VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (5-7)

.

In de artikelen over ‘sociale driegelding’ vinden we vaak de naam van Lex Bos. Hij hield zich intensief bezig met Steiners gedachten hierover en werkte vele gezichtspunten tot in het concreet maatschappelijke uit.

Onderstaand artikel stelde hij samen tegen de achtergrond van de vraag: hoe is het werken van Christus in het sociale leven.
Die vraag was onderdeel van een jaarthema van de Allgemein Anthroposophische Gesellschaft. Het antwoord op deze vraag wordt maar niet diepgaand uitgewerkt, maar Bos geeft wel zeer waardevolle opvattingen over hoe het in de maatschappij toegaat en zou kunnen gaan.

Lex Bos, Mededelingen Antr.Ver, in Nederland, 1994 nr 49, 5, blz 5

Hoe kunnen wij in onze samenleving, waarin nog maar weinig over is van de sacramenten die in vroeger tijden het sociale leven beheersten, tot een nieuw christelijk sociaal leven komen? Over deze vraag gaat onderstaand artikel van Lex Bos. Hij werkt hierin, op verzoek van de redactie, met name één aspect uit van de lezing die hij een jaar geleden hield ter afsluiting van de jaarvergadering. Deze stond in het teken van het jaarthema van de Vorstand: ‘Het werken van Christus in het sociale leven.

HET WERKEN VAN CHRISTUS IN HET SOCIALE LEVEN

Het bestuur van de Allgemeine Anthroposophische Gesellschaft in Dornach had voor het jaar 1993-1994 het thema ‘Christuswirken im sozialen Leben’ voorgesteld. In de toelichtende woorden in het jaarboekje wordt onder andere gezegd: Alleen wanneer steeds meer mensen de weg naar het binnenste van de ziel tot de levende Christus vinden, zal hij ook op de juiste wijze in het uiterlijke sociale leven werkzaam kunnen worden.’ Tijdens de Pinksterviering 1993 is in de avondvoordracht over de ‘binnenkant’ van de ziel gesproken: over de deugden van de gewaarwordingsziel, de verstands- of gemoedsziel en de bewustzijnsziel, respectievelijk de verbazing of de interesse, het medelijden of de empathie, het geweten of de verantwoordelijkheid. Uit deze kiemkrachten die we als een Christusgeschenk in de drievoudige ziel kunnen beleven, kan een nieuw christelijk sociaal leven opbloeien. Daarmee richt de blik zich op de ‘buitenkant’ van het vraagstuk.

Hoe verschijnt deze christelijke kwaliteit in het uiterlijke sociale leven? Wat is de eigen aard, de karakteristiek van het sociale handelen?

In het jaarboekje citeert het bestuur twee uitspraken uit voordrachten waarin Rudolf Steiner antwoord geeft op deze vraag:

— Het sociale leven wordt een offerwijdingshandeling die de oude cultische handeling voortzet;

We moeten bij alle handelingen een ‘Gottesdienst erfüllen’, in alles sacramentalisme brengen.

In dit artikel wil ik proberen iets van deze uitspraken begrijpelijk te maken.

Wanneer we de blik naar oudere culturen via de Romeins-Griekse, de Egyptische en de Perzische culturen naar de Indiase, betreden we de wereld van de theocratieën: samenlevingsvormen waarbij de gehele cultuur vanuit een geestelijk-geïnspireerd centrum geleid werd, niet alleen het geestelijke culturele leven zelf, maar ook het sociale leven, zelfs het economische leven had een sociaal karakter, was doortrokken van geboden en regels die geen mensenwerk waren maar een godengeschenk. Het dagelijks leven bestond uit een aaneenschakeling van rituele handelingen: het opstaan, wassen, aankleden, elkaar begroeten, het eten koken, de maaltijden gebruiken, de beroepshandelingen verzorgen, het huis schoonmaken, het naar bed gaan. Die rituele handelingen hadden het karakter van een gebed en waren vervuld van gevoelens van dankbaarheid tegenover de godenwereld.
Het jaarritme werd gedragen door een veelheid van feesten, cultische handelingen, offerdiensten om de goden te danken, hen gunstig te stemmen, hun om hulp vragen. Met name in het beroepsleven bestond een sacramentele basishouding: het omgaan met de aarde en het transformeren daarvan was een heilige aangelegenheid. Elk beroep had zijn eigen ‘alchemie’ waarvan de wetmatigheden door de goden geopenbaard waren. Dat gold voor de landbouwer in het oude Azië, voor de papiermaker in Egypte, voor de tempelschrijver in Assyrië, voor de steenhouwer, voor de timmerman, voor de wever en voor alle andere beroepen.

