VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (5-7)

.

In de artikelen over ‘sociale driegelding’ vinden we vaak de naam van Lex Bos. Hij hield zich intensief bezig met Steiners gedachten hierover en werkte vele gezichtspunten tot in het concreet maatschappelijke uit.

Onderstaand artikel stelde hij samen tegen de achtergrond van de vraag: hoe is het werken van Christus in het sociale leven.
Die vraag was onderdeel van een jaarthema van de Allgemein Anthroposophische Gesellschaft. Het antwoord op deze vraag wordt maar niet diepgaand uitgewerkt, maar Bos geeft wel zeer waardevolle opvattingen over hoe het in de maatschappij toegaat en zou kunnen gaan.

Lex Bos, Mededelingen Antr.Ver, in Nederland, 1994 nr 49, 5, blz 5

Hoe kunnen wij in onze samenleving, waarin nog maar weinig over is van de sacramenten die in vroeger tijden het sociale leven beheersten, tot een nieuw christelijk sociaal leven komen? Over deze vraag gaat onderstaand artikel van Lex Bos. Hij werkt hierin, op verzoek van de redactie, met name één aspect uit van de lezing die hij een jaar geleden hield ter afsluiting van de jaarvergadering. Deze stond in het teken van het jaarthema van de Vorstand: ‘Het werken van Christus in het sociale leven.

HET WERKEN VAN CHRISTUS IN HET SOCIALE LEVEN

Het bestuur van de Allgemeine Anthroposophische Gesellschaft in Dornach had voor het jaar 1993-1994 het thema ‘Christuswirken im sozialen Leben’ voorgesteld. In de toelichtende woorden in het jaarboekje wordt onder andere gezegd: Alleen wanneer steeds meer mensen de weg naar het binnenste van de ziel tot de levende Christus vinden, zal hij ook op de juiste wijze in het uiterlijke sociale leven werkzaam kunnen worden.’ Tijdens de Pinksterviering 1993 is in de avondvoordracht over de ‘binnenkant’ van de ziel gesproken: over de deugden van de gewaarwordingsziel, de verstands- of gemoedsziel en de bewustzijnsziel, respectievelijk de verbazing of de interesse, het medelijden of de empathie, het geweten of de verantwoordelijkheid. Uit deze kiemkrachten die we als een Christusgeschenk in de drievoudige ziel kunnen beleven, kan een nieuw christelijk sociaal leven opbloeien. Daarmee richt de blik zich op de ‘buitenkant’ van het vraagstuk.

Hoe verschijnt deze christelijke kwaliteit in het uiterlijke sociale leven? Wat is de eigen aard, de karakteristiek van het sociale handelen?

In het jaarboekje citeert het bestuur twee uitspraken uit voordrachten waarin Rudolf Steiner antwoord geeft op deze vraag:

— Het sociale leven wordt een offerwijdingshandeling die de oude cultische handeling voortzet;

We moeten bij alle handelingen een ‘Gottesdienst erfüllen’, in alles sacramentalisme brengen.

In dit artikel wil ik proberen iets van deze uitspraken begrijpelijk te maken.

Wanneer we de blik naar oudere culturen via de Romeins-Griekse, de Egyptische en de Perzische culturen naar de Indiase, betreden we de wereld van de theocratieën: samenlevingsvormen waarbij de gehele cultuur vanuit een geestelijk-geïnspireerd centrum geleid werd, niet alleen het geestelijke culturele leven zelf, maar ook het sociale leven, zelfs het economische leven had een sociaal karakter, was doortrokken van geboden en regels die geen mensenwerk waren maar een godengeschenk. Het dagelijks leven bestond uit een aaneenschakeling van rituele handelingen: het opstaan, wassen, aankleden, elkaar begroeten, het eten koken, de maaltijden gebruiken, de beroepshandelingen verzorgen, het huis schoonmaken, het naar bed gaan. Die rituele handelingen hadden het karakter van een gebed en waren vervuld van gevoelens van dankbaarheid tegenover de godenwereld.
Het jaarritme werd gedragen door een veelheid van feesten, cultische handelingen, offerdiensten om de goden te danken, hen gunstig te stemmen, hun om hulp vragen. Met name in het beroepsleven bestond een sacramentele basishouding: het omgaan met de aarde en het transformeren daarvan was een heilige aangelegenheid. Elk beroep had zijn eigen ‘alchemie’ waarvan de wetmatigheden door de goden geopenbaard waren. Dat gold voor de landbouwer in het oude Azië, voor de papiermaker in Egypte, voor de tempelschrijver in Assyrië, voor de steenhouwer, voor de timmerman, voor de wever en voor alle andere beroepen.

WE KUNNEN DE HIER BESCHREVEN theocratische kwaliteit van de samenleving nog volgen tot ver in de middeleeuwen. Alle kunst was religieuze kunst; alle wetenschap was in feite theocratie; alle beroepen hadden hun schutspatroon; de kerk was het middelpunt van de stad; het dagelijks leven kreeg zijn ritme door het klokgelui, het jaar door de religieuze feesten. In zogenaamde primitieve culturen en ook in Oost-Azië kan men tot op heden deze karakteristiek nog tegenkomen: de begroetingsceremonie, de theedrinkcultuur, de huisaltaartjes met de vele dagelijkse offerhandelingen, het korte gebed van de jager voor hij zijn prooi schiet, de dankfeesten na de oogst en dergelijke meer.
In feite zijn dat de laatste resten van een bewustzijnstoestand die voorbij is, van sociale structuren die verouderd zijn, van leefwijzen die niet meer bij ons passen. Met het ontwaken van de bewustzijnsziel zien we de cultuur haar geestelijke oriëntatie, haar spirituele inspiratie verliezen. Daarmee slaat op alle levensgebieden de secularisatie en de profanering toe. De relatie tot het sacrament verdwijnt. Het centrale woord uit de mis (‘hoe est corpus’) dat gesproken wordt wanneer het brood verwandeld wordt, wordt geridiculiseerd tot een toverspreuk: hocuspocus! De sacramentele alchemie wordt tot chemische laboratoriumtechniek. Wat vroeger nog agricultuur was (de woorden cultuur en cultus hebben dezelfde stam, alle cultuur was vroeger cultisch!) wordt bio-industrie. Wat vroeger nog een reiscultuur was -te voet of in een koets door het landschap, de natuur belevend en mensen ontmoetend — wordt tot massatoerisme met jets en zonnige stranden of geprogrammeerde-sight-seeing. Had het eten en drinken vroeger nog iets heiligs binnen de beslotenheid van de familie, de volledige secularisatie op dit gebied eindigt bij McDonald en Coca Cola. Ook het seksuele leven onttrekt zich niet aan dit proces: van tempelslaap tot seksshop en porno. En de begroetingscultuur van het oude mantrische evoë wordt tot Hoi en Doei.

Te midden van deze culturele erosie houden zich nog sommige tradities, rituelen en ceremoniën overeind als laatste herinnering aan een theocratisch verleden: inauguratieceremoniën, promotierituelen, christelijke jaarfeesten (die eigenlijk alleen nog maar vrije dagen en consumptiehoogtepunten zijn), verjaardagen (met een bloemetje en een cadeautje), onderhandelingsrituelen (vooral nog levend bij oosterse volkeren) en religieuze gebruiken bij geboorte, maaltijden, huwelijk en sterven. Maar ook deze zijn onderhevig aan slijtage en ontberen meer en meer hun innerlijke vulling en hun spirituele oriëntatie.

Ik heb dit proces van secularisatie en profanering niet geschreven uit een stemming van nostalgie, hoewel de barbarij waarin veel van de vroegere cultuur ontaard is, daartoe aanleiding kan geven. We moeten dit proces kunnen zien in het teken van de vrijwording, de emancipatie, het ontwaken van de eigen innerlijke spiritualiteit. Het oude moet door een doodsproces heengaan om in vrijheid door de mens heen nieuw geboren te kunnen worden. We staan voor de taak uit een nieuwe innerlijke inspiratiebron de samenleving weer tot cultuur te maken, de samenleving opnieuw te sacramentaliseren.[1]

Ik denk dat het daarbij om kleine stapjes gaat, om het creëren van kleine cultuurgebieden in de ruimte, in de tijd, in de eigen ziel, wetend dat daarbuiten de erosie nog volop aanwezig is.

Het gaat daarbij mijns inziens voornamelijk om drie dingen:

Aanwezig zijn in de situatie. Tegenwoordigheid van geest in de meest letterlijke zin. Eigenlijk gaat het hier tegelijk om de kwaliteit van onzelfzuchtigheid. Voor zover je zelfzuchtig bent, ben je niet in de situatie maar in jezelf. Dan wordt een cultische handeling onwaar.

Voorbereiding. Iets sacramenteels ontstaat niet zo maar. Daar moet je naar toe leven, daar moeten condities en vormen voor worden geschapen, innerlijk en uiterlijk.

Spirituele oriëntatie. Voor het eigen bewustzijn moet in het handelen een relatie bestaan tot een geestelijke werkelijkheid, tot iets wezenlijks in de letterlijke zin van het woord.

VANUIT DEZE DRIE ELEMENTEN kunnen we proberen een ‘christelijke infrastructuur’ te scheppen, om het in de woorden van Bernard Lievegoed te zeggen. Waar zouden we die kunnen vinden? Ik noem een paar voorbeelden.

Een aantal grote cultuurplaatsen vinden we in de antroposofische werkgebieden. Ik denk daarbij aan de heilpedagogische instituutscultuur, aan de onderwijscultuur in “De Vrije Scholen, aan het nieuwe sacramentalisme in de biologisch-dynamische landbouw en de antroposofische geneesmiddelenbereiding, aan de cultische kwaliteit van de euritmie en andere geestelijk georiënteerde kunstuitingen.

Bij het zoeken naar kleinere, minder geïnstitutionaliseerde plaatsen waar een nieuwe cultuur ontstaat, kunnen we denken aan:

Gezinscultuur. Dit begrip wordt in antroposofische kringen veel gebezigd. Het omvat een groot aantal deellandschappen zoals de cultuur van het koken, eten, slaapvoorbereiding, speelgoed en verjaardagen. Er is daar genoeg over geschreven en in gepraktiseerd. Ik volsta met het gebied te noemen.

Grens- of drempelcultuur. Met grens of drempel is hier niet bedoeld ‘Die Schwelle’ in esoterische zin, maar de grenzen in ruimte, tijd en soorten activiteit, bijvoorbeeld het betreden en verlaten van een ruimte. Ook het aanbellen en voeten vegen hoort daarbij! Of het nu om het betreden van de ruimte van de groepsavond is of het betreden van andermans woon- of werkruimte; je gaat over een drempel en aan gene zijde is het anders met betrekking tot wat je zegt, hoe je je gedraagt, hoe je je kleedt, enz. En dat vraagt een moment van extra bewustzijn. Dat wordt ons soms moeilijk gemaakt. In Hoog Catharijne in Utrecht weet je op een bepaald moment niet meer of je nog in het station bent, op de ‘openbare weg’ of ongemerkt al in een winkel. En overal gaan deuren automatisch open en dicht. De drempels vervagen en daarmee het bewustzijn voor de geleding van het sociale leven met betrekking tot de ruimte waarin het zich afspeelt. Als we opbellen beseffen we vaak te weinig dat we daarmee zonder kloppen andermans ruimte binnendringen. Hoe vaak beginnen we niet met onze boodschap zonder te vragen of het stoort? En hetzelfde geldt voor het verlaten van een ruimte: men kan zich daarbij een klein, al is het maar innerlijk ‘ceremonieel’ voorstellen, in de zin van: wat voor ruimte laat ik hoe voor wie achter?

Het openen en sluiten van een groepsavond, een vergadering, een gesprek. Ook. daarbij ga je over een drempel en betreed je een nieuwe sociale ruimte. Met welk bewustzijn doe je dat, welk ritueel verbind je ermee, hoe is dat voorbereid? (Ook uiterlijk, koffiekopjes van tafel voor je met het eigenlijke werk begint!)

De cultuur van festivals, congressen, conferenties en vergaderingen. Mensen komen voor korte of langere tijd bijeen. Hoe gaan ze daar met elkaar om, hoe luisteren ze naar elkaar, met welk ‘commitmenf of welke vrijblijvendheid nemen zij aan werkgroepen deel, hoe kunstzinnig is het dagritme, hoe is de aankleding van de ruimte en de materiële verzorging? Ik denk hierbij aan de poging van Miha Pogacnik om met het Idriart-initiatief een nieuwe festivalcultuur te introduceren; ik denk aan de zorgvuldige wijze waarop Rudolf Steiner het Pinkstercongres in München inrichtte en aan de vele pogingen van leden om jaarfeesten en conferenties en ook kortere bijeenkomsten tot spirituele gebeurtenissen te maken. Zou zo’n spirituele gebeurtenis het karakter kunnen hebben van ‘een omgekeerde cultus’?

Tot zover mijn voorbeelden. Ieder kan ze naar believen aanvullen, van water geven aan kamerplanten en het opslaan van een boek tot en met momenten dat men ineens het gevoel heeft dat het leven zelf één groot mysteriedrama is waarin men zelf als priester celebreert.

Ik wil nog op twee schaduwzijden wijzen. Elk ritueel, elke cultische handeling kan tot routine worden en daarmee wordt ze onwaar en onwerkzaam: een spreuk zeggen, een kaars aansteken, een minuut stilte, een krans leggen, alles moet steeds opnieuw gewild en bewust gedaan worden!

Het andere gevaar is het misbruik van het ritueel ten behoeve van manipulatie. In het Derde Rijk is met het ritueel van de vlaggen, de groet, de liederen, de parades en dergelijke een ware magie bedreven. Maar ook in het bedrijfsleven wordt het ritueel gebruikt om mensen te binden en ontzag voor de leiding af te dwingen: het rituele uitreiken van lintjes en decoraties, het vieren van jubilea, het protocol in de hogere kringen, de glans van bepaalde statussymbolen, het zijn even zovele karikaturen van wat in dit artikel bedoeld wordt.

IK KOM TENSLOTTE NOG EEN KEER TERUG op het citaat uit het begin: het sociale leven moet het karakter krijgen van een ‘offerwijdingshandeling’. Laten we dat woord nog eens precies bekijken en het in verband brengen met de eerder genoemde drie deugden.

Onzelfzuchtige interesse heeft de kwaliteit van aandacht, eerbied, toewijding, religieuze overgave. Empathie, medelijden, erkenning vraagt om een volledig uitschakelen van de eigen sympathie- en antipathiekrachten, om een offeren van de eigenheid om ruimte te maken voor de ander. Bij het handelen in het sociale gaat het altijd om het dienend handelen. Is met mijn handelen de ander gediend, is mijn handelen een antwoord op een vraag? Wat zijn de consequenties voor de ander? Daarbij worden de hoogste gewetenskrachten aangesproken. Het mantrische woord ‘offerwijdingshandeling’ blijkt een drieluik te zijn waardoor de drie eerder genoemde sociale kiemkrachten in de ziel in het blikveld verschijnen.

In de toespraak die Rudolf Steiner op 26 september 1920 (nog niet in een GA opgenomen) houdt bij het begin van de eerste ‘Anthroposophische Hochschulkurs’ in het Goetheanum spreekt hij over kunst, wetenschap en religie. In de loop van die toespraak ontstaat een nieuw perspectief, namelijk dat van kunst, wetenschap en een religieus-sociaal willen. Daarmee duidt hij aan dat het sociale leven in de toekomst steeds meer een religieus karakter moet krijgen. Reeds in 1918 in de voordracht ‘Was tut der Engel in unserem Astralleib?’ (9 oktober 1918; De werking van de engelen, uit GA 182) duidt Rudolf Steiner in deze richting wanneer hij zegt dat in de toekomst ‘iedere ontmoeting van mens tot mens een religieuze handeling, een sacrament [zal] zijn. En om het religieuze leven in stand te houden zal niemand een aparte kerk met instituties op het fysieke plan nodig hebben.’

In dit artikel heb ik getracht het landschap te verkennen dat opdoemt wanneer het sociale leven een religieuze kwaliteit krijgt. Ik denk dat het ceremoniële, het rituele, het cultische en het sacramentele gradaties van dit religieuze zijn. Er ligt nog een lange weg voor ons om hierin helderheid te krijgen, maar vooral om dit tot levenspraktijk om te vormen. De voorbeelden in dit artikel mogen zichtbaar hebben gemaakt dat op allerlei plaatsen deze weg reeds oefenend gegaan wordt.

[1] Het is mij tot nu toe niet gelukt om helder te krijgen wat precies het verschil is tussen  sacramenteel, cultisch, ritueel en ceremonieel. Wie helpt daarbij? In dit artikel gebruik ik de begrippen door elkaar,

.
Sociale driegeleding: alle artikelen

Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

.

2514-2357

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 9 [9-1-3-1/3]

.

Enkele gedachten bij blz. 135/136 in de vertaling van 1993.
.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE
.

