Categorie archief: menskunde en pedagogie

VRIJESCHOOL Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 304 – voordracht 8

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: vspedagogie  voeg toe apenstaartje gmail punt com
.

RUDOLF STEINER

GA 304

Inhoudsopgave;  voordracht [1]  [2]  [3]  [4]  [5]  [6]  [7]  [9]
vragenbeantwoording
Aan het eind van voordracht 6 staat een vragenbeantwoording bij deze voordracht, maar ook een die bij voordracht 1 hoort.

ERZIEHUNGS- UND UNTERRICHTSMETHODEN AUF ANTHROPOSOPHISCHER
GRUNDLAGE

9 openbare voordrachten gehouden tussen 23 februari 1921 en 16 september 1922 in verschillende steden.

OPVOED- EN ONDERWIJSMETHODEN VANUIT DE ANTROPOSOFIE

Blz. 201

Voordracht 8, Stratford-on-Avon, 23. april 1922

SHAKESPEARE UND DIE NEUEN IDEALE

Vielleicht hat mancher erwartet aus der Ankündigung des Themas meines heutigen Vortrages über «Shakespeare- und die neuen Ideale-», daß ich über besondere neue Ideale sprechen werde. Allein es ist meine­ Überzeugung, daß es heute nicht so notwendig ist, über neue Ideale zu sprechen, als namentlich darüber, wie die Menschheit der Gegenwart überhaupt wiederum die Kraft gewinnt, Idealen nachzugehen. Über Ideale sprechen, das erfordert im Grunde genommen keine große Kraft, und zuweilen ist es so, daß diejenigen Menschen am meisten über dergleichen große Fragen, hohe, schöne Ideale in abstrakten Worten aus dem Intellekt heraus sprechen, denen die Kraft zu den Idealen eigentlich fehlt. Manchmal ist das Reden über Ideale nur ein Hegen, ein Fassen von Illusionen, um über die Realien des Lebens hinwegzukommen. Aber bei diesem Feste ist eine  Veranlassung, gar sehr von dem Realen des Geistigen zu sprechen, denn dieses Fest ist ein Erinne-rungsfest für Shakespeare, und Shakespeare lebt mit all seinem Schaffen durchaus im Geistigen, zugleich aber in einer idealen Welt.

SHAKEPEARE EN DE NIEUWE IDEALEN

Misschien hadden sommigen door de aankondiging van het thema van mijn voordracht van vandaag over ‘Shakespeare en de nieuwe idealen’, verwacht dat ik over bijzondere, nieuwe idealen zou spreken. Alleen, ik ben ervan overtuigd dat het vandaag de dag niet zo noodzakelijk is om over nieuwe idealen te spreken, maar wel over hoe de mensheid van nu echt weer de kracht krijgt om idealen te volgen. Om over idealen te spreken heb je eigenlijk niet veel kracht nodig en af en toe is het zo, dat die mensen die het meest over dergelijke grote vragen, hoge, mooie idealen in abstracte bewoordingen spreken vanuit het intellect, voor die idealen eigenlijk niet de kracht opbrengen. Soms is het spreken over idealen slechts het koesteren van en vasthouden aan illusies om te ontsnappen aan de realiteit van het leven. Maar bij dit feest is er wél een aanleiding om juist over de realiteit van de geest te spreken, want dit feest is een herdenkingsfeest voor Shakespeare en hij leeft met al zijn werk zeker in de spirituele, tegelijkertijd echter ook in een ideale wereld.

Und so könnte es wohl vor allen Dingen das Aufnehmen Shakespeares in unser eigenes Gemüt, in unsere eigene Seele sein, das gerade dem heutigen Menschen die Kraft, den inneren Impuls dazu gibt, wenn ich mich des Ausdruckes bedienen darf: Idealen nachzugehen. Und solche Ideale, wir können sie dann im richtigen Sinn ins Auge fassen, wenn wir uns daran erinnern, wie vorübergehend manches moderne Ideal war und ist, wie fest, wie grandios in der Welt dastehend durch ihre Wirksamkeit manche alten Ideale sind. Wir sehen weitere Kreise von Bekennern dieser oder jener Religion, dieser oder jener Weltanschauung, Bekenner, welche durchaus ihr innerstes geistiges Leben, ihre innere geistige Beweglichkeit aus demjenigen nehmen, was vergangen ist, und welche die Kraft gewinnen für eine geistige Erhebung aus solchem Vergangenen. Und wir fragen uns: Woher kommt es, daß manches so schöne moderne Ideal wie in Nebel zerrinnt, das bei wenigen Menschen allerdings von großem En­thusiasmus begleitet ist, aber dennoch bald zerronnen ist, während

En zo zou wel degelijk het opnemen van Shakespeare in ons eigen gevoel, in onze eigen ziel kunnen zijn, dat dit juist aan de mens van tegenwoordig de kracht, de innerlijke impuls geeft, als ik het zo zeggen mag: idealen te volgen. En zulke idealen kunnen we dan op de juiste wijze zien, als we eraan denken, hoe mooie idealen van voorbij gaande aard waren en zijn en hoe verankerd, hoe grandioos sommige oude idealen door hun werking nog in de wereld bestaan. We zien in grotere kringen aanhangers van bepaalde godsdiensten of wereldbeschouwingen, volgelingen die met name hun diepste geestelijke leven, hun diep geestelijke opgewektheid, halen uit wat voorbij is en die de kracht zich geestelijk te verheffen, uit dat verleden putten. En wij vragen ons af, hoe het komt dat sommige van die mooie, moderne idealen waarvoor maar weinig mensen een groot enthousiasme hebben in rook opgaan en dus weldra als zand tussen de vingers wegglippen, terwijl

Blz. 202

religiöse, künsderische Ideale und Stile der alten Zeiten nicht nur Jahrhunderte, sondern Jahrtausende hindurch in die Menschheit ihre volle Kraft tragen?  Wenn wir uns fragen, warum dies so ist, kommen wir immer wieder und wiederum darauf zurück, daß diese Ideale gesam­melt sind aus einem wirklich geistigen Leben, einer gewissen Spiritualität der Menschheit. Während unsere gewöhnlichen Ideale zumeist nur Schattenbilder des Intellektes sind  der Intellekt kann niemals dem Menschen aus dem Inneren seines Wesens heraus wirkliche Kraft geben, zerrinnen manche moderne Ideale gegenüber demjenigen, was an alten Religionsbekenntnissen, aus alten Kunststilen aus dem grauesten Alter­tum zu uns herauf spricht. Wiederum aber, wenn wir mit einer solchen Gesinnung an Shakespeare herangehen, wissen wir, daß in Shakespeares Dramatik eine Kraft liegt, die uns immer wieder und wiederum nicht nur neu begeistert, sondern aus unserer eigenen Imagination heraus eigene ­Schöpferkräfte, unsere eigene Phantasie, unsere eigene Geistigkeit in der wunderbarsten Weise anregt. Wir wissen, daß Shakespeare eine wunder­bare Kraft ist; daß sie sich heute, wenn wir uns derselben hingeben, so modern ausnimmt, wie nur irgendeine moderne Kraft sein kann. Und ich darf, indem ich gerade einmal von dieser Seite von dem Zusammen­hang der menschlichen Ideale mit Shakespeare sprechen möchte, erin­nern an dasjenige, woran ich schon am letzten Mittwoch angeknüpft habe, an das Bedeutsame, was von Shakespeare ausgegangen ist auf Goethe.

religieuze, kunstzinnige idealen en stijlen uit vervlogen tijden, niet alleen eeuwen, maar millennia lang in de mensheid hun volle werking hebben?
Wanneer we ons afvragen waarom dit zo is, moeten we er steeds weer op terugkomen, dat deze idealen uit een reëel geestesleven, een bepaalde spiritualiteit van de mensheid komen. Terwijl onze dagelijkse idealen meestal slechts schaduwbeelden zijn van het intellect – het intellect kan aan de mens nooit vanuit zijn innerlijk wezen echte kracht geven – verzanden sommige moderne idealen ten opzichte van wat de oude geloofsovertuigingen, oude kunststijlen uit het verste verleden ons te zeggen hebben. Maar als we weer met zo’n stemming Shakespeare benaderen, weten we dat in zijn dramatiek een kracht ligt, die ons steeds weer, niet alleen opnieuw enthousiast maakt, maar vanuit onze eigen verbeeldingskracht, eigen scheppingskracht, onze eigen fantasie, onze eigen spiritualiteit op de meest verbazingwekkende manier stimuleert.
We weten dat Shakespeare een wonderbaarlijke kracht is; dat die, wanneer we daar serieus mee bezig zijn, zo van deze tijd is, als iets maar kan zijn. En omdat ik nu eens van deze kant over de samenhang van menselijke idealen met Shakespeare mag spreken, mag ik er wel aan herinneren waarom ik afgelopen woensdag al aanknoopte bij het betekenisvolle dat van Shakespeare uitgegaan is naar Goethe.

Über Shakespeare ist ungeheuer viel aus einer sehr geistvollen Gelehr­samkeit heraus geschrieben worden. Und wenn man alle diejenigen gelehrten Werke nehmen wollte, welche über «Hamlet» alle in geschrie­ben sind, ich glaube, man könnte eine Bibliothek füllen damit, die über die ganze Wand sich erstreckte. Aber wenn man nachforscht, was auf einen Goethe aus Shakespeare gewirkt hat, dann kommt man dazu, sich zu sagen: Nichts von alledem, was in diesen Werken darinnen steht, gar nichts. Das hätte alles ungeschrieben bleiben können, das ist alles von der Welt an Shakespeare herangebracht, eine gewisse Kraft des menschli­chen Intellekts, die gut ist, naturwissenschaftliche Tatsachen zu begrei­fen, die gut ist, die äußere Natur, wie wir sie heute haben müssen als Grundlage für unsere Technik, zu erklären und zu begreifen, die aber

Er is vanuit een originele en erudiete kennis ongelooflijk veel over Shakespeare geschreven. En als je al die geleerde werken zou nemen die over ‘Hamlet’ geschreven zijn, zou je daarmee een bibliotheek kunnen vullen die zich zou uitstrekken langs de totale muur [waarschijnlijk van de ruimte waarin de voordracht werd gehouden].
Maar als je nagaat wat er van Shakespeare naar Goethe uitging, dan moet je concluderen: daarover staat in al die werken niets, helemaal niets. Het had net zo goed niet geschreven kunnen worden, het is een bepaalde kracht van het menselijk intellect dat vanuit de wereld uitgegaan is naar Shakespeare, de kracht die goed is om natuurwetenschappelijke feiten te begrijpen, goed is om de uiterlijke natuur te verklaren en te begrijpen die we nu nodig hebben, maar

Blz.  203

niemals imstande ist, in dasjenige hineinzudringen, was beweglich in Shake-speares Dramen vor uns steht.
Ja, ich möchte noch weiter gehen. Auch hier könnte mancherlei über Shakespeare gesagt werden, manch eine Erklärung über «Hamlet» abge­geben werden. Man kann von dem Standpunkt ausgehen: dasjenige, was Goethe über Shakespeare, über «Hamlet» gesagt hat, ist alles im Grunde genommen einseitig und falsch. Aber auf dasjenige kommt es nicht an, was Goethe gesagt hat über Shakespeare, sondern auf etwas ganz anderes kommt es an, darauf, was Goethe meinte, wenn er aus seinem Innersten sprach, wenn er zum Beispiel die folgenden Worte sagte-, die keine Erklärung, aber eine Hingabe des ganzen innersten Geistes sind. Er sagt:
Das sind keine Gedichte, das ist etwas wie die großen gewaltigen Blätter des Schicksals, die aufgeschlagen sind und durch die der Sturmwind des Lebens bläst und rasch eines nach dem andern hin und wider blättert. Das ist ganz anders aus dem Menschen gesprochen, als wenn Goethe selbst über «Hamlet» spricht. Und wir können uns nun fragen: Warum kommt man mit intelle-ktualistischen Erklärungen so wenig an Shake­speare heran? Ich will es an einem Bilde zeigen. Wenn ein Mensch lebhaft träumt und die Traumfiguren eine bestimmte Traumhandlung vollführen, können wir mit unserem Intellekt nachher sagen:

nooit in staat is door te dringen tot het dynamische dat we in de drama’s van Shakespeare voor ons hebben.
Ik zou nog verder willen gaan. Ook hier zou veel over Shakespeare gezegd kunnen worden, nog meer verklaringen over Hamlet ten tonele gevoerd kunnen worden. Je kan van dit standpunt uitgaan: wat Goethe over Shakespeare, over Hamlet heeft gezegd, is in de grond genomen allemaal eenzijdig en niet juist. Maar het komt er niet op aan wat Goethe over Shakespeare heeft gezegd, wél op wat Goethe bedoelde, toen hij vanuit zijn diepe innerlijk sprak, toen hij bijv. de volgende woorden bezigde, die geen verklaring, maar toewijding vanuit zijn diepste wezen zijn. Hij zegt:
Dit zijn geen gedichten, dit is zoiets als de grote verheven bladzijden van het lot die opengeslagen zijn en waar de stormwind van het leven doorheen waait en snel door de ene en door de andere bladzij bladert. Dat is heel anders vanuit de mens gesproken als wanneer Goethe zelf over Hamlet spreekt. En wij kunnen ons nu afvragen: Waarom bereikt men Shakespeare zo slecht met intellectualistische verklaringen? Dat wil ik aan een voorbeeld laten zien. Wanneer een mens levendig droomt en de figuren in de droom bepaalden dingen doen, kunnen later met ons intellect zeggen:

Diese oder jene Person im Traum hat falsch gehandelt, da ist etwas nicht motiviert, da sind Widersprüche. Aber der Traum wird sich wenig darum küm­mern. Ebensowenig wird sich der Dichter darum kümmern, ob wir es mit unserem Intellekt kritisieren, wenn etwas unmotiviert ist, ob es sich widerspricht und so weiter. Ich kannte einen pedantischen Kritiker, der es sonderbar fand, daß Hamlet, nachdem er gerade den Geist seines Vaters gesehen, den Monolog sagt von «Sein oder Nicht-Sein» und dabei ausspricht, daß von dem Lande des Todes noch kein Wanderer zurück­gekehrt sei; das könne eigentlich nicht ein und derselbe Dichter sagen. So meinte der trockene Gelehrte. Nun will ich jedoch damit nicht sagen, daß die Shakespeareschen dramatischen Handlungen Traumhandlungen sind. Sie sind gewöhnliche Handlungen; aber so, wie wenn der Mensch noch nicht ganz in seiner physischen Persönlichkeit darin ist oder schon draußen ist beim Einschlafen, so ist es bei Shakespeare, daß er im vollen lebendigen Bewußtsein seine Handlungen erlebt, aber den Intellekt

Deze of gene persoon heeft in die droom iets verkeerds gedaan, iets is niet gemotiveerd, er zijn tegenstrijdigheden. Maar daar zal de droom zich weinig van aantrekken. Net zo min zal de dichter er zich iets van aantrekken of wij zijn werk met ons intellect bekritiseren als er iets niet gemotiveerd is of er iets tegenstrijdigs is, enz. Ik ken een pedante criticus die het raar vond dat Hamlet, nadat hij de geest van zijn vader gezien had, de monoloog uitspreekt over ‘zijn of niet-zijn’ en daarbij zegt dat er uit het land van de dood nog geen reiziger teruggekeerd is; dat zou een en dezelfde dichter niet moeten zeggen. Dat vond die droge geleerde. Nu wil ik hiermee echter niet zeggen, dat de handelingen in de drama’s van Shakespeare droomhandelingen zijn. Het zijn gewone handelingen; maar zo als wanneer de mens nog niet helemaal in zijn fysieke persoon zit of er weer buiten is als hij inslaapt, is het bij Shakespeare zo, dat hij zijn handelingen vol bewust beleeft, maar het intellect

Blz. 204

dabei nur soweit gebraucht, als man ihn nötig hat, um zu dienen, die Figuren auszugestalten, die Figuren aufzurollen, Handlungen zu for­men, aber ihn nicht zum Meister desjenigen zu machen, was geschehen soll. Indem ich hier auf dieses aufmerksam machen darf – da ich ja spreche vom Gesichtspunkt der, wie ich glaube, die großen Ideale der Menschheit enthaltenden anthroposophischen Weltanschauung -, darf ich eine wichtige Erfahrung vor Ihnen erzählen, welche das, was man mehr als eine Ahnung zunächst haben kann, so wie ich es ausgesprochen habe, dann völlig erklärt, aber erklärt im seherisch-künstlerischen Sinne. Ich habe in diesen Tagen schon zweimal sprechen dürfen von demjeni­gen, wie im Goetheanum, der Freien Hochschule in Dornach in der Schweiz, gepflegt wird exakte Clairvoyance. Die Wege habe ich ja beschrieben in den Büchern, die unter dem Titel «Knowledge- of Higher Worlds and Its Attainment», «Theosophy» und «Occult Scie-nce – An Outline-» ins Englische übersetzt sind. Da kommt der Mensch durch gewisse Übungen, die so exakt verlaufen wie man Mathematik lernt, dazu, seine seelischen Kräfte so kraftvoll zu machen, daß man die­ Denkkraft, die Willenskraft, die- Gefühlskraft zuletzt so handhaben lernt, daß man mit seiner Seele bewußt, nicht schlafend unbewußt, auch nicht träumend, außerhalb des Leibes ist, daß man also zurückläßt mit vollem Bewußtsein den physischen Leib mit seinem intellektualistischen Denken – das bleibt beim physischen Leib -,

daarbij gebruikt, in zoverre men dit nodig heeft als hulp, om de figuren vorm te geven, de figuren te onderzoeken, handelingen te creëren, maar niet om dit meester te laten worden over wat er moet gebeuren. Wanneer ik er hier op wil wijzen – ik spreek hier immers vanuit het gezichtspunt van de antroposofische wereldbeschouwing die naar ik geloof de grote idealen van de mensheid bevat  – mag ik u wel een belangrijke ervaring vertellen: dat wat je in eerste instantie meer dan als een voorgevoel kan hebben, zoals ik het uitgesproken heb, dat dan volledig verklaart, maar verklaart op een helderziend-kunstzinnige manier. Ik heb deze dagen al twee keer mogen spreken over hoe in het Goetheanum, de Vrije Hogeschool in Dornach in Zwitserland, de exacte helderziendheid ontwikkeld wordt. De ontwikkelingswegen heb ik beschreven in de boeken met de titel: «Knowledge of Higher Worlds and Its Attainment», «Theosophy» en «Occult Science – An Outline-», vertaald in het Engels. De mens komt door bepaalde oefeningen die zo exact verlopen alsof je wiskunde studeert zover, dat hij de krachten in zijn ziel zo sterk maakt, de kracht van het denken, van de wil en het gevoel uiteindelijk zo weet te ontwikkelen, dat hij met zijn ziel bewust, niet slapend onbewust, ook niet dromend, buiten zijn lichaam is, dat hij het fysieke lichaam met zijn intellectualistische denken – dat blijft bij het fysieke lichaam – vol bewust op de achtergrond plaatst,

daß man nun Imaginationen hat, die nicht Phantasie~Imaginationen sind, wie sie für die Kunst berechtigt sind, sondern Ausdruck von demjenigen, was in der heutigen Welt vorhanden ist aus der spirituellen Welt, die uns überall umgibt. Wir lernen schauen durch Imagination, Inspiration und Intuition Wesenhaf­tes von der geistigen Welt, so wie sonst von der physischen Welt. Wir lernen durch unsere Sinne aus den Farben, aus den Tönen heraus bewußt betrachten durch diese exakt- Clairvoyance eine geistige Welt; nicht durch Halluzinationen, Illusionen, die immer in den Menschen hineinar­beiten und sein Bewußtsein he-rabdämmern, sondern wir lernen die geistige Welt kennen im vollen Bewußtsein, das so exakt ist wie das Bewußtsein, wenn ich Mathematik treibe. In die hohen geistigen Regio­nen können wir uns auf diese Weise versetzen, können Bilder darinnen haben, die nur zu vergleichen sind mit unseren Erinne-rungsbildern, die

dat hij dan tot imaginaties komt die geen fantasie-imaginaties zijn zoals die voor de kunst op hun plaats zijn, maar een uitdrukking wat er nu op aarde aanwezig is uit de spirituele wereld die ons overal omringt.
Door imaginatie, inspiratie en intuïtie leren we het wezenlijke van de geestelijke wereld waarnemen, zoals anders die van de fysieke wereld. Wij leren door onze zintuigen uit de kleuren, uit de klanken door deze exacte helderziendheid bewust een geestelijke wereld waar te nemen; niet door hallucinaties, illusies die steeds op de mens inwerken en zijn bewustzijn vertroebelen, maar wij leren de geestelijke wereld met vol bewustzijn kennen, dat zo exact is als het bewustzijn wanneer ik wiskunde beoefen.
We kunnen op deze manier toegang krijgen tot deze hoge geestelijke gebieden, we kunnen er beelden vinden die slechts te vergelijken zijn met onze herinneringsbeelden die

Blz. 205

nicht zu vergleichen sind mit Visionen, die aber durchaus reale geistige Weltbilder sind. Nun halte ich es für meine Pflicht, hinzuweisen darauf, daß wir aufzunehmen haben dasjenige, was wir durch den Geistesfor­scher empfangen, was wir lernen zu schauen, was aus der Geisteswelt da herausgekommen ist an allen ursprünglichen Idealen in Wissenschaft, Kunst, Religion der Menschheit. Alle alten Ideale haben deshalb so große Impulsivität gegenüber den intellektualistischen modernen Idea­len, weil sie der Geisteswelt entstammen, durch Clairvoyance, die damals allerdings instinktiv und traumhaft war, weil sie aus einer solchen geistigen Welt hervorgeholt sind. Mögen wir heute klar erkennen, daß gewisse religiöse Inhalte nicht mehr für unsere Zeit passen: sie sind aber aus der alten Zeit hereingetragen worden durch Clairvoyance in das gewöhnliche Leben. Wir brauchen wiederum offene Tore, um in die geistige Welt hineinzuschauen, um herauszuholen nicht abstrakte Ideale, von denen überall gesprochen wird, aber um die Kraft zu gewinnen, dem Idealen, dem Geistigen, dem Spirituellen in Wissenschaft, in Kunst, in Religion nachzugehen.
Wenn man mit solchem Schauen darinsteht in der geistigen Welt und nun an Shakespeare- herantritt, so bietet sich eine ganz besondere Erfah­rung dar.

niet zijn te vergelijken met visioenen, die echter reële geestelijke wereldbeelden zijn. Nu beschouw ik het als mijn plicht erop te wijzen dat wij in ons moeten opnemen wat we door de geestesonderzoeker ontvangen, wat we leren waar te nemen, wat er uit de wereld van de geest aan alle oorspronkelijke idealen in wetenschap, kunst, religie van de mensheid gekomen is. Alle oude idealen hebben t.o.v. de moderne intellectualistische idealen daarom zo’n grote impulsiviteit, omdat ze afkomstig zijn uit de geestelijke wereld, omdat deze uit die geestelijke wereld zijn gehaald door helderziendheid die toen instinctief en droomachtig was.
Ook al moeten we tegenwoordig duidelijk erkennen dat bepaalde religieuze inhoud in onze tijd niet meer past: die is in die oude tijd echter wel door helderziendheid in het gewone leven binnengekomen. Maar ook nu hebben we open vensters nodig om in de geestelijke wereld waar te kunnen nemen, niet om er abstracte idealen vandaan te halen waarover overal gesproken wordt, maar om de kracht te krijgen de idealen, de geest, het spirituele in wetenschap, kunst en religie te kunnen vinden.
Wanneer je zo waarnemend in de geestelijke wereld verwijlt en dan naar Shakespeare kijkt, kun je iets heel bijzonders ervaren.

Von dieser Erfahrung will ich Ihnen sprechen. Man kann Shakespeare begreifen aus wahrem, tiefem Bewußtsein heraus, aus tiefem Gefühl heraus. Man braucht natürlich, um Shakespeare voll zu erleben, nicht exakte Clairvoyance, aber diese exakte Clairvoyance kann auf etwas hinweisen; sie kann uns klarmachen, warum Shakespeare uns nicht verlassen wird, warum er uns immer wieder gewisse Impulse gibt. Da kann der, der es zu exakter Clairvoyance gebracht hat durch Entwick­lung von Denk-, Gefühls- und Willenskraft, er kann das, was er aus Shakespeare aufgenommen hat, hinübertragen in die geistige Welt. Diese Erfahrung kann man durchaus gemacht haben. Man kann hineinnehmen in die- geistige- Welt hinüber, was man hier erlebt hat: «Hamlet», ,,Mac­beth» und so weiter kann man hinübernehmen in die geistige Welt. Da kann man aber erst sehen, was im tiefsten Inneren Shakespeares lebte, wenn man das vergleicht mit irgend etwas anderem, mit einem anderen Dichter der neueren Zeit, dessen Eindrücke man hinübernehmen kann. Ich will keine besonderen Dichter nennen – es könnte im Grunde

Ik wil u over deze ervaring vertellen. Shakespeare kun je vanuit een echt, diep bewustzijn, vanuit een diep gevoel, begrijpen. Je hebt natuurlijk om Shakespeare volkomen te beleven, geen exacte helderziendheid nodig; maar deze kan wel op iets wijzen; die kan ons duidelijk maken, waarom Shakespeare ons niet verlaten zal, waarom hij ons steeds weer bepaalde impulsen zal geven. Wie tot de exacte helderziendheid gekomen is door de ontwikkeling van denk- gevoels- en wilskracht, kan iets van wat hij uit Shakespeare opgenomen heeft, in de geestelijke wereld brengen. Zo’n ervaring kun je hebben. Wat je hier hebt beleefd: ‘Hamlet’, ‘Macbeth’ enz. kun je meenemen naar de geestelijke wereld. Daar kun je echter pas zien, wat in het diepste innerlijk van Shakespeare leefde, wanneer je dat vergelijkt met iets anders, met een dichter uit de nieuwere tijd wiens indrukken je in je op kan nemen. Ik wil geen dichter in het bijzonder noemen – in de grond

Blz. 206

genommen jeder erwähnt werden -, da ja jeder Vorliebe hat für einen bestimmten. Jeder eigentlich naturalistische Dichter kann genannt wer-den, namentlich die naturalistischen Dichter seit vierzig bis fünfzig Jahren. Wenn man vergleicht dasjenige, was man drüben in der geistigen Welt hat, mit dem, was man aus Shakespeare hinübergenommen hat, dann findet man das Eigentümliche: Shakespeare’s Gestalten leben! Indem man sie hinüberträgt, machen sie andere Handlungen; aber das Leben, das sie hier haben, das bringt man hinüber in die geistige Welt; während, wenn man selbst von manchem modernen idealistischen Dich­ter die- Gestalten hinüberbringt in die geistige Welt, sie sich wie hölzerne Puppen ausnehmen: sie sterben ab, sie haben keine Beweglichkeit. Man kann Shakespeare in die geistige Welt mitnehmen so wie einen bekann­ten anderen Dichter der neueren Zeit. Man nimmt von Shakespeare aus solche Gestalten mit, welche sich drüben zu benehmen wissen. Die-Gestalten vieler anderer Dichter aber, die aus bloßem Naturalismus kommen, sind Puppen drüben, sie werden dann eine Art Erfrieren durchmachen; man erkältet selbst in der geistigen Welt an dieser moder­nen Dichtung.

van de zaak zou iedereen genoemd kunnen worden – omdat iedereen een voorliefde voor iets bepaalds heeft. In feite kan iedere naturalistische dichter genoemd worden, met name die uit de laatste veertig, vijftig jaar. Wanneer je vergelijkt wat je ginds in de geestelijke wereld hebt, met wat men van Shakespeare overgenomen heeft, vind je dit merkwaardige: de personages van Shakespeare leven. Wanneer men ze overneemt, doen ze iets anders; maar het leven dat ze hier leiden, brengt men over naar de geestelijke wereld; terwijl, als je zelfs van sommige moderne idealistische dichters de personages overbrengt naar de geestelijke wereld, dan gedragen die zich als houtenklazen; ze sterven weg, ze hebben geen beweeglijkheid. Je kan Shakespeare meenemen naar de geestelijke wereld alsmede een andere bekende dichter uit de nieuwere tijd. Van Shakespeare neem je de figuren mee die zich daarboven weten te gedragen. De figuren van veel andere dichters echter die puur uit het naturalisme komen, zijn daarboven poppen, die zullen daar een soort bevriezing doormaken; door dit moderne dichten krijgt men het zelfs in de geestelijke wereld koud.

Das sage ich nicht aus einer Emotion heraus, aber aus Erfahrung heraus. Hat man aber diese Erfahrung, dann kann man sagen: Was hat Goethe gefühlt? Da ist es bei Shakespeare, wie wenn das große Buch der Natur aufgeschlagen wäre, und die Blätter rasch hin und wider geblättert würden vom Sturmwind des Lebens. Goethe wußte, daß Shakespeare aus allen Tiefen der geistigen Welt heraus schuf, und er empfand das. Das ist dasjenige, was Shakespeare zu der eigentlichen Unsterblichkeit verholfen hat, was Shakespeare wiederum neu macht. Wir können zehn-, zwanzig-, hundertmal ein Shakespearesches Drama erleben, nehmen wir es im Ganzen oder im Einzelnen auf.
Sie- haben in diesen Tagen jene Szene sehen können, wo der Mönch vor der hingeworfenen Helena hinkinet und seine Überzeugung über ihre Schuldlosigkeit ausdrückt. Es ist etwas ungeheuerlich Tiefes und Wahres, mit dem sich kaum etwas vergleichen läßt in der neueren Literatur; es sind manchmal gerade die Intimitäten an Shakespeare, die so bedeutsam wirken und seine innere Lebendigkeit aufweisen. Oder in dem Stück «Wie es euch gefällt», wo der Herzog in dem Ardennenwalde­ vor den Bäumen im Walde steht und die Natur schaut: Das sind bessere

Dat zeg ik niet vanuit emotie, maar uit ervaring. Heb je die ervaring eenmaal, dan kan je zeggen: wat voelde Goethe? Het is alsof bij Shakespeare het grote boek van de natuur opengeslagen is en dat de bladzijden snel heen en weer geblazen worden door de stormwind van het leven. Goethe wist dat Shakespeare vanuit de diepten van de geestelijke wereld schiep en dat voelde hij. Dat heeft Shakespeare de eigenlijke onsterfelijkheid gegeven, wat Shakespeare nieuw maakt. We kunnen tien, twintig, honderd keer een drama van Shakespeare meebeleven, of we het nu als geheel nemen of in detail.
U hebt deze dagen de scènes kunnen zien waarin de monnik voor de ter aarde geworpen Helena knielt en zijn overtuiging van haar onschuld tot uitdrukking brengt. Dat is iets buitengewoon dieps en waar, wat met bijna niets te vergelijken is in de modernere literatuur; het zijn soms juist de intieme dingen bij Shakespeare die zo’n belangrijke werking hebben en een bewijs zijn voor zijn innerlijk leven. Of in het stuk ‘As you like it’, waarin de hertog in de Ardennen voor de bomen staat en de natuur aanschouwt: dat zijn betere

Blz. 207

Ratgeber als das am Hof Erlebte – spricht er aus, denn diese Ratgeber sagen mir etwas darüber, was ich als Mensch bin. Und welch wunderbare Naturanschauung spricht gerade an dieser Stelle aus Shakespeare, indem er sagt: Die Bäume sprechen, die Quellen werden zur Schrift. Er lernt die Natur verstehen, er lernt die Natur lesen. Darauf kann Shake­speare hinweisen, darauf kann sekundär ja auch ein neuerer Dichter hindeuten. Beim neueren Dichter empfinden wir das Sekundäre-; bei Shakespeare- empfinden wir, daß er in seinem Erlebnis darinsteht, daß er unmittelbar das alles ganz selbst erlebt hat. Selbst wenn beide dasselbe sagen, ist es ganz anders, ob Shakespeare oder ein neuerer Dichter es sagt.
Da tritt die große Frage vor uns hin: Wie kommt es, daß bei Shakespeare diese mit dem Übersinnlichen verwandte Lebendigkeit besteht, woher kommt überhaupt das Leben in Shakespeares Drama? Da aber werden wir hingeführt zu sehen, wie Shakespeare aus dem 16., 17. Jahrhundert heraus etwas zu schaffen in der Lage ist, was doch noch einen lebendigen Zusammenhang hat mit dem Leben des ältesten Dra­mas; und das älteste Drama, das zu uns herüberspricht von Äschylos, von Sophokles,

raadsheren dan die hij aan het hof meemaakte – spreekt hij uit – want deze raadslieden zeggen mij iets over wat ik als mens ben. En wat spreekt Shakespeare hier een prachtige natuurwaarneming uit wanneer hij zegt: de bomen spreken, de bronnen worden tot schrift. Hij leert de natuur begrijpen, hij leert de natuur lezen. Daar kan Shakespeare op wijzen, daar kan in tweede instantie ook een modernere dichter op wijzen. Bij deze beleven wij dat secundaire; bij Shakespeare beleven we dat hij dit zelf puur beleeft, dat hij dit allemaal zelf direct beleefd heeft. Zelfs wanneer ze allebei hetzelfde zeggen, is het toch heel anders of Shakespeare het zegt of de moderne dichter.
Dan worden we voor de grote vraag gesteld: hoe komt het dat deze levendigheid die met het bovenzintuiglijke verwant is, bij Shakespeare aanwezig is, waar komt dat leven in de drama’s van Shakespeare vandaan? Dan worden we er toch toe gebracht om te zien hoe Shakespeare vanuit de 16e, 17e eeuw iets kan scheppen wat nog een levende samenhang vertoon met wat er in de oudste drama’s leeft; en het oudste drama dat nog tot ons spreekt, is van Aischylos, van Sophocles,

das ist wiederum ein Produkt der Mysterien, jener alten kultischen und künstlerischen Veranstaltungen, welche hervorgeholt sind aus der ältesten instinktiven, inneren, tiefsten sprituellen Erkennt­nis. Dasjenige, was uns an wahrer Kunst so begeistert, wir können es verstehen, wenn wir den Ursprung in den Mysterien suchen.
Wenn ich nun einige aphoristische Bemerkungen über das Mysterienwesen und das Hervorgehen des künstlerischen Sinnes und künstleri­schen Schaffens aus diesem Mysterienwesen geben werde, so kann natürlich sehr leicht eingewendet werden, daß dasjenige, was vom Standpunkt einer exakten Clairvoyance über diesen Gegenstand gesagt wird, nicht genügend durch Beweise gestützt sei. Allein dasjenige, was exakte Clairvoyance gibt, ist ja nicht nur die Bilderwelt, die uns in der Gegenwart umgibt, sondern durchaus auch die Welt des geschichtlichen Daseins, der historischen Entwicklung der Menschheit und des Kosmos überhaupt. Derjenige, der sich dieser Methode, wie ich sie in meinen Büchern geschildert habe, bedient, kann selber dasjenige nachprüfen, was diese exakte Clairvoyance über das Mysterienwesen zu sagen hat

die komen uit de mysteries voort, die oude cultische en kunstzinnige voorstellingen die uit het oudste, instinctieve, intiemere, diepste spirituele weten gehaald zijn. Wat ons voor de echte kunst zo enthousiast maakt, kunnen we begrijpen, wanneer wij de oorsprong in de mysteriën zoeken.
Wanneer ik nu een paar aforistische opmerkingen maak over de mysteriën en het ontstaan van de kunstzin en het kunstzinnige scheppen hieruit, kan natuurlijk makkelijk worden tegengeworpen dat wat er over dit onderwerp vanuit een exacte helderziendheid gezegd wordt, niet genoeg door bewijzen wordt onderbouwd. Alleen, wat exacte helderziendheid schenkt, is niet alleen maar een wereld van beelden die ons in deze tijd omringt, maar duidelijk ook de wereld van het geschiedkundige bestaan, van de historische ontwikkeling van de mensheid en niet te vergeten de kosmos. Degene die deze methode zoals ik die in mijn boeken geschetst heb, gebruikt, kan zelf nagaan wat deze exacte helderziendheid over de mysteriën heeft te zeggen.

Blz. 208

Wenn man über die Mysterien spricht, so weist man zurück in sehr alte Zeiten der Menschheitsentwicklung, in welchen Religion, Kunst und Wissenschaft noch nicht so getrennt nebeneinander dastanden, wie das heute der Fall ist. Es bringen sich die Menschen oftmals nicht genügend zum Bewußtsein, welche Wandlungen, welche Metamorphosen Kunst, Religion und Wissenschaft durchgemacht haben, bis sie zu einer solchen Trennung, einer solchen Differenzierung gekommen sind, auf der sie heute stehen. Ich will nur ein Einziges erwähnen, um einigermaßen darauf hinzudeuten, wie gerade die hier gemeinte heutige anthroposo­phische Erkenntnis wiederum hineinführt in ältere Formen, nicht in symbolisch~allegorisch~künstliche- Gestaltung, sondern in wirkliches Künstlertum. Zu uns leuchtet herüber dasjenige, was die älteren Maler zu Ende des 13., 14. Jahrhunderts geleistet haben. Man braucht sich nur an Cimabue zu erinnern. Dann tritt etwas in die Malerei ein, was die moderne Malerei mit Recht beherrscht: dasjenige, was wir Raumesper­spektive nennen. Es wird in den Kuppeln im Goetheanum in Dornach gezeigt, wie wir wieder zurückgehen nach jener Perspektive, welche in den Farben selbst liegt, daß man anders das Blaue, das Rote, das Gelbe empfindet, daß man zugleich aus der gewöhnlichen physischen Welt herauskommt, daß die dritte Dimension des Raumes aufhört eine Bedeu­tung zu haben. Man kommt dazu, nur in zwei Dimensionen zu arbeiten. 

Wanneer je over mysteriën spreekt, verwijs je naar zeer oude tijden van de mensheidsontwikkeling, waarin religie, kunst en wetenschap nog niet zo  van elkaar gescheiden waren, als tegenwoordig. Vaak dringt het niet genoeg tot het bewustzijn van de mensen door, wat voor veranderingen, welke metamorfosen kunst, religie en wetenschap doorgemaakt hebben, tot er zo’n dergelijke scheiding, zo’n differentiatie ontstaan is, als nu. Ik wil maar een enkel facet noemen om er enigszins op te wijzen hoe juist de antroposofische kennis zoals wij die hier voorstaan, weer terug kan gaan naar de oudere vormen, niet naar symbolisch-allegorisch-kunstzinnige vormen, maar naar het werkelijke kunstenaarschap. Wat de oudere schilders eind 13e, 14e eeuw gepresteerd hebben, licht voor ons op. Je hoeft maar aan Cimabue te denken. Dan komt er iets in de schilderkunst, wat de moderne schilders met zeer goed beheersen: het ruimteperspectief. In de koepels van het Goetheanum in Dornach is te zien hoe wij weer teruggaan naar dat perspectief dat in de kleuren zelf besloten ligt, dat het blauw, het rood, het geel ervaren wordt alsof je de gewone fysieke wereld verlaat, dat de derde ruimtedimensie geen betekenis meer heeft. Je komt ertoe alleen nog maar tweedimensionaal te werken.

Das ist die große Bedeutung desjenigen, was in der Kunst dem Maler zur Verfügung steht, was er mit der Farbe ausdrücken kann. Aber wie er wieder zurückkehrt zu den älteren, instinktiven, geistigen Erlebnissen der Menschheit, das will uns die moderne Anthroposophie auf ganz besondere Weise geben durch das von mir Gesagte über exakte- Clair­voyance. Wenn man zurückschaut auf das, was alte Clairvoyance wollte – es hängt ebenso zusammen mit dem Künstlerischen, mit dem Religiösen, mit dem Wissenschaftlichen, mit der alten Erkenntnis überhaupt. Eines gab es in den alten Kultusstätten des Mysterienwesens: Das Verständnis für die- Zusammengehörigkeit von Religion, Kunst und Wissenschaft, die zu gleicher Zeit schon sein sollten eine Offenbarung der göttlichen Weltenkräfte. Indem sie eine Manifestation der göttlichen Kräfte waren, versenkten sie sich in die menschlichen Gefühle des Religiösen; indem

Dat is de grote betekenis van wat in de kunst de schilder ter beschikking staat, wat hij met de kleur tot uitdrukking kan brengen. Maar hoe hij weer terugkeert naar de oudere, instinctieve, geestelijke ervaringen van de mensheid, dat wil de moderne antroposofie ons op een bijzondere manier doen toekomen door wat ik over de exacte helderziendheid heb gezegd.
Wanneer je terugkijkt naar wat de oude helderziendheid wilde, hangt dat net zo met het kunstzinnige, religieuze en het wetenschappelijke samen, dus eigenlijk met de oude kennis. In die oude cultusplaatsen van de mysteriën bestond het besef van dit samenhoren van religie, kunst en wetenschap, die tegelijkertijd een openbaring van de goddelijke wereldkrachten moesten zijn. Omdat deze een manifestatie waren van de goddelijke krachten, verbonden ze zich met het menselijk religieus gevoel; omdat

Blz. 209

sie schon waren, was wir heute in der Kunst pflegen, waren diese Kultushandlungen die künstlerischen Werke der Menschheit; und indem man sich bewußt war, daß wahre Erkenntnis gewonnen werden kann, wenn nicht einseitig der Mensch diese Erkenntnis sucht, war die alte­mysterienhafte Kulturentwicklung zugleich die Vermittlerin der dama­ligen menschlichen Erkenntnis. Nach der heutigen Anschauung glaubt man Erkenntnis erringen zu können, wenn man einfach das Bewußtsein nimmt und nun hingeht an das, was man in der Natur beobachten kann, und sich Begrilfe bildet von Naturtatsachen. So wie man heute an die Welt herangeht, um Erkenntnis zu gewinnen, war das in alter Zeit nicht der Fall. Der Mensch mußte erst zu einer höheren Stufe seiner Mensch­lichkeit hinaufsteigen, um dann in der alten Art  die nicht dieselbe ist wie die exakte Clairvoyance hineinzuschauen in die geistige Welt. Aber er schaute hinein. Dazu waren die Kultushandlungen nicht da, um dem Menschen etwas für seine Augen zu zeigen, sondern dazu, daß der Mensch etwas erlebte. Es waren gewaltige Schicksale, die dem Menschen vorgeführt wurden und die den Gegenstand dieser Kultushandlungen, dieser Mysterienhandlungen bildeten.

ze al waren wat wij tegenwoordig in de kunst doen, waren deze cultushandelingen de kunstzinnige werken van de mensheid; en omdat men er zich van bewust was, dat ware kennis verkregen kan worden, wanneer de mens niet eenzijdig naar deze kennis op zoek is, was de oude mysterieverwante cultuurontwikkeling tegelijk ook de bemiddelaar van de toenmalige menselijke kennis. Wat de huidige opvatting betreft, denkt men kennis te kunnen vergaren, wanneer men simpelweg vanuit het bewustzijn zich richt op wat men in de natuur kan waarnemen en zich begrippen kan vormen van feiten. Zoals men tegenwoordig de wereld benadert om kennis op te doen, was dat in de oudere tijden niet het geval. Eerst moest de mens met zijn menselijkheid op een hoger plan komen om dan op de oude manier die niet dezelfde is als de exacte helderziendheid, in de geestelijke wereld waar te nemen. En dat deed hij. De cultushandelingen dienden er niet voor om de mensen iets voor ogen te toveren, maar opdat de mens iets zou beleven. De mensen kregen indrukwekkende lotsbestemmingen te zien en die waren het onderwerp van deze cultushandelingen, deze mysteriehandelingen.

