Categorie archief: Uncategorized

VRIJESCHOOL – Willem Frederik Veltman

.

Op 28 mei 2019 bereikte mij het bericht dat op 24 mei Willem Veltman is overleden.

WILLEM FREDERIK VELTMAN
07-02-1923                     24-05-2018

Een persoonlijk dankwoord

In 1969 hoorde ik voor het eerst een voordracht van hem over de vrijeschoolpedagogie. Voor mij waren zijn woorden zeer inspirerend en enthousiasmerend.
Ik kreeg de gelegenheid om in het najaar van dat jaar de applicatiecursus vrijeschoolleerkracht te volgen aan de Haagse vrijeschool. Veltman gaf daarin Nederlandse literatuur, toneelspelen en antroposofie. Hij opende werelden voor mij. Steiners ‘dramatische cursus’ was toen al ‘vlees en bloed’ voor hem en door zijn bezielde manier van werken, haalde hij onvermoede talenten in ons omhoog. We leerden allerlei vormen van reciteren – nog zie ik hem ‘Stil, wees stil, op zilveren voeten…..(Boutens) voordoen; hoe we ‘Der alte Hexenmeister’ (Goethe) speelden – nog hoor ik hoe zijn ‘Besen, Besen seids gewesen’ machtig door de grote zaal van de school weerklonk. Met hem maakten we van het sprookje ‘De drie sinaasappelen’ een toneelstuk dat we ook opvoerden.

Zeven jaar lang mocht ik in Den Haag zijn collega zijn.
Hij was ook nog een jaar mijn ‘huisbaas’. Ik kon in zijn huis en dat van zijn voor mij ook onvergetelijke vrouw Hanna† met wie hij toen gehuwd was, aan de Badhuisweg 104 in Schevingen, een klein kamertje betrekken, toen ik in augustus 1970 met mijn allereerste eerste klas begon.
Wij – mijn vriendin Catherine – dit jaar al 48 jaar mijn partner – en ik aten regelmatig mee in het gezin en we waren er een keer bij dat Wim met Oudjaar ‘Scrooge’ uit Charles Dickens’ A Christmas Carol voorlas, d.w.z. hij wás wat hij vertelde.

In Steiners GA 295 wordt n.a.v. het cholerische temperament aan hem gevraagd of hij de scène tussen Napoleon en zijn secretaris wil vertellen. Steiner antwoordt: ‘Dan zouden we eerst toestemming moeten vragen aan de bouwcommissie!

Daar moest ik de andere dag aan denken, toen de avond ervoor – het was zeker al middernacht – Wim – thuiskomend van een cursus of voordracht – met bulderende stem verslag deed van de diefstal van zijn brommer. De scheldwoorden aan het adres van de dief – ik zal ze hier niet herhalen – deden ons stijf overeind in bed zitten. Ook ’s morgens was de woede daarover nog niet bekoeld.

In de m.n. ‘zakelijke’ vergaderingen op school kon je van tijd tot tijd zijn intense betrokkenheid bijna aan den lijve ervaren. Dan kon het in discussies met anderen – ook vaak begaafde sprekers – fel toegaan.
In het begin dacht ik dan: ‘Die kijken elkaar nooit meer aan!’. Ik was zeer verbaasd dat er dan ’s morgens weer volkomen normaal met elkaar werd omgegaan: geen spoor van de tegenstellingen van de vorige avond.

Toen ik hem daar eens naar vroeg, antwoordde hij: ‘We strijden niet tegen elkaar, maar voor de zaak.’

Mijn herinneringen aan hem zijn ook onlosmakelijk verbonden met ‘De kerstspelen’. Niet alleen was het een bijzondere ervaring om onder zijn leiding mee te spelen, maar ook wanneer hij zelf meespeelde. Zijn ‘Herodes’ zal ik nooit vergeten.

Zoals zoveel niet: zijn gloedvolle lezingen op zondagmorgen in het Haagse Diligentia; zijn inspirerende uiteenzettingen over Steiners mensbeeld; zijn grote kennis van allerlei onderwerpen: de hiërarchieën; Chartre, Shakespeare, Goethe. Te veel om hier op te noemen.
Ze staan uitvoerig beschreven op zijn website.

Wim wás vrijeschool, wás antroposofie: voor mij was hij een grote bron van inspiratie.

Ik ben hem veel dank verschuldigd.

VAN HARTE DANK, WILLEM

Website W.F.Veltman

.

1610-1509

.

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – geschiedenis (2-1/2)

.

HeT ontstaan van DE boekdrukkunst (II)

Gutenberg of Coster?

Juist omdat de uitvinding van het drukken met losse letters van onschatbare waarde is, hebben vele Europese landen zich de eer van die uitvinding willen toe-eigenen. Het zal u bekend zijn dat men als uitvinder meestal Gutenberg (Duitsland) of Coster (Nederland) noemt. De traditie heeft voor beiden het jaar van uitvinding op 1440 gesteld, hoewel daarvoor geen duidelijke aanwijzing bestaat.

Over de vraag wie van beiden de werkelijke uitvinder is, zijn vele boeken en artikelen geschreven. Ten aanzien van de identiteit van de uitvinder hebben onderzoekers een schat aan bewijzen verzameld. Hiervan heeft echter slechts een klein deel directe bewijskracht. Wanneer men nu vraagt wie na al die onderzoekingen als uitvinder naar voren komt, moet het antwoord luiden dat het niet absoluut zeker is wie recht heeft op het predikaat van uitvinder der boekdrukkunst. Uit de talrijke onderzoekingen van het vele materiaal blijkt echter wel dat Johann Gutenberg de meeste aanspraak op de eretitel maakt!

Dat men niet zeker weet wie de uitvinder is, komt doordat die uitvinding onopvallend heeft plaatsgevonden. Het is toch eigenlijk een vreemde zaak dat de uitvinder zelf zo weinig ruchtbaarheid aan zijn vinding heeft gegeven, terwijl hij over het best denkbare middel tot publikatie beschikte.

Johann Gensfleisch (of: Gansefleisch) Gutenberg werd omstreeks 1400 in Mainz geboren (men neemt wel aan 24 juni 1400). Hij vestigde zich waarschijnlijk ongeveer 1430 als banneling in Straatsburg. Hier vinden we de eerste aanduidingen dat hij proeven nam met boekdrukken.

Uit de stukken van een proces uit 1439, waarbij Gutenberg betrokken was, vernemen we dat hij enkele jaren tevoren een compagnonschap was aangegaan met twee personen die hij in enkele ambachten zou opleiden. De originele verslagen van dit proces zijn bij de inneming van Straatsburg door de Pruisen in 1870 verloren gegaan, zodat we moeten steunen op de tekst uit de tweede hand. Bij een later proces in verband met de dood van een van die compagnons komen we enkele – zij het vage – zinspelingen tegen over de aard van de onderneming. We kunnen daaruit echter afleiden dat de werkzaamheden te maken hadden met het uitwerken van een bepaalde werkwijze die verband hield met het drukken.

Het is niet met zekerheid bekend waar Gutenberg verbleef nadat hij uit Mainz was weggetrokken. Vertoefde hij in de buurt van Mainz? Is hij naar Holland gegaan, waar hij kennis heeft gemaakt met de boekdrukkunst van Coster? Dit zijn slechts enkele van de veronderstellingen!

In 1455 komen we hem weer tegen, nu als aangeklaagde in een proces. In 1450 had hij een groot bedrag geleend van een zekere Johan Fust, goudsmid en geldschieter in Mainz, met het doel ‘zijn werk te voltooien’. In die tijd was de schoonschrijver Peter Schöffer bij Gutenberg in dienst, een knap man die er veel toe heeft bijgedragen om de boekdrukkunst praktisch bruikbaar te maken. Fust kon veel beter met Schöffer opschieten dan met Gutenberg. Bovendien was Schöffer de schoonzoon van Fust!

In 1452 had Gutenberg nogmaals een groot bedrag van Fust geleend. In het proces eiste deze o.a. terugbetaling van het geleende bedrag plus rente. Uit de stukken van deze zaak weten we dat de onderneming een drukkerij betreft. Er wordt o.a. gesproken over uitgaven aan perkament, papier en inkt.

Hoe het proces ook afgelopen mag zijn, het is een feit dat Fust en Schöffer de voornaamste drukkerij in Mainz bezaten toen de drukkunst het stadium van proefnemingen had verlaten!

De zgn. Gutenbergbijbel is overal beschouwd als het eerste boek dat in Europa is gedrukt. Het is dezelfde als de ’42-regelige Bijbel’, die zo heet omdat de meeste pagina’s 42 regels per kolom tellen. De mening dat deze als het eerste in Europa gedrukte stuk moet worden beschouwd, is achterhaald. Al zo’n tien jaar eerder zag het ’Wereld-Oordeel’ het licht: een 74 pagina’s tellend boek. Er zijn trouwens nog vele andere werken vóór de Gutenbergbijbel verschenen. Er bestaat in elk geval een Duits calendarium dat men op 1448 kan dateren.

De verschijningsdatum van de genoemde werken berust op gissingen. Het eerste gedateerde boek dat we kennen, is uit 1454.

In 1457 gaven Fust en Schöffer een prachtig werk uit, te weten het Psalterium. Aan het slot van dit psalmboek stond vermeld dat dit werk was vervaardigd door middel van de kunst van het drukken met losse letters, uitgevonden door Fust en Schöffer. De naam Gutenberg werd niet eens genoemd!

Om nog even terug te komen op de Gutenbergbijbel; na langdurige studie menen vele geleerden te mogen veronderstellen dat deze – op zijn minst gedeeltelijk – door Johann Fust is gedrukt!

Sommige al te geestdriftige pleitbezorgers hebben aan het bewijsmateriaal ten gunste van Gutenberg nadeel berokkend door een aantal documenten te vervalsen. Deze vervalsingen zijn als zodanig onderkend en hebben ertoe geleid dat men ging twijfelen aan de echtheid van alle bewijsstukken.
.

P.J.van der Horst, Vacature, nadere gegevens onbekend
.

Deel 1   deel 3    deel 4

Geschiedenis klas 7alle artikelen

.

1592-1491

.

.

VRIJESCHOOL – Ritme (3-12)

.

De onmacht van kalender en klok

Bewustzijn voor ritme en regelmaat

Een kort krantenbericht uit de afgelopen vrieswinter*: op Ameland maakt men normaal zijn afspraken in samenhang met de aankomst en afvaart van de boot: ‘we zien elkaar morgen bij de vroege boot’. Toen de boot bij de ijsgang niet meer varen kon, ontstond er een ander tijdsbewustzijn: we zien elkaar morgen om kwart over tien. Hier een abstracte aanduiding met behulp van het horloge, daar een aansluiting aan een concrete waarneming, die in het gewoonteleven verankerd lag.

Deze twee manieren om de tijd te ervaren doordringen ons hele leven. Op de voorgrond treedt de meetbare tijd. Het werk in werkplaatsen en fabrieken wordt ernaar ingedeeld, de lonen zijn uurlonen. Voor de vrije beroepen en de hogere functies in het bedrijfsleven gelden andere maatstaven: de kwaliteit van het werk, de ervaring en bijzondere capaciteiten worden uitgedrukt in het honorarium, maar de uiteindelijke waardering blijft kwantitatief. De status van velen wordt door de hoogte van het inkomen bepaald. [1]

Kwantiteit beheerst voor een groot deel ons uiterlijke leven. Toch kennen wij allen de uren, die we nooit vergeten omdat er iets wezenlijks voor ons leven gebeurde. Die uren worden niet gewaardeerd naar hun lengte, hun kwantiteit, maar naar hun kwaliteit. Ritmische herdenking van deze uren en dagen (bijvoorbeeld geboorte, huwelijk, enzovoort) vormt een wezenlijk bestanddeel van ons zielenleven. De oorspronkelijke gebeurtenis wordt telkens herhaald met alle gevoelens die er bij horen. Tot ze hun kracht beginnen te verliezen en tot routine worden. Routine werkt leven-slopend; ritme werkt leven-bevorderend.

Ritme is geen regelmaat. De klok kent regelmaat, het hart kent ritme. Het hart is nooit regelmatig. Door bepaalde gevoelens, door veranderende fysieke omstandigheden (maaltijden, slaap), gaat het sneller of langzamer kloppen. Maar het staat altijd in een zekere verhouding tot de ademhaling, namelijk één in- en uitademing op vier hartkloppen.

Dit fundamentele ritme van ons lichaam heeft merkwaardige samenhangen met een kosmisch ritme: 18 ademhalingen per minuut (uitgaande van 72 polsslagen) worden 1080 per uur, dat is 25920 per etmaal.

Het voorjaarspunt (het punt op de dierenriem waar de zon opkomt als dag en nacht in het voorjaar even lang zijn), verplaatst zich elk jaar een heel klein beetje, elk jaar 50 sec van de gradenboog. Dat wordt in 2160 jaar 10800 sec = 1800 min = 30°, dat is één teken van de dierenriem. 12 x 2160 jaar heeft het voorjaarspunt nodig om op dezelfde plaats weer terug te komen, dat is 25920 jaar. Dit zijn evenveel jaren als het aantal ademhalingen van de mens per etmaal. Dan heeft ons zonnestelsel één werelddag doorgemaakt.
Voor wie zich van deze samenhangen rekenschap geeft, wordt het duidelijk hoe sterk de mens in zijn ritmen met zon en aarde verbonden is. Ritmisch beleven van de tijd betekent dus verbinding met de wereld waaruit wij stammen. Deze verbinding wordt ons normaal niet bewust. Ze bestaat in de levensprocessen. Het bewust maken ervan kan het gevoel van verbinding met de wereld om ons heen versterken.

Er zijn andere ritmen, die meer in het bewustzijn liggen. Ze hangen eveneens samen met de verhoudingen in ons zonnestelsel en betreffen achtereenvolgens de tijdsritmen van dag, week, maand en jaar. Wat is het kenmerk van deze ritmen?

Allereerst leven we van dag tot dag zo, dat we van slapen gaan tot slapen gaan leven of van wakker worden tot wakker worden. Dat is een bewustzijnswisseling, verwant met in- en uitademen. We worden wakker en ademen met onze zintuigen de wereld om ons heen in, we gaan slapen en ademen uit. Aan het waken en slapen worden we ik-bewust. Wie niet goed slaapt en niet goed wakker is, verliest snel zijn ik-bewustzijn. Men denke hierbij aan het niet laten slapen van politieke gevangenen bijvoorbeeld.

Week-ritme

Een tweede ritme is dat van de week. Dit lijkt op zichzelf in ons organisme geen grondslag te hebben. het is meer psychisch. Er zijn in ons lichamelijk organisme wel grondslagen voor aanwezig, maar die liggen niet zo aan de oppervlakte als het ritme van de dag.
Men kan hier bijvoorbeeld denken aan de zeven jaren, waarin zich telkens een nieuwe levensfase, ook lichamelijk, openbaart. De namen van de weekdagen verwijzen ons naar de planeten. Maar dat zegt voorlopig niet meer dan dat men er vroeger een samenhang met de planetengoden in zocht.

Kan men een weg vinden om nu weer een verhouding tot dit getal zeven te krijgen? Hier ligt een van de belangrijkste vragen omdat telkens weer voorgestelde kalenderhervorming ook inhoudt dat het ritme van de week doorbroken wordt. Het historische gezichtspunt, dat hier terecht geldt, komt in een volgend artikel ter sprake. Hier kan voorlopig een volgende proefneming worden aangeduid om tot een begrip voor dit psychische ritme te komen.

Wie bijvoorbeeld een artikel moet schrijven of een lezing houden, kan drie dagen besteden aan het verzamelen van materiaal en daarna drie dagen aan de manier waarop men dit materiaal verwerken zal om dan op de zevende dag het artikel te schrijven of de lezing te houden. Juist omdat dit ideaal vaak niet te verwerkelijken is, kan men de resultaten vergelijken wanneer het werk wel of niet zo voorbereid is. Dit ritme geldt voor alles waarin wij productief moeten zijn. Een week als voorbereiding! De oer-productiviteit, de schepping van de wereld wordt beschreven in zeven dagen. Zou dat een waardeloze mythe zijn?

Laten we dit getal zeven nog eens bezien van de kant van de namen der planeten. We zagen reeds bij dag en nacht, bij in- en uitademing, dat ritme ook berust op polariteit, activiteit en passiviteit. Het oerbeeld hiervan vond Goethe in de plant. De plant heeft als oervorm het blad. Ritmisch afwisselend trekt zich dit samen of breidt het zich uit (zaad – kiemblad – stengel – blad – knop – bloem -vruchtbeginsel – vrucht). Als we nu de planetennamen in de week bezien, verschijnen de snellopende planeten (maan, mercurius, venus) afwisselend met de langzaamlopende (mars-jupiter-saturnus). De zon staat dan in het midden. Opnieuw een ritme in polariteit. De week verloopt ritmisch met de zon als rustpunt, de zondag als rustdag.

Eén enkel punt moet hier nog worden genoemd. Een zevenhoek is de eerste meerhoekige figuur, die niet exact-mathematisch te construeren is. Het getal 7 ontsnapt aan de ruimte en gaat zich in de tijd bewegen. Vandaar misschien dat het getal 7 in ons ruimtelijk organisme niet te vinden is?

Het derde ritme is dat van de maand, ten naaste bij dertig dagen. Het ritme van de maan is ruim 29 dagen. Hier klopt het dus niet precies. Het maanritme van ruim vier weken vinden we in eb en vloed weerspiegeld en in de vruchtbaarheidscyclus van de vrouw. Bovendien in het ontkiemen en groeien van de planten (zie de zaaikalender van Maria Thun). Het heeft dus kennelijk met onze levensprocessen te maken, nog iets minder bewust dan het zielenritme van de week. Levensritmen verlopen trager dan zielenprocessen, zoals zielenprocessen trager verlopen dan bewuste gedachtegangen en daden.

Tenslotte als vierde het ritme van het jaar. Dit richt zich naar de zon. We tellen onze jaren naar de ouderdom van ons fysieke lichaam. Telkens als de aarde één tocht rond de zon volbracht heeft is er één jaar verstreken. Op merkwaardige wijze hangt dit jaarritme weer samen met het getal 7. Na de eerste 7 jaar wisselen we onze tanden, na nog eens 7 jaar treden we in de puberteit en na nog eens 7 jaar is onze lichamelijke ontwikkeling voltooid. De verdere 7-tallen voltrekken zich meer merkbaar in de psychische sfeer maar toch ook meer verborgen in het lichamelijke.

Het jaar heeft ook zijn samenhang met het getal 4 van de maand in zijn vier jaargetijden. Zo heeft ook de dag vier perioden: nacht, morgen, middag en avond.

Samenhang

Ook dit is een kenmerk van levend ritme: de verschillende ritmen hangen met elkaar samen, maar ze gaan nergens in elkaar op. Het jaar is geen compleet aantal dagen (365, 2422), de maand is niet precies vier weken en ook geen geheel aantal dagen. Evenzo is de week geen geheel aantal dagen van 24 uur. Geen enkele dag is van zonsopgang tot zonsondergang even lang als de andere. Het lengen en korten van de dagen hebben we allemaal in ons bewustzijn, voorzover het langer of korter licht is. Maar het leeft minder in ons bewustzijn dat een dag duurt van zonsopgang tot zonsopgang en dat dat elke dag verandert, veel in voor- en najaar, weinig in winter en zomer. Daaruit volgt dat ook de week van zonsopgang op zondag tot zonsopgang op de volgende zondag van december tot juni steeds langer wordt en daarna steeds korter. De jaren zelf zijn alle even lang, maar de dagen, weken, maanden passen er niet in. Om het min of meer passend te houden hebben we schrikkeljaren nodig, die dan bij een eeuwwisseling weer uitvallen. Maar helemaal kloppen doet het nooit.

Dit is het kenmerk van ritme tegenover regelmaat: het eerste klopt nooit helemaal. Levensprocessen zijn bewegelijk.

Onze kalender weerspiegelt dat levende nog min of meer: de maanden zijn niet even lang, de paasdatum verschuift, op onregelmatige tijden zijn er feestdagen op een werkdag. Elke verstarring hiervan mag misschien voor industrie en zakenleven voordelen bieden, misschien is het ook gemakkelijker voor de statistiek, maar we worden er steeds verder door van het leven verwijderd.
.

J.Knijpenga, Jonas 15, *26-03-1976
.

[1] Merkwaardig is dat hier, waar een kwaliteitselement zich gaat uitdrukken in kwantiteit, door steeds meer mensen een onbillijkheid wordt beleefd. Waarom geven bepaalde kwaliteiten recht op een hogerre kwantiteit aan inkomen?

.

Ritme: alle artikelen

.

1588-1487

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over euritmie (GA 306)

.