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Op blz. 135/136 en verderop in de voordracht – zie daarvoor [9-5] zegt Steiner iets over de ontwikkelingsfasen van het kind.

Zie de inleiding

Voor de derde levensfase van 14 – 21 jaar hechtte Steiner grote waarde aan het tijdstip waarop een kind kan gaan oordelen. Niet dat een kind niet op jongere leeftijd oordeelt, maar dan oordeelt het nog zeer van zich uit, dus sterk subjectief. Met het intreden van de puberteit ontstaat er ook een vermogen om veel objectiever te kunnen oordelen.

Rudolf Steiner over de ontwikkelingsfase 14 – 21: begrip(s)oordeel

GA 293   blz. 133 vert. 136

Mit der Geschlechtsreife beginnt die Sehnsucht des Menschen, aus dem eigenen Urteil heraus sich mit der Umwelt in eine Beziehung zu setzen

Met de geslachtsrijpheid begint het verlangen van de mens te ontstaan om zich vanuit het eigen oordeel op de wereld te richten.
GA 293/133
Vertaald/136

In deze voordracht [9] besteedt Steiner uitgebreid aandacht aan het oordeel en het begrip. Zie daarvoor [9-2]  [9-3][9-4]

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2]
 GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2513-2356

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sprookjes (2-4/19)

.

In de kleuterklas en de 1e klas van de vrijeschool worden sprookjes verteld. Die werden en worden op allerlei manieren verklaard, uitgelegd.
Ook door de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie, het antroposofische mensbeeld, is er een bepaalde taal te lezen tussen de regels van het sprookje.
De beeldentaal.
Om het sprookje te vertellen, is het niet nodig dat je die beeldinhoud kent, maar het kan wel helpen je een stemming mee te geven in wát je nu eigenlijk vertelt. Het gaat om een gevoelsmatige verbinding, niet om een intellectueel uit elkaar rafelen.
Overbodig te zeggen dat ‘de uitleg’ nooit voor de kinderen bedoeld is!

Friedel Lenz heeft met die achtergronden verschillende sprookjes van Grimm gelezen en haar opvattingen zijn weergegeven in haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘.

De woorden van Friedel Lenz worden hier niet letterlijk vertaald weergegeven, meer de strekking daarvan, die ik met eigen gezichtspunten heb aangevuld.
.

Friedel Lenz, Die Bildsprache der Märchen

.

VROUW HOLLE

Een weduwe had twee dochters; de ene was mooi en vlijtig, de andere lelijk en lui. Zij hield echter veel meer van de lelijke en luie omdat deze haar echte dochter was en de andere moest al het werk doen en de assepoes in huis zijn. 

Vrouwelijke gestalten zijn een beeld voor de ziel en voor de wiskrachten van de ziel. Wanneer de levende verbinding met het geestelijk-mannelijke ontbreekt en de ziel op zichzelf is aangewezen, is sprake van een ‘weduwe’. Wanneer deze ‘stief’moeder wordt – het Duitse ‘stiefe’ is ook ‘stijf’, betekent dit dat zij niet meer beschikt over de levende geest, maar materialistisch is geworden. Ze let alleen nog op de zintuiglijke wereld.
Maar iedere ziel is veelzijdig. Uit het oude ontstaan nieuwe wezenlijke krachten, ontwikkelen zich en hebben een doel voor ogen: het zijn de ‘dochters’. 
De ene is meer verwant aan het ‘geest-vaderlijke’: actief, scheppend; de andere, dochter van de stiefmoeder, is passief en lui. En daarom staan ze open voor het edele – schoonheid en voor het onedele – de lelijkheid.

Het arme meisje moest iedere dag op de grote weg bij een put gaan zitten en zoveel spinnen dat het bloed uit haar vingers liep. Nu gebeurde het eens dat de spoel helemaal bebloed was; toen bukte zij zich over de put om de spoel af te wassen. Hij sprong echter uit haar hand en viel naar beneden. Het meisje huilde, liep naar haar stiefmoeder en vertelde haar van het ongeluk. Deze schold haar echter zo hevig uit en was zo onbarmhartig dat zij sprak: ‘Als jij je spoel er in hebt laten vallen moet jij hem er ook weer uithalen.’ Toen ging het meisje terug naar de put en wist niet wat ze moest beginnen; en in haar grote angst sprong zij in de put om de spoel te halen.

Spinnen is een heel oud beeldwoord voor het denken. Tegenwoordig hebben we het in negatieve zin over bijv. gedachtespinsels; het Duits heeft ‘ausspintisieren’ voor ‘iets denkend zitten uit te broeden’. We hebben het bij iets logisch over ‘het vasthouden van de draad’. En op straat zitten en spinnen betekent het niet meer in een afgesloten plaats de gedachten in stilte koesteren, maar openlijk, in het openbaar op de zintuigwereld richten. Maar daar bevindt zich ook de scheppende diepte, het geheimzinnig opborrelende beleven van de ziel: de bron.
Waar zo intensief gedacht wordt – ‘tot bloedens toe’, moet het gedachtegoed ondergedompeld worden in de ‘reinigende bron’ (de spoel schoonwassen). Maar uiteindelijk is de mens geen meester meer over zijn gedachten, ze vallen weg. 
Want het denken en de inhoud van de gedachten van de ijverige dochter zijn van geestelijke aard en de geest wil ‘de diepte’ in: de spoel zinkt in de bron. 
De stiefmoeder, de vertegenwoordigster van de stoffelijke zintuigwereld, kan niet helpen – in tegendeel – haar hardheid is de aanzet tot nog meer verdieping: de sprong in de diepte moet gewaagd worden. Maar daar geldt wat daarvoor gedacht werd, niet meer: de spoel is verdwenen. Op een ander niveau volgt een nieuw ontwaken.

Zij verloor haar bewustzijn en toen zij weer wakker werd en tot zichzelf kwam was zij op een mooie weide waar de zon scheen en duizenden bloemen stonden. Op deze weide liep zij voort en toen kwam zij bij een oven vol brood; het brood riep echter: ‘O, haal mij er uit, haal mij er uit, anders verbrand ik; ik ben allang gaar.’ Toen ging zij er naar toe en met de ovenpaal haalde ze alles achter elkaar eruit.

Voor het innerlijke schouwen is ‘de andere kant’ een groen en bloeiend vlakte. Vanuit de ‘ding’wereld van zintuigen is het meisje nu aangekomen in de sfeer waar voortdurende groei is en levende ontwikkeling. Nu worden er eisen aan haar gesteld en wordt ze op de proef gesteld. In de stoffelijke wereld is het brood wel een van de belangrijkste voedingsstoffen voor het lichaam; in de andere wezenlijke wereld gaat het om de belangrijkste voeding voor de ziel en dat is het kennen van de geest. Een christelijke leerregel is: wij zijn op aarde om God te leren kennen. Kennis van de geest is ‘het brood’ voor de ziel.
Haard, oven, bakoven geven in huis warmte. Het warmtepunt in het huis van het lichaam is het hart, in de droom en het sprookje verschijnt dit vaak in hert beeld van de oven. Daar, wil het sprookje zeggen, in het centrum van de innerlijke hartenwarmte heb je dat geest-kennen verkregen, terwijl er aan de andere kant je wezen werd gedacht, gesponnen. Maar nu moet je actief zijn, je wil gebruiken om het weer aan het licht te brengen; 

Daarna ging zij verder en toen kwam zij bij een boom die vol appels hing en die haar toeriep: ‘O, schud mij, schud mij, mijn appels zijn allemaal rijp.’ Toen schudde zij de boom zodat de appels als een regen naar beneden vielen en zij bleef schudden tot er niet één meer in hing; en toen zij ze allemaal op een hoop bij elkaar had gelegd ging zij weer verder.

De oude helderziendheid waaruit de sprookjes stammen, zag in de mens het omhooggroeiende ruggenmerg-zenuwsysteem dat op een boom lijkt dit als symbool. Ook daar wordt kennis vergaard, maar andere dan bij het hart. De vrucht van de boom, de appel, is het symbool van de zondeval geworden als de vrucht van de boom van kennis van goed en kwaad. Die moet nu geplukt worden.

Tenslotte kwam zij bij een huisje waaruit een oude vrouw naar buiten keek; maar omdat zij zulke grote tanden had sloeg het meisje de schrik om het hart en zij wilde weglopen. De oude vrouw riep haar echter na: ‘Waarom ben je bang, kindlief? Blijf bij mij; wanneer je al het werk in mijn huis netjes wilt doen, zal je het goed hebben. Je moet er alleen voor zorgen dat je mijn bed goed opmaakt en het vlijtig opschudt zodat de veren in het rond vliegen, dan sneeuwt het op de aarde; ik ben Vrouw Holle.’

Zonder twijfel was vrouw Holle ooit een van drie grote moeder-godinnen die sinds het oudste Keltendom vereerd werden. Wellicht is zij de aarde-moeder. In sommige streken zag men haar als een laatste herinnering aan de lieftallige Freia, de schoonste godendochter uit het geslacht van de Wanen, de stralende goden uit de vroege tijd die als vrouw Hulda waakt over de zegeningen van de velden en over de boom die in het rijk staat, die goud en zilver schenkt wanneer je hem schudt.
Later beschouwde men haar als de brengster van het spinnen. Bij de oudere mens ging de activiteit van de hand samen met die van het hoofd, zoals de taal nog toont. Ze werd de beschermster van het spinnen, loofde de ijverigen en strafte de luien.
En toen men haar niet meer zegen brengend door het land zag gaan, zag men haar toch in haar rijk dat wel verduisterd werd voor de blik tot een geheimzinnige grot (Duits Höhle) en men noemde haar vrouw Holle. Wie de drempel overgaat van het nu naar het hiernamaals – en dat gebeurde in oudere tijden vaak – beleefde deze macht van de lotspelingen.

Omdat de vrouw haar zo vriendelijk toesprak, vatte het meisje moed, stemde toe en trad bij haar in dienst. Zij deed alles tot haar tevredenheid en schudde haar bed altijd geweldig goed op zodat de veren als sneeuwvlokken in het rond vlogen; in ruil daarvoor had zij dan ook een goed leven bij haar, kreeg geen boze woorden te horen en at iedere dag alles wat maar lekker is. Toen zij nu een tijdlang bij Vrouw Holle was, werd zij treurig en wist in het begin niet wat haar scheelde; eindelijk merkte zij dat het heimwee was; hoewel zij het hier wel duizend maal beter had dan thuis, verlangde zij daar toch naar. Tenslotte zei zij tot Vrouw Holle: ‘Ik verlang zo verschrikkelijk naar huis en al heb ik het hier beneden ook nog zo goed, ik kan toch niet langer blijven, ik moet weer naar boven, naar mijn familie.’ Vrouw Holle zei: ‘Het doet mij plezier dat je weer naar huis verlangt en omdat je mij zo trouw gediend hebt, zal ik je zelf weer naar boven brengen.’ Daarop nam zij haar bij de hand en bracht haar tot voor een grote poort. De poort ging open en juist toen het meisje eronder stond viel er een stortvloed van goud neer en al het goud bleef aan haar hangen, zodat zij er helemaal mee bedekt was. ‘Dat mag je hebben omdat je zo vlijtig bent geweest,’ sprak Vrouw Holle en gaf haar ook de spoel terug die in de put was gevallen. Daarop werd de poort gesloten en het meisje bevond zich weer boven, op de aarde, niet ver van het huis van haar moeder; en toen zij het erf opkwam zat de haan op de put en riep:

‘Kukeleku,
Terug is onze gouden jonkvrouw nu.’

Toen ging zij naar binnen naar haar moeder, en omdat zij daar zo met goud bedekt aankwam werd zij door haar en door haar zuster goed ontvangen.

Het Duits heeft een uitdrukking: ‘Het weer is, zoals de mensen zijn’.
Dat wordt nog wel gebruikt.
Ik ken in het Nederlands geen equivalent. In deze tijd is het vooral opmerkelijk dat mens en klimaat – en dus ook het weer – met elkaar in verband worden gebracht: de mens als veroorzaker van de opwarming van de aarde.
Volgens een oude zienswijze, aldus Lenz, zag men vroeger dat er een direct verband bestond tussen de zielenwereld van de mens en de elementaire processen in de natuur. De zielen die hun lotsopdracht op de juiste manier vervullen en hun beproevingen doorstaan, zoals onze vlijtige dochter, verstoren de harmonie van de natuur niet, maar ze schikken zich erin en werken mee aan het scheppende proces.
Naar het beeld van het sneeuwen kan je nog op andere manier kijken: de zuivere sneeuwkristallen met hun ontelbare sterrenvormen, van boven komend en de aarde met een helder wit kleed bedekkend, kunnen toch wel gezien worden als een gelijkenis voor de edele, zuivere krachten van een hogere wereld? Zeer zeker wil het sprookje er ook op wijzen dat een ziel die de draden van het leven altijd goed spint en voldoende goede gedachten gevormd heeft, meewerkt aan die werkelijkheid. Het woord van vrouw Holle: ‘Het doet mij plezier dat je weer naar huis verlangt’, laat ons zien dat zij tot de goede machten behoort die zich ontwikkelen. Want het leven op aarde is een scholingsweg voor de hogere wereld, en wat ‘aan de andere kant’ afgerond wordt, werkt door in het leven op aarde. In de overgang van de geestwereld naar de stoffelijke – de jonkvrouw staat onder de poort – wordt haar de rijkdom van de spirituele ervaring en verandering geschonken: het goud van de wijsheid valt op haar neer en dat is wijsheid die je3 niet kan verliezen. Vrouw Holle geeft haar de spoel terug, die met bloed bedekt in de bron was gevallen: met een gereinigd nieuw denken kan nu worden begonnen. Ze wordt bij terugkeer goed ontvangen, want alles van haar komt ten goede aan hem die niet veranderd zijn.
De luie dochter legt zichzelf op wat de ijverige mens in het denken verwerft. Kennis van de geest kan zij niet verkrijgen (geen brood), noch vanuit 
hartekracht die nooit in haar aanwezig waren, noch dat ze goed leert onderscheiden tussen goed en kwaad (geen appels), want zij kende het goede niet. Zij kan zich niet schikken in de orde van de bovenzintuiglijke wereld, want door haar luiheid kon ze dat ook al niet in de stoffelijke wereld. De heerseres van de bovenzintuiglijke wereld moet haar wegsturen. Haar loon is pek. De spoel krijgt ze niet terug. Wie niet gelouterd, niet veranderd het goud van de wijsheid wil afdwingen, maakt zijn wezen duister, verliest de blik op het licht, ze wordt armer dan ze daarvoor was. En deze duisternis blijft.

Het meisje vertelde alles wat haar overkomen was en toen haar moeder hoorde hoe zij aan die grote rijkdom was gekomen wilde zij haar andere, lelijke en luie dochter graag hetzelfde geluk bezorgen. Zij moest bij de put gaan zitten spinnen; en om haar spoel met bloed te bevlekken prikte zij in haar vinger en stak haar hand in de doornhaag. Vervolgens wierp zij de spoel in de put en sprong er zelf ook in. Zij kwam, net als het andere meisje, op de mooie weide en volgde hetzelfde pad. Toen zij bij de oven kwam riep het brood weer: ‘O, haal mij eruit, haal mij eruit, anders verbrand ik, ik ben allang gaar.’ Het luie meisje antwoordde echter: ‘Denk je dat ik zin heb om mij vuil te maken!’ en ging verder. Spoedig kwam zij bij de appelboom die riep: ‘O, schud mij, schud mij, mijn appels zijn allemaal rijp.’ Zij antwoordde echter: ‘Dank je wel, er zou er eens een op mijn hoofd kunnen vallen,’ en met die woorden liep zij verder. Toen zij voor het huis van Vrouw Holle kwam was zij niet bang, omdat zij al alles over haar grote tanden had gehoord en zij trad bij haar in dienst. De eerste dag deed zij zichzelf geweld aan, was vlijtig en gehoorzaamde Vrouw Holle als ze haar iets opdroeg, want zij dacht aan al het goud dat deze haar zou schenken; de tweede dag begon zij evenwel al te luieren, de derde dag nog meer, toen wilde zij ’s ochtends helemaal niet opstaan. Zij maakte het bed van Vrouw Holle niet op zoals het hoorde, en zij schudde het niet zodat de veren eruit vlogen. Daar kreeg Vrouw Holle gauw genoeg van en zij zei haar de dienst op. Het luie meisje was daar heel tevreden over en dacht dat nu de goudregen wel zou komen; Vrouw Holle bracht haar ook naar de poort. Toen zij daar echter onder stond werd er in plaats van goud een grote ketel vol pek over haar uitgestort: ‘Dat is de beloning voor je diensten,’ zei Vrouw Holle en zij deed de poort dicht. Toen kwam het luie meisje thuis, zij was echter helemaal met pek bedekt en de haan op de put riep, toen hij haar zag:

‘Kukeleku,
Terug is onze vuile jonkvrouw nu.’

Het pek bleef echter aan haar kleven en het ging er, zo lang zij leefde, niet meer af.