Der Mensch wurde dadurch, daß er seinen gewöhnlichen Menschen vergaß, herausgehoben aus dem gewöhnlichen Leben, so daß er in den Zustand kam, wo er – aber es war nicht so klar, wie es heute sein muß, nur wie ein Traum – außerhalb seines Leibes war. Das war das Ziel der Mysterien: die Menschen durch erschütternde Handlungen zu dem zu bringen, daß sie außerhalb des Leibes erlebten. Nun sind also ge­wisse Erlebnisse da außerhalb des Leibes. Das eine große Erlebnis ha­ben wir, während wir in unserem Leibe leben, während wir in unserem Organismus sind, wenn wir das, was außerhalb von uns ist, erleben mit unseren Gefühlen. Wir haben ein Miterleben desjenigen, was außer uns ist.
Wenn Sie sich vorstellen, daß der Mensch mit seinem Seelisch-Geisti­gen außerhalb seines Physischen ist und daß er draußen immer geistig miterlebt, nicht mit eisigen Verstandeskräften, sondern miterlebt mit Kräften der Seele, mit Gefühlsemotionen, wenn Sie sich vorstellen, was der Mensch dann außerhalb seines Leibes erlebt, dann lernen Sie etwas kennen: das ist das Mitfühlen – man lernt es auch mit anderen Menschen

De mens werd, doordat hij vergat een gewoon mens te zijn, opgetild boven het gewone leven, zodat hij in de toestand kwam waarin hij, echter niet zo duidelijk zoals dat tegenwoordig moet, maar als in een droom, buiten zijn eigen lichaam was. Dat was het doel van de mysteriën: de mens door schokkende handelingen zover te brengen dat hij buiten zijn lichaam iets ervoer. Er zijn bepaalde ervaringen buiten het lichaam. We hebben een sterke ervaring als we in ons lichaam aanwezig zijn, wanneer we hetgeen dat buiten ons is, in ons gevoelsleven ervaren. We leven mee met wat er buiten ons is.
Wanneer je je voorstelt dat de mens met zijn geest-zielenwezen buiten zijn fysiek is en dat hij daarbuiten steeds geestelijk meeleeft, niet met kille verstandskrachten, maar meeleeft met de kracht van de ziel, met emoties, wanneer je je  voorstelt wat de mens dan buiten zijn lichaam beleeft, dan leer je iets kennen: dat is het medegevoel – je leert het ook bij andere mensen,

Blz. 210

mit Blitz und Donner, mit dem Rauschen des Baches, dem Sprudeln der Quelle, dem Sausen des Windes, aber auch mit den geistigen Entitäten der Welt. Außerhalb seines Leibes lernt man auch das wirklich miterleben. Damit aber wird verbunden ein anderes Gefühl, das den Menschen überkommt, wenn er dem zunächst Unbekannten gegenübersteht. Es ist ein gewisses Gefühl der Furcht, der Angst. Beide Gefühle spielten die größte Rolle  in den alten Mysterien: dieses Gefühl des Miterlebens der Welt und dieses Gefühl der Furcht. Und wenn der Mensch sich so stark gemacht hatte in seinem Inneren, daß er nun ertragen konnte dieses Miterleben der Welt, daß er ertragen konnte – auch die Furcht, ohne sich dabei innerlich zu ergeben oder abzuwenden, dann war er geeignet, dann war er so weit entwickelt, daß er nun in die geistige Welt wirklich hineinschauen konnte, daß er die geistige Welt miterleben konnte, daß er seinen Mitmenschen Erkenntnisse überliefern konnte von geistigen Welten, aber auch mit diesem Gefühl wiederum in diese geistige Welt wirkte; daß seine Sprache eine- neue- poetische- Kraft offenbarte, daß seine Hand geeignet wurde, die Farben zu beherrschen, daß er seine innere Rhythmik so handhaben konnte, daß er zum Musiker der Menschen wurde. Er wurde zum Künstler.

bij donder en bliksem, bij het murmelen van de beek, het borrelen van de bron, het ruisen van de wind, maar ook bij de geestelijke entiteiten van de wereld.
Buiten je lichaam leer je dat werkelijk meebeleven. Maar daarmee wordt een ander gevoel verbonden dat de mens overkomt, wanneer hij daar aanvankelijk als iets onbekends tegenover staat. Het is een bepaald gevoel van vrees, van angst. Die beide gevoelens speelden in de oude mysteriën een grote rol: het gevoel van meeleven met de wereld en deze angstgevoelens. En wanneer de mens zich innerlijk zo sterk gemaakt had, dat hij dit meebeleven met de wereld kon uithouden, ook de angst zonder daar innerlijk aan toe te geven of zich af te keren, dat was hij geschikt, dan was hij zo ver ontwikkeld dat hij nu daadwerkelijk in de geestelijke wereld kon schouwen, dat hij de geestelijke wereld meebeleven kon, dat hij aan zijn medemens kennis over de geestelijke werelden kon overdragen, maar dat hij ook weer met dit gevoel in de geestelijke wereld werkzaam kon zijn; dat zijn taal een nieuwe poëtische kracht kon openbaren, dat zijn hand in staat was de kleur te beheersen, dat hij zijn ritmisch innerlijke krachten zo kon gebruiken dat hij de musicus onder de mensen kon worden. Hij werd een kunstenaar.

Er konnte das den Menschen überliefern, was die Urreligionen dem Menschen gaben, durchaus aus dem Mysterium heraus.  Wer heute das katholische Meßopfer mit innerer menschlicher Erkenntnis durchschaut, der weiß: es ist dieses das letzte schattenhafte Bild desjenigen, was in den Myste­rien lebend war. Das, was so in den Mysterien lebte, es hatte seine künstlerische, seine religiöse Seite. Die trennten sich später. Indem wir auf Äschylos hinschauen, auf Sophokles hinschauen, haben wir schon den Teil herausgehoben aus den Mysterien, der der künstlerische Ein­schlag war. Wir haben den göttlichen Helden Prometheus; er soll erleben, wie der Mensch Erschütterndes durchmachen kann, wie der Mensch innerliche Schreckens und Furchtzustände durchmachen kann. Zum Bilde war dasjenige geworden  das aber im Menschen wie dramati­sches Darstellen wurde, was in den alten Mysterien lebendig war, um im Menschen zu einer höheren Stufe hinaufzuheben, was in Mysterien initiiert werden sollte. So war dies ein Nachbild geworden der tiefsten menschlichen Erlebnisse. Aristoteles hatte doch noch einige Traditionen

Juist vanuit de mysteriën kon hij aan de mensen geven, wat de oer-religies de mens hadden gebracht. Wie tegenwoordig naar de heilige mis in de katholieke kerk kijkt met een blik die vanuit een innerlijk, menselijk weten komt, weet: dit is het laatste schaduwbeeld van wat in de mysteriën leefde. Wat er zo in die mysteriën leefde, had een kunstzinnige, een religieuze kant. Die werden later gescheiden. Wanneer we naar Aischylos, naar Sophocles kijken, is het deel van de mysteriën dat de kunstzinnige inslag was, er al uit verdwenen. We hebben de goddelijke held Prometheus; hij moet beleven hoe de mens iets schokkends mee kan maken, hoe de mens innerlijke schrik- en angsttoestanden door kan maken.
Wat in de oude mysteriën leefde, was tot beeld geworden; in de mens moest dit dramatisch tot uiting komen om in de mens op een hoger niveau te brengen wat in de mysteriën geïnitieerd moest worden. Zo is dit tot een nabeeld geworden van de diepste menselijke belevingen. Bij Aristoteles vind je toch nog een paar tradities

Blz. 211

von der Art, wie das alte Drama hervorgegangen ist aus den Mysterien. Aristoteles hat jenen Satz geprägt, den die Gelehrten überall in Büchern behandelt haben, die überall in Bibliotheken zu finden sind; er hat etwas hingeschrieben, was noch ein Nachklang der alten Myste­rien war, was in Äschylos und Sophokles weiterlebte: daß das Drama die Darstellung einer Handlung ist, die Mitleid und Furcht erregt, damit der Mensch gereinigt werden könne von physischen Leidenschaften, damit er die Katharsis durchmache. Man versteht nicht, was diese Katharsis, diese Reinigung bedeutet, wenn man nicht zurückschauen kann in die alten Mysterien und sehen kann, wie die Menschen vom Physischen gereinigt wurden, außerhalb ihres Leibes erleben konnten das Übersinn­liche in mächtigen Erlebnissen.
Aristoteles hat schon das geschildert, was zum Bilde geworden war in dem Drama. Das ist auf die neueren Dramatiker dann übergegangen, und wir sehen, wie in Corneille, in Radne Aristoteles wirkt; wie nachgebildet wird dem toten Aristoteles, wie gestaltet, gekleidet wird die Handlung in Furcht und Mitleid  was aber nichts anderes ist als das frühere Miterleben der geistigen Welt, wenn der Mensch außerhalb seines Leibes war. Aber die Furcht ist immer da, wenn der Mensch vor dem Unbekannten steht, und das Übersinnliche ist immer gewisserma­ßen etwas Unbekanntes.

van hoe het oude drama zich uit de mysteriën ontwikkeld heeft. Aristoteles heeft in een zin tot uitdrukking gebracht die geleerden alom in boeken aan de orde hebben gesteld en die in allerlei bibliotheken zijn te vinden, hij heeft iets opgeschreven dat nog een afspiegeling is van wat er in de oude mysteriën leefde, wat in Aischylos en Sophocles verder leefde: dat het drama een voorstelling is van een handeling die medelijden en angst oproept, opdat de mens gereinigd kan worden van fysieke hartstochten, opdat hij de catharsis door kan maken.
Men begrijpt niet wat deze catharsis, deze reiniging betekent, wanneer je niet terug kan blikken in de oude mysteriën en kan zien hoe de mensen van het fysieke gereinigd werden en buiten hun lichaam in machtige belevingen het bovenzinnelijke konden ervaren. Aristoteles heeft geschetst wat in het drama al tot beeld geworden was. Dat is overgegaan op de modernere dramaschrijvers en we zien hoe bij Corneille, bij Radne Aristoteles doorwerkt; hoe de dode Aristoteles nagevormd wordt, hoe in de handeling angst en medelijden aangekleed worden, hun vorm krijgen, wat echter niets anders is dan het meebeleven van de geestelijke wereld in die vroegere tijden, toen de mens buiten zijn lichaam verbleef. Maar er is altijd angst wanneer de mens voor iets onbekends staat en het bovenzintuiglijke is in een bepaalde mate altijd iets onbekends.

Es wird in der neueren Entwicklung nicht mehr mit vollem Verständ­nis auf die alten Mysterien hingeblickt, wo man hinausgeführt wurde von der menschlichen in eine höhere Gotteswelt, wo hereinragte die höhere Gotteswelt in diese menschliche Welt. Die Menschheit entwikkelte nicht weiter diesen alten Standpunkt, der dieser alten Dramatik zugrunde gelegen hat; dies konnte nicht mehr die Entwicelung der späteren Menschheit sein. Und Shakespeare war in die Entwicklung des Dramas der damaligen Zeit hineingestellt, in je-ne Welt, die nach einer anderen Dramatik damals suchte, so, daß in der Dramatik etwas von einem über das gewöhnliche Menschliche- Hinweggehenden lebe. Da hinein hat sich Shakespeare eingelebt, und angeregt durch das, was an jener dramatischen Kraft seiner Zeit von Menschen noch gefühlt werden kann, gab er sich demjenigen hin, was so wirkt, daß man das Gefühl hat: in Shakespeare

In de recente ontwikkeling kijkt men niet meer met het volle begrip naar de mysteriën, waar men weggeleid werd van de mensenwereld naar een hogere goddelijke, waarbij de hogere godenwereld tot aan de mensenwereld raakte. De mensheid ontwikkelde dit standpunt dat aan deze oude dramatiek ten grondslag lag, niet verder; dit kon niet meer de ontwikkeling zijn van de latere mensheid.
En Shakespeare stond met de ontwikkeling van het drama in die tijd toen, in die wereld die naar een andere dramatiek op zoek was, zodat in die dramatiek iets leefde van wat boven het gewone menselijke uitgaat. Daar heeft Shakespeare zich in ingeleefd en aangezet door wat aan die dramatische kracht van zijn tijd door de mensen nog kan worden beleefd, wijdde hij zich daaraan, wat zo werkt dat je het gevoel hebt: in Shakespeare

Blz. 212

wirkt mehr als eine einzelne menschliche Persönlichkeit, in Shakespeare wirkt der Geist seines Jahrhunderts, und damit im Grunde genommen der Geist der ganzen Entwicklung der Menschheit. Indem in Shake­speare noch etwas darinnen gewesen war von jenem alten Fühlen, machte er in sich rege dasjenige, was nun nicht eine intellektuelle Gestaltung von dieser oder jener Wesenheit oder diesem oder jenem Menschen ist, sondern er lebte selber in diesen Gestalten noch darinnen. So wurden die Gestalten seiner Dramen etwas, was nicht aus menschli­chem Intellekt heraus, sondern was aus der entzündeten Kraft des Menschen heraus gekommen ist, die wir wieder suchen müssen, wenn wir zur Entwickelung wirklicher Menschheitsideale kommen wollen. Dann aber müssen wir zur Intuition wieder kommen.
Das wird im Goetheanum in Dornach gesucht, und es darf gesagt werden, daß dort die Menschheit wiederum auf die exakte Clairvoyance­ verwiesen wird. Was noch in Shakespeare wirkt, was er auf der einen Seite in so wunderbarer Weise geschaffen hat, was die Mysteriendramati­ker noch äußerlich hingestellt haben vor den Menschen, und was Shake­speare ausgearbeitet hat, kann verständlich gemacht werden. Es ist nicht eine Äußerlichkeit, daß man in Shakespeares Dramen etwa hundertfünf­zig Pflanzennamen findet, daß man etwa hundert Vogelnamen findet:

werkt meer dan alleen maar één menselijke persoonlijkheid, in Shakespeare werkt de geest van zijn eeuw en daarmee in wezen de geest van de hele ontwikkeling van de mensheid. Als er in Shakespeare nog iets aanwezig was geweest van dat oude beleven, ontwikkelde hij in zich dat wat nu niet een intellectuele vormgeving van deze of gene figuur of deze of gene mens is, maar hij was zelf nog in deze gestalten aanwezig. Zo werden de gestalten van zijn drama’s niet wat vanuit menselijk intellect is gekomen, maar vanuit de aangewakkerde kracht van de mens, dat wij weer moeten zoeken, als we tot de ontwikkeling willen komen van echte mensheidsidealen. Maar dan moeten we de intuïtie bereiken.
Dat proberen we in Dornach, in het Goethanum en het mag worden gezegd dat daar de mensheid weer wordt gewezen op de exacte helderziendheid.
Wat nog in Shakespeare doorwerkt, wat hij op zo’n wonderbaarlijke manier gemaakt heeft, wat de toneelschrijvers van de mysteriën nog op een uiterlijke manier voor de mensen hebben neergezet en wat Shakespeare verder uitgewerkt heeft, kan begrijpelijk gemaakt worden. Het is niet iets uiterlijks wanneer we in Shakespeares drama’s zo’n honderdvijftig plantennamen vinden, zo’n honderd vogelnamen:

das alles gehört mit Shakespearedat  zum Ganzen, was als ein fortlaufender Strom sich entwickelt von den alten Kultusimpulsen der Mysterien her, was er ganz in das Menschenleben hereinnahm. Dadurch werden seine Dramen wach und wirklich, nicht durch das, was der Mensch hineinlegt, motiviert oder nicht motiviert… Ebensowenig wie man einen solchen Maßstab bei dem Prometheus, bei dem Ödipus anwenden darf, darf man ihn bei Shakespeare anwenden. Und in wunderbarer Weise sehen wir in Shakespeare’s eigener Persönlichkeit die Mysterienentwicklung. Er kommt nach London, er ist hineingestellt in das dramatische Leben, er dichtet wie andere, er wendet sich in bezug auf seine Stoffe auf das Gebiet historischer Überlieferungen, er ist abhängig von der Dramatik der anderen. Wir sehen, wie in diesen Jahren die eigentliche künstleri­sche Phantasie erwacht, so daß von 1598 an er das Innere seines Wesens seinen Gestalten aufzudrücken vermag; wir sehen, wenn er etwa seinen «Hamlet» gedichtet hat, daß er ihm mit dem gewöhnlichen Bewußtsein

dat alles hoort met Shakespeare tot het geheel, tot wat zich als doorlopende stroom ontwikkelt vanaf de oude cultuurimpulsen van de mysteriën, wat hij helemaal in het mensenleven opnam. Daardoor werden zijn drama’s geestelijk open en reëel, niet door wat de mens erin legt, gemotiveerd of niet. Net zo min als je zo’n maatstaf mag aanleggen bij Prometheus, bij Oedipus, mag je dat bij Shakespeare doen. En op een wonderbaarlijke manier zien we in Shakespeares eigen persoonlijkheid de ontwikkeling van de mysteriën. Hij komt naar Londen, hij staat in het leven van het drama, hij dicht als anderen, hij richt zich voor zijn stof op het gebied van de historische overleveringen, hij is afhankelijk van de drama’s van anderen. We zien hoe in deze jaren de kunstzinnige fantasie ontwaakt, zodat hij vanaf 1598 in staat is de kern van zijn wezen op zijn figuren over te dragen; we zien toen hij zijn Hamlet had gedicht, dat hij hem met het gewone bewustzijn

Blz. 213

nicht nachkommen kann. Es ist etwas, wie wenn man fühlen würde, daß er in anderen Welten erlebte, daß er die physische Welt anders beurteilte. Und solche Verinnerlichung verläuft mit einer Art innerer Tragik in Shakespeare. Nachdem er erst erlebt hat das äußere dramatische Milieu, dann die tiefste Innerlichkeit – ich möchte sagen, das Begegnen mit dem Weltengeist, von dem Goethe in so schöner Weise sprach -, kommt er wieder mit einem gewissen Humor in die Dramatik hinein; Humor, der die höchsten Kräfte ebenso in sich trägt, wie zum Beispiel im «Sturm» eine der wunderbarsten Schöpfungen der ganzen Menschheit, eine der reichsten Entwicklungen der dramatischen Kunst. So kann Shakespeare eine reife Weltanschauung überall in das lebendige menschliche Schaffen hineinverlegen.
Damit aber, daß wir die Dramatiker zurückführen können auf das alte Mysterienwesen, das es abgezielt hatte auf eine lebendige Entwickelung der Menschheit, wird uns begreiflich, warum aus der Dramatik Shakespeares eine solche erzieherische Kraft ausgeht. Wenn wir es ernst meinen mit diesen neuen Idealen, dann können wir sagen: Wir können wissen, wie das, was aus einer Art von Selbsterziehung hervorgegangen ist – wie ich eben geschildert habe – bis zu seiner höchsten geistigen Erhebung, nun auch in den Schulen wirken kann; wie es hineindringen kann in die lebendigen erzieherischen Kräfte unserer Jugend.

niet kan volgen. Het is zoiets alsof je voelt dat hij in een andere wereld leefde, alsof hij de fysieke wereld anders beoordeelde. En een dergelijk verinnerlijken verloopt in Shakespeare met een soort innerlijke tragiek.
Nadat hij in eerste instantie het uiterlijke dramatische milieu beleefde, dan de diepste innerlijkheid – ik zou willen zeggen, de ontmoeting met de wereldgeest waarover Goethe zo mooi sprak – komt hij weer terug in de dramatiek met een bepaalde vorm van humor; humor met een grote diepgang, zoals bijv. in ‘de Storm’, een van de wonderbaarlijkste scheppingen in de hele mensheid, een van de rijkste ontwikkelingen van de dramatische kunst.
Zo kan Shakespeare overal aan het levende menselijke scheppen een rijpe wereldbeschouwing meegeven.
Omdat wij echter de toneelschrijvers terug kunnen voeren tot aan het oude mysteriewezen en dat dit streefde naar een levendige ontwikkeling van de mensheid, kunnen we begrijpen waarom uit de dramatiek van Shakespeare zo’n opvoedkundige kracht uitgaat. Wanneer we deze nieuwe idealen serieus nemen, kunnen we zeggen: we kunnen weten hoe wat tevoorschijn gekomen is uit een soort zelfopvoeding – zoals ik net heb geschetst – ontwikkeld tot een grote geestelijke hoogte, ook in de school werkzaam kan zijn; hoe dat door kan dringen tot in de levende opvoedkundige krachten van onze jeugd.

Das ist es, was aus der Erfahrung der ganzen kosmischen Spiritualität uns so recht heute aktuell macht Shakespeares Dramen und die großen Erziehungs-fragen der Zeit. Aber mit allen Mitteln müssen wir geistig tätig sein, denn wir werden aus Shakespeare diese Fragen nur dann beantworten, wenn wir sie mit tiefster Spiritualität, aus voller Geistigkeit heraus beantwor­ten. Wir brauchen das, denn es sind diejenigen Ideale, die die Menschheit so sehr nötig hat. Wir haben eine großartige Naturwissenschaft; sie gibt uns eine dichte, stoffliche Welt, sie kann nichts anderes lehren als das Ende, welches in eine Art Weltentod führen wird. Wir schauen auf die natürliche Entwicklung hin, wir finden sie aus den Anschauungen der letzten Jahrhunderte herausgehend als etwas Fremdes, wenn wir zu unseren Idealen hinaufschauen. Hat aber das unreligiöse Ideal durch die ganze zivilisierte Welt hin eine reale Kraft? Nein! Wir müssen sie erst wieder erwerben, müssen zu den geistigen Welten aufsteigen, um diese

Dat is wat vanuit het ervaren van heel die kosmische spiritualiteit voor ons de drama’s van Shakespeare en de grote opvoedingsvragen van de tijd zo actueel maakt. We moeten wel met alle middelen geestelijk actief zijn, want we kunnen vanuit Shakespeare deze vragen alleen beantwoorden, wanneer we deze met de diepste spiritualiteit, vanuit de volle geest, beantwoorden. Dat hebben we nodig, want het gaat om de idealen die de mensheid zo zeer nodig heeft. We hebben een geweldige natuurwetenschap; die geeft ons een vaste, stoffelijke wereld, die kan niet anders leren dan het einde, dat tot een soort werelddood zal leiden. We kijken naar de natuurlijke ontwikkeling, we ervaren die vanuit de opvattingen van de laatste eeuwen uitgaand, als iets vreemds, wanneer we naar onze idealen opzien. Maar heeft het niet-religieuze ideaal door de hele beschaafde wereld een reële kracht? Nee! We moeten die eerst weer zien te verkrijgen, moeten ons opwerken tot de geestelijke wereld om deze

Blz. 214

Kraft zu erwerben, die- alles überwinden kann, die selbst zur starken Naturkraft werden kann, nicht nur zum Glauben. Wir mussen uns aufschwingen können zu dem, was aus religiösen Idealen etwas schafft, was im Kosmos das Stoffliche überwindet. Das können wir nur, wenn wir der geistigen Weltanschauung uns hingeben. Ein großer Führer kann Shakespeare sein zu dieser geistigen Weltanschauung. Es ist aber auch ein starkes soziales Bedürfnis für das Wirken dieser geistigen Weltanschauung in der Gegenwart da. Rechnen Sie es mir nicht so an, als wenn ich aus Egoismus heraus diese Entwickelung wollte, weil gerade in Dornach in der Schweiz das gepflegt wird, was die Menschheit wiederum hineinführen kann in die Wirklichkeit, in das Geistige, in die wahre Spiritualität der Welt. Allein gerade deshalb ist es in Dornach möglich gewesen, manches zu überwinden, was heute Interessen der Menschheit sind, die aber leider diese Menschheit spalten; einander widerstrebende Interessen, die Parteien geschaffen haben in allen mögli­chen Gebieten. Und gesagt werden darf vielleicht, daß während meist in Dornach siebzehn Repräsentanten der gegenwärtigen Zivilisation vom Jahre 1913 bis jetzt in Eintracht arbeiteten durch die ganze Kriegsepoche­hindurch – wir in der Nachbarschaft die Kanonen donnern hörten, in denen der menschliche Unfriede aneinanderprallte.

kracht te verwerven die alles kan overwinnen, die zelf tot een sterke natuurkracht kan worden, niet alleen maar tot een geloof. We moeten ons kunnen opwerken tot wat uit religieuze idealen iets kan kan scheppen, wat in de kosmos het stoffelijke overwint. Dat kunnen we alleen, wanneer we ons richten op de geestelijke wereldbeschouwing. Voor deze geestelijke wereldbeschouwing kan Shakespeare een grote leider zijn.
Maar er is in deze tijd ook een sterke sociale behoefte aan de werking van deze geestelijke wereldbeschouwing. Neem het me maar niet kwalijk, als zou ik deze ontwikkeling vanuit egoïsme willen, omdat met name in Dornach in Zwitserland volop in de aandacht staat wat de mensheid weer tot de werkelijkheid kan brengen, tot het geestelijke, tot de echte wereldspiritualiteit.
Juist daarom was het in Dornach mogelijk veel te overwinnen van wat tegenwoordig de interesses van de mensheid zijn, die helaas echter in de mensheid een scheuring teweegbrengen; interesses die tegen elkaar ingaan, die partijen hebben doen ontstaan op allerlei gebied. En het mag misschien worden gezegd dat, terwijl in Dornach zeventien vertegenwoordigers van de huidige beschaving vanaf 1913 tot nu in harmonie werkten tijdens de hele oorlogstijd – wij in de buurt de kanonnen hoorden bulderen, waarbij de menselijke onvrede op elkaar botste.

Und daß Repräsen­tanten von siebzehn Nationen in dem größten der menschlichen Kriege friedlich zusammenarbeiten konnten, scheint mir auch ein großes Ideal der Erziehung zu sein. Was so im kleinen, das könnte auch im großen möglich sein, und das braucht der menschliche Fortschritt, die menschli­che Zivilisation. Deshalb, weil wir einen Fortschritt der menschlichen Zivilisation wollen, muß ich hinweisen auf eine solche Gestalt, die in der ganzen Menschheit wirkte, die der ganzen Menschheit große Anregung gegeben hat zu denjenigen neuen menschlichen Idealen, die für die internationale allgemeine Menschheit Bedeutung haben. Deshalb muß ich auf Shakespeare- hinweisen, deshalb lassen Sie mich schließen an diesem festlichen Tage mit Worten, die ich behandelt habe in meinen Auseinandersetzungen – mit Worten Goethes, die- er empfunden hat, indem er bei Shakespeare volle, totale Spiritualität und Geistigkeit empfunden hat. Da entrang sich ihm ein Satz, der, wie es mir scheint, tonangebend sein muß für alle Shakespeare-Auffassung, die da bleiben

En dat vertegenwoordigers van zeventien landen in de grootste oorlog tussen de mensen vreedzaam konden samenwerken, lijkt mij ook een groot opvoedingsideaal. Wat zo in het klein mogelijk is, zou het ook in het groot kunnen zijn en dat heeft de menselijke vooruitgang nodig, de menselijke beschaving. En als we een vooruitgang van de menselijke beschaving willen, moet ik verwijzen naar die persoonlijkheid die in de hele mensheid werkzaam is, die de hele mensheid een grote impuls heeft gegeven voor die nieuwe idealen die voor de internationale mensengemeenschap van betekenis is. Daarom moet ik op Shakespeare wijzen, en laat u mij daarom op deze feestelijke dag afsluiten met de woorden die ik aan de orde heb gesteld in mijn uiteenzetting – met de woorden van Goethe die hij ervoer toen hij bij Shakespeare de volle, totale spiritualiteit vond. Toen kwam hij tot een zin die, zo ziet die er voor mij uit, toonaangevend moet zijn voor alle opvattingen over Shakespeare die een

Blz. 215

muß ein ewiger Quell der Anregung für alle zivilisierten Menschen. Und im Bewußtsein davon hat Goethe die Worte gebraucht über Shake­speare, mit denen wir diese Betrachtung schließen können: «Es ist die Eigenschaft des Geistes, daß er den Geist ewig anregt. » Deshalb muß man mit Recht mit Goethe sagen: «Shakespeare und kein Ende!»

eeuwige bron ter aansporing moet blijven voor alle beschaafde mensen. En met dat bewustzijn heeft Goethe over Shakespeare de woorden gebruikt waarmee we deze overdenking kunnen afsluiten: ‘Het is de eigenschap van de geest, dat deze de geest eeuwig stimuleert.’ Daarom moet je met recht met Goethe zeggen: ‘Shakespeare en geen einde!’
.

GA 304, 8e voordracht (Duits)
.

Shakespeare

Rudolf Steineralle pedagogische voordrachten

Rudolf Steineralle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2740-2569

.

.

.

VRIJESCHOOL – De zintuigen (1-2)

.
Erhard Fucke, Weledaberichten nr.120 april 1980
.

VERZORGING EN BETEKENIS VAN DE ZINTUIGEN

.

Onze voorstellingskracht is nauwelijks toereikend om exact te beschrijven hoe het er zou uitzien als de mens geen zintuigen bezat. De op ’t eerste gezicht absurde poging om ons die toestand voor te stellen maakt ons echter duidelijk welke betekenis het zintuigstelsel voor de mens heeft en hoe belangrijk de verzorging van de zintuigen is.

Met behulp van de zintuigen ontvangen wij informatie omtrent de wereld. Het wegvallen van een zintuig, bijv. bij blindheid of doofheid, maakt duidelijk welke tekorten daarbij optreden. Die bestaan niet alleen hieruit, dat de mens afgesneden is van bepaalde gedeelten van de verschijnselen in de wereld, maar hij kan daarvoor ook geen begrippen vormen. De ontwikkeling van ons denkende bewustzijn, is gebaseerd op de waarnemingsinhoud van onze zintuigen. Zonder exacte waarneming kan er geen denkend bewustzijn tot stand komen, hoewel dit zich, als het tot stand is gekomen, op de hoogste trede ook onafhankelijk van de waarnemingswereld kan ontwikkelen.

Maar ook gewaarwording en gevoel worden aan de waarneming ontwikkeld. Deze zijn op een andere manier dan het denken een actief antwoord van de mens op de verschijnselen in de wereld. Beide verschralen gedeeltelijk als de werkzaamheid van een zintuig wegvalt.

En de handelende mens heeft eveneens voor een juist ingrijpen in de wereld de hulp van de waarneming nodig. Hoe onbeholpen beweegt een blinde zich als hij niet zijn andere zintuigen door middel van langdurige oefening heeft gescherpt zodat die gedeeltelijk het gemis van de ogen kunnen vervangen.

Wij verkrijgen door de zintuigen niet alleen informatie omtrent de wereld maar ook omtrent eigen gesteldheid. Deze waarnemingen zijn de grondslag voor het willekeurig kunnen beheersen van ons lichaam. Als bijv. de bewegingszin gestoord is, leren wij nooit het verloop van bewegingen goed beheersen. Ons lichaam kan dan nooit een instrument worden om uit te drukken wat er in ons aan gedachten, gevoelens en intenties leeft. Bij een dergelijke storing wordt de mens als persoonlijkheid nooit de baas ‘in eigen huis’. Slechts met behulp van intacte zintuigen kan hij zijn lichaam beheersen en al naar gelang van zijn persoonlijkheid beïnvloeden. De storing van die zintuigen, die de mens informatie verschaffen omtrent zijn eigen lichaam, levert het beeld op van iemand, die wij in het algemeen ‘gehandicapt’ noemen.

Als het zintuigstelsel gedeeltelijk gestoord is, treden er dus twee gevolgen op. De storing isoleert de persoon van de wereld en van zijn eigen lichamelijkheid. De isolering van de wereld heeft echter nog iets anders tot gevolg, nl. dat men zich van de medemens isoleert die een deel van de ons omringende wereld is. Zonder gezonde zintuigen, resp. het actieve gebruik daarvan, zal het ons moeilijk vallen om sociaal te handelen. Aan autistische kinderen kunnen wij zien, hoe ernstig de gevolgen daarvan voor het sociale gedrag kunnen zijn.

Wij aanvaarden het geschenk van een intact zintuigstelsel als zoiets vanzelfsprekends, dat wij er nauwelijks bij stilstaan of door onze leefwijze en ons gedrag de gezondheid van de zintuigen niet wordt aangetast. Pas in de laatste decennia rees de vraag of sommige verschijnselen in de samenleving niet een onbedoelde, maar toch destructieve werking op bepaalde zintuigen en op het totale zintuigstelsel konden hebben. Daarover is allerlei geschreven, wat wij hier terzijde willen laten. Wij willen een andere vraag stellen: is een gezonde ontwikkeling van het zintuigstelsel alleen een geschenk van de natuur dat de mens in de schoot valt of waarvan hij de gegeven onvolkomenheid moet leren te aanvaarden, of heeft de opvoeding tot taak om een gezonde ontwikkeling van de zintuigen actief te beïnvloeden?

Wij zien, dat de tegenwoordige pedagogiek een overvloed van doelstellingen kent. Opvoeding tot een actief gebruik van de zintuigen ontbreekt daarbij echter of neemt een totaal ondergeschikte plaats in. Dit verbaast te meer daar de feiten, die hierboven zijn beschreven, toch nauwelijks te ontkennen zijn. Men hoort bijv. van allerlei methodes die moeten dienen om de ontwikkeling van het denken door pedagogische maatregelen te bevorderen, zonder dat erop wordt gewezen, dat een juist denken alleen maar kan worden ontwikkeld aan en met een intact waarnemingsvermogen. De verzorging van de zintuigen is — afgezien van de doelstellingen van de vrijeschoolpedagogie — iets wat nog niet bewust wordt nagestreefd in de opvoeding. Vandaar dat in het vervolg van dit artikel hierover enkele opmerkingen over dit thema worden gemaakt. Vooraf echter willen wij nog een principiële constatering maken. Talloze waarnemingen tonen aan, dat het lichaam van de mens niet alleen door zijn eigen krachten tot rijping komt, maar dat dit proces mede door invloeden van buitenaf in hoge mate wordt bepaald. Een extreem voorbeeld hiervoor: als aan het kleine kind — onverschillig door welke omstandigheden — de genegenheid wordt onttrokken van iemand waarmee het een band heeft, dan blijft het in zijn lichamelijke ontwikkeling ver ten achter bij kinderen, die aan zo’n beschadiging niet zijn blootgesteld. Het leert veel later dan andere kinderen om zich op te richten, te lopen, te spreken. Maar ook lengte, gewicht en de algehele gezondheidstoestand zijn ten achter bij een normale ontwikkeling. Wat het kind van zijn omgeving ontvangt of wordt onthouden werkt ook door tot in de fijnere structuur van de afzonderlijke organen. Waarnemingen gedaan bij verwaarloosde kinderen tonen bijv. aan, dat deze op latere leeftijd meer dan anderen gevaar lopen zwakzinnig te worden.

Deze algemene wet, waarop Rudolf Steiner al in 1907 vóór de daarna volgende empirische onderzoekingen heeft gewezen, geldt ook voor de rijping van het zintuigstelsel. In ’t bijzonder geldt die wet voor de eerste zeven levensjaren en ook in latere levensfasen is zij werkzaam. Zelfs de volwassene die een gefundeerd oordeel wil vellen, moet door voortdurende oefening zijn waarnemingsvermogen differentiëren. Door bewust verrichte waarnemingsoefeningen leert hij om de kwaliteiten die de wereld hem tegemoet draagt, steeds nauwkeuriger waar te nemen. Een eenvoudig voorbeeld kan dit verduidelijken:

Bij veel gelegenheden spreken wij ongenuanceerd over het blauw. Zoiets is ook wel toereikend in het gewone leven. Voor de schilder evenwel is zo’n grove omgang met woord en begrip ontoelaatbaar. Hij weet voordat hij zich intensief met de kleur bezighoudt, dat blauw talloze nuances heeft. En die veranderen het wezen van de kleur. Anders gezegd: in die nuances komen verschillen tot uiting en zij wekken in de mens verschillende gevoelens op. Als de kunstenaar probeert om het wezen van de kleur werkelijk te doorgronden, dan moet hij omtrent die differentiaties tot een inzicht komen. Maar in de eerste plaats moet hij leren om ze te zien. Door voortdurende oefening van de waarneming versterkt hij de gevoeligheid en ontvankelijkheid van zijn ogen. Dit komt tot stand als hij bewust de wil activeert die in zijn waarnemen leeft. Die vergroot zijn aandacht. In die wil leven echter niet eigen voorstellingen en intenties; veeleer is daarin een zuivere, a.h.w. maagdelijke overgave aan de wereld verborgen. Door die overgave is het mogelijk dat de wereld zich zelf uit. Ook en juist de schilder uit liefhebberij kan de ervaring opdoen, dat deze toestand slechts met moeite en door de grootste concentratie kan worden opgewekt. Want tussen de wereld en de waarnemer komt in de regel heel spoedig een bepaalde voorstelling van de kleur te staan. Goethe, die op dit terrein zijn leven lang het waarnemen schoolde, vat de moeilijkheid die over het algemeen genomen bij elke waarneming optreedt, aldus samen: ‘De mens pakt niet, wat er is, maar wat hem behaagt.’ Op die manier wordt niet alleen de boodschap van de wereld maar tevens een zakelijk-juist oordeel daarover afgeschermd.

Een schildercursus voor leken heeft daarom o.a. tot taak, het waarnemingsvermogen van het oog te activeren en tegelijkertijd te differentiëren. Zo’n cursus kan vanzelfsprekend ook een aanloop betekenen om nog niet ontdekte creatieve vermogens wakker te roepen. De algemene ‘hygiënische’ taak ervan bestaat echter in het opwekken van de waarnemingsactiviteit en in het scherpen van de blik. Deze vaardigheid kan dan bij geheel andere activiteiten dan het schilderen worden gebruikt, leder heeft haar tegenwoordig nodig omdat de stortvloed van prikkels voor de zintuiglijke indrukken uit de omringende wereld een gedifferentieerde waarneming in hoge mate bemoeilijkt. De mens, die zichzelf als persoon wil staande houden, stompt af tegenover het te grote aanbod van waarnemingen. Als de thans noodzakelijke isolering van de wereld bewust en actief tot stand komt is daar niets tegen in te brengen. Maar zelfs dan heeft de mens ogenblikken in zijn leven nodig, waar hij zich duidelijk bewust tegenover het bestaan plaatst. Een schildercursus kan daartoe de gelegenheid bieden. 

Bij de volwassene is het zintuigstelsel volledig ontwikkeld. Door dergelijke oefeningen tracht hij op grond van een verhoogde psychische activiteit dit te leren beheersen. Vanuit zijn bewustzijn gaat hij dit hanteren. Het kleine kind kan dat nog niet. Het moet eerst nog een bewustzijn ontwikkelen, zijn psychische activiteit moet nog onder de heerschappij van zijn persoon komen te staan. Pas na de puberteit ontstaat er een vooreerst nog beperkte autonomie tegenover zulke processen. In een eerder stadium is het kind voor de verzorging van het zintuigstelsel geheel en al afhankelijk van het bewustzijn en de psychische activiteit van de opvoeders. Zij hebben niet alleen de taak om het kind tegen schadelijke invloeden van buiten af te beschermen, zij dienen ook de gezonde ontwikkeling van het zintuigstelsel te bevorderen. Al vroeg kunnen in ’t bijzonder de zintuigen worden geactiveerd die het kind ervaringen van zijn eigen lichamelijke bestaan verschaffen: tastzin, levenszin, evenwichtszin, bewegingszin. Dit moge blijken uit twee eenvoudige voorbeelden:

Het waarnemen van de omgeving en van het eigen lichaam gebeurt in de eerste levenstijd o.a. in hoge mate door het betasten en vastpakken van de dingen. Een voorwerp, dat in de wieg zo is opgehangen dat de handjes het kunnen grijpen, is een speelgoed dat de kinderen nog veel te weinig krijgen. Hout is het beste materiaal hiervoor omdat het warm aanvoelt. Het moet vloeiende vormen hebben omdat het prettige gevoel dat daardoor bij het vastpakken ontstaat de vertrouwdheid van het kind met zijn speelgoed bevordert. 
Zo’n voorwerp (in het Duits wordt het treffend ‘Greifling’ ‘grijpding’ genoemd) activeert niet alleen het tasten. Het kind grijpt, als hij het naar zich toe wil halen, er dikwijls naast. De bewegingen zijn nog niet gecoördineerd, de richting van het grijpen kan nog niet precies worden bepaald. Maar dat wordt nu juist door het spelen geoefend. De bewegingszin kan slechts worden ontwikkeld als het kind zich beweegt en als die beweging op een doel is gericht. Het genoemde speelgoed stimuleert dit.

Wie buiten is opgegroeid had veel gelegenheid om over allerlei obstakels te balanceren. Dat ontbreekt maar al te dikwijls in de stad; tuinmuurtjes echter kunnen zoiets wel vervangen. Het plezier dat het kind daaraan beleeft toont, dat het uit zichzelf dergelijke bewegingsprocessen zoekt. Als het niet zelf op zo’n spel komt, dan zou de volwassene er goed aan doen de conventies los te laten en zulke balanceerkunstjes voor te doen.

Als men kinderen bij het balanceren observeert kan men daaraan veel aflezen. Het kind dat angstig op een dwarsliggende balk klimt heeft nog geen vanzelfsprekende waarneming van zijn ledematen en het kan bovendien in een ongewone stand zijn evenwicht nog niet vinden. Maar dat is nu juist nodig om het lichaam te leren beheersen en om te beleven dat men het kan. Kinderen wie dat lukt verschillen wat hun zelfvertrouwen aangaat duidelijk van kameraadjes die dat niet durven. Het zelfvertrouwen is niet alleen voor het balanceren van belang; het is bepalend voor de hele manier waarop het kind zich inleeft in de wereld. Zulke kleine oefeningen hebben een belangrijke werking.

Alles hangt ervan af of wij als opvoeders hieraan de genoemde betekenis toekennen en of wij door onze belangstelling voor het kind onze fantasie zo ontwikkelen dat wij het op allerlei manieren tot dergelijke activiteiten aansporen. Er zijn legio voorbeelden te noemen hoe dat gedaan kan worden. Wij willen door deze gezichtspunten te noemen slechts op het verband wijzen dat er is tussen de ‘gewone dingen’ van het kinderleven en de belangrijke psychische en geestelijke ontwikkelingen van het kind. Pedagogie bestaat niet alleen uit grote doelstellingen, hoe noodzakelijk die ook zijn, maar veeleer en juist in het bewust gebruiken en creëren van alledaagse levenssituaties. Jean Paul heeft eens terecht gezegd, dat het kleine kind van zijn voedster meer leert dan op de universiteit. Dit woord kan alleen maar waar zijn als men een voldoende omvattend begrip van het leren heeft en als ieder ernaar streeft volgens de betekenis van dit begrip een pedagoog te zijn.

Het leren evenwel begint met de waarneming, resp. met het oefenen daarvan. Hoe dat oefenen door de opvoeders wordt gestimuleerd is mede bepalend of en hoe het zintuigstelsel ‘rijpt’, d.w.z. of de persoon later voor zijn werk de beschikking heeft over gezonde zintuigen. Wij helpen het kind om zich in de wereld in te leven en zijn lichaam als een gezond instrument te hanteren als wij het zulke oefeningen laten doen.

.

Zintuigenalle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

De bewegende klas

.

2739-2568

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Peuter en kleuter – spel (14-2)

.

Freya Jaffke, Weledaberichten 116, december 1978

.
Het spel van het kind – een vormgevend element

.
Als de individualiteit van de mens zich vanuit de toestand van niet-geboren-zijn hier op aarde incarneert dan verbindt zij zich met een lichamelijke omhulling die door de ouders wordt verschaft. Deze is echter zo teer en onaf wat de organen en hun functies betreft, het bewegingssysteem is zo ongedifferentieerd, het zenuw-zintuiggebied is zo open, dat de individualiteit zes tot zeven levensjaren toegemeten krijgt om het lichaam in bezit te nemen en op te bouwen. Dit voltrekt zich volgens de krachten die in zijn lot besloten liggen en in samenhang met de nu aanvaarde levenssituatie. Bij deze activiteit is het contact met de menselijke omgeving van beslissende betekenis, want de mens leert het mens-zijn alleen maar van de medemens. Alles, wat een kind in zijn omgeving kan waarnemen, neemt het met hart en ziel, met een open gemoed op en het integreert dit diep in zijn lichamelijkheid. Het heeft nog niet de bescherming van een bewustzijn dat de gebeurtenissen verwerkt. Het is dientengevolge niet in staat om afstand van indrukken te nemen. Als wij deze gedachte, dat de uiterlijke omgeving invloed uitoefent op de activiteit die het lichaam opbouwt, ernstig opvatten, dan zullen wij ter wille van het kind de grootste zorgvuldigheid in acht nemen ten aanzien van de vorming van de eigen omgeving en van een levenshouding die tot voorbeeld kan strekken.

Het kleine kind verwerkt alle indrukken door de kracht van de nabootsing. Dit komt zo bijzonder mooi tot uitdrukking in het spel van het kind. Als wij zelf maar voldoende plezier, vreugde, rust en vanzelfsprekendheid bij het dagelijkse werk uitstralen, dan kunnen wij vol vertrouwen hopen, dat de kinderen vrolijk en ook echt actief worden. De manier, hoe nu een kind nabootsend zijn ervaringen in de wereld opdoet, hangt niet alleen af van de individualiteit maar vooral ook van het ontwikkelingsstadium waarin het zich bevindt. Drie van zulke stadia kunnen in de eerste 6 à 7 jaren duidelijk onderscheiden worden.

In de eerste tijd (2½ -3 jaar) waarin de mens leert om rechtop te lopen, te spreken en daarmee het begin van te kunnen denken krijgt is de moeder met al haar doen en laten van beslissende betekenis. Eerst kon het kind vanuit de wieg of de box zien wat zijn moeder deed; daarna gaat het haar aldoor meer bij alles wat zij in huis doet vergezellen. Als moeder de kussens opschudt haalt het kind een bankje om dat ook te kunnen doen. Of het pakt net als moeder met plezier was uit een teil om die dan weer onder te dompelen; het veegt nabootsend met de bezem, waarbij het stof wel eens meer verspreid dan opgeveegd wordt. Dit impulsieve aanpakken en grijpen werkt tot diep in de organen door, in ’t bijzonder op de subtielere differentiaties in de hersenprocessen; daardoor wordt de voorwaarde geschapen om later door te denken bijv. een arbeidsproces te kunnen be-grijpen.

Al is het kind samen met zijn moeder tijden bezig, het zal steeds ook weer tevreden in zijn speelhoek terugkeren. Het belangrijkste speelgoed dat wij kunnen geven, of het nu een jongen of een meisje is, is de pop. Het beste een pop van een lap gemaakt, die een hoofd heeft dat gewoon toegebonden en met schapenwol gevuld is.*) Mond en ogen behoeven alleen maar aangeduid te worden. Zo ontstaat er een neutrale gelaatsuitdrukking, die al naar de behoefte van het kind wakker is, slaap uitdrukt, lacht of huilt. Men zou alles wat naar perfectie of natuurgetrouwe nabootsing zweemt ter wille van een gezonde ontwikkeling van de kinderlijke fantasie moeten vermijden. Dit geldt ook voor ander speelgoed. Geperfectioneerd speelgoed, dat eventueel ook nog van technische finesses voorzien is, laat voor de kinderlijke fantasie geen speelruimte meer over; het is, helemaal kant en klaar, veeleer aangepast aan hetgeen de volwassenen verlangen.

