieze kijken, zodat voor die woorden waarbij de schrijfwijze schijnbaar willekeurig is, zoals bij Dehnung [zie boven] e.d. wij het kind kunnen helpen wat betreft het orthografisch schrijven wanneer we het aansporen duidelijk, met een soort plastische overgave in de lettergrepen de woorden na te spreken.
Alles wat ik zeg, verzoek ik echter niet zo op te vatten dat het dogma’s kunnen gaan worden, maar zo dat de geest die door de uitleg spreekt op de meest verschillende manier toegepast kan worden. Ik kan me heel goed voorstellen dat er bijv. iemand is die over de positie van de Grieken in het algemene verloop van de cultuur van het Avondland een andere opvatting heeft dan die ik als voorbeeld bij mijn uitleg van de geschiedenismethode, enige dagen geleden, eraan ten grondslag legde; daarbij kan

blz. 225

jemand eine ganz andere Ansicht haben, kann aber diese Ansicht mit derselben Methodik vorbringen, die ich vorgebracht habe. Mir kommt es nicht darauf an, etwas Dogmatisches über die Griechen vorzubrin­gen, sondern ich wollte zeigen, wie man eine bestimmte Anschauung über dies oder jenes im Sinne einer symptomatologischen Geschichts­auffassung beizubringen hat. Denn ich glaube, daß es der Lehrer ins­besondere in der Gegenwart notwendig hat, darauf aufmerksam zu sein, wie wir gar sehr des Hereinfließenlassens des Geistes und der Begeisterungsströmung in unsere menschliche Gesamttätigkeit bedür­fen, um in der Erziehung den Menschen kennenzulernen. Vorurteilsfrei müssen wir auf das hinsehen, was uns beim Kinde schon entgegentritt, wenn wir es so erziehen wollen, wie es erzogen werden muß, wenn die nächste Generation schon ein wenig über die sozialen Schäden hinüber sein soll, die so furchtbar in die Gegenwart hineinragen.
Wer in der Lage ist, dieses Menschenleben unbefangen zu beobach­ten, der sieht, daß bei der Ausbildung des Intellektes schon beim Kinde sich das zeigt, was der Menschennatur so furchtbar eigen ist: die Be­quemlichkeit. Was wir notwendig haben, um den Intellekt auszubilden, das ist – bitte jetzt nicht über das Paradoxon etwa innerlich zu lachen -, das ist Willensentwickelung des Menschen. 

iemand een heel andere mening hebben, en kan die mening met dezelfde methodiek naar voren brengen als ik heb gedaan. Het gaat er mij niet om iets dogmatisch over de Grieken te zeggen, maar ik wilde aangeven, hoe je een bepaalde opvatting over dit of dat in de zin van een symptomatologische geschiedenisopvatting bij moet brengen. Want ik geloof dat de leraar van nu heel erg nodig heeft erop te letten hoe noodzakelijk het is dat we de geest toelaten bij en enthousiast zijn voor wat we als mensen met elkaar doen om in de opvoeding de mens te leren kennen. Zonder oordeel moeten we bij het kind al kijken, wanneer we het zo willen opvoeden, hoe het opgevoed moet worden, wanneer de volgende generatie al een beetje bekomen is van de sociale schade die in deze tijd zo vreselijk om zich heen grijpt.
Wie in staat is dit mensenleven onbevangen te bekijken, ziet dat bij de vorming van het intellect al bij het kind duidelijk wordt, wat de natuur van de mens zo verschrikkelijk eigen is: het gemak. Wat we nodig hebben om het intellect te vormen, dat is – lacht u a.u.b. innerlijk niet om deze paradox, – dat is de ontwikkeling van de menselijke wil.

Der Intellekt wird gesund, wenn wir den Willen gesund erziehen, durch jene Methoden, die ich geschildert habe, durch möglichst frühe Einführung der Kunst in den Volksschulunterricht; denn die Kunst stärkt den Willen. Wir unter­richten den Willen und pflegen damit ganz besonders den Intellekt. Und erweitern wir umgekehrt den Gesichtskreis des Kindes durch Vorbringung von hochsinnigen, weitschauenden Vorstellungen, wie man es im Geschichts- und im Religionsunterricht tun kann, dann wirkt man auf den Willen. Das ist das Sonderbare, daß die richtige Erzie­hung des Intellekts auf die Aktivierung des Willens, die richtige Er­ziehung des Willens auf die Aktivierung des Intellektes wirkt. Über alle diese Dinge ist durch den Materialismus der letzten Jahrhunderte eine furchtbare Finsternis gebreitet worden. Man bemerkt es heute noch kaum, wie sich in der tiefsten Menschennatur eine gewisse innere Bequemlichkeit des Seelenlebens gegen die Aktivität des Denkens gel­tend macht. Der Egoismus sollte studiert werden, weil er sich in der heutigen Zeit so raffiniert geltend macht, weil er so stark wirkt, wenn die Gemüts- und Gefühlsbildung in Betracht kommt. Darauf muß im­mer wieder und wiederum hingewiesen werden. Eine richtige Willensinitiative

Het intellect wordt gezond, wanneer we de wil gezond opvoeden door de methoden die ik heb geschetst, door zo mogelijk een vroeg invoeren van kunst op de basisschool; want kunst versterkt de wil. We onderwijzen de wil en verzorgen daarmee in het bijzonder het intellect. En als we omgekeerd het blikveld van het kind verruimen door zeer zinnige, verruimende voorstellingen aan te reiken, zoals je dat bij geschiedenis en godsdienst kan doen, dan werk je aan de wil. Dat is het opmerkelijke, een goede opvoeding van het intellect activeert de wil, de juiste wilsopvoeding werkt stimulerend op het intellect. Over al deze dingen is door het materialisme van de laatste eeuwen een dekmantel geworpen. Men heeft het tegenwoordig nauwelijks nog in de gaten hoe zich in de diepste diepte van de mensennatuur zich een zeker innerlijk gemak van de ziel tegen de activiteit van het denken doet gelden. Het egoïsme moet bestudeerd worden, omdat dat zich in de tegenwoordige tijd zo geraffineerd doet gelden, omdat dit zo sterk werkt, wanneer het gaat om de vorming van het gevoel. Daar moet steeds opnieuw op gewezen worden. Een echt wilsinitiatief

blz. 226

kann nur zustande kommen, wenn man den Menschen den Blick erweitert und auf das hinlenkt, was geistig wirkt in der Welt, geistig wirkt von den Sternen hinunter, geistig wirkt aus der Welt­geschichte, geistig wirkt im tiefsten innersten Menschenherzen. Nur indem man den Menschen eine geistige Weltanschauung erschließt, kann man ihren Willen aktivieren. Das sollte eben eingesehen werden. Wir müssen hinauskommen über gewisse Dinge. In unserer Gesinnung, die wir namentlich auch mit Bezug auf die erzieherische Kunst ent­wickeln, steckt noch zu viel – ich möchte nicht zurückhalten mit diesem Radikalismus wenigstens -, steckt noch zu viel Robinson.
Der Robinson und alles, was mit ihm zusammenhängt, ist das Sym­ptom für das Heraufziehen alles Philiströsen, alles eng Pedantischen, alles Engmaschigen in der menschlichen Lebensanschauung und ins­besondere in unserer Einwirkung auf die Kinder: Dieser Robinson wurde so recht dargestellt für die bürgerlich-engherzige Weltanschau­ung des 1 8.Jahrhunderts und hat überall Nachahmung gefunden. Kaum war der englische Robinson da, gab es einen tschechischen, einen pol­nischen, einen deutschen, einen kroatischen Robinson. 

kan alleen tot stand komen, wanneer je de mens een ruimer blikveld geeft in de richting van wat er geestelijk in de wereld werkzaam is, geestelijk werkzaam is vanuit de sterren, geestelijk werkzaam is vanuit de wereldgeschiedenis, geestelijk werkt in het diepst van het mensenhart. Alleen wanneer je voor de mens een geestelijke wereldbeschouwing toegankelijk maakt, kan je zijn wil activeren. Dat moet worden ingezien. We moeten met bepaalde dingen verder komen. Ook in ons beleven dat we met name m.b.t. de opvoedkunst ontwikkelen, zit nog te veel – ik wil me niet inhouden, wat zeker wel radicaal is – zit nog te veel Robinson.
Robinson en alles wat ermee samenhangt, is een symptoom voor het benadrukken van alles wat filistreus is, allemaal erg pedant, alles zo klein in de levensopvatting van de mens en in het bijzonder hoe wij op de kinderen inwerken: deze Robinson werd echt zo ten tonele gevoerd voor de burgerlijk-bekrompen wereldbeschouwing van de 18e eeuw en die heeft overal navolging gevonden. Nauwelijks was de Engelse Robinson er, of daar kwam een Tjechische, een Poolse, een Duitse, een Kroatische Robinson.

Man weiß nicht was noch – in allen europäischen Sprachen waren die Robinsonaden da. Robinson ist ja diejenige Persönlichkeit, die keine Persönlichkeit ist, weil sie gewissermaßen wie eine menschliche Maschine in Not und äußerliche Veranlassungen versetzt werden soll, damit sie Stück für Stück das, was nur dann gesund in der menschlichen Entwickelung ent­stehen kann, wenn es aus der innersten Aktivität heraus sich entwickelt, aus der äußeren Not heraus entwickeln soll. Seite für Seite des Robinson könnte man durchgehen und die Philisterhaftigkeit, die gerade in die­sem Robinson zum Ausdruck gekommen ist, darlegen; könnte jenen jämmerlichen Rationalismus einer religiösen Weltauffassung darlegen, der da sagt: Wir haben einen einheitlichen Gott, und der Mensch ist ein guter Mensch, wenn er nur nicht verdorben wird durch diese oder jene Faktoren. Diese Philisterauffassung, die durchaus absieht davon, daß der Mensch lebendigen Geist braucht, der seine Seele durchzieht, den er in der Geschichte, den er überall auch bis in die Sterne hinauf wirksam sieht, dieser Robinson haust auch dort, wo er nicht gelesen wird, als Ge­sinnung. Diese Philistergesinnung muß aus der Menschheit wiederum heraus; denn sie ist es, welche durch die feinsten Kanäle in alles mög­liche geronnen ist, was uns heute von da oder dort entgegentönt und das Leben so gestaltet, daß eigentlich überall nur Sinn ist für Mittelmäßigkeit,

