Maandelijks archief: juni 2018

VRIJESCHOOL – Waarnemen (21-2)

.

Geschiedenis van de waarneming

Goethe en de manlijke tucht van het objectieve waarnemen

‘De huidige natuurwetenschappelijk geschoolde wijze van waarneming heeft geen absoluut karakter. Zij geldt niet voor alle tijden.’

Aldus Arnold Henny in onderstaand artikel over de geschiedenis van het waarnemen.

‘De scholingsweg van een nieuw waarnemingsvermogen blijft een belangrijke aangelegenheid’.

Een geschiedschrijving van de menselijke waarneming zou een verrijking kunnen zijn van de cultuurgeschiedenis. Maar moet naast de reeds bestaande ‘geschiedenis der huisdieren’, de ‘geschiedenis van het postwezen’, de ‘Weltgeschichte der Sexualitat’, ook nog een ‘geschiedenis van de waarneming’ in de bibliotheken worden opgeborgen? In veel geschiedenisboeken worden nog steeds de hoofdstukken waarin de cultuurgeschiedenis wordt behandeld in kleine letters gedrukt. Dat wil dus zeggen dat die hoofdstukken van minder belang worden geacht dan de hoofdstukken waarin de politieke geschiedenis wordt behandeld.

Geschiedenis is nog steeds een ‘manlijk’ vak. Men behandelt hierin revoluties, ontdekkingstochten, veldslagen, grensveranderingen en grondwetsherzieningen met hier en daar wat ‘histoire parfumé’ van vrouwelijke intrige achter de schermen. Waar dit als elitair wordt afgedaan richt men zich op het dagelijks leven van de ‘gewone man’: wat hij eet, wat hij drinkt, hoe hij vrijt. Dat is dan de cultuurgeschiedenis. Ook worden meer en meer harde wetmatigheden waarin het verloop van de geschiedenis zich sociologisch gezien voltrekt, met behulp van de computer opgetekend. Daarmee is dan de geschiedenis gerangschikt onder de ‘exacte vakken’ en valt zij onder de manlijke tucht van objectieve waarneming. Dat maakt een vak als ‘beschavingsgeschiedenis’ bijzonder kwetsbaar. Want hier komt het er juist op aan dat men zich open leert te stellen, dat men leert, zich telkens te verplaatsen in een wereld die anders is dan de wereld waarin men nu zelf leeft. Een zuiver empirische benadering schiet hier volkomen tekort. Deze empirische benadering – dat wil zeggen een instelling waarbij men zich zelf als objectief toeschouwer plaatst buiten de natuurverschijnselen – is echter wel het uitgangspunt van iedere scholing van technicus en ingenieur.

Historisch gezien is deze empirische instelling van de mens ten opzichte van de natuurverschijnselen nog niet veel ouder dan vierhonderd jaar. Vóór het tijdperk van de Renaissance beschikte de mens nog over een geheel ander waarnemingsvermogen en ook in de Oudheid zijn tal van voorbeelden te vinden waaruit blijkt dat niet alleen de opvattingen over de natuur, maar ook het waarnemen van de natuur anders was dan tegenwoordig. Daarom kan een zich verdiepen in de ‘geschiedenis van de menselijke waarneming’ in verschillend opzicht bevrijdend werken. Immers, de huidige natuurwetenschappelijk geschoolde wijze van waarneming heeft geen absoluut karakter. Zij geldt niet voor ‘alle tijden’. Men kan haar zien als een bepaalde fase in het ontwikkelingsproces van de mensheid. Reeds door deze relativering zou vertrouwen kunnen groeien in de toekomst en kan men hopen dat deze empirische benadering verrijkt zal worden met een andere. Deze laatste mogelijkheid is niet alleen afhankelijk van het standpunt dat men inneemt maar tevens van de wil om door eigen geestelijke activiteit zich een nieuw ervaringsgebied te veroveren.

Wetenschap en geloof

Waarin ligt nu bijvoorbeeld het verschil tussen de moderne wijze van waarneming en die van de middeleeuwse mens? De grote Franse kunsthistoricus Emile Male beschrijft in zijn boek ‘L’art religieux au treizième siècle en France’ de middeleeuwse visie als volgt: ‘In de Middeleeuwen heerst eensgezind de opvatting dat de wereld een symbool is. Het heelal is een gedachte die God in zich droeg bij het begin van de schepping zoals de kunstenaar de voorstelling van zijn kunstwerk in zijn ziel draagt. God heeft de wereld geschapen maar Hij heeft haar geschapen door zijn Woord, door zijn Zoon. Men kan de wereld omschrijven als een gedachte Gods, verwerkelijkt door het Woord. Wanneer dit zo is, verbergt ieder levend wezen een goddelijke gedachte in zich. De wereld is een onmetelijk boek, geschreven door de hand Gods, waarin ieder wezen één woord is, vol van betekenis. De onwetende neemt dit alles waar, hij ziet de vormen, geheimzinnige letters, en begrijpt er niet de betekenis van. De wijze echter verheft zich van de zichtbare dingen tot de onzichtbare. Terwijl hij leest in de natuur, leest hij de gedachte van God… want ieder schepsel is, zoals Honorius van Autun het uitdrukt, de schaduw van de waarheid en het leven’.

Deze middeleeuwse symbolische wijze van het waarnemen van de natuurverschijnselen geldt tegenwoordig als volkomen verouderd. Wie naar het voorbeeld van een middeleeuws schrijver de natuur zou trachten te bezien, zou er van beschuldigd worden de natuur te bezien door een ‘theologische bril’. Men zou zeggen: zijn verbeelding maakt hem blind voor de werkelijkheid. Hij schijnt niet te beseffen dat hij vier eeuwen ten achter is en dat de wetenschap zich voor goed bevrijd heeft van religieuze opvattingen en kerkelijke dogma’s.

Nu is het ongetwijfeld waar dat de theologie een belangrijke invloed heeft uitgeoefend op de wijze van waarneming van de middeleeuwse mens. Voor zover de mens zijn waarneming onafhankelijk heeft gemaakt van religieuze dogma’s kan men spreken van een perfectionering, van een ‘vooruitgang’. Aan de andere kant is hierdoor ook iets verloren gegaan: de universele visie, het vermogen de natuur te zien in grote samenhangen. Dat vermogen behoeft niet afhankelijk te zijn van kerkelijke opvattingen. Het is ook een kracht in de mens die langzamerhand verzwakt is naarmate, min of meer als protest tegen de kerk, de menselijke verhouding ten opzichte van de natuur onpersoonlijker is geworden. Men vergete niet dat omstreeks de tijd van de ‘beeldenstorm’ het natuurwetenschappelijk onderzoek begint via telescoop en microscoop.

In 1609 toont Galilei op de kade van Venetië aan dat men door middel van een telescoop op zee schepen kan zien die voor het blote oog onzichtbaar zijn. Drie jaar daarvoor werd te Amsterdam Swammerdam geboren, de man die door zijn onderzoekingen „met de microscoop een nieuwe wereld van wonderen zou ontsluiten die tot dusver voor de mensheid verborgen was gebleven. Sindsdien drong men met telescoop en microscoop steeds verder door in de wereld van het oneindig grote en het oneindig kleine. Deze mechanische instrumenten hebben de mens geleerd waar te nemen zonder religieuze ‘vooroordelen’, zonder ‘idolen’, zonder ‘wetenschap en godsdienst met elkaar te verwarren’.

Francis Bacon die eveneens aan het begin van de zeventiende eeuw leefde, is een van de eersten geweest die dit neerlaten van een ‘brandscherm’ tussen de ‘theatrale wereld’ van de godsdienst en de ‘toeschouwersruimte’ van de wetenschap als een vooruitgang van de beschaving heeft beschreven.

Het perfectioneringsproces van de menselijke waarneming zet zich in snel tempo voort. Steeds verder dringt men door in de wereld van het oneindig grote en de wereld van het oneindig kleine. Enerzijds sterrenwerelden die miljoenen lichtjaren van ons verwijderd zijn, anderzijds de wereld van het atoom. Volgens de moderne onderzoekers en de hypothesen die zij naar aanleiding van hun onderzoekingen hebben opgesteld, hebben deze twee werelden – die van het oneindig grote en die van het oneindig kleine – één ding met elkaar gemeen, namelijk de volkomen leegte die daar heerst.

Dit fenomeen van de leegte, waardoor de materie langzamerhand haar ‘waarneembaar’ karakter is gaan verliezen, stelt de moderne mens voor een steeds groter wordend innerlijk conflict. Hij is zijn innerlijk houvast in de meest letterlijke betekenis van het woord kwijt geraakt. De scheiding tussen wetenschap en geloof, tussen waarneembare wereld en de gedachte van God – die in de Middeleeuwen nog niet gescheiden was, maar die na de Middeleeuwen werd beschouwd als een wetenschappelijke triomf – leidt langzamerhand tot een levensconflict, waaraan geen geleerde zich meer kan onttrekken. Hier treedt, naast de verrijking die de nieuwe wetenschappelijke benadering gebracht heeft, de verarming van onze cultuur aan het licht. Bertrand Russell zegt: ‘De mens is het product van oorzaken die buiten iedere voorzienigheid staan. Zijn oorsprong, zijn groei, zijn gevoelens van hoop en vrees, van liefde en geloof, zijn slechts het resultaat van toevallige botsingen van atomen… Alle arbeid van eeuwen, alle devotie en inspiratie, alle glans van de menselijke genius zijn bestemd uit te doven in het afstervingsproces van het zonnestelsel.’

Nu is het haast vanzelfsprekend geworden dat iemand die als geleerde – Russell is winnaar van de Nobelprijs – een dergelijke definitie geeft van de mens in zijn persoonlijk leven als mens anders leeft dan hij denkt. Niets verhindert iemand die beweert dat gevoelens van hoop, van liefde en geloof – in de Middeleeuwen nog bekend als de drie ‘theologische deugden’ – slechts het resultaat zijn van toevallige botsingen van atomen, zelf een warm mensenvriend te zijn, een standvastig bouwer aan een betere samenleving. Men denke slechts aan het ‘Russell tribunaal’ dat ter nagedachtenis van deze geleerde is gesticht en dat opkomt voor de rechten van gediscrimineerde minderheden in de wereld.

Maar blijkt uit deze innerlijke gespletenheid niet hoe beperkt ons eigen waarnemingsvermogen is geworden? Blijkt niet hoezeer wij bij de vorming van een ‘wetenschappelijk verantwoord’ mensbeeld de waarneming van de meest eenvoudige levensverschijnselen uitschakelen? Geloof, hoop en liefde zijn zintuiglijk onwaarneembaar. Geestelijk zijn het krachten die de mens door alle beproevingen die het leven hem oplegt heendragen. Om dit alles als ‘realiteit’ te erkennen is een ander waarnemingsorgaan nodig dan de zintuigen en hun verlengstuk, de telescoop en de microscoop. Dit behoeft nog geen pleidooi te zijn voor een terugval in de ‘duistere Middeleeuwen’, voor een prijsgave van de ongebondenheid die, vooral dank zij het empirisch onderzoek van de natuur, de mens sedert het einde van de Middeleeuwen veroverd heeft. Juist dankzij deze ongebondenheid kan nu de weg zelfstandig worden voortgezet en kan de mens worden verlost van de innerlijke gespletenheid waartoe de beperktheid van ons waarnemingsvermogen ons gebracht heeft. Hoe deze weg kan worden voortgezet vindt men beschreven in de scholingsaanwijzingen in Rudolf Steiners boek ‘De weg tot inzicht in hogere werelden’ Daarin wordt allereerst gewezen op de kracht van de eerbied als innerlijke grondhouding van waaruit pas dan de wereld om ons heen ons als totaliteit kan tegemoet treden. Als oefening kan men hierbij zijn waarneming gedurende een bepaalde tijd trachten te concentreren op een bepaald object, bijvoorbeeld een plant. Men wordt zich dan allereerst bewust met hoeveel innerlijke weerstanden men te maken krijgt. Men wordt niet alleen telkens afgeleid, men gaat ook merken dat men eigenlijk niet onbevangen is maar belast met eigen voorstellingen en grote onvolledigheid daarvan. Het kost moeite de plant als totaalbeeld in ons op te nemen. Meestal maken wij onbewust een keus in wat wij zien; kijken wij bij een roos alleen naar de bloem en niet naar de aard van de bladeren of het gebaar van de stengel.

Pas wanneer wij van binnenuit afstand hebben gedaan van voorstellingen die wij van tevoren hebben meegebracht, of ons hebben losgemaakt van herinneringen die opkomen, vinden wij in ons zelf de sleutel die de toegang opent tot de levenswereld die zich uit in een totaalbeeld, dat in een eigen taal tot ons spreekt. ‘Die Aussenwelt’, zegt Steiner, ‘ist in allen ihren Erscheinungen erfüllt von göttlicher Herrlichkeit; aber man muss das Göttliche erst in seiner Seele selbst erlebt haben, wenn man es in der Umgebung finden will’. [De wereld om ons heen is in al haar verschijnselen vervuld van goddelijke heerlijkheid; maaar je moet eerst het goddelijke in je eigen ziel beleefd hebben, wil je het in je omgeving vinden’]

Ficino en Goethe

Reeds aan het begin van de Renaissance schreef de grote humanist Marsilio Ficino: ‘De ziel is geschapen met twee lichten. Het ene stelt haar in staat zichzelf waar te nemen en alles wat beneden haar is, het andere is het goddelijke licht dat haar de hemelse dingen doet zien.’
De weg die volgens Ficino leidt tot dit innerlijk schouwen van de hemelse dingen is de versterking van de vier kardinale deugden: wijsheid, moed, matigheid en rechtvaardigheid. Deze ontwikkelingsweg is verloren gegaan in het tumult van de Renaissance, de ontdekkingstochten en de Reformatie. Pas later, aan het einde van de achttiende eeuw, in het tijdperk van de Verlichting en de eerste machinebouwers, vinden wij verschillende van deze opvattingen terug in het werk van Goethe, deze grote waarnemer van mensen en natuurverschijnselen. Voor Goethe was de scheppende activiteit in de mens verwant met de goddelijke scheppingskracht buiten de mens. Goethe spreekt dan ook over ‘anschauende Urteilskraft’ en brengt dit in verband met de menselijke waardigheid. Pas wanneer wij innerlijk creatief deelnemen aan de groeiprocessen van de natuur als een wordende wereld is onze waarneming de natuur waardig. Dan werken daarin ook morele waarden die op materieel gebied niet te vinden zijn maar die tot de inhoud der geestelijke wereld behoren. Daardoor kan opnieuw een betrokkenheid tussen mens en natuur ontstaan die na de Renaissance verloren is gegaan maar thans via de versterking van het mensen-Ik weer mogelijk wordt.

De veel moderner ingestelde Goetheanistische ontwikkelingsweg van de waarneming ging in het tumult van de sociale en de industriële revolutie van de negentiende eeuw ook verloren. Pas in de twintigste eeuw – de eeuw van de crisis der zekerheden van de westerse beschaving – heeft Rudolf Steiner opnieuw een beroep gedaan op die krachten in de mens die de waarneming naar buiten versterken door de ontwikkeling van innerlijk creatieve vermogens. Uiterlijk bezien lijkt misschien deze nieuwe ontwikkelingsweg van de waarneming nog weinig kracnt uit te oefenen tegenover het tumult van sociale revoluties en de opmars van de technologie. Toch komt nu en dan – en niet alleen in Duitsland maar ook in ons land – iets te voorschijn dat lijkt op een doorbraak van wat Goethe bijna tweehonderd jaar geleden beschreef als ‘anschauende Urteilskraft’.

Zo vindt men in een brief van de dichter Albert Verwey een merkwaardige passage over de wijze waarop bij hem een gedicht tot stand komt: ‘Je hebt een duinlandschap, je krijgt daar een indruk van, en het is mogelijk met dien indruk een gedicht samen te stellen. Nu kijk je opnieuw, je voelt een aandoening, en die kun je uitdrukken, zonder veel van het landschap in je werk op te nemen. Maar nu kijk je voor de derde maal, en nu is je blik zoo doordringend geworden, je geheele wezen neemt in zulk een mate deel aan de waarneming, dat de uitdrukking ervan geeft het wezen van je geest, én het wezen van het landschap tevens. Dan ontstaat wat ik geestelijke kunst noem. Daaraan neemt de natuur wel degelijk deel, want je ziet de duinen; alléén: niet op de wijze van gewone waarneming zie je de natuur; maar als eenwording met den geest’.

Waarschijnlijk kan deze dichterlijke ontboezeming weinig invloed hebben op het waarnemingsproces dat zich thans in de duizenden research-laboratoria van onze vertechnologiseerde beschaving afspeelt. Ook kan zij nauwelijks meer de huidige dichtkunst beïnvloeden die wel volledig vervreemd is geraakt van de wijze waarop de dichter Verwey zich nog verbonden voelde met het landschap, met de natuur.

Niettemin blijft de scholingsweg van een nieuw waarnemingsvermogen een belangrijke aangelegenheid in onze twintigste eeuwse cultuur waar kunst en natuurwetenschap volledig uit elkaar zijn geraakt. Men kan daaraan toevoegen: natuurwetenschap en godsdienst. Daarom kan het in dit Goethe-jaar toch wel van belang zijn te herinneren aan Goethe’s uitspraak: ‘Die Natur verbirgt Gott… aber nicht Jedem!’

.

Arnold Henny, Jonas 24 30-07-1982
.

waarnemen van planten

menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1619-1518

.

.

VRIJESCHOOL – Waarnemen (21-1)

.

PLANTENWAARNEMING

(Pastinaak en peen)

Over de betekenis van de exacte waarneming

Voordat u de hiernavolgende plantenbeschrijving gaat lezen een paar woorden over zin en betekenis van de waarneming als zodanig.

Puntsgewijs kom ik tot het volgende (verre van volledige) overzicht:

1. Iedere waarneming geeft kennisverdieping
De omgeving laat meer zien naarmate het waarnemingsproces intensiever is. Hierbij kunnen zoveel mogelijk zintuigen ingeschakeld worden.

2. Een waarneming verbindt je met de omgeving
In de zin van de fenomenologie van Husserl: je bent zelf bij het waargenomene. Dit verbonden voelen kan geweldig bevredigend zijn.

3. Waarnemen kan leiden tot schoonheidsbeleven
Door nauwkeurig te beschrijven wat je ziet (hoort, ruikt, proeft) ontstaat een gevoel van verbazing en verrassing, vaak omdat alles zo mooi en wonderlijk is. Dit sluit aan bij de waarneming van het kind, dat vaak staan blijft bij het roepen van ‘ah’ en ‘oh’.

4. liet doen en beschrijven van waarnemingen prikkelt tot meer
Als zodanig is het doel in zichzelf.

5. Een waarneming in het ene gebied (bijvoorbeeld de plantenwereld) kan vruchtbaar zijn voor waarnemingen in andere gebieden (bijvoorbeeld in het sociale). Hierbij doel ik niet op het inhoudelijke, maar op het oefenaspect samengevat in het woord waarnemingsscholing.

Voor mij op tafel staat een vaas met daarin pastinaak (pastinaca sativa) en peen (daueus carota). In de flora van Heukels en van Ooststroom komen ze dicht bij elkaar voor in de familie der schermbloemigen (umbelliferae), een teken van uiterlijke overeenkomst of verwantschap. Daardoor niet in het minst gehinderd, waag ik mij aan een nauwkeuriger waarneming van beide planten.

Pastinaak valt op door de fraaie goudgele bloemkleur, die zich in vruchten en stengels voortzet als een groengele glans. De stengel is sterk gegroefd en naar boven toe intensief vertakt, zonder opvallende regelmaat. De groeven zijn het sterkst aan de onderzijde, naar boven toe worden ze zwakker. De stengelbladen, waarvan de okselknop is uitgegroeid tot een bloemsteel, zien er ineengevouwen uit en zijn opvallend langwerpig met aan het eind enkele kleine slippen. Beschouwen we een bloemsteel, dan valt op, dat deze eindigt in een scherm, zonder omwindselblaadjes (kelkachtige bladeren, die bij veel schermbloemen voorkomen en bij andere families vaak de kelk vormen). Voordat het scherm bereikt is, komen we kleine zijschermpjes tegen, die alleen staan of gepaard optreden. Het scherm is niet vlak, maar als een kom gevormd. Kortgesteelde schermpjes in het midden en langgesteelde schermpjes er omheen. Het totale aantal schermpjes (die op kleine steeltjes staan, de zogenaamde stralen) bedraagt ongeveer 12. Daarvan zijn er 8 langgesteeld en 4 kortgesteeld. Andere verhoudingen zoals 7-5 of 8-5 komen ook voor.

Bekijken we nu een enkel schermpje, dan bestaat dit uit kleine bloempjes, ook weer in ongelijke aantallen. De kortgesteelde schermpjes bevatten ongeveer 12 bloempjes, de langgesteelde meer dan 20. De bloempjes zijn geelomrand en bezitten een groen hart, in de vorm van een vijfhoek. Per schermpje zien we opnieuw het verschijnsel, dat de binnenste bloempjes korter gesteeld zijn dan de buitenste. De buitenste bloempjes zijn groter en bezitten in een enkel geval meestal aan de buitenrand van de bloem een alleenstaande meeldraad, die een extra accent geeft aan de rand van een schermpje. De groengele vruchtjes zijn ellipsvormig en eindigen bovenaan in een soort plat hoedje, waarop nog twee stempelrestanten zichtbaar zijn. Het blad is half stengelomvattend en heeft een lange samengevouwen voet, die naar de top toe overgaat in enkele zijblaadjes, zodat het geheel een geveerde indruk maakt. Drie tot vier geaarde blaadjes vormen het totale blad en een driedelig eindblaadje sluit het geheel af. De zijblaadjcs zijn ieder grof en onregelmatig gezaagd of ingesneden.

Peen

Geheel anders is het bij de peen. De stengel is wel gegroefd, maar veel zwakker. Naar boven toe worden de groeven intensiever, tot aan de schermen toe. Ook valt een lichte draaiing waar te nemen in de stengel (om de lengteas). De vertakkingswijze is eenvoudig: steeds een bloemsteel uit de oksel van een blad. Langs de steel kan dan nog een blad voorkomen, met een bloemsteel in de oksel. Alle stengels zin duidelijk behaard, met alleenstaande haren. De kleur van de plant is vrij donkergroen en dof. De schermen zijn in jonge (samengevouwen) toestand rose en in volwassen toestand wit. De blaadjes waarvan de okselknop tot bloemsteel is geworden, zijn niet samengevouwen, maar ijl en dun-slippig.

Het scherm heeft opvallende omwindselblaadjes, in aantal variërend van 7-8. leder blaadje is 2- of 3-delig, zodat een gevorkte structuur ontstaat. In rijpe toestand zijn deze blaadjes teruggebogen in de richting van de stengel. Ze staan in een regelmatige krans gerangschikt, maar hebben de neiging om naar één kant van het scherm sterker uit te groeien, zodat de indruk van asymmetrie ontstaat. In onrijpe toestand is het scherm komvormig en samengedrukt, maar in rijpe toestand vlak of bol. Het aantal schermstralen (en daarmee het aantal schermpjes) varieert tussen 20 en 30. De buitenste schermpjes zijn veel groter dan de binnenste en bevatten meer bloempjes. Ieder schermpje bezit weer 7-8 omwindselblaadjes, meestal enkelvoudig, maar soms in twee of drie delen vertakt. Ook deze omwindsels zijn asymmetrisch, doordat de naar buiten gekeerde blaadjes langer uitgegroeid zijn. Bekijken we een schermpje, dan blijven de buitenste bloempjes (met 5 witte kroonbiaadjes) veel groter te zijn dan de binnenste. Van ieder buitenste bloempje zijn de kroonbladen ook weer ongelijk, in die zin, dat de drie naar buiten gekeerde blaadjes opvallend groter zijn dan de twee naar binnen gekeerde blaadjes.

Het bloemhartje is heel klein en lichtgroen. Kijken we vlak over het totale scherm heen, dan is een waas van roodachtige meeldraden zichtbaar die niet opvallen bij bovenaanzicht. De kroonbladen van de buitenste bloempjes zijn zo groot, dat ze de indruk geven de eigenlijke bloembladeren van het scherm te vormen.

De beschrijving van de bladeren kan kort worden gehouden: iedereen kent wel het typische wortelloof. De bladeren zijn stengelomvattend, hebben een weinig verbrede en zwak samengevouwen steel, die naar boven toe uitloopt in enkele paren blaadjes en tenslotte een eindblaadje. Ieder blaadje op zich is sterk gedeeld in vele slippen, zodat de indruk van veelbladigheid ontstaat.

Wat de beide planten gemeen hebben is de hoogte (30-90 cm), de bloeitijd (juni-herfst), het algemene voorkomen, het milieu (open, grazige plaatsen langs wegen en dijken) en de makkelijke kweekmogelijkheid voor consumptie.

Morfologisch gezien zijn ze erg verschillend. Als we samenvattend de besproken kenmerken naast elkaar zetten, ontstaat het volgende beeld:

Tot slot een opmerking over een algemene tendens die bespeurbaar is bij schermbloemigen, vooral ook bij het overbekende fluitekruid en de bereklauw, maar evenzeer bij de hier besproken planten.

Als een exemplaar veel schermen bezit, die in kransen staan gerangschikt, dan zijn de buitenste groter en voller dan de binnenste. Per scherm wordt dit herhaald: de buitenste kransen van schermpjes zijn vaak groter, voller en langer gesteeld. Per schermpje wordt het eveneens herhaald: de buitenste bloemkransen zijn groter en opvallender dan de binnenste. Bezien we tenslotte de enkele bloempjes, dan zijn de naar buiten gelegen bloemen groter dan de binnenste, en ook asymmetrischer doordat de naar buiten gelegen kroonbladen forser ontwikkeld zijn.

In het boekje ‘Blütenspaziergange’ van Schad en Schweppenhauser, wordt gesproken over een ‘van binnen naar buiten trapsgewijs toenemende strekking van de randbloemen, waardoor het totale scherm de prachtige ritmische vorm krijgt van een overheersend vormprincipe, zonder dat de aparte schermpjes en bloemen hun eigen principes verliezen. Zelden kunnen we fraaier de vormprocessen van een ‘Überblüte’ waarnemen’.

Ook uit andere plantenfamilies zijn dergelijke tendensen bekend, zoals bij de groenblijvende scheefbloem (iberis sempervirens, een sierheester uit de familie der kruisbloemigen), gelderse roos (viburnum opulus, kamperfoeliefamilie), vele composieten en kroontjeskruid (euphorbia helioscopia, wolfsmelkfamilie). De schermbloemigen echter spannen wat dit betreft de kroon, waaruit ik zou willen concluderen, dat het verschijnsel ‘Überblüte’ in deze familie het hoogtepunt vormt.

.
Willem Beekman, Jonas 16, 07-04-1978

.

Plantkunde: alle artikelen

.

1542

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Ritme (3-17)

.

De ene dag is de andere niet

‘Wij hebben gisteren Oudejaar gevierd, natuurlijk niet om 24 uur maar om 00.40 uur. Aangezien wij niet over een horloge beschikten, hebben wij op de Utrechtse torenklokken van half één gelet en daarna om beurten tot honderd geteld, totdat wij zeshonderd bereikt hadden.’