In de tweede ontwikkelingsfase (ongeveer tot het vijfde jaar) vermindert de behoefte om de moeder ‘helpend’ te vergezellen. Doordat de kinderlijke fantasie en het geheugen steeds meer tot ontplooiing komen, ontstaat een eigen activiteit en spel. Menige moeder slaakt dan een diepe zucht, behalve als ze weet, dat ook dit weer over gaat. Elk verplaatsbaar meubel, allerlei huisraad kan, met een heel ander doel dan waarvoor het oorspronkelijk bestemd is, gebruikt worden om mee te spelen. Moeders strijkijzer wordt een stoomboot, een touw met aan elke kant een pollepel wordt de telefoon, een voetenbankje wordt een fornuis en straks, ondersteboven, een poppenbed. En hoe dikwijls wordt een daarnet begonnen spel afgebroken of iets heel anders, als er een ander voorwerp wordt ontdekt of daardoor een nieuw idee ontstaat.

Door ‘speelgoed’ uit de natuur, zoals bijv. stukken hout, boomschors, dennenappels, stenen, ongesponnen schapenwol, ook allerlei katoenen lappen, kan deze activiteit die tot creativiteit wil worden, op een gezonde manier uitgelokt worden. Wij laten die dingen uit de natuur in het spel tot iets anders worden; ze brengen tegelijkertijd een relatie tot de natuurrijken die ons omringen tot stand.

Er ontstaat, zou men kunnen zeggen, een ‘gezonde chaos’ om het kind heen; deze zou dagelijks minstens één keer weer in orde moeten worden gebracht opdat er ruimte voor nieuwe ontplooiing ontstaat.

Omstreeks het vijfde jaar begint de derde ontwikkelingsfase, waarin het spelen in toenemende mate continuïteit krijgt. De kinderen beschikken nu over zoveel voorstellings- en herinneringsvermogen, dat zij gebeurtenissen die al ver terugliggen, tot in verbazingwekkende bijzonderheden en in nauwkeurige volgorde in hun spel kunnen herhalen. Zij hebben nu ook even oude speelkameraadjes nodig, waarmee ze plannen kunnen smeden en verwerpen en die handig en met plezier ideeën om te spelen helpen verwerkelijken. Ook nu echter hebben de kinderen absoluut geen meer geperfectioneerd of geen gecompliceerder speelgoed nodig. De fantasie, die tevoren op zo’n gevarieerde manier aan de gang werd gezet, gaat nu een verbond aan met de op een doel gerichte wil en schept zelf de dingen, die voor het spel nodig zijn. De handen zijn nu ook voldoende bedreven, dat er allerlei wat nodig is, zelf gemaakt kan worden. Voor een ‘schilder’ is het bijv. niet moeilijk om van een stok met een lap eraan, een ‘penseel’ te maken; een ‘tandarts’ maakt zelf de verstelbare ‘stoel’ voor de ‘patiënt’ en alle nodige ‘instrumenten’; een ‘kraandrijver’ maakt zelf alles wat hij voor zijn bedrijf nodig heeft van tafels, stoelen en touwen. En de poppenmoedertjes naaien en borduren de mooiste kleren voor de lappenpoppen die nog steeds dezelfde zijn als vroeger.

Door zo’n schaars aanbod van speelgoed wordt er van de kinderen vanzelfsprekend allerlei inspanning verlangd. Maar daarop komt het nu juist aan. Die inspanning verrijkt het kind innerlijk; zij geeft aan het spel een onuitputtelijke overvloed. Alle beweeglijkheid, handigheid en menigvuldigheid van de geactiveerde fantasie gaat hand in hand met de opbouw van het lichaam. Dit wordt het gedifferentieerde omhulsel waardoor de individualiteit zich in dit leven kan openbaren en in dienst van de wereld kan stellen.
.
Spel: alle artikelen

Nabootsingartikelen

Kleuters en peuters: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: peuter- kleuterklassen

*)  Freya Jaffke: verschillende*    boeken

.

*

2734-2563

.

.

.

.

..

.

VRIJESCHOOL – Leven en bewegen

.
Dr. med. Hartmut Fischer, orthopedisch chirurg, Weledaberichten nr.109, sept.1976
.

LEVEN EN BEWEGING

.

Horen deze begrippen bij elkaar? Beweegt zich, wat leeft, leeft wat zich beweegt? Kan leven de beweging, de beweging het leven beïnvloeden? Zowel in goede, als in kwade zin? Misschien therapeutisch werkend? Laten wij deze vragen nagaan aan de hand van de elementen.

Wat betreft vuur, licht en warmte: kunt u zich een van deze voorstellen zonder beweging, geheel in rust? Nee. En men kan dus ook zeggen: een bepaalde soort beweging is licht, is warmte, maar is dat ook leven?

De lucht, de wind: hoe sterker hun beweging, des te meer worden we ons ervan bewust. Volkomen rust is onvoorstelbaar. Ook hier dezelfde vraag: is dat leven? Het water: daarbij zien we bij voorkeur een levende bergbeek. Maar ook is er het meer, stil, zonder enige beweging op een warme zomeravond. Hoe verder we afdalen in het rijk der elementen, des te meer neemt de beweging af en worden tekenen van rust herkenbaar. Maar hoe staat het met het leven van water? Dan kunnen we denken aan de druppelproef, waarmee het leven van water zichtbaar gemaakt kan worden en ook hoe dit leven van het water op z’n weg door zuiveringsinstallaties, machines, buizen, keukens verstoord wordt. Maar dan het verbazingwekkende: het kan weer levend gemaakt worden en wel door ritmische beweging*.
Kijken wij nu naar de aarde, het mineraalrijk, dat het oudste natuurrijk is, dan stellen we voornamelijk rust vast. Maar er is beweging. Want kristallen ‘groeien’ evenals edelstenen en ertsen.

Enkelen van u zullen onder het lezen op de gedachte gekomen zijn dat er op de wereld helemaal geen rust is, slechts beweging. Men behoeft maar aan het allerkleinste te denken: de beweging van de moleculen en van de atomen. Daar is rust noch stilstand. En van dit allerkleinste kunnen we onze blik richten op het allergrootste: het firmament. Hoe lijken deze extremen op elkaar! Een ononderbroken harmonie!

We zijn de ladder van de vier elementen afgedaald en we gaan nu langs de ladder van de vier natuurrijken omhoog. Dan zien wij de beweging van de planten, het kiemen en groeien, het zich naar de zon draaien. Wij kunnen erover nadenken, hoe deze bewegingen met het leven samenhangen, hoe zij het leven mogelijk maken en er toch ook van afhangen.

Nu de beweging en het leven in het dierenrijk. De beweging van de dieren is anders dan die van de planten. Zeker er zijn bewegingen bij de dieren, die met die van de planten te vergelijken zijn. Maar laten we dit dan nauwkeurig nagaan. Wie huisdieren heeft, een hond bijv., weet direct, dat in de bewegingen van het dier stemmingen tot uitdrukking komen: gevoelens van angst, vreugde, honger, agressie, iedere diersoort heeft zijn eigen bewegingen. Een giraffe, tijger, muis of lijster, elk heeft de typische beweging van zijn groep en daar deze bewegingen uitdrukking zijn van de ziel, komt men tot de slotsom: wanneer er een speciale beweging is voor elke diersoort, dan zal er ook voor elke diersoort een specifiek zielenleven zijn. Rudolf Steiner spreekt van de groepsziel, die elke diersoort heeft.

Laten wij nu onze aandacht richten op de mens. Bij de plant vonden wij beweging, die bij het leven hoort en wij stelden vast, dat leven en beweging bij elkaar horen. Wij stelden dit ook bij de dieren vast, doch daarnaast de door de ziel bestuurde bewegingen, zoals die bij elke groep horen. Zowel de beweging van de planten als die van de dieren, vinden we ook bij de mens. Nu is echter in de mens de geest werkzaam, de individuele persoonlijkheid, het-ik. Logischerwijs zouden we ook het werken van dit ik in de beweging van de mens moeten vinden. En dat doen wij ook: wij horen immers aan de loop, wie er aankomt. Is niet alleen de mens in staat een schilderij te vervaardigen en wel in een geheel eigen stijl? Vele van dergelijke voorbeelden zijn er. Om in al die bewegingen een zekere rangorde te herkennen zou niet eenvoudig zijn. Eigenlijk werkt alles in elkaar, de hartslag, de adem, zelfs de darmbewegingen zijn afhankelijk van vreugde, angst, kortom, van de psychische gesteldheid. Mimiek, gebaren, bewegingen van de handen, zij worden alle gemeenschappelijk gestuurd. Zelfs het fysieke speelt daarin een rol. Zo valt bijv., wanneer een been beschadigd is, het hinken op.

Hiermee hebben wij tot dusver vier ‘wezensdelen’ van de mens herkend, die zich in onze bewegingen doen gelden:

1. het ik, als hoogste instantie, komt alleen bij de mens voor.

2. het bezielde, dat, tot op bepaalde hoogte ook bij de diergroepen behoort (wie zich hiermee reeds intensiever bezig heeft gehouden, kent de benamingen ‘gewaarwordingslichaam’ en ‘gewaarwordingsziel’ bij mens en dier)

3. het elementair – levende van het ‘levenskrachten-lichaam’, ook ether-lichaam’ genoemd zoals mens, dier en plant bezitten en

4. het fysieke, dat alle vier natuurrijken gemeen hebben.
Zie Algemene menskunde 

Zij maken de menselijke bewegingen mogelijk, bij de gezonde mens in een harmonisch samenspel. Ziekelijke veranderingen in de beweging geven de arts uitsluitsel over de aard van de daarachter staande storing van de aparte wezensdelen. Het waarnemen van een beweging wordt dan een belangrijk hulpmiddel bij de diagnose.

Nu doet zich de gedachte voor, dat het mogelijk zou moeten zijn, omgekeerd, door therapeutisch inwerken op de bewegingen, de storingen, die door ziekten zijn ontstaan, te behandelen. Men kan daarbij denken aan de weldadige werking van een wandeling na de maaltijd, de betekenis van sport en het moderne ‘trimmen’ als hygiëne bedoeld in de ruimste zin van het woord. Een verdere stap voert er nu toe, de meest volmaakte bewegingen, de ritmische en harmonische, als bijzonder heilzaam te beschouwen. Wij zagen dat het weer levend maken van water mogelijk is door ritmische bewegingen. Op dit beginsel berust ook het potentiëringsproces bij de vervaardiging van geneesmiddelen: een trapsgewijs opgevoerd ritmisch schudden of fijnwrijven van een geneeskrachtige stof in een hulpstof, waardoor werkingen worden bereikt, die bij de zieke mens steeds weer ervaren kunnen worden.

Zo zou voor het menselijk lichaam ritmische massage nodig zijn, zoals door Rudolf Steiner aangegeven en door de artsen dr. Ita Wegman en dr. Margarethe Hauschka verder ontwikkeld. De masseur werkt door ritmische bewegingen in op het gestoorde organisme. Hierbij kan worden vastgesteld, hoe een opvoeren van deze bewegingen tot in het volmaakte, kan leiden tot buitengewone resultaten.

Een verdere vorm van therapie, die eveneens door ritmische bewegingen genezend werkt is de heileuritmie. Ook deze werd door Rudolf Steiner voor de antroposofische geneeskunde aangegeven. In tegenstelling tot de ritmische massage is de patiënt hier zelf actief bezig, zij het geleid door de heileuritmist.

De heileuritmie, als bewegingstherapie, wordt toegepast bij ziekten van de inwendige organen, van het bewegingsapparaat, van ogen en oren, verder bij kinderen, die in hun ontwikkeling zijn achtergebleven, bij spraakgebreken, slapeloosheid, verder profylactisch en gedurende reconvalescentie. De heileuritmie is voor de daarmee vertrouwde artsen een wezenlijke verrijking van de therapeutische mogelijkheden. De heileuritmie wordt toegepast in scholen, die volgens de pedagogische aanwijzingen van Rudolf Steiner werken, in klinieken, ziekenhuizen en sanatoria, als aanvulling van de antroposofische geneeskunde.

In vele plaatsen werken heileuritmisten in samenwerking met artsen.

In verschillende landen zijn instituten, waar heileuritmisten worden opgeleid.

*Bewegungsformen des Wassers.
Nachweis feiner Qualitätsunterschiede mit Tropfenbildmethode
Verlag Freis Geistesleben Stuttgart 1967

.

Menskunde en pedagogie: alle artikelen – nr. 19 over bewegen

Ritme: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2730-2559

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Zintuigen – tastzin (2-5/1)

.

Dr. H. B. von Laue, Weledaberichten nr. 97 juni 1973
.

BOUW EN FUNcTIE VAN DE HUID
.

Wanneer we de embryologische ontwikkeling van de opperhuid (epidermis) bekijken, dan zien we dat in de vierde week van de ontwikkeling van de menselijke kiem de belangrijkste inwendige ruimten van het lichaam zich gevormd hebben. Dan begint de ontwikkeling van de huid (epidermis). Deze epidermis, die oorspronkelijk slechts uit één laag cellen bestaat, verdikt zich, waarbij de buitenste laag snel hoornachtig wordt. Deze eerste hoornvorming (peridermis) is zo intensief, dat de zich ontwikkelende haren er niet doorheen kunnen groeien. Als deze verharding niet reeds in de 7e week werd overwonnen en de peridermis in het vruchtwater afgestoten, dan zou de kiem zich niet verder kunnen ontwikkelen. De onder deze hoornachtige laag liggende kiemlaag van de huid blijft als aanleg voor de verdere ontwikkeling behouden.

Aan het begin van de huidvorming staat dus een teveel aan verharding dat overwonnen moet worden. Het tegenovergestelde beeld vertoont zich aan het eind van de ontwikkeling in het moederlichaam. Het organisme scheidt nu vloeibaar-weke substantie af en vertoont de neiging om week te worden en uit te vloeien. Aan het begin van de ontwikkeling van het lichaam staat dus duidelijk een verhoorning van de huid, een vast worden; aan het eind ervan de neiging weker te worden.

Na de genoemde tijdelijke verharding begint de blijvende vorm van de hoornlaag van de opperhuid pas in de 4e-5e maand van de embryonale ontwikkeling. Deze begint aan de handpalmen en aan de voetzolen en breidt zich van hier over het gehele organisme uit. Al spoedig vertoont zich de vorming van blijvende lagen. Aan de oppervlakte schilferen voortdurend fijne hoornachtige schubjes af. Het zijn cellen die in de daaronder liggende kiemlaag gevormd worden, dan hoornachtig en naar de oppervlakte geschoven worden.

Deze opbouw in twee lagen duidt op dezelfde wetmatigheid. De hoornhuid van de oppervlakte is hard, vast en bijna levenloos. Bovendien is hij tamelijk ongevoelig voor beschadigingen van buitenaf. Bij de kiemlaag is dit heel anders. De afzonderlijke cellen vertonen alle kenmerken van een sterke levensvatbaarheid. Het feit dat vele huidwonden genezen zonder grote littekens is een uitdrukking van dit plastisch-levendige gebied. De nagels en haren zijn gespecialiseerde organen uit de hoornlaag; de verharding vertoont zich hier intensiever. De huidklieren daarentegen moeten beschouwd worden als metamorfosen van de kiemlaag.

De opbouw van de opperhuid, die overal plaatsvindt, wordt door het organisme gespecialiseerd aan de handpalmen en aan de voetzolen. Daar wordt de vorming van de hoornhuid eerst recht duidelijk bemerkbaar. Dikke, ongevoelige eeltlagen maken de neiging tot verharding zichtbaar. Alleen op die plaatsen van het lichaam vormen zich lagen tussen het gebied van de groei en van de verhoorning. Hier alleen vormen zich de lagen, die het mogelijk maken dat de handen kunnen worden gebruikt om te werken en de voeten om te lopen. De huid zou zich in blaren oplossen en ontsteken wanneer niet de verdikkingen en de lijnen in de handen en voetzolen gevormd waren. Het patroon van de lijnen in de handen is individueel. Handen en voeten zijn de plaatsen aan ons lichaam waarmee we onze omgeving veranderen en sporen en persoonlijke afdrukken achterlaten. Hier overweegt de verharding van de opperhuid. Het vormende principe dat zich in de nagels en de haren volledig toont, komt hier voor het eerst tot uitdrukking.

De tegengestelde ontwikkeling aan de oppervlakte van het lichaam komt eveneens tot uiting; de huid wordt omgevormd tot slijmvlies. Vervolgt men deze ontwikkeling dan zou men komen tot de kleine en de grotere klieren die zich in de huid ontwikkelen. Aan de lippen is die verandering van buitenkant-huid via het rood van de lippen tot slijmvlies vooral heel duidelijk. Dezelfde wetmatigheid vertoont zich ook aan de neus en in het gebied van de genitaliën en de anus. De oppervlakte wordt daar teer en gemakkelijk kwetsbaar. Uitscheiding uit de klieren moet deze ‘inwendige oppervlakten’ vochtig houden, anders ontstaat er ziekte. Het eelt, de harde huid en de verhoorning van de opperhuid ontbreken. We hebben dus gespecialiseerde plekken van de oppervlakte van het lichaam bekeken, die tegengestelde tendenties laten zien. Hierdoor komen een paar eigenaardigheden van deze plaatsen aan het licht en deze laten hun ordening in het gehele organisme duidelijk zien: de totale huid heeft een bijzondere relatie tot het licht die zich toont in de pigmentering, de huidkleur. Alleen aan de slijmvliezen en aan de handpalmen en de voetzolen, de plaatsen waar het lichaam zich in het werken met de wereld verbindt, vertoont zich bij alle rassen het bij de mens behorende inkarnaat. Alleen hier is de oppervlakte van het menselijke lichaam werkelijk onbehaard, naakt.

Om de functies die door het organisme in de huid tot uitdrukking gebracht worden te leren kennen, willen we om te beginnen deze speciale plaatsen van het organisme bekijken, om de huid beter te leren begrijpen.

We willen eerst ons bezig houden met die plaatsen waar een sterkere verhoorning aan de handpalmen en voetzolen optreedt. Ons lichaam beschermt zich nergens anders door een zo dikke laag. Hoe sterker de mens, die met zijn handen werkt in de wereld ingrijpt, des te dikker wordt deze hoornvorming. Zodra de handen niet genoeg gebruikt worden om te werken, verdwijnen de eeltlagen, de grens wordt weer dunner. Ook de voetzolen worden leerachtig en hard wanneer de mens veel loopt en sporen in de wereld achterlaat. Verandering en omvorming van de omgevende wereld door middel van de handen en de voeten en de begrenzing van het eigen lichaam, horen op die manier bij elkaar. Hier blijkt hoe het lichaam zich verandert, wanneer de mens door middel van zijn wil, zijn handelen, met de wereld in verbinding treedt. Maar ook voor ons bewustzijn zijn deze plaatsen van het lichaam kenmerkend: nergens kunnen wij zo fijn aanvoelen, nergens zo gedifferentieerd vorm en oppervlakte van de dingen tastend onderkennen, dan aan de vingertoppen. Voor dit contact met de hem omgevende wereld is de mens hier open — terwijl hij aan de kant van het handelen reageert met hoornvorming en afsluiting. Begrenzen en openen van deze gebieden van het lichaam hebben dus een affiniteit tot het willen en waarnemen op het gebied van de ziel.

Ook de slijmvliezen vertonen bijzonderheden: bij het uitscheiden van vloeistoffen en zouten stelt het lichaam zijn grenzen, beschut zich door de afgescheiden substanties. Dat is vooral duidelijk zichtbaar bij de vorming van het speeksel en de tranen, maar het geldt voor ieder slijmvlies dat bedekt is door een vloeibare laag. Uitscheidingen vormen een grens tegenover de substanties van de omgeving en beschermen het daaronder liggende gevoelige slijmvlies. Maar deze afsluiting is ook slechts de ene kant van de hier besproken mogelijkheden. Dezelfde slijmvliezen kunnen ook stoffen, vloeistoffen en zouten in het organisme opnemen. Wanneer medicijnen in de vorm van zetpillen of onder de tong gegeven worden, dan wordt dit vermogen van het organisme benut. Diezelfde medicijnen behoeven niet te werken wanneer ze ingeslikt en via de stofwisseling opgenomen worden. Het organisme laat hier zien hoe het substanties kan grijpen en metamorfoseren, d.w.z. opnemen in zijn functies. Het menselijke lichaam vertoont ook hier weer twee vermogens; het sluit zich af voor vreemde substanties en opent er zich tegelijkertijd voor en neemt ze op. Openheid en begrenzing tegenover de omgevende wereld wordt op die manier steeds in het lichaam tot stand gebracht; aan de slijmvliezen voor substanties, aan die delen van de huid waarmee de mens in contact komt met zijn omgeving voor de vermogens van waarnemen en handelen.

Al deze vermogens zijn in de huid aanwezig. In de begrenzing en waarneming  kan zij zo reageren als handpalmen en voetzolen, maar ze kan zich ook bij het resorberen en uitscheiden gedragen als een slijmvlies. In deze zo zeer verschillende vermogens neemt de huid een bemiddelende plaats in. Het vormende principe wordt aan de handpalmen en voetzolen gemetamorfoseerd tot een zekere graad van vastheid; in de slijmvliezen, die met de epidermis verwant zijn, komt ze tot een zekere oplossing. Door baden, omslagen, door pasta’s, zalven en oliën kan voor het organisme een genezende werking opgewekt worden, De verschillende vermogens van ons organisme om via de huid met de wereld in contact te komen worden daarbij geactiveerd. De kennis van de vormende tendenties van de huid en de met haar verwante organen is een hulp voor de apotheker en de arts om medicijnen en cosmetica op de juiste manier te vervaardigen en toe te passen.

Tastzin en huidzintuigen onder nr. 2

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2720-2550

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-1-2)

.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE – GA 293

Blz. 17 vert. 17

Een taak, niet van het intellect en het gemoed, maar moreel en geestelijk

Wanneer Steiner over ‘de wil‘ spreekt, volgt de zevenledige indeling: Instinct drift begeerte motief wens voornemen besluit

Hier gaat het om de relatie Ik – motief. We kunnen constateren dat er bij groepen mensen over vrijwel de hele wereld een ‘golf van bewustzijn’ gaat. Steeds meer lijken die mensen zich bewust te worden van wat er in de wereld gebeurt en vaak, dat dit niet zou moeten gebeuren. Je kan eruit aflezen dat deze mensen zich steeds meer bewust worden van hun Ik. Ze hebben sterke motieven, bijv. om elkaar als gelijkwaardig te beschouwen; elkaar te respecteren naar wie we zijn. Ze verzetten zich tegen uitbuiting, komen op voor de natuur en het klimaat, enz. enz. Maar het feit dat ze daarvoor opkomen, is tegelijkertijd het feit dat ‘anderen’ dit niet doen. Telkens komen we weer tegen dat de ene mens de ander uitbuit; de ene groep de andere naar het leven staat enz. Er zijn zeker veel meer oorzaken aan te wijzen, maar vanuit de optiek ‘Ik – motief’ tegen de achtergrond van Steiners indeling van de wil, zie je dat veel van wat een negatieve werking heeft, voortkomt uit het Ik dat met zijn motieven blijft steken in de ‘lagere’ kant van de wil. Laten we het samenvatten onder ‘egoïsme’. Hier gaf ik een willekeurige opsomming van een aantal mediaberichten die daarna nog met vele hadden kunnen worden aangevuld, helaas. Het materialisme dat veel goeds heeft gebracht, heeft tegelijkertijd ook de opvatting dat ‘alles stof’, dus alles vergankelijk is, in het denken van velen tot gevolg gehad. ‘Dat je maar één keer leeft’, dus dat je moet pakken wat je pakken kan. En de mentaliteit ‘als ik het niet doe, doet hij het wel’. Dat alles houdt het egoïsme in stand en cultiveert het.  Steiner merkte het in 1907 al op en dat is nu nog even actueel:

Die Menschenwohlfahrt ist um so größer, je geringer der Egoismus ist.

De welvaart van de mensen is des te groter, naarmate het egoïsme kleiner is.
GA 34/214
Vertaald in een bewerkt en gedeeltelijk vertaald artikel.

.

Chr. Lindenberg, Weledaberichten nr. 91, december 1971
.

OORSPRONG EN UITWERKING VAN HET MATERIALISME

.

De geestelijke oorzaak van het probleem van de milieuverontreiniging

.

Dood en vergankelijkheid werden nooit drastischer voor het oog en het gemoed van de mensen geplaatst dan in het begin van de nieuwe tijd, dus ongeveer ten tijde van de grote ontdekkingen. Als een machtig beeld van de dood verscheen de man met de zeis voor de mens in Italië, Duitsland, Frankrijk en Engeland: de houtsnijders toonden de gekruisigde niet meer als de God, die de dood overwonnen heeft, maar als de Man van Smarten, die zich kromt in zijn pijn. Schilders schiepen in kolossale wandschilderingen op kerkhoven de „triomf van de dood” voor de ogen van de treurenden: in de gestalte van een vliegende godengestalte verschijnt de dood met de zeis. Onverbiddelijk vernietigt hij het leven van de mensen. De predikers vermanen de gelovigen steeds weer: elke keer wanneer men zich te bed legt, moet men eraan denken, dat spoedig ook het menselijk lichaam zo in het graf gelegd zal worden! Van York in Engeland tot naar Salzburg wordt steeds weer het spel van „Jedermann”, die moet sterven, opgevoerd. Gedenk de dood, roept het tot de toeschouwers. Ook de houtsnijders kozen „de dood” tot onderwerp. In 1485 verscheen de eerste uitgave van de dodendans, „Danse macabre”, op de pers van de Parijse drukker Guyot. Het werd zo’n succes, dat spoedig ook Holbein, Dürer en vele anderen series van dodendansen en daarmee verwante motieven sneden. De op duizendvoudige wijze uitgebeelde dood werd als een verval, als vergankelijkheid en ontbinding gezien, gelijkend op „Frau Welt”, die van buiten schoon, van binnen echter vol walgingwekkend gedierte is. Johan Huizinga, de Nederlandse historicus, zegt daarom terecht: zonder twijfel leeft in dit alles de geest van een ontzaglijk groot materialisme. Men nam immers aan, dat waar het einde van het materiële leven eindigt zich een geweldige afgrond opent. Het gevoel dat de natuur en het menselijk lichaam vergankelijk zijn, maakte zo’n diepe indruk op de mensen, omdat zij niets anders meer hadden om zich innerlijk aan vast te klampen. (Alle pogingen om dit nieuwe levens- en lichaamsgevoel te verklaren zijn tot dusver mislukt. Niet de pestepidemieën zijn er de oorzaak van; het treedt reeds vroeger op en valt alleen te begrijpen uit een verandering in de wezensstructuur van de mens). Een paar eeuwen tevoren nog had men de wereld en het mensenlichaam heel anders beleefd: de wereld was de openbaring van God, de tekenen aan de hemel evenals de wonderbaarlijke vormen op de aarde waren gebaren van God, die men moest trachten te lezen en het menselijk lichaam zelf was geschapen naar Gods beeld. De schepselen waren aldus in een grote broederschap met elkaar verbonden. In het beleven van de dood komt nu een diepgaande verandering van de mentaliteit en de manier waarop de mens de wereld ervaart tot uitdrukking. De natuur wordt niet meer beleefd als een sprekend en broederlijk element dat tegenover de mens staat, maar als een dode en vergankelijke wereld, die men nog het beste als een soort van reiziger kan bezichtigen. De blik die nu op de sterren gericht wordt, ziet daarin niet meer tekens van een goddelijke wil, maar hemellichamen van materiële aard, die zich volgens de wetten van de zwaartekracht langs elliptische banen bewegen. Ook de mens is alleen lichaam. Men gaat sectie plegen op het lichaam om het te leren kennen, want men heeft het onmiddellijke levensgevoel verloren, waardoor men vroeger het lichaam zag als een levend lid van de natuur. Men beleeft het lichaam als een zware zak, die men door dit aardse tranendal moet slepen. In „Faust” heeft Goethe een mens beschreven, die in zijn ziel nog een naklank van de oude verhouding tot de natuur bewaard heeft en die daardoor beseft, dat hij door de intellectuele wetenschap van zijn tijd niet meer de „Wirkenskräfte und Samen” kan beleven, die hij eigenlijk moet zoeken. Hoewel men de nieuwe tijd als een Faustisch tijdperk beschreven heeft, is de Europese mensheid toch niet de weg van Faust gegaan, die tot een intuïtief doorschouwen van de broederlijke natuur leidt. Tot in deze eeuw toe zag men in Amerika de natuur als vijand, die men moest bedwingen. Dat is niet in tegenspraak met het feit, dat de romantici haar vol gloed beschreven en haar als een spiegel van hun gevoelens gebruikten. Niet deze gevoelvolle romantici, maar de wetenschapsmensen en de technici hebben hun stempel op onze tijd gedrukt. De verhouding tot de natuur, die zich aankondigt door en in het beeld van de dood dat aan het begin staat van de nieuwe tijd, is de grondslag voor de moderne wetenschap en techniek. Pas op het moment, dat de natuur niet meer op levende wijze en als een openbaring Gods wordt beleefd, krijgt men die nuchtere koele houding, waarin men sectie op lijken verricht en met de natuur begint te experimenteren. Men kan daarin ook de afspiegeling van de vrijheid zien, die het kenmerk is van de moderne mens. Men zou zelfs kunnen zeggen: hoe vrijer de mens is komen te staan van de oude sociale bindingen en van het beleven van een volkomen levende natuur, des te meer is hij geïsoleerd en lukt het hem afstand daartegenover te bewaren. Deze eenzame mens zoekt nu wederom een weg naar de wereld terug. Maar hij wil niet meer alleen in de natuur onderduiken; hij wil haar in vrijheid begrijpen en hanteren. Een brug, die hij bouwt om vanuit de eenzaamheid van de vrijheid weer tot de natuur te komen — en zoals we moeten toegeven, ook tot zijn medemensen — is het experiment. Het experiment geeft de situatie van de experimentator weer. Op dezelfde wijze als deze geïsoleerd is, moet ook het voorwerp waarmee geëxperimenteerd wordt, uit de natuurlijke omgeving gehaald en tegen alle oncontroleerbare invloeden afgeschermd worden. Wanneer men werkelijk alleen de eigenschappen van goud wil leren kennen, moet men dit chemisch zuiver maken; wanneer men de invloed van een chemische substantie op een plant wil onderzoeken, dan moet men haar uit de moederlijke bodem losmaken en haar voeden met een oplossing, die uit diezelfde chemicaliën is samengesteld — het is echter nog niet mogelijk het water en zijn invloed uit te schakelen. Voor andere experimenten moet men schokvrije ruimten met een voortdurende gelijkblijvende temperatuur en vochtigheidsgraad inrichten. Maar men wil niet alleen invloeden van de natuur uit het experiment weren, ook de subjectieve houding van wie experimenteert moet worden uitgeschakeld! Gevoelens en stemmingen mogen evenmin het resultaat van onderzoek beïnvloeden als eigen meningen. Daarom voerde men het tellen, meten en wegen bij het bestuderen van de natuur in, want maat, getal en gewicht ziet men als objectieve eigenschappen van de dingen. Maar een verhouding tot de natuur, die beheerst wordt door meten, tellen en wegen, is eigenlijk een tasten in het duister. Niet het lichtende van de kleuren, de volheid van de toon zijn daarbij van belang. De kleuren verdwijnen bij zo’n behandeling in de nacht van de trillingen, de toon wordt een gemeten golflengte en verstomt als toon. Een moderne filosoof formuleerde dit daarom als volgt: „Zoals bij de waren alleen de prijs belangrijk is, zo is aan de natuur slechts de kwantitatieve berekenbaarheid, niet de kwalitatieve inhoud, van betekenis.” Dat men zich alleen voor het kwantitatief berekenbare interesseert, is geen toeval. Want het berekenbare is juist dat, waarop men vat heeft, wat men besturen, beheersen kan. Hier kan „der Wille zur Macht” ingrijpen. Het experiment als greep op de natuur betekent de wil om de natuur te onderwerpen, de wil om haar uit te buiten. De moderne natuurwetenschap is geenszins wat ze voorgeeft te zijn: objectief, ongeïnteresseerd onderzoek, dat slechts weten wil, hoe het is. Het grootste deel van het natuurwetenschappelijk onderzoek staat in dienst van de techniek en deze staat weer in dienst van de industrie en het bedrijfsleven. Zij willen weten hoe men sneller en goedkoper kan produceren. Ze vragen niet naar „het wezen” van het water, van de aarde, van het erts. Ze willen alleen maar weten, hoe men deze en andere dingen kan toepassen. Toepassen, d.w.z. het zo passen en draaien, dat er iets uit te voorschijn komt. Deze soort van omgang met de natuur berust nu juist op de voorwaarde, dat die natuur vooral geen eigen wezen heeft, dat ze dood is, dat ze alleen maar materieel is. Aan de ene kant spruit dus de moderne techniek voort uit het beleven van de vergankelijkheid en de sterfelijkheid van alle dingen, dat de nieuwe stijl inluidde, anderzijds ligt in de opvatting, dat alles alleen maar materieel is, de rechtvaardiging voor het technische handelen. Het materialisme is de ideologie voor de rechtvaardiging van de techniek en de industrie, die haar de richting wijst. Dat wil dus zeggen, dat het materialisme zeker niet slechts een theorie is. Het materialisme is in onze wereld tot praktijk geworden. Het materialistische denken bepaalt het handelen en geeft daaraan een eigen structuur. Laten we dit nog eens verduidelijken aan het experiment. Elk experiment is een vraag aan de wereld. „Kan men uit de stikstof in de lucht met behulp van andere stoffen stikstofzouten (nitraten) winnen?” In deze vraag is een gedachte verborgen, ja zelfs een hele wereldbeschouwing. Deze gedachten bepalen het experimenteren; later vormen ze de machines en fabrieken, die gebouwd worden. Evenals het experiment geïsoleerd wordt van de omgevende wereld en zodoende plaatsvindt zonder rekening te houden met die wereld, moet ook de technische productie van de omgevende wereld geïsoleerd worden. Ingesloten tussen fabrieksmuren of in grote hallen „loopt” de technische productie. Wat deze fabriek voor de haar omgevende wereld betekent, is van weinig belang. Vooreerst zijn er de afvalgassen en het afvalwater, waarvan men het afvoeren overlaat aan de wind en aan de rivieren. Daarover is veel geschreven. Maar van even groot belang is, dat het leven van de mens veranderd wordt. In vroegere tijden was het huis dat men bewoonde, tegelijkertijd werkplaats. Op het moment echter, dat de vader het huis uit ging om in de fabriek onder vreemde leiding te werken, op het ogenblik waarop de vader niet meer thuis de producten fabriceerde, maar alleen geld naar huis bracht, werd het leven abstract. De belangstelling richtte zich nu niet meer op het concrete werk, maar op de abstractie geld. Het sociale leven als totaliteit is versplinterd en opgesplitst: hier de fabriek en het werk, daar de woning waarin men slaapt en het verdiende geld consumeert. De blik op het volle leven met al zijn gevolgen is op die manier voor de moderne mens onmogelijk geworden en veel wordt zelfs angstvallig verborgen: ouderdom, ziekte, ellende en dood. Door deze materialistische verbrokkeling van het hele leven in afzonderlijke „atomen” wordt de poort opengezet voor de geest van het illusionisme. Het is geen wonder, dat in een dergelijke geatomiseerde sociale wereld, die de pendant is van het zielenisolement van de mensen en de materialistische manier van denken, in een wereld ook, waarin niemand het totaal ziet, catastrofes uitbreken zoals die dan ook in het probleem van de milieuverontreiniging zichtbaar zijn geworden. In de verbrokkeling van al het leven, die aan het begin van de nieuwe tijd als doodsengel werd beleefd, toont het materialisme zijn oorsprong en zijn eigenlijke gezicht. De materialistische houding isoleert de mens van de natuur, van zijn medemensen en ten slotte van zichzelf. Vanuit het isolement heeft de mens de nieuwe tijd getracht, door de aanpak van het experiment weer een houvast en waarheid te veroveren. De op die manier in het experiment beleefde wereld laat hem echter slechts een beeld zien van zijn atomistische denken, dat alleen maar van punt tot punt, van het „ik” naar het ding kon denken. Dit atomistische en eendimensionale denken leidt, omdat het noch het geheel noch het leven begrijpt, tot catastrofes. Pas wanneer het denken over en het beleven van de wereld de blik voor het geheel weer verruimt, wanneer het denken in alle opzichten zorgvuldigheid beoefent, wanneer het zichzelf versterkt opdat niet alleen de dimensie van de kwantiteit, maar de vele dimensies van de kwaliteit zichtbaar en ervaarbaar worden, pas dan wordt het probleem van de milieuverontreiniging bij de wortel aangepakt. . [phaw:] iets soortgelijks kan nu ook gezegd worden over het probleem van de opwarming van de aarde! .

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie

[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen

[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde voordracht 1alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2709-2539

*

.

.

VRIJESCHOOL – Ritme (3-37)

.

Dipl.-lng. Th. Schenk, Weleda Berichten nr.90 september 1971

.

Ritme en leven
.

Alle ritmische processen, zowel op het gebied van de menselijke bezigheden als in de geneesmiddelbereiding of in de verschillende natuurrijken, hebben gemeen, dat ze zich in de tijd ontplooien en de tijdstroom zelfs op een karakteristieke manier vormen. Reeds in oeroude tijden kreeg de mens een verhouding tot het tijdsverloop door de ritmische vorming daarvan in de levende natuur. En daarbij zijn de oerbeelden van de ritmische vorming van de tijd vanuit de kosmos bepaald en getekend: dag en nacht, zomer en winter, warmte en koude, licht en donker, die elkaar in ritmische wisseling aflossen.

Het is geen abstract-schematische indeling die de mens uitvond om zich in de tijdstroom te kunnen oriënteren, maar de gehele natuur, vooral de levende, pulseert mee in talloze ritmen, die tenslotte steeds weer op het kosmische wijzen. Zelfs het schijnbaar zo onregelmatige gebeuren van de weersverhoudingen is doorweven van ritmen, die op een uit- en inademing lijken, bijv. in de dagelijkse dubbele luchtdrukgolf of in de aan de jaargetijden gebonden uitwisselingsprocessen tussen de atmosfeer en de oceanen. Er vindt daarbij een wereldwijde uit- en inademing van koolzuur plaats en daarmee verbonden een ritmische kalkstofwisseling in de loop van het jaar, dat in de oceanen en in alle gezonde wateren waargenomen kan worden.

Wanneer over ritme wordt gesproken, heeft men vaak de voorstelling, dat het een in gelijke tijdsafstanden optredende herhaling van het gelijke is. Maar is daarmee het wezen van het ritmische getroffen? Lijkt er één dag op de andere, of het voorgaande jaar op het lopende? Wanneer ze alle gelijk waren dan zouden we juist niet meer over ritme kunnen spreken, wel echter over takt. Deze hoort veel meer tot de dode wetmatigheid, bijv. de wereld van de mechanismen en machines. Met het ritme komen we juist van het dode en het mechanische weg en in het gebied van het leven.

Waarheen we onze blik in de wereld van het levende richten, valt hij op ritmische processen en weer op zulke die samenvallen met de bewegingen van de sterren, of op de accenten in dag- en jaarverloop. Ritmische processen kunnen, moeten zelfs als een oerfenomeen van het levende beschouwd worden, of het nu gaat om planten, dieren, mensen of om de aarde als een groot organisme. Alle zijn ingebed in een ritmisch proces, dat op de manier van een partituur op elk ogenblik door de kosmos in de natuur geschreven en tegelijk gespeeld wordt.

Wij spraken erover, dat ritme vergeleken met takt een tijdsvorm is die bij het leven hoort en zich onderscheidt van de machinale gelijkmatigheid. Daarin drukt zich tevens een grondeigenschap van het levende als zodanig uit: het werkt en openbaart zich steeds met en in kleine excentriciteiten. De jaarringen van een boom gehoorzamen nooit aan een starre gelijkmatigheid; de hoek-stand van de bladeren bij verschillende plantenfamilies — bijv. 120, 144, 180 graden — zijn wel niet te loochenen, maar ze „kloppen” nooit helemaal precies. Datzelfde geldt voor de ritmen van de inwendige organen, die hunnerzijds weer schommelen om een gemiddelde toestand van het fysiologische proces, bijv. het dagritme met de leverfuncties en galvorming. Deze buitenissigheden zijn dus eigen aan het ritmische en het levende, en daarom ook kan het leven zich in een fijne „vrijheidszone” afspelen en verstart nooit in een machinale takt.

Men spreekt over ritmen van de levende natuur en wordt daarbij steeds weer op kosmische ritmen gewezen. In de kosmos echter vinden we a.h.w. de oerbeelden van die uiterst fijne onregelmatigheden, die hier op aarde aan al het levende eigen is. De verhouding van de getallen van de bewegingen der planeten, zoals deze in de wetten van Kepler zijn uitgedrukt, gaan nooit helemaal op, en hoe exact de astronomie ook rekent, ze beweegt zich toch in een ritmisch bewogen gebied, dat nooit helemaal in het getal te vatten is.

Men bedenke slechts dat de maan vele honderden ritmen in zijn
gecompliceerde beweging bevat, waarin hij zich aan de nauwkeurige berekening onttrekt. Hoezeer hij ook steeds als in innige verbinding met het leven gezien wordt en op welke wijze zijn werkingen in het gebied van de levende processen de laatste tijd met succes worden onderzocht, blijkt uit het werk van A. Fyfe en M. Thun.

Ritme betekent „vloeien” en het water werd dan ook steeds als het beeld van de stroom des tijds beschouwd. Alle leven wordt door ritmen en door het water gedragen. Water is in de natuur het oer-ritmische element, dat alle ritmen van de sterrenruimte aan de levende wereld overbrengt. Het voert zelfs de ritmisch geordende tijd in de ritmisch geordende ruimte over. Ontelbare gestalten in de ruimte ontstaan uit ritmische beweging. Men ziet hoe de reeds genoemde bladaanhechting van de planten als een ritme een spiralende lijn volgt en hoe de ritmisch op het strand lopende golven het zand in ritmische ordening vormen. De ritmische processen gaan tot in de schijnbaar anorganische processen in een ruimtelijke ordening over: bijv. in de ringen van agaat of in vele structuren van kristallen, die ook uit een vloeibaar proces tot een vaste vorm „stollen”. Maar zelfs hier openbaren zich bij een nauwkeurig onderzoek getalverhoudingen, zoals die als muzikale verhoudingen in de kosmische ritmen gevonden worden.

Wij behoeven niet uitvoerig op verdere ritmische tijds- of ruimtevormingen in te gaan, bijv. op de overeenstemming van de ademritmen van de mens met het kosmische ritme van het „platonische zonnejaar”, of op de ritme van het hart. Wij willen ermee volstaan ze te zien in de grote en kleine samenhangen, waarin ze staan.

Vanuit deze achtergrond is het onmiddellijk te begrijpen, dat ritmische processen ook bij de vervaardiging van geneesmiddelen een grote rol spelen. Deze moeten in de levensprocessen van het organisme ingrijpen en het gezonde gemiddelde waar het leven zich omheen beweegt weer herstellen. Wanneer men de ritmische-farmaceutische processen nauwkeuriger bekijkt dan stoot men op het opmerkelijke feit, dat ook zij zich aan de kosmische tijdsritmen onderwerpen die al het levende doorademen en erdoor pulseren.

Juist op het farmaceutische gebied kan een concreet aanknopingspunt gezien worden, ook voor een genezing van de levende omgeving van de mens, voor zover de menselijke activiteit zich harmonisch invoegt in de wereld van de ritmen, waardoor al het levende wordt gedragen.

Wanneer hier over ‘farmacie’ wordt gesproken, wordt bedoeld de door Weleda gebruikte methoden.

 .
2701-2531

.

.

.

.

VRIJESCHOOL Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 304 – voordracht 6

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: vspedagogie  voeg toe apenstaartje gmail punt com
.

RUDOLF STEINER

GA 304

Inhoudsopgave;  voordracht [1]  [2]  [3]  [4]  [5]  [7]  [8]  [9]
Aan het eind van voordracht 6 staat een vragenbeantwoording bij deze voordracht, maar ook een die bij voordracht 1 hoort.
vragenbeantwoording bij de 3e voordracht.

ERZIEHUNGS- UND UNTERRICHTSMETHODEN AUF ANTHROPOSOPHISCHER
GRUNDLAGE

9 openbare voordrachten gehouden tussen 23 februari 1921 en 16 september 1922 in verschillende steden.