En wat al niet – in alle Europese talen waren daar de Robinsonverhalen. Robinson is een persoonlijkheid die geen persoonlijkheid is, omdat die in een bepaald opzicht als een menselijke machine in de problemen moet komen, uiterlijk genoodzaakt, zodat die persoonlijkheid het een na het ander vanuit uiterlijke noodzaak moet ontwikkelen, wat alleen dan gezond in de menselijke ontwikkeling kan ontstaan, wanneer het vanuit de meest innerlijke activiteit kan ontstaan. Je kan bladzij voor bladzij nalopen en dat filistreuze dat met name in deze Robinson zichtbaar wordt, aantonen; je zou ieder pijnlijk rationalisme van een religieuze wereldbeschouwing kunnen aantonen wanneer er gezegd wordt: we hebben maar één God en de mens is goed wanneer hij door dit of dat niet verdorven wordt. Deze filisteropvatting, die er volledig aan voorbijgaat dat de mens een levende geest nodig heeft, die zijn ziel doortrékt, die hij in de geschiedenis, die hij overal, ook tot in de sterren werkzaam ziet, deze Robinson, huist ook daar waar hij niet wordt gelezen, als stemming. Deze filisterstemming moet weer uit de mensheid verdwijnen; want die is doorgedrongen tot in de kleinste hoekjes, in van alles wat tegenwoordig hier of daar vandaan op ons afkomt en het leven zo maakt  dat er eigenlijk overal alleen maar zin voor middelmatigheid

blz. 227

für das Nichtübersteigen eines gewissen Niveaus. Der Ro­binson ist es, der den Sinn für das Nichtüberragende, für das Nicht­geniale, für das Durchschnittsmäßige großgezogen hat. Ich weiß, daß man eigentlich in sehr, sehr viele Herzen hineinstößt und es bitter emp­funden wird, wenn man gerade auf die Robinsonaden, auf das in­tellektuelle Abenteuer der europäisch-amerikanischen Zivilisation auf­merksam macht, das in der Überschätzung des Robinson liegt. Aber man muß sich schon auch diesem Gefühl ein bißchen überlassen, daß man halt hineingewachsen ist in dasjenige, mit dem man groß geworden ist. Man ist aufgewachsen mit der Robinson-Gesinnung, und man muß sich schon ein bißchen besinnen, um das loszukriegen, was in die mo­derne Menschheit mit dieser Robinson-Gesinnung hineingewachsen ist.
Gewiß, in einer Beziehung war dieser Robinson eine Art Protest gegen etwas, was in der christlichen Entwickelung immer mehr und mehr heraufgekommen ist. Die christliche Entwickelung geht ja im Grunde genommen davon aus, so wie sie geworden ist, nicht wie sie im ursprünglichen Christentum lag, daß die menschliche Natur verdorben ist. 

heerst, het niet boven een bepaald niveau uitkomen. Het is Robinson die de zin voor het gewone, voor het niet-geniale, voor wat doorsnee is, groot gemaakt heeft. Ik weet dat je eigenlijk op heel veel harten trapt en dat het als bitter ervaren wordt, wanneer je nu juist op die Robinsonromans, op het intellectuele avontuur van de Europess-Amerikaanse beschaving de aandacht vestigt, die in de overschatting van de Robinson ligt. Maar je moet je maar een beetje aan het gevoel overgeven dat je nu eenmaal gewend geraakt bent aan hetgeen waarmee je groot geworden bent. Men is opgegroeid met die Robinsongezindheid en men moet zich wel een beetje bezinnen om los te komen van wat in de moderne mensheid met deze Robinsongezindheid meegegroeid is.
Zeker, aan de ene kant was deze Robinson een soort protest tegen iets wat in de christelijke ontwikkeling steeds meer opgeld ging maken. De christelijke ontwikkeling gaat er in de grond van de zaak vanuit, zoals ze geworden is, niet zoals dat in het oorspronkelijke christendom zat, dat de menselijke natuur verdorven is.

Der Rationalismus, die Aufklärerei des 18. Jahrhunderts, aus der der ganze Robinson heraus auch gedacht und geschrieben ist, geht davon aus, daß die menschliche Natur doch eigentlich gut ist, daß nur ihre bösen Feinde hinweggeräumt werden müssen, damit ihr Gutes heraus­kommt. Beides sind furchtbare Einseitigkeiten. Begreiflich ist es schon, daß gegenüber dem Vorurteil von der Verdorbenheit, von der Grund­verdorbenheit der menschlichen Natur, das andere Vorurteil auftauchte von der Grundgutheit der menschlichen Natur. Im Grunde ist ja auch das nichts anderes, was als der letzte Rest des Philistertums, aber eines argen Philistertums, in dem begeisterten und begeisternden Philister Jean- Jacques Rousseau lebt. Es ist die Meinung, daß, wenn man den Menschen nur wie ein Naturkind aufsprießen läßt, er schon alles ma­chen wird, wie sich sozusagen um Robinson herum, auch noch unter der Einwirkung eines baptistischen französischen Priesters, alles in der allerbesten Weise mit Nüchternheit macht. Gewiß, so ist ja ungefähr die Meinung; aber wir werden die Menschen vom gegenwärtigen Kul­turstandpunkt aus nicht weiterbringen, wenn wir irgendeiner dieser Einseitigkeiten verfallen. Die eine wie die andere Einseitigkeit muß in einer gewöhnlichen Synthese Lösung finden. Der Mensch ist ja ganz gewiß von Natur aus gut, das heißt, seinem Wesen nach gut; denn das Kind spricht, so wie es als nachahmendes Geschöpf in die Welt hereintritt,

Het rationalisme, de Verlichting van de 18e eeuw, van waaruit de hele Robinson ook bedacht en geschreven is, gaat ervan uit, dat de menselijke natuur uiteindelijk toch goed is, dat alleen de boze vijanden opgeruimd moeten worden, zodat het goede een kans krijgt. Beide zijn verschrikkelijke eenzijdigheden. Begrijpelijk is wel dat tegenover het vooroordeel van de verdorvenheid, van de natuurlijke verdorvenheid van de menselijke aard, het andere vooroordeel opdook, dat van de natuurlijke goedheid van de menselijke aard. In de grond van de zaak is dat ook niet anders dan wat als laatste rest van het filisterdom, maar dan van een erg soort filisterdom, dat in de enthousiaste en enthousiastmerende filister Jean-Jacques Rousseau leeft. Hij is van mening dat, wanneer je de mens nu maar als een natuurkind groot laat worden, hij alles zal doen, zoals dat a.h.w. rondom Robinson, ook nog onder invloed van een Franse baptistenpriester, allemaal op de beste manier, gladjes verloopt. Dus, dat is ongeveer de mening; maar wij zullen de mensen uit de huidige cultuur niet verder brengen, wanneer we vervallen tot een van deze eenzijdigheden. De ene zowel als de andere eenzijdigheid moet in een gewone synthese opgaan. De mens is zeker van nature goed, dat wil zeggen, wezenlijk goed; want het kind spreekt zoals het als nabootsend wezen de wereld

blz. 228

gewissermaßen überall das Urteil aus: Ich glaube an die Güte der Welt, die mich aufgenommen hat. Das ist ein unbewußtes Urteil des Kindes. Aber so wahr es ist, daß der Mensch seiner Wesenheit nach gut ist, so wahr ist es, daß der Mensch seiner Wesenheit nach, ich möchte sagen, wie das Produkt eines Lebendigen ist. Fleisch unmittelbar ge­schlachtet, ist gut; nach acht Tagen ist es nicht mehr gut. Es ist deshalb schlecht, weil es stinkig geworden ist; es muß eben etwas zu seiner Ver­besserung getan werden, wenn man es nach acht Tagen noch genießen will. Der Mensch ist seinem Wesen nach gut. Aber er wird, wenn er so bleibt, wie er ist, wenn er aus der geistigen Welt vom vorgeburtlichen Dasein herunterschreitet in die physische Welt, er wird schlecht, wenn in ihm nicht die Kraft geweckt wird, sich selber zu verbessern.
Da haben Sie beides: Der Mensch ist gut seinem Urwesen nach, aber in ihm müssen die Kräfte erweckt werden, sich die Güte zu erhalten. Und der Mensch ist nicht von Grund aus verdorben, aber er verdirbt, wenn man in ihm nicht die Kräfte erweckt, durch die er sich seine ur­sprüngliche Kraft erhalten kann. Es ist ebenso falsch zu sagen, der Mensch bringe seine Güte unbedingt zum Vorschein, wenn er sich selbst überlassen bleibe, wie es falsch ist zu sagen, der Mensch sei von Grund aus verdorben.  

binnenkomt, in zekere zin overal het oordeel uit: ik geloof in de goedheid van de wereld die mij opgenomen heeft. Dat is een onbewust oordeel van het kind. Maar zo waar als het is dat de mens wat zijn aard betreft goed is, zo waar is het ook dat de mens wat zijn aard betreft een product is van het leven. Vlees, direct na de slacht is goed; na acht dagen niet meer. Het is slecht omdat het stinkt; er moet iets aan verbeterd worden wil je er na acht dagen nog van kunnen genieten. Maar hij (de mens), wanneer hij blijft zoals hij is, wanneer hij uit de geestelijke wereld vanuit het voorgeboortelijke bestaan incarneert in de fysieke wereld, wordt slecht wanneer in hem niet de kracht wordt gewekt om zichzelf te verbeteren.
Hier heb je ze allebei: de mens is naar zijn oerwezen goed, maar in hem moet de kracht worden gewekt om het goede te bewaren. En de mens is niet basaal verdorven, maar dat wordt hij, wanneer je in hem niet de kracht wekt waarmee hij zijn oorspronkelijke kracht bewaren kan. Net zo verkeerd is het om te zeggen dat de mens zijn goedheid zondermeer vertoont, wanneer hij aan zichzelf overgelaten wordt, als dat het verkeerd is om te zeggen dat de mens basaal verdorven is.

Richtig ist es, daß der Mensch seinem Wesen nach gut ist. Es müssen aber die Kräfte in ihm immer neu geweckt werden, die dieses Gute zur fortschreitenden Entwickelung bringen, weil sonst die menschliche Natur verdorben wird, wenn sie nicht durch die eigene Aktivität in die Richtung nach dem Guten hin erhalten wird. Diese Gesinnung müssen wir eigentlich in uns tragen gegenüber der Ent­wickelung der Menschheit. Sie wird dann auf die Kinder übergehen, wenn wir sie selber haben, wenn wir das Märchen so erzählen, den Mai-käfer so schildern, den Stern so beschreiben, daß etwas zu merken ist im Einzelnen oder im Zusammenhang des Ganzen, wie wir davon überzeugt sind, daß das, was gerade der Mensch im Weltenzusammen­hang bedeutet, von dem Urelement heraus gut ist, daß aber diese Güte fortwährend gepflegt werden muß, und daß von der Pflege des Menschen das Gutsein der ganzen Welt abhängt; daß es in den Menschen hineingelegt ist, an der Entwickelung der ganzen Welt mit­zugestalten.
In dieser Beziehung sind wir abgekommen von dem, was aus einer Urweisheit heraus – wie es eine solche ja in der Menschheit wirklich gegeben hat – unsere Altvordern gehabt haben. Es ist merkwürdig, wie

Juist is dat de mens naar zijn aard goed is. In hem moeten echter die krachten steeds opnieuw gewekt worden die dit goede tot een voortgaande ontwikkeling brengen, omdat de menselijke natuur anders verdorven wordt als die niet door de eigen activiteit voor het goede bewaard blijft. Die stemming moeten we eigenlijk in ons meedragen, wat de ontwikkeling van de mensheid betreft. Dat zal op de kinderen over gaan, wanneer wij die hebben, wanneer wij het sprookje zo vertellen, de meikever zo schetsen, de sterren zo beschrijven dat er iets op te merken is in het kleine of in de samenhang met het grote, zoasl we ervan overtuigd zijn dat wat juist de mens betekent in de wereldsamenhang, vanuit het oerelement goed is, dat dit goede echter steeds verzorgd moet worden en dat van de verzorging door de mens, het goed-zijn van de hele wereld afhangt; dat het de mens gegeven is mede vorm te geven aan de ontwikkeling van de hele wereld.
Wat dat betreft zijn we weggeraakt van wat uit een oerwijsheid – die er in de mensheid werkelijk geweest is – die onze voorvaderen nog hadden. Het is merkwaardig hoe

blz. 229

selbst noch im älteren Griechenland, gar nicht zu reden von Ägypten, wo das selbstverständlich war, alles Unterrichten, alles Einwirken aber auch des Priesters, des religiösen Menschen auf das Volk, mit dem Be­griff des Heilens zusammengebracht worden ist. Wissen übermitteln, das war überhaupt ein Begriff in alten Zeiten, der ganz gleichbedeu­tend war mit Heilen. Der Arzt war im Grunde genommen nur, ich möchte sagen, ein etwas anderer Priester und der Priester ein etwas anderer Arzt. Daß das Doktor-sein irgend etwas mit Verbessern zu tun hät, das wurzelt ja sogar heute noch im Volke. Der »Dr. Mam­moniae«, der ist selbstverständlich eine Art Eitelkeitsprodukt der Ge­genwart. Die gegenwärtige Menschheit ist bis in solche Dinge hinein außerordentlich eitel. Denn dasjenige, was Gelehrsamkeit ist, was Er­kenntnis behandeln und mitteilen ist, Lehrerberuf, Arztberuf, alles mögliche, das floß für die ursprünglichen Instinkte der Menschheit in Eins zusammen. Mit alledem war der Begriff des Heilens verknüpft. Warum? Weil eine ganz bestimmte Anschauung dem zugrunde lag, eine Anschauung, die wir leider heute in unserer materialistischen Zeit nicht haben, zu der wir aber wiederum hinsteuern müssen. 