Deze zinnen schrijft Floris Bakels op 1 januari 1943 tijdens zijn verblijf in de Kriegswehrmachtsgefängnis te Utrecht in zijn dagboek*.

In die situatie kwam het erop aan met de tijdrekening: voor een Nederlander kwam het Nieuwe Jaar 40 minuten later dan voor de Duitse bezetter. Tenminste, als je er rekening mee hield dat de Duitsers hier gemakshalve hun Middelbare Midden-Europese Tijd hadden ingevoerd. De Duitse tijd was niet de Nederlandse tijd.

Die nauwkeurigheid in het bijhouden van de juiste plaatselijke tijd kwam zeker niet voort uit een verhoogd bewustzijn voor het omgaan met tijdskwaliteiten. Er waren politieke redenen. Tijd was een politieke zaak.

Van een politiek instrument is de tijd in onze dagen** geworden tot een
economische factor. We voerden derhalve de zomertijd in. Het daardoor verkrijgen van lange zomeravonden reken ik ook tot de economie, ook als het geen geldelijk gewin in het laatje zou brengen. We leven dus nu een zomer lang met de Middelbare Oost-Europese tijd, die 1 uur en veertig minuten verschilt van onze Nederlandse Middelbare zonnetijd. Deze laatste is overigens na de oorlog niet teruggekeerd, de Midden-Europese Tijd is gebleven.

Waarom daar nu weer over geschreven. Dat is immers al gebeurd op deze plaats. En veel nieuwe feiten staan er nog niet in, behalve het citaat van Bakels.

Nog even, – op het moment dat ik dit schrijf – dan worden alle klokken weer met de inmiddels vertrouwde M.E.T. in de pas gebracht. Plotseling wordt het ’s avonds wel erg vroeg donker, terwijl het ’s morgens veel lichter is. Je kunt je afvragen of er eigenlijk wel objectieve schade aanwijsbaar is na zo’n
zomerperiode. Aan het moeilijke inslapen van veel kinderen zijn we inmiddels wel gewend, dat mag je dus niet weer meetellen.

Heel kort geleden** waren er twee belangrijke congressen in Driebergen, gewijd aan het thema ‘Tijd en Ritme’. Daar heeft men veel kunnen horen over kosmische ritmen, tijdrekening, ritme en gezondheid, dreigende fixatie van de paasdatum. Op dat congres werd er door enige sprekers op gewezen dat het weekritme ondanks tussenliggende kalenderhervormingen sinds het begin van de jaartelling niet verstoord is.

Toen ik in de trein wat zat te mijmeren over het verschijnsel zomertijd, viel me in dat bovenstaande mededeling niet helemaal klopt. Het ritme is wel degelijk verstoord. En niet zo weinig ook: een hele dag! Dit geldt echter niet voor iedereen. Maar toch voor een aardig aantal, schat ik zo. Misschien kunnen deskundigen eens cijfers publiceren in Jonas: hoeveel mensenkinderen worden er gedurende de zomertijd geboren tussen 24.00 uur en 01.00 uur? Al die kinderen zouden bij niet-ingevoerde zomertijd op de vorige dag geboren zijn! Stel je voor: je wordt geboren op woensdag 1 augustus om 00.30 uur. Naar de normale tijdrekening zou je op dinsdag 31 juli geboren zijn. Toch wel iets om even bij na te denken. Tenminste zo ervoer ik dat. Het enige ritme dat zo rotsvast leek, blijkt dus via een sluipweg verstoord te zijn. Verstoord voor enkelingen, niet voor iedereen. Als je weinig waarde hecht aan de naam van de dag waarop je geboren werd, is er voor jou geen probleem. Voor veel anderen zal dat anders liggen: als je eigenlijk bestemd was om als zondagskind geboren te worden, dan wil je ook als zondagskind door het leven gaan, en niet als maandagskind.

En wat te denken over de situatie van kinderen die helemaal aan het eind van de week geboren wilden worden, als afsluiters van het zevendaagse ritme. Die moeten nu ontdekken dat ze op de vroege zondagmorgen het levenslicht zagen. Op het meest prille moment van de week.

Ik doe er wat luchtig over zie ik. Maar soms doe je luchtig als je het anders bedoelt. Ik ben ervan overtuigd dat het een heel ernstige zaak is, die om bezinning vraagt. Je bent niet klaar met de vaststelling van het feit. Maar wat moet je er mee?

Verder vraag ik me af of men zich bij het invoeren van die regeling niet gerealiseerd heeft dat dit tot de consequenties hoorde. Misschien heb ik het over het hoofd gezien, maar ik heb er nog niet over gelezen. Geen duidelijke, voor iedereen zichtbare, door iedereen geaccepteerde verstoring van het ritme van de week, maar een ingeslopen sprong van een dag. Voor enkelingen. Voor enkele weerlozen. Hoeveel? En hoe is dat voor de ouders? Zijn er Jonas-lezers die zich dat gerealiseerd hebben?

Ik moet dan toch weer aan Floris Bakels denken. Nieuwjaar vieren om tien over half één, omdat het dan twaalf uur is!

Over twintig jaar zeggen mensen tegen elkaar: ‘Bent u ook van gisteren?’

* Verbeelding als wapen – Floris B. Bakels. Uitg. Elsevier.

Rinke Visser, Jonas 3, **05-10-1979

.

Ritme: alle artikelen

.

1617-1516

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over aardrijkskunde (GA 300C)

.

RUDOLF STEINER OVER AARDRIJKSKUNDE

GA 300C 

Rudolf Steiner in vergadering met de leerkrachten van de 1e vrijeschool in Stuttgart.

Vergadering van 25-04-1923

Rudolf Steiner opende de vergadering met een aantal opmerkingen over de 12e klas en het verplichte examen.

Hij betreurt het dat er veel van het eigen leerplan ingeleverd moet worden ten koste van de examenstof. (Dat is in 100 jaar niet anders geworden – sterker nog: verergerd)

Es würde ja wünschenswert sem, daß gerade in diesem Lebensalter -es sind etwa Achtzehnjährige – die Schüler ein abschließendes Ver­ständnis gewinnen würden für das Historisch-Künstlerische und schon aufnehmen würden das Spirituelle, ohne ihnen anthro­posophische Dogmatik beizubringen, in Literatur, Kunstgeschichte und Geschichte. Wir müßten also eben den Versuch machen, in Lite­ratur, Kunstgeschichte und Geschichte das Spirituelle nicht nur inhaltlich, sondern auch in der Art der Behandlung hineinzubringen; müßten also zum Beispiel wenigstens für diese Schüler das erreichen, was ich selbst bei meinen Arbeitern in Dornach angestrebt habe, denen ich schon klarmachen konnte, daß ja eigentlich, sagen wir, solch eine Insel, wie zum Beispiel die britische Insel, im Meere schwimmt und festgehalten wird von außen durch Sternenkräfte. Man hat es zu tun mit einer Insel, die sitzt nicht auf Grund auf, sie schwimmt, sie wird von außen festgehalten. Im ganzen, im Prinzip wird die kontinentale Gestaltung und Inselgestaltung von außen durch den Kosmos bewirkt. Das ist bei der Konfiguration der Fest­länder überhaupt der Fall. Das sind Wirkungen des Kosmos, Wir­kungen der Sternenwelt. Die Erde ist durchaus ein Spiegelbild des Kosmos, nicht etwas, was von innen bewirkt wird. Solche Dinge müssen wir nun doch vermeiden. Wir können sie aus dem Grunde nicht bringen, weil die Schüler veranlaßt würden, das im Examen ihren Professoren beizubringen, und dann würden wir in einen schrecklichen Ruf kommen. Das müßte aber eigentlich in der Geo­graphie erreicht werden.

Het zou wenselijk zijn dat juist op deze leeftijd – het gaat om ongeveer achttienjarigen – de leerlingen een afsluitend begrip ontwikkeld zouden hebben voor het historisch-kunstzinnige en al begrip zouden kunnen opbrengen voor het spirituele zonder hen antroposofische dogma’s bij te brengen, in literatuur, kunstgeschiedenis en geschiedenis. We zouden dus een poging moeten doen in de literatuur, kunstgeschiedenis en geschiedenis het spirituele, niet alleen naar de inhoud, maar ook in de manier van lesgeven; we zouden dus bijv. op z’n minst bij deze leerlingen moeten bereiken, wat ik zelf bij mijn arbeiders in Dornach nagestreefde die ik wel duidelijk kon maken dat, ja laten we zeggen, zo’n eiland als bijv. Brittannië, in zee drijft en vastgehouden wordt van buitenaf door sterrenkracht. Je hebt te maken met een eiland dat niet op een vaste ondergrond rust, maar gedragen wordt; het wordt van buitenaf verankerd. In het algemeen, in principe wordt de continentale vormgeving en eilandvorming van buitenaf door de kosmos veroorzaakt. Dat is bij de vorming van het vaste land überhaupt het geval. Het is de werking van de kosmos, niet iets wat van binnenuit veroorzaakt wordt. Die dingen moeten we tóch vermijden. We kunnen ze niet zo brengen, omdat de leerlingen dan genoodzaakt zouden zijn dat op het examen hun examinatorren bij te brengen en dan zouden we een vreselijke naam krijgen. Maar dit zou met aardrijkskunde moeten worden bereikt.
GA 300C/34-35

blz. 42

Es wird noch einmal nach dem Schwimmen der Kontinente gefragt.

Dr. Steiner: In der Regel denkt man doch nicht darüber nach, wie es ausschaut, wenn man dem Mittelpunkt der Erde zukommt. Man kommt sehr bald in Schichten, wo es flüssig ist, gleich ob Wasser oder etwas anderes. Also schon nach dem, was man immerhin annimmt,

Er wordt nog een keer naar het drijven van de continenten gevraagd.

Dr.Steiner: In de regel denk je er toch niet over na, hoe het eruitziet wanneer je naar het middelpunt van de aarde gaat. Je komt al heel gauw in lagen waar het vochtig is, aan water gelijk of wat anders. Dus al volgens dat wat men echt aanneemt

blz. 43

schwimmen die Kontinente. Nun fragt es sich, warum sie nicht durcheinander purzeln, warum es nicht hin und her geht, warum sie immer gleich weit voneinander entfernt sind, da doch die Erde allen möglichen Einflüssen ausgesetzt ist. Warum stoßen sie sich nun nicht; warum ist der Kanal zum Beispiel immer gleich breit? Da gibt es aus dem Inneren der Erde keine Erklärung dafür. Das kommt von außen. Es schwimmt ja alles Festland, das ist von den Sternen fest­gehalten. Es würde zerbrechen. Die Grundform des Meeres tendiert nach dem Sphärischen.

drijven de continenten. Nu zou je je kunnen afvragen waarom ze niet door elkaar raken, waarom ze niet heen en weer gaan, waarom ze steeds even ver van elkaar verwijderd zijn, daar de aarde toch blootgesteld is aan allerlei invloeden. Waarom botsen ze niet tegen elkaar op; waarom is het Kanaal bijv. steeds even breed? Dat komt van buitenaf. Al het vaste land drijft, maar wordt door de sterren op zijn plaats gehouden. Het zou breken. De grondvorm van de zee heeft de tendens naar het sferische te gaan.

Es wird noch eine Frage gestellt nach näheren Einzelheiten. Dr. Steiner nimmt das Heft eines Lehrers, zeichnet die nachstehende Skizze hinein und gibt dabei Erklärungen:

Er wordt nog een vraag gesteld naar bijzonderheden. Dr.Steiner neemt het schrift van een leraar, tekent onderstaande schets en geeft de volgende verklaringen:

Dr. Steiner: Es ist interessant, der Gegensatz. Die Kontinente schwimmen, sie sitzen nicht auf. Die Kontinente auf der Erde wer­den von außen festgehalten durch Fixsternkonstellationen. Wenn die sich ändern, ändern sich auch die Kontinente. Auf alten Tellurien und Atlanten sind auch noch die Tierkreisbilder richtig eingezeich­net, mit diesen Beziehungen zwischen Fixsternkonstellation und Konfiguration der Erdoberfläche. Die Kontinente sind von der Peripherie herein gehalten; die große Sphäre hält die Erdteile. Der Mond dagegen wird dynamisch von der Erde gehalten, wie auf einem Zapfen. Der Mond geht so mit, wie wenn er einen richtigen Zapfen hätte.

Dr. Steiner: Hij is interessant, die tegenstelling. De continenten drijven, ze steunen niet. De continenten op aarde worden van buitenaf vastgehouden door sterrenbeeldconstellaties. Wanneer die veranderen, veranderen ook de continenten. Op oude telluria en atlanten staan ook nog de dierenriemtekens juist ingetekend, in dit verband met de verhouding tussen sterrenbeeldconstellatie en de toestand van het aardoppervlak. De continenten zijn vanuit de periferie bepaald; de hemelsfeer houdt de werelddelen vast. De maan wordt door de aarde dynamisch gehouden, alsof deze op een drijfas zit. De maan gaat zo mee, alsof hij een goede drijfas zou hebben.
GA 300C/42-44

.

Zie voor ditzelfde onderwerp GA 300A
.

Rudolf Steiner over aardrijkskundealle artikelen

Aardrijkskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen

.

1616-1515

.

.

.

VRIJESCHOOL – 6e klas – Aardrijkskunde

.

EEN EERSTE BLIK OP DE HELE WERELD

Mensvorming door aardrijkskunde (4)

Aardrijkskunde is op de vrijeschool geen bijvak, maar is even belangrijk als bijv. biologie, natuur- en scheikunde. Dat heeft verschillende redenen. De gebieden op aarde vormen met hun bijzondere bodemconstellatie en bodemschatten, hun weersgesteldheid, hun flora en fauna de economische basis voor het menselijk leven. Wanneer je de landschappelijke gegevens samen met de leefomstandigheden van de mensen bestudeert, zoals Rudolf Steiner dat voor klas 4 tot en met 6 aangeeft, ontstaat er interesse en begrip voor het leven van de andere mens op de gehele aarde.
De aarde is tegelijkertijd het toneel van het geschiedkundig handelen en de culturele ontwikkeling van de mens. 
In klas 7 en 8 (1e twee jaren middelbaar onderwijs) moeten het karakter en de culturele omstandigheden van de verschillende volkeren in ogenschouw owrden genomen.
Steeds belangrijker wordt in de tijd van ecologische bedreiging een derde gezichtspunt: de aarde is een levend organisme waarvoor wij verantwoordelijk zijn. Zo gaat het er niet alleen om slechts wetmatigheden in de uiterlijke structuren en vormen van de aarde te ontdekken, maar a.h.w. aan een fysiologie van de aarde te werken. Hoe dat voor het eerst in de 6e klas kan, laat Christoph Göpfert zien in het volgende artikel, deel van een reeks over aardrijkskunde op de vrijeschool [1]
Redactie Erziehungskunst

Tot het 12e jaar vormt ‘de relatie tussen de natuurlijke gesteldheid en het economische leven van de mens’ [2] het belangrijkste gezichtspunt van het aardrijkskundeonderwijs op de vrijeschool. Dat geldt voor de aardrijkskunde in de 4e klas, maar ook voor de behandeling van Midden-Europa en de rest van Europa in de 5e, resp. 6e klas. Het gaat er nog niet om ‘een volledig beeld van de aarde te geven’. Toch hecht Rudolf Steiner er grote waarde aan dat de leerlingen in hun voorstelling de boog spannen van Europa over de Atlantische Oceaan naar Amerika. Daar is bij het bekijken van West-Europa steeds weer gelegenheid voor.
Met het 12e levensjaar, d.w.z. binnen de 6e klas, wil Steiner graag een nieuw beginsel dat met de menskundige verandering in deze leeftijd samenhangt. Hij beschrijft dat zo: ‘Als u op die manier een goede basis hebt gelegd, dan kunt u er rond het twaalfde jaar op rekenen dat de kinderen u kunnen vol­gen, wanneer u van dan af meer systematisch te werk gaat en in korte tijd een beeld geeft van de hele aarde, de vijf werelddelen, de zeeën – natuurlijk op een beknoptere manier dan eerst – en u dan ook het economische leven van die verschillende werelddelen be­schrijft. Uit de basis die u hebt gelegd, zou u dat alles tevoorschijn moeten halen.’ [3]

Voor zo’n ‘systematisch’ te werk gaan is wel een sterker vermogen tot abstraheren nodig en een voorstelling van de ruimte die meer omvattend is, mogelijkheden die het kind nu van nature krijgt. Naast het gebruik van landkaarten, hier de fysische wereldkaart, komt nu ook de globe. Hiermee kun je het beste de verdeling land – water, de ligging van de werelddelen verduidelijken; de globe als de helft water en de helft land. Interessant is ook het gezichtspunt van de aarde als halve bol met Kaapstad of Japan (i.p.v. Europa) als middelpunt!
Wat betekent ‘systematisch te werk gaan’ en ‘een beeld van de aarde’ (d.w.z. een eerste beeld van de totale aarde) geven, verder ‘de vijf werelddelen’, de zeeën en….het economischc leven van deze verschillende gebieden beschrijven? –
Hoe men vanuit de natuurlijke omstandigheden het menselijke economische leven tot ontwikkeling bracht, staat in deel twee en drie [1] van onze reeks. Bij de behandeling van Europa hebben we ook nog de invloed van de elementen aarde, water, lucht en warmte op het landschap en haar atmosfeer gevolgd. Een andere richtinggevende gedachte kan ontstaan, wanneer je aarde en werelddeel als organisme probeert te begrijpen, als deelgebieden waarin zich levensprocessen afspelen.

De aarde als levend organisme

We weten tegenwoordig dat daadwerkelijk van het begin levensprocessen de aarde hebben gevormd; dat de processen op de aarde volgens de wetten van een organisme verlopen. [4] Wat dat betreft is het meer dan een analogie, wanneer je in de vormen van de continenten, de ‘romptendens’, ziet overheersen (Afrika, Australië), terwijl andere hun schiereilanden als ‘ledematen’ uitstrekken (Europa, Azië). Ook de grote landschappen van een werelddeel onderscheiden zich als ‘lichaamsdelen’ wat hun functioneren betreft van elkaar (zie verderop). Zo zijn er werelddelen en landstreken die zich naar een bepaalde richting openen (Europa naar het westen en zuiden, Amerika naar de Golf van Mexico) andere, die zich naar buiten afsluiten (Afrika). Openstellen en afsluiten zijn echter vormingprincipes en attituden van levende wezens. We hebben bij de behandeling van Europa (deel 3) [1] metamorfosen en tendenzen tot harmoniseren leren kennen – ook dit soort processen en gebaren behoren bij het leven.

Inderdaad is het interessant als je eenmaal karakteristieke eigenschappen van wat levend is, heb leren kennen en gecontroleerd, waar deze op aarde te vinden zijn. Daarbij horen zeker ook bepaalde ritmische processen, analoog aan wat zich afspeelt in de adem-hart-bloedsomloopactiviteit bij mens en dier. Die hebben bij de hogere levensvormen duidelijk in de borststreek hun centrum. Als we naar de aarde kijken, zien we in iedere rivier verschillende pulserende bewegingen die in het groot in het meanderen zichtbaar worden. Hoofd- en bijrivieren vormen een water’netstelsel’ waarvan de ‘aderen’ als levensstroom het landschap doortrékken. In de oceanen en in de lucht nemen kringlopen van dit soort een grote plaats in (Golfstroom, zich verplaatsende lagedrukgebieden).

Nog een basis van het leven is de stofwisseling met de bijbehorende organen. Daarin voltrekt zich de verandering van het voedsel, zodat nieuwe stoffen opgebouwd kunnen worden. Oplossen, veranderen en opnieuw vormen van stoffen vindt echter ook plaats op aarde en dat kun je vaak waarnemen, het meest in het oog springend in het tropische regenwoud. In andere streken overheerst de opbouw van substantie: in de plooiingsgebergten die ontstaan, bij de mid-oceanische ruggen; het vulkanisme, maar ook bij de vorming van delta’s waarbij het meegevoerde slib ten gevolge van het minder snel worden van de stroom, afgezet wordt en daardoor ‘groeit’ de delta de zee in. [5].

Het aardoppervlak wordt door innerlijke en uiterlijke krachten gevormd die een samenspel vormen zoals in een organisme. Het zijn de krachten van het aards-vaste, van het water, de lucht en de warmte. 
In de deltavorming van de grote stromen grijpen ‘stofwisselingskrachten’ in en maken ze tot gebieden met veel leven. Zoals in de stofwisselingsprocessen van een levend organisme vindt ook hier oplossing, omvorming en nieuwe vorming van stoffen plaats. Het meegevoerde slib – de op de lange reis verpulverde stenen – wordt als gevolg van vermindering van de stroomsnelheid afgezet en schuift als landtong in de zee: de delta ‘groeit’. 
De Wolgadelta – zo groot als Schleswig-Holstein – komt hoger te liggen als een dicht rietveld, weilanden en tuinbouwgrond dan de (in augustus) verdorde bruine halve woestenij. Vanuit de binnenranden tot in de delta is een breed patroon getrokken van parallellopende smalle binnenzeeën en heuvels die wellicht het gevolg zijn van vroegere windactiviteit. Voor de delta waaiert een strook licht sediment naar het noorden die echter nog maar een derde zoveel materiaal meevoert als vóór de bouw van de grote stuwdammen in de Midden-Wolga.

In de Nijldelta zijn de tegenstellingen extremer. De helft groter dan de Wolgadelta, omgeven door hete woestijnplateaus zonder regen, overgeleverd aan winderosie. Aan de kust hebben de zeestromingen strandwallen uitgespoeld, waarachter vroegere bochten als lagunen verzouten (vlakke kust). De Nijl waarvan het water uit de evenaargebieden van Afrika komt en die hier in de woestijn een vreemd element is, zorgt voor 59% van de vochtigheid van het Egyptisch landschap onder Caïro. 

Ook ijs kan een landschap gestalte geven en zijn vormen in het levende afdrukken. De Noorse fjordenkust doet je denken aan het aderstelsel. Oudere stroomsystemen volgend hebben de gletsjers van de ijstijd brede U-vormige dalen uitgehold die het mogelijk maken dat de warmte van de Golfstroom ver het land kan binnendringen. In het bijzonder de scheren in het westen die door tectonische kloven alleen zijn komen te liggen, zijn met een groene vegetatiemantel bedekt.

 bron

Vanaf het Makrangebergte in Pakistan met zijn dicht opeen geformeerde vormenreeks dat tot in de lengtedalen naar beneden loopt in zandachtig erosiemateriaal met scherpe kanten, blazen de noordwestenwinden fijn materiaal weg en vormen zo de bergribben. De stofwaaiers worden tot 150 km lang en kunnen het zware leven van herders en vissers volledig lam leggen. 

Warmte en water maken vormen op de ‘hoogtepool’ van de aarde, de oostelijke Himalaya. De grootte Baden-Württemberg als voorbeeld laat de grootst mogelijke tegenstellingen zien. Ze strekken zich uit van het grijs-groene zwoele Gangesgebied helemaal in het zuiden, via de met wouden bedekte, aan de moesson overgeleverde zuidelijk glooiing van de Nepal-Himalaya en de vergletsjerde hoog-Himalaya (met vier toppen van 8000 m tot het woeste, geelgekleurde, winterkoude hoogland van Tibet 4000 m boven de zeespiegel. Omdat rivieren hier zeldzaam zijn, wordt in zuidelijke richting het gebergte door talrijke V-dalen geciseleerd. Hier triomfeert het water over het element aarde, want een paar rivieren doorsnijden, vanuit het noorden komend, de hoog-Himalaya: die zijn hier ouder dan het gebergte! De verschillende grijsnuances wijzen op de zich met de hoogte (en dat betekent met de warmte) veranderende bosbegroeiing. Ingebed in de zuideliljke glooiing komt het met terrassen gevormde kernland van Nepal als bruin-gele streep in het onderste stuk van de foto tevoorschijn: water en warmte zijn hier doodemens in een harmonisch wisselspel gebracht. [10] 

de foto’s in het tijdschriftartikelen zijn zwart/wit. Ik heb ze via Google-maps geprobeerd op te zoeken. De beschrijving van de foto hierboven beantwoordt niet helemaal aan het plaatje: de foto’s in het tijdschrift zijn uit een atlas

Als een reuzenmossel rusten de Berry-eilanden met het daarbij behorende kalme bekken met ondiep water (1 tot 2 m) van de grote Bahamabank. Een hoge temperatuur en een hoog zoutgehalte zijn karakteristiek voor deze unieke zeewereld die door koraalriffen, duinruggen en brandingswallen tegen de driftstromen van de passaatwinden beschermd zijn. Overal modelleert het rustige water: er zijn smalle, langgerekte eilanden, half cirkelvormige baaien ontstaan. Het onderwaterreliëf toont door zijn kleurschakeringen wervelingen, zandbanken en plaatsen waar het ineens steil naar beneden gaat.

Vergaan, resp. vernietiging en daarmee doodsprocessen vind je daarentegen in de woestijnen. [6] Naar deze verschijnselen zal de leekracht steeds weer kijken, ze als levensprocessen van de aarde proberen te begrijpen, ook al maakt hij er niet per se een onderwijsonderwerp van. Voor hemzelf vormen zulke overwegingen echter een basis die zijn leerstofperiode toch anders doeverlopen.

Vorm en klimaat van de werelddelen

Je moet voor het overzicht van de periode van de 6e klas met behulp van de landkaart beginnen en met de behandeling naar details gaan, de namen van de werelddelen en de oceanen laten noemen, hun positie t.o.v elkaar. Daarbij springen belangrijke vormelementen in het oog, bij de zeeën ook de mid-oceanische ruggen die op de moderne kaarten ingetekend zijn. Die moet je niet overslaan, want de kinderen worden door zulke waarnemingen gevoelig voor het feit dat plastische krachten die in de aarde werkzaam zijn, ook invloed hebben op de zeebodem.
Maar vooral aan de vorming van de continenten kun je veel waarnemen; ieder maken ze een bepaald gebaar: de noordelijke werelddelen, breed om de Noordelijke IJszee gesitueerd en door landbruggen met de naburige werelddelen verbonden, worden naar het zuiden toe jonger. De drie zuidelijke werelddelen, verder opgeschoven naar de equator, zijn echter duidelijk van elkaar gescheiden, worden in zuidelijke richting ook smaller. Daardoor ontstaat hier een brede cirkelpolaire oceaangordel waarvan het midden ingenomen wordt door het ijsgeworden Antarctis met de zuidpool als 7e werelddeel, terwijl de noordpool op de ijsschotsen van de Arctische zee ligt. – Een goede waarnemingsoefening is het dan voor de leerlingen, wanneer ze de omtrek van de continenten vereenvoudigd in meetkundige figuren tekenen, waarmee je tegelijkertijd de kinderen wakker maakt (zie deel 1) [1]. Ook het meten van van de diepzeetroggen komt hiervoor in aanmerking en prikkelt de leerlingen om te ontdekken en precies te werken.
Je kan ook nog andere dingen aan de vorm van de werelddelen waarnemen.
Wat wij bij de drie Zuid-Europese schiereilanden als gebaar opgemerkt hebben, komt als een metamorfose – uitvergroot – in de drie Zuid-Aziatische schiereilanden weer opnieuw naar voren: het wat compacte Arabische, het slankere Voor-Indië met een vooruitgeschoven groot eiland; het in halve eilanden en eilanden opgaande Achter-Indië met de Soenda archipel.
Een ander opvallend vormfenomeen biedt het overgangsgebied tussen de noord- en zuidcontinenten die men heel algemeen ‘middenzeeën’ noemt.
De Europese Middellandse Zee kennen de kinderen nu als een watervlakte die helemaal omsloten is door het vaste land die echter in de Zwarte en de Rode Zee twee bijzeeën heeft, echter alleen maar door een smalle doorgang met de open oceaan verbonden.
De Amerikaanse ‘middenzee’, de Caribische‘ is sneller te begrijpen: in het westen wordt die door de smalle Midden-Amerikaanse landbrug naar de oceaan toe afgesloten, in het oosten stromen er door de eilandenbogen van de Antillen sterke Atlantische zeestromingen in en uit. Nog verder open is de ‘Zuidoost-Aziatische middenzee” de Indonesische eilandenwereld. In zijn eilandenbogen zitten overal gaten waardoor het water uit de Stille Oceaan in de Indische kan stromen.