Is hier de kraaiende haan die beiden begroet, de verkondiger van de dag en was dit een nachtbeleven? Deze wereld waar onder en boven gelijk zijn, kent ruimte noch tijd; dat beleven we in de droom. Er zijn heel wat verhalen bekend van mensen die meegemaakt hebben dat ze in een elementaire wereld terechtkwamen. Ze zeggen dat ze jarenlang bij de dwergen in dienst waren of zalig genoten bij de elfen en bij wonderbaarlijke woudvrouwen of bij vrouw Holle en voor hun omgeving ging het maar om een paar uur of een dag. Ook dat zou in dit sprookje kunnen.
Maar de mens is én een deel van de mensheid en van de wereld en dan kunnen zich daarin nog veel diepere lotsbeschikkingen spiegelen, lotsbeschikkingen die buiten de tijdspanne van een leven op aarde uitgaan. 
Het binnengaan van een bovenzintuiglijke wereld waarin de ziel de ervaringen opgedaan in het aardse leven duidelijk te zien krijgt en met een soort afrekening te maken krijgt en uiteindelijk een terugkeer naar de zintuigwereld, gezegend met de gevolgen van het afgerekend zijn als zegen of belasting, duiden evenzeer op de reïncarnatie van de mens. 
De kennis van de reïncarnatie van de mens was bij de Keltisch-Germaanse stammen algemeen bekend; Julius Caesar, Diodorus van Sicilië maken er melding van. De Edda, de Germaanse godenleer, spreekt ervan in de Karaliederen. Het weten ervan is niet decadent geworden zoals in het Oosten, waar de reïncarnatie geworden is tot slechts een ‘zielenverhuizing’.
In het Avondland is de gedachte van de reïncarnatie een tijd lang verdwenen, de mens moest zich met al zijn kracht richten op de materiële wereld. In een paar sprookjes zijn er nog echo’s van dit oude weten hoorbaar.
Als we op deze manier naar ons Holle-sprookje kijken, dan verschijnt de haan niet alleen om de dag te verkondigen, hij wordt veel meer nog tot het symbool van het instinctieve Ik. Zijn roep duidt dan voor dit leven op dat dit nieuw ontwaakte Ik en op de voorbestemming van het lot: een met wijsheid begaafde mens te zijn of een pechvogel.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2512-2355

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 9 [9-1-3-1/2]

.

Enkele gedachten bij blz. 135/136 in de vertaling van 1993.
.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE
.

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Op blz. 135/136 en verderop in de voordracht – zie daarvoor [9-5] zegt Steiner iets over de ontwikkelingsfasen van het kind.

Zie de inleiding

Voor de derde levensfase van 14 – 21 jaar hechtte Steiner grote waarde aan het tijdstip waarop een kind kan gaan oordelen. Niet dat een kind niet op jongere leeftijd oordeelt, maar dan oordeelt het nog zeer van zich uit, dus sterk subjectief. Met het intreden van de puberteit ontstaat er ook een vermogen om veel objectiever te kunnen oordelen.

Rudolf Steiner over de ontwikkelingsfase 14 – 21: begrip(s)oordeel

Ga 209   blz. 94

Nun, die Anlagen, die der Mensch braucht, um ein solches Leben in Begriffen zu führen, die kommen nämlich eigentlich erst mit dem vierzehnten, fünfzehnten Jahre, mit der Geschlechtsreife in Wirklichkeit herauf. Es ist geradezu unmöglich, bei unbefangener Anschauung des Lebens schon beim Kinde davon zu sprechen, daß es Anlage haben könne zur intellektualistischen Auffassung der Welt. Das Kind kann eben nicht in einer solchen Weise über die Welt denken, daß es zum Abstrakten hingeht. Das Kind entwickelt ein ganz anderes Leben in der Seele. Das Kind bringt ja Entwicklungskräfte, innerliche Gestaltungskräfte aus seinem vorgeburtlichen Leben, aus dem Leben zwischen dem Tod und einer neuen Geburt mit. Die gestalten, vor allen Dingen in den ersten sieben Lebensjahren, dann aber noch in einem etwas geringeren Maße, aber auch bedeutsam, auch noch bis zur Geschlechtsreife hin am physischen Organismus. Und solange in einer solchen Weise am physischen Organismus gestaltet wird, so lange ist es ganz ausgeschlossen, daß der Mensch sich bis zum reinen Intellektualismus heraufentwickelt

De aanleg die de mens nodig heeft om met begrippen te leven, is er eigenlijk pas echt met het veertiende, vijftiende jaar, met de puberteit. Als je onbevangen naar het leven kijkt, is het onmogelijk om bij het kind al te kunnen spreken over een aanleg die de wereld intellectualistisch zou kunnen begrijpen. Het kind kan nog niet zo over de wereld denken dat daar abstracties bij te pas komen. In zijn ziel ontwikkelt zich een heel ander leven. Het kind brengt ontwikkelingskrachten, innerlijke vormkrachten mee uit zijn voorgeboortelijke leven, uit zijn leven van tussen de dood en een nieuwe geboorte. Die werken in de eerste zeven levensjaren, en ook nog wel in iets mindere mate daarna, maar wel belangrijk, ook nog tot aan de puberteit, aan het fysieke lichaam. En zolang dat gebeurt, zo lang is het uitgesloten dat de mens zich ontwikkelt tot een puur intellectualistisch niveau.
GA 209/94
Niet vertaald

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2]
 GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2511-2354

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Bewegen in de klas (3)

.

Gisteren – 15 april 2021 – was het weer eens zover: de onderwijsminister en de onderwijsinspectie vinden het niveau van rekenen, taal en lezen veel te laag.

Daaruit spreekt al meteen hun ‘wijsheid’: zij weten wat het niveau moet zijn en kennelijk kennen zij alle leerlingen van wie ze dan schijnen te weten dat die onder hun niveau presteren.

Wie daadwerkelijk voor de klas staat en niet achter een ambtelijk bureau abstracte (partijpolitieke?) richtlijnen zit uit te dokteren om die vervolgens als onderwijsbeleid aan het onderwijsveld op te dringen – dat kan uiteraard wanneer er geen echte vrijheid van onderwijsinrichting is – weet natuurlijk dat ieder kind anders is, dat ‘niveau’ niet vanuit het kind gedacht is en dat deze ambtelijke visies absoluut niet stroken met ‘onderwijs op maat’.

Dat betekent dus: meer rekenen, meer taal en meer lezen, m.a.w. weer meer van hetzelfde.

En dat zelfde is: meer intellectualistisch onderwijs.

De menskunde waarop de vrijeschoolpedagogie stoelt, zegt o.a. dat het intellect gewekt wordt door ‘beweging’, door onderwijs met beweging. Hoe jonger de kinderen, des te meer ledematenactiviteit is er nodig om bij het kind ‘boven en onder’ te harmoniseren.

Daarom is het verheugend dat in de schoolkrant van de Bussumse vrijeschool Michaël dit artikel verscheen:
.

DE BEWEGENDE KLAS

Op veel vrijescholen is de ‘bewegende klas’ geïntroduceerd. Onze school heeft inmiddels zes jaar ervaring met de bewegende klas opgebouwd. Het concept zijn we nog steeds verder aan het verdiepen. Ook dit jaar volgen weer enkele teamleden scholing om kennis en kunde op het gebied van de bewegende klas te versterken.

In opvolging van de kleuterklas
Steeds meer neurowetenschappers benadrukken het belang van spel en beweging bij kinderen. In ons (vrijeschool)onderwijs neemt spel en beweging al jarenlang een belangrijke plaats in.
In de kleuterklassen is er volop ruimte voor spel en beweging. Nu we vanaf de eerste klas met het concept en het meubilair van de bewegende klas werken, kunnen we het werken vanuit de kring en beweging beter voortzetten.

Parcours
Vrijwel iedere ochtend starten de kinderen van de bewegende klas met een parcours, waarbij kinderen moeten balanceren, samenwerken, klauteren, klimmen, springen enz.

Werken in wisselende in opstellingen

Na het parcours worden de banken door de kinderen in een kring gezet. De kinderen zitten dan op de bankjes. De dag wordt geopend met een spreuk, er wordt gezongen en verteld. Niet veel later bouwen de kinderen de klas zelfstandig weer om tot een rij- of groepsopstelling waarna ze de banken als tafels gebruiken en op de kussens zitten. De instructie wordt gegegeven en afhankelijk van de opdracht wordt er individueel, in tweetallen of in groepjes gewerkt.

Het richten van de wil

De bewegende klas zet de kinderen steeds weer even fysiek aan het werk. De ombouw is een moment van samenwerking en ‘uitademen’ en de stevige zitkussens vragen een actieve zithouding van de kinderen tijdens het werken. De opstelling richt de kinderen op wat komen gaat. Ze halen zelf hun schrift en krijtjes op en bereiden zich zelfstandig voor op hun opdracht.

De kracht van de kring

De dagelijkse kring is een belangrijke schakel in het sociale proces in de klas. Iedereen zit even ver van het midden en de leraar staat niet voor de klas, maar is onderdeel van de kring.

.

Zie ook: de bewegende klas (2)

Vrijeschool in beeld: de bewegende klas

Kleuters: alle artikelen

1e klas: alle artikelen

2e klas: alle artikelen

Algemene menskunde: over harmoniseren

.

2510-2353

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 9 (9-1-3-1/volgnr) inhoudsopgave

.

Inhoudsopgave van alle door Steiner in de pedagogische voordrachten en enkele andere gemaakte opmerkingen over de ontwikkeling van het kind tussen 14 – 21 jaar.

Pedagogische voordrachten:  GA 293; GA 297; GA 301; GA 302; GA 302A; GA 304; GA 304A; GA 305; GA 306; GA 307; GA 308: GA 310; GA 311

Andere GA’s: GA 31; GA 209; 

 

[9-1-3-1/1]
Steiner over de ontwikkelingsfase 14 – 21 jaar: oordeel- en begripsvorming in

GA 34
Rond puberteit geboorte van het straallijf; ontstaan vermogen tot abstracte voorstellingen, zelfstandig oordeel en vrije denkkracht; krachten hiervoor werken eerst aan het fysieke lichaam; de schade van ‘roofbouw’; oordeel en mening; 

[9-1-3-1/2]
GA 209
Voordracht 5: Aanleg voor abstracte begrippen is er pas met de puberteit; lichaamsopbouwende krachten werken tot tegen de puberteit en pas daarna kunnen ze gebruikt worden voor het intellect.

[9-1-3-1/3]
GA 293
Voordracht 9: Verlangen naar eigen oordelen ontstaat met de puberteit.

[9-1-3-1/4]
GA 297
Voordracht 4: in puberteit ontstaat verlangen naar eigen oordeel.
Voordracht 5: in puberteit ontstaat verlangen naar eigen oordeel; je moet het oordeelsvermogen niet te vroeg ontwikkelen.
Voordracht 6: in puberteit ontstaat eigen oordeelskracht; kind ontwikkelt nieuwe interesses, o.a. natuurkunde kan worden begrepen.

[9-1-3-1/5]
GA 301
Voordracht 9
: zelfstandig voelen en willen wordt geboren met puberteit; te vroeg is schadelijk; 
Voordracht 10: oordeelsvermogen ontstaat met puberteit; vanaf het 12e levensjaar; autoriteit eerst, daaruit ontstaat later vrij oordelen; te vroeg oordelen beïnvloedt het astraallijf negatief; autoriteit en vrije persoonlijkheid.

[9-1-3-1/6]
GA 302
Voordracht 8: Kind wil met puberteit zelf gaan oordelen, maar zoekt nog wel de autoriteit; in puberteit moeten kinderen boven de vanzelfsprekende autoriteit uitgroeien en hun eigen oordeel zoeken.

[9-1-3-1/7]
GA 302A
Voordracht 5 (voordracht 1): Overgang van kennis naar oordelend kennen; er ontstaat drang om te oordelen.
Voordracht 6 (voordracht 2): Oordeel moet zelfstandig worden; oordeel van leraar wordt afgewezen.

[9-1-3-1/8]
GA 304
Voordracht 4: Kind komt met oordelen met de puberteit; te vroeg oordelen: doodskrachten; vanuit autoriteit leg je basis voor het zelfstandig oordelen;
voordracht 6: Kind begint met puberteit zich persoonlijk oordelend tegenover de wereld op te stellen; autoriteit maakt het latere oordelen mogelijk; begint zich van de wereld te onderscheiden.

.[9-1-2-1/9]
GA 304A
Voordracht 2: De fase van de autoriteit als voorwaarde voor het verschijnen van morele impulsen na de puberteit.
Voordracht 9: Na de puberteit: eigen oordeel, niet meer dat van de leerkracht; opvoeding moet dat wekken; 

{9-1-3-1/10]
GA 305
Voordracht 1: met geslachtsrijpheid een andere verhouding tot de wereld dan daarvoor; geest ontwaakt; mens zoekt nu het oordelende; niet te vroeg beroep doen op intellect.
Voordracht 4: moreel oordeel moet uit kind zelf kunnen komen na puberteit; dit voorbereiden door kant-en-klare morele oordelen achterwege te laten.
Voordracht 9: begrippen zijn verbonden met antipathie; denken doet in hersenen fosfor(zuur)verbindingen ontstaan; uitscheidingsproducten; te vroeg kant-en-klare begrippen geven dwingen hersenen oude uitscheidingsproducten opnieuw te gebruiken.

[9-1-3-1/11]
GA 306
Voordracht 5: beelden aanreiken voorkomt starre begrippen; rond 12e ontstaat gevoel voor causaliteit; denken ontstaat; rond 12 open voor mineralogie, natuurkunde, anorganische wereld; tegen 12e jr geboorte astraallijf, daarvoor etherlijf; te vroeg oordelen komt in het etherlijf, maar oordelen moet gedragen worden door astraallijf; aan oordeel kan nu liefde meegegeven worden; 
Vragenbeantwoording 18-04-1923: 0-7: je werkt met het lichaam; 7 – 14 met het gevoel; 14 -21 met het oordelende.
Vragenbeantwoording 19-04-1923: rond 12e ontstaat muzikaal oordeel; rond 12e begint autoriteit af te lopen; 

[9-1-3-1/12]
GA 307
Voordracht 7: 14e. 15e jr: rijp voor persoonlijk oordeel; vanuit het denken redeneren.
Voordracht 13: rond 15e, 16e ontstaat het vrijheidsgevoel; door goede voorbereiding kan het kind nu vanuit zichzelf vrij denken; dogma, religieuze en morele geboden leiden niet tot vrijheid; 

[9-1-3-1/13]
GA 308
Voordracht 4: met geslachtsrijpheid ontstaat astraallijf als zelfstandige wezenheid; met puberteit ga zelf begrijpen wat er in je is aangelegd; eerdere beelden worden begrip; ontstaan van innerlijke vrijheid.
Voordracht 5: met wat eerder aangelegd is, moet de mens in de puberteit zichzelf gaan vinden; alle opvoeding is zelfopvoeding; wat in hem is aangelegd, moet tot vrijheid kunnen worden; ontstaan van moraliteit.

[9-1-3-1/14]
GA 310
Voordracht 4: tegen het 12e jaar is causaliteit mogelijk; vóór die leeftijd geen oorzaak en gevolg, maar vanuit ziel, het leven.
Voordracht 6: vóór 12e geen morele geboden, maar sympathie/antipathie voor mooi/lelijk; na 12e ontstaat daardoor de mogelijkheid van een eigen oordeel, een vrij oordeel.

[9-1-3/15]
GA 311
Voordracht 3: 10-11-jarige nog geen behoefte aan oorzaak en gevolg; na 10e beelden over oorzaak en werking; na 12e ook vakken met oorzaak en gevolg: natuur- en scheikunde; niet bij geschiedenis; 

[9-1-3/16]
GA 31
Essay maart 1898het gaat bij het oordelen niet om ónze oordelen en waarheden, maar dat de leerling ziet hoe we daarnaar zoeken.

 

 

Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2509-2352

.

.

 

.

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 9 (9-1-3-1/1)

.

Enkele gedachten bij blz. 135/136 in de vertaling van 1993.
.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE
.

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Op blz. 135/136 en verderop in de voordracht – zie daarvoor [9-5] zegt Steiner iets over de ontwikkelingsfasen van het kind.

Zie de inleiding

Voor de derde levensfase van 14 – 21 jaar hechtte Steiner grote waarde aan het tijdstip waarop een kind kan gaan oordelen. Niet dat een kind niet op jongere leeftijd oordeelt, maar dan oordeelt het nog zeer van zich uit, dus sterk subjectief. Met het intreden van de puberteit ontstaat er ook een vermogen om veel objectiever te kunnen oordelen.