zelfs nog in het oudere Griekenland, om maar te zwijgen van Egypte, het vanzelfsprekend was om alles wat onderwijs was, alles wat van invloed was op het volk door de priester, de religieuze mens, in verband is gebracht met het begrip genezing. Kennis overbrengen was volstrekt in oude tijden een begrip dat gelijk was aan genezen. De arts was eigenlijk een iets andere priester en de priester was een soort andere arts. Dat het dokter-zijn [in het Duits is Doktor zowel de academische Dr. als de arts, onze dokter] ergens nog met verbeteren te maken heeft, zit nog in het volk. ‘Dr. Mammoniae’ [geen aanwijzing kunnen vinden wat dit betekent] is vanzelfsprekend een soort ijdelheidsproduct van deze tijd. De mens van tegenwoordig is tot in zulke dingen buitengwoon ijdel. Want wat eruditie is, wat kennis behandelen en meedelen is, het beroep van leraar, van arts en wat al niet, kwam voor de oorspronkelijke instincten van de mensheid in één ding samen. Mit dit alles was het begrip van genezen verbonden. Waarom? Omdat er een heel bepaalde beschouwing aan ten grondslag lag, een beschouwing die wij helaas in onze materialistische tijd niet hebben, waarop we echter wel weer moeten aansturen.

Es ist die Anschauung, daß in der geschichtlichen Entwickelung der Menschheit, auch insofern die Naturkräfte in diese geschichtliche Entwickelung der Menschheit hereinspielen, immerfort ein Niedergangselement liegt, ein Element, das in die Dekadenz hineinführt, und daß der Mensch dazu berufen ist, aus seiner Kraft heraus den Niedergang fortwährend in einen Aufstieg zu verwandeln.
Das kulturhistorische Werden droht beständig krank zu werden. Der Mensch muß aus seinem Lehren, aus seinem Wirken heraus das­jenige, was fortwährend im Kulturwerden krank werden will, heilen. Das ist etwas, das durchschaut werden muß. Die Geschichte enthält Niedergangskräfte, und von den Niedergangskräften darf nicht erwar­tet werden, daß sie die Menschheit erhalten können. Wenn der Marxis­mus heute davon lebt, daß alles auf wirtschaftlichen Kräften aufgebaut ist und das Geistige eine Art Überbau ist, dann beruht das ganz gründ­lich auf dem Materialismus der letzten Jahrhunderte. Denn was würde aus diesen rein wirtschaftlichen Produktionskräften, wenn sie sich, ohne daß von dem Menschen aus eine fortwährende Verbesserung geschehen würde, selbst überlassen würden? Sie führten die Menschen nur in das Krankmachen des sozialen Lebens hinein. Trotzkiismus und Leninis­mus bedeutet Krankmachen der ganzen Kulturentwickelung Europas.

Het is de opvatting dat in de geschiedkundige ontwikkeling van de mensheid ook in zoverre de natuurkrachten in deze historische ontwikkeling van de mensheid meespelen, steeds een element zit van achteruitgang, een element dat naar de decadentie leidt en dat de mens ertoe geroepen is vanuit zijn kracht voortdurend de achteruitgang om te buigen in vooruitgang.
De cultuurhistorische wording dreigt constant ziek te worden. De mens moet vanuit wat hij leert, uit wat hij doet, wat in de cultuurwording ziek wil worden, voortdurend genezen. Dat moet je inzien. In de geschiedenis bevinden zich krachten van neergang en daar mag je niet van verwachten dat die de mensheid kunnen bewaren. Wanneer het marxisme vandaag de dag bestaat door te zeggen dat alles op economische krachten opgebouwd is en dat het geestelijk een soort overkapping is, dan berust dat heel fundamenteel op het materialisme van de laatste paar honderd jaar. Want wat zou er uit deze puur economische productiekrachten worden, wanneer die, zonder dat van de mens uit een voortdurende verbetering zou plaatsvinden, aan zichzelf zouden worden overgelaten? Ze zouden de mens alleen maar in het ziekmaken van het sociale leven brengen. Trotkiïsme en Leninisme betekenen de hele cultuurontwikkeling van Europa ziek maken.

blz. 230

Der Osten wird, wenn der Marxismus doch verwirklicht wird, wenn es ihm gelingt, bis in die Schule hineinzudringen, er wird ein künst­liches Kranksein der europäischen Kultur; denn er rechnet damit, daß aus dem Außermenschlichen heraus allein Kultur werden könnte. Kul­tur kann aber nur werden, wenn der Mensch dasjenige, was im Außer­menschlichen fortwährend in den Niedergang strebt, von sich aus fort­während heilt. Das müssen wir uns wieder erringen, vor allen Dingen in der Schule, daß der Lehrer, der durch die Schulpforte eintritt, sich als eine Art Arzt der menschlichen Geistesentwickelung verhält, der durch das werdende Kind der Kulturentwickelung das Arzneimittel einflößt. Das ist keine Eitelkeit, das ist kein Hochmut, wenn der Leh­rer in dieser Weise sich als den fortwährenden Arzt der Kultur fühlt. Denn wird das in der richtigen Weise gefühlt, dann trägt es auch in unser Gemüt hinein das Bedürfnis, gerade wenn man Lehrer ist, hin-zuschauen auf die großen Interessen der Menschheit, auf dasjenige, was immer als die durchgreifenderen, die großen Interessen die Menschheit bewegt hat. Der Horizont des Lehrers kann nicht groß genug genom­men werden. 

In het Oosten wordt, wanneer het marxisme verwezenlijkt wordt, wanneer het deze lukt door te dringen tot in de school, de Europese cultuur onnatuurlijk ziek, want het rekent ermee dat cultuur alleen kan ontstaan buiten de mens om. Cultuur kan echter alleen ontstaan, wanneer de mens dat wat buiten hem om achteruit gaat, van binnenuit voortdurend beter maakt. Voor alles moeten we weer bereiken dat de leerkracht die de school binnengaat, zich als een soort arts van de menselijke geestelijke ontwikkeling opstelt die door het wordende kind aan de cultuurontwikkeling het geneesmiddel verstrekt. Dat is geen ijdelheid, dat is geen hoogmoed, wanneer de leerkracht op deze manier voelt dat hij de permanente arts van de cultuur is. Dan is dat gevoel juist, dan dragen we de behoefte met ons mee, juist als je leraar bent, te kijken naar wat voor de mensheid de belangrijke aangelegenheden zijn, naar wat steeds als de ingrijpende aangelegenheden de mensheid heeft bewogen. De horizon van de leraar kan niet ruim genoeg zijn.

Der hohe Sinn des Lehrers, er kann nicht hoch genug sein. Gerade wenn wir uns bewußt werden, was mit der Erziehung für die Menschheit geleistet werden soll, dann wird Hochsinnigkeit des Hori­zontes auch immer die nötige Bescheidenheit in sich schließen, das nötige Verantwortungsgefühl zugleich bringen.
Meine sehr verehrten Anwesenden, Sie werden gesehen haben, daß stets in diesen Stunden versucht worden ist, wahrzumachen für die geisteswissenschaftliche Grundlegung einer Erziehungskunde dasjenige, was ja schließlich auch Herbart gesagt hat: Er könne sich keinen Un­terricht denken, der nicht zugleich Erziehung wäre, und er könne sich keine Erziehung denken, die des Unterrichts entbehren könne. Aber es handelt sich darum, daß wir uns mit dem Geiste durchdringen, der lebendig genug ist, daß wir alles dasjenige, was uns geboten wird als Unterrichtsstoff von der fortschreitenden Entwickelung der Mensch­heit, in die Schule so hineintragen können, daß es unter unseren Hän­den Erziehung wird für das Kind. Es ist eine hohe Aufgabe, welche die Menschheit in ihrer Ganzheit uns stellt. Wozu es die Menschheit ge­bracht hat, das müssen wir durchschauen, das müssen wir umwandeln in unseren Händen, daß es geeignet werde für das jüngste Kind! Wir werden es können, wenn wir den Geist in solcher Lebendigkeit erfassen, wie er in der Geisteswissenschaft übertragen werden soll, und wie er

De grootse gedachten van de leraar, die kunnen niet groots genoeg zijn. Juist wanneer we ons bewust worden van wat er met de opvoeding voor de mensheid gedaan kan worden, dan zullen die grootse gedachten als horizon ook steeds voor de nodige bescheidenheid zorgen en tegelijkertijd voor het vereiste verantwoordelijkheidsgevoel.
Zeer geachte aanwezigen, u zal hebben gezien dat in deze uren steeds geprobeerd is voor het geesteswetenschappelijk fundament voor een opvoedkunst waar te maken wat Herbart ook al zei, dat hij zich geen onderwijs kon voorstellen dat tegelijkertijd ook geen opvoeding is en dat hij kon zich geen opvoeding voor kon stellen die buiten het onderwijs zou kunnen. Maar het gaat erom dat wij de geest in ons opnemen die levend genoeg is om alles wat ons geboden wordt als lesstof door de voortgaande ontwikkeling van de mensheid zo de school binnen te brengen, dat die in onze handen voor het kind opvoeding wordt. Dat is een belangrijke opdracht die de mensheid als totaliteit aan ons geeft. We moeten begrijpen tot hoever de mensheid gekomen is, we moeten het met onze handen veranderen zodat het geschikt wordt voor het jongste kind! Dat kunnen we wanneer we de geest zo levend opnemen zoals deze in de geesteswetenschap overgebracht moet worden en zoals deze hier

blz. 231

hier übertragen ist, wenn von einer Befruchtung der Erziehungskunst durch die Geisteswissenschaft gesprochen wird.
Ich möchte nicht in einer Art von Schlußwort, meine sehr verehrten Anwesenden, diese Vorträge zum Abschluß bringen, sondern möchte sie eben gerade ausklingen lassen in das Wort, das ich nun nicht sen­timental, sondern aus der Sache heraus vor Sie hinzustellen versuchte, das Wort: Erziehen kann nur in der richtigen Weise ausgeübt werden, wenn es aufgefaßt wird als ein Heilen, wenn der Erzieher sich bewußt wird: ich soll ein Heiler sein. Wenn diese Vorträge ein wenig dazu bei­getragen haben, das erzieherische und unterrichtende Bewußtsein zu vertiefen, so daß wiederum gefühlt werden kann, oder vielmehr, daß wir nach und nach dazu kommen können wiederum zu fühlen, wie wir Heiler, wie wir Geistesärzte werden müssen, wenn wir im richtigen Sinne Lehrende und Erziehende sein wollen, dann haben diese Vor­träge wenigstens andeutend ihr Ziel erreicht; und ich möchte nur wün­schen, daß an das, was der verehrte Vorsitzende dieser Vorträge ge­sagt hat, sich anschließen möge: ein Verarbeiten des Stoffes. Ich werde meinerseits jederzeit, wenn man an mich herantritt, gern bereit sein, zu tun, was Sie haben wollen, damit das, was ich jetzt nur in höchst un-vollkommener Form in 14 Andeutungen geben konnte, und wovon ich so gerne möchte, daß es in das Bewußtsein der Menschheit hereintrete, nun auch wirklich mehr und mehr in das Bewußtsein eintritt.