Nog een gezichtspunt voor een overzicht van de werelddelen is hun oppervlaktegesteldheid: Afrika bestaat bijna helemaal uit een oude kristallijne bergmassa die alleen maar in het noordwesten aan de jonge ‘alpine’ plooiing van de Atlasketen raakt die in Oost-Afrika door breuklijnen en vulkanisme zich kenbaar maakt.
Zuid-Amerika daarentegen  wordt in zijn totale lengte door plooiingsgebergten doortrokken, terwijl de kristallijne oerplaten zich beperken tot het oosten.
Australië – om bij de zuidelijke delen te blijven – heeft geen deel aan de jonge vorming van plooiingsgebergten; dat loopt buiten het eigenlijke continent over Nieuw-Zeeland en Nieuw-Guinea.
In verbinding met de sterrenkunde of daarbij aanknopend kun je ook over het klimaat van de nieuw ‘ontdekte’ werelddelen vertellen, want dat behoort ook bij het ‘beeld van de aarde.’
De loodrecht lopende zonnebaan tussen de ‘keerkringen’ en het ontbreken van schemering zijn de eerste opwindende verschijnselen. Daarbij kun je misschien aansluiten met schetsen over de woestijnen en het regenwoud, over de hoogten van de vegetatie in de tropen, bijv. bij de Kilimanjaro. Dat er eeuwige sneeuw onder de equatorzon voorkomt, verbaast de kinderen. maar ook passaat- en moessonwind horen erbij.

De ‘biografie’ van grote stromen

Op opvallende indeling krijgen de continenten tenslotte door hun grote stromen. Ze onderscheiden zich zo sterk van elkaar dat je over ‘rivierindividualiteiten’ mag spreken. Er zijn stromen die traag naar zee gaan (Mississippi), andere die eerst de richting naar de woestijn inslaan en pas laat naar zee afbuigen (Niger), weer andere die de zee nooit bereiken (Tarim).
In het wezen van de grote stromen drukt zich echter ook iets van het werelddeel uit waartoe ze behoren.
De Amazone heeft een volledig ander karakter dan de Nijl en deze weer dan de Hwang-ho, de gele rivier in China.
De leerkracht moet de moed hebben om zijn klas een paar van die rivierbiografieën te vertellen, alsof de rivier een wezen is, dat bij haar loop het omgevende landschap beleeft, wat in overeenstemming is met een geestelijke realiteit:
In alle oude culturen wordt over riviergoden verteld (bijv. over de god ‘Skamandros‘ in de Ilias, die de priesters op grond van hun helderziende vermogen nog konden waarnemen. Een enkel natuurvolk onderhoudt tegenwoordig nog de verbinding in hun riten met zulke natuurgeesten waarover de moderne volkenkunde zonder vooroordeel verslag doet. (Horst Nachtigall: Völkerkunde, Stuttgart 1974)
Rudolf Steiner zet op grond van zijn bijzondere methode van geestonderzoek vaker iets uiteen over dergelijke elementairwezens (bijv. GA 136 en 158, niet vertaald)

Je kan ze ook zakelijker, als reisbeschrijving, geven en de rivier vanaf de bron tot de monding volgen en vergelijkingen maken. [6]
Wat de Nijl betreft zou het er zo uit kunnen zien, waarbij we wel vooropstellen dat de leerkracht gebruik moet maken van kaarten, beeldmateriaal en landschapsschilderingen [7] omdat hij niet in Afrika is geweest.

‘De Nijl ontspringt (als Kagera) ongeveer 2000 m hoog in het jonge vulkaanlandschap van Oost-Afrika, waarin geisers, moddervulkanen en andere verschijnselen van de levendigheid van dit aardegebied getuigen. Al gauw komt hij na steile hellingen naar het oosten uit de mistige wouden tevoorschijn en loopt in de wijde vochtige savannen van Oost-Afrika verder, een licht overstroomd middenhooglandschap van 1200 m. Daar liggen heel wat zoetwater- en sodameren die tijdens de regentijd voller en groter worden, in de droge tijd weer ineen schrompelen. Deze twee jaargetijden bepalen ook hoe het gaat met flora en fauna en het menselijk leven. Het vlakke Victoriameer – zo groot als een kleine zee – is de eerste ‘erosiebasis’ van de Nijl, d.w.z. het water komt hier tot rust, hij zou hier kunnen eindigen, wat misschien vroeger ooit het geval was. In dit ‘zonnesavannenland’ heerste lange tijd harmonie tussen natuur en mens: tussen de rijke hoeveelheid groot wild en de verschillende volkeren en rassen waarvan de veeteelt en de landbouw aan de natuur aangepast was en voor een deel nog steeds is.
Lager dan het Victoriameer begint met de droge savannen de wilde fase van de Nijl, vermoedelijk als gevolg van een ‘aftakking’ van een andere rivier vanuit het noorden. Want de Nijl stort zich nu over cataracten, verandert meerdere keren van richting, vanuit de zijkanten monden er mineraalrijke en -arme zijriveren in uit die je met de witte en zwarte waterstromen van de Amazone zou kunnen vergelijken.
In Bahr-el-Ghasal, het gazellenmoeras, (390m boven de zeespiegel) worden de watermassa’s van de Nijl door een dwarsliggende rotsbarrière tegengehouden – een reusachtige ‘binnendelta’ ontstaat als tweede ‘erosiebasis. Vermoedelijk sijpelde de Nijl hier vroeger net zo verder als in de bovenloop van de Niger bij Timboektoe ooit het geval was en wat nu nog het ‘lot’ is van de Schari in het Tsjadmeer. Want we bevinden ons nu al in het droogtegebied van de Sahel waarin slechts een korte, onregelmatig voorkomende regentijd is. Terzijde daarvan ligt dunbevolkt hongerland. Het is alsof het wegblijven van de levenskrachten aan zijn oevers ook invloed heeft op hemzelf: over 800 km verplaatst de ‘witte Nijl’ zich bijna zonder hellingen naar Khartoem. Hier komen we een andere vorm van stuwing tegen, niet door een bergobstakel, maar door een waterbarrière: de waterrijke Blauwe Nijl vanuit het hoogland van Abessinië, met vruchtbaar vulkaanslib verrijkt, drukt het water van de hoofdstroom terug en brengt Egypte het eerste hoogwater in de zomer. Pas wanneer dit weggestroomd is, volgt het tweede hoogwater door de Witte Nijl.

In dit laatste deel dat men ‘woeste Nijl’ noemt, is de stroom een ‘vreemdelingrivier’ (Fremdlingsfluss) geworden, d.w.z. met zijn water een vreemdeling binnen de hem omgevende gortdroge woestijnplateaus. Er stromen geen zijrivieren meer in, ja hij verliest voortdurend water aan de grondwaterstand en ook door verdamping. Er is ook geen afwisseling meer van de jaargetijden (afgezien van de temperaturen); alleen nog die droge tijd overheerst. Ondanks dat oefende het hoekvormige Nijldal sinds mensenheugnis een aantrekkingskracht uit, omdat je met hulp van het vruchtbare slib en de kunstmatige bevloeiing van de woestijnbodem een intensief te bewerken akkerland kan maken waarop verschillende oogsten per jaar mogelijk zijn. De Egyptenaren werden in de oudheid door de Nijl juist tot bepaalde bewustzijnsstappen gebracht. Zo stroomt de Nijl aan de getuigen van deze oude cultuur voorbij op weg naar zijn delta. Pas hier liggen de huidige grote steden – voor de laatste keer wordt er hier nog water uitgehaald voor de velden. Aan zijn monding brengt hij echter niet meer water mee dan de Rijn – voor de reusachtige rivier met zijn lange ‘biografie’ verschrikkelijk weinig!

De laatste opdracht die je als leraar in deze ‘overzichtsperiode’ moet uitvoeren, is de uiteenzetting van de economische activiteiten die je niet in Eurpa vindt – bijv. het werk op een tweemans boerderij in Noord-Amerika, op een koffie- of katoenplantage in Brazilië, het verbouwen van rijst op de terrassen in China, misschien ook de ecologische houtkap in het tropische regenwoud. Hier zal het afhangen van wat de leerkracht aanschouwelijk en voor de kinderen te begijpen, kan vertellen. [8] Het mag hier echter wel wat korter en beperkter, want een grondige behandeling van de landen, weliswaar meer onder cultuur-geografische gezichtspunten blijft voorbehouden aan de klassen die volgen.

[1] deel 1   deel 2   deel 3   deel 5

[2] Rudolf Steiner GA 294
Vertaald/152
Hier te vinden bij andere opmerkingen van Steiner over aardrijkskunde
[3]  idem/157
[4] Spektrum der Wissenschaft: ‘Die Dynamik der Erde, Heidelberg 1987
[5] Theodor Schwenk Das sensibele Chaos
[6] Eberhard Czaya: Die Strome der Erde; Kevin Sinclair: Der gelbe Fluss; Andreas Suchantke: Kontinent der Kolibris
[7] Andreas Suchantke: Sonnensavannen und Nebelwälder; J.Bockemühl, W.Schad, Suchantke: Mens und landschaft Afrikas
[8] Materiaal hiervoor: Terra – Lesehefte

.

Christoph Göpfert, Erziehungskunst jrg. 56, o2-1999

.
deel 1deel 2;  deel 3;  deel 5

.

aardrijkskunde 6e klas: alle artikelen

aardrijkskundealle artikelen

Rudolf Steiner over aardrijkskundealle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld6e klas

1615-1514

.

.

.

VRIJESCHOOL – De ontwikkeling van het jongere kind (2-3)

.

GROEI EN WARMTE – EEN ONAFSCHEIDELIJK DUO

Warme kleren, liefst laagje over laagje, en muts op. Dat is het advies van de antroposofische consultatiebureau-artsen meestal geven aan ouders van baby’s en kleine kinderen.
Overdreven gedoe? Of kan je niet voorzichtig genoeg zijn als het om de warmtehuishouding van je kind gaat?
Noor Prent legt uit hoe het eigenlijk zit met dat ‘warmtezintuig’.

Maurits van tweeëneenhalf heeft waterpokken gehad met flinke koorts. Nu gaat het weer goed met hem. Heel goed zelfs, vertelt zijn moeder Marianne. ‘Ik heb het idee dat hij na de waterpokken een sprong heeft gemaakt in zijn ontwikkeling. Hij straalt, hij speelt goed en begint ook in het contact met
andere kinderen een beetje zijn mannetje te staan.’

Maurits is een open kind dat gevoelig reageert op alles wat er om hem heen gebeurt. Hij heeft een ‘dunne huid’ en kan slecht zijn warmte vast houden. Daarom adviseerde ik Marianne om vooral zijn benen en voeten warm te houden en hem regelmatig met olie in te wrijven. Ze vertelt dat ze dat nog steeds drie keer per week doet. Ook trekt ze hem nog altijd een majo aan onder zijn broek met een paar sokken er overheen.
Marianne: ‘Ik weet dat Maurits dat allemaal nodig heeft, hij zit nu eenmaal zo in elkaar dat hij snel warmte verliest. Ik zie dat hij zich er lekker bij voelt. En toch twijfel ik soms aan wat ik doe. Er zijn nogal wat mensen in mijn omgeving die dat allemaal zó overdreven vinden, dat gedoe met laagjes onderkleding van wol. Ik moet dan echt weer even heel goed mijn gesprek met jou in herinnering roepen over het belang van het verzorgen van het warmte-organisme van kleine kinderen, vooral als ze zo open zijn als Maurits. Daarna kan ik die opmerkingen weer wat beter verteren en mijn eigen lijn blijven volgen’.

Warmteverlies

Die onzekerheid van Marianne klinkt wel vaker op het spreekuur van de antroposofische ouder- en kindzorg als het gaat over de verzorging van het warmte-organisme van kleine kinderen. Daarom is het belangrijk dat je als ouder precies weet waarom je daar zo’n aandacht aan schenkt.
In de baarmoeder ontwikkelt een baby zich bij een constante temperatuur. Na de geboorte is zijn warmtezintuig – dat wil zeggen het organisme dat reageert op temperatuurswisselingen van buiten of van binnen – nog niet ontwikkeld. De baby moet warm worden gehouden. Langzaam traint de warmtezin zich in het waarnemen van temperatuursverschillen en leert het de reacties daarop te regelen. Na een aantal weken kunnen de meeste baby’s hun lichaamstemperatuur stabiel houden. Maar dat betekent nog niet dat ze geen hulp van gepaste kleren en warmte van buiten af meer nodig hebben.
De babyhuid is nog dun en laat veel warmte door. Bovendien is de oppervlakte van de huid bij een baby relatief groot ten op zichte van de inhoud. Daardoor is het warmteverlies bij hem groter dan bij oudere kinderen en volwassenen. Een baby verliest zijn warmte vooral via het hoofd, in totaal 60% van zijn lichamelijke warmte-uitstraling. Als je je hand op het hoofdje van je baby legt zul je dat kunnen voelen. In plaats van die warmte-energie via het hoofd verloren te laten gaan, kun je hem met een dun mutsje heel eenvoudig wat terugleiden naar zijn lichaam waar het kan worden gebruikt voor de opbouwprocessen en de groei. Bij premature baby’s geeft een schapenvachtje vaak een positief resultaat op de groei omdat de eigen warmte-huishouding dan wat economischer verloopt.

Luchtlaagje tussen huid en kleren

In de eerste drie levensjaren van een kind wordt zijn zenuwstelsel nog voortdurend verfijnd en uitgebouwd. In het hoofd, het centrum van het zenuwstelsel, is dan sprake van een intensieve stofwisseling. Daar is energie en warmte voor nodig is.
Behalve het warm houden van het hoofd, adviseer ik ouders daarom hun kinderen gedurende die eerste jaren ‘in laagjes’ te kleden: direct op de
huid een liefst wollen hemdje met lange mouwen, een majo en een muts en daar overheen de gewone kleren. Zo kan zich tussen de huid en de eerste laag kleren een dun, stilstaand luchtlaagje vormen. Dit laagje isoleert en vormt een buffer in de uitwisseling van warmte tussen binnen en buiten.
De huid produceert zelf een olielaagje (talg) dat ook warmte isoleert en bovendien bacterieafstotend is.
Dit olielaagje lost gedeeltelijk op in warm water en nog meer bij het gebruik van zeep. Behalve als je kind vuile handen en voeten heeft, kun je zeep dan ook maar het beste vermijden.
Breng na het bad op de huid van zijn hele lijfje dunnetjes een natuurlijke, dus huidverwante,  baby-olie zoals Weleda verzorgende olie aan. Zo geef je als het ware weer terug wat je eraf hebt gehaald. Het masseren van zijn huid is een weldaad voor je kind en tegelijkertijd voelt hij daardoor hoe zijn huid zijn lijfje begrenst. Dat helpt hem bij het opbouwen van een gezond zelfgevoel.

Kruipbroek

Als je kind gaat kruipen, vraagt dat weer wat extra aandacht voor de warmtehuishouding. Over de grond stroomt altijd koude lucht. Ga zelf maar eens een poosje op de grond liggen en je zult merken hoe je dan afkoelt. Die kou kan optrekken tot in de buik en lichte stofwisselingverstoringen veroorzaken. Als je een beetje handig bent kun je voor die fase een kruipbroek maken.
Neem daarvoor een broek die over de andere kleren kan worden gedragen en zet er kniestukken op van leer of stroeve stof, zodat dan de kou niet kan optrekken via de knieen naar boven.
Als je kind eenmaal loopt, kan hij zichzelf door de spierarbeid (die warmte produceert) al beter warm houden, maar ook dan blijft het goed om hem in laagjes te kleden. Als je kind in zijn nek transpireert, dan heeft hij het te warm. Trek dan liever een vest of trui uit dan dat je een laagje van zijn beentjes afhaalt. Zijn voetjes moeten altijd aangenaam warm en droog aanvoelen.
Ook grotere kinderen geven meestal niet aan dat ze koude voeten hebben. Dat moet je dus zelf blijven controleren. Pas als een kind een jaar of acht is, kun je de regie over de verzorging van het warmte-organisme aan het kind zelf beginnen over te laten.

Weerstand

In de babyleeftijd vormt je kind zijn warmtezintuig vooral door het omgaan met temperatuurswisselingen via de huid van gezicht en handen. Je baby kan de activiteit van dat zintuig oefenen als je hem – adequaat aangekleed – mee naar buiten neemt bij allerlei verschillende weersomstandigheden. Alleen bij een ferme noord-oostenwind zou ik liever binnen blijven. Zo’n wind brengt altijd te heet, te koud, te fel of te droog weer met zich mee. En wanneer het kouder is dan – 4 graden heeft een baby onevenredig veel moeite om op temperatuur te blijven.
Vanaf een maand of tien kan je de warmtezin iets extra’s te doen geven door na een warm bad of douche een beetje koel water met kopjes tegelijk over het kind heen te gieten. Gebruik geen koud water en maak er met een rijmpje of een liedje een spelletje van. Want het is niet de bedoeling om hem te laten schrikken, maar om hem op een plezierige manier wakker te maken voor temperatuurverschillen.
Zoals een getrainde spier meer arbeid kan verrichten, zo kan ook een geoefend warmteorganisme sneller en beter reageren. Je kind zal minder worden overrompeld door temperatuurs- en weersveranderingen en minder kouvatten omdat hij een betere weerstand heeft kunnen opbouwen.

Noor Prent, arts, in Puur kind, Weleda lente 2004 (13)
(met toestemming van de auteur)

.

voor consultatiebureauswww.kinderspreekuur.nl

Michaela Glockler en Tomas GoebelKinderspreekuur  

Edmond Schoorel over warmte.

Menskunde en pedagogie: warmte (nr.11)

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen       zie ook [1-5]

Opvoedingsvragenalle artikelen
.

1614-1513

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 297 – voordracht 4

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: vspedagogie apenstaartje gmail punt com

RUDOLF STEINER

BASISGEDACHTEN EN PRAKTIJK VAN DE VRIJESCHOOL

9 voordrachten, een bespreking en vragenbeantwoording tussen 24 augustus 1919 en 29 december 1920 in verschillende plaatsen [1]

GA 297: vertaling
Inhoudsopgave   voordracht   [1]  [2]  [3]  [5]  [6]  [7]  [8]  [9]
vragenbeantwoording bij de 5e vdr.;  vragenbeantwoording bij de 6e vdr.;
bespreking van pedagogisch-psychologische vragen; vragenbeantwoording bij de 9e vdr.

Inhoudsopgave 4e voordracht 24 sept. 1919,[2]

bovenzinnelijke kennis en sociaal pedagogische levenskracht

De onwerkzaamheid van ‘de goede wil’ en de ‘mooie gedachte’ voor het omvormen van de huidige sociale verhoudingen (blz. 89)
Impuls van de geesteswetenschap: gevoels- en wilscultuur, omvorming van het oude instinctieve naar volbewust beleven (blz. 90)
De oprichting van de vrijeschool: aansluiten bij de industrie (blz. 90)
De natuurwetenschappelijke manier van denken als enige bron voor de vorming in deze tijd (blz. 91/92)
De weg van de geesteswetenschap: het ontwikkelen van tot in de twintiger jaren onbewuste werkende krachten: imaginatie, inspiratie, intuïtie (blz. 92)
De omvorming van de actieve krachten in de derde zevenjaarsfase in imaginatie, die van de tweede fase in inspiratie, van de eerste in intuïtie (blz. 92/96
Het tegenwoordige sociale denken naar het model van de natuurwetenschappelijke ‘objectiviteit’ (blz. 97/98)
Het enthousiasmeren van wils- en gevoelskrachten door geesteswetenschappelijke kennis (blz. 99/100)
De sociaal-pedagogische terreinen van onderwijs aan jeugdigen en de ‘leer van het leven’: i.p.v. abstract-dode en levendige, concrete pedagogiek: beschouwing over de mens die wordend is (blz. 100/103)
Eisen aan de lerarenopleiding (blz. 103)
Vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school (blz. 104/105)
Over de banaliteit van het aanschouwelijkheidsonderwijs (blz. 105/106)
(Een nieuwe manier van denken is nodig (blz. 107)
Het negende levensjaar (blz. 108)
Over het schrijf- en leesonderwijs (blz. 109)
Over het zgn. vrouwenvraagstuk (blz.110)
De invloed van de geesteswetenschap op de vrouw en de man (blz.110)
De drang tot en de dodelijke tendens aan het voorbeeld van Rusland (Lenin) (blz. 111)
De spraak als sociaal instrument (blz. 111/112)
De school van het leven (blz. 113 t/m….
De huidige abstract uiterlijke en de toekomstig innerlijk psychisch-mentale organisaties
Het levensvreemde van de zgn. ‘practici’
De noodzaak van een echte i.p.v.een  metafysische, wereldvreemde geest voor het huidige leven    …..115)
‘Zoek het werkelijk praktische materiële leven” (blz.116/117)

blz. 89

Übersinnliche erkenntnis und sozial-pädagogische lebenskraft

Wenn man in der gegenwärtigen ernsten Zeit hinblickt auf das, was die Menschen angesichts des Ernstes dieser Zeit für notwendig halten, was sie sich vorstellen an notwendigen Neueinrichtungen, an notwendigen Umwandlungen der unhaltbaren Verhältnisse, dann bemerkt man, daß ja gewiß in mancher Hinsicht viel guter Wille bei den Menschen vorhanden ist, sich nach der einen oder anderen Richtung hin einer Neueinrichtung zu widmen und mitzuarbeiten an der Umwandlung dessen, was der Umwandlung bedürftig erscheint. Allein, man wird nicht umhin können – gerade wenn man von diesen zunächst so sehr ins Auge fallenden Umstän­den der gegenwärtigen Zeitkultur sich Rechenschaft gibt -, sich zu sagen: So viel guter Wille ist da, und auch in diesem guten Willen waltende, manchmal ganz schöne Gedanken [sind da. Aber] sogleich, nachdem sie entstanden sind, verpuffen sie, kommen je­denfalls nicht zu dem heute so notwendigen intensiven Ausleben.

Bovenzintuiglijke kennis en sociaal-pedagogische levenskracht

Wanneer je naar de tegenwoordige, ernstige tijd kijkt naar wat de mensen met het oog op de ernst van deze tijd noodzakelijk vinden, wat ze zich voorstellen aan noodzakelijke nieuwe instellingen, noodzakelijke veranderingen van onhoudbare toestanden, merk je dat er zeker in velerlei opzicht veel goede wil aanwezig is bij de mensen om in de een of andere richting zich te wijden aan zo’n nieuwe instelling en mee te werken aan de verandering van wat noodzakelijkerwijs schijnt te moeten veranderen. Alleen – je kan er niet omheen te zeggen– juist wanneer je je van deze aanvankelijk zo zeer in het oog springende omstandigheden van de huidige cultuur rekenschap geeft: er is zoveel goede wil, gepaard gaand met heel mooie gedachten – alleen, zo gauw nadat ze ontstaan zijn, verdampen ze, komen in ieder geval niet tot het nu zo nodige intensieve leven.

Geisteswissenschaft, wie sie hier gemeint ist, jene Geisteswissen­schaft, welche in anthroposophischer Art sucht, den Weg für die gegenwärtige Menschheit zu übersinnlichen Erkenntnissen zu bah­nen, sie möchte seit Jahrzehnten gerade da in die gegenwärtige Kul­Lur eingreifen, wo der Mangel dieser Kultur zu bemerken ist: an dem erlahmenden guten Willen und an den erlahmenden, ganz schönen Gedanken, die in diesem guten Willen leben. Denn die hier von mir seit Jahren vertretene anthroposophisch orientierte Geisteswissenschaft möchte gerade auf das hinweisen, was der Ge­genwart so notwendig ist und was zu gleicher Zeit Menschen dieser Gegenwart mit so großer Sympathie erfassen oder aber mit großer Antipathie eben einfach zurückweisen. Sie möchte hinweisen auf das, was auf der einen Seite Rechnung trägt dem, was Naturwissen­schaft so groß gemacht hat, und auf der anderen Seite Rechnung trägt dem, wofür Naturwissenschaft, wie wir gerade heute besprechen

Geesteswetenschap, zoals ze hier bedoeld is, die geesteswetenschap die op een antroposofische manier zoekt de weg vrij te maken voor de mensheid van nu voor bovenzintuiglijke kennis, wil al tientallen jaren juist daar in de huidige cultuur ingrijpen waar het gebrek van deze cultuur merkbaar is: aan de verlammende goede wil en aan de verlammende heel mooie gedachten die in deze goede wil aanwezig zijn. Want de hier al sinds jaren door mij vertegenwoordigde antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap zou er juist op willen wijzen wat voor de huidige tijd zo nodig is en wat tegelijkertijd mensen van nu met zo’n grote sympathie aanvaarden of ook met grote antipathie net zo eenvoudig afwijzen. Zij zou willen wijzen op wat enerzijds rekening houdt met wat de natuurwetenschap zo groot heeft gemaakt en aan de andere kant rekening houdt met waarvoor natuurwetenschap zoals wij dit nu willen bespreken

blz. 90

wollen, kein Mittel hat, also auf das, was menschliche Willenskultur, menschliche Gemütskultur ist.
Wir leben ja in einer Zeit, in welcher sich der Mensch keines­wegs mehr in der alten Weise, also instinktiv, den Impulsen seines Willens hingeben kann. Man mag noch so viele Vorurteile ins Feld führen, wenn es sich darum handelt, heute zuzugestehen, daß ge­rade unsere Zeitkultur dadurch zu charakterisieren ist, daß das alte, instinktive Leben in vollbewußtes Leben immer mehr und mehr sich überführen muß. Es ist dies eine geschichtliche, es ist dies die bedeutendste geschichtliche Tatsache, die in der Gegenwart gerade­zu zur Krisis geführt hat: daß sich alte instinktive Antriebe in der menschlichen Natur immer mehr und mehr umwandeln müssen in bewußte Antriebe,
Viel ist in dieser Richtung hin in den letzten drei bis vier Jahrhunderten bewirkt worden durch das, was in die allgemeine Zeitkultur und Zeitrichtung fließt aus dem, was Naturwissenschaft groß gemacht hat. 

geen middelen heeft, dus op wat de menselijke wilscultuur en gemoedscultuur is.
We leven in een tijd waarin de mens geenszins meer op de oude manier, dus instinctief, zich verlaten kan op de impulsen van zijn wil. Men zou nog graag zoveel vooroordelen willen opvoeren wanneer het erom gaat tegenwoordig toe te geven dat met name onze tijd te karakteriseren is dat het oude instinctieve leven steeds meer naar een volbewust leven over moet gaan. Dit is het belangrijkste geschiedkundige feit dat in deze tijd geleid heeft tot de crisis; dat de oude instinctieve impulsen in de menselijke natuur steeds meer moeten veranderen in bewuste impulsen.
In de laatste drie tot vier eeuwen is er in deze richting veel tot stand gekomen door wat de natuurwetenschap groot gemaakt heeft, door wat van daaruit in de algemene cultuur en in de loop van de tijd terecht is gekomen.