Rudolf Steiner over de ontwikkelingsfase 14 – 21: begrip(s)oordeel

GA 34 

blz. 342/343    vert. 59/60

Mit der Geschlechtsreife wird erst der Astralleib geboren. Mit seiner nach außen freien Entwicklung wird auch erst von außen an den Menschen alles das herantreten können, was die abgezogene Vorstellungswelt, die Urteilskraft, den freien Ver­stand entfaltet. Es ist schon erwähnt worden, daß diese Seelen-fähigkeiten vorher unbeeinflußt innerhalb der richtigen Hand­habung der andern Erziehungsmaßnahmen sich entwickeln sollen, wie sich unbeeinflußt im mütterlichen Organismus Au­gen und Ohren entwickeln. Mit der Geschlechtsreife ist die Zeit gekommen, in der der Mensch auch dazu reifist, sich über die Dinge, die er vorher gelernt hat, ein eigenes Urteil zu bil­den. Man kann einem Menschen nichts Schlimmeres zufügen, als wenn man zu früh sein eigenes Urteil wachruft. Erst dann kann man urteilen, wenn man in sich erst Stoff zum Urteilen, zum Vergleichen aufgespeichert hat.

Met het intreden van de geslachtsrijpheid wordt het astrale lichaam geboren. Pas wanneer dit lichaam zich zonder omhulling vrij ontplooien gaat, kan al datgene, wat het abstracte voorstellingsvermogen, het zelfstandige oordeel en de vrije denkkracht bij de mens tot ontwikkeling brengt, van buitenaf tot hem gebracht worden.
Er is reeds gezegd, dat deze zielenvermogens van te voren zich zo moeten ontwikkelen, dat zij door een juiste toepassing van de pedagogische maatregelen, die op andere vermogens betrekking hebben, niet direct beïnvloed worden, evenals ogen en oren zich binnen de moederschoot ontwikkelen zonder directe invloed van buitenaf. Met de puberteit is de fase aangebroken, waarin de mens, behalve de geslachtelijke rijpheid, ook de rijpheid verwerft zich een eigen oordeel te vormen over de dingen, die hij te voren geleerd heeft. Men kan geen groter schade aan een mens berokkenen, dan wanneer men te vroeg zijn eigen oordeel wakker roept. Een mens kan pas oordelen, als hij in zich eerst stof tot oordelen, tot vergelijken vergaard heeft.

Bildet man sich vorher selbständige Urteile, so muß diesen die Grundlage fehlen. Alle Einseitigkeit im Leben, alle öden «Glaubensbekenntnisse», die sich auf ein paar Wissensbrocken gründen, und von diesen aus richten möchten über oft durch lange Zeiträume bewährte Vorstellungserlehnisse der Menschheit, rühren von Fehlern der Erziehung in dieser Richtung her. Um reif zum Denken zu sein, muß man sich die Achtung vor dem angeeignet haben, was andere gedacht haben. Es gibt kein gesundes Denken, dem nicht ein auf selbstverständlichen Autoritätsglauben gestütztes gesundes Empfinden für die Wahrheit vorangegangen wäre. Würde dieser Erziehungsgrundsatz befolgt, man müßte es nicht erleben, daß Menschen zu jung sich reif dünken zum Ur­teilen und sich dadurch die Möglichkeit nehmen, allseitig und unbefangen das Leben auf sich wirken zu lassen. Denn ein jedes Urteil, das nicht auf der gehörigen Grundlage von Seelenschätzen aufgebaut ist, wirft dem Urteiler Steine in seinen Le­bensweg. Denn hat man einmal über eine Sache ein Urteil gefällt,

Vormt men voor die tijd zelfstandige oordelen, dan moet daaraan alle grond ontbreken. Alle eenzijdigheid in het leven, alle dorre ‘geloofsovertuigingen’, slechts gefundeerd op een paar brokstukken van kennis, waarmee men een oordeel vellen wil over hetgeen de mensheid vaak door lange tijdperken heen als waar beleefd heeft, komen voort uit opvoedingsfouten op dit gebied. Om rijp te zijn tot zelfstandig denken, moet men eerst leren achten wat andere mensen hebben gedacht. Er bestaat geen gezond denken, of het is voorbereid door een gezond waarheidsgevoel, dat gefundeerd is in de natuurlijke autoriteitsverhouding van opvoeder tot kind. Als dit grondbeginsel van de opvoeding in praktijk werd gebracht, zou het niet voorkomen, dat mensen op te jeugdige leeftijd zich reeds rijp achten tot oordelen en zich daardoor de mogelijkheid afsnijden onbevangen op alle aspecten van het leven in te gaan. Want elk oordeel, dat niet wortelt in de passende bodem van rijke ziele-ervaringen, vormt een belemmering op het levenspad van degene, die het oordeel velt. Heeft men immers eenmaal een oordeel over iets gevormd, dan wordt men hierdoor blijvend

so wird man durch dieses immer beeinflußt, man nimmt ein Erlebnis dann nicht mehr so auf, wie man es aufgenommen hätte, wenn man sich nicht ein Urteil gebildet hätte, das mit die­ser Sache zusammenhängt. In dem jungen Menschen muß der Sinn leben, zuerst zu lernen und dann zu urteilen. Das, was der Verstand über eine Sache zu sagen hat, sollte erst gesagt wer­den, wenn alle andren Seelenkräfte gesprochen haben; vorher sollte der Verstand nur eine vermittelnde Rolle spielen. Er sollte nur dazu dienen, das Gesehene und Gefühlte zu erfassen, es so in sich aufzunehmen, wie es sich gibt, ohne daß das unreife Urteil sich gleich der Sache bemächtigt. Deshalb sollte der junge Mensch vor dem angedeuteten Lebensalter mit allen Theorien über die Dinge verschont werden, und der Hauptwert darauf gelegt werden, daß er sich den Erlebnissen des Da­seins gegenüberstellt, um sie in seine Seele aufzunehmen. Man kann gewiß den heranwachsenden Menschen auch mit dem be­kannt machen, was Menschen über dies und jenes gedacht ha­ben, aber man soll vermeiden, daß er sich für eine Ansicht durch ein verfrühtes Urteil engagiere. Er soll auch die Meinun­gen mit dem Gefühle aufnehmen, er soll, ohne gleich für das eine oder das andere sich zu entscheiden und Partei zu ergrei­fen, hören können : der hat das gesagt, der andere jenes. Es wird zur Pflege eines solchen Sinnes von Lehrern und Erzie­hern allerdings ein großer Takt verlangt, aber geisteswissen­schaftliche Gesinnung ist gerade imstande, diesen Takt zu ge­ben.

beïnvloed. Een ondervinding wordt dan niet meer zo opgenomen als men gedaan zou hebben, wanneer men er zich van tevoren geen oordeel over had gevormd. In de jonge mens moet de neiging leven om eerst te leren en dan te oordelen. Wat het verstand over iets te zeggen heeft, behoort pas gezegd te worden, nadat alle andere zielenkrachten gesproken hebben. Voor die tijd mag het verstand alleen een bemiddelende rol spelen. Het moet slechts dienen om te bevatten, wat er gebeurt, wat er gevoeld wordt, om de dingen zo op te nemen, zoals ze zich voordoen, zonder dat het onrijpe oordeel zich meteen er van meester maakt. Om deze reden moet de jeugd vóór de puberteit verschoond blijven van elke theorie over de dingen. De hoofdzaak is, dat het kind in zijn ziel opneemt, wat hem over de wereld en het leven medegedeeld wordt. Natuurlijk kan men hem ook vertellen, wat er over een of ander onderwerp door mensen is gedacht, maar men moet vermijden, dat de jonge mens door een vervroegd oordeel zich aan een bepaalde mening bindt. Ook meningen moet hij met zijn gevoel opnemen. Hij moet kunnen aanhoren, zonder meteen partij te kiezen: de één heeft dit gezegd, de ander dat. Er wordt stellig veel tact geëist van leraren en opvoeders om een dergelijke innerlijke verhouding bij het kind aan te kweken en te ontwikkelen, maar juist de geesteswetenschap schenkt de gezindheid, waaruit deze tact geboren wordt.
GA 34/342 e.v.
Vertaald: De opvoeding van het kind

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2]
 GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2508-2352

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Toetsen (8)

.
Anna Roos Meerbach in gesprek met Ariëlla Krijger, Motief 196 okt. 2015
.

 Is de wereld meetbaar?

.
‘Kinderen laten openbloeien vergt meerdere manieren van evalueren’

PORTFOLIO

Je hoeft vandaag de dag niet meer van antroposofische huize te komen om voor de vrijeschool te kiezen. Het lijkt een tegenreactie op de huidige prestatiecultuur waar kinderen vooral afgerekend worden op taal en rekenen. Biedt de vrijeschool inderdaad de mogelijkheden die ouders wensen voor hun kinderen en hoe verankeren ze dit in hun onderwijssysteem? Onderwijsadviseur en oud-vrijeschoolleerkracht Ariëlla Krijger deelt haar bevindingen op basis van haar onderzoek naar andere manieren van evalueren op vrijescholen.

Welke vragen zijn volgens jou op dit moment belangrijk als het gaat om het meten van onderwijskwaliteit?

“Wat ik zie als dilemma is wat Martha Nussbaum duidt als opgave van onze tijd: om niet voor de winst te gaan, maar voor de inhoud. Dat is een opgave voor iedereen, ook binnen de vrijeschool. Niet alleen wanneer je kijkt naar welke eisen er aan scholen worden gesteld, maar bijvoorbeeld ook naar wat ouders van en voor hun kinderen verwachten. Het rendementsdenken overheerst met als hoofddoel een maximale doorstroom van leerlingen naar het hoger onderwijs. Deze opbrengstgerichte denkwijze beïnvloedt niet alleen ouders en docenten, maar leerlingen net zo zeer. Zij vragen bijvoorbeeld: ‘Telt dit onderdeel mee voor het examen?’ En dan is het heel goed te begrijpen dat, soms met enig gemor, examenvakken prioriteit krijgen boven vrijeschoolvakken. Het kwalificatie-aspect van ons onderwijs valt dus niet weg te denken en dat zouden we ook niet moeten willen. We moeten ons – in navolging van Nussbaum – goed blijven realiseren dat dit aankomt op maatvoering gericht op kwalitatieve inhoud. Daarin zie ik een duidelijke verwijzing naar hoe Gert Biesta in zijn publicaties goed onderwijs presenteert. Namelijk als een bundeling van kwalificatie, socialisatie en persoonsvorming.[1] Naar mijn overtuiging heeft dat regelrecht consequenties voor de wijze van evalueren van proces en resultaat. Dit heb ik tijdens mijn masterstudie nader onderzocht. Ik ontdekte dat de leerresultaten die men in het primair onderwijs meet, door middel van genormeerde toetsen (later gevolgd door examinering in het voortgezet onderwijs), slechts een beperkte selectie zijn van de totale leerstof uit het curriculum. [2[ Lang niet alles is namelijk meetbaar en controleerbaar te maken. Uit observaties bleek dat de uitkomst van een toets voor de meeste leraren aanleiding was om zich te focussen op vervolgstappen, in de zin van uitbreiding of verdieping van de getoetste leerstof.
Het ‘teaching-for-the-test’ principe treedt op zo’n moment in werking.

Donald Schön, auteur van veelvuldig geciteerde werken over reflectieve praktijk, verwijst als het gaat om leeropbrengsten naar John Dewey, tijdgenoot van Steiner. Dewey gaf aan hoe moeilijk het is te zeggen wat er geleerd is en dat het nog veel lastiger is om aan te geven wat er niet geleerd is. Een inhoud wil namelijk kunnen rusten en wortelen in de bodem van de ziel om later pas op te bloeien.[3] Ik denk dat ouders die nu kiezen voor de vrijeschool meer of minder bewust beseffen dat hun kind een dergelijke benadering nodig heeft, juist om te kunnen groeien en bloeien, of, zoals ze in Vlaanderen zo mooi zeggen: open bloeien. Dat omvat niet alleen het bloei-aspect, maar ook het zich openen: naar zichzelf, de ander en de wereld. Deze gedachte of stemming herkennen zoekende ouders in de vrijeschoolpedagogie.”

Hoe werkt dit uit binnen het vrijeschoolonderwijs?

“Het leerplan van de vrijeschool richtte zich tot voor een paar decennia vooral op de aspecten van socialisatie en persoonsvorming; de leerstof was middel om dit te bereiken. De laatste tien jaar is de aandacht voor kwalificatie explicieter geworden. Daardoor kun je zeggen dat leerstof niet alleen meer middel is, maar ook een op zichzelf staand doel, en dan vooral het toetsbare deel. Sommigen vatten deze positionering van vrijescholen in de samenleving op als een stukje groei naar ‘een volwassen verschijnen’, als een zoektocht met de normale, bijbehorende twijfels. Anderen daarentegen spreken van een ‘verwatering’ van het vrijeschoolonderwijs.

Mijn onderzoeken leidden tot de notie dat een integrale evaluatie van het onderwijs mogelijk is door aansluiting te zoeken bij een aantal drieledige benaderingen, namelijk 1) de menselijke ziel in de antroposofie (Steiner), 2) de onderwijsfilosofische vraag ‘wat is goed onderwijs?’ (Biesta) en 3) de cultuurfilosofische opvatting over elkaar aanvullende kentheorieën (Habermas). Habermas onderscheidde drie paradigma’s (kentheorieën) die elk op een eigen gebied van kracht zijn in de sociale wetenschappen. Gert Biesta maakt onderscheid tussen drie kenmerken van goed onderwijs. Deze beide ‘drie-heden’ kun je met elkaar verbinden: het technische (empirisch-analytische) paradigma heeft de meeste aanknopingspunten met het principe van ‘kwalificatie’. Het praktische (historisch-hermeneutische) paradigma ofwel de interpretatie van processen die zich in de tijd afspelen, omvat zeker ook het principe van de ‘socialisatie’. Het emancipatorische (kritisch-theoretische) paradigma is met de ‘persoonsvorming’ of ‘subjectwording’ van de mens in verband te brengen. Deze samenhangen hebben per geleding ook een relatie met respectievelijk verleden, heden en toekomst, wat weer een brug vormt met waar Rudolf Sternen op wijst in zijn voordrachten over sympathie- en antipathiekrachten in de menselijke ziel, en over de bemiddelende functie van het voelen tussen voorstellen en willen.”

Wat kan portfolio-evaluatie hierin betekenen?

“Als je de praktijk van een integrale uitvoering van het onderwijs wilt verduurzamen door een navenant integrale evaluatie, dan is portfolio-evaluatie dé aangewezen aanvulling die de persoonsvorming bij uitstek doet oplichten. Toetsen meten de leervorderingen in het perspectief van een uiteindelijke kwalificatie. Interpretaties van leerprocessen door de leraar, met als vast onderdeel het principe van de socialisatie, lees je in het getuigschrift. Een door de leerling samengesteld portfolio heeft van de drie het meest toekomstkarakter, het toont het zich ontwikkelend subject.

Er zijn voorbeelden te over om een portfolio mee te creëren:

Vanaf de 3e of 4e klas kan een foto of tekening van het bezoek aan de smidse volgen, een natuurkundeproef in tekst en beeld, een eigen gedicht, bosbouw, trigonometrie/landmeten, een literair project enzovoort. In elk schoolvak, maar ook in buitenschoolse activiteiten zijn portfolio-elementen te vinden; de keuze is aan de leerling zelf. Daarin toont hij wie hij wil zijn of worden. Daar kan geen cijfer tegenop. Dit wordt buiten onze scholen herkend en erkend, bijvoorbeeld in Duitsland, maar ook in ons eigen land. Kijk eens naar de knap gefilmde en online gezette documentaires op YouTube van de Freie Waldorfschule in Minden, Nordrhein-Westfalen.[5 ]Leerlingen die op het punt staan de school te verlaten komen aan het woord, en wetenschappers en bedrijfsleiders lichten toe hoezeer portfolio-evaluatie een veelzijdig belang dient. Ik vind het fascinerend dat de vrijeschool op die manier in de wereld kan verschijnen zonder allerlei misverstanden op te roepen. De leerlingen maken door hun individuele verschijnen in het portfolio expliciet wat de school niet kan toetsen of interpreteren. Dat kan en doet alleen de leerling zélf. Portfolio is daarin de drager van wat nieuw in de wereld wil verschijnen. Folio betekent zowel het blad van een plant als een blad papier. Je zou je daarbij voor kunnen stellen dat het kind zich blad na blad ontvouwt, in de ontwikkeling naar volledig openbloeien.”

1] Biesta, Gert (2012) Goed onderwijs en de cultuur van het meten. Boom Lemma

2] Boes, Ad (2007) Elke school is er één. HR Copyservice Emmen

3]Schön, Donald A. (1987) Educating the Reflective Practitioner. Jossey-Bass Publishers San Fransisco

4] Steiner, Rudolf (2009) Antroposofische menskunde als basis voor de pedagogie. Vrij Geestesleven Zeist
PHAW: De gangbare titel is ‘Algemene menskunde als enz.
Op deze blog besproken: Algemene menskunde: alle artikelen

5] http://www.youtube.com/playlist?list=PLoC474C7A5253FDEE
(niet meer oproepbaar)

.