overgebracht is, toen er over het vruchtbaar worden van de opvoedkunst door de geesteswetenschap gesproken werd.
Ik zou niet in een soort slotwoord, zeer geachte aanwezigen, deze voordrachten willen afsluiten, maar ik zou ze willen laten uitklinken in de woorden die ik zeker niet sentimenteel, maar zakelijk voor u geprobeerd heb uit te spreken: opvoeden kan alleen dan op de juiste manier worden gedaan, wanneer ze opgevat wordt als een gezond maken, wanneer de opvoeder zich bewust wordt: ik moet iemand zijn die gezond maakt. Wanneer deze voordrachten er iets toe hebben bijgedragen het bewustzijn voor opvoeding en onderwijs te verdiepen, zodat weer gevoeld kan worden, of veel meer, dat we er stap voor stap ertoe komen weer te gaan voelen, dat we gezond moeten maken, dat we artsen van de geest moeten worden, willen we in goede zin van het woord leraar en opvoeder zijn, dan hebben deze voordrachten in ieder geval als richting gevend hun doel bereikt; en ik heb alleen de wens dat bij wat de geachte voorzitter van deze voordrachten heeft gezegd, aansluit: het verwerken van de stof. Ik ben mijnerzijds altijd graag bereid, desgevraagd, te doen wat u graag wil, zodat wat ik nu op een hoogst gebrekkige manier in 14 aanwijzingen kon geven en waarvan ik wens dat het opgenomen wordt in het bewustzijn van de mensheid, daadwerkelijk steeds meer in het bewustzijn van de mensheid.

.

[1] GA 301: Die Erneuerung der pädagogisch-didaktischen Kunst durch Geisteswissenschaft

[2] 14e voordracht (Duits)

Rekenen: alle artikelen

Luisteren en spreken: alle spraakoefeningen

Gezondmakend onderwijs: menskunde en opvoeding nr. 4

Rudolf Steiner over pedagogie

Rudolf Steineralle artikelen

.

1400-1311

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-7-2/6)

.

Enkele gedachten bij blz. 23/24 in de vertaling van 1993

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

In een vorige artikel dat beschouwd kan worden als een inleiding op wat hier volgt, werd erop gewezen dat ‘schematiseren’ eigenlijk niet kan; en dat het willen verklaren en definiëren steeds weer het gevaar in zich draagt de werkelijkheid tekort te doen.
En toch kunnen we, wanneer we niet het helderziende vermogen hebben zoals Steiner kennelijk had, niet zonder een zoektocht met ‘het gezonde verstand’. Daartoe is dit een poging.

Op blz. 24 is sprake van de ‘bewustzijnsziel.’ Wat valt daar o.a. over te zeggen:

BEWUSTZIJNSZIEL

Eerst nog even terug naar de verstands-gemoedsziel:

Toen ik bij de bakker een ogenblik in dubio stond of ik de gevulde speculaas wel zou kopen, was daar in mij de controverse tussen „begeren“ en „beheersen“.

Uit eigen ervaring kan ieder hierover meepraten: wij kunnen, met name in het sociale leven, niet blindelings onze driften, begeerten, neigingen volgen. Wij wikken en wegen, motiveren en we nemen een besluit: dit kunnen we onder een vorm van denken rangschikken. Een denken dat nog sterk verbonden is met ons voelen, maar toch een ander voelen is dan de gevoelens die rondom de gewaarwording voelbaar zijn.
Het is niet moeilijk bij je zelf na te gaan waar bepaalde gevoelens vandaan komen.
Honger, dorst, slaap enz.: gewaarwordingen. Ze worden gevoeld, ervaren met de gewaarwordingsziel.

We onderscheiden deze gevoelens als vanzelfsprekend van vrolijk of verdrietig zijn; boos of blij zijn enz.
Met deze gevoelens raken we verder weg van die gevoelens die meer met het vitale verbonden zijn.
We komen meer bij ons “gevoel”; bij ons gemoed – onze  gemoedsgesteldheid.

Vandaar: gemoedsziel.
Dit is meer de ziel van het “dagelijkse leven”. We worden met iets geconfronteerd: een bericht in de krant, of via een tv-programma. Het grijpt ons aan: we worden er vrolijk(er) of verdrietig(er) van.
Maar, we vinden er ook iets van. We stemmen in of spreken onze afkeer erover uit. We begeleiden deze gevoelens ook met onze mening: wat we ervan vinden.

Vandaar: verstandsziel.
Het is het Engelse to think, dat zowel denken als voelen betekent. Dit is het gebied waaruit wij spreken, wanneer we ergens iets van vinden. Hier bewegen we ons tussen alle vormen van sympathie en antipathie.

Het is nog sterk aan onze eigen beleving gebonden; het is het subjective denken; hiermee spreken we ons gemoed uit, spreken we vanuit ons gevoel. Naarmate we bozer zijn, wordt onze stem scherper, harder, consonantischer; de andere kant is een warme, rustige, kalme stem, waarin juist het vocale overheerst.

De sympahtie en antipathie op het weiland: de vreugde over de paardenbloemen; of de afkeer.

BEWUSTZIJNSZIEL
Zo gauw ik echter op zoek ga naar wat een paardenbloem is, moet ik los zien te komen van mijn „wat ik er van vind“. Als de essentie van iets in mij tot klaarheid komt, heb ik daarmee iets in mij opgenomen dat buiten mij om als essentie bestaat. Dat niet afhankelijk is van mijn smaak en of ik het mooi of lelijk, fijn of niet fijn vind, graag mag of verafschuw enz. Dat wordt bij de beschouwing van de mens geest genoemd.

Om deze kwaliteit van het denken onder woorden te brengen, noemde Steiner dit de bewustzijnsziel. Hoe meer we in staat zijn de wereld met al zijn essenties zich in ons te laten uitspreken, des te meer nemen we de wereld van de geest in ons op. Als essentie betekent dat het waar is, neem ik dus de waarheid in me op.
Wie zegt mij echter, dat het waar is. En wie het zegt. zegt die ook de waarheid of is het uiteindelijk toch alleen zíjn waarheid of die van een grote groep. ‘De waarheid in pacht hebben’ klinkt niet zo positief. We laten hem liever in het midden liggen.
Velen streven er naar ‘de waarheid’ te vinden, die te benaderen op z’n minst. En daarbij blijkt altijd, dat hoe meer je het eigen gevoel, het eigen (voor)oordeel terughoudt, het ‘andere’ meer kans krijgt zich te laten zien, heel deftig: ‘zich te openbaren’.
Wel een mooi woord, overigens. Er moet iets ‘open’ gaan en worden geboren.
We ervaren daarbij ook sterk dat de ‘wereld van de waarheid’ zo openligt, dat we over ‘grenzenloos’ spreken.

Er is ook de wereld van de idee(ën). Steiner geeft hier een mooi voorbeeld over ‘de’ driehoek. De idee driehoek die je je denkend! voor kan stellen, je denkt hem uiteindelijk na. Interessant is dan natuurlijk om door te filosoferen over de vraag wie of wat deze idee dan als eerste gedacht heeft, zoals we bijv. Einsteins theoretische ideeën kunnen nadenken (als we daartoe intelligent genoeg zijn!).
Maar we zullen er snel genoeg achterkomen dat er vele ideeën zijn die niet terug te voeren zijn op mensen die ze als eerste gedacht hebben. Wie of wat is dan de ontwerper van deze ideeën.

En zoals onze lichamelijkheid de begrenzing vormt voor de ene kant van de ziel: de gewaarwordingsziel; zo zijn er aan de andere kant, door de bewustzijnsziel onbegrensde mogelijkheden om de geest – de wereld van het ware, de wereld van de ideeën, Steiner noemt er ook de wereld van het goede bij –  te leren kennen.

Zoals de gewaarwordingsziel ziel is, maar nauw verbonden met het stoffelijk-levende, zo is de bewustzijnsziel nauw verbonden met wat ik als geest in me kan opnemen. Als verstands – gemoedsziel pendel ik daar tussenin.

Hoewel Steiner in deze voordracht nog niet spreekt over ‘slapen, dromen, wakker’ i.v.m. lichaam, ziel, geest, kun je hier al iets gaan vermoeden van wat hij daarmee bedoelt.
In ons vitale leven, bijv. in onze stofwisseling, weten we niet wat er gebeurt. Voor ons bewustzijn eigenlijk helemaal ontoegankelijk. We krijgen er pas ‘weet’ van, als er iets mis is en de pijnsignalen ons waarschuwingen. Maar dan nog weten we lang niet altijd wat er dan mis is, of gebeurt of niet gebeurt. Heel vreemd eigenlijk: je hebt het allemaal heel dicht bij je en toch tast je volledig in het duister.
Vanuit het standpunt van bewustzijn bekeken, slaap je hier dus.
In het voelen van de verstands – gemoedsziel is ook nog niet die helderheid dat we precies weten waar bepaalde gevoelens vandaan komen of ontstaan. We weten wel dat ‘we daar nou net niet tegen kunnen’; of dat ‘we daar altijd heel blij van worden’. We kunnen een beginnende antipathie voelen aanwakkeren tot boosheid enz.
Je zou hier van een meer dromend bewustzijn mogen spreken.

Pas in het denken worden we echt wakker. Als we met onze gedachten licht hebben gebracht over of in een zaak, tasten we niet meer in het duister. Om te kunnen denken moeten we (er) wakker (bij) zijn.

we zijn:
slapend voor wat betreft ons bewustzijn voor ons fysiek-vitale leven
dromend voor wat betreft ons bewustzijn voor het komen en gaan van onze gevoelens tussen antipathie en sympathie
wakker bij het heldere denken

Ook ligt hier een kiem voor het begrijpen van wat vrijheid en onvrijheid, gebondenheid is.

Het fysiek-vitale leven dwingt ons de vitaliteit in stand te houden: we moeten eten, drinken, slapen, ons voortplanten e.d. We hebben geen keus als we willen doorleven. We worden gedwongen. We moeten, zoals een dier doet wat het moet!

Ons fysiek-vitale dwingt ons niet de waarheid te zoeken. Als we dat doen, doen we het zelf. We kunnen het ook nalaten. Er is geen dwang of drift. Er kan wel ‘geest’drift zijn! Je sterke verlangen de waarheid te leren kennen; je open te stellen voor de geest. Dit openstellen voor de geest is een vrije keus.

Het ‘instrument’ waarmee je je tot ‘de geest’ richt, is je bewustzijnsziel.

Natuurlijk is al allang de vraag opgekomen: waar ben Ik(zelf). Daarover meer; meer; en in voordracht 6

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven
.

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1399-1310

.

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – schilderen

.