Allein, gerade wer heute in die Lage kommt, über Einrichtungen zu sinnen, die herausgewachsen sind aus den wichtigsten Bedürfnissen der Zeit, der muß dazu kommen, das Un­genügende jener Zeitbildung zu empfinden, die nur aus naturwis­senschaftlicher Denkrichtung und Denkungsart kommt. Indem versucht wird, gerade in dieser Zeit, in dieser Stadt, in einem gewis­sen begrenzten Sinn ein soziales Problem zu lösen, ein soziales Problem, das von größerer Wichtigkeit ist, als man vielleicht zunächst glauben möchte, darf einmal am heutigen Abend gerade auf die Schwierigkeiten, die der Lösung eines solchen sozialen Problems entgegenstehen, hingedeutet werden.
Es ist ja gelungen, durch jene wirklich einsichtvolle Art, welcher unser Freund, Herr Molt, durch Jahre hindurch gegenüber der an­throposophisch orientierten Geisteswissenschaft bewiesen hat, nunmehr bis dahin zu kommen, aus dem sozialen Denken für unsere Zeit heraus die sogenannte Waldorfschule zu begründen, jene Schule, welche zunächst für die Kinder der in der Firma Waldorf-Astoria Arbeitenden bestimmt ist und für einige andere Kinder, die sich zunächst angliedern. Diese Schule zeigt ja schon in

Alleen, juist wie tegenwoordig in de positie verkeert over instellingen na te denken die beantwoorden aan de belangrijkste eisen van de tijd, moet wel de conclusie trekken hoe ontoereikend het is wat in deze tijd ontstaan is alleen uit het natuurwetenschappelijk denken en uit de manier van denken. Wanneer er wordt geprobeerd, nu, in deze tijd, in deze stad, in zekere zin nog een te overzien sociaal probleem op te lossen, een sociaal probleem dat wel belangrijker is dan dat je wellicht op het eerste gezicht zou denken, mag vanavond weleens gewezen worden op de moeilijkheden waarmee je te maken krijgt, wanneer je zo’n sociaal probleem op wil lossen.
Het is gelukt, op de werkelijk inzichtsvolle manier die onze vriend, mijnheer Molt jarenlang wat de antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap betreft, aan de dag heeft gelegd, er nu toe te komen vanuit het sociale denken voor onze tijd de zgn. vrijeschool op te richten, die school die allereerst bestemd is voor de kinderen van de werknemers van de firma Waldorf-Astoria en voor enkele andere kinderen die zich er nu ook naartoe gaan. Deze school

blz. 91

dem Äußeren ihres Entstehens das ganz moderne Gepräge: Angegliedert an eine industrielle Unternehmung, muß sie in eminen­testem Sinne auf die allerpraktischsten Bedürfnisse der Menschen, die ihre Kinder dieser Schule anvertrauen, Rücksicht nehmen. Und man möchte sagen: Es ist symbolisch, daß diese Schule entsteht in Anknüpfung, in lokaler Anknüpfung an den Industrialismus, der gerade die wichtigsten sozialen Probleme in unsere Zeit hinein­geworfen hat.
Bei der Begründung dieser Schule kamen für die Lehrerschaft, für die ich den einleitenden seminaristischen Kursus durch Wochen zu leiten hatte, sozial-pädagogische Aufgaben im Sinne der gegen­wärtigen Zeitkultur in Betracht. Unsere Zeitbildung fußt ja mehr, als man denkt, ganz und gar auf dem, was sich als Vorstellungsart- ich deutete es schon an – für die Erkenntnis der äußeren Natur ausgelebt hat. Wiederholt habe ich, ich darf schon sagen durch Jahrzehnte hindurch, hier betont, daß der Wert und die Bedeutung naturwissenschaftlicher Denkungsweise jedenfalls von der hier ge­meinten Geisteswissenschaft voll gewürdigt werden. Dennoch aber muß immer wieder betont werden: 

draagt uiterlijk bij het ontstaan al het zeer moderne stempel: behorend bij een industriële onderneming moet zij in buitengewoon opzicht rekening houden met wat de mensen, die hun kinderen aan deze school toevertrouwen, in de meest praktische zin nodig hebben. En dan kun je wel zeggen: het is symbolisch dat deze school ontstaat door lokaal samen te gaan met de industrie die nu juist de belangrijkste sociale problemen van onze tijd veroorzaakt heeft.
Bij de oprichting van deze school kwamen de leraren voor wie ik een paar weken de beginnersopleidingscursus moest leiden, in aanraking met de sociaal-pedagogische opdracht voor de moderne cultuur. De hedendaagse culturele vorming stoelt veel meer dan men denkt volledig op een manier van denken – ik wees er al op – die voor de kennis van de uiterlijke natuur gestalte heeft gekregen. Ik heb herhaaldelijk, ik mag wel zeggen, al jaren lang, hier benadrukt dat de waarde en de betekenis van de natuurwetenschappelijke manier van denken door de hier bedoelde geesteswetenschap volledig gerespecteerd wordt. Toch moet steeds weer benadrukt worden:

Gerade weil diese anthropo­sophisch orientierte Geisteswissenschaft mehr als die Naturwissen­schaft selbst das würdigt, was in der Naturwissenschaft lebt, des­halb muß diese anthroposophisch orientierte Geisteswissenschaft gerade wegen dieser naturwissenschaftlichen Gesinnung über das Naturwissenschaftliche hinausgehen. Und wiederholt habe ich es ja hier betont, auf welchem anderen Wege die Geisteswissenschaft zu ihren Erkenntnissen kommt als die gegenwärtige Naturwissen­schaft. Wiederholt habe ich darauf hingewiesen, wie durch den Weg dieser Geisteswissenschaft wirklich in die übersinnliche Welt hineingegangen werden kann. Ich habe immer wieder angedeutet -das soll heute nur mit ein paar Worten berührt werden -, wie durch die Entwicklung innerer menschlicher Kräfte, die sonst in der Menschennatur schlummern, ein Weg gebahnt wird, so daß der Mensch – geradeso, wie er durch seine Sinne die physische Umwelt erkennt, wie er durch seinen Verstand, durch Kombination die Naturgesetze in der physischen Umwelt finden kann – durch andere

Juist omdat deze antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap, meer dan de natuurwetenschap zelf, naar waarde schat wat in de natuurwetenschap leeft, moet deze geesteswetenschap juist door die natuurwetenschappelijke overtuiging, verder gaan dan deze. En herhaaldelijk heb ik ook hier gezegd langs welke andere weg de geesteswetenschap tot haar kennis komt dan de huidige natuurwetenschap. Herhaaldelijk heb ik erop gewezen hoe door deze weg van de geesteswetenschap daadwerkelijk toegang gevonden kan worden in de bovenzintuiglijke wereld. Ik heb er steeds weer op gewezen – nu zal ik er maar een paar woorden aan wijden – hoe door de ontwikkeling van innerlijke krachten die anders in de mens sluimerend aanwezig zijn, een weg bewandeld kan worden, zodat de mens – net zoals hij met zijn zintuigen de uiterlijke wereld leert kennen, zoals hij door zijn verstand, door het combineren de natuurwetten in de fysieke wereld kan vinden – door andere

blz. 92

Kräfte, die entwickelt werden können, hinschauen kann auf die geistige Welt, in der wir leben, die immer um uns ist und die nur deshalb eine unbekannte ist, weil dem Menschen im gewöhnlichen Leben die Empfangsorgane fehlen, die geistigen Sinne nicht auf­geschlossen sind.
Ich möchte nun heute einmal die Frage erörtern: Welche Kräfte gebraucht denn eigentlich diese anthroposophisch orientierte Gei­steswissenschaft, um in die übersinnliche Welt hineinzuschauen? 0, sie gebraucht sehr gesunde, durchaus normale Kräfte der Men­schennatur. Wer tiefere Einblicke wirklich tun will in die Art und Weise, wie diese anthroposophisch orientierte Geisteswissenschaft vorgeht, dem wird es vergehen, davon zu sprechen, daß sie irgend­wie auf ungesunde Kräfte baut, wie ihr von verleumderischer Seite immer wiederum vorgeworfen wird. Man kann nämlich in sehr einfacher Art auf die Quellen dieser anthroposophisch orientierten Geisteswissenschaft und ihren Weg in die übersinnliche Welt hin­weisen.

krachten die ontwikkeld kunnen worden, inzicht kan krijgen in de geestelijke wereld waarin wij leven die steeds om ons heen is en die alleen daarom onbekend is omdat de mens daar in het dagelijks leven geen organen heeft, de geestelijke zintuigen daarvoor niet actief zijn.
Ik wil nu de vraag stellen: welke krachten gebruikt deze antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap nu eigenlijk om in de geestelijke wereld te kunnen waarnemen? O, dat zijn zeer gezonde, en echt wel normale krachten van de menselijke natuur. Wie daadwerkelijk meer inzicht wil krijgen in de manier waarop deze geesteswetenschap te werk gaat, laat wel achterwege te zeggen dat deze opgebouwd is op bepaalde ongezonde krachten, zoals steeds weer het verwijt is van de kwaadsprekers. Je kan namelijk heel gemakkelijk wijzen naar de bronnen van deze antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap en de weg in de bovenzintuiglijke wereld.

Wenn Sie mein Buch «Wie erlangt man Erkenntnisse der höhe­ren Welten?» in die Hand nehmen, dann werden Sie dort die Stufen der übersinnlichen Erkenntnis beschrieben finden, zu denen sich der Mensch erheben kann durch die Entwicklung gewisser, in ihm schlummernder Kräfte: Erstens die imaginative Erkenntnisstufe, zweitens die Erkenntnisstufe der Inspiration, drittens die Erkennt­nisstufe der wahren Intuition. Nun, woher nimmt Geisteswis­senschaft die Kräfte, die funktionieren in so etwas wie Imagination, Inspiration, Intuition? – Wir können darauf hinweisen, daß in der kindlichen Entwicklung des Menschen Kräfte walten, welche der menschlichen Organisation zugrunde liegen. Diese Kräfte, sie lie­gen im späteren Lebensalter, wenn der Mensch eine normale Größe erlangt hat, wenn er sein Wachstum vollendet hat, gewissermaßen brach. Ich habe in diesem Frühling hier schon darauf hingewiesen, welches die Epochen menschlicher Entwicklung sind. Ich habe dar­auf hingewiesen, wie in einem ersten Zeitraum des Lebens der Mensch vorzugsweise ein nachahmendes Wesen ist, wie er instink­tiv hineinwächst in alles, was die Menschen in seiner Umgebung

Wanneer u mijn boek: ‘De weg tot inzicht in hogere werelden’ ter hand neemt, vind je daar de trappen van de bovenzintuiglijke kennis beschreven, die de mens kan doorlopen door het ontwikkelen van bepaalde krachten die sluimerend in hem aanwezig zijn: ten eerste de trap van de imaginatieve kennis, ten tweede de trap van de inspiratieve kennis en ten derde de fase van de echte intuïtieve kennis. Waar haalt de geesteswetenschap nu de krachten vandaan die in zoiets als imaginatie, inspiratie en intuïtie werken? – We kunnen wijzen op de krachten die actief zijn in de ontwikkeling van een kind en die ten grondslag liggen aan de menselijke organisatie. Die krachten liggen op latere leeftijd, als de mens een normale grootte bereikt heeft, wanneer zijn groei voorbij is, braak. Ik heb er hier in de lente al op gewezen wat de fasen van de menselijke ontwikkeling zijn. Ik zei hoe in de eerste fase van het leven de mens voornamelijk een nabootsend wezen is, hoe hij instinctief meegroeit met alles wat de mens in zijn omgeving

blz. 93

machen, und es in seinen Bewegungen, in seinen Lauten, in seiner Sprache, ja selbst in seinen Gedanken nachmacht. Diese nach­ahmende Bewegung, die reicht ungefähr bis zum Zahnwechsel, bis zum siebenten Lebensjahr ungefähr. Dann beginnt für den, der die menschliche Natur genauer beobachten kann, etwas ganz anderes tätig zu sein: Das Bedürfnis der menschlichen Natur, vom sechsten, siebenten Lebensjahr bis zur Geschlechtsreife sich anzulehnen an die Menschen, die schon Erfahrung haben, an Erwachsene, die in ihrer Umgebung sind, an die das Kind hingebungsvoll glauben kann; dann beginnt in dem Kinde das Bedürfnis, unter dem Einfluß verehrter Autoritäten zu handeln. Gegenüber dem früheren Nach­ahmungstrieb tritt jetzt diese Sehnsucht hervor, unter dem Einfluß verehrter Autoritäten zu handeln. – Jene Selbständigkeit dem Leben gegenüber, die auf eigene Urteilskraft aufgebaut ist, jene Selbständigkeit, die darauf beruht, in alle Dinge lebensvoll unterzu­tauchen, sie entwickelt sich im Grunde genommen erst mit der Geschlechtsreife im vierzehnten Lebensjahr bis zum zwanzigsten, einundzwanzigsten Jahr hin.

doet en hem in zijn bewegingen, in zijn klanken, in zijn spreken, ja zelfs in zijn gedachten nabootst. Deze nabootsende beweging duurt ongeveer tot aan de tandenwisseling, tot ongeveer het zevende jaar. Dan begint voor degene die de mensennatuur intiemer waar kan nemen iets heel anders actief te worden: de behoefte van de menselijke natuur, vanaf het zesde, zevende jaar tot aan de puberteit zich te richten op de mensen die al ervaring hebben, op volwassenen die in hun omgeving zijn, in wie het kind vol overgave kan geloven; dan ontstaat in het kind de behoefte actief te zijn in de invloedssfeer van een geliefde autoriteit. Tegenovergesteld aan de nabootsingsdrang die hiervóór aanwezig was, ontstaat nu de behoefte in de invloedssfeer van een geliefde autoriteit te handelen. – Die zelfstandigheid voor het leven die op het eigen oordeel berust, die erop berust levendig in te gaan op de dingen, komt in de aard der zaak pas tot ontwikkeling met de puberteit in het veertiende tot het twintigste, eenentwintigste jaar.

Das sind drei deutlich voneinander geschiedene Lebensepochen der menschlichen Jugend. Nur wer sein gesundes Urteil verlegt durch allerlei Vorurteile, kann übersehen, wie jene Kräfte, welche bis zum siebenten Jahr als Formkräfte wirken – denn bis dahin ist die Formung des Leibes ungefähr abgeschlossen, die Formen wer­den dann noch größer, aber das Plastische ist ausgebildet bis zum siebenten Jahr -, dann mehr innerlich wirken, indem sie als Le­benskräfte wirken, den Menschen erstarken machen, aber insbe­sondere als innere Wachstumskräfte wirken bis zum vierzehnten Jahre hin. Und sie wirken so, daß sie vom vierzehnten bis zum zwanzigsten Jahr innerlich die Organe kräftigen, welche auf das Verständnis der Umwelt gerichtet sind beim Kinde, also jene Or­gane, welche fähig sind, sich in die Umwelt zu vertiefen. Es arbeitet das Geistig-Seelische am Physisch-Körperlichen des Menschen in verschiedener Art bis zum siebenten Jahr, bis zum vierzehnten Jahr, bis zum einund zwanzigsten Jahr. Kräfte, die ganz deutlich für den Unbefangenen geistig-seelische Kräfte sind, arbeiten sich heraus,

Dit zijn drie duidelijk van elkaar te onderscheiden fasen in de tijd van de menselijke jeugd. Alleen wie zijn gezond oordeelsvermogen laat prevaleren boven allerlei vooroordelen, kan overzien hoe de krachten die tot het zevende jaar als vormkrachten werken – want tegen die tijd is de bouw van het lichaam ongeveer klaar, de vorm wordt nog wel groter, maar het plastische is tot het zevende jaar gevormd – dan meer in het innerlijk werken, wanneer ze als levenskrachten werken, de mens sterker laten worden, maar vooral ook als innerlijke groeikrachten werken tot aan het veertiende jaar. En de werkzaamheid is zo dat ze van het veertiende tot het twintigste jaar inwendig de organen sterker maken die bij het kind gericht zijn op het begrijpen van de wereld, dus die organen die in staat zijn zich in de wereld te verdiepen. Wat geest-ziel is werkt op een verschillende manier aan het fysiek-levende van de mens tot aan het zevende, tot aan het veertiende, tot aan het eenentwintigste. Krachten die voor degene die onbevangen waarneemt, geest-zielenkrachten zijn, komen tot ontwikkeling

blz. 94

um die Organe des Menschen zu beherrschen und sie in der Entwicklung weiterzubringen.
Diese Kräfte sind also da, diese Kräfte, die gewissermaßen bis zum siebenten Jahr hin jenen bedeutungsvollen Abschluß hervor­bringen in der menschlichen Organisation, die herauskristallisieren aus der menschlichen Natur die zweiten Zähne! Und dasjenige Ge­heimnisvolle in der menschlichen Organisation, was bis zum vier­zehnten Jahr hin wirkt und zusammenhängt mit dem Wachstum, der Entfaltung, das ist doch da, das wirkt! Nun fragen wir: Wenn wir in den Zwanzigerjahren die Organisation abgeschlossen haben – wo ist denn das, was bis dahin vom Geistig-Seelischen heraus in unsere physisch-leibliche Organisation hineingewirkt hat? Das ist da, das bleibt auch da! Aber geradeso, wie die Kräfte, die wir vom Aufwachen bis zum Einschlafen zu unserer Tagesarbeit und Tages-beobachtung verwenden, vom Einschlafen bis zum Aufwachen in uns schlafen und schlummern, so schlummern vom Beginn der Zwanzigerjahre ab in der menschlichen Natur die Kräfte, die in den Kinder- und Jugendjahren die Organisation durchfeuert haben, die Organisation durchglüht haben, so daß aus dem Kinde ein Erwach­sener geworden ist, mit alledem, was dazu gehört.

om de organen van de mens te beheersen en deze verder te ontwikkelen.
Die krachten zijn er dus, die in zekere zin tot aan het zevende jaar tot een belangrijke afsluiting komen in de menselijke organisatie; zij veroorzaken dat in de menselijke natuur de blijvende tanden verschijnen (Steiner gebruikt hier ‘kristalliseren’. En ook dat geheimzinnige proces in de menselijke organisatie dat tot aan het veertiende jaar zich afspeelt en samenhangt met groei, ontplooiing, dat is er en het is actief! Nu vragen we ons af: wanneer we, als we zo twintig zijn en die organisatie afgesloten hebben – waar is dan wat tot dan toe vanuit het geest-zielenelement in ons fysiek-levende organisatie gewerkt heeft? Dat zit daar en dat blijft daar ook! Maar net zoals we de kracht die wij van wakker worden tot inslapen gebruiken om overdag te werken en waar te nemen, die van inslapen tot wakker worden slapend en sluimerend in ons aanwezig zijn, net zo sluimeren vanaf het begin van het twintigste jaar af in de menselijke natuur de krachten die in de kinder- en jeugdjaren in de organisatie ‘gevlamd’ hebben, zodat uit een kind een volwassene is geworden met alles wat daarbij behoort.

Wer den ganzen Menschen ins Auge faßt, der weiß: In dem Augenblick, wo die Organisation diesen Punkt erreicht, da treten gleichsam zurück in das Innere der Menschennatur die Kräfte, die im Kinde, im Jüng­ling, in der Jungfrau gewirkt haben. Diese Kräfte schlummern dann. Sie können erweckt werden, jene Kräfte, welche vom vier­zehnten Jahr bis zum zwanzigsten, einundzwanzigsten Jahr in uns gewöhnlich die beobachteten Vorgänge hervorgebracht haben, durch die wir allmählich Verständnis gewinnen für unsere Umge­bung und durch die die Organe in uns ausgebildet werden, die erst nach dem Auftreten der Geschlechtsreife ausgebildet werden kön­nen; Organe, die nicht nur einseitig auf die Geschlechtsliebe gehen, sondern darauf, daß wir uns liebevoll in die ganze Menschheit, in die ganze Welt vertiefen können. Dieses liebevolle Vertiefen erst gibt uns das wirkliche Verständnis der Welt. Was wir bis zum ein­undzwanzigsten Jahr noch zum Wachstum, zum Aufbau von inneren

Wie naar de hele mens kijkt, weet: op het ogenblik dat de organisatie dit punt heeft bereikt, doen de krachten in het innerlijk van de mens die in het kind, de jongen en het meisje werkzaam zijn geweest, a.h.w. een stapje terug. Die krachten sluimeren dan. We kuunen die krachten wekken die vanaf het veertiende tot het 20e, 21e jaar gewoonlijk in ons de processen teweeg brengen die we hebben waargenomen, waardoor we langzamerhand begrip hebben gekregen voor onze omgeving en waardoor onze organen ontwikkeld werden die pas na de geslachtsrijpheid tot ontwikkeling gebracht konden worden; organen die niet alleen maar met de geslachtsrijpheid te maken hebben, maar ook met de kracht waarmee we ons liefdevol in de hele mensheid, in de hele wereld kunnen verdiepen. Pas dit liefdevol verdiepen geeft ons een echt begrip van de wereld. Wat wij tot het eenentwintigste jaar nog voor de groei, voor de opbouw van innerlijke

blz. 95

Organen verwenden, das wird, möchte man sagen, nüchtern, wird bloß urteilsmäßig, verstandesmäßig im Beginn der Zwanzi­gerjahre. Da hört eine gewisse geistig-seelische Kraft auf, zu orga­nisieren. Da wird sie bloß imaginäre, innere Kraft, seelische Kraft. Da ist sie nicht mehr so stark wie früher, als sie eingreifen mußte in die Organisation. Findet man sie, diese in der Menschennatur schlummernde Kraft, die vorher eine bildende Kraft war und es jetzt nach dem zwanzigsten Jahr nicht mehr ist, und bildet man sie aus, so daß sie vorhanden ist nach dem erreichten zwanzigsten Jahr wie früher, da sie am Leibe wirkte, dann wird sie zur imaginativen Kraft. Dann erlangt der Mensch die Fähigkeit, nicht nur in abstrak­ten Begriffen die Welt zu sehen, sondern in Bildern, die so lebendig sind, wie die Träume sind, und die Wirklichkeit bedeuten wie sonst unsere abstrakten Begriffe. Das, was uns befähigt, die Welt in sol­chen Bildern zu sehen, das, was uns befähigt, die erste Stufe der übersinnlichen Erkenntnis zu erreichen, das ist dieselbe Kraft, die vorher im gesund sich entwickelnden Menschen für die Liebeskraft wirke, die aus der menschlichen Natur hervorgeholt werden kann und die tiefer hineinführt in die Umgebung des Menschen als der gewöhnliche Verstand und die gewöhnlichen Sinne.

organen gebruiken, wordt om zo te zeggen, nuchter, alleen maar oordeelsmatig, verstandsmatig wanneer je twintiger wordt. Dan houdt een bepaalde geest-zielenkracht op te vormen. Die wordt enkel en alleen imaginaire, innerlijke kracht, zielenkracht. Dan is die niet meer zo sterk als vroeger toen die nog moest ingrijpen in de organisatie. Als je die kracht vindt die in de menselijke natuur sluimert, die daarvóór een vormende kracht was en dat nu, na het twintigste jaar niet meer is, en als je deze ontwikkelt zodat die na het bereiken van het twintigste jaar voorhanden is zoals vroeger toen ze aan het lichaam vormde, dan wordt deze een imaginatieve kracht. Dan krijgt de mens het vermogen niet alleen maar in abstracte begrippen naar de wereld te kijken, maar in beelden die zo levendig zijn als de droombeelden en die een realiteit zijn zoals anders onze abstracte gedachten. Wat ons de mogelijkheid geeft de wereld in zulke beelden te zien, wat ons mogelijk maakt de eerste trap van bovenzintuiglijke kennis te bereiken, is dezelfde kracht die daarvóór in een zich gezond ontwikkelend mens aan de kracht van de liefde werkte die uit de mensennatuur gehaald kan worden en die dieper inwerkt op de omgeving van de mens dan het alledaagse verstand en de gewone zintuigen.

Und dann kann man weitergehen, denn auch diejenigen Kräfte sind schlummernd im späteren Menschen, welche ungefähr vom siebenten Jahr ab, also vom Zahnwechsel bis zur Geschlechtsreife, die wesentlichen Vorgänge im menschlichen Organismus bewir­ken. Diese Kräfte schlummern tiefer unter der Oberfläche des gewöhnlichen Seelenlebens als jene Kräfte, die ich eben als die ima­ginativen bezeichnet habe. Wenn diese Kräfte hervorgeholt wer­den, die gewissermaßen im späteren Menschen unbeschäftigte geworden sind gegenüber der leiblichen Organisation, wenn diese geistig-seelischen Kräfte heraufgeholt werden aus ihrem Schlum­mer-, ihrem Schlafzustand, dann sind sie die Kräfte der Inspiration. Und dann sind sie diejenigen Kräfte, die uns vermitteln, daß die Bilder, von denen ich gerade sprach bei der imaginativen Erkennt­nis, sich mit geistigem Gehalt erfüllen, daß wirklich diese Bilder -die auftreten wie Traumbilder, aber nicht Traumbilder sind – eine

En dan kan je verdergaan, want ook die krachten liggen sluimerend in de latere mens die ongeveer van het zevende jaar af, dus van de tandenwisseling tot aan de puberteit de wezenlijke processen in het menselijke organisme verzorgen. Die krachten sluimeren dieper onder de oppervlakte van het gewone zielenleven dan de krachten die ik net de imaginatieve heb genoemd. Wanneer deze krachten ontwikkeld worden die in zekere zin in de latere mens niet meer aangesproken worden voor de lichamelijke organisatie, wanneer deze geest-zielenkrachten gewekt worden uit hun sluimer- , hun slaaptoestand, dan zijn dat de krachten van de inspiratie. En dan zijn dat de krachten die het ons mogelijk maken dat de beelden waarover ik net sprak bij de imaginatieve kennis, een geestelijke inhoud kunnen krijgen, dat deze beelden – die kunnen ontstaan alks droombeelden, maar dat niet zijn – een

blz. 96

geistige Wirklichkeit wiedergeben, die außer uns in unserer Um­gebung ist.
Und wenn wir gar die noch tiefer in der menschlichen Natur schlummernden Kräfte heraufholen, die Kräfte, die in der ersten Kindheit die organisierenden sind, die von der Geburt bis zum Zahnwechsel als die stärksten gegenüber der menschlichen Organi­sation gewirkt haben, dann aber auch am tiefsten sich zurückgezo­gen haben vom äußeren leiblich-physischen Leben, wenn wir diese Kräfte für die späteren Lebenszeiten heraufholen und mit ihnen durchsetzen, was Imagination, Inspiration ist, dann bekommen wir die intuitiven Kräfte der übersinnlichen Erkenntnis: Kräfte, durch die der Mensch fähig wird, in die Wirklichkeit der geistigen Welt unterzutauchen, wie er durch die Sinne und den gewöhnlichen, an den Leib gebundenen Willen in die physische Welt untertaucht.
In drei Stufen, durch Imagination, durch Inspiration und durch [ntuition gelangt der Mensch in die übersinnliche Welt hinein. Das, was er anwendet als solche Kräfte, sind keine abnormen Kräfte, sondern sind gerade die allernormalsten. 

geestelijke realiteit laten zien die buiten ons in onze omgeving aanwezig is. En wanneer we de krachten ontwikkelen die dan nog dieper in de menselijke natuur sluimeren, krachten die in onze eerste kindertijd de vormende krachten zijn die van geboorte tot tandenwisseling als de sterkste krachten ingrijpend gewerkt hebben in de menselijke organisatie, dan zich echter ook het diepst teruggetrokken hebben uit het uiterlijk levend-lichamelijke leven en wanneer we deze krachten voor de latere tijd in het leven naar boven halen en daarmee doordríngen wat imaginatie, inspiratie is, ontstaat in ons de intuïtieve kracht van de bovenzintuiglijke kennis: krachten waardoor de mens het vermogen krijgt op de werkelijkheid van de geestelijke wereld in te gaan, zoals hij door de zintuigen en de alledaagse aan het lichaam gebonden wil in kan gaan op de fysieke wereld.