Toetsen: alle artikelen

12e klas karakterschetsen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

2507-2351

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsproblemen (5-2)

.
Annelon Geluk, Motief 196, okt. 2015*

adhd

Ook gevoel en wil vragen aandacht

CONCENTRATIEPROBLEMEN

Een groeiend aantal kinderen is snel afgeleid en heeft moeite om de aandacht vast te houden. Bij veel van hen wordt tegenwoordig de diagnose AD(H)D vastgesteld. Vanuit een antroposofische visie heeft het ‘ik’ dan onvoldoende grip, waardoor er te weinig sturing, zelfbewustzijn en zelfcontrole is. De informatiemaatschappij van vandaag en de eenzijdige nadruk op cognitie in het onderwijs, maakt volgens Annelon Geluk dat het denken, voelen en willen uit balans raakt.

Bij kindertherapeuten en -coaches komen veel hulpvragen binnen op het gebied van het denken. Dit ligt volgens mij mede aan onze snelle informatiemaatschappij, waarin we heel regelmatig voor een kort moment uit onze aandacht worden getrokken. Hierna duurt het een paar minuten voor je weer op je hoogste niveau van concentratie bent. Op deze manier duurt het veel langer voor je een taak af hebt.

En in het onderwijs heerst een grote waardering voor de cognitie. Het liefst ziet de minister kleuters al Cito-toetsen maken. Dit is een benadering die niet goed past bij de ontwikkeling van kinderen. Een kleuter speelt en bootst de wereld om zich heen na in het vrije spel. Pas na de kleuterklas is een kind toe aan het leren en al het denkwerk wat hierbij hoort. Ook is niet ieder kind in staat de strakke leerlijn te volgen in bijvoorbeeld rekenen of schrijven. Het huidige onderwijs vraagt veel van de denkkracht van een kind. Naast deze denkkracht heeft een kind ook het gevoel en de wil die aandacht vragen.

Rust en regelmaat

Het komt in het reguliere veld veel voor dat behandeling van AD(H)D enkel mogelijk is als er medicatie wordt gebruikt. Ritalin wordt het meest voorgeschreven, een medicijn met methylfenidaat, met als doel dat een kind meer rust krijgt. Bij de cognitieve gedragstherapie leert het kind om het gedrag te veranderen.

De aanpak die volgens mij goed helpt, is het bieden van rust en regelmaat. Jij moet de sturing geven die een kind niet aan zichzelf kan geven. Het helpt dus om ritme en regelmaat in te bouwen in het dagelijks leven. Daarnaast is de rust heel belangrijk, omdat dit kinderen laat ontspannen en tot zichzelf komen. Vanuit de ontspanning is het weer mogelijk om goed de aandacht te richten.

Therapie

Sommige kinderen komen terecht bij een kindertherapeut of kindercoach. Zij helpen kinderen met diverse hulpvragen. Antroposofische therapieën zijn erop gericht om kinderen weer in balans te brengen. Bij de lichaamsgerichte therapieën, zoals uitwendige therapie, bakeren en ritmische massages, kan een kind zijn grens beter beleven en beter bij zichzelf blijven. Onze huid is de fysieke uitdrukking van deze grens. Euritmie helpt ook bij het vinden van de balans tussen binnen en buiten.

Met behulp van de antroposofie worden muziektherapie, spelbegeleiding, verhalentherapie en kunstzinnige therapie toegepast. Bij kunstzinnige therapie kan een kind door middel van tekenoefeningen leren om controle te krijgen over het bewegen. Antroposofische en homeopathische geneesmiddelen ondersteunen kinderen in hun ontwikkeling. Het kan een kind helpen om zijn evenwicht te vinden.

In de beeldende kunstzinnige therapie kunnen kinderen innerlijk in beweging komen. In de kunstzinnige therapie schilder ik volgens de nat-in-nat techniek met kinderen om het gevoel aan te spreken. Boetseren en speksteen bewerken doe ik om de wil en de vormkracht aan te spreken. Het werkt heel ontspannend om met je handen bezig te zijn. Door het aanspreken van de tastzin kan een kind zich ontspannen. Dit kan op vele manieren, zoals spelen met zand, boetseren en deeg kneden. Een kind wordt zich bewust van de grens van zijn huid. Kinderen met concentratieproblemen kunnen hierdoor tot rust en tot zichzelf komen.

Hulpmiddelen en oefeningen

Bij kinderen met concentratieproblemen is de afwisseling tussen inspanning en ontspanning iets wat je als leerkracht steeds in gedachten kunt houden. Als kinderen ingespannen hebben gewerkt, dan moeten ze zich daarna even ontspannen door te bewegen. Dit hoeft maar een paar minuten te duren en kan van alles zijn, bijvoorbeeld een klapspelletje of stampoefening. Kinderen met concentratieproblemen hebben vaak moeite om stil te blijven zitten. Er zijn speciale wiebelkussens waarbij een slechte zithouding wordt gecorrigeerd, zodat rugklachten worden voorkomen. En ook tijd kan voor kinderen heel abstract zijn. Een digitale klok is abstracter dan een analoge klok, omdat kinderen de tijd plotseling zien veranderen in plaats van de secondewijzer gelijkmatig langs de cijferplaat zien lopen. Een zandloper is concreet wat betreft het aangeven van een hoeveelheid tijd. Als een taak binnen een bepaalde tijd gedaan moet worden, dan kun je een kind de zandloper om laten draaien. Met de zandloper heeft een kind goed zicht op hoeveel tijd er is voor een taak.

Een prikkelarme ruimte zorgt ervoor dat een kind minder snel wordt afgeleid. Speelgoed in afgesloten bakken bewaren, een lichte tint verf op de muur en weinig decoratie helpt om een rustige omgeving te creëren. Structuur kun je op vele manieren bieden, bijvoorbeeld door een duidelijke dagindeling met vaste gewoontes. Structuurkaarten helpen om de dag overzichtelijk te maken. Maak samen met de kinderen een aantal kaarten waarop activiteiten afgebeeld zijn die regelmatig plaatsvinden, als opstaan, eten, school, thuis. Met de kinderen kun je de inhoud van de dag bespreken en de kaarten in de juiste volgorde leggen. Gebruik er niet teveel, want dan wordt het onoverzichtelijk. Kinderen weten wat ze kunnen verwachten van de dag en voelen houvast door de structuur die de kaarten bieden. Ontspanningsoefeningen, zoals ademhalingsoefeningen, brengen kinderen meer tot zichzelf. Door de rust die een oefening teweeg brengt, kunnen kinderen vanuit deze innerlijke rust waarnemen. Oefeningen die de tastzin aanspreken zijn gericht op het ervaren van de grens en het verschil tussen binnen en buiten. Bij het spelen met klei, bijenwas of schelpenzand ervaart een kind de grens van zijn huid en dit kan heel rustgevend werken. Vormtekenen helpt bij het sturen van de beweging en versterkt het concentratievermogen.

Bewegend leren 

Een kind heeft van nature een bewegingsbehoefte die in het onderwijs vaak te weinig aandacht krijgt. Ik zie dat op de vrijescholen hier steeds meer aandacht voor komt. [1] Op diverse scholen vinden experimenten plaats met bewegend leren. Hierbij is er een combinatie tussen bewegen en leren, om kinderen de stof eigen te maken op een manier die bij de ontwikkeling aansluit. Het doel is om te leren, en bewegen is hierbij een hulpmiddel. Dat zou nog eens de nieuwe manier van lesgeven kunnen worden waarmee een hoop concentratieproblemen voorkomen worden! 

Annelon Geluk is kunstzinnig therapeute (beeldend) en heeft een eigen praktijk in Den Haag: Kunst & Geluk. Ze heeft haar opleiding genoten aan Hogeschool Leiden, Kunstzinnige Therapie Beeldend. 
*(Deze informatie is misschien niet actueel meer)

[1] Opmerking Pieter HA Witvliet:
Als de waarneming van mevrouw Geluk juist is, zou dit betekenen dat de vrijescholen NU pas het belang van ‘beweging’ zouden gaan inzien. En dat zou betekenen dat er dus al geruime tijd te weinig beweging in dit onderwijs zou zijn, terwijl het belang van (kunstzinnige) beweging  altijd een pijler van de vrijeschooldidactiek is geweest. Een nieuwe tendens is wel ‘de beweeglijke klas‘.

.

Opvoedingsvragen: alle artikelen 

Zintuigen: waaronder de tastzin: alle artikelen

.

2506-2350

,

,

.

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (61)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

Een bekroond kinderboek uit 1968, maar in wezen tijdloos, zodat het ook nu gelezen kan worden.
Mattijs, die Mooimuziek heet, mag en bezoek brengen aan een koning, Lodewijk met het Fijne Oor. Deze verdraagt geen wanklanken. Klinken die tóch, dan gaat er van alles verloren. Mattijs hoort in dit land waar nog nooit een valse toon heeft geklonken, de mooiste muziek, vooral die van een zilveren fluit. Maar een boze heks, Klor, maakt de fluit vals en nu zijn de mooie dagen in het rijk voorbij. Mattijs zou nog redding kunnen brengen, maar dan moet hij op weg. Hij doet het en beleeft allerlei avonturen. Zou het hem lukken de muziek weer in het rijk terug te brengen.
Bijzonder aan het boek is o.a. dat de schrijver allerlei humoristische woordspelingen en woordgrappen maakt. Soms wat ; bedacht’ en al lezer moet je wel oud genoeg zijn om dit alles te begrijpen. Dat zal vóór het 10e jaar niet het geval zijn, denk ik.

MATTIJS MOOIMUZIEK

Hans Werner
Ill. N.J.Hiemstra

Uitgeverij West-Friesland

Boek

Leeftijd va 11 jr

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

.

2505-2349

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 304 – voordracht 1 en 2

.

RUDOLF STEINER

GA 304 [1]

Erziehungs- und Unterrichtsmethoden auf anthroposophischer
Grundlage

Neun öffentliche Vorträge, gehalten zwischen dem 23. Februar 1921
und 16. September 1922 in verschiedenen Städten

OPVOED- EN ONDERWIJSMETHODEN OP BASIS VAN ANTROPOSOFIE

Negen openbare voordrachten, gehouden tussen 23 februari 1921 en 16 september 1922 in verschillende plaatsen.

Inhoudsopgave   voordracht [9]

Voordracht 1, Den Haag 23 februari 1923 

Die anthroposophische Geisteswissenschaft und die großen
Zivilisationsfragen der Gegenwart

De antroposofische geesteswetenschap en de grote vragen van de hedendaagse beschaving 

Voordracht 2, Den Haag 27 februari 1923

Erziehungs-, Unterrichts- und praktische Lebensfragen vom Gesichtspunkte anthroposophischer Geisteswissenschaft 


Een antroposofische kijk op opvoeding, onderwijs en het praktische leven

Beide voordrachten zijn vertaald:

Antroposofie en het praktische leven

[1] GA 304 (Duits):
Voordracht 1
Voordracht 2      

.

Rudolf Steinerpedagogische voordrachten

Rudolf Steineralle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen.

.

2504-2348

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 304 – inhoudsopgave

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: vspedagogie  voeg toe apenstaartje gmail punt com

RUDOLF STEINER

GA 304

Erziehungs- und Unterrichtsmethoden auf anthroposophischer
Grundlage

Neun öffentliche Vorträge, gehalten zwischen dem 23. Februar 1921
und 16. September 1922 in verschiedenen Städten

OPVOED- EN ONDERWIJSMETHODEN OP BASIS VAN ANTROPOSOFIE

Negen openbare voordrachten, gehouden tussen 23 februari 1921 en 16 september1922 in verschillende steden.

Inhoudsopgave:

[1] Die anthroposophische Geisteswissenschaft und die großen
Zivilisationsfragen der Gegenwart Den Haag, 23. Februar 1921 
De antroposofische geesteswetenschap en de grote vragen van de hedendaagse beschaving 

[2]Erziehungs-, Unterrichts- und praktische Lebensfragen vom Gesichtspunkte anthroposophischer Geisteswissenschaft Den Haag, 27. Februar 1921
Een antroposofische kijk op opvoeding, onderwijs en het praktische leven

3] Die pädagogische Bedeutung der Erkenntnis vom gesunden
und kranken Menschen Dornach, 26. September 1921  Fragenbeantwortung 
De pedagogische betekenis van inzicht in de gezonde en zieke mens
Met vragenbeantwoording

4] Die pädagogische Grundlage der Waldorfschule Aarau, 11. November 1921,
mit Diskussionsvoten 

De pedagogische basis van de vrijeschool
Met discussie

5] Erziehungs- und Unterrichtsmethoden auf anthroposophischer Grundlage
Erster Vortrag, Kristiania (Oslo), 23. November 1921 
Opvoed-en onderwijs,methoden op basis van antroposofie

6] Zweiter Vortrag, Kristiania (Oslo), 24. November 1921 .
2e deel

7] Das Drama mit Bezug auf die Erziehung Stratford-on-Avon, 19. April 1922 
Het drama met het oog op de opvoeding

8] Shakespeare und die neuen Ideale, Stratford-on-Avon, 23. April 1922
Shakespeare en de nieuwe idealen

[9] Ein Vortrag über Pädagogik während des «Französischen Kurses» am Goetheanum, Dornach, 16. September 1922 (Autoreferat) 
Een voordracht over pedagogie

.

GA 304 (Duits)

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

.

2503-2348

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sprookjes (2-4/18)

.

In de kleuterklas en de 1e klas van de vrijeschool worden sprookjes verteld. Die werden en worden op allerlei manieren verklaard, uitgelegd.
Ook door de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie, het antroposofische mensbeeld, is er een bepaalde taal te lezen tussen de regels van het sprookje.
De beeldentaal.
Om het sprookje te vertellen, is het niet nodig dat je die beeldinhoud kent, maar het kan wel helpen je een stemming mee te geven in wát je nu eigenlijk vertelt. Het gaat om een gevoelsmatige verbinding, niet om een intellectueel uit elkaar rafelen.
Overbodig te zeggen dat ‘de uitleg’ nooit voor de kinderen bedoeld is!

Friedel Lenz heeft met die achtergronden verschillende sprookjes van Grimm gelezen en haar opvattingen zijn weergegeven in haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘.

De woorden van Friedel Lenz worden hier niet letterlijk vertaald weergegeven, meer de strekking daarvan, die ik met eigen gezichtspunten heb aangevuld.
.

Friedel Lenz, Die Bildsprache der Märchen
.

HET SNUGGERE SNIJDERTJE

Lenz begint met een anekdote over Goethe. Zijn moeder las hem het sprookje van het snijdertje voor en sloot het ergens af om morgen weer verder te gaan. “Het is niet waar’, zei de kleine Wolfgang, ‘dat rot snijdertje krijgt de prinses niet!’
En daarmee sprak het kind dat geestelijk zo zeker was, nietsvermoedend zijn levensprobleem uit. Want Goethe streed zijn hele leven tegen het snijdertje ter wille van de prinses.

Waar gaat het bij een kleermaker om. Hij moet de stof versnijden en naar eigen maat weer samenstellen tot een geheel, steeds de schaar en naald en draad hanterend en met veel aandacht, want de maten moeten blijven kloppen.
Het nieuwe geheel dat ontstaat, is totaal anders dan het oude en het is helemaal zijn eigen werk. Geen wonder dat we de kleermaker in ere moeten houden, want er hangt veel van hem af.

En dan de innerlijke kleermaker. Hoeveel hangt er niet van hem af. Onvermoeibaar is hij met het geheel bezig waar hij met een scherp verstand delen van maakt en met subtiele fijngevoeligheid de stukken naar eigen inzicht dan weer in elkaar zet en opnieuw tot een geheel vormt. De beeldentaal noemt het intellect ‘snijdertje’. Het is die schranderheid die minder een groot omvattend gebied probeert te begrijpen, dan wel die zich dapper op iets kleins stort en die zelf zijn schranderheid wel bijsnijdt. 
Als dit in de mens de boventoon gaat voeren, bestaat echter wel het gevaar dat hij tot een iel, spitsvondig en ook wel een geheel wordt met eigendunk. Want iets groots kleinmaken en naar eigen goeddunken weer in elkaar zetten, kan gemakkelijk trots maken.
Dan kan zo’n kleermakertje uitroepen: ‘Zeven in één klap’, ook al gaat het maar om vliegen. 

Goethe zou zo’n kleermaker dus nooit hebben kunnen verdragen. 
Als hij zich echter voegt naar de gemeenschap, zit hij daar terecht bij en wij kunnen hem goed gebruiken.

Er was eens een prinses die geweldig trots was. Als er iemand kwam die met haar wilde trouwen, gaf zij hem een raadsel op en als hij het niet kon raden, werd hij bespot en weggestuurd. Ook liet zij bekend maken dat degene die haar raadsel oploste, met haar mocht trouwen, wie het ook was. Tenslotte waren er ook drie kleermakers bijeen, en de twee oudsten vonden dat zij zoveel fijne steekjes goed gemaakt en goed getroffen hadden, dat het niet anders kon, of zij zouden het er ook hier goed afbrengen. De derde was een kleine, waardeloze spring-in-’t-veld die zijn vak niet eens goed verstond, maar vond, dat hij er een beetje geluk bij moest hebben, want waar zou het anders vandaan moeten komen. De twee oudsten zeiden tegen hem: ‘Blijf jij maar thuis, met dat kleine beetje verstand van jou kom je toch niet ver.’ Het kleermakertje liet zich echter niet van de wijs brengen en zei, dat hij er nu eenmaal zijn zinnen op had gezet, en het heus wel zou klaarspelen en hij ging op weg met een gezicht alsof de hele wereld van hem was.