3E KLAS: SCHILDEREN – DE SCHEPPING

Toen de vrijeschoolonderbouw nog uit 8 klassen bestond – ooit was dat zo – werd er in elke klas 1 uur per week geschilderd.
Ook toen de 8e klas bij de bovenbouw ging horen, stond voor de 7 klassen het schilderuur nog steeds op ‘de rooster van lesuren’ (inspectieterm)
Nu ook de 7e klas niet meer tot de onderbouw behoort, bleef het schilderuur voor de 6 basisschoolklassen – hoe het nu in 7 en 8 is, is mij onbekend.

‘Wekelijks’ is gewoonte, maar je kan allerlei gegronde redenen hebben om daar (eens) van af te wijken.

Wanneer je een derde klas hebt, zijn de zeven scheppingsdagen uit de vertelstof voor deze klas: het Oude Testament, een prachtig motief om gedurende zeven opeenvolgende weken telkens een ‘dag’ te schilderen; maar je kan ook, als je de ene lesdag een scheppingsdag hebt verteld, die de volgende lesdag schilderen, om op het verhaal op deze (kunstzinnige) manier terug te komen. Dan schilder je dus iedere lesdag het verhaal van de vorige lesdag. De wekelijkse schilderles zou dan gedurende die tijd kunnen vervallen.

In klas 1 en 2 hebben de kinderen dus wekelijks al geschilderd en daardoor o.a. kennis gemaakt met de kwaliteit van de kleuren. Door het nat-in-nat schilderen – overigens niet geheel in overeenstemming met de praktijk: het papier mag beslist niet ‘nat’ zijn, alleen maar vochtig (daarom heet de techniek in het Duits ‘feucht-in-feucht), krijgen de kinderen een grote vrijheid hun vormen te maken: de aquarelverf laat al erg vrij, maar nog meer in het vochtige papier.
In klas 1 en 2 werden de kwaliteiten vaak nog verbonden met een verhaalbeeld als introductie op de schildering: het ‘boze’ rood, of het ‘brutale’ rood en het ‘stralende’ geel enz. die samen iets gingen ondernemen; of ook wel ruzie kregen enz. Mengkleuren ontstonden meestal vanzelf – soms ‘per ongeluk’ en waren voor de kinderen vaak verrassende ontdekkingen.
Maar, in de 3e, wanneer de kinderen met het echte leven kennis maken – in de heemkundeperioden bijvoorbeeld – zouden de kleuren ook weer in een nieuwe context gebruikt kunnen gaan worden.
Moeilijke vragen voor ze: hoe laat je dat zien: ‘er zij licht!’ En ‘de aarde waarop nog niets leeft’, die a.h.w. stil ligt te wachten tot er iets gebeurt, welke kleur zou daarbij horen? En hoe schilder je die dan?
Dat ‘hoe’ kan ook technisch bekeken worden: welke techniek gebruik je (nu nog bewuster dan in de vorige jaren).

Hoe meer je als leerkracht aangeeft hoe het eigenlijk zou moeten worden, des te onvrijer wordt het kind. Vragen stellen en de kinderen laten antwoorden. ‘Hoe zou je…hoe zou het….?” En dan maar schilderen!
De andere dag moet je erop terugkomen, ‘bespreken’. De schilderingen zijn dan waarschijnlijk nog niet droog en kunnen dus niet opgehangen worden, maar wel met plank en al op de vloer om ze zo te kunnen bekijken. ‘Welke is gelukt, is daar iets te veel….of te weinig…..’ Het gaat nooit om ‘de beste’, maar altijd om ‘waar zien we al dat…..’
(Je kunt dit niet bij iedere opdracht vragen, want er zijn opdrachten waarbij ‘het’ altijd lukt – een ‘gesprek’ tussen rood en blauw, bijv. -, maar bij een gerichte opdracht wél: het kind wil weten of het aan de opdracht heeft voldaan, m.a.w. dat het iets kan of net heeft geleerd. Je stelt als leerkracht een bepaalde eis: eisen zin er om aan te voldoen – daar hoeft het kind niet direct aan te voldoen, maar het wil wel weten waar het staat: dat is leren.)
Nu kun je de volgende dag dezelfde opdracht nog eens geven, maar dan gaan veel kinderen toch naschilderen van wat ze met elkaar wel de meest gelukte vonden. Je kunt dus ook een half jaar wachten om dan de hele reeks van 7 scheppingsdagen nog eens te maken, nu bijv. elke week in het schilderuur. Kortom: vele mogelijkheden.

Er zij licht!
Stralend geel, het goudgeel, maar ook het citroengeel. Misschien een kleine strook pruisisch blauw/donkerrood aan de benedenrand.

De scheiding tussen de wateren
Een ‘boven’ en een ‘onder, met blauwtinten naar boven lichter wordend, naar onder zwaarder, daar misschien weer dat vleugje donkerrood

*

De groene wereld
De onderrand groter en vanuit diep pruisisch blauw naar boven lichter wordend. Van bovenaf goudgeel, intenser wordend naar beneden, voorzichtiger wordend in het citroengeel, dat aftastend het pruisisch blauw ontmoet en groen wordt.
De lichtste kleur (citroengeel) ontmoet de donkerste kleur (het pruisisch blauw) en de groentinten ontstaan.
Ik heb eens het geluk gehad dat een kind zei: ‘Nu begrijp ik waarom de wereld groen is.’
De andere dag kun je het groen dan later verdichten tot donkergroen, afgewisseld met lichtgroen, kortom: allerlei groenen die een plantaardige vorm krijgen. ‘Je hoeft geen bestaande plant te schilderen, maar een vorm waarvan iedereen meteen zegt: dat is een plant of een struik of een boom.’

Dag en nacht
Uiteraard is er bijna nooit maar 1 mogelijkheid. Hier kun je de nacht nemen met veel blauw en een nieuwe techniek, het uitsparen van een vorm voor de maan of de sterren, want zonder uitsparing worden die groen, natuurlijk. Dan moet je veel dunnere penselen gebruiken. Dat geeft uiteraard bij de kinderen het gevoel dat ze weer meer gaan kunnen, want in de 2e kreeg je die niet!
Sommige kinderen probeerden de hemel donker te maken en naar beneden toe een soort zonsondergang met het warme geel en lichtere rood om tot een vorm van oranje te komen.

Vissen en vogels
Wat een mogelijkheden: allerlei blauwtinten voor hemel en water; allerlei verdichtingen die iets vis- en vogelachtigs verbeelden (kleine penseel). Vliegende vissen en zwemmende vogels!

De dieren
De aarde als vaste grond met pruisisch blauw en karmijnrood; het blauw tot groen wordend door het citroengeel; nu kan bijv. ook bruin erbij komen – mengvormrood, blauw en geel, maar welke? De kinderen kunnen op een apart vel de verschillende bruinen leren ontdekken. Bruin krijgt al gauw de overhand, dus met mate. Waar dan? Hier begeef je je met de kinderen voorzichtig op het vlak van de ‘kunstzin’.

De mens
Voor de mens hebben we een beetje rose nodig. Welk rood moet je dan gebruiken  En…een beetje: wit. Nu ben je toch wel een echte 3e klasser – als je ook met wit gaat werken.
Ook hier gaat het niet om een kant-en-klaar mens, maar om de aanduiding dat het onmiskenbaar om mensen gaat.

Dit is uiteraard, maar een van de mogelijkheden voor een schilderthema in klas 3 – hier n.a.v de vertelstof.

* deze schildering kan een voorbeeld zijn voor het thema, maar was dat oorspronkelijk niet
.

3e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas: vertelstof

1336-1248

.

.

VRIJESCHOOL – Gezondheid en ziekte

.

onverklaarbaar?

Er komt een patiënt met symptomen die je niet kunt thuisbrengen of bij wie de testen geen afwijkingen laten zien, maar toch heb je het gevoel dat er iets mis is. Maar wat? Is het iets lichamelijks dat nader onderzoek vraagt of worden de symptomen alleen maar beleefd door de patiënt, zonder lichamelijke oorzaak? Wanneer ook nader onderzoek, bij een specialist bijvoorbeeld, niets aan het licht brengt, was tot voor kort de conclusie: ‘Er is niks aan de hand. U moet ermee leren leven’. Niet ziek dus, maar gezond. Inmiddels heeft deze situatie de naam SOLK gekregen, somatisch onverklaarbare lichamelijk klachten. En kan daardoor, nu er een naam voor is, als toestand serieus worden genomen. Er zijn zelfs speciale ’SOLK-poliklinieken’ opgericht.

Het bestaan van lichamelijke klachten die niet lichamelijk zijn werpt een interessante vraag op: wanneer is iets eigenlijk een ziekte? En wanneer ben je gezond? Er kan iets in het lichaam niet in orde zijn zonder dat je er iets van merkt. Dan zul je niet zeggen dat je ziek bent. Zelfs als het gaat om een zich ontwikkelende kwaadaardige tumor. Pas wanneer deze, al of niet toevallig, wordt ontdekt, verschijnt die dreigend in het bewustzijn en zul je jezelf als ziek definiëren. En anders doe je dat pas wanneer je er wel iets van merkt. Je bent dus pas ziek wanneer een ziekte als gevoel of kennis in je bewustzijn terecht komt. Zoals je alleen honger hebt wanneer je honger voelt. Dus of een klacht nu lichamelijk verklaard of onverklaard is, maakt in principe niets uit voor de last die je ervan hebt. Ziek ben je wanneer je jezelf beleeft als ziek. Er zijn mensen met lichamelijke handicaps die zichzelf absoluut niet als ziek ervaren en er zijn mensen bij wie geen lichamelijke afwijkingen kunnen worden gevonden die zich wel ziek voelen. Zijn de laatsten nu ‘eigenlijk niet ziek’? Wanneer je ziek definieert als ‘bewustzijn van ziekte’, zijn ze dat wel degelijk en verdienen ze terecht de aandacht van de medische wereld. Een inzicht dat nu schoorvoetend doordringt.
Maar is dat ziektegevoel wel een statisch gegeven? Of het idee dat je gezond bent? Iedereen kan bij zichzelf nagaan dat dat lang niet altijd het geval is. Gehandicapt voel je je alleen wanneer je iets wilt waarbij je handicap in de weg staat. En veel ziekten ‘gaan vanzelf over’. Oftewel die overwin je op eigen kracht. En dat gezondmakende gevecht geeft juist een ziektegevoel, bijvoorbeeld in de vorm van koorts. Dat laatste is dus eigenlijk juist een bewijs van gezondheid. Sinds 1948 heeft de WHO een definitie van gezondheid die als volgt luidt: ‘een toestand van compleet welbevinden op fysiek, mentaal en sociaal niveau, en niet alleen de afwezigheid van ziekte en gebrek’. Een statisch ideaalbeeld dat voor de wereldbevolking nagestreefd zou moeten worden. Maar onhaalbaar en vooral, gezien het bovenstaande, onrealistisch. Het werd tijd dat er een andere definitie kwam en dat is nu gebeurd. Machteld Huber, huisarts en onderzoekster bij het Louis Bolk Instituut, is onlangs gepromoveerd tot doctor in de geneeskunde op een nieuwe dynamische definitie van gezondheid als: ‘het vermogen zich aan te passen en een eigen regie te voeren, in het licht van de lichamelijke, emotionele en sociale uitdagingen van het leven’. En dat is een definitie die hoop geeft dat een toestand die als ziekte wordt beleefd niet onoverkomelijk hoeft te zijn.
.

Arie Bos, gepensioneerd antroposofisch huisarts in Stroom, winter 2015

.

menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1318-1231

.

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie (18-3)

.