RUDOLF STEINER OVER  EURITMIE

Rudolf Steiner hield een aantal voordrachten over euritmie.
Ze zijn in de GA genummerd: 277*; 277A; 278 en 279

Ook in de pedagogische voordrachten spreekt hij bij tijd en wijle over euritmie. Uit deze voordrachten: GA 293-311 staan hier zijn opmerkingen.

GA 306

Beknopte inhoud:
blz. 187-190: over kunstzinnig spreken, reciteren, declameren;
blz. 190: verschil met dans; het individuele van de  euritmist

blz. 199: euritmie wil zichtbare taal, zichtbaar zingen zijn;
blz. 200202: euritmiebewegingen: de vormen van de luchtstromen die de mens bij het spreken verlaten;
blz. 202-203: reciteren is niet de proza-inhoud benadrukken; het wezenlijke van het dichterlijke; dat wil euritmie zichtbaar maken
blz.  203-205: euritmie geen mime, dans, enz.
blz. 205: over belichting

blz. 187

Über Rezitation und Eurythmie.

Es ist ja schade, daß gerade Frau Dr. Steiner, die die Rezitations-kunst hier ausgebildet hat, in diesen Tagen krank ist und nicht die Rezitation selber hat besorgen können. Es handelt sich darum, daß die Eurythmie selber dazu zwingt, wieder zurückzugehen zu derjeni­gen Rezitations- und Deklamationskunst, die gepflogen worden sind in mehr künstlerisch-fühlenden Zeitaltern, als das unsn.ge ist. Das heutige Zeitalter istjakein sehrkünstlerisch empfindendes undwürde nicht leicht verstehen, warum Goethe selbst seine Jamben-Dramen wie ein Kapellmeister mit dem Taktstock mit seinen Schauspielern einstudiert hat. In unserem Zeitalter wird bei der Rezitation und De­klamation – die beide voneinander unterschieden werden müssen in sehr strenger Weise – viel mehr Rechnung getragen dem Pointieren eben des Prosa-Inhaltes. Wenigstens eine starke Strömung war seit den neunziger Jahren vorhanden, die eigentlich die künstlerische Ge­staltung der Sprache selber mehr in den Hintergrund treten ließ und den Prosagehalt des Gedichtes mehr in den Vordergrund treten ließ, während es tatsächlich darauf ankommt, in der imaginativen Gestal­tung der Laute, aber auch, sagen wir, des Strophenbaues oder in der

Over recitatie en euritmie

Het is wel jammer dat mevrouw Steiner* die hier het reciteren vorm gegeven heeft, deze dagen ziek is en niet zelf de recitatie kan doen. Het gaat erom dat de euritmie zelf afdwingt weer terug te gaan tot die recitatie- en declamatiekunst die gewoonlijk uitgevoerd werd in meer kunstzinnig voelende tijden dan de onze. De tijd van nu is niet zo kunstzinnig voelend en zal niet snel begrijpen waarom Goethe zelf zijn drama’s in jamben als een kapeldirigent met de dirigeerstok met zijn toneelspelers instudeerde. In onze tijd wordt bij de recitatie en declamatie – die heel strict van elkaar onderscheiden moeten worden – veel meer rekening gehouden met het benadrukken van de proza-inhoud. In ieder geval was er sinds de negentiger jaren (van 1800) een sterke stroming aanwezig die eigenlijk de kunstzinnige vormgeving van het spreken zelf meer op de achtergronden hield en de proza-inhoud van het gedicht meer op de voorgrond plaatste, terwijl het er in feite op aankomt bij de imaginatieve vormgeving van de klanken, maar ook, laten we zeggen, bij de opbouw van de strofen of bij de

*Mevr. Steiner, die hier het reciteren vorm gegeven heeft: Marie Steiner-von Sivers, 1867-1948. Ze ontwikkelde samen met Rudolf Steiner de goetheanistische toneelkunst (spraakvorming en euritmie). Zie Marie Steiner: ‘Rudolf Steiner und die Redenden Kunste, Dornach 1974, alsook Rudolf Steiner/Marie Steiner – von Sivers. Sprachgestaltung und dramatische Kunst, GA 282; ‘Methodik und Wesen der Sprachgestaltung’, GA 280, ‘Marie Steiner – ihr Weg zur Erneuerung der Bühnenkunst durch die Anthroposophie, Dornach 1973 

blz. 188

musikalisch-thematischen Behandlung, in Rhythmus, Takt, im melo­diösen Thema, das überall doch zugrunde liegen wird, das Wesent­liche zu sehen, und durch die Sprachbehandlung auf einer höheren Stufe das zu erreichen, was man in der Prosa durch den bloßen Wort-inhalt erreicht. Es ist ja das Gefühl für das Künstlerische der Sprache überhaupt in der neueren Zeit zurückgegangen, selbst äußere Kultur-erscheinungen machen einem das klar. Ich glaube nicht, daß sehr viele Menschen wissen oder beachtet haben, was der berühmte Cur­tius an der Berliner Universität für ein Fach hatte. Er trug Kunstge­schichte und dergleichen vor, aber das war nicht das Fach, für das er an der Berliner Universität angestellt war, sondern er hieß «Profes­sor der Eloquenz», er war eigentlich angestellt für die Redekunst, über Redekunst zu sprechen. Aber man hatte dafür kein Verständnis mehr, es war unnötig, daß er über sein eigenes Fach las, so rutschte er in ein anderes Fach hinein. Solche Erscheinungen sind heute viel­fach da. 

muzikale thematische behandeling in ritme, maat, in het melodieuze thema, dat er overal wel aan ten grondslag zal liggen, het wezenlijke te zien en door de spreekuitvoering op een hoger niveau dat te bereiken wat men in het proza enkel door de woordinhoud bereikt. Het gevoel voor het kunstzinnige van het spreken is de laatste tijd zeer zeker achteruit gegaan, zelfs uiterlijke cultuurverschijnselen maken dat wel duidelijk. Ik geloof niet dat er zeer veel mensen weten of waargenomen hebben, wat de beroemde Curtius aan de Berlijnse universiteit voor vak had. Hij doceerde kunstgeschiedenis e.d., dat was echter niet het vak waarvoor hij aan de Berlijnse universiteit aangesteld was, maar hij was ‘professor welsprekendheid’, eigenlijk was hij aangesteld voor de kunst van het spreken, om erover te spreken. Maar daarvoor had men geen begrip meer, het was niet meer nodig dat hij zijn eigen vak doceerde, zo kwam hij in een ander vak terecht. Zulke dingen zie je tegenwoordig veel meer.

Es ist notwendig, wenn wiederum zu einer Rezitationskunst gekommen werden soll, die vorzugsweise ausgebildet werden muß für das mehr Erzählende oder für diejenige Poesie, die etwa die Grie­chen hatten, für die Rezitationskunst und die Deklamationskunst, das ist diejenige Kunst, die der älteren deutschen Poesie zugrunde liegt, daß da wiederum für die Sprachbehandlung das Nötige getan wird. Das ist es, worauf es ankommt. Ich weiß nicht, was dem Fragesteller gerade aufgefallen ist, aber das ist es, worauf es uns ankommt: durch die Sprachbehandlung das zu erreichen, was für die Prosa durch den Sprachgehalt selber erreicht wird.
Es ist nicht durch die Betonung des Inhalts, nicht durch die Prosa-bedeutung des Inhalts, sondern durch die Art und Weise der Aufein­anderfolge der Laute oder des Gebrauches des Reimes und derglei­chen, es ist also gerade durch die Form das zu erreichen, was man heute gerne erreicht durch die prosaische Pointierung. Die Rezita­tion sucht vorzugsweise an das Plastisch-Maßvolle sich zu halten, sie sucht also vorzugsweise das, wo es darauf ankommt, im Aushalten der Silben und im Kurzmachen der Silben, was ja bei Balladen ganz besonders wichtig werden kann. Die Deklamation sucht durch den Hoch- und Tiefton und was sich daran anschließt das Wesentliche zu

Het is noodzakelijk, willen we weer tot de kunst van het reciteren komen, dat die allereerst ontwikkeld moet worden voor het meer vertellende of voor de poëzie die bijv. de Grieken hadden; voor de kunst van het reciteren en declameren, dat is de kunst die aan de oudere Duitse dichtkunst ten grondslag ligt, dat er weer het nodige gedaan wordt voor het uitvoeren van het spreken. Daar komt het op aan. Ik weet niet wat de vraagsteller al opgevallen is, maar hier komt het op neer: door de manier van spreken te bereiken wat voor het proza door het inhoudelijke van de taal zelf bereikt wordt.

Niet door de inhoud te benadrukken, niet door de prozabetekenis van de inhoud, maar door de manier waarop de klanken elkaar volgen of door het gebuik van het rijm e.d.; juist door de vorm te bereiken wat men tegenwoordig graag bereikt door het prozaïsche eruit te lichten. Het reciteren zoekt allereerst zich te houden aan de plastische volheid van de maat, zoekt ook allereerst naar waarop het aankomt, het aanhouden van lettergrepen en deze korter te maken wat dus bij ballades heel belangrijk kan worden. De declamatie zoekt door de hoge en lage tonen en wat zich daarbij aansluit, het wezenlijke te

blz. 189

erreichen. (Es war dem Fragenden aufgefallen, daß bei dem Worte «grüßen» die Silbe «grüs» in demselben Tone gesprochen wurde wie die Silbe «sen».> Das ist keine künstlerische Frage, sondern eine bloße Auffassungsfrage. Das hängt ganz davon ab, ob der Sprechende den Hauptwert darauf legt: Sag, ich lass’ sie grüßen, oder: Sag, ich lass’ sie grüßen.

bereiken. (Het was de vraagsteller opgevallen dat bij het woord ‘groeten ‘de lettergreep ‘groe’ op dezelfde toonhoogte werd gesproken als de lettergreep ‘ten’) Dat is geen vraag naar het kunstzinnige, maar naar de opvatting. Dat hangt er helemaal vanaf of de spreker de nadruk wil leggen op, zeg maar, ik laat u groeten, of ik laat u groeten.

Frage: Wird dadurch nicht das Gewicht des Reimes verschoben ?

Das könnte nur dann verschoben werden, wenn man die anderen Silben der Sache nicht anpassen würde. Das kommt ja aus der Stim­mung, nicht aus der Sprachbehandlung.

Vraag: wordt daardoor het accent van het rijm niet verschoven?

Dat zou alleen dan verschoven kunnen worden, wanneer je de andere lettergrepen niet zou aanpassen. Dat komt vanuit de stemming, niet vanuit de manier van spreken.

Frage: Drückt sich in der Auffassung keine Gesetzmäßigkeit aus ?

Nein, die Auffassung muß frei bleiben. Es ist durchaus möglich, daß Sie ein und dasselbe Gedicht künstlerisch deklamieren oder rezi­tieren, und Sie können die verschiedensten Auffassungen hereinbrin­gen, gerade wie einer im Spielen eines musikalischen Stückes die ver­schiedensten Auffassungen hereinbringt. Es gibt keine eindeutige Behandlung des Gedichtes, sondern es kommt auf das Wesentliche an, daß man es also dazu bringt, nicht mehr das Gefühl zu haben:
Man spricht rezitierend oder deklamierend mit dem Kehlkopf, son­dern man spricht mit der Luft. Darauf kommt es an, daß man wirk­lich die Gabe entwickelt, die Luft zu gestalten. Darauf kommt es beim Rezitieren an. Beim Gesang gestaltet man die Luft. Beim Re-zitieren muß auch dieselbe Tendenz walten, nur natürlich bei der Sprache liegt die Melodie schon im Laut. Also es muß tatsächlich in das Behandeln der Sprache das Wesentliche hereingebracht werden und nicht in den Inhalt. Es muß einer solchen Sache Rechnung ge­tragen werden, daß es bei Schiller zum Beispiel so war: bei seinen be­deutendsten Gedichten hatte er eine allgemeine Melodie in der Seele ; dazu konnte er einen Text schreiben, den er wollte. Man muß er­reichen, das Wesentliche auszudrücken auf der einen Seite durch das Musikalische, auf der anderen Seite durch das Plastisch-Malerische in der Sprache.

Vraag: drukken zich in de opvatting geen wetmatigheden uit?

Nee, de opvatting moet vrij blijven. Het is natuurlijk mogelijk dat u
een en hetzelfde gedicht kunstzinnig declameert of reciteert en u kan de meest verschillende opvattingen erin leggen, zoals iemand bij het spelen van een muziekstuk daar de meest verschillende opvattingen in kan leggen. Er bestaat geen eenduidige uitvoering van een gedicht, maar het komt op het wezenlijke aan dat je bereikt niet meer het gevoel te hebben: men spreekt reciterend of declamerend met het strottenhoofd, maar dat men spreekt met de lucht. Het komt erop aan werkelijk de gave te ontwikkelen de lucht vorm te geven. Bij het reciteren moet dezelfde tendens heersen, maar bij het spreken ligt natuurlijk de melodie al in de klank. Dus in het uitvoeren van de spraak moet daadwerkelijk het wezenlijke erin worden gebracht en niet de inhoud. Je moet er bijv. rekening mee houden dat het bij Schiller zo was: bij zijn belangrijkste gedichten droeg hij een algemene melodie in zijn ziel; daar kon hij een tekst bij schrijven die hij wou. Je moet bereiken dat je aan de ene kant het wezenlijke uitdrukt door het muzikale en aan de andere kant door het plastisch-schilderende in de taal.

blz. 190

Frage: In der Tanzkunst tanzen die Tänzer verschieden. Das ist bei der Eurythmie nicht der Fall; da ist die Bewegung selbst ja wohl immer die gleiche ?

Das würden Sie nicht sagen, wenn Sie die Eurythmie viel sehen würden. Sagen wir, wenn Sie ein Gedicht rezitieren und ein anderer Mensch dasselbe Gedicht rezitiert, so sind das doch zwei verschie-dene Stimmlagen usw. Sie können nun künstlerisch das Gedicht in der gleichen Weise behandeln. Die künstlerische Behandlung wird gleich sein. Schon dieser Unterschied tritt bei der Eurythmie stark hervor. Sie werden trotzdem die persönlichen Eigentümlichkeiten bei den einzelnen Eurythmikern sehen. Die sind schon individuell. Die Eurythmie ist nur noch nicht weit genug, daß die besondere indivi­duelle Art schon hervortreten würde. Es wird aber das sein, wenn die Eurythmie so weit ist, daß der Eurythmist ganz zusammen sich lebt mit seiner Kunst ; dann wird auch die individuelle Auffassung schon bemerkbar sein. Gewiß, es liegt zugrunde immer eine gesetzmäßige Bewegung. Es ist das so wie beim Sprechen: wenn ich Mund sagen will, darf ich nicht Mond sagen, also nicht ein o statt des u.

Vraag: In de danskunst dansen de dansers verschillend. Dat is bij de euritmie niet het geval; daar is de beweging zelf, lijkt het, steeds hetzelfde?

Dat zou u niet zeggen, wanneer u veel euritmie zou zien. Wanneer u een gedicht reciteert en een ander doet dat zelfde gedicht, dan zijn dat toch twee verschillende stemhoogten enz. U kan het gedicht nu kunstzinnig op dezelfde manier behandelen. De kunstzinnige aanpak zal dezelfde zijn. Dit verschil komt bij euritmie sterk naar voren. Ondanks dat zal u de persoonlijke trekken bij de individuele euritmist zien. Die zijn dus individueel. De euritmie is alleen nog niet ver genoeg dat de bijzondere individuele manier al naar voren zou kunnen komen. Dat komt wel als de euritmie zo ver is, als de euritmist helemaal één is met zijn kunst; dan zal ook de individuele opvatting wel merkbaar zijn. Zeker is het dat er altijd een wetmatige beweging aan ten grondslag ligt. Dat is net zoals bij het spreken: wanneer ik ‘kun’ wil zeggen, mag ik geen ‘kon’zeggen  [Duits Mund-Mond], dus geen o i.p.v. een u.

Der Be­treffende muß deshalb eurythmisierend ein u an der betreffenden Stelle haben, aber da kommt dann innerhalb dieser Gesetzmäßigkeit die individuelle Ausgestaltung der Auffassung, die größte Entfal­tungsmöglichkeit zu ihrem Recht. Es ist nicht irgend etwas Pedanti­sches, Stereotypes. Sie werden auch sehen, wenn ein Anfänger etwas eurythmisch darstellt, oder jemand, der es jahrelang getrieben hat, ist es ein großer Unterschied, nicht bloß in der Fertigkeit, sondern auch im Künstlertum. Und ebenso kommt wiederum die ursprüngli­che künstlerische Begabung zum Vorschein, ob jemand künstlerische Veranlagung hat oder nicht. Mehr wie bei einer anderen KLlnst kommt das bei der Eurythmie zum Vorschein. Die Eurythmie ist ganz im menschlichen Organismus beschlossen. Der menschliche Or­ganismus umfaßt die Eurythmie so, daß die Eurythmie, ebenso wie die anderen Künste, zum Beispiel die Malerei, nicht verstandesmäßig, aber innerhalb des Bewußtseins, beschlossen werden, während das Tanzen ins Emotionelle hinübergeht. Da können andere Schwierigkeiten

Wie het uitvoert moet daarom euritmiserend een ‘u’ op die plaats maken, maar dan komt binnen die wetmatigheid de individuele opvatting ten uitvoer, de grootste uitvoeringsmogelijkheid, tot zijn recht. Het is niet een of ander pedant iets, iets wat stereotiep is. U zal ook zien, wanneer een beginner iets euritmisch doet, of iemand die het al jarenlang beoefend, dat er een groot verschil is, niet alleen in vaardigheden, maar ook in het kunstzinnige. En net zo komt weer de oorspronkelijke kunstzinnige aanleg te voorschijn; of iemand een kunstzinnige aanleg heeft of niet. Meer dan bij een andere kunst komt dat er bij de euritmie uit. De euritmie ligt geheel in het menselijk organisme besloten. Het menselijk organisme omvat de euritmie zo, dat de euritmie, net zoals andere kunsten, bijv. de schilderkunst, niet intellectueel, maar in het bewustzijn besloten ligt, terwijl het dansen meer in het emotionele overgaat. Dan kunnen er andere moeilijkheden

blz. 191

hervortreten. Das Tanzen ist doch nicht etwas rein Künstleri­sches. Die Eurythmie ist schon Kunst.

ontstaan.Het dansen is toch niet helemaal puur kunstzinnig. De euritmie is wel kunst.
GA 306/189-191
eigen vertaling

blz. 199

EINLEITENDE WORTE ZUR EURYTHMIE-AUFFÜHRUNG
Dornach, 15. April 1923

Meine sehr verehrten Anwesenden!

Die Eurythmie, von der wir Ihnen auch heute wiederum einen Ver­such vorführen wollen, wird eine künstlerische Bewegung einleiten, welche aus bisher ungewohnten künstlerischen Quellen schöpft und sich einer auch noch ungewohnten künstlerischen Formensprache be­dient. Daher darf es gestattet sein, daß einige Worte vorausgeschickt werden. Nicht um die Vorstellung selber zu erklären, das wäre ja et­was Unkünstlerisches – Kunst muß durch sich selber sprechen -, und besonders eine Kunst, die eigentlich für die Sichtbarkeit geschaffen ist, sollte man nicht in ihren Einzelheiten erklären wollen, sondern nur eben anschauen.
Die Eurythmie tritt ja so vor Sie hin, meine sehr verehrten Anwe­senden, daß Sie auf der Bühne sehen werden den bewegten einzelnen Menschen, der gebärdenartige Bewegungen ausführt, namentlich durch Arme und Hände, die ausdrucksvollsten Glieder des menschli­chen Organismus, aber auch durch andere Glieder dieses Organismus. Sie werden Menschengruppen sehen in bestimmten Stellungen zu­einander, Menschengruppen in Bewegungsformen und so weiter. Das alles woUen nicht Zufallsgebärden sein, sondern das alles will sein eine wirkliche sichtbare Sprache, oder auch ein wirklich sichtbarer Gesang.
Daher wird diese Eurythmie begleitet auf der einen Seite durch das Rezitatorische und Deklamatorische für die Dichtungen, auf der anderen Seite durch Musikalisches. Gerade so, wie der Mensch von seiner kindlichen Stufe der Entwickelung an im weiteren Verlauf sei­nes Lebens mit Bezug auf die Lautsprache von einem gewissen Lal­len, das nur Gefühle, Empfindungen ausdrückt in primitiver Weise, aufruckt zu der artikulierten Lautsprache, so kann man nämlich auch von dem, ich möchte sagen Lallenden in Gebärden, die der Mensch

Inleidende woorden bij de euritmie-opvoering
Dornach, 15 april 1923

Zeer geachte aanwezigen!