OPVOED- EN ONDERWIJSMETHODEN VANUIT DE ANTROPOSOFIE

Blz. 160

Voordracht 6, Oslo 24 november 1921     2e voordracht

ERZIEHUNGS- UND UNTERRICHTSMETHODEN AUF ANTHROPOSOPHISCHER
GRUNDLAGE

Es war gestern mein Bestreben, zu zeigen, wie diejenige pädagogische Anschauung und Praxis, die auf anthroposophischer Grundlage sich bilden kann, durchaus beruht auf intimer Menschenkenntnis, also auch auf intimer Erkenntnis des werdenden Menschen, des Kindes. Ich habe schon versucht zu zeigen, wie der werdende Mensch gewissermaßen als ein Zeitorganismus aufgefaßt werden kann, so daß man immer im Auge haben kann in jedem Lebensjahre des zu unterrichtenden und zu erzie­henden Kindes gegenüber dem ganzen menschlichen Leben, daß man gewissermaßen wie eine Art seelisch-geistigen Keimes dasjenige in das Kind legen kann, was dann Früchte bringen soll für das Glück, für die Sicherheit, für die Praxis des Lebens durch das ganze Erdendasein hindurch.
Wir haben zunächst ins Auge gefaßt dasjenige Lebensalter des Men­schen von der Geburt bis zum Zahnwechsel, in dem der Mensch ganz und gar ein nachahmendes Wesen ist. Man muß sich vorstellen, daß der Mensch in diesem ersten Lebensalter in einer außerordentlich intimen Weise zusammenhängt mit  seiner Umgebung. 

OPVOED- EN ONDERWIJSMETHODEN VANUIT DE ANTROPOSOFIE

Gisteren was het mijn bedoeling aan te tonen hoe het pedagogische idee en de praktijk daarvan die ontwikkeld kunnen worden op grond van de antroposofie,  in eerste instantie berust op een fijnzinnige menskunde, dus ook op een fijnzinnige manier van kennen van de wordende mens, het kind. Ik heb al geprobeerd te laten zien, hoe de wordende mens in een bepaald opzicht als een organisme in de tijd gezien kan worden, zodat je steeds in elk jaar van het leven van het kind dat opgevoed en onderwezen moet worden, wat het hele mensenleven betreft, voor ogen kan houden dat je op een bepaalde manier een soort geest-zielenkiem in het kind kan planten die dan vrucht kan dragen voor het geluk, voor de zekerheid, voor de praktijk van het leven gedurende het hele bestaan op aarde. 
We hebben eerst gekeken naar de leeftijd van de mens vanaf zijn geboorte tot aan de tandenwisseling, waarin de mens helemaal een nabootsend wezen is. Je moet je voorstellen dat de mens in deze leeftijd op een buitengewoon fijnzinnige manier in relatie staat tot zijn omgeving.

So daß gewissermaßen dasjenige, was sich in den äußeren Vorgängen, namentlich aber in alledem, was durch Menschen geschieht, ja sogar was durch Menschen gefühlt und gedacht wird, daß sich das alles in einer gewissen Weise so für das Kind ausnimmt, daß dieses Kind nachahmend hineinwächst in diese Vorgänge seiner Umgebung. Dieses Verhältnis, diese Beziehung des Menschen zu seiner Umwelt, hat eine Art entgegengesetzten Poles in dem, was dann im Verlaufe des menschlichen Lebens zutage tritt in der Geschlechtsreife.
In unserem heutigen mehr oder weniger materialistisch denkenden Zeitalter wird viel über die Geschlechtsreife des Menschen gesprochen. Allein dieses Phänomen wird gewöhnlich als ein vereinzeltes hingestellt, während es für die unbefangene Beobachtung in Wahrheit nur die Folge

Zodanig dat wat er zich uiterlijk afspeelt, met name bij alles wat door mensen gedaan wordt, ja zelfs door wat mensen voelen en denken, dat dat op een bepaalde manier zo voor het kind werkt dat dit kind nabootsend deel wordt van alles wat er in zijn omgeving gebeurt. De verhouding, deze relatie van de mens t.o.v. zijn omgeving heeft een soort tegenpool in wat er dan in de loop van het mensenleven bij de geslachtsrijpheid naar buiten komt.
In onze huidige tijd waarin min of meer materialistisch gedacht wordt, wordt er veel over de geslachtsrijpheid van de mens gesproken. Maar dit verschijnsel wordt gewoonlijk als een op zich staand iets gezien, terwijl het voor de onbevangen blik in waarheid alleen het gevolg 

Blz. 161

einer völligen Metamorphose des ganzen menschlichen Lebens in dem entsprechenden Lebensalter ist. Der Mensch entwickelt in diesem Lebensalter nicht nur die mehr oder weniger seelisch-geistig oder phy­sisch gefärbten erotischen Empfindungen, der Mensch beginnt von diesem Lebensalter an erst sich unmittelbar urteilend, von seiner Persön­lichkeit aus urteilend, sich auslebend in Sympathie und Antipathie, zur Welt sich zu stellen. Der Mensch wird ja erst jetzt im Grunde genommen ganz in die Welt hinausgestellt. Der Mensch wird da erst reif, sich an die Welt so hinzugeben, daß in ihm selbständiges Denken, selbständiges Fühlen, selbständiges Beurteilen der Welt stattfindet.
In der Zeit von dem Zahnwechsel bis zur Geschlechtsreife haben wir das Lebensalter, das hauptsächlich auf das selbstverständliche Autori­tätsgefühl gegenüber dem Lehrenden, dem Erziehenden aufgebaut ist. In diesem wichtigen Lebensalter, das also gewissermaßen zwischen zwei polarischen Gegensätzen liegt, zwischen dem Kindesalter, in dem der Mensch, ganz und gar ohne sich selbst als Subjekt zu fühlen, an die Objektivität hingegeben ist, und zwischen dem Reifealter, in dem der Mensch sich mehr oder weniger scharf mit seiner ganzen Innerlichkeit als Subjekt abhebt von der äußeren Welt durch dasjenige,

is van een totale metamorfose van het hele menselijke leven in de betreffende leeftijdsfase. De mens ontwikkelt in deze leeftijdsfase niet alleen de min of meer gevoels-mentale of lichamelijk getinte erotische ervaringen, maar hij begint vanaf deze leeftijd nu ook direct oordelend, vanuit zijn persoonlijkheid oordelend, wat met sympathie en antipathie naar buiten komt, zich tegenover de wereld op te stellen. De mens wordt nu pas, basaal gesproken, op de wereld gezet. Dan wordt de mens er pas rijp voor zo met de wereld bezig te zijn, dat er in hem een zelfstandig denken over, een zelfstandig voelen, een zelfstandig beoordelen van de wereld plaatsvindt.
Met de tijd van de tandenwisseling tot aan de puberteit hebben we de tijd die voornamelijk op de vanzelfsprekende autoriteit van de leerkracht, de opvoeder, stoelt. In deze belangrijke leeftijd die dus in zekere zin tussen twee polariteiten ligt – tussen de kinderleeftijd waarin de mens helemaal, zonder zichzelf als subject te beleven, zich overgeeft aan de objectiviteit en tussen de leeftijd van het rijp worden, waarin de mens zich meer of minder scherp met heel zijn innerlijke wezen als subject afsnoert van de wereld buiten hem door 

was man in umfassendstem Sinne Sympathie oder Antipathie, kurz, die verschiede­nen Äußerungen, die verschiedenen Offenbarungen der Liebe nennen kann, zwischen diesen beiden Zeitaltern des menschlichen Lebens liegt dasjenige drinnen, was gerade das volksschulpflichtige Alter des Kindes ist. Zwischen diesen zwei Lebensaltern, zwischen diesen zwei Polen haben wir durch die Schulerziehung, durch den Schulunterricht den Ubergang zu schaffen. In beiden Lebensaltern, sowohl im Kindesalter wie im Reifealter, hat der Mensch einen gewissen festen Schwerpunkt seines Lebens, das eine Mal mit der Welt zusammen im Kindesalter, das andere Mal in sich. Das Lebensalter dazwischen, das eigentliche schulpflichtige Alter, ist dasje­nige, wo der Mensch mit seinem Seelenleben, überhaupt eigentlich als ganzes menschliches Wesen in einem mehr labilen Gleichgewichte ist, in einem solchen Gleichgewichte zu dem der Lehrer oder Erzieher eigent­lich hinzugehört.
Im Grunde genommen ist der Lehrer, der Erzieher für das Kind im

wat je in de ruimste zin van het woord sympathie of antipathie, kortom de verschillende manieren van naar buiten komen, verschillende uitingen van liefde kan noemen – tussen deze beide leeftijden ligt de leeftijd waarin het kind leerplichtig is. Tussen deze twee leeftijden, tussen deze twee polen moeten wij door de opvoeding en de lessen op school de overgang bewerkstelligen. In beide leeftijden, zowel in die van het als in die van de puber, is er voor de mens een bepaald vaststaand zwaartepunt in zijn leven, in de ene de wereld samen met het kind, in de andere de wereld in het kind. De leeftijd daartussen, de eigenlijke basisschoolleeftijd, is de leeftijd waarin de mens met zijn gevoelsleven in wezen eigenlijk als totaal menselijk wezen in een meer labiel evenwicht is, in zo’n evenwicht waar de leerkracht of de opvoeder eigenlijk bij hoort.
Uit de aard der zaak is de leerkracht, de opvoeder voor het kind in   

Blz. 162

Volksschulalter die Welt. Dasjenige, was Welt ist, lebt sich nicht durch Willkür dar, sondern einfach durch die naturgemäße Gesetzmäßigkeit der menschlichen Entwickelung, lebt sich durch dasjenige dar, was der Lehrer, was der Erzieher dem Kinde ist. Der Lehrer, der Erzieher, ist für das Kind die Repräsentation der Welt. Und wohl dem Kinde, das, bevor es im Reifezeitalter einzutreten hat mit seinem eigenen Urteil, mit seinem eigenen Wollen, mit seinem eigenen Fühlen zur selbständigen Stellung in die Welt, wohl dem Kinde, das zuvor die Welt vermittelt erhält durch jemanden, in dem sich die Welt in dieser entsprechenden Weise spiegelt!
Das ist tiefempfundenes Erziehungsprinzip derjenigen Pädagogik und Didaktik, welche auf anthroposophischer Grundlage ruhen soll. Mit diesem Erziehungsprinzip sucht man nun in dem Lebensalter der Volks­schule jedes Jahr, ja man möchte sagen, jeden Monat, jede Woche die Entwickelung des Kindes so intim zu durchschauen, daß man Lehrplan und Lehrziele von der menschlichen Wesenheit abliest. Ich möchte sagen : Erkenntnis des Menschen,  wahre, intime Erkenntnis des Men­schen bedeutet zu gleicher Zeit die Möglichkeit, überall zu sagen: Das muß in einem entsprechenden Lebensjahre oder sogar Lebensmonate an das Kind herangebracht werden.

de basisschool de wereld. Wat wereld is, komt niet door willekeur tot uitdrukking, maar simpelweg door de wetmatigheden die van nature de menselijke ontwikkeling bepalen; komt tot uitdrukking door wat de leerkracht, de opvoeder voor het kind is. De leerkracht, de opvoeder is voor het kind de representant van de wereld. En wat fijn voor het kind, als dat, vóór het de puberteit in gaat met zijn eigen oordeel, met zijn eigen wil, zijn eigen gevoel een eigen zelfstandige plek in de wereld moet gaan innemen; wat fijn voor het kind dat daaraan vooraf de wereld aangeboden krijgt door iemand in wie de wereld zich op een doeltreffende manier spiegelt! Dat is een diep gevoeld opvoedingsprincipe van de pedagogie en de didactiek die zijn grondslag moet vinden in de antroposofie. Met dit opvoedingsprincipe wordt nu in elke leeftijd van de basisschool ieder jaar, zelfs iedere maand, iedere week geprobeerd de ontwikkeling van het kind zo fijnzinnig te doorgronden, dat het leerplan en de leerdoelen uit het mensenwezen afgelezen kunnen worden. Menskunde, echte, fijnzinnige menskunde houdt tegelijkertijd de mogelijkheid in voor elk terrein te zeggen: dat moet je in het jaar dat er nu voor in aanmerking komt, of zelfs in die maand, het kind aanleren.

Wenn man bedenkt, daß das Kind bis ungefähr zum siebenten Jahre hin, wo es eigentlich erst in die Volksschule kommen sollte, ein nachah­mendes Wesen war, das durch seinen Willen sich vollständig hineinglie­dern wollte in seine Umgebung, daß zurücktreten mußte selbstverständ­lich alle Intellektualität, die auf der Selbstbetätigung des Seelischen beruht, daß zurücktreten mußte selbst mehr oder weniger das Fühlen, das ja nur als ein Mitfühlen mit der Umgebung zur Geltung kommt, daß alles einen willensartigen Charakter annimmt in einem nachahmenden Wesen, so werden wir begreifen, wieviel von diesem willensarti­gen Charakter als der Grundwesenheit des Kindes uns mitkommt, wenn wir das Kind um die Zeit des Zahnwechsels in die Volksschule be­kommen.
Wir müssen daher vor allen Dingen darauf bedacht sein, den Aus­gangspunkt zu nehmen von Willenserziehung und Willensunterricht. Das gibt dann die Grundlage dafür ab, daß ausgegangen wird vom

Wanneer je in gedachten hebt dat het tot ongeveer zijn zevende jaar waarin het eigenlijk pas naar school zou moeten gaan, een nabootsend wezen was, dat door zijn wil volledig deel wil zijn van zijn omgeving, dat vanzelfsprekend alle intellectualiteit die berust op de zelfwerkzaamheid van de ziel, een stapje terug moet doen, net als min of meer het gevoel dat alleen maar als meevoelen met de omgeving tot realiteit wordt, dat alles in een nabootsend wezen het karakter aanneemt van iets wilsmatig, dan zullen we begrijpen hoeveel we van dit wilsmatige karakter als de grondtrek van kind, meekrijgen, wanneer we het kind rond de tijd van de tandenwisseling op de basisschool krijgen. Vandaar dat we er vooral aan moeten denken als uitgangspunt de wilsopvoeding en het wilsonderwijs te nemen. Daarmee wordt dan de basis gelegd om uit te kunnen gaan van 

Blz. 163

Künstlerischen; daß das Schreiben zunächst nicht so an das Kind heran-gebracht wird, daß das der menschlichen Natur innerhalb unserer heuti­gen Zivilisation im Grunde genommen schon fremde Buchstabenzeich­nen unmittelbar an das Kind herangebracht werde, sondern daß das Kind eingeführt wird in Malerisches und Zeichnerisches, das sich aus­nimmt wie eine Fortsetzung des selbstverständlichen Willens, und dann herausgeholt wird aus dem Malerischen und Zeichnerischen dasjenige, was dann zum Schreiben führen soll.
Man wird dabei sogleich zwei sehr verschiedene Anlagen bei den Kindern bemerken. Diese zwei verschiedenen Anlagen sollten durchaus beobachtet werden. Denn in ihrer Führung kann sich ein Wesentliches kundgeben zum Heil oder auch zum Unheil des Kindes. Man bekommt in bezug auf das Schreiben zweierlei Kinder. Gerade wenn man sie von einer Art von Malen zum Schreiben hinführt, bemerkt man dieses. Die eine Art von Kindern lernt gewissermaßen Schreiben so, daß es beim Malen bleibt, daß auch geschrieben wird, ich möchte sagen, mit dem Auge, daß das Kind jeden Strich beobachtet, den es macht, daß es mit einem gewissen Schönheitsgefühl an der Herstellung des Geschriebenen arbeitet, daß etwas Zeichnerisch-Künstlerisches in die Schrift übergeht.

kunstzinnige; dat het schrijven niet in de eerste plaats zo aan het kind geleerd wordt dat je de voor de menselijke natuur vreemde lettertekens in onze huidige beschaving, al meteen aan het kind aanleert, maar dat met het kind begonnen wordt met schilderen en tekenen, dat een vorm van vanzelfsprekende wil is en dat uit wat geschilderd en getekend is datgene gehaald wordt wat dan tot schrijven moet voeren.
Je moet hierbij meteen bij de kinderen twee heel verschillende vormen van aanleg zien. Deze twee moeten in ieder geval worden gezien. Want uit wat daarbij leidend is, kan iets wezenlijks zichtbaar worden, tot zegen, maar ook tot nadeel van het kind. Wat het schrijven betreft, kom je twee typen kinderen tegen. Met name als je ze van het schilderen naar het schrijven brengt, merk je dat. Het ene type leert het schrijven zo, dat dit nog dicht bij het schilderen staat; dat er ook geschreven wordt met – ik zou willen zeggen – het oog; dat het kind iedere lijn die het zet, bekijkt en met een zeker gevoel voor schoonheid aan het schrijfwerk bezig is; dat er nog iets van de tekenkunstzinnigheid in het schrijven terechtkomt.

Andere Kinder bringen es nur dahin, aus einem organischen Mechanis­mus heraus die Schriftzeichen mit einer gewissen Notwendigkeit aufs Papier zu bringen. Es ist sogar im Schreibunterricht, der oftmals nach wenig pädagogischen Grundsätzen geführt wird – namentlich bei älteren Leuten, wenn sie das noch nötig haben -, es ist beim Schreibunterricht gewöhnlich nur darauf abgesehen, daß der Mensch in dieser mechani­schen, in dieser von innen heraus gehenden notwendigen Weise einfach die Schriftzeichen auf das Papier hinsetzt. Dadurch hat der Mensch ja seine ganz bestimmte Handschrift. So wie der Mensch seine Gesten hat, deren er sich eigentlich ganz unbewußt ist, so hat er auch seine Hand­schrift, der er sich ganz unbewußt bleibt. Ein solcher Mensch hat gewissermaßen kein Echo mehr von seiner Schrift. Er ruht nicht gefällig mit dem Auge auf seiner Schrift; es setzt sich nichts Künstlerisch-Zeichnerisches in die Schrift fort.
Es müßte eigentlich ein jedes Kind dazu geführt werden, dieses Künstlerisch-Zeichnerische noch in die Schrift hineinzuführen; so daß

Andere kinderen brengen het maar, vanuit een organisch automatisme tot het op papier zetten van de lettertekens, omdat het nou eenmaal zo moet. Het is zelfs zo dat in het schrijfonderwijs, dat vaak gegeven wordt zonder pedagogische basis – vooral bij oudere mensen wanneer ze dat nog nodig hebben -er bij het schrijfonderwijs gewoonlijk maar vanaf wordt gezien, dat de mens in deze mechanische, in deze van binnenuit komende noodzakelijke manier simpelweg de schrifttekens op papier zet. Daardoor krijgt de mens zijn heel eigen handschrift. Zoals de mens zijn gebaren heeft waarvan hij zich eigenlijk heel onbewust verlopen, zo heeft hij ook een handschrift dat voor hem heel onbewust verloopt. Zo iemand heeft in zeker zin geen weerklank meer van hoe hij schrijft. Hij laat zijn ogen niet met een milde sympathie op zijn handschrift rusten; in zijn handschrift loopt niets door van een zekere kunstzinnige tekenachtigheid.
Ieder kind zou ertoe gebracht moeten worden dit kunstzinnig tekenen nog in het schrijven te verwerken;

Blz. 164

eigentlich immer das Auge ruht auch auf dem Blatt Papier, das beschrie­ben wird, daß das Auge einen Eindruck bekommt von dem, was geschrieben wird. So daß der Mensch nicht nur aus einer inneren mechanischen Notwendigkeit heraus seine Handschrift schreibt, son­dern daß er auch das Echo seiner eigenen Schrift, seiner eigenen Buchsta­ben, wenn ich so sagen darf, wiederum erlebt. Dadurch – man wird es heute noch als ein Paradoxon auffassen, aber es ist doch so -, dadurch wird in dem Kinde herangebildet in viel größerem Maße eine gewisse Liebe zu seiner Umgebung, eine gewisse Verantwortlichkeit gegenüber der Umgebung. Ein gewisses Achtgeben auf alles dasjenige, was wir sonst tun im Leben, ist eine notwendige Folge dieser Art des Schreiben-lernens, wo nicht nur mit der Hand, sondern auch mit dem Auge schreiben gelernt wird.
Und man sollte gar nicht unterschätzen, wie diese Intimitäten in das gesamte menschliche Leben hineinfließen. Mancher Mensch, der Mangel zeigt im späteren Leben an einem gewissen Verantwortlichkeitsgefühl, ja an einer gewissen liebevollen Hingabe an seine Umgebung, dem hätte geholfen werden können, wenn er in der richtigen Weise hätte Schreiben gelernt.

zo dat eigenlijk steeds het oog op het vel papier rust dat beschreven wordt; dat het oog een indruk krijgt van wat er geschreven wordt.
Ieder kind zou ertoe gebracht moeten worden dit kunstzinnig tekenen nog in het schrijven te verwerken; zo dat eigenlijk steeds het oog op het vel papier rust dat beschreven wordt; dat het oog een indruk krijgt van wat er geschreven wordt. Zodat de mens niet alleen maar uit een innerlijk noodzakelijk automatisme zijn handschrift schrijft, maar dat hij ook de nawerking van zijn eigen schrift, zijn eigen letters, als ik het zo zeggen mag, nog eens beleeft. Daardoor – men zal dit tegenwoordig nog wel paradoxaal opvatten, maar toch is het zo – vormt zich in het kind in een veel grotere mate, een zekere liefde voor zijn omgeving; een bepaalde verantwoordelijkheid tegenover de omgeving. Een bepaalde manier van letten op alles wat we nog meer in het leven doen, is een noodzakelijk gevolg van deze manier van leren schrijven, waarbij niet alleen maar met de hand, maar ook met het oog geleerd wordt te schrijven. Je moet echt niet onderschatten hoe deze verfijndheden in het totale menselijke leven binnenkomen. Sommige mensen die in het latere leven een gebrek aan een zekere verantwoordelijkheid tonen, zelfs aan een zekere liefdevolle benadering van zijn omgeving, zou geholpen zijn geweest, wanneer hij op de juiste manier had leren schrijven.

Man soll während des Erziehens, des Unterrichtens nur ja die Inti­mitäten nicht übersehen. Indem Anthroposophie überall in liebevoller Weise, nicht nur in theoretischer Weise, hineinleuchten möchte in die menschliche Natur, alle einzelnen menschlichen Äußerungen aus dem innersten Seelen- und Geistesgrunde heraus in ihrer Realität erkennen möchte, kommt sie eben darauf, zu den allgemeinen Grundsätzen der Pädagogik und Didaktik diese wirkliche Erziehungspraxis hinzuzufü­gen. Dann, wenn man darauf bedacht ist, den Willen einfließen zu lassen in den Schreibunterricht, dann kann der Schreibunterricht solche Früchte zeitigen, wie ich sie eben gekennzeichnet habe.
Nun geht man dann über zum Lese-Unterricht, der sich schon mehr auf das Gefühl gründet, der eigentlich aus dem Schreiben heraus entwik­kelt werden soll. Das Lesen ist ja mehr eine Anschauung, wenn ich mich etwas äußerlich ausdrücken darf; das Schreiben ist ein Mittun. Ausgehen soll die kindliche Erziehung vom Willenselement, von der Betätigung, nicht bloß vom Beobachten.

Tijdens het opvoeden, het lesgeven moet je natuurlijk niet over de fijnzinnigheden heen kijken. Wanneer antroposofie overal op een liefdevolle manier, niet alleen maar theoretisch, licht wil werpen op de menselijke natuur, al die aparte menselijke uitingen vanuit het diepst van ziel en geest in hun realiteit zou willen erkennen, komt ze ertoe aan de algemene basisregels van pedagogie en didactiek daadwerkelijke opvoedingspraktijk toe te voegen. Wanneer je er rekening mee houdt, de wil bij het schrijfonderwijs te betrekken, kan het schrijfonderwijs die vruchten afwerpen, zoals ik net geschetst heb.
Dan ga je over tot het leesonderwijs dat al meer op het gevoel steunt; dat eigenlijk vanuit het schrijven ontwikkeld zou moeten worden. Lezen is meer een waarnemen, wanneer ik me wat oppervlakkig mag uitdrukken, schrijven meer een meedoen. De opvoeding van het kind moet uitgaan van de wil; van het bezig zijn, niet alleen maar van het waarnemen.   

Blz. 165

Das sind die drei Stufen, die eigentlich überall in der Erziehung, im Unterrichte ungefähr vom siebenten bis vierzehnten Jahre vorhanden sein sollen: erst soll aller Unterricht ausgehen auf Betätigung. Er soll sich allmählich hinüberführen zu dem, was Beobachtung sein kann, und erst in dem letzten Abschnitt dieser Lebensepoche können wir übergehen zu demjenigen, was dann gegen das Experiment, gegen den Versuch hingeht. Ich habe gestern darauf hingewiesen, wie etwa zwischen dem neunten und zehnten Lebensjahre ein wichtiger Punkt in der kindlichen Entwik­kelung liegt, wie da viel darauf ankommt, daß der Lehrende, der Erziehende die innersten Seelenbedürfnisse in diesem Lebensalter bei dem einzelnen Kinde entdecke und sich demgemäß benehme. Aber dieser Zeitpunkt in der kindlichen Entwickelung muß auch noch in anderem Sinne scharf beobachtet werden. Denn eigentlich lernt erst in diesem Zeitpunkte das Kind sich so recht von seiner Umgebung abgliedern, durch Gefühl und Wille abgliedern, durch Urteilen abgliedern. Durch völlig innere Selbständigkeit lernt das Kind sich eigentlich erst von der Umgebung unterscheiden mit der Geschlechtsreife.

Dat zijn de drie stadia die eigenlijk overal in de opvoeding, in het onderwijs zo ongeveer vanaf het zevende tot het veertiende jaar aanwezig moeten zijn: eerst moet het hele onderwijs uitgaan van het doen. Dat moet dan langzamerhand gaan leiden naar wat waarneming kan zijn en pas in de laatste fase van deze leeftijd kunnen we overgaan naar wat dan experiment, proef gaat worden.
Gisteren heb ik erop gewezen hoe zo tussen het negende en het tiende levensjaar een belangrijke punt in de kinderlijk ontwikkeling ligt, hoe het er erg op aankomt dat de leerkracht, de opvoeder bij het kind van deze leeftijd ontdekt wat het diepste verlangen van elk kind is en zich daarnaar gedraagt. Maar dit punt in de kinderlijke ontwikkeling moet ook nog anderszins scherp waargenomen worden. Want eigenlijk leert het kind pas op dit tijdstip zich zo echt van zijn omgeving los te maken, door gevoel en wil los te maken, door het oordelen los te maken. Door een volledige innerlijke zelfstandigheid leert het kind met de puberteit zich eigenlijk pas van de omgeving te onderscheiden.

Aber es beginnt in der Entwicklung zwischen dem neunten und zehnten Lebensjahre die Nuance auf dieses Abscheiden von der Umge­bung hin. Und gerade deshalb ist es so wichtig, diesen Zeitpunkt ins Auge zu fassen, weil man das Kind noch in der Hand behalten muß bis zur Geschlechtsreife, doch aber eine Änderung in dem Sinne, wie ich das gestern dargestellt habe, eintreten lassen muß in der Behandlung. Es ist bis zu diesem Zeitpunkte so, daß das Kind am besten in der Weise unterwiesen wird, daß man auch gar nicht Anspruch darauf macht, daß das Kind sich irgendwie unterscheide von seiner Umgebung. Es ist immer von Nachteil, wenn man vor dem neunten oder zehnten Lebens­jahr irgend etwas, sagen wir, Naturgeschichtliches oder irgend etwas anderes dem Kinde beibringen will, das notwendig macht, daß das Kind nach der Objektivität hindeutet und sich selber unterscheidet von der Umgebung. Je mehr man die Umgebung personifizieren kann, in bild­hafter Weise von der Umgebung sprechen kann, je mehr man personifi­ziert, je mehr man künstlerisch auch in bezug auf Mitteilungen über die Umgebung an das Kind herantritt, desto besser ist es für die Entwickelung

Maar in de ontwikkeling tussen het negende en het tiende jaar begint dit losmaken van de omgeving een beetje. En daarom is het zo belangrijk dit tijdstip goed te zien, omdat je het kind nog moet beschermen tot aan de puberteit, terwijl je toch een verandering, in de zin die ik gisteren gegeven heb, in je omgang met kind moet doorvoeren. Tot dit tijdstip is het zo dat het kind het beste zo onderwezen wordt, dat je er helemaal niet vanuit gaat dat het kind zich op de een of andere manier begint te onderscheiden van zijn omgeving. Het is altijd een nadeel wanneer je voor het negende of tiende levensjaar zoiets als plant- of dierkunde of iets anders het kind wil aanleren, waarbij het nodig is, het kind op objectiviteit te wijzen en zelf onderscheid te moeten maken tussen zichzelf en zijn omgeving. Hoe meer je de omgeving kan personifiëren, op een beeldende manier over de omgeving kan spreken, des te meer je personifieert, des te meer je kunstzinnig ook wat betreft het overbrengen van kennis van de omgeving op het kind ingaat, des te beter is dat voor zijn ontwikkeling,

Blz. 166

des Kindes, desto mehr kann sich noch willensartige Natur des Kindes aufschließen und verinnerlichen.
Vertieft kann diese willensartige Natur des Kindes durch alles dasje­nige werden, was musikalischer Art ist. Das Musikalische gibt vom sechsten, siebenten Jahre ab dem Kinde die Verinnerlichung, die Gemütsnuance. Der Wille wird stark gemacht durch alle anderen, mehr bildnerischen, künstlerischen Betätigungen, soweit sie selbstverständlich dem kindlichen Alter entsprechen. Man muß sich durchaus klar sein darüber, daß über Pflanzen, über Tiere, selbst Gegenstände der leblosen Natur so gesprochen werden soll, daß das Kind noch nicht fühlt: Ich bin getrennt von diesen Dingen; daß es gewissermaßen so fühlt, wie wenn die Dinge nur eine Fortsetzung seines eigenen Wesens wären. Personifi­kationen der äußeren Dinge und Tatsachen, die sind in diesem Lebensal­ter durchaus am Platze.
Es ist ganz irrig, etwa darüber nachzuspekulieren, daß man dem Kinde, indem man ihm die Natur personifiziert, etwas beibringe, das nicht der Wahrheit entspricht. Das ist gar nicht der Gesichtspunkt, den man geltend machen muß. Der Gesichtspunkt, den man geltend machen muß, das ist der:

des te meer kan er nog van wilsachtige natuur van het kind gewekt worden en zich verinnerlijken.
Deze wilsmatige natuur van het kind kan door alles wat muzikaal is, verdiept worden. Het muzikale brengt het kind vanaf het zesde, zevende jaar verinnerlijking, gevoelsnuances. De wil wordt sterk gemaakt door alle andere, meer beeldend, kunstzinnige activiteiten, voor zover die vanzelfsprekend bij de kinderleeftijd horen. Je moet beslist wel weten, dat er over planten, over dieren, zelfs over levenloze natuur zo moet worden gesproken, dat het kind nog niet het gevoel krijgt: ik ben van deze dingen gescheiden; dat het in een bepaald opzicht het gevoel heeft alsof de dingen alleen maar een verlengstuk van zijn eigen wezen zijn. Personifiëring van de uiterlijke dingen en feiten zijn op deze leeftijd zeer zeker op zijn plaats.
Je zit er helemaal naast als je erover gaat speculeren dat je het kind, wanneer je de natuur voor hem personifieert, je het dan iets bijbrengt wat niet overeenkomstig de waarheid is. Dat gezichtspunt moet je niet laten gelden. Wat je wél moet laten gelden is dit:

Was bringt man an das Kind heran, damit seine Lebenskräfte sich aufschließen, damit dasjenige, was in ihm ist, aus seinem Inneren an die Oberfläche des Daseins hervortritt? Das kann man gerade dadurch, wenn man in aller Beschreibung, in aller Erzählung über die Umgebung möglichst lebendig ist, möglichst alles so erscheinen läßt, wie dasjenige ist, was aus dem Menschen selbst hervorquillt. Denn es muß alles dasjenige, was an das Kind in diesem Lebensalter herange­bracht wird, an den ganzen Menschen herangebracht werden. Es darf nicht an die Kopforganisation, an die Nervenorganisation herangebracht werden.
In dieser Beziehung liegt unseren Betrachtungen noch in vielem eine ganz falsche Menschenanschauung, eine ganz falsche Menschenlehre zugrunde, eine falsche Anthropologie. Wir schreiben gewissermaßen in erster Linie dem Nervensystem viel zuviel zu; während das von ganz besonderer Wichtigkeit ist, daß aus dem ganzen Menschen heraus, durch eine Strömung von unten nach oben, die Gliederbetätigung, alles dasje­nige, was der Mensch im Verhältnis zu seiner Umgebung ausführt, sich

Wat geef je het kind, zodat zijn levenskracht zich ontwikkelt, zodat wat er in hem aanwezig is, vanuit zijn innerlijk naar buiten komt? Dat kan juist wanneer je in alle beschrijvingen, in alle verhalen over de omgeving zoveel mogelijk leven hebt, zoveel mogelijk alles ten tonele voert, wat uit de mens zelf opborrelt. Want alles wat je op deze leeftijd aan het kind geeft, moet er voor de hele mens zijn. Het moet niet gegeven worden voor de hoofdorganisatie, voor de zenuworganisatie.
Wat dat betreft ligt er aan onze zienswijzen nog bij veel dingen een heel verkeerde opvatting ten grondslag van wat de mens is, een verkeerde antropologie. We dichten allereerst het zenuwsysteem veel te veel toe; terwijl het zo belangrijk is dat er vanuit de hele mens, door wat er van onder naar boven stroomt, de activiteit van de ledematen, alles wat de mens in relatie tot zijn omgeving doet, 

Blz. 167

erst abdrückt im Nervensystem, namentlich im Gehirn. So daß wir es nicht als paradox ansehen würden, wenn anthroposophische Menschen­erkenntnis behaupten muß: Auch für später wird die Intelligenz, wird das Unterscheidungsvermögen, wird der Verstand, die Vernunft ausge­bildet dadurch, daß man das Kind im frühen Alter die richtigen Bewe­gungen machen läßt. Wenn man gefragt wird : Warum hat dieses Kind im dreizehnten, vierzehnten Jahre kein gesundes Unterscheidungsvermö­gen? Warum urteilt es verworren? – so muß man oftmals sagen: Weil man es im früheren Kindheitsalter nicht die richtigen Bewegungen mit Händen und Füßen hat machen lassen. Daß dies eine gewisse Berechtigung hat, das zeigt uns im Waldorf-schulunterricht, in der Waldorfschulerziehung die Verwendung der Eurythmie als eines obligatorischen Lehrgegenstandes. Diese Eurythmie ist eine Bewegungskunst, aber sie hat durchaus auch eine pädagogisch-didaktische Seite. Diese Eurythmie ist nämlich eine wirkliche sichtbare Sprache. Nicht ein bloß Pantomimisches oder irgend etwas Tanzartiges ist diese Eurythmie, sondern diese Eurythmie ist dadurch entstanden, daß, wenn ich mich dieses Goetheschen Ausdruckes bedienen darf, durch sinnlich-übersinnliches Schauen herausgebracht worden ist, wel­che Bewegungstendenzen im ganzen Menschen sind

eerst afgedrukt wordt in het zenuwsysteem, namelijk in de hersenen. Zodat wij het niet als een paradox beschouwen, wanneer de antroposofische menskunde moet beweren: ook voor later wordt de intelligentie, wordt het onderscheidingsvermogen, wordt het verstand, de slimheid gevormd doordat je het kind op jonge leeftijd de juiste bewegingen laat maken. Wanneer er wordt gevraagd: ‘Waarom heeft dit kind op zijn dertiende, veertiende jaar geen gezond onderscheidingsvermogen? Waarom oordeelt het warrig? – dan moet je dikwijls zeggen: omdat men het op jonge leeftijd niet de juiste bewegingen met de handen en de voeten heeft laten maken.
Dat dit op een bepaalde manier gerechtvaardigd is, laat ons de toepassing van de euritmie zien als verplicht vak in het vrijeschoolonderwijs, in de vrijeschoolpedagogie. Deze euritmie is een bewegingskunst, maar ze heeft ook een pedagogisch-didactische component. Deze euritmie is namelijk een echte zichtbare spraak. Niet alleen maar iets als pantomime of iets wat op dans lijkt is deze euritmie, maar ze is ontstaan, wanneer ik de uitdrukking van Goethe mag gebruiken, door een zintuiglijk-bovenzintuiglijk waarnemen van bewegingstendenzen in de hele mens –

ich sage Bewe­gungstendenzen, nicht wirkliche Bewegungen -, welche Bewegungsten­denzen im ganzen Menschen sind, wenn der Mensch in der Lautsprache oder im Gesange sich offenbart. Wirkliche Bewegungen führt der Kehl­kopf, führen die anderen Sprachorgane aus.
Diese Bewegungen setzen sich um in Luftbewegungen, die dann vermitteln den Laut, den Ton für das Gehör. Aber es gibt innerliche Bewegungstendenzen, Bewegungsintentionen. Die hören, man möchte sagen, schon auf im Status nascendi. Man kann das studieren durch sinnlich-übersinnliches Schauen. Man kann gewissermaßen dasjenige studieren, was sich im ganzen Menschen bildet, was aber nicht zur wirklichen Bewegung wird, sondern sich metamorphosiert in diejenigen Bewegungen, die Kehlkopfbewegungen oder Bewegungen anderer Sprachorgane sind.
Dann läßt man den ganzen Menschen oder Menschengruppen diese Bewegungen ausführen, und man bekommt eine geradeso geregelte

ik zeg bewegingstendenzen, geen daadwerkelijke bewegingen -, bewegingstendenzen in de hele mens, wanneer hij zich uit in het spreken of zingen. Echte bewegingen worden uitgevoerd door het strottenhoofd en andere spraakorganen.
Deze bewegingen worden omgezet in bewegingen van de lucht, die het dan mogelijk maken de klank, de toon te horen. Maar er zijn innerlijke bewegingstendenzen, bewegingsintenties. Die verdwijnen weer, zou je zeggen, op het ogenblik dat ze ontstaan. Wanneer je zintuiglijk-bovenzintuiglijk waarneemt, kun je het bestuderen. Je kan in zekere zin bestuderen wat in de hele mens zich vormt, maar niet tot een daadwerkelijke beweging wordt, zich metamorfoseert in de bewegingen van het strottenhoofd of van de andere spraakorganen.
Dan laat je de hele mens of groepen mensen deze bewegingen uitvoeren en je krijgt een net zo geordende     

Blz. 168

organische sichtbare Sprache in der Eurythmie, wie man die hörbare Sprache oder den hörbaren Gesang durch die Sprachorgane des Men­schen hat. Jede einzelne Bewegung, ja jeder einzelne Teil einer Bewe­gung in der Eurythmie ist eine Gesetzmäßigkeit des menschlichen Organismus, so wie die Sprache oder der Gesang selbst.
Daher sehen wir in der Waldorfschule, wie die Kinder, die nun im schulpflichtigen Alter stehen, sich so selbstverständlich mit innerer Befriedigung, wenn die Sache richtig gemacht wird, in diese Eurythmie hineinfinden, wie das jüngere Kind sich selbstverständlich in die Sprache hineinfindet, in die Sprache hineinentwickelt. Wie der Organismus einfach sich bewegen will unter der Nachahmung, so will sich das Kind zur Offenbarung bringen in der Sprache. Sein Wohlgefallen, sein innerli­ches Wohlgefühl, alles beruht darauf, daß es sich in dieser Weise äußern kann. In einer späteren Lebensstufe entwickeln die älteren Kinder gegenüber dieser sichtbaren Sprache der Eurvthmie ganz dieselben inneren Empfindungen, nur etwas metamorphosiert. Da diese Euryth­mie hervorgeholt ist aus der vollen inneren Gesetzmäßigkeit des menschlichen Organismus, wirkt sie wiederum zurück auf die Organi­sierung des gesamten Menschen in gesunder Weise.

organisch zichtbare spraak in de euritmie, zoals je de hoorbare spraak of de hoorbare zang door de spraakorganen van de mens hebt.
Iedere aparte beweging, ja ieder apart deel van een beweging in de euritmie is een wetmatigheid van het menselijk organisme, net zoals de spraak of het zingen zelf.
Vandaar dat we op de vrijeschool zien, hoe de kinderen die de leerplichtige leeftijd hebben, het zo vanzelfsprekend fijn vinden, als het goed gegeven wordt, om euritmie te doen; hoe het jongere kind vanzelfsprekend vertrouwd raakt met de spraak, zich in het spreken ontwikkelt. Zoals het organisme eenvoudigweg wil bewegen door nabootsing, zo wil het kind zich in het spreken uitdrukken. Het fijn vinden, het innerlijk als goed voelen, alles berust op het zich op deze manier kunnen uiten. Op latere leeftijd ontwikkelen de oudere kinderen voor deze zichtbare spraak van de euritmie precies diezelfde innerlijke gevoelens, alleen iets gemetamorfoseerd. Omdat deze euritmie uit de totale innerlijke wetmatigheid van het menselijk organisme is gehaald, werkt ze omgekeerd op een gezonde manier ook op de vorming van de totale mens.

Besinnen wir uns doch nur einmal auf die menschliche Form, ich exemplifiziere auf die äußere menschliche Form, es könnte das aber durchaus auch für die inneren Organe getan werden, aber nehmen wir eine menschliche Hand mit dem menschlichen Arm : Können wir denn die menschliche Hand mit dem menschlichen Arm in der ruhenden Form verstehen? Es wäre eine Illusion, zu glauben, daß wir die ruhende Hand, den ruhenden Arm verstehen. Wir verstehen die ganze Form der Finger, der Handfläche, des Armes nur, wenn wir auch den Arm in Bewegung sehen. Die ruhende Form hat nur einen Sinn, indem sie in Bewegung übergeführt wird. Man könnte sagen: Die ruhende Form der Hand ist die Form der Bewegung der Hand, eben zur Ruhe gekommen; und die Bewegungen der Hand oder des Armes müssen so sein, weil die Hand in der Ruhe eben ihre bestimmte ruhige Form hat.
So kann man aber aus dem ganzen Menschen eben diejenigen Bewe­gungen hervorholen, die einem von der Form des Menschen, von der naturgemäßen Organisation selber vorgeschrieben werden, wie die

Laten we eens even stilstaan bij de menselijke vorm, ik neem als voorbeeld de uiterlijke menselijke vorm, het zou ook met de inwendige organen kunnen, maar we nemen de menselijke hand met de arm: kunnen we deze begrijpen als rustende vorm. Als je gelooft dat je de rustende hand, de rustende arm kan begrijpen, is dat een illusie. We begrijpen de hele vorm van de vingers, de handvlakken, de arm alleen maar, wanneer we ook de arm zien bewegen. De rustende vorm heeft alleen zin, als ze in beweging gebracht wordt. Je zou kunnen zeggen: de rustende vorm van de hand is de vorm van de beweging van de hand, maar nu tot rust gekomen; en de bewegingen van de hand of de arm moeten zo zijn, omdat de hand in rust nu eenmaal die bepaalde rustvorm heeft. Op die manier nu kun je uit de hele mens die bewegingen halen die door de vorm van de mens, door de organisatie van nature zelf, aan iemand voorgeschreven worden, zoals de

Blz. 169

Vokale, die Konsonanten, die aus der inneren Organisation heraus stammen. Und so ist Eurythmie durchaus gesetzmäßig aus dem heraus-geholt, was in der Form des Menschen veranlagt ist. Dieses Überführen aber des ruhenden Menschen in den bewegten Menschen, dieses sinn­volle Überführen in der sichtbaren Sprache der Eurythmie empfindet das Kind in der Tat mit tiefer innerer Befriedigung; denn es fühlt das innere Leben seines ganzen Menschen in dieser Überführung.
Das aber wirkt wiederum zurück, indem der ganze Organismus nun dasjenige gesetzmäßig ausgestaltet, was dann Intelligenz ist und was nicht direkt eigentlich ausgebildet werden soll. Bildet man die Intelligenz direkt aus, so legt man eigentlich in die kindliche Entwickelung immer etwas mehr oder weniger Ertötendes, Lähmendes. Holt man die Intelli­genz heraus aus dem ganzen Menschen, dann wirkt man im Grunde genommen außerordentlich heilsam für die Gesamtentwickelung des Menschen, dann gibt man dem Kinde eine Form der Intelligenz, die einfach herauswächst aus dem gesamten Menschen, währenddem die einseitige Ausbildung des Intellektes etwas wie auf den Gesamtorganis­mus Aufgepfropftes ist.
So nimmt sich die Eurythmie wirklich als ein obligatorischer Lehrge­genstand neben dem Turnen wie ein geistiges, wie ein beseeltes Turnen in pädagogisch-didaktischer Beziehung aus. Und man wird – ich bin ganz überzeugt davon – über diese Dinge einmal unbefangener denken als heute.

klinkers, de medeklinkers uit de innerlijke organisatie komen. En zo is euritmie nogal wetmatig uit wat in de vorm van de mens aangelegd is, naar buiten gebracht.
Dit overbrengen van de rustende mens in de bewegende mens, dit zinvolle overbrengen in de zichtbare spraak van de euritmie ervaart het kind inderdaad met een diepe innerlijke tevredenheid; want het voelt in dit overbrengen heel zijn menselijk innerlijk leven.
Dat echter, werkt weer omgekeerd, wanneer het hele organisme wetmatig uitvoert wat intelligentie is en wat eigenlijk niet direct gevormd moet worden. Vorm je de intelligentie direct, dan leg je eigenlijk in de ontwikkeling van het kind steeds min of meer iets afstompends, verlammends. Haal je de intelligentie vanuit de totale mens, dan werk je in feite buitengewoon gezondmakend voor de hele ontwikkeling van de mens; dan geef je het kind een vorm van intelligentie die eenvoudig uit de totale mens komt, terwijl de eenzijdige vorming van het intellect iets is wat aan het totale organisme opgedrongen wordt. Zo betekent de euritmie daadwerkelijk als verplicht vak naast de gymnastiek, iets geestelijks, een bezielde gymnastiek in pedagogisch-didactisch opzicht. En men zal – daarvan ben ik geheel overtuigd – over deze dingen eenmaal onbevangener denken dan tegenwoordig.