Zij meldden zich alle drie bij de prinses en zeiden dat zij haar raadsel maar eens aan hen moest voorleggen, zij waren daarvoor de juiste lieden, want zij hadden zo’n spits verstand dat het wel door het oog van een naald gehaald kon worden. Toen sprak de prinses: ‘Ik heb tweeërlei haar op mijn hoofd, wat voor kleur heeft het?’ – ‘Als dat alles is,’ zei de eerste, ‘dan is het zeker zwart en wit, net als haar dat je peper en zout noemt.’ De prinses zei: ‘Misgeraden, laat de tweede antwoorden.’ De tweede zei: ‘Als het geen zwart en wit is, dan is het zeker bruin en rood, zoals de zondagse jas van mijn vader.’ – ‘Misgeraden,’ zei de prinses, ‘laat nu de derde antwoorden, ik zie aan hem, dat hij het weet.’ Toen stapte het kleermakertje parmantig naar voren en zei: ‘De prinses heeft een zilveren en een gouden haar op haar hoofd en dat zijn de beide kleuren.’ Toen de prinses dat hoorde werd zij bleek en was bijna flauwgevallen van schrik, want het snijdertje had precies in de roos geschoten en zij had vast geloofd daar zou geen mens ter wereld achter kunnen komen.

In dit sprookje wordt het snijdertje met de prinses geconfronteerd en daarbij is hij helemaal niet timide. Hij weet heel goed dat zij niet zoveel heeft met het alledaagse, maar dat er bij haar iets is wat uit twee werelden komt, die tegenover elkaar staan: de zon en de maan, zoals goud en zilver. Bij deze prinses is er een haar van beide aanwezig; zij zoekt met hooghartige vragen naar een ‘vrijer’. Nu wordt ze geconfronteerd met een ‘snijder’ en uiteindelijk wordt zij de zijne.

Toen zij weer tot zichzelf kwam zei zij: ‘Daarmee heb je me nog niet gewonnen, je moet nog één ding doen: beneden in de stal ligt een beer bij wie je de nacht moet doorbrengen. Als ik morgen opsta en je leeft nog, dan mag je met mij trouwen.’ Zij dacht op die manier het kleermakertje kwijt te raken, want er was nog nooit iemand levend uit de klauwen van de beer gekomen. Maar het kleermakertje liet zich niet afschrikken, was heel opgewekt en zei: ‘Wie waagt, die wint.’

De tweede opdracht voor het snijdertje is belangrijker. Hij moet het met de beer in de kelder zien uit te houden. De beer beweegt zich weliswaar op vier poten, maar kan toch ook op twee poten rechtop gaan staan, wonderbaarlijk mensachtig en hij kan zelfs dansen.
Het is het beeld van dofheid en zwaarte die wel naar omhoog streven en rechtop lichter en makkelijker zich zouden willen bewegen, maar zij trekken de mens steeds weer omlaag. Deze aardezwaarte is buitengewoon sterk, soms gepaard gaand met een bepaalde goedmoedigheid en het kan in positieve zin ook duiden op stevig op aarde staan en standvastigheid. Zo opgevat staat de beer op het wapenschild. Als deze zwaarte echter tot activiteit komt, samen met smeulende drift, dan kan de beer gevaarlijk worden.

Tegen de avond werd ons snijdertje naar de beer gebracht. De beer kwam dadelijk op het kereltje af en wilde hem met zijn klauwen een warm onthaal bereiden. ‘Rustig, rustig,’ zei het kleermakertje, ‘ik zal je wel kalmeren.’ En toen haalde hij heel gemoedelijk, alsof er geen vuiltje aan de lucht was, een paar noten te voorschijn, beet ze kapot en at het binnenste op. Toen de beer dit zag kreeg hij er trek in en wilde ook noten hebben. Het kleermakertje tastte in zijn zak en gaf hem een handvol, maar dat waren geen noten, maar kiezelstenen. De beer stak ze in zijn bek, maar hoe hij ook beet, hij kon er niets mee beginnen. Hé, dacht hij, wat ben ik voor een domkop, dat ik niet eens een paar noten kan kraken, en hij zei tegen het kleermakertje: ‘Toe, kraak jij die noten eens voor me.’ – ‘Nu zie je eens wat voor een kerel jij bent,’ zei het kleermakertje, ‘je hebt zo’n grote bek en je kunt niet eens een nootje stukbijten.’ Toen nam hij de stenen, verwisselde deze behendig, stak een noot in zijn mond en ‘krak’ daar was hij in tweeën. ‘Ik wil het toch nog eens proberen,’ zei de beer, ‘als ik dat zo zie, vind ik, dat moet ik toch ook kunnen.’ Het kleermakertje gaf hem weer stenen en de beer beet er uit alle macht op, maar jullie geloven toch ook niet dat hij het voor elkaar kreeg, is het wel?

De vraag luidt: wat is sterker – het intellect of de dofheid en zwaarte. Hoe wordt het snijdertje de beer de baas? We weten wat het betekent: ‘noten kraken’ en kennen de uitdrukking (Duits) Kopfnüsse – een moeilijk probleem. De walnoot verschaft het beeld. Het hoofd waarin de hersenen rusten als de kern in een noot, is de schaal, de harde noot. Het kleermakertje ‘kraakt de noot’, d.w.z. het intellect lost denkproblemen op. Wie nog dom en traag is, niet in het heldere wakkere leeft, moet het leren. De kleermaker laat aan de beer zien dat deze geen stenen van noten kan onderscheiden, dus goede, vruchtbare gedachten niet van onvruchtbare, materialistische en hij laat de lompe beer de kern halen uit iets waar die niet in zit. En dat brengt beweging op gang.

Toen dat voorbij was haalde het kleermakertje een viool onder zijn jas vandaan en begon een deuntje te spelen. Toen de beer de muziek hoorde kon hij het niet laten te gaan dansen. En toen hij een tijdje had gedanst, beviel hem dat zó goed, dat hij tegen het kleermakertje zei: ‘Hoor eens, is dat fiedelen moeilijk?’ – ‘Kinderlijk eenvoudig… kijk, de vingers van de linkerhand leg ik hierop en met de rechterhand strijk ik er met de strijkstok vrolijk op los van je hopsasa en je falde-raldera.’ – ‘Zó spelen, dat zou ik toch ook graag kunnen,’ zei de beer, ‘dan kon ik dansen zoveel ik wilde. Wat vind je ervan, wil je mij dat leren?’ – ‘Heel graag,’ zei het kleermakertje, ‘als je er aanleg voor hebt. Maar laat mij je klauwen eens zien, die zijn verschrikkelijk lang, ik moet wel je nagels een beetje afknippen.’ Toen werd de bankschroef erbij gehaald en de beer legde zijn klauwen erin. Het kleermakertje draaide ze vast en zei: ‘Wacht nu maar totdat ik met de schaar kom,’ liet de beer brommen zoveel hij maar wilde en ging in de hoek op een bos stro liggen slapen.

Als het intellect ook nog muzikaal wordt (als de kleermaker op de viool speelt) en kunstzinnig harmoniserend werkt, dan wordt de zwaarte uiteindelijk overwonnen: de beer danst en zou zelf ook graag muzikaal worden. In ieder geval heeft het kleermakertje nu macht over hem.

Toen de prinses ’s avonds de beer zo geweldig hoorde brommen dacht zij niet anders dan dat hij van plezier bromde omdat hij het kleermakertje had afgemaakt. De volgende morgen stond zij dan ook onbezorgd en vrolijk op; maar als ze naar de stal kijkt, staat me dat snijdertje heel monter er voor en is zo gezond als een vis. Nu kon zij geen tegenwerpingen meer maken, want zij had het in het openbaar beloofd en de koning liet een koets komen, waarin zij met het kleermakertje naar de kerk zou gaan om te trouwen. Toen zij waren ingestapt gingen de twee andere kleermakers die vals van aard waren en hem zijn geluk niet gunden, naar de stal en schroefden de beer los. De beer rende razend achter de koets aan. De prinses hoorde hem snuiven en brommen; zij werd bang en riep: ‘O, de beer komt achter ons aan, hij wil je pakken!’ Het kleermakertje was er vlug bij, ging op zijn hoofd staan, stak zijn benen buiten het raampje en riep: ‘Zie je de bankschroef? Als je niet vlug verdwijnt, ga je er weer in.’ Toen de beer dat zag, keerde hij om en liep hard weg. Ons snijdertje reed daarna rustig naar de kerk, trouwde de prinses en leefde met haar zo vrolijk en blij als een
boomleeuwerik. Wie het niet gelooft, betaalt een daalder.

De trotse koningsdochter kon nu geen kant meer op: ze moest het snijdertje accepteren. Het intellect heeft zich bewezen, de prinses kan het intellect ziel geven: nu kunnen ze trouwen. 
Maar op de achtergrond zijn de twee andere kleermakers nog die jaloers zijn op de vermogens van de derde. (We kennen de drieheid van deze jongens of broers uit verschillende sprookjes en we weten hoe vaak ze hun broer die zich ontwikkeld heeft, willen remmen). Zij zijn er schuld aan dat de berendofheid zich nog een keer wil laten gelden. Maar het snijdertje weet daar wel raad mee: hij gaat op zijn kop staan.

Hieronymus von Herzogenbusch, Bosch genaamd, de grote symboolmaker, laat vaak het op-zijn-kop-staan zien. Het betekent: volledige ommekeer. Niet alleen maar op de vaste grond van de feiten staan, maar van tijd tot tijd ook thuis zijn in een hogere wereld, daar komt het op aan. 
Wanneer het intellect zo beweeglijk is geworden dat het ‘boven en beneden’ beheerst, zijn de berendofheid en de zwaarte voor altijd overwonnen en niets staat de bruiloft meer in de weg.

Ill. uit Grimm Sprookjes – uitgeverij Lemniscaat

.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2502-2348

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 10 (10-9)

.

Enkele gedachten bij blz. 160-161 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Nadat Rudolf Steiner een verband heeft gelegd tussen het resultaat van het concilie van Constantinopel: afschaffing van de geest en het ontstaan van de materialistische wetenschap, i.z. de evolutieleer, stelt hij a.h.w. een soort eis aan de leerkracht:

De leraar moet wereldburger zijn

Blz  164  vert. 160

Es geziemt insbesondere dem heutigen Lehrer der Jugend, solche Dinge zu wissen. Denn er soll sein Interesse verknüpfen mit dem, was in der Welt geschehen ist. Und er soll die Dinge, die in der Welt geschehen, aus den Fundamenten heraus wissen.

Vooral de leraren in deze tijd zouden zulke dingen moeten weten, want zij dienen interesse te hebben voor wat er in de wereld gebeurd is. En zij dienen de ware achtergronden van de gebeurtenissen in de wereld te doorzien.

En even later – duidend op ‘Constantinopel’ als een geweldige cultuurhistorische gebeurtenis:

Das ist aber notwendig, daß insbesondere der Lehrer, der sonst mit dem werdenden Menschen gar nichts machen kann, die Kulturtatsachen aus den Fundamenten heraus zu erfassen in der Lage ist.

Maar het is noodzakelijk dat vooral de leraren in staat zijn de ware achtergronden van culturele gebeurtenissen te doorgronden, anders kunnen ze met opgroeiende mensen niets beginnen.

En dat geldt niet alleen voor vroegere gebeurtenissen:

Aber der Pädagoge muß auch die Zeit begreifen, in der er steht, weil er die Kinder begreifen muß, die ihm aus dieser Zeit heraus zum Erziehen übergeben werden.

De pedagoog moet ook de tijd begrijpen waar hij in staat, omdat hij de kinderen moet begrijpen die hem toevertrouwd worden.
GA 293/124
vertaald/121

En daarover spreekt hij vanzelfsprekend ook in andere pedagogische voordrachten:

Der Lehrer muß daher durchdrungen sein vom allerintensivsten Interesse für das Leben.

De leraar moet diep in zichzelf de allergrootste interesse voor het leven voelen.
GA297/63
Op deze blog vertaald/63

Der Lehrer müßte vor allen Dingen ein umfassendes Interesse haben an der ganzen Entwicklung der Menschheit. Er müßte intensiv sich interessieren für alles dasjenige, was in seinem Zeitalter vorgeht.

De leraar zou boven alles een omvattende interesse moeten hebben voor de totale ontwikkeling van de mensheid. Hij zou zich diep moeten interesseren voor wat er in zijn tijd gebeurt.
GA 301/163
Op deze blog vertaald/163

Das müssen wir insbesondere als Pädagogen, als solche Menschen tun, denen die Jugend anvertraut ist; da müssen wir uns wirklich vor allen Dingen fühlen als ein Glied im Weltganzen drinnen, innerhalb dessen die Menschheitsentwicklung eine große Rolle spielt…..[ ] daß wir uns da drinnen fühlen in aller Bescheidenheit als Missionäre der Menschheitsentwicklung.

Dat moeten we in het bijzonder doen als pedagogen, als de mensen aan wie de jeugd is toevertrouwd. We moeten ons echt in de eerste plaats voelen als een onderdeel van de totale wereld, waarin de ontwikkeling van de mensheid een grote rol speelt. [  ] ..dat we ons daarin in alle bescheidenheid ervaren als missionarissen van de ontwikkeling van de mensheid.
GA 302/138
Vertaald/134

Hier een subtiele variant op dit thema:

Man hat in der Menschheitsentwicklung nicht das Recht, sich als Individualität zu fühlen, wenn man sich nicht zu gleicher Zeit als Angehöriger der gan­zen Menschheit fühlt.

In de ontwikkeling van de mensheid heb je niet het recht je een individualiteit te voelen, wanneer je niet tegelijkertijd voelt, dat je ook deel uit maakt van de hele mensheid
GA 305/238
Niet vertaald

Der Lehrer soll den freien, unbefangenen Blick ins Leben haben, soll das Leben verstehen, und soll für dieses Leben, das er versteht, die Kinder in der Schule unterrichten und erziehen können.

De leerkracht moet de vrije, onbevangen blik op het leven hebben, moet het leven begrijpen, en voor dit leven dat hij begrijpt moet hij de kinderen in de school kunnen opvoeden en onderwij­zen.
GA 307/235
Vertaald/302

Wanneer aan de 14-daagse cursus een einde komt, formuleert Steiner voor de leraren een soort motto. Alsof hij ze pregnant de essenties wil meegeven:

Der Lehrer soll ein Mensch sein, der Interesse hat für alles weltliche und menschliche Sein.

De leraar moet een mens zijn met interesse voor alles wat in de wereld en in de mens leeft.
GA 294/193
Vertaald/205

Wie dergelijke uitspraken met aandacht tot zich laat doordringen, voelt iets ‘wereldburgerlijks’ in zich opbloeien. Het is het ‘weltmännische’ dat Steiner vraagt van mensen die met antroposofie dienstbaar aan de wereld willen zijn.
Uiteraard slaat dit ‘männisch’ niet alleen op ‘mannen’. Het ging Steiner om de individualiteiten, niet om in welk lichaam die geïncarneerd waren.
Deze ‘wereldburgerlijke’ gedachten passen helemaal bij het Michaëlische tijdperk van de bewustzijnsziel. Michaël als o.a. de inspirator van een tijd waarin grenzen tussen volkeren, staten en individuen wegvallen. Soms ‘dankzij’ en soms ‘desondanks’ en waarvan de schaduwzijden – de remmende krachten – ook duidelijker aanwezig zijn. Dat geldt m.n. voor onze huidige tijd.

Deze grootse opvattingen van Steiner staan in een sterk contrast met wat sommige critici van de antroposofie (en van de vrijeschool) willen maken: een sekte.
Zouden deze critici zich werkelijk gedegen hebben beziggehouden met Steiners intenties, dan waren zij niet tot hun stompzinnige opvattingen gekomen.

Steiner blijft nog bij ‘de achtergronden’, maar wie zich verder verdiept in zijn antroposofische gezichtspunten, in wat hij aan menskunde naar voren brengt voor de leraar, ziet dat hij verder gaat dan dat, al komt het bij hetzelfde uit:

Eerbied voor de mens

Denn dann wird er vor dem Menschengebilde die richtige Achtung haben.

Want dan zal hij werkelijk eerbied hebben voor de mens als schepping.