WE KUNNEN DE HIER BESCHREVEN theocratische kwaliteit van de samenleving nog volgen tot ver in de middeleeuwen. Alle kunst was religieuze kunst; alle wetenschap was in feite theocratie; alle beroepen hadden hun schutspatroon; de kerk was het middelpunt van de stad; het dagelijks leven kreeg zijn ritme door het klokgelui, het jaar door de religieuze feesten. In zogenaamde primitieve culturen en ook in Oost-Azië kan men tot op heden deze karakteristiek nog tegenkomen: de begroetingsceremonie, de theedrinkcultuur, de huisaltaartjes met de vele dagelijkse offerhandelingen, het korte gebed van de jager voor hij zijn prooi schiet, de dankfeesten na de oogst en dergelijke meer.
In feite zijn dat de laatste resten van een bewustzijnstoestand die voorbij is, van sociale structuren die verouderd zijn, van leefwijzen die niet meer bij ons passen. Met het ontwaken van de bewustzijnsziel zien we de cultuur haar geestelijke oriëntatie, haar spirituele inspiratie verliezen. Daarmee slaat op alle levensgebieden de secularisatie en de profanering toe. De relatie tot het sacrament verdwijnt. Het centrale woord uit de mis (‘hoe est corpus’) dat gesproken wordt wanneer het brood verwandeld wordt, wordt geridiculiseerd tot een toverspreuk: hocuspocus! De sacramentele alchemie wordt tot chemische laboratoriumtechniek. Wat vroeger nog agricultuur was (de woorden cultuur en cultus hebben dezelfde stam, alle cultuur was vroeger cultisch!) wordt bio-industrie. Wat vroeger nog een reiscultuur was -te voet of in een koets door het landschap, de natuur belevend en mensen ontmoetend — wordt tot massatoerisme met jets en zonnige stranden of geprogrammeerde-sight-seeing. Had het eten en drinken vroeger nog iets heiligs binnen de beslotenheid van de familie, de volledige secularisatie op dit gebied eindigt bij McDonald en Coca Cola. Ook het seksuele leven onttrekt zich niet aan dit proces: van tempelslaap tot seksshop en porno. En de begroetingscultuur van het oude mantrische evoë wordt tot Hoi en Doei.

Te midden van deze culturele erosie houden zich nog sommige tradities, rituelen en ceremoniën overeind als laatste herinnering aan een theocratisch verleden: inauguratieceremoniën, promotierituelen, christelijke jaarfeesten (die eigenlijk alleen nog maar vrije dagen en consumptiehoogtepunten zijn), verjaardagen (met een bloemetje en een cadeautje), onderhandelingsrituelen (vooral nog levend bij oosterse volkeren) en religieuze gebruiken bij geboorte, maaltijden, huwelijk en sterven. Maar ook deze zijn onderhevig aan slijtage en ontberen meer en meer hun innerlijke vulling en hun spirituele oriëntatie.

Ik heb dit proces van secularisatie en profanering niet geschreven uit een stemming van nostalgie, hoewel de barbarij waarin veel van de vroegere cultuur ontaard is, daartoe aanleiding kan geven. We moeten dit proces kunnen zien in het teken van de vrijwording, de emancipatie, het ontwaken van de eigen innerlijke spiritualiteit. Het oude moet door een doodsproces heengaan om in vrijheid door de mens heen nieuw geboren te kunnen worden. We staan voor de taak uit een nieuwe innerlijke inspiratiebron de samenleving weer tot cultuur te maken, de samenleving opnieuw te sacramentaliseren.[1]

Ik denk dat het daarbij om kleine stapjes gaat, om het creëren van kleine cultuurgebieden in de ruimte, in de tijd, in de eigen ziel, wetend dat daarbuiten de erosie nog volop aanwezig is.