Es ist mir ja allerdings mit dieser Sache vor kurzem etwas sehr Merkwürdiges passiert. Ich setzte diese Dinge in bezug auf die Euryth­mie auseinander, und unter den Zuhörern war, man darf schon sagen, einer der allerbedeutendsten Physiologen Mitteleuropas. Sie würden sehr erstaunt sein, wenn ich Ihnen seinen Namen nennen würde, denn er hat Weltruf. – Ich sagte aus einer gewissen Bescheidenheit, selbstver­ständlich, heraus, denn Anthroposophie will auf keinem Gebiete irgend­wie etwas Umstürzlerisches : Man wird über das Turnen eben einmal so denken, daß es ja herausgeholt ist aus der Physiologie des Menschen, also aus. der Gesetzmäßigkeit des physischen Leibes, daß es deshalb wohltätig wirken kann auf die gesunde Ausbildung der menschlichen Leiblichkeit; man wird aber diese geistige, diese beseelte Eurythmie

Wat dit betreft, maakte ik pas geleden iets nogal merkwaardigs mee. Ik legde m.b.t. de euritmie deze dingen uit en onder de aanwezigen was, je mag wel zeggen, een van de allerbelangrijkste fysiologen van Midden-Europa. U zou zeer verbaasd zijn, wanneer ik zijn naam zou noemen, want hij heeft een wereldreputatie. Ik zei met een zekere bescheidenheid, vanzelfsprekend, want antroposofie wil op geen enkel terrein iets rebels:
Men zal over de gymnastiek wel een keer zo denken, dat het ontwikkeld is uit de fysiologie van de mens, dus uit de wetmatigheid van het fysieke lichaam, dat het daarom weldadig kan werken op de gezonde vorming van het mensenlichaam; men zal echter deze geestelijke, deze bezielde euritmie    

Blz. 170

neben dem Turnen deshalb gelten lassen, weil bei ihr der Leib voll berücksichtigt wird, aber in jeder Bewegung, die ausgeführt wird, zugleich lebt Seele und Geist, so daß das Kind überall Sinnvolles fühlt in der Bewegung, sinnvolles Seelisch-Geistiges, nirgends die leere leibliche Bewegung, sondern überall das Einfließen des innersten Menschen in die Bewegung. Das Sonderbare, das ich erlebt habe, war, daß jener Physio­loge nachher zu mir kam und sagte: Sie nennen das Turnen auch ein Erziehungsmittel; ich bin durchaus dagegen, daß Sie dem Turnen eine physiologische Berechtigung zuschreiben. Von meinem physiologischen Standpunkte aus ist das Turnen für die Kinder eine Barbarei.
Nun, es fällt mir nicht ein, das von mir aus zu sagen, aber es ist mir doch immerhin interessant, mitteilen zu können, daß einer der bedeu­tendsten Physiologen der Gegenwart das äußerliche körperliche Turnen sogar für eine Barbarei hält. Wie gesagt, ich selber will durchaus nicht so weit gehen wie dieser Physiologe, sondern ich will nur eben sagen, daß Eurythmie ihre gute pädagogisch-didaktische Bedeutung hat neben dem Turnen, wie es eben heute geübt wird.
So wird namentlich in diesem Lebensalter bis zum neunten, zehnten Jahre hin die Eurythmie ein wichtiges Hilfsmittel, indem sie wieder zurückwirkt auf das Geistige, auf das Seelische des Kindes; sie wird ein wichtiges Hilfsmittel für die späteren Jahre, wenn das Kind zwischen dem neunten und zehnten Jahre sich lernt unterscheiden von der Umge­bung. Aber da hat man nun recht sehr achtzugeben, wie diese Unter­scheidung eintritt.

naast de gymnastiek zijn plaats toekennen, omdat daarbij volledig rekening wordt gehouden met het lichaam, maar in iedere beweging die uitgevoerd wordt, tegelijk ziel en geest aanwezig zijn, zodat het kind bij alles in het bewegen iets zinvols voelt, zinvol bezield, geestrijk, nergens lege lichamelijke bewegingen, maar bij alles de innerlijke mens die in de beweging overgaat. Het wonderbaarlijke dat ik beleefde, was dat deze fysioloog na afloop naar me toe kwam en zei: U noemt de gymnastiek ook een opvoedingsmiddel; ik ben er echt op tegen dat u de gymnastiek fysiologisch rechtvaardigt. Vanuit mijn fysiologisch standpunt is gymnastiek voor kinderen iets barbaars.
Wel, het komt niet bij me op zoiets te zeggen, maar ik vind het wel interessant om te kunnen vertellen dat een van de belangrijkste fysiologen van nu de uiterlijke fysieke gymnastiek iets barbaars vindt. Zoals gezegd, zover wil ik niet gaan, maar ik wil wel zeggen dat euritmie haar goede pedagogisch-didactische verdienste heeft naast de gymnastiek, zoals die tegenwoordig gedaan wordt. Zo wordt met name op de leeftijd tot het negende, tiende jaar euritmie een belangrijk hulpmiddel, omdat ze weer terugwerkt op de geest, op de ziel van het kind; ze wordt een belangrijk hulpmiddel voor de latere jaren, wanneer het kind tussen het negende en tiende jaar zich leert onderscheiden van zijn omgeving. Maar dan moet je heel goed kijken, hoe dit onderscheiden begint.

Zunächst wird man beachten müssen, daß man das Kind nicht zu früh heranführt an dasjenige, an dem sich nur der Verstand, das Begriffsvermögen, das Intellektuelle betätigen kann. Man soll daher die Betrachtung des Tierischen, des Pflanzlichen der Betrachtung des Mineralischen, des Physikalischen und Chemischen immer vorangehen lassen, und man wird auch gegenüber dem Pflanzlichen und dem Tierischen sehen, daß sich das Kind in verschiedener Weise unterscheiden lernt von seiner Umgebung. Das Tierische fühlt das Kind seinem eigenen Wesen durch­aus näher im zehnten, elften Lebensjahre als das Pflanzliche. Das Pflanz­liche fühlt es wie etwas, was sich von der Welt herein offenbart. Das Tierische fühlt es so, daß man mit ihm mitfühlen muß, daß es gewissermaßen

Allereerst moet je in ogenschouw nemen dat je het kind niet te vroeg de dingen moet geven waarbij hij alleen maar met zijn verstand, met zijn begripsvermogen, het intellectuele, bezig kan zijn. Je moet daarom het behandelen van mineralogie, van natuur- en scheikunde steeds vooraf laten gaan door de behandeling van de dieren, en van de planten en wat de planten en de dieren betreft, zal je zien dat het kind zich op verschillende manieren leert onderscheiden van zijn omgeving. Het kind van 10, 11 jaar voelt het dier dichter bij zijn eigen wezen staan dan de plant. Van de planten voelt het dat die zich vanuit de wereld aan hem vertonen. Het dier beleeft het zo dat je met hem moet meevoelen, dat het op een bepaalde manier toch een soortgelijk wezen is als de mens.

Blz. 171

doch ein ähnliches Wesen hat wie der Mensch. Dem wird durchaus in Unterricht und Erziehung Rechnung getragen werden müs­sen. Daher wird man dasjenige, was man dem Kinde in diesem Lebensal­ter beibringt über das Pflanzliche, so beibringen müssen, daß man das Pflanzliche gewissermaßen zur Erde hinstellt, daß man in dem Pflanzli­chen etwas sieht, was aus der Erde wie aus einem Organismus herauswächst; das Irdische im Zusammenhang mit dem Pflanzlichen, das Irdische in seiner Entwicklung durch die Jahreszeiten hindurch, sich offenbarend in den verschiedenen Jahreszeiten im Pflanzlichen, in verschiedener Weise behandeln, also möglichst eine zeitliche Betrachtung des Pflanzlichen.
Man wird sehr leicht gestört durch die auf anderen Gebieten ja berechtigten Bestrebungen nach Anschaulichkeit, wenn man diese auch anwenden will auf einem solchen Gebiete, wie ich es eben geschildert habe. Man beachtet eben viel zuwenig, daß die Erde mit ihrem Pflanzenwuchs eine Einheit ist. Es mag Ihnen wieder paradox erscheinen, aber geradeso wenig wie man die Organisation eines Haares am Tier oder am Menschen für sich betrachten kann, sondern wie man die Organisation eines Haares nur in Verbindung mit dem ganzen Organismus als einen Teil betrachten kann, so sollte man gewissermaßen die Erde wie einen Organismus betrachten, und das Pflanzliche mit ihr zusammengehörig. Wenn man so auch dem Kinde gegenüber die Pflanzenwelt vertritt, dann sondert sich dasjenige, was das Kind an der Pflanzenwelt beobachten kann, in der richtigen Weise vom Kinde ab.

Daarmee moeten we bij het lesgeven en bij de opvoeding rekening houden. Vandaar dat je bij wat je het kind op deze leeftijd aanleert over de plantenwereld, dat zo moet doen, dat je de plantenwereld in zekere zin samenneemt met de aarde, dat je in de plantenwereld iets ziet, wat vanuit de aarde groeit als een organisme; de aarde samen met de plant; de aarde in de loop van de seizoenen zich uitdrukkend in de verschillende jaargetijden in de planten, dat moet je op verschillende manieren behandelen, dus zoveel mogelijk de plant beschouwen in de tijd. Je wordt erg makkelijk in de war gebracht door het streven naar aanschouwelijkheid dat op een ander terrein gerechtvaardigd kan zijn, als je dit ook wil toepassen op zo’n terrein als ik net heb geschetst. Veel te weinig kijkt men ernaar dat de aarde met haar plantengroei een eenheid is.
Het kan voor u weer paradoxaal klinken, maar net zo min als je de organisatie van een haar van een dier of de mens op zich kan beschouwen, maar alleen als een deel van de samenhang met het hele organisme, zo zou je in zekere zin de aarde als een organisme moeten beschouwen en de planten die erbij horen. Wanneer je zo ook de plantenwereld bij het kind brengt, dan kan wat het kind aan de plantenwereld kan waarnemen, op de juiste manier van hem loskomen.

Dagegen sollte bei der Betrachtung des Tierreiches ein durchaus anderes walten. Das Kind hat gewissermaßen eine Gefühlsbrücke hin­über zum Tiere, eine Seelenbrücke, und dem sollte Rechnung getragen werden. Es wird heute vielfach belächelt, was ältere Naturphilosophen in dieser Beziehung als Anschauung gehabt haben. Man hat das alles durchaus auch in der Goetheschen Art der Tierbetrachtung. Man hat den Blick gewendet zu irgendeiner Tierform, man hat gefunden bei der einen Tierform, sagen wir zum Beispiel bei dem Löwen, insbesondere die Brustgruppe mit dem Herzen besonders ausgebildet, bei einer anderen Tierform sind die Verdauungsorgane hervorstechend, bei dieser Tier-form ist dasjenige, was in das Gebiß schießt, ganz besonders ausgebildet,

T.o.v. de behandeling van planten moet het bij de behandeling van het dierenrijk heel anders gaan. Het kind heeft op een bepaalde manier een gevoelsrelatie met het dier, een ‘zielenbrug’ en daarmee moet je rekening houden. Er wordt tegenwoordig vaak gegrinnikt om wat oudere biologen in dit opzicht als visie hadden. Dat is ook zo bij de opvatting van Goethe over de dieren. Men richtte de blik op een of andere diervorm en men vond het bijv. heel bijzonder dat bij de leeuw de borstpartij met het hart nogal prominent gevormd was; bij een andere diervorm de stofwisselingsorganen nogal opvielen; bij weer een andere diervorm wat het gebit vormgeeft,

Blz. 172

bei einer anderen Tierform sind wiederum die Hörner oder dergleichen besonders ausgebildet. Man hat studiert die verschiedenen Tierformen als Ausdrucksformen für die einzelnen Organe. Man könnte sagen: Es gibt Kopftiere, Brusttiere, Gliedmaßentiere. Und weiter noch könnte man die Tierformen einteilen. Dann hat man das Gesamte. Nimmt man nun alle einzelnen Tierformen zusammen, bildet man gewissermaßen eine Synthese, so daß dasjenige, was bei der einzelnen Tierform beson­ders hervorsticht, zurücktritt und sich einem Ganzen fügt, dann bekommt man die Form des Menschen. Der Mensch ist in seiner äußeren Form gewissermaßen die Zusammenfassung des ganzen Tierreiches.
Man kann im Kinde durchaus ein Empfinden von dieser Zusammen­fassung der gesamten Tierwelt im Menschen hervorrufen. Dann ist etwas außerordentlich Bedeutsames getan, dann hat man das Kind auf der einen Seite in der richtigen Weise hingestellt zum Pflanzenreich, auf der anderen Seite in der richtigen Weise hingestellt zum Tierreich; zum Tierreich so, daß es gewissermaßen in dem ganzen Tierreich einen ausgebreiteten Menschen sieht, und in dem Pflanzenreich etwas sieht, was organisch mit der ganzen Erde zusammengehört. Wenn man in konkreter Einzelausführung innerlich verlebendigt in dieser Weise Tier­kunde, Pflanzenkunde belebt, dann nimmt man zugleich Rücksicht auf dasjenige, wie der Mensch sich durch seine innere Wesenheit hineinstel­len soll in die Welt.

bij een andere diervorm de hoorns of iets dergelijks weer bijzonder gevormd zijn. Men bestudeerde de verschillende diervormen als uitdrukking van vormen voor de aparte organen. Men kon zeggen: er zijn kopdieren, borstdieren, ledematendieren. En men kan de diervormen nog verder indelen. Dan had men een geheel. Wanneer je alle aparte diervormen bij elkaar neemt, vorm je in zekere zin een synthese, zodat hetgeen wat bij een aparte diervorm bijzonder in het oog springt, zich terughoudt en zich voegt in het geheel; dan krijgt je de mensenvorm. De mens is in zijn uiterlijke verschijning in zekere zin de samenvatting van het hele dierenrijk.
Je kan in het kind zeker een gevoel voor deze samenvatting van de totale dierenwereld in de mens, oproepen. Dan heb je iets heel belangrijks gedaan, want dan heb je het kind enerzijds op een goede manier zijn houding tot de plantenwereld laten bepalen, [door de manier waarop plantkunde wordt gegeven] wat organisch bij de hele wereld hoort, anderzijds zijn houding tot het dierenrijk; tot het dierenrijk zo, dat het in zekere zin in het hele dierenrijk een uitgebreide mens ziet en in het plantenrijk wat organisch bij de hele aarde hoort. Wanneer je concreet, in detail op deze manier plant- en dierkunde innerlijk levend maakt, dan hou je tegelijkertijd rekening met hoe de verhouding van de mens met zijn innerlijk wezen t.o.v. de wereld zou moeten zijn.

Dann wächst der Mensch in der richtigen Weise in die Welt hinein in dem Lebensalter, in dem er sich gerade von dieser Welt anfängt unterscheiden zu lernen, indem er Subjekt vom Objekt zu sondern beginnt. Man bringt es auf diese Weise dahin, die Welt in der richtigen Weise durch die Betrachtung der Pflanzenwelt vom Menschen abzusondern, und wiederum vom Menschen aus die Brücke nach der Welt zu schlagen; jene Brücke, die da sein muß, wenn überhaupt richtiges Gefühl für die Welt, Liebe für die Welt sich entwickeln soll. Man bringt das zustande, indem man das Tierreich wie ein ausgebreitetes Menschenwesen an das Kind heranbringt. So kann man durch das Organische, durch das Lebendige gehen und in dieser Weise dem Kinde sein Verhältnis zur Welt vermitteln. Und wenn so das zwölfte Lebens­jahr beginnt, hat man erst eigentlich die Möglichkeit, ohne schädlich in die kindliche Entwickelung einzugreifen, überzugehen zu einer Pflege des reinen Intellektuellen, des verstandesmäßigen Lebens.

Dan vindt de mens op een goede manier zijn plaats in de wereld op de leeftijd waarin hij zich nu juist van de wereld begint te onderscheiden, wanneer hij het subject van het object begint los te maken. Je brengt het op een goede manier ertoe dat het de wereld op de juiste manier door de behandeling van de plantenwereld van de mens af zondert om dan weer de brug van de mens naar de wereld te slaan; die brug die er zijn moet wanneer er zich überhaupt een goed gevoel voor de wereld, liefde voor de wereld moet ontwikkelen. Dat komt tot stand wanneer je het dierenrijk als een uitgebreid mensenwezen aan het kind aanbiedt. Zo kun je door de organen, door wat leeft gaan en op deze manier het kind zijn verhouding tot de wereld aanreiken. En wanneer dan het twaalfde jaar begint, heb je pas eigenlijk de mogelijkheid zonder nadelige gevolgen voor de kinderlijke ontwikkeling in te grijpen, en over te gaan tot het verzorgen van het puur intellectuele, verstandelijke leven.      

blz. 173

Wenn jener Lehrgang eingehalten wird, von dem ich heute gesprochen habe, so gehen wir von einer Willenskultur aus; gehen dann, indem wir in solcher Weise das Verhältnis des Kindes zum Pflanzenreich, zum Tierreich entwickeln, indem wir Naturgeschichtliches an das Kind heranbringen, gehen wir zu einer Gefühls- oder Gemütsbildung über. Das Kind lernt überall sich zu der Pflanzenwelt, zu der Tierwelt nicht nur theoretisch zu verhalten; es lernt nicht nur, sich Vorstellungen darüber zu machen, sondern es begründet ein Verhältnis zu dieser Umwelt. Es wird in ihm etwas bewirkt, was an das Gefühl, an das Gemüt herankommt. Und das ist von ungeheurer Wichtigkeit. Wenn wir nun in dieser Weise durch die äußere Bewegung und durch die richtige Führung durch Willens- und Gemütskultur hindurch das Kind gebracht haben bis nahe zum zwölften Jahre, dann können wir den Übergang finden zu der eigentlichen Verstandeskultur, die sich nun äußern kann, indem wir mehr diejenigen Lehrgegenstände und Erziehungsmittel an das Kind heranbringen, die nun auch die leblose Natur behandeln.

Wanneer je de methode volgt waarover ik vandaag heb gesproken, ga je van een wilscultuur uit; dan gaan we, als we op deze manier de relatie van het kind tot de plantenwereld, tot de dierenwereld ontwikkelen, wanneer we het kind biologie geven, over tot de vorming van het gevoel. Het kind leert van alle kanten een relatie te ontwikkelen tot de plantenwereld, tot de dierenwereld, niet alleen theoretisch; het leert niet alleen daarover zich voorstellingen te maken, maar bouwt een relatie op tot dit milieu. Er ontstaat iets in hem wat zijn gevoel, zijn gemoed raakt. En dat is heel erg belangrijk. Wanneer we het kind nu op deze manier door ons op de buitenwereld te richten en door een goede begeleiding naar een wils- en gemoedscultuur tot aan het twaalfde jaar gebracht hebben, dan kunnen we de overgang vinden naar de eigenlijke verstandscultuur die duidelijk wordt, wanneer we het kind meer die leerstof en die opvoedingsmiddelen geven die over de levenloze natuur gaan.

Das Mineralische, das Physikalisch-Chemische, alles das sollte eigent­lich erst in diesem Lebensalter an das Kind herangebracht werden. Von den eigentlichen Verstandesdingen ist nur das Rechnen im früheren Lebensalter nicht schädlich. Das kann deshalb früher geübt werden, weil es mit der inneren Disziplinierung zusammenhängt, und weil es sich eigentlich sowohl der Willenskultur wie auch der Gemütskult’ir gegen­über neutral verhält; weil es ganz und gar davon abhängt, daß wir in der richtigen Weise von der Geometrie, von der Arithmetik das Kind von außen her zu beleben wissen während des Zeitalters, in dem das Kind vorzugsweise auf Autorität eingestellt ist.
Aber dasjenige, was die leblose Natur betrifft, was nun den Übergang dann bildet beim Menschen für das Technische, das sollen wir erst gegen das zwölfte Lebensjahr an das Kind heranbringen. Bei dieser Schilderung eines Lehrganges ist eben durchaus Rücksicht genommen auf dasjenige, was der Entwickelung des Kindes selber abgelesen werden kann. Bringt man in einer solchen Weise die äußere Welt an das Kind heran, dann kann man nämlich sicher sein, daß man in der Tat das Kind auch im richtigen Lebensalter zur Lebenspraxis führt. Und wir stehen ja leider

Mineralogie, natuur- en scheikunde, dat allemaal moet je eigenlijk pas in deze levensfase [11-12jr] aan het kind geven. Van de eigenlijke verstandszaken is alleen het rekenen op een eerdere leeftijd niet schadelijk. Het kan eerder worden geoefend, omdat het met de innerlijke orde samenhangt en omdat het zowel met de wilscultuur als met de gevoelscultuur in een neutrale verhouding staat; omdat het er ook helemaal van afhangt of wij op de juiste manier vanuit de meetkunde, vanuit het rekenen het kind van buitenaf weten te inspireren gedurende de tijd  dat het kind voornamelijk zich richt naar de autoriteit. Maar wat de levenloze natuur betreft, wat nu de overgang bij de mens vormt voor het technische, dat moeten we het kind pas tegen het twaalfde levensjaar aanbieden. Bij deze schets van een leergang is dus volstrekt rekenening gehouden met wat aan de ontwikkeling van het kind zelf afgelezen kan worden. Wanneer je op een dergelijke manier de uiterlijke wereld aan het kind aanbiedt, kun je er wel zeker van zijn, dat je inderdaad het kind ook op de juiste leeftijd naar de praktijk van het leven leidt. En helaas staan we daar

Blz. 174

einer Welt gegenüber in unserer heutigen Zivilisation, in der der Mensch nur in sehr geringem Maße zur Lebenspraxis geführt wird. Er wird zur Lebensroutine geführt, wird dazu geführt, daß er ein praktischer Mensch doch nur dadurch ist, daß er in mechanischer Weise einzelne Handgriffe ausführt. Die volle Liebe zur Praxis, die volle Liebe selbst zu demjeni­gen, was unsere Hände im groben verrichten müssen, die wird durch die heutige Schulerziehung nur in sehr geringem Maße entwickelt werden können. Gerade dann aber, wenn man in dieser Weise aus wirklicher Menschenerkenntnis heraus unterrichtet und erzieht, wird man den Übergang finden dazu, daß das Kind, wenn es das Reifezeitalter erlangt hat, ein inneres, selbstverständliches Bedürfnis hat, ein praktischer Mensch zu werden. Wir versuchen daher in der Waldorfschule, indem wir die Kinder heranführen bis zu diesem Lebensalter, das sich der Reife nähert, durchaus überall das Praktische in die Schule einzuführen. Wir versuchen, Handwerkliches, das zu gleicher Zeit in einem gewissen Sinne kunsthandwerklich behandelt wird, in die Schule einzuführen.
Wir haben die Waldorfschule so eingerichtet, daß Knaben und Mäd­chen durcheinander sind.

in onze huidige beschaving tegenover een wereld waarin de mens maar op heel bescheiden schaal naar de praktijk van het leven wordt geleid. Hij wordt naar routine in het leven geleid, wordt ertoe gebracht, dat hij alleen maar een praktisch mens is door op een automatische manier een paar handgrepen te verrichten. De volle liefde voor de praktijk, de volle liefde zelf voor wat we met onze handen ruwweg moeten verrichten, kan door de huidige schoolopvoeding maar in zeer geringe mate worden ontwikkeld. Maar juist dan echter, wanneer je op deze manier vanuit een echte menskunde lesgeeft en opvoedt, zal je de overgang vinden naar, dat het kind, wanneer het in de puberteit is gekomen, een innerlijk, vanzelfsprekende behoefte heeft om een praktisch mens te worden. Daarom proberen we op de vrijeschool wanneer we de kinderen tot aan deze leeftijd wanneer de rijpheid nadert begeleiden, overal in school het praktische in te voeren. We proberen het werken met de handen, dat tegelijkertijd in zekere zin als kunstzinnig met de handen werken gegeven wordt, in de school te brengen.
We hebben het in de vrijeschool zo georganiseerd dat jongens en meisjes door elkaar zitten.

Es hat sich dadurch bis jetzt nicht der geringste Schaden in der Erziehungsführung herausgestellt. Dafür aber hat sich das andere herausgestellt, daß Knaben Mädchenarbeiten, Stricken, Häkeln und dergleichen außerordentlich gern verrichten, und daß gerade in bezug auf diese Handarbeiten ein wunderbares Zusammenarbeiten stattfindet in der Waldorfschule. Und vielleicht nehmen Sie mir diese persönliche Bemerkung nicht übel: Derjenige, der als Knabe in der Schule einmal Stricken oder Häkeln gelernt hat, der weiß, wieviel heraufgeströmt ist von diesem Strickenlernen, von diesem Häkelnlernen in den Kopf; wieviel übergegangen ist von dem Anfassen der Strickna­deIn und dem Einfädeln der Nadeln in die konsequente Entwickelung des logischen Denkens. Das mag paradox erscheinen, das gehört aber doch zu den Intimitäten des Lebens.
Es ist durchaus nicht immer ein Denkfehler in seinem Ursprunge zu suchen im Intellekt, sondern es muß dasjenige, was in der Blüte des menschlichen Lebens in der Intelligenz zum Vorschein kommt, im ganzen Menschen gesucht werden. Vor allen Dingen aber muß man sich

Tot op heden is er niets gebleken van enig nadeel bij de opvoedingsbegeleiding. Maar er is wel wat anders gebleken, nl. dat jongens het meisjeswerk breien, haken e.d. buitengewoon graag doen en dat juist wat dit betreft bij dit werken met handen er een prachtige samenwerking op school plaatsvindt. En wellicht neemt u mij deze persoonlijke opmerking niet kwalijk: wie als jongen op school eenmaal heeft leren breien of haken, weet hoeveel er door dit leren breien en haken naar het hoofd gestroomd is; hoeveel er door het beetpakken van de breipennen en de haaknaalden en van een draad in de naald steken naar de zorgvuldige ontwikkeling van het logische denken gestroomd is. Dat mag dan paradoxaal klinken, maar dat hoort toch tot de fijnere zaken in het leven. Het is zeer zeker niet zo dat je een fout in het denken oorspronkelijk in het intellect moet zoeken, maar wat er in de bloei van het mensenleven in de intelligentie tevoorschijn komt, moet in de hele mens worden gezocht. Vooral echter moet je

Blz. 175

klar darüber sein, daß dasjenige, was an praktischer Betätigung zum Ausdrucke kommt, innig zusammenhängt nicht nur in der Wirkung, sondern auch in der Rückwirkung mit alledem, was menschliche Kopf­kultur ist.
Überhaupt liegt derjenigen Menschenerkenntnis, die auf anthroposo­phischer Grundlage ruht, wenn sie Pädagogik und Didaktik werden will, durchaus ob, den Menschen hinzuführen zu einer praktischen, zu einer realistischen Auffassung des Lebens. Anthroposophie will ja nicht in ein mystisches Wolkenkuckucksheim führen, indem der Mensch sich fremd macht gegenüber der Lebenspraxis, Anthroposophie will gerade in die volle Lebenspraxis hineinführen, so daß einem das praktische Leben wirklich lieb wird.
Ich glaube nicht, daß einer ein wirklicher Philosoph sein kann, der, wenn es darauf ankommt, nicht auch einen Schuh wenigstens annähernd fabrizieren kann, der nicht hineingreifen kann in das volle Menschenle­ben. Alle Spezialisierung im Leben, so sehr sie sein muß, hat eigentlich nur eine heilsame Wirkung, wenn der Mensch zu gleicher Zeit wenig­stens von einer gewissen Seite her im vollen Leben drinnensteht. Das können wir natürlich als erwachsene Menschen nicht

er helder over zijn dat wat er aan praktische activiteit tot uitdrukking komt, sterk samenhangt, niet alleen in de werking ervan, maar ook in het terugwerken op alles wat zich in het hoofd aan het ontwikkelen is.
En eigenlijk is het de taak van de menskunde die haar grondslag vindt in de antroposofie, wanneer deze tot pedagogiek en didactiek wil worden, vooral de mensen tot een praktische, tot een realistische opvatting over het leven te brengen. Antroposofie wil je niet naar luchtkastelen voeren, waardoor de mens vreemd tegenover de praktijk van het leven komt te staan; antroposofie wil juist tot het volle praktische leven brengen, zodat iemand werkelijk van het praktische leven gaat houden.
Ik geloof niet dat iemand een ware filosoof kan zijn, die, als het erop aankomt, niet ook minstens redelijk een schoen in elkaar kan zetten, die niet in het volle mensenleven kan aanpakken. Elk specialiseren in het leven – hoezeer dat ook nodig is – werkt alleen maar heilzaam, wanneer de mens tegelijkertijd, in ieder geval op een bepaalde manier, in het volle leven staat. Natuurlijk kunnen we dat als volwassen mensen niet.

Das soll aber in einer gewissen Weise doch erfüllt werden in der Erziehung und im Unterricht in der Weise, wie ich mir erlaubte, dies auseinanderzusetzen.
Dann, wenn wir so das Kind führen von der Betätigung zur Beobach­tung, zuletzt zum Versuche, zum praktischen Sich-Betätigen auch im Experimente, wenn wir es so führen von der Betätigung des Willens zu der gemütvollen Beobachtung und zu der verstandesmäßigen Betäti­gung, dann haben wir es durch einen Lehrgang geführt, der nun wirklich einen Seelen- und einen Geisteskeim in das Kind legt, die fruchtbar sein können für das ganze Leben. Und dieses ganze Leben muß eben von dem Unterrichtenden und Erziehenden ins Auge gefaßt werden.
Man hat viel nachgedacht über den eigentlichen Ursprung der Moral im Leben. Unsere Zeit ist eine Zeit der Abstraktion. Man philosophiert darüber, wie denn das Gute in das Leben hereinkommt, wo das Gute im Menschenleben als individuelles oder als soziales Gutes seinen Ursprung hat. Man kommt nur nicht auf das Konkrete dieses Ursprunges, weil unsere Zeit eine Zeit des Intellektuahsmus, eine Zeit der Abstraktion ist.

Maar op een bepaalde manier moet dat in de opvoeding en in het onderwijs wel voor elkaar komen, zoals ik dat uiteengezet heb.
Dan, wanneer we zo het kind leiden van het bezig zijn naar de waarneming, uiteindelijk naar de proef, naar het ook praktisch bezig zijn bij het experimenteren, wanneer we het zo leiden van de activiteit van de wil naar het gevoelswarme waarnemen en naar het verwerken met het verstand, dan hebben we het kind door een leergang geleid, die werkelijk een kiem in het kind kan leggen voor zijn ziel en zijn geest die voor heel het verdere leven vruchtbaar kan zijn.
En door de opvoeder en de leerkracht moet met dit hele leven rekening worden gehouden. Er is veel nagedacht over de eigenlijke oorsprong van de moraal in het leven. Onze tijd is er een van abstracties. Er wordt over gefilosofeerd hoe het goede in het leven komt, waar het goede in het mensenleven als individuele goedheid of sociaal zijn oorsprong heeft. Maar men komt niet op de concrete oorsprong, omdat onze tijd er een is van intellectualisme, een tijd van abstracties.      

Blz. 176

Aber man nehme nur das ganz ernst, daß es naturgemäß ist für das Kind, vom Zahnwechsel bis zur Geschlechtsreife sich hingeben zu können an die selbstverständliche Autorität, die für es die Welt ist. Und nehme man an, daß das Kind alles dasjenige, was es in seine Seele aufnimmt, unter dem Einflusse dieser Autorität aufnimmt, dann wird die Erziehungsfüh­rung so sein, daß in der Tat zunächst der Erziehende, Unterrichtende für das Kind wie das lebendige moralische Vorbild dasteht. Aber nehmen Sie meine ganze Schilderung, wie ich sie gegeben habe : Nicht moralisierend wirkt der Lehrer, der Erzieher; er hat gar nicht notig, moralisierend zu wirken, er ist selber die verkörperte Moral. Was er tut, wird unter dem Autoritätsgefühl von dem Kinde als das Richtige angesehen; was er unterläßt, wird als das Unrichtige angesehen. Und so entwickelt sich im lebendigen Verkehr von Kind und Lehrer und Erzieher ein System von Sympathie und Antipathie mit dem Leben. Und unter diesen Sympa­thien und Antipathien entwickelt sich das richtige Gefühl für Menschen­würde, für entsprechendes Drinnenstehen in der Welt. Tief im innersten Seelischen sehen wir etwas heraufrücken im Kinde in diesem Lebensal­ter, das zuweilen an die Oberfläche tritt und nur in der richtigen Weise gedeutet werden muß.

Maar je moet heel serieus nemen dat het voor het kind vanaf de tandenwisseling tot aan de puberteit iets van de natuur is om zich over te kunnen geven aan de vanzelfsprekende autoriteit die voor hem de wereld vertegenwoordigt. En als je aanneemt dat het kind alles met zijn ziel opneemt, onder invloed van de autoriteit, dan moet de opvoedende leiding zo zijn dat daadwerkelijk de opvoeder, de leerkracht voor het kind als een levend moreel voorbeeld voor hem staat. Maar begrijp uit alles wat ik naar voren heb gebracht: de leerkracht, de opvoeder moet niet moraliserend te werk gaan, dat heeft hij helemaal niet nodig, hij is de belichaamde moraal. Wat hij doet wordt door het kind vanuit het autoriteitsgevoel, voor het juiste gehouden; wat hij nalaat wordt als iets onjuist gezien. En zo ontwikkelt zich in de levendige omgang tussen kind en leerkracht, opvoeder een systeem van sympathie en antipathie met het leven. En onder deze sympathie en antipathie ontwikkelt zich het juiste gevoel voor de menselijke waardigheid, voor het daarbij horende handelen in de wereld. Diep in het binnenste van de ziel zien we iets in het kind van deze leeftijd dat naar buiten wil, dat af en toe aan de oppervlakte komt en dat hoeft alleen maar op de juiste manier begrepen te worden.

Wir sehen zuweilen, wie das Kind errötet, errötet unter dem Einflusse gewisser Gemütsbewegungen. Das bedeutsamste Erröten ist das Erröten beim Schamgefühl. Ich meine das Schamgefühl nicht nur im engeren Sinne, wo es sich auf das Geschlechtliche bezieht, sondern ich meine das Schamgefühl im allerweitesten Sinne, wenn das Kind irgend etwas getan hat, was ihm so erscheinen kann nach dem System der Sympathien und Antipathien, die es entwickelt hat, daß es sich zu schämen hat, daß es sich gewissermaßen zurückzuziehen hat von der Welt. Dann schießt ihm dasjenige, was sein Wesen, sein Lebenswesen ausmacht, in die Periphe­rie; es verbirgt sich gewissermaßen hinter der Schamröte das eigentliche Seelenwesen. Das andere Extrem ist dasjenige, wenn das Kind sich aufrechtzuerhalten hat gegenüber einem Bedrohlichen in der Umge­bung. Es tritt dann das Erblassen ein. Diese beiden Erscheinungen an der Oberfläche des Menschen, Erröten und Erblassen, deuten auf Wichtig­stes im menschlichen Seelenleben, sie deuten auf dasjenige, was das System der Sympathien und Antipathien im Leben ist

We zien af en toe hoe het kind bloost, bloost onder invloed van bepaalde gevoelens. Het belangrijkste rood worden, is dat bij het gevoel van schaamte. Ik bedoel het schaamtegevoel niet beperkt, wanneer het om het seksuele gaat, maar het gevoel van schaamte in de allerruimste zin, wanneer het kind een of ander iets gedaan heeft, wat voor hem dan door het systeem van sympathie en antipathie dat hij heeft ontwikkeld, zich zou moeten schamen, zodat het zich uit de wereld moet terugtrekken. Dan schiet zijn wezen, zijn levende wezen naar de periferie, zijn eigenlijke zielenwezen verbergt zich a.h.w. achter het schaamrood. Het andere uiterste is wanneer het kind zich staande moet houden tegenover iets bedreigends uit de omgeving. Dan trekt de mens wit weg. Die beide verschijnselen, rood worden en wit wegtrekken, duiden op iets heel belangrijks in het leven van de menselijke ziel; ze duiden op wat in het leven het systeem van sympathie en antipathie is.

Blz. 177

Ich möchte sagen, wenn man die seelische Fortsetzung nach innen für das Erröten, für das Erblassen studiert, dann studiert man das Ergebnis desjenigen, was der Lehrer, der Erzieher durch seine selbstverständliche Autorität als der pädagogisch-didaktische Künstler in dem Kinde, in der Seele, in dem Geiste des Kindes zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife ausbildet. Es wird zunächst nicht Moral gelehrt, es wird Moral gelebt. Das Gute wandert herüber in die Sympathien und Anti­pathien des Kindes vom Lehrer zum Kinde, und es lebt sich das aus in dem inneren Erröten und Erblassen der Seele, wenn das innere Lebens­gefühl durch Bedrohliches oder durch dasjenige, worüber man sich zu schämen hat, in einer gewissen Weise bedroht, vernichtet, gelähmt wird. Und so entwickelt sich für echte, wahre Menschenwürde die entspre­chende Empfindung, der entsprechende Empfindungskomplex in dem Kinde. Es ist von einer großen Wichtigkeit, daß in diesem labilen Gleichgewichte des Verhältnisses zwischen dem Kinde und seinem Erzieher, seinem Lehrer eine lebendige Moral sich entwickele.

Wanneer je bestudeert hoe blozen en wit wegtrekken in de ziel verder werken, bestudeer je het resultaat van wat de leraar, de opvoeder door zijn vanzelfsprekende autoriteit als pedagogisch-didactisch kunstenaar in het kind, in zijn ziel en geest tussen de tandenwisseling en de puberteit ontwikkelt. Er wordt zeker geen moraal aangeleerd, er wordt moraal voorgeleefd. Het goede gaat door sympathie en antipathie van het kind van de leraar op het kind over en dat wordt tot een innerlijk blozen en wit wegtrekken van de ziel wanneer het innerlijke levensgevoel door iets bedreigends of door iets waarvoor je je moet schamen, op een bepaalde manier wordt bedreigd of vernietigd of verlamd. En voor echte, ware menselijke waardigheid ontwikkelt zich het gevoel, het complex van gevoelens in het kind die erbij horen. Het is heel belangrijk dat in dit labiele evenwicht van de relatie tussen het kind en zijn opvoeder, zijn leerkracht zich een levende moraal ontwikkelt.

Denn wenn das Kind nun geschlechtsreif wird, dann kommt demjenigen, was ich gestern ja als den ätherischen Leib in der Zeit charakterisiert habe, als einen Zeitorganismus, es kommt diesem Zeitorganismus entgegen dasje­nige, was nun eine Art höheres Glied der menschlichen Organisation ist. Mit der Geschlechtsreife kommt das, was die Anthroposophie den astralischen Leib nennt, der den Menschen erst in der Weise, wie ich es geschildert habe, in die Welt hineinstellt, der den Menschen viel mehr in sich zusammennimmt als der ätherische Leib, es kommt dieser astrali­sche Leib nun dem ätherischen Leib entgegen, und dasjenige, was in mehr künstlerischer Weise in einem System von Sympathie und Anti­pathie ausgebildet ist, es verwandelt sich das in moralische Haltung, in Seelenverfassung.
Sehen Sie, das ist das wunderbare Geheimnis der Geschlechtsreife des Menschen, daß dasjenige, was wir vorher als lebendige Moral im Kinde pflegen,  dann bewußte Moral, Moralprinzipien wird mit der Geschlechtsreife. Das ist die Metamorphose, die sich vollzieht im gro­ßen. Davon ist dasjenige, was sich in der Erotik vollzieht, nur ein untergeordneter Ausdruck. Nur ein materialistisches Zeitalter sieht in der Erotik die Hauptsache. Aber in jenem wunderbaren Geheimnis muß

Want wanneer het kind dan geslachtsrijp is geworden, komt er – bij wat ik gisteren het etherlijf heb genoemd en als horend bij de tijd gekarakteriseerd heb, als een tijdorganisme – een soort hoger wezensdeel van de menselijke organisatie. Dan komt daarbij wat de antroposofie het astraallijf noemt, dat de mens pas op de manier waarop ik het geschetst heb, zijn plaats in de wereld geeft, dat de mens veel meer in zich geconcentreerd doet zijn dan het etherlijf; dit astraallijf komt bij het etherlijf en wat meer op een kunstzinnige manier in een systeem van sympathie en antipathie ontwikkeld is, metamorfoseert nu naar een morele houding, in iets van de ziel. Kijk, het wonderbaarlijke geheim van de geslachtsrijpheid van de mens is, dat wat wij eerder als levende moraal in het kind hebben verzorgd, dan bewuste moraal wordt, moraalprincipes. Dat is de metamorfose die zich in het groot voltrekt. En wat zich in het seksuele voltrekt, is daarvan maar een ondergeschikte uitdrukking. Alleen een materialistisch tijdperk ziet in het seksuele de hoofdzaak. Maar in dit wonderbaarlijke geheim     

Blz. 178

die Hauptsache gesehen werden, daß dasjenige, was wir zunächst auf mehr natürliche Weise begründen durch das unmittelbare Erleben, daß das dann als bewußte Moral zutage tritt.
Und alles, alles was bewußt an Moral in der Welt ist, was in unserer Sozietät, in unserem gesamten sozialen Leben als Moral lebt, das hat, so wie die Pflanze ihre Wurzeln im Boden hat, seine Wurzeln in demjeni­gen, was künstlerisch-ästhetisch als ein System von Sympathien und Antipathien zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife im schulpflichtigen Alter im Kinde gepflegt wird. Man suche nicht in philosophischen Abstraktionen den Ursprung des Guten, man gehe aus auf das wirkliche Anschauen, auf das Wirkliche, Konkrete. Man frage: Was ist das Gute im wirklichen Leben? Das Gute im wirklichen Leben ist, was wir imstande sind, zwischen der Autorität des Lehrenden und Erziehenden und dem Kinde in dem charakterisierten Lebensalter zu pflegen.
So wird das Leben als ein Ganzes betrachtet. Es wird betrachtet, was das Kind hat, wenn es in dem schulpflichtigen Alter gefestigt wird. Da steht seine Seele noch mit dem physischen Organismus in innigstem Zusammenhang.

moet de hoofdzaak gezien worden: dat wat we eerst op een meer natuurlijke manier aanleggen door het directe beleven, dat dit dan als bewuste moraliteit aan het licht komt.
En alles, maar dan ook alles wat bewust aan moraal in de wereld aanwezig is, wat in onze maatschappij, in ons hele sociale leven als moraal leeft, dat heeft, zoals de plant haar wortels in de aarde, zijn wortels in wat kunstzinnig-esthetisch als een systeem van sympathieën antipathieën tussen de tandenwisseling en de puberteit in de basisschoolleeftijd in het kind verzorgd wordt. De oorsprong van het goede hoef je niet in filosofische abstracties te zoeken, het gaat om het echte waarnemen, om de werkelijkheid. Er wordt gevraagd: wat is in het echte leven het goede? Dat is dat wij wat er tussen de autoriteit van de opvoeder, van de leerkracht en het kind bestaat op de gekarakteriseerde leeftijd kunnen verzorgen Zo wordt het leven als een geheel beschouwd. Er wordt naar gekeken hoe het met het kind is, wanneer het op de leerplichtige leeftijd sterker gemaakt wordt. Zijn ziel is nog innig verbonden met zijn fysieke organisme.