OVER HET GEHEUGEN

Het geheugen van de mens is nog altijd een moeilijk te doorgronden fenomeen.
Onthouden, vergeten – soms net niet helemaal: ‘het (woord, de naam) ligt me op de lippen’; ‘ik kan er (even) niet (meer) opkomen’ en andere uitdrukkingen; het drie- vierjarige kind dat vrijwel altijd van oma of opa wint met ‘memory’; de dementerende die niet weet dat hij dezelfde vraag twee minuten geleden ook stelde: we weten nog altijd niet hoe dat precies komt, m.a.w. wat geheugen, zich herinneren enz. is, is nog altijd om over na te denken en te onderzoeken. 
Dat is gebeurd en gebeurt nog steeds, dus zijn er ook vele gezichtspunten.

Voor de pedagoog en opvoeder ook een belangrijk onderwerp. Als je wilt dat kinderen dingen voor een langere tijd leren, moeten ze die kunnen onthouden, moeten die ‘in het geheugen worden geprent’. Of als het vaardigheden betreft: die moeten ze ‘onder de knie’ krijgen.

Maar hoe doe je dat dan het best? Of, wat belemmert het, wat werkt tegen.

Hier volgt een artikel van filosoof Douwe Draaisma:

HET GEHEUGEN LIJKT OP EEN HOLOGRAM

Herinneringen worden niet bewaard in een bepaald deel van de hersenen, zo hebben proeven aangetoond. Ze lijken overal en nergens in de grijze massa te zitten. Sinds de uitvinding van de holografie dringt zich de vergelijking op tussen ons geheugen en een hologram. Psycholoog Douwe Draaisma signaleert dat het hologram ook mystici bezighoudt.

Wie wel eens een hologram heeft gezien weet dat de eerste indruk betoverend is. Van een afstand zie je alleen een grijze plaat, kom je dichterbij dan zie je vanuit de diepte achter het hologram een voorstelling opdoemen die daar lijkt te zweven. Als je er langs loopt zie je telkens het perspectief veranderen, zodat je — anders dan bij een foto — werkelijk om de voorstelling heen lijkt te kunnen lopen. Toch hangt het ding gewoon aan de muur.

Holografie is een betrekkelijk recente uitvinding. De wiskunde die er voor nodig is werd aan het eind van de jaren 1940 ontwikkeld door Dennis Gabor, die er de Nobelprijs voor kreeg. Maar pas in de jaren 1960 was de lasertechnologie zo ver dat er echte hologrammen konden worden gemaakt.

Wanneer een bundel laserlicht rechtstreeks naar een gevoelige plaat wordt geleid en een andere bundel uit dezelfde laser pas op die plaat terechtkomt na teruggekaatst te zijn door het te fotograferen voorwerp, interfereren de twee bundels. Dit interferentiepatroon bevat de informatie over het voorwerp en ligt over de hele plaat verspreid.

Gabor noemde zo’n plaat een „hologram”, omdat ieder deel van de plaat de informatie bevat die nodig is voor de reconstructie van het gehele beeld (holos = geheel). Met een scherf van het hologram beschikt men in principe over het volledige beeld, al neemt de scherpte af naarmate de scherf kleiner is. Wie uit een hologram van Lincoln de oorlel wegsnijdt heeft in zekere zin dus nog de hele Lincoln.

Door deze eigenschap zijn hologrammen in hoge mate bestand tegen beschadiging. De informatie op het hologram is onherkenbaar gecodeerd: pas door de plaat te belichten met laserlicht van dezelfde golflengte wordt het beeld weer zichtbaar. In één plaat kunnen zeer veel beeldjes tegelijk worden opgeslagen. Niettemin is elk beeldje afzonderlijk zichtbaar te maken.

In de wetenschapsgeschiedenis is aan te wijzen dat de meest geavanceerde technische prestaties in een bepaalde periode telkens als analogie of metafoor hebben gefungeerd in wetenschappelijke theorieën. Zo werd in het begin van de 17e-eeuw het hart opgevat naar analogie met de pas geconstrueerde zuigperspomp.

Vooral in de psychologie zijn veel voorbeelden van dergelijke metaforen te vinden. Radio en radar hebben eertijds de theorievorming rond aandacht en waarneming beïnvloed en momenteel heeft de metafoor van de computer een groot aandeel in theorieën over de menselijke informatieverwerking.

Ook de holografie is al snel na de uitvinding als wetenschappelijke metafoor gebruikt en daarmee is vooral de naam van de hersenneuroloog Karl Pribram verbonden. In Languages of the Brain (1971) schrijft hij dat het hologram een aantal verschijnselen rond waarneming en geheugen begrijpelijk maakt die tevoren een volslagen mysterie waren. Aan de overtuigingskracht van de metafoor heeft vooral bijgedragen dat twee ogenschijnlijk tegenstrijdige bevindingen omtrent de localiseerbaarheid van geheugensporen zich binnen het holografisch idioom lieten verzoenen.

In de jaren 1950 ondernam de neuro-chirurg Penfield pogingen om bij epileptische patiënten de plek in de hersenen te vinden die verantwoordelijk is voor epileptische aanvallen. Tijdens de operatie liet hij zijn patiënten bij bewustzijn blijven. De schedel werd plaatselijk verdoofd en geopend. Daarna werd op verschillende plaatsen de buitenkant van de hersenen geprikkeld met een zwakke elektrische stroom. De patiënt moest intussen zijn gewaarwordingen beschrijven. Penfield hoopte zo kunstmatig een epileptische aanval teweeg te brengen. De zieke plek zou dan kunnen worden vernietigd.

Bureau
Penfield ontdekte echter ook dat als hij met zijn elektrode een deel van de hippocampus prikkelde, de patiënt zeer gedetailleerde herinneringen rapporteerde. Eén van hen zei bijvoorbeeld: „Oh, een alledaagse herinnering — ergens op kantoor. Ik zag de bureaus. Ik was daar en iemand riep iets naar me — een man die met een potlood in zijn hand op een bureau leunde.”

Deze verschijnselen zouden er op wijzen dat herinneringen op hooguit enkele neuronen vastliggen en dat er dus ontelbare, haarfijne geheugensporen bestaan. Die conclusie was echter in strijd met eerdere bevindingen.

De neuroloog Lashley had in de jaren 1920 onderzoek gedaan naar het geheugen van ratten. Hij leerde ratten de weg te vinden in een doolhof en verwijderde vervolgens delen van hun hersenen. Lashley hoopte door het systematisch versnijden van het rattenbrein uiteindelijk een geheugenspoor te vinden.

Dit hardhandige spoorzoeken had echter weinig succes. Welk deel van de hersenen Lashley ook wegsneed, de ratten bleven in staat om op de aangeleerde wijze door het doolhof te wandelen. Weliswaar nam deze vaardigheid af naarmate er een groter deel van de hersenen was verdwenen, maar met het geleerde bleek in ieder geval geen specifieke plek in de hersenen te corresponderen. Kennelijk zaten de sporen overal en nergens, wat voor een neuroloog op hetzelfde neerkomt.

Dat Lashley’s lancet geen sporen aantrof, terwijl Penfïelds elektrode juist zeer gedetailleerde sporen aan het licht bracht lijkt moeilijk met elkaar te rijmen. Hebben geheugensporen nu wel of niet een precieze lokalisatie? De
hologrammetafoor maakt het mogelijk beide onderzoekers een deel van het gelijk te geven en volgens de hersenonderzoeker Rosé wierp men zich dan ook met een „bijna hoorbare zucht van verlichting” op de nieuwe analogie.

Dat de geheugensporen kennelijk overal en nergens zitten komt overeen met de verspreiding van informatie over een hologram. Met een fragment kan de gehele voorstelling worden gereconstrueerd, zoals Penfield merkte, terwijl die voorstelling, zoals Lashley merkte, niet uit het geheugen is weg te snijden door een deel te verwijderen. Dat er niet plotseling afzonderlijke herinneringen wegraken, hoewel er volgens schattingen dagelijks zo’n vijftigduizend hersencellen afsterven, is precies wat we binnen de hologrammetafoor zouden verwachten.

Ook associatie is goed in de metafoor te passen. Sommige hologrammen maakt men door de combinatie van lichtstralen die elk door een ander voorwerp worden gereflecteerd. Als men het hologram vervolgens beschijnt met licht dat afkomstig is van het ene voorwerp ontstaat tevens een vaag beeld van het andere voorwerp. Als zich in de hersenen vergelijkbare processen afspelen zou dat kunnen verklaren waarom we ons de details van gebeurtenissen soms veel beter herinneren wanneer we terugkeren naar de desbetreffende plaats.

Tenslotte is er nog de grote informatiedichtheid van hologrammen. Pribram noemt al een cijfer van 10 miljard bits per cmen volgens hem is het dankzij deze technische analogie veel begrijpelijker geworden hoe tweeëneenhalf pond menselijke hersenen zo’n enorme hoeveelheid informatie kan bevatten.

Een andere discipline waar de metafoor van het hologram bruikbaar lijkt is de celbiologie. In de kern van al onze lichaamscellen ligt in de vorm van DNA-strengen ons gehele erfelijke materiaal opgesloten. Dat betekent dat met één willekeurige cel het geheel gereconstrueerd kan worden. Soms kan men het geheel er zelfs mee construeren.

In een vermaard experiment werd uit de darmcel van een kikker de kern weggenomen en in een eicel geplaatst. Uit deze eicel ontwikkelde zich een normale kikker. Evenzo zou men met een cel uit de oorlel van Lincoln in zekere zin over de gehele Lincoln beschikken — wat op zijn minst weer doet denken aan de principes van het hologram.

Rode draad
In Een nieuwe werkelijkheid. Het holografische model en andere paradoxen (K. Wilber, red. Uitgever: Lemniscaat, is een groot aantal artikelen en commentaren rond de metafoor van het hologram verzameld. Het boek bevat onder meer een artikel van Pribram zelf, een gesprek met Fritjof Capra over zijn Tao van de fysica en enkele interviews met David Bohm, die met behulp van het holografische model zijn fysische theorie uitlegt. Rode draad in het boek is de verwachting dat dit nieuwe model een verbintenis tussen natuurwetenschap en mystiek mogelijk zal maken.

Het hologram blijkt in kringen van mystici nogal wat te hebben losgemaakt. Om voor hen bruikbaar te zijn moest de metafoor wel enigszins uit zijn hengsels worden gelicht. Werden aanvankelijk de delen van het brein opgevat als scherven van een hologram, nu interpreteert men het brein zélf als een scherf en wel van, zoals men schrijft, het Grote Hologram, het universum.

Wie eenmaal deze stap heeft gezet — een kleine stap voor wie gewend is in kosmische dimensies te denken — kan vervolgens de holografische principes toepassen op: „helderziendheid, psychokinese, wondergenezing, tijdscontractie, extra snel leren, de ervaring van ’één-zijn met het universum’, de overtuiging dat de gewone werkelijkheid een illusie is, en beschrijvingen van een leegte die tegelijk vol is.”

Ter illustratie de toepassing van holografie op psychokinese. Daarover wordt gezegd: „er is evenmin behoefte aan een kracht in punt Y die een invloed uitoefent op punt Z, als de informatie die nodig is om het voorwerp in beweging te brengen, zich ook al in punt Z bevindt. Als de hersenen een hologram zijn dat een holografisch universum interpreteert, zijn buitenzintuiglijke waarneming en psychokinese onvermijdelijke aspecten van dat universum.”

Even verderop oppert men dan dat mensen als Uri Geller toegang hebben tot een „werkelijkheid die verschilt van die van ons, omdat in zijn werkelijkheid de dingen die volgens ons onmogelijk zijn, wel mogelijk zijn.”