Es sind diejenigen Kräfte, durch die der Mensch in gesunder Weise von seiner Geburt bis in die Zwanzigerjahre hinein sich erst entwickelt und die dann brach liegen gelassen werden, die aber hervorgeholt werden können und dann, wenn sie nicht beschäftigt sind, uns zu organisieren, an­gewendet werden können, um uns die geistige Welt zu offenbaren. zu erschließen.
Damit habe ich Sie auf die Quelle derjenigen Kräfte hinge­wiesen, welche den Weg in die übersinnliche Welt hinein bahnen wollen. Wer diesen Weg ernst zu nehmen vermag, der wird zu unterscheiden wissen, was dieser richtig geben kann gegenüber dem, was bloße Naturwissenschaft, bloße naturwissenschaftliche Erkenntnis zu geben vermag.
Und warum betone ich denn eigentlich immerfort diese naturwissenschaftliche Erkenntnis? Man hätte heute nicht so oft die Notwendigkeit, die naturwissenschaftliche Erkenntnis und die Gesinnung, die aus ihr fließt, zu betonen, wenn das, was heute namentlich öffentliches Denken ist und was auch eingreift in das

Het zijn de krachten waardoor de mens op een gezonde manier vanaf zijn geboorte tot in de jaren dat hij twintig is zich dus ontwikkelt en die dan als onbenutte krachten blijven liggen; ze kunnen echter wel ontwikkeld worden en als ze niet gebruikt worden om aan ons te werken, kunnen ze gebruikt worden om ons de geestelijke wereld te openbaren, ons de toegang daartoe te verschaffen.

Hiermee heb ik u op de bron gewezen van de krachten die de weg willen banen naar de bovenzintuiglijke wereld. Wie deze weg in ernst wil gaan, zal weten te onderscheiden wat deze echt kan schenken t.o.v. wat de natuurwetenschap, de natuurwetenschappelijke kennis slechts kan geven.
En waarom leg ik toch eigenlijk steeds de nadruk op deze natuurwetenschappelijke kennis? Men voelt tegenwoordig niet zo vaak de behoefte op de natuurwetenschappelijke kennis en de gezindheid die ze meebrengt, de nadruk te leggen wanneer dat wat tegenwoordig dan de officiële manier van denken is en wat ook ingrijpt in het

blz. 97

Soziale und in die Sozialpolitik, nicht ganz nachgebildet wäre der naturwissenschaftlichen Vorstellungsart. Gewiß, hier liegt etwas vor, worauf sehr viele Menschen noch gar nicht achten, was aber beachtet werden muß, wenn man wirklich etwas zur Gesundung unserer krank gewordenen sozialen Zeitkultur finden will. Man muß sich darüber klar werden: Alles menschliche Denken ist so sehr durchsetzt mit dem, was durch das naturwissenschaftliche Vorstellen heraufgezogen ist, daß, wenn heute der Mensch anfängt, über etwas anderes zu denken, er die naturwissenschaftliche Denkungsweise und Gesinnung hineinträgt.
Was ist denn schließlich das sozial-politische Denken in der zweiten Hälfte des 19. Jahrhunderts und bis ins 20. Jahrhundert hinein, bis heute? Und was ist es im Grunde genommen heute noch, was uns als sozialistische Theorie überall entgegentritt? Es ist ein soziales Denken nach dem Muster des naturwissenschaftlichen Denkens. Warum erscheint uns denn dieses soziale Denken, wie ich es in diesen Vorträgen hier oftmals charakterisieren mußte, so unfruchtbar?

sociale en in de sociale politiek, er niet net zo uitgezien zouden hebben als de manier van voorstellen van de natuurwetenschap. Zeker hebben we hier iets waar erg veel mensen nog helemaal niet op letten, maar waar je wel aandacht aan moet schenken als je werkelijk iets wil vinden om de ziek geworden sociale tijd gezond te maken. Het moet duidelijk worden: al het menselijk denken is zo doortrokken met wat door het natuurwetenschappelijk voorstellen aan invloed heeft gewonnen dat wanneer de mens nu begint te denken over iets anders, hij de manier van natuurwetenschappelijk denken en de gezindheid daarvan erin meeneemt. Wat is uiteindelijk het sociaal-politieke denken in de tweede helft van de 19e eeuw tot in de 20e aan toe, tot nu? En wat is in de aard der zaak genomen, nu nog steeds wat ons als socialistische theorie overal tegemoetkomt? Het is een sociaal denken naar voorbeeld van het natuurwetenschappelijk denken. Waarom treedt toch dat sociale denken zoals ik dat in deze voordrachten al vaak moest karakteriseren, als zo onvruchtbaar aan het licht?

Weil dieses soziale Denken – nehmen Sie zum Bei­spiel das marxistisch-englisch-sozialistische Denken – ganz und gar durchseucht ist von nur naturwissenschaftlicher Gesinnung, und weil die naturwissenschaftliche Gesinnung auf ein Gebiet angewen­det wird, wo diese naturwissenschaftliche Gesinnung eben nichts ausrichten kann.
Denn beachten Sie doch einmal, was das wichtigste Kennzeichen dessen ist, was ich Ihnen heute angegeben habe als übersinnliche Erkenntnisse im Sinne der anthroposophisch orientierten Geistes­wissenschaft. Da ist das wichtigste Kennzeichen, daß sich diese übersinnliche Erkenntnis solcher Kräfte bedient, die eng zusam­menhängen mit dem, was der Mensch ist. Wie könnte man sich denn überhaupt mehr mit der menschlichen Natur zusammenhän­gender Kräfte bedienen – für irgendein Ideal, für irgend etwas, was zu verwirklichen ist -, als wenn man die Kräfte dazu verwendet, die der menschlichen Organisation selbst zugrunde liegen, dem zu­grunde liegen, was wir als Mensch hier sind, und die wir aus ihrem Versteck in dem Moment herausholen, da sie der Mensch zu seiner

Omdat dit sociale denken – neem bijv. het socialistische denken van Marx en Engels – volledig doorspekt is met de natuurwetenschappelijke overtuiging en omdat deze op een gebied toegepast wordt, waarop die niets kan uitrichten.
Want kijk nu eens naar wat het belangrijkste kenmerk is van wat ik u vandaag verteld heb over de bovenzintuiglijke kennis in de zin van de antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap. Het belangrijkste daarbij is dat deze bovenzintuiglijke kennis krachten gebruikt die samenhangen met wat de mens is. Hoe zou je dan überhaupt nog van meer dan de met de menselijke natuur samenhangende krachten gebruik maken – om een of ander ideaal, om iets, wat dan ook te verwezenlijken – dan wanneer je de krachten gebruikt die aan de menselijke organisatie zelf ten grondslag liggen, aan wat wij hier als mens zijn om die op het ogenblik dat de mens die voor zijn organisatie niet meer gebruikt, uit het verborgene tevoorschijn te halen

blz. 98

Organisation nicht mehr braucht, und die wir dann anwenden zur Erkenntnis.
Demgegenüber ist das, was die gewöhnliche naturwissenschaft­liche Vors tellungsart und das heutige sozial-politische Denken sind, ein Leben in Begriffen, die abstrakt sind, die nur – so könnte man sagen – mit der Organisation des menschlichen Kopfes erfaßt werden, von den Kräften, die der Mensch noch übrig behält, wenn er in den Zwanzigerjahren seine volle Organisation erreicht hat und die Kräfte schlafen oder schlummern läßt, die viel realer sind, weil sie an seiner Organisation selbst arbeiten.
Das, was wir gewinnen in den Begriffen, von denen uns die Naturwissenschaft erzählt und die wir heute so gerne auch auf die soziale Wissenschaft, ja auch auf das sozial-pädagogische Wirken anwenden möchten, diese Begriffe und Ideen – überhaupt alles das, was wir auf solche Weise für unseren Seeleninhalt gewinnen -, das nimmt sich gegenüber dem, was ich Ihnen heute charakterisiert habe als den Inhalt der übersinnlichen Erkenntnis, nur wie die Spiegelbilder einer Wirklichkeit aus. Und in der Tat:

om die dan te gebruiken voor onze kennis. Dat is tegenovergesteld aan wat de alledaagse natuurwetenschappelijke manier van voorstellen en het huidige sociaal-politieke denken is, een leven in begrippen die abstract zijn, die alleen – kun je zeggen – met de organisatie van het menselijk hoofd begrepen kunnen worden, en tegenovergesteld aan de krachten die de mens nog over heeft wanneer hij in zijn twintiger jaren volgroeid is en de krachten laat slapen of sluimeren, die veel werkelijker zijn omdat ze aan zijn organisatie zelf werken.
Wat we winnen door de begrippen die de natuurwetenschap ons levert en die wij vandaag zo graag ook op de sociale wetenschap, ja zelfs op het sociaal-pedagogische werk willen toepassen, deze begrippen en ideeën – maar alles wat wij op deze manier voor de inhoud van onze ziel winnen – is tegenover wat ik u vandaag gekarakteriseerd heb als de inhoud van de bovenzintuiglijke kennis, slechts zoiets als een spiegelbeeld van de werkelijkheid. En inderdaad:

Alles, was wir an Begriffen gewinnen, wenn unser Verstand kombiniert über die Sinnesempfindungen und Sinneswahrnehmungen, und auch alles das, was wir wissen von unseren Willensimpulsen, alles das ist eigentlich nur wie ein Schatten, ein Spiegelbild gegenüber dem, was so eng verwoben ist mit menschlichem Werden und Weben und Wesen wie die uns selbst organisierenden Kräfte. Daher der ab­strakte Charakter, der vom Menschen losgelöste Charakter dessen, was durch naturwissenschaftliche Denkweise zustande kommt. Und man ist ja stolz darauf, solche naturwissenschaftlichen Er­kenntnisse zu gewinnen, bei denen der Mensch mit seinem Willen nichts zu tun hat, die, wie man sagt, «ganz objektiv» sind. Geistes­wissenschaft strebt danach, nicht den Menschen herauszuwerfen aus der Welt, wenn es sich um Erkenntnisse handelt, sondern ihn gerade hereinzuziehen, indem sie durch diejenigen Kräfte zu ihren Erkenntnissen kommen will, die die Organisationskräfte des Men­schen selbst sind. Daher kommt es, daß wir überall wahrnehmen können: Naturwissenschaftliches Vorstellen und auch was nach

Alles wat we aan begrippen winnen, wanneer ons verstand zintuiggewaarwordingen en zintuigwaarnemingen combineert en ook alles wat we weten van onze wilsimpulsen, is eigenlijk maar een schaduw, een afspiegeling in vergelijking met wat zo intens verbonden is met alles wat menselijke ontwikkeling is zoals de krachten die ons vormen. Vandaar het abstracte karakter, het van de mens losgeraakte karakter van wat door de natuurwetenschappelijke manier van denken tot stand komt. En men is er trots op als men dergelijke natuurwetenschappelijke kennis verkrijgt waarbij de mens met zijn wil niets hoeft te doen, die, zoals men zegt, ‘geheel objectief’ is. Geesteswetenschap streeft ernaar om niet de mens uit de wereld te verwijderen, wanneer het om kennis gaat, maar om hem er juist meer mee te verbinden, wanneer zij door die krachten tot haar kennis wil komen die de vormende krachten van de mensen zelf zijn. Daar komt het door dat wij overal kunnen waarnemen: natuurwetenschappelijk voorstellen en ook wat volgens

blz. 99

diesem Muster heute sozial-politisches Vorstellen ist, befriedigt die menschliche Wißbegierde, befriedigt die Anforderungen des Ver­standes, aber – das ist deutlich – diese Vorstellungen haben keine Kraft, den Willen des Menschen zu moussieren, zu durchsetzen, zu durchfeuern. Und würde diese naturwissenschaftliche Bildung in ihrer Einseitigkeit immer größer und größer, immer mehr allein­herrschend werden, so würde schließlich die menschliche Willens­kraft vollständig erlahmen müssen. In unserer Zeit muß beachtet werden, daß die unter dem Einfluß naturwissenschaftlicher Gesin­nung schon erlahmenden Willenskräfte angefeuert werden durch etwas, was in die Willenskräfte hinein befeuernd fließen kann, weil es aus der menschlichen Organisation herausgeholt worden ist als geisteswissenschaftliche Erkenntnis vom Menschen selbst.
Sehen Sie, das ist dasjenige, was Geisteswissenschaft will und was Geisteswissenschaft, wie sie hier gemeint ist, auch vollbringen kann: eine Erkenntnis bewirken, die nicht bloß für den Verstand da ist, sondern die in Gemüt und Wille übergeht.

dit patroon tegenwoordig sociaal-politiek voorstellen is, bevredigt de menselijke behoefte aan kennis, bevredigt de dringende vragen van het verstand, maar – dat is duidelijk – deze voorstellingen hebben geen kracht de wil van de mens te prikkelen, aan te zetten, te doorgloeien. En zou deze natuurwetenschappelijke vorming in haar eenzijdigheid steeds groter worden, steeds overheersender, dan zou uiteindelijk de menselijke wilskracht volledig moeten verlammen. In onze tijd moet gezien worden dat onder invloed van de natuurwetenschappelijke overtuiging al lamgeslagen wilskracht ge-enthousiasmeerd wordt door iets wat stimulerend op de wilskracht werken kan, omdat het vanuit de menselijke organisatie gehaald is als geesteswetenschappelijke kennis van de mens zelf.
Kijk, dat wil geesteswetenschap en wat die zoals ze hier wordt bedoeld, voor elkaar kan krijgen: inzicht geven, niet alleen voor het verstand is, maar dat dit ook deel wordt van gevoel en wil.

Gewiß, man verlangt heute ja immer wieder und wieder, beson­ders auf pädagogischem Gebiet, es solle nicht bloß erzogen und unterrichtet werden für den Erwerb von Wissen, sondern es solle zum Können, zum Arbeiten erzogen werden, es solle der Wille gebildet werden. Hier haben wir einen der Punkte, wo man sagen kann: Unter unseren Zeitgenossen ist viel guter Wille vorhanden. Gewiß, es ist viel guter Wille vorhanden, wenn heute die Menschen sagen, man solle nicht Erkenntnisschulen, sondern Schulen der Arbeitsfähigkeit, Schulen des Könnens begründen. Aber der gute Wille genügt nicht; es muß die Kraft vorhanden sein, diesen guten Willen zu durchhellen, zu durchleuchten mit wirklicher Einsicht. Und diese Einsicht ist an sich nicht damit befriedigt, daß man ein­fach sagt, man solle Schulen nicht des Kennens, sondern des Kön­nens errichten, sondern bei dieser Einsicht geht es darum, daß es in unserem Zeitalter, das immer mehr und mehr vom Instinktiven zum Bewußten übergeht, notwendig ist, nicht nur instinktiv auf den Willen zu wirken, vom Lehrer auf den Zögling instinktiv zu wirken, sondern Begriffe, Ideen, Vorstellungen von dem Lehrer auf

Zeker, men verlangt tegenwoordig steeds opnieuw, vooral op het gebied van de pedagogie, dat er niet alleen maar opgevoed en lesgegeven wordt om kennis te vergaren, maar er moet opgevoed worden zodat iemand iets kan, kan werken, de wil moet gevormd worden. Hier hebben we een van de punten waarvan je kan zeggen: onder onze tijdgenoten is veel goede wil aanwezig. Echt, er is veel goede wil aanwezig, wanneer vandaag de mensen zeggen dat je geen scholen moet oprichten voor kennis, maar scholen die je geschikt maken om te werken, scholen die het ‘kunnen’ aanleggen. Maar goede wil is niet genoeg; de kracht moet aanwezig zijn om deze goede wil bewuster te maken, om er licht op te werpen met werkelijk inzicht. En dit inzicht heeft er op zich niet genoeg aan dat men simpelweg zegt dat je scholen moet oprichten, niet voor het kennen, maar voor het kunnen, maar bij dit inzicht gaat het erom dat het in onze tijd steeds meer van instinctief-zijn, naar bewust-zijn overgaat; noodzakelijk is niet alleen maar instinctief op de wil te werken, van leraar naar leerling instinctief te werken, maar begrippen, ideeën, voorstellingen van de leraar op

blz. 100

das Kind übergehen zu lassen; aber solche Vorstellungen, die nicht bloß Vorstellungen sind, die gedacht werden, sondern solche Vor­stellungen, die den Willen befeuern, die den ganzen Menschen er­füllen. Nicht darum handelt es sich, daß man einseitig betont, nur der Wille oder nur das Gemüt sollen gebildet werden. Nein, es handelt sich darum, daß wir die Möglichkeit gewinnen, auf eine solche Einsicht, auf solche Vorstellungen, auf solche Begriffe hin­zuwirken, die in sich die Kraft haben, in den Willen überzugehen, für den Willen das innere Feuer zu bilden. Dies braucht man heute zum Heile unserer in vieler Beziehung kranken Gegenwart, um es in der richtigen Art anzuwenden auf dem zweiten sozial-pädagogi­schen Gebiet.
Das erste dieser sozial-pädagogischen Gebiete ist dasjenige, dem unsere eben gegründete Waldorfschule dienen soll: das Gebiet, das den Jugendunterricht umfaßt, jenen Unterricht und jene Erzie­hung, durch den die Menschen hineingestellt werden sollen in das, was heute und für die nächste Zukunft durch ein wirklich soziales Denken von diesen Menschen gefordert wird. Wir werden sehen, wie sehr dies eine Frage der Geisteswissenschaft ist, wie sehr dies eine Frage des Weges in die übersinnlichen Welten hinein ist.

het kind over laat gaan; maar dan zulke voorstellingen die niet alleen voorstellingen zijn die gedacht worden, maar die de wil aansporen, die de hele mens vervullen. Het gaat er niet om dat je eenzijdig benadrukt dat alleen de wil of het gevoel gevormd moet worden. Nee, het gaat erom dat wij de mogelijkheid krijgen naar zo’n inzicht, naar die voorstellingen, naar die begrippen toe te werken die kracht hebben die in de wil kan komen, voor de wil het innerlijke vuur vormen. Dit heeft men tegenwoordig voor het heil van onze in veel opzichten zieke tijd nodig om die op de juiste manier toe te passen op het tweede sociaal-pedagogische gebied.
Het eerste sociaal-pedagogische gebied is het terrein waarop onze pas opgerichte vrijeschool dienstbaar wil zijn: het gebied dat het onderwijs aan jeugdigen betreft, dat onderwijs en die opvoeding waardoor de mensen hun plaats moeten innemen in wat nu en voor de naaste toekomst door een daadwerkelijk sociaal denken door deze mensen ge-eist wordt. We zullen zien hoe zeer dit een vraag van de geesteswetenschap is, hoe zeer dit een vraag is naar de weg die naar de bovenzintuiglijke wereld is.

Das andere Gebiet, das sozial-pädagogisch in Betracht kommt, ist das, von dem ich sagen möchte, es soll vermitteln die «Lehre des Lebens». Wir stehen schlecht im Leben, wenn wir diesem Leben steif und fremd gegenüberstehen. Wir stehen nur dann recht im Leben drinnen, wenn jeder Augenblick, jeder Tag, jede Woche, jedes Jahr für uns eine Quelle ist, für unsere Weiterentwicklung zu lernen. Wir werden unsere Schule – gleichgültig, wie weit wir in ihr gekommen sind – am besten durchgemacht haben, wenn wir durch diese Schule gelernt haben, vom Leben zu lernen. Finden wir die rechte Art, uns jedem Menschen, der uns begegnet, gegenüberzustellen, dann wird er für uns eine Quelle der Weiterentwicklung in allem, was er uns bewußt oder namentlich unbewußt gibt und ist. In allem, was wir tun, Stunde für Stunde, Tag für Tag, Woche für Woche, erleben wir uns selber so, daß wir durch das, was wir mit uns durch die Umwelt erleben, in uns eine Quelle der stetigen

Het andere gebied dat sociaal-pedagogisch in aanmerking komt is dat waarvan ik zou willen zeggen dat het de ‘leer van het leven’ overdraagt. We staan slecht in het leven, wanneer we er star en vreemd tegenover staan. We staan pas goed in het leven, wanneer ieder ogenblik, iedere dag, iedere week, elk jaar een bron is voor ons om te leren ons verder te ontwikkelen. We zullen onze school – om het even hoe ver we zijn gekomen – het beste zijn doorlopen, wanneer we door de school geleerd hebben, van het leven te leren. Vinden we de juiste manier om ieder mens die we ontmoeten tegemoet te treden, dan wordt deze voor ons een bron voor onze verdere ontwikkeling met alles wat hij ons bewust of ook onbewust geeft en hoe hij is. Bij alles wat we doen, uur na uur, dag voor dag, week voor week beleven we onszelf zo dat wij door wat we samen met de omgeving beleven, een bron in ons van voortdurende

blz. 101

Fortentwicklung öffnen. Das Leben ist eine Schule für jeden gesun­den Menschen.
Beide aber, das sozial-pädagogische Gebiet des Jugendunter­richts und das sozial-pädagogische Gebiet des Vom-Leben-Ler­nens, können nicht mehr der Kultur der Gegenwart und der näch­sten Zukunft gewachsen sein, wenn sie nicht durchkraftet werden von dem, was von anthroposophisch orientierter Geisteswissen­schaft ausgehen kann.
Man hält heute dafür, daß «individuell» erzogen werden muß. Auch andere Grundsätze findet man in der modernen Pädagogik. Ich möchte auf die Einzelheiten der modernen Pädagogik nicht eingehen, nur auf eines möchte ich eingehen, und das ist, daß diese moderne Pädagogik gewisse Normen enthält, die dem, der unter­richten soll, der Lehrer werden soll, beigebracht werden. Nach die­sen Normen soll er unterrichten und erziehen. In diesen Normen lebt auch wieder viel guter Wille. Außerordentlich viel gutgemeinte Geisteskraft ist auf diese Pädagogik verwendet worden. Aber was für die Gegenwart und die nächste Zukunft auf diesem Gebiet not­wendig ist, das ist, daß an die Stelle einer abstrakten Pädagogik, welche Normen aufstellt, nach denen unterrichtet werden soll, die lebendige Pädagogik trete, welche von übersinnlicher Menschen­erkenntnis kommt. 

doorontwikkeling aanboren. Het leven is een school voor ieder gezond mens.
Beide echter, het sociaal-pedagogische veld van het onderwijs aan de jeugd en dat van het gebied van het leren van het leven, kunnen niet meer opgewassen zijn tegen de cultuur van nu en van de toekomst, wanneer zij niet sterker gemaakt worden door wat van de antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap uit kan gaan.
Men houdt het er tegenwoordig op dat er ‘individueel’ opgevoed moet worden. Ook andere basisprincipes vind je in de moderne pedagogiek. Ik ga op de details niet in, alleen één ding en dat is dat deze moderne pedagogiek bepaalde normen hanteert die bijgebracht moeten worden aan degene die onderwijs moet gaan geven, aan wie leraar wil worden. Volgens deze normen moet hij onderwijzen en opvoeden. In deze normen zit ook weer veel goede wil. Buitengewoon veel goedbedoelde geestkracht is er gebruikt voor deze pedagogiek. Maar wat er op dit gebied voor nu en voor de naaste toekomst nodig is, dat er in plaats van een abstracte pedagogiek die normen opstelt waarnaar onderwezen moet worden, de levende pedagogiek komt te staan die uit bovenzintuiglijke menskunde komt.