De euritmie. die we u vandaag ook weer willen laten zien, zal een kunstzinnige beweging inleiden die uit tot nog toe onbekende kunstzinnige bronnen put en zich ook nog van een ongewone kunstzinnige vormentaal bedient. Vandaar dat het wel geoorloofd is, een paar woorden vooraf te zeggen. Niet om de voorstelling zelf uit te leggen, dat zou iets onkunstzinnigs zijn, – kunst moet door zichzelf spreken – en in het bijzonder een kunst die eigenlijk in het leven geroepen is om naar te kijken, moet je niet in detail willen verduidelijken, maar er gewoon naar kijken.
De euritmie vertoont zich zo voor u, beste aanwezigen, dat u op het toneel de zich bewegende individuele mens zal zien, die gebaarachtige bewegingen uitvoert, met name met de armen en de handen, die ledematen met de meeste uitdrukkingskracht van het menselijk organisme, maar ook door andere delen van dit organisme. U zal een groep mensen zien in bepaalde posities t.o.v. elkaar, en groepen in een bewegingsvorm enz. Dat zijn geen toevallige gebaren, maar dat alles wil een werkelijk zichtbare taal zijn of ook een werkelijk zichtbaar
zingen .
Vandaar dat deze euritmie begeleid zal worden door recitatie en declamatie bij de gedichten, aan de andere kant door muziek. Net zoals de mens vanaf de kinderfase in zijn ontwikkeling in het verdere verloop van zijn leven m.b.t. het spreken van klanken van een zeker lallen dat alleen maar gevoelens, gewaarwordingen op een onbeholpen manier tot uitdrukking brengt, zich verder ontwikkelt tot de gearticuleerde spraak, zo kun je ook van wat ik zou kunnen noemen het lallen met de gebaren die de mens

blz. 200

im gewöhnlichen Leben anwendet, um seine Sprache zu begleiten, um das oder jenes in seiner Sprache durch die Gebärde deutlicher oder eindringlicher zu machen – man kann von diesen Gebärden vor­rücken zu einer wirklichen sichtbaren Sprache, die als Bewegung des menschlichen Organismus ausgeführt wird.
Dasjenige also, das Sie sehen werden, beruht keineswegs auf will­kürlicher Erfindung, sondern es beruht darauf, daß in sorgfältiger Weise studiert worden ist durch sinnlich-übersinnliches Schauen, um mich dieses Goetheschen Ausdruckes zu bedienen, wie die Lautspra­che oder der menschliche Gesang zustandekommen. Da hat man es eigentlich auch mit einer Art Gebärde zu tun, aber mit einer Ge­bärde, die sich nicht in dem gewöhnlich sichtbaren Teil des mensch­lichen Organismus abspielt, sondern die sich abspielt mit dem aus-strömenden Atmungsstrome, der zum Teil natürlich immer mit Hilfe der körperlichen Organe dirigiert wird vom menschlichen Willen und zum Teil vom menschlichen Denken.

in het dagelijks leven gebruikt om zijn spreken te begeleiden, om dit of dat van zijn spreken door de gebaren duidelijker en indringender te maken – van deze gebaren opklimmen tot een werkelijk zichtbaar spreken dat als beweging van het menselijk organisme uitgevoerd wordt.
Wat u dus zal zien, berust geenszins op iets wat willekeurig ontworpen is, maar berust erop dat op een zorgvuldige manier bestudeerd is door een zintuiglijk-bovenzintuiglijk schouwen, om deze uitdrukking van Goethe te gebruiken, hoe de taalklanken of het menselijk zingen ontstaan. Daarbij heb je eigenlijk ook met een soort van gebaar te maken, maar met een gebaar dat zich niet afspeelt in het gewoon zichtbare deel van het menselijk organisme, maar dat zich afspeelt met de uitstromende ademlucht die voor een deel natuurlijk steeds met hulp van de lichamelijke organen gestuurd wordt door de menselijke wil en voor een deel door het menselijke denken.

Wir sehen, daß der Mensch, indem er spricht, die Luft in Bewe­gung setzt. Würden wir diese Bewegungsformen, durch die der Mensch seine Lautsprache an den andern Menschen heranbringt, im einzelnen studieren, so würden wir sehen: Jedem Laute, jedem Wort-gebilde, jedem Satzgebilde entspricht eine ganz bestimmte Formung der ausströmenden Luft.
Dasjenige, was mehr radial vom Menschen weggeht in diesenFor­men, das rührt vom menschlichen Willen her, wie gesagt, immer ver-mittelt durch die körperlichen Organe. Dasjenige, was mehr als Querschnitte, wenn ich das so nennen darf, diese Luftgebärde wellig macht, das rührt vom menschlichen Gedanken her. Und wenn wir, wie das eben durch sinnlich-übersinnliches Schauen geschehen kann, wenn wir so, wie wir den bewegten Menschen anschauen können, diese Luftgebärde sehen könnten, so würden wir auch gewissermaßen ein luftartiges Abbild des Menschen vor uns haben, wenigstens eines Teiles des Menschen, und würden darinnen Bewegungen, Bewegun­gen von Luftströmungen sehen.
Diese Bewegungen von Luftströmungen werden sorgfältig stu­diert. Und statt daß man den Kehlkopf und die anderen Sprach- und

We zien dat de mens, wanneer hij spreekt, de lucht in beweging brengt. Zouden wij deze bewegingsvormen waardoor de mens zijn spraakklanken tot de andere mens richt, een voor een bestuderen, dan zou je zien: bij iedere klank, ieder gevormd woord, iedere gevormde zin, hoort een heel bijondere vorm van de uitstromende lucht.
Wat meer straalvormig de mens verlaat, komt meer uit de menselijke wil, zoals gezegd, steeds d.m.v. de lichamelijke organen.
Wat meer [Steiner gebruikt hier ‘Querschnitte’, – je zou kunnen denken aan ‘Querrichtung’ = (en dat als tegenstelling voor het straalvormige) wat ‘uitwaaiert’ alsof je een doorsnee van iets maakt] doorsnee-achtig, als ik dat zo noemen mag, deze gebaren in de lucht doet golven, komt vanuit de menselijke gedachten. En wanneer we, zoals dit dan door het zintuiglijk-bovenzintuiglijk schouwen gezien kan worden, wanneer we, zoals we naar de zich bewegende mens kunnen kijken, deze gebaren van de lucht zouden kunnen zien, dan zouden we in zekere zin een luchtachtige afbeelding van de mens voor ons hebben, op z’n minst een deel van de mens en daarin zouden we bewegingen, bewegingen van luchtstromen zien.
Deze luchtstroombewegingen worden zorgvuldig bestudeerd. En in plaats dat je het strottenhoofd en de andere spraak- en

blz. 201

Gesangsorgane dann gewissermaßen die Luftgebärde als Sprache und Gesang ausführen läßt, überträgt man dasjenige, was sonst Luftge­bärde ist, auf die Gebärde des Armes, der Hand, oder auch des gan­zen Menschen, oder der Formen, in denen sich Menschengruppen be­wegen. Dadurch hat man auf sichtbare Weise genau dasselbe, was man im Sprechen und im Singen hat, nur daß wegbleibt von dieser Bewegung das Gedankenhafte. Das Gedankenhafte ist ja immer ein Unkünstlerisches, ein Prosaisches.
Der Dichter muß, um sich durch die Sprache künstlerisch auszu­drücken, geyade das Gedankenhafte bekämpfen. Er ringt dasjenige, was er in der Sprache hat, dem Gedanken ab. Er sucht gewisserma­ßen den Gedanken herauszulösen und nur das Willensartige in der Sprachbildung zu behalten, die er zum Ausdruck für sein seelisches Erlebnis macht.
Daher drücken wir auch nicht in der Eurythmie das Wellige, das vom Gedanken herrührt in der Luftgebärde, aus, sondern vorzugs­weise dasjenige, was bei einem Laute, bei einem Worte, einer Satz-bildung radial nach außen strömt.

zangorganen dan in zekere zin de luchtgebaren als spraak en zang uit laat voeren, breng je, wat anders luchtgebaar is, over op de gebaren van arm en hand of ook op de hele mens, of op vormen waarop de groep mensen zich beweegt. Daardoor krijg je op een zichtbare manier precies hetzelfde als wat je bij spreken en zingen hebt, met dat verschil dat uit deze beweging weggelaten wordt wat met het denken heeft te maken. Dat laatste is steeds onkunstzinnig, het is proza.
De dichter moet, om zich door de taal kunstzinnig uit te drukken, juist het uitdenken bestrijden. Hij probeert juist, wat hij in de taal heeft, uit de gedachtesfeer te halen. Hij probeert in zekere zin het bedachte eruit te halen en alleen het wilskarakter van de spraakvorming te behouden dat hij tot uitdrukking maakt van wat hij in zijn ziel beleeft.
Daarom drukken we in de euritmie niet het ‘golvende’ [aanhalingstekens van mij – zie terug] dat uit de gedachtesfeer komt, uit in de luchtgebaren, maar voornamelijk dat wat bij een klank, een woord, een zin straalsgewijs naar buiten stroomt.

Dadurch aber hat man ganz be­sonders Gelegenheit, dasjenige, was der Dichter im ganzen seiner Seele erlebt, gerade durch die das Wort begleitende Eurythmie deut­lich und sichtbarlich zum Ausdrucke zu bringen.
Es ist ja so, daß es ein Vorurteil bedeutet, wenn man glaubt, das Menschlich – Seelisch – Geistige stünde mit irgendeinem Teil des menschlichen Körpers in Berührung. Es ist so, daß die Seele den gan­zen menschlichen Organismus erfüllt, bis in die äußersten peripheri­schen Teile, daß sie in allem, was körperliche Ä ußerung und Offen­barung ist, lebt.
Der Dichter erlebt den Inhalt eines Gedichtes mit seiner totalen Menschlichkeit, und er muß eigentlich zurückhalten dasjenige, was bei ihm in die Glieder fließt. Gewiß, solche wahren Dichter, die das wirklich durchmachen, gibt es ja nur wenige; denn man kann schon sagen, daß eigentlich in bezug auf die dichterische Kunst 99% von dem, was produziert wird, auch wegbleiben könnte, und es wäre am Künstlerischen nicht sonderlich viel verloren. Aber dasjenige, was wirklich dichterisch erlebt wird, das wird eben vom ganzen Menschen

Daardoor echter heb je de unieke gelegenheid om wat de dichter in heel zijn ziel beleeft, juist door de euritmie die het woord begeleidt, duidelijk en zichtbaar tot uitdrukking te brengen.
Het is een vooroordeel wanneer men gelooft dat het [zie het Duits] menselijk-ziel-geestelijke met een bepaald deel van het menselijke lichaam in verbinding zou staan. Het is zo, dat de ziel het hele menselijk organisme doortrékt, tot in de buitenste periferie, dat zij in alles wat lichamelijke uiting en uitdrukking is, leeft.
De dichter beleeft de inhoud van een gedicht met zijn volledige menselijkheid en eigenlijk moet hij terughouden wat bij hem naar de ledematen stroomt. Zeker, zulke dichters die dat daadwerkelijk doormaken, zijn er maar weinig; want je mag wel zeggen, dat eigenlijk m.b.t. de dichtkunst 99% van wat er gemaakt wordt, ook achterwege gelaten zou kunnen worden en dan zou er niet uitzonderlijk veel kunstzinnigs verloren gaan. Maar wat werkelijk dichterlijk beleefd wordt, wordt door de hele mens

blz. 202

erlebt, und das Seelisch-Geistige ergießt sich dann in den gan­zen Menschen, – dasjenige, was der Dichter erreichen will durch das Imaginative, Malerisch-Plastische der Lautgestaltung, oder auch durch das Rhythmisch-Taktmäßige, Musikalisch-Thematische der Lautgestaltung, das erreicht er dadurch, daß er im Grunde genom­men den Prosainhalt des Wortes zurücktreten läßt, und das eigent­lich Dichten.sch-Künstlen.sche ausspricht. Wirkliche Rezitations­kunst muß daher, wenn sie dem Dichter gerecht werden will, nicht auf das heute in einem unkünstlerischen Zeitalter so beliebte Pointie­ren des Prosagehaltes den Hauptwert legen, sondern sie muß auf die Gestaltung der Sprache sehen.
Das war ja das Bestreben der hier gepflegten Rezitationskunst, der sich Frau Dr. Steiner jetzt schon seit sehr langer Zeit gewidmet hat. Wenn der Inhalt des Wortes in der Rezitation pointiert wird, dann ist das eben durchaus Prosa. Wenn das auch noch so interessant ist, weil man glaubt, daß die Persönlichkeit des Rezitators dann beson­ders zum Vorschein kommt, so ist es doch unkünstlerisch. 

beleefd en gevoel en geest stromen in de hele mens -, wat de dichter wil bereiken door het imaginatieve, het schilderend-plastische van de klankvorming, of ook door het ritme en de maat, het muzikaal-thematische van de klankvorming, dat bereikt hij in de grond beschouwd wanneer hij de proza-inhoud van het woord terughoudt en het eigenlijk dichterlijk-kunstzinnige uitspreekt. Echte recitatiekunst moet daarom, wanneer ze recht wil doen aan de dichter, niet op het vandaag in een onkunstzinnige tijd zo populaire benadrukken van de proza-inhoud letten, maar op de vorming van de spraak.
Dat is het streven van de hier toegepaste recitatiekunst, waaraan mevrouw Dr. Steiner zich al een hele tijd wijdt. Wanneer bij het reciteren de inhoud van het woord benadrukt wordt, dan is dat gewoon proza. Ook al is dat nog zo interessant, omdat men gelooft dat de persoonlijkheid van degene die reciteert dan vooral naar voren komt, toch 
is dat dan onkunstzinnig. 

Künstle­risch ist es, wenn man in der Lage ist, durch die malerisch-plastische Ausgestaltung der Lautfolge und der gegenseitigen Nuancierungen der Laute – nicht durch den Inhalt des Wortes – das herauszubringen, was an Leidenschaftsempfindung, an Gefühl und, wenn es sich um Gedanken handelt, auch an Gedanke geoffenbart werden soll. Denn auch wenn dichterisch der Gedanke zur Offenbarung kommen soll, muß die Form des Gedankens unterdrückt werden, und es muß allein in der Gestaltung der Sprache dasjenige gesucht werden, was eigent­lich dichterisch ist.
Ebenso, wie es auf das malerisch-plastische Gestalten der Sprache ankommt, so kommt es auf das musikalische, taktmäßige, rhythmi­sche und so weiter an. Man möchte sagen: in der Prosa wird man selbstverständlich den Vers nicht haben; in der Poesie braucht man den Vers, denn in dem Verse wird gestaltet ein Zusammenhang, und auch auf diese Gestaltung des Zusammenhanges, auf dieses gewisser­maßen Rhythmisch-Musikalische in der Sprache kommt es an.
So liegt durchaus bei dem wahren Dichter schon eine geheime Eu­rythmie in der Art und Weise, wie er die Sprache behandelt. Und es

Kunstzinnig is het, wanneer men in de omstandigheid verkeert, door de schilderend-plastische vormgeving van de klankopvolging en de onderlinge klanknuanceringen – niet door de inhoud van het woord – uit te drukken wat er aan sterke gevoelens, aan gevoel en wanneer het om gedachten gaat, ook aan gedachten, uitgedrukt moet worden. Want ook wanneer dichterlijk de gedachte uitgedrukt moet worden, moet de vorm van de gedachte onderdrukt worden en moet alleen in de vorming van de spraak gezocht worden, wat eigenlijk dichterlijk is.
Net zoals het op het schilderend-plastische vormen van de spraak aankomt, zo komt het aan op het muzikale, wat maat, wat ritme is, enz. Je zou willen zeggen: in het proza is er vanzelfsprekend geen couplet; in de poëzie heb je dat nodig, want daarin wordt een samenhang vorm gegeven en ook op dit vormen van een samenhang, op dit in zekere zin ritmisch-muzikale in de spraak, komt het aan.
Dus bij de ware dichter is er al een verborgen euritmie aanwezig in de manier waarop hij met de taal omgaat. En daarom is het

blz. 203

ist daher nichts Künstliches, sondern etwas ganz Selbstverständliches, daß man dasjenige, was der wahre Dichter eigentlich unterdrücken muß, durch die Eurythmie wiederum zur Offenbarung, zum Vor­schein bringt. Der Dichter möchte eigentlich mit seinem ganzen Menschen in die Welt hineinstellen dasjenige, was er dichterisch ver­körpert. Aber er muß es, ich möchte sagen, künstlich zurückhalten und muß dasjenige, was er in seinem ganzen Menschen ausdrücken wollte, allein in die Behandlung der Sprache hineingehen. In der Eu­rythmie wird das alles wieder sichtbar. So daß, wenn man auf der ei­nen Seite hat das Rezitatorisch-Deklamatorische, und auf der anderen Seite auf der Bühne dasjenige, das nun von dem Seelisch-Geistigen ganz so, wie sonst in den Sprachstrom, nun in die körperlichen Be­wegungen hineinfließt, so hat man unmittelbar ein Bild des dichteri­schen Erlebnisses. Und das ist eigentlich dasjenige, was Eurythmie möchte: das dichterische Erlebnis sichtbar durch menschliche Bewe­gungen hinmalen lassen auf die Bühne.

helemaal niet gekunsteld, maar iets heel vanzelfsprekends dat je, wat de echte dichter eigenlijk moet onderdrukken, door de euritmie weer tot uiting brengt,
tevoorschijn haalt. De dichter zou eigenlijk als volledig mens in de wereld willen zetten wat hij poëtisch belichaamt. Maar hij moet het, zogezegd, kunstmatig terughouden en moet wat hij als totaal mensenwezen zou willen uitdrukken, alleen in de taal leggen. In de euritmie wordt dat allemaal weer zichtbaar. Zodat, wanneer je aan de ene kant het recitatorisch-declamatorische hebt en aan de andere kant op het toneel hebt wat nu vanuit de ziel, de geest helemaal zoals anders in de stroom van het spreken, nu in de lichamelijke bewegingen instroomt, dat je op deze manier direct een beeld van de dichterlijke beleving hebt. En dat wil euritmie eigenlijk: de dichterlijke beleving zichtbaar maken door menselijke bewegingen op het toneel te laten schilderen.