Erst im fünfunddreißigsten Jahre des Lebens etwa reißt sich eben das Seelische von dem Körperlichen. Dann können wir zwei Wege einschlagen als Menschen, zu denen wir leider oftmals nicht mehr die Freiheit haben. Der eine Weg ist der, daß, wenn sich das Seelisch-Geistige gewissermaßen abschnürt mit dem fünfunddreißigsten Lebens­jahre, wir in diesem Seelisch-Geistigen etwas haben, das lebt, weil in dem Sinne, wie ich das gestern auseinandergesetzt habe, lebende, wachsende Empfindungs- und Willensimpulse, Begriffe im kindlichen Alter einge­pflanzt worden sind, weil man sich nicht nur zurückerinnert an das­jenige, was man in der Schule erlebt hat, sondern weil man es immer wieder lebt, weil es ein fortdauerndes Entstehen des Lebens ist. Man wird dann alt, man wird in seinen Gliedern alt, man kann selbst runzelig werden, graue Haare bekommen, aber der grau gewordene Kopf, der vielleicht sogar von Gicht durchzogene Organismus, der hat dann eine frische Seele im höchsten Alter, der wird wieder jung, ohne kindisch zu werden.
Dasjenige, was man vielleicht als Fünfziger wie eine zweite Kindheit

Pas op het vijfendertigste jaar in het leven maakt zich de ziel los van het lichaam. Dan kunnen we als mens twee kanten op, waarvoor we helaas vaak niet meer de vrijheid hebben. De ene weg is, dat wanneer geest en ziel op een bepaalde manier op het vijfendertigste afgesnoerd worden, we dan iets in dit geest-zielengebied hebben dat leeft, omdat in de zin zoals ik dat gisteren uitgelegd heb, levende, groeiende gevoels- en wilsimpulsen, begrippen in de kinderleeftijd geplant zijn, omdat je je niet alleen herinnert wat je op school beleefd hebt, maar omdat je het steeds weer beleeft, omdat het een voortdurend ontstaan van het leven betekent. Dan word je oud, je wordt in je ledematen oud, je wordt rimpelig, krijgt grijs haar, maar dat grijs geworden hoofd, het misschien met reuma doortrokken lichaam, heeft toch op hoge leeftijd een frisse ziel, die weer jong wordt, zonder kinds te worden. Wat je misschien als vijftiger als een tweede kindertijd

Blz. 179

hat, das hat man daher, daß die Seele kräftig genug geworden ist während der Erziehung, während des Unterrichtes, nicht nur, wenn sie die körperliche Stütze hat, richtig zu wirken, richtig zu funktionieren, sondern auch dann, wenn sie sich losgeschnürt hat.
Derjenige, der als Lehrer und Erzieher dem Kinde gegenübersteht, der sieht nicht nur das Kind, der hat die Verantwortung auf seiner Seele lasten für alles dasjenige, was aus diesem Menschen werden kann, mit dem Lebensglück, mit der inneren Seelen- und Daseinssicherheit noch ins späteste Lebensalter hinein.
So kann man verfolgen dasjenige, was man erzieherisch, unterrichtend in das Kind verpflanzt, im einzelnen Menschen. Aber man kann das­jenige, was man verpflanzt, auch verfolgen in das soziale Leben hinein. Soziale Moral ist eine Pflanze, die ihre Wurzeln im Schulzimmer hat, wo die Kinder zwischen dem siebenten und vierzehnten Jahre unterrichtet werden. Und wie der Gärtner schaut auf den Boden seines Gartens, so sollte die menschliche Gesellschaft schauen auf den Boden der Schule, in der die Kinder in diesem Lebensalter unterrichtet werden, denn da liegt der Boden für alle Moral, für alles Gute.

hebt, komt omdat de ziel krachtig genoeg geworden is gedurende de opvoeding, tijdens het onderwijs, niet alleen omdat ze de lichamelijke steun heeft, goed te werken, goed te functioneren, maar ook dan wanneer ze afgesnoerd geraakt is.
Degene die als leerkracht en opvoeder voor het kind staat, ziet niet alleen het kind, de verantwoording drukt op zijn ziel voor alles wat er van dit mens worden kan, met het levensgeluk, met de innerlijke zekerheid en het vertrouwen in het bestaan tot op hoge leeftijd aan toe.
Zo kun je volgen wat je opvoedend en lesgevend in het kind plant, in de individuele mens. Maar dit kun je ook volgen in het sociale leven. Sociale moraal is een plant die haar wortels heeft in de klas, waar de kinderen tussen het zevende en veertiende jaar les krijgen. En zoals de tuinman kijkt naar de grond van zijn tuin, zo zou de maatschappij moeten kijken naar de grond van de school waar de kinderen op deze leeftijd les krijgen, want daar ligt de voedingsbodem voor alle moraal, voor al het goede.

Anthroposophie will in befriedigender Weise Menschenerkenntnis sein, Erkenntnis des Menschen als eines einzelnen individuellen Wesens, Erkenntnis des Menschen als eines sozialen Wesens. Sie will die einzel­nen Lebensgebiete befruchten. Sie will in dieser Weise dasjenige befruch­ten, was Pädagogik und Didaktik ist. Es ist mir natürlich in zwei Vorträgen nur möglich, einige Richtlinien zu geben. Anthroposophie wird weiter arbeiten, denn es ist selbstverständlich zuerst nur ein bescheidener Anfang, der mit einer pädagogischen und didaktischen Grundlegung gemacht werden konnte. Zu Weihnachten werde ich in Dornach für ein weiteres, internationales Publikum versuchen, in einer ganzen Reihe von Vorträgen die anthroposophische Pädagogik und Didaktik weiter auszubauen. Dasjenige aber, was ich zeigen wollte auch mit diesen wenigen Richtlinien, das ist das, daß es bei Anthroposophie auch in pädagogischer Beziehung nicht ankommt auf irgend etwas Theoretisches oder auf der Begründung einer Ideen-Weltanschauung, sondern daß es ankommt auf die Lebenspraxis. Und das mißkennt man gewöhnlich der Anthroposophie gegenüber. Man hält die Anthroposophie

Antroposofie wil op een tevreden stellende manier menskunde zijn, kennis van de mens als een uniek individueel wezen, kennis van de mens als een sociaal wezen. Ze wil vruchtbaar zijn voor de verschillende terreinen in het leven. Op deze manier wil ze vruchtbaar zijn voor pedagogie en didactiek. In twee voordrachten heb ik slechts de mogelijkheid een paar richtlijnen te geven. Antroposofie zal verder werken, want het is vanzelfsprekend vooralsnog slechts een bescheiden begin dat met een pedagogisch en didactische basis gemaakt kon worden. Met Kerstmis zal ik in Dornach voor een groter, internationaal publiek proberen in een reeks voordrachten aan de antroposofische pedagogiek en didactiek verder te bouwen.
Wat ik met deze weinige richtlijnen wilde laten zien is dat het bij antroposofie ook in pedagogisch opzicht niet aankomt op een of andere theorie of op in het leven roepen van een ideeën-wereldbeschouwing, maar dat het aankomt op de praktijk van het leven. Maar dat miskent men gewoonlijk als het om antroposofie gaat. Men houdt de antroposofie

Blz. 180

für etwas Lebensfremdes. Das will sie nicht sein. Sie will nicht den Geist erkennen, damit der Mensch sich mit dem Geist in ein Wolken­kuckucksheim versetzen kann und lebensfremd wird, sie will den Geist erkennen, damit der Geist schaffend auch in allem materiellen Sein ist. Und daß er ein Schaffender ist, das wird vielleicht doch schon aus den, wenn auch noch geringen Erfolgen der Stuttgarter Freien Waldorfschule heraus erkannt werden können. Die Stuttgarter Freie Waldorfschule hat ja in ihrem Betriebe nicht etwa bloß den Unterricht der Kinder. In diesen Unterricht fließt vieles andere ein, und wir haben namentlich immer dann, wenn ich selber in Stuttgart sein kann, Lehrerkonferenzen. In diesen Lehrerkonferenzen wird fast jedes einzelne Kind auf seine Individualität hin behandelt; nicht etwa in aburteilender Weise, sondern darnach behandelt, was man gerade durch diese besondere Individualität des Kindes lernen kann. Die wunderbarsten Dinge haben sich ergeben.
Ich habe schon immer meine Aufmerksamkeit darauf gewendet, was sich für eine Klasse ergibt, je nachdem Mädchen in der Majorität sind, wir haben solche Klassen, oder Knaben in der Majorität sind, wir haben auch solche Klassen. 

voor iets wereldvreemds. Dat wil zij niet zijn. Ze wil niet de geest kennen opdat de mens met de geest in een luchtkasteel kan gaan zitten en wereldvreemd wordt, ze wil de geest kennen opdat de geest scheppend kan zijn, ook in alles wat het stoffelijk zijn is. En dat die geest scheppend is, wordt wellicht al duidelijk uit de resultaten van de vrijeschool in Stuttgart, ook al kunnen er nog maar weinig  bekend zijn.
De vrijeschool in Stuttgart kent in wat ze doet niet alleen maar het onderwijs aan de kinderen. In dit onderwijs vloeit veel van iets anders in; wij hebben namelijk steeds wanneer ik zelf in Stuttgart kan zijn lerarenvergaderingen. In deze wordt aan bijna ieder kind wat zijn individualiteit betreft, aandacht besteed; niet op een veroordelende manier, maar op wat je juist van deze bijzondere individualiteit van het kind kan leren. Daar zijn de meest verbazingwekkende dingen uit gekomen.

Ik heb steeds aandachtig gekeken wat het voor een klas betekent wanneer er meer meisjes in zitten, we hebben van die klassen, of wanneer de jongens in de meerderheid zijn, die klassen hebben we ook.

Wir haben auch Klassen, in denen ungefähr dieselbe Zahl von Mädchen und Knaben sind. Man kann niemals aus dem persönlichen Verkehr dasjenige ableiten, was das Charakteristikon sol­cher Klassen ist. Es spielen da durchaus seelisch-geistige Imponderabi­lien. Aber eine Klasse, in der die Mädchen in Majorität sind, ist ganz anders, selbstverständlich nicht besser und nicht schlechter, aber ganz anders, als wenn Knaben in Majorität sind. Und wieder eine Klasse, in der die beiden Geschlechter in gleicher Anzahl vorhanden sind, ist wiederum ganz anders. Dasjenige aber, was sich dadurch, daß wirklich auf die Individualität eines Kindes eingegangen wird bis zu dem Grade, der in den Zeugnissen zum Ausdruck kommt, ergibt, das ist, daß man tatsächlich heute schon bei dieser Waldorfschule nicht nur sprechen kann – ich möchte das in aller Bescheidenheit erwähnen – von den fünfundzwanzig oder achtundzwanzig Lehrern, die da sind, sondern daß man sprechen kann von dem Geist der Waldorfschule.
Dieser Geist der Waldorfschule setzt sich ja bis in die Familien hinein fort. Ich weiß, wie beglückt sich die Familien fühlten, wenn sie die

We hebben ook klassen waarin ongeveer evenveel meisjes als jongens zitten. Je kan nooit uit een persoonlijke omgang afleiden, wat het karakter van zo’n klas is. Daar zijn ook zeker onzichtbaar werkende invloeden van een geest-zielenkwaliteit. Maar een klas waarin meer meisjes zitten, is anders, vanzelfsprekend niet beter en niet slechter, maar heel anders dan wanneer de jongens in de meerderheid zijn. En ook een klas waarin de beide geslachten in gelijke mate aanwezig zijn, is ook weer heel anders. Maar wat tot uitdrukking komt doordat er daadwerkelijk op de individualiteit van een kind wordt ingegaan tot in die mate die in het getuigschrift tot uiting komt, blijkt dat je nu al bij deze vrijeschool niet alleen kan spreken – dat wil ik in alle bescheidenheid zeggen – over de vijfentwintig of achtentwintig leerkrachten die er zijn, maar over de  geestelijke instelling van de vrijeschool.
Deze geestelijke instelling bereikt ook de gezinnen. Ik weet hoe blij de gezinnen zich voelen, wanneer zij de

Blz. 181

Zeugnisse der Kinder bekommen haben, und wie beglückt die Kinder ihre Zeugnisse nach Hause trugen. Ich möchte wirklich niemandem zu nahe treten – verzeihen Sie mir, wenn ich ein rein persönliches Aperçu vorbringe -, aber ich habe es im Leben niemals dazu gebracht, richtig zu Iunterscheiden gegenüber den Schülerleistungen, wie eine vier von einer drei oder gar eine drei bis vier von einer vier als Zensurnote sich unterscheidet, oder «fast befriedigend» von «befriedigend»; das war mir immer unmöglich, gegenüber den Leistungen von Kindern zu unter-scheiden bei all den Imponderabilien, die da in Betracht kommen. Wir geben in der Waldorfschule gar nicht solche Zeugnisse, sondern wir geben Zeugnisse, in denen wir einfach das Kind beschreiben, so daß jedes Zeugnis eine individuelle Leistung des Lehrers ist. Und dazu geben wir dem Kind in das Zeugnis hinein einen Jahresspruch mit, den das Kind sich gewissermaßen, indem es ihn immer wieder und wiederum sich im folgenden Jahre, bis es den nächsten bekommt, vor die Seele führt, an dem das Kind sich kräftigen kann, der ganz auf die Individuali­tät des Kindes zugeschnitten ist. So ist das Zeugnis für das Kind etwas durchaus Individuelles. Man kann, indem man so verfährt, starke Dinge in die Zeugnisse hineinschreiben.

getuigschriften van de kinderen gekregen hebben en hoe blij de kinderen hun getuigschrift thuisbrachten. Ik wil niemand kwetsen – neemt u mij niet kwalijk dat ik een puur persoonlijke opmerking maak – maar ik heb het in mijn leven nooit voor elkaar gekregen om wat de schoolprestaties betreft een onderscheid te kunnen maken tussen zes en zeven als rapportcijfer of een zes en een zes plus of tussen ‘bijna voldoende’ en ‘voldoende’; bij al het imponderabele wat daarbij komt kijken was het mij onmogelijk dat onderscheid te maken in de prestaties van kinderen. Op de vrijeschool geven we dergelijke rapporten niet, maat we geven getuigschriften waarin we de kinderen gewoon beschrijven, zodat ieder getuigschrift een individuele prestaties van de leerkracht is. En in het getuigschrift geven we het kind een spreuk voor dat jaar mee, die helemaal op de persoon van het kind toegesneden is, en die het kind dan in zekere zin wanneer het die in het jaar daarop steeds weer met zijn gevoel kan beleven, sterker kan maken, tot er weer een andere komt. Het getuigschrift is voor het kind iets totaal individueels. En als je zo te werk gaat, kan je in het getuigschrift veelzeggende dingen schrijven.

Die Kinder nehmen ihr Spiegelbild, selbst wenn es nicht ganz lobend ist, durchaus hin. So weit haben wir es doch durch das Verhältnis zwischen Lehrern und Schülern in der Waldorfschule gebracht. Aber vor allen Dingen durch solche Dinge, die ich noch näher beschreiben könnte, rechtfertigt sich dasjenige, was man wie eine Wesenheit den Waldorf-Schulgeist nennen könnte. Er wächst, er ist ein organisches Wesen. Ich spreche natürlich bildlich, aber diese Bildlichkeit bedeutet eine Wirklichkeit. Es wird einem ja oftmals gesagt:
Die Lehrer können nicht alle vollkommen sein. Man kann also die schönsten Erziehungsgrundsätze haben, an der Unvollkommenheit des Menschen scheitern sie.
Ja, aber wenn man diesen konkreten Geist hat, den ich meine, der nun wirklich aus anthroposophischer Menschenerkenntnis hervorgeht, wenn man in der richtigen Weise empfinden kann gegenüber diesem Geiste, dann wächst der Mensch an diesem Geiste heran. Und ich schwatze wohl nicht aus der Schule – wörtlich in diesem Falle -, wenn ich sage, daß die Lehrer der Waldorfschule tatsächlich an dem Geiste der Waldorfschule 

De kinderen nemen hun spiegelbeeld, zelfs als het niet helemaal lovend is, ter harte. Zover hebben we het met de verhouding tussen leerkrachten en leerlingen op de vrijeschool al wel gebracht. Maar vooral door die dingen die ik nog nader zou kunnen beschrijven, is het gerechtvaardigd de geest van de vrijeschool iets wezenlijks te noemen.
Die groeit, het is iets organisch. Natuurlijk spreek ik in een beeld, maar dit beeld is wel een realiteit. Ik hoor dikwijls: ja maar, de leerkrachten kunnen niet allemaal perfect zijn. Je kan nog zulke mooie opvoedingsbeginselen hebben, ze lukken niet doordat de mensen niet perfect zijn.
Ja, maar wanneer die concrete geest aanwezig is die ik bedoel, die daadwerkelijk door de antroposofische menskunde ontstaat, wanneer je op een goede manier voor deze geest een gevoel hebt, dan groeit de mens door deze geest. En ik klets zeker niet uit de school – letterlijk in dit geval – wanneer ik zeg dat de leraren van de vrijeschool in wezen echt naar de geest van de vrijeschool

Blz. 182

wesentlich herangereift sind. Das fühlen sie auch. Sie fühlen auch, daß dieser Geist unter ihnen umgeht, daß sie selber wachsen unter diesem Geist und daß von den individuellen Fähigkeiten manches, was für die ganze Schule geleistet werden soll, unabhängig wird, daß auch da ein einheitlicher Geist darinnen ist, daß durchaus der Geist bei allen vorhanden ist, die in der Schule lehren und erziehen, der Geist, der das höchste Interesse daran hat, in dieser Weise in der Schule Keime zu legen, die für das ganze Leben gelten können, wie ich das geschildert habe. Man sieht das an einzelnen Erscheinungen. Selbstverständlich haben wir auch Kinder mit schwachen Fähigkeiten, und es ist natürlich notwendig geworden, diese Kinder von den anderen abzusondern. So ist eingerichtet mit einem sehr hingebungsvollen Lehrer eine Hilfsklasse für schwächer veranlagte Kinder. Jedesmal muß ein Kampf bestanden werden, ein Schmerzenskampf mit den Lehrern, wenn sie irgendein Kind für die Hilfsklasse hergeben sollen, und ohne die dringendste Notwendigkeit wird kein Kind von dem Lehrer an die Hilfsklasse abgegeben. Würde man schematisch verfahren, dann würde manches Kind in diese Hilfsklasse abgeschoben werden, das der Lehrer, sich seine Mühe wirklich ins Unermeßliche vergrößernd, in der Schul­klasse drinnen behält unter den anderen Kindern.

toegegroeid zijn. Dat beleven ze ook. Ze ervaren ook dat deze geest onder hen is, dat ze zelf groeien onder deze geest en dat veel van wat voor de school gedaan moet worden, van de individuele vermogens onafhankelijk wordt, dat er ook op dat punt een geest van eenheid bestaat, dat deze geest volstrekt bij iedereen aanwezig is die in de school les wil geven en wil opvoeden, de geest die er de grootste interesse voor heeft op deze wijze kiemen in de school te planten die voor het hele verdere leven waarde kunnen hebben, zoals ik dat geschetst heb. Dat kun je aan bepaalde fenomenen zien. Vanzelfsprekend hebben we ook kinderen met zwakke talenten en uiteraard is het noodzakelijk geworden deze kinderen apart van de anderen te zetten. En dus werd er een hulpklas ingericht met een zeer toegewijde leerkracht voor minder getalenteerde kinderen. Iedere keer vindt er een worsteling plaats, een pijnlijke worsteling met de leerkrachten wanneer deze een bepaald kind aan de hulpklas moeten afstaan en zonder de meest dringende noodzakelijkheid wordt er geen kind door de leerkracht aan de hulpklas afgestaan. Als je met schema’s zou werken, zouden meer kinderen naar deze hulpklas geschoven worden voor wie de leerkracht zich steeds meer moeite getroost, de allergrootste, ze in de klas bij de andere kinderen te houden.

Das sind Dinge, die ich nicht sage, um zu renommieren, sondern um zu charakterisieren. Ich würde sie nicht sagen, wenn es eben nicht notwendig wäre, hinzuweisen darauf, daß Anthroposophie eine pädago­gische und didaktische Grundlegung geben kann, die zu etwas durchaus Realem, zu einem realen Geiste führt, der den Menschen trägt, der nicht bloß wie der abstrakte Geist von dem Menschen getragen werden muß. Und das brauchen wir gegenüber unserer verfallenden Zivilisation, daß lebendige Geistigkeit wiederum unter uns kommt. Wir sollten durchaus eine jede einzelne Lebensfrage wiederum im Zusammenhange mit dem ganzen Leben betrachten können.
Nun, dasjenige, was heute als die brennendste Frage oftmals genannt wird, das ist die soziale Frage. Die soziale Frage interessiert im weitesten Umfange. Diese soziale Frage, die uns neben dem Ersprießlichen unge­heures Elend gebracht hat – wir brauchen nur an den europäischen Osten zu denken -, diese soziale Frage hat aber viele einzelne Einschläge.

Dit zijn dingen die ik niet zeg om daarmee op te scheppen, maar om te karakteriseren. Ik zou het niet zeggen als het niet nodig was erop te wijzen dat antroposofie een pedagogische en didactische grondslag kan geven die tot iets heel concreets, tot een echte geest leidt die de mens draagt, die niet alleen maar zoals de abstracte geest door de mens moet worden meegedragen. En dat hebben we nodig wat onze in verval zijnde beschaving betreft; dat er weer iets levend geestelijks onder ons komt. Dan zouden we weer iedere individuele levensvraag in samenhang met het hele leven kunnen overzien.
Wat tegenwoordig dikwijls als de meest brandende vraag opgeworpen wordt, is de sociale vraag. Er is in de ruimste mate interesse voor het sociale vraagstuk. Dit sociale vraagstuk dat ons naast wat vruchtbaar is, ongekende ellende heeft gebracht – we hoeven alleen maar aan Oost-Europa te denken – deze sociale kwestie heeft echter ook vele aparte neveneffecten.

Blz. 183

Einer der wichtigsten ist zweifellos derjenige, der es mit Erzie­hung und Unterricht zu tun hat. Ja, man wird sogar behaupten dürfen, daß, ohne sich der Erziehungs- und Unterrichtsfrage als einer sozialen .Aufgabe zu widmen aus wirklicher Menschenerkenntnis heraus, die soziale Frage auch auf den verschiedensten Gebieten des Lebens nicht auf einen gesunden Boden gestellt werden kann. Anthroposophie möchte es auf allen Gebieten mit dem Leben durchaus ernst und ehrlich nehmen. Sie möchte es daher vor allen Dingen mit dem Erziehen, mit dem Unterrichten ernst und ehrlich nehmen. Merkwürdig, in bezug auf das geistige Leben ist der Menschheit im Zeitalter der Abstraktion und des Intellektualismus ein Begriff ganz verlorengegangen. Wenn wir nach Griechenland zurückgehen, so haben wir noch diesen Begriff. Es ist der Begriff, der zu gleicher Zeit ein gesundheitliches Heilen und ein Erziehen, ein Lernen und Lehren bedeutet. Man war sich noch im alten Griechenland bewußt, daß Lehren Gesundmachen des Menschen ist, daß dasjenige, was den Menschen seelisch, erzieherisch, unterrichtend beigebracht wird, in ihnen einen Heilprozeß veranlaßt.

Een van de belangrijkste is zonder twijfel wat te maken heeft met opvoeding en onderwijs. Je mag wel beweren dat zonder je te richten op de opvoedings- en onderwijsvraag vanuit een echte menskunde als een sociale opgave, het sociale vraagstuk ook op de meest uiteenlopende gebieden geen vruchtbare basis gegeven kan worden. Antroposofie wil elk terrein van het leven oprecht ernstig en eerlijk nemen. En dat met name voor het opvoeden en het onderwijs.
Het is opmerkelijk dat wat het geestesleven betreft voor de mensheid in het tijdperk van abstracties en intellectualisme één begrip helemaal verloren is gegaan. Wanneer we teruggaan naar het oude Griekenland, dan vinden we dat begrip daar nog. Het is het begrip dat genezen wat de gezondheid betreft tegelijkertijd opvoeden en onderwijzen en zelf leren betekent. In het oude Griekenland was men zich er nog bewust van dat onderwijs een gezond maken van de mens is, dat wat de mens voor zijn gevoel, opvoedend, lerend bijgebracht wordt, in hem een impuls is voor gezondheid.

Der Unterrichtende im weitesten Umfange fühlte sich einstmals in der Menschheitsentwicklung als ein Heiler. Gewiß, die Zeiten ändern sich und damit der Charakter der menschlichen Entwicke­lung, und die Begriffe werden nicht in genau derselben Weise fortgelten können, wie sie einstmals gegolten haben. Wir werden nicht zurückgrei­fen können zu dem Begriff, daß die Menschheit eine sündige ist, daß wir also auch in dem Kinde ein Glied der sündigen Menschheit vor uns haben, das wir zu heilen haben und von da aus in der Pädagogik gewissermaßen nur einen Zweig der höheren, der geistigen Medizin zu sehen haben. Aber wir werden immerhin auf das Richtige sehen, wenn wir uns sagen : Je nachdem wir erzieherisch und unterrichtend auf das Kind wirken, bewirken wir für seine Seele im späteren Lebensalter Gesundes oder Krankes, geistig-seelisch Gesundes oder Krankes, das aber auch durchaus auf das Körperliche, auf das Physische übergehen kann.
In diesem Sinne, daß der Mensch in seinem Leben nach Geist, Seele und Leib, soweit es nach seinen Anlagen möglich ist, in gesunder Weise sich entwickele, dazu möchte anthroposophische Pädagogik und Didaktik

De leraar in de  ruimste zin van het woord had toen in de ontwikkeling van de mensheid het gevoel iemand te zijn die gezond maakt. Natuurlijk, tijden veranderen en daarmee het karakter van de ontwikkeling van de mens en de begrippen kunnen niet op dezelfde manier blijven bestaan zoals die eens golden. We kunnen niet terugvallen op het begrip dat de mensheid zondig is, dat we dus ook in het kind een lid voor ons hebben van een zondige mensheid dat wij gezond moeten maken en daarom de pedagogie zouden moeten beschouwen als een tak van een hoger, geestelijk medicijn. Maar we kijken altijd naar het juiste feit wanneer we zeggen: Al naar gelang we opvoedend en onderwijs gevend op het kind inwerken, laten we voor zijn ziel op latere leeftijd iets gezonds of iets ziekmakends ontstaan, geestelijk-psychisch gezond of ziek, wat ook nog eens op het lichamelijke, het fysieke over kan gaan.
Aan wat betreft, dat de mens in zijn leven wat geest, ziel en lichaam aangaat, in zoverre zijn aanleg dat toelaat, zich op een gezonde manier ontwikkelen kan, wil antroposofische pedagogie en didactiek

Blz. 184

im richtigen Sinne das ihrige beitragen. In diesem Sinne möchte Anthroposophie allerdings eine Pädagogik und Didaktik begründen, die zu gleicher Zeit ein Heilendes für die Menschheit ist, so daß alles dasjenige, was wir dem Kinde verabreichen, was wir in der Umgebung des Kindes tun, zwar nicht im totalen Sinne eine Arznei ist, aber ein Mittel ist, daß das Leben des Menschen sowohl in individueller wie in sozialer Beziehung ein Heilsames, ein Gesundes werde.

op een goede manier het hare bijdragen. In dit opzicht wil antroposofie metterdaad een basis leggen voor een pedagogie en didactiek die tegelijkertijd iets gezond makends voor de mensheid is, zodat alles wat we het kind aanreiken, wat we in de omgeving van het kind doen, weliswaar niet in z’n totaliteit, iets  van een geneesmiddel heeft, dat het leven van de mens én individueel én in sociaal verband iets heilzaams heeft, iets gezond makends.

Es wird im Anschluß an den ersten Vortrag um eine Erläuterung gebeten in bezug auf die Frage nach der Unsterblichkeit zwischen dem neunten und zehnten Lebensjahre.

Dr. Steiner: Es handelt sich natürlich da nicht um die Frage der Unsterblichkeit in expliziter Weise. Aber ich möchte sagen, in dem ganzen Lebenskomplex, der sich da auslebt, liegt ja natürlich auch die Frage nach dem Unsterblichen des Menschenlebens. Das Problem liegt schon darinnen. Ich glaube mich nicht ganz undeutlich ausgedrückt zu haben. Ich sagte so:

In diesem Lebensalter erlebt das Kind eine neue Form, eine neue Metamorphose in bezug auf das Autoritätsgefühl, das es zum Lehrer und Erzieher hat. Bisher schaute es auf zum Lehrer und Erzieher.

Aansluitend aan de 1e voordracht werd er om een verduidelijking gevraagd wat betreft de vraag naar de onsterfelijkheid voor kinderen tussen het negende en tiende levensjaar.

Dr. Steiner: Het gaat hier natuurlijk niet om de expliciete vraag omtrent de onsterfelijkheid. Maar ik kan zeggen: in het gehele levenscomplex dat zich ontplooit, zit natuurlijk ook de vraag naar de onsterfelijkheid van de mens. Daar ligt het probleem al. Ik geloof dat ik mij niet geheel onduidelijk heb uitgedrukt. Ik zei het zo: In deze leeftijd beleeft het kind een nieuwe vorm, een nieuwe metamorfose wat betreft het autoriteitsgevoel dat het voor de opvoeder en leraar heeft.

Man darf das nicht nach irgendwelchem Parteigrundsatz beur­teilen, sondern man muß das aus der Entwickelung des Kindes heraus beurteilen. Denn nachdem das Kind vom Zahnwechsel bis dahin eigent­lich nur hat empfinden können: dasjenige, was der Lehrer sagt, das ist das, was meine Seele glauben soll, das, was der Lehrer tut, ist für mich Gebot und so weiter, nachdem das Kind so recht in dem Lehrer, in dem Erzieher sein Vorbild gesehen hat, soll es in diesem Lebensalter gewahr werden: der hat nun auch eine Autorität über sich; die aber wirkt nun nicht mehr hier in der Welt, die ist entrückt in die Welt des Göttlich-Geistigen. Also dieses, was im Lehrer lebt als des Erziehers Beziehung zum Übersinnlichen, das soll sich gefühlsmäßig auf das Kind übertragen.
Es ist durchaus nicht so, daß das Kind etwa kommt und diese oder jene Frage wirklich stellt, ausgesprochen in Worten; aber das Kind zeigt in seinem ganzen Verhalten, daß es in diesem Lebensalter darauf ange­wiesen ist, daß der Lehrer berücksichtigt, daß es mit dem Übersinnli­chen, aber durch die Autorität des Lehrers, in eine gewisse Beziehung gebracht sein will. Wie das im einzelnen gehandhabt wird, ist durchaus

Je mag dit niet beoordelen als een of ander partijbeginsel, maar je moet dit beoordelen vanuit de ontwikkeling van het kind. Want nadat het kind vanaf de tandenwisseling tot dan toe eigenlijk alleen maar kan ervaren: wat de leraar zegt wil ik in mijn ziel geloven, wat de leraar doet, is voor mij een gebod, enz. Nadat het kind zo precies in de leraar, in de opvoeder zijn voorbeeld zag, moet het op deze leeftijd gewaarworden: hij heeft ook een autoriteit boven zich; die is hier niet meer in de wereld aanwezig, die is verdwenen naar de wereld van het goddelijk-geestelijke. Dus wat in de leraar leeft als het betrokken zijn op de spirituele wereld, moet gevoelsmatig op het kind worden overgedragen.
Het is zeker niet zo dat het kind a.h.w. komt en deze of gene vraag daadwerkelijk stelt, uitgesproken in woorden; maar het kind laat in zijn hele gedrag zien dat het in deze leeftijdsfase erop aangewezen is, dat de leraar er rekening mee houdt dat het met het spirituele, maar dan door de autoriteit van de leraar, een bepaalde verhouding wil krijgen. Hoe dat in het individuele geval gaat, is natuurlijk ook

Blz. 185

vom individuellen Fall abhängig. Fast niemals gleicht ein Fall ja dem anderen. Es ist manchmal so, daß ein Kind, sagen wir einmal, nachdem es vorher ganz munter war, ein paar Tage verstimmt in die Schule kommt. Wenn man nun Praxis in diesen Dingen hat, so weiß man, daß das eben von dem Charakterisierten herrührt. Und dann bedarf es manchmal durchaus nicht irgendeiner bestimmt formulierten oder mit einem bestimmten Inhalt erfüllten Aussage des Lehrerof iets dergelijkss und dergleichen, sondern nur die Art und Weise, wie man sich dann zu dem Kinde verhält, wie man es liebevoll anredet in diesen Tagen, wie man sonst sich zu ihm verhält, das macht es aus, daß das Kind über eine gewisse Kluft hinweggeführt wird. Es ist nicht eine Kluft etwa für den Intellekt, sondern für die Gesamtkonstitution der Seele. Die Unsterblichkeitsfrage ist schon darinnen, aber nicht explicite, sondern sie ist implicite drinnen, es ist eine Frage des ganzen Lebens, eine Frage, die einmal herannaht, so daß das Kind an dem Lehrer empfinden lernt : Der ist nicht nur ein menschliches Wesen, seiner menschlichen Organisation nach, sondern in dem offenbart sich etwas, was er selber als seine Beziehung zur übersinn­lichen Welt erlebt. Das ist etwa dasjenige, was ich noch sagen wollte.

van het individuele geval afhankelijk. Bijna nooit lijkt het ene geval op het andere. Het is soms zo dat een kind, laten we zeggen, nadat het er vóór heel opgewekt was, een paar dagen ontevreden naar school komt. Wanneer je met deze dingen een praktische ervaring hebt, weet je dat dit te maken heeft met wat ik gekarakteriseerd heb. En dan heb je soms helemaal niet een of ander duidelijk geformuleerde of met een bepaalde inhoud gevulde uitspraak van de leerkracht nodig of iets dergelijks, maar alleen maar de manier waarop je met dit kind omgaat, hoe je het liefdevol aanspreekt deze dagen, hoe je je normaal gesproken opstelt naar het kind, dat maakt dat het kind over een bepaalde kloof wordt begeleid. Het is geen kloof van het intellect, maar een van de totale gesteldheid van de ziel. De vraag naar de onsterfelijkheid zit erin, maar niet expliciet, echter zit die er wel expliciet in, het is een vraag van het hele leven, een vraag die op een keer duidelijker wordt, zodat het kind aan zijn leerkracht leert ervaren: hij is niet alleen een menselijk wezen wat zijn menselijke organisatie betreft: maar in alles is duidelijk wat hij zelf beleeft als zijn relatie met de bovenzintuiglijke wereld. Dat wilde ik nog zeggen.

Dr. Steiner: Ich bin hier noch schriftlich gefragt worden, meine sehr verehrten Anwesenden, und ich möchte ganz kurz auf diese Frage noch antworten: «Können die Altersabschnitte der Siebenerrhythmen für das ganze Leben verfolgt werden und wie erfolgen die Metamorphosen?»
Nun, es ist in der Tat so daß für die erste Zeit des Lebens, Zahnwech­sel, Geschlechtsreife und noch für den Beginn der Zwanzigerjahre, für denjenigen, der nun wirklich intim dieses Leben beobachten kann, diese Abschnitte sehr stark voneinander kontrastiert sind. Man wird leicht auch sehen können, wie für diese Zeit der Mensch einen starken Paralle­lismus hat in bezug auf seine physische Entwickelung und in bezug auf seine geistig-seelische Entwickelung. Allerdings sind dann auch im späeren Leben solche Abschnitte vorhanden. Sie verlaufen aber durchaus intimer, und das eigentümliche ist das, sie verwischen sich immer mehr, je mehr die Menschheit fortschreitet. Ich könnte auch sagen, sie vern­nerlichen sich. Und gegenüber unserer heutigen mehr äußerlichen Geschichtsbetrachtung ist es vielleicht doch nicht unnütz, darauf hinzuweisen,

Dr. Steiner: Er is mij, zeer geachte aanwezigen, nog schriftelijk iets gevraagd en ik zou nog heel kort op deze vraag willen antwoorden.
Kunnen de leeftijdsfasen in het ritme van de zeven jaar het hele leven door gevolgd worden en hoe verlopen de metamorfosen?

Wel, inderdaad is het zo dat wat de eerste tijd in het leven betreft, tandenwisseling, puberteit en nog in het begin van je jaren als twintiger, voor wie dit leven fijnzinnig kan waarnemen, deze markeringen zeer sterk met elkaar contrasteren. Je zal gemakkelijk kunnen zien hoe in deze tijd de fysieke ontwikkeling en die van de geest en de ziel, sterk parallel lopen. Evengoed zijn er in het latere leven zulke fasen aanwezig. Echter, die verlopen eigenlijk veel intiemer en het opvallende is dat ze steeds meer in elkaar overlopen naarmate de mens voortleeft. Ik zou ook kunnen zeggen: ze worden innerlijker. En wat onze huidige oppervlakkige blik op de geschiedenis is, is het misschien niet eens ten onnutte erop te wijzen,

Blz. 186

daß in älteren Zeiten der Menschheitsentwickelung solche Lebensabschnitte bis ins spätere Lebensalter hinein deutlich sichtbar waren. Darauf beruht, daß in Zeiten, in die allerdings Anthroposophie zurückschauen kann, nicht die bloße Dokumentengeschichte, die Men­schen doch in einer anderen Seelenverfassung waren als heute in dem Zeitalter, in dem der Intellektualismus vorhanden ist. Ich tadle es nicht, ich charakterisiere nur. Wir bemerken zum Beispiel, wenn wir in ältere Zeiten zurückgehen, wie in der Tat die Menschenkinder einfach durch das, was sie an den Älteren erleben, mit einer gewissen Gespanntheit dem Alter zuleben. Das ist eine Empfindung, die man schon herausbe­kommen kann, wenn man nur unbefangen in die Menschheitsentwicke­lung zurückblickt. Nicht in derselben Weise sieht der Mensch heute verlangend nach dem Alter hin, wie ihm das Alter etwas offenbaren kann, wozu man eben alt werden muß, um es zu erfahren, wie das in früheren Zeiten der Fall war, weil sich eben diese Lebensperioden, wo sich das Leben scharf abhebt von vorherigen Abschnitten, nach und nach verwischen.

dat in vroegere tijden van de mensheidsontwikkeling dergelijke levensfasen tot op latere leeftijd duidelijk zichtbaar waren. Daarop berust dat in de tijd waarnaar de antroposofie in het bijzonder terug kan kijken, niet alleen maar de geschreven geschiedenis, de mensen toch een andere zielenconstellatie hadden dan nu in de tijd van het intellectualisme. Ik geef er niet op af, ik karakteriseer alleen maar. We merken bijv., wanneer teruggaan in die vroegere tijden hoe de kinderen simpelweg door wat ze aan de ouderen beleefden, met een zekere spanning naar het ouder worden toeleefden. Dat is een gevoel dat je al krijgen kan, wanneer je slechts onbevangen terugkijkt naar de ontwikkeling van de mensheid. De mens kijkt tegenwoordig niet verlangend uit naar de ouderdom, naar hoe de ouderdom hem iets kan onthullen, waarvoor je nu eenmaal oud moet worden om dat te kunnen beleven, zoals dat vroeger het geval was, omdat nu eenmaal deze levensfasen waarin het leven sterk verschilt van vorige fasen, steeds meer in elkaar overgaan.

Wenn wir uns für das ein unbefangenes Beobachten aneig­nen, können wir heute diese Entwickelung bei den meisten Menschen kaum verfolgen so etwa bis zum achtundzwanzigsten, dreißigsten Lebensjahre; dann wird bei den heutigen Menschen die Sache sehr undeutlich. In dem Zeitalter, das man als das Patriarchenzeitalter bezeichnet, wo man hinaufschaute zum Alter, da wußte man, daß auch die absteigende Lebensströmung, daß auch diese Lebensströmung, wo die Seele sich gewissermaßen emanzipiert vom Leib, dem Menschen etwas ganz Besonderes bieten kann. Sie kann ihm dasjenige bieten, das den Anteil darstellt der Seele, des Geistes an dem Leib, der allmählich abstirbt, der innerlich skierotisiert und so weiter. Und anders sind die intimsten Erlebnisse der Seele, wenn diese Seele im Leibe so ist, daß der Leib dem Leben entgegengeht, aufsteigendes Wachstum hat; da erfährt, da erlebt man anders als bei absteigendem, ich möche sagen, bei erhär­tendem Leben.
Aber dieses, was ich auch im Vortrage erwähnt habe, dieses Wieder­Jungwerden bei erhärtendem äußerem physischem Leben, das gibt auch für das Alter eine gewisse Kraft. Und wir finden diese Kraft, wenn wir in ältere Zeiten zurückblicken. Ich glaube, daß nicht umsonst die Griechen

Wanneer we ons hiervoor een onbevangen blik eigen maken, kunnen we tegenwoordig deze ontwikkeling bij de meeste mensen nauwelijks volgen tot ongeveer het achtentwintigste, dertigste jaar; dan wordt het bij de mens van tegenwoordig zeer onduidelijk. In de tijd die men aanduidt als de de tijd van de aartsvaders, waarin men opkeek naar de ouderdom, wist men dat ook de afnemende levensstroom, de levensstroom waarin de ziel zich in zekere zin losmaakt van het lichaam, voor de mens iets heel bijzonders kan brengen. Bijv. wat het aandeel is dat de ziel, de geest aan het lichaam heeft, dat langzamerhand afsterft, dat innerlijk sclerotiseert enz. En de meest innerlijke belevingen van de ziel zijn heel anders wanneer deze ziel zo in het lichaam huist dat het lichaam het leven tegemoet gaat, een toenemende groeikracht heeft; dan heb je een andere ervaring, een andere beleving dan wanneer het leven afneemt, wanneer het verhardt.
Maar, wat ik ook in de voordracht heb gezegd, dit weer opnieuw jong worden bij een verstarrend, uiterlijk fysiek leven, geeft ook aan deze leeftijd een bepaalde kracht. En die kracht vinden we terug wanneer we naar vroegere tijden kijken. Ik geloof dat de Grieken niet voor niets,

Blz. 187

vor allen Dingen in Homer, aber auch in anderen Dichtern – ich will jetzt nicht davon sprechen, ob es einen Homer als einzelne Individualität gegeben hat oder nicht – denjenigen gesehen haben, der erst im Alter geschaffen hat aus der frei gewordenen Seele, die aber miterlebte den verfallenden Organismus. Und vieles von dem, was wir in der morgen-ländischen Weisheit haben, in den Veden und vor allen Dingen in der Vedantaphilosophie, das ist herausentsprossen aus der im Alter sich wieder verjüngenden Seele.
Natürlich, es würde der Fortschritt der Menschen im Erleben der Freiheit nicht stattfinden können, wenn sich diese Dinge nicht verwi­schen würden. Aber in einer gewissen intimen Weise sind sie auch heute noch durchaus vorhanden. Und derjenige, der als Mensch es zu einer gewissen Selbsterkenntnis bringt, der weiß schon, wie merkwürdig sich dasjenige, was er, sagen wir, in den Dreißigerjahren innerlich erlebt, in den Fünfzigerjahren metamorphosiert. Es ist im Grunde genommen doch, wenn auch das Seelenleben dasselbe ist, alles in einer anderen Nuance erscheinend. Wenn auch dem heutigen Menschen diese Nuan­cen nicht sehr nahekommen, weil man so abstrakt geworden ist, gar nicht mehr auf das wirklich Konkrete eingeht, so ist es doch so, daß für eine feinere, intime Lebensbeobachtung diese aufeinanderfolgenden Metamorphosen da sind.

vooral in Homerus, maar ook bij andere dichters – ik wil het er nu niet over hebben of er een Homerus als individualiteit heeft bestaan of niet – iemand hebben gezien die pas in de ouderdom vanuit de vrij geworden ziel scheppend kon werken, die echter wel samenleefde met het in verval zijnde lichaam. En veel van wat we in de wijsheid van het Morgenland hebben, in de Veda’s en vooral in de Vedanta filosofie, is opgebloeid uit de ziel die in de ouderdom weer jonger werd. 
Maar natuurlijk, de vooruitgang van de mensheid in het beleven van de vrijheid zou niet kunnen plaatsvinden, wanneer deze dingen niet zouden verbleken. Maar op een bepaalde manier zijn ze tegenwoordig nog wel op een fijnzinnige manier aanwezig. En degene die het als mens tot een bepaalde zelfkennis brengt, weet wel hoe opvallend dat, laten we zeggen, wat hij in zijn dertiger jaren innerlijk beleeft, zich metamorfoseert wanneer hij de vijftig passeert. In de aard van de zaak is het toch zo dat, ook al is het zielenleven hetzelfde, alles met een andere nuance verschijnt. Ook al komt de huidige mens niet meer zo dicht bij deze nuances, omdat men zo abstract geworden is en helemaal niet meer op het echt concrete ingaat, het toch zo is dat voor een fijnzinnigere, intieme waarneming van het leven deze elkaar opvolgende metamorfosen bestaan.