Diese übersinnliche Menschenerkenntnis ver­nachlässigt durchaus nicht, was sinnliche Menschenerkenntnis ist:
sie nimmt sie voll auf. Aber während diese sinnliche Menschener­kenntnis mit alledem, was sie als Anatomie und Physiologie ent­hält, den Menschen als Abstraktum behandelt, nimmt das über­sinnliche Erkennen die sinnliche Erkenntnis voll auf, fügt aber dazu das Geistig-Seelische des Menschen. Sie betrachtet den ganzen Menschen, vor allen Dingen den ganzen Menschen in seinem Wer-den. Sie kann daher den Blick richten auf diesen ganzen werdenden Menschen, wie er von den Eltern gegen das siebente Jahr hin der Volksschule anvertraut wird, in dieser lebenumgestaltenden Epo­che, in der aus der Nachahmung heraus das entsteht, was sich auf Autorität stützen will, und manches andere. Und nur dann sieht man, was da eigentlich im Menschen lebt, wenn man auf so etwas,

Deze bovenzintuiglijke menskunde verwaarloost zeer zeker niet wat zintuiglijke menskunde is:
die neemt ze heel serieus. Maar terwijl deze zintuiglijke menskunde met alles wat ze heeft aan anatomie en fysiologie, de mens als een abstractie behandelt, neem de bovenzintuiglijke kennis de zintuiglijke volledig mee, voegt er echter geest en ziel van de mens aan toe. Ze kijkt naar de totale mens, vooral naar de mens in zijn wording. Zij kan dus de blik richten op deze volledige mens die zich ontwikkelt, die door zijn ouders tegen het zevende jaar toevertrouwd wordt aan de basisschool, in een periode waarin uit de nabootsing ontstaat wat een steun wil vinden in een autoriteit, en nog veel meer. En alleen dan zie je, wat er eigenlijk in de mens leeft, wanneer je op zoiets,

blz. 102

wie ich es jetzt angedeutet habe, den Blick werfen kann, wenn man in der Lage ist, den Menschen so anzusehen, daß einem, indem man auf einen solchen Umschwung sieht, alles das, was im Men­schen aufsprießt, vor das geistige Auge tritt. Wenn man in der richtigen Weise dies empfindend wahrnimmt, was da im sechsten, siebenten Jahr aus dem Menschen heraus will, dann erwacht, wenn man nicht Pädagoge geworden ist, sondern wenn man Pädagoge ist, innerlich, durch die innerste Lebenskraft, die Fähigkeit, ohne pädagogische Normen richtend einzugreifen in das, was dieses wunderbarste Weltenrätsel, der werdende Mensch, fortwährend vor unser Seelenauge hinstellt.
Und hier liegt nun etwas [vor], was für eine wirklich sozial-pädagogische Neugestaltung, wie sie einer heutigen Einheitsvolks­schule zugrunde liegen muß, ins Auge gefaßt werden muß. Hier ist es so, daß man sagen muß: Im Grunde genommen ist es für den werdenden Lehrer gleichgültig, ob man ihm dasjenige beigebracht hat, was heute oftmals als Pädagogik, als spezielle Methodik beige­bracht wird. Wichtig ist für den zukünftigen Lehrer, daß er durch seine seminaristische Bildung fähig geworden ist, hineinzuschauen in den werdenden Menschen;

zoals ik het nu aangegeven heb, de blik kan werpen, wanneer je in staat bent zo naar de mens te kijken dat bij iemand als je op zo’n verandering let, alles wat in de mens opbloeit, voor het geestesoog treedt, Wanneer je dit op een juiste manier meevoelend waarneemt wat er op het zesde, zevende jaar zich wil uiten, ontstaat, niet wanneer je pedagoog geworden bent, maar wanneer je pedagoog bent, innerlijk door die diepaanwezige levenskracht het vermogen, zonder pedagogische normen, richting gevend te sturen in wat dit meest wonderbaarlijke wereldraadsel, de wordende mens, ons voortdurend voor het zielenoog laat zien.
En hier hebben we iets waarmee voor een echte nieuwe vorm van sociale pedagogiek hoe die aan de huidige basisschool ten grondslag moet liggen, rekening moet houden. Hier is het zo dat je moet zeggen: in de aard van de zaak is het voor de aankomende leraar om het even of je hem datgene bijgebracht hebt, wat tegenwoordig dikwijls als pedagogiek, als speciale methodiek bijgebracht wordt. Voor de toekomstige leraar is het belangrijk dat hij door zijn opleiding in staat gesteld wordt, de wordende mens te doorgronden;

daß er sich dasjenige angeeignet hat, was man sich durch eine umfassende, wirkliche Menschenerkennt­nis aneignen kann; daß er fähig geworden ist, sich seine Pädagogik jedem Kinde gegenüber und in jedem Augenblicke seiner Erzie­hungs- und Unterrichtstätigkeit neu zu formen.
Für den wirklichen Lehrer muß heute Pädagogik als etwas Lebendiges in jedem Augenblick neu erstehen. Und alles, was er gedächtnismäßig als Pädagoge in der Seele trägt, das ist etwas, was ihn seiner Ursprünglichkeit beraubt. An die Stelle von pädagogi­schen Normal-Grundsätzen oder Normgrundsätzen müssen Ein­sichten in die Natur des werdenden Menschen treten, die eben die Pädagogik fortwährend in dem Menschen, der erziehen und unter­richten soll, neu erstehen und lebendig werden lassen. Man möchte sagen: Die Pädagogik ist die beste – etwas radikal gesprochen -, die vom Lehrer immerzu vergessen wird und immerzu neu angefeuert wird, wenn der Lehrer dem Kinde, dem Zögling gegenübersteht

dat hij zich eigen gemaakt heeft wat je door een omvattende werkelijke menskunde je eigen maken kan; dat hij in staat is zijn pedagogiek voor het kind op ieder ogenblik in zijn pedagogisch en onderwijzend werk nieuw kan vormen.
Voor de echter leraar moet vandaag pedagogiek als iets levens op ieder ogenblik nieuw ontstaan. En alles wat hij vanuit zijn geheugen in zijn ziel meedraagt, is iets wat hem van zijn originaliteit berooft. In de plaats van de normale pedagogische basisregels of basisuitgangspunten moeten inzichten komen in de natuur van de wordende mens die zelfs de pedagogiek voortdurend in de mens die moet opvoeden en lesgeven, nieuw laten ontstaan en levend laten worden. Je zou willen zeggen: die pedagogiek is de beste – iets radicaal uitgedrukt – die door de leerkracht steeds wordt vergeten en die steeds weer gestimuleerd wordt als de leraar tegenover het kind, de opvoedeling, staat.

und die in ihm lebenden Kräfte der werdenden Menschennatur vor seine Seele gestellt sieht. Wenn dann zu solcher Gesinnung auch noch ein großes Interesse, ein umfassendes Interesse für die Geheimnisse der Welt, für Weltenrätsel, für Weltanschauungen hinzutritt, so wird dasjenige im Lehrer leben, was ihn wirklich befähigt, von seinem Wesen in das kindliche Wesen übergehen zu lassen, was übergehen soll.
Aber wodurch kann die innere Natur des Lehrers so lebendig werden, wie ich es jetzt charakterisiert habe? Nimmermehr durch Vorstellungen der Art, wie sie von naturwissenschaftlicher Er­kenntnis genommen sind, sondern allein dadurch, daß der Wille des Lehrers erkennend angefeuert wird durch eine Wissenschaft, die mit Kräften errungen ist, die mit der menschlichen Organi­sation so zusammenhängen, wie ich es heute charakterisiert habe. Der Lehrer, der in sich das aufgenommen hat, was Geisteswissen­schaft auch über die übersinnliche Natur des Menschen kennt, der dies in sich belebt hat, der eine Wissenschaft lebendig in sich trägt, die aufgebaut ist aus den Kräften, nach denen das Kind, das er erzieht und unterrichtet, heranwächst, der wird diese Erkenntnis als lebendiges Feuer im Erziehen und Unterrichten geltend machen können. 

en de in hem levende krachten van de wordende mensennatuur hem voor de geest komen. Wanneer dan bij zo’n stemming ook nog een groot interesse, een omvattende belangstelling voor de wereldgeheimen, voor de wereldraadsels, voor wereldbeschouwing optreedt, dan leeft dat in de leraar, wat hem daadwerkelijk mogelijk maak vanuit zijn wezen naar dat van het kind te laten gaan, wat ernaar over móet gaan.
Maar waardoor kan de innerlijke natuur van de leraar zo levendig worden, zoals ik het nu gekarakteriseerd heb? Nooit door voorstellingen van dien aard zoals ze door de natuurwetenschappelijk kennis gemaakt zijn, maar alleen doordat de wil van de leraar aangewakkerd wordt door een wetenschap die met grote krachtsinspanning is verkregen, die met de menselijke organisatie zo samenhangen zoals ik vandaag heb gekarakteriseerd. De leraar die in zich opgenomen heeft wat geesteswetenschap ook weet te zeggen van de bovenzintuiglijke natuur van de mens, die dit in zichzelf levend heeft gemaakt, die een wetenschap levend in zich meedraagt die opgebouwd is uit de krachten waarmee het kind dat hij opvoedt en lesgeeft, groeit, die zal deze kennis als een levend vuur in opvoeding en onderwijs kenbaar kunnen maken.

Denn seine pädagogische Kunst rührt aus übersinnlicher Erkenntnis, das heißt von denselben Kräften her, die von Tag zu Tag, von Woche zu Woche, von Jahr zu Jahr das Heranwachsen und die innere Organisation des Kindes bewirken.
Bedenken Sie einmal, wie nahe die pädagogische Kunst in ihren Quellen dem kommt, was im Kinde aufwächst, wenn übersinnliche Erkenntnisse dasjenige beherrschen, dasjenige orientieren, was als pädagogische Kunst von dem Lehrer an das Kind herangebracht wird! Nicht so sehr neue Abstraktionen, nicht spitzfindige neue pädagogische Grundsätze in dem, was hier sozial-pädagogisches Wirken genannt wird, sollen gesucht werden! Was gesucht werden soll, ist, das Lebendige an die Stelle des Toten, das Konkrete an die Stelle des Abstrakten zu setzen.
Diese Dinge zu fordern, ist heute viel notwendiger, als sich die Welt oftmals noch träumen läßt. Und es ist merkwürdig, wie man

Want zijn pedagogische kunst komt van bovenzintuiglijke kennis, dat betekent van dezelfde krachten, die van dag tot dag, van week tot week, van jaar tot jaar de groei en de innerlijke organisatie van het kleine kind bewerkstelligen. Denk eens, hoe dicht de pedagogische kunst bij de bronnen komt van wat er in het kind opgroeit, wanneer bovenzintuiglijke kennis heerst en richting geeft voor wat van de leerkracht aan het kind aangeboden wordt! Niet zozeer nieuwe abstracties, geen spitsvondige nieuwe pedagogische regels moeten gezocht worden bij wat hier sociaal-pedagogisch werk wordt genoemd! Wat gezocht moet worden, is dat het levendige de plaats inneemt van het dode, het concrete de plaats van het abstracte. Deze dingen te vragen is tegenwoordig veel noodzakelijker dan waarvan de wereld dikwijls nog maar droomt. En het is merkwaardig

blz. 104

sich gar nicht denken kann, daß es ein übersinnliches Wissen gibt, das auf dem Gebiet des sinnlichen Wissens und auch des Lebens, des Unterrichts und der Erziehung, zur Geschicklichkeit, zum Können wird. Schon beginnt man das, was der Nerv der Waldorf-schule ist, zu verkennen und deshalb das, was mit der Waldorf-schule gewollt wird, zu verleumden, wenn auch unbewußt. Man glaubt, weil diejenigen, die an ihrer Wiege stehen, von der Geistes-wissenschaft ausgehen, diese Waldorfschule sei eine «Weltanschau­ungsschule», eine Schule, in der den Kindern Anthroposophie bei­gebracht wird. Man ahnt gar nicht, wie sehr man, indem man das voraussetzt – sei es nun anhängerisch oder gegnerisch -, noch in alten Vorstellungen drinnensteht. Wir haben es gar nicht nötig, Anthroposophie dadurch zur Geltung zu bringen, daß wir sie als Weltanschauung zur Geltung bringen, daß wir einzelne anthropo­sophische Begriffe entfalten und darauf sehen, daß die Kinder diese aufnehmen, wie sie früher religiöse Vorstellungen aufgenommen haben. Nein, das betrachten wir nicht als unsere Aufgabe. 

zich helemaal niet kan indenken dat er een bovenzintuiglijk weten bestaat, dat op het gebied van het zintuiglijke weten en ook van het leven, van het onderwijs en van de opvoeding tot vaardigheid, tot kunnen wordt. Men begint de kern van het vrijeschoolonderwijs al te miskennen en wat met de vrijeschool nagestreefd wordt, af te kraken, ook al is het onbewust. Men gelooft omdat degenen die aan haar wieg staan uitgaan van de geesteswetenschap, dat deze vrijeschool een ‘wereldbeschouwelijke’ school,  een school waarin de kinderen antroposofie bijgebracht wordt. Men heeft er geen flauw idee van, hoezeer men, wanneer men dit veronderstelt – of het nu aanhangers of tegenstanders zijn – nog met een oude voorstelling van zaken leeft. 
Wij hebben het helemaal niet nodig om de antroposofie tot zijn recht te laten komen, om deze als wereldbeschouwing te doen gelden, dat wij afzonderlijke antroposofische begrippen ten toon spreiden en erop toezien dat de kinderen deze aannemen, zoals ze voorheen godsdienstige voorstellingen aangenomen hebben. Neen, dat beschouwen wij niet als onze opdracht.

Wir werden ehrlich einhalten, was wir veranschlagt haben: daß der pro­testantische, der evangelische, der katholische Religionslehrer die evangelische, die katholische Religion zu lehren haben, und wir werden dem Willen, diesen Religionsunterricht zu erteilen, keine Hindernisse irgendwie entgegensetzen. Wir werden diejenigen sein, die halten, was wir diesbezüglich versprochen haben. Wir suchen nicht, irgendeine neue Weltanschauung in dieser Form in die Schu­le hineinzutragen. Wir wollen etwas anderes. Wir sehen darauf hin, wie unsere anthroposophisch orientierte Geisteswissenschaft, weil sie herstammt von menschlichen Organisationskräften, übergeht in menschliche Geschicklichkeit, in menschliches Können, wie sie unmittelbar ausfließt in den menschlichen Willen. Wie wir pädago­gisch tätig sind, wie wir in der Schule handeln, wie wir uns den Unterrichtsstoff einteilen, wie wir den Lehrplan, die Lehrziele ge­stalten, also alles das, was methodische Handhabe des Unterrichts ist, was vom bloßem Wissen, von der bloßen Weltanschauung hin-überfließt in die Geschicklichkeit, in das Können des Erziehers, das ist dasjenige, was wir für unsere Aufgabe halten. Und deshalb wird

Wij zullen ons eerlijk houden aan wat we op gerekend hebben: dat de protestantse, evangelische, katholieke godsdienstleraren de evangelische, de katholieke religie moeten aanleren en wij zullen de wil dit godsdienstonderwijs te verkondigen, geen hinderpalen in de weg leggen. Wij zullen degene zijn die zich houden aan wat we met betrekking hiermee afgesproken hebben. Wij proberen niet een of andere nieuwe wereldbeschouwing in deze vorm de school binnen te brengen. Wij willen iets anders.
Wij zien erop toe dat onze antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap, omdat deze stamt uit heel de  menselijke  wezenskracht, overgaat in menselijke vaardigheid, in dat waartoe een mens in staat is, hoe deze direct uitstroomt in de menselijke wil.
Hoe wij opvoedkundig actief zijn, wat wij in de school doen, hoe we de lesstof indelen, hoe we het leerplan, de leerdoelen vormgeven, alles dus wat de methodische basis is van het onderwijs, wat van het alleen maar weten, van alleen maar wereldbeschouwing, overgaat in de vaardigheid, in het kunnen van de opvoeder, dat zien wij als onze opdracht. En daarom zal

blz. 105

sich mancherlei korrigieren, was – wiederum aus gutem Willen heraus, aber durchaus nicht aus der nötigen zugrundeliegenden Einsicht – als Ziel und Inhalt gegenwärtigen pädagogischen Wir­kens betrachtet wird.
Wie sehr betont man heute zum Beispiel, daß Anschauungs­unterricht herrschen soll. Ja gewiß, innerhalb gewisser Grenzen ist es sehr gut, wenn man Anschauungsunterricht pflegt, das heißt, dem Kinde dasjenige beibringt, was man ihm unmittelbar auch vor Augen führen kann. Aber dieser Anschauungsunterricht darf nicht dazu verführen, daß man ins Banale, ins Triviale verfällt, indem man anknüpft an das Allernächststehende. Man will immer nur heruntersteigen zum Anschauungsvermögen des Kindes, und dann kommen alle jene Banalitäten heraus, die man heute findet, wenn man mancherlei Anleitungen zum Anschauungsunterricht liest. Man mußte sich mit diesen Dingen gerade bei der Einrichtung der Waldorfschule beschäftigen. Da konnte man sehen, wie banal, wie trivial der sogenannte Anschauungsunterricht, der ganz und gar herausgewachsen ist aus materialistischer Zeitgesinnung, oftmals getrieben wird und wie es in radikaler Weise getrieben wird, daß man sagt, der Lehrer solle heruntersteigen zur Auffassung des Schülers, er soll nichts beibringen dem Schüler als das, was dieser auch verstehen kann.

er nog wel veel goedkomen, wat – opnieuw door goede wil, maar beslist niet uit het noodzakelijke inzicht waarop het gebaseerd zou moeten zijn – als doel en inhoud gezien wordt van het huidige pedagogische werk.
En hoe men bijv. vandaag benadrukt dat het aanschouwelijkheidsonderwijs de boventoon moet voeren. Zeker, binnen bepaalde grenzen is het erg goed, wanneer je het onderwijs aanschouwelijk geeft, d.w.z. het kind bijbrengen wat je het meteen kan laten zien. Maar dit onderwijs mag er niet toe leiden dat je vervalt in banaliteiten en trivialiteiten, als je aanknoopt bij wat het meest voor de hand ligt. Men wil steeds maar afdalen naar hoe een kind kan waarnemen en dan ontstaat al die banaliteit die je vandaag aantreft, wanneer je van alles leest over wat aanleiding kan zijn voor aanschouwelijkheidsonderwijs.
Bij de oprichting van de vrijeschool moesten we ons met deze dingen bezighouden. Toen zagen we hoe banaal, hoe triviaal het zgn. aanschouwelijkheidsonderwijs dat helemaal ontstaan is vanuit de materlialsitsche levenssfeer, dikwijls uitgevoerd werd en op die rigoreuze manier, dat men zegt dat leraar af moet dalen naar het begripsvermogen van de leerling; hij zou deze niets anders moeten bijbrengen dan wat hij begrijpen kan.

Nun, wenn man nur dasjenige an den Schüler heranbringt, was er verstehen kann, dann versündigt man sich gegen etwas, was als Schönstes im menschlichen Leben drinnenstehen kann. Wer nur immer zu dem heruntersteigen will, was der Zögling schon ver­steht, der weiß nicht, was es heißt, wenn man später in reiferen Jahren, vielleicht erst im dreißigsten, im fünfunddreißigsten Jahr, sich zurückerinnert an etwas, was wieder aufsteigt, was man wäh­rend seiner Schulzeit durch den Lehrer übermittelt erhalten hat und was man dazumal, weil man noch nicht reif war, nicht zum vollen Verständnis erheben konnte. Jetzt taucht es wieder auf. Jetzt merkt man, daß man reifer geworden ist, indem man es jetzt ver­steht. Solches Wiedererleben dessen, was man während der Schul­zeit aufgenommen hat, das macht den ersprießlichen Zusammenhang

Maar wanneer je een leerling alleen bijbrengt wat deze kan begrijpen, zondig je tegen iets wat het mooiste kan zijn in een mensenleven. Wie alleen maar wil afdalen naar wat de leerling al begrijpt, weet niet, wat het betekent wanneer je later als je volwassener geworden bent, misschien pas op je dertigste, vijfendertigste jaar, je je herinnert aan iets wat weer bij je opkomt, wat je toen je op school zat, van je leraar hebt meegekregen en wat je toen, omdat je nog niet volwassen was, nog niet volledig kon begrijpen. Nu komt het weer bij je op. Nu merk je, omdat je het nu begrijpt, dat je volwassener geworden bent. Weer opnieuw beleven wat je tijdens je schooltijd in je hebt opgenomen, vormt pas echt de vruchtbare samenhang

blz. 106

zwischen dem ganzen Leben und der Schulzeit eigentlich erst aus. Es ist ungeheuer wertvoll, daß man vieles in der Schule so bekommt, daß man später im Wiedererleben zurückblickt zu dem Bekommenen wie zu etwas, was einem erst jetzt, nach Jahrzehnten, dem vollen Werte nach aufgegangen ist. Dessen beraubt man den Zögling, wenn man nur zu seinem momentanen Verständnis her­untersteigt in einem banalen Anschauungsunterricht. Was muß aber der Lehrer für eine Aufgabe erfüllen, der dem Kinde etwas beibringen will, das es in sich aufnimmt, obwohl ihm dessen Verständnis vielleicht erst nach Jahrzehnten aufgeht? Da muß der Lehrer in sich die nötige Lebenskraft haben, damit er einfach durch seine Persönlichkeit auch dasjenige, was er in seinen Unterricht hineinlegt, auf das Kind überträgt, was es noch nicht voll verstehen kann. Es gibt ein Verhältnis zwischen Lehrer und Zögling, durch das auf den Zögling Dinge übergehen, übergehen durch die Art, wie sie im Lehrer leben, weil das Erlebnisfeuer, mit dem er durchglüht ist, was in ihm lebt, von dem Schüler mitemp-funden wird. Deshalb nimmt der Schüler es auf. 

tussen het volle leven en schooltijd. Het is buitengewoon waardevol dat je op school veel krijgt waarop je dan later wanneer je het weer opnieuw beleeft, terugkijkt naar iets wat je nu,  na tientallen in zijn pas in volle betekenis beseft. Dat onthoud je de leerling wanneer je alleen maar afgaat op wat hij op dat moment kan begrijpen in het banale aanschouwelijkheidsonderwijs.
Wat voor opgave moet de leerkracht echter vervullen wanneer hij een kind iets wil bijbrengen dat het in zich opneemt, hoewel dat misschien pas na tientallen jaren betekenis voor hem krijgt? Dan moet de leraar over de nodige levenskracht beschikken zodat hij eenvoudigweg door zijn persoonlijkheid, ook wat hij in zijn onderwijs legt, op het kind overbrengt, wat dat nog niet volledig kan begrijpen. Er bestaat een verbinding tussen de leerkracht en de opvoedeling, waardoor op de laatste dingen overgebracht worden door de manier waarop ze in de leerkracht leven, omdat het enthousiasme van die beleving waarvan hij doorgloeid is, wat in hem leeft, door de leerling meebeleefd wordt. Daarom neemt de leerling het in zich op.

Und es ist etwas ungeheuer Bedeutungsvolles, wenn in dieser Weise der Lehrer zum Führer wird, daß er durch das Feuer, das in ihm lebt, zum Lebens-quell wird für das, was der Schüler als sein eigenes Leben weiter pflegt, während das mit der Schulzeit verglimmt, was man durch den gewöhnlichen banalen Anschauungsunterricht dem Schüler beibringt. So könnte vieles zum Beweis dafür angeführt werden, daß, was Pädagogik ist, ein Lebendiges sein muß, das im Lehrer dadurch angefacht werden soll, daß er eine Wissenschaft vom Menschen bekommt, die so gewonnen ist, wie ich es heute charak­terisiert habe: durch Kräfte der menschlichen Organisation selbst. Mehr als für irgend jemand anderen ist für den Lehrer und Erzie­her eine solche Menschenerkenntnis notwendig, die auf über­sinnlicher Anschauung des Menschen gebaut ist. Und unmittel­bar könnte man – wenn man nur wollte – sehen, wie in der Unterrichtspraxis alles Abstrakte verschwinden und nur die Hand­habung des Notwendigen, des Praktischen selbst hervortreten würde, wenn auf diese Unterrichtspraxis dasjenige angelegt wird,

En het is buitengewoon belangrijk, wanneer de leerkracht op zo’n manier een gids wordt, dat door het elan dat in hem leeft, een levensbron wordt voor wat de leerling als zijn eigen leven verder intwikkelt, terwijl met de schooltijd langzaam verdwijnt wat door het gewone alledaagse aanschouwelijkheidsonderwijs de leerling aangeboden wordt. Zo zou je veel als bewijs kunnen aandragen dat opvoedkunde iets levends moet zijn; dat in de leerkracht ge-enthousiasmeerd moet worden doordat hij een wetenschap over de mens aangereikt krijgt die zo tot stand is gekomen als ik vandaag gekarkteriseerd heb: door de kracht van het mensenwezen zelf. Meer dan voor iemand anders is zo’n menskunde nodig voor de leerkracht en de opvoeder die stolet op een bovenzintuiglijk waarnemen van de mens. Je zou – als je zou willen – onmiddellijk kunnen zien, hoe in de praktijk van het onderwijs al het abstracte zou verdwijnen en tevoorschijn zou komen bij het werk wat nodig is, wat praktisch is, wanneer de praktijk van het lesgeven je doel is

blz. 107

was für sie aus übersinnlicher Weltanschauung und Menschenerkenntnis erfließen kann.
Statt sich aber Einsicht zu verschaffen in das, was für Unterricht und Erziehung durch eine solche Anwendung übersinnlicher Er­kenntnisse auf die Sozial-pädagogik geleistet werden könnte, kom­men heute die Menschen, die da glauben, im praktischen Leben zu stehen und die durch ihre Praxis, die doch bloß «Routine» ist, jenes furchtbare Elend und Unglück herbeigeführt haben, das sich im Kriege auslebte und in dem wir heute noch drinnen stecken, die[se Menschen] kommen und sagen, Übersinnliches habe nichts zu tun mit der Praxis des Lebens. Weil sie das immer gesagt haben, weil sie in sträflichem Leichtsinn das, was wirklicher übersinnlicher Le­bensinhalt ist, aus der Lebenspraxis herausgeworfen haben, deshalb haben sie gerade diese Zeit heraufbeschworen. Und indem sie jetzt diese unsinnige Praxis im Zu-Tode-Treten jeder wirklich ernsten Besserungsbestrebung fortsetzen wollen, setzen sie etwas fort, wo­von wir nur eine Weile eine Atempause erleben. Würden aber jene, die nicht sehen wollen, was für die Gegenwart notwendig ist, heute wiederum siegen – in kurzer Zeit hätten wir wieder dasselbe Elend, das 1914 begonnen hat. 

en wat daarvoor in een bovenzintuigelijke wereldbeschouwing en menskunde zijn bron heeft.
In plaats van zich inzicht te verwerven in datgene wat voor het onderwijs en de opvoeding door zo’n toepassing van bovenzintuiglijke kennis op het gebied van de sociale pedagogiek gepresteerd kan worden, komen de mensen van nu die geloven dat ze in de praktijk van het leven staan en die door wat ze doen, wat toch alleen maar ‘routine’ is, die vreselijke ellende en tegenspoed te weeg hebben gebracht die in de oorlog woedden en waar we nog middenin zitten, deze mensen komen naar je toe en zeggen, het bovenzintuiglijke heeft niets van doen met de praktijk van het leven. Omdat ze dat steeds maar gezegd hebben, omdat ze in onverantwoorde lichtzinnigheid uit de praktijk van het leven weggegooid hebben wat reële bovenzintuiglijke levenskwaliteiten zijn, hebben ze een zware last op deze tijd gelegd. En wanneer ze deze onzinnige praktijk van ten grave dragen van elke werkelijk ernstig te nemen pogingen om tot verbeteringen te komen, continueren ze iets waarbij we nu even een adempauze hebben. Zouden echter degenen die niet willen inzien wat er voor deze tijd noodzakelijk is, opnieuw zegevieren – we zouden op korte termijn weer dezelefde ellende hebben die 1914 begon.