Dit werd geschreven in 1978, dus nog vóór Gellers ontmaskering. Geller zou, zuiver door gedachtekracht, lepels en vorken kunnen verbuigen. Televisieopnamen brachten later aan het licht dat Geller onder zijn vingernagels een chemische stof verborgen hield die hij uitstreek op de steel. Dat die vervolgens kromtrok had dan ook niets met psychokinetische vermogens te maken.

De enige werkelijkheid waar Geller toegang toe had was de platte werkelijkheid van het bedrog en de hele affaire was de zoveelste bevestiging dat in de parapsychologie de verklaringen Toeval & Bedrog altijd aan het langste eind trekken. Bovendien: als het menselijk brein een scherf is van het Grote Hologram, waarom is dan niet iederéén paranormaal begaafd?

Zelfs als de metafoor van het hologram met meer terughoudendheid wordt gehanteerd, zoals in het hersenonderzoek, blijven er nog genoeg problemen over. De perceptiepsycholoog Gregory heeft bijvoorbeeld als bezwaar aangetekend dat het licht dat het menselijk oog binnenkomt in tegenstelling tot laserlicht niet gefaseerd is en dus niet holografisch kan worden vastgelegd. Ook als men namens Pribram antwoordt dat het niet om de fysica maar de logica van het hologram gaat, maakt zo’n tegenwerping duidelijk dat er nader onderzoek nodig is naar de punten waarop de vergelijking mank gaat.

Wastablet
Een ander probleem, meer filosofisch van aard, wordt evenmin opgelost met de metafoor van het hologram. Of we het geheugen nu voorstellen als een wastablet (zoals Plato deed) of als een hologram, onduidelijk blijft wie er naar het wastablet of het hologram kijkt. Wastabletten veronderstellen lezers, hologrammen toeschouwers. Dit is het probleem van de „ghost in the machine” en ook de metafoor van het hologram heeft dat spook niet kunnen verdrijven. Sommige problemen krijgen door nieuwe technologieën wel telkens een andere formulering, maar worden er niet door opgelost.
.

Herinneringen lijken in ons geheugen te worden bewaard als een hologram. Als een hologram, zoals hierboven van president Lincoln, in stukjes wordt geknipt geeft ook het kleinste stukje nog informatie over het geheel. Het beeld wordt alleen wat vager.

Douwe Draaisma in De Volkskrant 10-08-1985

geheugen en herinneren in menskunde en pedagogie nr. 18

.

1315-1228

.

.

VRIJESCHOOL – Zintuigen – levenszin (3-2)

.

Levenszin signaleert extremen

Zien doe je met je ogen, horen met je oren, proeven met je tong en ruiken met je neus, maar hoe weet je nu hoe je je lichamelijk voelt? Hoe je weet dat je honger hebt of dorst, misselijk bent of ‘niet lekker’ of ziek, of dat je gewoon naar de wc moet? Daar hebben we kennelijk ook een zintuig voor.
Maar niet een zintuig dat uiterlijk zichtbaar is als de ogen, oren, neus of tong. Je zou kunnen zeggen dat het hele lichaam hier als zintuig fungeert. Het is opvallend dat deze lichamelijke gevoelszin, waar we vreemd genoeg geen woord voor hebben, voornamelijk merkbaar is bij onraad. Want normaal merken we maar weinig van de levensprocessen zoals de spijsvertering of de bloedsomloop. Pas wanneer er iets aan scheelt: gebrek aan vocht of voedsel, kramp in de darmen of ander ongemak in een orgaan of in het hele lichaam, merk je dat je je binnenste kunt voelen. Wanneer iemand je vraagt hoe je je voelt en je even bij jezelf te rade moet gaan, betekent dat al dat je je kennelijk goed voelt. Anders had je dat wel geweten. Maar deze naamloze gevoelszin, die Rudolf Steiner ‘Levenszin” heeft gedoopt is niet alleen maar werkzaam als alarm. Er zijn ook momenten waarop je je juist (lichamelijk) heel goed kunt voelen. Wanneer je net gesport hebt bijvoorbeeld, of lekker gegeten of geknuffeld. Kennelijk signaleert de levenszin alleen extremen.

Waar zit die levenszin?
Er is dus geen eenduidig zichtbaar zintuig dat zorgt voor deze levenszin. Het wordt verzorgd door een geheel aan chemische en mechanische sensoren in de organen, bloedvaten en andere weefsels van het hele lichaam. Al die uiteenlopende signalen van die sensoren worden door verschillende zenuwen naar de hersenstam geleid. Die behoren tot de zogenaamde autonome zenuwen. Deze worden gewoonlijk beschreven als zenuwen waarmee de hersenen onbewust de werking van de organen regelen. Gelukkig is dat onbewust, je moet er niet aan denken dat je je daar ook nog mee bezig zou moeten houden. Dat zou niet lang goed gaan. Het opmerkelijke is dat de meeste signalen (tot wel 95 procent) naar de hersenen gaan in plaats van andersom. Er wordt dus veel meer terug gerapporteerd dan ‘van bovenaf geregeld. Dat geldt vooral voor twee belangrijke onderdelen: de Vaguszenuw en het zenuwnetwerk rond de darmen, het ‘enterisch zenuwstelsel’. Via de Vaguszenuw gaan vooral signalen van de organen, zoals het hart, naar de hersenen en veel minder van de hersenen naar het hart. Want, met uitzondering van de longen die afhankelijk zijn van de ademhalingsspieren, regelen de organen hun normale functie zelf. Ze worden hoogstens wat aangevuurd of afgeremd door de hersenen. Al die uiteenlopende rapportages ervaren wij als een geheel: hoe we ons voelen.
De hoeveelheid neuronen van het enterisch zenuwstelsel is ongeveer gelijk aan die van de hersenen. Dit zenuwstelsel wordt tegenwoordig wel het tweede brein genoemd. Misschien is om die reden wel gebleken dat van alle organen het de darmen zijn die de meest opdringerige en angstig makende vorm van ziektegevoel veroorzaken.

Organen, stofjes en stemmingen
De Amerikaans-Portugese neuroloog Antonio Damasio denkt dat deze informatie van het autonome zenuwstelsel niet alleen zorgt voor het gevoel van vitaliteit: of je je lekker voelt of niet, maar dat het ook invloed uitoefent op je grondstemming. Een gevoel dat van halfbewust zeer bewust kan worden als het om onlust gaat. Onze taal zit er vol mee en iedereen kent het fysieke gevoel dat erbij hoort. “Ik krijg er pijn in mijn buik van.” “Ik word misselijk bij het idee.” “De angst greep me beet.” “Mijn hart doet pijn als ik aan je denk.” “Ik deed het bijna in mijn broek toen ik het hoorde.” En ga zo maar door. Kennelijk krijgen niet alleen onze gedachten vorm met behulp van lichamelijke metaforen maar worden onze emoties en stemming ook door het lichaam en de organen gekleurd. Emoties worden veelal in verband gebracht met de verschillende neurotransmitters en hormonen. Veel organen maken hormonen en neurotransmitters en hebben zo ook buiten het autonome zenuwstelsel om invloed op onze stemming. Zo maakt het hart bijvoorbeeld oxytocine (het ‘hechtings- of ‘liefdeshormoon’) en daarmee kan het dus inderdaad de functie vervullen die we uit het taalgebruik kennen: het orgaan van de liefde. Ook dat kun je ‘fysiek’ ervaren. En de darmen (of waarschijnlijk de bacteriën in de darm) maken een stof die lijkt op valium. Zo kun je je behaaglijk voelen na een goede gezonde maaltijd.

Leren van je levenszin
Van de levenszin kun je dus leren. En wel over wat jou goed doet en wat niet. Dat is natuurlijk van belang om gezond te blijven. Vandaar dat je je ook niet lekker voelt als je langdurig stress hebt, of te lang doorwerkt. En dat kan de verwarrende sensatie geven dat je lichamelijk iets mankeert. Maar het meest interessant is misschien de vondst van Damasio dat het signaal uit het lichaam je ook waarschuwt of een situatie pluis is of niet. Om dat pluis- of niet-pluisgevoel te versterken moet je op je levenszin letten.

Arie Bos in Stroom, winter 2015
.

Arie Bos : ‘Hoe de stof de geest kreeg‘ ; ‘Mijn brein denkt niet, ik wel’

Levenszin

zintuigen: alle artikelen

.

1310-1223

.

.

VRIJESCHOOL – Bewegen in de klas (2)

.

De Vrije School Den Haag startte vier jaar geleden* met het project de ‘bewegende klas’. Bankjes blijken geschikt als hindernisbaan.

Meer bewegen leidt tot betere leerprestaties, zo claimen sommige wetenschappers. In het Duitse vrijeschoolonderwijs zijn bewegende klassen al heel normaal. Toen ze daar op de school van haar neefjes zag hoe goed het concept werkte, raakte leerkracht Annemiek de Leeuw razend enthousiast. Ze kreeg de ruimte om dit uit te proberen in haar eerste klas (groep 3) van de Vrije School Den Haag en inmiddels draait het experiment al voor het vierde jaar.
Elke dag begint ze met een soort apenkooi; een parcours van bankjes hoogopgetast of dienend als evenwichtsbalk. Vervolgens wisselen leerlingen zelf steeds de opstelling. Net naar wat nodig is: de bankjes in rijen achter elkaar als de juf iets uitlegt op het bord, of leerlingen gebruiken het bankje als tafeltje als ze moeten schrijven. “Het versjouwen van meubilair leidt niet tot chaos, want kinderen hebben vaste plekken en weten precies wat ze moeten doen”, vertelt De Leeuw, die veel voordelen ziet. “Zeker de eersteklassers [groep 3] zijn nog zo springerig, veel bewegen is gewoon een must. Bovendien krijgen de hersenen zo meer zuurstof en zijn leerlingen meteen gefocust na een evenwichtsoefening.”

Leren met je lijf
Leren gaat volgens haar beter als ze hun hele lijf en dus alle zintuigen kunnen gebruiken: leren met hoofd, hart en handen. “Door bijvoorbeeld in je handen te klappen, kun je op een heel natuurlijke manier leren rekenen.” Een kringopstelling als basis levert ook winst op: iedereen zit op de eerste rij. De Leeuw: “Ik zie alle leerlingen en zij zien elkaar, waardoor ze veel meer met elkaar verbonden zijn. Ze zijn minder snel afgeleid, doen actief mee en leren dus ook van elkaar.”
Als de resultaten inderdaad goed zijn, zal het concept op haar school worden uitgebreid naar andere klassen. Iets wat elke leerling toejuicht, aldus De Leeuw. “De anderen zijn namelijk stikjaloers, iedereen wil dit wel.” Ook andere scholen zijn geïnteresseerd. Volgens De Leeuw kan elke school hier haar voordeel mee doen: “Scholen hoeven niet meteen hun inrichting radicaal te veranderen, maar kunnen ook alleen die dingen eruit halen die bruikbaar zijn. Kom gerust eens kijken.”

Onlangs verscheen, op initiatief van Annemiek de Leeuw, de vertaling van het boek ‘Klas in Beweging’ van Martin Carle, €15,00, ISBN 9789402125016.

D van ’t Erve, in Onderwijsblad van de Aob, 21-03-2015

.

bewegen in de klas
L.L.. Oosterom over: beweging tussen persoon en wereld; kind leert bewegend de wereld kennen; sport

.

1309-1222

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opvoeding: jongens

.

Kinderen goed waarnemen is een pijler van het vrijeschoolonderwijs. Een schat aan gezichtspunten staat de leerkracht ten dienste.
Toch is iedere nieuwe bijdrage het waard om bestudeerd te worden en getoetst in de praktijk. Herken je aspecten. Dat kan je blik op het wezen van een kind weer verruimen en verdiepen.