En het betekent iets voor de relatie leraar-leerling.
Het gaat om wat Steiner zo buitengewoon belangrijk vindt: welke gedachten en gevoelens heeft de leraar in zich en daardoor ook om zich heen: wat gaat er van hem uit.
Hij schetst dit vaak als volgt:

Het imponderabele

Nehmen Sie das einfache Beispiel: Das Weiterleben der Seele nach dem Tode will ich dem Kinde klarmachen. Ich mache es dem Kinde nie klar, sondern täusche mir nur darüber etwas vor, indem ich ihm darüber Theorien beibringe. Keine Art von Begriff kann dem Kinde vor dem 14. Lebensjahre etwas beibringen über die Unsterblichkeit. Aber ich kann ihm sagen: Sieh dir einmal diese Schmetterlingspuppe an. Da ist nichts drinnen. Da war der Schmetterling drinnen, aber der ist herausgekrochen. – Ich kann ihm auch den Vorgang zeigen, und es ist gut, solche Metamorphosen dem Kinde vorzuführen. Ich kann nun den Vergleich ziehen: Denke dir, du bist jetzt selbst eine solche Puppe. Deine Seele ist in dir, die dringt später heraus, wird dann so herausdringen wie der Schmetterling aus der Puppe. – Das ist allerdings naiv gesprochen. Nun können Sie lange darüber reden. Wenn Sie aber nicht selbst daran glauben, daß der Schmetterling die Seele des Menschen darstellt, so werden Sie beim Kinde nicht viel mit einem solchen Vergleich erreichen. Sie werden auch nicht jene reine Unwahrheit hineinbringen dürfen, daß Sie die Sache nur als einen menschlich gemachten Vergleich ansehen. Es ist kein solcher Vergleich, sondern es ist eine von der göttlichen Welten-ordnung hingestellte Tatsache. Die beiden Dinge sind nicht durch unseren Intellekt gemacht. Und wenn wir uns den Dingen gegenüber richtig verhalten, so lernen wir glauben an die Tatsache, daß die Natur überall Vergleiche für das Geistig-Seelische hat. Wenn wir eins werden mit dem, was wir dem Kinde beibringen, dann ergreift unser Wirken das ganze Kind. Das Nicht-mehr-mit-dem-Kinde-fühlen-Können, son­dern glauben an das Nur-Umsetzen in irgendeine Ratio, an die wir selber nicht glauben, das macht es, daß wir dem Kinde so wenig bei­bringen. Wir müssen mit unserer eigenen Auffassung so zu den Tat­sachen stehen, daß wir zum Beispiel mit dem Auskriechen des Schmet­terlings aus der Puppe nicht ein willkürliches Bild, sondern ein von uns begriffenes und geglaubtes, von den göttlichen Weltenmächten gesetztes Beispiel in die Kinderseele hineinbringen. Das Kind muß nicht von Ohr zu Ohr, sondern von Seele zu Seele verstehen. Wenn Sie das beachten, werden Sie damit weiterkommen.

Neemt u het eenvoudige voorbeeld dat ik een kind duidelijk wil maken dat de ziel voortleeft na de dood. Ik kan dat het kind nooit duidelijk maken, ik beeld me dat maar in, wanneer ik het theorieën daarover bij breng. Geen enkel begrip kan een kind voor zijn veertiende jaar iets leren over de onsterfelijkheid. Maar ik kan tegen het kind zeggen: ‘Kijk eens naar deze cocon van een vlinder. Er zit niets meer in. De vlinder heeft erin gezeten, maar die is er uitgekropen.’ Ik kan ook laten zien hoe dat gebeurt, en het is goed om een kind zulke metamorfoses te laten zien. Dan kan ik een vergelijking maken. ‘Stel je nu voor, jij bent zelf zo’n cocon. Jouw ziel is binnenin je; die maakt zich later los, net zoals de vlinder zich losmaakt uit zijn cocon.’ Dat is natuurlijk kinderlijk verteld. Nu kunt u hier lange verhalen over houden. Maar als u zelf niet gelooft dat die vlinder de ziel van de mens verbeeldt, dan zult u met zo’n vergelijking niet veel bereiken bij een kind. U mag er ook niet die pure onwaarheid in laten doorklinken dat u dit enkel als een door mensen gemaakte vergelijking beschouwt. Dat is het niet. Het is een door de goddelijke wereldorde in het leven geroepen feit. Het verband tussen die twee dingen is niet door ons intellect gemaakt. En als we de juiste houding tegenover de dingen weten te vinden, dan leren we te geloven aan het feit dat de natuur overal gelijkenissen heeft voor de werkelijkheid van geest en ziel.
Als wij één worden met wat we een kind leren, dan dringen we daarmee door tot het hele kind. Dat we niet meer kunnen voelen hoe een kind voelt, maar denken dat we alles moeten omzetten in een of andere ratio waar we zelf niet aan geloven, dat maakt dat we kinderen zo weinig kunnen bijbrengen. Onze eigen opvatting en houding ten opzichte van de feiten moet zo zijn dat we bijvoorbeeld met het beeld van de vlinder die uit de cocon kruipt niet een willekeurig beeld, maar een door ons begrepen en geloofd, door tic goddelijke wereldmachten geschapen voorbeeld in de kinderziel brengen. Het kind moet niet van oor tot oor, maar van ziel tot ziel begrijpen. Houdt u dat voor ogen, dan zult u daarmee verder komen.

Wenn wir eins werden mit dem, was wir dem Kinde beibringen, dann ergreift unser Wirken das ganze Kind. Das Nicht-mehr-mit-dem-Kinde-fühlen-Können, sondern glauben an das Nur-Umsetzen in irgendeine Ratio, an die wir selber nicht glauben, das macht es, daß wir dem Kinde so wenig beibringen.

Als wij één worden met wat we een kind leren, dan dringen we daarmee door tot het hele kind. Dat we niet meer kunnen voelen hoe een kind voelt, maar denken dat we alles moeten omzetten in een of andere ratio waar we zelf niet aan geloven, dat maakt dat we kinderen zo weinig kunnen bijbrengen.
GA 294/22
Vertaald/32-33

En dit is ook de basis waarop de leerkracht in de onderbouw de ‘vanzelfsprekende autoriteit‘ kan zijn.

Dat staat op één lijn met wat hier in de 10e voordracht staat:

Das ist aber notwendig, daß insbesondere der Lehrer, der sonst mit dem werdenden Menschen gar nichts machen kann, die Kulturtatsachen aus den Fundamenten heraus zu erfassen in der Lage ist. Dann wird er etwas in sich aufnehmen, was notwendig ist, wenn er aus seinem Inneren heraus durch die un- und unterbewußten Beziehungen zum Kinde in der richtigen Weise erziehen will.

Maar het is noodzakelijk dat vooral de leraren in staat zijn de ware achtergronden van culturele gebeurtenissen te doorgronden, anders kunnen ze met opgroeiende mensen niets beginnen. Wanneer de leraar zich in de achtergronden verdiept, dan zal hij iets in zich opnemen wat noodzakelijk is, wil hij vanuit zijn innerlijk, via on- en onderbewuste verbindingen met het kind, op de juiste wijze opvoedend werken.

Met welke gedachten ga je ’s morgens je klas binnen, ontmoet je de kinderen. Dat stipte Steiner al in de 1e voordracht aan:

Es ist ein großer Unterschied, und der liegt nicht bloß darin, daß der eine Lehrer geschickter ist, die äußerlichen pädagogischen Handgriffe so oder so zu machen, als der andere; sondern der hauptsächlichste Unterschied, der wirksam ist beim Unterricht, rührt her von dem,  was der Lehrer in der ganzen Zeit seines Daseins an Gedankeinrichtung hat, die er durch die Klassentür hereinträgt.

Er is nu eenmaal een groot verschil, beste vrienden, tussen de ene leraar die de klas – groot of klein – binnenstapt en de andere. Dat verschil is groot en ligt er niet in, dat de een er handiger in is de uiterlijke pedagogische vaardigheden op een bepaalde wijze toe te passen dan de ander; nee, het voornaamste verschil dat in de lessen doorwerkt, ontstaat door de richting die de gedachten van de leraar gedurende zijn hele leven hebben genomen – en die hij meebrengt wanneer hij de klas binnenstapt.

Ein Lehrer, der sich beschäftigt mit Gedanken vom werdenden Menschen, wirkt ganz anders auf die Schüler als ein Lehrer, der von alledem nichts weiß, der niemals seine Gedanken dahin lenkt.

Een leraar die zich bezighoudt met gedachten over de opgroeiende mens heeft een heel andere uitwerking op de leerlingen dan een leraar die van dat alles niets weet en zijn gedachten daar nooit op richt.

Waarschijnlijk omdat het eerder in de voordracht over de evolutie ging, formuleert Steiner – voorzichtig – de consequentie van de gedachte dat de mens van het dier afstamt:

Er wird anders an dieses menschliche Gebilde herantreten, als wenn er nur so etwas wie ein besser ausgebi!detes Viehchelchen, einen besser ausgebildeten Tierleib im Menschen sieht. Heute tritt der Lehrer im Grunde genommen, wenn er sich auch manchmal in seinem Oberstübchen kllusionen darüber hingibt, er tritt mit dem deutlichen Bewußt.cin vor den anderen Menschen hin, daß der aufwachsende Mcmch ein kleines Viehchelchen, ein Tierlein ist, und daß er dieses Tierlein zu entwickeln hat – etwas weiter, als es die NaJur schon entwickelt hat.

Hij zal zich anders opstellen tegenover het bouwwerk van de mens dan wanneer hij in de mens alleen maar een soort beter ontwikkeld beestje ziet, een beter ontwikkelde diergestalte. De leraar van tegenwoordig stelt zich – hoewel hij wel eens in zijn bovenkamer de illusie heeft dat dat anders is – toch zo op, dat volgens hem de opgroeiende mens een klein beestje, een klein diertje is, en dat hij dit diertje moet ontwikkelen – iets verder dan de natuur al gedaan heeft.

En wat Steiner hier nog mild ‘een beestje’ noemt, kwam in 1967 door de bestseller van Desmond Morris ‘De naakte aap’ vol in de schijnwerper te staan: de mens IS een hoger dier.
Leen Mees schreef een antwoord: ‘De aangeklede engel

Inmiddels zijn we al weer wat ‘verder’ en is de focus verschoven naar het brein. ‘Wij zijn ons brein‘.
Arie Bos schreef een antwoord: ‘Mijn brein denkt niet, ik wel‘.
En ook die visie heeft inmiddels de pedagogie bereikt: [opspattend grind 45]

Hoe anders er door Steiner gedacht wordt, vinden we in zijn afsluitende woorden van deze voordracht:

Er wird in dem Menschengebilde überall die Beziehungen zur großen Welt sehen.

Hij zal in de vorm van de mens overal verbindingen met de grote wereld zien.

Anders wird er fühlen, wenn er sagt: Da ist ein Mensch, von dem gehen Beziehungen aus zur ganzen Welt, und in jedem einzelnen aufwachsenden Kind habe ich etwas, wenn ich daran etwas arbeite, tue ich etwas, was in der ganzen Welt eine Bedeutung hat. Wir sind da im Schulzimner: in jedem Kinde liegt ein Zentrum von der Welt aus, vom makrokosmos aus. Dieses Schulzimmer ist der Mittelpunkt, ja viele Mittelpunkte für den Makrokosmos. – Denken Sie sich, lebendig das gefühlt, was das bedeutet! Wie da die Idee vom Weltenall und seinem Zusammenhang mit dem Menschen übergeht in ein Gefühl, welches durchheiligt alle einzelnen Vornahmen des Unterrichtes. Ohne daß wir solche Gefühle vom Menschen und vom Weltenall haben, kommen wir nicht dazu, ernsthaftig und richtig zu unterrichten. In dem Augenblick, wo wir solche Gefühle haben, übertragen sich diese durch unterirdische Verbindungen auf die Kinder. Ich habe Ihnen in anderem Zusammenhange gesagt, daß es auf einen immer wunderbar wirken muß, wenn man sieht, wie die Drähte in die Erde hinein zu Kupferplatten gehen und die Erde die Elektrizität ohne Drähte weiterleitet. Gehen Sie in die Schule hinein nur mit egoistischen Menschengefühlen, dann brauchen Sie alle möglichen Drähte – die Worte -, um sich mit den Kindern zu verständigen. Haben Sie die großen kosmischen Gefühle, wie sie entwickeln solche Ideen, wie wir sie eben entwickelt haben, dann geht eine unterirdische Leitung zu dem Kinde. Dann sind Sie mit den Kindern eins. Darin liegt etwas von geheimnisvollen Beziehungen von Ihnen zum Schulkinder- ganzen. Aus solchen Gefühlen heraus muß auch das aufgebaut sein, was wir Pädagogik nennen. Die Pädagogik darf nicht eine Wissenschaft sein, sie muß eine Kunst sein. Und wo gibt es eine Kunst, die man lernen kann, ohne daß man fortwährend in Gefühlen lebt? Die Gefühle aber, in denen man leben muß, um jene große Lebenskunst auszuüben, die Pädagogik ist, diese Gefühle, die man haben muß zur Pädagogik, die feuern sich nur an an der Betrachtung des großen Weltalls und seines Zusammenhanges mit dem Menschen.

Hij zal heel andere gevoelens hebben, wanneer hij zegt: daar is een mens; van hem uit bestaan er verbindingen met de hele wereld; in ieder afzonderlijk kind dat opgroeit leeft iets – wanneer ik daaraan werk, dan doe ik iets wat betekenis heeft voor de hele wereld. We zijn in de klas. In ieder kind ligt een centrum van de wereld, van de macrokosmos uit gezien. Deze klas is het middelpunt, ja, er zijn hier vele middelpunten voor de macrokosmos. – Denkt u zich eens in, voelt u dat eens mee, wat dat betekent! Dat betekent dat daar de idee van het heelal en zijn verbinding met de mens overgaat in een gevoel dat alle afzonderlijke handelingen in het onderwijs tot heilige daden maakt. Zonder zulke gevoelens over de mens en de kosmos zullen we niet in volle ernst en op de juiste wijze kunnen onderwijzen. Zodra we zulke gevoelens hebben, worden ze via onderaardse verbindingen op de kinderen overgedragen. Ik heb u in ander verband al gezegd dat het altijd een wonderlijke indruk maakt, wanneer men ziet hoe de draden naar koperen platen in de aarde gaan en de aarde de elektriciteit zonder draden verder geleidt. Stapt u de school in met enkel egoïstische mensengevoelens, dan heeft u allerlei draden — woorden namelijk — nodig, om met de kinderen te communiceren. Heeft u grote kosmische gevoelens, die opgeroepen worden door ideeën als die welke wij net ontwikkeld hebben, dan gaat er een onderaardse leiding naar het kind. Dan bent u één met de kinderen. Dat is een facet van de geheimzinnige verbindingen die er bestaan tussen u en de schoolklas. Wat wij pedagogie noemen, moet uit zulke gevoelens opgebouwd zijn. De pedagogie mag geenszins een wetenschap zijn, ze moet een kunst zijn. En waar bestaat er een kunst die men kan leren zonder voortdurend in gevoelens te leven? Maar de gevoelens waarin men moet leven, om die grote levenskunst die pedagogie heet uit te kunnen oefenen, deze gevoelens die men moet hebben ten behoeve van de pedagogie, die ontvlammen alleen wanneer men het grote heelal beschouwt en zijn verbinding met de mens.
GA 293/164-165
Vertaald/160-161

.*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] 
GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde: voordracht 10 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Seineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2501-2347

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 297A voordracht 6

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: vspedagogie  voeg toe apenstaartje gmail punt com

RUDOLF STEINER

GA 297A

ERZIEHUNG ZUM LEBEN

OPVOEDING VOOR HET LEVEN 

5 voordrachten, een autoreferaat, 2 vragenbeantwoordingen, en een krantenverslag tussen 24 febr. 1921 en 4 april 1924 in verschillende steden. [1]

Inhoudsopgave  voordracht [1]  [2]  [3]  [4]  [5]
vragenbeantwoording bij voordracht 1    vragenbeantwoording 2

ERZIEHUNG UND UNTERRICHT AUF GRUNDLAGE WIRKLICHER MENSCHENERKENNTNIS

Autoreferat Prag, 4. april 1924 [2]

Opvoeding en onderwijs op basis van echte menskunde

Blz. 166

Von einer Erziehungs- und Unterrichtsart möchte ich sprechen, die den ganzen, vollen Menschen nach Leib, Seele und Geist in gleich­mäßiger Art zu entwickeln bestrebt ist. Eine solche Erziehung kann nur geleistet werden, wenn der Erziehende sich bewußt ist, wie das Leibliche in der Entwicklung aus dem Seelischen und Geistigen heraus gebildet wird. Denn man kann an der Bildung eines Wesens nur mitwirken, wenn man die Gesetze dieser Bildung durchschaut.
Anthroposophie führt zu einer solchen Menschen-Erkenntnis. Sie betrachtet nicht einseitig das Leibliche, wie es in der naturwis­senschaftlichen Weltanschauung geschieht. Sie erhebt sich zu einem geistigen Schauen und blickt dadurch in jedem Lebensalter des Menschen auf die Art, wie der Geist am Leibe des Menschen schafft und wie die Seele im Leibe lebt.
Vor solcher Anschauung treten deutlich unterschiedliche Epo­chen im heranwachsenden Menschen auf.