Denn die Menschen, die heute das von ihnen Verleumdete in allem Übersinnlichen bei einer Unterneh­mung, die wirklich praktisch ist, tottreten wollen, die sind es auch, die die Menschen ins Unglück hineingeführt haben. Das ist das, was heute klar eingesehen werden muß.
Ich würde diese ernsten Worte hier nicht gesprochen haben, wenn sich nicht diese furchtbaren Unkenrufe schon wieder geltend machen würden da, wo doch etwas ganz modern Praktisches hier geschaffen werden soll wie diese Waldorfschule. Solche Dinge ge­ziemt es sich heute von dem Gesichtspunkte aus anzuschauen, daß die furchtbaren Ereignisse der letzten vier bis fünf Jahre doch et­was gelehrt haben sollten und man weiterkommen muß. Diejeni­gen, die nicht weitergekommen sein sollen, die heute da wieder anfangen wollen, wo sie 1914 aufgehört haben, die müssen scharf ins Auge gefaßt werden. Daß sie uns scharf ins Auge fassen, dafür brauchen wir nicht zu sorgen, das tun sie von selber. Aber sie

Want de mensen die nu al het bovenzintuiglijke loochenen bij wat wij nu ondernemen en werkelijk praktisch is, die dat willen vertrappen, zijn ook de mensen die de anderen in het ongeluk hebben gestort.
Dat moet vandaag de dag wel helder worden gezien.
Ik zou deze ernstige woorden hier niet hebben gesproken, ware het niet dat deze vreselijke zwartkijkers al weer van zich zouden willen laten horen bij zoiets heel modern praktisch wat hier in het leven geroepen moet worden: deze vrijeschool.
Zulke dingen vragen erom nu vanuit het gezichtspunt te bekijken dat de vreselijke gebeurtenissen van de laatste vier, vijf jaar ons toch wat geleerd moeten hebben en dat we verder moeten komen. Degenen die dan niet verder zullen komen, die nu weer willen beginnen waar ze in 1914 opgehouden zijn, moeten scherp in de gaten worden gehouden. Dat ze ons scherp in de gaten houden, daarvoor hoeven wij niet te zorgen, dat doen ze wel uit zichzelf. Maar ze

blz. 108

müssen scharf ins Auge gefaßt werden. Und all diejenigen müßten sich vereinigen, die einen Sinn dafür haben, daß heute etwas ge­schehen muß, was auf der einen Seite aus dem wirklichen Geiste stammt und was auf der anderen Seite fähig ist, in die ernste, wirkliche Lebenspraxis hineinzuwirken.
Aus solchen wirklich praktischen Untergründen heraus ist es notwendig, daß das, was oftmals als Phrase gebraucht wird – gera­de mit Beziehung auf das Pädagogische -, endlich einmal aus sach­lichem Ernste gehandhabt würde. Notwendig haben wir zum Beispiel, zu berücksichtigen – und auf solche Dinge wurde im se­minaristischen Kursus für die Waldorfschul-Lehrerschaft beson­ders gesehen -, daß um das neunte Lebensjahr herum der Mensch wiederum etwas Wichtiges abschließt und etwas Neues beginnt. Bis zum neunten Lebensjahr ist der Mensch noch ganz verwachsen mit seiner Umgebung. Das Prinzip der Nachahmung ragt noch in das Prinzip der Autorität hinein. Erst im neunten Jahr beginnt die Möglichkeit, das Ichgefühl so zu entwickeln, daß zum Beispiel na­turgeschichtliche Tatsachen, Naturbeschreibungen der Pflanzen-und Tierwelt an das Kind herantreten können. 

De tekens <1> zijn ankers van elders geplaatste link(s)

moeten scherp in de gaten worden gehouden. En iedereen die inziet dat er vandaag iets moet gebeuren wat enerzijds uit de reële geest stamt en anderzijds in staat is werkzaam te zijnin de serieuze, werkelijke praktijk van het leven, zou zich aaneen moeten sluiten.
Op basis van dergelijke werkelijk praktische grondslagen is het noodzakelijk dat wat dikwijls als frase gebezigd wordt – juist wat de pedagogiek betreft – nu eindelijk eens met een zakelijke ernst toegepast wordt.
<1> Het is bijv. noodzakelijk rekening te houden – en met deze dingen werd in de praktische cursus voor de vrijeschoolleerkrachten in het bijzonder rekeknig gehouden -, dat er rond het negende jaar van de mens weer een belangrijke afsluiting plaatsvindt en iets nieuws begint. Tot aan zijn negende jaar is de mens nog helemaal vergroeid met zijn omgeving. Het nabootsingsprincipe loopt nog wat door in het navolgingsprincipe. Pas met het negende jaar ontstaat de mogelijkheid het Ik-gevoel te ontwikkelen zodanig dat bijv. feiten uit de biologie, beschrijvingen van planten en dieren door het kind begrepen worden. <1>

blz. 109

Aber zu gleicher Zeit ist zwischen dem siebenten und neunten Lebensjahr der Ab­schnitt so gestaltet, daß wir gut tun, dem Kinde nichts beizubrin­gen, was nicht elementar und selbstverständlich aus der mensch­lichen Natur herausfließt, sondern nur durch Konvention zustande gekommen ist. – Wir müssen den Menschen allmählich zum Schreiben und Lesen hinführen. Denn wer sähe nicht, daß die Buchstaben, wie wir sie heute haben, etwas Konventionelles sind? Bei der ägyptischen Bilderschrift war das noch anders. Das bedingt aber, daß wir den Schreibunterricht so erteilen, daß wir ihn vom Zeichenunterricht ausgehen lassen, daß wir zunachst nicht auf Buchstaben Rücksicht nehmen, sondern Formen zeichnen lassen; daß wir überhaupt das elementare Zeichnen und Malen – neben Musik – schon in den untersten Schulstufen beginnen, daß wir den ganzen Unterricht und die Erziehung aus dem Kindlich-Künstleri­schen herausarbeiten. Denn das Kindlich-Künstlerische ergreift den ganzen Menschen, Wille und Gemüt, und durch Wille und

Maar tegelijkertijd is het zo met die fase tussen het zevende en het negende jaar, dat wij er goed aan doen het kind niets te leren wat  niet allereerst en vanzelfsprekend uit de menselijke natuur zelf komt, maar wat alleen maar door conventie tot stand is gekomen. – We moeten de mens langzamerhand leren schrijven en lezen. Wie ziet niet dat de letters die we nu hebben, iets conventioneels zijn? In het Egyptische beeldenschrift was dat nog anders. Dat vraagt echter dat wij het schrijfonderwijs zo geven dat wij dit van het tekenonderwijs uit laten gaan, dat we niet alleeeerst naar de letters kijken, maar de vormen laten tekenen; dat we natuurlijk ook met het eerste tekenen en schilderen – naast muziek – beginnen, al in de laagste klassen, dat we heel het onderwijs en de opvoeding laten ontstaan uit het kinderlijk-kunstzinnige. Want dat spreekt de hele mens aan, wil en gevoel en door wil en

Gemüt erst den Intellekt. Und dann gehen wir, indem wir Zeich­nen und Malen pflegen, indem wir den Willen durch künstlerischen Unterricht angeregt haben, zum Schreiben über, indem wir die Schriftformen sich aus den Zeichenformen heraus entwickeln las­sen. Und dann kommt erst das Lesen, das noch intellektualistischer ist als das Schreiben; dann wird das Lesen aus dem Schreiben ent­wickelt. Ich führe die Einzelheiten an, damit Sie sehen, daß anthro­posophisch orientierte Geisteswissenschaft nicht herumredet im Wolkenkuckucksheim, sondern daß sie in die Praxis des Unter­richtens bis in alle Einzelheiten hineinführt. Bis dahin, wie man Mathematik, wie man Schreibunterricht, wie man Sprachenunter­richt erteilt, führt jene lebendige Menschenerkenntnis, die anstelle der abstrakten Pädagogik treten muß. Soviel zum speziellen Gebiet der Unterrichts-Pädagogik.
Aber das Sozial-Pädagogische umfaßt auch die ganze «Lebens-lehre». Sind wir der Schule entwachsen, dann treten wir ja hinaus ins Leben, und unsere naturwissenschaftliche Bildung richtet eine Kluft auf zwischen uns und dem Leben. 

gevoel pas het intellect. En dan gaan we, als we tekenen en schilderen cultiveren, als we de wil door het kubnstzinnig onderwijs aangewakkerd hebben, over tot het schrijven, dus de schrijfvormen zich laten vormen vanuit de tekenvormen. En dan komt pas het lezen dat nog intellectualistischer is dan schrijven; dan wordt het lezen vanuit het schrijven ontwikkeld. Ik geef de details aan, zodat u kan zien dat de antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap niet maar wat kletst in een ivoren toren, maar dat ze tot in de praktijk van het onderwijs in  details treedt. Die levende menskunde brengt je bij hoe je rekenen, schrijven, taal moet geven, die in de plaats moet komen van de abstracte pedagogie. Tot zover dit speciale terrein van de onderwijspedagogie.
Maar de sociaalpedagogie behelst ook alles wat met de ‘leer voor het leven’ heeft te maken. Wanneer we te oud worden voor school, stappen we het leven in en onze natuurwetenschappelijke vorming veroorzaakt een kloof tussen ons en het leven.

blz. 110

Deshalb sehen wir, daß für alle Fragen, welche heute die Menschheit beschäftigen, etwas Instinktives vorwaltet, wodurch diese Fragen zwar Lebensfor­derungen einschließen, aber keine Einsicht für die Lösung solcher Fragen da ist.
Ich möchte auf eine Frage aufmerksam machen, die seit langer Zeit die moderne zivilisierte Menschheit beschäftigt: die sogenann­te Frauenfrage, dasjenige, was die Kluft bildet zwischen Mann und Frau. Mit Recht will man diese Kluft hinwegschaffen, aber man wird sie nicht hinwegschaffen können, wenn man nicht dasjenige wirklich begründet, was gemeinsame Wesenheit in Mann und Frau ist. Sieht man nur auf das, was der Mensch in der physischen Welt und aus der naturwissenschaftlichen Denkweise heraus sich aneig­nen kann, dann bleibt der Unterschied zwischen Mann und Frau ein radikaler. Der Abgrund zwischen Mann und Frau wird erst überbrückt, wenn die Verschiedenheit, die zwischen ihnen besteht im Aufnehmen der Welt, in dem Wirken in der Welt, ausgeglichen wird durch dasjenige, was den Menschen kommen kann durch

Daarom zien we dat bij alle vragen die de mensheid tegenwoordig bezighouden iets instictiefs de boventoon voert, waardoor deze vragen weliswaar gaan over wat het leven allemaal eist, maar voor de oplossing ervan bestaat er geen inzicht.
Ik wil op een vraag wijzen die de moderne beschaafde mensheid al langere tijd bezighoudt: het zgn. vrouwensvraagstuk, die de kloof vormt tussen man en vrouw. Terecht dat men deze kloof wil overbruggen, maar dat gaat niet lukken wanneer men niet in staat is te verankeren wat in het wezen van de man en de vrouw het gemeenschappelijke is. Als je alleen maar kijkt naar wat de mens is in de fysieke wereld en vanuit de natuurwetenschappelijke manier van denken zich eigen kan maken, blijft er een radicaal verschil tussen man en vrouw. De kloof tussen man en vrouw wordt pas overbrugd, wanneer het verschil waarmee ze de wereld tegemoet treden, waarmee ze werkzaam zijn in de wereld opgeheven wordt door inzicht te krijgen in die ontwikkeling van denken, voelen en willen die ontstaan uit de krachten die aan het menselijk organisme ten grondslag liggen.

jenes Wissen, jene Willens- und Gemütsbildung, die hervorgehen aus den Kräften, die der menschlichen Organisation selbst zugrun­de liegen. Denn was im Manne nicht enthalten ist, aber in der Frau, das gibt dem Manne diese Geistesbildung. Und was in der Frau nicht enthalten ist, aber im Manne, das gibt der Frau diese Geistes-bildung. Der Frau gibt, während sie körperlich-physisch Frau ist, diese Geistesbildung geistig-seelisch das Männliche, und dem Manne, während er physisch Mann ist, geistig-seelisch das Weib­liche. Würde sich ausbreiten über unsere Zeitbildung, was ihr aus anthroposophisch orientierter Geistesbildung heraus erfließen kann, dann würde erst der Boden geschaffen werden für so etwas wie die Frauenfrage.
Und so könnte Unzähliges angeführt werden. Ich will aber nur noch auf eines aufmerksam machen: Die Menschen schreien nach Organisation. Und es ist selbstverständlich, daß sie danach schrei­en, denn die Kompliziertheit der Verhältnisse im heutigen sozialen Leben, sie bedingt Organisation. Nun, über die Natur solcher Organisation ist hier in den Vorträgen auch schon viel gesprochen worden.  

Want wat de man niet heeft, de vrouw wel, bepaalt de geestelijke vorming van de man. En omgekeerd. Terwijl de vrouw lichamelijk-psychisch vrouw is, geeft de geestelijke ontwikkeling haar mentaal-psychisch iets mannelijksen de man, terwijl hij fysiek man is, mentaal-psychisch het vrouwelijke. Als wat uit de antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap komen kan, zich zou kunnen verspreiden in het vormingswezen van onze tijd, dan zou er echt een fundament gelegd kunnen worden voor zoiets als het vrouwenvraagstuk.
En zo zou er oneindig veel aangedragen kunnen worden. Nu wil ik echter op nog iets de aandacht vestigen: de mensen schreeuwen om organisatie. En dat is vanzelfsprekend, want de gecompliceerdheid van de huidige sociale verhoudingen heeft organisatie nodig. Wel, over de aard van dergelijke organisaties is hier in de voordragen al vaak gesproken.

Allein man denkt sich, daß nur organisiert werden soll nach den Grundsätzen, die die Menschheit heute hat ohne Geisteswissenschaft, die die Menschheit hat aus bloß naturwissen­schaftlicher Bildung, aus heutiger sozial-politischer Bildung heraus. Lenin und Trotzki organisieren, Lunatscharski organisiert nach diesen Grundsätzen. In ein maschinenartiges Getriebe spannen sie das Wirtschaftsleben ein, und sie wollen auch das Geistesleben ein­spannen. Es geht für mich nicht darum, mich zu stützen auf allerlei Erzählungen von B. und ähnlichen Leuten, die aufgrund eigener Eindrücke urteilen, auch nicht auf das, was Journalisten und andere Leute erzählen, die heute in Rußland gewesen sind. Auf was man sich stützen kann, das sind Lenins Schriften, und die beweisen dem, der Einsicht haben kann, was von dieser Seite gewollt wird, und das ist: Das organisatorische Abtöten all desjenigen, was wahr­haftiger Menschheitsquell ist, desjenigen, was in der individuellen menschlichen Wesenheit und Natur liegt. Es gibt keinen stärkeren Feind des menschlichen Fortschrittes als das, was heute im Osten

Maar men denkt dat er alleen georganiseerd moet worden volgens de beginselen die de mensheid nu heeft zonder geesteswetenschap, die de mensheid allen heeft door de natuurwetenschappelijke vorming, door de huidige sociaeel-politieke vorming. Lenin en Trotzki organiseren, Lunatscharski organiseert volgens deze principes. In een soort automatisch bedrijf passen ze het economisch leven in en daar willen ze ook het geestesleven onderdeel van maken. Het gaat mij er niet om mij te baseren op allerlei praatjes van Jan en alleman die op grond van eigen indrukken oordelen, ook niet om wat journalisten of ander mensen vertellen die pas in Rusland zijn geweest. Waar je vanuit kan gaan zijn de geschriften van Lenin en die bewijzen aan wie inzicht heeft, wat er van deze kant gewild wordt en dat is: het georganiseerd vermoorden van alles wat een echte levensbron voor de mensheid is: wat in zijn individuele wezen en in zijn natuur zit. Er is geen sterkere vijand van de menselijke vooruitgang dan wat er vandaag in het Oosten

blz. 111

geschieht. Warum ist das so? Weil ganz und gar nicht das zu­grundeliegt, was nur aus der Geistesbildung, der anthroposophisch orientierten Geistesbildung heraus kommen kann, und das ist:
wirkliche sozial-pädagogische Lebenskraft. Wir müssen organi­sieren, aber wir mussen uns bewußt sein: Wenn wir organisieren wollen, so müssen in dieser Organisation Menschen leben, die innerhalb dieser Organisation Gelegenheit haben, dasjenige zu leh­ren, was innerster Quell der Menschennatur ist, was sich verbirgt, wenn der Mensch erwachsen geworden ist, was aber wieder heraufgeholt werden kann aus den schlummernden Kräften seiner Orga­nisation. Es brauchen nicht alle Menschen Hellseher zu werden und in sich zu erleben, was man durch die aufgeweckten Kräfte der menschlichen Organisation erleben kann, wenn man das zwanzig­ste Jahr überschritten hat, aber es können alle Menschen sich inter­essieren für dasjenige, was durch diese lebendige Organisations­kraft des Menschen erreicht werden kann.

gebeurt. Waarom is dat zo? Omdat er totaal niet aan ten grondslag ligt wat alleen maar uit de ontwikkeling van de geest, de antroposofisch georiënteerde ontwikkeling van de geest kan komen en dat is:
daadwerkekelijke sociaal-pedagogische levenskracht. Wij moeten organiseren, maar wij moeten ons ervan bewust zijn: wanneer we willen organiseren, moeten in deze organisaties mensen leven die binnen deze organisaties de gelegenheid hebben om te leren wat de diepste bron van de menselijke natuur is, die verborgen is waneer de mens volwassen is geworden, maar wat opgeroepen kan worden uit deze sluimerende krachten van zijn organisme. Niet iedereen hoeft helderziend te worden en innerlijk te ervaren wat je door de opgeroepen krachten van het menselijke organisme beleven kan, nadat je de twintig gepasseerd bent, maar wel kunnen alle mensen interesse tonen voor wat door deze levendige krqchten bereikt kan worden.

Wenn die Menschen sich dafür interessieren, dann erwacht in den Menschen eine neue Fähigkeit, eine Fähigkeit, die man heute am besten charakterisieren kann, wenn man an etwas anknüpft, wofür den Menschen auch schon etwas die Empfindung verloren gegangen ist, anknüpft an dasjenige, was einer zusammengehörigen Menschenrasse mit gleicher Sprache diese Sprache ist. Diejenigen, die eine Sprache sprechen, sie müssen – auch wenn sie die Sprache schon sprechen – ja erst die Sprache mit ihrem Genius, mit ihrem wunderbaren künstlerischen Bau kennenlernen, um zu entdecken, welcher Geist in der Sprache lebt, welcher Geist von der Sprache aus die Menschen durchdringt, die diese Sprache zu einem Ganzen vereinigt. Indem wir sprechen lernen, nehmen wir nicht bewußt, sondern instinktiv und unterbewußt, mit jedem Wort, aber na­mentlich mit jeder Wortwendung etwas auf, was der Genius der Sprache uns lehrend geheimnisvoll offenbart. Soziales Leben ist etwas, was vielfach in Instinkten lebt. Die Sprache ist ein soziales Instrument wunderbarster Art immer gewesen. Nur in der neueren Zeit ist die Sprache, je weiter man von Osten nach Westen geht, um so mehr auch abstrakter geworden. Die Menschen fühlen immer 

Wanneer de mensen zich daarvoor interesseren, ontstaat in hen een nieuw vermogen, dat je tegenwoordig het beste kan karakteriseren door bij iets aan te sluiten waarvoor de mens ook al een beetje het gevoel verloren heeft, aansluit bij wat voor een groep mensen die bij elkaar horen met dezelfde taal, deze taal betekent. Wie een taal spreekt – ook als je de taal al spreekt – wel die taal met haar taalgeest, met haar wonderbaarlijk kunstzinnige opbouw, leren kennen om te ontdekken wat voor geest er in de taal leeft, welke geest vanuit de taal de mens doordringt die deze taal tot eenheid maakt. Als we leren praten nemen we niet bewust, maar instinctief en onderbewust, met elk woord, met elke woordnuance iets op van wat de taalgeest ons leert, wat geheimzinnig aan de oppervlakte komt. Sociaal leven is veelal iets wat in het instinct zit. De taal is altijd een sociaal element van de prachtigste soort geweest. Nu is alleen in de nieuwere tijd, wanneer je van het Oosten naar het Westen gaat, wel veel abstrater geworden. De mensen voelen steeds

blz. 112

weniger, was in den Lauten der Sprache zum Herzen, zum Kopfe und namentlich in den Zusammenhängen, die die Sprache bildet, zu diesen Herzen, zu diesen Köpfen spricht, wie auf geheimnisvolle Weise in den Menschen hineingeht, was der Genius der Sprache ihm mitzuteilen hat.
Manches andere, was auf eine ähnliche Art auf den Menschen wirken soll wie das, was immerzu durch den Genius der Sprache gewirkt hat, wird wirken, wenn allgemeine Menschheitsbildung schon durch die Tätigkeit der niedersten Schule – die nicht als Weltanschauungsschule, sondern durch rationell betriebenen Un­terricht wirken will – verbreitet wird. Dann wird der eine Mensch dem anderen Menschen so gegenüberstehen, daß er wie untertau­chen wird in den anderen Menschen, indem der zu ihm spricht. Jedes Gespräch, jedes Verhältnis zu einem anderen Menschen wird eine Quelle für die Weiterentwicklung der eigenen Seele sein. Und was wir in die Welt hineinstellen, wodurch wir auf die anderen Menschen wirken, das wird eine Quelle unserer Fortentwicklung sein.

minder van wat er in de taalklanken tot het hart spreekt, tot het hoofd en met name van wat in de samenhang die de taal vormt tot deze harten, tot deze hoofden spreekt, hoe op een raadselachtige manier tot een mens komt, wat de spraakgenius hem heeft te zeggen.
Vele andere dingen die op eenzelfde manier op de mens moeten werken zoals de spraakgeest steeds gedaan heeft, zullen ook hun invloed hebben, wanneer alleen al door de school waarop het kind jong begint – die niet als een wereldbeschouwelijke school wil werken, maar door een rationeel uitgevoerd onderwijs – een algemeen menselijke vorming wordt gegeven. Dan zal de ene mens zo ten opzichte van de andere staan, dat hij geheel opgaat in de andere, wanneer deze tot hem spreekt. Ieder gesprek, iedere relatie met een ander mens zal een bron zijn voor de verdere ontwikkeling van de eigen ziel. En wat wij in de wereld doen waarbij we de andere mens beïnvloeden, zal voor ons een bron zijn om ons verder te ontwikkelen.

Wir werden erst dann die Imponderabilien, die wirken kön­nen von Menschennatur zu Menschennatur, recht entwickeln, wenn wir in die Lage kommen, mit den Empfindungen dem ande­ren Menschen entgegenzutreten, die in uns angeregt werden, wenn wir nicht abstrakte Naturwissenschaft treiben, sondern jenes leben­dige Feuer in uns aufnehmen, das von einer Wissenschaft uns zu­kommen kann, die mit der menschlichen Natur selber zusammen­hängt, das heißt auf die Kräfte, die den Menschen bis zum zwanzigsten Lebensjahr gedeihen machen und von da ab zur Pfle­ge einer übersinnlichen Erkenntnis führen können. Und in sozial-pädagogischer Beziehung kann sich anschließen an die Jugendschu­le die Schule des Lebens, wenn in uns diejenigen Kräfte angeregt sind, die uns zu Lernenden machen in dieser Schule des Lebens. Wir werden dann auch mit Menschen in staatlichen oder wirt­schaftlichen Organisationen, also abstrakten Organisationen, zu­sammenkommen. Wir werden dann einen verwandten Zug in ihnen fühlen und werden uns sagen: Es verbindet uns etwas miteinander, mehr als mit jedem anderen. Und neben den aus äußeren Umständen

We zullen pas dan het onzichtbare dat tussen de mensen werkzaam kan zijn, goed ontwikkelen, wanneer we de gelegenheid krijgen de andere mens tegemoet te treden met die gevoelens die in ons ontstaan zijn door geen abstracte natuurwetenschap te beoefenen, maar door dat inspirerende in ons op te nemen dat van een wetenschap uitgaat die met de menselijke natuur zelf van doen heeft, d.w.z. met de krachten die de mens tot z’n twintigste doen gedijen en vanaf die tijd tot het verzorgen van een bovenzintuiglijke kennis kunnen leiden. En in sociaal-pedagogisch opzicht kan dan de school van de jongeren aansluiten bij de school van het leven, als in ons die krachten aangewakkerd zijn die ons tot leerling maken in deze school van het leven. We zullen dan ook met mensen in  politieke of het economische organisaties, dus abstracte organisaties samenkomen. We zullen bij hen dan iets verwants voelen en zeggen: iets verbindt ons, meer dan met anderen. En naast de

blz. 113

entstandenen Organisationen werden in der Zukunft intime, geheimnisvolle Organisationen entstehen können, die sich von Seele zu Seele bilden, wenn in den menschlichen Seelen das Erleb­nis wahrhaftiger Geisterkenntnis lebt. Dann wird der Mensch die Erfahrung machen: Du hast in früheren Erdenleben mit dem oder dem dieses oder jenes erlebt, und jetzt tritt er dir wieder entgegen.
– Durch diese innere Verbindung, die geheimnisvoll in den Tiefen der Seelen ruht, wird etwas Geistig-Seelisches in die sonst kalten, nüchternen Organisationen hineingetragen. Und wenn ich hier auch seit dem Frühling die drei Organisatio­nen geschildert habe – das geistige Gebiet, das rechtlich-politische Gebiet und das wirtschaftliche Gebiet des sozialen Organismus -, so muß doch betont werden: Das sind drei äußere Organisationen! Innerhalb desjenigen, was diese drei äußeren Organisationen dem Menschen sein werden, werden jene intimen, inneren Organisa­tionen leben, die dadurch von Menschenseele zu Menschenseele geschmiedet werden, daß die Menschen sich genauer erkennen werden, als sie sich heute erkennen. 

de organisaties die ontstaan zijn, zullen er in de toekomst niet zo maar te verklaren organisaties komen waarin men met elkaar vertrouwd is, wanneer er in de ziel van de mensen de waarachtige kennis van de geest leeft. Dan kan een mens ervaren: In eerdere levens heb je met deze of gene dit of dat doorgemaakt en nu ontmoet je hem weer.
Door deze innerlijke verbinding die zich raadselachtig in de diepte van de ziel doet voelen, komt er iets van geest en ziel in die anders maar kille, nuchtere organisaties.
En ook al heb ik hier sinds het voorjaar de drie organisaties geschetst – het geestelijke gebied, het gebied van het recht en de politiek en het economische gebied van het sociale organisme -, dan moet toch benadrukt worden: dat zijn drie uiterlijke organisaties! Binnen wat deze drie uiterlijke organisaties voor de mens moeten betekenen, moeten er die organisaties zijn waarin dat vertrouwde leeft, die steunen op wat van ziel tot ziel aanwezig is, zodat de mensen zichzelf beter leren kennen dan nu.