Wenn Sie die Eurythmie in richtiger Weise auf die Seele wirken lassen wollen, dann müssen Sie sie nicht verwechseln mit den Nach­barkünsten, mit den mimischen und mit den Tanzkünsten. Die Eu­rythmie ist weder das eine noch das andere. Gewiß, diesen Künsten soll alles Gute nachgesagt werden, sie sollen hier durchaus nicht in ihrer Bedeutung angefochten werden; aber Eurythmie will eben et­was ganz anderes sein. Wenn man dasjenige, was Eurythmie zum Ausdrucke bringt, zu stark nach dem Mimischen hin bildet, wenn also Mimisches zum Ausdrucke kommt, kann das nur der Fall sein, wenn zugrunde liegt, sagen wir, irgend etwas in der Dichtung, was Hohn, was ein Sich-Wegsetzen über irgend etwas bedeutet, also et­was bedeutet, wo der Mensch etwa die Mundwinkel verzieht, wenn er spricht, oder wo der Mensch mit den Augen zwinkert, wenn er spricht usw. Alles Mimische ist vom eurythmischen Standpunkte aus so zu betrachten. Will man Mimisches darstellen, so ist das ja ganz berechtigt. Dasjenige, was ich also hier zu sagen habe, bezieht sich nicht auf die mimische Kunst als solche, sondern nur, wenn die Eu­rythmie unberechtigterweise in das Mimische ausartet. Da wird dann die Eurythmie unkeusch. Ebensowenig bezieht sich das, was ich jetzt

Wanneer je de euritmie op een goede manier op je gevoel wil laten werken, moet je haar niet verwisselen met de zusterkunsten, met de mimische en met de danskunsten. De euritmie is noch het een, noch het ander. Zeker, over deze kunsten kan van alles gezegd worden, wat goed is, ze zullen hier zeker niet in wat ze betekenen aangevallen worden; maar euritmie wil nu eenmaal wat anders zijn. Wanneer je wat de euritmie tot uitdrukking brengt, te sterk in het mimische trekt, wanneer dus het mimische tot uitdrukking komt, kan dat alleen het geval zijn, wanneer eraan ten grondslag ligt, dat er iets in het gedicht zit, wat hoon, wat een zich afkeren over iets betreft, dus iets betekent waarbij de mens een beetje met de mondhoeken trekt wanneer hij spreekt, of waarbij de mens met de ogen knippert, wanneer hij spreekt enz. Vanuit de euritmie is al het mimische zo te beschouwen. Wil je dat laten zien, dan is het terecht. Wat ik hier dus moet zeggen, heeft geen betrekking op de mimische kunst als zodanig, maar alleen wanneer de euritmie op een niet terechte manier uitmondt in mime. Dan wordt de euritmie onzuiver. Net zo min heeft, wat ik nu

blz. 204

sagen will, auf die Tanzkunst selbst; sondern nur auf das unberech­tigte Ausarten der Eurythmie in das Tanzen. Gewiß, die eurythmi­schen Bewegungen können in Tanzbewegungen übergehen, wenn zum Beispiel in einem Gedichte etwas vorkommt, wo einer den ande­ren schlägt, dem anderen irgend etwas antut, wo eine mächtige Lei­denschaft zum Ausdrucke kommt, dann kann die sonst ganz im Ge­biet des Körperlichen gehaltene eurythmische Bewegung übergehen in die Tanzbewegung. Aber wenn die Eurythmie unberechtigt aus­artet in Tanzen, wenn das Tanzen um seiner selbst willen im Euryth-mischen erscheint, dann wirkt es brutal. Ich sage nicht, die Tanzkunst ist brutal, sondern: das Ausschlagen der Eurythmie in dieTanzkunst. So daß man dieseswirklich derEurythmie ablauschen kann und sagen kann: Eurythmie ist nicht pantomimisch, ist nichts Mimisches; durch diese künstlerische Form werden andeutende Gebärden gemacht. Eurythmie ist nicht Tanz; durch die Tanzbewegungen werden überschäumende Gebärden gemacht vom Menschen, wo die Leidenschaft ausfließt, so daß der Mensch gewissermaßen seine Bewegungen nicht innerhalb dessen zurückhält, was er mit seinem Bewußtsein umfassen kann.

wil zeggen, betrekking op de danskunst zelf; maar alleen op het onterecht uitmonden van de euritmie in dans. Zeker, de euritmische bewegingen kunnen in dansbewegingen overgaan, wanneer er bijv. in een gedicht iets voorkomt, waarbij de een de ander slaat, de ander iets aandoet, waarbij een heftig gevoel tot uitdrukking komt, dan kan de anders helemaal in het gebied van het lichaam gehouden euritmische beweging overgaan in de dansbeweging. Maar wanneer de euritmie onterecht uitmondt in dans, wanneer de dans om harentwil in het euritmische verschijnt, dan maakt dat een lompe indruk. Ik zeg niet dat de danskunst dat is, maar het uitmonden van de euritmie in danskunst. Zodat je echt aan de euritmie kan aflezen en kan zeggen: euritmie is geen pantomime, is geen mime; door deze kunstzinnige vorm worden aanduidende gebaren gemaakt. Euritmie is geen dans; door  de dansbewegingen worden overvloedige bewegingen gemaakt van een mens bij wie de heftige gevoelens naar buiten stromen, zodat de mens in zekere zin zijn bewegingen niet terughoudt binnen de grenzen van zijn bewustzijn,

Die Eurythmie steht mitten drinnen: sie hat weder ausschweifende tan­zende Gebärden, noch hat sie pantomimische Gebärden, die immer auf Verstand hindeuten. Eurythmie hat ausdrucksvolle Gebärden, die in ihrer Art ästhetisch-künstlerisch wirken sollen, Gebärden, die weder ausgeklügelt sind noch ausschweifend, die weder gedeutet werden sollen noch durch die man gewissermaßen überwältigt wird, sondern die man in der unmittelbaren Form der Linie, in der ganzen Art der Bewegung, dem Auge gegenüber als wohlgefällig, schön empfindet.
Man kann sich eine Empfindung von der Eurythmie verschaffen, wenn man sie sieht als bewegten Gesang. Sie werden auch Musik-stücke hören; dazu wird eurythmisiert. Dieses Eurythmisieren ist nicht ein Tanz. Es unterscheidet sich ganz wesentlich, wenn es rich­tig gemacht wird, vom Tanz: es ist ein bewegtes Singen, nicht ein Tanzen. Und gerade daran, daß sie bewegtes Singen ist, daran kann man die Eurythmie unterscheiden von ihren Nachbarkünsten. Und man kann sich daran eine Empfindung von dem erwerben, was ich eben ausgesprochen habe.

De euritmie staat in het midden: zij heeft noch opzwepende dansende gebaren, noch pantomimische die steeds naar het verstand wijzen. Euritmie heeft uitdrukkingsgebaren die in haar soort esthetisch-kunstzinnig moeten werken, gebaren die noch uitgedacht zijn, noch overdreven, die niet verklaard moeten worden en ook niet waardoor je in zekere zin overvallen wordt, maar die je in de directe vorm van het lijnenspel, op de totale manier van bewegen, voor het oog welgevallig, mooi vindt.
Je kan een gevoel voor euritmie ontwikkelen wanneer je die ziet als bewegend zingen. U zal ook muziekstukken horen; daarop wordt ge-euritmiseerd. Dat is geen dansen. Er is een heel wezenlijk verschil met de dans, als het goed gedaan wordt: het is een bewegend zingen, geen dansen. En juist aan dit bewegend zingen kun je zien dat euritmie verschilt van de zusterkunsten. En je kan een gevoel ontwikkelen voor wat ik net heb uitgesproken.

blz. 205

Die Eurythmie steht erst im Anfange ihrer Entwickelung, und sie wird einer langen Zeit bedürfen, um ihre Vollkommenheit einiger­maßen zu erreichen. Daher muß ich bei einer Eurythmie-Vorführung immer um Nachsicht bitten. Wir haben ja in der letzten Zeit nament­lich eine Seite des Eurythmischen ausgebildet. Zum Beispiel haben wir hinzugefügt zu dem, was im bewegten Menschen liegt, das Licht-Bild der Bühne. Da soll dasjenige, was in den aufeinanderfolgenden Beleuchtungseffekten auftritt, gewissermaßen wie eine Licht-Euryth­mie wirken, und wiederum wie eine Eurythmie den Begleitungen der Eurythmisierenden dienen, so daß das ganze Bühnenbild eigentlich ein Eurythmisches wird. Aber es wird dieses Bühnenbild als Euryth­misches ganz gewiß gegen die Zukunft hin noch viel vervollkomm­net werden. Man darf auch an diese Vervollkommnung glauben, denn die Eurythmie bedient sich des vollkommensten Instrumentes, das man haben kann zum künstlerischen Ausdruck: des Menschen selbst, der ein Mikrokosmos, eine kleine Welt ist und alle Geheimnisse und Gesetzmäßigkeiten der großen Welt in sich enthält. 

De euritmie staat nog maar aan het begin van haar ontwikkeling en ze zal een lange tijd nodig hebben om het volmaakte enigszins te bereiken. Daarom moet ik bij een euritmie-opvoering steeds om begrip vragen. De laatste tijd hebben we één kant van de euritmie ontwikkeld. We hebben bijv. toegevoegd aan wat in de bewegende mens aanwezig is, het lichtbeeld van het toneel. Dat moet wat in de elkaar opvolgende belichtingseffecten in zekere zin als een licht-euritmie werken en dat weer als een euritmie het begeleiden van de euritmisten dienen, zodat het gehele toneelbeeld eigenlijk één euritmie wordt. Maar dit toneelbeeld als iets euritmisch zal zeker in de toekomst volmaakter worden. Je kan ook in deze vervolmaking geloven, want de euritmie gebruikt het meest volmaakte instrument, dat je kan gebruiken voor een kunstzinnige uitdrukking: de mens zelf, die een microkosmos, een kleine wereld is en alle geheimen en wetmatigheden van de grote wereld in zich draagt.

Daher hat man im Grunde genommen in der Eurythmie im bewegten Menschen, wenn man alle Möglichkeiten seines Organismus aus ihm herausholt, ein wirkliches künstlerisches Abbild der Weltengeheimnisse und Weltgesetzmäßigkeiten. Die mimische Kunst bedient sich ja nur ei­nes Teiles der menschlichen Wesenheit; ebenso die anderen Künste, die den Menschen selber irgendwie als Instrument betrachten. So daß man sagen kann: Die Eurythmie ist nicht auf ein äußerliches Instru­ment angewiesen, auch nicht auf einen Teil des Menschen, sondern sie bringt den ganzen Menschen, insbesondere das, was am ausdruck-vollsten an ihm ist, gerade die Arme und die Hände, in eine sichtbare Sprache und in einen sichtbaren Gesang.
Man kann hoffen, daß, wenn wirklich die Entwickelungsmöglich­keiten herausgeholt werden aus der Eurythmie, dann einmal eine Zeit kommen werde, in der tatsächlich diese jüngste Kunst den älteren Künsten als eine vollberechtigte wird an die Seite gestellt werden können.

Vandaar heb je in de grond van de zaak in de euritmie, in de mens die beweegt, wanneer je alle mogelijkheden van zijn organisme uit hem haalt, een echt kunstzinnige afbeelding van de wereldgeheimen en wereldwetmatigheden. De mimische kunst gebruikt maar een deel van het mensenwezen; net als de andere kunsten die de mens zelf op de een of andere manier als instrument zien. Zodat je kan zeggen: de euritmie is niet aangewezen op een uiterlijk instrument, ook niet op een deel van de mens, maar zij brengt de hele mens, in het bijzonder wat aan hem het meest uitdrukkingsvol is, de armen en de handen, in een zichtbaar spreken en in een zichtbaar zingen.
Je mag hopen wanneer daadwerkelijk de ontwikkelingsmogelijkheden uit de euritmie gehaald worden, er eens een tijd zal komen waarin deze jongste kunst inderdaad volledig terecht naast de oudere kunsten kan staan.
GA 306/199-205
eigen vertaling

.

Rudolf Steinerover euritmie

Rudolf Steineralle artikelen

.

1557-1457

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – 100 jaar vrijeschool (3-1/4)

.

Hans-Peter van Manen en Dieter Brüll discussiëren over het besturen van een vrijeschool en andere instituten die werken vanuit de antroposofie.

Deel 4 (Brüll)          andere delen*


SLUIMERENDE ACHTERGRONDEN

uit/in het archief

.

Waar het om gaat

Zijn Lehrs, Van Manen en ik** het roerend met elkaar eens? Eerst vertelt ons Van Manen, dat ik het met Lehrs eens ben, op diens opschrift na; Van Manen op zijn beurt is het met Lehrs eens, op een aristocratische aanvulling na; ergo is alles in eenheid verbonden? Neen, daarvoor heb ik niet naar de pen gegrepen en Van Manen nog veel minder. Aan een uitstalling van ongevraagde kennis hebben wij beiden geen behoefte. Ik schijn beter duidelijk te moeten maken, waarom het mij gaat. Daarvoor zal ik echter eerst de weg vrij moeten maken. Ik zal met name moeten aantonen, dat de verschillen tussen Van Manen en mij bepaald niet liggen in, zelfs niet te maken hebben met de (wezenlijke!) onnauwkeurigheden en de onvolledigheid, die Van Manen laakt.

Aanvankelijk dacht ik, dat de in dit verband gemaakte correctie weliswaar niet voor mijn, echter wel voor Van Manens betoog relevant zou zijn. Na het lezen van het tweede deel van zijn artikel kom ik echter tot de conclusie, dat ik het in zo hoge mate met hem eens ben, dat ik in zijn verhaal een (welkome) bevestiging zie van wat, misschien niet overal explicite, aan mijn kijk op de mesostructuur ten grondslag ligt (vgl. bijv. wat ik op p.201v van mijn ‘De sociale impuls van de Antroposofie’ schreef over de voorwaarden van het toevertrouwen van een functie). Of de Geistesadel daarbij een zelfstandig beginsel is dan wel in het republikeinse principe geïncorporeerd geacht moet worden, lijkt mij van ondergeschikte betekenis.

Mijn omissies dan. Ik heb de verslagen van de lerarenvergaderingen van 23 en 31 januari 1923 inderdaad sterk ingekort (en derhalve geenszins ‘uitvoerig beschreven’), doordat ik van het gehele gebeuren slechts dat citeerde, wat voor mijn betoog van belang is. Ik achtte o.a. overbodig, dat er een derde voorstel op tafel kwam, omdat dit slechts een herhaling van de democratische procedure betekende. Ook Van Manen schrapte immers – terecht – voor het concrete gebeuren wezenlijke dingen, bijv. dat Y opnieuw de les werd gelezen, toen hij voor het derde voorstel stemde, dat het van hem afkomstige tweede wegvaagde.

Ik heb voorts de spanningen, die aan de vorming van wat wij een ‘dagelijks bestuur’ zouden noemen, voorafgingen, welbewust niet nader uit de doeken gedaan; enerzijds omdat het stenogram daarover vaag blijft en wat ik weet slechts op mondelinge traditie berust, maar vooral, omdat dit gebeuren naar mijn mening van geen enkele betekenis voor het onderwerp is, en ware het slechts, omdat er nauwelijks een lerarencollege zonder (persoonlijke) spanningen bestaat. Ik wil daarop de nadruk leggen, want ik acht het niet onmogelijk, dat Van Manen uit die spanning (en het malafide optreden van Y) afleidt, dat Steiner de democratische stemming slechts in die uitzonderingssituatie als wenselijk beschouwt.

Ik heb tenslotte niet geciteerd, dat Steiner in diezelfde zitting de structuur van de Waldorfschule republikeins, en als oorzaak van de spanningen de deformatie door de gebruikelijke democratische structuuropvattingen noemde, omdat hij in dezelfde vergadering door de geheime vergadering demonstreerde, dat het democratische beginsel een plaats in de structuur van de school heeft – overigens zonder explicite aan te geven, waar de plaats van deze beide beginselen is. Als Steiner zich (p.238) verzet tegen de ‘übliche demokratische Verfassung der Schule’, dan volgt echter uit de context, dat hij daarmee op het oog had, dat in een übliche demokratische Verfassung het verlenen van een ambt aan de functionaris tevens een bijzondere status verleent (‘Hier in der Konferenz und in der ganzen Verwaltung der Waldorfschule gibt es nur Lehrer der Waldorfschule’). De verkiezing plaatst hem namelijk, in tegenstelling tot wat Lehrs betoogt, blijkens het geval Y juist niet in een hiërarchische positie, maar geeft hem een vrije ruimte. Wie daaraan knabbelen wil via een meerderheidsbesluit, schendt het republikeinse principe. Hier sta ik dan weer geheel achter Lehrs: Door de verkiezing van een functionaris geeft de gemeenschap het recht op een democratische verhouding tot die functionaris prijs.

Is bij dit al van belang, dat Y zijn voorstel arglistig bracht? Ik heb er niet over gerept, in navolging van Steiner maar om geheel andere redenen. Tweederde eeuw na dato behoeft men de naam van een intrigerende leraar niet meer met de mantel der liefde te bedekken. Wel kan het zijn, dat het aanwijzen van een zwart schaap afleidt van de hoofdzaak. En die heb ik duidelijk aangegeven: Het maakt in wezen geen enkel verschil, of men met boze of goede bedoelingen diegene wil corrigeren, waaraan men een taak heeft toevertrouwd. In beide gevallen laat men hem weten, dat hij zijn werk niet goed heeft gedaan. Als voorstel gebracht, is zo’n correctie een motie van wantrouwen.

En op dit punt ben ik republikeinser dan Van Manen. Hij erkent de mogelijkheid dat iemand ‘van goeden huize’ met een tegenvoorstel komt. Voor mij is dat ‘huis’ oninteressant; van mijn part is het zelfs een ingewijde. De enige reden tot ingrijpen behoort te zijn, dat een functionaris – door zijn voorstel, zijn daden of anderszins -het voortbestaan van de school in gevaar brengt, en dan mag van mij de jongste bediende aan de bel trekken. Slechts dit risico rechtvaardigt, dat men door een tegenvoorstel of een terugroeping een personele crisis op de koop toe neemt. Blijven dus de tegenwerpingen van Van Manen in zeker opzicht een raadsel, ik wil niet nalaten om op een wezenlijk verschil van inzicht te wijzen, dat waarschijnlijk nauw verbonden is aan het vorige én aan zijn visie op het aristocratische beginsel. Van Manen schrijft, dat de functionaris gekozen of erkend kan worden. Wat moet ik mij daaronder voorstellen? Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken, dat hier het democratische principe door de achterdeur weer eruit wordt gewerkt. Bestaan er functionarissen bij de gratie Gods, die zonder verkiezing een bepaalde plaats innemen? En waartegen niemand neen durft te zeggen?Was dat nu niet juist het probleem van Y? Bij Steiner kan ik hiervoor geen steun vinden. Als iemands kwaliteiten niet worden waargenomen, zodat de democratische verkiezing hem niet op zijn ‘natuurlijke’ plaats installeert, dan kan hij – als het een doelorganisatie zoals een school betreft – beter een andere kring van medewerkers zoeken, in beider belang. Maar zelfs als wij de door Van Manen genoemde secretarissen-generaal van de Landesgesellschaften nemen, dan zien wij, dat Steiner zijn voorkeuren gehad moge hebben, maar de opvattingen van de leden niet doorkruiste. Hij had graag Dunlop op die plaats in Engeland gezien, maar accepteerde de plaatselijke keuze.

Ik ben het met Van Manen eens, dat geen bedrijf kan marcheren, indien vaardigheid en gezag niet samenvallen. Natuurlijk zal men zo iemand als functionaris aanwijzen, als men vrij is in zijn beslissingen (‘durch das freie Verstandnis an seinen Posten gestellt’ noemt Steiner dat in GA 328/1977/157). Maar hij voegt er iets aan toe: Durch das freie Verstandnis seiner Mitarbeiter bis zum letzten Arbeiter herunter’-(id.). Passen wij dit op onze controverse toe, dan luidt dit naar mijn inzicht als volgt: de schoolgemeenschap (de rechtsvergadering) moge de meest geschikte kandidaat voor een functie democratisch aanwijzen, er is, indien zijn functie met zich meebrengt, dat hij gezag over andere mensen van de gemeenschap uitoefent, bovendien nodig, dat hij door deze laatsten als leider wordt erkend. Conclusie: hoezeer de praktijk ook anders moge zijn, het gaat niet om ‘gekozen of erkend’, doch om ‘gekozen’ resp. om ‘gekozen en erkend’.

Ik meen, dat wij hiermee de kern van de controverse naderen. Ik knoop aan bij de derde alinea van de eerste helft van Van Manens artikel. Anders dan Van Manen stelt, heb ik wel degelijk met de wijdverbreide interpretatie over Steiners aanwijzingen voor de structuur van de Waldorfschule willen afrekenen. Niet in zijn kop – Steiner wenste géén democratische Waldorfschule – maar met deze zinsnede had Info3 gelijk.*) Het ging mij niet om de titel, maar om wat de praktijk uit de titel én de tekst van het artikel van Lehrs afleidt. Daarover moest ik terug naar Steiner.

Het artikel van Lehrs gaat over het republikeinse principe. Het democratische wordt genoemd, niet behandeld. In mijn stencil van het artikel van Lehrs komt zelfs de democratische controle achteraf, die er in het exemplaar van Van Manen kennelijk wel staat, niet voor. Welnu, achter de beschrijving van dit republikeinse principe kan ik woord voor woord staan. Maar ik acht het volstrekt ontoelaatbaar, dat een als wetenschappelijk bedoeld artikel met een opschrift wordt getooid – al dan niet aan Steiner ontleend – dat de lading niet dekt.

De gevolgen bleven niet achterwege. Uitwerking had niet de inhoud, maar de titel. Ik laat in het midden, in hoeverre het artikel werkelijk – d.w.z. op de wijze, die Van Manen kenmerkt – is gelezen. Een feit is, dat de democratische component, die, zoals Van Manen mét mij als tot de structuur behorend beschouwt, vrijwel nergens in antroposofische instellingen in het algemeen en in de Vrije Scholen in het bijzonder, te vinden is. Ik zou graag eens van oude rotten in het (school-)vak willen vernemen, in welke school zij ooit een schiftelijke stemming bij het aanwijzen van functionarissen hebben meegemaakt. Iedere poging in deze pleegt van tafel geveegd te worden met de slogan ‘republikeins, niet democratisch’. Wie Leber’s ‘Die Sozialgestalt der Waldorfschule’ leest, komt weliswaar een beschrijving van het ‘incident Y’ tegen (p.160v), nochtans komt het democratische principe niet verder dan een formele gelijkheid van alle mensen (p.58). Dat zijn de dieren in Orwell’s ‘Animal Farm’ ook.