Und wenn auch die heutige Zeit mit dem stürmischen sozialen Leben nicht Zeit hat für diese Intimitäten, es wird wiederum eine Zeit kommen – denn sonst würde die Menschheit dem Verfall entgegengehen -, wo man den Menschen wird wirklich beobach­ten können. Warum sollte man denn auch nicht zu wirklicher Menschenbeobach­tung vordringen wollen? In bezug auf die Beobachtung der äußeren Natur haben wir es ja sehr weit gebracht, und derjenige, der all die Abhandlungen kennt, die über die Einzelheiten der Pflanzen- und der Tierexemplare und -arten und so weiter gebracht werden, der erkennt, was alles an äußeren Tatsachen beobachtet wird, der wird es auch nicht für unmöglich halten, daß dieser Riesenfleiß, diese riesige intime Beob­achtung und Perspektive, die wir da entwickelt haben für die äußere Natur, auch einmal entwickelt werden können für die innere Natur des Menschen. Wann das auch geschehen mag, wie man auch in dieser

En wanneer de huidige tijd met het turbulente sociale leven geen tijd heeft voor deze intimiteiten, er zal weer een tijd komen – anders zou de mensheid haar verval tegemoet gaan – waarin men de mens weer echt kan waarnemen.
Waarom zou je eigenlijk geen echte waarneming van de mens willen ontwikkelen? Wat betreft de waarneming van de uiterlijke natuur zijn we al heel ver gekomen en degene die alle artikelen kent die over de details van planten en dieren gaan, de soorten enz., die ziet wat er allemaal aan uiterlijke feiten wordt waargenomen, zal het ook niet voor onmogelijk houden, dat deze reuzenijver, deze reusachtige fijnzinnige waarnemingen en perspectieven die we daar ontwikkeld hebben voor de zichtbare natuur, ook eenmaal kunnen ontwikkelen voor de innerlijke natuur van de mens. Wanneer dat gaat gebeuren, hoe men bij dit

Blz. 188

Beobachtung Vorwärtskommen mag, es mag das hier unentschieden bleiben, jedenfalls aber ist das richtig, daß die Erziehungskunst, die Unterrichtskunst in demselben Maße vorschreiten wird, in dem man sich einläßt auf eine solche Menschenbeobachtung und die Metamorphose auch in das spätere Leben verfolgt.
Ich möchte doch darauf aufmerksam machen, daß mehr als ein bloßes Bild gemeint ist, wenn ich gestern sagte: Wer in seiner Kindheit nicht beten gelernt hat, der kann in seinem Alter nicht segnen. Dasjenige, was als Ehrfurcht, als Andacht von dem Kinde angeeignet wird, das wandelt sich später, in einem viel späteren Lebensalter, in eine solche Kraft um, die heilsam auf die Umgebung, namentlich auf die kindliche Umgebung wirkt, die also in einem gewissen Sinne als eine segnende Kraft bezeich­net werden kann. Solch ein Bild, daß aus gefalteten Händen im neunten, zehnten Lebensjahre segnende Hände werden im fünfzigsten, fünfund­fünfzigsten Lebensjahre, solche Wahrheiten sind mehr als Bilder. Sie zeigen aber den inneren organischen Zusammenhang des ganzen Men­schenlebens. Der vollzieht sich aber in solchen Metamorphosen.
Sie sind, wie gesagt, im späteren Alter nur eben mehr verwischt, weniger deutlich wahrzunehmen, sie sind aber vorhanden und müssen studiert werden gerade für die Erziehungs- und Unterrichtskunst.

waarnemen verder gaat komen, dat wordt hier niet beslist, maar hoe dan ook is het wel juist dat de opvoed- en onderwijskunst op dezelfde manier zich verder ontwikkelt, door zich bezig te houden met een dergelijke waarneming van de mens en de metamorfose in het latere leven volgt.
Ik zou er nog op willen wijzen dat ik meer voor ogen heb dan slechts een beeld, toen ik gisteren zei: wie in zijn kindertijd niet heeft leren bidden, kan in zijn ouderdom niet zegenen. Wat het kind als eerbied, als gebed leert, dat verandert later, op een veel latere leeftijd in een kracht die heilzaam op de omgeving, vooral op de omgeving van het kind, werkt, die dus a.h.w. als een zegenende kracht beschouwd mag worden. Zo’n beeld dat uit gevouwen handen in het negende, tiende jaar, zegenende handen kunnen worden op het vijftigste, vijfenvijftigste jaar, zijn waarheden die meer zijn dan beelden. Die laten echter wel de innerlijke, organische samenhang in het hele mensenleven zien. Dat voltrekt zich in dergelijke metamorfosen.
Die zijn, zoals gezegd, in het latere leven wat meer verbleekt, minder duidelijk waar te nemen, maar ze zijn er en moeten bestudeerd worden, met name voor de opvoed- en onderwijskunst.

.

2700-2530

.

.

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – voedingsleer (6 -1)

.
In deze tijd zouden we – gelukkig – al iets positiever over ons water kunnen spreken, maar wat hier ook wordt opgemerkt, is nog steeds – helaas – actueel.

.

Dpl.Ing. Th.Schwenk, Weledaberichten december 1971 nr. 91
.

HET LEVENSELEMENT WATER

Wat kan een stedeling tegenwoordig* over het water weten of aan het water beleven? Hij draait een kraan open, ziet een straal water, die onmiddellijk weer in het gootsteengat verdwijnt, of hij mag in het bad ervan genieten — zelden echter zonder dat hij in een wolk van chloor zit. Wat was het nog enkele tientallen jaren geleden een feest voor de stadskinderen, wanneer bij een wolkbreuk het water niet meer door de riolen verwerkt kon worden! Tegenwoordig zou het gevaarlijk kunnen zijn met zulk water in aanraking te komen. Maar hoe is het buiten de stad met de beekjes en stromen gesteld? De borden „verboden te baden” schieten werkelijk als paddenstoelen uit de grond. En wanneer het iemand aan het strand lukt zijn krantje te lezen, dan vindt hij daarin zeker onder de een of andere grote kop iets over de nood waarin het water verkeert, over lagen stookolie op zee, vissterfte en gebrek aan water.

Het element water is echter door zijn regenererende krachten ertoe voorbestemd om het levenselement bij uitstek te zijn, het element voor de voeding van planten, dieren en mensen. We weten het maar al te goed: het is de grondslag van alle groei en voeding, van onze bloedsomploop, het voedt ook door de zintuigen, door zijn stimulerende bewegingen, die via de zintuigen onze levensstromingen beïnvloeden.

Al het levende heeft één ding gemeen: groei, voortplanting, voeding, uitscheiding, stofomzettingen, vormveranderingen, eigen regulatie (van warmte, chemisme, osmotische druk enz.), ontstaan en vergaan en de zo belangrijke ritmische processen, die in al het levende werken. Al deze wezenlijke kenmerken van het leven zijn niet denkbaar zonder de bemiddelende aanwezigheid van het water. Het water is in alle levensprocessen de wezenlijke en alles verbindende oersubstantie, die overal aanwezig is, om het stromende leven te dienen. Omdat het afstand doet van elke vastgelegde vorm, blijft het „vloeiend” en wordt het een beeld van de levensprocessen zelf. Door het „offer” van de eigen gestalte wordt het tot een bemiddelaar tussen alle vormen en alle levensprocessen. Het heeft daardoor echter ook deel aan alle geheimen van het leven. Het leven is steeds stromend, zich veranderend als het water, waardoor het in de zichtbare wereld in de verschijning kan treden. Het water omvat alle levende wezens, doordringt ze alle en vormt a.h.w. de moederlijke oersubstantie van het bestaan.

We moeten bedenken, hoe de in de natuur veelvuldig uitgebreide levensprocessen in het menselijke organisme samengevat te vinden zijn en hoe zij daar in een drieledige ordening optreden: als stofwisselings-bewegings-organisatie, als ademhalingscirculatiesysteem en als zenuw-zintuigpool. De specifieke levensprocessen van deze drie gebieden zijn vanzelfsprekend ook aan het water gebonden, waaruit men de gevolgtrekking kan maken, dat het water hiervoor op een drievoudige wijze geschikt is, d.w.z. als een element, dat de stofveranderingen draagt, dat bemiddelend werkt in de ritmen en dat aan de waarnemingsorganen ten grondslag ligt.[1] Inderdaad is geen van de in de natuur voorkomende stofomzettingen mogelijk, zonder de aanwezigheid van het water. Een blik op de zintuigen laat ons zien, dat het ook daar aanwezig moet zijn om de waarnemingsfuncties op een gezonde wijze te doen verlopen. En hoe staat het met de ritmen? Ook deze zijn niet minder aan het water gebonden. Men gaat langzamerhand inzien, dat de levensprocessen van vele levende wezens aan kosmische ritmen gebonden zijn. Men spreekt van de innerlijke klok van levende wezens, die bijv. voor vele waterdieren met een ongelofelijke nauwkeurigheid afloopt en die, wat de tijd aangaat, met kosmische processen overeenstemt. Juist bij waterdieren kan men dergelijke overeenkomstigheden op vele manieren waarnemen. Wie zegt dit tegen de levende wezens? Worden deze kosmische ritmen misschien via het water zelf bemiddeld? Gaan niet eb en vloed met het maanritme op en neer? 

Een beschrijving van het water zou zonder deze kosmisch-ritmische kant onvolledig zijn; deze is immers ook in de gehele ritmische organisatie van de mens te vinden. Het weten omtrent de samenhangen tussen de ritmen in de mens en die in de kosmos is, evenals het bewustzijn voor het feit dat het water in staat is, dergelijke kosmische ritmen op te nemen en hun bemiddelaar voor alle organen te zijn, bijna geheel verloren gegaan. Daardoor ontbreekt echter aan het menselijke bewustzijn een wezenlijk inzicht omtrent het water. — Wanneer een technicus bij zijn berekeningen een belangrijke factoor niet meecalculeert, is het geen wonder, dat zijn bouwwerk instort. Ongetwijfeld zijn bij het omgaan met het waterelement wezenlijke elementen daarvan veronachtzaamd, zodat het geen wonder is, wanneer thans de waterhuishouding en het evenwicht in de natuur „ineenstorten”. Om dit te voorkomen, moet het inzicht weer algemeen verbreid worden, dat het water niet alleen maar stof is, maar ook deel heeft aan kosmische processen.

We willen eerst meer op de kwantatieve zijde van het probleem de aandacht richten. Ten tijde van Goethe bedroeg het verbruik aan water per persoon per dag ca. 30 liter. Thans* is het reeds 150—200 liter per dag; in de USA 450 liter. Men moet daarbij bedenken, dat de ontwikkeling van de industrie niet stilstaat, zodat in de toekomst nog veel meer water nodig zal zijn. De natuur geeft ons gemiddeld constant de voor de aarde bestemde maat. Wanneer we reëel , rekenen, d.w.z. wanneer we ook het waterverbruik van de industrie over de  bevolking hoofdelijk omslaan, dan komen we voor iedere mens op een dagelijks waterverbruik van ca. 1500 liter per dag. Bij een berekende jaarlijkse stijging van 3 procent zal aan het einde van deze eeuw het waterverbruik verdubbeld zijn, en dat gezien tegen de achtergrond van een gelijkblijvend aanbod van de natuur. Het zal aan de hand van deze weinige cijfers wel duidelijk zijn, dat het water — hoe langer hoe meer — een artikel wordt waaraan gebrek gaat ontstaan en dat daardoor uitermate ernstige problemen wat betreft de kwaliteit van het water moeten optreden die zelfs nu reeds acuut zijn.

En nu de kwalitatieve kant van ons probleem. Voor het winnen van drinkwater moet steeds meer worden overgegaan op oppervlaktewater. Hoe zien onze zeeën en rivieren eruit? Laat ons als een drastisch, maar in het geheel niet uitzonderlijk voorbeeld, de Rijn nemen. Dagelijks worden 30.000 tot 40.000 ton opgelost zout door de Rijn, bij de Hollandse grens gemeten, naar zee gevoerd. Dit betekent een dagelijkse hoeveelheid van 30 goederentreinen met elk 50 wagons gevuld met zout. Daarbij komt een hoeveelheid afzetbaar vuil, ca. 7000 ton per dag, bij Mainz ca. 20 g. per liter. Wanneer men bij Bonn aan de oever van de Rijn staat, dan kan men zeggen, dat men in een water kijkt, waarin het afvalwater van 30 miljoen mensen meestroomt, het geheel dan vermengd met zouten, oliën, pesticiden, zuren, enz. In het licht van dergelijke feiten spreken de vakmensen wel terecht over een scheikundig inferno, dat men op die manier te zien krijgt.

De zeeën, die zulke belangrijke organen vormen in de levenshuishouding van de natuur, worden in hun levensstructuur het diepst getroffen, want zonder aarzeling worden ze nog steeds door afvalwater verontreinigd. Op het ogenblik wordt in de Bondsrepubliek Duitsland dagelijks 33 miljoen kubieke meter afvalwater in rivieren en zeeën afgevoerd, waarvan 17 miljoen kubieke meter niet of onvoldoende gereinigd is. Helaas is het nodig, dergelijke getallen en aspecten te vermelden omdat het bestaan van de volgende generatie reeds nu ernstig bedreigd is.

De vaak gestelde vraag naar een zee als „voorraadschuur” voor de winning van drinkwater, krijgt door de hierboven slechts kort geschetste situatie een bijzondere „kleur”. Op hetzelfde ogenblik, waarop een dergelijk toekomstaspect — de voeding uit de zee — als een oplossing waaraan niet te ontkomen is, reeds geopperd wordt, stromen er dag en nacht voortdurend poelen vuil, doortrokken van zware vergiften, naar de zee. Bij de vraag naar een toekomstige voldoende verschaffing van water — we spreken hier hoofdzakelijk over drinkwater — wordt natuurlijk ook aan het grondwater gedacht. Berekeningen tot aan het jaar 2000 tonen aan, dat het winbare grondwater dan uitverkocht en het winbare oppervlaktewater tot bijna 25% verbruikt zal zijn. Daarbij komt bij het huidige verbruik van het water nog een feit, dat de staatsburger, die naar zijn werk gaat, niet met eigen ogen kan zien, nl. dat het grondwater zich op een verontrustende manier terugtrekt, d.w.z. zinkt. Dit gebeurt ten eerste door het grote verbruik aan water in de huishoudingen en in de industrie, ten tweede echter ook door ingrepen in de natuur, die pas nu, tientallen jaren later, merkbaar gaan worden.

Als men dit weet is het echter ook nodig, de blik te richten op wat reeds is gedaan en op pogingen, die een gezonde ontwikkeling op het gebied van de waterhuishouding aan de gang kunnen brengen.

1. Het waterorganisme van de aarde vormt een geheel. Stroomgebieden moeten steeds meer als levende organismen beschouwd en verzorgd worden. Wat gebeuren moet, is een ordening van ruimtelijke verhoudingen van de gehele aarde volgens niet-politieke gezichtspunten. Landsgrenzen zijn, wat betreft het water, en de waterhuishouding, zinloos.

2. Dergelijke ruimte-ordeningen vereisen tegelijkertijd een werken volgens een bepaald plan in de tijd. We noemen hier slechts één voorbeeld. „Er ontstaat met het oog op de vele onopgeloste vragen, de wens om de zee als een totale vuilnisbelt te gebruiken. Een ongeremde verwezenlijking van de hier slechts aangeduide plannen zou fataal zijn, wanneer er geen internationale regelingen getroffen zouden worden…. Gedachteloosheid bij de schijnbaar onschuldige maatregelen is een wissel op de toekomst, die niet ingelost kan worden.” (Prof. Balke, Kongress Wasser, Berlin 1968). Dergelijke voorbeelden laten zien, hoe een grootscheepse planning op lange termijn dringend nodig is. Op hetzelfde ogenblik, waarop de zee als de oplossing van het voedingsprobleem voor de bevolkingsaanwas gezien wordt, moet zo’n zelfde zee als totale vuilnisbelt gebruikt worden.

3. Zowel de ruimtelijke alsook de tijdelijke aspecten vereisen een samenwerking van velen over de gehele aarde: „Overleg tussen de landen wat betreft het water, een wederzijds rekening houden met elkaar, saamhorigheid, omdat het water ons aller lot bepaalt”. Dit vereist veel goede wil en bereidheid tot overleg. Men ziet dat alles erop wijst, dat zich een mensheids-organisme wil realiseren, dat afgezien van elke politiek, het leven van de mensheid omvat,

Wat vroeger uit een vanzelfsprekende eerbied gedaan werd ter verzorging van het water, moet thans helaas met grote moeite weer teruggevonden en toegepast worden. De eisen van de vaklieden op het gebied van het water culmineren in de noodkreet om een „waterbewustzijn”; wanneer er niet iets dergelijks wordt ontwikkeld, gaat ook de verzorging van het water-levenselement te gronde. Het is tenslotte de nood waarin we wat het water betreft verkeren, die ons ertoe dwingt, via de wetgeving weer tot een verering van dit levenselement te komen. Verantwoordelijkheidsbesef en verering zijn zeer zeker geen gaven, die ons nu nog zijn aangeboren. Ze moeten op inzicht gebaseerd zijn en vanuit de wil verworven worden, in dit geval op een besef wat water eigenlijk is, ook wat zijn niet-stoffelijke eigenschappen betreft. Dit laatste is de factor, die in de wetenschappelijke vakkringen over het hoofd wordt gezien. Wij spraken hierover in het begin van dit artikel en willen hierop nu nog eens ingaan, omdat hij bij de bereiding van drinkwater een beslissende rol zal moeten spelen.

Is water alleen maar een stof? — Is een water dat door mechanische middelen wordt bereid en dat in hoge mate bevrijd is van vuile stoffen, chemicaliën en bacteriën, werkelijk te vergelijken met fris bronwater? Op grond van de aan het Institut für Strömungswissenschaften in Herrischried verworven ervaringen en inzichten moeten we deze vraag beslist ontkennend beantwoorden en zulk water als dood water karakteriseren. Wat is het kenmerk van levend, volwaardig en daarom werkelijk gezond water? Het is gebruikelijk geworden om over de stof water te spreken als een chemische verbinding van waterstof en zuurstof (H2O) en deze technisch alleen maar als zodanig te gebruiken. Een moderne waterbouwkundige rekent met de potentiële energie van het voorraadbekken of met de kinetische energie, wanneer het water de turbines aandrijft. Zelfs de bioloog werkt als man van de wetenschap alleen maar met meetbare, weegbare en telbare factoren. De wereld van het imponderabele blijft voor een dergelijk onderzoek verborgen en daarmee ook die hele wereld, die in de „lichamelijkheid” van het water onzichtbaar aanwezig is. Zonder inzichten in dit gebied is de wetenschap van het water slechts half. En juist die helft die het levensgeheim van het water uitmaakt, is voor het moderne bewustzijn verloren gegaan. We wijzen hier op de genezende impuls, die van de antroposofische geesteswetenschap uitgaat en die een wereld van krachten beschrijft, die de grondslag vormt van al het levende. Zonder deze wordt de kwintessens van het leven nimmer begrijpelijk. We doelen daarmee op dat reële krachtgebied van bovenzinnelijke vormkrachten, die vanuit de kosmische omgeving dynamisch in alle tussen hemel en aarde werkende ritmen instralen. Daarom verloopt ook ieder werkelijk levensproces in ritmen.

Het water nu heeft een bijna universeel vermogen, zich over te geven aan alle ritmen die maar mogelijk zijn en daarin te spelen, zodat het ook van die kant aan de verschillende organismen het vermogen kan overbrengen, om alle voor het leven benodigde ritmen te verwezenlijken. Zo wordt het water zelf tot drager en bemiddelaar van de kosmische vormkrachten in alle levende wezens, want het organische leven van de wereld ontspringt niet in een anorganisch-fysiek gebied, maar in de kosmische krachtensferen. Daarom zijn het — zoals steeds meer ontdekt wordt — specifiek kosmische ritmen, die in de levensprocessen van de organismen gevonden worden. Door dergelijke onderzoekingen wordt een nieuw inzicht aan het gebied van de natuurwetenschappen toegevoegd. Het is duidelijk, dat er op dit gebied veel te onderzoeken zal zijn, vooral wat betreft een inzicht omtrent het totale wezen van het water. Het is zaak het aandeel te ontdekken, dat het water als fris a.h.w. maagdelijk bron- of regenwater aan de kosmische vormkrachten heeft. Wij hebben pas het recht van levend water in wetenschappelijke zin te spreken als dit aangetoond is. Wanneer het niet gelukt, enerzijds de kosmische kant van het water op grond van nieuwe inzichten wederom te ontdekken, te beschrijven en wetenschappelijk te funderen en anderzijds in de praktijk van de bereiding van het drinkwater mede te betrekken en volgens nieuwe technische methodes te realiseren, kan voorlopig niet gerekend worden met een doelgerichte kwalitatieve verbetering van de water-situatie. Met behulp van de thans mogelijk wordende inzichten kan op een nieuwe basis de eens verloren gegane wijsheid hervonden en in de praktijk van het sociale leven worden ingevoerd. 

[1] Th.Schwenk ‘Das sensibele Chaos
afbeeldingen uit het boek:

water: beweging en ritme

Natuurlijk stromend water wil altijd meanderen

bewegingen van het water in een stromende, bochtige rivier
.
Menskunde en pedagogie: over het etherlijf

Plantkunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle artikelen

.

2698-2528

.

.

.

VRIJESCHOOL – Ritme (3-27)

.
G. Schmidt (arts), Weleda Berichten

.

WAARVAN HET HART ZICH NAUWELIJKS BEWUST IS

.

Ritme als grondslag van de menselijke gezondheid

Uit het 24-uur ritme, dat tegenwoordig reeds zeer grondig doorvorst is, blijkt, dat het menselijke organisme deze regelmaat tot in de kleinste bijzonderheden volgt. Er zijn meer dan 30 functies bekend die alle op dezelfde manier volgens het dagritme verlopen. Niet alleen de lichaamstemperatuur, de bloeddruk, de bloedvorming volgen dit ritme, maar ook de zo belangrijke organen als de lever en de nieren worden door dit ritme beheerst. Reeds daardoor alleen mogen we de gevolgtrekking maken, dat de gezondheid van de mens in dit opzicht een vraag is van het ritme.

Laten we als voorbeeld het ritme van de lever nemen. Dit werd voor het eerst beschreven door de Zweedse onderzoeker Forsgren. Hij ontdekte, dat de  galvorming in de lever om drie uur ’s middags zijn maximum en om drie uur ’s nachts zijn minimum bereikt. Wat betekent dit voor onze gezondheid? Zoals bekend hebben we de gal nodig voor het verteren van het vet. Wanneer we nu tussen 12 en 13 uur het middagmaal gebruiken, dan komt het vet uit het voedsel na ca. 2 uur in de dunne darm, waar de vertering met behulp van de gal plaatsvindt. Wanneer we echter ’s avonds laat een vetrijk maal tot ons nemen, of wanneer we zwaar verteerbare vetten gebruiken, dan wordt onze lever overbelast. Dat zal ook het geval zijn wanneer we onritmisch eten, onregelmatig, de ene keer vroeg, de ander keer laat. Dan bemoeilijken we ook weer het werk van de lever en tegelijkertijd van het hele spijsverteringsorganisme.

De milt is belangrijk voor de stofwisseling

Er grijpt echter nog een ander, niet altijd voldoende opgemerkt orgaan, in deze ritmiseringsprocessen in. Rudolf Steiner maakte reeds in 1911 erop attent, dat de milt een belangrijke regulator van onze stofwisseling is. Door de totale voedselopname, die tegenwoordig vaak zo willekeurig en onregelmatig plaatsvindt, waarbij ook het drinken, alsmede het snoepen op elk moment van de dag behoort, wordt de functie van dit orgaan ondermijnd. De milt moet er echter voor zorgen, dat dit onritmische gebeuren in zoverre in evenwicht gebracht en geharmoniseerd wordt als dat voor de opname van de voedselstroom in de streng ritmische regelmaat van de inwendige organen noodzakelijk is. Wat de oude Arabische artsen met de woorden „men eet zich ziek en verteert zich gezond” karakteriseerden, heeft vooral ook betrekking op de functie van de milt. Want de onritmische opname van het voedsel maakt de mens ziek en ondermijnt zijn gezondheid. En de milt, die evenals de lever zo overbelast is, wordt langzaamaan verlamd in zijn vermogen om de mens gezond te maken. Daarom is een ontlasting van de miltfunctie niet alleen door het handhaven van een geregeld eetritme, maar ook het verdelen van de voedselopname over verschillende kleine maaltijden in de loop van de dag vaak nodig. Dat betekent voor de milt, zoals Rudolf Steiner eens opmerkte een „inwendige massage”, die zijn regulerende functie weer opwekt.

Van hier uit bezien, doemen er nog verdere gezichtspunten op. We zullen erop moeten letten, dat het voedsel zélf door de wijze van produceren in de ritmische processen die wij hierboven bekeken hebben, ingeschakeld blijft. Daarmee moeten we al bij het verbouwen beginnen. Vooral de planten zijn het resultaat van een ritmische wisselwerking tussen aarde en kosmos. Deze wordt echter vaak reeds door de methodes van het verbouwen nadelig beïnvloed. Niet alleen de dwang, waaraan de plant bij het opnemen van snel oplosbare minerale mest wordt blootgesteld, maar ook het rijpen buiten het jaarverloop, het niet in acht nemen van kosmische ritmen bij het uitzaaien, het uitplanten en oogsten ondermijnt de kwaliteit van het voedsel. Rudolf Steiner heeft dit „minderwaardig worden” van de land- en tuinbouwproducten op niet mis te verstane wijze in samenhang gezien met dergelijke gebreken in het verbouwen van de planten.

Maar hij heeft ook een weg gewezen, hoe de planten weer gezond kunnen worden en in plaats van dat men „zich bedriegt met iets groots en opgeblazens” weer planten „met werkelijke voedingswaarde” heeft [1] De biologisch-dynamische landbouwmethode streeft naar een dergelijke kwaliteit van de voeding, de z.g. Demeterkwaliteit. Dat is vanzelfsprekend even belangrijk voor het verbouwen van geneesplanten. We mogen echter niet over ’t hoofd zien, dat door onrijp te oogsten, door moderne conserveringsmiddelen, hetzij door chemische toevoegingen of door diepvriezen veel aan voedingskwaliteit wordt ingeboet. Ook hier heeft men te maken met methodes van behandeling, die op een bepaalde manier vreemd zijn aan het ritme. Dergelijke factoren kunnen in hun diep ingrijpende betekenis voor de menselijke gezondheid ook nog door verdergaande inzichten onderkend worden. Niet alleen de ritmische voedselopname, maar ook het genot van ongeschikt, d.w.z. kwalitatief minderwaardig voedsel, alsmede veel te grote hoeveelheden betekenen voor de regulerende functie van de milt een verzwakking. Omgekeerd echter leidt een ritmische voedselopname tot een verbetering van het instinct van de mens, die bv. „een gemakkelijker vinden van het voor hem geschikte voedingsmiddel mogelijk maakt.[2]
En daarmee is gewezen op het grote probleem van de moderne voeding. Want de voeding wordt steeds meer oorzaak van ziekten. En het feit, dat men tegenwoordig moet spreken over „ziekten die van de voeding afhankelijk zijn”, die steeds meer toenemen (leverziekten, hart- en circulatiestoringen, suikerziekte enz.) laat duidelijk zien, van hoe groot gewicht deze factor al is geworden. In dit verband is het van belang te wijzen op de steeds onontbeerlijker wordende hulpmiddelen bij de voeding en spijsvertering, die in de vorm van Cassis-, Sleedoorn-, Duindoornen Berken Elixer ter beschikking staan.[3]

Ten slotte moet men bij het wijzen op het ritme als basis van de gezondheid nog een andere pool van de mens in het oog vatten, die een even groot gevaar in zich draagt, nl. het zenuw-zintuigstelsel. Wat tegenwoordig door het gehaaste, nerveuze leven, door de volkomen onritmische, chaotisch wisselende zintuigelijke indrukken, door het geraas van motoren dag en nacht op de mens afstormt, werkt eveneens vernietigend op het innerlijke ritme van de mens. Daarom is het niet alleen een eis van onze tijd, een bewuste hygiëne van de voeding en de diëtiek na te streven, maar eveneens een hygiëne van de hele wijze van leven, ook in geestelijk opzicht. Want wie beleeft er nog iets van echte ochtendstemming, zoals Eichendorff die heeft bezongen:

„Ich fühle mich recht wie neu geschaffen,
Wo ist die Sorge nun und Not?”

Ik voel me echt als opnieuw geboren
Waar is de zorg en de ellende?

of zijn avondlied:

„Schweigt der Menschen laute Lust:
Rauscht die Erde wie in Traumen
wunderbar mit allen Baumen,
was dem Herzen kaum bewusst”? ….

Als de mens stop met lawaai maken
ruist de aarde als in een droom
zo wonderbaarlijk met alle bomen
daar was het hart zich nauwelijks van bewust….
(vrij vertaald phaw)

Dat is geen voorbije romantiek. Het is een taal, die het menselijke innerlijk zich uit eigen krachten weer zou moeten verwerven. Een zwijgen, dat levenwekkend en tevens rustgevend een nieuwe harmonie met de ritmen in de natuur en de kosmos opwekt en dat het ritme als bron van de menselijke gezondheid opnieuw ontsluit. De mens van nu moet leren, zich uit een vrij inzicht en uit innerlijke activiteit te wenden naar de ritmische ordening van de wereld.

De volgende woorden van Rudolf Steiner kunnen hierbij voor hem een richtlijn zijn:

‘De ware vooruitgang en het heil van de mens bestaat niet daarin, dat hij tot het oude ritme terugkeert…. Maar het wezenlijke is ook, dat de mens tegenwoordig niet zou moeten menen, dat hij zonder ritme zou kunnen leven. Zoals hij zich van buitenaf heeft verinnerlijkt, moet hij zich van binnenuit weer ritmisch opbouwen. [4] Dat is het waarop het aankomt: Ritme moet het innerlijk doortrekken.’

[1] Landbouwcursus
[2] Geesteswetenschap en geneeskunde
[3] Het moge zo zijn dat dit hulpmiddelen zijn, maar er zit veel suiker in. Dat verschilt per product.
[4] De praktische ontwikkeling van het denken

.

Ritme – alle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2687-2517

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Zintuigen – tastzin (2-5/2)

.
Dr. W.Bühler, Weleda Berichten 87, 09-1970
.

HET ONBEKENDE ORGAAN
.

Een beschouwing over een gebied uit de menskunde
.

De uitzonderlijke plaats van de mens in de schepping is op een zeer bepaalde manier uitgedrukt in het eigenaardige van de omhulling van zijn organisme: in de huid. In tegenstelling tot alle hogere dieren die met een kleed van schubben, veren of haren zeer goed voorzien zijn, moet de mens het stellen zonder een volledig aan de omgeving aangepaste omhulling. Dit kan aanleiding geven tot het maar half ware trefwoord van „naakte aap”. De mens moet, om zich te wapenen tegen de slechte weersomstandigheden een beroep doen op het planten- en dierenrijk. Hij moet substanties daaruit verwerken tot kleding, die een soort extra huid voor hem vormt.

Ondanks deze onvolkomenheid is de huid een gecompliceerd echt lichaamsorgaan, dat vele functies en mogelijkheden heeft. Dit houdt verband met het feit, dat de huid twee elkaar volledig tegensprekende opgaven met elkander in harmonie moet brengen: het beschuttend afsluiten, waardoor hij een zelfstandig organisme wordt, dat gewapend is tegen elke vreemde of schadelijke invloed van buitenaf enerzijds en een zich openen door middel van gewaarwordingen tegenover de omgevende wereld anderzijds.

Anatomisch beschouwd vallen drie hoofdlagen onmiddellijk op. Ons schoeisel, dat uit de huid van dieren is vervaardigd en dat een groot weerstandsvermogen heeft, wijst op de mechanisch beschermende functie, die de lederhuid (cutis) kenmerkt.

De middelste huidlaag is opgebouwd uit vast bindweefsel-, en elastische- en traliegewijs gevlochten vezels. Deze rust op het fundament van de onderhuid (subcutis) die in haar bindweefselachtige „opslagplaatsen” water, zouten en tot 15 kg. vet kan bergen, dat — zoals bekend — behalve de beschutting tegen de kou ook belangrijke vormende, gestaltegevende functies vervult. De meest gedifferentieerde laag is de opperhuid (epidermis) die o.a. naar buiten toe de haren en de nagels vormt, naar binnen de talg- en zweetklieren. Daarbij vormen het haarzakje en de talgklieren een gemeenschappelijke poort naar buiten, terwijl de zweetklieren eigen folikelmondingen bezitten. Zulke „epitheel-aanhangsels” treden in het dierenrijk in een veel groter rijkdom, pracht en schoonheid op in de vorm van vederdos, hanenkam, horens, manen, staartkwasten enz.

De opperhuid, die voortdurend wordt afgebroken, afschilfert en bloedeloos is, is afkomstig uit een laag waarin onophoudelijk cellen gevormd worden. In deze opbouwende sfeer grijpen de vormende afbraakprocessen van het zenuw- en zintuigstelsel onmiddellijk in en laten de epitheelcellen afsterven tot een hoornachtige laag, die ons als een fijn „pantser des doods” beschermend omhult. Dit voortdurende proces van vervelling doorloopt van beneden naar boven vijf lagen van steeds veranderende cellen. Bijzonder interessant is het „stratum lucidum”, waarin sterk lichtbrekende substanties — eleidin genaamd — ingebouwd zijn. De daardoor bereikte reflecterende eigenschappen vormen een beschutting tegen het te sterk binnendringende licht- en warmtestraling. Deze tegen de zon beschermende functie wordt nog aanzienlijk versterkt door de pigmenten die zijn ingeweven. Het toenemen van de laatstgenoemden is voorwaarde voor het zo geliefde bruin worden van de huid, die door haar levende elasticiteit zich weert tegen het onverstand van vakantiegangers die te veel behoefte hebben om te „zonnen”.

De bescherming van de huid — en daarmee van het hele organisme — tegen fysisch-chemische invloeden van de buitenwereld door verhoorning wordt versterkt door het vanzelf optredende invetten van de talgklieren, die a.h.w. een kosmetische oerfunctie uitoefenen. Deze ragfijne „vetlaag” geeft ons weerstand tegen het opzwellen in water. In het samenspel met de niet verdampbare producten van de zweetklieren vormen de talgklieren uitscheidingen en deze leveren tevens de pas door zorgvuldige onderzoekingen ontdekte biologische zuurmantel van de opperhuid. Deze staat in tegenstelling tot het alkalisch levensmilieu van het organisme. Hij verhindert het binnendringen van de talloze aanrukkende bacteriën. Dit is een belangrijke graadmeter waaraan wij de gezondheid van de huid en zelfs van het hele organisme kunnen aflezen. Zijn natuurlijke openingen in de buurt van de geslachtsorganen, in de oksels en in de huidplooien van dikke mensen stellen deze bloot aan infecties. De fijne natuurlijke vet- en zuurmantel zou niet aangetast mogen worden door al te veelvuldig of intensief wassen met zeep.

De kant van de huid, die tegengesteld is aan de beschrijving hierboven, leren we kennen, wanneer we het oogmerk richten op de zintuigfuncties van de mens. In het gebied van het hoofd bevinden zich de gehoor-, gezichts-, reuk- en smaakzin als grote poorten naar de belangrijkste kwaliteiten van de buitenwereld, waarbij zich in de daarmee overeenstemmende lichaamsopeningen gecompliceerde overgangen in de zachte binnenhuid van het organisme, de slijmvliezen, vormen. Het rood van de lippen, waar de afbrekende kracht van de verhoorning wijkt voor de opdringende levensprocessen van het bloed, duidt deze overgangspositie op markante wijze aan. Bovendien doortrekt een fijn weefsel van sensibele en vegetatieve zenuwen de gehele huid. De eerstgenoemde eindigen in duizenden gedifferentieerde eindlichaampjes, die de begrenzing door de huid tot één enkel sferisch uitgebreid zintuigoppervlak maken. Al deze zintuigen waken over de invloeden, die op het menselijk organisme afkomen en ontvonken zijn wakend zielenbeleven door de rijkdom van hun indrukken.

De beschreven afsluitende en vormgevende functies van de huid, in wisselwerking met bepaalde gewaarwordingen, maken het huidorgaan tot een wezenlijk lid van het zenuw-zintuigstelsel, dus van de bewustzijnspool van de mens. Als deel van het hele organisme heeft het echter ook te maken met de stofwisselings-ledematenpool. De zweet- en talgklieren bv. hebben belangrijke uitscheidings- en ontgiftingsfuncties. De zweetklieren zijn in staat om — naast alle mogelijke aan het lichaam vreemde stoffen — zelfs vergiften zoals jodium en arsenicum uit te scheiden. Daarom bevorderen zweetkuren in de meest verschillende vorm het verwijderen van de „slakken” uit het organisme en de genezing van allerlei ziekten. Ook is de huid in staat om in beperkte mate substanties, vooral in gasvormige toestand, zoals etherische oliën, op te nemen. De aan het haarzakje aangehechte fijne spieren geven haar een bepaalde bewegelijkheid, wat uit de samentrekking bij „kippenvel!” blijkt, terwijl de elastische vezels van de middenhuid en de verschuiving daarvan ten opzichte van de onderhuid, voorwaarde zijn voor de passieve, maar onmisbare rekbaarheid en bewegelijkheid.

Een omvattende spiegel van het innerlijk

Tussen deze tegengestelde mogelijkheden naar buiten en naar binnen treedt de circulatiefunctie bemiddelend op. Want de huid is een rijk van bloed doortrokken — en daarom ook doorademd — orgaan. In miljoenen allerkleinste aanhangseltjes van de middenhuid dringen de capillaire vaatjes tot in de opperhuid, die zelf geen vaten bezit, door. Deze „bloedsluier” schemert door de doorzichtige epidermis heen en geeft de „blanke” mens, tezamen met de eigenlijke kleur van de huid, de typisch aan perzikbloesem verwante tint: het menselijk incarnaat. Het zou te ver voeren om te laten zien, hoe dit samenspel van alle genoemde anatomische bestanddelen en fysiologische functies op iedere plek van het lichaam verschillend en aan die speciale oppervlaktesituaties aangepast is. We vinden dan ook bv. onder de huid van het oor en de neus geen vetlaag en aan de binnenkant van de hand en de voetzolen de bekende versterking van de hoornlaag, maar geen talgklieren, of een bepaald soort van zweetklieren bij de schaamdelen en de oksels, die verwant zijn aan de klieren waarvan de uitscheiding een speciale geur heeft bij de dieren.

De huid blijkt dientengevolge een volledig geldend, universeel orgaan van het lichaam te zijn. Door de geleding van zijn bouw en het samenspel van zijn functies is het een drieledig organisme, dat zich ontwikkelt uit het drievoudig menselijk organisme en daarop afgestemd is. (zieHet lichaam als instrument van de ziel” van Dr. Bühler,

Het feit, dat de mens ten gronde moet gaan, wanneer bij een zware verbranding meer dan 3/5 van zijn huid vernietigd is, onderstreept nog eens het belang van dit orgaan voor het leven. De arts weet daarom, dat hij uit het goed of slecht uitzien van de huid en uit de toestand ervan veel belangrijks kan waarnemen over de inwendige orgaanfuncties van de mens. Hoezeer ook de in de huid ingebouwde zintuigen de wereld weergeven, toch is deze tegelijkertijd een omvattende spiegel van het inwendige van het organisme, dat hij omhult. Hij heeft daarbij niet alleen deel aan diens fysiologische processen, maar ook aan het leven van ziel en geest van de mens. Hij bloost of verbleekt niet alleen van de warmte of van de kou, bij koorts of bij een shock, maar ook van toorn en schaamte, van schrik en angst. De individuele graad van het incarnaat als zijn grondtint openbaart ons iets van het meest innerlijke wezen van de mens.

Dit vermogen om zich uit te drukken is vooral te danken aan zijn ademende elasticiteit en zijn ritmische bewegelijkheid. Dit wordt nog duidelijker in de mimiek van het menselijke gelaat, waardoor het tot een zeer eigen en alleen bij de mens behorende taal van de ziel wordt, die de mens boven het zoogdier verheft. Dit is een gevolg van de eigenaardige veelheid van spieren onder de gezichtshuid, de mimische spieren, die onmiddellijk onder de huid beginnen. We rimpelen, wanneer we twijfelen, ons voorhoofd, trekken in afschuw de neus op, of krullen glimlachend de mondhoeken. Ons gezicht straalt van vreugde of drukt zware zorgen uit. Op de enige plek echter, waar de verhoorning van de huid geheel verdwijnt en hij absoluut doorzichtig wordt, treedt ons vanuit de pupil het Ik-wezen van onze medemens tegemoet. Geen nog zo schoon schubben- of verenkleed, geen veelkleurige omhulling van pels of vel, versierd met manen of kwasten, zou ons dit uitdrukkingsvermogen kunnen schenken. Want dat zou ons alleen maar onder de wetmatigheid van een geërfde soort plaatsen. De in het begin beschreven gebrekkige uitrusting van de menselijke huid geeft ons nu juist een terrein, waarop we onze individuele geaardheid in vrijheid tot uitdrukking kunnen brengen. De onvoldoende uiterlijke verschijningsvorm roept ons op, ons binnenste, ons Ik-wezen, tot de uiterste geldigheid te brengen en tot een uitdrukking die bij ons wezen hoort te maken.

.

Tastzin en huidzintuigen onder nr. 2

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2683-2513

.

.

.

.

.

Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 12 (12-4-1)

.

Enige opmerkingen bij blz. 181 – 184  vertaling

.
ALGEMENE MENSKUNDE – VOORDRACHT 12

.
Op blz.182/183 – vert. 183  zegt Steiner:

Wenn der Krankheitsprozeß über das bloß Vegetative hinausgeht, das heißt, wenn der Körper die Tendenz hat, nicht nur das Pflanzliche in sich beginnen zu lassen, sondern auch den mineralischen Kristallisationsprozeß, dann ist eine höhere, sehr zerstörerische Form von Krankheit vorhanden, zum Beispiel Zuckerkrankheit. Dann ist der menschliche Leib nicht in der Lage, aus der Kraft seiner Gliedmaßen heraus, die er von der Welt aufnimmt, das Mineral, das er fortwährend auflösen soll, wirklich aufzulösen. Und wenn heute die Menschen gerade jener Krankheitsformen, die vielfach von krankhaftem Mineralisieren im Menschenleibe herrühren, nicht Herr werden können, so rührt das vielfach davon her, daß wir nicht genügend anwenden können die Gegenmittel gegen diese Erkrankungsform, ( ).

Wanneer een ziekteproces niet slechts plantaardig is, wanneer het lichaam de neiging heeft niet alleen het plantaardige in zich te laten ontstaan, maar ook het kristallisatieproces van de mineralen, dan is er sprake van een ernstiger, zeer vernietigende vorm van ziekte, bijvoorbeeld suikerziekte.0 Dan is het menselijk lichaam niet in staat om door de kracht van de ledematen – die het uit de wereld opneemt – het mineraal dat het zou moeten oplossen, ook werkelijk op te lossen. En wanneer mensen tegenwoordig juist die vormen van ziekten, die dikwijls ontstaan door een ziekelijke vorm van mineraliseren in het lichaam, niet de baas kunnen worden, dan komt dat doordat we niet voldoende gebruik kunnen maken van het middel dat deze ziekten tegengaat.

In Steiners opvattingen over ‘genezen’ komen we tegen dat bv. planten dodelijk voor ons kunnen zijn, maar ook dat ze – in een veranderde hoedanigheid – de mens juist ook genezing kunnen brengen.
Dat geldt ook voor de mineralen.
In onderstaand artikel wordt daarover iets duidelijk gemaakt.

E.Cloos, Weledaberichten nr.84, 12-1969
.

MINERALE GENEESMIDDELEN

.
De mens is een wezen dat men niet zo zonder meer „natuurlijk” kan noemen. Weliswaar heeft hij kalk en fosfor in zijn beenderen, kiezelzuren in zijn bindweefsel en haren; hij groeit als een plant, ondervindt lust en onlust als de dieren — maar dit alles wordt — door het feit dat hij als mens een „ik” heeft — opgeheven in een sfeer, die boven de natuur ligt. Vanuit deze sfeer wordt ook in de onderbewuste gebieden van de stofwisseling en groei, van de droomachtige gevoelens van lust en onlust iets omgevormd, wat zozeer bij de mens als bewust geestelijk wezen behoort, dat datgene wat hij gemeen heeft met de andere natuurrijken in hem opgeheven wordt in het menselijke. De levensprocessen in de opbouw en afbraak worden zo gevormd, dat de mens niet slapend als een plant, niet alleen maar dromend als een dier leeft, maar in zijn denkende bewustzijn in staat is, zichzelf en de wereld te doorgronden. Het menszijn wordt bepaald, doordat de natuur in de mens wordt overwonnen. Dat is de reden, waarom de mens niet — zoals een door een kruisspin vergiftigde merel — naar een bilzenkruidplant kan gaan, om een blaadje daarvan als tegengif te nuttigen. De merel is een natuurwezen; hij vindt het geneesmiddel voor de vergiftiging in de natuur door zijn instinct, d.w.z. door het feit dat hij in de natuur zelf leeft. De mens heeft zichzelf — door zich te verheffen boven de natuur — de basis voor zijn zelfbewustzijn en denkvermogen geschapen, maar heeft daardoor het instinct meer en meer verloren.

Het gevolg daarvan is, dat de geneesmiddelen voor de mens toebereid moeten worden en wel zodanig, dat men steeds in het oog moet houden, hoe de natuursubstantie zo omgevormd moet worden, dat ze in staat is, de mens — als een boven de natuur levend ik-wezen — te genezen.

Dit ik-wezen van de mens beleeft zichzelf aan het feit, dat het in het organisme afbraakprocessen veroorzaakt: een werkelijk doden van stoffen in organen. Er ontstaat iets min of meer mineraalachtigs. Dat mag natuurlijk niet lang zo blijven: het moet weer uitgescheiden worden. Maar in dat vormen en uitscheiden van het minerale „leeft” eigenlijk het ik-wezen van de mens. Daarbij speelt de warmte in zijn verschillende stadia in het organisme een grote rol. De beenderen en de hersenen zijn koel. Men heeft een koel hoofd nodig om goed te kunnen leven. De lever en het hart moeten zeer warm zijn. Een „warm hart” is altijd goed in het leven; vaak ook een gloeiende wil.

Waar het koel wordt in het organisme, vormt zich dode of minerale substantie, zoals bv. in de beenderen. Waar de organen warm zijn, wordt het minerale weer opgelost. Hieruit blijkt, hoe belangrijk minerale stoffen voor het leven van de mens zijn.