Wenn an die Stelle der anti-sozialen Triebe jene sozialen Triebe gesetzt werden – wodurch erst das wahre soziale Leben begründet wird -, dann erst wird die na­turwissenschaftliche Denkweise für die Menschen voll nützlich werden können. Durch diese naturwissenschaftliche Denkweise werden sie die äußere leblose Natur, die als Technik, als andere Verrichtungen in unser Leben hereintritt, richtig beherrschen kön­nen. Dasjenige aber, was für den Menschen als Nutzen, als Effekt aus diesen Einrichtungen technischer oder sonstiger Art kommt, das werden die Kräfte besorgen, die als ethische, sittliche Kräfte angefacht werden durch die geistige Willenskultur und von der Geisteswissenschaft her kommen können. In die äußeren Organi­sationen wird eine innere Organisation kommen, die die Menschen trägt und das Menschenleben gestaltet. Ohne diese innere Orga­nisation kommen wir auch nicht zu einer fruchtbaren äußeren Organisation.
Das ist dasjenige, was ich heute ein wenig andeuten wollte: daß Geisteswissenschaft, so wie sie hier gedacht ist, nichts irgendwie

Wanneer er i.p.v. de anti-sociale driften er sociale voor in de plaats kunnen worden gebracht – waardoor pas het ware sociale leven kan ontstaan – dan pas zal de natuurwetenschappelijke manier van denken voor de mens van groot nut kunnen worden. Door deze manier van denken zal het mogelijk zijn om de uiterlijke, levenloze natuur die als techniek, als andere activiteiten ons leven binnenkomt, op de juiste manier te kunnen beheersen. Wat voor de mens als nut, als gevolg uit deze technische of andere activiteit komt, zal die krachten geven die als ethischem, morele kracht aangewakkerd zullen worden door de geestelijke cultuur van de wil en vanuit de geesteswetenschap kunnen komen. In de uiterlijke organisaties zal een innerlijke organisatie komen die de mensen draagt en het leven van de mens vormgeeft. Zonder deze innerlijke organisatie bereiken wij geen vruchtbare uiterlijke organisatie.
Dit wilde ik vandaag min of meer aangeven: dat geesteswetenschap zoals die hier gedacht wordt, niets

blz. 114

Abstraktes, nichts im Wolkenkuckucksheim schwebendes Meta­physisches ist – wie man sie verleumden will -, sondern daß sie etwas ist, was unmittelbar in den menschlichen Willen hinein-strömt und hineinwirkt und ihn für das Leben geschickt und eigentlich erst lebensfähig macht. Das ist es, was diejenigen verken­nen, die heute die Notwendigkeit unserer Geisteswissenschaft nicht einsehen wollen. Sie werden dann auch nicht einsehen, wie -nicht aus irgendeiner Willkür, sondern aus wahrer Lebenspraxis heraus – so etwas entsteht wie die Waldorfschule. Aber kann man denn heute gerade von den tonangebenden Leuten viel erwarten? Ich habe im Frühling und im Sommer wiederholt davon gespro­chen, das heißt, in meine sozialen Vorträge den Satz einfließen las­sen – ich will das nur als für manches in der Geistesverfassung der gegenwärtigen Zeit Charakteristische anführen -, daß die Arbeits­kraft in der Zukunft nicht Ware sein darf. Und auch in einer Nach­barstadt dieser Stadt hier sprach ich diesen Satz aus: Daß die menschliche Arbeitskraft befreit werden müsse von dem Waren-charakter. – Ich glaube, man braucht heute nur ein kleines bißchen gesunden Menschenverstand zu haben, und man wird das breit ge­sprochene a in dem Wort «Warencharakter» verstehen.

abstracts is, niets heeft van een metafysisch luchtkasteel – zoals kwaadsprekers wel beweren – maar dat het iets is wat direct overgaat in de menselijke wil en dóórwerkt en de mens voor het leven geschikt maakt, eigenlijk pas in stasat stelt om te leven. En dat ontkennen degenen die tegenwoordig de noodzaak van onze geesteswetenschap niet willen inzien. Die zullen dan ook niet kunnen inzien hoe – niet vanuit een of andere willekeur, maar vanuit een echte levenspraktijk – zoiets als de vrijeschool ontstaat. Maar kunnen we dan tegenwoordig, met name  van de leidinggevende figuren zoveel verwachten? In het voorjaar en van de zomer heb ik er herhaaldelijk over gesproken, d.w.z. in mijn sociale voordrachten heb ik de zinsnede ingelast – ik wil dit alleen maar als karakteristiek aanvoeren voor veel van de geestesgesteldheid van nu -, dat de kracht van de arbeid in de toekomst geen koopwaar mag zijn. In ook in een naburige stad zei ik: dat de menselijke arbeidskracht bevrijd moet worden van zijn koopwaarkarakter. Ik geloof dat je tewegenwoordig maar een klein beetje gezond verstand hoeft te hebben om de lang uitgesproken ‘a’ in (Duits heeft Warencharakter) in dat woord te begrijpen.

Doch ich bekam heute früh eine Zeitung, die in dieser Nachbarstadt heraus­kommt; der Leitartikel schließt mit dem Satz: «Ganz ratlos sehe ich mich dem Satz gegenüber, es müsse die Arbeitskraft befreit werden vom wahren Charakter»! Das ist heute möglich. Es ist heute mög­lich, daß Menschen urteilen über dasjenige, was sich, nicht in vager Weise, sondern aus Erkenntnisuntergründen heraus in die Gegen­wartskultur hineinstellen will, und die nicht einmal soweit sind mit ihrer Zeitbildung, daß sie von selber verstehen etwas wie den Wa­rencharakter. Es muß doch ein solcher Mensch in seinem ganzen Leben niemals etwas von dem «Warencharakter der menschlichen Arbeitskraft» gehört haben! Wie leben solche Menschen in der Ge­genwart? Ist es da ein Wunder, daß wir nicht zurechtkommen mit dem Kulturleben der Gegenwart, wenn überhaupt solches Aus-der-Zeit-heraus-sich-Versetzen möglich ist? Solches ist aber nicht nur möglich bei Leuten wie dem Schreiber dieses Zeitungsartikels,

Maar vanmorgen vroeg kreeg ik een krant die in die naburige stad verschijnt; het hoofdartikel wordt beëindigd met de zin: ‘Ik ben geheel radeloos als ik naar de zin kijk dat de arbeidskracht bevrijd zou moeten worden van haar ware karakter (dit is alleen vanuit het Duits te begrijpen: de lange ‘a’ -zie boven in Warenkrachter en het woord voor ‘echt’ = ‘wahr’). Dan moet zo iemand toch zijn leven lang nooit iets hebben vernomen van het ‘warenkarakter (koopwaar) van de menselijke arbeidskracht’! Hoe leven die mensen dan nu? Is het dan een wonder dat we er niet uitkomen wat het huidige cultuurleven betrreft, wanneer het überhaupt mogelijk is je zo buiten de tijd te plaatsen? Maar dat is niet alleen mogelijk bij lieden zoals de schrijver van dit krantenartikel,

blz. 115

dieses Leitartikels, sondern es ist auch möglich bei Leuten, die glauben, die Lebenspraxis gepachtet zu haben, die bei jeder Gele­genheit auf dasjenige herabsehen, was ihnen idealistisch erscheint, die nicht anders über das wirkliche Leben reden als derjenige, der ein hufeisenförmiges Eisen sieht und dem jemand sagt, das sei ein Magnet: «Nein», antwortet er, «mit einem Hufeisen beschlägt man doch Pferde.» So kommen einem die Menschen vor, die heute übersinnliche Erkenntnisse von dem praktischen Leben ausschlie­ßen wollen: wie der Mann, der mit einem Magneteisen als Huf­eisen sein Pferd beschlägt, würden sie das, was ihnen nicht un­mittelbar entgegentritt für ihr Auffassungsvermögen, nicht für wirklich halten.
Es sind heute viel mehr Menschen, als man denkt, die den sozia­len Fortschritt verhindern; Menschen, die durchaus nicht verstehen wollen, daß an den Satz, daß «die letzten vier bis fünf Jahre der Menschheit Europas etwas Furchtbareres gebracht haben, als je­mals da war in dem Zeitraum, den man gewöhnlich als geschicht­lichen bezeichnet», nun auch angeschlossen werden muß der Satz: «daß nun auch Dinge geschehen müssen aus Gedankentiefen her­aus, zu denen man noch nicht vorgedrungen ist im Verlaufe des­jenigen, was man Geschichte nennt».

dit hoofdartikel, maar het komt ook voor bij mensen die geloven het leven in pacht te hebben, die bij iedere gelegenheid neerkijken op wat hen idealistisch lijkt, die niet anders over het werkelijke leven praten als degenen die een stuk ijzer zien dat op een hoefijzer lijkt, waarvan iemand zegt dat het een magneet is. ‘Nee’, antwoordt hij, met een hoefijzer worden toch de paarden beslagen.’ En zo zien je de mensen die tegenwoordig bovenzinnelijke kennis buiten  het praktische leven willen houden: als de man die met een hoefijzermagneet zijn paard beslaat, zij kunnen niet als realiteit nemen wat voor hen niet meteen te begrijpen is.
Er zijn tegenwoordig veel meer mensen dan je wel denkt die de sociale vooruitgang remmen; mensen die beslist niet willen begrijpen dat aan de zin dat ‘de laatste vier tot vijf jaar de mensheid van Europa iets vreselijks gebracht hebben als er tevoren in de tijd plaatsvond die men gewoonlijk geschiedenis noemt’, daarbij nu de zin aangsloten moet worden: ‘dat er nu ook dingen moeten gebeuren vanuit diepere gedachten waar men nog niet op gekomen is in het verloop van wat men nu geschiedenis noemt.’

Wir sind in einer Zeitepoche angekommen, in welcher die Menschheit ganz und gar abstrakt denkt; am meisten abstrakt aber sind die Parteimeinungen und Parteiprogramme, die am Beginn des 20. Jahrhunderts da waren, herausgewachsen aus dem, was naturwissenschaftliche Erziehung war. Die Leute wollen nicht begreifen, wie abstrakt, wie mensch­heitsfremd dasjenige ist, womit sie heute das Leben beherrschen wollen. Die Menschen glauben praktisch zu sein. Nur ein Beispiel: Die Leute sehen heute, wie ihnen das deutsche Geld dem Weltver­kehr gegenüber unter den Fingern zerrinnt, wie die deutsche Valu­ta mit jedem Tag mehr und mehr zerrinnt. Und in Deutschland macht man jeden Tag mehr und mehr die Dinge, unter denen die Valuta selbstverständlich fallen muß. Das heißt: die Praktiker sind wieder stark am Ruder. Und solange man nicht einsehen wird, wie wirkliche Lebenspraxis nicht da liegt, wo man sie bis 1914 gesucht

Wij in een tijdsfase aangekomen waarin de mensheid bijzonder abstract denkt; het abstractst zijn de partij-opvattingen en partijprogramma’s die aan het begin van de 20e eeuw gangbaar waren, ontstaan vanuit een natuurwetenschappelijke opvoeding. De mensen willen niet begrijpen hoe abstract, hoe wezensvreemd hegeen is waarmee ze tegenwoordig het leven willen beheersen. De mensen geloven dat ze praktisch zijn. Alleen als voorbeeld: De mensen zien nu hoe de waarde van het Duitse geld in het wereldverkeer in hun handen verdampt, hoe de Duitse valuta met de dag steeds minder wordt. En in Duitsland doet men iedere dag steeds meer dingen waaronder de valuta vanzelfsprekend moet vallen. Dat betekent: de practici staan weer krachtig aan het roer. En zolang men niet wil inzien dat de werkelijke praktijk van het leven niet daar ligt waar men die tot 1914 zocht,

blz. 116

hat, sondern in den beherrschenden Ideen des Lebens, solange wird kein Heil werden. Daß die Leute nicht bescheiden genug sind, sich zu gestehen, es müsse eine Vertiefung kommen, die Vertiefung der Einsicht, der gute Wille allein tue es nicht – das ist der Krebs-schaden unserer Zeit.
Es wird notwendig sein, daß man immer mehr und mehr ein-sieht, worauf wirkliche Geisterkenntnis beruht und daß Geist-erkenntnis, weil sie auf der Entwicklung derselben Kräfte, die in gesunder Art den Menschen organisieren, beruht, ihn deshalb auch in gesunder Art sozial-pädagogisch in das Leben hineinstellen kann. Das ist das, was wir heute brauchen: Geist – aber Geist nicht weltfremd, nicht im Wolkenkuckucksheim; nicht metaphysischen Geist, sondern wirklichen Geist, der in die Praxis des Lebens ein­greift, der die Materie beherrschen kann. Und wir brauchen auch praktische Einsicht in das Leben, Stehen im Leben, aber so, daß wir das Leben selber so anschauen, daß wir den Geist in dieses Leben einführen wollen.
Eine Devise muß aus geisteswissenschaftlicher Gesinnung die Menschen ergreifen, sonst wird kein Fortschritt in unserer heil­losen Zeit möglich sein. Und diese Devise muß sein:

maar in de ideeën die het leven kunnen beheersen, zolang zal er niet iets gezonds uitkomen. Dat de mensen niet bescheiden genoeg zijn in te zien dat er verdieping moet komen, verdieping van het inzicht dat de goede wil alleen niet gnoeg is – dat is de kanker van deze tijd.
Het zal noodzaklijk blijken te zijn dat men steeds meer gaat inzien wat de basis is van een waarachtige geesteswetenschap en dat kennis van de geest, omdat die berust op dezelfde krachten die op een gezonde manier de mens vormt, hem daarom ook op een gezonde sociaal-pedagogische manier een plaats kan geven in het leven. Wat we nu nodig hebben is: geest – maar geen wereldvreemde geest, niet als luchtkasteel; geen metafysische geest, maar een werkelijke geest die in de praktijk van het leven doeltreffend werkt, die de materie kan beheersen. En we hebben ook praktisch inzicht in het leven nodig. In het leven staan – maar zo dat we het leven zelf zo waarnemen dat we de geest in dit leven een plaats willen geven.
Vanuit een geesteswetenschaapelijke gezindheid moet een kerngedachte de mens het enthousiasme geven.

En deze kerngedachte moet zijn:

Suchet das wirklich praktische materielle Leben, 
Aber suchet es so, daß es euch nicht betäubt
über den Geist, der in ihm wirksam ist. 
Suchet den Geist,
Aber suchet ihn nicht in übersinnlicher Wollust, 
    aus übersinnlichem Egoismus,
Sondern suchet ihn,
Weil ihr ihn selbstlos im praktischen Leben, 
    in der materiellen Welt anwenden wollt.
Wendet an den alten Grundsatz:
«Geist ist niemals ohne Materie, Materie niemals 
    ohne Geist» in der Art, daß ihr sagt:
Wir wollen alles Materielle im Lichte des Geistes tun.

Zoek het werkelijk praktische, materiële leven,
maar zoek het zo, dat het je niet verdoofd
voor de geest die in de materie werkt.
Zoek de geest,
maar doe dat niet in bovenzinnelijk genot,
uit bovenzinnelijk egoïsme,
maar zoek de geest
omdat je hem onzelfzuchtig, in het praktische leven,
in de materiële wereld wilt doen werken.
Ga uit van de oude grondgedachte:
“Geest is nooit zonder materie en materie is nooit
zonder geest”, en wel zo dat je kunt zeggen:
Wij willen ons werken met de materie in het licht van de geest stellen,

blz. 117

Und wir wollen das Licht des Geistes so suchen,
Daß es uns Wärme entwickele für unser praktisches Tun.

Der Geist, der von uns in die Materie geführt wird,
Die Materie, die von uns bearbeitet wird bis zu ihrer Offenbarung,
Durch die sie den Geist aus sich selber heraustreibt;
Die Materie, die von uns den Geist offenbart erhält,
Der Geist, der von uns an die Materie herangetrieben wird,
Die bilden dasjenige lebendige Sein,
Welches die Menschheit zum wirklichen Fortschritt bringen kann,
Zu demjenigen Fortschritt, der von den Besten 
    in den tiefsten Untergründen der
Gegenwartsseelen nur ersehnt werden kann.

en wij willen het licht van de geest zo nastreven,
dat het geestdrift in ons wekt voor ons praktisch handelen.

De geest die door ons tot de materie geleid wordt,
de materie die door ons wordt bewerkt, zodat zij zich als de uitdrukking van de geest kan openbaren;
De materie die door ons de geest als openbaring ontvangt,
de geest die door ons met de materie verbonden wordt,
zij vormen de levende substantie
die de mensheid tot werkelijke vooruitgang kan brengen,
tot die vooruitgang die door de edelste verlangens
in de diepste diepten van de mensenzielen
in deze tijd slechts kan worden verbeid. [*]

[*] Deze kerngedachte wordt ook hier gebruikt

.
[1] GA 297

[]2] Voordracht 4
,

Rudolf Steineralle artikelen

.

1613-1512

.

.

Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 2 (2-5)

 

.

GA= Gesamt Ausgabe, (volledige uitgave): de genummerde reeks boeken en voordrachten van Steiner.

Duitse tekst
Vertaling

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken bij alle voordrachten.
De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

Blz. 38

GEEST EN ZIEL VERTONEN ZICH LICHAMELIJK
.

Ich habe Ihnen den seelischen Menschen geschildert. Der ist verbunden auf dem physischen Plan mit dem leiblichen Menschen. Alles
Seelische drückt sich aus, offenbart sich im Leiblichen, ( )

Ik heb u de ziel van de mens beschreven. Deze is op het fysieke plan verbonden met het lichaam van de mens. Alle zielenroerselen drukken zich uit, openbaren zich in het lichaam (  ).

 

Vele malen heeft Steiner erop gewezen dat – niet alleen de ziel, zoals hierboven staat, zich uitdrukt in het lichaam, maar ook de geest.
Op blz. 38 neemt hij de zielenkwaliteit ‘antipathie’ en brengt deze in verband met de stoffelijkheid, hier de zenuwen. Je zou dus in zekere zin kunnen zeggen: antipathie en zenuwen zijn één; ze krijgen alleen een andere naam door het standpunt dat je inneemt bij je beschrijving. Dat geldt ook voor de sympathie en het bloed. Vanuit deze optiek kun je bijv. ‘denken en hersenen’, ‘hart, longen en gevoel’ en ‘stofwisseling en wil’ als behorend bij elkaar zien, het ene een uitdrukking, een manifestie in de stof van het andere, onstoffelijke aspect.

Wat dat voor het bloed en de zenuw betekent: [2-5-1]

Een paar algemene uitspraken van Steiner hierover die te vinden zijn in de pedagogische voordrachten:

Alles Seelische drückt sich aus, offenbart sich im Leiblichen, (   ) Sie müssen den ganzen Menschen verstehen lernen: geistig, seelisch und leiblich.

Alle zielenroerselen drukken zich uit, openbaren zich in het lichaam. (  ) U moet de gehele mens leren begrijpen: naar geest, ziel en lichaam.
GA 293/37 -38
Vertaald/37

Das Leibliche kann nur gefaßt werden, wenn es als eine Offenbarung des Geistigen und auch des Seelischen aufgefaßt wird.

Het lichamelijke kan slechts begrepen worden wanneer men het beschouwt als een openbaring van de geest en ook van de ziel.
GA 293/91   
Vertaald/90

Sie können nämlich überall die äußeren Formen als Offenbarungen des Inneren ansehen. Sie verstehen  nur dann die äußeren Formen, wenn Sie sie als Offenbarungen des Inneren ansehen.

U kunt overal de uiterlijke verschijningsvormen beschouwen als openbaringen van het innerlijk. En u begrijpt de uiterlijke vormen slechts, wanneer u ze ook als openbaringen van het innerlijk ziet.
GA 293/154
Vertaald/145

Was so äußer­liche Vorgänge sind, das ist immer eigentlich der äußere Ausdruck für Innerliches, so sonderbar es für die äußere Weltenbetrachtung aus­sieht.

Al de uiterlijke processen zijn eigenlijk altijd een uiterlijke manifestatie van innerlijke processen, hoe vreemd dit ook moge klinken voor een slechts op het uiterlijk gerichte wereldbeschouwing.
GA 294/35
Vertaald/45-46

Je mehr wir der Zukunft entgegenwachsen, desto mehr müssen wir alles dasjenige, was sinnlich um uns herum ist, lernen geistig aufzufassen.

Naarmate wij de toekomst in groeien, moeten wij leren al hetgeen in het zintuiglijke rondom ons is, geestelijk op te vatten.

Steiner noemt de pedagogie hier zelfs fysionomisch:

Und angefangen muß das werden mit der pädagogischen Betätigung des Lehrers gegenüber dem heranwachsenden Kinde. Physiognomische Pädagogik: Wille, dieses größte Rätsel Mensch in jedem einzelnen Exemplar Mensch durch die Erziehung zu lösen!

En dat moet beginnen met de pedagogische inzet van de leraar ten opzichte van het opgroeiende kind. Fysionomische* pedagogie: de wil om dit grootse raadsel mens in iedere afzonderlijke mens door de opvoeding op te lossen!

*Fysionomie: de kunst om de mens te leren kennen uit het gelaat of het fysieke gestel. 
Waarbij ik aanteken dat dit slechts een van de vele benaderingen kan zijn om de mens wellicht beter te leren kennen.
GA 296/82
Vertaald/94

Wie soll man denn überhaupt den Men­schen behandeln, wenn man nicht in der Lage ist, einzusehen, was er physisch ist, indem er sich ja Stück für Stück aus dem Geistig-Seelischen heraus aufbaut, so daß nichts physisch ist, was nicht eine Offenbarung des Geistig-Seelischen ist.

Hoe zou je dan met de mens willen omgaan, als je niet in staat bent in te zien wat hij fysiek is wanneer hij zich stukje voor beetje vanuit de geest-zielenwereld opbouwt zo, dat niets fysiek is wat niet een zichtbaar worden is van geest en ziel.
GA 301/56
Op deze blog vertaald/56

Man sieht nicht, wie alles Physische aus dem Geistigen heraus plastiziert wird, und wie alles Geistige im Grunde ge­nommen in diesem physischen Leben gleichzeitig sich offenbart nach der anderen Seite als ein Physisches.

Men ziet niet in hoe al het stoffelijke vanuit de geest gevormd wordt en hoe al het geestelijke eigenlijk zich gelijktijdig manifesteert als iets fysieks.
GA 301/238
Op deze blog vertaald/238

Gerade dadurch, daß wir zeigen, wie das Geistig-Seelische sich im Leiblichen auslebt, gerade dadurch bringen wir die Menschen dahin, daß sie sich vorstellen: die ganze materielle Welt lebt eigentlich aus dem Geistig-Seelischen.

Juist doordat we laten zien hoe geest en ziel zich in het lichamelijke manifesteren, brengen we de mensen tot de voorstel­ling: de hele materiële wereld leeft in feite vanuit een geestes-zielenelement.
GA 302/22
Menskunde en opvoeding/23

Alles Stoffliche ist zugleich Geistiges.

Al het stoffelijke is tegelijkertijd geestelijk.
GA 302/24
Menskunde en opvoeding/23

Das Physisch-Leibliche ist der reine Ausdruck des Geistigen.

Het fysiek-lichamelijke is de zuivere uitdrukking van de geest.
GA 302/50
Menskunde en opvoeding/51

Alle Entwicklung des Men­schen besteht darin, daß nach und nach das erst bloß geistig existie­rende Übersinnliche sich ins Sinnliche herunterbewegt.

Alle ontwikkeling van de mens bestaat erin dat het bovenzin­nelijke dat aanvankelijk zuiver geestelijk bestaat, zich geleide­lijk aan naar beneden toe in het zintuiglijke begeeft.
GA 302A/49
Gedeeltelijk vertaald
menskundige aanwijzingen voor het leraarschap/51

In aller Körperlichkeit, in aller Leiblichkeit ist das Zugrundeliegende geistig.

Aan heel het fysiek-etherische ligt de geest ten grondslag.
GA 304a/79
Op deze blog vertaald/79

Man muß vom Geiste aus un­terzutauchen verstehen in die Physis, und beobachten konnen, wie der Geist fortwährend wellt und webt im Physischen.

Men moet zich vanuit de geest weten te verdiepen in het fysieke en kunnen waarnemen, hoe de geest voortdurend in het fysieke golft en beweegt.
GA 305/70
Vertaald/76

Denn in allem Körperlichen wirkt eben der Geist.

In het hele lichaam is de geest werkzaam.
GA 306/150
Vertaald

Dieses Durchschauen des Ineinanderwirkens von Geist, Seele und Leib, das ist es, was fortwährend, ohne daß man es nun immer auf den Lippen führt, in intensiver Anschauung die Handlungen des Leh­renden und Erziehenden durchsetzen muß.

Het begrijpen van hoe geest, ziel en lichaam op elkaar inwerken is iets  ( )  wat door intensieve waarneming voortdurend onderwerp moet zijn bij wat leraren en opvoeders doen.
GA 306/156
Op deze blog vertaald/156

Und so kann man, wenn man dieses ganze Ineinanderwirken von Leib, Seele und Geist kennt, ungeheuer günstig nach den drei Rich­tungen hin im Menschen wirken.

Wanneer je weet hoe lichaam, ziel en geest op elkaar inwerken, kun je met een buitengewoon resultaat in drie richtingen aan de mens werken.
GA 306/158
Op deze blog vertaald/158

(  ) das Körperliche ist die Offenbarung eines Geistigen, und das Geistige will überall schöpferisch in das Körperliche übergehen (  )

( ) het lichamelijke is de openbaring van iets geestelijks, en het geestelijke wil overal scheppend in het lichamelijke overgaan ( )
GA 307/231
Opvoeding en moderne cultuur/298

Man suche einmal die Grundlage bewußt, daß ein Seelisch-Geistiges überall zugrunde liegt dern körperlichen Wirken.

Men zou bewust de basis moeten zoeken van wat ziel en geest is, die overal ten grondslag liggen aan het fysieke functioneren.
GA 309/18
Op deze blog vertaald/18

Es offenbaren sich Seele und Geist durchaus in dem, was äußerlich stofflich zutage tritt.

Ziel en geest uiten zich nu eenmaal in wat uiterlijk stoffelijk zichtbaar wordt.
GA 309/19
Op deze blog/vertaald/19

Im Kinde drinnen wirkt der Gott im Men­schen, wirkt durch das Leiblich-Physische hindurch.

Binnen in het kind echter werkt de god in de mens, en die werkt door het lichamelijk-fysieke heen.
GA310/22
Menskunde, pedagogie en cultuur/22

Wir müssen also begreifen, wie in dem irdischen Leben das Überirdische arbeitet. Denn das ist ja zwischen Geburt und Tod doch auch vorhanden; es arbeitet nur verborgen in dem Leiblichen drinnen, und man versteht das Leibliche nicht, wenn man nicht das im Leiblichen wirkende Geistige versteht.

We moeten dus begrij­pen hoe het bovenaardse leven in het aardse werkzaam is. Dat is immers ook aanwezig tussen geboorte en dood. Alleen werkt het verborgen in het lichamelijke. En je kunt het lichamelijke niet begrijpen als je het geestelijke dat in het lichamelijke werkt, niet begrijpt.
GA310/24
Menskunde, pedagogie en cultuur/25
.

Bovenstaande uitspraken zijn op deze blog ook verschenen als ‘wegwijzers‘.

Dit ‘tot uitdrukking komen’ zien we bv. terug in de typologie van Sigaud
Maar ook in wat je wellicht een antroposofische typologie kan noemen:

=de temperamenten, met het bekende ‘uitdrukkingstekeningentje in GA 295:
=groot- en kleinhoofdig kind

=’ijzer- en zwavelkind’

=fantasiearme en fantasierijke kind  

=kosmische en aardse kinderen  

=te diep en niet diep genoeg geïncarneerde kinderen

=te zwaar en te licht in hun bewegingssysteem levende kinderen

Over de temperamenten is op deze blog gepubliceerd [menskunde [15] , over de overige onderwerpen (nog) niet

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 2: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1612-1511

.

.