Tegen deze opvatting was mijn artikel gericht; dus zoals Info3 juist in de gaten had: om af te rekenen met een wijdverbreide en mijns inziens onware interpretatie van Steiner. Van Manen gaat met geen woord op de praktijk van de mesostructuur in. Daarom moet mijn conclusie over onze controverse een vermoeden blijven. Dat wil ik duidelijkheidshalve uitspreken. Ik heb de indruk, dat Van Manen achter de huidige praktijk staat. De rechtvaardiging daarvan zou echter meer vereisen dan de naar voren gebrachte detailcritiek. Vandaar, dat ik mijn standpunt formuleachtig wil samenvatten. – Als driegeleder stel ik prijs op sociale hygiëne. Ik sta voor een kristalklaar republikeins principe bij de uitoefening van de functie; en ik sta voor een pijnlijk precies democratisch principe bij het verkiezen van functionarissen, bij de décharge van functionarissen en voorts bij alle onderwerpen, die men bewust of door nalatigheid niet onder de taakomschrijving van een functionaris heeft laten vallen.

Ik wil thans ingaan op wat ik noemde de ‘apocriefen’ van Steiner. Ik stel voorop, dat dit woord bij mij geen negatieve klank heeft. En ik merk voorts op, dat het verwerpen van apocriefen als grondslag voor Steiner-interpretatie niet inhoudt, dat dus het gestenografeerde sacrosanct zou zijn. Het was mij bekend, dat het stenogram van de zittingen met het lerarencollege onvolledig is. Maar ik neem aan, dat wat genoteerd is ook gezegd werd; zij het dat een ontbrekende context de kleur zou kunnen veranderen. Een voorbeeld is in de titel van Lehrs gegeven. Natuurlijk kan Steiner gezegd hebben ‘republikeins, niet democratisch!’; namelijk als het om de materiële opgaven van het lerarencollege gaat. Daarmee ben ik al bij bezwaar nummer
1. Bij apocriefen is de situatie onbekend. Karikaturaal: Zou GA 280/1983/95 apocrief zijn overgekomen, dan zouden vele antroposofen met de hand in hun broekzak mediteren.

2. In de loop van de tijd treedt verminking op – en soms direct. In ditzelfde blad moest binnen betrekkelijk korte tijd tweemaal op een onjuiste mondelinge traditie worden gewezen. Vis verwees een ‘uitspraak van Steiner’ over Rembrandt naar het rijk der fabelen en Boogert corrigeerde het auteurschap van spreuken. Ik kan ook het artikel van Van Manen zelf noemen: hij duidt de titel aan als ‘een door Lehrs uit de herinnering geciteerde uitspraak’. De lezer zal dat opvatten als: Lehrs herinnerde zich, dat Steiner dat gezegd heeft. Ik acht dit zeer dubieus: de beide eerste alinea’s van Lehrs geven reden voor de veronderstelling, dat de uitspraak dateert uit een tijd, toen Lehrs nog geen lid van het college was. (Ik voeg eraan toe: Lehrs kennende, zou hij, als hij die uitspraak zelf gehoord had, gezegd hebben ‘. . . gab er uns zur Antwort’.) En naarmate diegene, die het zelf gehoord heeft, verder weg is, wordt de kans op het ‘dode-oma-in-de-achterbak-effect’ groter.

3. Sociaal erger is, dat de betrouwbaarheid van de zegsman ter beoordeling komt te staan. Naarmate meer herinneringen van mensen, die Steiner nog zelf gekend hebben, de drukpers passeren, neemt ook het verschijnsel toe, dat citaten, die in strijd met het tot dusver aangenomene zijn, worden afgedaan met: ‘Maar X is niet betrouwbaar’. Ik kwam er in de laatste tijd bedroevende staaltjes van tegen. – Om bij ons onderwerp te blijven: moet ik de betrouwbaarheid van Lehrs toetsen aan mijn ervaringen, toen ik zijn leerling was? En die van de zegsman van Rath, Günther Wachsmut, aan diens politieke opvattingen?

Met dit al wil ik de apocriefen geenszins uit de literatuur bannen. Ik heb ze zelf al te graag gebruikt. Ze geven soms een heel eigen kleur aan het onderwerp. Wij dienen echter hun plaats te weten. Men zou ze nooit anders behoren te citeren dan ‘Steiner zou gezegd hebben’. En zij kunnen een betoog nimmer dragen; alleen maar steunen.

Tenslotte de uitdaging, mijn stelling, dat wat structureel met de Weihnachtstagung door Steiner met de Gesellschaft gewild is, op losse schroeven staat waar te maken. -Primair: er staat structureel en uitsluitend dit aspect had ik dan ook voor ogen. En dan: Het zal Van Manen niet onbekend zijn, dat in de laatste levensdagen van Steiner en daarna dingen zijn gebeurd, waaromtrent een groep mensen sedert jaren documenten verzamelt, teneinde aan te tonen, dat daarmee de bedoeling van Steiner op haar kop werd gezet. Ik verwijs de verbaasden naar het artikel van Von Beckerath in Info3 van juli/augustus 1986 en voorts naar de uitgebreide documentatie door hem en anderen. Het gaat daarbij bepaald niet om randproblemen. Aan de orde is bijv., dat Steiner de statuten tijdens de Weihnachtstagung artikel voor artikel uitvoerig en voortdurend reacties uitlokkend met de leden heeft besproken, deze stuk voor stuk democratisch heeft laten aannemen, om slechts enkele maanden later deze zelfde leden, zonder hen zelfs daarvan in kennis te stellen, naar een andere vereniging met geheel andere statuten zou hebben overgeheveld. – Ik wil hieraan uitdrukkelijk toevoegen, dat deze woorden géén stellingname inhouden. Mijn bedoeling was niet meer, dan een waarschuwing, om waar het om de structuur van de Gesellschaft gaat, voorzichtig te zijn en haar niet zonder meer als ‘van Steiner afkomstig’ te aanvaarden.
.

*Dieter Brüll, Mededelingen Antroposofische Vereniging, april 1987

.

*) De wijze, waarop Van Manen problemen pleegt te analyseren, is een puur genoegen. Ook en juist waar ik met hem van mening verschil, levert zijn acribische betoog een zo duidelijke confrontatie met het probleem op, dat het ook op de eigen gedachtevorming verhelderend werkt. Daarom valt mij het volgende ‘terzijde’ moeilijk.

Omdat ik het echter bij ieder ander ook niet achterwege zou laten, doe ik dat jegens hem ook niet. -Ik ben van mening, dat de schimpscheuten tegen Info3 aan zijn artikel afbreuk doen. Ik zie bijv. niet in, waarom mijn dienst erger is dan het burgerunifirm van colbert en stropdas; en waarom het beeld erger is dan het orale geprofessor. Voorts is het inderdaad onjuiste opschrift precies het spiegelbeeld van dat van Lehrs: doet het laatste het voorkomen, alsof er geen plaats is voor het democratische element, het opschrift in Info 3 stelt, dat ik aan het republikeinse principe geen betekenis toeken. En deze onjuistheid is voor een gedegen stuk heel wat erger dan voor een actualiteitenrubriek. Voorts zal iedereen toegeven, dat het verwijt over het verslag van de bouwvergadering – werd werkelijk iets essentieel verkeerds gemeld? – niets met het onderwerp te maken heeft.
.
*100 jaar vrijeschoolalle artikelen

Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen
.
Sociale driegeledingalle artikelen

.

1553-1454

.

.

VRIJESCHOOL – 100 jaar vrijeschool – alle artikelen

.

100 jaar vrijeschool: toelichting


SLUIMERENDE ACHTERGRONDEN

uit/in het archief

[1-1]
sluimerende achtergronden 1
100 jaar vrijeschool:
een bijdrage aan meer vrijheid van onderwijs – een opdracht die Steiner de scholen meegaf – is niet gelukt; aanvaarding subsidie door Haagse vrijeschool: voortbestaan gered, grotere onvrijheid voor inrichting; uit het artikel van Steiner over ‘vrijeschool en driegeleding‘ uitgesproken vóór de vrijeschool in Stuttgart begon; ‘bijzondere tijden hebben hun bijzondere opdracht’: voor deze tijd: de sociale driegeleding.

Met name in de zeventiger en tachtiger jaren van de vorige eeuw waren er steeds mensen/scholen die probeerden bewustzijn te wekken voor de driegeleding. O.a. door het publiceren van boeken en artikelen. De laatste verschenen in het tijdschrift Jonas, een blad voor ‘maatschappelijke bewustwording’ of in schoolkranten.

[1-3]
In de jaren ’70 van de vorige eeuw bestaat er in Den Haag een leerlingenbeweging die zich inzet voor de sociale driegeleding, in zonderheid voor vrijheid van onderwijs. Drs. Hans-Peter van Manen houdt een voordracht: ‘De plaats van de vrijeschool in de huidige maatschappij’

[2-1] HOOPVOL?
Een congres over vrijheid van onderwijs, eind 2017. De vrijeschoolbeweging is vrij(wel) onzichtbaar.

[3-1/1]
Ook voor het besturen van de vrijeschool gaf Steiner aanwijzingen die vanuit zijn visie op de maatschappijstructuren stammen. Deze vorm van bestuur wordt vaak omschreven als ‘republikeins’.
Ernst Lehrs gaf daar een uitleg aan: ‘Republikeins, niet democratisch

[3-1/2]
Dieter Brüll geeft een andere uitleg aan Steiners ‘republikeins: ‘Republikeins én democratisch”

[3-1/3-1]
En Hans-Peter van Manen legt dat weer anders uit: ‘Republikeins,  democratisch en aristocratisch

[3-1/3-2]
Hans-Peter van Manen gaat verder met het vervolg op bovenstaand artikel

[3-1/4]
Het antwoord daarop van Dieter Brüll

]4-1]
Vrijheid van richting, oprichting en inrichting
Mr. A.C.Henny over: vrijheid van richting; de grondwet; toenmalige minister: overheid stelt leerplan samen; het onderwijsbestel houdt zijn centralistische structuur; de vraag blijft (ook in 2018) wie is verantwoordelijk voor het onderwijs: de staat of het onderwijs zelf?

[5-1]
Burgerlijke ongehoorzaamheid
Helmut van Renesse over: beetje ongehoorzaamheid: ja; maar vooral toch dialoog met de overheid

[5-2]
Examineren, of anders: géén subsidie!!!
De dialoog – zie boven – levert weinig tot niets op: de Onderwijsraad adviseert de overheid: examineren, anders geen subsidie!
.

[6-1]
Maatschap
Een poging de sociale hoofdwet toe te passen; samen met ouders zoeken naar het realiseren van een ideaal; ouderbijdrage; ontstaan Centrale Administratie voor vrijescholen; Jan Kluën
.
[7]
Hoe nu verder
Valentin Wember doet een oproep voor de toekomst

[8]
100 jaar vrijeschool: een promotiefilmpje
.

Vrijeschool en vrijheid van onderwijs: alle artikelen

Sociale driegeleding: alle artikelen

.

1550-1451

.

VRIJESCHOOL – Rekenen – eenhedenstelsels (1-8/1)

.

eenhedenstelsels

inleiding

Politie grijpt in op de markt te Zutphen

Dwars door de oude binnenstad van Zutphen slingert zich de oude markt, een aaneenschakeling van drie markten, de Groenmarkt, waaraan de firma Thieme is gevestigd, de Houtmarkt en de Zaadmarkt. Op donderdag wordt er gehandeld, dan staan de markten vol met allerlei kramen, waar kooplui de opgestapelde waren aan de man proberen te brengen.

Op deze markt vond dit jaar* een uniek ingrijpen van de politie plaats. Een koopman prijsde zijn waren per pond en per ons, omdat zijn klanten deze aanduidingen van hoeveelheden gebruikten. Zij vroegen een pond appelen, een ons chocolaadjes en op dagen, waar de portemonnee rammelde van het vele geld ook een half pond koffie. Maar overeenkomstig de wet moeten deze artikelen geprijsd zijn per kilogram of per half kilogram, per 100 gram en per 250 gram. Onze koopman zag hier de noodzaak niet van in, hij volhardde in zijn optreden en na enige waarschuwingen in de wind te hebben geslagen werd hij op de bon geslingerd.

Op een goede dag kwam de man voor. Hij verdedigde zich goed met de boven reeds gegeven argumenten, maar werd veroordeeld, omdat de wet nu eenmaal geen ponden en onsen kent. Na het vellen van het vonnis liep de man pruttelend weg. Het kwalijke van zijn handeling was hem niet duidelijk gemaakt. Het gebruik van de aanduiding pond, ons, el, duim, voet en andere overgeleverde eenheden is verboden.

Binnenkort wordt dit verbod uitgebreid met onder andere de paardekracht, de calorie, de kilogram als eenheid van kracht. De eenheden, die dan uitsluitend mogen worden gebruikt, zijn gelukkig al lang ingevoerd en bekend bij velen, die de laatste jaren onderwijs hebben genoten. Voor de anderen komt er een tijd van aanpassing. Erg ingewikkeld is de zaak niet.
In een aantal artikelen zullen wij alles vertellen. Voorlopig kunnen wij u in één ding geruststellen. In de toekomst wacht u geen bekeuring, als u bijvoörbeeld in de vriendenkring vertelt: vandaag heb ik een pond aardappelen opgegeten met twee ons biefstuk, alles overgoten met acht eetlepels jus na toevoeging van een schepje zout en een snuifje peper; daarbij heb ik een pint bier gedronken. Na de maaltijd heb ik een wandeling gemaakt van drie mijl bij een temperatuur van 80 graden Fahrenheit in de schaduw naar mijn landgoed, groot zes bunder. Van een stuk ter grootte van één are waren zojuist twintig mud aardappelen gerooid. Enzovoorts, enzovoorts.

Welnee, na een dergelijk verhaal behoeft u niet in angst te leven. Voor persoonlijk gebruik mag u spreken over vadems, lepels, koppen en wat dies meer zij. Bij het onderwijs mag u deze oude eenheden noemen, omdat u deze in oude boeken tegenkomt. Maar in het officiële verkeer is dit binnenkort verboden.

Een advertentie van diepvriesgroente liet ons reeds zien, wat ons te wachten staat. Op het pak werd als voedingswaarde gegeven 120 kJ met erbij tussen haakjes 30 kcal. De omrekening van kilocalorie naar kilojoule is hier bij benadering geschied; immers 1 kcal = 4,2 kJ. In het dagelijks leven is men niet geïnteresseerd in een grote nauwkeurigheid, mits men maar niet te weinig voor zijn geld krijgt.

In notariële akten, in examenopgaven, in studieboeken, in advertenties zijn binnenkort slechts eenheden van het S.I. (système international) toegelaten. Hiertoe behoren de meter, de seconde, de kilogram, de newton, de joule en de watt. In de elektriciteitsleer zijn deze eenheden al heel lang in gebruik en ook ingeburgerd. Via de kilowattuur hebt u vaak van de kilowatt gehoord. Vermogens van elektromotoren zijn sinds jaar en dag gegeven in kilowatt; bij automotoren is dat nog niet het geval. Een automotor van 100 paardekracht wordt nu een motor van 75 kilowatt. Dit nieuwe getal maakt minder indruk dan het grotere oude getal; als dit anders zou zijn geweest, had zich de verandering al lang voltrokken.

Voordat wij met deze materie verder gaan, zullen wij u vertellen, waarom men de aanduidingen pond en ons heeft verboden. Met deze aanduidingen zijn wij vertrouwd, maar op de wereld zijn er grote gebieden, waar ze niet gebruikt worden. En waar men ze wel gebruikt, hebben zij een andere betekenis. Hoewel dit geen bezwaar is voor de handel van Nederlanders onder elkaar, komen er grote problemen, wanneer buitenlanders hierbij betrokken zijn.

Eerst het pond. Bij het opzoeken van dit woord in het woordenboek van Koenen en zijn latere bewerkers vindt u als eerste betekenis 500 gram of 0,5 kilogram en als tweede betekenis een zekere geldswaarde. Bij de eerste betekenis wordt vermeld, dat een medicinaal pond 375 gram is. Dat is al de eerste complicatie. Bij de tweede betekenis staan als voorbeelden eerst het vlaamse pond met een waarde van ƒ 6,— (verdeeld in 20 schellingen, 240 groot, 960 duiten of 2880 mijt) en daarna het Engelse pond (vroeger verdeeld in 20 shilling ieder van 12 pence). De waarde van dit Engelse pond is niet vermeld. Het pond, dat in de Bijbel voorkomt, wordt als derde voorbeeld gegeven; volgens Koenen is het ongeveer ƒ 50,—waard; het wordt verdeeld in 100 drachmen.

De geldswaarde van een munt wordt door zijn hoeveelheid van een zeker materiaal vastgelegd, waardoor de aanduiding pond voor geldswaarden duidelijk wordt.
Het woord pond is in het engels pound; dit pound is echter geen 500 gram, maar 453,6 gram. Dit pound wordt verdeeld in 16 ounce, ieder van 28,35 gram bij gebruik van de zogenaamde avoir dupoiseenheden.

Daarnaast kant men troy-eenheden, waarin een ounce 31,1 gram is en waarin 12 ounce een troy-pound vormen; dit troy-pound komt overeen met 373,2 gram. Deze eenheid wordt in de USA gebruikt. Pond is in het Duits Pfund. Gelukkig is dit Pfund 500 gram. Toch is er met onze oosterburen een groot probleem. Over de aard ervan later meer; voorlopig het volgende. Men heeft als eenheid van kracht de kilogramkracht gebruikt; welnu, deze eenheid is in het Duits Kilopond Kp. Op de markt kan een Duitser bijgevolg voor de prijs van een pond een kilogram appelen verlangen. Voor een Nederlander is dat een onvoordelige handel.

Koenen vermeldt ook de oude Friese eenheid. Dit blijkt een eenheid van oppervlak te zijn, die met 0,3678 hectare overeenkomt.

Het woord pond komt uit het Latijn; pondus betekent gewicht, de verbogen vorm pondo betekent „aan gewicht ‘. Volgens de Concise Oxford Dictionary is van die verbogen vorm het woord pond afgeleid.

In het Engels wordt pound verkort weergegeven door Ib, een afkorting van het latijnse woord libra, weegschaal. Hiervan is ook het Franse woord voor pond livre afgeleid. Een livre is 500 gram.

Nu het ons. Koenen deelt mee, dat dit woord afkomstig is van het Latijnse woord uncia en dat de waarde van een ons 0,1 kg of 100 gram is. Uncia betekent twaalfde deel. Het Latijnse woordenboek van Muller en Renkema voegt hieraan toe: als munt en als gewicht en wel een twaalfde deel van een „as”. Een as is een pond van 327 gram. Een Romeins ons is dus 27,3 gram.

Als u de verdeling van het pond door de Romeinen vergelijkt met die van de Engelsen, dan ziet u dat deze volkeren het op een andere wijze hebben gedaan.

Uncia is in het Engels ounce geworden. In het Oud-Frans is het unce, later once met als betekenis een zestiende deel van een Frans pond en als zodanig 30,6 gram. In het moderne Frans wordt het woord once weinig gebruikt; het heeft nu de betekenis van een klein beetje.

Naar wij hopen duizelt het u nu. Met het gebruik van de woorden pond en ons is de verwarring compleet, als wij even over de grenzen kijken. Wij moeten van deze aanduidingen af en ze bij andere oude eenheden in het museum plaatsen. In studieboeken, in de normbladen van het Nederlandse Normalisatie Instituut, in wetenschappelijke verhandelingen zijn ze trouwens niet te vinden.

De marktkoopman kreeg een geldboete voor het gebruik van de versleten eenheden. De rechter heeft hem niet opgedragen een verhandeling over pond en ons te schrijven. Voor iemand, die geen natuurkundige is, zou dat een veel te zware straf zijn.

Drs. E. J. Harmsen, Vacature, nadere gegevens onbekend *1977

.

Rekenenalle artikelen   uit deze serie onder nr.8

Natuurkundealle artikelen

.
1537-1442

.

.

VRIJESCHOOL – Rekenen – eenhedenstelsels – (8-1/5)

.

In de 4e klas wordt meestal begonnen met het metriek stelsel.
Hier vind je een manier om daarmee te beginnen.
Als achtergrond voor de leerkracht zijn er nog een aantal artikelen toegevoegd over ‘eenhedensstelsel’ .

Eenhedenstelsels

De massa
De massa is een natuurkundig begrip, dat is ingevoerd door Galileï, die leefde van 1564 tot 1642. Vergeleken met de begrippen lengte, tijd, kracht en vele andere is de massa een „nieuw” begrip. Het is dus geen wonder, dat het begrip massa nog geen gemeengoed is geworden. Op de lagere school wordt er niet over gesproken; alleen een deel van de leerlingen bij het voortgezet onderwijs is er vertrouwd mee geraakt.

U verwacht waarschijnlijk aan het begin van dit artikel een scherpe definitie van massa. U zult echter wat geduld moeten hebben. Denkt u er maar eens aan, dat wij over de meter en over de seconde gesproken hebben zonder scherpe definities gegeven te hebben van lengte en tijd als natuurkundige begrippen.