Jongens zullen altijd regels overtreden

zegt Angela Crott. Ze nam honderd jaar opvoedingsliteratuur door.

Jongens halen lagere cijfers dan meisjes, haken eerder af op school en hebben vaker adhd. Verontrustend? Welnee, vindt Angela Crott, die honderd jaar opvoedingsliteratuur doorploegde. “Jongens zijn nu eenmaal jongens. Maar het onderwijs zou wel beter op jongens kunnen inspelen.”

De titel van je boek is ‘Jongens zijn ‘t.
Van Pietje Bell tot probleemgeval’.

Dus zeg het maar: welke van de twee is het?

“Volgens mij in elk geval géén probleemgeval. Maar zo worden jongens in de loop der tijd wel steeds vaker gezien, blijkt uit de opvoedingsliteratuur die ik voor mijn proefschrift heb doorgenomen.”

Vroeger werden ze meer gezien als Pietje Bell?

“Zeker. In de jaren dertig wordt in opvoedingsboeken gesteld dat ‘volgzaamheid en bravigheid’ nu eenmaal geen eigenschappen van jongens zijn. Jongens willen grenzen overschrijden en streken uithalen.”

En daar had niemand problemen mee?

“Nou, rond 1930 werden de eerste Medisch Opvoedkundige Bureaus opgericht. Ouders met jongens die heel druk en ongehoorzaam zijn – dat noemden we toen ‘zenuwachtigheid’ – beginnen de weg naar die bureaus te vinden. Rond die tijd zie je in opvoedkundige literatuur ook het woord ‘moeilijkheden’ in de titel verschijnen als het over jongens gaat. Jongensgedrag begint dus een beetje als een probleem te worden gezien, maar veel stelt het nog niet voor.”

Grote omslag

En dat veranderde?

“De grote omslag kwam in de jaren zeventig, met de opkomst van de emancipatie. Er verschijnen rond die tijd ook geen boeken meer die specifiek over het opvoeden van jongens gaan. Er verschijnen alleen boeken waarin jongens- en meisjesgedrag met elkaar wordt vergeleken. En waarin veel wordt geschreven over één specifieke eigenschap van jongens: agressie.”

Ah, en die eigenschap is een probleem natuurlijk

“Ja, want dat moet worden afgeleerd. In die agressie zit immers hoogmoed en baldadigheid besloten. Baldadigheid is niet goed, en hoogmoed mag helemaal niet meer: een jongen moet vooral niet denken dat hij meer is dan een meisje.”

Tja, wij mannen gaan al meer dan tweeduizend jaar voor onze beurt

“De heersende mening was dat vrouwen worden onderdrukt, en dat moest maar eens afgelopen zijn. Dan kón ook, volgens de nurture-theorie die toen in zwang kwam – de theorie dat gedrag vooral een kwestie is van opvoeding. Jongens en meisjes zijn hetzelfde, op een miniem lichamelijk verschil na, dus kunnen ze ook leren zich hetzelfde te gedragen.”

Oké…

“Jongens moesten hun haantjesgedrag afleren en meisjes hun verlegenheid. Er werden ook emancipatiewerkers ingezet, die sekseneutraal gedrag moesten bevorderen. Ouders, grootouders en leraren moesten zich realiseren dat ze jongens specifiek jongensgedrag aanleren. Als dat zou veranderen, kwam alles goed en zou er een vredelievende maatschappij ontstaan.”

Jongens moesten met poppen gaan spelen. meisjes met auto’s

“Ik geloofde daar toen zelf ook in. Ik dacht: ik ga eens even mijn schouders onder de emancipatie zetten, en heb poppen gekocht voor mijn twee zoons. Maar die bleken auto’s toch interessanter te vinden. Toen begon ik in te zien dat er een grote nature-component in hun gedrag zit: Pietje Bell-gedrag is voor een groot deel aangeboren.”

Lawaai maken

Tot zover de idealistische jaren zeventig. En wat zegt de opvoedingsliteratuur van nu over jongens?

“Het debat over nature en nurture woedt nog steeds. En in het onderwijs wordt steeds vaker de vraag gesteld of juffen wel kunnen omgaan met typisch jongensgedrag. Van dat gedrag had ik trouwens zelf ook last toen ik ging lesgeven.”

Vertel!

“Tussen 1975 en 1980 heb ik voor de klas gestaan. En dat jongens zó druk zijn, van hun stoel vallen niet luisteren en lawaai maken, dat hadden ze me op de pedagogische academie niet verteld.”

Daarom ben je ook gestopt?

“Eerlijk gezegd was dat wel een van de redenen. Want er zaten een paar exemplaren bij…”

Je begreep die jongens niet?

“Inderdaad. Als je zelf geen jongen bent geweest, weet je niet hoe leuk het is om een ruitje in te gooien, om dingen te doen die niet mogen. Daar ben je als meisje veel te gehoorzaam voor.”

Wat kunnen juffen doen om beter met jongens om te gaan?

“Opvoedkundigen zijn heel goed in het geven van adviezen. Er wordt bijvoorbeeld gezegd dat je jongens om het kwartier even moet laten bewegen. Maar hoe moet je dat doen? Je kunt ze moeilijk elk kwartier een rondje door de klas laten rennen.”

In je boek geef je een paar tips die wél uitvoerbaar zijn

“In de eerste plaats: structuur bieden. . Gewoon zeggen wat wel mag en wat niet mag. En niet teveel praten, want dat vinden jongens al snel gezeur. Verder moet je met jongens vooral dingen doen, dingen beleven. Jongens houden ook erg van stoeien en aanraken, dat is hún manier van communicatie. En humor is heel belangrijk. Als je jongens op een humoristische manier benadert, zijn ze best bereid om even gehoorzaam te zijn.”

Stoer

Je pleit ook voor korter onderwijs

“De leerplicht zou verlaagd moeten worden tot 15 jaar. In allerlei
opvoedingsboeken, tussen begin vorige eeuw en nu, komt steeds terug dat jongens rond 15 jaar de brui aan school geven. Maar omdat ze tot hun achttiende in het onderwijs moeten blijven zitten, ontstaan er problemen. Ze worden ongemotiveerd, stromen af of vallen uit.”

Eh, maar dan? Op je vijftiende aan het werk, zonder diploma?

“Ik pleit voor het herinvoeren van de ambachtsschool. Er zijn nu eenmaal jongens die graag willen aanpakken, die graag dingen willen doen. En die dan graag snel aan het werk willen, om wat te betekenen in het leven. Zo van: kijk mij, ik ben geweldig. En dat zijn ze toch ook? Maar goed, verlaging van de leerplicht is geen populaire boodschap. Er stelde laatst nog iemand voor om de leerplicht te verhogen tot 23 jaar. Als je nog meer boze jongens wilt hebben, moet je dat vooral doen.”

Over omstreden boodschappen gesproken: je pleit ook voor gescheiden onder wijs aan jongens en meisjes

“Zeker. Want jongens hebben niets tegen meisjes, maar ze willen er ook niet mee concurreren – omdat ze dat vaak verliezen. In gemengde klassen gaan jongens zelfs onderling concurreren om dan maar het laagste cijfer te halen. Een 1 is heel erg stoer: een ‘paal’. De stoerste jongen haalt ‘zoveel palen dat je er een snelweg mee kunt aanleggen’. Uit Amerikaans en Engel onderzoek blijkt dat jongens in gescheiden onderwijs veel beter gaan presteren.”

En gaan ze zich ook beter gedragen?

“Ha, nee, dat niet. Jóngens zullen altijd dt schoolregels blijven overtreden. Ze willen uitdagen, de boel opschudden en kijken wat er dan gebeurt. Jongens blijven nu eenmaal jongens. Maar laten we eens ophouden met dat als probleem te zien.”

Interview: Rob Voorwinden, in Onderwijsblad Aob, 11 mei 2013

.

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1298-1211

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Hemelvaart (29)

.

HEMELVAART

Wat schiet u te binnen bij het woord Hemelvaart? Ja precies, dat is een vrije dag! Dat was ook mijn eerste gedachte. En verder blijft de achtergrond toch wel in het vage. Volgens de christelijke traditie was dit de allerlaatste dag waarop Jezus in zijn aardse verschijningsvorm werd gezien. Niet direct iets om te vieren als een feestdag.

Ingebed tussen Pasen en Pinksteren, twee feesten met een indrukwekkend thema, verdwijnt Hemelvaart wat uit beeld. Ook in de beeldende kunst heb ik geen afbeelding kunnen vinden die deze bijdrage zou kunnen illustreren. Wat moeten we eigenlijk met de voorstelling van iemand die voor onze ogen opstijgt en door wolken aan het gezicht wordt onttrokken en tenslotte nooit meer door mensenogen gezien wordt?

Des te merkwaardiger is het dan dat dit thema toch herhaaldelijk opduikt. Ook de profeet Mohammed werd ten hemel gevaren en de joodse profeet Elias. Maar nog veel verder terug in de tijd, nog voor de zondvloed, wordt gesproken over Henoch. In de lijst van stamvaders die tot Noach voert, is Henoch de 7-de. Hij bereikt een leeftijd van 365 jaar en sterft niet, maar wordt om zijn vroomheid door God van de aarde weggenomen. Als we denken aan 7 dagen in de week en 365 dagen in het jaar dan ontmoeten we hier een oeroud cyclisch patroon.

Daarmee komen we wellicht dichter bij de wezenlijke betekenis van Hemelvaart. We kunnen ons voorstellen dat hier sprake is van een kosmisch principe dat alle aardse wetmatigheden overstijgt. Iets dat opkomt en ondergaat, maar- nooit vergaat! Het eeuwig leven waar Jezus herhaaldeiijk op zinspeelt. Is Jezus zélf ook niet een kosmische kracht?

De feitelijke verhalen, de Evangeliën, zijn verre van eensluidend. Zij zijn vaak overgeschreven uit oudere bronnen en verschillende talen gaven weer grond tot verwarrende interpretaties. Maar waar het ons om gaat, is het uiteindelijk beeld dat zich gevormd heeft, ja dat zich zo móest vormen. Daardoor heeft Jezus’ dood, verrijzenis en hemelvaart zich in een oeroud kosmisch patroon ingevoegd. Daardoor heeft de mystieke betekenis van Pasen, maar ook van Hemelvaart nog niets aan kracht ingeboet.

Met Pinksteren herdenken wij dat de bezielende geest neerdaalde op de apostelen en hun metgezellen in de vorm van vurige tongen. Het kan, ons opvallen dat de Joden op diezelfde dag reeds iets anders herdachten, namelijk de wetgeving van Mozes aan het volk op de berg Sinaï. In zekere zin in beide gevallen een vorm van geestelijke loutering. In beide gevallen vergezeld van vuur; de ene keer de reeds genoemde vurige tongen, de andere keer de bliksemflitsen.

Zoals het water de lichamelijke reiniging symboliseert, zo staat vuur voor de geestelijke reiniging. Pinksteren kan ons een vonk van inzicht schenken. Door Pinksteren kunnen wij ervaren hoe wij zelf deel uitmaken van de kosmos. Het kan ons vertwijfeld doen neerzitten om onze nietige onbelangrijkheid, maar het kan ons ook in dankbare eerbied doen opzien in het besef dat wij daar een deeltje van mogen zijn.

Harrie Vens, nadere gegevens onbekend

.

Hemelvaart – Pinksteren: alle artikelen

jaarfeesten: alle artikelen

1294-1208

.

.