Het gaat daarbij mijns inziens voornamelijk om drie dingen:

Aanwezig zijn in de situatie. Tegenwoordigheid van geest in de meest letterlijke zin. Eigenlijk gaat het hier tegelijk om de kwaliteit van onzelfzuchtigheid. Voor zover je zelfzuchtig bent, ben je niet in de situatie maar in jezelf. Dan wordt een cultische handeling onwaar.

Voorbereiding. Iets sacramenteels ontstaat niet zo maar. Daar moet je naar toe leven, daar moeten condities en vormen voor worden geschapen, innerlijk en uiterlijk.

Spirituele oriëntatie. Voor het eigen bewustzijn moet in het handelen een relatie bestaan tot een geestelijke werkelijkheid, tot iets wezenlijks in de letterlijke zin van het woord.

VANUIT DEZE DRIE ELEMENTEN kunnen we proberen een ‘christelijke infrastructuur’ te scheppen, om het in de woorden van Bernard Lievegoed te zeggen. Waar zouden we die kunnen vinden? Ik noem een paar voorbeelden.

Een aantal grote cultuurplaatsen vinden we in de antroposofische werkgebieden. Ik denk daarbij aan de heilpedagogische instituutscultuur, aan de onderwijscultuur in “De Vrije Scholen, aan het nieuwe sacramentalisme in de biologisch-dynamische landbouw en de antroposofische geneesmiddelenbereiding, aan de cultische kwaliteit van de euritmie en andere geestelijk georiënteerde kunstuitingen.

Bij het zoeken naar kleinere, minder geïnstitutionaliseerde plaatsen waar een nieuwe cultuur ontstaat, kunnen we denken aan:

Gezinscultuur. Dit begrip wordt in antroposofische kringen veel gebezigd. Het omvat een groot aantal deellandschappen zoals de cultuur van het koken, eten, slaapvoorbereiding, speelgoed en verjaardagen. Er is daar genoeg over geschreven en in gepraktiseerd. Ik volsta met het gebied te noemen.

Grens- of drempelcultuur. Met grens of drempel is hier niet bedoeld ‘Die Schwelle’ in esoterische zin, maar de grenzen in ruimte, tijd en soorten activiteit, bijvoorbeeld het betreden en verlaten van een ruimte. Ook het aanbellen en voeten vegen hoort daarbij! Of het nu om het betreden van de ruimte van de groepsavond is of het betreden van andermans woon- of werkruimte; je gaat over een drempel en aan gene zijde is het anders met betrekking tot wat je zegt, hoe je je gedraagt, hoe je je kleedt, enz. En dat vraagt een moment van extra bewustzijn. Dat wordt ons soms moeilijk gemaakt. In Hoog Catharijne in Utrecht weet je op een bepaald moment niet meer of je nog in het station bent, op de ‘openbare weg’ of ongemerkt al in een winkel. En overal gaan deuren automatisch open en dicht. De drempels vervagen en daarmee het bewustzijn voor de geleding van het sociale leven met betrekking tot de ruimte waarin het zich afspeelt. Als we opbellen beseffen we vaak te weinig dat we daarmee zonder kloppen andermans ruimte binnendringen. Hoe vaak beginnen we niet met onze boodschap zonder te vragen of het stoort? En hetzelfde geldt voor het verlaten van een ruimte: men kan zich daarbij een klein, al is het maar innerlijk ‘ceremonieel’ voorstellen, in de zin van: wat voor ruimte laat ik hoe voor wie achter?

Het openen en sluiten van een groepsavond, een vergadering, een gesprek. Ook. daarbij ga je over een drempel en betreed je een nieuwe sociale ruimte. Met welk bewustzijn doe je dat, welk ritueel verbind je ermee, hoe is dat voorbereid? (Ook uiterlijk, koffiekopjes van tafel voor je met het eigenlijke werk begint!)

De cultuur van festivals, congressen, conferenties en vergaderingen. Mensen komen voor korte of langere tijd bijeen. Hoe gaan ze daar met elkaar om, hoe luisteren ze naar elkaar, met welk ‘commitmenf of welke vrijblijvendheid nemen zij aan werkgroepen deel, hoe kunstzinnig is het dagritme, hoe is de aankleding van de ruimte en de materiële verzorging? Ik denk hierbij aan de poging van Miha Pogacnik om met het Idriart-initiatief een nieuwe festivalcultuur te introduceren; ik denk aan de zorgvuldige wijze waarop Rudolf Steiner het Pinkstercongres in München inrichtte en aan de vele pogingen van leden om jaarfeesten en conferenties en ook kortere bijeenkomsten tot spirituele gebeurtenissen te maken. Zou zo’n spirituele gebeurtenis het karakter kunnen hebben van ‘een omgekeerde cultus’?