Ik zou over een vorm van onderwijs en opvoeding willen spreken die de volledige mens met evenveel nadruk op lichaam, ziel en geest tot ontwikkeling wil laten komen. Zo’n opvoeding kan alleen tot stand worden gebracht, wanneer de opvoeder zich bewust is van hoe het lichamelijke in de ontwikkeling vanuit ziel en geest gevormd wordt. Want je kan alleen aan de vorming van een wezen meewerken, wanneer je de wetmatigheden van deze vorming doorziet.
De antroposofie brengt je zo’n menskunde. Deze kijkt niet eenzijdig naar het lichamelijke zoals dat in de natuurwetenschap gebeurt. Ze gaat verder tot aan een geestelijk waarnemen en kijkt daardoor in elke levensfase van de mens naar de manier waarop de geest aan het lichaam werkt en hoe de ziel in het lichaam leeft.
Bij deze manier van waarnemen komen er duidelijk te onderscheiden fasen naar voren in de ontwikkeling van een mens.

Eine erste Epoche läuft von der Geburt bis zum Zahnwechsel, um das siebente Lebensjahr herum. Das Heraustretender zweiten Zähne ist nicht bloß ein lokalisierter Prozeß im Organismus des Menschen. Es geht, wenn die ersten Zähne ausfallen und die zweiten erscheinen, im ganzen Organismus etwas vor sich. Die Entwicklung ist bis dahin so, daß das Geistig-Seelische an der Leibesbildung intensiv mit-arbeitet. Leib, Seele und Geist sind in dieser Zeit der menschlichen Entwicklung noch im hohen Grade eine Einheit.

Een eerste fase loopt van de geboorte tot aan de tandenwisseling rondom het zevende jaar. Het tevoorschijn komen van de blijvende tanden is niet alleen een lokaal proces in het organisme van de mens. Wanneer de melktanden eruit komen en de blijvende verschijnen, gebeurt er iets in het hele organisme. Tot dan verloopt de ontwikkeling zo dat geest en ziel intensief meewerken aan de vorming van het lichaam. Lichaam, ziel en geest vormen in deze tijd van de menselijke ontwikkeling nog in een hoge mate een eenheid.

*    Unter diesem Titel hielt Rudolf Steiner am 4. April 1924 in Prag einen Vortrag. Bei dem hier vorliegenden Autorreferat handelt es sich offenbar um einen für Pressevertreter abgefaßten Text, um ihnen den Bericht über diesen Vortrag zu erleichtern. Rudolf Steiner setzte folgende Bemerkung voran: «Dieses Ist nur eine Skizze dessen, was ich zu sagen haben werde; der Geistesforscher kann eigentlich solche Sachen nicht machen; er schöpft im Vortrage aus dem Geiste, nicht aus dem Gedächtnis, ist daher beirrt, wenn er seinen Vortrag wörtlich aufschreiben soll. Bitte das zu entschuldigen.»

*Onder deze titel hield Rudolf Steiner op 4 april 1924 in Praag een voordracht. Het verslag dat Steiner daarvan maakte, is duidelijk een tekst die voor vertegenwoordigers van de pers bedoeld was om hun berichtgeving daarover makkelijker te maken. Rudolf Steiner liet de volgende opmerking voorafgaan: ‘Dit is maar een schets van wat ik wil gaan zeggen; een onderzoeker van de geest kan dergelijke dingen eigenlijk niet doen; als hij een voordracht houdt, werkt hij vanuit de geest, niet vanuit zijn geheugen; wordt van zijn stuk gebracht wanneer hij zijn voordracht woordelijk op moet schrijven. Daarvoor excuses.’

Blz. 167

Der ganze Mensch ist deshalb wie ein umfassendes Sinnesorgan. Was später nur in der Sinnesorganisation konzentriert ist, das wirkt in dieser Zeit noch im ganzen Menschen. Dieser ist deshalb wie ein Sinnesorgan ganz an das Tun und Treiben der Umgebung hingege­ben. Er ist im ausgesprochenen Sinne ein nachahmendes Wesen. Sein Wille wirkt wie im Reflex auf alles, was in der Umgebung vorgeht. Man kann deshalb in diesem Lebensalter nur erziehen, indem man als Erziehender sich so verhält, daß das Kind alles, was man tut, nachahmen kann. Dies muß im umfassendsten Sinne genom­men werden. Zwischen dem Kinde und seinem Erzieher wirken Imponderabilien. Das Kind hat Eindrücke nicht nur von dem, was es in seiner Umgebung mit den äußeren Sinnen wahrnimmt, son­dern es empfindet aus dem Verhalten der anderen Menschen deren Gesinnung, deren Charakter, deren guten und bösen Willen. Man sollte daher als Erzieher in der Umgebung des Kindes bis in die Gedanken und Empfindungen hinein sich der Reinheit des Lebens befleißigen, so daß das Kind so werden kann, wie man selber ist.

Vandaar dat de hele mens een omvattend zintuigorgaan is. Wat later alleen maar geconcentreerd is in de zintuigen, werkt in deze tijd nog in heel de mens door. Vandaar dat hij als een zintuigorgaan overgeleverd is aan het reilen en zeilen van de omgeving. Hij is in de meest uitgesproken betekenis een nabootsend wezen. Zijn wil werkt als een reflex op alles wat er in zijn omgeving gebeurt. Vandaar dat je in deze leeftijdsfase alleen kan opvoeden wanneer je je als opvoeder zo gedraagt dat het kind alles wat je doet, kan nabootsen. Dat moet heel omvattend worden opgevat. Tussen het kind en zijn opvoeder werken onweegbare zaken. Het kind krijgt niet alleen indrukken van wat het in zijn omgeving met de uiterlijke zintuigen ziet, maar het neemt ook uit het gedrag van de andere mensen hun stemming waar, hun karakter, hun goede en slechte wil. Daarom zou je als opvoeder in de omgeving van het kind tot in je gedachten en je gevoelens toe je moeten beijveren voor het zuivere in het leven, zodat het kind zo kan worden zoals je zelf bent.

Aber man sollte sich auch bewußt sein, daß man durch sein Ver­halten nicht bloß auf die Seele, sondern auch auf den Leib wirkt. Was das Kind aufnimmt und reflexartig in seinen Willen über-strömen läßt, vibriert in der Organisation seines Leibes weiter. Ein jähzorniger Erzieher bewirkt am Kinde, daß dessen Leibes-organisation gewissermaßen spröde wird, so daß sie im späteren Lebensalter leicht zu der Beeinflussung durch krankmachende Einflüsse neigt. Wie man nach dieser Richtung erzieht, das wird im späteren Leben in der gesundheitlichen Verfassung des Menschen zutage treten.
Die anthroposophische Erziehungskunst sieht auf das GeistigSeelische in der Erziehung nicht, weil sie einseitig bloß dieses zur Entwicklung bringen möchte, sondern weil sie weiß, daß sie das Körperliche nur richtig entwickeln kann, wenn sie das Geistige, das am Körper schafft, in der rechten Art entwickelt.
Mit dem Zahnwechsel geht eine vollständige Metamorphose bei dem Kinde vor sich. Was vorher in die körperliche Organisation

Maar je moet ook weten dat je door je gedrag niet alleen op de ziel, maar ook op het lichamelijke werkt. Wat het kind in zich opneemt en reflexmatig in zijn wil laat stromen, werkt in de organisatie van zijn lichaam door. Een opvliegende opvoeder bewerkt in het kind dat zijn lichaamsorganisatie in zekere zin droog wordt, zodat het op latere leeftijd eerder neigt naar ziekmakende invloeden. Hoe je in deze richting opvoedt, zal in het latere leven in de gezondheidstoestand van de mens aan het licht komen.
De antroposofische opvoedkunst kijkt niet naar geest en ziel in de opvoeding omdat ze die eenzijdig tot ontwikkeling zou willen brengen, maar omdat zij weet dat het lichamelijke alleen goed ontwikkeld kan worden wanneer zij het geestelijke dat aan het lichaam werkt, op een goede manier ontwikkelt. Bij het tandenwisselen vindt er een volledige metamorfose bij het kind plaats. Wat zich daarvoor diep in de lichamelijke organisatie

Blz. 168

versenkt war und in dieser wirkte, wird selbständiges Seelenwesen und das Körperliche wird mehr seinen eigenen Kräften überlassen.
Man hat es deshalb von dem Lebensalter, mit dem das Kind schulmäßig erzogen und unterrichtet werden soll, mit dessen Seele so zu tun, daß man in dieser auf Kräfte trifft, die vorher die bildsa­men Kräfte im Leibe waren. Man wirkt erziehend und unterrich­tend nur, wenn man das im Auge behält. Das Kind nimmt in diesem Lebensalter deswegen noch nicht mit einem abstrakten Verstande auf; es will Bilder erleben, wie es nach Bildern bis zu dieser Lebensepoche am eigenen Leibe gearbeitet hat. Das wird nur erreicht, wenn der Erziehende und Lehrende sich durch das Gemüt auf künstlerische Art zu dem Kinde verhält. Er kann nicht darauf rech­nen, daß das Kind schon verstehe, was er ihm mitteilt. Er sollte so wirken, daß das Kind in Liebe sich in die Bilder, die er auf künstle­rische Weise entfaltet, versenkt. Er sollte für das Kind die selbstver­ständliche Autorität sein. Das Kind kann das Wahre, Gute und Schöne noch nicht deshalb aufnehmen, weil es diese versteht, son­dern es muß für das Kind etwas wahr, gut und schön sein, weil es der geliebte Lehrer oder Erzieher als solches im Bilde vor dem Kinde darstellt.

bevond en daarin actief was, wordt een zelfstandig deel van de ziel en het lichamelijke wordt meer aan zijn eigen krachten overgelaten.
Op de leeftijd waarop het kind in schoolverband opgevoed en onderwezen moet worden, heb je zo met zijn ziel te maken dat je daarin krachten tegenkomt die daarvoor als vormende kracht in het lichaam werkte. Alleen als je dat op het oog hebt, kun je opvoeden en lesgevend werken. Daarom neemt het kind op deze leeftijd nog niet iets op met zijn abstracte verstand; het wil beelden beleven, zoals het volgens beelden tot aan deze leeftijdsfase aan zijn eigen lichaam gewerkt heeft. Dat bereik je alleen, wanner je als opvoeder en leerkracht door je gevoel op een kunstzinnige manier in contact staat met het kind. Hij mag er niet op rekenen dat het kind al begrijpt wat hij hem meedeelt. Hij moet zo werken dat het kind liefdevol opgaat in de beelden die op een kunstzinnige manier gebracht worden. Hij moet voor het kind de vanzelfsprekende autoriteit zijn. Het kind kan het ware, goede en mooie nog niet in zichzelf opnemen vanuit het begrip, maar het moet voor het kind iets waars, goeds en moois zijn, omdat de geliefde leerkracht of opvoeder dit voor het kind in beeld neerzet.

Aus der bildhaften Anschaulichkeit muß alles im Unterrichten und Erziehen herausgeholt sein. Künstlerisch muß aller Unterricht gestaltet sein. Man kann nicht mit dem Lesen beginnen und nicht mit den Buchstabenformen, die in ihrer heutigen Gestalt dem inne­ren Erleben des Menschen fremd sind. Man muß mit einer Art malendem Zeichnen beginnen. Das Kind muß Formen malen und zeichnen, die so ähnlich gewissen Vorgängen und Dingen sind, wie die Zeichen in der Bilderschrift vorzeitiger Völker waren. Bild muß zuerst sein, was das Kind von den Dingen und Vorgängen der Welt fixiert. Dann sollte man vom Bilde zum Buchstabenformen überge­hen, wie die Bilderschrift sich in die abstrakte Zeichenschrift hinein entwickelt hat.
Erst wenn das Kind auf diese Art vom malenden Zeichnen zum Schreiben gekommen ist, sollte man zum Lesen übergehen. Denn in diesem wird nur ein Teil des menschlichen Wesens betätigt: das an

Alle lesgeven en opvoeden moet uit een beeldende aanschouwelijkheid gehaald worden. Het hele onderwijs moet kunstzinnig ingericht worden.
Je kunt niet met lezen beginnen en niet met de lettervormen die in hun tegenwoordige gedaante vreemd zijn voor de innerlijke beleving van de mens. Je moet met een soort schilderend tekenen beginnen. Het kind moet vormen schilderen en tekenen die nog lijken op bepaalde processen en dingen zoals de tekens in het beeldenschrift van vroegere volkeren. Eerst moet het beeld er zijn van wat het kind van de dingen en processen in de wereld vasthoudt. Dan moet je vanuit dit beeld overgaan naar de lettervorm, zoals het beeldschrift zich tot het abstracte symboolschrift heeft ontwikkeld. Pas wanneer het kind op deze manier vanuit het schilderende tekenen tot schrijven is gekomen, moet je overgaan op het lezen. Want hierbij wordt slecht een deel van het mensenwezen actief: de aan

Blz. 169

die Kopforganisation gebundene Auffassen. Im malenden Zeichnen und Schreiben wird auch ein umfassenderer Teil der menschlichen Organisation beteiligt. Man erzieht so den ganzen Menschen, nicht einseitig das Kopfsystem.
Von derselben Haltung sollte alles Erziehen getragen sein bis zu dem zweiten einschneidenden Lebenspunkte in der Entwicklung des Kindes. Dieser liegt im Eintreten der Geschlechtsreife. Auch da metamorphosiert sich nicht nur ein lokaler Teil des menschlichen Organismus, sondern das Menschenwesen als Ganzes. Erst da ent­faltet sich jenes Verhältnis zur Umgebung des Menschen, das in der mehr abstrakten Begriffsbildung sich offenbart. Erst von diesem Zeitpunkte an sollte man auf das freie verstandesmäßige Auffassen bei dem heranwachsenden Menschen rechnen.

hoofdorganisatie gebonden opvatting. Bij het schilderend tekenen en het schrijven wordt een meer omvattend deel van de menselijke organisatie aangesproken. Zo voed je de hele mens op, niet eenzijdig het hoofdsysteem.
Door eenzelfde houding moet de opvoeding gedragen worden tot aan de tweede ingrijpende levensfase in de ontwikkeling van het kind. Die ligt bij het begin van de puberteit. Ook nu metamorfoseert zich niet alleen een lokaal deel van het menselijk organisme, maar de mens als totaliteit. Pas nu komt de relatie met de omgeving tot stand die zich manifesteert in de meer abstracte beeldvorming. Pas vanaf dit tijdstip zou je rekening moeten houden met het vrije verstandsmatige begrijpen.

Vorher sollte alles in bildhafter Form dargeboten sein, bei dessen Erfassung man auf die Liebe zum Bilde beim Kinde rechnet. Mit einem solchen Erziehungswesen hat man das ganze Men­schenleben, nicht nur das kindliche Alter im Auge. Denn es ist et­was ganz anderes, das Kind in bildhafter Art zu beschäftigen, so daß es, was es so aufgenommen hat, später erst versteht, als wenn man im sogenannten Anschauungsunterricht, der aber keiner ist, weil er das Künstlerische nicht in sich hat, frühzeitig nur das Kopf-system einseitig ausbildet. Was im kindlichen Alter veranlagt wird, das tritt in seinen Wirkungen erst im späteren Lebensalter hervor. Ein Kind, das im entsprechenden Alter durch die Bildhaftigkeit gegangen ist, wird ein Mensch, der im Alter noch frisch und lebenstüchtig sein kann; ein Kind, das einseitig zum Verstehen dessen gebracht wird, das man oft dem Kindesalter angemessen glaubt, wird ein Mensch, der früh altert, der anfällig für die krankmachen­den Lebensverhältnisse ist.

Daarvóór moet alles beeldend worden aangeboden en dan reken je erop dat het kind uit liefde voor beelden dit begrijpt. Met een dergelijke opvoeding heb je het hele mensenleven op het oog, niet alleen maar de kinderleeftijd. Want het is heel iets anders het kind op een beeldende manier actief te laten zijn, zodat het, wat het in zich opgenomen heeft, pas later begrijpt, dan wanneer je bij het zogenaamde aanschouwelijkheidsonderwijs, dat het in wezen niet is, omdat het niet kunstzinnig is, al vroeg alleen maar eenzijdig het hoofd aanspreekt. Wat in de kinderleeftijd aangelegd wordt, komt pas op een latere leeftijd als resultaat naar buiten. Een kind dat op de leeftijd die daarvoor in aanmerking komt beelden heeft meegekregen, wordt een mens die wanneer hij op leeftijd is, nog fris en actief kan zijn; een kind dat eenzijdig tot begrippen werd gebracht waarvan men vaak gelooft dat het bij die leeftijd past, wordt een mens die vroeg veroudert, de vatbaar wordt voor ziekmakende levensomstandigheden.

[1] GA 297A [Duits]
[2] GA 297A [Duits]

GA 297Ainhoudsopgave

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

.

2500-2346

.

.

.

.