Lengte en tijd behoren tot de grootheden van de natuurkunde. U weet allen, wat onder lengte en tijd wordt verstaan. Maar als wij u vragen: „Wat is lengte”, kunt u als antwoord de beide handen uitstrekken met de handpalmen naar elkaar gekeerd en zeggen: „De afstand tussen de handen is een lengte.” Hieruit blijkt, dat het begrip lengte uw geestelijk eigendom is geworden, ook al kunt u er geen éénduidige definitie van geven. De genoemde handpalmen zijn geen ideale platte vlakken en zij zijn ook niet evenwijdig.
Wanneer wij van twee onderling evenwijdige platte vlakken op verschillende manieren de afstand bepalen, dat wil zeggen de lengte van het loodlijnstuk tussen beide, dan vinden wij overal dezelfde waarde. Deze waarde noemen wij de afstand.
De afstand van twee punten wordt gevonden als de lengte van de kortste verbindingslijn, de rechte lijn. Maar hoe controleren wij een rechte lijn? Bijvoorbeeld de zijkant van een liniaal? Wel, door er langs te kijken. Als we geen kromming zien, kunnen we zeggen: „De liniaal is net zo recht als een lichtstraal”. Helaas, de natuurkunde kent geen echte lichtstralen, wel smalle lichtbundels. Licht is een energiestroom van elektromagnetische aard, die zichzelf in stand houdt bij uitbreiding in de ledige ruimte.

U ziet, dat het ingewikkeld wordt als wij perfectie gaan nastreven.

Bij het begrip tijd en tijdsverschil is het evenzo; de bewegingstoestand van de waarnemer gaat daarbij problemen opleveren. Toch beseft u maar al te goed, wat tijd is.

In het begin moet men tevreden zijn met eenvoudige vaststellingen.

Bijvoorbeeld: licht is het verschijnsel, waardoor wij met onze ogen de dingen kunnen zien: geluid is het verschijnsel, waardoor wij met onze oren geluiden kunnen horen. Alras blijkt, dat er lichtsoorten zijn, die wij niet kunnen zien en dat er geluiden zijn, die wij niet kunnen horen. Toch zijn met de gegeven voorlopige definities de gebieden licht en geluid voor een nader onderzoek voldoende aangeduid.

Om u duidelijk te maken wat wij natuurkundig onder massa verstaan, gaan wij eens een supermarkt binnen. Wij zien, dat artikelen als eieren en tandenborstels per stuk worden verkocht, dat vloeistoffen als melk en sla-olie per liter te koop worden aangeboden. Maar verreweg de meeste artikelen worden verhandeld per kilogram, per 250 gram of per 100 gram. Let u maar eens op de pakken suiker, de pakken koffie en de pakjes gevuld met chocolaadjes. De kilogram en ook de gram is dus een aanduiding van hoeveelheid.

In de groothandel worden eieren en melk ook per kilogram verkocht.

De kilogram is dus een algemene maat van hoeveelheid. Natuurkundig zeggen wij: de kilogram is de eenheid van massa. Massa is een grootheid, die wij kunnen aanduiden met „hoeveelheid stof”. De aard van de stof doet er niet toe: een kilogram suiker en een kilogram zout hebben dezelfde massa. Een grotere hoeveelheid heeft ook een grotere massa: de massa van drie kilopakken suiker is 3 kilogram.

Terwijl wij bij het kopen en verkopen van goederen dikwijls met de massa ervan rekenen, gebruiken wij dat woord niet. Dat is ook niet nodig.

Als u geheel buiten adem thuiskomt, zegt u ook niet: Ik heb de bus gemist; ik moest 3 kilometer hard lopen, 25 minuten lang om hier op tijd te kunnen komen”. Natuurkundig gezien is het volgend spraakgebruik correct:

a. Ik ga drie kilo suiker halen en twee kilo zout (hier is kilogram afgekort);

b. De boer heeft een varken gemest van 300 kilo;

c. Ik ben alweer aangekomen’ volgens de weegschaal ben ik 75 kilo;

d. Recepten in kookboeken als: Men neme 400 gram meel, 100 gran boter enz.;

e. Dit bruggetje heeft een draagvermogen van 100 kilogram. Twee mud aardappelen kan dit bruggetje dus niet dragen, want dat is 140 kilogram.

Er is echter een manier van spreken, die niet juist is. Als iemand aan een kind vraagt, hoeveel het weegt, kan het kind antwoorden: 20 kilo.

Het kind bedoelt daarmee, dat zijn massa gelijk is aan die van 20 kilogram; anders gezegd: zijn massa is 20 maal zo groot als dat van het standaardkilogram.

Een „gewicht” van 1 kilogram is een voorwerp met een massa van 1 kilogram met een vorm, waardoor men het gemakkelijk bij het wegen kan gebruiken.

Over het vergelijken van massa’s, onder andere door wegen, gaat het volgende artikel, waarin ook het begrip „gewicht” aan de orde komt.

In het S.l. is de eenheid van massa, de standaardmassa, de kilogram kg. Het standaardkilogram is een stuk van een platinalegering, dat in hetzelfde laboratorium wordt bewaard, waar ook de standaardmeter te vinden is.

In Nederland is een copie ervan in Delft.

In Frankrijk is na de grote revolutie dit standaardkilogram vervaardigd. Het was de bedoeling, dat de massa ervan gelijk zou zijn aan die van 1 dm3 water bij 4 °C. Later is met behulp van meer verfijnder instrumenten gebleken, dat de massa van het standaardkilogram iets groter is dan die van 1 dmwater van 4 °C. Het standaardkilogram heeft men echter niet veranderd.

Van het kilogram kg zijn grotere en kleinere massa-eenheden afgeleid.
Een grotere eenheid is het mega-gram Mg: 1 Mg = 1000 kg.
Een kleinere eenheid is de gram g: 1 g = 10 -3   kg en 1 kg = 1000 g. (De afkorting gr. voor gram is in strijd met de voorschriften van de normalisatie; als men vreest voor verwarring bij het gebruik van de g. moet men gram voluit schrijven.) Een nog kleinere eenheid is de milligram mg.: 1 mg. = 10 -3 g en 1 g = 1000 mg. Dus ook: 1 kg = 106 mg.

Bij dit alles moet een opmerking worden geplaatst. Er is iets in het verhaal, dat niet logisch is. Waarom is niet de gram g de eenheid van massa?

Want bij de g is er geen toegevoegde letter. Men kan de g vergelijken met de m (meter) en de s (seconde). Het S.I is voortgekomen uit het kg.m.s. stelsel, waarom niet uit het g.m.s. stelsel? Met als eenheid van massa ten naaste bij de massa van 1 cm3 water van 4 °C?

De historie geeft het antwoord op deze vraag. De beroemde mathematicus Gauss heeft in de vorige eeuw met succes een eenhedenstelsel voorgesteld gebaseerd op de centimeter als de eenheid van lengte, de gram als eenheid van massa en de seconde als eenheid van tijd. In de wetenschap is dit stelsel aanvaard. Voor het dagelijks leven waren deze eenheden te klein, evenals de ervan afgeleide eenheden van kracht, arbeid enzovoorts. Daar gebruikte men een stelsel, dat wij niet meer noemen. Wetenschap en techniek hebben zich in de loop der tijden weten te verenigen tot het stelsel, dat wij hier behandelen. De meter werd de eenheid van lengte, de seconde bleef de eenheid van tijd, de kilogram werd de eenheid van massa.

Men heeft pogingen in het werk gesteld om een nieuwe naam te bedenken voor de massa van het standaardkilogram zonder het bestanddeel kilo. Men is hierin niet geslaagd. Aan het S.L kleeft dus een schoonheidsfout. Men zal hiermee moeten leren leven. En als iemand daar overwegend bezwaar tegen heeft, moet hij maar een voorstel voor een betere naam indienen.

Drs. E. J. Harmsen, Vacature 89e jrg. no 10, 07-04-1977

.

METEN EN WEGEN Het Internationale bureau van maten en gewichten vervangt het oude stelsel van eenheden.

De kilo is dood, leve de kilo. Gisteren* besloten de zestig lidstaten die zijn aangesloten bij het Internationale bureau van maten en gewichten (BIPM), om het oude stelsel van eenheden te vervangen. Grootste slachtoffer: de kilo.

Le Grand K, zoals ze op het bureau in Parijs zeggen, is een cilinder van platina-iridium, die 130 jaar dienst heeft gedaan als maat voor de kilogram. Le Grand K was de kilo. Alle gewichten wereldwijd zijn geijkt aan de Parijse cilinder.

Maar de kilo is de kilogram niet meer. In de loop der jaren is de cilinder zo’n 50 microgram (miljoenste deel van een gram) kwijtgeraakt. Dat is in de supermarkt niet erg, maar in

de wetenschap, waar de experimenten steeds minutieuzer worden, wel.

Dat probleem gold tot 1983 ook voor de meter. Die was ooit gedefinieerd als de lengte van een staaf, eveneens van platina-iridium en eveneens opgeborgen in Parijs. Toen ook van die staaf niet meer zeker was of hij nog net zo lang was als een eeuw daarvoor, zochten wetenschappers naar een nieuwe definitie. Daarvoor gebruikten ze de snelheid van het licht. Tot 1983 was die snelheid gedefinieerd in termen van de meter: ongeveer 300 miljoen meter per seconde. Toen fysici vonden dat ze de lichtsnelheid exact genoeg konden meten, draaiden ze het om. Ze legden hem op één waarde vast: 299.792.458 meter per seconde. Geen millimeter meer of minder. En de meter werd de afstand die het licht in 1/299792.458ste deel van een seconde aflegde. De seconde was toen overigens al niet meer afgeleid uit de lengte van de dag, maar uit het aantal trillingen dat het licht van een cesiumatoom maakt.

Die weg is de kilo nu ook opgegaan. Hij is niet meer gedefinieerd met een fysieke cilinder, maar op basis van een natuurconstante. Wat delichtsnelheid is voor de meter, is voor de kilo de constante van Planck, een centrale term uit de quantumtheorie. Ook nu hebben fysici de constante van Planck exact vastgelegd en leiden ze de kilo daaruit af. Dat kon overigens pas nadat ze vorig jaar hadden aangetoond dat ze dat verband voldoende nauwkeurig konden meten.

In het nieuwe stelsel verliezen ook andere basiseenheden hun link met de fysieke kilo. Zoals de ampère, die werd geijkt aan de magnetische kracht, en daarin zat de kilo verstopt. Op 20 mei 2019, op wereld-metrologiedag, wordt het nieuwe stelsel officieel van kracht.

Niet voor de eeuwigheid overigens. Er gaan nu stemmen op om de definitie van de seconde te verbeteren. De huidige cesiumklokken bieden een maximale afwijking van één seconde per 200 miljoen jaar. Dat kan beter.

metriek stelsel 1

metriek stelsel 2‘Le Grand K’, een cilinder van platina-iridium, heeft 130 jaar dienst gedaan als maat voor de kilogram.
.
Trouw, *17-11-2018

alle artikelen van bovenstaande serie: rekenen rekenen: alle artikelen onder nr. onder nr.8

Rekenen – metriek stelsel

4e klas rekenenalle artikelen

rekenenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld4e klas

.

1525-1430

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 297 – inhoudsopgave

.

RUDOLF STEINER

BASISGEDACHTEN EN PRAKTIJK VAN DE VRIJESCHOOL

9 voordrachten, een bespreking en vragenbeantwoording tussen 24 augustus 1919 en 29 december 1920 in verschillende plaatsen [1]

Inhoudsopgave 1e voordracht Stuttgart 24 augustus 1919

Welke gezichtspunten vormen de basis voor de vrijeschool

De op handen zijnde stichting van de vrijeschool als een eerste stap op weg naar een vrij geestesleven. (blz. 15)
De afhankelijkheid van de school van de staat tot nog toe. (blz. 17 e.v.)
De macht van de frase en het aan elkaar voorbijpraten; een voorbeeld uit de pedagogie. (blz. 19)
Activiteiten op pedagogisch gebied in de afgelopen decennia (1). blz.20)
De experimentele psychologie (2)  (blz.21)
De pedagogiek van Herbart: de eis van opvoeding van wil en gevoel, echter de herbartse psychologie berust uitsluitend op het voorstellen. (blz.23 e.v.)
De noodzaak van een nieuwe menskunde: waarnemen van de totale mens. (blz. 29)
Voorstellen en wil als een en dezelfde ontwikkeling; de voorstelling: oud geworden wil. (blz.30 e.v.)
Rekening houden met het leven vóór de geboorte en na de dood. (blz. 31 e.v.)
Een voorbeeld van zoeken naar iets nieuws voor het schoolleven en het oude niet kunnen loslaten: citaten uit het boek ‘Ontwikkelingspsychologie en opvoedwetenschap’ van Johann Kretschmar (over de staat en het onderwijs; over lerarenopleiding) (blz. 34 e.v.)
Vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school. (blz. 40 e.v.
Het streven naar een nieuwe methodiek en onderwijspraktijk op de vrijeschool. (blz. 41)

Inhoudsopgave 2e voordracht Stuttgart 31 aug. 1919, ’s middags.

Uit welke geest kan een opvoedkunst tot ontwikkeling komen voor deze tijd?

Echte opvoedkunst als voorwaarde voor het scheppen van een sociale toekomst voor de mens.
De betekenis van de lerarenopleiding
De vergeefse zoektocht van de pedagogen Sallwürk. Vogt en Rein naar nieuwe opvoedingsgezichtspunten in de natuurwetenschap en geschiedenis.
De noodzaak van een nieuwe menskunde
De opvoedingsprincipes voor de zevenjarige fasen in de ontwikkeling van het kind; nabootsing voor, autoriteit na de tandenwisseling.
De onderverdeling van de leeftijdsfasen en hun overgang (levensrubicons); een voorbeeld daarvan in de tweede fase: het zeven- tot negenjarige kind: het samengaan van nabootsing en autoriteitskracht.
Over het ‘aanschouwelijkheidsonderwijs’.
De drang om moraliserend naar de wereld te kijken (voorbeeld: introductie van een fabel).
Het negen- tot twaalfjarige kind: biologie aanknopend bij de de mens, een voorbeeld uit de dierkunde (inktvis)
Het twaalf- tot veertienjarige kind: vorming van het oordeelsvermogen; begin van de eigenlijke natuurkunde.
De huidige natuurlijke ontwikkeling  van de mens tot 27 jaar, de langere mogelijkheid tot ontwikkeling in vroegere cultuurfasen.
Over opvoedingsbegaafdheid.
De opvoeding van intellect, gevoel en wil.
Levende begrippen.
Het wezen van het spel, spel en arbeid.
De oriëntatie van het intellect op de geest door wilsopvoeding.
Vroege verzorging van het elementair kunstzinnige
Het afwenden van sociale misstanden door een nieuwe, op menskunde gebaseerde opvoedkunst.
De grootst mogelijke interesse voor het leven als voorwaarde om leraar te zijn.

3e voordracht Stuttgart 31 augustus 1919 ’s avonds:

Voordracht voor de ouders van de vrijeschoolkinderen

Deze is vertaald en uitgegeven door uitgeverij Nearchus. Opvoeding en sociale verandering
(opgenomen in:: Vrijheid van onderwijs en sociale driegeleding : over de levensvoorwaarden voor een werkelijk vrij onderwijs)

Inhoudsopgave 4e voordracht Stuttgart, 24 september 1919 

Bovenzintuiglijke kennis en pedagogische levenskracht

De onwerkzaamheid van ‘de goede wil’ en de ‘mooie gedachte’ voor het omvormen van de huidige sociale verhoudingen (blz. 89)
Impuls van de geesteswetenschap: gevoels- en wilscultuur, omvorming van het oude instinctieve naar volbewust beleven (blz. 90)
De oprichting van de vrijeschool: aansluiten bij de industrie (blz. 90)
De natuurwetenschappelijke manier van denken als enige bron voor de vorming in deze tijd (blz. 91/92)
De weg van de geesteswetenschap: het ontwikkelen van tot in de twintiger jaren onbewuste werkende krachten: imaginatie, inspiratie, intuïtie (blz. 92)
De omvorming van de actieve krachten in de derde zevenjaarsfase in imaginatie, die van de tweede fase in inspiratie, van de eerste in intuïtie (blz. 92/96
Het tegenwoordige sociale denken naar het model van de natuurwetenschappelijke ‘objectiviteit’ (blz. 97/98)
Het enthousiasmeren van wils- en gevoelskrachten door geesteswetenschappelijke kennis (blz. 99/100)
De sociaal-pedagogische terreinen van onderwijs aan jeugdigen en de ‘leer van het leven’: i.p.v. abstract-dode en levendige, concrete pedagogiek: beschouwing over de mens die wordend is (blz. 100/103)
Eisen aan de lerarenopleiding (blz. 103)
Vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school (blz. 104/105)
Over de banaliteit van het aanschouwelijkheidsonderwijs (blz. 105/106)
(Een nieuwe manier van denken is nodig (blz. 107)
Het negende levensjaar (blz. 108)
Over het schrijf- en leesonderwijs (blz. 109)
Over het zgn. vrouwenvraagstuk (blz.110)
De invloed van de geesteswetenschap op de vrouw en de man (blz.110)
De drang tot en de dodelijke tendens aan het voorbeeld van Rusland (Lenin) (blz. 111)
De spraak als sociaal instrument (blz. 111/112)
De school van het leven (blz. 113 t/m….
De huidige abstract uiterlijke en de toekomstig innerlijk psychisch-mentale organisaties
Het levensvreemde van de zgn. ‘practici’
De noodzaak van een echte i.p.v.een  metafysische, wereldvreemde geest voor het huidige leven    …..115)
‘Zoek het werkelijk praktische materiële leven” (blz.116/117)

Inhoudsopgave 5e voordracht, Basel 25 november 1920

De sociaal-pedagogische betekenis van de antroposofisch georiënteeerde geesteswetenschap

Blz. 118 e.v.: sociale nood; sociale eisen
Blz. 119 e.v.: nergens een sociale impuls
Blz. 122 e.v.: de natuurwetenschap kan geest en ziel niet begrijpen
Blz. 123 e.v.: geesteswetenschap wél
Blz. 124: kritiek zegt: de geest kan zich niet ontwikkelen, de geesteswetenschap geeft de wegen daartoe aan
Blz. 125; 146: spiritisme,
Blz. 126: de geest van de mens leren kennen door waarnemen
Blz. 127: nabootsing
Blz. 128: autoriteit
Blz. 129 e.v: aanschouwelijkheidsonderwijs; trivialiteit; alleen leren wat begrepen kan worden; iets in een verhaal verpakken en daar zelf niet achter staan
Blz. 131: het onweegbare, imponderabele tussen leerkracht en leerling; te vroeg oordelen schaadt
Blz. 132 e.v: imaginatieve kennis, geïnspireerde kennis en intuïtieve kennis.
Blz. 134e.v.: imaginatieve krachten zijn sluimerende nabootsingskrachten, inspiratieve krachten zijn sluimerende autoriteitsgevoelens, intuïtieve kennis zijn de krachten die diep in het organisme weggezonken zijn na de tandenwisseling

Blz. 136: ieder kind is een raadsel
Blz. 137: geesteswetenschap komt uit de wezenlijke groeikrachten van de mens; ontwikkeling is omvorming van groeikrachten; geestelijke ontwikkeling brengt de mens verder
Blz. 138: wetenschap wil gevoel en wil uitschakelen;
Blz. 139 e.v.: daardoor verdwijnt het sociale;
Blz. 141: geestesleven impulseert ook gevoel en wil;
Blz. 142: met gezond verstand zijn de geesteswetenschappelijke mededelingen te volgen
Blz. 143 e.v.: de geesteswetenschappelijke inzichten kunnen tot een sociaal-pedagogische impuls worden
Blz. 144: sociale driegeleding
Blz. 145: de sociale vraag moet een mensheidsvraag worden

De 5e voordracht wordt besloten met een vraag en een antwoord. Die zijn op deze blog in een apart artikel weergegeven:

Blz. 147, 148: iemand die de voordracht heeft bijgewoond houdt een pleidooi voor meer leven in de religie, filosofie, wetenschap en de kunsten.
Steiner antwoordt daarop:
Geesteswetenschap moet op elk gebied meer omvattende ideeën ontwikkelen
Blz. 149: de taak van de geesteswetenschap
in de kunst is men tot naturalisme vervallen; de natuur kun je niet imiteren; pogingen om daarbovenuit te komen: expressionisme
Blz. 151: door vastlopen van oude gezichtspunten: verlangen naar geesteswetenschap
Blz. 152: oprichting vrijeschool vanuit de geesteswetenschap; niet vanuit het geheugen iets aangeleerds doen, maar vanuit de levende realiteit (in de klas)
Blz. 153: pedagogie als scheppende kunst
Blz. 155: een hernieuwde geest is nodig om de problemen te kunnen oplossen

Inhoudsopgave 6e voordracht, Basel 27 november 1919

Geesteswetenschap en pedagogie

Blz. 158: relatie geesteswetenschap-pedagogie; geesteswetenschap en natuurwetenschap
Blz. 159: natuurwetenschap heeft mens buiten spel gezet;
Blz. 160: ontwikkeling door geesteswetenschap
Blz. 161: tot nog toe geen geesteswetenschappelijke methode om de mens te leren kennen
Blz. 162: sprongen in de ontwikkeling
Blz. 163 e.v.: nabootsing
Blz. 165: tandenwisseling; autoriteit
Blz. 168: wil ligt ten grondslag aan nabootsingsdrang; op de wil werken door kunstzinnig-esthetische activiteit – bv. bij leren schrijven
Blz. 169: schrijven kunstzinnig aanleren
Blz. 170: vlinder en ziel, beeld van onsterfelijkheid; geloof jet zelf; het imponderabele
Blz. 171: in de jeugd leren bidden, is in de ouderdom kunnen zegenen
Blz. 172 en 179: 9e jaar; Ik-ontwikkeling; eerste herinnering;
Blz. 173: pedagogie als kunst; verandering in het benaderen van de wereld: van verhaal naar meer objectiviteit;
Blz. 174: 11e, 12e jr: terugtreden autoriteit – op weg naar zelf oordelen; leeerplan af te lezen aan ontwikkeling kind
Blz. 175: aanschouwelijkheid;
Blz. 176: wat ooit werd aangeleerd uit autoriteit, metamorfoseert zich en treedtveel later in het leven weer aan de dag;
Blz. 177: onderwijs niet alleen intellect: ook handen en sociaal
Blz. 178: gymnastiek en euritmie
Blz. 180: geesteswetenschap moet menskunde worden; wordende mens als raadsel

Vragenbeantwoording bij de 6e voordracht 27 november 1919

Geen andere opmerkingen dan die over euritmie: hier te vinden.