Wanneer het er nu om gaat, minerale geneesmiddelen voor de mens te bereiden dan moet men zich afvragen: hoe is de betreffende substantie als zodanig in de mens voorhanden (bv. ijzer in het bloed), of hoe is ze in de fijnste vorm in een of ander orgaan werkzaam (bv. tin in de lever of in de gewrichten). Men zal erop bedacht moeten zijn, dit ijzer of tin zo te bereiden, dat het het organisme ertoe aanzet, zelf de metaalsubstantie sterker op te nemen, of — zoals bij tin — het metaal in zijn functies op te voeren.

Daartoe bestaan verschillende mogelijkheden, al naar gelang van de bedoelingen van de arts. Men kan het ijzer als erts uit de natuur halen, het tot een soort mest verwerken en het in fijne hoeveelheden toevoegen aan grond, waarin brandnetels of spinazie groeien, planten die het bijzondere vermogen hebben, met het ijzer om te gaan. Ze verwerken het ijzer zo, dat het, wanneer men het brandnetel- of spinaziesap als geneesmiddel gebruikt, het organisme stimuleert, zich sterker met het opnemen van het ijzer bezig te houden.

Er worden dus geen hoeveelheden ijzer aan het lichaam toegevoegd, maar het organisme wordt in staat gesteld, zich bezig te houden met de vorming van ijzer. Op die manier bestaan voor alle belangrijke metalen die als geneesmiddelen gebezigd worden, overeenkomstige planten, die het vermogen hebben, met bepaalde metalen om te gaan.

Bij het proces van bemesting van planten met metalen werkt men geheel en al in overeenstemming met de wordende natuur, omdat de plant in zijn levensfuncties iets overneemt, wat men natuurlijk ook „mechanisch” door het homeopathisch potentiëren kan voltrekken. Want de plant brengt inderdaad (vooropgesteld, dat de mest goed bereid en in de juiste dosering wordt gebruikt) een potentiëring van het metaal tot stand. Het is daarentegen in geen geval mogelijk, een verhoogde opname van het betreffende metaal vast te stellen. De therapeutische werking bij de patiënt laat zien, dat het plantensap gepotentieerde metaliteit bevat. Wanneer men de metalen vanuit een ander gebied tot werkzaamheid wil brengen, dan is het nodig ze op een geheel andere manier te bereiden. Dit proces is gebaseerd op iets uit de ontwikkelingsgeschiedenis van de metalen.

Deze waren in vroegere aardperiodes nog in de omgeving van de aarde als wolken verdeeld. In die tijd vertoonden de metalen in deze toestand nog een intensieve kleurigheid. Resten van die kleurigheid van de metalen vinden we tegenwoordig nog terug in de getintheid van de doorzichtige edelstenen. Uit die wolkentoestand, die ook door moderne onderzoekers aangenomen wordt, hebben de metalen zich verdicht tot een vloeibare toestand en zijn op die manier van buitenaf in de aarde binnengedrongen. Daardoor komen de metalen ook in de diepere lagen van de aarde niet meer voor.

Door ze sterk te verhitten kan men alle metalen weer in die damp- of wolkentoestand terugbrengen. Wanneer men die damp op een koud oppervlak opvangt, dan krijgt men het metaal in een eigenaardige toestand, die niet meer kristallijn is, zoals bij de natuurlijke metalen en ertsen. In die vorm vertonen de metalen een andere werkzaamheid dan de door planten gepotentieerde metalen, wanneer men deze aansluitend nog „mechanisch” potentieert.

Ook hier heeft men nu op een zuiver fysiek vlak een proces voltrokken, dat afgeluisterd is van de natuurlijke ontwikkelingsgang van de metalen. Men maakt alleen de metaalsubstantie zeer sterk los uit de aardse krachtwerkingen van het kristalliseren en verandert daardoor de richting waarin ze in de mens werken.

Een nog verdergaande weg, die evenals het hierboven beschreven proces, berust op aanwijzingen van Rudolf Steiner, leidt tot volkomen nieuwe geneesmiddelen van minerale aard. Het is een eigenaardigheid van alle planten, dat ze zeer bepaalde minerale stoffen opnemen en in de organische substantie van wortels, stengel, bladeren, bloesems en zaden opnemen. Wanneer men de plant verbrandt, dan vindt men deze minerale substanties in de as. Het betreft meestal kalk, kiezel, kalium, natrium, magnesium, ijzer, mangaan, fosfor en zwavel om de belangrijkste te noemen. De verhouding van deze asstoffen tot elkaar is bij alle planten verschillend. De as van de akkerpaardenstaart heeft steeds een andere samenstelling dan de as van kamille. Wat betreft het groen van de bladeren, zijn alle planten, bij wijze van spreken, gelijk. Maar bij het invoegen van de minerale stoffen, worden het uitgesproken individualisten.

Nu is op zichzelf reeds bekend, dat het ijzer van de brandnetel, de kiezelzuren van de akkerpaardenstaart, of de zwavel van de ui belangrijke bestanddelen zijn voor de genezende werking van de betreffende planten.
Dit principe is nog in hoge mate uit te breiden. De geneeskracht van zeer vele planten berust juist op een bepaalde verhouding van minerale stoffen.

In dit verband is het nodig, de wetmatigheden van de asvorming bij afzonderlijke planten te onderzoeken en zich er voorstellingen over te maken, hoe de plant het klaarspeelt, nu juist die stoffen en in die verhouding op te nemen. Daarvoor is het allereerst noodzakelijk, zeer nauwkeurige analyses van de plant te maken. Wanneer men de verhoudingen van de verschillende minerale stoffen heeft vastgesteld, dan moet men nagaan, hoe de plant het tot stand brengt om deze of gene stof in zich op te nemen of te vormen. Wanneer ons dit — na rijpelijk overleg — gelukt is, dan moet men trachten dat, wat de plant doet, in een laboratorium-proces scheikundig of natuurkundig na te bootsen. Men verkrijgt dan een stofcombinatie die, wat de getallen betreft, met de mineraal-stofverhoudingen van de betreffende plant die men zich tot voorbeeld heeft genomen, overeenstemt. Men gaat hierbij a.h.w. bij de natuur in de leer, doordat men bepaalde levensprocessen van de groeiende plant tot model neemt, waarnaar men in het laboratorium zijn werkwijze ontwikkelt.

Wanneer men nu — zoals hierboven werd geschetst — bepaalde plantenprocessen in het organisch-minerale overgebracht heeft, dan verkrijgt men therapeutische werkingen, die op die van de modelplant lijken, maar die aanzienlijk duurzamer en sterker zijn. Deze preparaten stimuleren — zoals alle minerale preparaten — vooral ook het ik-wezen van de mens, wiens samenhang met het vormen en oplossen van het minerale hierboven geschetst werd.

Aan deze enkele voorbeelden, die maar een klein gedeelte van onze werkwijze op dit gebied uitmaken, hopen we de buitengewone betekenis van de minerale geneesmiddelen duidelijk te hebben gemaakt. Rudolf Steiner heeft eens uitgesproken, dat men de mens eert, wanneer men tracht hem met minerale geneesmiddelen te helpen.

.

Algemene menskundevoordracht 12– alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Seineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2676-2506

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Ritme

.
Dr.W.Bühler, Weledaberichten nr. 82, juli 1969

.

HET LEVENSRITME IN HET TECHNISCHE TIJDPERK
.

Op elk niveau van het bestaan ziet de mens zichzelf in tegenstellingen geplaatst. Op het organische gebied moet hij een evenwicht zoeken tussen honger en oververzadiging, stofopname en -afscheiding, zintuigelijke overprikkeling en afstomping. Te hoge en te lage bloeddruk, neigingen tot verkramping en gevaren voor verslapping van het organisme zijn alle even schadelijk. In het zielenleven bestaat de tegenstelling tussen waken en slapen, tussen wild enthousiasme en diepste neerslachtigheid of tussen te veel bezigheid en traagheid. In de natuur die ons omgeeft bedreigen ons schel daglicht en diepe nachtelijke duisternis evenzeer als hitte in de zomer en koude in de winter. We leren hier uit de regelmatige wisseling van de tijden van de dag en het jaargetijde, dat de natuur de orde handhaaft door middel van de kunstgreep van het ritme.

Het zijn inderdaad ook in het menselijke organisme de veelvuldige ritmische processen, die de tegenstellingen overkoepelen en die leiden naar een harmonisch evenwicht. In het spanningsveld van de polariteiten wordt het ritme zo tot een oerelement, dat grondslag geeft aan het leven en dit verder voert. Dit valt af te lezen aan het ritme van de ademhaling en de hartslag. Er bestaat geen systeem van organen in ons lichaam, dat niet op ritme is ingesteld. We denken hier bv. aan de peristaltische beweging van de maag, de darmen, de urineleider, de uiterst subtiele ritmiek van de trilharen op de epitheelcellen van de slijmvliezen van de bronchiën en de alfa- en bèta-golven van de hersenen, die in de door het elektrische veld geworpen schaduwen waarneembaar zijn.

Van het hoofd tot aan de voeten zijn we ervan doortrokken en doortrild en door het nog daarbovenuitgaande ritme van waken en slapen verbonden met de ritmen van de kosmische moederschoot. 

Verbinding met de kosmische ritmen

De warmbloedige dieren die een winterslaap houden, de kikker onder de koudbloedigen, de vlinders, of kevers uit de wereld van de insecten en de zeedieren, die zo gevoelig zijn voor maaninvloeden, maken ons duidelijk, dat het leven van de aarde des te meer met de ritmen van de kosmos verbonden en ervan afhankelijk is, naarmate het peil van hun organisatie lager is. In dat verband vertonen de fasen van het plantaardige leven, die absoluut de gang van de jaargetijden volgen, de grootste afhankelijkheid. Hoe hoger echter de organisatie als basis van het bewuste zielenleven staat, des te meer krijgen wezens het vermogen, de processen en ritmen van de omgevende wereld in zich te integreren en zich op deze manier ervan los te maken. Dit proces van zelfstandig wording bereikt in de mens, als het meest bewuste wezen van de schepping, zijn hoogtepunt. We kunnen naar willekeur van de nacht een dag maken en het dagverloop, met een verduistering van het bewustzijn door een middagdutje, onderbreken. Zelfs met elke zin die wij spreken, grijpen we veranderend of storend in het grondritme van ons leven in, nl. in het ritme van de ademhaling. Doordat we de ritmische ordening en gestalte, alsmede de beweeglijkheid van de wervels en ribben, die een uitdrukking zijn van de circulatie en de ademhaling, in ons hoofd overwinnen, de botten verharden en tot schedeldak laten uitkristalliseren, veroveren we ons in het centrale zenuwstelsel een orgaan, dat ons bewust uit de grote samenhang losmaakt. In de hersenen, waarin na de geboorte geen zenuwcel meer tot vermenigvuldiging in staat is, wordt zelfs de oerfunctie van al het organische leven, de celdeling, tenietgedaan. Hier bereikt de oppositie tegen de natuur buiten ons en tegen de natuurprocessen in onszelf in de bewustzijnsfuncties van de denkende mens zijn hoogtepunt. Deze stelt zich als een van zichzelf bewust „subject” tegenover de „objecten” en doordringt deze vanuit het begrip.

Dit proces leidt tenslotte tot de moderne natuurwetenschap, die het ons mogelijk maakt, in de praktische toepassing via de techniek, bijna alle natuurkrachten te beheersen en ze in dienst te stellen van de menselijke behoeften. De zegetocht via de toorts, de kaars, oliepit en petroleumlamp naar het gloeikousje, de gloeilamp en de neonbuis is slechts een uitdrukking van dit proces van zelfstandigwording, waarmee we ook uiterlijk de nacht tot dag maken. Dit is in een dergelijke vorm voor geen dier mogelijk. Zo maken we ons met centrale verwarming, ijskast en airconditioning van het ritme van de jaargetijden los, maken van de winter een zomer en omgekeerd. De astronaut in de ruimtecapsule, die rond de aarde jaagt, ziet de zon in 24 uur veertien keer op- en ondergaan. Daarmee zetten we echter alleen op technisch gebied voort, wat de natuur begon bij de schepping van het bewuste warmbloedige wezen. We dwingen daarbij de levend-ademende ritmen van de natuur in het raderwerk van de machines en laten deze in de starre regelmaat van de motoren sterven. Maar deze volgen absoluut onze willekeur. In tegenstelling tot de kosmisch onveranderlijke zon-, maan- en sterrenritmen, kunnen wij het verloop ervan te allen tijde versnellen of vertragen, laten beginnen of abrupt onderbreken. De innerlijke vrijheidsruimte van de mens spiegelt zich op deze wijze steeds meer in de volkomen beheersing van de natuur en het bedwingen daarvan onder zijn wil.

Nervositeit als tijdsziekte

Hoe noodzakelijk dit proces van de losmaking van de mens op zijn weg naar de rang van een zelfbewuste individualiteit ook is, toch dreigt dit steeds meer aanleiding te geven tot een ziekmakend op de spits drijven, dat vernietigend op het leven kan werken. We kunnen het gevaar waarin de mens tot in zijn fysieke constitutie toe verkeert, aflezen aan het leven in de grote steden, dat volkomen van de natuur vervreemd is, aan de overprikkeling door de volledig chaotische zintuigelijke indrukken, die onverteerbaar zijn voor de ziel. Achter het stuur van een auto, aan de lopende band of aan de schrijfmachine, steeds weer is de mens, die vroeger in ritmisch verlopend werk, bv. van het zaaien of maaien, met de natuur verbonden was, blootgesteld aan de dwang van mechanisch aflopende processen, die vernietigend op de ziel werken. Het instrumentenbord veroordeelt degene die erop moet letten, tot relatieve passiviteit. Op die manier verlaten we steeds meer de ritmen van de natuur die ons dragen en vallen we ten prooi aan het gejacht en gehaast van een vertechniseerde omgeving, waarin geen ritme heerst. De nervositeit als tijdsziekte en voorstadium van veel ernstiger organische ziekten die daaruit kunnen voortvloeien en die ontstaan uit zulke en nog ontelbare andere processen, uit zich daarom ook vooral in storingen van het ritme. Daaronder neemt als een epidemie de steeds toenemende slapeloosheid, als storing van het dag- en nachtritme, de eerste plaats in. Daarop volgen de nerveuse circulatiestoringen en de „vegetatieve dystonieën en disregulaties” in alle organen, die in het fijne ritmische spanningsveld van de hyper- en hypotonus, bv. van een galblaas-, maagportier- en bronchiaalspierfunctie de harmonie van het „concert der organen” in stand willen houden en zo dienst doen bij een juist samenwerken van lichaam en ziel.

In deze dreigende situatie, die ten nauwste samenhangt met het grondprobleem van de verhouding mens/techniek, zouden we in ware zelfbezinning de gevaren en de grenzen van de nieuw verworven vrijheidsruimte moeten aftasten en bepalen, voordat er ernstige persoonlijke terugslagen of problemen voor de gehele mensheid uit ontstaan. De natuur geeft zelf dergelijke grenzen aan. We kunnen weliswaar zelf het ritme van onze ademhaling remmen of regelen, maar niet het ritme van het hart. We kunnen ons wel onttrekken aan het waak-slaapritme, maar zijn niet in staat, de „inwendige klok” te verzetten, die bijna alle wezenlijke orgaanfuncties in het ritme van 24 uur bestuurt. Onze warmte- en galproductie bv. wordt om 3 uur ’s nachts omgeschakeld op de zgn. ergotrope fase, die ons waakbewustzijn bij de dagelijkse bezigheden ten goede komt, terwijl reeds om 15 uur de tegenfase langzaam inzet. „Moeder Aarde” zelf houdt ons met haar dagelijkse ademritme, waarmee ze alle geofysikale en organische processen doordringt, aan haar levenschenkende boezem vast. Wanneer we met een straaljager in vliegende vaart naar een ander continent gebracht worden, voelen we ons pas weer goed, wanneer de innerlijke klok zich na een paar dagen heeft ingesteld op de daar geldende plaatselijke tijd. De arbeidspsychologie stelt vast, dat lang volgehouden nachtelijk werk in elk geval schadelijke invloed op het menselijke organisme moet hebben, omdat er geen gewenning intreedt aan het tegennatuurlijke ritme van de nachtploegen. Ook op het gebied van ziel en geest gelden dergelijke wetmatigheden. Een loslaten van ritmen, overbelasting en onafgebroken inspanning kunnen misschien bij een vitale constitutie lange tijd worden uitgehouden — op den duur volgt stellig de zenuwinstorting of een aantasting van de verdere gezondheid en meestal een hartinfarct. 

Invoegen in een hoger verband

Het is daarom voor ieder die inzicht heeft, duidelijk, dat de volgende fase van de ontwikkeling van de mensheid slechts hierin kan bestaan dat de mens die door zijn vertechniseerde omgeving in zijn ritmische gebied gestoord is, in een verband van hoger orde gebracht wordt. Weliswaar moet deze samenhang zelf eerst weer gevonden of geschapen worden. Dit vereist onder meer een bewuste en gezonde omgang met de tijd en een inzicht en verzorging van de aan het geheim van het ritme verbonden kwaliteiten, die bv. ook de biografie van iedere mens bepalen.

De van nature gegeven nachtelijke slaappauze, die ontspanning en regeneratie tot stand brengt, is een leerzaam voorbeeld. In de tegenstelling van de werk- en zondagen van het wekelijkse ritme, die vanuit een wijs inzicht aan het organisme van de mensheid als sociaal hygiënisch element werd toegevoegd, is het motief van in- en ontspanning reeds aanwezig. De tijd van rust, van niet-gebonden-zijn en van een zich richten op religieuze waarden als bronnen van de geestelijke opbouw, staan op deze wijze tegenover de plichten en eisen van het uitputtende dagelijkse leven en scheppen een zeker evenwicht. We zouden daarom ook bewuster over een zinvolle vulling en vorm van de wekelijkse vrije tijd moeten nadenken en in geen geval het weekend moeten misbruiken voor nieuwe „topprestaties”, die we ook weer te danken hebben aan de techniek in de vorm van auto’s enz. Het zich intens bezighouden met een landschap of het verzorgen van de planten in de voortuin daarentegen, verbinden ons met de opbouwende levensritmen van de natuur. Iedere geregelde, actieve echt kunstzinnige bezigheid, al is die nog zo bescheiden (blokfluit, kleurpotloden enz.) geeft ons niet alleen een gevoel van ontspanning van de ziel en wekt niet alleen verborgen, braakliggende gebieden van ons leven, maar werkt harmoniserend en versterkend op ons ritmische systeem. Want in ons organisme zelf zijn kunstzinnig scheppende natuurkrachten onbewust werkzaam in de vorming en functies van de organen. Ze wachten a.h.w. op een weerklank vanuit de ziel, waardoor ze meestal — als gevolg van onze onrust en onverstand — alleen maar gestoord worden. Daarom is het in onze tijd ook zo dringend nodig, de dag ritmisch te laten verlopen en zelfs gekozen pauzen in te voegen, waarin bewust ontspanning of een bepaalde inspanning die in een heel andere richting gaat, wordt nagestreefd. De gebruikelijke pauze voor een sigaret of om te schaften, is alleen maar een begin. Het geregeld begieten van de planten, het oplettend beleven van een zintuigelijke indruk (leren kijken en luisteren), het bewuste wegleggen van een voorwerp ’s avonds om het ’s morgens weer tevoorschijn te halen, of de terugblik ’s avonds op het verloop van de dag, zijn zulke oefeningen voor een hygiëne van de ziel. Die kunnen tot ogenblikken van beschouwelijkheid in meditatieve zin opgevoerd worden door het innerlijk rusten op de inhoud van een gedicht of van een spreuk, vooral wanneer men heeft verleerd om te bidden.

Het vinden van innerlijke rust

„De gestadige druppel holt de steen uit”. Het gaat hierbij minder om de poging op zichzelf, dan wel om de regelmatige herhaling, het systematische oefenen. Ritme vervangt kracht! Het proces van het verzorgde ritme zou een nieuwe, genezende gewoonte moeten worden, die onze constitutie als een ademhaling doortrekt. Het komt erop aan, in de tegenstelling tussen kinderlijke gebondenheid aan de natuur en de absolute ongebondenheid van een intellect, dat van de geest verlaten is, de gulden middenweg van een hoger levensritme te vinden. Dat ritme zal een gezondmakende invloed hebben. Onze innerlijke rust, ons levensvertrouwen en ten slotte de handhaving van onze menselijke waardigheid hangen — meer dan men zou denken — van dergelijke pogingen af.

.

Ritme – alle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2664-2495

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Bewegen

.

Dr.med. Simeon Pressel, Weledaberichten nr.109, sept 1976
.

HET GEVOELIGE SAMENSPEL IN ONS BEWEGINGSORGANISME

.

Ons bewegen is in gevaar.
Vroeger werd het levend gehouden door de noodzaak van de lichamelijke inspanning; dit is ons door machines afgenomen. Niet-gebruikte krachten veranderen echter in giften in onze stofwisseling, die verlammend werken in spieren en gewrichten.

Wat is daartegen te doen? Een stap in de goede richting is een duidelijk inzicht in de samenhang. Het bewegingsorganisme bestaat uit 4 elementen.

In de eerste plaats een element, dat doet bewegen, de spier;
dan één, dat wordt bewogen, het bot.
De spier is gewoonlijk aan beide kanten aan het bot gehecht, waartussen een gewricht de beweging mogelijk maakt.
Verder heeft de spier veel bloed nodig; wonderbaar vertakte bloedvaten en bloedvaatjes brengen en halen het levenssap.
Als vierde is de spier op gelijke wijze geheel doorweven met zenuwen voor de waarnemende communicatie die het harmonische samenwerken tot stand brengt.

In de ledematen en romp heeft het skeletspierstelsel zijn zwaartepunt. Centrum is de wervelkolom, uit ongeveer 30 wervels opgebouwd met daartussen kraakbeenschijven.
Naar onder toe overweegt de belasting zó sterk, dat omstreeks het 25e levensjaar de 5 wervels van het staartbeen tot één geheel vergroeien. Naar boven neemt de bewegelijkheid geleidelijk toe, om bij de atlas ten slotte haar hoogtepunt te bereiken.
Honderden spieren omhullen deze wervelkolom: de kleinste van de ene wervel direct naar de volgende, daarover langere, die een of meer gewrichten overslaan en ten slotte de grote rugstrekkers, die van boven tot onder reiken.

Geheel bovenaan, op de bovenste van de zeven halswervels (ook de giraffe heeft er zeven, evenals de dwergmuis) ‘troont het hoofd, dat reeds door de Grieken met het hemelgewelf werd vergeleken. In deze eenzame hoogte houden de spieren langzamerhand op, maar hier ontspringt, gelijk Pallas Athene uit het hoofd van Zeus, de grootste en bewegelijkste beweging: het denken, dat over de grenzen van ruimte en tijd reikt.

Tussen de tegenstellingen van hemelse en aardse bewegingen, bemiddelt de beweging van adem, spraak en zang, die weliswaar spieren nodig heeft, maar in zijn centrum, het strottenhoofd, zich niet van been, maar van het wekere kraakbeen bedient. Als een edelsteen is zo het sierlijke spraakorganisme in de wereld van de grote spieren ingebed; het werkt en leeft daar.

Nog intiemer werkt in de spraak het denken, de oerbron van alle beweging.

Nu willen wij nauwkeurig nagaan, hoe de gezondheid en het geluk van de mens afhangt van het samenspel van deze zo verschillende sferen. Wordt bij bepaalde handelingen het denken uitgeschakeld, dan geschiedt die handeling slaafs. Een nog gebruikelijke vorm daarvan, het werk aan de lopende band, wordt gelukkig steeds meer door zinvol groepswerk vervangen; de mens is dan weer geheel ingeschakeld en zijn bewustzijn wordt niet afgestompt en mogelijk vergiftigd.

Is het lichamelijk aandeel bij het werk te gering dan verliest het zijn realiteit en actualiteit en wordt tot een leeg gedachtespel. Vele kinderen ervaren de school als niet bij hen passend, wanneer het onderwijs te veel op het intellect gericht is. Juist een opgroeiend kind zou zó geleid moeten worden, dat het leert de lichamelijke bewegingen op harmonische wijze om te vormen tot fijnere innerlijke activiteit.

Kan nu ook dat middengebied, de spraakbeweging ziek worden? O ja, wanneer het van de beide anderen wordt gescheiden, komt het tot holle woorden. Wij kunnen daarbij denken aan de meer zuidelijke mens, die, druk gebarend, vele lege woorden laat horen, terwijl de noordeling meer neigt naar het koude abstracte.

Na deze vormen van eenzijdigheid te hebben nagegaan, willen wij nu de blik richten op andere vormen van beweging, die tot vruchtbaar samenwerken leiden.

Hoe komt het, dat pantomime ons zo fascineert? Weliswaar schijnt de spraakbeweging hier te zijn onderdrukt, maar des te duidelijker ‘spreken’ de ledematen; het is deze verschuiving, die bekoort. Bij muziek, die voortkomt uit het middengebied van spraak en zang, schijnen de beide buurbewegingen – de fysieke en die van het denken – te ontbreken, maar ook hier maakt het ontbreken juist de charme uit. Gedachten kunnen in klanken, hoewel op andere wijze dan in woorden, worden uitgedrukt. Aan de andere kant bewijzen de vele soorten van dansmuziek, dat daarin lichaamsbeweging opgesloten ligt, zodat als het ware je voeten willen meedansen.

En de dans zelf? Is de dans niet enkel een vorm van muziek, die door de ledematen gaat en daardoor door het gehele lichaam?

Maar op de meest omvangrijke wijze brengt het toneelspel de drie bewegingsvormen tot uitdrukking. De opera, met de muziek, gaat nog een stap verder. Zo is het niet te verwonderen, dat al deze kunsten zowel in de primitieve als in de huidige culturen een belangrijke plaats innemen. Maar de hier in het begin genoemde vergiftiging in de stofwisseling hebben zij nog niet kunnen afwenden, onze beschaving nog niet kunnen veranderen.

Ook het weten op zich van deze dingen kan dat niet; het is pas een eerste stap. Er moet een grondige vernieuwing komen.

Onze tijd heeft op alle gebieden ongekende mogelijkheden geopend. Naast vele gevaren voor de gezondheid en de harmonie van de mens zijn er ook wegen geopend naar de genezing van het gehele bewegingsorganisme: om dat met nieuw stromend leven te vullen.

In het bijzonder mogen we hier de nieuwe bewegingskunst, de euritmie noemen, die ieder mens er weer plezier aan kan laten beleven zijn ledematen en spieren zinvol te bewegen.

Dr. Rudolf Steiner zegt daarover in een voordracht: de euritmie als bezielde en doorgeestelijkte gymnastiek is een opvoedmiddel van betekenis. De gymnastiek haalt zijn wetten uit de kennis van het menselijk lichaam. Maar alleen bezielde gymnastiek zal bereiken wat het zuiver lichamelijke niet kan. Het zal de gehele mens, naar lichaam, ziel en geest opvoeden en onder geen beding het lichaam veronachtzamen.

.

Menskunde en pedagogie: alle artikelen   nr. 19 over bewegen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2663-2494

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Ritme (3-25)

.

Manfred Weckenmann, arts*, Weledaberichten nr. 153, maart 1991
.

HET RITME VAN DE MENSELIJKE UITSCHEIDINGSPROCESSEN
.

Alle processen in de mens – en dit geldt in de gehele levende natuur- verlopen met een ritmisch geordende intensiteit. Zo is het niet verwonderlijk dat ook in de processen van de menselijke stofwisselingsorganisatie ritmische processen een belangrijke rol spelen. In de volgende bijdrage onderzoekt Manfred Weckenmann, arts, de betekenis van het ritme voor de menselijke uitscheidingsfuncties.

Het is wellicht menigeen al opgevallen dat hij overdag vaker moet plassen en minder zweet dan ’s avonds en ’s nachts. Zulke waarnemingen geven aanleiding tot de idee dat uitscheiding periodiek plaatsvindt.
De wetenschap heeft, met name in de laatste dertig jaar [artikel uit 1991] laten zien dat niet alleen uitscheiding maar alle biologische en psychologische processen ritmisch verlopen. (Chronobiologie; Kronos = God van de periodieke tijdsindeling).

Laten wij met betrekking tot ons onderwerp eerst duidelijk maken wat men in biologische zin onder uitscheidingsprocessen verstaat en wat onder ritme.

Wat is uitscheiding? 

Etymologisch betekent “uit” (indogermaans: ud) “ergens op, ergens vandaan” en “scheiden” (indogermaans: skei) “snijden, splitsen”. Het Latijnse woord voor uitscheiding is excretie naar het woord excrescere “eruit-, tevoorschijn-, in de hoogte groeien”.
Uitscheiding is dus een actief proces, dat boven het organisme uitgroeit en het onherroepelijk verlaat. In deze betekenis gelden als uitscheiding onder andere: stoelgang, urine, kooldioxide (uitademing), nagels, haar, huidschilfers, talg, zweet, warmte (uitademing, huid), sperma, menstruatiebloed, tranen en moedermelk.

Wat zijn biologische ritmen?

De levensverschijnselen veranderen voortdurend. De wetmatigheden die aan deze veranderingen ten grondslag liggen zijn duurzaam. Een deel van deze wetmatigheden wijst op een onomkeerbare verandering, omdat de tijd niet omkeerbaar is (bijvoorbeeld de biologische evolutie). Een ander deel wijst op wetmatigheid die op terugkeer is gebaseerd (bijvoorbeeld de seizoenwisseling). Deze laatste wetmatigheid noemt men cyclisch (cyclus = kring) of periodiek (peri – odos = omloop, kringloop). In het leven kruisen beide vormen elkaar, zodat er een soort spiraalbeweging ontstaat waarbij steeds hetzelfde terugkeert. Dit noemt men “ritmisch”. In het taalgebruik worden cyclisch, periodiek en ritmisch vaak als synoniem gebruikt. Afgebakende perioden kunnen alleen door middel van gebeurtenissen worden beschreven (bijvoorbeeld de omloop van de wijzers van de klok). Diverse lange perioden kunnen door getalsverhoudingen met elkaar worden vergeleken (bijvoorbeeld: hoeveel zon – licht-donker – wisseling = dagen komen overeen met één maan -licht-donker – wisseling = maand?). Daarop berust onze “tijdmeting”.
Elke periode is onderverdeeld in fasen (bijvoorbeeld maanfasen).

Een periode van uitscheiding bestaat dus uit een fase van verhoogde en van vergaand verminderde uitscheiding.

De duur van een biologisch ritme loopt van onderdelen van seconden tot jaren. In het hiernavolgende beperken wij ons tot het ritme van dag en nacht.

Stoelgang

De ontlasting wordt gevormd uit onverteerbare stoffen, de uitscheidingen van het maag-darmkanaal en de bacteriën die zich in de darm bevinden. Hij is “giftig” en heel besmettelijk.
In de regel vindt de stoelgang eenmaal per dag, ’s morgens plaats. Dat dit “normaal” is kunnen wij herkennen aan het feit dat bijvoorbeeld bij een geneeskrachtige drinkkuur bij patiënten met een stoelgang van meermalen per dag deze wordt verlaagd en bij degenen met een stoelgang van eenmaal in de twee, drie of vier dagen, deze wordt verhoogd. Binnen de patiëntengroep treedt een zgn. normaliseringstendens op van ongeveer één stoelgang per dag.

Urine-uitscheiding

Met de urine wordt datgene uitgescheiden wat aan in water oplosbare substanties (kortgezegd: “urinezouten”) uit de stofwisseling aan het bloed werd afgegeven, voor zover het voor de verdere opbouw van het organisme onbruikbaar is. De nieren stellen voor het bloed de mate vast waarin deze substanties kunnen worden opgenomen. Als dat niet zo was, zou de stofwisseling de opname “blindelings” overschrijden. Faalt deze maatgevende functie van de nieren, dan vergiftigen deze stoffen het organisme. Het bewustzijn en de gezonde opbouw worden verstoord.
Het hoogtepunt van de hoeveelheid uitscheiding van deze “urinezouten” ligt bij gezonde volwassenen dagelijks tussen 12.00 uur en 22.00 uur wat betreft de hoeveelheid natrium, kalium, calcium, chloor, urinestof, urinezuur en creatinine. Alleen fosfaat wordt ’s nachts sterker uitgescheiden. Deze tijdsindeling geldt ook onafhankelijk van de voedselopname.
In de fase waarin maximale nierafscheiding plaatsvindt -overdag- neemt de mens voedsel en vloeistof tot zich en is hij actiever. Daardoor is hij van de kant van de stofwisseling sterker aan vergiftigingsgevaar blootgesteld. De activiteit van de nieren is op dit gevaar ingesteld en ontgift overdag actiever dan ’s nachts. Deze fasegewijze ontgifting door de nieren is echter geen passief gevolg van een verhoogde prestatie van de stofwisseling, want de nieren ”ont-giften” overdag sterker, ook wanneer voedselopname en activering van de stofwisseling uitblijven. Zowel sociaal gedrag als stofwisseling enerzijds en activiteit van de nieren anderzijds zijn dus harmonisch op elkaar afgestemd, ’s Nachts heeft de urine de hoogste concentratie; daarom bestaat dan het grootste gevaar voor niersteenvorming.

Deze periodieke afwisseling is bij gezonde mensen stabiel, ook wanneer hij gedurende een bepaalde tijd ’s nachts werkt. Zowel bij oude mensen als bij mensen met hart- en nierziekten verandert de relatie van de fasen tot de
“zonnedag”: de maximaal aanwezige hoeveelheid urine en ”urinezouten” verplaatst zich naar de nacht (ongeveer 22.00 – 5.00 uur).
In de urine worden echter ook hormonen uitgescheiden, voor zover zij een bepaalde bloedspiegel overschrijden. Omdat hormonen ook afhankelijk van de periode van de dag worden gevormd, is de uitscheiding hiervan ook periodiek. Zo worden de activerende hormonen van de bijnierschors en bijniermerg en ook de hormonen van de sympaticus in de vroege ochtend tot de middaguren versterkt uitgescheiden. Deze “ontgifting” beschermt de mens dus voor “overprikkeling” in de ochtend. De meer opbouwende hormonen, zoals insuline, worden daarentegen versterkt gevormd en uitgescheiden in de middag- en avonduren.

Uitademing van kooldioxide

De uitademing van kooldioxide is een gasvormige ontgifting want wanneer deze faalt lijden het bewustzijn en de opbouw van de organen daaronder. De functie lijkt dus op die van de nieren.
De intensiteit van de ademhaling neemt toe met de toenemende wakkerheid en daalt met de diepte van de slaap. Zo zijn de capaciteit van de longen en de zuurstofopname en ook de afgifte van kooldioxide overdag hoger dan ’s nachts. Prikkelingen van de ademhaling, zoals door lucht die rijk is aan kooldioxide, wordt dienovereenkomstig in de slaap zwakker beantwoord dan bij waakbewustzijn. Deze kan op een ziekelijke manier de aanzet van de ademhaling fasegewijs gedurende meer dan tien seconden doen stokken. Daarbij kan het zuurstofgehalte in het bloed dalen en kan het gehalte aan kooldioxide stijgen, waardoor de patiënt meestal wakker wordt. De bereidheid tot het afgeven van kooldioxide is dus gekoppeld aan de activiteitenfase van de mens met een verhoogde productie aan kooldioxide. Op deze manier is de werking van de longen net zoals bij de nieren compenserend afgestemd op de werking van de stofwisseling. Op de afgifte warmte en water bij de uitademing wordt hier niet ingegaan.

Alle hier besproken uitscheidingen hebben betrekking op de dag. Er worden nu drie uitscheidingsprocessen besproken die in de nacht plaatsvinden.

Over een dag- en nachtritme van nagel- en haargroei en over huidschilfering en talgklierafscheiding vond ik tot nu toe geen literatuur. Er werd wel onderzoek gedaan naar zweetafscheiding en afgifte van warmte.

Zweetafscheiding en warmteafgifte

De periodieke afwisseling van de zweetafscheiding en de warmteafvoer via de huid, is in vergaande mate onafhankelijk van het ritme van de buitentemperatuur en het lokale klimaat. Vanaf ongeveer 3.00 uur begint het binnenste van het lichaam warmer te worden, terwijl de huid steeds koeler en droger wordt (opwarmfase). Vanaf ongeveer 15.00 uur vindt er een omgekeerd proces plaats: de kern van het lichaam wordt koeler, de huid wordt warmer en heeft de neiging te gaan zweten. Daardoor stroomt er warmte naar de omgeving (afkoelingsfase). Iedereen kan dit aan zijn handen zien die ’s morgens meestal koel en bleek zijn en ’s avonds warm en rood. Deze regulering heeft tot gevolg dat zweetbevorderende maatregelen (thee, sauna) ’s avonds succesvoller zijn en koortsverhogende maatregelen (koortsbaden en medicijnen) ’s morgens.

Het subjectieve gevoel van een onaangename omgevingstemperatuur is ’s avonds het duidelijkst en ’s morgens het minst. Wij zullen daarom eerder geneigd zijn om ’s avonds onze kleding af te stemmen op de omgevingstemperatuur dan ’s morgens. Dit is zinvol; want wanneer het ’s avonds te koel wordt, dan is op dit tijdstip het organisme niet in staat de doorbloeding van de huid te verminderen (zoals ’s morgens) om overmatig warmteverlies te vermijden. Er bestaat een hoger risico voor ”kou vatten”. Wanneer het ’s avonds echter nog heel warm is, belemmert dit de afkoeling. Wij moeten dan iets uittrekken. Het subjectieve gevoel van warmte en kou is toegenomen op het moment dat het lichaam zichzelf niet kan helpen bij een niet passende temperatuur van de omgeving. Het is dan aangewezen op het voelende bewustzijn van de bedreigde warmteregulatie, zodat wij met ons gedrag kunnen helpen. Omdat de temperatuurregulatie in wezen betrekking heeft op het bloed, kan men ook zeggen dat het bloed ’s avonds meer betrekking heeft op de huid en de zintuigen en ’s morgens meer op de stofwisseling en de prestatie.

De seksuele functie

Het bekendste ritme op het gebied van de seksuele functie is de periodieke bloeding bij de vrouw (menstruatie) die -de naam drukt het al uit- regelmatig ongeveer in een maandritme plaatsvindt.

Minder bekend is het dag- en nachtritme van deze organisatie dat bij de man en de vrouw in gelijke mate optreedt en hetzelfde is als het ritme van de huid. Ook hierbij vindt er een afwisseling plaats tussen sterke en zwakke doorbloeding en afscheiding en wel in dezelfde fasen als die van de huid, d.w.z. een versterking ’s nachts en een reductie overdag. Over dit dag en nachtritme liggen in de nacht kortere ritmen die synchroon lopen met de diepte van de slaap.

Incidentele zelfwaarnemingen -vooral bij oudere mensen- laten zien dat men op vaste tijden enigszins regelmatig, ’s nachts steeds weer wakker wordt en zich daarbij vaak een droom kan herinnneren. Ook de goede slaper kent zulke fasen, alleen wordt hij niet helemaal wakker. Zo doorleeft de mens ’s nachts ongeveer elke 1½ à 2 uur een fase van een lichte droomslaap en daartussen een zgn. diepe slaap. In de droomfasen wordt de mens bewegelijker: de ogen en de ledematen bewegen zich meer, de frequentie van de hartslag en de ademhaling nemen toe, en in deze fase is het organisme van het onderlichaam ook sterker doorbloed. Dit duurt ongeveer 20 à 25 minuten; daarna ebt het in de fase van de diepe slaap weer weg.

Overigens is het aardig te bedenken dat de meeste geboorten in de nacht plaatsvinden.

Tussenbeschouwing

Kijken wij terug op datgene wat tot nu toe is beschreven dan kunnen wij concluderen dat stoelgang, urine- en kooldioxide-uitscheiding bij voorkeur overdag, en dat zweet en genitale uitscheiding vooral ’s nachts plaatsvinden. De eerstgenoemden lopen synchroon met de prestatiefase van de mens die overdag actief is en compenseren de dreigende vergiftiging door de stofwisseling. De laatstgenoemde uitscheidingen hebben betrekking op de nachtrust, d.w.z. op de fase van de regeneratie en reproductie. Dit is het tijdstip waarop in essentie de celdelingen in ons lichaam plaatsvinden, want overdag is er overwegend rust in de celdeling. De afscheidingsproducten van de nachtelijke uitscheidingen zijn eigenlijk niet ontgiftend van karakter. Ze kunnen wellicht als een soort “overvloed” worden gezien bij het vormen van het organisme, die aan de uitscheiding ten deel valt.

De volgende twee vormen van uitscheiding nemen een bijzondere plaats in: de tranen, voor zover deze alleen afscheiding zijn wanneer wij huilen en de moedermelk die alleen na een geboorte aanwezig is.

Afscheiding van traanvocht

De vorming en het weer opnemen van tranen gaat ’s morgens sneller dan ’s avonds. Een niet specifieke afweerstof (Lysozym) is ’s avonds sterker geconcentreerd in de traanvloeistof aanwezig dan ’s morgens. Dit pleit voor een innerlijk ritme waarvan de betekenis misschien ligt in het feit dat het oog ’s morgens na de lange nachtrust meer wordt “gewassen”. Daarentegen moet ’s avonds het afweren van infecties en irritaties meer door chemische substanties plaatsvinden.
De aard van de stofwisseling in het hoornvlies van ons oog is overdag anders dan ’s nachts. Dit lijkt gedragsbepaald te zijn, want bij gesloten ogen lijdt het hoornvlies onder een relatief gebrek aan zuurstof, omdat het immers geen bloedvaten heeft. In deze situatie overheersen de enzymen van de gistingsprocessen in de traanvloeistof. Bij geopende ogen neemt het hoornvlies daarentegen zuurstof op uit de lucht; in de tranen overheersen de enzymen van de zgn. oxidatieve processen.

Moedermelk

Over de gehele voedingsperiode (onderzocht van de 1e tot 36e dag), en tijdens de aparte borstvoedingsfasen stijgt het vetgehalte van de melk. Maar ook binnen een dag stijgt van voeding tot voeding het vetgehalte. Hieruit kunnen wij aflezen dat het voedingsproces alleen, maar ook de ritmische herhaling ervan een stimulering kent van het vetgehalte in de moederborst, als ware het een “roep” tot de moeder in overeenstemming met de behoefte van de zuigeling.

De vraag doet zich echter voor of het dagritme van de moedermelk alleen door de voedingsstimulans wordt bepaald, want het melksuikergehalte is ’s avonds het laagst, dat wil zeggen op het tijdstip dat het vetgehalte het hoogst is. Dit minimum aan melksuiker wordt weliswaar gecompenseerd door een maximum aan zogenaamde oligosachariden (meervoudige suikers) op datzelfde moment, maar de compensatie is ontoereikend. De onafhankelijkheid van de voedselopname wordt in het bijzonder duidelijk door het gehalte aan calcium. Dit is in de melk procentueel het laagste in de avond (ongeveer 20.00 uur) en in de nacht (ongeveer 2.00 uur) het hoogst. Hetzelfde geldt voor de urine van ieder gezond mens. Deze fasesituatie is een spiegelbeeld van de situatie van het calcium in het bloedplasma. Het heeft de hoogste concentratie tegen 20.00 uur en is in de ochtenduren minimaal. De uitscheiding van mineralen in de urine is zeker onafhankelijk van de opname van voedsel en drinken. Daarom kan worden aangenomen dat dit ook geldt voor de concentratie aan calcium in de melk.

Slotbeschouwing

De uitscheidingen van de mens zijn met betrekking tot de dag en nacht periodiek niet uniform georiënteerd. Ten dele zijn zij ontgiftingen van de stofwisseling (stoelgang, urine, kooldioxide) en ten dele fenomenen van de vorm van het menselijk lichaam (zweet, warmte, seksuele uitscheiding), ten dele fysiologische uitdrukking van psychische processen (tranen) en ten dele sociaal betrokken op de omgeving (moedermelk).

Bij nauwkeuriger waarneming hebben alle uitscheidingen ook een psychosociale relatie, want ze voegen zich met hun periodieke afwisseling in het sociale gedrag van de mens. Men moet wel aannemen dat het sociale gedrag op de fysiologie van de mens is afgestemd, want een tegengesteld sociaal gedrag -werken in de nachtploeg- leidt maar zeer moeizaam en ten dele tot grote veranderingen in de stofwisseling. Wij mogen daar echter niet uit concluderen dat het sociale alleen maar een passief gevolg is van het fysiologische maar dat wij het sociale gevoelsmatig op het ritme van onze fysiologie afstemmen omdat dan de sociale prestatie het meest effectief en het meest efficiënt kan worden voltrokken. Dat is echter geen kwestie van “gemakzucht”, maar is zinvol. Want iedere keer dat wij iets moeiteloos kunnen doen, hebben wij de hoogste graad van vrijheid in onze ziel om ons naar de behoeften van de omgeving te kunnen richten.

Manfred Weckenmann: medische studie in Frankfurt en Tübingen. Homeopathie. Nog gedurende de studie in aanraking gekomen met de antroposofie. Sindsdien strevend naar antroposofisch georiënteerde therapie. Leidinggevend arts aan de Carl Unger Kliniek in Stuttgart. Na opheffing in 1975 leidinggevend arts in de Filderkliniek bij Stuttgart. Onderzoek in de richting van antroposofische therapie en chronobiologie. Thans [1991] gepensioneerd en met een eigen praktijk werkzaam in de Filderkliniek.

.

Ritme – alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2661-2492

.

.

.

.