Tot zover mijn voorbeelden. Ieder kan ze naar believen aanvullen, van water geven aan kamerplanten en het opslaan van een boek tot en met momenten dat men ineens het gevoel heeft dat het leven zelf één groot mysteriedrama is waarin men zelf als priester celebreert.

Ik wil nog op twee schaduwzijden wijzen. Elk ritueel, elke cultische handeling kan tot routine worden en daarmee wordt ze onwaar en onwerkzaam: een spreuk zeggen, een kaars aansteken, een minuut stilte, een krans leggen, alles moet steeds opnieuw gewild en bewust gedaan worden!

Het andere gevaar is het misbruik van het ritueel ten behoeve van manipulatie. In het Derde Rijk is met het ritueel van de vlaggen, de groet, de liederen, de parades en dergelijke een ware magie bedreven. Maar ook in het bedrijfsleven wordt het ritueel gebruikt om mensen te binden en ontzag voor de leiding af te dwingen: het rituele uitreiken van lintjes en decoraties, het vieren van jubilea, het protocol in de hogere kringen, de glans van bepaalde statussymbolen, het zijn even zovele karikaturen van wat in dit artikel bedoeld wordt.

IK KOM TENSLOTTE NOG EEN KEER TERUG op het citaat uit het begin: het sociale leven moet het karakter krijgen van een ‘offerwijdingshandeling’. Laten we dat woord nog eens precies bekijken en het in verband brengen met de eerder genoemde drie deugden.

Onzelfzuchtige interesse heeft de kwaliteit van aandacht, eerbied, toewijding, religieuze overgave. Empathie, medelijden, erkenning vraagt om een volledig uitschakelen van de eigen sympathie- en antipathiekrachten, om een offeren van de eigenheid om ruimte te maken voor de ander. Bij het handelen in het sociale gaat het altijd om het dienend handelen. Is met mijn handelen de ander gediend, is mijn handelen een antwoord op een vraag? Wat zijn de consequenties voor de ander? Daarbij worden de hoogste gewetenskrachten aangesproken. Het mantrische woord ‘offerwijdingshandeling’ blijkt een drieluik te zijn waardoor de drie eerder genoemde sociale kiemkrachten in de ziel in het blikveld verschijnen.

In de toespraak die Rudolf Steiner op 26 september 1920 (nog niet in een GA opgenomen) houdt bij het begin van de eerste ‘Anthroposophische Hochschulkurs’ in het Goetheanum spreekt hij over kunst, wetenschap en religie. In de loop van die toespraak ontstaat een nieuw perspectief, namelijk dat van kunst, wetenschap en een religieus-sociaal willen. Daarmee duidt hij aan dat het sociale leven in de toekomst steeds meer een religieus karakter moet krijgen. Reeds in 1918 in de voordracht ‘Was tut der Engel in unserem Astralleib?’ (9 oktober 1918; De werking van de engelen, uit GA 182) duidt Rudolf Steiner in deze richting wanneer hij zegt dat in de toekomst ‘iedere ontmoeting van mens tot mens een religieuze handeling, een sacrament [zal] zijn. En om het religieuze leven in stand te houden zal niemand een aparte kerk met instituties op het fysieke plan nodig hebben.’

In dit artikel heb ik getracht het landschap te verkennen dat opdoemt wanneer het sociale leven een religieuze kwaliteit krijgt. Ik denk dat het ceremoniële, het rituele, het cultische en het sacramentele gradaties van dit religieuze zijn. Er ligt nog een lange weg voor ons om hierin helderheid te krijgen, maar vooral om dit tot levenspraktijk om te vormen. De voorbeelden in dit artikel mogen zichtbaar hebben gemaakt dat op allerlei plaatsen deze weg reeds oefenend gegaan wordt.

[1] Het is mij tot nu toe niet gelukt om helder te krijgen wat precies het verschil is tussen  sacramenteel, cultisch, ritueel en ceremonieel. Wie helpt daarbij? In dit artikel gebruik ik de begrippen door elkaar,

.
Sociale driegeleding: alle artikelen

Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

2410

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.