Inhoudsopgave 7e voordracht, Aarau 21 mei 1920

Opvoeding en sociale gemeenschap vanuit het standpunt van de geesteswetenschap

Blz. 190: geesteswetenschap en natuurwetenschap;
Blz. 191: geesteswetenschap maakt verdere ontwikkeling mogelijk;
Blz. 192: scholing; wat geesteswetenschap aan de pedagogie kan bijdragen
Blz. 193: nabootsing; na tandenwisseling vorming v.h. geheugen; spel van vóór de tandenwisseling metamorfoseert zich en komt terug in je twintiger jaren;
Blz. 194: het gaat om de wil, niet om het intellect; kunstzinnigheid vooral bij het concentionele; niet-Nederlandse talen; euritmie; oordeelsvermogen vóór 9e jr.; in beelden die je gebruikt moet je zelf geloven
Blz.195 e.v.: over sociale driegeleding; democratie alleen voor rechtsleven; economisch leven te bestuderen door producent en consument; geestesleven vrij

Inhoudsopgave 8e voordracht Dornach 8 september 1920

Blz. 201 e.v.: antroposofie/geesteswetenschp als bevruchtende basis voor de pedagogie;
Scholing geesteswetenschsp net zo streng als bij natuurwetenschap; voorwaarden voor de scholing;
Blz. 204: natuurwetenschap aanhangen: gevolgen voor de werkelijkheid
Blz. 205: doel: het raadsel van de opgroeiende mens leren kennen door geesteswetenschap
Blz. 206; om de mens te begrijpen hebben we naast het woord onsterfelijkheid ook het woord ongeborenheid nodig; bijzonderheden van de ziel werken in op het fysieke lichaam;
Blz. 208: het belang van de tandenwisseling; geheugen: vrijkomende opbouwkrachten aan het lichaam;
Blz. 209: schrijven en lezen uit beelden; periodeonderwijs;
Blz. 211: geesteswetenschap kan aan de gangbare pedagogie ped/did. handgrepen geven; kind rond 9e jaar;
Blz. 212: kind: een geestelijk wezen dat zich hier belichaamt; wij helpen daaraan mee;
Blz. 213: onsterfelijkheid en beeld van de vlinder: hoe sta je zelf tegenover dit beeld en het belang daarvan; werkzaamheid van het imponderabele;
Blz. 214: het banale van dat een kind alleen maar moet leren wat het begrijpt;
Blz. 215: het belang van nabootsing; van geliefde autoriteit;
Blz. 216: geesteswetenschap kan je een goede basis geven voor wat je doen moet met het kind; de vrijeschool wil geen wereldbeschouwelijke school zijn; godsdiernstonderwijs door de vertegenwoordigers van de verschillende kerken;
Blz. 217: euritmie: v oor de inhoud: zie Steiner over euritmie GA 297
Blz. 218: eurtimei\\ie: bezielde gymnastiek;
Blz. 219: wat is dichten, reciteren; gymnastiek dient alleen het uiterliujk fysiek organisme
Blz. 220: euritmie: verplicht schoolvak; mend heeft initiatiefkracht nodig

Inhoudsopgave Bespreking van pedagogische en psychologische vragen Dornach 8 okt. 1920

Blz. 222: geen ‘kneepjes’, maar opvoedkunst; kind echt waarnemen;
Blz. 223 e.v.: vraag-antwoord en hoe de vier temperamenten reageren;
Blz. 225 e.v.: temperament en kleur; choleriek rood/blauw; melancholie groen/blauw
Blz. 226: niet intellectualistisch schema’s maken
Blz. 227 e.v.: met kleine kinderen ‘terugblik’ oefenen (als geestelijke scholing): nee!
Blz. 228: hangen bepaalde opvoedproblemen samen met vorige leven? hoe te behandelen: voor ieder geval individueel te bekijken;
Blz. 229 e.v.: het negende jaar; Ik-ontwikkeling; verandering van lesstof;
Blz. 230: geen wetenschappelijke verhandelingen, maar opvoedkunst
Blz. 231 e.v.: Pestalozzi;
Blz. 233 e.v. Herbart; Schiller, Zimmermann
Blz. 239: geen vorming van de mens als alleen maar ‘hoofdmens’

Inhoudsopgave 9e voordracht Olten, 29 december 920

Blz.240 e.v: grenzen van kennen bij de verschillende wetenschapsdisciplines, niet voor de antroposofie;
Blz. 241: kritiek op antroposofie;
Blz. 242 e.v.: door antroposofie is denken verder te ontwikkelen; voorbeelden en literatuur over ‘hoe’;
Blz. 244 e.v.: mediteren, concentreren ontwikkelen zielenkrachten
Blz. 248: we hebben een woord nodig a
ls ‘ongeborenheid’; ontwikkeling, ook voor het praktische leven;
Blz. 249 e.v.: innerlijke scholing raakt ook gevoel en wil, is niet alleen kennis van het hoofd;
Blz. 250 e.v.: er ontstaat enthousiasme en dat heeft een opvoeder nodig; de huidige psychologie, de huidige wetenschap, kan niet doordringen tot het wezen van de mens; antroposofie is inspiratie;
Blz.251: zenuwen geen basis voor het zielenleven van de mens; alleen voor het voorstellingsleven; voor gevoelsleven het ritmische systeem van hart en longen, voor het wilsleven het stofwisselingsysteem; drieledige mens;
Blz. 252: kind een wonderbaarlijk raadsel;
Blz. 253: kracht van antroposofie om ontwikkeling te doorzien;
Blz. 254: opvoedingswetenschap heeft mooie principes, maar ze blijven te abstract;bv. ontwikkeling individualiteit; drie ontwikkelingsfasen
Blz. 255 e.v: 1e levensfase: nabootsing; hoe ben je in de omgeving van een klein kind;
Blz. 257: vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school; antroposofie is er niet voor het kind, maar voor de leerkracht om te leren hoe hij het kind opvoedt en lesgeeft; het geven van godsdienst;
Blz. 258: de hele mens aanspreken: voorbeeld: leren schrijven;
Blz. 259 e.v.: na de tandenwisseling: gevoel voor autoriteit;
Blz. 260: kind hoeft niet alles meteen te begrijpen; geheugen; niet alles kan aanschouwelijk zijn;
Blz. 261: op gezag iets aannemen en latere levenskracht;
Blz. 262: samenhang spel en hoe je later in het leven staat;
Blz. 263: vóór het 9e jaar: fantasie, beeld; daarna zaakvakken, nog geen causaliteit; onsterfelijkheid, beeld cocon-vlinder; imponderabele;
Blz. 264: verandering in het kind rond tiende jaar; Rubicon; autoriteit;
Blz: 265: belang van eerbied;
Blz. 266 e.v.: het belang van antroposofie voor het lerarenberoep;

Vragen n.a.v. de 9e voordracht, Olten 29 dec. 1920

Inhoudsopgave bij de vragenbeantwoording

Blz. 267 e.v.: over het spel van het kleinere kind
Blz. 268 e.v.: spel, speelgoed en temperament, drukke, snelle kinderen en rustige, trage kinderen; welke kleuren voor hen;
Blz. 269: nabeeld complementaire kleur; blokkendoos; intellectueel speelgoed; prentenboek met beweegbare platen;
Blz. 270: de ‘mooie’ pop; speelgoed dat te af is; fantasie; het gelijke met het gelijke behandelen;
Blz. 271 e.v.: zelf geloven in de beelden die je gebruikt; hoe zit het met bv. de paashaas, Sinterklaas [zie ook 273]; Steiner geeft deze een diepere betekenis; Ernst Mach
Blz. 272: over mythen, sagen e.d.
Blz. 273: dromen;
Blz. 274 e.v.: Sinterklaas en de kerstboom; relatie psycho-analyse en geesteswetenschap; een voorbeeld van psycho-analytische verklaring (vrouw en koets)

Rudolf Steiner over pedagogie(k)

de in de Gesamtausgabe (GA) voorkomende pedagogische geschriften

.

1520-1425

.

VRIJESCHOOL – De ontwikkeling van het jongere kind (2-1)

.

Dat ventje kan alleen maar eten

Een mollige peuter die alleen aandacht heeft voor het vullen van zijn buikje, vraagt een heel andere benadering dan de gespierde driejarige die vooral wil bewegen of het spichtige meisje dat uit angst dat haar speeltje wordt afgepakt bij voorbaat al om zich heen slaat. Niet altijd is het gemakkelijk om los te komen van de verwachtingen die je pasgeboren baby in je wekte en te zien wat jouw opgroeiende kind werkelijk van je vraagt voor zijn ontwikkeling. Peuterjuf Joyce Honing laat je mee kijken naar een paar kinderen in haar klasje.

Tegen half negen verschijnen de eerste peuters op het schoolplein, al dan niet aan de hand van hun vader of moeder. Hun stemmetjes klinken licht. Het is voorjaar – de winterjassen en mutsen zijn uitgetrokken en de kinderen worden weer zichtbaar. Ik zie een moeder door het grote hek het plein op komen. Haar wangen zijn verhit, alsof ze zojuist een zware klus heeft geklaard. Een eindje achter haar volgt haar zoontje. Hij houdt zijn mollige armpjes gestrekt voor zich uit en draagt in de schaal van zijn handjes een appel. Langzaam nadert hij het peuterplein.

De moeder, die naar haar werk moet, spoort het kleine mannetje aan tot grotere snelheid. Maar J. loopt voetje voor voetje en draagt zijn appel mee alsof het zijn dierbaarste speelgoed is. Als zijn moeder hem de appel wil afnemen om hem in beweging te krijgen, trillen zijn lippen en zakt zijn mond langzaam open. Dikke tranen rollen over zijn bolle wangetjes en in plaats van het gewenste hogere tempo staat hij nu helemaal stil. Zijn moeder kijkt wanhopig op naar het raam van het peuterklasje en kan niet anders doen dan hem de appel teruggeven. Dan zijn de tranen weg en lacht zijn mond weer. Met zijn jas nog aan loopt hij het klasje binnen. ‘Kijk eens juffie,’ zegt hij met trage stem, ‘J. heeft een appel.’ Ik ga op mijn knieën bij hem zitten en bekijk de appel en aanschouw het stralende wonder. Samen leggen we het wonder in de fruitmand.

Sporten
De moeder staat bij de deur. ‘Wat ik ook doe, ik krijg er geen snelheid in’, zegt ze geërgerd. Omdat ik zie dat de situatie haar zwaar valt, stel ik voor een gesprek met haar te hebben, nadat de peuters zijn opgehaald. Als ze aan het einde van de ochtend binnenkomt en het met stroop besmeurde snoetje van haar kind ziet, zegt ze met verwijtende stem: ‘Dat ventje kan alleen maar eten.’

In het spreekkamertje vraag ik haar naar de reden van haar oplopende irritatie. Ze vertelt over haar man, die sportfanaat is en dolgraag voetbalt. Hij neemt de buurjongetjes regelmatig mee naar voetbalwedstrijden. Zelf doet ze aan atletiek.
Het is haar droom dat J. met zijn papa zal gaan voetballen en met haar hardlopen of desnoods zwemmen. Ze is er heilig van overtuigd dat het een kwestie is van het aansporen van zijn snelheid en het afremmen van de overmatige eetbehoefte, om deze droom in vervulling te laten gaan. ‘Hij moet afslanken,’ zegt ze stellig. Ook in het klasje geldt haar voorschrift van maximaal een boterham per ochtend zonder boter.

Hooggespannen verwachtingen
Als je zelf zo dol bent op sport, is het begrijpelijk dat de verwachtingen die je van je kind hebt op dat gebied hoog gespannen zijn. Naast haar droombeeld heb ik het beeld geplaatst van J. zoals ik hem zie: bolle wangetjes, dromerige, wat waterige oogjes, een vormeloos mondje, vlezige oorlelletjes, mollige armpjes en beentjes, handen met babykuiltjes. Het is een gestalte die maar een ding zegt: ik wil genieten en veel eten en ik wil niet bewegen. ‘Valt daar dan helemaal niks aan te veranderen,’ roept de moeder wanhopig.

Als antwoord stel ik voor dat ze de volgende ochtend in het peuterklasje met me meekijkt naar een kind dat van nature atletisch is. We zien het jongetje minuten eerder dan zijn moeder de klas binnen rennen. Zijn jas hangt nog aan zijn linkerarm als hij al bovenop de omgekeerde schommelboot staat. Door niets wordt hij gehinderd in zijn actieve bewegingen. Hij is net zo oud als Jesse en even groot, maar zijn armen en beentjes zijn pure spierbundels. Zijn buikje is gestrekt, het peutervet verdwenen en de ogen wakker. Naast dit jongetje dat plezier beleeft aan bewegen, staat J. Wat de kleine atleet ook uit de kast haalt om hem over te halen om mee te spelen, J’s mond blijft open hangen, zijn oogjes dromerig en zijn schoudertjes afgezakt.

Opnemen en verteren
Alles wat J. ziet en hoort wil hij mee naar binnen nemen, proeven, voelen, verteren. En dan pas handelen. Maar dan is het voor handelen al te laat want er is intussen al weer iets nieuws verschenen dat geproefd en verteerd wil worden. Dat heeft niets te maken met sloomheid. Dat heeft te maken met het wezen van het kind, met zijn specifieke manier van de wereld ontmoeten. Dat kun je volgens mij als ouder inderdaad niet veranderen. Wat je doen kunt is goed kijken en antwoord geven op datgene wat je kind zichtbaar aan je vraagt. Wanneer een kind als J., dat door zijn aard niet anders kan dan opnemen en verteren, wordt voortgestuwd, blijven zijn waarnemingen als onverteerbare aardappels in zijn maag liggen en wordt hij gespannen. Hoewel het niet bij zijn molligheid hoort, is J. nerveus omdat hij niet mag zijn wie hij is. Eigenlijk vraagt hij zijn ouders: hou van me, hoewel ik me zo van jullie onderscheidt dat ik niet aan de verwachtingen die je van me hebt zal kunnen beantwoorden.

De volgende ochtend ga ik bij het begroeten van ouders en kinderen de kring met peuters langs. L. vertelt over het poesje dat ze heeft gekregen, R. over zijn nieuwe schoenen en J. over de boterham die hij heeft gegeten: ‘… met kaas, enne… met mosterd en gisteren heeft mamma spruitjes gemaakt en oma pannenkoeken.’ Gelukkig kan zijn moeder meelachen.

Jk
In het klasje zit ook Jk. Haar donkere piekhaartjes staan slordig op haar hoofd. Ze heeft een bleek, wat schraal gezichtje. Haar armen en vingertjes zijn dun. Ze draagt ultramoderne schoenen met dikke plateauzolen en kleren in een waterval van felle kleuren. Als ik haar groet, heb ik al bijna de eerste krab op mijn wang te pakken. Als J. in haar buurt komt, heeft hij in een ommezien haar tanden in zijn mollige handje staan. Maandenlang al is Jk de schrik van de klas.

Als ouders overwegen hun kinderen uit het peuterklasje te nemen uit angst voor haar uithalen, stel ik Jk’s moeder voor om eens over haar dochter te praten.

Jk’s moeder is nog heel jong. Omdat ze zelf een verdrietige, strenge jeugd heeft gehad, nam ze zich voor alleen maar lief te zijn voor haar dochtertje. Tot haar grote verwarring heeft dat dochtertje zich niet ontwikkeld tot het zachtmoedige, ronde meisje dat ze zich had voorgesteld, maar tot een kind dat krabt, bijt, schopt en slaat. Daar is ze van in de war.
Ze begrijpt niet waarom Jk is zoals ze is. Ze voelt zich schuldig, en hoe schuldiger ze zich voelt, hoe meer speelgoed er komt en hoe meer pretparken er worden bezocht.

Ook haar stel ik voor om een ochtend in het klasje te komen.

Samen kijken in het klasje
We kijken samen naar dat dunne, doorschijnende meisje van haar. Ze heeft geen gram vet en is zo gestrekt als een speer, klaar om weg te schieten. Ze hoort en ziet alles. Zowel voor als achter zich is ze waakzaam aanwezig en haar handjes en voetjes zijn klaar voor de aanval. Jk’s moeder geneert zich en vergoelijkt voortdurend het gedrag van Jk, die deze ochtend meer krabt en bijt dan ooit. Doordat ze zo hard bezig is haar dochter te verontschuldigen, ziet ze haar kind niet echt. Ze ziet niet dat Jk heel agressief lijkt, maar eigenlijk bang is.

‘Waar is ze dan bang voor?’ vraagt ze in tranen. ‘We doen er toch van alles aan om het haar naar de zin te maken.’

Een welkom thuis
Ik vertel haar dat ik denk dat Jk bang is om niet gezien te worden, om geen bestaansrecht te hebben. Misschien vraagt ze helemaal niet om het pretpark maar om een thuis waarvan ze wat zekerder weet dat haar pop, haar prentenboek en haar bed er zijn. Ze vraagt om de zekerheid dat er tijd is voor kleine dingen als het op schoot een boekje kijken zonder dat de telefoon stoort. Haar tengere gestalte roept erom warm te worden aangekleed, zodat haar lijfje een welkom thuis voor haar wordt. Omdat ze te veel waarneemt, zou ze het beste een lange nachtrust kunnen hebben om de indrukken te kunnen verwerken. Een vast slaapritueel waardoor ze zich kan ontspannen, zal haar helpen rustig in te slapen. Er kan haar nog extra bescherming en geborgenheid worden geboden door haar hele lijfje ’s avonds in te wrijven met olie. Verder heeft een kindje dat innerlijk geen grond onder de voeten voelt, behoefte aan stevige schoenen met zolen waarmee je de aarde onder je kunt voelen.

Duidelijke grenzen
Maar Jk vraagt ook om duidelijke grenzen en dat betekent dat je niet goedkeurt dat ze bijt en krabt. Natuurlijk kun je tegen haar niet uitvallen of haar straffen, want dan zou ze zich nog meer bedreigd gaan voelen. In de peuterklas doen we daarom een schoentje uit als er een voetje schopt, zodat dat voetje weet dat het iets deed wat niet mag. En als haar handjes krabben of slaan, ligt er in het klasje een speciaal blauw fluwelen kussentje klaar dat die handjes ‘lief en aardig’ kunnen aaien. Want zelf is ze die nog niet de baas. Aanvankelijk voelde Jk’s moeder zich wat overdonderd door deze benadering. Het sterkte haar in haar overtuiging dat ze geen goede moeder is. Intussen is ze ervan overtuigd geraakt dat ze als liefdevolle moeder de grote gebaren, de uitjes en het nieuwe speelgoed niet nodig heeft om Jk te laten merken dat ze er mag zijn. En ze kan het opbrengen om streng te zijn voor haar, omdat ze heeft gemerkt dat juist het stellen van grenzen Jk rustiger maakt.

Joyce Honing, Weleda Puur kind nr. 1, lente 1998
.

peuters en kleuters: alle artikelen

ontwikkelingsfasenalle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

opvoedingsvragenalle artikelen

.

1514-1420

.

.

VRIJESCHOOL – Maria-Lichtmis – alle artikelen

.

[1] Maria-Lichtmis
Over: Maria in catacombe van Priscilla; Maria in de kunst; piëta; Maria in de Bijbel; Hypapante; marialegenden; betekenis ‘lichtmis’.

[2] Maria-Lichtmis
Henk Sweers over: herkomst; Demeter, Ceres, Vrouw Holle, Maria; februari: reiniging; Freya, Joelfeest; de naam; gebruiken

[3] Maria-Lichtmis
Geri Arentsan over: Maria-Lichtmis in de kleuterklas; de gang van het licht vanaf advent; over het licht; 

[4] Maria-Lichtmis
Dieuwke Hessels over: de tijd waarin het feest valt; over het wezen van het feest: het licht na de duisternis; de naamgeving; kaarsen; februari; op de seizoenstafel; liedjes, transparanten; illustraties; Sinte-Bride; in de kleuterklas; knutselen;

[5] Verlangen naar de zon met Maria-Lichtmis 
Daan Rot over: relatie met Vrouw Holle; lichtmis; kaarsrestjes en pannenkoeken; februari: reinigen; walnotenkaarsjes en kaarsentrekken; recept pannenkoeken;

.
Maria-Lichtmiseen vrij onbekend feest midden in de stille, ijsblauwe winter

Meer

Meer

Meer

Meer

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: alle jaarfeesten
.

1502-1408

.

..

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (48)

.

Rudolf Steiner:
Waardoor is de mens eigenlijk mens; niet door zijn hoofd, dat is alleen maar een volmaakte vorm van wat we bij de lagere dieren aantreffen.
De morele cultuur wordt bedorven door het feit dat de mens wat zijn hoofd betreft, nogal trots en hoogmoedig is; op zijn ledematen zou hij wel trots mogen zijn want ze dienen het werk en de sociale orde in de wereld.
lees meer

Tegen de kinderen die de eerste dag in de 1e klas, (groep 3) beginnen:
Kijk eens naar je zelf. Je hebt twee handen, een linker- en een rechterhand. Je hebt je handen om te werken. Met je handen kun je allerlei dingen maken. Men probeert dus ook tot bewustzijn te brengen dat de mens ledematen heeft. Het kind moet niet alleen weten dat het handen heeft, het moet zich er ook van bewust zijn.
lees meer

Steiner:
Er bestaat geen mooier symbool voor de vrijheid van de mens dan zijn armen en handen. De mens kan met zijn handen werken voor de wereld om hem heen.
lees meer

opspattend grind: alle artikelen 

.

1498-1405

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – een twaalfmaandenboom

.

De twaalfmaandenboom

Op 6 januari is het Driekoningen. De lichtjes in de kerstboom – zo die al niet verdwenen is uit wanhoop over de vallende naalden – branden voor de laatste keer.

Op deze bladzijde een ‘boom’ voor in huis die de leegte van de kerstboom opvult.

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Jaarfeesten – alle beelden

.

1481-1388

.

.

VRIJESCHOOL – Vrijheid (7-1/2)

.

In de jaren ’75-’76 van de vorige eeuw leefde de idee van de sociale driegeleding in de vrijescholen veel meer dan nu. Met name de vrijheid van inrichting van het vrijeschoolonderwijs kwam door de regeringsplannen steeds meer onder druk te staan. 
De Amsterdams Geert Grooteschool was actief op het gebied van de ‘onderwijsvernieuwing’. Er worden allerlei bijeenkomsten georganiseerd en in de schoolkrant verschenen allerlei artikelen.

Er werd o.a. stil gestaan bij wat ‘vrijheid’ kan betekenen.

Een aantal van deze artikelen over vrijheid – hoewerl ik de reeks niet compleet heb – zal hier volgen.

VRIJHEID — wetenschappelijke uitgangspunten; Newton en Goethe

Met Galilei (1564-1642) ontstond de natuurkunde als empirische (proefondervindelijke) wetenschap, Newton was de exponent voor de mechanistische aspecten hiervan.
Natuurkunde is een wetenschap die zich merkwaardigerwijze uitsluitend bezig houdt met een gebied, dat wij doorgaans niet met het begrip “natuur” in verbinding brengen. Hoewel de natuurkunde een exacte wetenschap wordt genoemd, is de benaming dus eigenlijk weinig exact,want wat wij “natuur” plegen te noemen omvat in de eerste plaats de lévende natuur; het planten- en dierenrijk en het landschap in zijn totaliteit.

Oorspronkelijk omvatte het begrip “natura” dan ook inderdaad al het geschapene.

Met de opkomst van een natuurkunde, die zich steeds meer toelegde op wat meetbaar, telbaar en weegbaar was, is het accent zodanig komen te liggen op de verschijnselen die te herleiden zijn tot in kwantiteiten uit te drukken krachten, dat déze natuurkunde na verloop van tijd uit het geheel van de “natura” gevallen is. Dat niet alleen, maar de nieuwe wetenschap kreeg zoveel aandacht, was zo fascinerend dat zij naar methode en filosofie de andere wetenschappen steeds meer is gaan beheersen, een soort basiswetenschap is geworden.

Met het einde van de 19e eeuw is deze ontwikkeling geculmineerd in een absolute heerschappij. Alles wat niet volgens de wegen van deze exacte wetenschap gevonden of bewijsbaar was, werd met wantrouwen bejegend. Alles wat niet in wiskundige wetten in te passen was, werd tot “geloof” bestempeld en daarmee als onwetenschappelijk, ja zelfs als onwerkelijk gediscrimineerd.

Rudolf Steiner, die zelf natuurwetenschappen had gestudeerd, heeft de verovering van dn exacte methode als de grote winst van deze ontwikkeling beschouwd, maar tegelijk gewaarschuwd tegen de opvatting dat de wetmatigheden die langs deze weg zijn gevonden en die in wezen alle van fysisch-mechanische aard zijn, ook van toepassing zouden zijn op verschijnselen, die meer omvatten dan alleen dit aspect, op levensverschijnselen.

Maar ook de methode heeft alleen waarde, wanneer deze werkelijk zuiver wordt gehanteerd. Te snel gemaakte gevolgtrekkingen, theorieën opgezet op onnauwkeurige waarnemingen, het nastreven van bepaalde gewenste resultaten, het uit hun verband lichten van kleine proefgebieden, het nalaten van steeds weer toetsen aan de realiteit – dit alles werkt eenzijdigheid en onvolledigheid in de hand. In plaats van inzicht ontstaat vervreemding. Vervreemding van het menselijk denken van het werelddenken, zoals in het vorige artikel is uiteengezet.

Als voorbeeld is in het volgende getracht om zeer beknopt een karakteristiek te geven van de werkwijze van twee onderzoekers, die zich beide met de verschijnselen van het licht hebben bezig gehouden; Newton en Goethe. De bedoeling hiervan is om een indruk te geven van het verschil in benadering, waaruit wetenschap kan ontspruiten, en de consequenties hiervan.

De grote Engelse wis- en natuurkundige Isaac Newton (1643-1727) bracht door zijn vinding om in de verrekijker, die tot dan toe altijd dubbellenzig was geweest, één lens te vervangen door een spiegel, een belangrijke verbetering in dit apparaat aan. Een lens geeft nl. aan de randen van het beeld (het duidelijkste bij zwart/wit) een kleurige vertekening, (chromatische afwijking), zoals bij een eenvoudig vergrootglas te constateren is. Bij twee lenzen wordt deze vertekening ook verdubbeld en dus twee maal zo storend als bij één; dit was voor Newton, die ook de astronomie beoefende, aanleiding om de genoemde verbetering na te streven. De spiegeltelescoop is sindsdien als constructieprincipe praktisch niet meer veranderd; en is nog steeds in gebruik, de grootste in de Californische sterrenwacht, het Palomar-Observatorium, waarmee sterren van de 23ste klasse gefotografeerd kunnen worden. Dit bevestigt de grote capaciteiten van Newton als technisch uitvinder.

Pas na deze vinding ontwikkelt Newton zijn lichttheorie. Gebaseerd op een experiment, waarbij een lichtstraal door een kleine opening via een prisma in een donkere ruimte wordt opgevangen (een analogie van het lichte sterrenpuntje tegen de donkere hemel) en op de tegenoverliggende wand een kleurig spectrum vertoont, maakte Newton de gevolgtrekking dat het “witte” licht uit kleuren was samengesteld, die door breking uiteenvielen. Newton stelde zich daarbij het licht stoffelijk voor, bestaande uit minuscuul kleine, onwaarneembare deeltjes, die het licht- (en kleur-)effect teweeg brachten. Deze opvatting werd later vervangen door de golftheorie (nonchalantweg naar analogie van de geluidsgolven), die op Newtons theorie – wit licht als samenstelsel van kleuren – zelf echter geen wijzigende invloed had. Inmiddels heeft men zowel het corpusculaire als het golfkarakter van het licht als voorstellingsinhoud laten vallen. Het voert echter in het bestek van dit artikel te ver om daar nader op in te gaan.

Newton, de zich door zijn ingenieuze prestatie een zekere roem had verworven, werd als autoriteit aanvaard en had weinig moeite om op grond van deze autoriteit de welwillende leden van de Royal Society (vereniging van vooraanstaande geleerden) van de juistheid van zijn lichttheorie te overtuigen en daarmee ging deze als “de” lichttheorie de wereld in.

Interessant is het uitgangspunt: Newton had voor zijn doel, een goede telescoop, last van de kleuren – (de chromatische afwijking) – hij wilde ze eigenlijk kwijt.

Hij gaat dan ook in zijn “Opticks” zover, dat hij het bestaan van kleuren zelfs ontkent. Het gaat “slechts” om kleurverwekkende stralen, zo zegt hij (“red-making, blue-making” enz.), maar de deeltjes die de stralen vormen, zijn zelf feitelijk kleurloos. (Als hij toch van kleuren spreekt, voert Newton aan, dat hij dat gemakshalve doet en om voor “de gewone man” begrijpelijk te zijn!)

Opmerkelijk is verder dat Newton zijn conclusie: de kleuren zijn vervat in het “witte” licht, trekt uit slechts één (de hierboven beschreven) proef. Newton richt zijn aandacht geheel op het licht en laat de duisternis buiten beschouwing – duisternis is voor hem slechts het ontbreken van licht. André Bjerke beschrijft hoe je een analoge theorie zou kunnen opbouwen, uitgaande van de duisternis, waarbij je licht als het ontbreken van duisternis beschouwt. In dit geval ontstaat een spectrum met een andere kleurvolgorde en een andere centrale kleur!

Goethe (1749-1832) is ons in het algemeen meer bekend als dichter, literator, dramaturg dan als natuuronderzoeker. Merkwaardigerwijze beschouwde Goethe zelf zijn kleurenleer als zijn meest essentiële bijdrage tot de cultuur.

Goethe is inderdaad een kunstenaar, maar het is de combinatie van de kunstenaar en de onderzoeker in zijn persoonlijkheid, die hem ertoe aanspoort de wetmatigheden op te zoeken die aan de grote kunstwerken ten grondslag liggen. Hij bespeurt een overeenkomst tussen deze wetmatigheden en die van de natuur – beide hebben een zelfde werking.

De aanleiding voor het opstellen van zijn kleurenleer is bij Goethe dan ook te vinden vanuit deze belangstelling. Gedurende een van zijn Italiaanse reizen (1786-88) komt hij in gesprekken met kunstenaars vele elementen van de schilderkunst op het spoor; vorm, compositie, materiaal, enz. Maar één element blijft ondoorgrondelijk – het coloriet.
Waarom geel een warme, stralende, blauw een koele, groen een rustgevende indruk maakt, waarom sommige kleuren wel, andere niet met elkaar harmoniëren, wordt niet duidelijk. Goethe ziet in dat hij zich eerst van de wetmatigheden van de kleuren in de natuur op de hoogte moet stellen om van dit punt uit in de geheimen van het coloriet door te dringen.

Terug in Weimar begint hij zijn onderzoek. De lichttheorie van Newton is hem bekend, maar had tot dan toe niet zijn speciale aandacht. Met een geleend prisma, dat zoals dat gaat – ook bij Goethe!- al jaren ongebruikt in een kast had gelegen, begon hij allereerst de proef van Newton te herhalen. Licht laten vallen door het prisma. De verwachting dat zich op de tegenoverliggende wand een kleurenspectrum zou vertonen zoals door Newton beschreven, bleek echter niet op te gaan! Verdere proeven maakten tenslotte duidelijk (u kunt het zelf ook proberen) dat het spectrum alleen zichtbaar werd daar waar een grens was, een overgang tussen licht en donker. Niet uit het licht alleen, maar uit de polariteit van licht erl donker ontstaan de kleuren! In het geval van de proef van Newton was alles donker op een heel kleine opening na, waardoor de hierdoor veroorzaakte, eveneens heel kleine, lichtvlek geheel grensgebied tussen licht en donker werd en dus geheel gekleurd. Het werd Goethe duidelijk dat Newtons theorie zich baseerde op een onvolledige waarneming en dientengevolge berustte op een zuiver abstracte inbeelding, op een veronderstelling, die je wel kunt denken, maar die zich in de zintuigelijke wereld nooit kan verwerkelijken. Volgens Goethe zijn de kleuren iets wat zich door het licht nieuw vormt, geen bestaande werkelijkheden die uit het licht worden “gebroken” .

Dat Newtons theorie als werkhypothese tot op zekere hoogte goed bruikbaar bleek wil dus niet zeggen, dat hiermee het wezenlijke van het licht of de kleuren verklaard werd.

Goethe raakte door de bovenomschreven ontdekking pas goed geïntrigeerd en zette zijn onderzoekingen met grote zorgvuldigheid en nauwkeurigheid voort. Goethe bezat een opmerkelijk fijn waarnemingsvermogen en was daarbij op geniale wijze in staat niet alleen de uiterlijke verschijnselen, maar ook hun onderlinge samenhang te peilen. Zijn warme en universele belangstelling voor alle grootse voortbrengselen van de natuur en de kunst wekten in hem het verlangen op deze tot in hun oorsprong te leren kennen. Door een zich waarnemend-denkend intensief verbinden met datgene wat hij onderzocht, openbaarden zich de geheimen van de natuur aan hem en was hij in staat tenslotte de in de verschijnselen verborgen idee zelf waar te nemen. Deze niet-zintuigelijke waarneming was hem dus niet zonder meer gegeven als helderziendheid, maar het resultaat van een bewust, zorgvuldig opgebouwd proces.

De neerslag van Goethes onderzoek naar de wetmatigheden, de ideële principes van de kleuren, zijn te vinden in zijn werk: “Zur Farbenlehre”.

In het bestek van dit artikel is het niet mogelijk om op de inhoud van dit werk in te gaan – hiervoor zij verwezen naar onderstaande literatuur (die ook tot eigen waarneming aanspoort!) Bedoeling van dit artikel is alleen om de werkwijze te kenschetsen .

Reeds bij de eerste proef, maar ook in de gehele aanpak en beschouwing van de fenomenen verschilde Goethe essentieel van Newton. Goethe heeft dan ook tamelijk fel van leer getrokken tegen Newtons theorie. Zijn voornaamste bezwaar was, dat Newton niet los kon komen van een grof-zintuigelijke voorstellingsinhoud, waardoor hij ook datgene wat niet zintuigelijk waarneembaar is aan dezelfde wetten wilde onderwerpen – het licht samengesteld uit “deeltjes” van verschillende aard en toegerust met meetbare eigenschappen als verklaring van de kleuren. Goethe beschouwde deze
materialistisch-mechanistische opvatting als een belediging van de natuur met haar grote rijkdom aan ideeën.

Het kon dan ook niet anders of de “Farbenlehre” is een omstreden werk geworden, dat vele gemoederen in beweging bracht. Hoe zou het ook mogelijk zijn, dat een pure dilettant, een kunstenaar, het beter zou weten dan een echte, erkende wetenschapsman? Talloze mensen en groepen van mensen hebben zich met deze kleurenleer bezig gehouden, de proeven herhaald, deels om te bewijzen dat Goethe zich vergiste, deels om aan te tonen, dat hij gelijk had. Wat geen eenvoudige zaak bleek, want niet alleen dat het doen van de vele proeven grote inspanning vergt, ook de interpretatie van de uitkomsten stelt hoge eisen.

De gangbare wetenschap houdt zich nog altijd verre van Goethes leer. Deels uit gebrek aan belangstelling voor iets, dat meer omvat dan wat van praktisch nut is, deels nog uit het oude vooroordeel, dat Goethe in dit opzicht niet au serieus te nemen was, maar ook uit onvermogen om een gedachtegang te volgen die van de geijkte denksporen afwijkt. En tenslotte uit angst: angst om verworven zekerheden (maar hoe zeker zijn die?) prijs te geven en zich in het onbekende te begeven.

Goethe’s wereldbeeld was monistisch, wat in zijn kleurenleer zichtbaar wordt: tussen de polen van licht en donker, in het middengebied, speelt zich het eigenlijke leven af – de dynamiek en de dramatiek van de kleurenwereld. Hier werd het monisme, dat Rudolf Steiner in zijn “Filosofie der Vrijheid” aangaf, reeds in praktijk gebracht: de mens heft waarnemend-denkend de scheiding die tussen materie en geest is ontstaan, weer op.

Rudolf Steiner heeft Goethes wereldbeschouwing opgenomen als een sleutel tot een nieuwe vorm van wetenschapsbeoefening, waardoor de mensheidsontwikkeling weer verder kan komen. Zo vestigt Rudolf Steiner de aandacht er op, hoe het Goethe ook duidelijk is geworden, dat door het aandachtig waarnemen niet alleen de geheimen van de natuur zich openbaren, maar dat de waarnemingsorganen zelf zich ook hieraan ontwikkelen. Zoals een klein kind zijn zintuigen, die bij de geboorte nog niet “klaar” zijn, verder ontwikkelt aan de waarneming, zo blijft deze mogelijkheid ook later bestaan en kunnen ook hogere waarnemingsorganen, die nog slechts in kiem aanwezig zijn, langzamerhand ontwikkeld worden. Rudolf Steiner beschrijft dit o.a. in zijn boek:
De weg tot inzicht in hogere werelden‘. Verwaarlozing van deze kiemen door eenzijdige opvoeding leidt tot verkommering, waardoor bepaalde ontwikkelingsmogelijkheden worden afgesneden.

De vrijescholen willen, zonder voorbij te gaan aan de verworvenheden van de natuurwetenschappen, in het onderwijs de “goetheanistische’ werkwijze toepassen: vanuit een werkelijke belangstelling voor de fenomenen deze luisterend benaderen, zich laten uitspreken. Hierdoor wordt mogelijk gemaakt dat de mens. weer zicht krijgt op de “natura” in zijn totaliteit en op de samenhang van al het geschapene. Hierdoor wordt mogelijk gemaakt dat het individuele menselijke denken – nu bewust en in vrijheid- zich weer in zal voegen in het werelddenken.
.

Annet Schukking, Geert Grooteschool, nadere gegevens ontbreken (wellicht jan. 1976 of dec. 1975)
.

Literatuur:
Johann Wolfgang Goethe – Zur Farbenlehre, didaktischer Teil
Rudolf Steiner – Goethes Weltanschauung      GA 6
Rudolf Steiner – Goethes beschouwing van de wereld der kleuren
Ned. vertaling door dr. F.C.. Los van een hoofdstuk uit Goethes Weltanschauung
H.O. Proskauer – Zum Studium von Goethes Farbenlehre
André Bjerke – Neue Beitrage zu Goethes Farbenlehre
Maria Schindler – Goethe’s Theory of Colour
Eckermann – Gesprache mit Goethe

Sinds het verschijnen van dit artikel vind je op internet vele bijdragen aan Goethes kleurenleer

.

Annet Schukking over vrijheid

Sociale driegeleding: vrijheid (nr.7)

Vrijheid van onderwijs: alle artikelen

.

1467-1375

.

.

VRIJESCHOOL – 4e klas – aardrijkskunde

.

UIT EEN PERIODESCHRIFT

‘Hoofd, hart en hand’, wordt vaak gezegd. Dit lijkt me een stukje ‘hart’: gevoel met kennis, kennis met gevoel.

Uit een schoolkrant van de vrijeschool Zutphen, waarschijnlijk rond 1985

.

Aardrijkskunde klas 4: alle artikelen

Aardrijkskunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 4 klas

.

1456-1365

.

.